RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2020/7
ALLEENWONENDEN IN HET VLAAMSE GEWEST: VERSCHUIVINGEN TUSSEN 1990 EN 2020 MARTINE CORIJN & JAN PICKERY
INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1
ALLEENWONENDEN IN 1990 EN 2020
7
1.1 Aantal alleenwonenden
7
1.2 Profiel van alleenwonenden
13
2
17
GAAN ALLEENWONEN IN 1996 EN 2019
2.1 Profiel bij gaan alleenwonen
17
2.2 Aanleidingen tot gaan alleenwonen
20
3
27
OPHOUDEN MET ALLEENWONEN IN 1996 EN 2019
3.1 Profiel bij ophouden met alleenwonen
27
3.2 Aanleidingen tot ophouden met alleenwonen
34
BESLUIT
35
LITERATUURLIJST 37
ALLEENWONENDEN IN HET VLAAMSE GEWEST: VERSCHUIVINGEN TUSSEN 1990 EN 2020 MARTINE CORIJN & JAN PICKERY
SAMENVATTING In het Vlaamse Gewest is in de periode 1990-2020 het aantal alleenwonenden veel sterker toegenomen dan het aantal volwassenen. De sterke toename van het aantal alleenwonenden ging gepaard met een wijziging van hun profiel. Anno 2020 bestaat de groep alleenwonenden meer dan in 1990 uit mannen, uit vijftigers, uit jongere ongehuwde en oudere gescheiden personen. Bij de jongere alleenwonenden valt de toename van het aantal nietBelgen op. En meer dan voorheen wonen alleenwonenden nu ook buiten de centrumsteden. Het percentage volwassenen dat op jaarbasis gaat alleenwonen is
de voorbije 3 decennia slechts in zeer geringe mate toegenomen. De aanleidingen om alleen te gaan wonen zijn doorheen de tijd wel veranderd. Men doet dit minder omwille van het verlaten van het ouderlijke huis, maar vaker na een scheiding. Bovendien stromen meer alleenwonenden vanuit een ander gewest of vanuit het buitenland binnen in het Vlaamse Gewest. Het percentage alleenwonenden dat op jaarbasis ophoudt met alleen te wonen, is de voorbije 2 decennia niet gewijzigd. Ook de aanleidingen om op te houden met alleen te wonen zijn amper veranderd.
INLEIDING In het Vlaamse Gewest woonde begin 2020 bijna 1 op de 5 volwassenen alleen. De voorbije decennia steeg het aantal alleenwonenden veel sterker dan het aantal volwassenen (Lodewijckx, 2016; Lodewijckx & Luyten, 2017). Ook de komende jaren verwacht men een verdere stijging van het aantal alleenwonenden (Federaal Planbureau & Statbel, 2020; Statistiek Vlaanderen, 2017). Het aantal alleenwonenden en het aantal volwassenen in het Vlaamse Gewest op 1 januari van elk jaar worden door Statistiek Vlaanderen ontsloten op www. statistiekvlaanderen.be/nl/bevolking. De toename van het aantal alleen wonenden tekent zich af in heel wat landen (Esteve e.a., 2019; Reher & Requena, 2018). Doorheen de levensloop komen voor velen kortere of langere periodes van alleenwonen voor. Uit een recent rapport van Statistiek Vlaanderen blijkt dat in 2018 in het Vlaamse Gewest 1 op de 8 alleenwonenden ophield met zo te wonen en dat 1 op de 50 volwassenen ging alleenwonen (Corijn & Pickery, 2020b). Ander recent onderzoek geeft aan dat in België de helft van de alleenwonenden al meer dan 10 jaar alleenwoont. 6% ervaart het alleenwonen als een bewuste keuze en 81% noemt het een gevolg van omstandigheden (Dejonghe, 2020). Veranderde patronen van relatieen gezinsvorming en -ontbinding, nieuwe trends inzake migratie en de voortschrijdende veroudering van de bevolking brengen met zich mee dat volwassenen de groep alleenwonenden vervoegen en dat volwassenen de groep alleenwonenden verlaten. Vraag is of door deze veranderingen in de voorbije decennia de alleenwonenden van vandaag nog dezelfde kenmerken hebben als de alleenwonenden van vroeger.
De bevolking kan worden opgedeeld naar kenmerken zoals geslacht, leeftijdsgroep, burgerlijke staat, nationaliteit en woonplaats. In deel 1 van dit rapport worden 2 vragen beantwoord die deze kenmerken in rekening brengen: • Was de toename van de alleenwonenden sinds 1990 in elke groep (per kenmerk) even sterk? • Hebben de alleenwonenden van nu hetzelfde profiel (kenmerken) als deze van 30 jaar geleden? In deel 2 wordt berekend hoeveel volwassenen en welke volwassenen in de loop van een jaar gaan alleenwonen. Er wordt ook nader gepreciseerd waarom volwassenen alleen gaan wonen. In deel 3 ten slotte wordt berekend hoeveel volwassenen en welke volwassenen in de loop van een jaar ophouden met alleen te wonen. Ook hier wordt gepreciseerd waarom ze dit doen. De berekeningen in deel 2 en 3 gebeuren voor 2019 en voor 1996 waardoor eventuele veranderingen doorheen de tijd aan het licht kunnen komen. De vragen worden beantwoord aan de hand van gegevens van de bevolking in het Vlaamse Gewest zoals geregistreerd in het Rijksregister en verwerkt door het Belgische statistiekbureau Statbel. Centraal staan gegevens inzake de huishoudpositie van de volwassen inwoners en inzake enkele andere kenmerken. Gegevens inzake overlijdens en inzake migraties naar het Vlaamse Gewest en vanuit het Vlaamse Gewest bieden bijkomende informatie (zie Bijlage 1). De focus ligt op de groep alleenwonenden. Vergelijkingen met volwassenen die niet alleen wonen kwamen aan bod in eerdere rapporten van Statistiek Vlaanderen (Corijn & Pickery, 2020a,2020b, 2020c).
5
1.
ALLEENWONENDEN IN 1990 EN 2020 1
De beschrijving van de evolutie van het aantal alleenwonenden in het Vlaamse Gewest krijgt een meerwaarde als ook wordt nagegaan of de kenmerken van de alleenwonenden doorheen de tijd zijn veranderd. Rijksregisterdata betreffen de officieel geregistreerde positie van een persoon in een huishouden en niet over zijn/haar feitelijke positie. Een jongvolwassene kan bijvoorbeeld feitelijk alleenwonen, maar officieel bij de ouders ingeschreven zijn.
1.1 AANTAL ALLEENWONENDEN De toename van het aantal alleenwonenden in het Vlaamse Gewest wordt goed opgevolgd (Lodewijckx, 2016, 2017). Figuur 1 schetst de verdeling van de volwassen bevolking naar huishoudpositie (zie Bijlage 1). In 1990 woonden 0,55 miljoen volwassenen alleen, in 2020 0,91 miljoen. Proportioneel uitgedrukt gaat het om een stijging van 12% alleenwonenden binnen de volwassen inwoners naar 17%. Dit gaat samen met een daling van het percentage dat met een partner samenwoont. Figuur 1. Huishoudposities van volwassenen Vlaams Gewest, 1990-2020, aantal
Wonend bij ouder(s)
Alleenwonend
Overige huishoudpositie
Samenwonend met partner
Alleenstaande ouder
Bewoner collectief huishouden
78051 78393 79309 79047 77547 192114 76408 186500 75319 181724 75080 178072 75171 174619 74867 170914 167422 74523 165081 158316 233499 73905 231817 153486 72856 230168 228170 150211 72969 225808 147473 71814 223573 221869 72132 143420 219005 71411 216480 140010 72092 213902 137619 72466 72329 135660 212176 72406 133724 70344 208430 132719 68532 130577 205712 67296 128209 66330 203639 128079 64267 127955 62733 201058 60456 128807 197587 130995 57180 193511 131142 53005 188094 130697 183530 50960 131509 179005 130610 175862 130228 172141 131376 168417 164352 134549 161173 158063 154806 152033 149281 147812 146793 4000000 5000000
3289242 3275591 3263693 3252970 3240541 3231085 3218597 3212445 3208880 3197280 3170145 3000000 3159057 3138855 3118690 3102969 3090075 3081367 3079728 3076029 3071668 3071019 3070811 3068924 3066025 3060477 3054529 3044590 3033914 3019018 2997964 2969783 2000000 912021 896838 882912 868640 857197 848524 834083 824693 815123 801878 793188 1000000 778695 766151 752184 739212 725635 713157 697736 681830 668696 652508 638778 624162 609744 595311 551134 558069 587610 572158 564293 578369 645819 645161 644736 643554 642765 642474 641253 639166 638879 636397 632544 633106 626898 626314 623596 619247 619284 618947 618715 618582 618697 617175 616571 616398 616313 616679 616530 616204 615627 615124 615410 1990
1995
2000
2005
2010
2015
2020
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In de periode 1990-2020 was de toename van het aantal alleenwonenden (+65%) sterker dan de toename van het aantal volwassenen (+19%) (figuur 2 en Bijlage 2 en 3). De toename van het aantal alleenwonenden bedroeg 18% in 1990-2000, 22% in 2000-2010 en 15% in 2010-2020. De sterkste toename lag dus in het eerste decennium van deze eeuw. De toename van de volwassen bevolking bedroeg in de 3 decennia respectievelijk 5%, 7% en 6%.
7
Figuur 2. Volwassenen en alleenwonenden Vlaams Gewest, 1990-2020, index (1990=100) Alleenwonenden
Volwassenen
170 160 150 140 130 120 110 100 1990
1995
2000
2005
2010
2015
2020
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De globale stijging van het aantal alleenwonenden berust op diverse onderliggende trends naargelang de leeftijdsgroep en het geslacht (figuur 3). Het gaat bijvoorbeeld om een continue stijging van het aantal alleenwonenden (zoals bij de vijftigers), om een ombuiging van een stijging naar een daling (zoals bij de vrouwelijke zeventigers), om een stabilisering van het aantal na een stijging (zoals bij de mannelijke dertigers) en om een stijging na een stabiele periode (zoals bij de vrouwelijke negentig-plussers). Het aantal alleenwonenden per leeftijdsgroep in 1990, 2000, 2010 en 2020 is opgenomen Bijlage 3. Figuur 3a. Alleenwonende mannen per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 1990-2020, aantal 18-24 j
25-29 j
30-39 j
40-49 j
50-59 j
60-69 j
70-79 j
80-89 j
90 j en ouder 80.000
60.000
40.000
20.000
0 1990
1995
2000
Bron: Statbel: bewerking Statistiek Vlaanderen
2005
2010
2015
2020
Figuur 3b. Alleenwonende vrouwen per leeftijdsgroep Vlaams Gewest, 1990-2020, aantal 18-24 j
25-29 j
30-39 j
40-49 j
50-59 j
60-69 j
70-79 j
80-89 j
90 j en ouder 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0 1990
1995
2000
2005
2010
2015
2020
Bron: Statbel: bewerking Statistiek Vlaanderen
Binnen een leeftijdsgroep hangt de toename van het aantal alleenwonenden deels samen met de toename van het aantal inwoners in de betreffende leeftijdsgroep. De globale toename van de volwassen bevolking tussen 1990 en 2020 (+19%), is het resultaat van percentages die naargelang van de leeftijdsgroep variëren van een beperkte negatieve groei bij de jongere groepen (-14% bij 18- tot 29-jarigen) tot een enorme positieve groei bij de oudere groepen (+365% bij 90-plussers) (zie Bijlage 2). In de periode 1990-2020 groeide het aantal alleenwonenden met ongeveer 210.000 mannen en 150.000 vrouwen. De grootste absolute toename bij mannen gebeurde bij de vijftigers (+52.000) en bij vrouwen bij de tachtigers (+38.000) (figuur 4). De globale procentuele toename van het aantal alleenwonenden (+65%) berust op een veel grotere toename bij mannen (+93%) dan bij vrouwen (+46%) (zie Bijlage 3). De procentuele toename was bij mannen het grootst bij 90-plussers (+286%, terwijl de leeftijdsgroep toenam met 265%: zie Bijlage 2). Bij de jongste leeftijdsgroep kromp de groep alleenwonende vrouwen (-19%) en groeide de groep alleenwonende mannen (+12%). Tussen de leeftijd van 25 tot 79 jaar is de toename van het aantal alleenwonenden vooral toe te schrijven aan de mannen. Enkel vanaf de leeftijd van 80 jaar is de toename vooral toe te schrijven aan de vrouwen. Tussen 1990 en 2020 steeg vooral de gemiddelde leeftijd van de alleenwonende mannen (van 50,2 jaar naar 52,9 jaar). Bij de vrouwen was de stijging geringer (van 63,6 jaar naar 64,2 jaar).
9
Figuur 4. Toe- of afname van alleenwonenden naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, verandering tussen 1990 en 2020, aantal Mannen 18-24 jaar
Vrouwen −2.834
1.785
25-29 jaar
10.246
6.836
30-39 jaar
26.897
15.429
40-49 jaar
39.354
16.634
50-59 jaar
52.296
31.469
60-69 jaar
38.113
19.291
70-79 jaar
20.264
80-89 jaar
15.695
90 jaar en ouder
5.601
8.415 38.194 17.202
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Door het uitstel of afstel van een huwelijk, door de toename van het aantal echtscheidingen en door de toegenomen levensverwachting is de samenstelling van de volwassen bevolking in het Vlaamse Gewest naar burgerlijke staat sinds 1990 sterk gewijzigd (zie Bijlage 2). Bij de 18- tot 59-jarigen nam het aantal gehuwden en verweduwden sterk af, bij de groep van 60 jaar en ouder nam het aantal gescheiden personen zeer sterk toe. Deze veranderingen zijn ook zichtbaar bij de alleenwonenden. De toename van het aantal alleenwonenden sinds 1990 is vooral een zaak van ongehuwde mannen jonger dan 60 jaar (figuur 5 en Bijlage 3). Hun aantal nam toe met 121.000. Dat is een ruime verdubbeling (+144%). Het aantal ongehuwde alleenwonende vrouwen nam toe met 59.000. Dat is bijna een verdubbeling (+88%). Bij de gescheiden personen was de toename van het aantal alleenwonenden geringer en was ze bij mannen en vrouwen minder uiteenlopend. Dit betrof echter bij vrouwen een ruime verdubbeling (+128%) en bij mannen een bijna verdubbeling (+80%). Bij de gehuwde personen lijkt alleenwonen niet zo voor de hand liggend. De ruime halvering van het aantal gehuwde alleenwonenden komt onder meer door de verkorting van de echtscheidingsprocedure, waardoor gehuwden die uit elkaar gingen en alleenwonend werden sneller hun burgerlijke staat konden wijzigen. Bij de verweduwden betekende de daling met 11.000 alleenwonenden een ruime halvering van het aantal. De toegenomen levensverwachting reduceerde sterk het aantal jongere verweduwden (zie Bijlage 2) en deze groep was minder alleenwonend. Bij de personen van 60 jaar en ouder was de toename van de alleenwonenden grotendeels toe te schrijven aan de gescheiden personen: +116.000. Relatief gezien is hun aantal bijna verachtvoudigd . Bij de oudere verweduwden betekende de toename met bijna 24.000 alleenwonenden een beperkte relatieve stijging (+10%).
Figuur 5. Toe- of afname van alleenwonenden naar burgerlijke staat per leeftijdsgroep en geslacht Vlaams Gewest, verandering tussen 1990 en 2020, aantal
Mannen 18-59 jaar
60 jaar en ouder
Ongehuwd
121.292
Gehuwd
−17.499
Gescheiden
30.060 2.025 29.423
49.530
−2.520
Verweduwd
10.452
Vrouwen 18-59 jaar Ongehuwd
59.086
Gehuwd
−9.812
Gescheiden
60 jaar en ouder 21.319 1.722 27.285
66.426
−9.025
Verweduwd
13.239
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In de volwassen bevolking van het Vlaamse Gewest nam sinds 1990 de groep met een niet-Belgische nationaliteit toe met bijna 315.000 (+184% tegenover +17% bij de groep met een Belgische nationaliteit) (zie Bijlage 2). De toename van het aantal alleenwonende niet-Belgen van 18 tot 59 jaar is veel groter bij mannen (+29.000) dan bij vrouwen (+14.000). De procentuele toename is echter nagenoeg even groot (respectievelijk +188% en +216%) (figuur 6 en Bijlage 2). Op deze leeftijd was de toename van het aantal alleenwonenden bij niet-Belgen gelijklopend met die van het totale aantal niet-Belgen (zie Bijlage 2). Bij de bevolking van 60 jaar en ouder is de toename van het aantal niet-Belgische alleenwonenden veel geringer (+9.000). Dit betekent echter wel ruimschoots een verdubbeling (de groep niet-Belgische inwoners van deze leeftijd verdrievoudigde, zie Bijlage 2). Figuur 6. Toe- of afname van alleenwonenden naar nationaliteit per leeftijdsgroep en geslacht Vlaams Gewest, verandering tussen 1990 en 2020, aantal
18-59 jaar Mannen Belg
101.202
Niet-Belg
29.376
Vrouwen 53.633 13.901
60 jaar en ouder
Belg Niet-Belg
Mannen
Vrouwen
75.127
78.317
4.546
4.785
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
11
In het Vlaamse Gewest is alleenwonen vooral een stedelijk fenomeen, alsook een leefvorm die vaker voorkomt in de kustgemeenten (Lodewijckx, 2016). Dit was zo in 1990 en in 2020 (zie Bijlage 4). De toename van het aantal alleenwonenden sinds 1990 is vooral merkbaar buiten de centrumsteden: bijna +300.000 (+96%) (kaart 1). Naargelang van de gemeente treedt een grote variatie op in deze toename. Sommige gemeenten behielden eenzelfde aantal alleenwonenden (bijvoorbeeld Vilvoorde), in andere gemeenten trad bijna een verviervoudiging van het aantal alleenwonenden op (bijvoorbeeld Opglabbeek). De sterkste toenames van het aantal alleenwonenden bevinden zich in gemeenten van de provincies Limburg en Antwerpen. In de 13 Vlaamse centrumsteden groeide het aantal alleenwonenden met bijna 62.000 (+26%) (figuur 7). In Antwerpen was er amper een procentuele toename (+3%) en in Gent en Leuven was die toename gering (beiden +19%). Aalst, Sint-Niklaas, Turnhout, Hasselt, Genk en Roeselare zijn centrumsteden waar het aantal alleenwonenden sinds 1990 bijna verdubbelde. Enkel in Roeselare en Hasselt ging die groei van het aantal alleenwonenden gepaard met een sterke toename van het aantal volwassenen inwoners in de stad (zie Bijlage 2). Figuur 7. Toe- of afname van alleenwonenden naar woonplaats Centrumsteden van Vlaams Gewest, verandering tussen 1990 en 2020, aantal
Kortrijk
2.131
Antwerpen
2.917
Turnhout
3.358
Mechelen
3.378
Genk
3.852
Leuven
3.888
Oostende
4.218
Sint-Niklaas
5.239
Roeselare
5.334
Brugge
5.480
Aalst
6.900
Hasselt
6.923
Gent
8.049 0
1.000
2.000
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
8.000
Kaart 1. Toename van alleenwonenden Gemeenten van Vlaams Gewest, 1990-2020, index (1990=100)
<150
150-<180
180-<210
210-<240
>=240
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
1.2 PROFIEL VAN ALLEENWONENDEN De vraag is of de diverse veranderingen van het aantal alleenwonenden bij de onderscheiden groepen het profiel van de alleenwonenden in het Vlaamse Gewest hebben veranderd. Naar geslacht is de groep alleenwonenden doorheen de tijd veranderd: In 1990 was 41% van de alleenwonenden een man, in 2020 was dat gestegen tot 48%. Ook de leeftijd van de alleenwonenden is gewijzigd (figuur 8). De groep mannelijke alleenwonenden bestaat recent relatief gezien minder uit jongere (< 40 jaar) mannen dan in 1990. De groep vrouwelijke alleenwonenden bestaat recent relatief gezien minder uit zestigers en zeventigers. Zowel bij de mannelijke als bij de vrouwelijke alleenwonenden is het percentage vijftigers sterk toegenomen. Bijna 1 op de 5 alleenwonende mannen en bijna 1 op de 7 alleenwonende vrouwen is nu een vijftiger. Dit sluit deels aan bij de sterke globale groei van de groep vijftigers in de voorbije decennia (zie Bijlage 2). Bij alleenwonende mannen vormen de vijftigers nu de grootste groep, vroeger waren dat de dertigers. Bij alleenwonende vrouwen is de groep van 80 jaar en ouder nu de grootste groep, vroeger waren dat de zeventigers.
13
Figuur 8. Alleenwonenden naar leeftijdsgroep en geslacht Vlaams Gewest, 1990 en 2020, in % Mannen 1990
Mannen 2020
Vrouwen 1990
Vrouwen 2020
18-24 jaar
7
25-29 jaar
12
9
6
5
30-39 jaar
20
17
7
8
40-49 jaar
15
17
5
7
50-59 jaar
14
19
10
13
60-69 jaar
14
16
22
19
70-79 jaar
11
10
26
20
80-89 jaar
7
8
18
20
90 jaar en ouder
1
4
5
2
3
2
5
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het profiel van de alleenwonenden naar burgerlijke staat is de voorbije 3 decennia op jongere leeftijd op een andere wijze veranderd dan op latere leeftijd (figuur 9). Op jongere leeftijd (jonger dan 60 jaar) zijn alleenwonenden anno 2020 vooral ongehuwden en minder verweduwden (vooral minder weduwes). Door de versnelling van de echtscheidingsprocedures zijn er ook minder (nog officieel) gehuwde alleenwonenden. Op latere leeftijd (60 jaar en ouder) is er anno 2020 een grotere groep gescheiden alleenwonende mannen. Hierdoor zijn er vooral relatief gezien minder alleenwonende weduwnaars. Een derde van de oudere alleenwonenden is anno 2020 gescheiden en een derde is weduwnaar. Op latere leeftijd blijven alleenwonende vrouwen overwegend weduwes, het percentage gescheiden vrouwen is wel toegenomen (tot 25%). Figuur 9. Alleenwonenden naar burgerlijke staat per leeftijdsgroep en geslacht Vlaams Gewest, 1990 en 2020, in %
18-59 jaar Mannen 1990
Mannen 2020
Ongehuwd
53
71
Gehuwd
20
4
Gescheiden
24
24
Verweduwd
3
1
Vrouwen 1990 49
Vrouwen 2020 64
15 20
4 28
15
4
60 jaar en ouder Mannen 1990 Ongehuwd Gehuwd Gescheiden Verweduwd
Mannen 2020
23
23
7
5
9 61
Vrouwen 1990
Vrouwen 2020
11
9
2
2
36
4
25
37
83
64
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Vooral bij de alleenwonenden jonger dan 60 jaar is er een toename van nietBelgen (figuur 10). Bij de 18- tot 24-jarigen bijvoorbeeld was in 1990 15% van de alleenwonende mannen een niet-Belg, in 2020 was dat 39%. Bij de vrouwen betreft het een stijging van 12% naar 34%. Op latere leeftijd (60 jaar en ouder) veranderde het profiel van de alleenwonenden naar nationaliteit minder. Figuur 10. Alleenwonenden naar nationaliteit per leeftijdsgroep en geslacht Vlaams Gewest, 1990 en 2020, in %
18-59 jaar Mannen 1990 Belg
90
Niet-Belg
Mannen 2020 84
10
Vrouwen 1990 94
16
Vrouwen 2020 88
6
12
60 jaar en ouder Mannen 1990
Mannen 2020
Vrouwen 1990
Vrouwen 2020
Belg
97
96
99
97
Niet-Belg
3
4
2
3
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het profiel van de alleenwonenden naar woonplaats (figuur 11) is gewijzigd. In 1990 woonde 44% van alle alleenwonenden in 1 van de 13 Vlaamse centrumsteden (waarvan 18% in Antwerpen). In 2020 was dit aandeel gedaald tot 33% (waarvan 11% in Antwerpen). Alleenwonenden leven dus minder dan voorheen in de centrumsteden. Figuur 11. Alleenwonenden naar woonplaats Vlaams Gewest, 1990 en 2020, in %
Antwerpen 1990 2020
18
Gent 8
11
5
Overige centrumsteden
Overige gemeenten
18
56
16
67
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De Census van 2011 leert dat in het Vlaamse Gewest het opleidingsniveau van alleenwonenden lager is dan dat van de algemene bevolking (Eurostat, 2014).
15
2.
GAAN ALLEENWONEN IN 1996 EN 2019 2
Aan de basis van het veranderde profiel van de alleenwonenden in de voorbije decennia liggen enerzijds keuzes van de betrokkenen: de keuze om het ouderlijke huis te verlaten en alleen te gaan wonen, de keuze om niet meer met een partner samen te wonen, de keuze om als alleenwonende naar het Vlaamse Gewest te immigreren of uit het Vlaamse Gewest te emigreren. Anderzijds is alleen komen te wonen een gevolg van keuzes van anderen (als de partner bij een paar zonder kinderen weggaat of als het laatste inwonende kind bij een alleenstaande ouder het ouderlijke huis verlaat) of van overlijdens (van partner, van alleenstaande ouder of van enig kind van alleenstaande ouder). In dit deel wordt vooreerst nagegaan hoeveel volwassenen en welke volwassenen de groep alleenwonenden vervoegen. Dit gebeurt aan de hand van het percentage dat op jaarbasis gaat alleenwonen. Daarna wordt beschreven welke de aanleidingen waren tot het gaan alleenwonen. De beschikbare data laten toe inzake beide aspecten veranderingen doorheen de tijd (1996 en 2019) na te gaan.
2.1 PROFIEL BIJ GAAN ALLEENWONEN Enkel niet-alleenwonenden kunnen in de loop van een jaar alleen gaan wonen. De personen die als alleenwonende binnenkomen in het Vlaamse Gewest vanuit een ander gewest of vanuit het buitenland worden hier even buiten beschouwing gelaten. In de loop van 1996 gingen bijna 80.000 volwassenen alleenwonen. Dat is 1,9% van alle niet-alleenwonende volwassenen. In de loop van 2019 gingen bijna 110.000 personen alleenwonen. Dat is 2,4% van alle nietalleenwonende volwassenen. De kans dat volwassenen in het Vlaamse Gewest alleen gaan wonen is dus licht toegenomen. Het percentage dat gaat alleenwonen varieert sterk naargelang van de huishoudpositie van waaruit men vertrekt of uitgangspositie (figuur 12). Het grootste percentage dat gaat alleenwonen komt voor bij de kleine groep met een positie in een overig huishoudtype. Gehuwden met inwonende kinderen gaan het minst alleenwonen. Een belangrijk verschil tussen mannen en vrouwen is dat ongehuwd samenwonende mannen met inwonende kinderen vaker gaan alleenwonen dan vrouwen in deze positie (deze vrouwen worden alleenstaande ouder). Mannen verlaten vaker een collectief huishouden (instelling) om te gaan alleenwonen dan vrouwen.
17
Een belangrijke verschuiving doorheen de tijd is gebeurd bij kinderen die bij hun ouder(s) wonen. Het percentage dat vanuit het ouderlijke huis gaat alleenwonen is gedaald. Figuur 12. Gaan alleenwonen naar uitgangspositie per geslacht Vlaams Gewest, in 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden Mannen 1996 Kind van gehuwd paar
3,3
Mannen 2019
Vrouwen 1996 Vrouwen 2019
4,0
3,1
Kind van ongehuwd paar
6,4
4,3
4,4
Kind van alleenstaande ouder
5,7
5,2
5,0
Gehuwde partner zonder kinderen Gehuwde partner met kind(eren)
1,3 0,8
4,5
1,3 0,8
Ongehuwde partner zonder kinderen
6,1
Ongehuwde partner met kind(eren)
5,7
Alleenstaande ouder
7,9
5,2
Andere huishoudpositie
3,7
4,8
Positie in ander huishoudtype
9,6
10,6
Bewoner collectief huishouden
3,7
4,8
4,8 2,8
3,5 3,4
2,5
2,2
0,2
0,3
5,7
4,5
1,0 4,8
0,7 4,5
2,3 7,0 0,6
3,5 9,0 0,8
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Over alle leeftijden heen en ongeacht het soort aanleiding, is het percentage dat op jaarbasis gaat alleenwonen groter bij mannen dan bij vrouwen (figuur 13). Enkel op latere leeftijd is het percentage groter bij vrouwen dan bij mannen. Bij de vijftigers is het percentage bij mannen en vrouwen nagenoeg gelijk. Bij 25- tot 29-jarigen (als meer mannen gaan alleenwonen) en bij zeventigers (als meer vrouwen gaan alleenwonen) is het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst. Het percentage dat gaat alleenwonen is groot bij 25- tot 29-jarigen, een leeftijd waarop velen het ouderlijke huis verlaten. Het percentage is ook groot bij vrouwelijke zeventigers en tachtigers als hun partner overlijdt (en ze geen inwonende kinderen meer hebben). Doorheen de tijd is er een sterke toename opgetreden van het gaan alleenwonen bij jongvolwassenen (25-29 jaar). Vrouwen worden recent op latere leeftijd met het gaan alleenwonen geconfronteerd: vrouwelijke zeventigers gaan nu minder alleenwonen (hun partner blijft langer leven) en vrouwelijke tachtigers gaan nu vaker alleenwonen (bij het overlijden van hun partner).
Figuur 13. Gaan alleenwonen naar leeftijdsgroep per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden Mannen 1996
Mannen 2019
Vrouwen 1996
Vrouwen 2019
18-24 jaar
3,1
3,2
2,6
2,7
25-29 jaar
4,0
6,1
2,2
4,0
30-39 jaar
2,4
3,5
0,8
2,4
1,0
40-49 jaar
1,5
50-59 jaar
1,1
60-69 jaar
1,0
1,9
70-79 jaar
1,6
80-89 jaar
3,0
2,6
90 jaar en ouder
2,4
3,8
1,5 1,1
1,6
2,1
1,4
2,5
2,1
1,4
4,4
3,1
3,7
4,9
0,9
1,9
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Gescheiden personen kennen het grootste percentage dat gaat alleenwonen. Bij mannen is dat groter dan bij vrouwen (figuur 14). Aangezien deze personen al gescheiden zijn, gaat het om alleenwonen bij het beëindigen van een ongehuwd samenwonen door scheiding of overlijden. Per burgerlijke staat zijn de percentages van 1996 en 2019 nagenoeg gelijk. Enkel bij gescheiden mannen trad een daling op van het percentage dat ging alleenwonen. Figuur 14. Gaan alleenwonen naar burgerlijke staat per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden Mannen 1996 Ongehuwd
4,3
Gehuwd
Mannen 2019 4,6
1,1
Vrouwen 1996 3,5
1,1
Vrouwen 2019 3,2
1,2
1,3
Gescheiden
7,6
6,0
4,4
4,7
Verweduwd
4,6
4,2
4,3
3,8
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Niet-Belgische mannen gaan op jaarbasis vaker alleenwonen dan Belgische mannen. Dat geldt niet voor vrouwen. Tussen 1996 en 2019 steeg vooral het percentage niet-Belgische mannen dat ging alleenwonen. Het verschil tussen mannen en vrouwen is groter bij niet-Belgen dan bij Belgen (figuur 15). Figuur 15. Gaan alleenwonen naar nationaliteit per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden Mannen 1996
Mannen 2019
Vrouwen 1996
Vrouwen 2019
Belg
2,0
2,5
1,9
2,3
Niet-Belg
2,5
3,7
1,6
1,9
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
19
In Antwerpen en Gent is het percentage dat gaat alleenwonen iets groter dan in de overige centrumsteden. Buiten de centrumsteden is dit percentage nog geringer. Enkel in Antwerpen en Gent is het percentage vrouwen dat ging alleenwonen in 1996 en 2019 nagenoeg gelijk gebleven (figuur 16). Figuur 16. Gaan alleenwonen naar woonplaats per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden Mannen 1996
Mannen 2019
Vrouwen 1996
Vrouwen 2019
Antwerpen & Gent
3,2
3,6
2,8
2,8
Overige centrumsteden
2,4
3,0
2,2
2,6
Overige gemeenten
1,8
2,4
1,7
2,1
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Samenvattend kan worden gesteld dat de kans op gaan alleenwonen in zeer beperkte mate is toegenomen met de tijd. Resultaten van een multivariate analyse (niet getoond) geven aan dat de kans om op jaarbasis te gaan alleenwonen het grootst is voor mannen, voor tachtigers, voor gescheiden personen en voor inwoners uit de 2 grootsteden.
2.2 AANLEIDINGEN TOT GAAN ALLEENWONEN Naargelang van de huishoudpositie die men verlaat om te gaan alleenwonen, kunnen diverse aanleidingen worden onderscheiden om te gaan alleenwonen (figuur 17). Zo kunnen kinderen die bij hun ouder(s) wonen het ouderlijke huis verlaten om te gaan alleenwonen. Een enig of laatste volwassen kind bij een alleenstaande ouder wordt een alleenwonende als die ouder overlijdt. Samenwonende partners kunnen na een scheiding gaan alleenwonen of kunnen door het overlijden van de partner een alleenwonende worden. Alleenstaande ouders worden alleenwonenden op het moment dat hun enige of laatste inwonende kind het ouderlijke huis verlaat of overlijdt. Vanuit de overige huishoudposities kan men ook gaan alleenwonen (verlaten ander huishouden genoemd). Bij de verdeling naargelang van de aanleidingen wordt ook de groep gevoegd die in dat jaar als alleenwonende binnenkomt in het Vlaamse Gewest door verhuis vanuit het buitenland of vanuit een ander gewest (instromen in Vlaams Gewest genoemd). Mannen gaan vooral alleenwonen naar aanleiding van een scheiding. Op de 2de en 3de plaats komen voor hen respectievelijk het verlaten van het ouderlijke huis en het binnenkomen in het Vlaamse Gewest door verhuis. Bij vrouwen spelen 4 aanleidingen een bijna even belangrijke rol: het verlaten van het ouderlijke huis, een scheiding, een overlijden van de partner en het vertrek van het laatste inwonende kind bij een alleenstaande ouder. Het relatieve belang van instromen als alleenstaande in het Vlaamse Gewest is in dit profiel doorheen de tijd toegenomen. Bij mannen is het relatieve belang van gaan alleenwonen door het verlaten van een ander huishouden (niet het ouderlijke huis) toegenomen.
Figuur 17. Aanleidingen tot gaan alleenwonen per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % Verlaten ouderlijk huis
Verlaten ander huishouden
Laatste kind verlaat alleenstaande ouder Mannen 1996
29
Mannen 2019
23
Vrouwen 1996
21
Vrouwen 2019
9 14 8
18 0
10
Uit elkaar gaan van partners
Overlijden van partner
Instromen in Vlaams Gewest 31
10
31 18
10
22
20
30
9
5
30
15 19
15 22
40
5
50
15 60
70
9 13
80
90
100
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Aanleidingen om te gaan alleenwonen verschuiven met de leeftijd. Bij jongvolwassenen gaat het vooral om het verlaten van het ouderlijke huis en om het instromen in het Vlaamse Gewest. Vanaf de leeftijd van 25 jaar komt een scheiding als aanleiding in beeld. Op latere leeftijd speelt het overlijden van de partner een rol (figuur 18a en 18b). Vrouwen worden veel vaker dan mannen een alleenwonende als hun laatste kind het ouderlijke huis verlaat. Bij mannelijke zestigers en zeventigers en bij vrouwelijke vijftigers en zestigers is anno 2019 een scheiding veel vaker dan voorheen de aanleiding tot alleenwonende worden en is het overlijden van de partner dit veel minder. Bij de jongste groep is binnenkomen in het Vlaamse Gewest als alleenwonende doorheen de tijd belangrijker geworden als aanleiding.
21
Figuur 18a. Aanleidingen tot gaan alleenwonen naar leeftijdsgroep bij mannen Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden
1996 Verlaten ouderlijk huis 18-24 jaar
64
25-29 jaar
44
30-39 jaar
Verlaten ander huishouden 10
Uit elkaar gaan van partners 12
8 22
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
0
0
13
0
1
16
8
49
0
2
18
46
2
40-49 jaar
14
9
50-59 jaar
12
11
30
Overlijden van partner
32
10
11
19
17
17
60-69 jaar
6
13
70-79 jaar
1
9
7
73
7
3
80 jaar en ouder
0
9
7
78
5
1
16
40
17
8
2019 Verlaten ouderlijk huis
Verlaten ander huishouden
18-24 jaar
53
14
25-29 jaar
41
17
30-39 jaar 40-49 jaar
18 9
Uit elkaar gaan van partners 8 21
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
0
0
24
0
0
21
17
41
0
2
23
14
50
1
6
21
41
50-59 jaar
10
13
60-69 jaar
8
12
4 31
23
18
14
16
10
70-79 jaar
1
9
17
61
7
5
80 jaar en ouder
0
5
12
78
4
1
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 18b. Aanleidingen tot gaan alleenwonen naar leeftijdsgroep bij vrouwen Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden
1996 Verlaten ouderlijk huis 18-24 jaar
62
25-29 jaar
45
30-39 jaar
Verlaten ander huishouden
Uit elkaar gaan van partners
7
17
7 26
9
40-49 jaar
8
6
50-59 jaar
31 39 32
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
0
1
13
1
1
16
2
8
7
38
10
38
6
4
7
60-69 jaar
2
9
6
59
70-79 jaar
0
10
3
73
12
2
80 jaar en ouder
0
3
69
8
3
17
17
27
17
21
3
2019 Verlaten ouderlijk huis
Verlaten ander huishouden
18-24 jaar
51
10
25-29 jaar
41
13
30-39 jaar
12 26
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
0
0
0
1 4
Instromen in Vlaams Gewest 27 19
13
43
1
7
9
43
2
50-59 jaar
4
7
60-69 jaar
3
10
70-79 jaar
0
9
8
70
10
3
80 jaar en ouder
0
8
6
76
8
2
40-49 jaar
19
Uit elkaar gaan van partners
27 16
9
21 25
47
39
15 6
25
6
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Naargelang van de burgerlijke staat zijn er andere dominerende aanleidingen om alleen te gaan wonen (figuur 19). Ongehuwden verlaten het ouderlijke huis, gehuwden scheiden of verliezen hun partner door overlijden, gescheiden personen gaan opnieuw uit elkaar gaan of zien als alleenstaande ouder hun laatste kind het ouderlijke huis verlaten. Dat laatste geldt ook voor verweduwden. Het patroon van aanleidingen is de voorbije jaren niet erg gewijzigd. Gescheiden mannen waren in 1996 zelden alleenstaande vaders en dus kwam alleenwonend worden wegens het vertrek van het laatste kind zelden voor bij mannen.
23
Figuur 19a. Aanleidingen tot gaan alleenwonen naar burgerlijke staat bij mannen Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden
1996 Verlaten Verlaten ander ouderlijk huis huishouden Ongehuwd
56
Gehuwd
3
Gescheiden Verweduwd
13 3
Uit elkaar gaan van partners 13
Overlijden van partner 0
56
16
15
1
19
10
Instromen in Vlaams Gewest
0 25
40
Kind verlaat alleenst. ouder
17
3
1
0
4
58
10 27 8
2019 Verlaten Verlaten ander ouderlijk huis huishouden Ongehuwd
34
Gehuwd
1
Gescheiden Verweduwd
Uit elkaar gaan van partners
18 4
8
15
1
22
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
0
1
50
36
3
40
3
18
19
6
Instromen in Vlaams Gewest 25 7
23 50
12 6
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Figuur 19b. Aanleidingen tot gaan alleenwonen naar burgerlijke staat bij vrouwen Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden
1996 Verlaten Verlaten ander ouderlijk huis huishouden Ongehuwd
58
Gehuwd
1
Gescheiden Verweduwd
7
11
Uit elkaar gaan van partners 14
2 10
1
23
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
1
1
23
66
4
4
21
2
48
8
4
60
9
5
15
2019 Verlaten Verlaten ander ouderlijk huis huishouden Ongehuwd
37
Gehuwd
1
Gescheiden
4
Verweduwd
1
Uit elkaar gaan van partners
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
13
22
1
25
67
3
3
11
23
4
52
6
7
53
6
1
23
10
4
23
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Bij niet-Belgen is het instromen in het Vlaamse Gewest de belangrijkste toegang tot het alleenwonen. Bij Belgen speelde dat amper een rol (figuur 20). Een belangrijke verandering de voorbije decennia betreft het vaker gaan alleenwonen omwille van het verlaten van een ander huishoudtype bij niet-Belgische mannen. Figuur 20. Aanleidingen tot gaan alleenwonen naar nationaliteit per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden
Mannen 1996 Verlaten ouderlijk huis Belg Niet-Belg
32 10
Verlaten ander huishouden 10
Uit elkaar gaan van partners
Overlijden van partner
33
7
11 19
2
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
5
9
2
60
Mannen 2019 Verlaten ouderlijk huis Belg Niet-Belg
29
Verlaten ander huishouden 12
4
20
Uit elkaar gaan van partners
Overlijden van partner
35 15
11
Kind verlaat alleenst. ouder 7
1
2
Instromen in Vlaams Gewest 6 58
Vrouwen 1996 Verlaten ouderlijk huis Belg Niet-Belg
22 9
Verlaten ander huishouden
Uit elkaar gaan van partners
9
18
6
14
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
31 8
16 6
Instromen in Vlaams Gewest 5 57
Vrouwen 2019 Verlaten ouderlijk huis Belg Niet-Belg
29 4
Verlaten ander huishouden 12 20
Uit elkaar gaan van partners
Overlijden van partner
35 15
11 1
Kind verlaat alleenst. ouder 7 2
Instromen in Vlaams Gewest 6 58
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
De aanleidingen om alleen te gaan wonen verschillen niet sterk naargelang van de woonplaats van de betrokkenen (figuur 21). In Antwerpen en Gent en in de overige centrumsteden speelt de instroom van alleenwonenden van buiten het Vlaamse Gewest een grotere rol dan in de overige steden en gemeenten. Een belangrijke verandering doorheen de tijd betreft de toename van het alleen gaan wonen bij vertrek uit een ander huishouden in Antwerpen en Gent. De instroom van alleenwonenden van buiten het Vlaamse Gewest is ook sterker geworden bij vrouwen in Antwerpen en Gent en bij mannen en vrouwen in de overige centrumsteden.
25
Figuur 21. Aanleidingen tot gaan alleenwonen naar woonplaats per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep niet-alleenwonenden
Mannen 1996 Verlaten ouderlijk huis
Verlaten Uit elkaar ander gaan van huishouden partners
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Antwerpen & Gent
23
8
27
8
5
Overige centrumsteden
26
11
31
9
5
Overige gemeenten
32
10
33
11
5
Instromen in Vlaams Gewest 30 19 10
Mannen 2019 Verlaten ouderlijk huis
Verlaten Uit elkaar ander gaan van huishouden partners
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest
Antwerpen & Gent
13
21
25
5
4
33
Overige centrumsteden
18
17
27
7
4
28
10
6
Overige gemeenten
27
12
33
12
Vrouwen 1996 Verlaten ouderlijk huis
Verlaten Uit elkaar ander gaan van huishouden partners
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder 15
Instromen in Vlaams Gewest
Antwerpen & Gent
19
7
19
25
Overige centrumsteden
19
9
18
27
17
11
Overige gemeenten
21
9
18
31
15
7
Overlijden van partner
Kind verlaat alleenst. ouder
Instromen in Vlaams Gewest 27
15
Vrouwen 2019 Verlaten ouderlijk huis Antwerpen & Gent
12
Overige centrumsteden Overige gemeenten
Verlaten Uit elkaar ander gaan van huishouden partners 15
22
12
12
15
10
20
18
14
20
9
23
25
16
23 8
Noot: laatste kind verlaat alleenstaande ouder inclusief overlijden van alleenstaande ouder bij laatste/enig kind. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
27
3.
OPHOUDEN MET ALLEEN WONEN IN 1996 EN 2019 3
Aan de basis van het veranderde profiel van de alleenwonenden in de voorbije decennia liggen, zoals eerder gesteld, enerzijds keuzes van de betrokkenen: keuzes om niet meer alleen te wonen maar anders te gaan wonen (bijvoorbeeld samen met een partner) of keuzes om als alleenwonende weg te trekken uit het Vlaamse Gewest naar een ander land of ander gewest. Anderzijds overlijden er alleenwonenden. In dit deel wordt vooreerst nagegaan hoeveel volwassenen en welke volwassenen de groep alleenwonenden verlaten. Dit gebeurt aan de hand van de kansen op jaarbasis om op te houden met alleen te wonen. Daarna wordt beschreven welke rol de diverse aanleidingen speelden in het ophouden met alleen te wonen. De beschikbare data laten toe na te gaan of er sprake is van veranderingen doorheen de tijd (1996 en 2019) op dit punt.
3.1 PROFIEL BIJ OPHOUDEN MET ALLEENWONEN Jaarlijks houden heel wat alleenwonenden op met alleen te wonen. In de loop van 1996 hielden in het Vlaamse Gewest 75.000 volwassenen op alleen te wonen. Dat is 13% van alle alleenwonende volwassenen. In de loop van 2019 hielden bijna 113.000 personen op alleen te wonen. Ook dat is 13% van alle alleenwonende volwassenen. De kans om de groep alleenwonenden in het Vlaamse Gewest te verlaten is dus gelijk in beide jaren. Mannen houden relatief gezien vaker op met alleen te wonen dan vrouwen (figuur 22). Doorheen de tijd is het percentage dat ophoudt alleen te wonen bij mannen iets gedaald: overlijden en verhuis spelen een geringere rol.
29
Figuur 22. Ophouden met alleenwonen per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % van alleenwonenden Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
Mannen 1996
10,3
2,4
2019
10,2
1,8
0
2
4
6
8
10
2,7 2,3 12
14
16
12
14
16
Vrouwen 1996
7,2
2019
2,6
7,6 0
2
4
6
1
2,1
1,2
8
10
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Het percentage dat ophoudt met alleen te wonen daalt met de leeftijd, maar bij de oudste leeftijdsgroepen stijgt het weer (figuur 23a en 23b). Dit is uiteraard om andere redenen (zie verder). Enkel bij de jongste leeftijdsgroep houden vrouwen vaker dan mannen op met alleen te wonen, op andere leeftijden houden mannen vaker op alleen te wonen. Doorheen de tijd hielden 25- tot 29-jarigen vaker op met alleen te wonen. De oudste leeftijdsgroepen hielden minder vaak op alleen te wonen.
Figuur 23a. Ophouden met alleenwonen naar leeftijdsgroep bij mannen Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep alleenwonenden
1996 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
18-24 jaar
24,3
0,3
25-29 jaar
20,8
0,2
4,8
30-39 jaar
14,2
0,3
4,2
40-49 jaar
9,3
0,6
50-59 jaar
5,8 3,5
70-79 jaar
3,3
90 jaar en ouder
3
1,4
60-69 jaar
80-89 jaar
6,6
2,9
1,6 0,7
5,8
0,3
5,6
12,2
0,3
9
22,4
0,4
2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
18-24 jaar
22,6
0,1
25-29 jaar
23,6
0,1
30-39 jaar
16,6
0,2
40-49 jaar
10,2
0,3
50-59 jaar
7
0,8
60-69 jaar 70-79 jaar
4,3
80-89 jaar 90 jaar en ouder
4,6 7,4
8,5 5,3 4
1,9
3,3
Verhuisd uit Vlaams Gewest
3,7
2,6 1,3 0,8 0,4
8,1
0,3
18
0,2
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
31
Figuur 23b. Ophouden met alleenwonen naar leeftijdsgroep bij vrouwen Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep alleenwonenden
1996 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
18-24 jaar
29,4
0,1
25-29 jaar
22,6
0,1
30-39 jaar
13,7
0,1
40-49 jaar
8,4
0,4
1,5
0,6
0,8
50-59 jaar
4,8
60-69 jaar
2,6
70-79 jaar
2,9
5,4 3,5 2,6
1,1
0,3
2,5
0,2
80-89 jaar
6,7
6,8
0,3
90 jaar en ouder
10,7
16,3
0,5
2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
18-24 jaar
28,9
0
12
25-29 jaar
25,8
0
5
30-39 jaar
17
0,1
40-49 jaar
9,8
0,3
50-59 jaar
6,1
0,5
0,8
1
0,5
60-69 jaar 70-79 jaar
3,4 2,5
80-89 jaar 90 jaar en ouder
5,2 10
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
3,2 1,4
1,8 4,6 12,6
0,3 0,2 0,3
Vooral (de kleine groep) gehuwde alleenwonenden houden op met alleen te wonen (figuur 24). Het verschil tussen mannen en vrouwen is het geringst bij de ongehuwden. Doorheen de tijd zijn vooral weduwnaars minder opgehouden met alleen te wonen. Figuur 24. Ophouden met alleenwonen naar burgerlijke staat per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep alleenwonenden
Mannen 1996 Nieuwe huishoudpositie Ongehuwd
10,9
Gehuwd
15,7
Gescheiden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
1,2 1,3 4,6
Verweduwd
Overleden
11,1
7,2
3,1 5,6 0,4
1,3
2,2
Mannen 2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Ongehuwd
11,8
Gehuwd
19,2
1,7
Gescheiden
8,3
1,6
Verweduwd
Verhuisd uit Vlaams Gewest
0,7
4,5
6,6
3,3 4,1 1,2 0,3
Vrouwen 1996 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Ongehuwd
11,8
1,1
Gehuwd
15,6
0,9
Gescheiden Verweduwd
4,3 8,3
3,7 1
Verhuisd uit Vlaams Gewest 2,1 3,2 0,3 1
Vrouwen 2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
Ongehuwd
12,9
0,6
3,2
Gehuwd
17,3
1
2,8
Gescheiden
5,9
Verweduwd
1,2 4,6
3,8
0,5 0,2
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
33
Niet-Belgen houden vaker op met alleen te wonen dan Belgen. Anno 2019 houden niet-Belgische vrouwen iets vaker op met alleen te wonen dan nietBelgische mannen. De voorbije decennia is bij niet-Belgische vrouwen het percentage dat ophoudt alleen te wonen toegenomen (figuur 25). Figuur 25. Ophouden alleenwonen nationaliteit geslacht Niet-Belgen houdenmet vaker op met naar alleen te wonenper dan Belgen. Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep alleenwonenden
Anno 2019 houden niet-Belgische vrouwen iets vaker op met alleen te wonen dan nietBelgische mannen. De voorbije decennia is bij niet-Belgische vrouwen het percentage Mannen 1996 dat ophoudt alleen te wonen toegenomen (figuur 25). Nieuwe huishoudpositie Belg
10,2
Niet-Belg
11,5
Overleden 2,5 0,9
Verhuisd uit Vlaams Gewest 1,7 14,2
Mannen 2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
Belg
9,4
2
1
Niet-Belg
15,8
0,6
12
Vrouwen 1996 Nieuwe huishoudpositie Belg
7,1
Niet-Belg
9,5
Overleden 2,6 1,1
Verhuisd uit Vlaams Gewest 0,6 12
Vrouwen 2019 Nieuwe huishoudpositie Belg
7,2
Niet-Belg
14,3
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Overleden 2,2 0,8
Verhuisd uit Vlaams Gewest 0,5 13,5
De verschillen in het percentage dat ophoudt alleen te wonen naargelang de woonplaats zijn in 2019 groter dan in 1996 (figuur 26). Anno 2019 houdt men vooral in de grootsteden op met alleen te wonen. Vooral alleenwonende vrouwen uit de grootsteden houden vaker dan voorheen op met alleen te wonen. Figuur 26. Ophouden met alleenwonen naar woonplaats per geslacht Vlaams Gewest, 1996 en 2019, in % per groep alleenwonenden
Mannen 1996 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Antwerpen & Gent
9,6
2,1
Overige centrumsteden
11,5
2,1
Overige gemeenten
10,2
2,6
Verhuisd uit Vlaams Gewest 4,2 3,1 1,9
Mannen 2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
Antwerpen & Gent
12,2
1,3
3,9
Overige centrumsteden
10,6
1,6
3,4
Overige gemeenten
9,5
2
1,6
Vrouwen 1996 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
Antwerpen & Gent
7,1
2,6
1,3
Overige centrumsteden
8,2
2,4
1
Overige gemeenten
6,9
2,6
0,8
Vrouwen 2019 Nieuwe huishoudpositie
Overleden
Verhuisd uit Vlaams Gewest
Antwerpen & Gent
9,9
1,8
2,5
Overige centrumsteden
8
1,9
2,2
Overige gemeenten
7
2,3
0,7
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
Samenvattend kan worden gesteld dat de kans om op te houden met alleen te wonen doorheen de tijd niet is toegenomen. Resultaten van een multivariate analyse (niet getoond) geven aan dat de kans om op het houden met alleen te wonen het grootst is voor 18- tot 24-jarigen, voor de (kleine groep) gehuwden en voor de niet-Belgen.
35
3.2 AANLEIDINGEN TOT OPHOUDEN MET ALLEENWONEN Er zijn diverse aanleidingen (redenen) voor het ophouden met alleen te wonen. Men kan ophouden met alleen te wonen om met een partner of met anderen te gaan samenwonen. Men houdt strikt genomen ook op alleen te wonen in het Vlaamse Gewest op het moment dat men overlijdt of dat men het Vlaamse Gewest verlaat door verhuis naar een ander gewest of een ander land. In de figuren 22 tot 26 werden deze 3 aanleidingen onderscheiden1. Mannen houden vaker dan vrouwen op met alleen te wonen om anders te gaan wonen (nieuwe huishoudpositie) (figuur 22). Doorheen de tijd is er weinig veranderd in de aanleidingen. De jongste leeftijdsgroep houdt vooral op met alleen te wonen om een nieuwe huishoudpositie in te nemen, maar daarnaast verlaat een aanzienlijk percentage van hen door verhuis het Vlaamse Gewest (figuur 23). Vanaf leeftijd 60 wordt overlijden een belangrijke factor. De oudste alleenwonenden gaan naar een nieuwe huishoudpositie (doorgaans een instelling) of overlijden. De grootste veranderingen in de voorbije decennia betreffen de toename van het percentage jonge alleenwonenden die het Vlaamse Gewest verlaten en de daling van het percentage oudere alleenwonenden dat overlijdt. Alleenwonende weduwnaars en weduwen kiezen minder dan voorheen voor een nieuwe huishoudpositie (bijvoorbeeld een instelling) (figuur 24). Hierdoor neemt bij hen het aandeel toe dat sterft als alleenwonende. Bij alleenwonende niet-Belgen speelt verhuis weg uit het Vlaamse Gewest een grote rol (figuur 25). Dit was ook al zo in 1996. Niet enkel vanuit Antwerpen en Gent, maar ook vanuit de overige centrumsteden verlaten alleenwonenden vaak het Vlaamse Gewest. De voorbije decennia is zo niet zo veel veranderd in dit patroon (figuur 26).
1 Omdat slechts 3 aanleidingen worden onderscheiden, wordt de verdeling van de aanleidingen niet herrekend tot 100%. De berekende deelpercentages zijn voldoende indicatief voor deze verdelingen.
BESLUIT
4
Het aantal alleenwonenden in het Vlaamse Gewest is de voorbije 3 decennia veel sterker toegenomen (+65%) dan het aantal volwassenen (+19%). Deze toename ging gepaard met een wijziging van het profiel van de alleenwonenden. De groep alleenwonenden bestaat anno 2020 meer uit mannen dan in 1990. De grootste groep mannelijke alleenwonenden zijn nu niet meer de dertigers maar de vijftigers, de grootste groep vrouwelijke alleenwonenden zijn niet meer de zeventigers maar de tachtigers. Bij de jongere alleenwonenden zijn er recent veel meer ongehuwden, bij de oudere alleenwonenden zijn er recent veel meer gescheiden personen en minder verweduwde personen. Bij de jongere alleenwonenden is de groep nietBelgen toegenomen. Meer dan voorheen wonen alleenwonenden nu ook buiten de centrumsteden. Het percentage niet-alleenwonenden dat op jaarbasis gaat alleenwonen is de voorbije jaren stabiel gebleven op ongeveer 2%. De aanleidingen om te gaan alleenwonen zijn wel veranderd. Men doet dit minder omwille van het verlaten van het ouderlijke huis, maar vaker na een scheiding. Bovendien stromen ook meer alleenwonenden binnen in het Vlaamse Gewest vanuit een ander gewest of ander land. Het percentage alleenwonenden dat op jaarbasis ophoudt met alleen te wonen is de voorbije jaren niet gewijzigd. Dat bleef ongeveer 13%. Ook de aanleidingen om op te houden met alleen te wonen zijn amper gewijzigd. De balans van het aantal alleenwonenden dat jaarlijks startte met alleenwonen en ophield met alleenwonen was in 1996 en 2019 ongeveer gelijk (respectievelijk +14.511 en +14.891). De aard van het vervoegen en verlaten van de groep alleenwonenden is echter wat gewijzigd (figuur 27). De groep alleenwonenden wordt nu vaker vervoegd door personen die uit een ander land komen (aandeel gestegen van 6% naar 10%) en wordt nu minder verlaten door personen die overlijden (aandeel gedaald van 20% naar 16%).
37
Figuur 27. Vervoegen en verlaten van groep alleenwonenden Vlaams Gewest, 1996 en 2019, aantal 1996
2019
Vanuit andere huishoudpositie
78.254
107.141
Vanuit ander gewest
3.154
4.018
Vanuit ander land
5.075
Herinschrijving
2.548
Naar andere huishoudpositie
−50.620
Overleden Naar ander gewest Naar ander land Schrapping
−14.904
−2.638
−79.361
−17.826
−3.349
−2.279
−6.034
−4.079
Saldo
12.895 3.542
−6.135 14.511
14.891
Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen
In het kader van de verwachte toename van het aantal alleenwonenden in het Vlaamse Gewest blijft het belangrijk om hun veranderende diversiteit op te volgen.
LITERATUURLIJST
5
Corijn, M. & Pickery, J. (2020a). SV-rapport 2020/2 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: samenwonend met partner. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Pickery, J. (2020b). SV-rapport 2020/3 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: alleenwonend en alleenstaande ouder. Brussel: Statistiek Vlaanderen Corijn, M. & Pickery, J. (2020c). SV-rapport 2020/6 - Leefvormen per leeftijdsgroep: verschuivingen tussen 1990-2000 in het Vlaamse Gewest. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Corijn, M. & Van Peer, C. (red.) (2013). Gezinstransities in Vlaanderen. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Dejonghe, C. (2020). Enquête alleenwoners 2020. Resultaten. Brussel: All1. Esteve, A., Reher, D., Trevino, R., Zueras, P. & Turu, A. (2019). Living alone over the life course: cross-national variations on an emerging issue. In: Population and Development Review, 46, 169-189. Eurostat (2014). Censushub: https://ec.europa.eu/eurostat/web/populationand-housing-census/census-data/2011-census Federaal Planbureau & Statbel, (2020). Demografische vooruitzichten 20192070. Bevolking en huishoudens. Brussel: Federaal Planbureau & Statbel. FOD Binnenlandse Zaken (2019). Algemene onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters. Brussel: FOD Binnenlandse Zaken. Lodewijckx, E. (2008). SVR-rapport 2008/3 - Veranderende leefvormen in het Vlaamse Gewest, 1990-2007 (en 2021). Een analyse van de rijksregistergegevens. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Lodewijckx, E. (2016). Aantal alleenwonenden in Vlaanderen sinds 1990 toe genomen met 50%. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Overheid, SVR-St@t, 1. Lodewijckx E & Deboosere P. (2008). SVR-technisch rapport 2008/2 - LIPRO: een classificatie van huishoudens. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Lodewijckx, E. & Luyten, D. (2017). Vijftig jaar evolutie van huishoudens in Vlaanderen. In: D. Luyten, H. Van Combrugge & K. Emmery (red.). Het gezin in Vlaanderen 2.0. Over het eigene van gezinnen en gezinsbeleid. Antwerpen: Garant, 29-54.
39
Mortelmans, D., Pasteels, I., Bracke, P., Matthijs, K., Van Bavel, J. & Van Peer, C. (red.) (2011). Scheiding in Vlaanderen. Leuven: Acco. Reher, D. & Requena, M. (2018). Living alone in later life: a global perspective. In: Population and Development Review, 44, 427-454. Statistiek Vlaanderen (2017). Vlaamse Gemeentelijke demografische vooruitzichten 2018-2035: aantal alleenwonende 65-plussers in Vlaanderen stijgt met 20% tussen 2017 en 2027. Brussel: Statistiek Vlaanderen.
41
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Auteurs Martine Corijn | martine.corijn@vlaanderen.be Jan Pickery | jan.pickery@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2020/3241/322
Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be