SAMENVATTING ONDERZOEK
ONDERZOEK I.K.V.
VIONA STEUNPUNT WSE
TITEL: EEN EVALUATIE VAN HET VLAAMSE DOELGROEPENBELEID Auteur(s): Sam Desiere (HIVA), Sofie Cabus (HIVA) en Bart Cockx (UGent)
1
1.
Korte samenvatting van het onderzoek (abstract)
Het doelgroepenbeleid kent een loonkostensubsidie toe aan werkgevers - typisch onder de vorm van een vermindering van de patronale RSZ-bijdrage - die een werknemer uit de doelgroep tewerkstellen. De doelstelling is het verhogen van de werkzaamheidsgraad van de doelgroep. Dit VIONA-onderzoek evalueert in welke mate het Vlaamse doelgroepenbeleid de positie op de arbeidsmarkt van de doelgroepen heeft versterkt. Als gevolg van de zesde staatshervorming werd het ‘persoonsgebonden’ doelgroepenbeleid een Vlaamse bevoegdheid. Dat gaf aanleiding tot een grondige hervorming van het doelgroepenbeleid. Die hervorming werd gekenmerkt door een sterke vereenvoudiging, waarbij zowel het aantal doelgroepen sterk werd gereduceerd als de administratieve procedure voor het aanvragen van RSZ-verminderingen werd vereenvoudigd. Die vereenvoudigingen maken het Vlaamse doelgroepenbeleid overzichtelijker en gebruiksvriendelijker dan het federale doelgroepenbeleid. De Vlaamse regering zette in op drie doelgroepen: (1) laag- en middengeschoolde jongeren; (2) 55+; en (3) personen met een arbeidshandicap. Op basis van VDAB-gegevens werd geëvalueerd of het doelgroepenbeleid de uitstroom naar werk van de doelgroepen heeft verhoogd. Daarbij wordt het doelgroepenbeleid zoals van kracht tussen 1 juli 2016 en 31 december 2018 geëvalueerd. Daarenboven werd onderzocht of het afschaffen van loonkostensubsidies voor langdurig werkzoekenden de uitstroom naar werk van die doelgroep negatief heeft beïnvloed. De versterking van het doelgroepenbeleid sinds 1 januari 2019 en de hervorming van het doelgroepenbeleid sinds 1 januari 2020 (waarbij de doelgroepvermindering voor middengeschoolden opnieuw werd afgeschaft en de leeftijd voor doelgroepverminderingen voor oudere werkzoekenden en werknemers werd opgetrokken tot 58 jaar) werd niet beschouwd. Op basis van micro-econometrische evaluaties stellen we vast dat zowel de RSZ-vermindering voor laag- als voor middengeschoolde jongeren geen statistisch significant positief effect heeft op de uitstroom naar werk. De bevindingen suggereren dat die RSZ-verminderingen de positie van laag- en middengeschoolde jongeren niet hebben versterkt op de arbeidsmarkt. We stellen ook vast dat de RSZ-vermindering weinig duurzaam is. Voor minder dan 20% van de jongeren wordt gedurende acht opeenvolgende kwartalen – de maximale looptijd van de RSZ-vermindering – een doelgroepvermindering aangevraagd. Om data-technische en inhoudelijke redenen kan de RSZ-vermindering voor zittende 55+ en voor het aanwerven van 55+ niet worden geëvalueerd. Het federale doelgroepenbeleid voorzag verschillende loonkostensubsidies voor langdurig werkzoekenden, maar die werden afgeschaft bij het invoeren van het Vlaamse doelgroepenbeleid. We tonen aan dat het afschaffen van de RSZ-vermindering voor 45+ die minimaal zes maanden werkloos zijn de uitstroom naar werk van die doelgroep heeft doen dalen met 1,5 procentpunten. Dat is een aanzienlijk effect. De VOP werd niet fundamenteel hervormd. In de afwezigheid van een beleidswijziging hebben we de toepassingsmogelijkheden van een regression discontinuity in time (RDiT) geëxploreerd om uitspraken te doen over de effecten van het recht op VOP op uitstroom naar werk onder personen met een arbeidshandicap. De RDiT schat of het verworven recht op VOP de kansen op uitstroom naar werk verhogen in vergelijking met de periode ervoor. Resultaten tonen aan dat personen met een arbeidshandicap inderdaad significant meer kans hebben om uit te stromen naar werk na een periode van werkloosheid wanneer ze recht hebben op een VOP. De bevindingen hebben verschillende beleidsimplicaties. Ze suggereren dat de RSZ-vermindering voor middengeschoolde jongeren geen effectieve maatregel was en roepen ook vragen op over de effectiviteit van de RSZ-vermindering voor laaggeschoolde jongeren. In dat laatste geval pleiten we echter niet (onmiddellijk) voor het afschaffen van de RSZ-vermindering onder meer omdat laaggeschoolden toch een erg kwetsbare groep vormen op de arbeidsmarkt. De positieve resultaten voor langdurig werkzoekenden suggereren dat het herinvoeren van een RSZ-vermindering voor langdurig werkzoekenden kan worden overwogen. Het continueren van de VOP is zinvol, hoewel bijkomend onderzoek naar de context van implementatie van VOP voor personen met een arbeidshandicap dit beleid verder zou kunnen versterken. Een verdere administratieve vereenvoudiging, waaronder het automatisch toekennen van de RSZ-verminderingen, is steeds aan te bevelen.
Key words: Doelgroepenbeleid, RSZ-vermindering, laaggeschoolde jongeren, middengeschoolde jongeren, 55+, personen met een arbeidshandicap, VOP, micro-evaluatie.
2
2.
Doelen van het onderzoek
De centrale onderzoeksvraag is of het doelgroepenbeleid de uitstroom naar werk van de doelgroepen (laag- en middengeschoolde jongeren, 55+, personen met een arbeidshandicap) heeft versterkt. Daarbij ligt de nadruk op het identificeren van causale relaties. We onderzoeken welke impact het doelgroepenbeleid heeft op de Vlaamse arbeidsmarkt. Naast de drie ‘Vlaamse’ doelgroepen evalueert het onderzoek of het afschaffen van de federale RSZ-vermindering voor 45+ die meer dan zes maanden werkloos zijn de uitstroom naar werk van die groep heeft doen dalen.
Verduidelijking van kernbegrippen
3.
RSZ-vermindering/doelgroepvermindering: de vermindering in patronale sociale zekerheidsbijdragen die worden toegekend aan werkgevers die iemand uit de doelgroep tewerkstellen. VOP: Vlaamse Ondersteuningspremie.
Methoden en data
We steunen op geavanceerde micro-econometrische evaluatiemethoden om de impact van het doelgroepenbeleid te evalueren. Hoewel de onderzoeksvraag voor elke doelgroep dezelfde is, namelijk heeft het doelgroepenbeleid de uitstroom naar werk van de doelgroep versterkt, is de evaluatiemethode afhankelijk van de beschouwde maatregel (zie methodologische toelichting). Elke doelgroepvermindering wordt geëvalueerd op basis van VDAB-gegevens over werkzoekenden ingestroomd in de werkloosheid van januari 2012 t.e.m. februari 2019. We hebben dus zowel informatie voor als na de hervorming van het doelgroepenbeleid. Doorheen die periode waren 1.064.144 unieke individuen geregistreerd bij VDAB. Vanaf het moment van instroom in de werkloosheid, kennen we voor elke werkzoekende de arbeidsmarktpositie op maandbasis. We beschikken tevens over socio-economische kenmerken van elke werkzoekende (opleidingsniveau, geslacht, geboortedatum, arbeidsbeperking, talenkennis, …). Belangrijk is dat VDAB het opleidingsniveau kent op basis van een koppeling met de LED-databank, waardoor die variabele in de meeste gevallen correct is gemeten. Doordat we werken met VDAB-gegevens hebben we geen informatie over werknemers die zich nooit inschreven bij de VDAB. Dat is belangrijk omdat sommige doelgroepverminderingen, waaronder de doelgroepvermindering voor laag- en middengeschoolde jongeren en de VOP, ook worden toegekend aan personen die niet ingeschreven waren als niet-werkende werkzoekende bij de VDAB. De VDAB-gegevens werden vervolgens gelinkt aan gegevens van het Departement Werk en Sociale Economie over wie wanneer welke doelgroepvermindering kreeg. Die gegevens zijn beschikbaar op kwartaalbasis en behelzen de periode 2016Q3 t.e.m. 2018Q2. Voor de VOP hebben we informatie t.e.m. 2018Q4. Naast de Vlaamse doelgroepvermindering bevat de dataset ook informatie over de overgangsmaatregelen. Dat zijn RSZ-verminderingen die werden toegekend bij de overgang van het Federale naar het Vlaamse doelgroepenbeleid.
3
Methodische toelichting Voor elke doelgroep trachten we een causaal verband te bepalen tussen het doelgroepenbeleid en uitstroom naar werk. De onderzoeksvraag is immers of het doelgroepenbeleid een verschil maakt, en daadwerkelijk zorgt voor meer tewerkstelling bij de verschillende doelgroepen. Om die vraag te beantwoorden steunen we op drie verschillende geavanceerde micro-econometrische methoden: 1. Differences-in-differences (DiD) (voor de evaluatie van het doelgroepenbeleid voor laag- en middengeschoolde jongeren en voor langdurig werkzoekenden) Differences-in-differences of ‘verschillen-in-verschillen’ is een micro-econometrische methode waarin het effect van het beleid op een bepaalde doelgroep wordt bepaald door een uitkomstvariabele te vergelijken tussen de doel- en controlegroep voor en na de hervorming. Concreet wordt uitstroom naar werk na zes maanden van laagof middengeschoolde jongeren (doelgroep) voor versus na de hervorming vergeleken met de uitstroom naar werk van hooggeschoolde jongeren (controlegroep) voor en na de hervorming. Het doelgroepenbeleid werkt wanneer de doelgroep het beter doet na de hervorming dan voor de hervorming t.o.v. de controlegroep. Door te werken met een controlegroep wordt onder meer vermeden dat verschillen in de economische conjunctuur voor en na de hervorming de resultaten vertekenen. De cruciale assumptie is dat de controlegroep goed gekozen is. Dat kan worden getest met placebo-testen. 2. Regression Discontinuity Design (RDD) (voor de evaluatie van het doelgroepenbeleid voor laag- en middengeschoolde jongeren) RDD is micro-econometrische methode waarbij het effect van het beleid op een bepaalde doelgroep wordt bepaald door werkzoekenden die juist niet in aanmerking komen voor een RSZ-vermindering te vergelijken met werkzoekenden die juist wel in aanmerking komen. Voor de evaluatie van het doelgroepenbeleid voor laag- en middengeschoolde jongeren maken we gebruik van de strikte leeftijdsgrens van 25 jaar. Een laag- of middengeschoolde jongere komt in aanmerking voor een doelgroepvermindering wanneer een jongere op de laatste dag van het kwartaal van indiensttreding nog geen 25 jaar is. Daardoor komen sommige werkzoekende jongeren juist wel en andere jongeren juist niet meer in aanmerking voor een doelgroepvermindering. Wanneer het doelgroepenbeleid werkt zou de groep die juist wel nog in aanmerking komt sneller moeten uitstromen naar werk in vergelijking met de groep die juist niet in aanmerking komt. 3. Regression Discontinuity in Time (RDiT) (voor de evaluatie van de VOP) Iets wat alle personen met een verworven recht op VOP gemeen hebben, is dat ze perioden van werkloosheid en uitstroom naar werk hebben gekend vóór en ná het verwerven van dit recht. Daardoor kunnen we een maand in de tijd afbakenen (maand 0) waarin personen veranderden van geen recht op VOP naar recht op VOP. De RDiT schat of het verworven recht op VOP de kansen op uitstroom naar werk verhogen in vergelijking met de periode ervoor.
4
4.
Bevindingen
De Vlaamse regering zette in op drie doelgroepen: (1) laag- en middengeschoolde jongeren; (2) 55+; en (3) personen met een arbeidshandicap. Ten opzichte van het federale doelgroepenbeleid werden de loonkostensubsidies genereuzer voor de middengeschoolde jongeren, een groep waarvoor het federale doelgroepenbeleid geen loonkostensubsidies toekende (m.u.v. middengeschoolde jongeren die zes maanden werkloos waren). Voor alle andere doelgroepen werden de loonkostensubsidies (iets) minder genereus. Voor laaggeschoolde jongeren (minder dan zes maanden werkloos) daalde de maximale loonkostensubsidie bijvoorbeeld van 13.600 euro toegekend over een periode van twaalf kwartalen in het federale doelgroepenbeleid naar 9.200 euro toegekend over een periode van acht kwartalen in het Vlaamse doelgroepenbeleid. Ook de loonkostensubsidie voor het aanwerven van een werkzoekende 55+ daalde sterk, voornamelijk door het afschaffen van de Vlaamse tewerkstellingspremie 50+. De Vlaamse Ondersteuningspremie (VOP) voor personen met een arbeidsbeperking bleef in grote lijnen behouden. Het Vlaamse doelgroepenbeleid voorziet geen RSZ-verminderingen meer voor langdurig werkzoekenden. Ondanks het invoeren van een aanwervingspremie voor werkzoekenden tussen 25 en 55 jaar die twee jaar werkloos zijn, ligger de loonkostensubsidies voor langdurig werkzoekenden aanzienlijk lager in het Vlaamse dan het federale doelgroepenbeleid. Het Vlaamse doelgroepenbeleid is een belangrijke maatregel. Het kostte 582 miljoen euro in 2018. Daarvan ging 334 miljoen euro, of bijna 60% van het volledige budget naar de RSZ-vermindering voor zittende 55+. Die RSZ-vermindering werd toegekend aan 114 656 werknemers in het tweede kwartaal van 2018. RSZverminderingen voor het aanwerven van werkzoekende 55+ werden daarentegen maar toegekend voor 5 978 begunstigden. De RSZ-verminderingen voor laag- en middengeschoolde jongeren werd respectievelijk toegekend voor 20 821 en 46 081 jongeren in het tweede kwartaal van 2018 en kosten op jaarbasis respectievelijk 40 en 101 miljoen euro. Het aantal begunstigden van de VOP is al jaren vrij stabiel en schommelt rond 12 500 personen. Die maatregel kostte in 2018 91 miljoen euro. Met geavanceerde micro-econometrische methoden evalueerden we voor elke doelgroep of de uitstroom naar werk is verbeterd dankzij het doelgroepenbeleid. Daarnaast evalueerden we of het afschaffen van de RSZ-vermindering voor 45+ die meer dan zes maanden werkloos zijn de uitstroom naar werk van die doelgroep heeft doen afnemen. Onderstaande tabel vat de resultaten samen. Tabel 1: De resultaten per doelgroep
(Doel)groep
Methode
Effect van de RSZ-vermindering op de uitstroom naar werk van de doelgroep
Laaggeschoold
DiD & RDD
Geen significant positieve resultaten
Middengeschoold
DiD & RDD
Geen significant positieve resultaten
Jongeren (<25 jaar)
55+ Geen causale evaluatie mogelijk in dit rapport
Zittende werknemers Nieuwe werknemers Werkzoekende 45+ die minimaal zes maanden werkloos zijn
DiD met controle voor dynamische selectie-effecten
Uitstroom naar werk daalt met 1,5 procentpunten door het afschaffen van de RSZ-vermindering
VOP
RDiT
Er wordt een significant effect geschat van het recht op VOP op de uitstroom naar werk. Er wordt een grotere impact geschat onder schoolverlaters van BuSO.
5
4.
Bevindingen (vervolg)
Middengeschoolde jongeren kwamen in aanmerking voor een RSZ-vermindering van 1 000 euro/kwartaal gedurende acht kwartalen. Met de meest betrouwbare methode – Regression Discontinuity Design – vinden we geen statistisch significant positief effect op de uitstroom naar werk. Bijgevolg zou het merendeel van de middengeschoolde jongeren ook zonder RSZ-vermindering aan het werk zijn. We zien hiervoor drie verklaringen. Ten eerste zijn middengeschoolde jongeren geen kwetsbare groep op de Vlaamse arbeidsmarkt. Cijfers van Steunpunt Werk tonen aan dat de werkzaamheidsgraad van middengeschoolde jongeren (excl. studenten) in 2017 78,6% bedroeg, wat iets hoger is dan het Vlaamse gemiddelde. Zeker in tijden van arbeidsmarktkrapte vinden middengeschoolde jongeren dus vlot de weg naar de arbeidsmarkt. Ten tweede stellen we vast dat slechts voor een minderheid van de middengeschoolde jongeren gedurende meerdere opeenvolgende kwartalen een RSZ-vermindering wordt aangevraagd. Zo krijgt slechts 16% van de middengeschoolde jongeren gedurende acht opeenvolgende kwartalen een doelgroepvermindering. Dat suggereert dat middengeschoolde jongeren periodes van werk (eventueel bij verschillende werkgevers) regelmatig afwisselen met periodes van werkloosheid. Ten derde zijn het in de eerste plaats middengeschoolde jongeren met een sterker profiel die worden aangeworven. Dat zijn de jongeren die ook zonder RSZvermindering het meest kans maken werk te vinden. Laaggeschoolde jongeren kwamen in aanmerking voor een RSZ-vermindering van 1 150 euro/kwartaal gedurende acht kwartalen. Net zoals voor de middengeschoolde jongeren vinden we op basis van een Regression Discontinuity Design geen statistisch significant positief effect op de uitstroom naar werk. Ook laaggeschoolde jongeren stromen dus niet sneller uit naar werk dankzij de RSZ-vermindering. Toch wensen we die bevindingen iets voorzichtiger te interpreteren dan voor middengeschoolde jongeren. De eerste reden is dat laaggeschoolde jongeren wel degelijk een kwetsbare groep vormen op de arbeidsmarkt (werkzaamheidgraad excl. studenten in 2017: 49,1%). Een ander argument voor het behouden van de RSZ-vermindering voor laaggeschoolde jongeren is dat die maatregel relatief goedkoop is: 40 miljoen euro op jaarbasis in 2017 versus 101 miljoen voor de middengeschoolden. Ook voor laaggeschoolde jongeren stellen we vast dat de RSZ-vermindering weinig duurzaam is. Slechts voor 12% van de jongeren wordt de doelgroepvermindering gedurende acht opeenvolgende kwartalen toegekend. Het effect van de RSZ-verminderingen voor 55+ kunnen we niet evalueren. Voor de zittende werknemers beschikken we niet over de juiste gegevens omdat de VDAB-gegevens enkel informatie bevatten over werkzoekenden, niet over werknemers. Een dergelijke evaluatie kan enkel gebeuren op basis van KSZ-gegevens. Bij de start van dit onderzoek waren er nog onvoldoende gegevens beschikbaar voor een evaluatie. Een evaluatie van Albanese en Cockx (2015) van een gelijkaardige federale maatregel waarbij 400 euro/kwartaal werd toegekend voor zittende, oudere werknemers toonde wel aan dat die RSZ-vermindering nauwelijks effect heeft en niet kosteneffectief is. De RSZ-vermindering voor het aanwerven van werkzoekende 55+ kunnen we niet evalueren doordat het aantal begunstigden van die maatregel eerder beperkt is én doordat de afgelopen jaren verschillende andere hervormingen voor werkzoekende 55+ werden geïmplementeerd waardoor we het effect van de RSZ-vermindering niet kunnen onderscheiden van het effect van andere hervormingen. Een interessante vaststelling is wel dat 30% van de werkgevers de lagere RSZ-vermindering voor de zittende werknemer aanvragen, terwijl ze ook in aanmerking komen voor de hogere RSZ-vermindering voor het aanwerven van een werkzoekende 55+. Langdurig werkzoekenden komen niet meer in aanmerking voor een RSZ-vermindering binnen het Vlaamse doelgroepenbeleid, maar waren wel een afzonderlijke doelgroep in het federale doelgroepenbeleid. Gezien in 2019 65% van de werkzoekenden meer dan zes maanden werkzoekend waren, blijven langdurig werkzoekenden wel een relevante (doel)groep. Daarom werd toch gekozen om te analyseren of RSZ-verminderingen voor langdurig werkzoekenden een zinvol instrument kunnen zijn. Specifiek onderzochten we de effectiviteit van de federale RSZ-vermindering voor werkzoekenden die minstens 45 jaar oud zijn en zes maanden werkloos zijn. We stelden vast dat het afschaffen van die RSZvermindering heeft geleid tot een daling in uitstroom naar werk met 1,5 procentpunten van werkzoekenden die meer dan zes maanden werkloos zijn. Dat is een substantieel effect, want het impliceerde dat de RSZ-vermindering uitstroom naar werk verhoogde met 18% (van 8,3 naar 9,8 procent). We schatten de jaarlijkse kost per voltijds equivalente job die dankzij die RSZ-vermindering werd gecreëerd op 14 000 euro. 6
4.
Bevindingen (vervolg)
In de afwezigheid van een beleidswijziging hebben we de toepassingsmogelijkheden van een regression discontinuity in time (RDiT) geëxploreerd om uitspraken te doen over de effecten van het recht op VOP op uitstroom naar werk onder personen met een arbeidshandicap. Resultaten tonen aan dat werkzoekenden met een arbeidshandicap significant meer kans hebben om uit te stromen naar werk na een periode van werkloosheid wanneer ze recht hebben op een VOP. De geschatte korte termijneffecten zijn gelijk aan 1,9 procentpunten meer kans op uitstroom naar werk voor personen zonder indicatie BuSO. Voor werkzoekenden met een indicatie BuSO verhoogt de kans op uitstroom naar werk met 2,9 procentpunten. De resultaten zijn significant op 1%-niveau en bovendien robuust aan de inclusie van achtergrondkenmerken en tijdseffecten in de regressieanalyse.
5. Beleidsimplicaties In dit rapport formuleren we enkele concrete beleidsaanbevelingen per maatregel en meer algemeen over het Vlaamse doelgroepenbeleid. Het doelgroepenbeleid voor middengeschoolde jongeren bleek niet effectief. Per 1 januari 2020 werd die RSZ-vermindering afgeschaft. We kunnen deze beslissing van de minister tegemoetkomen met de resultaten gepresenteerd in dit rapport. Wat betreft het doelgroepenbeleid t.a.v. (erg) laaggeschoolde jongeren, zijn we, desondanks de tegenvallende resultaten, toch iets voorzichtiger in de conclusies. De doelgroep is kwetsbaar op de arbeidsmarkt, zoals onder andere blijkt uit de Vlaamse jeugdwerkloosheidscijfers. Hoewel we in dit rapport niet-significante resultaten presenteren, weten we niet waarom het doelgroepenbeleid t.a.v. laaggeschoolde jongeren niet effectief blijkt te zijn. Dit vereist bijkomend onderzoek naar de werkzame mechanismen van het doelgroepenbeleid. De evaluatie van het doelgroepenbeleid t.a.v. langdurig werkzoekenden toont aan dat de RSZ-vermindering, die in Vlaanderen werd afgeschaft, wel degelijk 45+ met minimaal 6 maanden werkloosheid kon activeren. Daarom suggereren we om te overwegen om de maatregel voor deze doelgroep opnieuw in te voeren, waarbij het design van de maatregel eventueel wordt bijgestuurd aan de hand van bijkomend onderzoek. Resultaten over het doelgroepenbeleid t.a.v. werkzoekenden met een arbeidshandicap tonen aan dat de VOP het verschil kan maken voor een zorgvuldig geselecteerde doelgroep. De effectiviteit van VOP kan mogelijkerwijze geïnterpreteerd worden in combinatie met (gespecialiseerde) arbeidsbemiddeling, begeleiding op de werkvloer, en kennisoverdracht rond de VOP van VDAB naar werkgevers. Het toetsen van deze hypothese aan de praktijk vereist echter bijkomend onderzoek. Het toont aan dat een maatregel afhankelijk kan zijn van de context van implementatie. Bovendien suggereren beschrijvende statistieken dat slechts een zeer beperkte groep over een periode van 10 kwartalen blijvend tewerkgesteld is bij dezelfde werkgever met ondersteuning van de loonkostensubsidie op de arbeidsmarkt. Alternatieve designs voor het beleidsinstrument VOP kunnen worden geëxploreerd om het gunstige korte termijneffecten van VOP op uitstroom naar werk ook te vertalen in duurzame jobs. Meer algemeen werd er tijdens het onderzoek voor elk van de geëvalueerde maatregelen gelijkaardige vaststellingen gemaakt. Eén van deze vaststellingen is dat werkgevers die personen in een bepaalde doelgroep aanwerven niet altijd gebruik maken van de (meest optimale) loonkostensubsidies. Daarom suggereren we dat het doelgroepenbeleid effectiever zou kunnen zijn wanneer men werkgevers automatisch het recht op de RSZ-vermindering toekent. Een andere vaststelling is dat de loonkostensubsidies in de meeste gevallen niet worden gegeven over alle kwartalen heen zoals gestipuleerd in de wetgeving. We suggereren daarom diepgaand onderzoek naar (het gebrek van) duurzaamheid van het activeringsbeleid; wat opnieuw betekent dat er meer onderzoek nodig is naar het optimale design (of werkzame mechanismen) van doelgroepenbeleid. Terwijl in het Vlaamse doelgroepenbeleid de RSZ-vermindering in elk kwartaal dezelfde is (behalve voor de VOP waar de subsidie daalt na een bepaald aantal kwartalen), zou men ook kunnen nadenken over loonkostensubsidies die stijgen nadat de werknemer langer aan de slag is bij dezefde werkgever. Loonkostensubsidies in Wallonië en Brussel, of zelfs in het buitenland, kunnen meer informatie verstrekken over werkzame mechanismen van doelgroepenbeleid. Ook kan het inzicht geven in RSZverminderingen t.a.v. andere ondersteunende maatregelen.
7
Volledige referentie van onderzoeksrapport(en) of paper(s) en andere sleutelpublicaties van het hier samengevatte onderzoek Desiere, S., Cabus, S., Cockx, B. (2020). Een evaluatie van het Vlaamse doelgroepenbeleid. Leuven: HIVA – KU Leuven.
8