Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2003_2_sociale_relaties.pdf

Page 1

Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

Over het verband tussen OVER

HET

VERBAND

TUSSEN

sociale relaties en attitudes, SOC IALE

RELATIES

EN

ATTITUDES,

waarden en normen WA A RD E N

E N

N O R M E N

Filip Agneessens • Daniëlle De Lange • Hans Waege Universiteit Gent

1

| Inleiding

Doorheen de tijd zijn samenlevingen sterk onderhevig aan veranderingen. Eén van de belangrijke tendensen die zich volgens sommigen (e.g. Beck, 1996) ontwikkelt, is deze van toenemende individualisering. Mogelijke bronnen, waardoor mensen zowel structureel als cultureel steeds meer aan hun eigen persoonlijke levensloop timmeren, zijn de stijging van het opleidingsniveau, de afnemende invloed van traditionele instituties en de toenemende complexiteit van de samenleving. Samen met deze visie groeide snel de gedachte dat dit zou samengaan met een verschraling van de sociale contacten. De achterliggende idee is dat een samenleving door de nadruk op individualisering zal resulteren in toenemende sociale armoede. De aard en structuur van sociale relaties tussen personen zijn mogelijk een gevolg van deze individualiseringstendens en andere maatschappelijke trends. Van de mate waarin en de manier waarop personen contact hebben met anderen in de alledaagse contexten kan worden verwacht dat deze een invloed uitoefenen op attitudes, opinies, visies en waarden ten opzichte van hun omgeving, maar ook ten aanzien van de bredere samenleving. Zo kan er van individuen die deel uitmaken van een omvangrijk en divers netwerk worden verwacht dat zij zich in het algemeen minder zullen richten op het nastreven van hun eigenbelangen. Anderzijds zal deze bredere maatschappijvisie ook gevolgen hebben op de kwantiteit en de kwaliteit van de eigen sociale relaties. In deze bijdrage gaan we na in welke mate kenmerken van sociale contacten binnen de onmiddellijke omgeving (m.n. familie, vrienden, buren en collega’s) samenhangen met de manier waarop mensen naar het leven en de samenleving kijken. In een eerste deel gaat de aandacht uit naar het aantal, de diversiteit en de

15


Vlaanderen gepeild ! intensiteit van sociale relaties in Vlaanderen. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de mate waarin deze sociale netwerkkenmerken verschillen naargelang de diverse kenmerken van het individu. Reeds eerder (Waege en Agneessens, 2001) werd immers gewezen op de verschillen in sociale armoede naar socio-demografische kenmerken van personen. Tot slot staat de relatie tussen de kenmerken van de sociale contacten en diverse sociaal-integratieve waarden en normen centraal. Er wordt onderzocht in hoeverre de verschillende aspecten van sociale relaties een invloed kunnen hebben op de houding die men aanneemt ten opzichte van anderen, op de visie die men heeft over hoe anderen tegenover elkaar staan en op de bredere visie over het politiek functioneren in het algemeen en specifieke instellingen.

2

| Sociaal kapitaal en sociale integratie

Maatschappelijke integratie van individuen is sterk verbonden met de notie van ‘sociaal kapitaal’ (cf. Lin, 2001a: 9). Het concept “sociaal kapitaal” werd onder de aandacht gebracht door invloedrijke auteurs, als Bourdieu (1986), Coleman (1988, 1990), Lin (2001a, 2001b), Portes (1998) en Putnam (1993). Één van de grote problemen eigen aan het begrip ‘sociaal kapitaal’ is dat het verschillende ladingen dekt. Er is geen éénduidige definitie voor het concept, waardoor verschillende auteurs sociaal kapitaal op een zeer verschillende manier invullen (cf. Portes, 1998 ; Lin, 2001a). “Investment in social relations with expected returns”, vat het concept goed samen over de diverse definities heen (Lin, 2001b: 6). Alle frequent gebruikte definities leggen de klemtoon op de positieve gevolgen die kunnen voortvloeien uit sociale contacten. Binnen de context van sociale integratie kan de definitie van Putnam (1996) worden gehanteerd: “Social capital stands for networks, norms, and trust that enables participants to act together more efficiently to pursue shared objectives”. In deze omschrijving wordt zowel het relationele (networks) als het collectieve (norms and trust) behandeld. Coleman (1990) hanteert voornamelijk een collectief perspectief, i.e. sociaal kapitaal als “trust, norms, sanctions, authority and closure”. Bourdieu (1985) beschrijft sociaal kapitaal daarentegen als hoofdzakelijk gebaseerd op onmiddellijke sociale interacties. Deze drie definities illustreren één van de grote twistpunten binnen het onderzoek omtrent sociaal kapitaal. Is sociaal kapitaal eigen aan individuen of dient sociaal kapitaal als een kenmerk van een collectief geheel te worden beschouwd? Volgens Lin (2001a) moet sociaal kapitaal gedefinieerd als een relationeel gegeven worden onderscheiden van sociaal kapitaal beschouwd als een collectief goed. Beide kunnen wel in onderling verband worden gebracht. Dit betekent echter niet dat deze als alternatieve benaderingen van sociaal kapitaal kunnen worden beschouwd, die elkaar uitsluiten. Wij volgen deze tweeledige benadering van sociaal kapitaal en brengen sociaal kapitaal als individueel kenmerk in verband met sociaal kapitaal op het collectief niveau. Beide benaderingen van sociaal kapitaal verdienen

16


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

de aandacht. Netwerkkenmerken van personen worden als verklarende variabelen in verband gebracht met visies op de maatschappij in haar geheel. Binnen dit model zit zowel het individuele als het collectieve vervat onder de noemer “sociaal kapitaal”, maar worden deze conceptueel onderscheiden van elkaar. Met de eerste betekenis wordt verwezen naar die aspecten van sociale relaties die mogelijk rechtstreeks of onrechtstreeks vruchtbaar zijn voor het betrokken individu. De tweede beschouwt sociaal kapitaal als die visies, normen en waarden die de sociale integratie binnen de bredere samenleving bevorderen of mogelijk maken (cf. Stolle, 1999: 256). Ondanks het conceptuele onderscheid tussen deze beide vormen van sociaal kapitaal kunnen deze wel met elkaar in verband worden gebracht (cf. Billiet, 1998). In hoeverre kenmerken van de sociale relaties van personen een invloed uitoefenen op diverse integratiegerichte waarden en normen kan worden nagegaan en vormt een centrale doelstelling binnen dit onderzoek. Een eerste deel van deze bijdrage neemt de kenmerken van de sociale relaties in Vlaanderen in beschouwing. In een tweede deel staan de diverse waarden en normen centraal en worden beide dimensies met elkaar in verband gebracht.

3

| Sociale relaties

Sociale integratie in sociale netwerken van individuen manifesteert zich in de eerste plaats in feitelijke sociale contacten met de onmiddellijke omgeving. De onmiddellijke omgeving staat voor die personen met wie men over het algemeen frequente contacten heeft, zoals gezin, familie, vrienden, buren en collega’s. Op basis van de individualiseringsthese (o.a. Beck, 1986) verwachten we dat de Westerse samenleving evolueert van een eerder traditionele samenleving met de nadruk op familie en buurt, naar een samenleving waarbij meer individueel opgebouwde contacten en meer op keuzegebaseerde relaties centraal komen te staan. In een traditionele samenleving hechten personen veel belang aan de relaties die rechtstreeks voortvloeien uit geboorte en woonplaats, i.e. familie en buurt. In individualistisch georiënteerde samenlevingen is de keuze van de anderen veel meer afhankelijk van de persoon zelf en ligt de nadruk eerder op relatie-uitbouw (cf. Triandis, 1995: 74). Hiermee wordt bedoeld dat personen actief ‘werken’ aan en investeren in nieuwe sociale contacten. Via survey-onderzoek zijn we uiteraard niet in staat om de particuliere dynamiek van deze relaties te onderzoeken. We zijn noodgedwongen enkel in staat om een aantal algemene kenmerken te bekijken, zoals grootte, diversiteit en intensiteit. In deze bijdrage komen deze drie centrale aspecten van sociale relaties aan bod. Het hebben van veel goede vrienden of van een omvangrijk aantal personen waarmee men belangrijke persoonlijke zaken kan bespreken vormt een belangrijke bron van potentieel sociaal kapitaal. De integratie van personen in de maatschappij gebeurt immers in belangrijke mate door deze diepgaande sociale contacten. Een ander

17


Vlaanderen gepeild ! belangrijk aspect van sociale integratie verwijst naar de intensiteit of de frequentie van contact. Van personen die vaak diepgaande sociale contacten hebben, kan worden aangenomen dat deze meer maatschappelijk geïntegreerd zullen zijn. Tenslotte moet ook de diversiteit van de anderen binnen het sociaal netwerk in beschouwing worden genomen. Personen die contact hebben met zeer verschillende anderen –in termen van rolrelaties– kunnen hieruit mogelijk meer sociaal kapitaal putten. In het volgende deel komen deze verschillende aspecten aan bod en vervolgens wordt nagegaan in hoeverre deze variëren naargelang diverse kenmerken van de respondent.

3.1

| Grootte van sociale netwerken.

Zoals reeds even werd vermeld en verder in deze bijdrage nog zal worden uitgewerkt (cf. §4), ligt de nadruk op de invloed van het sociaal netwerk van personen op waardeoriëntaties die maatschappelijke integratie bevorderen. Waarden verwijzen naar belangrijke principes, levensdoelen en ideeën over de samenleving (van der Pligt en de Vries, 1995: 20). Deze abstracte inzichten over de samenleving worden verondersteld stabiel, duurzaam en sterk geïnternaliseerd te zijn (Waege, 1997: 53). Het is dan ook weinig waarschijnlijk dat hun visies op de wereld en hun waarden zullen veranderen onder invloed van losse en oppervlakkige sociale contacten. Enkel sterke, frequente en diepgaande sociale relaties kunnen een potentiële invloed uitoefenen op deze abstracte waarden. Om deze reden staan diepgaande en hechte contacten, zoals vriendschap, centraal. Een eerste indicator voor dit type relatie peilt naar het aantal “goede vrienden” die personen hebben. Ondanks het potentieel van deze indicator bestaat het gevaar dat niet iedere respondent dezelfde betekenis geeft aan het begrip “vriendschap”. Voor bepaalde individuen omsluiten “vrienden” zowel kennissen als hechte vriendschapsbanden. Anderen reserveren deze term echter enkel voor diepgaande en sterke sociale relaties. Een tweede indicator refereert enkel naar die personen met wie men “belangrijke persoonlijke zaken” bespreekt (cf. Burt, 1984). Personen die voldoen aan dit criterium worden geacht vertrouwenspersonen of heel goede vrienden te zijn. Dit blijkt ook uit onderstaande resultaten op basis van de APSenquête, die in 2002 uitgevoerd werd bij 1477 Vlamingen.

18


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

FIGUUR 1

Aantal goede vrienden (n=1460).

16 14 12 10

%

8 6 4

20

21+

19

18

17

16

15

14

13

12

11

10

8

9

7

6

5

4

2

0

1

0

3

2

Wanneer gebruik wordt gemaakt van de eerste indicator (cf. figuur 1) blijkt dat personen in Vlaanderen gemiddeld zeven goede vrienden of vriendinnen hebben. Opvallend is wel dat 7% van de ondervraagde Vlamingen geen enkele goede vriend vermeldt en dat 6% slechts één enkele vriend rapporteert. Hiertegenover staat dat 29% van de ondervraagde Vlamingen tien of meer goede vrienden opgeeft.1 De antwoorden op de vraag naar de personen met wie men “belangrijke persoonlijke zaken” bespreekt geven echter een ander beeld weer. Terwijl personen in Vlaanderen gemiddeld zeven goede vrienden hebben, hebben zij gemiddeld slechts iets meer dan vier personen waarbij ze terecht kunnen om ‘belangrijke persoonlijke zaken’ te bespreken (cf. figuur 2). Het aantal vertrouwenspersonen ligt dus heel wat lager dan het aantal personen dat men als ‘goede vrienden’ beschouwt. Het is wel opvallend dat slechts iets meer dan 1% van de bevraagde Vlamingen zegt geen enkele vertrouwenspersoon te hebben.2 Ondanks dat een aanzienlijk deel van de Vlaamse bevolking een gebrekkig aantal goede vrienden heeft, is het beeld dat op basis van het aantal aanwezige vertrouwenspersonen wordt verkregen veel minder schrijnend. Daartegenover staat dat ongeveer 75% van de respondenten tussen één en vijf vertrouwenspersonen opgeeft. Ongeveer één vierde van de Vlaamse bevolking heeft zelfs meer dan vijf vertrouwenspersonen om op te rekenen. Dit beeld nuanceert de 1.

De hoge aantallen op de 5- en 10-tallen kunnen worden toegeschreven aan het feit dat er aan iedere respondent enkel werd gevraagd het aantal goede vrienden in te schatten, zonder dat daarbij de namen van de goede vrienden moesten ingevuld worden. 2. Er zijn minder Vlamingen die geen vertrouwenspersonen hebben (1%), dan er Vlamingen zijn die geen vrienden rapporteren (7%). Dit kan worden veroorzaakt door het feit dat in de vraag naar het aantal vrienden, de partner niet mocht meegerekend worden.

19


Vlaanderen gepeild ! bevindingen die op basis van de vraag naar het aantal goede vrienden bekomen werden. Omwille van de meer concrete invulling van “belangrijke persoonlijke zaken”, wordt verondersteld dat deze laatste indicator een meer accuraat beeld geeft van het werkelijke aantal diepgaande relaties. FIGUUR 2

Aantal personen om belangrijke persoonlijke zaken mee te bespreken (n=1446)

18 16 14 12

%

10 8 6 4

15+

14

13

12

11

10

8

9

6

7

5

4

2

0

1

0

3

2

Uit eerder onderzoek (Waege en Agneessens, 2001) bleek reeds dat sociale netwerkkenmerken sterk verschillen naargelang sociaal-structurele achtergrondkenmerken. Ook het aantal goede vrienden en het aantal vertrouwenspersonen varieert sterk tussen diverse bevolkingsgroepen. De verschillen tussen de diverse bevolkingsgroepen kunnen worden vastgesteld aan de hand van hiërarchische ANOVA. Dit is een techniek waarbij de score van elke groep voor een bepaalde categorie van een variabele wordt vergeleken met de gemiddelde score over de verschillende groepen heen. De invloed van een mogelijke verklarende variabele wordt gecontroleerd voor de potentiële invloed van de voorafgaande verklarende variabelen. Tabel 1 geeft de verschillen in het aantal goede vrienden weer opgedeeld naar een aantal socio-demografische kenmerken van de respondent: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en aanwezigheid van een partner. Ook twee andere, niet socio-demografische kenmerken worden opgenomen, m.n. de bevolkingsdichtheid van de gemeente waar de respondent woonachtig is en de mate van participatie in het verenigingsleven. In het tweede kolom van tabel 1 worden deze resultaten voor het aantal vertrouwenspersonen weergegeven.

20


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

TABEL 1

Het aantal goede vrienden/vriendinnen en het aantal personen om belangrijke persoonlijke zaken mee te bespreken naar geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, gezinssituatie urbanisatiegraad en participatie aan het verenigingsleven van de respondent. Aantal goede Aantal vertrouwensvrienden (B) personen (B) Geslacht

**

**

Man

0,681**

-0,297**

Vrouw

-0,681**

0,297** **

Leeftijd 18-39 jaar

0,400

0,676**

40-54 jaar

-0,100

-0,195

55 jaar of ouder

-0,300

-0,480** *

Opleidingsniveau Lager of lager secundair

0,524

-0,248*

Hoger secundair

-0,211

0,036

Hoger onderwijs of universitair

-0,312

0,212

Partner Geen partner

-0,414

0,039

Partner

0,414

-0,039 **

Bevolkingsdichtheid gemeente 2

0,009

0,271*

400-799 personen/m2

-0,409

-0,004

800 personen/m2 of meer

0,400

-0,267*

0-399 personen/m

Vereniging

**

**

Lid van geen vereniging

-1,045**

-0,505**

Lid van ĂŠĂŠn vereniging

-0,006

0,109

Lid van 2 of meer verenigingen

1,051**

0,396**

* p < 0.05 ** p < 0.01

21


Vlaanderen gepeild ! Op het eerste gezicht zijn de bevindingen betreffende de verdeling van het aantal goede vrienden naar geslacht tegenstrijdig met de gangbare bevindingen (e.g. Busschots en Lauwers, 1994; Wellman en Wortley, 1990; Waege en Agneessens, 2001). Vlaamse mannen blijken immers meer goede vrienden te hebben dan Vlaamse vrouwen. Indien we dezelfde analyse verrichten voor het aantal personen beschikbaar voor het bespreken van belangrijke persoonlijke zaken, dan blijken de resultaten wel in lijn met de bevindingen uit eerder onderzoek. Vrouwen blijken een groter aantal vertrouwenspersonen te hebben dan mannen. Dit alles wijst erop dat mannen het begrip “goede vriend” ruimer definiëren dan vrouwen. Mannen rapporteren meer vrienden, maar significant minder vertrouwenspersonen dan vrouwen. De noemer ‘goede’ vrienden dekt voor mannen waarschijnlijk niet noodzakelijk enkel diepgaande contacten, die ook als vertrouwenspersonen kunnen worden beschouwd. Een tweede variabele die in beschouwing wordt genomen is de leeftijd van de respondent. Opnieuw is er een verschil tussen de resultaten van beide indicatoren. Wanneer gevraagd wordt naar het aantal goede vrienden is er geen verschil in het aantal vriendschapsrelaties tussen de diverse leeftijdscategorieën. Dit is opnieuw in tegenstelling tot de literatuur waar gesteld wordt dat jongeren en personen van middelbare leeftijd grotere sociale netwerken hebben dan ouderen (e.g. Marsden, 1987). Een dergelijk resultaat wordt echter wel teruggevonden voor het aantal vernoemde vertrouwenspersonen. Vlamingen uit de eerste leeftijdscategorie (18-39 jaar) hebben gemiddeld meer personen om persoonlijke zaken te bespreken dan de andere leeftijdssegmenten binnen de Vlaamse bevolking. Het oudste deel van de bevolking vernoemt beduidend minder vertrouwenspersonen. In tegenstelling tot de bevindingen in de literatuur (e.g. Marsden, 1987; Tijhuis et al, 1992) wordt er specifiek voor het aantal goede vrienden geen invloed gevonden van de derde socio-demografische variabele, met name opleidingsniveau. Voor het aantal vertrouwenspersonen gaat het verband wel in de verwachte richting. Lager opgeleiden blijken immers minder personen te vernoemen om belangrijke persoonlijke zaken te bespreken in vergelijking met hoger opgeleiden (Marsden, 1990). Ook hebben Vlamingen met een partner een even groot sociaal netwerk als Vlamingen zonder een partner. Het gemiddeld aantal personen om belangrijke persoonlijke zaken te bespreken neemt systematisch af met de bevolkingsdichtheid van de gemeente waar de respondent woont. In dichter bevolkte gemeenten hebben individuen minder vertrouwenspersonen dan in Vlaamse gemeenten die minder dicht bevolkt zijn. Dit komt overeen met de these dat grote steden gekenmerkt worden door een hoge mate van anonimiteit. Het aantal vrienden varieert daarentegen niet naargelang de bevolkingsdichtheid. Tenslotte wordt ook het belang nagegaan van het deelnemen aan het verenigingsleven (sportverenigingen, sociaal-culturele verenigingen, e.d.). Voor beide types relaties – goede vrienden en personen om belangrijke persoonlijke zaken te bespreken – worden meer personen genoemd naarmate men lid is van meer verenigingen.

22


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

Dit wijst er mogelijk op dat verenigingen een waardevolle bron zijn om deze sociale relaties op te bouwen. Al blijft de vraag bestaan of het hebben van veel vrienden geen voorwaarde is om meer frequent deel te nemen aan het verenigingsleven of dat het deelnemen aan het verenigingsleven een voorwaarde vormt voor het uitbouwen van vriendschapsrelaties. Een derde vraag die moet gesteld worden is of zowel het deelnemen aan het verenigingsleven als het uitbouwen van vriendschapsrelaties geen gemeenschappelijke oorzaken hebben die niet in de analyses werden opgenomen. Uit deze bevindingen blijkt dat de resultaten voor het aantal personen om persoonlijke zaken mee te bespreken het meest in overeenstemming zijn met de bevindingen in de literatuur. Vrouwen, jongeren, hoger opgeleiden, personen uit dichtbevolkte gemeenten en leden van verenigingen hebben een groter aantal vertrouwenspersonen dan respectievelijk mannen, ouderen, lager opgeleiden, personen uit dunner bevolkte gemeenten en personen die lid zijn van weinig of geen verenigingen. Gegeven de eenduidigheid van de betekenis van de tweede indicator, werd ervoor gekozen om in de verdere analyses enkel gebruik te maken van het aantal personen om belangrijke persoonlijke zaken mee te bespreken en niet van het aantal goede vrienden. Daarenboven maken bovenstaande bevindingen het onontbeerlijk om de diverse achtergrondkenmerken van de respondent in het vervolg van de analyses als controlevariabelen op te nemen.

3.2

| Diversiteit van de sociale relaties

Naast de grootte van het sociaal netwerk heeft ook de diversiteit van het sociaal netwerk een potentiĂŤle invloed op attitudes en waarden. Personen die deel uitmaken van een meer divers sociaal netwerk zullen onderhevig zijn aan meer diverse invloeden, dan personen die enkel bepaalde types personen in vertrouwen kunnen nemen. Om dit na te gaan werd voor elk van de vernoemde vertrouwenspersonen een aantal bijkomende kenmerken gevraagd. Als indicator voor de diversiteit van de vertrouwensrelaties wordt de rol die elk van de vijf belangrijkste vertrouwenspersonen vervullen als verklaring opgenomen. Uit tabel 2 blijkt dat de meerderheid van de respondenten (51,8%) de partner als belangrijkste vertrouwenspersoon ziet, gevolgd door een vriend (14,5%). Als tweede en derde vertrouwenspersoon wordt meestal een vriend (23,4%), een ouder (15,6%) of een kind (16,3%) genoemd. Als vierde en vijfde opgesomde vertrouwenspersoon worden hoofdzakelijk vrienden vernoemd (respectievelijk 19,8% en 17,5%). Broers, zussen, andere familieleden (buiten partner, kinderen, moeder of vader) en anderen worden zelden genoemd bij de vijf belangrijkste personen om persoonlijke zaken te bespreken. Opmerkelijk is dat voor het bespreken van belangrijke persoonlijke zaken, voor een overgrote meerderheid van de Vlamingen de partner de belangrijkste vertrouwenspersoon is. In een maatschappij gekenmerkt door toenemende individualisering rekenen personen in de eerste plaats op hun partner als vertrouwenspersoon. Hoewel het belang van vrienden als vertrou-

23


Vlaanderen gepeild ! wenspersonen zeer duidelijk naar voren komt, blijft voor familie (in eerste lijn, vb. ouder-kind) nog steeds een belangrijke rol weggelegd. TABEL 2

Rolrelatie met 5 belangrijkste vertrouwenspersonen (%) 1e persoon

2e persoon

3e persoon

4e persoon

5e persoon

niemand

3,3

16,0

29,4

45,8

60,0

Partner

51,8

3,1

1,3

0,5

0,3

Moeder of vader

9,9

15,6

7,9

4,6

2,4

Broer of zus

4,9

9,6

9,5

7,4

4,3

Zoon of dochter

7,7

16,3

11,1

5,5

2,1

Andere familie

2,5

5,8

7,0

7,2

5,1

Collega

2,3

5,0

5,7

4,2

3,2

Buur

1,1

2,6

2,0

2,3

2,7

Vriend

14,5

23,4

22,7

19,8

17,5

Andere

2,0

2,6

3,5

2,7

2,3

71% van de respondenten woont samen met een partner of is gehuwd.

We kunnen ook nagaan in hoeverre kenmerken van de respondent bepalend zijn voor het al dan niet vernoemen van personen met een specifieke rol. De resultaten van de logistische regressie werden weergegeven in tabel 3. Net zoals bij het aantal vrienden en het aantal vertrouwenspersonen (cf. tabel 1), verschilt de diversiteit van het sociaal netwerk naargelang de kenmerken van de Vlaamse respondent.3

3. Elke rolrelatie wordt als aanwezig beschouwd, indien er minstens ĂŠĂŠn persoon van de vijf belangrijkste vertrouwenspersonen deze rol vervult.

24


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

TABEL 3

Rolrelatie met 5 belangrijke vertrouwenspersonen naar kenmerken van respondent Partner Constante

-0.472

**

Familie 0.745

**

Vrienden 0.102

**

Geslacht

**

Man

0.113

– 0.328

-0.325

Vrouw

-0.113

0.328

0.325

**

Leeftijd 18-39 jaar

0.387

40-54 jaar

-0.150

55 jaar en meer

-0.237

*

**

**

0.274

**

0.467

-0.177

*

-0.006

*

-0.097

-0.461

**

Opleidingsniveau Lager of lager secundair

-0.313

Hoger secundair

-0.015

Hoger onderwijs of universitair

0.327

**

**

** **

0.128

-0.265

0.049

-0.130

-0.177

**

Partner

**

0.395 **

**

** **

Geen partner

-1.658

0.216

0.230

Partner

1.658

-0.216

– 0.230

Bevolkingsdichtheid gemeente 0-399 personen/m2

-0.048

0.061

-0.106

400-799 personen/m2

0.128

0.100

-0.028

800 personen/m2 of meer

-0.080

-0.161

0.135 **

Vereniging Lid van geen vereniging

-0.219

-0.079

-0.288

Lid van één vereniging

0.150

*

0.113

0.127

Lid van 2 of meer verenigingen

0.069

-0.034

0.161

**

* p < 0.05 ** p < 0.01

Vlaamse vrouwen en mannen zoeken in dezelfde mate sociale steun bij hun partner. Vrouwen vernoemen echter vaker familieleden en vrienden bij de vijf belangrijkste vertrouwenspersonen dan mannen. Dit in overeenstemming met de literatuur waarin reeds aangetoond werd dat vrouwen, vaker dan mannen, vertrouwen op andere sociale contacten dan de partner (Busschots en Lauwers, 1994). Vlaamse vrouwen hebben niet alleen meer vertrouwenspersonen (cf. tabel 2), maar

25


Vlaanderen gepeild ! de rollen van de netwerkleden zijn ook meer divers, dan bij Vlaamse mannen het geval is. In overeenstemming met de literatuur (Marsden, 1987; Burt, 1991) neemt de diversiteit van de vertrouwensrelaties af met de leeftijd. Jongere Vlamingen beschikken over een meer verscheiden netwerk van vertrouwensrelaties, in vergelijking met de ouderen. Hoger opgeleiden vernoemen op hun beurt meer frequent hun partner en hun vrienden als leden van hun sociaal netwerk. Dit laatste is in overeenstemming met eerdere bevindingen (Moore, 1990; Marsden, 1987). Alhoewel bepaalde bevindingen in de literatuur er op wijzen dat voor hoger opgeleiden familieleden minder centraal staan (Huang en Tausig, 1990), werd er voor de Vlaamse bevolking geen significant verband tussen beide variabelen gevonden. Het lijkt er eerder op dat hoger opgeleiden hun familiale contacten aanvullen met meer vrienden. Personen met een partner wenden zich dan wel minder tot andere familieleden en vrienden dan personen zonder een partner. Vlamingen die geen lid zijn van een vereniging zullen gemiddeld minder hun partner en hun vrienden vernoemen als vertrouwenspersoon, in vergelijking met zij die wel lid zijn van één of meer verenigingen. Het al dan niet vernoemen van familieleden onder de vertrouwenspersonen wordt hier niet door beïnvloed. Uit deze resultaten kan worden besloten dat de achtergrondkenmerken van de respondent een grote invloed hebben op de diversiteit van hun sociaal netwerk.

3.3

| Intensiteit van sociale relaties

Een derde kenmerk van sociale relaties is de intensiteit van de relatie. Intensiteit heeft zowel een kwantitatief als kwalitatief aspect. Kwantitatief verwijst dit naar de frequentie van contact, terwijl de mate van verbondenheid een meer kwalitatieve invulling van intensiteit inhoud. Beide aspecten van intense sociale relaties kunnen een grotere invloed uitoefenen op persoonlijke attitudes en waarden. Ondanks dat binnen dit onderzoek de klemtoon enkel ligt op zeer intense en diepgaande sociale relaties –met name de relatie met vertrouwenspersonen– kan er toch een verschil bestaan in gepercipieerde intensiteit van de relatie. Verschillende personen kunnen immers een zelfde type relatie met een andere intensiteit beleven.

26


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

TABEL 4

Frequentie van contact met vijf belangrijkste personen om vertrouwelijke zaken te bespreken 1e persoon

2e persoon

3e persoon

4e persoon

5e persoon

Elke dag

70,4

27,8

22,2

18,6

14,2

Meermaals per week

19,3

45,9

41,5

38,4

40,2

Meermaals per maand

7,2

19,0

25,0

30,1

31,3

Ongeveer één maal per maand of minder

3,0

7,2

11,3

13,0

14,4

N

1423

1234

1036

795

585

Met betrekking tot de intensiteit van de relatie met elk van de vijf belangrijkste vertrouwenspersonen, varieert de frequentie van contact (cf. tabel 4). Met de meest belangrijke persoon (i.e. meestal de partner of een vriend (cf. tabel 2)) heeft de gemiddelde Vlaming dagelijks contact. De tweede belangrijkste vertrouwenspersoon contacteert men hoofdzakelijk meermaals per week (45,9%), of meermaals per dag (27,8%). Met de drie laatstgenoemde vertrouwenspersonen heeft men meermaals per week of meermaals per maand contact. Enkel met een minderheid van de vertrouwenspersonen heeft men hoogstens één maal per maand contact. Algemeen gezien, heeft de meerderheid van de Vlamingen frequente contacten met de vijf belangrijkste personen met wie hij persoonlijke zaken bespreekt. Er mag dus geconcludeerd worden dat deze sociale contacten een belangrijke invloed zullen hebben op het dagdagelijks functioneren. Tevens kan worden aangenomen dat deze sociale contacten van invloed zullen zijn op diverse integratiegerichte waarden en normen. TABEL 5

Verbondenheid met 5 belangrijkste vertrouwenspersonen

Helemaal niet verbonden

1e persoon

2e persoon

3e persoon

4e persoon

5e persoon

0,0

0,0

0,1

0,3

0,5

0,4

0,4

1,4

1,4

1,2

2,6

7,5

13,8

19,9

25,2

8,9

26,6

31,5

34,4

35,8

Zeer verbonden

88,2

65,5

53,1

44,1

37,3

N

1427

1238

1040

800

587

27


Vlaanderen gepeild ! Uit de gegevens blijkt eveneens dat de meerderheid van de Vlamingen zich ‘verbonden’ tot ‘zeer verbonden’ voelt met elk van de vijf genoemde vertrouwenspersonen (cf. tabel 5). Dit bevestigt de idee dat de vraag over ‘belangrijke persoonlijke zaken’ wel degelijk naar diepgaande contacten peilt. Het gebrek aan variatie in deze data maakt het echter niet mogelijk om met behulp van deze maat bijkomend inzicht te verwerven in intensiteit van sociale relaties. Om deze reden werd eveneens de verbondenheid van de Vlaming met personen die diverse rollen invullen bekeken. Deze rolrelaties werden immers niet noodzakelijk genoemd bij de vijf belangrijkste vertrouwenspersonen van de respondent. Aangezien alle beschouwde roltypes zich mogelijk in de onmiddellijke omgeving van de respondent bevinden, kunnen deze een invloed hebben op de beschouwde waarden. FIGUUR 3

verbondenheid met diverse types personen 100 90 80 70 60 % 50 40 30 20 10 0 Collega’sof

Meeste buren

Meeste familieleden

Vriendengroep

studiegenoten (n=940)

(n=1462)

(n=1459)

(n=1436)

Gezin (n=1340)

Helemaal niet verbonden 2 3 Noch sterk verbonden, noch niet verbonden 5 6 S terk verbonden

Uit figuur 3 blijkt dat Vlamingen zich in het algemeen hoofdzakelijk sterk verbonden voelen met hun gezin (90%). Met vrienden en andere familieleden voelt men zich vrij sterk verbonden (respectievelijk 55,6% en 37,7%). Men voelt zich echter enkel in mindere mate verbonden met buren, collega’s en/of studiegenoten. Opval-

28


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

lend is dat een klein percentage ondervraagde Vlamingen zich helemaal niet verbonden voelt met zijn gezin (0,2%), vrienden (3,3%) of familieleden (2,7%). Algemeen worden verondersteld dat de mate waarin partner, vrienden en familieleden een belangrijke rol spelen in de dagdagelijkse context een grote invloed zal uitoefenen op de attitudes en waarden van personen. TABEL 6

Verbondenheid met specifieke groepen naar kenmerken van respondent

Vriendengroepb

Meeste familieledenb

Burenc

**

**

**

**

Constante

2,182

0.295

0.314

-0.458

Geslacht

*

**

**

*

*

Man -0.280

-0.272

-0.398

-0.136

-0.162

0.272

0.398

0.136

0.162

**

*

**

Gezina

Vrouw

0.280

Leeftijd 0.029

0.439

40-54 -0.002

18-39

-0.144

55+

-0.027

-0.294

**

0.071 -0.212

**

0.141

*

Opleidingsniveau Lager of lager secundair

0.265

-0.234

*

-0.309 *

Collegaâ&#x20AC;&#x2122;sc 0.047

**

0.149

0.037

-0.146

0.272

** -0.003

**

*

0.055

0.183

*

-0.284

*

0.232

*

Hoger secundair

-0.285

0.037

0.015

0.139

Hoger onderwijs of universitair

0.020

0.196

* -0.070

-0.322

Partner

**

*

**

Geen partner

-0.552

0.047

-0.152

-0.232

0.107

Partner

0.552

-0.047

0.152

0.232

-0.107

Bevolkingsdichtheid gemeente 2

0.052

** 0.072

0.122

0.277

400-799 pers/m2

0.024 -0.070

-0.061

-0.029

800 pers/m2 of meer

0.014 -0.003

-0.061

-0.249

0-399 pers/m

**

-0.038

**

0.048 -0.014

**

-0.034

29


Vlaanderen gepeild !

Gezina

Vriendengroepb **

Vereniging Lid van geen vereniging

-0.156

-0.401

Lid van één vereniging

0.011

0.032

Lid van 2 of meer verenigingen

0.145

0.370

**

**

Meeste familieledenb

Burenc

*

**

-0.160

-0.251

-0.094

-0.132

0.253

**

0.384

Collega’sc

**

-0.109 -0.024

**

0.134

* p < 0.05 ** p < 0.01 a. score (7) versus score (1 tot 6) b. score (6-7) versus score (1 tot 5) c. score (5-7) versus score (1 tot 4)

Aan de hand van een logistische regressie werd vervolgens ook nagegaan in welke mate de verbondenheid met elk van de diverse rollen varieert naargelang de kenmerken van de respondent. Uit de resultaten in tabel 6 blijkt dat vrouwen zich sterker dan mannen verbonden voelen met hun gezin, met hun vrienden, met hun familie, met hun buren en met hun collega’s. Doordat vrouwen meer vertrouwensrelaties hebben (cf. tabel 1) en zich meer verbonden voelen met deze relaties, kan in overeenstemming met de literatuur (e.g. Tijhuis et al, 1992) besloten worden dat vrouwen meer sociale steun genieten dan mannen. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat zij meer tijd hebben om sociale contacten te benutten (53,5 % van de Vlaamse vrouwen is niet werkend in vergelijking met 36,5% van de Vlaamse mannen), meer geneigd zijn persoonlijke zaken te bespreken met anderen dan hun partner en dergerlijke. Het jongste segment Vlamingen (18-39 jaar) voelt zich op hun beurt meer verbonden met hun vrienden dan oudere Vlamingen. Deze jongste bevolkingsgroep is immers meer gericht op hun vriendengroep dan ouderen, wat echter niet impliceert dat zij minder goede contacten zouden hebben met familie. Personen van middelbare leeftijd (40-54 jaar) voelen zich minder verbonden met familieleden dan jongeren en ouderen. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat de jongste leeftijdsgroep nog sterk geconcentreerd is op contacten met hun kinderen en/of hun ouders, terwijl de oudsten zich opnieuw meer verbonden gaan voelen met hun familieleden omwille van toenemende aantal leeftijdsgenoten die in hun onmiddellijke omgeving overleden zijn. De verbondenheid met buren is echter gemiddeld lager voor jongeren dan voor ouderen. Dit is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het feit dat ouderen meestal reeds langer gevestigd zijn in een gemeente of stad –wat hen toelaat hun buren beter en langer te kennen– in vergelijking met jongeren, maar kan ook worden toegeschreven aan de sterke gerichtheid op meer voor de hand liggende (minder geconstrueerde en tijdsintensieve) contacten bij ouderen.

30


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

Hoger opgeleiden zijn meer verbonden met hun vrienden en minder met hun buren in vergelijking met lager opgeleiden. Een mogelijke verklaring is dat de hoogst opgeleiden meer gericht zijn op kwaliteitsvolle vrijetijdsbesteding waarbij niet gekozen wordt voor personen in de onmiddellijke omgeving zoals buren, collega’s en familieleden, maar waarbij selectief vertrouwensrelaties worden opgebouwd met bepaalde vrienden. Met deze laatste voelt men zich dan ook sterk verbonden. Lager opgeleiden zijn gemiddeld minder verbonden met hun collega’s, dan hoger opgeleiden. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat lager opgeleiden vaker geen betaald werk verrichten dan hoger opgeleiden. De structuur en de inhoud van het werk is een andere mogelijke verklaring voor deze bevinding. Zowel jongeren als hoger opgeleiden voelen zich meer verbonden met vrienden, en dit lijkt ten koste te gaan van hoofdzakelijk de relatie met hun buren. Over het algemeen blijven familieleden voor deze categorieën zeer relevant. Personen met een partner voelen zich vanzelfsprekend meer verbonden met hun gezin en met andere familieleden. Tevens voelen zij zich meer verbonden met hun buren. Dit is mogelijk toe te schrijven aan het feit dat deze personen vaker op hun buren rekenen voor allerlei praktische en huishoudelijke taken (zoals opvang kinderen). Ook blijkt dat in dunner bevolkte gebieden (platteland) mensen zich meer verbonden voelen met hun buren dan Vlamingen die in dicht bevolkte steden wonen. Dit in overeenstemming met de grote anonimiteit in de stad in vergelijking met de gemoedelijkheid (gemütlichheid) eigen aan het Vlaamse plattelandsdorp. Leden van verenigingen voelen zich meer verbonden met de vrienden, familieleden (buiten eigen gezin), buren en collega’s dan mensen die geen lid zijn van enige vereniging. Deze laatste voelen zich enkel erg verbonden met hun eigen gezin. Dit wijst erop dat verbondenheid met groepen voor leden van verenigingen belangrijk is ongeacht of het hier gaat over vrienden, familie of buren.

3.4

| Besluit

In dit deel hebben we de sociale integratie qua diepgaande sociale relaties van de Vlaamse bevolking in beschouwing genomen. Een eerste belangrijke vaststelling is de belangrijke rol van partner en vrienden, naast de ‘traditionele’ sociale contacten met familie. Conform de verwachtingen op basis van de individualiseringsthese investeren individuen in zelfuitgebouwde sociale contacten. Opmerkelijk is wel dat traditionele familiebanden belangrijk blijven. Deze tendens voltrekt zich wel niet in gelijke mate voor elk van de verschillenden bevolkingsgroepen. Algemeen kunnen we concluderen dat de grootte, maar vooral de diversiteit en de intensiteit van sociale relaties sterk afhankelijk zijn van de kenmerken van de respondent. Hoewel mannen meer goede vrienden vernoemen dan vrouwen, rapporteren vrouwen meer vertrouwenspersonen dan mannen. Deze vertrouwenspersonen zijn voor vrouwen hoofdzakelijk geconcentreerd bij vrienden en familieleden. Oude-

31


Vlaanderen gepeild ! ren en lager opgeleiden hebben niet minder ‘goede vrienden’, maar voelen zich er wel minder verbonden mee. Hun vrienden gaan ook niet zo gemakkelijk als vertrouwenspersoon beschouwd worden. Daartegenover staat dat oudere personen zich wel meer verbonden voelen met hun buren. De rol van familie lijkt daarentegen niet te variëren naar leeftijd of opleiding. Daarnaast blijkt dat personen uit urbane gebieden in hoofdzaak gekenmerkt worden door hun lagere betrokkenheid met buren. Lidmaatschap van (een) vereniging(en) blijkt eveneens een positieve invloed te hebben, zowel op de grootte van het netwerk, als op de intensiteit van de relatie. De mate waarin deze aspecten van sociale integratie ook samengaan met een andere levensvisie en andere houdingen tegenover de samenleving in haar geheel, komt in het nu volgende deel aan bod.

4

| Sociale integratie en normatieve integratie

4.1

| Sociale representaties

Sociale relaties zijn een belangrijk medium (naast bijvoorbeeld massamedia) waarin waarden en normen gecommuniceerd en handelingen sociaal gecontroleerd worden. Mensen worden beïnvloed door waarden en normen die gedeeld worden met andere personen binnen het netwerk (social influence). Dit impliceert dat het sociaal netwerk een zekere mate van sociale controle uitoefent, waarbij houdingen en/of handelingen door anderen positief of negatief kunnen worden beoordeeld en wenselijk gedrag aangemoedigd wordt. Dit betekent echter niet dat mensen verplicht zijn om zich naar één algemeen geldende code te richten. Zoals reeds eerder aangehaald werd, veronderstelt de individualiseringsthese van Beck (1986) dat de Westerse samenleving meer en meer evolueert naar een individualistisch georiënteerde samenleving, waarbij de nadruk sterk ligt op relatieuitbouw. De overgang naar een meer ‘individuele’ benadering is een belangrijk element in de individualiseringsthese van Beck (cf. Beck, 1986; Beck et al. 2002). De opbouw en het onderhouden van individueel gekozen relaties met vrienden en kennissen is belangrijker geworden dan het onderhouden van contacten met familie en buren. Dit maakt het mogelijk om meer selectief te kiezen met wie men specifiek contact heeft. We kunnen in een geïndividualiseerde samenleving daarom eerder spreken van morele gemeenschappen (vgl. Luckmann, 1996; Waege, 1997), die gedeeltelijke gelijke, gedeeltelijk verschillende klemtonen leggen. Dit houdt in dat een individu niet noodzakelijk verplicht is om te leven in een gemeenschap van persoonlijke sociale relaties die sterk verschillend zouden zijn van de persoonlijk opgedane ervaringen. Deze laatste resulteren uiteindelijk in een persoonlijk waardepatroon. Dit impliceert dat sociale netwerken voor een deel ook het gevolg zijn van “bij elkaar passen”. Alles wat buiten de traditionele banden met familie en buurt valt is per definitie zelf “kiesbaar”. Individualisering heeft ook een inhoudelijke component. Tradi-

32


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

tionele waarden en normen hebben plaatsgemaakt voor meer expressief handelen waarbij exploreren belangrijker wordt ten nadele van het zich houden aan tradities. Over de band tussen sociale relaties en normen en waarden kunnen we dan ook stellen dat het om een wisselwerking gaat. Enerzijds kan worden verondersteld dat door een sociaal netwerk bestaande uit een groot aantal, diverse en diepgaande sociale contacten integratie in de hand wordt gewerkt. Anderzijds vormen onze eigen voorstellingen over het wenselijke en het gewenste een bepalende factor in het uitbouwen van sociale relaties. Binnen deze bijdrage ligt de klemtoon hoofdzakelijk op het verklaren van diverse waarden door kenmerken van het sociaal netwerk. In een eerste deel wordt de relatie met specifieke handelingsoriëntaties met betrekking tot directe sociale contacten belicht. Vervolgens wordt de samenhang met de houdingen ten opzichte van de bredere maatschappij in beschouwing genomen.

4.2

| Handelingsoriëntaties en sociale relaties

Naast de verschillende kenmerken van hun feitelijke sociale relaties, verschillen personen ook naar de voorstellingen die zij hebben over hoe het individu zich verhoudt of zou moeten verhouden tot de gemeenschap. Deze algemene ideeën, principes en levensvisies over de samenleving worden handelingsoriëntaties of waarden en normen genoemd. Met betrekking tot sociale integratie onderscheiden we in deze bijdrage vier handelingsoriëntaties (Waege, 1997: 130): expressivisme (zelforiëntatie), communitarisme (gemeenschapsoriëntatie), utilitarisme (utilitaire oriëntatie) en solidarisme (gelijkheidsoriëntatie). Expressief individualisme (EXPR4) verwijst naar het benadrukken van individuele autonomie wanneer het gaat om esthetische en niet-materiële middelen (Waege, 1997: 78). Utilitair individualisme (UTIL) verwijst eerder naar het handelen uit eigenbelang. Communitarisme (COMM) refereert naar het volgen van gebruiken, waarden, normen en tradities. Solidarisme (SOLID) heeft daarentegen betrekking op het streven naar gelijkheid en het zich inzetten voor de minderbedeelden. Sociale desintegratie in termen van bedreiging van integratie is dan het gevolg van té extreme en op dominantie gerichte handelingsoriëntaties (Waege, 1997: 97). Dit houdt meteen in dat deze vier handelingsoriëntaties op zich normaal zijn in een samenleving. Dubet (1994) stelt dat in een gedifferentieerde samenleving zoals de onze, mensen met dermate veel verschillende contexten in aanraking komen, dat ze meerdere handelingsoriëntaties naast elkaar gebruiken. Het is enkel wanneer men dominant één oriëntatie wil opleggen of wanneer een betekenisvolle groep in de samenleving één oriëntatie extreem doortrekt dat er sprake is van desintegratie. In deze bijdrage concentreren we ons niet op deze vorm van extreem doortrekken maar gaan we juist na welke aspecten van sociale relaties samenhangen met deze vier handelingsoriëntaties die op het individuele en op het

4. Labels zoals deze worden gebruikt in tabel 7-8.

33


Vlaanderen gepeild ! groepsniveau dikwijls samen aanwezig zijn, ook al lijken ze soms tegenstrijdig (vgl. Waege, 1997; Waege, Billiet, 1998). Naast deze vier handelingsoriëntaties wordt ook de aanvaardbaarheid van normoverschrijdend gedrag voor utilitarisme (UTIL NORM) en expressivisme (EXPR NORM) in beschouwing genomen. De eerste twee dimensies van sociale relaties die we bekijken zijn grootte en diversiteit van sociale netwerken. Tabel 7 geeft de parameters voor de hiërarchische MANOVA weer waarbij de invloed van elke variabele wordt gecontroleerd voor alle voorgaande variabelen5. Hieruit blijkt dat – indien gecontroleerd wordt voor sociodemografische kenmerken en verenigingsleven – er op de diverse waardeschalen geen significante verschillen voorkomen naargelang het aantal vertrouwenspersonen. Personen die meer vertrouwenspersonen hebben verschillen dus niet significant inzake sociale representaties van personen die geen of minder vertrouwenspersonen hebben. Personen met meer vertrouwenspersonen nemen geen meer solidaristische houding aan of zijn niet minder utilitaristisch dan personen die minder vertrouwenspersonen rapporteren. Er kan worden besloten dat het aantal personen waarover individuen beschikken voor het bespreken van vertrouwelijke zaken geen invloed heeft op de beschouwde waarden. Dit impliceert echter ook dat de integratie georiënteerde waarden geen invloed hebben op het aantal vertrouwenspersonen. De vraag die zich vervolgens stelt is of mensen verschillen in het ‘soort’ relaties dat zij aangaan met diverse personen. Dan gaat het om vragen zoals: gaan meer expressieve personen zich hoofdzakelijk richten op zelf geconstrueerde relaties (i.c. vrienden)? Gaan meer traditioneel gerichte personen (die hoog scoren op de communitarisme schaal) meer aandacht besteden aan familie en buren en wijden zij minder aandacht aan vrienden? Wat de tweede reeks waardeoriëntaties betreft stelt de vraag zich of mensen die een meer solidaristische houding hebben meer betrokken zullen zijn op familie. Van meer utilitaire individuen kan echter worden verwacht dat zij zich meer zullen richten op meer functionele relaties, zoals vrienden. Het type personen dat vernoemd wordt, levert enkele markante verschillen inzake waarden op. Het vernoemen van een partner bij de vijf belangrijkste personen voor het bespreken van vertrouwelijke zaken heeft een belangrijke invloed op de score op diverse waardeschalen. Personen die een partner hebben en die hun partner beschouwen als één van hun vertrouwenspersonen blijken meer vooruitstrevend te zijn, i.e. meer tolerant ten opzichte van expressieve normovertreding en zijn minder gericht op traditionele waarden (communitarisme) dan indien de partner niet genoemd wordt. Anderzijds zijn personen met een partner als vertrouwenspersoon minder solidair, wat kan toegeschreven worden aan het feit dat zij zich eerder zullen richten op het eigen gezin of op hun bestaan als koppel binnen de bredere maat-

5. De keuze om waardeoriëntaties te verklaren op basis van de sociale netwerkkenmerken van de respondenten werd ingegeven door de veronderstelling dat de waarden en normen die personen hebben in belangrijke mate het gevolg zijn van de sociale contacten van de respondent. We kunnen uiteraard niet uitsluiten dat er ook een invloed in de omgekeerde richting plaatsvindt.

34


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

schappij. Deze bevinding verwijst naar gezinsindividualisme. Een partner bij de vertrouwenspersonen noemen hangt samen met het uitbreiden van het persoonlijk individualisme naar de partnerrelatie en waarschijnlijk het kerngezin. Inzake de andere waardeschalen is er geen verschil tussen die personen die hun partner niet vernoemen als vertrouwenspersoon en zij die hun partner wel vernoemen. Een groter aantal vrienden vernoemen als vertrouwenspersoon gaat samen met een minder utilitaire houding en een hogere tolerantie ten opzichte van expressieve normovertredingen. Individuen die onder de vijf belangrijkste vertrouwenspersonen een groot aantal vrienden hebben zijn meer progressief (in termen van toelaten van expressieve normovertredingen). Deze bevinding ondersteunt de verklaring dat het in contact komen met anderen samen gaat met het hebben van een meer open levensvisie. Door de aanwezigheid van vrienden onder de vertrouwensrelaties zijn individuen ook minder gefocust op het nastreven van eigenbelang. Hechte vriendschappen hebben een dimensie van wederkerigheid die moeilijker te rijmen valt met een oriëntatie die puur op eigenbelang gericht is. Voor alle andere waardedimensies is er geen verschil tussen het niet, weinig of veel vernoemen van vrienden als personen om belangrijke persoonlijke zaken te bespreken. In tabel 8 worden de MANOVA-resultaten weergegeven voor de mate van verbondenheid met personen die een specifieke rolrelaties vervullen. De mate van verbondenheid van personen met hun gezin heeft geen invloed op de diverse integratiegerichte waarden. Individuen die zich sterk verbonden voelen met hun vrienden zijn minder op traditionele normen en gebruiken georiënteerd (communitarisme) dan personen die zich eerder zwak verbonden voelen met hun vrienden. Indien dit gekoppeld wordt aan de resultaten met betrekking tot de aanwezigheid van vrienden als vertrouwenspersoon (cf. tabel 7), dan toont dit aan dat nauwe relaties met mensen buiten de partner en de familie een belangrijke factor kunnen vormen in de sociale integratie. Vlamingen die een hogere verbondenheid hebben met familie scoren gemiddeld hoger op solidariteit. Ook de mate waarin men zich verbonden voelt met buren heeft een effect op bepaalde maatschappijvisies. Personen die zich meer verbonden voelen met hun buren staan gemiddeld minder tolerant ten opzichte van utilitaire normovertreding dan personen die zich zwak verbonden voelen met hun buren. Door deze verbondenheid met de lokale buurt, worden de belangen van de maatschappij – eerder dan de individuele belangen – vooropgesteld. In lijn met de verwachtingen, waarbij buurt typisch gezien wordt als een traditioneel integratiemechanisme, heeft een sterke verbondenheid met buren een positief effect op het centraal stellen van tradities, gebruiken en gewoontes. Het nastreven van eigenbelang wordt minder getolereerd en traditionele waarden en normen moeten onvoorwaardelijk nageleefd worden. Beide zijn bevorderlijk voor het functioneren van de traditionele gemeenschap. De verschillende bevindingen met betrekking tot de handelingsoriëntaties worden samengevat weergegeven in figuur 4.

35


Vlaanderen gepeild ! FIGUUR 4

De vier sociale representaties en hun band met kenmerken van sociale netwerken EXPRESSIVISME

- Partner bij vertrouwenspersonen (°) - Meer vrienden bij vertrouwenspersonen (°)

UTILITARISME

SOLIDARISME

- Minder verbonden met buren (°) - Minder vrienden bij vertrouwenspersonen

- Meer verbonden met familie - Geen partner bij vertrouwenspersonen

COMMUNITARISME

- Minder verbonden met vrienden - Meer verbonden met buren - Geen partner bij vertrouwenspersonen (°) aanvaardbaarheid van normatieve overtreding van waardeoriëntatie

TABEL 7

Belang van aantal en soort relatie van belangrijke 5 voor waardenschalen EXPR

UTIL

NORM

NORM

UTIL

SOLID

COMM

EXPR

Geslacht Man

0,071**

Vrouw

-0,071**

18-39

0,319**

40-54

0,040

0,076**

-0,077**

-0,021

0,094

-0,022 -0,076**

0,022

0,077**

0,021

-0,094

-0,163**

-0,175**

0,151**

Leeftijd

55+ -0,360**

0,085**

0,063

0,033

-0,034

-0,081*

-0,067*

-0,017 -0,093** 0,029

0,130**

0,210**

-0,070

Opleidingsniveau Lager of lager secundair

-0,195**

-0,004

0,239**

0,033

0,242**

0,148**

Hoger secundair

-0,008

-0,014

-0,019

-0,015

0,026

-0,045

hoger onderwijs of universitair

0,204**

-0,018 -0,268**

-0,104**

36

0,019 -0,220**


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

EXPR

UTIL

NORM

NORM

UTIL

SOLID

COMM

EXPR

Partner Geen partner

0,118**

0,004

0,016

-0,075* -0,099**

0,071*

Partner

-0,118**

-0,004

-0,016

0,075*

0,099**

-0,071*

Bevolkingsdichtheid gemeente 0-399 pers/m2

0,035

0,050

0,020

-0,063*

-0,033

-0,014

400-799 per/m2

-0,022

-0,039

0,006

0,024

0,014

0,009

800 pers/m2 of meer

-0,013

-0,012

-0,026

0,040

0,019

0,005

Lid van geen vereniging

0,031

0,056

0,081*

-0,060*

-0,013

0,080*

Lid van één vereniging

0,006

-0,010

0,011

-0,034

-0,038

-0,103**

Lid van twee of meer verenigingen

-0,037

-0,046 -0,092**

0,094**

0,051

0,023

Verenigingen

Aantal vertrouwenspersonen 0-2 personen

-0,025

-0,034

-0,020

-0,050

-0,004

0,017

3-4 personen

-0,006

-0,011

0,029

0,011

0,032

-0,005

5 of meer

0,031

0,045

-0,009

0,040

-0,0280

-0,014

0,045

0,069**

0,068*

0,038

-0,045 -0,069**

-0,068*

-0,038

Partner bij 5 vertrouwenspersonen Partner niet genoemd -0,093** Partner genoemd

0,093**

-0,004 0,004

Aantal familieleden bij 5 vertrouwenspersonen Geen familieleden genoemd

-0,011

0,012

0,063

-0,018

-0,030

-0,010

Eén familielid genoemd

0,048

0,002

-0,037

0,019

0,009

0,006

2 of meer familieleden genoemd

-0,037

-0,015

-0,026

-0,001

0,021

0,003

Aantal vrienden bij 5 vertrouwenspersonen Geen vrienden genoemd

-0,128**

-0,042

0,111**

0,031

0,043

0,001

Eén vriend genoemd

-0,015

0,001

-0,020

0,010

0,008

0,010

2 of meer vrienden genoemd

0,143**

-0,041

-0,091*

-0,041

-0,051

-0,011

* p < 0,05 ** p < 0,01

37


Vlaanderen gepeild ! TABEL 8

Belang van verbondenheid met specifieke sociale groepen voor waardenschalen EXPR

UTIL

NORM

NORM

UTIL

Man

0,064*

0,0078

0,073*

-0,071**

-0,048

0,109**

Vrouw

-0,064*

-0,0078

-0,073*

0,071**

0,048

-0,109

18-39

0,284**

0,059

0,088*

-0,134*

-0,112*

0,190**

40-54

0,046

-0,095*

-0,103*

0,064

-0,040

-0,087*

55+

-0,330**

0,037

0,014

0,070

0,152*

-0,103

Lager of lager secundair

-0,223**

0,033

0,270**

0,060

0,268**

0,180**

Hoger secundair

-0,015

-0,030

-0,024

-0,018

0,004

-0,037

Hoger onderwijs of universitair

0,238**

-0,003 -0,246**

-0,042

-0,272**

-0,143**

Geen partner

0,108**

-0,020

0,035

-0,060

-0,034

0,078

Partner

-0,108**

0,020

-0,035

0,060

0,034

-0,078

SOLID

COMM

EXPR

Geslacht

Leeftijd

Opleidingsniveau

Partner

Bevolkingsdichtheid gemeente 0-399 pers/m_

-0,005

0,038

0,077

-0,060

-0,046

0,001

400-799 per/m_

0,004

-0,025

-0,066

0,024

-0,005

-0,059

800 pers/m_ of meer

0,001

-0,014

-0,010

0,036

0,051

0,058

Lid van geen vereniging

0,038

0,086*

0,121**

-0,072*

-0,023

0,107**

Lid van ĂŠĂŠn vereniging

0,017

-0,044

-0,028

-0,021

0,001

-0,125**

lid van twee of meer verenigingen

-0,055

-0,042

-0,093*

0,093**

0,022

0,018

Zwak verbonden

0,043

0,074

-0,010

0,058

-0,023

0,071

Sterk verbonden

-0,043

-0,074

0,010

-0,058

0,023

-0,071

Verenigingen

Verbonden met gezin

Verbonden met vrienden Zwak verbonden

-0,016

0,016

0,036

-0,049

0,079*

0,024

Sterk verbonden

0,016

-0,016

-0,036

0,049

-0,079*

-0,024

38


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

EXPR

UTIL

NORM

NORM

UTIL

SOLID

COMM

EXPR

Verbonden met meeste familieleden Zwak verbonden

-0,008

0,019

-0,006

-0,060*

-0,033

-0,018

Sterk verbonden

0,008

-0,019

0,006

0,060*

0,033

0,018

Verbonden met meeste buren Zwak verbonden

0,029

0,060*

0,026

-0,043

-0,066*

0,053

Sterk verbonden

-0,029

-0,060*

-0,026

0,043

0,066*

-0,053

Zwak verbonden

0,039

0,017

0,018

0,026

0,001

0,005

Sterk verbonden

-0,039

-0,017

-0,018

-0,026

-0,001

-0,005

Verbonden met collega’s

* p < 0,05 ** p < 0,01

4.3

| Sociale integratie en houdingen tegenover de bredere maatschappij

In het voorgaande deel werd nagegaan in hoeverre er binnen de Vlaamse bevolking verschillen bestaan inzake handelingsoriëntaties naar het aantal, de aard en de diversiteit van sociale relaties. De volgende vraag die zich stelt is of dergelijke netwerkkenmerken samengaan met een sterkere integratie gerichte houding tegenover de onmiddellijke sociale omgeving (i.e. relaties met gezin, familie, vrienden) en de maatschappij in zijn geheel (instellingen, veiligheid, etc.). Naast de waarden betreffende het omgaan met de anderen, wordt ook de houding tegenover de bredere maatschappij en ten opzichte van specifieke groepen binnen deze maatschappij in beschouwing genomen. Hierbij wordt maatschappelijke integratie opgevat als het onderhouden van waarden en attitudes, die de legitimiteit en het functioneren van een democratische samenleving mogelijk maken. De vraag die we hierbij stellen is of sociale relaties met de omgeving al dan niet gunstig zijn voor het opbouwen van houdingen die sociale integratie bevorderen. Reeds eerder werd het belang van actief lidmaatschap van specifieke verenigingen met betrekking tot attitudes onderzocht (Billiet, 1998; Elchardus, 1998; 2002). In dit onderzoek ligt de focus op het belang van de meer ‘informele’ relaties, eerder dan de ‘georganiseerde’ contacten. Wel bekijken we net zoals in de voorgaande analyse het effect van informele sociale relaties onafhankelijk van het belang van verenigingsleven. Een eerste belangrijke dimensie die wordt beschouwd, is het vertrouwen van individuen in de diverse staatsinstellingen (VERTR INST). Een tweede kenmerk eigen aan de huidige samenleving is de potentiële aanwezigheid van het gevoel van onveiligheid (ONVEILIG). Daarnaast kunnen individuen ook gehinderd worden in hun handelen doordat zij zich eerder politiek machteloos (POL MACHT) voelen. De toene-

39


Vlaanderen gepeild ! mende polemiek aangaande het multicultureel karakter van de samenleving, maakt het beschouwen van een vierde factor, met name de houding tegenover migranten (MIGR), noodzakelijk. Elk van deze visies wordt mogelijk beĂŻnvloed door de sociale relaties die personen hebben. Deze laatste vier dimensies verschillen van de voorgaande doordat zij eerder betrekking hebben op bredere maatschappelijke entiteiten en fenomenen, waar men in de dagdagelijkse situatie niet rechtstreeks mee geconfronteerd wordt. Een overzicht van de items wordt weergegeven in Appendix 2. Opnieuw wordt aan de hand van hiĂŤrarchische MANOVA nagegaan in hoeverre personen met bepaalde sociale relaties verschillen in hun houdingen tegenover de maatschappij. Tabel 9 geeft het aantal en de soort personen die vernoemd worden bij de vijf vertrouwenspersonen weer. Mensen die hun partner vernoemen, voelen zich minder onveilig. Bovendien hebben ze een meer positieve houding ten aanzien van migranten. Dit kan mogelijk verklaard worden door een gevoel van geborgenheid en vertrouwen geassocieerd met de partner. Tussen individuen die geen, weinig of veel familieleden vernoemen als vertrouwenspersoon is er enkel een verschil inzake het niveau van vertrouwen in instellingen. Personen die geen familieleden vernoemen hebben minder vertrouwen in instellingen dan personen die wel familieleden vernoemen. Het bevorderen van familiale contacten vormt bijgevolg een basis om het wantrouwen tegenover instellingen weg te nemen. Opvallend is dat we hier geen enkele verdere invloed terugvinden van informele sociale relaties op de diverse waardeschalen. Tenslotte werd eveneens nagegaan of de mate van verbondenheid enig discriminatievermogen bezat. Uit tabel 10 kunnen we afleiden dat enkel de verbondenheid met vrienden gepaard gaat met meer tolerantie ten opzichten van migranten. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een sterke verbondenheid met vrienden ertoe leidt dat personen meer extern georiĂŤnteerd zijn. Individuen zoeken hun belangrijke sociale contacten buiten de grenzen van de voor de hand liggende groepen zoals partner en familie. Deze externe gerichtheid kan bijdragen tot een algemeen positievere houding ten opzichte van de anderen, inclusief migranten. Concluderend kan worden gesteld dat hoewel het soort en de diversiteit van sociale relaties in belangrijke mate samengaan met verschillen in houdingen tegenover anderen, deze aspecten veel minder belangrijk zijn wanneer het gaat om houdingen tegenover de bredere maatschappij.

40


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

TABEL 9

Belang van aantal en soort relatie van belangrijke 5 vertrouwenspersonen voor waardenschalen ONVEILIG

POL. MACHT

MIGR.

VERTR. INST.

Geslacht Man

-0,114**

0,015

-0,007

0,008

Vrouw

0,114

-0,015

0,007

-0,008

18-39

-0,168**

-0,049

-0,108**

-0,017

40-54

-0,100**

-0,043

-0,077*

-0,080*

55+

0,268**

0,092**

0,185**

0,096*

Lager of lager secundair

0,103**

0,194**

0,187**

-0,082*

Hoger secundair

0,035

0,028

0,058

-0,001

hoger onderwijs of universitair

-0,128**

-0,222**

-0,245**

0,083*

Geen partner

-0,107**

0,011

-0,050

-0,055

Partner

0,107**

-0,011

0,050

0,055

0-399 pers/m2

-0,123**

-0,023

-0,015

-0,029

400-799 per/m2

0,082**

0,039

0,060

0,028

800 pers/m2 of meer

0,042

-0,015

-0,046

0,001

Lid van geen vereniging

0,033

0,102**

0,031

-0,004

Lid van ĂŠĂŠn vereniging

-0,010

-0,010

0,028

0,007

Lid van twee of meer verenigingen

-0,023

-0,092**

-0,059

-0,003

0-2 personen

-0,038

0,075

0,043

0,047

3-4 personen

0,077*

-0,029

0,004

-0,031

5 of meer

-0,039

-0,046

-0,047

-0,016

Partner niet genoemd

0,078**

0,019

0,072*

0,000

Partner genoemd

-0,078**

-0,019

-0,072*

0,000

Leeftijd

Opleidingsniveau

Partner

Bevolkingsdichtheid gemeente

Verenigingen

Aantal vertrouwenspersonen

Partner bij 5 vertrouwenspersonen

41


Vlaanderen gepeild ! ONVEILIG

POL. MACHT

MIGR.

VERTR. INST.

Aantal familieleden bij 5 vertrouwenspersonen Geen familieleden genoemd

0,018

0,001

0,007

-0,100*

EĂŠn familielid genoemd

0,008

-0,005

0,001

0,066

2 of meer familieleden genoemd

-0,026

0,004

-0,008

0,034

-0,022

0,045

0,008

Aantal vrienden bij 5 vertrouwenspersonen Geen vrienden genoemd

0,064

EĂŠn vriend genoemd

-0,026

0,030

-0,071

-0,025

2 of meer vrienden genoemd

-0,039

-0,008

0,027

0,017

* p < 0,05 ** p < 0,01

TABEL 10

Belang van verbondenheid met specifieke sociale groepen voor waardenschalen ONVEILIG

POL. MACHT

MIGR.

VERTR. INST.

Geslacht Man

-0,119**

-0,005

-0,006

0,022

Vrouw

0,119**

0,005

0,006

-0,022

18-39

-0,155**

-0,024

-0,052

-0,020

40-54

-0,110**

-0,059

-0,091

-0,024

55+

0,264**

0,083

0,143*

0,043

Lager of lager secundair

0,110*

0,190**

0,257**

-0,115*

Hoger secundair

0,048

0,050

0,017

0,035

Hoger onderwijs of universitair

-0,158**

-0,240**

-0,274**

0,081*

Geen partner

-0,059

0,035

0,002

-0,004

Partner

0,059

-0,035

-0,002

0,004

0-399 pers/m2

-0,094*

-0,033

-0,024

-0,035

400-799 per/m2

0,062

0,026

0,052

0,023

800 pers/m2 of meer

0,031

0,007

-0,028

0,013

Leeftijd

Opleidingsniveau

Partner

Bevolkingsdichtheid gemeente

42


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

ONVEILIG

POL. MACHT

MIGR.

VERTR. INST.

Verenigingen Lid van geen vereniging

0,095*

0,127**

0,077

-0,012

Lid van één vereniging

-0,035

-0,021

0,024

-0,002

Lid van twee of meer verenigingen

-0,060

0,106**

-0,101*

0,014

Zwak verbonden

-0,017

-0,014

-0,051

-0,054

Sterk verbonden

0,017

0,014

0,051

0,054

Zwak verbonden

0,035

0,027

0,083*

-0,014

Sterk verbonden

-0,035

-0,027

-0,083*

0,014

Zwak verbonden

-0,036

0,048

0,012

-0,014

Sterk verbonden

0,036

-0,048

-0,012

0,014

Zwak verbonden

-0,004

-0,002

0,024

-0,026

Sterk verbonden

0,004

0,002

-0,024

0,026

Zwak verbonden

0,006

0,032

0,001

-0,032

Sterk verbonden

-0,006

-0,032

-0,001

0,032

Verbonden met gezin

Verbonden met vrienden

Verbonden met meeste familieleden

Verbonden met meeste buren

Verbonden met collega’s

* p < 0,05 ** p < 0,01

5

| Besluit

‘Sociaal kapitaal’ – in termen van bronnen vervat in sociale relaties – kan zowel op een individueel als op een collectief niveau worden beschouwd. Op individueel niveau verwijst dit naar kenmerken van sociale relaties, terwijl dit op het collectief niveau gaat om integratiegerichte waarden en normen. In deze bijdrage worden beide niveaus als conceptueel te onderscheiden variabelen met elkaar in verband gebracht. Hierdoor wordt een beeld geschetst van de sociale integratie binnen de Vlaamse bevolking. Een populaire opvatting betreffende onze samenleving is dat de toenemende individualisering een verarming van de sociale relaties tot gevolg zou hebben. Een alternatieve visie over de gevolgen van deze individualisering is dat sociale relaties een andere vorm hebben aangenomen. Mensen zouden zich steeds meer concentreren op het opbouwen en investeren van relaties gebaseerd op de eigen keuze en zouden minder de nadruk leggen op traditionele relaties, zoals familiebanden en

43


Vlaanderen gepeild ! buren. Binnen deze bijdrage is de centrale onderzoeksdoelstelling tweeledig. Een eerste vraag die wordt gesteld betreft de mate waarin de aard en de structuur van de sociale relaties van personen verschillen naar kenmerken van het individu. Vervolgens wordt de relatie tussen verschillende netwerkkenmerken en integratiegerichte waarden en normen van personen in beschouwing genomen. Allereerst wordt een balans opgemaakt van de grootte, de intensiteit en de diversiteit van sociale relaties van de gemiddelde Vlaming. Er wordt nagegaan in hoeverre deze netwerkkenmerken variëren naargelang de demografische situatie, de leef- en gezinssituatie en het verenigingsleven van de respondent. Uit deze resultaten blijkt dat vrouwen, jongeren, hoger opgeleiden, personen in dun bevolkte gebieden en leden van een vereniging gemiddeld een groter aantal vertrouwenspersonen kennen. Er kan dan ook worden besloten dat de mate van sociale integratie wel degelijk sterk varieert naargelang de kenmerken van het respectievelijke individu. Onder de personen voor het bespreken van belangrijke persoonlijke zaken bevinden zich in de eerste plaats de partner, de ouders of kinderen en vrienden. Het zijn vooral jongeren, hoger opgeleiden en personen die lid zijn van een vereniging die hun partner vernoemen. Vrouwen, jongeren en personen zonder partner hebben op hun beurt een hogere kans om familieleden als vertrouwenspersonen te noemen. Een gelijkaardig patroon kan worden vastgesteld voor het vernoemen van vrienden. Daarnaast worden vrienden ook vaker door hoger dan lager opgeleiden vernoemd. Tevens hebben personen doorgaans dagelijks contact met de meest belangrijke vertrouwenspersoon en voelen zij zich hier zeer sterk mee verbonden. Dit neemt systematisch af voor de daaropvolgend vernoemde vertrouwenspersonen. Dit alles bevestigt het belang van de vertrouwenspersonen als potentiële bronnen van sociaal kapitaal. Inzake verbondenheid kan een opdeling worden gemaakt naar diverse rolrelaties. Deze resultaten tonen aan dat de Vlaming zich sterk verbonden voelt met zijn gezin, vervolgens met zijn vriendengroep en familieleden. Buren en collega’s volgen op de vierde en vijfde plaats. Opvallend is wel dat vrouwen zich met elk van de groepen meer verbonden voelen dan mannen. Jongeren en hoger opgeleiden voelen zich meer verbonden met vrienden, maar minder met buren. Personen met een partner voelen zich eveneens meer verbonden met hun gezin en met hun buren. De urbanisatiegraad is enkel belangrijk aangaande de verbondenheid met buren. Deze verbondenheid met buren is hoger bij inwoners van rurale gebieden. Lidmaatschap van een vereniging gaat gepaard met een hogere mate van verbondenheid met vrienden, familie en buren. Vervolgens wordt in een tweede deel nagegaan of de sociale netwerken van personen samengaan met een specifieke houding tegenover anderen (handelingsoriëntaties) en tegenover de bredere maatschappij. Opvallend is dat het aantal vertrouwenspersonen geen aanwijsbare invloed heeft op de houding tegenover de sociale omgeving. Het type sociale relatie daarentegen is wel belangrijk. Personen met meer vrienden onder hun vertrouwenspersonen tolleren meer wanneer het gaat over het overtreden van traditionele normen in het alledaagse leven. Individuen die

44


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

traditionele gewoontes en gebruiken naleven, voelen zich dan weer sterk verbonden met hun buren, maar zijn in mindere mate verbonden met hun vrienden. Bij de personen, die hoog scoren op de communitarisme schaal, wordt de partner tevens minder vernoemd als één van de vertrouwenspersonen. Dit is in overeenstemming met de verwachtingen die we hebben op basis van de individualiseringsliteratuur. Minder traditioneel, expressief ingestelde personen stellen zelf gekozen vriendschappen meer centraal terwijl personen die traditioneel ingesteld zijn, zich ook meer in traditionele kernen van sociale relaties gaan richten. Meer expressief georiënteerde personen vernoemen daarenboven vaker hun partner. Personen die zich focussen op eigen opgebouwde relaties zoals vrienden en partner nemen een meer expressieve houding aan terwijl mensen die meer belang hechten aan buren eerder traditionele waardeovertuigingen aanhangen. De relatie met familieleden lijkt hierbij niet relevant. Solidariteit gaat positief samen met een hogere verbondenheid met familie. Personen die een meer solidaire oriëntatie toegedaan zijn vernoemen hun partner ook vaker als vertrouwenspersoon. Een utilitaire houding is gekoppeld aan een kleiner aantal vrienden aanwezig onder de vertrouwenspersonen. Eens te meer valt op dat utilitarisme of utilitair individualisme niet samengaat met een grotere aandacht voor zelf gekozen vriendschappen als kenmerk van individualisering in de zin bedoeld door Beck (1986), maar in tegendeel juist met minder aandacht voor die zelf gekozen relaties. Uit deze bevindingen kunnen we dan ook besluiten dat aspecten van sociale netwerken en sociale representaties onderling met elkaar verweven zijn. Het blijft echter de vraag in hoeverre sociale relaties een bron vormen voor waardeopvattingen en houdingen, dan wel dat het uitbouwen van relaties en het kiezen van bepaalde soorten personen als vertrouwenspersoon afhankelijk is van de waardeopvattingen en houdingen die mensen hebben. Het antwoord op deze vraag kan echter op basis van de huidige data niet gegeven worden, maar vormt een aanzet tot verder onderzoek. Vervolgens hebben we nagegaan in hoeverre het aantal en het soort sociale relaties samengaat met attitudes van personen met betrekking tot de bredere maatschappij. Uit de APS-gegevens blijkt dat niet het aantal, maar wel de verbondenheid en het soort relatie in verband kan worden gebracht met deze waarden. Opvallend is de rol die de partner als vertrouwenspersoon kan spelen. Mensen die hun partner als vertrouwenspersoon vernoemen hebben een zwakker onveiligheidsgevoel. Daarnaast hebben mensen die hun partner als vertrouwenspersoon noemen eveneens een positievere houding tegenover migranten. Ook de mate van verbondenheid met vrienden gaat gepaard met meer tolerantie ten opzichten van migranten. Er kan worden geconcludeerd dat netwerkkenmerken veel minder belangrijk zijn wanneer het gaat om attitudes aangaande vertrouwen in de instellingen, politieke machteloosheid, onveiligheid en vreemdelingen.

45


Vlaanderen gepeild ! Over het algemeen kunnen we besluiten dat niet zozeer het aantal, maar vooral het soort relatie samenhangt met socio-demografische en andere kenmerken van de respondent, en met verschillen in houdingen met betrekking tot de verhouding tussen individu en gemeenschap. Er kan worden gesteld dat in toekomstig onderzoek hoofdzakelijk aandacht moet worden besteed aan de verschillende kenmerken van sociale relaties, eerder dan zich enkel te concentreren op het aantal netwerkrelaties.

46


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

BIBLIOGRAFIE

Beck, U. 1986. Risikogesellschaft. Auf dem Weg in eine andere Moderne. Frankfurt am Main: Suhrkamp. Beck, U., Beck-Gernsheim, E. 2002. Individualization. Institutionalized Individualism and its Social and Political Consequences. London, Sage. Billiet, J. 1998. Sociaal kapitaal, levensbeschouwelijke betrokkenheid en maatschappelijke integratie in België. Tijdschrift voor Sociologie 19: 33-54. Bourdieu, P., 1986, The forms of capital. In: Handbook of theory and research for the sociology of education, ed. Richardson, J.G.: 241-258, New York: Greenwood; Burt, R.S. 1984. Network items and the General Social Survey. Social Networks 6: 293-339; Burt, R.S. 1991. Measuring age as a structural concept. Social Networks 13: 1-34. Busschots, M., Lauwers, J., 1994, Familiale en sociaal-culturele netwerken, Leuven: Acco; Coleman, J.S., 1988, Social capital in the creation of human capital, American Journal of Sociology 94: S95-S121. Coleman, J.S., 1990, Foundations of Social Theory. Cambridge, Massachusetts: Belknap Press; Dubet, F. 1994. Sociologie de l’experience. Paris, Seuil. Fischer, C.S. 1982. To Dwell Among Friends: Personal Networks in Town and City. Chicago, University of Chicago Press. Huang, G., Tausig, M, 1990, Network range in personal networks, Social networks, 12: 201-208; Lin, N., 2001a, Building a network theory of social capital, in: Social capital: theory and research, Cook, K. and Burt, R.,: 3-30, New York: Aldine De Gruyter. Lin, N., 2001b, Social Capital: A theory of social structure and action, Cambridge: Cambridge university Press. Luckmann, T. 1996. The privatization of religion and morality. In: Heelas, P, Lash, S. & Morris, P. (eds.) Detraditionalization. Critical Reflections on Authority and Identity. Cambridge (Mass.), Blackwell Publishers. Marsden, P.V., 1987, Core discussion networks of Americans, American sociological review, 52: 122131. Marsden, P.V. 1990. Network data and measurement. Annual Review of Sociology 16: 435-463. Moore, G. 1990. Structural determinants of men’s and women’s personal networks. American Sociological Review 55: 726-735. Portes, A., 1998, Social capital: Its origins and applications in modern Sociology, Annual Review of Sociology, 24: 1-24, Putnam, R. Making DemocracyWork. Civic Traditions in Modern Italy. Princeton (NJ), Princeton University Press. Putnam, R., 1996, The strange disappaerance of civic America, American Prospect, 24: 34-48;

47


Vlaanderen gepeild ! Stolle, D. 1999. Onderzoek naar sociaal kapitaal. Naar een attitudinale benadering. Tijdschrift voor Sociologie 20: 247-281. Tijhuis, M.A.R., Flap, H.D., Foets, M., Groenewegen, P.P. 1992. Netwerken in Nederland. Een onderzoek naar persoonlijke netwerken van Nederlanders. Mens en Maatschappij 67: 5-22; Triandis, H.C. 1995. Individualism and Collectivism. Boulder, Wewtview. van der Pligt, J., de Vries, N., Opinies en attitudes: metingen, modellen en theorie, Amsterdam: Boom; Waege, H., 1997. Vertogen over de relatie tussen individu en gemeenschap. Leuven, Acco. Waege, H., Agneessens, F. 2001. Impressies over sociale relaties, waarden en tradities. Vijf jaar vragen naar de verhouding tussen individu en gemeenschap. In: Vlaanderen gepeild. De Vlaamse overheid en burgeronderzoek. Brussel, APS-Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Wellman, B., Wortley, S., 1990, Different strokes from different folks: community ties and social support, American Journal of Sociology, 96: 558-588.

48


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

APPENDIX

APPENDIX 1

Overzicht en naamgeving waardenschalen EXPR NORM: expressieve normovertreding v55 (hoog = aanvaarden) 2. AANVAARDBAARHEID PIERCINGS 3. AANVAARDBAARHEID WETT ERKENNING SAMENLEVEN 4. AANVAARDBAARHEID PROSTITUÃ&#x2030;EBEZOEK GEEN VASTE RELATIE 5. AANVAARDBAARHEID MEERDERE PARTNERS ONDERLING MEDEWETEN 9. AANVAARDBAARHEID SOFTDRUGS 15. AANVAARDBAARHEID OPVALLENDE EN UITDAGENDE KLEDIJ

UTIL NORM: utilitaire normovertreding v55 (hoog = aanvaarden) 1. AANVAARDBAARHEID BELASTINGONTDUIKING 6. AANVAARDBAARHEID KUISPERSONEEL ZWARTWERK 7. AANVAARDBAARHEID WERKEN MET WERKLOZENSTEUN 16. AANVAARDBAARHEID ONRECHTMATIGE FINANC STEUN 17. AANVAARDBAARHEID (VER)BOUWEN ZONDER VERGUNNING

UTIL : utilitarisme v86: (Hoog = eens) 1. Mensheid... onzin ieder voor zich 2. Steeds eigen belang nastreven 3. Geld en macht tellen rest praatjes 7. Nastreven persoonlijk succes belangrijker 8. In samenleving eerst voor zich zorgen 9. Belangrijk streven positie voor zichzelf 10. Wie veel kan gebruiken zelf beter worden 11. Vechten eigen positie rest volgt wel

49


Vlaanderen gepeild ! SOLID : solidarisme v86: (Hoog = eens) 4. Gelukkig iets voor anderen doen 5. Goed voelen als inzet gemeenschap doel 6. Gelukkig als medemens ook gelukkig is

C O M M : communitarisme v90: (Hoog = eens) 1. Gewoontes zijn na te leven 2. Traditionele gebruiken meer navolgen 3. Gebruiken zoveel mogelijk onveranderd 4. Met hardere middelen trad waarden doen behouden

EXPR: expressivisme v90: (Hoog = eens) 5. Ik doe altijd mijn eigen zin 6. Niemand mag mij beperken nieuwe ervaringen 7.

Ik trek mij niets aan gebruiken samenleving

8. Ik doe mijn eigen zin en daarmee uit

APPENDIX 2

Houdingen tegenover de bredere maatschappij. ONVEILIG: onveiligheid V116 (hoog = eens) 1. TE ONVEILIG KINDEREN ALLEEN OP STRAAT STUREN 2. SLUITEN WAGEN UIT ANGST OVERVAL 3. S AVONDS OP STRAAT EXTRA VOORZICHTIG 4. STRATEN ONVEILIGER LAATSTE 10 JAAR 5. POLITIE/RIJKSWACHT KUNNEN ONS NIET MEER BESCHERMEN 6. S AVONDS/S NACHTS NIET OPENENEN ALS MEN BELT 7. ALARMSYSTEEM GEEN LUXE 8. HUIS NIET ONBEWAAKT TIJDENS VAKANTIE

50


Sociale relaties en attitudes, waarden en normen

POL MACHT: politieke machteloosheid V89 (hoog = eens) 1. STEMMEN GEEN ZIN 3. BELOFTEN VERKIEZINGEN WEINIG VAN TERECHT 4. POL PARTIJEN INTERESSE STEM NIET MENING 6. ZOVEEL MENSEN STEMMEN MIJN STEM GEEN BELANG 8. POLITICI LUISTEREN NIET NAAR GEWONE MENSEN

MIGR: houding ten opzichte van vreemdelingen V80 (hoog = eens) 1. MIGRANT BIJDRAGE WELVAART LAND 4. MIGRANT PROFITEREN SOC ZEKERHEID (R) 5. MOSLIMS BEDREIGING CULTUUR/GEBRUIKEN (R) 6. VERSCHILLENDE CULT VERRIJKING 7. MINDER ARBEIDSPLAATSEN MIGRANT TERUG (R) 8. BUITENLANDERS ZICH VESTIGEN VERWELKOMEN 9. VREEMDELING +5 JAAR LEGAAL GEMEENT STEMRECHT

VERTR INST: vertrouwen in instellingen V81 (hoog = vertrouwen) 7. VERTROUWEN VLAAMSE REGERING 8. VERTROUWEN VLAAMSE POLITIEKE PARTIJEN 11. VERTROUWEN VLAAMS PARLEMENT 16. VERTROUWEN BELGISCH PARLEMENT 18. VERTROUWEN FEDERALE ADMINISTRATIE

51


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2003_2_sociale_relaties.pdf by Vlaanderen-be - Issuu