TARIEFSTRUCTUUR DRINKWATERFACTUUR
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Opdrachtbrief aan SERV en Minaraad – Tariefstructuur drinkwaterfactuur
Adviesvrager
Zuhal Demir - Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme
Ontvangst adviesvraag
24 januari 2022
Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie)
Goedkeuring raad
2 mei 2022
Samenwerking met
Minaraad die het goedkeurde op 28 april 2022
Contactpersonen
Annick Lamote Wim Van Gils
alamote@serv.be wim.van.gils@minaraad.be 2
Mevrouw Zuhal DEMIR Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Koning Albert II-Laan 7 B-1210 Sint-Joost-ten-Node
Tariefstructuur drinkwaterfactuur Mevrouw de minister Op 24 januari vroeg u in een opdrachtbrief aan SERV en Minaraad om gezamenlijk een antwoord te formuleren op een aantal concrete vragen aangaande de tariefstructuur van de drinkwaterfactuur en enkele verwante issues. In bijgaand advies formuleren de raden antwoorden op uw vragen. Ze suggereren ook een aantal concrete onderzoeksvragen. Hoogachtend Walter Roggeman
Hans Maertens
voorzitter Minaraad
voorzitter SERV
Inhoud Krachtlijnen
5
Advies
7
1.
Optimalisatie vastrecht
8
2.
Duurzaam waterverbruik via tariefstructuur
11
2.1
Enkele kanttekeningen
12
2.2
Aanbevelingen op korte termijn
13
2.3
Aanbevelingen op middellange termijn
15
3.
Billijke solidarisering van kosten
19
4.
Verbetering regulering drink- en afvalwatersector
21
Bijlage
22
4
Krachtlijnen Op vraag van Minister Demir formuleren SERV en Minaraad aanbevelingen bij de aanpassing van de tariefstructuur voor huishoudelijke abonnees van drinkwater. Een aanpassing van de tariefstructuur moet rekening houden met volgende randvoorwaarden en criteria: •
ex ante inschatting
•
toepassing van het principe gebruiker/vervuiler betaalt
•
duidelijke en transparante tarieven
•
voldoende ruimte voor praktische implementatie
•
duidelijke communicatie en sensibilisering
Het vastrecht moet zo laag mogelijk gehouden worden om de toegang tot water voor iedereen te bevorderen en duurzaam watergebruik mee te sturen. De afschaffing van de bestaande kortingen op het vastrecht is een goede zaak, mits dit budgetneutraal gezien gebeurt. Voor huishoudelijke abonnees zonder gedomicilieerden of voor wooneenheden met gemengd gebruik en toepassing van het professioneel vlak tarief kan het vastrecht op 100 euro blijven. De budgetneutraliteit hoeft niet noodzakelijk binnen het vastrecht te gebeuren zoals de scenario’s die de WaterRegulator becijferde. De regulering van capaciteitstarieven en de invoering van uniforme tarieven is een goede zaak. Maar er moet onderzocht worden hoe de waterdruk kan meegenomen worden bij de bepaling van het capaciteitstarief omdat de druk mee het reële debiet bepaalt. In geen geval mag voor huishoudelijke abonnees een capaciteitstarief aangerekend worden, ook niet in geval van collectieve aansluitingen. Voor hen geldt het vastrecht per wooneenheid. Inzake de variabele tarieven adviseren Minaraad en SERV om het basistarief te schrappen in tweede verblijven. Voor de problematiek van nieuwe gezinsvormen, in het bijzonder co-ouderschap, moet gestreefd worden naar een overkoepelende oplossing niet enkel via de waterfactuur. Voor collectieve meters is extra aandacht nodig op het vlak van sensibilisering zowel naar bewoners als naar gebouwenbeheerders of sociale huisvestingsmaatschappijen. Een sterkere progressiviteit van de tarieven evenals de invoering van flexibele tarieven bij de uitrol van de digitale watermeters vergt bijkomend onderzoek. Combinatie van twee tariefstructuren voor abonnees met en zonder digitale meters moet vermeden worden. 5
Gelet op de lage prijselasticiteit van drinkwater is het belangrijk om ook in te zetten op andere maatregelen om duurzaam watergebruik te stimuleren. Inzake slim watergebruik moet meer ingezet worden op: •
sensibilisering en gedragsverandering
•
meten is weten
•
koppeling van waterbesparende ingrepen aan energetische renovatie met aandacht voor de problematiek van huurders en eigenaars die niet over de nodige investeringsmiddelen beschikken.
Voor circulair watergebruik zit er potentieel in een collectieve aanpak zowel inzake toepassing van innovatieve technologieën als hergebruik van hemelwater via collectieve hemelwaterputten of buffers. Om de problematiek van de Vlamingen zonder rioleringen op te lossen, is tarifering minder belangrijk. Nieuwe woningen zonder waterzuivering zouden vermeden moeten worden en de resultaten van de CIW projectgroep decentrale waterzuivering zou moeten bijdragen aan een snellere en meer kostenefficiënte uitrol van de waterzuivering in het buitengebied. Een sterker beleid gericht op infiltratie is noodzakelijk, met een structurele en planmatige aanpak om te komen tot de beoogde gedragswijziging. Om een antwoord te bieden op de vraag of en hoe een infiltratiebonus daarin past, is bijkomend onderzoek nodig. Minaraad en SERV gaan akkoord met het voorstel om de meeropbrengsten van de invoering van een zogenaamde ‘derde trap’ aan te wenden voor specifieke acties en investeringen om slim en circulair watergebruik bij huishoudens te bevorderen, bij voorkeur bij gezinnen met beperkte financiële middelen of betalingsproblemen. De opbrengsten mogen niet gebruikt worden voor de financiering van regulier beleid omdat de financieringsbasis onzeker is. De raden vragen tenslotte om een ruimere solidarisering van sociale correcties te onderzoeken en de doelgroep die recht heeft op een sociale correctie te herbekijken.
6
Advies Positieve appreciatie adviesvraag Er ligt nog geen wetgevend initiatief voor, maar het Vlaams regeerakkoord en de beleidsnota Omgeving en Natuur kondigen wel initiatieven aan met betrekking tot de drinkwaterfactuur. SERV en Minaraad appreciëren dit initiatief van de Minister. Het biedt hen de kans in een vroege fase van het regelgevingsproces mee na te denken over bijsturingen van de tariefstructuur en over hoe toekomstige uitdagingen aan te pakken. Structuur advies Het advies is opgebouwd volgens de vraagstelling in de opdrachtbrief en bevat volgende onderdelen: •
Optimalisatie van het vastrecht op de drinkwaterfactuur van huishoudelijke klanten
•
Duurzaam watergebruik via tariefstructuur van drinkwatergebruik door huishoudelijke klanten
•
Billijke solidarisering
•
Verbetering regulering drink- en afvalwatersector.
In haar opdrachtbrief vraagt de Minister om onderzoeksvragen te expliciteren. SERV en Minaraad gaan daar graag op in en formuleren suggesties ter zake. De onderzoeksvragen staan telkens in een kaderstukje in de verschillende onderdelen van het advies. Waar relevant wensen de raden betrokken te worden bij deze onderzoeken. De raden merken op dat deze adviesvraag – met uitzondering van het capaciteitstarief – enkel betrekking heeft op de tarieven van huishoudelijke klanten. Ze zien ook een onderscheid tussen optimalisaties op korte termijn zoals de bijsturing van het vastrecht en structurele ingrepen op lange termijn. De meer structurele ingrepen moeten volgens de raden gezien worden in het licht van de volledige uitrol van de digitale watermeters. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de invoering van tarieven die variëren in de tijd met het oog op het verminderen van het piekverbruik.
7
1. Optimalisatie vastrecht Hoogte vastrecht kan duurzaam watergebruik mee sturen en toegang tot drinkwater bevorderen SERV en Minaraad zijn voorstander van een zo laag mogelijk vastrecht1 met het oog op duurzaam drinkwatergebruik en met oog op toegang tot drinkwater voor iedereen. Hoe meer aangerekend wordt via het variabel tarief – en dus berekend op het effectief verbruik – des te sturender de waterfactuur kan zijn. Het marginaal variabel tarief kan als proxy beschouwd worden om de prikkel voor rationeel watergebruik te meten. Een laag vastrecht beperkt de drempel voor de toegang tot drinkwater en biedt zo garanties voor drinkwater voor iedereen. Met het oog op duurzaam watergebruik is het dus logisch om het aandeel van het vastrecht beperkt te houden en het variabel tarief sterk progressief te maken. Deze logica staat evenwel haaks op de kostenstructuur van de drinkwaterbedrijven. Typisch voor netwerkindustrieën is het groot aandeel vaste kosten. Voor de productie en distributie van drinkwater bedragen de vaste kosten circa 80% van de totale kosten2. De drinkwaterbedrijven zijn voorstander van een kostenreflectief tarief, dus een hoog vastrecht gecombineerd met een laag variabel tarief. Maar zo’n tariefstructuur bevat volgens de raden nauwelijks incentives om duurzaam om te gaan met drinkwater. Dit dilemma3 wordt opgevangen door de tariefmethodologie. Die biedt garanties aan de waterbedrijven om de investeringen (voornamelijk vaste kosten) door te rekenen aan hun klanten via het variabel tarief. Bij dalende omzet kan het variabel tarief toenemen. De evaluatie van de tariefmethodologie, geïntroduceerd in 2016, leert dat de methodologie robuust is voor de inkomenszekerheid van de waterbedrijven4. Naar een gelijk vastrecht voor alle huishoudelijke abonnees SERV en Minaraad blijven voorstander voor een gelijk vastrecht voor alle huishoudelijke abonnees. Ze vinden het een goede zaak om de kortingen af te schaffen op het vastrecht, mits dit budgetneutraal gebeurt. Bij de invoering van de nieuwe tariefstructuur in 2016 adviseerden de raden al om de voorgestelde forfaitaire korting per persoon op het vastrecht niet door te voeren. Ze zagen geen valabele argumenten voor de voorgestelde korting. Ten eerste is er geen link tussen de
1
SERV (2014) Rapport Tarifering van drinkwater – analyse en aanbevelingen en SERV-Minaraad (2015) Advies tariefregulering drinkwater.
2
Zie De Nocker, L. en Broeckx, S. (2010) Studie voor het uitwerken van een methodologie voor kostentoerekening van de publieke productie en levering van drinkwater (VITO) en AquaFlanders (2012) Bedrijfsvergelijking Vlaamse drinkwaterbedrijven Financiën en Efficiëntie.
3
SERV (2014) p. 26-27.
4
VMM (2021) Tariefplanopvolging – Evaluatie tariefplan 2017-2020. Voorbereiding nieuw tariefplan WaterRegulator.
8
gezinssamenstelling en de vaste kosten verbonden aan een drinkwaterabonnement. Ten tweede dient de waterfactuur niet om een horizontale inkomensherverdeling door te voeren van kleine naar grote gezinnen. Bovendien is er geen rechtlijnig verband tussen inkomen en gezinssamenstelling. Het schrappen van de korting per persoon op het vastrecht dient budgetneutraal te gebeuren. SERV en Minaraad zien hier verschillende mogelijkheden: •
Budgetneutraliteit binnen de omzet van het vastrecht. Het schrappen van de korting leidt in dit geval tot een verlaging van de decretaal vastgelegde bedragen voor het vastrecht van 50 euro voor drinkwater en 50 euro voor sanering. De WaterRegulator berekende de impact van drie mogelijke scenario’s. Het eerste scenario schaft de korting af5 en spreidt het vastrecht budgetneutraal over alle huishoudelijke abonnees. Het vastrecht zou dan dalen van 100 euro naar 63,37 euro. Het tweede scenario behoudt het vastrecht op 100 euro voor wooneenheden zonder gedomicilieerden en voor alle andere huishoudelijke abonnees zou het vastrecht dalen tot 61,40 euro. Het derde scenario halveert de toegestane korting. De raden merken op dat de vooropgestelde budgetneutraliteit enkel globaal telt. Omdat drinkwaterbedrijven een verschillend klantenprofiel hebben, is de impact van de scenario’s verschillend. Bij drinkwaterbedrijven met verhoudingsgewijs veel abonnees zonder gedomicilieerden en dus weinig kortingen op het vastrecht (vooral in de kustgemeenten) zullen de variabele tarieven sterker toenemen om de verlaging van het vastrecht te compenseren. De aanpassing van het vastrecht heeft hoe dan ook een impact op het variabel tarief.
•
Globale budgetneutraliteit binnen vastrecht + variabele tarieven. Ook dit is volgens de raden mogelijk. Hier zijn zeer veel verschillende scenario’s mogelijk. In hun advies over de tariefregulering hebben SERV en Minaraad zelf enkele scenario’s berekend6 met variaties op de hoogte van het vastrecht en al dan niet een aangepast tarief voor abonnees zonder gedomicilieerden. Gelet op de interferentie tussen de hoogte van het vastrecht en het variabel tarief worden de aanpassing van het vastrecht – meer bepaald de compensatie van de schrapping van de korting – best samen bekeken met aanpassingen aan het variabel tarief.
Randvoorwaarden en criteria SERV en Minaraad schuiven volgende criteria en randvoorwaarden naar voor waarmee een aanpassing van de tariefstructuur dient rekening te houden:
5
VMM (2021) Impactberekening scenario’s aanpassing vastrecht integrale waterfactuur, versie 2021-06-15
6
SERV-Minaraad (2015) p. 41.
9
•
Ex ante inschatting: voor de tariefstructuur aan te passen moet steeds een impactanalyse gebeuren. Dit houdt in dat de weerslag van verschillende scenario’s wordt doorgerekend op niveau van huishoudtypes, drinkwaterbedrijf en het effect op het risico op waterarmoede.
•
Toepassing “principe gebruiker/vervuiler betaalt”: conform artikel 9 van de Kaderrichtlijn Water inzake kostenterugwinning moeten watertarieven het principe “de gebruiker / vervuiler betaalt” garanderen.
•
Duidelijke en transparante tarieven: de raden zijn voorstander van een vast bedrag per wooneenheid waar personen gedomicilieerd zijn. De raden spreken zich nog niet uit over de hoogte van dit bedrag, maar vragen om meer scenario’s uit werken. Voor huishoudelijke klanten zonder gedomicilieerden of voor wooneenheden met gedomicilieerde met een vlak tarief7 en voor professionele klanten met een vlak tarief kan het huidige vastrecht van 100 euro behouden blijven.
•
Voldoende ruimte voor praktische implementatie: de drinkwaterbedrijven moeten voldoende tijd krijgen om hun tarieven te herberekenen en hun facturatiesystemen aan te passen.
•
Communicatie en sensibilisering: een aanpassing van de tariefstructuur moet duidelijk gecommuniceerd worden naar de klanten. De aanpassing moet goed onderbouwd en beargumenteerd zijn.
Uniforme capaciteitstarieven SERV en Minaraad zijn voorstander van uniforme capaciteitstarieven. Onderzoek van de WaterRegulator toonde aan dat de tarieven die drinkwaterbedrijven aanrekenen volgens de diameter (het zogenaamde capaciteitstarief) zeer sterk uiteenlopen. De raden ondersteunen het voorstel om de tarieven volgens de diameter van de watermeters te uniformiseren. Ze vinden het een goed voorstel om deze tarieven mee te nemen in de tariefregulering. Het plaatsen van een watermeter is immers een taak die enkel het drinkwaterbedrijf mag uitvoeren. Het is dan ook belangrijk dat de WaterRegulator toeziet op een correcte en billijke aanrekening van deze tarieven. Concreet betekent dit dat de relevantie van de capaciteitstarieven worden geduid en dat mogelijks herverdelende effecten tussen verschillende types van watergebruikers vermeden worden. Ingeval van collectieve bemetering van meerdere wooneenheden zou volgens de raden geen capaciteitstarief mogen aangerekend worden ook al gebeurt de levering via een meter met ruimere diameter. De raden vragen om in de regelgeving in te voegen dat voor huishoudelijke abonnees
7
Abonnees met een gemengd watergebruik (huishoudelijk + professioneel kleinverbruik) hebben de keuze om voor het huishoudelijk tarief dan wel het professioneel vlak tarief te kiezen. In hun advies van 2015 stelden SERV en Minaraad dat bij de keuze voor het professioneel tarief dit zou moeten impliceren dat de gezinskortingen op het vastrecht zouden wegvallen.
10
geen capaciteitstarief mag aangerekend worden, ook niet in geval van collectieve aansluitingen met een watermeter met grote diameter. Ook waterdruk bepaalt capaciteit. De capaciteit of het reële debiet van een watermeter wordt niet enkel bepaald door de diameter van de meter maar ook door de waterdruk. De raden vragen aandacht om bij de bepaling van het capaciteitstarief met beide componenten rekening te houden. Hoe dit in de praktijk moet gebeuren vergt voorafgaand onderzoek, waarbij de stakeholders dienen betrokken te worden. TE ONDERZOEKEN 1.1 Inzake uniform vastrecht Aanvullend op de drie scenario’s die de WaterRegulator berekende moeten meer alternatieve scenario’s onderzocht worden. Het uitgangspunt van budgetneutraliteit hoeft hierbij niet beperkt te zijn tot de omzet van het vastrecht. De optimale hoogte van het vastrecht moet bekeken worden samen met de grenzen en hoogte van de variabele tarieven. In ieder geval mag de drempel inzake toegang tot drinkwater niet verhogen. Concreet vragen de raden om bijkomende scenario’s te berekenen binnen de contouren van een globale budgetneutraliteit met voor tweede verblijven het behoud van het huidig vastrecht en de schrapping van basistarief. De scenario’s moeten een ex ante impactanalyse bevatten voor de verschillende gezinstypes en gebruikstypes, zoals de drie scenario’s die reeds zijn becijferd. 1.2 Inzake het capaciteitstarief Er dient onderzocht te worden hoe bij de bepaling van het capaciteitstarief ook rekening kan gehouden worden met de waterdruk. De raden vragen om de stakeholders te betrekken bij dit onderzoek.
2. Duurzaam waterverbruik via tariefstructuur SERV en Minaraad formuleren hierna een aantal aanbevelingen inzake het variabel gedeelte van de tariefstructuur. Ze maken hierbij een onderscheid tussen relatief eenvoudige ingrepen en optimalisaties die op korte termijn kunnen uitgevoerd worden en meer structurele ingrepen. Deze structurele ingrepen vergen nog bijkomend onderzoek. De raden zien dit vooral in het licht van de volledige uitrol van de digitale watermeters. Eerst formuleren SERV en Minaraad een aantal kanttekeningen waarmee rekening moet gehouden worden bij het aanpassen van de watertarieven.
11
2.1 Enkele kanttekeningen •
Lage prijselasticiteit: onderzoek8 toont aan dat de prijselasticiteit van drinkwater laag is. Dit betekent dat een prijsstijging van drinkwater maar in beperkte mate leidt tot een lager verbruik. Gezien de lage waterbeschikbaarheid 9 in Vlaanderen en het risico op waterschaarste vinden SERV en Minaraad het wel belangrijk om een signaal te geven dat wie kwistig met water omspringt hier ook meer moet voor betalen. De lage prijselasticiteit noopt dat naast tarieven ook sterk moet ingezet worden op andere instrumenten om gedrag te sturen (sensibilisering, transparante communicatie, nudging, …).
•
Noodzakelijk versus ander verbruik: in een progressieve tariefstructuur moet een basishoeveelheid beschikbaar zijn aan een basistarief en dit op elk moment, dus ook in een periode van waterschaarste of met een hoog piekverbruik. Dit basisverbruik is nodig voor levensnoodzakelijke toepassingen zoals drank, voedsel en hygiëne. Verbruik voor andere doeleinden zoals het vullen van zwembaden, sproeien van tuinen, wassen van auto’s moet ontraden worden en komt in aanmerking voor een luxetarief.
•
Dalende trend van drinkwatergebruik: ondanks de bevolkingstoename en de gezinsverdunning was er tussen 2000 en 2017 een licht dalende trend van het globale drinkwaterverbruik door huishoudens. In 2018-2019 was er een lichte toename, wellicht omwille van de droge periodes10. In het licht van de lage waterbeschikbaarheid is het belangrijk om blijvend in te zetten op een dalend (drink)watergebruik zoals uitgewerkt in krachtlijn 4 van de waterbeleidsnota11.
•
Prijs van drinkwater versus andere waterbronnen: een hervorming van de tariefstructuur van drinkwater kan niet los gezien worden van de prijs voor het gebruik van andere waterbronnen. Te hoge prijsstijgingen kunnen ook leiden tot subsitutie-effecten. SERV en Minaraad herhalen daarom de vraag om een overkoepelende afstemming op te zetten tussen het beleid inzake grondwaterheffingen, captatievergoedingen en drinkwaterprijzen en daarbij na te gaan of de motivering voor verschillen inzake de toepassing van de kostenterugwinning, volledig en actueel is, en te verzekeren dat het geheel van (prijs)prikkels “adequaat” is – en bv. niet leidt tot ongewenste verschuivingen in watergebruik12. Ze wijzen daarnaast op de noodzaak tot een betere handhaving 13 tegen de illegale en niet-gemelde
8
Maasland, E. e.a. (2018) Prijselasticiteit van de vraag naar leidingwater in Vlaanderen. Onderzoek in opdracht van VMM.
9
Cfr. rankings over waterstress van (1) World Resources Institute dat België wereldwijd de 22ste plaats bekleedt op het vlak van waterstress en (2) OESO waterbeschikbaarheid per capita.
10
SERV (2020) Rapport Waterschaarste en droogte p. 26-29 en VMM indicator watergebruik huishoudens.
11
CIW (2019) Waterbeleidsnota 2020-2025.
12
Minaraad (2021) Advies Scheepvaartdecreet.
13
SERV-Minaraad_SALV (2019) Advies derde waterbeleidsnota §74 en (2021) Advies derde stroomgebiedbeheerplannen §23.
12
grondwaterwinningen. Voor een adequate handhaving is kennis over de locaties van de illegale winningen vereist, die kennis is momenteel nog ontoereikend.
2.2 Aanbevelingen op korte termijn Tariefstructuur •
Schrap het basistarief in tweede verblijven Volgens SERV en Minaraad is het niet nodig om een hoeveelheid van 30 m³ aan basistarief toe te kennen in wooneenheden zonder gedomicilieerden. Een ruwe raming leert dat volledige toepassing van het comforttarief in wooneenheden zonder gedomicilieerden het gemiddeld basistarief beperkt kan doen dalen (zie detail in bijlage p.23).
•
Start onderzoek naar sterkere progressiviteit SERV en Minaraad ondersteunen de optie om de tariefschaal progressiever te maken. Dit kan via de invoering van een zogenaamde “derde trap”. Naast het huidige basis- en comforttarief zou er dan een derde trap voor luxegebruik komen. Vooraleer dit in te voeren moet echter onderzocht worden wat de optimale schaal zou zijn: wat zijn optimale grenzen en wat is een optimale verhouding tussen de tarieven onderling? Dit onderzoek start best nu al.
•
Zoek oplossing voor nieuwe gezinsvormen Bij de invoering van de nieuwe tariefstructuur in 2016 vroegen SERV en Minaraad al aandacht voor nieuwe gezinsvormen, meer bepaald voor de bepaling van de domicilie van kinderen in geval van co-ouderschap. Op een hoorzitting bleek dat de Vlaamse ombudsdienst hierover nog veel vragen te krijgt14. Deze problematiek is niet eenvoudig op te lossen: ze vergt een koppeling van databanken en mogelijks ook juridische wijzigingen. Bovendien stelt ze zich niet enkel voor de waterfactuur. SERV en Minaraad vinden het dan ook aangewezen om te streven naar een overkoepelende oplossing (cfr. de fiscale regeling inzake coouderschap) en deze problematiek niet enkel via de waterfacturen op te lossen.
•
Specifieke aandacht voor collectieve meters In 2021 waren er nog 1,91% van de abonnees zonder eigen watermeter, wat overeenkomt met 7% van de bevolking15. In vergelijking met 10 jaar geleden is dit een lichte daling die de tred van renovaties en nieuwbouw volgt. Maar vooral de verschillen tussen de drinkwaterbedrijven zijn opvallend. Bij Water-Link bedraagt het aandeel abonnees met een collectieve 12,34 %. SERV en Minaraad wijzen erop dat gezinnen zonder eigen watermeter hun eigen verbruik niet kennen en dus ook minder gemotiveerd worden om hun gedrag bij te sturen. De regelgeving voorziet verplichte bemetering per wooneenheid in geval van nieuwbouw en grondige renovatie. De raden vragen in afwachting van die grondige renovatie extra aandacht op het vlak van sensibilisering zowel naar bewoners als naar gebouwenbeheerders of sociale huisvestingsmaatschappijen. Ook zij zouden moeten verplicht worden om
14
SERV-Minaraad Hoorzitting op 22 februari 2022. Presentatie van Erwin Janssens, Vlaamse Ombudsdienst.
15
Gegevens van de WaterRegulator per mail bezorgd aan de SERV op 24 maart 2022.
13
inzicht te verschaffen aan de bewoners over het reële verbruik en een transparante verdeling van de collectieve factuur. Andere maatregelen om duurzaam watergebruik te stimuleren Gelet op de lage prijselasticiteit van drinkwater is het belangrijk om ook in te zetten op andere maatregelen 16 om duurzaam watergebruik te stimuleren. In het advies Waterschaarste en Droogte17 formuleerde de SERV al heel wat aanbevelingen om watergebruikers aan te zetten tot slim en circulair watergebruik. Deze aanbevelingen blijven nog steeds actueel. Inzake slim watergebruik door huishoudens moet volgens SERV en Minaraad meer ingezet worden op: •
sensibiliseren en gedragsverandering. In dat kader is eenduidige informatie belangrijk (bij voorkeur via één portaal). Ook de ontwikkeling en het gebruik van waterzuinige toestellen moet gestimuleerd worden, dat kan onder meer door informatie te geven over de ‘total cost of ownership’ en het stimuleren van productdienstcombinaties. Ze verwijzen hierbij het project Papillon dat het principe van een productdienstcombinatie toepast om aan kansengroepen die niet over de nodige investeringsmiddelen beschikken om waterzuinige toestellen aan te kopen deze toestellen tegen een lage huurprijs ter beschikking te stellen.
•
meten is weten. Voor beschermde klanten zou sterker moeten ingezet worden op gratis waterscans. Dit instrument lijkt nu nog onvoldoende bekend o.a. bij OCMW’s. Vanuit de optiek ‘meten is weten’ is ook een eenduidige en transparante factuur met informatie over het watergebruik en gemiddeld referentiegebruik belangrijk. De raden vragen om de mogelijkheden van digitale watermeters te onderzoeken om gezinnen met betalingsproblemen beter te ondersteunen vb. via een maandelijkse afrekening op basis van reëel verbruik.
•
waterbesparende ingrepen koppelen aan energetische renovatie.
SERV en Minaraad vragen expliciete aandacht voor de problematiek van huurders. Sociale huisvestingsmaatschappijen en private verhuurders kunnen een belangrijke rol spelen om duurzaam watergebruik (zowel waterbesparing van drinkwater als meer hemelwatergebruik) te stimuleren bij hun huurders. Wat circulair watergebruik betreft zit zeker voor huishoudens veel potentieel bij een collectieve aanpak o.a. voor de toepassing van innovatieve technologieën in nieuwe woonwijken zoals De Nieuwe Dokken in Gent en Nieuw Zuid in Antwerpen18. Ook inzake het gebruik van hemelwatergebruik zit er potentieel in collectieve hemelwaterputten/buffers (cfr. acties in het kader van de Blue Deal). Inzichten uit het COOCK-project “Waterbewust Bouwen”19 kunnen hier mee invulling aan geven. De raden zien ook synergiën tussen energie en water bij de aanleg van een
16
SERV (2020) Advies Waterschaarste en Droogte p. 26-27.
17
SERV (2020) Advies Waterschaarste en Droogte. Aanbevelingen voor slim en circulair watergebruik p. 25-27 en 37.
18
https://www.interreg2seas.eu/nl/nereus-ducoop-de-nieuwe-dokken
19
https://www.vlario.be/projectoproep-waterbewust-bouwen/
14
warmtenet en regenwaterafvoer/toevoer en bij de transformatie van kantoren of andere gebouwen tot wooneenheden. Verder vragen de raden bijkomend onderzoek uit te voeren naar meer toepassingen voor hergebruik van hemelwater in huishoudelijke toepassingen.
2.3 Aanbevelingen op middellange termijn Uitrol digitale watermeters SERV en Minaraad verwijzen naar hun advies over de digitale watermeters 20. In het licht van de tariefstructuur drinkwater bieden de digitale watermeters een aantal opportuniteiten. Zo maken de digitale meters het mogelijk om tarieven flexibel te maken in de tijd. Aan flexibele tarieven zijn echter opportuniteiten én risico’s verbonden. Gezien de lage prijselasticiteit van drinkwater moet het besparingspotentieel van flexibele tarieven goed onderzocht worden en afgewogen worden tegen andere waterbesparende maatregelen. Er dient ook een armoedetoets te worden uitgevoerd om de negatieve sociale effecten van flexibele tarieven te onderzoeken en na te gaan hoe die kunnen worden voorkomen of verholpen. SERV en Minaraad dringen er op aan om tijdig met onderzoek te starten en de introductie van flexibele tarieven goed te onderbouwen. In het licht van de uitrol van de digitale meters formuleren de raden volgende aanbevelingen: •
Maak van de digitale meter ook een slimme meter. Dit veronderstelt sensibilisering en een gezinsvriendelijke ontsluiting van de data die de digitale meter genereert via de tussentijdse factuur, via een app).
•
Vermijd combinatie van twee tariefstructuren. De uitrol van de digitale watermeters gebeurt geleidelijk tegen 2030. Bepaalde drinkwaterbedrijven zijn al ver gevorderd in de uitrol, andere testen nog in pilootgebieden. SERV en Minaraad waarschuwen om geen twee tariefstructuren (mét en zonder flexibele tarieven) toe te passen binnen één distributiegebied. Hoewel de vervanging van een analoge door een digitale meter decretaal verplicht is, zou het hanteren van twee verschillende tariefstructuren kunnen leiden tot weerstand tegen de vervanging van de meter.
Aandacht voor Vlamingen zonder riolering Volgens Minaraad en SERV is de essentie van de problematiek inzake de Vlamingen zonder rioleringen, de té trage uitrol is van waterzuivering in het buitengebied. De tarifering is in deze minder belangrijk. Op dit moment betalen Vlamingen die nog geen riolering of IBA hebben, dezelfde saneringsbijdrage als Vlamingen die aangesloten zijn op het rioleringsnetwerk – in afwachting van de aansluiting op een waterzuiveringssysteem. Vlamingen die aangesloten zijn op een IBA, betalen ofwel
20
SERV-Minaraad (2020) Advies digitale watermeters.
15
geen saneringsbijdrage (indien ze de IBA zelf beheren) ofwel een IBA bijdrage, die 2,4 keer hoger is dan de bovengemeentelijke saneringsbijdrage21. De raden wezen er eerder op dat deze situatie te verantwoorden is, voor zover dat de termijn waarin de burger wél betaalt, maar nog géén volwaardige dienstverlening krijgt, binnen redelijke perken blijft22. Volgens de raden is dat momenteel echter niet het geval: de uitbouw van de waterzuivering in het buitengebied gaat immers te traag 23. Een andere tarifering zou echter slechts beperkt impact hebben op deze problematiek. De raden herinneren dan ook aan hun voorstellen om de uitbouw van de waterzuivering te versnellen, die uitgebreid zijn opgenomen in hun advies over de derde stroomgebiedbeheerplannen 24. Ze wijzen specifiek op hun vraag om te vermijden dat nog nieuwe woningen zonder waterzuivering zouden gebouwd worden en daarbij de pistes te bekijken om de meest kostenefficiënte decentrale/centrale waterzuivering (cfr. CIW projectgroep) te verplichten bij nieuwbouw in niet-gerioleerde gebieden en/of het afleveren van bouwvergunningen te beperken. De raden kijken tenslotte uit naar de resultaten van de CIW projectgroep decentrale waterzuivering. Deze werkgroep onderzoekt de mogelijkheden van centrale, decentrale en individuele zuivering, waarbij rekening wordt gehouden met de kosten, en de (gebiedsgerichte) milieudoelstellingen25. De ambitie van de projectgroep is om een versnelling hoger schakelen in de zuivering van het afvalwater van zo’n 400.000 gezinnen in het buitengebied. Innovatie en kennisdeling zouden moeten leiden tot betere keuzes26 en aldus bijdragen aan een snellere en meer kostenefficiënte uitrol van de waterzuivering in het buitengebied. De invoering van een infiltratiebonus Sterker beleid gericht op infiltratie is noodzakelijk. De raden hebben in hun advies over de derde waterbeleidsnota hun steun uitgesproken voor de strategische doelstellingen van het BRV en in die context gewezen op de noodzaak van bijkomend beleid, gericht op meer infiltratie van afstromend hemelwater in bebouwd gebied27. Meer inzetten op infiltratie is noodzakelijk omdat, bij gelijk blijvend beleid, de ruimtelijke ontwikkelingen en de effecten van klimaatverandering, zorgen voor een nood aan bijkomende investeringen28. Meer inzetten op infiltratie zal bijdragen
21
https://www.vmm.be/water/waterfactuur/prijzen-en-tarieven-gezinnen#section-5
22
Advies 2014-006 over de VLAREM-trein, §25
23
https://www.vmm.be/water/riolering/zuiveringsgraad
24
2021-007 – Advies over de derde stroomgebiedbeheerplannen Hoofdstuk 7.1 “waterzuiveringsbeleid”
25
https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/over-ciw/organisatievorm/organisatievorm/projectgroepen
26
https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/nieuws/projectgroep-bekijkt-mogelijkheden-decentrale-waterzuivering
27
Advies 2019-009 over de derde waterbeleidsnota, hoofdstuk 3.5
28
Wolfs, V., Ntegeka, V., Willems, P., Francken, W., 2018. Impact van klimaatverandering op rioleringen. Studie uitgevoerd door Sumaqua in opdracht van VLARIO, 33 p. en Wolfs, V., Ntegeka, V., Willems, P., Francken, W., 2018. Impact van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen op rioleringen. Studie uitgevoerd door Sumaqua in opdracht van VLARIO. p. 86
16
aan de vermindering van het overstromingsgevaar, zorgen voor een hoger zuiveringsrendement en minder overstorten. Afhankelijk van de gekozen maatregelen zal het ook bijdragen aan de aanvulling van het grondwater en het hitte eiland-effect milderen. Het biedt tenslotte kansen voor een versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit in de bebouwde omgeving29. Daarom is onderzoek nodig naar het(de) instrument(en) waarmee infiltratie best bevorderd kan worden. De raden dringen aan op een snelle en kwalitatieve uitvoering van de maatregelen die in de Blue Deal zijn opgenomen om aan deze doelen bij te dragen. Concreet gaat het om ondersteuning (inhoudelijk en financieel) van lokale besturen, evaluatie van de standaardbestekken rond de aanleg van de publieke ruimte, verhoging van de ambitie van hemelwaterplannen en koppeling aan de toegang tot subsidies en tenslotte ook ondersteuning voor particulieren 30. De CIW projectgroep Infiltratiebonus werkte recent een studienota af over de infiltratiebonus 31. Het rapport vertrekt van de Blue Deal, die stelt ”dat een infiltratiebonus tot doel heeft op de waterfactuur de kosten voor afvoer van regenwater af te splitsten van de kosten voor afvalwater, en zo kunnen degenen die inspanningen doen, ook beloond worden”32. In het rapport worden zes verschillende pistes besproken, waarvan er twee die lopen via de waterfactuur. De belangrijkste voor- en nadelen voor deze verschillende pistes worden in de nota besproken, en beleidsaanbevelingen werden geformuleerd. De raden hebben eerder al aandachtspunten meegegeven voor het (toen nog op te starten) onderzoek naar de infiltratiebonus33: ze vroegen om het instrument regulerend – en niet financierend op te zetten, om voorafgaand zicht te creëren op de verdelingseffecten en om een inschatting van de kosten en baten. Hieronder bouwen de raden hierop verder. Inzake de verdelingseffecten wijzen de raden erop dat, indien de infiltratiebonus zou ingevoerd worden via de waterfactuur, het belangrijk is dat alle betrokken verharde oppervlakken gevat zouden zijn. In het bijzonder wijzen de raden erop dat dit vereist dat ook de publieke verhardingen gevat zullen worden, wat momenteel niet het geval is, en dat zowel klein- als grootverbruikers gevat worden. Inzake het sturend karakter wijzen de raden erop dat er al verschillende instrumenten bestaan die infiltratie verplichten of aanmoedigen (bv. hemelwaterverordening, wateraudits, …). Ze vragen voldoende garanties zodat de meerwaarde van een eventuele infiltratiebonus t.o.v. deze instrumenten verzekerd wordt en wijzen daarbij op de kost van de invoering van het instrument, en wijzen erop dat die kost mee zal afhangen van de complexiteit die wordt meegenomen in het
29
Onderzoek naar de haalbaarheid en de noodzakelijke randvoorwaarden van de infiltratiebonus. 16/03/2022, p. 5.
30
Advies derde SGBP, § 124.
31
Onderzoek naar de haalbaarheid en de noodzakelijke randvoorwaarden van de infiltratiebonus. 16/03/2022
32
Blue Deal, p.17.
33
Advies over de derde waterbeleidsnota.
17
instrument34. Ze vragen om verder te onderzoeken welke tarifering aangewezen zou zijn om een sturend effect te bekomen, en hoe kan vermeden worden dat de invoering van de infiltratiebonus de betaalbaarheid van wonen voor kwetsbare groepen in het gedrang zou brengen. Ten gronde is er geen éénsgezindheid over de wenselijkheid en de haalbaarheid van de infiltratiebonus tussen alle raadsleden. De raden zijn het wel eens over de noodzaak van een structurele en planmatige aanpak om te komen tot de beoogde gedragswijziging bij de doelgroepen. Daarbij kan het sturend karakter verzekerd worden door in deze ook elementen inzake communicatie, ondersteuning, … aan bod te laten komen, zoals gesuggereerd in de CIW nota. De raden vragen om de geïdentificeerde kennishiaten op te lossen en op basis daarvan het nodige wetgevende werk op te starten. Ze pleiten voor de nodige voorspelbaarheid van het beleid en desgevallend voldoende implementatietijd, bv. door een getrapte invoering. Tenslotte vragen ze om voldoende beleidsmarge in te bouwen om in te spelen op lokale omstandigheden, bv inzake verontreinigde bodems of de specificiteit van havengebieden. TE ONDERZOEKEN 2.1 Inzake de tariefstructuur en de hoogte van tarieven •
progressiviteit van het variabel tarief De invoering van een “derde trap” in de tariefstructuur dient vooraf onderzocht. Volgende effecten zijn hierbij van belang: het besparingspotentieel, mogelijk ontwijkingsgedrag (impact op andere waterbronnen) en de socio-economische effecten.
•
flexibele tarieven Het besparingspotentieel van flexibele tarieven is nog onduidelijk en moet verder onderzocht worden. Ook de socio-economische impact van een flexibele tariefzetting dient nader onderzocht er dient te worden bekeken in welke periodes en in welke mate hogere of lagere tarieven gewenste gedragsverandering kunnen uitlokken.
•
afstemming tarieven andere waterbronnen Het debat over de afstemming van de tarieven voor grond-, oppervlakte – en drinkwater dient grondig onderbouwd te worden door de ecologische, economische en sociale impact van nieuwe voorstellen in te schatten35.
34
De raden wijzen hierbij bv. op de praktische problemen om waterdoorlatende verhardingen en/of groendaken in beeld te brengen.
35
Minaraad (2021) Advies Scheepvaartdecreet p. 5.
18
2.2 Inzake de infiltratiebonus Onderzoek welke tarifering aangewezen zou zijn om: •
een sturend effect te bekomen
•
de betaalbaarheid van wonen voor kwetsbare groepen niet in het gedrang te brengen
•
welke instrument(en) infiltratie best kunnen bevorderen
2.3 Inzake alternatieven voor prijsprikkels De raden vragen om nader te bestuderen welke de belangrijkste verklarende factoren zijn voor de lange termijn evoluties in het leidingwatergebruik bij gezinnen en te onderzoeken of een onderscheid kan gemaakt worden tussen de effecten van tarifering, sensibilisering, regulering (bv bouwvoorschriften of productbeleid), etc … Voortbouwend op de vaststelling dat de prijselasticiteit van drinkwater zeer gering is en dat de wijziging van de tariefstructuur naar verwachting niet tot duurzamer waterverbruik zal leiden en dus op een andere manier gestimuleerd zal moeten worden36, vragen de raden om alternatieven voor prijsprikkels te onderzoeken. Ze wijzen daarbij op onderzoek en een daaruit volgende strategie in Nederland37. Ook het denkwerk binnen de transitiearena water38 kan verder onderzocht worden in functie van wenselijkheid en haalbaarheid. Een te onderzoeken piste is een btw-verlaging bij waterrenovatie bij particulieren.
3. Billijke solidarisering van kosten Meeropbrengsten ‘luxetarief’ in solidariteitsfonds? In de opdrachtbrief suggereert de Minister om de meeropbrengsten via de invoering van een zogenaamde ‘derde trap’ in een solidariteitsfonds te storten. De raden gaan akkoord met het voorstel om de meeropbrengst van de ‘derde trap’ doelgericht aan te wenden. De meeropbrengst mag volgens de raden niet aangewend worden om sociale correcties of andere sociale openbare dienstverplichtingen (gratis waterscans, vrijstellingen ingebrekestellingen, …) te financieren. Dit is regulier beleid dat een stabiele financieringsbasis vereist. De opbrengst van de ‘derde trap’ is hiervoor geen goede optie want de opbrengst is onzeker. Indien het tarief zo hoog wordt bepaald dat het echt ontradend (of ontwijkend?) werkt dan zal de
36
https://www.vmm.be/publicaties/evaluatie-van-de-tariefstructuur-van-de-integrale-waterfactuur
37
https://www.h2owaternetwerk.nl/h2o-actueel/vitens-onderzoekt-een-nieuwe-strategie-voor-duurzaam-drinkwatergebruik
38
https://h2050.be/nl/doordrijvers/bekijk-alle-doordrijvers/het-systeem-staat-model-voor-waterkapitaal
19
opbrengst gering zijn. De raden stellen daarom voor de gerealiseerde meeropbrengst in het daaropvolgend jaar te besteden aan concrete acties en investeringen om slim en circulair watergebruik te bevorderen bij huishoudens, bij voorkeur bij gezinnen met beperkte financiële middelen of betalingsproblemen. Herbekijk doelgroep en financiering van sociale correcties De raden formuleren twee concrete aanbevelingen met betrekking tot sociale correcties. •
Onderzoek ruimere solidarisering sociale correcties. In een eerder advies vroegen SERV en Minaraad om de uniforme sociale maximumtarieven en alternatieve financiering van de sociale openbare dienstverplichtingen te onderzoeken. Een fundamentele vraag in dit verband is: moeten sociale correcties en bij uitbreiding alle sociale openbare dienstverplichtingen (gratis waterscans, vrijstellingen vergoeding ingebrekestelling, …) niet op een andere manier dan via een verrekening op de waterfactuur van niet gerechtigde abonnees gefinancierd worden?39
•
Herbekijk de doelgroep die recht heeft op een sociale correctie. De evaluatie van de sociale correcties die de WaterRegulator liet uitvoeren toont aan dat de sociale correctie zeer effectief is voor wie er recht op heeft, maar ook dat 60% van de gerechtigden zonder sociale correctie geen verhoogd risico hebben op waterarmoede. Tegelijk zijn er abonnees die geen recht hebben op een sociale correctie maar wel risico lopen op waterarmoede. Bijsturing is dus aangewezen, bovendien moet rekening gehouden worden met het feit dat we nu in een periode van sterke prijsstijgingen zitten die lagere inkomens relatief zwaarder treffen. Volgens de raden gebeurt dit best in afstemming met andere sociale correcties en in het kader van een ruimer armoede- en welzijnsbeleid.
39
SERV en Minaraad (2015) Advies tariefregulering drinkwater, p. 27-28.
20
TE ONDERZOEKEN 3.1 Sociale tarieven horizontaal bekeken (link met VAPA) •
Onderzoek een andere financiering van de sociale correcties en de sociale openbare dienstverplichtingen inzake drinkwater.
•
Onderzoek als alternatief voor de sociale correctie van 80% op de volledige drinkwaterfactuur volgende alternatieven en doe dit in overleg met vertegenwoordigers van armoedeorganisaties: o
de toekenning van een basishoeveelheid aan sociaal tarief
o
een graduele toekenning van het sociale tarief voor huishoudens met een hoger risico op waterarmoede (dit is onder meer het geval voor eenoudergezinnen en gezinnen in schuldbemiddeling40)
4. Verbetering regulering drink- en afvalwatersector In hun advies naar aanleiding van de invoering van de tariefmethodologie voor drinkwater in 2016 vroegen SERV en Minaraad om ex post evaluatie uit te voeren. Dit is ondertussen gebeurd en deze evaluatie leidde tot enkele beperkte bijsturingen, die in overleg met de drinkwatersector worden geconcretiseerd. De raden onderschrijven deze aanpak en hebben geen bemerkingen bij de tariefregulering van de drinkwatersector. Wat de afvalwatersector betreft blijven de uitdagingen op het vlak van regulering groot. In hun gezamenlijk advies over de derde waterbeleidsnota formuleerden SERV en Minaraad enkele aandachtspunten in dit verband: garanties voor een doelgerichte aanwending van de saneringsbijdragen en de vastlegging van algemene middelen om tariefschokken te vermijden. Ze formuleerden ook vijf concrete aanbevelingen41. Ze verwijzen in dit verband naar hun advies over het decreet “aansturing Aquafin” waarin ze onder meer wijzen op noodzakelijke vervolgstappen voor de responsabilisering van de gemeentelijke sanering. De raden beschikken momenteel niet over bijkomende informatie om hierover meer concrete suggesties te formuleren.
40
SERV en Minaraad (2015) Advies tariefregulering drinkwater, p. 27.
41
Advies 2019-009 over de derde waterbeleidsnota, p. 45-47.
21
1
Bijlage
2
Enkele alternatieve scenario’s en hun effecten
3
Aan de hand van het totaal aan m³ in de basis en luxe schijf en het aantal wooneenheden is het
4
mogelijk om enkele varianten te berekenen ten opzichte van het door de Vlaamse Regering geko-
5
zen scenario. De resultaten van deze alternatieven geven evenmin als de doorgerekende scena-
6
rio’s in de nota aan de Vlaamse Regering een correct beeld. Het gaat om gemiddelden, die boven-
7
dien niet gebaseerd zijn op een adequate dataset. Toch geven ze een idee van de effecten op de
8
tarieven van mogelijke alternatieven. Een doorrekening naar gezinstypes leert dat een schrap-
9
ping van de gezinskorting op de vaste vergoeding in de meeste gevallen gecompenseerd wordt
10
door een daling van de variabele prijs en dat de meeste gezinnen niet meer moeten betalen dan
11
nu het geval is tenzij bij extreem hoog verbruik en extreem laag verbruik. In het eerste geval
12
weegt het luxetarief sterk door (net zoals het voorgestelde scenario). In het tweede geval weegt
13
het hoger vastrecht zwaarder door, ook bij grotere huishoudens. In absolute termen gaat het
14
evenwel om bescheiden bedragen. Vijf varianten werden doorgerekend. Ten eerste werd een in-
15
schatting gemaakt van het effect op het gemiddeld tarief indien al het waterverbruik van woon-
16
eenheden zonder domicilies zouden worden aangerekend aan luxetarief. Bij gelijkblijvende op-
17
brengst van de variabele vergoeding zou het gemiddeld basistarief dalen van 1,35 naar 1,30 euro
18
per m³, althans volgens de cijfers in de bisnota aan de Vlaamse Regering. In deze bisnota wordt
19
melding gemaakt van ongeveer 400 000 wooneenheden zonder gedomicilieerden. In een recente
20
studie van de Studiedienst van de Vlaamse Regering wordt evenwel het aantal tweede verblijven
21
in Vlaanderen geraamd op 212 000. Meer dan de helft daarvan situeert zich in de kustgemeen-
22
ten. Ten tweede werden telkens twee varianten berekend zonder toepassing van de gezinskor-
23
ting op de vaste vergoeding : 50 euro versus 40 euro. Deze varianten werden ook telkens bere-
24
kend zonder en met volledige toepassing luxe tarief voor wooneenheden zonder domicilies. Bij
25
deze varianten is er een verschuiving van de variabele opbrengst naar de vaste opbrengst . Geen
26
kortingen impliceert een hogere vaste opbrengst. Deze werd in mindering gebracht van de glo-
27
bale variabele opbrengst. Het effect is een duidelijke daling van het variabel basistarief.
22
28
Tabel 1: Effecten van enkele alternatieve scenario’s
scenario
gezins-
0 pers
totaal
korting
basis
luxe
basis
luxe
2 x 50
ja
1,35
2,69
1,83
3,66
2 x 50
ja
1,30
2,61
1,77
3,55
2 x 50
nee
1,08
2,15
1,56
3,12
2 x 50
nee
1,04
2,09
1,51
3,03
2 x 40
nee
1,21
2,42
1,69
3,39
2 x 40
nee
1,17
2,34
1,64
3,28
alles luxe
variant 2 variant 3
alles luxe
variant 4 variant 5 29
sanering
vastrecht
scenario VR variant 1
drinkwater
domicilie
alles luxe
Bron: SERV en Minaraad (2015) Advies Tariefregulering drinkwater.
23