Afwegingskader voor het opstarten van programmatische aanpakken in het Vlaams Natura 2000-programma Voor welke andere milieudrukken dan stikstofdepositie is een programmatische aanpak nodig en/of geschikt? CĂŠcile Herr, Paul Quataert, Floris Vanderhaeghe, Dries Adriaens, Luc De Keersmaeker
Auteurs: CĂŠcile Herr, Paul Quataert, Floris Vanderhaeghe, Dries Adriaens, Luc De Keersmaeker Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteits-beleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: cecile.herr@inbo.be Wijze van citeren: Herr C., Quataert P., Vanderhaeghe F., Adriaens D., De Keersmaeker L. (2019). Afwegingskader voor het opstarten van programmatische aanpakken in het Vlaams Natura 2000-programma. Voor welke andere milieudrukken dan stikstofdepositie is een programmatische aanpak nodig en/of geschikt? Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.16591811 D/2019/3241/187 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Luchtfoto van Veurne en omgeving (Maurice Hoffmann, 2006) Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: Agentschap Natuur en Bos Opdrachtnummer ANB 2016/157
Š 2019, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
AFWEGINGSKADER VOOR HET OPSTARTEN VAN PROGRAMMATISCHE AANPAKKEN IN HET VLAAMS NATURA 2000-PROGRAMMA Voor welke andere milieudrukken dan stikstofdepositie is een programmatische aanpak nodig en/of geschikt? Cécile Herr, Paul Quataert, Floris Vanderhaeghe, Dries Adriaens, Luc De Keersmaeker
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31) doi.org/10.21436/inbor.16591811 Versie 13/08/2019
ANB 2016/157
www.inbo.be
Dankwoord Verschillende INBO-collega’s hebben meegewerkt aan dit rapport. We bedanken Maurice Hoffmann en Gerald Louette voor hun bijdrage en Luc Denys, Joris Everaert, Suzanna Lettens, Wim Mertens, Sam Provoost, Arne Verstraeten en Jan Wouters voor hun deelname aan de expertgroep. Onze dank gaat ook naar Joris Janssens en Bernard van Elegem (ANB) die het project opvolgden en naar de andere collega’s van ANB (Mario De Block, Thomas Defoort, Katia Nagels, Jeroen Panis, Geert Sterckx, Gert Van Hoydonck) die hun opmerkingen en suggesties bezorgden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 2 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Samenvatting Dit project reikt een afwegingskader aan om te beoordelen welke milieudrukken in aanmerking komen voor een programmatische aanpak (PA), naar analogie van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het afwegingskader rangschikt daartoe de milieudrukken. Aansluitend reikt het project een voorstel aan van selectie en prioritering van milieudrukken waarvoor een PA kan worden overwogen, wat een toepassing is van het afwegingskader. We beschrijven eerst de kenmerken, succesfactoren en randvoorwaarden van een PA. Hiervoor overlopen we enerzijds de wettelijke verankering in het Natuurdecreet en anderzijds het Vlaams Natura 2000-programma, eerste cyclus 2016-2020. De succesfactoren en randvoorwaarden voor een PA werden vervolgens vertaald naar een reeks criteria (richtvragen) aan de hand waarvan de noodzaak, zinvolheid en haalbaarheid van een PA voor de verschillende milieudrukken kunnen worden beoordeeld. Zij weerspiegelen de wettelijke onderdelen die van een programmatische aanpak worden verwacht: een analyse van de omvang van de milieudruk, de menselijke activiteiten die eraan bijdragen, de verwachte ontwikkeling, de socio-economische context, alsook de mogelijkheid tot een brongericht beleid. Uit de oorspronkelijke lijst van 22 richtvragen werd (om praktische redenen) een selectie gemaakt van acht vragen die doorslaggevend zijn om de zinvolheid en haalbaarheid van een PA te kunnen beoordelen en bovendien goed tussen de milieudrukken differentiëren. Een groep van INBO-experten kwam bijeen om samen de milieudrukken in onderling overleg te scoren: per richtvraag en milieudruk werd een ordinale score toegewezen die aangeeft hoe relevant/haalbaar een PA is, met een beperkt bereik tussen 0 tot 3, waarbij 0 betekent dat de milieudruk in kwestie volgens dit criterium niet in aanmerking komt voor een PA. De score werd ook telkens kort gemotiveerd en de betrouwbaarheid van het oordeel werd ingeschat als de mate waarin de experten voor de milieudruk in kwestie een voldoende grote kennis hebben om de score en de uitleg bij het criterium als ‘betrouwbaar’ te kunnen beschouwen. Door met een overzichtelijke lijst van acht criteria te werken wordt voor elke milieudruk duidelijk welke aspecten voor of tegen een PA pleiten en kan men op een transparante manier beslissen om bij de uiteindelijke rangschikking van de milieudrukken meer gewicht toe te kennen aan sommige criteria dan aan andere. De keuze voor een beperkte rangordeschaal is ingegeven door 1) de in hoofdzaak op expertise en dus niet op kwantitatieve gegevens gestoelde beoordelingen, 2) de mogelijkheid om de resultaten numeriek te verwerken en deze flexibel en transparant samen te vatten tot een rangschikking van milieudrukken volgens haalbaarheid of noodzaak van een programmatische aanpak. De milieudrukken werden op basis van de scores per criterium gerangschikt volgens drie methoden:
Ongewogen gemiddelde eindscore waarbij elke richtvraag evenveel weegt in de berekening; Scenario 1: een gewogen gemiddelde eindscore die de nadruk legt op de noodzaak aan een programmatische aanpak, waarbij de huidige problemen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken zwaarder doorwegen (hoe hoger deze problematiek, hoe hoger de nood aan een PA); Scenario 2: een gewogen gemiddelde eindscore die de nadruk legt op de relatieve eenvoud om een programmatische aanpak te kunnen implementeren, vooral gericht
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 3 van 77
op de mogelijkheid tot het nemen van brongerichte maatregelen en op de beschikbaarheid van basisinformatie. Ondanks de wegingen bestaat er een sterke relatie tussen de drie methoden. Deze rangschikking van milieudrukken is het afwegingskader voor prioritering van milieudrukken voor een PA. Een voorstel van prioritering (i.e. selectie van milieudrukken op basis van het afwegingskader) is om een PA enkel te overwegen voor de milieudrukken die consistent hoog scoren in de verschillende scenario’s (minimum score van 2). Een lagere gemiddelde score betekent logischerwijs dat er voor minstens één van de relevante criteria een lagere score werd gegeven die minder pleit voor een PA. Bij een gemiddelde score van tenminste 2 in twee van de scenario's blijken 12 milieudrukken weerhouden te worden. Zij kunnen in een aantal groepen geclusterd worden op basis van gelijkaardige processen, dezelfde belastende stoffen, of omdat dezelfde bronnen aan de basis liggen:
verzuring en eutrofiëring via de lucht, partim stikstof (4.1 en 3.1) verdroging en eutrofiëring via het grondwater (5.1, 3.3N en 3.3P; deze laatste scoort echter lager dan 2in scenario 2) eutrofiëring met stikstof via de bodem (3.2N) eutrofiëring via het oppervlaktewater (3.4P en 3.4N) klimaatverandering in droge en natte perioden en zeespiegelstijging (101, 102, 103) verlies van terrestrische connectiviteit (15) aanpassing van de fysische structuur (11)
Er mag efficiëntiewinst verwacht worden als milieudrukken van dezelfde cluster op een gelijkaardige wijze, bijvoorbeeld met een PA, aangepakt worden. Daarnaast zijn er uiteraard heel wat milieudrukken met uitgesproken onderlinge interacties. Die kunnen ervoor zorgen dat een PA voor één enkele milieudruk minder succesvol zal zijn als de bronnen en effecten van andere milieudrukken niet gelijktijdig aangepakt worden. Door de complexiteit van dergelijke interacties en de vaak gebiedspecifieke problematieken, wordt hier in deze oefening echter abstractie van gemaakt. De vraagstelling van deze studie beperkt zich dus tot een ranking van elk van de afzonderlijke milieudrukken, zonder de interacties, op basis van expertbeoordelingen van de toestand op Vlaams niveau. Hoe specifieke, lokale problemen die het gevolg zijn van milieudrukken, al dan niet geïntegreerd aangepakt dienen te worden, valt buiten de opzet van dit rapport. Ook de mate waarin het regionale beleid een impact kan hebben op milieudrukken die een nationale of internationale dimensie hebben, is niet in rekening gebracht.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 4 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Inhoudstafel Dankwoord .......................................................................................................................... 2 Samenvatting ....................................................................................................................... 3 Lijst van figuren.................................................................................................................... 8 Lijst van tabellen .................................................................................................................. 8 1
2
3
Inleiding ....................................................................................................................... 9 1.1
Aanleiding ............................................................................................................. 9
1.2
Doelstelling ........................................................................................................... 9
1.3
Opzet .................................................................................................................. 10
1.4
Leeswijzer ........................................................................................................... 10
Beleids- en juridische context van EEN programmatische aanpak .................................. 11 2.1
Inleiding .............................................................................................................. 11
2.2
Juridische verankering in het Natuurdecreet ......................................................... 11
2.3
Het Vlaams Natura 2000-programma.................................................................... 12
2.4
De programmatische aanpak stikstofdepositie (PAS).............................................. 14
Methodiek voor het afwegingskader ............................................................................ 16 3.1
De onderscheiden milieudrukken ......................................................................... 16
3.2
De kritieke succesfactoren en randvoorwaarden voor een Programmatische Aanpak 18
3.2.1
DPSIR als analytisch kader............................................................................. 18
3.2.2
De hoofdrubrieken ....................................................................................... 18
3.2.3
De methode ................................................................................................. 19
3.2.4
[A] De actuele toestand en prognose i.v.m. toekomstige ontwikkelingen......... 20
3.2.5 [B] Het huidige beleid t.a.v. de milieudruk (en welke evoluties we hier kunnen verwachten) ............................................................................................................... 20 3.2.6 [M] De maatregelen om de milieudruk te verminderen en/of de gevolgen ervan te milderen................................................................................................................. 21 3.2.7 kennis)
4
[T] De noodzakelijke tools (instrumenten, modellen, gegevens, inzichten, 22
3.3
De definitieve tabel ............................................................................................. 22
3.4
Het proces van het scoren .................................................................................... 23
3.5
Schaal van de scores ............................................................................................ 24
3.6
Vertaling van de scores naar een rangschikking van milieudrukken......................... 24
3.6.1
Verkenning van de antwoorden op de vragen ................................................ 24
3.6.2
Rangschikking van milieudrukken .................................................................. 25
Afwegingskader & prioritering ..................................................................................... 27 4.1
Afwegingskader: Rangschikking van milieudrukken voor een PA ............................. 27
4.1.1
Algemene verkenning ................................................................................... 27
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 5 van 77
4.1.1.1
Spreiding van de scores per vraag .............................................................. 27
4.1.1.2
Spreiding van de betrouwbaarheden ......................................................... 28
4.1.1.3
Correlatie tussen scores ............................................................................ 30
4.1.2
4.2
Rangschikking van milieudrukken .................................................................. 31
4.1.2.1
Eindrangschikking per scenario .................................................................. 31
4.1.2.2
Verschillen en relaties tussen scenario’s .................................................... 32
4.1.2.3
Weergave van de eindscore in een PCA-biplot ............................................ 37
Prioriteringsvoorstel & bespreking........................................................................ 39
Referenties ........................................................................................................................ 43 Bijlage ............................................................................................................................... 44 A Bijlage: toelichting bij de interpretatie van de milieudrukken ..................................... 44 B Bijlage: berekening van de score voor vraag A1.......................................................... 47 C Bijlage: eindscores van de milieudrukken .................................................................. 49 D Bijlage: fiches van de milieudrukken ......................................................................... 51 101 Klimaatverandering in droge perioden ............................................................... 51 102 Klimaatverandering in natte perioden ................................................................ 52 103 Klimaatverandering: zeespiegelstijging............................................................... 52 11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, …) ....... 53 12 Toename bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) ................................. 53 13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving).................................... 54 14 Verlies van aquatische connectiviteit ................................................................... 54 15 Verlies van terrestrische connectiviteit ................................................................ 55 3.1 Eutrofiëring via de lucht: partim stikstof.............................................................. 56 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim fosfor............................................................. 56 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim stikstof........................................................... 57 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim fosfor .................................................... 58 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim stikstof .................................................. 58 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim fosfor........................................................................................................... 59 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim stikstof......................................................................................................... 60 4.1 Verzuring via de lucht ........................................................................................ 61 4.2 Verzuring via het grondwater ............................................................................. 61 4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) ............................ 62 5.1 Verdroging via het grondwater ........................................................................... 62 5.2 Vernatting via het grondwater ............................................................................ 63 61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) ................................... 64 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 6 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) ..................................... 64 63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan........................ 65 64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan .......................... 66 65 Toename golfslagwerking.................................................................................... 66 66 Afname golfslagwerking ...................................................................................... 67 7.1 Verzoeting via het grondwater ........................................................................... 67 7.2 Verzoeting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) .......................... 68 7.3 Verzilting via het grondwater ............................................................................. 68 7.4 Verzilting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) ............................ 69 8.1 Verontreiniging via de lucht................................................................................ 69 8.2 Verontreiniging via de bodem............................................................................. 70 8.3 Verontreiniging via het grondwater .................................................................... 71 8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) ................... 71 8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater ................. 72 9.1 Geluid en trillingen ............................................................................................ 72 9.2 Licht en straling ................................................................................................. 73 9.3 Beweging en andere visuele verstoring ............................................................... 74 E Bijlage: de gebruikte werkomgeving .......................................................................... 76
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 7 van 77
Lijst van figuren Figuur 1: Frequentie van de scores (van 0 tot 3) per vraag. 28 Figuur 2: Verdeling van de betrouwbaarheid (van 0 tot 3) van de score per vraag. 29 Figuur 3: Kendall correlatie en ‘jittered’ scatterplots van de relatie tussen de vragen. 30 Figuur 4: Grafische rangschikking van milieudrukken volgens eindscore van ongewogen scenario en scenario 1. Bijna alle milieudrukken scoren iets hoger in scenario 1 dan in het ongewogen scenario omdat de vragen A1 (“hoe hoog is de actuele problematiek voor de habitatvlekken in Vlaanderen”) en B2b (“zijn er voldoende en adequate beleidsinstrumenten”) - die meer wegen in de eindscore voor scenario 1- gemiddeld genomen een hogere score kregen dan de andere vragen (Figuur 1). 32 Figuur 5: Grafische rangschikking van milieudrukken volgens eindscore van ongewogen scenario en scenario 2. 33 Figuur 6: Grafische rangschikking van milieudrukken volgens eindscore van scenario 1 en 2. 34 Figuur 7: Overeenkomsten en verschillen in het rangnummer van milieudrukken ten opzichte van het ongewogen scenario. De getallen geven het rangnummer van het overeenkomstig scenario. De kleur geeft weer hoezeer het rangnummer verandert (Rangverschil) in scenario 1 en 2 t.o.v. het ongewogen scenario. 35 Figuur 8: Lijngrafiek ter visualisatie van overeenkomsten en verschillen in het rangnummer van milieudrukken, volgens de verschillende scenario’s. 36 Figuur 9: PCA biplot van de principale componenten 1 en 2. De kleurgradiënt is volgens de eindscore van scenario 1. 38 Figuur 10: PCA biplot van de principale componenten 1 en 3. De kleurgradiënt is volgens de eindscore van scenario 1. 39 Figuur 11: Aandeel types met H- of M-beïnvloeding, opgesplitst volgens waterhuishoudingsklasse. Per waterhuishoudingsklasse worden de milieudrukken in vier groepen gebundeld: a = milieudrukken met gewogen relatieve HM-frequentie >= 40%, b = milieudrukken met gewogen relatieve HM-frequentie >= 25% en < 40%, c = milieudrukken met gewogen relatieve HML-frequentie >= 25% en HM-frequentie < 25%, d = overige milieudrukken. 48
Lijst van tabellen Tabel 1: De onderscheiden milieudrukken. 17 Tabel 2: Gekozen gewichten per vraag. De waarden zijn relatief te beschouwen. 25 Tabel 3 Het aantal vragen per milieudruk met een lage betrouwbaarheid (0 of 1). Aflopend gerangschikt volgens aantal vragen. Alleen milieudrukken met minstens één dergelijk geval zijn weergegeven. 29 Tabel 4: Rangnummer van milieudrukken, gerangschikt volgens het ongewogen scenario en dan volgens scenario 1. Hoe lager het getal, hoe hoger de rang (en dus de prioriteit) van de betreffende milieudruk. 31
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 8 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
1 INLEIDING 1.1
AANLEIDING
Programmatisch aanpakken is verankerd in het Natuurdecreet en in het Vlaams Natura 2000programma. In het ‘Vlaams Natura 2000-programma, eerste cyclus 2016-2020’ staat actie 26 vermeld: het onderzoek naar de noodzaak van een PA voor andere milieudrukken (dan de stikstofdepositie via de lucht). Deze actie vormde de aanleiding voor dit project. Een programmatische aanpak (PA) kunnen we omschrijven als een combinatie van beleidsmatige planning en gebiedsgerichte aanpak inzake milieudrukken, met aandacht voor zowel bron- als herstelmaatregelen. Het ambieert een pakket van op elkaar afgestemde maatregelen met als doel het loutere gebiedsniveau te overstijgen (voor een meer formele definitie van een PA, zie hoofdstuk 2). Door alleen lokaal en/of projectgewijs te werk te gaan, loopt het milieubeleid het risico te weinig efficiënt en effectief te zijn. Tegelijk worden beleidsdoelen best concreet en geprioriteerd doorvertaald naar het concrete gebiedsniveau, met de relevante actoren, voor een efficiënt resultaat. Een meer overkoepelende aanpak van milieuknelpunten voor gewestelijke natuurdoelen, op programmaniveau, kan ertoe bijdragen dat de som van de delen groter is dan het geheel. Zo’n aanpak kan ook meer garanties geven dat het beleid de wettelijke bepalingen op een uniforme en expliciete wijze uitvoert, met meerdere actoren en conform objectieve criteria. Op die manier worden lasten en baten geleidelijk meer evenwichtig en billijk gespreid. Hiertoe worden best maatschappelijke afspraken gemaakt. Een PA is niet eenvoudig uit te voeren en vergt een grote inzet. Uit de ervaring met de PAS blijkt dat een goed inzicht nodig is in de effectenketen (Driver-Pressure-State-ImpactResponse-schema) ondersteund door voorspellingsmodellen om de gecombineerde impact van maatschappelijke activiteiten, natuurontwikkelingsmaatregelen en eventuele mitigerende maatregelen goed in te schatten. Als deze en eventueel nog andere randvoorwaarden onvoldoende vervuld zijn voor een bepaalde milieudruk, heeft een PA weinig kans om te slagen, tenzij we binnen afzienbare tijd het nodige instrumentarium kunnen ontwikkelen. Om de slaagkans voor een PA voor een bepaalde milieudruk te beoordelen, ontwikkelen we een afwegingskader.
1.2
DOELSTELLING
Het in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos uitgevoerde enveloppeproject heeft als primair doel een afwegingskader te ontwikkelen als basis voor een advies aan de minister i.v.m. een eventuele programmatische aanpak (PA) voor andere milieudrukken dan de stikstofdepositie via de lucht (andere bronnen van stikstofbelasting zijn geen onderdeel van de huidige PA). Aansluitend wordt een voorstel beoogd van selectie en prioritering van milieudrukken die in aanmerking komen voor een PA, wat een toepassing is van het afwegingskader.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 9 van 77
1.3
1.4
OPZET De eerste stap is de succesfactoren en randvoorwaarden van een PA te onderkennen als basis voor een reeks criteria. Aan de hand van deze criteria analyseren we per milieudruk hoe zinvol en haalbaar een PA is. De criteria worden gecombineerd in een ordinale score per milieudruk. Dit levert een rangschikking op van milieudrukken, dat het afwegingskader is voor de prioritering van milieudrukken. Op basis van het afwegingskader volgt een prioriteringsvoorstel (i.e. selectie) van milieudrukken voor een PA.
LEESWIJZER
Hoofdstuk 2 behandelt de beleids- en juridische context van programmatische aanpakken. De methodiek van de rangschikking van milieudrukken komt aan bod in hoofdstuk 3. De rangschikking van milieudrukken vormt het afwegingskader voor de prioritering voor een PA, en komt aan bod in hoofdstuk 4 (paragraaf 4.1). Een gemotiveerd voorstel van prioritering (i.e. selectie) van milieudrukken voor een PA wordt besproken in paragraaf 4.2.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 10 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
2 BELEIDS- EN JURIDISCHE CONTEXT VAN EEN PROGRAMMATISCHE AANPAK 2.1
INLEIDING
Om PA nader te definiëren, overlopen we twee bronnen: enerzijds de wettelijke verankering in het Natuurdecreet (een juridisch document), en anderzijds het Vlaamse Natura 2000 programma (een beleidsdocument, bekrachtigd door de Vlaamse Regering) waarin actie 26 (“onderzoek naar noodzaak van programmatisch aanpakken relevante milieudrukken”) vermeld staat.
Art. 50ter van het Natuurdecreet gaat over de verplichting om een Natura-2000 programma op te stellen. Art. 50ter §4 gaat in op PA als instrument om de milieudrukken te verminderen en geeft een operationele definitie door de onderdelen van een PA op te sommen.
Het Natura 2000 programma (Agentschap voor Natuur en Bos 2017 en beslissing van de Vlaamse Regering, ministerraad van 14/07/2017, VR 2017 1407 DOC.0775) is een beleidsdocument waarin staat wat de Vlaamse Regering hoopt te bereiken met een PA: het realiseren van de Europese natuurdoelstellingen in evenwicht met een economische realiteit. Vanuit deze visie is PA een instrument om de lasten om de milieudruk te verlagen in balans met economische randvoorwaarden.
Uitgaande van deze twee ankers werken we hier in het eerste deel een toetsingskader uit om na te gaan of een PA noodzakelijk én zinvol is voor een bepaalde milieudruk. In het tweede deel van het rapport passen we de theorie toe op de voornaamste milieudrukken (zoals geselecteerd in deel I).
2.2
JURIDISCHE VERANKERING IN HET NATUURDECREET
We citeren eerst paragraaf §4 van het artikel 50ter in het Natuurdecreet waar een PA omschreven wordt. Vervolgens diepen we een aantal elementen verder uit. Art. 50ter. Voor het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgesteld. §4. Ter uitvoering van het Vlaams Natura 2000-programma zal een programmatische aanpak worden ontwikkeld ter vermindering van een of meer milieudrukken, afkomstig van in Vlaanderen aanwezige bronnen, met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en het voorkomen van de verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden. Deze programmatische aanpak omvat ten minste: 1° een gebiedsgerichte analyse van de betreffende milieudruk. Deze houdt minstens in: een analyse van de omvang van de milieudruk, de activiteiten die bijdragen, de verwachte ontwikkeling en de socioeconomische context; 2° een plan van aanpak, gebaseerd op de in punt 1° vermelde analyse, met betrekking tot het ontwikkelen van: ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 11 van 77
a) een brongericht beleid dat zich richt op het reduceren van de milieudruk tot het niveau noodzakelijk voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden; b) een herstelbeleid om een verslechtering te voorkomen van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden ten gevolge van de milieudruk. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontwikkelen van een programmatische aanpak zoals vermeld in het eerste lid. §4 van Art. 50ter bepaalt dat voor een of meerdere milieudrukken een PA kan opgesteld worden. Een PA is bijgevolg een facultatief instrument van een (verplicht op te stellen) Vlaams Natura 2000 programma. Impliciet wordt hier wel verondersteld dat het beleid de mogelijkheid onderzoekt om het instrument effectief in te zetten voor een aantal milieudrukken. Volgens §4 bestaat een PA minstens uit (i) een gebiedsgerichte analyse van de milieudruk en (ii) een plan van aanpak geënt op de gebiedsgerichte analyse.
Ad (i) Een gebiedsgerichte analyse moet een beeld geven van (a) de omvang van de milieudruk, (b) de activiteiten die de milieudruk veroorzaken, (c) de verwachte evolutie van de activiteiten en (d) de socio-economische context waarin deze activiteiten plaatsvinden.
Ad (ii) Het plan van aanpak bestaat uit drie delen: (a) een brongericht beleid, (b) een herstelbeleid en (c) een monitoring om zowel de maatregelen als de resultaten op te volgen.
Centraal in een PA is het streven naar een optimale combinatie van een brongerichte aanpak en een herstelbeleid. Onder een brongerichte aanpak horen een generiek vergunningenbeleid en fiscale en andere economische instrumenten om de milieubelasting van de activiteiten te verminderen. Een fundamentele oplossing is de ontwikkeling van knowhow te stimuleren zodat bepaalde activiteiten duurzamer worden. Een andere oplossing is de herlocatie van bedrijven naar zones waar de impact geringer is. Brongerichte maatregelen kunnen zowel globaal als lokaal (gebiedsgericht) uitgewerkt worden. Herstel is eerder lokaal (gebiedsgericht) en omvat curatieve, mitigerende en adaptieve maatregelen. Noot: Het wetsartikel beperkt de milieudrukken uitdrukkelijk tot deze van Vlaamse origine. Maar haast elke milieudruk wordt mede bepaald door activiteiten in het buitenland en, omgekeerd, is er export naar het buitenland. Bij het uittekenen van een PA maken we hier best geen abstractie van.
2.3
HET VLAAMS NATURA 2000-PROGRAMMA
Actie 26 is een onderdeel van Vlaams Natura 2000-programma. Eerst citeren we uit de bijhorende website (https://www.natura2000.vlaanderen.be/het-vlaams-natura-2000programma). De tekst (in cursief) geeft een samenvatting van de voornaamste onderdelen. Zoals in de voorgaande rubriek (Natuurdecreet) diepen we enkele elementen verder uit.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 12 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Operationele doelstelling 3.1. Het verder realiseren van de stand still voor alle Europees te beschermen habitats en soorten en Operationele doelstelling 3.3. Duidelijkheid geven over de lange termijn aanpak van de verschillende milieudrukken. Actie 26
Onderzoek naar noodzaak van programmatisch aanpakken relevante milieudrukken
Omschrijving
Er wordt een definitieve programmatisch aanpak uitgewerkt voor stikstofdeposities. Naast stikstofdeposities zijn er echter nog verschillende andere milieudrukken die een impact hebb en op realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Er wordt tegen 2019 onderzoek en overleg gevoerd over de noodzaak van de opstart van een programmatische aanpak voor andere milieudrukken dan stikstofdepositie.
Actoren
Trekkers: VMM, INBO, ANB. Indicatieve actoren: Departement LNE, Departement L&V, VLM, VITO, ILVO.
Het Vlaams Natura 2000-programma Het Vlaams Natura 2000-programma omkadert alle beleidsmatige inspanningen en gebiedsgerichte acties die Vlaanderen moet uitvoeren voor een stapsgewijze realisatie van de Europese natuurdoelen Het Vlaams Natura 2000-programma kent een cyclus van (maximaal) zes jaar. Het eerste programma heeft als planperiode 2017 tot 2020 en beschrijft doelstellingen, taakstellingen en uit te voeren acties voor deze periode. Het Vlaams Natura 2000programma biedt een overzicht van hoe Vlaanderen resultaatgericht met partners en sectoren samenwerkt om de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in te vullen. Voorbeelden hiervan zijn het verder verbeteren van het instrumentarium en de wetgeving, het opmaken van overeenkomsten, het opstellen van natuurbeheerplannen, managementplannen Natura 2000 en soortenbeschermingsprogramma’s, de bescherming en verbetering van het natuurlijk milieu en de opvolging van de realisatie via monitoring. Drie strategische doelstellingen De beleidsdoelen in het Vlaams Natura 2000-programma zijn uitgewerkt tot drie strategische doelstellingen (SD), vijftien operationele doelstellingen (OD) en vertaald in 36 acties. ●
●
●
SD 1. Het gradueel realiseren van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen, met twee luiken: ○ Luik 1. Het vervolledigen van het kader voor het bereiken en behouden van een gunstige regionale staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten in Vlaanderen. ○ Luik 2. Gebiedsgerichte, actieve en graduele implementatie van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen SD 2. Het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijke milieu van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten. SD 3. Het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden.
De operationele doelstellingen met als prefix OD1 en OD2 zijn gekoppeld met respectievelijk luik 1 en 2 van SD1. Omdat SD2 en SD3 nauw samenhangen, worden ze samengenomen voor
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 13 van 77
de operationele doelstellingen met prefix OD3. Actie 26 - nagaan voor welke andere drukken een PA noodzakelijk is - past hierin. Meer specifiek zijn volgende twee OD aan actie 26 gekoppeld: ●
●
2.4
OD 3.1. Het verder realiseren van de stand still voor alle Europees te beschermen habitats en soorten, conform de natuurregelgeving ○ Met stand still wordt de stand still conform de natuurregelgeving bedoeld. De stand still van de kwantiteit en kwaliteit van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van de Europees te beschermen soorten is al langer van toepassing. Vandaar dat de doelstelling geformuleerd is als “ het verder realiseren van”. ○ In uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn heeft de Vlaamse Regering op 23 april 2014 een reeks speciale beschermingszones (SBZ’s) definitief aangewezen, en er de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) en prioriteiten voor vastgesteld. OD 3.3 Duidelijkheid geven over de langetermijnaanpak van de verschillende milieudrukken. ○ De actuele milieudrukken bemoeilijken in belangrijke mate het bereiken van de gunstige staat van instandhouding voor een aantal Europees te beschermen habitats en soorten. ○ Voor een of meerdere milieudrukken zullen daarom PA’s ontwikkeld worden. De PA wordt afgestemd op de instandhoudingsdoelstellingen en beloopt diverse programmaperiodes. De eerste programmaperiode loopt tot en met 2031 en is verdeeld in twee planperiodes met name: 2020 – 2025 en 2026 – 2031. ○ De eerste milieudruk met een PA is stikstofdepositie. ○ De noodzaak en aanpak voor een PA voor andere drukken dan stikstofdepositie wordt onderzocht (actie 26).
DE PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOFDEPOSITIE (PAS)
De programmatische aanpak stikstofdepositie (PAS) heeft als doel een beleid te ontwikkelen om de stikstofdepositie via de lucht op SBZ-niveau terug te dringen, waarbij (nieuwe) economische ontwikkelingen mogelijk blijven terwijl de stikstofdepositie op de SBZ toch stelselmatig daalt. Op die wijze wenst Vlaanderen het realiseren van de Europese natuurdoelstellingen in evenwicht te brengen met een economische realiteit. ●
●
Per speciale beschermingszone werd een inschatting gemaakt van het effect van de bronnen die bijdragen tot de stikstofdeposities en het verschil tot de Kritische Depositiewaarde (KDW). Daaruit blijkt dat de afstand tot de KDW erg divers maar meestal zeer groot is. Aangezien de bijdrage van de sectoren sterk verschilt van SBZ tot SBZ, is het niet mogelijk de KDW te bereiken door een beleid te voeren gericht op één sector. Daarom zet het beleid in op een versnelde en duurzame reductie van stikstofemissies zonder de KDW als een op zich staand doel voorop te stellen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 14 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Samengevat kunnen we stellen dat de gewestelijke prioriteit op dit moment ligt bij de uitrol van het beleid inzake de impact van stikstofdeposities. Als onderdeel van actie 26 zullen we ook voor andere stikstofdrukken dan depositie en voor andere milieudrukken de wenselijkheid van een PA onderzoeken. Daarnaast is er in de PAS ook een duidelijke koppeling met de SBZ, terwijl de Europese wetgeving ook over de habitats en soorten gaat buiten SBZ. De G-IHD kunnen we niet realiseren met enkel de SBZ.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 15 van 77
3 METHODIEK VOOR HET AFWEGINGSKADER Dit hoofdstuk geeft eerst de lijst van de milieudrukken waarvoor de relevantie en noodzaak van een PA zal worden ingeschat. We bekijken vervolgens de succesfactoren en randvoorwaarden van een PA. Deze dienen als basis om een reeks criteria (richtvragen) te formuleren die ons in staat stellen om te bepalen of een PA zinvol is voor de voornaamste milieudrukken. Vervolgens wordt uitgelegd hoe de criteria werden gescoord en hoe dit naar een rangschikking van milieudrukken is vertaald. Deze rangschikking is het afwegingskader om milieudrukken te kunnen prioriteren voor een PA.
3.1
DE ONDERSCHEIDEN MILIEUDRUKKEN
Onderstaande tabel geeft de indeling van de gebruikte milieudrukken zoals vormgegeven in het kader van de Meetnetten Natuurlijk Milieu (Vanderhaeghe et al. 2017). Deze lijst is maximaal afgestemd op de effect(sub)groepen van het vergunningenbeleid en verder uitgebreid om de milieuproblematieken die Vlaamse habitattypen ondervinden vollediger af te dekken. De uitbreiding is gebeurd:
omwille van vertaalbaarheid naar standplaatsfactoren: een milieudruk moet voldoende nauw zijn afgebakend opdat de erdoor beïnvloede standplaatsfactoren voldoende eenduidig kunnen worden bepaald en opdat standplaatsfactoren vlot met milieudrukken kunnen worden geassocieerd. Om dezelfde reden, en om redenen van consistentie, wensten we voor alle milieudrukken bovendien een consequente opgave van de richting van de druk (bv. niet ‘wijziging van de grondwaterstand’ maar ‘verdroging via het grondwater’ of ‘vernatting via het grondwater’). omwille van het vollediger afdekken van alle milieuproblematieken die Europees beschermde habitattypes of regionaal belangrijke biotopen in Vlaanderen ondervinden. Immers zijn niet alle milieudrukken van lokale oorsprong en toewijsbaar aan een initiatiefnemer, wat wel de context is van het vergunningenbeleid. In het bijzonder is de milieudrukklasse ‘klimaatverandering’ toegevoegd, met drie milieudrukken. Hiermee worden invloeden van klimaatverandering vertegenwoordigd die plaatsvinden bovenop de invloed van meer direct op gebiedsniveau ontstane milieudrukken, zoals peilwijzigingen. Dit onderscheid is gemaakt, ook al heeft klimaatverandering via onder meer diezelfde milieudrukken invloed op habitats: ze vinden plaats op een andere tijdsschaal en gesuperponeerd bovenop de lokaler ontstane milieudrukken. Behalve via de overige onderscheiden milieudrukken heeft klimaatverandering ook invloed door de toegenomen frequentie van brand en stormschade, en door de aspecten die gepaard gaan met zeespiegelstijging (bij kusten estuariene types).
Een toelichting bij de interpretatie van de milieudrukken is terug te vinden in bijlage A. De milieudrukken eutrofiëring via de lucht en via het grond- en oppervlaktewater werden telkens nog opgesplitst volgens de belangrijkste nutriënten, te weten stikstof (N) en fosfor (P). Dit werd gedaan om verwachte verschillen in scores op de richtvragen (zie verder) op te vangen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 16 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Tabel 1: De onderscheiden milieudrukken. Milieudrukklasse 1 Ruimtebeslag
3 Eutrofiëring
4 Verzuring
5 Wijziging van de grondwaterstand (en daaraan gekoppeld oppervlaktewaterpeil) 6 Wijziging hydrologie via oppervlaktewater
7 Verzoeting en verzilting
8 Verontreiniging
9 Verstoring
100 Klimaatverandering
Milieudruk 11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting/compactie, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, ...) 12 Toename bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 14 Verlies van aquatische connectiviteit 15 Verlies van terrestrische connectiviteit 3.1 Eutrofiëring via de lucht 3.2 Eutrofiëring via de bodem 3.3 Eutrofiëring via het grondwater 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling) 4.1 Verzuring via de lucht 4.2 Verzuring via het grondwater 4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 5.1 Verdroging via het grondwater 5.2 Vernatting via het grondwater
Code Druk11
61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 65 Toename golfslagwerking 66 Afname golfslagwerking 7.1 Verzoeting via het grondwater 7.2 Verzoeting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 7.3 Verzilting via het grondwater 7.4 Verzilting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 8.1 Verontreiniging via de lucht 8.2 Verontreiniging via de bodem 8.3 Verontreiniging via het grondwater 8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater 9.1 Geluid en trillingen 9.2 Licht en straling 9.3 Beweging en andere visuele verstoring 101 Klimaatverandering in droge perioden 102 Klimaatverandering in natte perioden 103 Klimaatverandering: zeespiegelstijging
Druk61
Druk12 Druk13 Druk14 Druk15 Druk3.1 Druk3.2 Druk3.3 Druk3.4 Druk4.1 Druk4.2 Druk4.3 Druk5.1 Druk5.2
Druk62 Druk63 Druk64 Druk65 Druk66 Druk7.1 Druk7.2 Druk7.3 Druk7.4 Druk8.1 Druk8.2 Druk8.3 Druk8.4 Druk8.5 Druk9.1 Druk9.2 Druk9.3 Druk101 Druk102 Druk103
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 17 van 77
3.2 3.2.1
DE KRITIEKE SUCCESFACTOREN EN RANDVOORWAARDEN VOOR EEN PROGRAMMATISCHE AANPAK DPSIR als analytisch kader
Zoals reeds hoger gesteld, bestaat een PA uit een gebiedsgerichte analyse van de milieudruk en hierop geënt een plan van aanpak. ●
●
Een gebiedsgerichte analyse schat de omvang van de milieudruk in en inventariseert de activiteiten die de milieudruk veroorzaken, gaat na hoe deze activiteiten in de toekomst zullen evolueren en situeert ze in een socio-economische context. Een plan van aanpak zoekt naar een optimale combinatie van een brongericht beleid en een herstelbeleid en omvat een monitoring om de maatregelen en de resultaten op te volgen.
De vereisten voor een PA projecteren we op de milieuverstoringsketen DPSI(R): D = driving forces = maatschappelijke activiteiten, P = pressure = (milieu)drukken, S = state = toestand (abiotiek van de habitatvlek), I = impact (biotiek). ●
●
Voor een gebiedsgerichte analyse moeten we zicht hebben op de onderliggende activiteiten van de milieudruk en de effecten ervan kunnen inschatten (de oorzaakgevolg keten D → P → S → I en “dosis-effect” relaties, de “pijltjes” tussen D, P, S en I). Voor het plan van aanpak is knowhow noodzakelijk i.v.m. de mogelijke maatregelen (R) en de impact ervan op verschillende schaalniveaus: R → D, R → P, R → S en R → I.
We moeten hiervoor instrumenten (meetnetten, kaarten, modellen) ter beschikking hebben om de omvang van de milieudruk effectief in te schatten uitgaande van de activiteiten en projecties te maken van het effect van de maatregelen. We kunnen deze randvoorwaarden en succesfactoren vertalen naar een reeks criteria aan de hand waarvan de noodzaak, zinvolheid en haalbaarheid van een PA zullen worden beoordeeld. Hiervoor worden deze criteria geformuleerd in de vorm van richtvragen die voor elke milieudruk systematisch zullen worden beantwoord.
3.2.2
De hoofdrubrieken
Om het overzicht te behouden, hebben we de richtvragen gegroepeerd in vier rubrieken. ●
●
●
●
A: de actuele toestand van de milieudruk (en eventuele prognoses): Hoe belangrijk is de milieudruk? Wat zijn de bronnen? Hoe reversibel? Welke actoren, sectoren, bronnen? Hebben we prognoses ter beschikking? B: het huidige beleid t.a.v. de milieudruk (en welke evoluties kunnen we hier verwachten): Waar staan we met het beleid? Zijn er initiatieven waar we verder op kunnen bouwen? Is er een afgesproken significantiekader? Kunnen we eventueel de activiteit zelf terugschroeven? M: de maatregelen om de milieudruk te verminderen en/of de gevolgen ervan te milderen: Zijn er effectieve maatregelen? Wat is de best beschikbare kennis hieromtrent? In hoeverre is een brongerichte aanpak mogelijk? T: de tools (instrumenten, modellen, inventarisaties, inzichten, kennis) noodzakelijk om een PA te onderbouwen en te schragen: Kunnen we de effecten van het beleid en
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 18 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
maatregelen (a priori) doorrekenen? In hoeverre zijn grenswaarden wetenschappelijk onderbouwd? Met deze richtvragen nemen we enerzijds de noodzakelijkheid van maatregelen ten aanzien van een milieudruk in ogenschouw, en anderzijds en onafhankelijk daarvan beschouwen we de haalbaarheid van het nemen van die maatregelen.De selectie van de richtvragen Eerst beschrijven we de manier waarmee we de richtvragen selecteerden. Vervolgens geven we een synthese van de resultaten.
3.2.3
De methode
Bovenstaande rubrieken waren het uitgangspunt om richtvragen op te stellen en te ordenen. Deze oefening leidde in eerste instantie tot een twintigtal richtvragen, wat weinig hanteerbaar is. In een volgende stap hebben we daarom het eerste voorstel met richtvragen uitgetest op een selectie van een vijftal milieudrukken om een zo breed mogelijk spectrum aan situaties te dekken: ● ● ● ● ●
3.1 Eutrofiëring via de lucht: partim stikstof 3.2/3.3 Eutrofiëring via bodem en grondwater: partim fosfor 1.5 Verlies van terrestrische connectiviteit 6.1 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 6.6 Afname golfslagwerking
Voor elke milieudruk werden de verschillende richtvragen gescoord van 0 tot 3: ● ● ●
3: maximaal positief of maximaal gekend of maximaal 'argument pro PA' 0: het tegenovergestelde 1, 2: tussenniveaus
Voor elke richtvraag was er per milieudruk ook een beknopte argumentatie. De oefening met de individuele drukken maakte de discussie meer concreet om te beoordelen in hoeverre de richtvragen zinvol waren. Bij de uiteindelijke selectie van de te beantwoorden richtvragen werden twee criteria gehanteerd: ● ●
Is de richtvraag essentieel voor beslissing 'meenemen voor een PA'? Differentieert de richtvraag goed tussen de milieudrukken (J/N)?
Vooral het eerste criterium werd als relevant beschouwd. De gekozen richtvragen moesten invulling geven aan de wettelijke onderdelen die van een PA worden verwacht: een analyse van de omvang van de milieudruk (vragen van rubriek A - actuele toestand), de activiteiten die eraan bijdragen (rubrieken A - actuele toestand, M - maatregelen), de verwachte ontwikkeling (rubriek A - actuele toestand), de socio-economische context (rubrieken A - actuele toestand, M - maatregelen), alsook de mogelijkheid tot een brongericht beleid (rubrieken B - beleid, M maatregelen, T - tools). Binnen elke rubriek werd er gekeken in welke mate een richtvraag betrekking had op een min of meer belangrijke randvoorwaarde en/of succesfactor voor een PA. De beoordelingsschaal van het criterium “Is de richtvraag essentieel voor beslissing 'meenemen voor een PA'?“ loopt van 0 (laag) tot 3 (hoog): ●
0: onbelangrijk voor beslissing
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 19 van 77
● ●
3: belangrijk voor beslissing (is een belangrijke succesfactor of randvoorwaarde voor een PA) 1,2 : tussenniveaus
Alleen de richtvragen met een score 2 en 3 werden geselecteerd. Voor rubriek A (actuele toestand) werden vier richtvragen weerhouden (A1, A2a, A2b, A4); voor rubriek B (beleid) één vraag (B2b); voor rubriek M (maatregelen) ook één vraag (M1) en voor rubriek T (tools) twee vragen (T1 en T4). De hierna volgende paragrafen geven per rubriek een overzicht met de resultaten en een korte argumentatie.
3.2.4
[A] De actuele toestand en prognose i.v.m. toekomstige ontwikkelingen
Een eerste reeks richtvragen karakteriseert de milieudruk: Hoe belangrijk is de milieudruk? Wat zijn de bronnen? Hoe reversibel is de druk? Welke actoren, sectoren, bronnen? Hebben we prognoses ter beschikking? Dit zijn essentiële vragen om al dan niet tot een PA over te gaan. Slechts twee vragen weerhouden we niet: vraag A3 omdat het weinig uitmaakt of de effecten van een milieudruk omkeerbaar zijn; vraag A5 omdat de onbeschikbaarheid van prognoses geen doorslaggevend argument mag zijn. Als blijkt dat een PA noodzakelijk is, dan moeten middelen gevonden worden om prognoses te maken. Tabel [A] De actuele toestand Nummer
Richtvraag
A1
Hoe hoog is de actuele problematiek (actuele impact) voor de habitatvlekken in Vlaanderen als gevolg van de milieudruk?
3-J
A2a
Ruimtelijke schaal. Wat is de actieradius van de milieudruk (beschouwd vanaf één bron)?
2-J
A2b
Ruimtelijke schaal. Hoe groot is de geografische spreiding van het actuele probleem? (Vlaanderen / ecoregio of SBZ gebied / zeer lokaal)
2-J
A3
Gaat het om een actuele of een historische milieudruk, die we nog moeten wegwerken? Zijn de effecten van de milieudruk in principe (theoretisch gezien) nog omkeerbaar? Naarmate dit minder het geval is, kan de betekenis van een historische milieudruk groter zijn.
0-J
A4
Hoe groot is de complexiteit van de milieudruk in Vlaanderen? Dit is combinatie van: - Zijn er weinig, middelmatig of veel verschillende activiteiten/sectoren betrokken (en welke)? - Is het aantal bronnen in Vlaanderen klein, middelmatig of groot?
3-J
A5
Zijn er prognoses voor de milieudruk (2020-2050) beschikbaar op de relevante schaalniveaus?
0-J
3.2.5
Score
[B] Het huidige beleid t.a.v. de milieudruk (en welke evoluties we hier kunnen verwachten)
Waar staan we met het beleid? Zijn er initiatieven waar we verder op kunnen bouwen? Is er een afgesproken significantiekader? Kunnen we eventueel de activiteit zelf terugschroeven? ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 20 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Bijna geen enkele vraag weerhouden we hier. Het huidige beleid kan slechts een beperkt criterium zijn om al dan niet tot een PA te besluiten. De meest relevante (en heel discriminerende) richtvraag is of het huidig instrumentarium voldoende is om de problematiek aan te pakken. Tabel [B] Het huidige beleid t.a.v. de milieudruk (en welke evoluties we hier kunnen verwachten) Nummer
Richtvraag
Score
B1
Wat is de huidige houding / het natuurbeleid t.a.v. de milieudruk?
0-N
B2a
Zijn er bijkomende maatregelen aan de orde (generiek / gebiedsgericht) ?
0-N
B2b
Beschikken we actueel over voldoende en adequate beleidsinstrumenten om de problematiek op te lossen en zijn ze voldoende op elkaar afgestemd? Score 0: meest 'ja' Score 3: meest 'nee'
3-J
B3
Welk aandeel activiteiten is vergunningsplichtig? In welke context?
0-N
B4
Zijn er (wettelijk vastgelegde en/of afgesproken) beoordelingskaders voor natuur (normering gunstige staat van vegetatietypen voor de milieudruk)?
0-N
B5
Zijn er (wettelijk vastgelegde en/of afgesproken) significantiekaders (wat zijn gevolgen voor vergunningen bij een bepaalde overschrijding, moratorium, deels wel mogelijk, ...)?
0-J
B6
Zijn er sectorale taakstellingen (afbouw, target, …)?
0-J
B7
Is er flankerend beleid voor ‘getroffen’ sectoren?
0-J
3.2.6
[M] De maatregelen om de milieudruk te verminderen en/of de gevolgen ervan te milderen
De cruciale vraag voor een PA is of er brongerichte maatregelen mogelijk zijn en hoeverre deze maatregelen een kosteneffectieve impact hebben. In het vervolg van deze oefening houden we geen rekening met mogelijke herstelmaatregelen omdat de effectiviteit en de inzetbaarheid of toepassing van herstelmaatregelen voor de verbetering van de kwaliteit van door milieudrukken negatief beïnvloede Natura 2000-habitattypen vaak heel moeilijk te beoordelen zijn. Dit neemt niet weg dat herstelmaatregelen en adaptatiestrategieën voor sommige milieudrukken (zoals klimaatverandering) zeker een rol kunnen spelen om de instandhouding van de habitats op lange termijn te garanderen. De mogelijkheden tot herstel en de vereiste inspanning hiervoor vormen in deze oefening echter geen criterium om te beslissen of een milieudruk al dan niet via een PA aangepakt dient te worden; wel de impact van de milieudruk en de mogelijkheid tot brongerichte aanpak (mitigatie). Tabel [M] De maatregelen Nummer
Richtvraag
Score
M1
Zijn er brongerichte maatregelen mogelijk en hebben we inzicht in de mogelijke impact ervan op de verlaging van de milieudruk?
3-N
M2
Zijn er adequate herstelmaatregelen mogelijk (betaalbaar, technisch haalbaar, maatschappelijk aanvaardbaar, en over welke tijdspanne spreken we)?
0-J
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 21 van 77
3.2.7
[T] De noodzakelijke tools (instrumenten, modellen, gegevens, inzichten, kennis)
De noodzakelijke instrumenten kunnen we altijd ontwikkelen indien noodzakelijk. Toch is een minimaal inzicht nodig en actuele gegevens die de actuele staat in kaart brengen (richtvraag T1). Ook de kennis van grenswaarden [richtvraag T4] lijkt een essentiële voorwaarde. We scoorden T2 niet, want komt al aan bod in A5 (en werd daar als irrelevant beschouwd). Tabel [T] De tools Nummer
Richtvraag
T1
Zijn er data / meetnetten / kaarten / modellen van de actuele staat van de milieudruk? En op welk schaalniveau?
2-J
T2
Zijn er prognosemodellen (2020-2050) beschikbaar voor de evolutie van de milieudruk op de relevante schaalniveaus?
XXX
T3
Kunnen we de effecten van activiteiten en eventuele mitigerende maatregelen (brongericht of herstelmaatregelen) lokaal doorrekenen?
0-J
T4
Zijn er grenswaarden voor de milieudruk (kritische depositiewaarden) zonder negatieve impact op de natuur gekend?
2-J
T5
Kunnen we de sectorale bijdrage aan de milieudruk inschatten? Hebben we hiervoor de basisgegevens en de modellen?
0-J
T6
Kennis aanwezig i.v.m. synergie tussen verschillende milieudrukken?
0-N
3.3
Score
DE DEFINITIEVE TABEL
Definitieve tabel met richtvragen Nummer
Richtvraag
Score
A1
Hoe hoog is de actuele problematiek (actuele impact) voor de habitatvlekken in Vlaanderen als gevolg van de milieudruk?
3-J
A2a
Ruimtelijke schaal. Wat is de actieradius van de milieudruk (beschouwd vanaf één bron)?
2-J
A2b
Ruimtelijke schaal. Hoe groot is de geografische spreiding van het actuele probleem? (Vlaanderen / ecoregio of SBZ gebied / zeer lokaal)
2-J
A4
Hoe groot is de complexiteit van de milieudruk in Vlaanderen? Dit is een combinatie van: - Zijn er weinig, middelmatig of veel verschillende activiteiten/sectoren betrokken (en welke)? - Is het aantal bronnen in Vlaanderen klein, middelmatig of groot?
3-J
B2b
Beschikken we actueel over voldoende en adequate beleidsinstrumenten om de problematiek op te lossen en zijn ze voldoende op elkaar afgestemd? Score 0: meest 'ja' Score 3: meest 'nee'
3-J
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 22 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Nummer
Richtvraag
Score
M1
Zijn er brongerichte maatregelen mogelijk en hebben we inzicht in de mogelijke impact ervan op de verlaging van de milieudruk?
3-N
T1
Zijn er data / meetnetten / kaarten / modellen van de actuele staat van de milieudruk? En op welk schaalniveau?
2-J
T4
Zijn er grenswaarden voor de milieudruk (kritische depositiewaarden) zonder negatieve impact op de natuur gekend?
2-J
3.4
HET PROCES VAN HET SCOREN
De kerngedachte: een groep van 11 INBO-experten kwam bijeen in conclaaf om samen de milieudrukken in onderling overleg te scoren. Bij de selectie van experten werd gestreefd naar complementariteit i.f.v. hun kennis over milieudrukken en inzichten in de causale keten van milieudrukken op de Vlaamse natuur.
De concrete aanpak was als volgt: ●
De groep van 11 INBO-experten kreeg op maandag 11 februari 2019 een 2,5 uur durende opleiding over de methodiek zodat iedereen goed wist wat van hem of haar verwacht werd. Om de consistentie van de antwoorden over de verschillende milieudrukken zo goed mogelijk te garanderen, werden ook een aantal milieudrukken (3.4 eutrofiëring via het oppervlaktewater partim stikstof; 102 klimaatverandering in natte perioden) gezamenlijk gescoord voor al de verschillende vragen.
●
Elke expert kreeg een specifiek aantal milieudrukken toegewezen om te scoren, zoveel mogelijk afgestemd op zijn of haar expertise. Voor elke milieudruk werd een beoordeling gevraagd aan minstens 3 verschillende experten. Naast de numerieke score werd ook gevraagd om een bondige argumentatie van de score te geven. Voor het uitvoeren van deze taak werden 12 werkdagen voorzien. Alle scores werden in een gedeeld bestand aangevuld, met voor elke expert een afzonderlijk rekenblad. Dit bestand bevatte ook de nodige achtergrondinformatie als toelichting bij de drukken en de vragen.
●
Op de plenaire bijeenkomst op 28 februari werden alle scores samengelegd en besproken, en werd in consensus één enkele score gegeven per vraag en milieudruk. Scores waarover de experten het unaniem eens waren, werden niet verder besproken. Voorafgaand aan het overleg werd een gebundeld overzicht gemaakt van de input van alle experten zodat de bespreking vlot kon verlopen. Simultaan werd ook een inschatting van de betrouwbaarheid van de uiteindelijke score bijgehouden (zie verder).De kerngroep zorgde nadien voor de bundeling van de argumentaties bij elke score, op basis van de individuele argumentaties en de discussie op de plenaire bijeenkomst.
●
Op vraag A1 "Hoe hoog is de actuele problematiek voor de habitatvlekken in Vlaanderen als gevolg van de milieudruk?" werd een score gegeven op basis van een bevraging die in 2016 bij 27 habitatexperten binnen INBO werd georganiseerd (INBO
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 23 van 77
2018). De werkwijze om deze score op basis van de resultaten van de bevraging te bekomen wordt in bijlage B beschreven. Sinds de bevraging van 2016 is echter nog toegevoegde informatie beschikbaar gekomen, wat tot kleine aanpassingen voor 4 habitattypen bij milieudruk 3.1 (eutrofiëring via de lucht) zou kunnen leiden. Deze (beperkte) wijzigingen zijn niet meegenomen in deze oefening, maar door het hoge abstractieniveau waarop we naar vraag A1 kijken (zie 3.5), heeft dit geen gevolg voor de uiteindelijke score voor de milieudruk.
3.5 ●
●
3.6
SCHAAL VAN DE SCORES de scores (per milieudruk x vraag) gaan van 0 tot 3. Score 3 bij een vraag betekent dat de milieudruk in kwestie volgens dit criterium alleszins in aanmerking zou komen voor een programmatische aanpak. Score 0 betekent het tegenovergestelde en scores 1 en 2 zijn tussenliggende niveaus; de betrouwbaarheden (per milieudruk x vraag) gaan eveneens van 0 tot 3. In de praktijk is er geen waarde ‘0’ gegeven. Waarde 3 bij een vraag betekent dat de experten voor de milieudruk in kwestie een voldoende grote kennis hebben om de score en de uitleg bij het criterium als ‘betrouwbaar’ te kunnen beschouwen. Waarde 0 betekent het tegenovergestelde en waarden 1 en 2 zijn tussenliggende niveaus.
VERTALING VAN DE SCORES NAAR EEN RANGSCHIKKING VAN MILIEUDRUKKEN
De R code om de dataverwerking te reproduceren is beschikbaar via https://github.com/inbo/n2khab-pa.
3.6.1
Verkenning van de antwoorden op de vragen
De antwoorden bestaan uit een score, een betrouwbaarheidswaarde en een beknopte tekstuele uitleg. De antwoorden zijn ingelezen en verwerkt in de software-omgeving R (zie Bijlage E). Hiervan zijn de volgende verkenningen gebeurd: ●
●
●
nagaan van de spreiding van de scores per vraag, over alle milieudrukken. Op die manier gebeurt een algemene kwaliteitcontrole van de resultaten en wordt een eerste indruk bekomen van hoe zeer de vragen verschillende milieudrukken onderscheiden; nagaan van de spreiding van de betrouwbaarheid van het antwoord per vraag, over alle milieudrukken. Op deze manier is het mogelijk om te controleren in welke mate kennishiaten optreden. In verschillende gevallen zijn deze hiaten pertinent. In andere gevallen zijn mogelijks nog beperkte verbeteringen mogelijk door verder op zoek te gaan naar bestaande kennis in Vlaanderen; nagaan van de ordinale correlatie tussen de vragen, op basis van de Kendall correlatiecoëfficiënt. Dit dient om na te gaan hoeveel onderlinge redundantie optreedt tussen de vragen in hun onderscheiding tussen milieudrukken. Gedeeltelijke redundantie tussen twee vragen in hun discriminerend vermogen betekent echter niet automatisch dat de relevantie van elk van deze vragen voor de rangschikking kleiner is. Zulke vragen kunnen nog steeds, omwille van hun inhoudelijke betekenis, elk evenveel
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 24 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
– of volgens een gekozen sleutel – meewegen op de rangschikking. Een tabulaire oplijsting van alle antwoorden per milieudruk is te vinden in Bijlage D.
3.6.2
Rangschikking van milieudrukken
Er zijn verschillende manieren om de milieudrukken te rangschikken op basis van de scores: ●
●
de meest zinvolle lijkt een beleidsrelevante, bewuste keuze van welke vragen meer zouden moeten meespelen dan andere, uitgedrukt als (relatieve) gewichten, zodat op basis daarvan een gewogen eindscore kan worden berekend per milieudruk. We beschouwen daarom twee scenario’s om een goede bespreking op te kunnen baseren: ○ één scenario (scenario 1) dat de nadruk legt op de noodzaak aan een programmatische aanpak, bekeken vanuit de huidige problemen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken (milieu: vraagA1; beleidsinstrumenten: vraag B2b) – hoe hoger deze problematiek, hoe meer noodzakelijk; ○ één scenario (scenario 2) dat de nadruk legt op de relatieve eenvoud om een programmatische aanpak te kunnen implementeren, vooral gericht op de mogelijkheid van brongerichte maatregelen (vraag M1) en op de beschikbaarheid aan basisinformatie (vragen T1 en T4). een basisalternatief (bv. ter referentie) is om elke vraag evenveel te wegen in de berekening van een zgn. ongewogen eindscore.
De eindscore per milieudruk wordt in alle gevallen berekend als de ‘gemiddelde’ score voor de acht vragen: hetzij een ongewogen gemiddelde, hetzij een gewogen gemiddelde. Om gemakkelijke vergelijking toe te laten, zijn deze eindscores tevens omgezet naar een rangnummer. In tabel 2 wordt aangegeven welke gewichten voor elk scenario zijn gebruikt voor de berekening van de eindscore. Tabel 2: Gekozen gewichten per vraag. De waarden zijn relatief te beschouwen.
Vraag
Ongewogen
Scenario 1
Scenario 2
A1_problematiek
1
10
2
A2a_actieradius
1
2
2
A2b_geogr_spreiding
1
5
2
A4_complexiteit
1
4
5
B2b_tekort_beleidsinstrum
1
7
5
M1_bronger_maatreg
1
5
10
T1_informatie
1
5
10
T4_grenswaarden
1
2
7
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 25 van 77
In de tabel zijn de vragen benoemd met het label, zoals dit terugkeert in verschillende resultaten. De volledige tekst van de vragen is te vinden onder punt 3.3. Daarnaast is het ook mogelijk om een automatische criteriaweging te laten gebeuren op basis van de correlatie tussen vragen, dus op basis van de variatie tussen de milieudrukken. Hiertoe is een principale componentenanalyse (PCA) uitgevoerd. Een ordinatie-as (principale component) vat de informatie dan samen op een zodanige manier dat dit maximaal de – voor alle vragen gezamenlijke – variatie tussen de milieudrukken weergeeft. Het is echter niet zo zinvol om PCA als basis voor rangschikking te gebruiken, omdat deze benadering toelaat dat vragen op een niet-beleidsrelevante manier gewogen worden. De resultaten van een PCA-ordinatie worden wel weergegeven, maar dienen alleen om de variatie tussen milieudrukken in relatie tot de vragen visueel weer te geven.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 26 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
4 AFWEGINGSKADER & PRIORITERING Het afwegingskader voor de prioritering van milieudrukken voor een PA wordt gevormd door de rangschikking van milieudrukken, op basis van de scores per richtvraag (paragraaf 4.1). Een voorstel van prioritering van milieudrukken wordt gegeven en verder besproken in paragraaf 4.2, wat een toepassing is van het afwegingskader.
4.1
AFWEGINGSKADER: RANGSCHIKKING VAN MILIEUDRUKKEN VOOR EEN PA
4.1.1
Algemene verkenning
4.1.1.1
Spreiding van de scores per vraag
Figuur 1 geeft weer hoe de scores verdeeld zijn over de verschillende vragen. We stellen vast: ● ● ●
de spreiding over scores loopt uiteen tussen vragen: soms is de spreiding meer gelijkmatig, soms met nadruk op één specifieke score (bv. vraag M1); bij sommige vragen ontbreken milieudrukken met een score 0; de meest frequent gescoorde waarde verschilt tussen de vragen.
De verschillende vragen leveren dus complementaire informatie op die een antwoord kan geven over de nood aan een programmatische aanpak voor elk van de verschillende milieudrukken.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 27 van 77
Figuur 1: Frequentie van de scores (van 0 tot 3) per vraag.
4.1.1.2
Spreiding van de betrouwbaarheden
Figuur 2 toont de verdeling van de betrouwbaarheid van de antwoorden (scores), waarbij we opmerken: ● ● ●
er zijn geen antwoorden met een betrouwbaarheid ‘0’. Dit betekent dat er minstens enige kennisbasis was om een antwoord te geven; er zijn een beperkt aantal gevallen met betrouwbaarheid ‘1’, waarvoor het antwoord en de score best kritisch worden nagekeken door andere experten; de verdeling tussen betrouwbaarheid ‘2’ en ‘3’ varieert tussen de vragen (3 is het maximum, dus met een grote zekerheid). ○ Er is vaak een score 2 gegeven, wat betekent dat er een redelijke inschatting kon worden gegeven, maar dat nazicht in sommige gevallen tot een bijstelling zou kunnen leiden. ○ Alleen voor vraag A1 is de betrouwbaarheid vaker als ‘3’ ingeschat; d.i. wanneer de kennis van de habitatexperten voor een milieudruk voldoende toereikend is ingeschat.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 28 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Figuur 2: Verdeling van de betrouwbaarheid (van 0 tot 3) van de score per vraag.
Tabel 3 geeft aan dat maar voor een beperkt aantal milieudrukken meer dan één vraag als minder betrouwbaar is beschouwd. De milieudrukken die verband houden met klimaatverandering, verontreiniging en aanpassing van de fysische structuur zijn de drukken met het meeste aantal minder betrouwbare resultaten. Tabel 3 Het aantal vragen per milieudruk met een lage betrouwbaarheid (0 of 1). Aflopend gerangschikt volgens aantal vragen. Alleen milieudrukken met minstens één dergelijk geval zijn weergegeven.
Milieudruk 102 Klimaatverandering in natte perioden 8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 101 Klimaatverandering in droge perioden 11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, …) 14 Verlies van aquatische connectiviteit 8.3 Verontreiniging via het grondwater 13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 15 Verlies van terrestrische connectiviteit 3.1 Eutrofiëring via de lucht: partim stikstof 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim fosfor 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim fosfor 4.2 Verzuring via het grondwater 4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 65 Toename golfslagwerking 66 Afname golfslagwerking 8.1 Verontreiniging via de lucht 8.2 Verontreiniging via de bodem 8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater 9.3 Beweging en andere visuele verstoring
Aantal vragen met lage betrouwbaarheid 3 3 2 2 2 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 29 van 77
4.1.1.3
Correlatie tussen scores
De (ordinale) Kendall-correlatie tussen de vragen (op basis van de gegeven scores) is overwegend beperkt (figuur 3). We merken wel de volgende hogere (positieve) correlaties op: ● ● ● ●
tussen tussen tussen tussen
A1_problematiek en A2b_geogr_spreiding; A1_problematiek en T4_grenswaarden; A4_complexiteit en A2a_actieradius; A4_complexiteit en A2b_geogr_spreiding.
Figuur 3: Kendall correlatie en ‘jittered’ scatterplots van de relatie tussen de vragen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 30 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
4.1.2 4.1.2.1
Rangschikking van milieudrukken Eindrangschikking per scenario
Tabel 4 geeft een rangnummer weer per milieudruk, voor elk van de scenario’s. Het betreft de rangschikking op basis van de berekende eindscores per scenario. De eindscores zelf zijn opgenomen in bijlage C (gewogen of ongewogen gemiddelde score per milieudruk). Tabel 4: Rangnummer van milieudrukken, gerangschikt volgens het ongewogen scenario en dan volgens scenario 1. Hoe lager het getal, hoe hoger de rang (en dus de prioriteit) van de betreffende milieudruk.
Milieudruk
Ongewogen
Scenario 1
Scenario 2
3.1 Eutrofiëring via de lucht: partim stikstof 4.1 Verzuring via de lucht 5.1 Verdroging via het grondwater 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim fosfor 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim stikstof 101 Klimaatverandering in droge perioden 102 Klimaatverandering in natte perioden 15 Verlies van terrestrische connectiviteit 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim stikstof 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim stikstof 11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, …) 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim fosfor 103 Klimaatverandering: zeespiegelstijging 61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim fosfor 14 Verlies van aquatische connectiviteit 64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 8.1 Verontreiniging via de lucht 62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 9.2 Licht en straling 12 Toename bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 8.3 Verontreiniging via het grondwater 9.3 Beweging en andere visuele verstoring 63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 4.2 Verzuring via het grondwater 9.1 Geluid en trillingen 7.1 Verzoeting via het grondwater
1 1 3 3
1 1 3 4
1 1 3 4
3
4
4
3 3 8 8 8 11
6 6 8 10 11 9
6 6 12 11 6 10
11 11 11
12 14 17
16 9 14
15 15 15
13 15 16
20 15 13
15 15
20 22
19 27
20
18
21
20 22
20 19
21 28
22
22
28
22 22 22
24 25 26
35 25 25
22 22 29
27 28 28
21 28 16
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 31 van 77
Milieudruk
Ongewogen
Scenario 1
Scenario 2
29 29 29 33
30 31 32 32
31 16 21 31
33
35
31
35 35
32 36
36 31
37
37
37
38
38
38
8.2 Verontreiniging via de bodem 7.3 Verzilting via het grondwater 5.2 Vernatting via het grondwater 7.2 Verzoeting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 7.4 Verzilting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 65 Toename golfslagwerking 8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater 4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 66 Afname golfslagwerking
4.1.2.2
Verschillen en relaties tussen scenario’s
We stellen vast dat er - ondanks de wegingen - een sterke relatie bestaat tussen de ongewogen en de gewogen rangschikking (figuur 4 en figuur 5).
Figuur 4: Grafische rangschikking van milieudrukken volgens eindscore van ongewogen scenario en scenario 1. Bijna alle milieudrukken scoren iets hoger in scenario 1 dan in het ongewogen scenario omdat de vragen A1 (“hoe hoog is de actuele problematiek voor de habitatvlekken in Vlaanderen”) en B2b (“zijn er voldoende en adequate beleidsinstrumenten”) - die meer wegen in de eindscore voor scenario 1- gemiddeld genomen een hogere score kregen dan de andere vragen (Figuur 1). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 32 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
De rangschikking volgens scenario 1 resulteert in minder ex aequo’s tussen milieudrukken dan de overige rangschikkingen. Uit de relatie tussen scenario 1 en 2 (Figuur 6) zien we inderdaad dat scenario 1 de milieudrukken beter uit elkaar haalt. Er blijft een duidelijk positief verband tussen scenario 1 en 2.
Figuur 5: Grafische rangschikking van milieudrukken volgens eindscore van ongewogen scenario en scenario 2.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 33 van 77
Figuur 6: Grafische rangschikking van milieudrukken volgens eindscore van scenario 1 en 2.
Figuur 7 accentueert de sprongen in de rangnummers die optreden in tabel 4. Figuur 8 toont deze sprongen in een lijngrafiek.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 34 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Figuur 7: Overeenkomsten en verschillen in het rangnummer van milieudrukken ten opzichte van het ongewogen scenario. De getallen geven het rangnummer van het overeenkomstig scenario. De kleur geeft weer hoezeer het rangnummer verandert (Rangverschil) in scenario 1 en 2 t.o.v. het ongewogen scenario.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 35 van 77
Figuur 8: Lijngrafiek ter visualisatie van overeenkomsten en verschillen in het rangnummer van milieudrukken, volgens de verschillende scenario’s.
We kunnen voor de hoogst gerangschikte milieudrukken de volgende overeenkomsten en verschillen vaststellen tussen de scenario’s: ●
helemaal bovenaan gerangschikt vinden we een ex aequo tussen alle scenario’s voor atmosferische eutrofiëring (3.1) en verzuring (4.1);
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 36 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
● ●
●
dit wordt meteen gevolgd door verdroging via het grondwater (5.1): opnieuw een ex aequo voor ongewogen, scenario 1 en scenario2; de eutrofiëringsdrukken (3.x) situeren zich in alle gevallen hoog in de rangschikking; ○ alleen de fosforeutrofiëringsdrukken (3.2P, 3.3P) worden in scenario 2 duidelijk lager geplaatst; ○ na eutrofiëring via de lucht is het de eutrofiëring via het oppervlaktewater (3.4N, 3.4P), die gelijk scoort in scenario’s 1 en 2; ○ stikstofeutrofiëring via de bodem (3.2N) scoort in scenario 2 duidelijk hoger dan in scenario 1. De rangschikking is echter gelijkend voor stikstofeutrofiëring via het grondwater (3.3N); eveneens hoog op de ranglijst (tussen de eutrofiëringsdrukken) staan: ○ 101 en 102: klimaatverandering in droge resp. natte perioden; ○ 11: aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, …); ○ 15: verlies van terrestrische connectiviteit (in scenario 2 lager gerangschikt); ○ 103: zeespiegelstijging door klimaatverandering, vooral hoger gescoord in scenario 2.
Andere opvallende overeenkomsten en verschillen zijn: ●
● ● ● ● ●
de hydrologische milieudrukken 61 tot 64 bevinden zich min of meer halverwege, maar vertonen duidelijke, milieudrukafhankelijke verschillen tussen scenario’s. Milieudrukken 61 en 64 zijn het hoogste gerangschikt; milieudruk 14 (verlies van aquatische connectiviteit) staat op plaats 15 voor alle scenario’s; milieudrukken 7.1 en 7.3 (verzoeting resp. verzilting via het grondwater) worden in scenario 2 veel hoger geplaatst; verontreiniging via de lucht (8.1) en via het oppervlaktewater (8.4) scoren hoger dan de andere verontreinigingsdrukken; milieudrukken i.v.m. bodemdynamiek (12, 13) en verontreiniging via het grondwater (8.3) worden in scenario 2 veel geplaatst; vernatting via het grondwater (5.2) staat laag op de ranglijst voor het ongewogen scenario en scenario 1, maar heel wat hoger in scenario 2.
4.1.2.3
Weergave van de eindscore in een PCA-biplot
De principale-componentenanalyse (PCA) vat de variatie in de set van scores (milieudruk x vraag) samen met principale componenten. Het onderstaande resultaat toont dat de eerste drie principale componenten (PC’s) ongeveer drie kwart van de variatie verklaren. ## ## ## ## ##
Importance of components: PC1 PC2 PC3 Eigenvalue 2.0345 0.8493 0.7204 Proportion Explained 0.4319 0.1803 0.1529 Cumulative Proportion 0.4319 0.6122 0.7651
PC4 PC5 PC6 0.43406 0.2421 0.18408 0.09215 0.0514 0.03908 0.85729 0.9087 0.94777
## PC7 PC8 ## Eigenvalue 0.14144 0.10462 ## Proportion Explained 0.03003 0.02221 ## Cumulative Proportion 0.97779 1.00000 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 37 van 77
De ordinatiediagrammen (biplots) in figuur 9 en figuur 10 zijn louter te zien als een verder visueel hulpmiddel om de milieudrukken te spreiden in een ruimte op basis van de vragen, en om de correlatie tussen vragen te zien. Onderstaand zijn 2 biplots weergegeven (PC1+2 resp. PC1+3) waar de pijlen de relatie van de vragen met de PC’s en hun onderlinge relatie vertegenwoordigen. De milieudrukken zijn gekleurd volgens de eindscore van scenario 1.
Figuur 9: PCA biplot van de principale componenten 1 en 2. De kleurgradiĂŤnt is volgens de eindscore van scenario 1.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 38 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Figuur 10: PCA biplot van de principale componenten 1 en 3. De kleurgradiënt is volgens de eindscore van scenario 1.
4.2
PRIORITERINGSVOORSTEL & BESPREKING
We stellen voor om een PA enkel te overwegen voor de milieudrukken die een minimum score van 2 halen voor minstens 2 van de scenario’s (zie tabel C in bijlage). Een lagere gemiddelde score betekent logischerwijs dat er voor minstens één van de relevante criteria een lagere score werd gegeven die minder pleit voor een PA. Bij een gemiddelde score van tenminste 2 worden 12 milieudrukken weerhouden, waarbij de grens zich situeert tussen 103 (zeespiegelstijging) en 3.3P (eutrofiëring met fosfor via grondwater) (zie tabel C in bijlage)1. De verschillen in ranking tussen de scenario’s zijn voor de 12 hoogst geplaatste milieudrukken
1
Let wel, het betreft hier uiteraard enkel milieudrukken in relatie tot de instandhouding van Europese habitats relevant binnen het Vlaamse Natura2000 programma. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 39 van 77
eerder beperkt. Deze milieudrukken scoren dus consistent hoog, waardoor de gewichten die aan de verschillende criteria wordt toegekend, weinig effect hebben. De milieudruk 3.3P (eutrofiëring met fosfor via grondwater), die op plaats 13 staat, scoort hoog in scenario 1, maar aanzienlijk lager in scenario 2. Scenario 1 kent een groot gewicht toe aan criterium A1, dat de impact van de problematiek op de habitatvlekken scoort. In scenario 2 wegen de mogelijkheid om brongerichte maatregelen toe te passen (criterium M1) en de beschikbaarheid van data, meetnetten of kaarten (criterium T1) sterker door. Milieudruk 3.3P eutrofiëring met fosfor heeft dus actueel een grote impact op de kwaliteit van habitatvlekken, maar er is momenteel een aanzienlijk tekort aan informatie om een PA mogelijk te maken. De geselecteerde milieudrukken kunnen geclusterd worden in een aantal groepen, op basis van gelijkaardige processen, dezelfde belastende stoffen, of omdat dezelfde bronnen aan de basis liggen. Milieudrukken die voor deze aspecten verwant zijn aan elkaar, scoren vaak gelijkaardig in de globale ranking. Bij de hoogste geplaatste milieudrukken gaat het om volgende groepen: ● ● ● ●
verzuring en eutrofiëring via de lucht, partim stikstof (4.1 en 3.1) verdroging en eutrofiëring via het grondwater (5.1, 3.3N en 3.3P; deze laatste scoort lager in scenario 2) eutrofiëring via het oppervlaktewater (3.4P en 3.4N) klimaatverandering in droge en natte perioden en zeespiegelstijging (101, 102, 103)
Er mag efficiëntiewinst verwacht worden, als milieudrukken van dezelfde groep op een gelijkaardige wijze, bijvoorbeeld met een PA, aangepakt worden. Een PA voor verzuring via de lucht kan voortbouwen op de PAS. De bronnen van beide milieudrukken zijn grotendeels dezelfde, maar bij verzuring moeten eveneens de effecten van zwavel in rekening gebracht worden. Bij atmosferische depositie van zwavel speelt transport over lange afstand een belangrijke rol, en is een internationale aanpak aangewezen, meer nog dan bij stikstof. Dit betekent dat het regionale beleid aanzienlijk minder effectief is als het niet is afgestemd op de aanpak van de buurregio’s en buurlanden. Verdroging en eutrofiëring via grondwater werken lokaal tot regionaal in op de kwaliteit van grondwaterafhankelijke habitats, maar de problematiek is wel wijd verspreid in Vlaanderen. Voor verdroging moet de dynamiek van grondwaterstromingen in beeld gebracht worden, zodat de impact van onttrekkingen en drainage begroot kunnen worden. Er is vrij veel informatie beschikbaar over grondwaterpeilen, maar lokale grondwatermodellen die nodig zijn om effecten van ingrepen en aandelen van betrokkenen te begroten, ontbreken vaak. Verdroging kan ook vrijstelling van nutriënten veroorzaken en is op deze wijze gekoppeld aan eutrofiëring. De belasting met fosfor is moeilijker te begroten dan die met stikstof, onder meer omdat er een interactie is tussen nitraat, sulfaat en fosfaat in de ondergrond en het grondwater. Dit verklaart waarom criterium T1 (kennis) voor 3.3P op 1 is gezet en voor 3.3N op 2. Eutrofiëring via oppervlaktewater (incl. overstromingen en runoff) wordt beschouwd als een belangrijk en wijdverbreid probleem voor een aanzienlijk aantal habitats. Aangezien hier ook runoff in begrepen is, zijn ook habitats op hellingen gevoelig voor deze milieudruk. De complexiteit van de problematiek is hoog en er zijn een groot aantal sectoren bij betrokken, zodat een programmatische aanpak een meerwaarde kan zijn. In tegenstelling tot milieudruk 3.3 (eutrofiëring via grondwater), scoren de partims stikstof en fosfor voor eutrofiëring via oppervlaktewater volledig gelijk, wat er op wijst dat de problematiek vrijwel identiek is. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 40 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Klimaatverandering en zeespiegelstijging zijn sterk aan elkaar gekoppeld. Klimaatverandering bedreigt de meeste habitats in Vlaanderen, terwijl zeespiegelstijging eerder een lokaal tot regionaal probleem is in Vlaanderen, waardoor de milieudruk lager scoort. Klimaatverandering en zeespiegelstijging zijn mondiale processen, met een zeer groot aantal betrokkenen. De bijdrage van de verschillende bronnen kan goed bepaald worden, maar de impact van maatregelen (bron- en effectgericht) is complex en moeilijker in te schatten. De impact van het regionale beleid op de omvang van de milieudruk is wellicht relatief laag. Ook de respons van soorten en habitats is nog niet zeer goed gekend. Naast deze 4 clusters zijn ook volgende afzonderlijke milieudrukken hoog geplaatst in de ranking: ● ● ●
verlies van terrestrische connectiviteit (15) eutrofiëring met stikstof via de bodem (3.2N) aanpassing van de fysische structuur (11)
Verlies van terrestrische connectiviteit wordt beschouwd als een complexe milieudruk met een grote impact, die wijdverbreid is in Vlaanderen. De milieudruk werkt echter lokaal in (score 1) en er is maar een beperkte kennis beschikbaar om grenswaarden te bepalen voor soorten en habitats. De terrestrische connectiviteit van soorten en habitats kan op regionaal vlak zeer goed beïnvloed worden, via het ruimtelijk beleid. Eutrofiëring met stikstof via de bodem is een wijdverspreide milieudruk die veel habitats bedreigt, en waarvoor brongerichte maatregelen zouden kunnen worden overwogen. Ook op deze milieudruk heeft het regionale beleid een grote impact. Deze druk aanpakken zal ook bijdragen tot een afname van de eutrofiëring met stikstof via het grondwater. Aanpassing van de fysische structuur scoort wat lager dan de vorige milieudrukken. Voor criterium A2a (actieradius) werd waarde 0 toegekend, omdat de milieudruk enkel ter plaatse inwerkt. Ook voor deze milieudruk zijn weinig gegevens beschikbaar om grenswaarden af te bakenen. Onder de milieudrukken die hoog geplaatst zijn in de ranking zijn er meerdere waarvan de omvang niet enkel op de schaal van Vlaanderen bepaald wordt. Klimaatverandering, eutrofiëring en verzuring via de lucht zijn de meest voor de hand liggende voorbeelden van milieudrukken die mede worden bepaald door activiteiten buiten Vlaanderen en waarvan de impact dus niet volledig op het regionale niveau bepaald kan worden. Een deel van het Vlaams beleid inzake klimaatverandering en luchtkwaliteit vloeit voort uit de engagementen van België als lid van de Europese Unie. Het Belgische beleid op deze gebieden heeft betrekking op sectoren met gedeelde verantwoordelijkheden tussen de gewesten en het federale niveau (zoals energie, fiscaliteit en transport) en het is moeilijk om de impact van op Vlaams niveau genomen maatregelen op de luchtkwaliteit en de klimaatverandering te kwantificeren (zoals de lagere betrouwbaarheden die toegekend werden aan de klimaatgerelateerde milieudrukken in deze oefening ook aangeven). Met de keuze om enkel de milieudrukken met een gemiddelde score groter of gelijk aan 2 in beide scenario’s als prioritair te beschouwen voor een eventuele PA, vallen er heel wat drukken af. De grote milieudrukklassen die hierin onderscheiden kunnen worden (Tabel 1) en de reden van hun lage gemiddelde score voor de relevante criteria worden hieronder bondig besproken.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 41 van 77
●
●
●
●
●
Milieudrukklasse 6 met oppervlaktewater gebonden drukken (toename of afname van zowel stroomsnelheid/waterpeilschommelingen als overstromingsduur en frequentie): hoewel de huidige problematiek en actieradius bij het aspect stroomsnelheid lager gescoord werd, is er voor het merendeel van de drukken vooral nog onduidelijkheid over de mogelijke maatregelen en hun effectiviteit, en ontbreekt het aan gebiedsdekkende gegevens (overstromingen) of een referentiekader (stroomsnelheid/peilregime). Milieudrukklasse 7 met problematiek van verzoeting en verzilting via zowel oppervlakte- als grondwater: hier wordt zowel de huidige problematiek als de complexiteit van deze drukken laag ingeschat, en ontbreekt het bovendien aan het nodige referentiekader (grenswaarden). Milieudrukklasse 8 met verontreiniging via zowel bodem, grond- als oppervlaktewater: voor de compartimenten lucht en bodem werd de huidige problematiek laag ingeschat, weliswaar met een lage betrouwbaarheid; hetzelfde geldt voor de actieradius van een potentiële bron, m.u.v. het compartiment lucht; daarnaast is er ook een gebrek aan gegevens, vooral dan voor het bodem- en grondwatercompartiment, en ontbreekt ook veelal het specifieke referentiekader voor instandhouding van habitattypen en soorten. Voor thermische verontreiniging lijkt er enkel een goed zicht te zijn op de (oorzaak-effect relatie van) mogelijke maatregelen en is er een basis referentiekader. Milieudrukklasse 9 met de meer soortgerichte drukken rond visuele verstoring door beweging en licht, maar ook via geluid en straling: hier hangt de lage inschatting van de huidige problematiek en actieradius van een potentiële bron, samen met het gebrek aan data, modelleringsmogelijkheden en toetsing aan een mogelijke set van grenswaarden aan de basis van de lage gemiddelde score, en dus prioritering. Van milieudrukklasse 5 wordt ook vernatting via grondwater (verdroging via grondwater staat hoog gerankt) weinig prioritair ingeschat omdat het probleem actueel minder manifest aanwezig is en als milieudruk ook minder complex is dan verdroging. Daarnaast ontbreekt het aan beleidsinstrumenten en een kwalitatief referentiekader voor veel van de habitattypen en soorten.
Voor deze minder prioritair ingeschatte drukken is het niet altijd duidelijk of ze mee aangepakt kunnen worden in PA’s voor één of meerdere van de meer prioritaire drukken. Zeker wat betreft de milieudrukklassen 5, 7 en 9 gaat het immers om heel specifieke problematieken.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 42 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Referenties Agentschap voor Natuur en Bos (2017). Ontwerp Vlaams Natura 2000-programma. Eerste cyclus 2016-2020. INBO (2018). Bepaling van keuzes in de Meetnetten Natuurlijk Milieu. Ontwerpversie. Vanderhaeghe F., Denys L., Van Calster H., Cools N., Vandenabeele M.-A., Van Elegem B. & Quataert P. (2017). Vraagstelling en beleidsrelaties van de Meetnetten Natuurlijk Milieu in Vlaanderen. Beleidsvragen en synergieĂŤn als afbakening voor het ontwerp. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (33). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.13086011 Vlaamse Regering, Beslissing Ministerraad van 14/07/2017 over het Vlaams Natura 2000programma: eerste cyclus 2016-2020, op voorstel van minister Joke Schauvliege (VR 2017 1407 DOC.0775). https://www.vlaanderen.be/vlaamseregering/beslissingenvlaamseregering?search=&publication_date=pick&publication_date_1%5 Bmin%5D%5Bdate%5D=14-07-2017&publication_date_1%5Bmax%5D%5Bdate%5D=14-072017&competence=31&delivery_channel=&delivery_channel_1=
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 43 van 77
Bijlage A Bijlage: toelichting bij de interpretatie van de milieudrukken Onderstaande tabel geeft een korte toelichting bij de gebruikte milieudrukken (Vanderhaeghe et al. 2017). Tabel A: Interpretatie van de milieudrukken Milieudrukklasse 1 Ruimtebeslag
3 Eutrofiëring
Milieudruk
Betekenis
11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, ...)
Aard van het substraat of de ruimtelijke vorm van de fysische standplaats worden veranderd naar een blijvende nieuwe toestand, in zodanige mate dat dit de levensgemeenschap negatief beïnvloedt
12 Toename bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving)
Een toename resp. afname van de frequentie van fysische bodemverstoring, in zodanige mate dat dit de levensgemeenschap negatief beïnvloedt. Dit kan terrestrisch of aquatisch zijn, en zowel betrekking hebben op verandering in frequentie van mechanische omwoeling/baggering/... door mensen, als op veranderingen in wind- of waterstroming die de bodemverstoring beïnvloeden.
14 Verlies van aquatische connectiviteit
Barrières en isolatie in het oppervlaktewater leiden tot een achteruitgang van levensgemeenschap(pen)
15 Verlies van terrestrische connectiviteit
Barrières en isolatie in terrestrisch gebied leiden tot een achteruitgang van levensgemeenschap(pen)
3.1 Eutrofiëring via de lucht 3.2 Eutrofiëring via de bodem 3.3 Eutrofiëring via het grondwater 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling)
4 Verzuring
4.1 Verzuring via de lucht 4.2 Verzuring via het grondwater 4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en stagnerend regenwater)
Voor de levensgemeenschap beperkende nutriënten worden in zodanige mate aangerijkt of meer beschikbaar dat dit leidt tot een achteruitgang van deze levensgemeenschap. De nutriënten komen de standplaats binnen via resp.: * de lucht (depositie) * de bodem (toevoeging meststoffen, incl. inwaai op korte afstand, of vrijstelling uit de bodem van normaliter onbeschikbare nutriënten, in het bijzonder mineralisatie door verdroging) * het grondwater (aanvoer via uittredend grondwater: ofwel van nutriënten, ofwel van sulfaat omwille van interne eutrofiëring) * het oppervlaktewater, inclusief overstromingswater en runoff (aanvoer van nutriënten, veelal met sediment - modderstromen inbegrepen) Daling van de pH van de standplaats in zodanige mate dat dit leidt tot een achteruitgang van de levensgemeenschap. De aangevoerde stoffen zijn ofwel zuren, ofwel stoffen die zuurvorming teweegbrengen in de standplaats. Aanvoer van deze stoffen gebeurt resp. via lucht, via grondwater of via oppervlaktewater (inclusief overstromingswater, runoff en stagnerend regenwater)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 44 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Milieudrukklasse
Milieudruk
Betekenis
5 Wijziging van de grondwaterstand (en daaraan gekoppeld oppervlaktewaterpeil)
5.1 Verdroging via het grondwater
Daling resp. stijging van grondwaterstanden (en regime), door veranderingen in grondwateronttrekking, drainage, evapotranspiratie, …, in zodanige mate dat dit leidt tot achteruitgang van de terrestrische of aquatische levensgemeenschap. Peilregimewijzigingen van het oppervlaktewater vallen hieronder indien zij door de veranderingen in het grondwater zijn veroorzaakt.
6 Wijziging hydrologie via oppervlaktewater
61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden)
5.2 Vernatting via het grondwater
62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden)
63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 65 Toename golfslagwerking
Een toename resp. afname van het overstromingsregime van waterlopen in zodanige mate dat dit de beschouwde levensgemeenschap buiten het aquatische milieu negatief beïnvloedt. Dit gebeurt door de verandering in mechanische belasting (stroming/sediment), of door de zuurstof/CO2armoede van overstromingswater. Milieudruk 61 is daarmee van toepassing op alle niet-aquatische types, milieudruk 62 op alle oppervlaktewaterafhankelijke niet-aquatische types (niet-aquatisch: betreft de types van de waterhuishoudingsklassen 'droog tot vochtig' en 'tijdelijk tot permanent nat' volgens systeemschema).
Een toename resp. afname van de hydraulische of waterpeilregimekarakteristieken ter hoogte van de beschouwde aquatische of semi-terrestrische levensgemeenschap, in zodanige mate dat deze er negatief door wordt beïnvloed. Milieudrukken 63 en 64 zijn daarmee van toepassing op alle 'vrijwel steeds overstromingsgestuurde' types uitgezonderd 1310_pol, 1330_hpr, 6120, 6510_hua, 91E0_vn, 91F0, rbbsf en rbbzil.
Een toename resp. afname van de golfslagwerking ter hoogte van de beschouwde aquatische of semi-terrestrische levensgemeenschap, in zodanige mate dat deze er negatief door wordt beïnvloed. Dit kan gebeuren door verandering in de mechanische belasting van de levensgemeenschap, of via de effecten op water- of bodemkwaliteit.
66 Afname golfslagwerking
Milieudrukken 65 en 66 zijn daarmee van toepassing op alle 'vrijwel steeds overstromingsgestuurde' types uitgezonderd 1310_pol, 1330_hpr, 6120, 6510_hua, 91E0_vn, 91F0, rbbsf en rbbzil.
7 Verzoeting en verzilting
7.1 Verzoeting via het grondwater 7.2 Verzoeting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 7.3 Verzilting via het grondwater
Toename resp. afname van het chloridegehalte van de standplaats, door regime- of kwaliteitswijzigingen van het betrokken grondwaterlichaam, resp. oppervlaktewaterlichaam, in zodanige mate dat dit leidt tot een achteruitgang van de levensgemeenschap. Het chloride is daarbij afkomstig uit het natuurlijk milieu (toevoeging van zouten valt onder milieudrukklasse 8)
7.4 Verzilting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 8 Verontreiniging
8.1 Verontreiniging via de lucht
Toename van stoffen (excl. eutrofiërende of verzurende stoffen), in zodanige mate dat dit leidt tot een achteruitgang van de levensgemeenschap. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, analoog aan deze van eutrofiëring (zie milieudrukklasse 3)
8.2 Verontreiniging via de bodem 8.3 Verontreiniging via het grondwater 8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 45 van 77
Milieudrukklasse
9 Verstoring
Milieudruk
Betekenis
8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater
Een toename van de watertemperatuur ter hoogte van de beschouwde aquatische of oeverlevensgemeenschap, in zodanige mate dat deze er negatief door wordt be誰nvloed. De temperatuursverhoging is daarbij het gevolg van warm lozingswater
9.1 Geluid en trillingen
Menselijke activiteit die een gedragswijziging veroorzaakt en/of tot een verhoging van de mortaliteit leidt waardoor de natuurlijke dynamiek van populaties nadelig be誰nvloed wordt.
9.2 Licht en straling 9.3 Beweging en andere visuele verstoring 10 Klimaatverandering 101 Klimaatverandering in droge perioden 102 Klimaatverandering in natte perioden
103 Klimaatverandering: zeespiegelstijging
Een toename van temperatuur, wind en CO2 in de atmosfeer en een afname resp. toename van de neerslaghoeveelheden, inclusief extreme events. Dit treedt op gedurende een voor de levensgemeenschap betekenisvolle periode (bv. maand / seizoen), in zodanige mate dat deze er negatief door wordt be誰nvloed, en waarbij de effecten supplementair zijn boven die van milieudrukken, ontstaan op gebiedsniveau. Dit met uitsluiting van rechtstreekse invloeden van zeespiegelstijging. De verhoging van de zeespiegel en de toename van het getijdenverschil als gevolg van klimaatverandering, in zodanige mate dat dit de beschouwde kust- of estuariene levensgemeenschap negatief be誰nvloedt.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 46 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
B Bijlage: berekening van de score voor vraag A1 Op vraag A1 "Hoe hoog is de actuele problematiek voor de habitatvlekken in Vlaanderen als gevolg van de milieudruk?" werd een score gegeven op basis van een bevraging die in 2016 bij 27 habitatexperten binnen INBO werd georganiseerd (INBO 2018). De rangschikking van de milieudrukken volgens de grootte van de actuele problematiek voor habitats in Vlaanderen werd destijds binnen INBO opgesteld voor prioriteringen in de meetnetten natuurlijk milieu. Elk habitatsubtype kreeg voor elke milieudruk een score die aangeeft hoe groot het belang is van deze druk voor het betrokken type:
H: er is actueel een invloed met een groot belang in Vlaanderen, van de milieudruk op het type;
M: er is actueel een invloed met een matig belang in Vlaanderen, van de milieudruk op het type; L: er is actueel een invloed met een laag – maar nog steeds betekenisvol – belang in Vlaanderen, van de milieudruk op het type; S: er is actueel in Vlaanderen geen betekenisvolle invloed van de milieudruk op het type, maar het type is wel gevoelig aan de milieudruk; P: er is actueel in Vlaanderen geen betekenisvolle invloed van de milieudruk op het type, en het type is potentieel gevoelig aan de milieudruk volgens de effectenindicator (gevoeligheid ‘onbekend’).
De milieudrukken werden gerangschikt volgens impact op Natura 2000 habitats voor drie waterhuishoudingsklassen (~ opdeling van ons landschap: droog tot vochtig, tijdelijk tot permanent nat, oppervlaktewater) die in deze benadering als evenwaardig worden beschouwd. De rangschikking van een milieudruk in één waterhuishoudingsklasse is gebaseerd op de (gewogen) relatieve frequentie van types die een hoge of matige (H of M) invloed ondervinden van die milieudruk, ten opzichte van het totaal aantal onderscheiden types in die waterhuishoudingsklasse. Deze uitkomst is als getal (fractie tussen 0 en 1) weergegeven in onderstaande figuur, en definieert de rangschikking van milieudrukken per waterhuishoudingsklasse.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 47 van 77
Figuur 11: Aandeel types met H- of M-beïnvloeding, opgesplitst volgens waterhuishoudingsklasse. Per waterhuishoudingsklasse worden de milieudrukken in vier groepen gebundeld: a = milieudrukken met gewogen relatieve HM-frequentie >= 40%, b = milieudrukken met gewogen relatieve HM-frequentie >= 25% en < 40%, c = milieudrukken met gewogen relatieve HML-frequentie >= 25% en HM-frequentie < 25%, d = overige milieudrukken.
De rangschikking werd voor deze oefening geïntegreerd tot één score op basis van twee kenmerken: 1. De index: som van de gewogen HM-frequenties per waterhuishoudingsklasse. Hoe hoger deze index, hoe meer (habitat)types in verschillende waterhuishoudingsklassen actueel een hoge (H) tot matige (M) negatieve invloed ondervinden van de milieudruk, op schaal Vlaanderen. 2. Het aantal klassen: aantal waterhuishoudingsklassen (op een maximum van 3) waarbinnen de gewogen HM-frequentie minstens 25% bedraagt (i.e. de waterhuishoudingsklassen waar 25% of meer van de (gewogen) types actueel een hoge of matige negatieve invloed ondervinden) De integratie van deze criteria tot een uiteindelijke score voor vraag A1 gebeurde via een rekenregel: - hoog (3) indien index > 1 óf aantal klassen = {2 of 3} - laag (1) indien index < 0.2 én aantal klassen = 0 - matig (2) voor de overige combinaties ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 48 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
C Bijlage: eindscores van de milieudrukken Tabel C geeft de berekende eindscores weer per scenario (gewogen of ongewogen gemiddelde score per milieudruk). Tabel C: Eindscores van milieudrukken, aflopend gerangschikt volgens het ongewogen scenario en dan volgens scenario 1. Milieudruk 3.1 Eutrofiëring via de lucht: partim stikstof 4.1 Verzuring via de lucht 5.1 Verdroging via het grondwater 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim fosfor 3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim stikstof 101 Klimaatverandering in droge perioden 102 Klimaatverandering in natte perioden 15 Verlies van terrestrische connectiviteit 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim stikstof 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim stikstof 11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, …) 3.3 Eutrofiëring via het grondwater: partim fosfor 103 Klimaatverandering: zeespiegelstijging 61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim fosfor 14 Verlies van aquatische connectiviteit 64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 8.1 Verontreiniging via de lucht 62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) 8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 9.2 Licht en straling 12 Toename bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) 8.3 Verontreiniging via het grondwater 9.3 Beweging en andere visuele verstoring 63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan 4.2 Verzuring via het grondwater 9.1 Geluid en trillingen 7.1 Verzoeting via het grondwater 8.2 Verontreiniging via de bodem 7.3 Verzilting via het grondwater 5.2 Vernatting via het grondwater 7.2 Verzoeting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 7.4 Verzilting via het oppervlaktewater (incl.
Ongewogen 2.75 2.75 2.375 2.375
Scenario 1 2.7 2.7 2.55 2.475
Scenario 2 2.651 2.651 2.395 2.209
2.375
2.475
2.209
2.375 2.375 2.125 2.125 2.125 2
2.4 2.4 2.375 2.325 2.275 2.35
2.163 2.163 2 2.047 2.163 2.07
2 2 2
2.2 2.05 1.975
1.814 2.093 1.884
1.875 1.875 1.875
2.15 2.025 2
1.767 1.837 1.907
1.875 1.875
1.875 1.85
1.791 1.651
1.75
1.95
1.744
1.75 1.625
1.875 1.925
1.744 1.628
1.625
1.85
1.628
1.625 1.625 1.625
1.775 1.75 1.675
1.558 1.698 1.698
1.625 1.625 1.5 1.5 1.5 1.5 1.375
1.65 1.625 1.625 1.575 1.55 1.5 1.5
1.744 1.628 1.814 1.581 1.814 1.744 1.581
1.375
1.425
1.581
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 49 van 77
Milieudruk overstromingswater) 65 Toename golfslagwerking 8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater 4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) 66 Afname golfslagwerking
Ongewogen
Scenario 1
Scenario 2
1.25 1.25
1.5 1.25
1.488 1.581
1.125
1.2
1.419
1
1.175
1.023
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 50 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
D Bijlage: fiches van de milieudrukken De lijst met toelichting bij de respectievelijke milieudrukken is leesbaar in bijlage A. Hieronder worden per milieudruk de scores, bijhorende betrouwbaarheid en de uitleg in tabelvorm weergegeven. Algemene toelichting bij ‘score’ en ‘betrouwbaarheid’: ●
●
de scores (per milieudruk x vraag) gaan van 0 tot 3. Score 3 bij een vraag betekent dat de milieudruk in kwestie volgens dit criterium alleszins in aanmerking zou komen voor een programmatische aanpak. Score 0 betekent het tegenovergestelde en scores 1 en 2 zijn tussenliggende niveaus; de betrouwbaarheden (per milieudruk x vraag) gaan eveneens van 0 tot 3. In de praktijk is er geen waarde ‘0’ gegeven. Waarde 3 betekent bij een vraag betekent dat de experten voor de milieudruk in kwestie een voldoende grote kennis hebben om de score en de uitleg bij het criterium als ‘betrouwbaar’ te kunnen beschouwen. Waarde 0 betekent het tegenovergestelde en waarden 1 en 2 zijn tussenliggende niveaus.
101 Klimaatverandering in droge perioden
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
1
matig (index 0,502 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
3
2
Vlaanderen tot internationaal
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
3
Complex - veel bronnen (ook internationaal) - sectoren industrie, transport, gebouwen - complexe, deels onbekende processen tussen bronnen en uiteindelijke milieudruk
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Nee, er is wel een internationaal kader maar dat is nog niet geïmplementeerd in Vlaanderen
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Het schatten van de impact van maatregelen (modellering) is complex en kan onzekerheid met zich meebrengen
T1_informatie
2
2
- Temperatuur- en neerslagmetingen KMI, in een aantal meetstations verspreid over Vlaanderen - Er is veel minder informatie over de effecten op kritische procesparameters
T4_grenswaarden
1
1
Er is informatie over bepaalde soorten (evolutie van ranges), maar er is veel onzekerheid. Geen grenswaarden voor neerslag, CO2 en temperatuur, wel voor bepaalde procesparameters (bv. waterstanden).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 51 van 77
102 Klimaatverandering in natte perioden Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
1
matig (index 0,278 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
3
2
Vlaanderen tot internationaal
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
3
Complex - veel bronnen (ook internationaal) - sectoren industrie, transport, gebouwen - complexe, deels onbekende processen tussen bronnen en uiteindelijke milieudruk
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Nee, er is wel een internationaal kader maar dat is nog niet geĂŻmplementeerd in Vlaanderen
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Het schatten van de impact van maatregelen (modellering) is complex en kan onzekerheid met zich meebrengen
T1_informatie
2
1
- Temperatuur- en neerslagmetingen KMI, in een aantal meetstations verspreid over Vlaanderen - Er is veel minder informatie over de effecten op kritische procesparameters
T4_grenswaarden
1
1
Er is informatie over bepaalde soorten (evolutie van ranges), maar er is veel onzekerheid. Geen grenswaarden voor neerslag, CO2 en temperatuur, wel voor bepaalde procesparameters (bv. waterstanden).
103 Klimaatverandering: zeespiegelstijging Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
2
laag (index 0,049 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
2
2
SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
2
3
Kustgebied (duinen, hele polder) en Zeeschelde
A4_complexiteit
3
2
Complex - veel bronnen (ook internationaal) - sectoren industrie, transport, gebouwen - complexe, deels onbekende processen tussen bronnen en uiteindelijke milieudruk
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Nee, er is wel een internationaal kader maar dat is nog niet geĂŻmplementeerd in Vlaanderen
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Het schatten van de impact van maatregelen (modellering) is complex en kan onzekerheid met zich meebrengen
T1_informatie
3
2
Ja (maregrafen aan de kust, waterstandsmetingen in de
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 52 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
tijgebonden rivieren, kennis over stormvloeden) T4_grenswaarden
0
2
Voor zeespiegelstijging zelf zijn er geen kritische drempelwaarden voor impact op biota.
11 Aanpassing van de fysische structuur naar een blijvende nieuwe toestand (bodemverdichting, verharding, herprofilering, nieuw substraat, grondverzet, ‌) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,924 / aantalklassen 3)
A2a_actieradius
0
3
lokaal
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
2
2
Matig complex - veel sectoren, maar per locatie eenvoudig (meestal 1 actor) - weliswaar veel bronnen (lokaal)
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, er zijn beleidsinstrumenten (vooral natuurdecreet, habitatrichtlijn, ruimtelijke ordening en in beperktere mate bosdecreet) toegepast in vergunningenverlening en handhaving maar implementatie biedt nog onvoldoende bescherming
M1_bronger_maatreg
3
2
- Ja - de impact van de maatregelen is vrij goed in te schatten
T1_informatie
2
1
Slechts sporadisch en verspreid gegevens beschikbaar over bodemverdichting, herprofilering, nieuw substraat en grondverzet. Verharding is via remote sensing goed in kaart gebracht.
T4_grenswaarden
1
1
In beperkte mate gekend voor boshabitat, in functie van gevoeligheid voor schade door exploitatie
12 Toename bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
3
matig (index 0,392 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
2
lokaal
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
2
2
Matig complex - veel ruimtegebruikers - veel (veelal) lokale bronnen, maar oorzaak-effect relatie per bron is vrij eenvoudig - druk is evenwel resultante van uiteenlopende oorzaken en omvat daarom uiteenlopende
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 53 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
deelprocesketens B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk
M1_bronger_maatreg
2
2
Op zich wellicht wel maar implementatie moeilijk wegens complexiteit (verschillende deelaspecten) inschatting effecten moeilijk (uitz verstuiving)
T1_informatie
2
2
Globaal weinig. Wel voor bepaalde systemen (rivierdynamiek, zanddynamiek aan de kust)
T4_grenswaarden
0
2
Nee
13 Afname bodemdynamiek (erosie, omwoeling, verstuiving) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
3
matig (index 0,396 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
1
1
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
2
2
verspreid in Vlaanderen: kalkrijke hellingen (9150 beukenbos), duinen (kust & binnenland), Grensmaas (stroomdalgraslanden)
A4_complexiteit
2
2
Matig complex - veel ruimtegebruikers - veel (veelal) lokale bronnen, maar oorzaak-effect relatie per bron is vrij eenvoudig - druk is evenwel resultante van uiteenlopende oorzaken en omvat daarom uiteenlopende deelprocesketens; oorzaken van de afname van de verstuiving aan de kust is onvoldoende gekend
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - inschatting effecten moeilijk
T1_informatie
2
2
Globaal weinig. Wel voor bepaalde systemen (rivierdynamiek, zanddynamiek aan de kust)
T4_grenswaarden
0
2
Nee
14 Verlies van aquatische connectiviteit Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
3
matig (index 0,588 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 54 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A4_complexiteit
2
2
Matig complex - meestal ligt de verantwoordelijkheid bij overheden, maar ook wateringen en landbouwsector - vrij veel afzonderlijke bronnen (vnl. duikers, stuwen, e.d.)
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk
M1_bronger_maatreg
2
1
- Ja: ontsnipperingsmaatregelen op waterlopen mogelijk
T1_informatie
2
2
Deels wel voor habitat 3260 (ondiepe beken en rivieren). Vismigratieknelpunten zijn goed gekend. Voor stilstaande wateren is wellicht veel minder informatie beschikbaar.
T4_grenswaarden
1
2
Beperkt: aquatische habitats dan terrestrisch habitats die voor connectiviteit afhankelijk zijn van aquatische habitats. Connectiviteitsstudies die beschikbaar zijn, gaan slechts over één of enkele soorten, zelden of nooit over het functioneren van het gehele habitat
15 Verlies van terrestrische connectiviteit Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,551 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
1
3
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
2
Complex: - Veel sectoren: alle ruimtegebruikers (terrestrische natuurinfrastructuur) + ruimtelijke ordening: het creëren van barrières/fragmentatie thv tuinen, bermen, natuurpercelen, bomen, hagen, corridors, … - Veel gelokaliseerde bronnen; effect op grotere schaal wordt versterkt door meerdere bronnen
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk (nog nodig: uitwerking van de plannen in S-IHD rapporten om connecties binnen en tussen SBZ gebieden te voorzien; maar ook een sanering van de (meest prioritaire) migratiebarrières (cfr. ontsnipperingstool))
M1_bronger_maatreg
2
3
- Ja - Ja (lokale modellen? / kennis)
T1_informatie
2
2
Gedeeltelijke basisgegevens beschikbaar (ook leefgebieden). Verschillende methodes beschikbaar (deelaspecten), o.m. ontsnipperingstool. Mogelijke inspiratie qua methodiek: https://biblio.ugent.be/publication/7169040/file/810101 8.pdfhttps://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 55 van 77
Vraag
Score
Betrouwbaarheid Uitleg
0169204614001613 T4_grenswaarden
1
2
Weinig kennis beschikbaar. De meeste kennis is er over vereiste oppervlaktes van soorten (leefgebied) en van habitats, maar over de noodzakelijke kwantitatieve en kwalitatieve kenmerken van verbindingen is minder gekend (uitgezonderd voor boshabitat, waarvoor is aangetoond dat fysisch contact via ander bos of houtkanten vereist is).
3.1 Eutrofiëring via de lucht: partim stikstof Vraag
Score
Betrouwbaarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,612 / aantalklassen 3)
A2a_actieradius
3
3
SBZ-(deel)gebied tot internationaal
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
3
Complex: - Veel sectoren: verkeer, landbouw, industrie, huishoudens: stikstofemissies - Eerder diffuus, maar met talrijke puntbronnen. Zie https://www.milieurapport.be/milieuthemas/vermestingverzuring/verzuring/aandeel-doelgroepen-en-import-inde-potentieel-verzurende-depositie
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, PAS moet verder uitgewerkt en geïmplementeerd worden
M1_bronger_maatreg
3
3
- Ja - Ja (Vlaams model)
T1_informatie
2
3
Er is veel beschikbaar maar weinig gevalideerd, vele assumpties mbt tot omvang van de emissie: - Puntgewijze metingen voor validatie - Vlaanderendekkend model (VLOPS) - mogelijkheid tot lokale modellering (IFDM)
T4_grenswaarden
3
3
Ja: KDW voor stikstofdepositie
3.2 Eutrofiëring via de bodem: partim fosfor Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 0,975 / aantalklassen 3)
A2a_actieradius
0
3
veelal lokaal
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
2
3
Matig complex: - Weinig, met name landbouw: bemesting (dierlijk / kunstmest) met effecten op bodem en
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 56 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
grondwater - Vele bronnen - Complexe interactie met verdroging, vernatting, sulfaataanvoer via grondwater, die eutrofiĂŤring thv de bodem veroorzaken B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk
M1_bronger_maatreg
2
3
- Ja (maar moeilijker dan stikstof) - Ja (kwalitatief?)
T1_informatie
1
3
Onvoldoende: - Puntgewijze metingen, enkel in landbouwgebied (Bodem: oude fosfaatverzadigingskaarten van jaren negentig met lage dichtheid aan punten (Baert et a l 1997); meer in MAP5) Mestbankgegevens (mestproductie; mestafzet en N+P in Vlaamse landbouwpercelen) Ivm interactie met andere milieudrukken (vraag A4), zie die milieudrukken
T4_grenswaarden
2
3
Deels: referentiewaarden + work in progress. Fosfaatverzadigingsconcept als basis voor al dan niet uitlogen van P uit bodems, maar geen bruikbare modellen voor traject tussen toplaag v bodem en kwel in natuurgebied. Geen kritische waarden op niveau van standplaats maar eerder toestandsvariabele grotendeels gekend (+ bijdrage habnorm)
3.2 EutrofiĂŤring via de bodem: partim stikstof Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 0,975 / aantalklassen 3)
A2a_actieradius
1
2
veelal lokaal, tot SBZ-(deel)gebied wegens mobiliteit van element
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
2
3
Matig complex: - Weinig, met name landbouw: bemesting (dierlijk / kunstmest) met effecten op bodem en grondwater - Vele bronnen - Complexe interactie met verdroging, vernatting, sulfaataanvoer via grondwater, die eutrofiĂŤring thv de bodem veroorzaken
B2b_tekort_beleidsin strum
1
2
Ja, er is een adequaat instrument (MAP), maar er is verdere aanscherping en implementatie nodig
M1_bronger_maatreg
3
2
- Ja - Ja
T1_informatie
2
2
De Mestbank verzamelt gedetailleerde gegevens over de N-stromen in landbouwbedrijven, en dit voor heel Vlaanderen; via modellen is er inschatting mogelijk van de verliezen naar compartimenten lucht en (grond)water. De
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 57 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
stikstof die vrijkomt via verdroging (mineralisatie) is waarschijnlijk minder goed gekend of te begroten. T4_grenswaarden
2
3
Deels: referentiewaarden + work in progress.
3.3 EutrofiĂŤring via het grondwater: partim fosfor Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,091 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
1
3
lokaal tot niveau grondwatersysteem
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
2
3
Matig complex: - Meerdere sectoren: Landbouw: bemesting (dierlijk / kunstmest) met effecten op grondwater; in mindere mate huishoudens en industrie met effecten op grondwater door infiltratie van afvoerwater - Vele bronnen
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk
M1_bronger_maatreg
2
3
- Ja - Ja (kwalitatief?, modellering heel complex)
T1_informatie
1
2
Onvoldoende: - Puntgewijze metingen (Bodem enkel in landbouwgebied: oude fosfaatverzadigingskaarten van jaren negentig met lage dichtheid aan punten (Baert et a l 1997); meer in MAP5. Water: deels via meetnet INBO en VMM)
T4_grenswaarden
2
3
Deels: referentiewaarden + work in progress. Fosfaatverzadigingsconcept als basis voor al dan niet uitlogen van P uit bodems, maar geen bruikbare modellen voor traject tussen toplaag v bodem en kwel in natuurgebied. Geen kritische waarden op niveau van standplaats maar eerder toestandsvariabele grotendeels gekend (+ bijdrage habnorm)
3.3 EutrofiĂŤring via het grondwater: partim stikstof Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,091 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot niveau grondwatersysteem
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 58 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A4_complexiteit
2
2
Matig complex: - Meerdere sectoren: Landbouw: bemesting (dierlijk / kunstmest) met effecten op grondwater; in mindere mate huishoudens en industrie met effecten op grondwater door infiltratie van afvoerwater - Vele bronnen
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk (het gaat zowel over input van bemesting als atmosferisch)
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Ja (kwalitatief?, modellering heel complex)
T1_informatie
2
2
grondwatermeetpunten WATINA, VMM, VLM zijn beschikbaar in geheel Vlaanderen; grondwatermodellering is mogelijk maar modellen zijn nog niet overal beschikbaar
T4_grenswaarden
2
3
Deels: referentiewaarden + work in progress.
3.4 Eutrofiëring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim fosfor Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,056 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
2
3
SBZ-(deel)gebied / ecoregio / valleisysteem / oppervlaktewater
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen; een deel van de valleigebieden en kust (Vlaanderen) plus oppervlaktewateren en erosiegevoelige hellingen; ook andere systemen
A4_complexiteit
3
2
Complex: - sectoren: landbouw, huishoudens, industrie vele bronnen, ook erosie, afspoeling
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk (vergunningverlening, MAP, riolering, erosiebestrijding, …). Er is meer nodig om tot een duurzaam en IHD-compatibel watersysteem te komen in Vlaanderen. Er zijn instrumenten, maar de implementatie is te vrijblijvend of beperkt (de normen worden nog niet gehaald)
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Ja (modellering nodig)
T1_informatie
2
3
“Er zijn data, maar nog niet toereikend: - Puntmetingen oppervlaktewater - Landbouwbemesting (Mestbank) Erosieproblematiek is onvoldoende in kaart gebracht Geen zicht op impact in overstromingsgebied - Er bestaan
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 59 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
gebiedsspecifieke modellen voor sedimentatie� T4_grenswaarden
2
2
- Er zijn normen voor de natuurkwaliteit van aquatische systemen, maar niet van terrestrische systemen en deze zijn niet eenvoudig op te stellen. - Er kan wel een link verondersteld worden tussen beide in het geval van overstroming. - In het geval van afspoeling kan men stellen dat geen aangerijkte bodem in het habitat mag terecht komen, dus geen enkele depositie van slib via erosie is toelaatbaar.
3.4 EutrofiĂŤring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater en afspoeling): partim stikstof Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,056 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
2
3
SBZ-(deel)gebied / ecoregio / valleisysteem / oppervlaktewater
A2b_geogr_spreiding
3
2
een deel van de valleigebieden en kust (Vlaanderen) plus oppervlaktewateren en erosiegevoelige hellingen; ook andere systemen
A4_complexiteit
3
3
Complex: - sectoren: landbouw, huishoudens, industrie vele bronnen, ook erosie, afspoeling
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk (vergunningverlening, MAP, riolering, erosiebestrijding, ‌). Er is meer nodig om tot een duurzaam en IHD-compatibel watersysteem te komen in Vlaanderen. Er zijn instrumenten, maar de implementatie is te vrijblijvend of beperkt (de normen worden nog niet gehaald)
M1_bronger_maatreg
2
3
- Ja - Ja (modellering nodig)
T1_informatie
2
2
Er zijn data, maar nog niet toereikend: - Puntmetingen oppervlaktewater - Landbouwbemesting (Mestbank) Erosieproblematiek is onvoldoende in kaart gebracht Geen zicht op impact in overstromingsgebied - Er bestaan gebiedsspecifieke modellen voor sedimentatie
T4_grenswaarden
2
2
- Er zijn normen voor de natuurkwaliteit van aquatische systemen, maar niet van terrestrische systemen en deze zijn niet eenvoudig op te stellen. - Er kan wel een link verondersteld worden tussen beide in het geval van overstroming. - In het geval van afspoeling kan men stellen dat geen aangerijkte bodem in het habitat mag terecht komen, dus geen enkele depositie van slib via
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 60 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
erosie is toelaatbaar. 4.1 Verzuring via de lucht Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 0,989 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
3
2
SBZ-(deel)gebied tot internationaal
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
3
Complex - veel sectoren: verkeer, landbouw, industrie, huishoudens: zwavel is zo goed als onder controle, maar verzuring door stikstofdepositie (NH3, NH4+) blijft op veel plaatsen een probleem. Bovendien zijn de mogelijkheden voor herstel klein, door de daling in de depositie van basische kationen alsook de voorraad basische kationen in de bodem - heel veel puntbronnen, met een eerder diffuse werking elk op zich, maar een belangrijke cumulatieve impact
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, het PAS-instrumentarium kan hiervoor worden omgebouwd
M1_bronger_maatreg
3
2
- Ja (reductie emissies) - Ja (Vlaams model)
T1_informatie
2
3
Er is veel beschikbaar maar weinig gevalideerd, vele assumpties: - Puntgewijze metingen - Vlaanderendekkend model (VLOPS) - mogelijkheid tot lokale modellering (IFDM)
T4_grenswaarden
3
3
Ja: KDW voor verzuring via de lucht
4.2 Verzuring via het grondwater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,086 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
3
lokaal tot niveau grondwatersysteem
A2b_geogr_spreiding
2
2
De weinig gebufferde delen van Vlaanderen (zandig); bepaalde ecoregio’s, afhankelijk van hydrologie en geochemie en landgebruik in infiltratiegebieden
A4_complexiteit
2
2
Matig complex: - Weinig, met name landbouw: bemesting (dierlijk / kunstmest) met effecten op bodem en grondwater - Vele bronnen - Complexe interactie met verdroging, vernatting, sulfaataanvoer via grondwater, die eutrofiĂŤring thv de bodem veroorzaken
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 61 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk (het gaat zowel over input van bemesting als atmosferisch)
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Ja (vooral kwalitatief inzicht)
T1_informatie
2
2
grondwatermeetpunten WATINA, VMM, VLM zijn beschikbaar in geheel Vlaanderen; grondwatermodellering mogelijk is mogelijk maar modellen zijn nog niet overal beschikbaar
T4_grenswaarden
1
2
Deels: data beschikbaar, maar work in progress.
4.3 Verzuring via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
3
lokaal
A2b_geogr_spreiding
1
3
Verspreid, maar heel lokale situaties/problematiek
A4_complexiteit
1
2
Minder complex - matig aantal sectoren: industrie, landbouw - aantal puntbronnen in Vlaanderen is vermoedelijk klein
B2b_tekort_beleidsin strum
1
1
Ja, via instrumenten die de eutrofiĂŤring bekampen. Actueel is deze milieudruk slechts lokaal aanwezig, waardoor combinatie van een gebiedsgerichte aanpak en regionale instrumenten vermoedelijk op een adequate wijze problemen kunnen aanpakken waar ze zich (zouden) voordoen.
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Ja (vooral kwalitatief inzicht)
T1_informatie
2
2
verspreide informatie bij detailstudies in wetlands
T4_grenswaarden
1
2
Deels: data beschikbaar, maar work in progress. Geen grenswaarden voor stagnerend regenwater, studies naar het proces zijn wel beschikbaar.
5.1 Verdroging via het grondwater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
3
3
hoog (index 1,199 / aantalklassen 2)
A2a_actieradius
1
3
lokaal tot niveau grondwatersysteem
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 62 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A4_complexiteit
3
3
Complex - vrij veel sectoren: drinkwater, landbouw, industrie - zeer veel puntbronnen (grondwaterwinning van klein tot zeer groot), maar ook diffuse werking van (grootschalige) drainage
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels via vergunningenkader, maar deze kan zich hierbij slechts baseren op enkele algemen bepalingen uit het natuurdecreet of de habitatrichtlijn en veel bronnen van verdroging vallen daar niet onder (kleine bemalingen, drainage, ‌)
M1_bronger_maatreg
3
3
- Ja - Ja (grondwatermodellering)
T1_informatie
2
2
grondwatermeetpunten WATINA, VMM, VLM zijn beschikbaar in geheel Vlaanderen; grondwatermodellering mogelijk is mogelijk maar modellen zijn nog niet overal beschikbaar
T4_grenswaarden
2
3
Deels: referentiewaarden + work in progress.
5.2 Vernatting via het grondwater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,191 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot niveau grondwatersysteem
A2b_geogr_spreiding
2
2
Verspreid in Vlaamse valleigebieden (herstel natuurlijke waterstanden ikv natuurinrichting/milieubouw/bufferwerking en overstromingspreventie)
A4_complexiteit
1
2
Weinig complex - weinig sectoren: vnl. milieu- en natuursector (overheid/ngo) via natuurherstel valleisystemen - bron is vaak terug te brengen tot enkele ingrepen (vermindering drainage/stopzetten ruimingen waterloopbedding/opstuwing, e.a.), met diffuse werking interactie met verzuring via oppervlaktewater (stagnerend regenwater) en interne eutrofiĂŤring
B2b_tekort_beleidsin strum
1
2
Ja, via vergunningenkader + wetgeving i.v.m. ruiming + beheerplanning
M1_bronger_maatreg
3
3
- Ja - Ja (grondwatermodellering)
T1_informatie
2
2
grondwatermeetpunten WATINA, VMM, VLM zijn beschikbaar in geheel Vlaanderen; grondwatermodellering mogelijk is mogelijk maar modellen zijn nog niet overal beschikbaar
T4_grenswaarden
1
2
Deels: referentiewaarden + work in progress. Maar niet
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 63 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
beschikbaar voor droge types 61 Toename overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
3
matig (index 0,355 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
2
3
SBZ-(deel)gebied / ecoregio / valleisysteem
A2b_geogr_spreiding
2
3
een deel van de valleigebieden en kust van Vlaanderen
A4_complexiteit
3
3
Complex: - Alle sectoren die ingrijpen in het watersysteem zodat versneld water wordt afgevoerd (o.m. door ruimtebeslag / verharding), dus alle sectoren - Veel bronnen: diffuse oorsprong + lokale versterking door rechttrekking / verdieping / verbreding van waterlopen
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, er is meer nodig om tot een duurzaam en IHDcompatibel watersysteem te komen in Vlaanderen. Er zijn instrumenten, maar de implementatie is te vrijblijvend of beperkt
M1_bronger_maatreg
2
3
- Ja - Ja (modellering nodig)
T1_informatie
1
2
Veel beschikbaar, maar niet Vlaanderendekkend (kleinste waterlopen vaak niet gemodelleerd) en niet natuurgericht (antropocentrisch). Minder gericht op kortere-termijn evoluties. - Puntgewijze peilmetingen overstromingsgevaarkaarten met diepte, stroomsnelheid & stijgsnelheid voor 10-, 100- en 1000-jaarlijkse stormen; kaarten overstromingsgevoelige gebieden Vlaanderendekkend model: zou dit al gemaakt zijn (technologie en kennis is er allicht wel)
T4_grenswaarden
2
3
Benaderend / kwalitatief wel (De Nocker et al. 2006: expertkennis voor toestandsvariabelen: compatibiliteit van vegetatietypen met een bepaalde frequentie, duur, diepte, seizoen overstroming; Zonneveld voor zoetwatergetijden Biesbosch)
62 Afname overstromingsduur of -frequentie (incl. getijden) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
3
matig (index 0,263 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
2
2
SBZ-(deel)gebied / ecoregio / valleisysteem
A2b_geogr_spreiding
2
2
Bepaalde delen van Vlaamse valleigebieden, vnl. benedenloop grotere rivieren en beken
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 64 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A4_complexiteit
3
2
Complex: - Alle sectoren die ingrijpen in het watersysteem zodat versneld water wordt afgevoerd (o.m. door ruimtebeslag / verharding), dus alle sectoren - Veel bronnen: diffuse oorsprong + lokale versterking door rechttrekking / verdieping / verbreding van waterlopen
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, er is meer nodig om tot een duurzaam en IHDcompatibel watersysteem te komen in Vlaanderen. Er zijn instrumenten, maar de implementatie is te vrijblijvend of beperkt
M1_bronger_maatreg
1
2
- zeer veel bronnen met variabele inbreng, daardoor effecten moeilijk door te rekenen
T1_informatie
1
2
Veel beschikbaar, maar niet Vlaanderendekkend (kleinste waterlopen vaak niet gemodelleerd) en niet natuurgericht (antropocentrisch). Minder gericht op kortere-termijn evoluties. - Puntgewijze peilmetingen overstromingsgevaarkaarten met diepte, stroomsnelheid & stijgsnelheid voor 10-, 100- en 1000-jaarlijkse stormen; kaarten overstromingsgevoelige gebieden Vlaanderendekkend model: zou dit al gemaakt zijn (technologie en kennis is er allicht wel)
T4_grenswaarden
2
2
Benaderend / kwalitatief wel (De Nocker et al. 2006: expertkennis voor toestandsvariabelen: compatibiliteit van vegetatietypen met een bepaalde frequentie, duur, diepte, seizoen overstroming; Zonneveld voor zoetwatergetijden Biesbosch)
63 Toename van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,191 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot niveau oppervlaktewaterlichaam
A2b_geogr_spreiding
1
2
Estuariene systemen in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
2
Complex - veel sectoren en beleidsomgevingen (landbouw, ruimtelijke ordening, water- en klimaatbeleid) - zeer veel potentiĂŤle bronnen, gelinkt aan verminderde infiltratie, rechttrekking van waterlopen, verharding complexer voor landinwaartse stromende wateren (3260) dan voor estuaria
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Bestaande instrumentarium onvoeldoende ontwikkeld in functie van natuurkwaliteit en nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 65 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
M1_bronger_maatreg
1
2
- zeer veel bronnen met variabele inbreng, daardoor effecten moeilijk door te rekenen
T1_informatie
2
1
Stroomsnelheid wordt vanaf 2020 jaarlijks gemodelleerd voor Zeeschelde en Maas.
T4_grenswaarden
1
2
Voor het subtidaal deel van het Schelde-estuarium zijn er grenswaarden, voor de supralitorale habitats niet.
64 Afname van stroomsnelheid, waterpeil en/of de fluctuatie ervan Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
3
matig (index 0,312 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot niveau oppervlaktewaterlichaam
A2b_geogr_spreiding
2
2
Verspreid over Vlaanderen
A4_complexiteit
3
2
Complex - sectoren landbouw, (huishoudelijke) drinkwatervoorziening, klimaatverandering - zeer veel mogelijke bronnen, met een uitgesproken cumulatieve impact + exogene oorzaken (bv. klimaatverandering) complexer voor landinwaartse stromende wateren (3260) dan voor estuaria
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, heel complex door de veelheid aan sectoren en bronnen. Er is een beoordelingskader voor individuele vergunningsaanvragen, maar deze houdt onvoldoende rekening met cumulatieve effecten, waardoor het zijn doel voorbijschiet
M1_bronger_maatreg
2
1
redelijke onzekerheid op inschattingen
T1_informatie
2
2
Stroomsnelheid wordt vanaf 2020 jaarlijks gemodelleerd voor Zeeschelde en Maas.
T4_grenswaarden
1
2
Voor enkele habitats zijn er grenswaarden voor overspoelingsfrequenties.
65 Toename golfslagwerking Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,138 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
3
zeer lokaal tot lokaal
A2b_geogr_spreiding
1
2
(vooral) Schelde-estuarium
A4_complexiteit
1
3
Weinig complex - scheepvaart belangrijkste/enige sector aantal bronnen is (zeer) klein
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 66 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Er zijn beleidsinstrumenten (richtlijnen) maar ze zijn onvoldoende adequaat
M1_bronger_maatreg
3
3
- Ja - Ja (modellen waterbouwkundig labo)
T1_informatie
1
2
Fragmentarisch: er zijn metingen op 4 locaties in het Schelde-estuarium.
T4_grenswaarden
0
1
Nee
66 Afname golfslagwerking Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,09 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
3
zeer lokaal tot lokaal
A2b_geogr_spreiding
1
3
verspreid in Vlaanderen, vooral in Kempen: (grotere) plassen met 3110 of 3130_aom
A4_complexiteit
2
2
Matig complex: - Alle ruimtegebruikers (terrestrische natuurinfrastructuur): * bomen, hagen, bebouwing, extensivering beheer (minder dynamiek) ‌: windvang in de omgeving van plassen met geleidelijke oevers * ingrepen met hydrologische gevolgen - Veel gelokaliseerde bronnen, maar effect op grotere schaal wordt versterkt door meerdere bronnen
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, de implementatie is te vrijblijvend of beperkt. (Gebiedsgerichte noden: instandhoudingsmaatregelen in N2000 managementplannen - geĂŻmplementeerd in natuurbeheerplannen of in acties rond de milieuconditie)
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - Wellicht (lokale modellen of gebiedskennis)
T1_informatie
0
2
Voornamelijk relevant voor vennen en daarover is informatie zo goed als onbestaande
T4_grenswaarden
0
2
Nee
7.1 Verzoeting via het grondwater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,107 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
1
3
ecoregio Polders
A4_complexiteit
0
2
Eenvoudig - waterbeheer in de Polders (vnl ifv landbouw),
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 67 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
beperkt aantal gevallen B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Er zijn nauwelijks beleidsinstrumenten, ze zijn onvoldoende adequaat
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja (peilbeheer) - gedeeltelijk wel
T1_informatie
3
3
Vlakdekkend, goed gekend (duinen, polders)
T4_grenswaarden
1
2
referentie- of grenswaarden zijn niet zo goed gekend, indicatorwaarden zijn wel beschikbaar.
7.2 Verzoeting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0,107 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
1
2
ecoregio Polders
A4_complexiteit
0
2
Eenvoudig - waterbeheer in de Polders (vnl ifv landbouw), beperkt aantal gevallen
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Er zijn nauwelijks beleidsinstrumenten, ze zijn onvoldoende adequaat
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja (peilbeheer) - gedeeltelijk wel
T1_informatie
2
2
Voor de Schelde zijn saliniteitsmetingen beschikbaar.
T4_grenswaarden
1
2
referentie- of grenswaarden zijn niet zo goed gekend, indicatorwaarden zijn wel beschikbaar.
7.3 Verzilting via het grondwater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
1
3
ecoregio Polders
A4_complexiteit
1
2
Weinig complex - eerder “passief gebeuren� (interne verzilting) zonder aanduidbare sectoren, weliswaar versterkt door klimaatverandering (toenemende zoutwaterdruk door zeespiegelstijging en eeuwenlange menselijk ingrijpen (ontginning, inklinking poldergronden) en landbouwdrainage - weinig sectoren: landbouw (winning zoet oppervlakte- en grondwater) - aantal
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 68 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
bronnen met effectieve impact op proces van verzilting eerder beperkt B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, via vergunningsbeleid, maar houdt onvoldoende rekening met cumulatieve effecten, geen overkoepelend beleidsinstrumentarium
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - gedeeltelijk, impact wellicht niet eenduidig te begroten
T1_informatie
3
3
Vlakdekkend, goed gekend (duinen, polders)
T4_grenswaarden
1
2
referentie- of grenswaarden zijn niet zo goed gekend, indicatorwaarden zijn wel beschikbaar.
7.4 Verzilting via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
1
3
ecoregio Polders
A4_complexiteit
1
2
Weinig complex - estuarien waterbeheer (baggerwerken, ruimingen getijdengeul); voor belangrijk deel “passief gebeuren� (indringing zouttong via getijdenrivieren n.a.v. zeespiegelstijging; zie ook verzil ting via grondwater) - aantal bronnen met effectieve impact eerder beperkt
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, via vergunningsbeleid, maar houdt onvoldoende rekening met cumulatieve effecten, geen overkoepelend beleidsinstrumentarium
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - gedeeltelijk, impact wellicht niet eenduidig te begroten
T1_informatie
2
2
Voor de Schelde zijn saliniteitsmetingen beschikbaar.
T4_grenswaarden
1
2
referentie- of grenswaarden zijn niet zo goed gekend, indicatorwaarden zijn wel beschikbaar.
8.1 Verontreiniging via de lucht Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
1
laag (index 0,015 / aantalklassen 0 )
A2a_actieradius
2
2
afhankelijk van stof: lokaal tot internationaal
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 69 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A2b_geogr_spreiding
3
3
wijd verspreid in Vlaanderen; variabel volgens stof
A4_complexiteit
3
3
Complex - veel sectoren (vooral industrie en verkeer, maar ook huishoudens, landbouw, …) - aantal bronnen varieert volgens stof/sector (o.a. dioxines, PCB’s, PAK’s, zware metalen, fijn stof, elementair koolstof) van beperkt aantal (industrie bv. loodraffinaderijen, …) tot veel (verkeer, verbrandingsinstallaties, …)
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, beleidsintrumenten onvoldoende ontwikkeld in functie van natuurkwaliteit (biodiversiteit/fauna/flora). Voor veel componenten bestaat er ook nauwelijks of geen monitoring
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja - gedeeltelijk (soms complexe modellering nodig)
T1_informatie
2
2
VMM meetnet lucht; onvolledig
T4_grenswaarden
0
2
Nauwelijks en focus op gezondheid en milieu. Voorbeelden zijn de Europese LT doelstelling voor ozon, de Europese streefwaarden voor bepaalde zware metalen
8.2 Verontreiniging via de bodem Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
1
laag (index 0,075 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
2
lokaal
A2b_geogr_spreiding
2
2
Verspreid over Vlaanderen; hangt af van de hydrologie en geochemie van het gebied
A4_complexiteit
3
3
Complex - weinig gekend waar verontreinigingen aanwezig zijn, maar alleszins op veel plaatsen en door uiteenlopende sectoren - vaak historische verontreinigingen - beschikbaarheid afhankelijk van fysico-chemische factoren; interactie tussen polluenten; nog ongekende polluenten
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk en niet ontwikkeld in functie van natuurkwaliteit/biodiversiteit
M1_bronger_maatreg
2
2
niet altijd evident; polluentafhankelijk; moeilijk met historische vervuiling
T1_informatie
1
2
Alleen lokale studies; OVAM
T4_grenswaarden
1
2
Beperkt: Vlarebo bodemsaneringsnormen en streefwaarden voor bodem (bestemmingstype natuur)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 70 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
8.3 Verontreiniging via het grondwater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
1
matig (index 0,22 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot niveau grondwatersysteem
A2b_geogr_spreiding
2
2
Verspreid over Vlaanderen
A4_complexiteit
2
2
Matig complex - beperkt aantal sectoren (vnl. industrie) beperkt aantal bronnen, maar wel interacties mogelijk (polluenten onderling, maar ook met bodem/gesteente)
B2b_tekort_beleidsin strum
2
1
Deels, ze zijn nog onvoldoende afgestemd op de complexiteit van de milieudruk (bewegingen van polluenten moeilijk voorspelbaar) en niet ontwikkeld in functie van natuurkwaliteit/biodiversiteit
M1_bronger_maatreg
2
2
niet altijd evident; polluentafhankelijk; moeilijk met historische vervuiling
T1_informatie
1
2
Onvoldoende gekend: te weinig specifieke metingen van polluenten in het grondwater
T4_grenswaarden
1
2
Beperkt: Vlarebo bodemsaneringsnormen en streefwaarden voor bodem (bestemmingstype natuur)
8.4 Verontreiniging via het oppervlaktewater (incl. overstromingswater) Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
2
1
matig (index 0,465 / aantalklassen 1)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot valleisysteem
A2b_geogr_spreiding
2
2
een deel van de valleigebieden en kust (Vlaanderen) plus oppervlaktewateren
A4_complexiteit
3
3
Complex - sectoren: vooral industrie, landbouw, ook huishoudens - veel bronnen - complexe processen bepalen beschikbaarheid polluenten
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels, beleidsinstrumenten (emissienormen, erosiebesluit) bestaan maar zijn niet streng genoeg
M1_bronger_maatreg
2
1
- Ja: emissies beperken, RWZI verbeteren, erosiebeperkende maatregelen,‌ - Impact op de milieudruk kan voor sommige stoffen eerder gering zijn (bv. hormonen in RWZI effluenten)
T1_informatie
2
1
Subset van VMM meetnet waterkwaliteit oppervlaktewater; niet in afstromend water (runoff)
T4_grenswaarden
0
2
Nee
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 71 van 77
8.5 Thermische verontreiniging: toename temperatuur oppervlaktewater Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
3
laag (index 0 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
2
lokaal
A2b_geogr_spreiding
1
2
lokaal, enkele waterlopen stroomafwaarts energiecentralen of industrieterreinen
A4_complexiteit
1
3
Weinig complex - vooral sector energiewinning - impact beperkt zich wellicht tot grotere koelinstallaties (kernreactoren, WKK’s) aangesloten op stromende wateren; minder voor KMO’s/tuin- en landbouw
B2b_tekort_beleidsin strum
1
3
Ja, via vergunningenbeleid
M1_bronger_maatreg
3
2
- Ja: bv. technische aanpassingen bij de bron - Ja: via modellering
T1_informatie
1
1
Weinig informatie
T4_grenswaarden
2
3
VLAREM
9.1 Geluid en trillingen Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
2
laag (index 0,156 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
1
2
lokaal tot SBZ-(deel)gebied
A2b_geogr_spreiding
2
2
Verspreid over heel Vlaanderen, maar op bepaalde plaatsen meer dan elders (bv. industrie, wegen, steden, ..)
A4_complexiteit
3
2
Complex - veel sectoren: vrijwel alle ruimtegebruikers, met meeste impact van industrie, wegverkeer, recreatie, vliegvaart, bewoning - zeer veel, lokale bronnen - vaak samen met visuele verstoring (licht/beweging)
B2b_tekort_beleidsin strum
2
2
Deels. Vergunningsplichtige activiteiten moeten wel voldoen aan bepaalde normen (bv. VLAREM). Doorgaans worden de aanbevelingen op basis van een lokale analyse (bv. MER) toegepast, steunend op beschikbare kennis en deels een expertenoordeel. Specifiek voor windturbines bestaat wel een INBO leidraad en (voor vleermuizen) beleidskader vanuit ANB.
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja: bv. technische aanpassingen aan bepaalde bronnen, afscherming, bepaalde afstandsregels op basis van review studies - impact inschatten moeilijk (door complexiteit van meerdere bronnen en verschillende gevoeligheid van soorten)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 72 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
T1_informatie
1
2
Slechts voor enkele bronnen (bv. geluid langs snelwegen) maar niet gebiedsdekkend voor Vlaanderen, en ook niet voor alle bronnen. Modellering zal (te) complex zijn voor de meeste bronnen.
T4_grenswaarden
1
2
Zeer beperkt. In enkele review studies geeft men drempelwaarden voor bv. zangvogels en weidevogels voor geluid van we gverkeer, of bv. verstoringsafstanden voor bronnen zoals recreatie en windturbines (combinatie met beweging), maar door de complexiteit van de bronnen en verschillende gevoeligheid van soorten, zijn vaste drempelwaarden moeilijk te bepalen. Voor vergunninghoudende activiteiten worden vaak maatregelen voorgesteld specifiek voor de betreffende locatie.
9.2 Licht en straling Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
2
laag (index 0,156 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
2
lokaal
A2b_geogr_spreiding
3
2
wijd verspreid in Vlaanderen
A4_complexiteit
3
2
Complex - veel sectoren: vrijwel alle ruimtegebruikers, met meeste impact van industrie, wegverkeer, woongebied - zeer veel lokale bronnen (bv. verlichting langs wegen) - elektromagnetische straling: geen wetenschappelijke consensus over mogelijke effecten, maar er zijn wel indicaties
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Neen, er wordt vooral op sensibilisering ingezet. Normen in VLAREM niet in functie van natuurkwaliteit/biodiversiteit
M1_bronger_maatreg
2
2
Lichthinder: - ja: enkel verlichten waar en wanneer noodzakelijk, aanpassen van de kleur (als laatste bijkomende maatregel), “donkertegebieden� afbakenen impact inschatten moeilijk (door complexiteit van meerdere bronnen en verschillende gevoeligheid van soorten) Straling: - te grote onzekerheden over de effecten en zo ook mogelijke milderende maatregelen.
T1_informatie
1
2
Er zijn nachtelijke satellietbeelden beschikbaar (maar actueel?) die globaal de staat van de lichtvervuiling kunnen weergeven. Voor electromagnetische straling zijn er modellen beschikbaar om op lokaal niveau te
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 73 van 77
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
gebruiken (opmaak doorgaans enkel i.k.v. aanvraag zendmasten) en er kunnen ook gerichte metingen worden uitgevoerd op lokaal niveau. T4_grenswaarden
1
2
Specifiek voor lichthinder bij bepaalde soortgroepen bestaan er wel internationale instrumenten (bv. richtlijnen EUROBATS rond lichthinder). Voor electromagnetische straling zijn er duidelijke normen via de wetgeving, maar er bestaat discussie of deze normen voldoende zijn.
9.3 Beweging en andere visuele verstoring Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
A1_problematiek
1
2
laag (index 0,156 / aantalklassen 0)
A2a_actieradius
0
2
lokaal
A2b_geogr_spreiding
2
2
Verspreid over heel Vlaanderen, maar op bepaalde plaatsen meer dan elders (bv. industrie, wegen, steden, ..)
A4_complexiteit
3
3
Complex - veel sectoren: vrijwel alle ruimtegebruikers, met meeste impact van industrie, wegverkeer, recreatie, vliegvaart, bewoning - zeer veel, lokale bronnen - gaat vaak samen met verstoring door geluid; directe mortaliteit mogelijk door beweging (bv. windturbines)
B2b_tekort_beleidsin strum
3
2
Neen. Doorgaans worden de aanbevelingen op basis van lokale analyse (bv. MER) toegepast, steunend op beschikbare kennis en deels een expertenoordeel. Specifiek voor windturbines bestaat wel een INBO leidraad en (voor vleermuizen) beleidskader vanuit ANB.
M1_bronger_maatreg
2
2
- Ja: aanbevolen verstoringsafstanden (op basis van review studies) voor bepaalde bronnen en soorten impact inschatten moeilijk (door complexiteit van meerdere bronnen en verschillende gevoeligheid van soorten)
T1_informatie
1
2
Informatie over wegverkeer, GIS informatie van bepaalde constructies zoals windturbines, enz. Maar onvoldoende, en meestal niet op niveau Vlaanderen. Modellering zal (te) complex zijn voor de meeste bronnen.
T4_grenswaarden
1
1
Zeer beperkt. In enkele review studies geeft men verstoringsafstanden voor bepaalde soorten specifiek voor bepaalde bronnen (bv. wandelaars, boten, vliegtuigen, windturbines (=combinatie met geluid)), maar door de complexiteit van de bronnen en verschillende
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 74 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
Vraag
BetrouwScore baarheid Uitleg
gevoeligheid van soorten, zijn vaste drempelwaarden moeilijk te bepalen. Voor vergunningverlenende activiteiten worden vaak maatregelen voorgesteld specifiek uitgewerkt voor de betreffende locatie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 75 van 77
E Bijlage: de gebruikte werkomgeving Voor de analyse van de gegevens werd gewerkt in de volgende omgeving: ● version: R version 3.5.3 (2019-03-11) ● os: Linux Mint 18.1 ● system: x86_64, linux-gnu ● ui: X11 ● language: (EN) ● collate: nl_BE.UTF-8 ● ctype: nl_BE.UTF-8 ● tz: Europe/Brussels ● date: 2019-03-26 R code beschikbaar via https://github.com/inbo/n2khab-pa package assertthat backports bookdown broom callr cellranger cli cluster colorspace crayon DBI dbplyr desc devtools digest dplyr evaluate forcats fs generics GGally ggplot2 ggrepel git2r git2rdata glue googlesheets gtable haven highr hms htmltools httr inboggvegan jsonlite knitr labeling lattice lazyeval lubridate magrittr MASS
loadedversion 0.2.0 1.1.3 0.9.2 0.5.1 3.1.1 1.1.0 1.0.1 2.0.7-1 1.4-0 1.3.4 1.0.0.9001 1.3.0 1.2.0 2.0.1 0.6.18 0.8.0.1 0.13 0.4.0 1.2.6 0.0.2 1.4.0 3.1.0 0.8.0 0.24.0 0.0.2.9000 1.3.1 0.3.0.9000 0.2.0 2.1.0 0.7 0.4.2.9001 0.3.6 1.4.0 0.5.0 1.6 1.22 0.3 0.20-38 0.2.1.9000 1.7.4 1.5 7.3-51.1
date 11/04/2017 14/12/2018 13/03/2019 5/12/2018 21/12/2018 27/07/2016 25/09/2018 9/04/2018 13/01/2019 16/09/2017 13/03/2019 9/01/2019 1/05/2018 26/10/2018 10/10/2018 15/02/2019 12/02/2019 17/02/2019 23/08/2018 29/11/2018 17/05/2018 25/10/2018 9/05/2018 7/01/2019 8/03/2019 12/03/2019 24/07/2018 26/02/2016 19/02/2019 9/06/2018 13/03/2019 28/04/2017 11/12/2018 16/11/2017 7/12/2018 8/03/2019 23/08/2014 4/11/2018 24/07/2018 11/04/2018 22/11/2014 1/11/2018
source CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) Github (rstudio/bookdown@cf3d5b2) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) Github (r-dbi/DBI@c8b885a) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.2) local CRAN (R 3.5.3) Github (jennybc/googlesheets@12abb02) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) Github (tidyverse/hms@16ff76e) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) Github (inbo/inboggvegan@794efbd) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) Github (hadley/lazyeval@93c455c) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 76 van 77
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
www.inbo.be
package Matrix memoise mgcv modelr munsell nlme pander permute pillar pkgbuild pkgconfig pkgload plyr prettyunits processx ps purrr R6 RColorBrewer Rcpp readr readxl remotes reprex reshape reshape2 rlang rmarkdown rprojroot rstudioapi rvest scales sessioninfo stringi stringr testthat tibble tidyr tidyselect tidyverse usethis vegan withr xfun xml2 yaml
loadedversion 1.2-16 1.1.0 1.8-27 0.1.4 0.5.0 3.1-137 0.6.3 0.9-5 1.3.1 1.0.2 2.0.2 1.0.2 1.8.4 1.0.2 3.3.0 1.3.0 0.3.1 2.4.0 1.1-2 1.0.0 1.3.1.9000 1.3.0 2.0.2 0.2.1 0.8.8 1.4.3 0.3.1 1.11 1.3-2 0.9.0 0.3.2 1.0.0 1.1.1 1.4.3 1.4.0 2.0.1 2.0.1 0.8.3 0.2.5 1.2.1.9000 1.4.0 2.5-4 2.1.2 0.5 1.2.0 2.2.0
date 8/03/2019 21/04/2017 6/02/2019 18/02/2019 12/06/2018 7/04/2018 6/11/2018 12/03/2019 15/12/2018 16/10/2018 16/08/2018 29/10/2018 8/06/2016 13/07/2015 10/03/2019 21/12/2018 3/03/2019 14/02/2019 7/12/2014 7/11/2018 13/03/2019 15/02/2019 30/10/2018 16/09/2018 23/10/2018 11/12/2017 8/01/2019 8/12/2018 3/01/2018 9/01/2019 17/06/2016 9/08/2018 5/11/2018 12/03/2019 10/02/2019 13/10/2018 12/01/2019 1/03/2019 11/10/2018 13/03/2019 14/08/2018 4/02/2019 15/03/2018 20/02/2019 24/01/2018 25/07/2018
source CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) Github (tidyverse/readr@b7e0b99) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) Github (hadley/tidyverse@5c6f3ef) CRAN (R 3.5.2) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.3) CRAN (R 3.5.1) CRAN (R 3.5.1)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (31)
Pagina 77 van 77