Skip to main content

Milieuhandhavingsrapport_2010.pdf

Page 1

MILIEUHANDHAVINGSRAPPORT 2010


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inhoud

WOORD VOORAF DOOR DE VOORZITTER VAN DE VLAAMSE HOGE RAAD VOOR DE MILIEUHANDHAVING: PROF. DR. MICHAEL G. FAURE LL. M. ................................................... 3 1

INLEIDING ................................................................................................................. 5

1.1

Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ......................... 5

1.2

Methodologie en relevantie Milieuhandhavingsrapport 2010................................................... 6

1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.3 2

Werkwijze ......................................................................................................................... 6 Structuur .......................................................................................................................... 7 Kanttekeningen ................................................................................................................. 8 Milieuhandhavingsbeleid ................................................................................................... 10 EVALUATIE VAN HET VLAAMSE MILIEUHANDHAVINGSBELEID IN 2010 ................ 13

2.1

2.1.1 2.1.2 2.2

2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3

2.3.1 2.3.1.1 2.3.1.2

2.3.2 2.3.2.1 2.3.2.2

2.3.3 2.3.4 2.3.4.1 2.3.4.2

2.4 3

Evaluatie van het gewestelijke milieuhandhavingsbeleid ...................................................... 13

Aangestelde gewestelijke toezichthouders .......................................................................... 13 Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken ................................................... 15 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de politie .................................... 30

Algemeen........................................................................................................................ 30 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Federale politie ....................... 31 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Lokale politie .......................... 33 Evaluatie van het gevoerde lokale milieuhandhavingsbeleid ................................................. 54

Provinciegouverneurs ....................................................................................................... 54 Bestuurlijke maatregelen ...............................................................................................................54 Veiligheidsmaatregelen ..................................................................................................................56

Provinciale toezichthouders............................................................................................... 56 Milieuhandhavingsactiviteiten door provinciale toezichthouders ........................................................56 Uitvoering bevoegdheden inzake onbevaarbare waterlopen (andere dan deze opgenomen in het Milieuhandhavingsdecreet) door aangeduide provinciale medewerkers .............................................58

Ondersteunende rol van de provincies ten aanzien van de gemeenten ................................. 59 Toezichtstaken uitgevoerd door de Vlaamse steden en gemeenten ...................................... 61 Burgemeesters ..............................................................................................................................62 Gemeentelijke toezichthouders .......................................................................................................73

Conclusie ........................................................................................................................ 95 EVALUATIE VAN DE INZET VAN DE AFZONDERLIJKE MILIEUHANDHAVINGSINSTRUMENTEN EN VEILIGHEIDSMAATREGELEN.............. 99

3.1

‘Controles waar een overtreding werd vastgesteld’.............................................................100

3.2

‘Controles waarvan het resultaat onbekend is’ ................................................................... 103

3.3

‘Controles zonder verdere actie’ .......................................................................................105

3.4

Evaluatie van het instrument ‘Raadgeving’ ........................................................................107

3.5

Evaluatie van het instrument ‘Aanmaning’ .........................................................................111

3.6

Evaluatie van het instrument ‘Verslag van vaststelling’ .......................................................115

3.7

Evaluatie van het instrument ‘Proces-verbaal’ .................................................................... 118

3.8

Evaluatie van het instrument ‘Bestuurlijke maatregelen’ en ‘Beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen’ ................................................................................................ 121

3.8.1 3.8.2 3.8.2.1

Evaluatie van het instrument ‘Bestuurlijke maatregelen’ .....................................................121 Beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen ............................................ 126 Aantal ingediende beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen en de beslissingen ter zake ........................................................................................................................................... 126 1 1


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010 3.8.2.2

Inhoud

Aantal ingediende beroepen tegen geweigerde verzoeken houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen en de beslissingen ter zake ....................................................................................... 128

3.9

Evaluatie van het instrument ‘Veiligheidsmaatregelen’ ........................................................ 129

3.10

Conclusie ....................................................................................................................... 135

4

EVALUATIE VAN HET VLAAMSE MILIEUSANCTIONERINGSBELEID IN 2010 ......... 138

4.1

4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2

4.2.1 4.2.1.1 4.2.1.2

4.2.2 4.2.3 4.3 5

Evaluatie van het strafrechtelijk sanctioneringsbeleid .........................................................140

Instroom ........................................................................................................................142 Vooruitgangsstaat ...........................................................................................................149 Motieven tot seponeren ...................................................................................................159 Evaluatie van het bestuurlijke sanctioneringsbeleid ............................................................167

Evaluatie van het gevoerde sanctioneringsbeleid door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie ................ 167 Behandeling van milieumisdrijven ................................................................................................. 167 Behandeling van milieu-inbreuken ................................................................................................ 180

Evaluatie van de rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege .......................................... 185 Evaluatie van het gevoerde sanctioneringsbeleid door de Vlaamse Landmaatschappij ........... 187 Conclusie ....................................................................................................................... 190 BESLUIT ................................................................................................................. 194

5.1

Samenvattende conclusies ............................................................................................... 194

5.2

Aanbevelingen ................................................................................................................197

5.2.1 5.2.2

Aanbevelingen ten aanzien van de Vlaamse Regering ........................................................ 197 Aandachtspunten ............................................................................................................199

VERKLARENDE WOORDENLIJST - AFKORTINGEN ................................................................. 202 Handhavingsactoren en instellingen ............................................................................................... 202 Milieuhandhavingsterminologie ...................................................................................................... 202 Andere ........................................................................................................................................ 203 LIJST VAN GRAFIEKEN ..........................................................................................................204 LIJST VAN TABELLEN ............................................................................................................. 207 BIJLAGEN………….. ..................................................................................................... ……….211

2 2


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Woord vooraf

WOORD VOORAF DOOR DE VOORZITTER VAN DE VLAAMSE HOGE RAAD VOOR DE MILIEUHANDHAVING: PROF. DR. MICHAEL G. FAURE LL. M. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving bestaat nu reeds meer dan twee jaar en het Milieuhandhavingsrapport 2010 vormt het tweede milieuhandhavingsrapport. Met het Milieuhandhavingsrapport 2009 heeft de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving voor een unicum gezorgd in het milieuhandhavingslandschap aangezien dit rapport voor een eerste maal vele en nuttige cijfergegevens bundelde inzake de activiteiten van de handhavingsactoren. Niet alleen in het Vlaams Gewest werd het Milieuhandhavingsrapport 2009 positief onthaald, ook op internationaal vlak kon de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving met het rapport een zeker aanzien oogsten. Het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd vertaald in het Engels en werd voorgesteld op verschillende internationale fora. De verwachtingen ten aanzien van onderstaand rapport zijn dan ook hoog. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving heeft uiteraard getracht om aan deze verwachtingen te voldoen. De draagwijdte van dit tweede rapport beslaat de periode van 1 januari 2010 tot 31 december 2010. Dit maakt niet alleen dat de bestudeerperiode betrekking heeft over een volledig kalenderjaar – in tegenstelling tot deze in het Milieuhandhavingsrapport 2009 -, maar tevens dat het Milieuhandhavingsdecreet reeds langer in werking was en dus aan te nemen valt dat de uitwerking ervan ook meer zichtbaar zal zijn in de verkregen cijfergegevens. Het Milieuhandhavingsrapport 2009 reikt de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving tevens vergelijkingsgegevens aan voor dit rapport. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving heeft deze kans dan ook niet onbenut gelaten om, naast de decretaal verplichte inhoud, waar mogelijk de vergelijking te maken tussen de gegevens van 2009 en deze van 2010. Een dergelijke vergelijking maakt het immers mogelijk om de evoluties in de uitwerking van het Milieuhandhavingsdecreet te beschrijven en op deze manier kan eventueel ook een bijdrage worden geleverd aan de evaluatie van dit decreet in 2012. Dit vergelijkingselement geeft het Milieuhandhavingsrapport 2010 een zekere meerwaarde, al neemt dit niet weg dat de opmaak van een dergelijk document nog steeds onderhevig is aan een leerproces. De bevraging van de milieuhandhavingsactoren is veelal gelijk aan deze voor het Milieuhandhavingsrapport 2009, al heeft de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving geleerd van de vorige exercitie. Door het ontbreken van eenduidige definities werden de bevragingsfiches door de milieuhandhavingsactoren op verschillende wijzen geïnterpreteerd en dus ook ingevuld. Door de gebruikte handhavingsterminologie in de bevragingslijst voor dit rapport te definiëren, werkte de VHRM niet alleen anticiperend in het kader van een uniforme opmaak, maar hoopt zo ook de juiste betekenis van de verschillende termen beter bekend te maken bij hen die bezig zijn met de handhaving van het milieurecht. Daarnaast werd de vragenlijst aangevuld of aangepast met de bedoeling een duidelijker beeld te krijgen van het handhavingslandschap in het Vlaamse Gewest. Deze vragenlijst zal in de loop der jaren allicht verder worden gestandaardiseerd, zowel in het kader van het leerproces waaraan de opmaak van het milieuhandhavingsrapport onderhevig is als in het kader van het steeds veranderende milieuhandhavingslandschap. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving blijft uiteraard volledig afhankelijk van de milieuhandhavingsactoren, en dit zowel op het vlak van de responsgraad als op het vlak van de correctheid van de aangereikte cijfergegevens. Ondanks het feit dat veel actoren spontaan zijn ingegaan op de vraag van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving – en daarmee dus ook uitvoering geven aan het Milieuhandhavingsdecreet – is de responsgraad niet bij alle overheden volledig dekkend en de gegevens dus ook niet steeds volledig representatief. Daarnaast was het zeer opvallend en verontrustend – gezien de soort antwoorden die de VHRM soms mocht ontvangen – dat verschillende handhavingsactoren zich het Milieuhandhavingsdecreet nog niet volledig eigen hebben gemaakt. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving zal samen met zijn werkgroepen de komende jaren streven naar een correcte invulling van het Milieuhandhavingsdecreet. Door in dit rapport melding te 3

3


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Woord vooraf

maken van flagrante antwoorden is het opzet uiteraard niet om bepaalde handhavingsactoren te scanderen, maar wel om euvels te herkennen zodat er kan worden geleerd uit de fouten en een accurate dataverzameling in de toekomst wel mogelijk wordt. Dit bezorgt de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving bovendien aanwijzingen en signalen van knelpunten die binnen de VHRM en zijn werkgroepen kunnen worden behandeld. Positief is dat vele actoren hun medewerking hebben verleend en zo waarheidsgetrouw mogelijk de bevragingslijst hebben ingevuld. Dit maakt dat de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving in het Milieuhandhavingsrapport 2010 conclusies kan trekken over de activiteiten van de handhavingsactoren in 2010 en evoluties in de implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet kan onderstrepen. In naam van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving zou ik de actoren die hebben gereageerd op onze vragenlijst oprecht wensen te danken. Zij maken het immers mogelijk dat dit rapport kan worden opgesteld. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving wenst met de publicatie van het Milieuhandhavingsrapport 2010 niet enkel te voldoen aan zijn decretale verplichting, maar tevens op een actieve en inhoudelijk sterke manier bij te dragen aan het milieuhandhavingsbeleid in het Vlaamse Gewest.

Prof. Dr. Michael G. Faure LL.M. Voorzitter Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving

4 4


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

1 1.1

Inleiding

INLEIDING DECREET VAN 5 APRIL 1995 HOUDENDE ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE MILIEUBELEID

De Vlaamse Hoge Raad voor Milieuhandhaving vindt zijn ontstaansbasis terug in het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen”1, kortweg het Milieuhandhavingsdecreet. De VHRM werd opgericht ter ondersteuning van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering bij de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het milieuhandhavingsbeleid. Met het oog op een doelmatige handhaving van de milieuwetgeving organiseert de VHRM dan ook het systematisch overleg met de milieuhandhavingsactoren. Dit overleg kan uitmonden in afspraken tussen de verschillende actoren. Deze afspraken worden protocollen genoemd. De VHRM zal de gangmaker zijn, zowel voor het voeren van het overleg met de milieuhandhavingsactoren, als voor het voorbereiden en het afsluiten van de protocollen. De samenstelling van de plenaire vergadering van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving werd vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving2 . Daarnaast werkt de VHRM met vier werkgroepen om bijzondere vraagstukken te onderzoeken: “Vaststelling en Toezicht”, “Bestuurlijke en Strafrechtelijke Sanctionering”, “Informatie-uitwisseling” en “Dataverzameling, Innovatie en Kennisopbouw”. De volledige samenstelling van de plenaire vergadering is terug te vinden op de website van de VHRM3. Jaarlijks dient de VHRM een milieuhandhavingsrapport en een milieuhandhavingsprogramma op te stellen. Het milieuhandhavingsprogramma bepaalt voor het komende kalenderjaar de handhavingsprioriteiten van de gewestelijke overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht. Het kan tevens aanbevelingen bevatten betreffende de handhaving van het milieurecht op provinciaal en gemeentelijk niveau, alsook inzake de samenwerking met en tussen deze beleidsniveaus. Het eerste programma, het Milieuhandhavingsprogramma 2010, werd op 11 januari 2010 goedgekeurd door de plenaire VHRM-vergadering. De Vlaamse Regering keurde het document goed op 26 maart 2010. Op 15 juni 2011 keurde de plenaire vergadering het tweede milieuhandhavingsprogramma, namelijk het Milieuhandhavingsprogramma 2011, goed. Dit werd vervolgens ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse Regering. De Milieuhandhavingsprogramma’s 2010 en 2011 zijn terug te vinden op de website van de VHRM4. Het milieuhandhavingsrapport bevat daarentegen minstens een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke milieuhandhavingsbeleid; een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten; een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maartregelen; een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld milieumisdrijf; een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten en provincies gevoerde milieuhandhavingsbeleid; een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend ter verbetering van de

1

Publicatie B.S. 29 februari 2009

2

Publicatie B.S. 19 maart 2009

3

http://www.vhrm.be/vhrm/leden-vertegenwoordigers-en-plaatsvervangers

4

http://www.vhrm.be/documenten/milieuhandhavingsprogramma

5 5


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inleiding

milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering; en aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het milieuhandhavingsbeleid. Dit rapport dient alle relevante cijfermatige informatie te bevatten betreffende het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde milieuhandhavingsbeleid. Het milieuhandhavingsrapport wordt beschouwd als een cruciaal element ter ondersteuning en eventuele bijsturing van het te voeren milieuhandhavingsbeleid. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving keurde het Milieuhandhavingsrapport 2009 goed tijdens de plenaire vergadering van dinsdag 9 november 2010. Dit eerste milieuhandhavingsrapport werd op woensdag 15 december 2010 officieel overhandigd aan minister Schauvliege en is terug te vinden op de website van de VHRM5.

1.2

METHODOLOGIE EN RELEVANTIE MILIEUHANDHAVINGSRAPPORT 2010

1.2.1

Werkwijze

Aan de hand van relevante, betrouwbare cijfermatige en kwalitatieve gegevens is het opzet dat het milieuhandhavingsrapport een concreet beeld geeft van het milieuhandhavingsbeleid dat in het Vlaamse Gewest werd uitgevoerd sinds 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010. Om aan dit doel – en de decretaal bepaalde onderdelen – te voldoen, heeft de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving, analoog de opmaak van het Milieuhandhavingsrapport 2009, een bevragingsfiche opgesteld voor de milieuhandhavingsactoren, waarin telkens werd toegespitst op de verschillende opdrachten van deze actoren. De volgende actoren werden bevraagd over hun activiteiten op vlak van de handhaving van het milieurecht tussen 1 januari 2010 en 31 december 20010: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • 5

de afdeling Milieu-inspectie van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; de afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij; de Vlaamse Landmaatschappij; de Vlaamse Milieumaatschappij; het Agentschap voor Natuur en Bos; Waterwegen en Zeekanaal NV; het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid; het Agentschap Wegen en Verkeer; het Agentschap Waterwegen en Zeekanaal; NV De Scheepvaart; Het departement Mobiliteit en Openbare Werken; de Vlaamse burgemeesters; de Vlaamse gemeenten; de Vlaamse politiezones; de Vlaamse intergemeentelijke verenigingen (actief inzake milieuhandhaving); de Federale politie;

http://www.vhrm.be/documenten/milieuhandhavingsrapport

6 6


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

• • • •

Inleiding

de Vlaamse provinciegouverneurs; de Vlaamse provinciale toezichthouders; het Milieuhandhavingscollege; de parketten.

Er werd gewerkt met een uniforme vragenlijst zodat vergelijkbare gegevens konden worden verkregen. Zo werd er onder meer gepeild naar het aantal toezichthouders binnen de organisatie, het aantal VTE (voltijdse equivalenten) besteed aan handhavingstaken, het aantal uitgevoerde controles6 tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010, het aantal opgestelde aanvankelijke processen-verbaal, het aantal opgestelde verslagen van vaststelling en het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen. De sanctionerende instanties werden ook bevraagd naar hun werkzaamheden tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010. Op basis van de informatie, aangeleverd via de gestandaardiseerde fiches, zal er een kwantitatief beeld worden geschetst van de activiteiten van de handhavingsactoren sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet. Deze cijfergegevens worden, samen met een tekstuele toelichting, op een grafische wijze weergegeven in een grafiek of een tabel. In de gevallen waar dit voor de duidelijkheid en overzichtelijkheid wenselijk werd geacht, werd gekozen voor de weergave van de cijfers in zowel een grafiek als in een tabel. Daar dit het tweede milieuhandhavingsrapport is van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving werd het mogelijk bepaalde vergelijkingen te maken tussen de relatieve cijfergegevens zoals deze werden opgenomen in het Milieuhandhavingsrapport 2009 en de relatieve cijfers zoals de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving deze heeft mogen ontvangen bij de bevraging voor het Milieuhandhavingsrapport 2010. Dit levert een beeld van de evolutie van de implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet. Decretaal werd duidelijk bepaald over welke onderwerpen er minimaal dient te worden gerapporteerd. De VHRM heeft de bevragingsfiches hier dan ook op afgestemd, al is er wel voor gekozen om een andere inhoudsopgave te hanteren dan de opsommingen in het Milieuhandhavingsdecreet.

1.2.2

Structuur

Eerst wordt een evaluatie geboden van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde milieuhandhavingsbeleid van de gewestelijke toezichthouders, de Federale politie, de Lokale politie en de handhavingsactiviteiten uitgevoerd op lokaal niveau door de provinciegouverneurs, de provinciale toezichthouders, de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen. Er zal een cijfermatig beeld worden geschetst van het aantal toezichthouders per organisatie, het aantal VTE besteed aan handhavingstaken per organisatie en het aantal controles uitgevoerd door deze toezichthouders in 2010. Dit maakt het tevens mogelijk een beeld te verkrijgen van het aantal controles dat per toezichthouder werd uitgeoefend. Voor de Federale politie en Lokale politie wordt het soort processen-verbaal dat werd opgesteld door de politiediensten inzake leefmilieu in 2010 besproken. Daarnaast wordt specifiek gekeken naar de proactieve controles uitgevoerd door de Federale politie in het kader van afvaltransporten en naar de activiteiten van de toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie. Aansluitend wordt het gevoerde lokale milieuhandhavingsbeleid geëvalueerd. Bij het lokale milieuhandhavingsbeleid wordt er gewezen op de aanwezigheid van het aantal klasse 1-, klasse 2- en klasse 3-inrichtingen op het grondgebied. Daarnaast wordt de ondersteunende rol van de provincies voor de gemeenten geëvalueerd op basis van de rapportering van de provincies in het kader van de

6

Controle in het kader van milieuhandhaving is het nagaan bij een rechtspersoon en/of een natuurlijke persoon die gehouden is aan wettelijke verplichtingen uit het milieurecht, of die rechtspersoon of natuurlijke persoon die ook daadwerkelijk deze wettelijke verplichtingen naleeft. Dit kan opgedeeld worden in controles ter plaatse (inspectie) of controles op stukken. De gegevens hebben daarnaast betrekking op het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles en niet het aantal vastgestelde overtredingen tijdens deze controles.

7 7


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inleiding

Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013. Vervolgens zullen de toezichtstaken uitgevoerd door de Vlaamse steden en gemeenten worden bestudeerd. De focus van dit hoofdstuk 2 ligt dus voornamelijk op de inspanningen van de toezichthoudende instanties. In het volgende hoofdstuk 3 ligt de nadruk op het gebruik van de afzonderlijke milieuhandhavingsinstrumenten, de bestuurlijke maatregelen en de veiligheidsmaatregelen door de verschillende milieuhandhavingsactoren. Om het begrip ‘milieuhandhavingsinstrument’ duidelijk af te bakenen, werd er aan de hand van de parlementaire voorbereidingen van het Milieuhandhavingsdecreet een opsomming gemaakt van deze instrumenten. Op basis van deze opsomming werden de uniforme bevragingsfiches opgesteld. Het betreft de volgende instrumenten: raadgevingen, aanmaningen, bestuurlijke maatregelen (regularisatiebevel, stakingsbevel, bestuursdwang of een combinatie), veiligheidsmaatregelen, bestuurlijke geldboeten (en voordeelontneming) en strafsancties7. In tegenstelling tot het Milieuhandhavingsrapport 2009 zullen de handhavingsinstrumenten worden afgewogen ten aanzien van het aantal uitgevoerde controles waar een overtreding werd vastgesteld en niet ten aanzien van het totaal aantal uitgevoerde controles. Dit impliceert echter wel dat er geen vergelijkingen kunnen worden gemaakt in dit hoofdstuk met 2009. Verder zijn ook het proces-verbaal en het verslag van vaststelling opgenomen in deze specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke milieuhandhavingsinstrumenten. Het hoofdstuk 4 ‘Evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde sanctioneringsbeleid’ geeft vervolgens een overzicht van de opgelegde bestuurlijke en strafrechtelijke sancties door de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (AMMC), de parketten en het Milieuhandhavingscollege (MHHC). Er kunnen ook nog andere soorten boetes worden opgelegd, zoals de gemeentelijke administratieve sancties en boetes in het kader van de heffingsplicht. Deze maken echter geen deel uit van het Milieuhandhavingsdecreet en zullen bijgevolg niet verder besproken worden. In het besluit van dit rapport (hoofdstuk 5) wordt getracht een inventaris op te stellen van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen aangewend worden ter verbetering van de milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering en aanbevelingen te formuleren voor de verdere ontwikkeling van het milieuhandhavingsbeleid. Niet enkel zullen de gegevens met betrekking tot 2010 gehanteerd om onderstaande evaluatie uit te voeren, tevens zal– daar waar mogelijk – een vergelijking worden gemaakt tussen 2009 en 2010 op basis van de gegeven uit het Milieuhandhavingsrapport 2009.

1.2.3

Kanttekeningen

Ondanks de hoge verwachtingen ten aanzien van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving en de verder reikende ambities van de VHRM zelf, dienen er een aantal kanttekeningen te worden geplaatst bij dit Milieuhandhavingsrapport 2010. Het Milieuhandhavingsdecreet bepaalt dat het milieuhandhavingsrapport onder meer een evaluatie dient te bevatten van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke milieuhandhavingsbeleid, een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten en een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld 7 De bestuurlijke geldboeten (en voordeelontneming) en de strafsancties zullen echter in het hoofdstuk “Evaluatie van het in afgelopen kalenderjaar gevoerde sanctioneringsbeleid’ behandeld worden gezien dit meer aansluit bij de inhoudsopgave van dit Milieuhandhavingsrapport 2010, waar de evaluatie van het sanctioneringsbeleid separaat in hoofdstuk 4 aan bod komt.

8 8


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inleiding

misdrijf. Er kan hier echter geen sprake zijn van een evaluatie sensu stricto. Om werkelijk te onderzoeken hoe doeltreffend het milieuhandhavingsbeleid is, is het noodzakelijk bepaalde beoordelingscriteria ex ante vast te leggen. Het feit dat dit het tweede milieuhandhavingsrapport van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving is maakt het echter wel mogelijk een evaluatie te maken van de verdere implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet. De gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 kunnen hier als basissituatie worden beschouwd. In de toekomst wordt het uiteraard nog relevanter om dergelijke vergelijkingen uit te voeren aangezien een evaluatie dan betrekking kan hebben op meerdere milieuhandhavingsrapporten. Daar de situatie zoals gecreëerd door het Milieuhandhavingsdecreet echter nog steeds vrij recent is, dient met de nodige voorzichtigheid omgesprongen te worden met de cijfergegevens en de conclusies en aanbevelingen die hieruit zouden kunnen worden getrokken. Een tweede kanttekening betreft het feit dat er sprake is van responsschaarste en dataongelijkheid. Hoewel de verschillende relevante actoren officieel werden aangeschreven en er een medewerkingsverplichting bestaat voor de actoren die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest, is er geen sprake van een volledige respons. Dit maakt dat de onderstaande cijfergegevens niet geheel representatief zijn en de conclusies ook in dit licht dienen te worden geplaatst. In verband met dataongelijkheid dient te worden meegedeeld dat er begrippen worden gehanteerd in het milieuhandhavingslandschap die op verschillende wijze worden geïnterpreteerd. Ondanks het feit dat de VHRM, in tegenstelling tot de bevraging voor het Milieuhandhavingsrapport 2009, de begrippen in de bevragingsfiches zeer duidelijk heeft gedefinieerd, werd het ook deze keer duidelijk dat niet elke actor over dezelfde gegevens (op overeenkomstige wijze) kon rapporteren. Ook deze keer bleek een accurate dataverzameling erg problematisch. Daarnaast zorgt dit fenomeen voor overlappingen en leemtes in de data. Een eerste aanbeveling voor het milieuhandhavingsbeleid kan dus reeds snel geformuleerd worden. Om in de toekomst een betrouwbare rapportering mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat al de actoren betrokken bij de milieuhandhaving op eenduidige, uniforme en consequente wijze aan dataverzameling doen en dezelfde definities hanteren, zoals bijvoorbeeld deze van ‘een controle’. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving is in 2010 reeds gestart met de opstelling van een glossarium, hetgeen niet enkel kan worden gebruikt bij de bevragingsfiches maar ook ter beschikking zal kunnen worden gesteld aan de toezichthouder. De invloed van de inaccurate data laat zich echter voelen in de betrouwbaarheid van de gegevens. Aangezien vele bevragingsfiches door de lokale overheden werden ingevuld waarbij duidelijk werd dat de correcte handhavingsterminologie niet werd gehanteerd, zag de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving zich genoodzaakt om bijvoorbeeld een categorie ‘controles waarvan het resultaat niet gekend is’ op te nemen. Er dient echter verder nog voorzichtigheid aan de dag te worden gelegd bij de interpretatie van de gegevens. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving neemt dan ook enkel maar voorzichtige conclusies en probeert telkens te wijzen op de tekortkomingen van de cijfergegevens. Zoals hoger in de beschrijving van de structuur werd aangegeven, worden de activiteiten van de toezichthouders van de Lokale politie besproken in een afzonderlijk hoofdstuk, volgend op de activiteiten van de Federale politie. Dit heeft te maken met het feit dat de Lokale politie onderscheiden taken heeft wat betreft de handhaving van de milieuwetgeving. Enerzijds zijn binnen sommige steden en gemeenten politiefunctionarissen aangesteld als toezichthouder binnen een politiezone. Anderzijds staat de Lokale politie in voor de basispolitiezorg en voert meer bepaald alle opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie uit die nodig zijn voor het beheren van lokale gebeurtenissen en fenomenen die zich voordoen op het grondgebied van de politiezone, evenals het vervullen van sommige politieopdrachten van federale aard. In dat kader wordt uiteraard ook aan handhaving van de milieuwetgeving gedaan, al zij het niet als toezichthouder in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Voor dit Milieuhandhavingsrapport 2010 werden de korpschefs van de Vlaamse politiezones gevraagd enkel te rapporteren, indien er een toezichthouder werd aangesteld binnen de politiezone, over de activiteiten van deze toezichthouder(s). Dit onderdeel (2.3) dient dus echter gelezen te worden samen met de evaluatie van het gevoerde lokale milieuhandhavingsbeleid (2.4). Aangezien het Milieuhandhavingsrapport 2010 slechts het tweede rapport is waar de VHRM mee naar buiten zal treden, en het ook slechts de tweede keer was dat de milieuhandhavingsactoren werden 9

9


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inleiding

bevraagd door de VHRM, is er wederom voor gekozen om deze bevraging zo beperkt mogelijk te houden. De opstelling van het milieuhandhavingsrapport vormt een leerproces, zowel voor de VHRM zelf als voor de bevraagde milieuhandhavingsactoren. Dit maakt echter dat niet alle relevante gegevens werden opgevraagd. Dit heeft uiteraard consequenties voor de verkregen gegevens, maar ook voor de conclusies die eruit kunnen worden getrokken. Dit milieuhandhavingsrapport laat enkel toe weer te geven wat de milieuhandhavingsactoren en de toezichthouders hebben gedaan in 2010 op het vlak van controle en sanctionering, niet hoe en waarom ze dit hebben gedaan. Daar de bevraging cijfermatig was en er geen contextgegevens werden opgevraagd, kan dit veel ruimte laten voor interpretatie. De leden, vertegenwoordigers en plaatsvervangers van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving kregen echter wel de mogelijkheid, om na de verwerking van de gegevens, verdere inhoudelijk commentaar te geven en zo de uitkomsten in een breder kader te plaatsen. Dit tweede Milieuhandhavingsrapport kent zijn grenzen, maar het vormt echter wel een volgende stap in de evaluatie van het milieuhandhavingsbeleid in het Vlaamse Gewest en de verdere implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet in 2010.

1.3

MILIEUHANDHAVINGSBELEID

De milieuhandhavingsactoren in Vlaanderen functioneerden in 2010 natuurlijk niet in het ijle. Het milieuhandhavingsbeleid in het Vlaamse Gewest wordt meebepaald door het Regeerakkoord van 15 juli 20098, de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-20149 en de Beleidsbrief Leefmilieu en Natuur 2010201110 van minister Schauvliege. Het Regeerakkoord ‘Vlaanderen 2009-2014 – een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden – voor een vernieuwende, duurzame en warme samenleving’ legt onder meer de algemene lijnen vast voor de milieuhandhaving in Vlaanderen en bepaalt dat onder meer de milieuhandhavingsrapporten van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving het Milieuhandhavingsdecreet en de praktijkuitwerking ervan doelgericht zullen evalueren. De krachtlijnen van het beleid en de prioriteiten worden bepaald in jaarlijkse milieuhandhavingsprogramma’s. Organisatorische samenwerkingsafspraken zullen, waar wenselijk, verankerd worden in handhavingsprotocollen in de schoot van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. De Vlaamse Regering stelt verder dat er in een aangepaste opleiding, permanente vorming en oplossingen voor andere noden van toezichthouders en opsporingsambtenaren zal worden voorzien.

In dit Regeerakkoord wordt er dus een specifieke rol weggelegd voor de milieuhandhavingsrapporten van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. Naast de decretaal bepaalde inhoudelijke onderwerpen, dienen de rapporten tevens een evaluatie op te maken van de praktijk van het Milieuhandhavingsdecreet. De ‘Beleidsnota 2009-2014 Leefmilieu en Natuur’ van Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, minister Schauvliege, legt onder meer de uitbouw van een doeltreffende bestuurlijke handhaving van milieu-inbreuken en milieumisdrijven vast als een strategische doelstelling. Het nieuwe juridische kader – het Milieuhandhavingsdecreet – zou het mogelijk moeten maken om kort op de bal te spelen en een krachtig signaal te geven bij het opleggen van exclusieve (bij milieu-inbreuken) en alternatieve (bij milieumisdrijven) bestuurlijke geldboetes, zowel naar de overtreders als naar de toezichthouders en de

8

Het volledige ‘Regeerakkoord van 15 juli 2009’ kan geraadpleegd http://www.vlaanderen.be/servlet/Satellite?c=Solution_C&cid=1247734278469&pagename=Infolijn/View

9

worden

op

De volledige ‘Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-2014’ kan geraadpleegd worden op http://www.vlaanderen.be/servlet/Satellite?pagename=Infolijn%2FView&c=Solution_C&p=1186804409590&cid=1171947608450

volgende

URL:

volgende

URL:

De volledige ‘Beleidsbrief Leefmilieu en Natuur 2010-2011’ kan geraadpleegd worden op volgende http://www.lne.be/themas/beleid/beleidsplanning/beleidsplanning-pdfs-en-subpaginas/Beleidsbrief_Leefmilieu_en_Natuur_2010-2011.pdf

URL:

10

10 10


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inleiding

verbalisanten. De ontwikkeling van een duidelijk en coherent kader met criteria op grond waarvan de hoogte van de boete en/of de voordeelontneming kan worden berekend, met het oog op rechtszekerheid, wordt als even belangrijk geacht. Ook de uitvoering van het Milieuhandhavingsdecreet wordt in de beleidsnota opgenomen als een operationele doelstelling. De krachtlijnen en de prioriteiten van het milieuhandhavingsbeleid zullen worden bepaald rekening houdend met de aanbevelingen in de jaarlijkse milieuhandhavingsprogramma’s, opgesteld in de schoot van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. De handhavingspraktijk zal op effectiviteit en efficiëntie worden geëvalueerd, onder meer via de jaarlijkse milieuhandhavingsrapporten. De samenwerkingsafspraken tussen de verschillende milieuhandhavingsactoren zullen, waar nuttig, verankerd worden in handhavingsprotocollen. Binnen het decretaal kader zal de minister ondersteuning verlenen aan toezichthouders en opsporingsambtenaren. Tevens is het de bedoeling dat, door de verhoging van het aantal lokale toezichthouders – gemeentelijk, of waar aangesteld intergemeentelijk en politiezone -, de Vlaamse Milieu-inspectie zich meer zal kunnen toeleggen op inrichtingen met een grotere milieurelevantie, zoals Seveso- en GPBV-bedrijven, en op ketentoezicht op afvalstoffen. De handhaving dient zich te verschuiven van een reactieve naar enerzijds een proactieve invalshoek, geconcretiseerd in specifieke thematische handhavingscampagnes, en anderzijds een routinematige invalshoek. Bij dit laatste staan emissiegerichte inspecties en controle van de zelfcontroleactiviteiten van de bedrijven centraal. Daarnaast dient er ook aandacht besteed te worden aan het toezicht op niet-vergunde maar wel vergunningsplichtige inrichtingen en activiteiten. In uitvoering van het Regeerakkoord van 15 juli 2009 kiest de Vlaamse Regering voor een partnerschap met sterke lokale besturen, ook op het gebied van milieu- en natuurbeleid. Als strategische doelstellingen worden dan ook vooropgesteld dat de Vlaamse Overheid verkokering tegen gaat, meer interne samenwerking en synergiën tot stand brengt en dat de Vlaamse Overheid de lokale besturen ondersteunt in het voeren van een lokaal milieubeleid. De bijsturing van de Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 met de lokale overheden vormt in dit kader een operationele doelstelling. Inzake de Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 in het bijzonder en inzake de lokale milieuhandhaving in het algemeen kan het in dit kader opportuun zijn om melding te maken van het Witboek Interne Staatshervorming11 van 8 april 2011. Daarin wordt vermeld dat “binnen de Samenwerkingsovereenkomst Leefmilieu, die loopt tot en met 2013, jaarlijks ongeveer 25 miljoen euro naar gemeenten en provincies gaat en er vragen worden gesteld bij de beperkte meerwaarde in verhouding tot de als overmatig ervaren planlast. Gegeven de maturiteit die het lokaal leefmilieubeleid ondertussen bereikt heeft en de nood aan investeringsmiddelen voor riolering en aan werkingsmiddelen voor handhaving wordt het gemeentelijk aandeel van de Samenwerkingsovereenkomst herbestemd naar riolering ten behoeve van gemeenten en het provinciaal aandeel van de Samenwerkingsovereenkomst, met inbegrip van de middelen van het addendum van de Samenwerkingsovereenkomst gemeenten, naar handhaving vanuit het Vlaams gewest in plaats van vanuit gemeenten respectievelijk provincies.” De exacte uitwerking en de implicaties van deze bepaling in het Witboek Interne Staatshervorming op de lokale handhaving – zullen nog moeten blijken. In de Beleidsbrief Leefmilieu en Natuur 2010-2011 verwijst Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, mevrouw Joke Schauvliege, inzake milieuhandhaving naar het ViA-sleutelproject 51-2 ‘Milieuhandhavingsdecreet onverkort uitvoeren met onder meer aandacht voor de evaluatiesporen en de doorwerking ervan’. Eén van de doelstellingen van het nieuwe Milieuhandhavingsdecreet is dat er een passend gevolg gegeven wordt aan elke schending van het milieurecht (milieuhygiëne- en milieubeheerrecht) en dit op een uniforme wijze. Intussen werd vorm gegeven aan een kader met criteria voor de bepaling van de hoogte van het boetebedrag. Zo zijn per categorie van milieumisdrijven (vb. sluikstorten, afvalverbranding, lozingen, bezit van illegale vogels, ontbossing, geluidshinder, enz.) criteria

11

Het volledige ‘Witboek Interne Staatshervorming 8 april 2011’ kan geraadpleegd worden op volgende URL: http://ikdoe.vlaandereninactie.be/wp-content/uploads/2011/04/Witboek_8april2011.pdf

11 11


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Inleiding

bepaald met betrekking tot de ernst, frequentie en omstandigheden waarmee rekening wordt gehouden en die ook worden opgenomen in de motivering van de boetebeslissing. Het spreekt voor zich dat dit kader in functie van nieuwe dossiers verder zal worden verfijnd en uitgewerkt. Het instrument van de voordeelontneming werd voorlopig nog niet vaak toegepast (enkel ad hoc), in afwachting van de resultaten van de studie hierover. De verschillende betrokkenen ontmoeten elkaar maandelijks in de LNEwerkgroep Milieuhandhaving. De opdracht van deze werkgroep bestaat in het bespreken van praktische vragen over de toepassing en interpretatie van het nieuwe Milieuhandhavingsdecreet en –besluit en de coördinatie en evaluatie van mogelijke wijzigingen aan die regelgeving. Binnen het kader van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving werden er vier subwerkgroepen opgericht en werd hun agenda voor het komende jaar vastgelegd. Er werden nog geen protocollen gesloten, maar wel al werkafspraken gemaakt in de context van deze subwerkgroepen. Er werd een Milieuhandhavingsprogramma 2011 opgesteld, waarin de handhavingsprioriteiten van het volgende jaar worden bepaald. In het najaar van 2010 keurt de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving het Milieuhandhavingsrapport 2009 goed, waarin het milieuhandhavingsbeleid sinds mei 2009 wordt geëvalueerd. Binnen het decretaal kader voor toezicht en inspectie wordt ondersteuning verleend aan toezichthouders en opsporingsambtenaren. Door een verhoging van het aantal lokale toezichthouders - gemeentelijk, intergemeentelijk en per politiezone - zal de gewestelijke Milieu-inspectie zich meer kunnen toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie, zoals Seveso- en GPBV-bedrijven, en op ketentoezicht op afvalstoffen. Inzake de Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 in het bijzonder en inzake de lokale milieuhandhaving in het algemeen kan het in dit kader wederom worden verwezen naar bovenstaande opmerking ter zake. Het mag duidelijk zijn dat de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving een rol kan en moet spelen in de ondersteuning van de Vlaamse Regering en de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur bij de uitvoering van het Regeerakkoord, het Beleidsplan en de Beleidsbrief. Zoals hoger beschreven vervult de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving zelf ook een belangrijke rol in het ontwerpen van het beleidsmatige kader, met name door de jaarlijkse opmaak van het milieuhandhavingsrapport en het milieuhandhavingsprogramma. Zo bevatten het Milieuhandhavingsrapport 2009 en de Milieuhandhavingsprogramma’s 2010 en 2011 onder meer beleidsaanbevelingen op strategisch niveau, maar ook operationele aanbevelingen gericht aan de milieuhandhavingsactoren zelf. De opmaak van het milieuhandhavingsrapport en het milieuhandhavingsprogramma vormt een cyclus waarin beide documenten elkaar aanvullen en waarin vergelijkingen kunnen worden gemaakt inzake de verdere implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet. In die zin vormen niet alleen de Milieuhandhavingsprogramma’s 2010 en 2011 een omkadering van dit Milieuhandhavingsrapport 2010, maar zeker de vergelijking met de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 kunnen interessante inzichten opleveren.

12 12


13


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

departement LNE; de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE; de afdeling Land, Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het departement LNE; de Vlaamse Landmaatschappij; de Vlaamse Milieumaatschappij; het Agentschap Zorg en Gezondheid; het Agentschap voor Natuur en Bos; de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en Waterwegen en Zeekanaal. In 2010, met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, konden het Agentschap Wegen en Verkeer, de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en NV De Scheepvaart ook toezichthouders aanstellen. In 2010 werden er door de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie geen toezichtstaken uitgeoefend, aangezien de bepaling waarbij hij toezichtsopdrachten heeft gekregen12 pas in werking is getreden op 24 december 201013. Omwille van die redenen werd deze handhavingsactor dan ook niet opgenomen in bovenstaande grafiek en onderstaande tabellen. De gewestelijke toezichthoudende instanties werden dan ook in de bevragingsfiche verzocht om het aantal toezichthouders, aangesteld door de Vlaamse Regering, aan te geven waarop zij in 2010 beroep konden doen. Het resultaat wordt weergegeven in bovenstaande grafiek en onderstaande tabel. Gewestelijke handhavingsactor Afdeling Milieu-inspectie van het Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen van het Departement LNE Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement LNE Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Zorg en Gezondheid Agentschap voor Natuur en Bos Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Waterwegen en Zeekanaal Agentschap Wegen en Verkeer – Afdeling Planning en Coördinatie Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken NV De Scheepvaart

Tabel 1)

Aantal toezichthouders 100 80 8 41 414 24 17515 96 102 Niet beschikbaar 0 0

Aantal toezichthouders per gewestelijke handhavingsactor

Artikel 16.3.2 bepaalt dat enkel die personen kunnen worden aangesteld als toezichthouder die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtsopdracht naar behoren in te vullen. Een groot deel van de gewestelijke handhavingsinstanties kon in 2010 beroep doen op een aantal toezichthouders. Het feit dat het Agentschap Wegen en Verkeer, de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en NV De Scheepvaart nog geen beroep konden doen op een toezichthouder in 2010 of niet het aantal toezichthouders kon aangeven16 – zoals blijkt uit

12 Besluit tot uitvoering van titel XVI van het DABM artikel 20/1. “Onverminderd de in dit besluit bepaalde toezichtsopdrachten, oefent de leidend ambtenaar van het departement toezicht uit op de regelgeving, vermeld in de artikelen 21 tot en met 32 van dit besluit. De leidend ambtenaar van het departement zal deze bevoegdheid aanwenden in geval van uitzonderlijke omstandigheden.” 13

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot wijziging van diverse bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos; B.S. 14 december 2010. 14 2010 is het eerste jaar dat VMM beschikte over toezichthouders. Er werd dan ook voornamelijk geïnvesteerd in opleiding. Begin 2011 werd het aantal toezichthouders uitgebreid. 15

Exclusief 96 toezichthouders van afdeling Beleid van het ANB, die enkel over een recht op toegang beschikken maar niet bevoegd zijn om milieuinbreuken of milieumisdrijven vast te stellen; zij worden daarom niet opgenomen in bovenvermeld cijfer 16 Het Agentschap Wegen en Verkeer – afdeling Planning en Coördinatie gaf in de bevragingsfiche aan dat ze beroep kon doen op een toezichthouder, maar gaf aan dat het aantal toezichthouders niet beschikbaar was.

14 14


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

bovenstaande tabel - kan dan allicht worden gerelateerd aan het feit dat zij pas in het najaar van 2010 een toezichthouder konden aanstellen. Het exacte aantal toezichthouders dat werd aangesteld en waarop beroep kon worden gedaan voor het uitvoeren van de milieuhandhavingstaken in 2010 verschilt in grote mate. Een aantal handhavingsactoren kon beroep doen op een groot aantal toezichthouders terwijl andere actoren hun taken dienden uit te voeren met een klein aantal toezichthouders. Dit kan allicht worden verklaard door het feit dat een aantal handhavingsactoren een groot aantal bevoegdheden heeft toegewezen gekregen; in die gevallen zijn de toezichthouders quasi voltijds bezig met hun toezichtstaken; andere actoren dienen slechts handhaving uit te voeren van een beperkt aantal wetten en decreten en dienen hiertoe dus ook minder toezichthouders aan te stellen, aangezien handhaving een bijkomende taak voor hen vormt; in sommige gevallen is een beperkt aantal toezichthouders afdoende om de beperkte taken uit te voeren. Daarnaast is het tevens mogelijk dat een handhavingsorganisatie met beperkte bevoegdheden er voor kiest om een groot aantal toezichthouders aan te stellen zodat de toezichtsopdrachten verspreid kunnen worden over een breed gamma aan toezichthouders. Daar de decreetgever in het Milieuhandhavingsdecreet slechts aangeeft dat bepaalde personen een gewestelijk toezichthouder kunnen zijn als ze over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtsopdracht naar behoren in te vullen en als ze personeelsleden van het departement en de agentschappen zijn die behoren tot een van de beleidsdomeinen, vermeld in artikel 2 van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering, maar verder niet specifieert of deze toezichthouders voltijds bezig dienen te zijn met de handhaving van het milieurecht noch wat deze vereiste kwalificaties en eigenschappen precies dienen te zijn, kunnen de gewestelijke handhavingsinstanties zelf beslissen op welke wijze het toezicht wordt georganiseerd binnen hun organisatie.

2.1.2

Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken

Omdat het aantal aangestelde toezichthouders, zoals hierboven aangegeven, geen volledig correct beeld geeft van de effectieve uitgevoerde handhavingstaken werden de gewestelijke toezichthoudende instanties tevens gevraagd aan te geven hoeveel voltijdse equivalenten (VTE) er in 2010 werden ingezet voor handhavingstaken. Zoals reeds hoger aangehaald, bepaalt het Milieuhandhavingsdecreet echter niet hoeveel VTE aan handhavingstaken dient te worden besteed. Toch kan het aantal VTE een duidelijker en meer afgewogen beeld geven van de effectieve inspanningen op vlak van de milieuhandhaving. De totale tijdsbesteding aan milieuhandhavingstaken door de gewestelijke toezichthoudende instanties – in VTE – kan grafisch als volgt worden weergegeven. Het betreft hier zowel het aantal VTE dat door de toezichthouders werd besteed aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet, als het aantal VTE dat werd besteed aan administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken.

15 15


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 2)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken in VTE

Bovenstaande grafiek maakt duidelijk dat er inderdaad verschillen bestaan in de wijze waarop de gewestelijke handhavingsinstanties de uitvoering van hun opdrachten organiseren. Daar waar bijvoorbeeld de afdeling Milieu-inspectie een totaal aantal toezichthouders van 100 en een totale tijdsbesteding aan milieuhandhavingstaken heeft van 91,4 VTE, heeft de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij een verhouding van een totaal van 96 toezichthouders en 8,1 VTE. Een ander voorbeeld is de Vlaamse Landmaatschappij met 41 toezichthouders in 2010 en in totaal 37,9 VTE 16 16


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

besteedde aan handhavingstaken, terwijl Waterwegen en Zeekanaal in 2010 beroep doen op 102 aangestelde toezichthouders, maar slechts in totaal 2 VTE aan handhavingstaken besteedde. Het feit dat het Agentschap Wegen en Verkeer, de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en NV De Scheepvaart nog geen enkele VTE in 2010 besteedden aan de handhaving van het milieurecht of het aantal VTE niet beschikbaar was – zoals blijkt uit bovenstaande tabel - kan worden gerelateerd aan het feit dat er in 2010 nog geen toezichthouders werden aangesteld, hetgeen op zich kan worden verklaard door het feit dat zij pas met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 de mogelijkheid kregen een toezichthouder aan te stellen. Opmerkelijk is dat de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving niet kon meedelen hoeveel VTE er werd besteed aan milieuhandhavingstaken aangezien er in 2010 niet aan specifieke tijdsregistratie werd gedaan. In het MHR2009 werd er echter een totaal van 84 toezichthouders opgetekend en een totaal van 0,15 VTE besteed aan handhavingstaken. Voor 2010 deelde de afdeling Milieuvergunningen mee dat er beroep kon worden gedaan op 80 toezichthouders, al werd niet meegegeven hoeveel VTE deze hebben besteed aan milieuhandhavingstaken. De afdeling Milieuvergunningen kan echter ook als voorbeeld worden geformuleerd van een entiteit die een groot deel van zijn medewerkers heeft aangeduid als toezichthouder terwijl deze slechts zeer beperkte tijd besteden aan handhaving. De afdeling Milieuvergunningen preciseerde immers dat de handhavingsopdrachten van deze afdeling betrekking hebben op een zeer specifiek onderdeel van het milieuhygiënerecht, zijnde welbepaalde erkenningen. Elke adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen komt in de dagelijkse activiteiten veelvuldig met het werk van deze erkenningshouders in aanraking. Omwille van deze reden werd dan ook bewust gekozen om de adviesverleners aan te duiden als toezichthouder en dit optimaal te organiseren door het voorzien van een centrale ondersteuning. Het is echter ook mogelijk dat veel personeelsleden worden aangesteld als toezichthouder om zo meer ogen op het terrein te hebben en dat elk personeelslid dat een misdrijf of een inbreuk vaststelt ook in de mogelijkheid is om deze te verbaliseren, zoals aannemelijk in het geval van Waterwegen en Zeekanaal. De omgekeerde situatie kan echter ook duidelijk worden teruggevonden bij andere gewestelijke handhavingsentiteiten. Er zijn immers, zoals bijvoorbeeld bij de Vlaamse Landmaatschappij, organisaties waar de aangestelde toezichthouder bijna voltijds actief is met de handhaving van het milieurecht. De vraag kan echter worden gesteld in welke mate het opportuun is dat de functie van toezichthouder wordt verenigd met andere functies daar de tijdsbesteding aan handhavingstaken bij een aantal actoren minimaal blijkt te zijn. De afweging die dient te worden gemaakt is of de milieuhandhavingsopdrachten van een bepaalde actor in die mate specifiek en complex zijn dat een intensieve opleiding en ervaring noodzakelijk zijn om de handhaving zo optimaal mogelijk te realiseren. Daar waar de handhavingsactor complexe handhavingsopdrachten heeft, lijkt het logischerwijs meer aangewezen dat de toezichthouders specialisten zijn die voltijds actief zijn in de handhaving en niet zo zeer generalisten waarvan de handhaving van het milieurecht een bijkomende opdracht vormt in hun reeds bestaande takenpakket. In tegenstelling tot het MHR2009 werden de milieuhandhavingsactoren gevraagd in het totaal aantal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken een opsplitsing te maken tussen het aantal VTE besteed door toezichthouders aan milieuhandhavingstaken en het aantal VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieuhandhavingstaken. Het leek de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving interessant om te onderzoeken hoeveel tijd er beschikbaar was voor het toezicht en hoeveel tijd er vrij diende te worden gemaakt voor de administratieve ondersteuning van dit toezicht. Het resultaat wordt in de volgende tabel weergegeven.

17 17


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Gewestelijke handhavingsactor

Afdeling Milieu-inspectie van het Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen van het Departement LNE Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement LNE Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Zorg en Gezondheid Agentschap voor Natuur en Bos Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Waterwegen en Zeekanaal Agentschap Wegen en Verkeer – Afdeling Planning en Coördinatie Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken NV De Scheepvaart

Tabel 2)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Totaal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken

VTE besteed door toezichthouders aan milieuhandhavingstaken

VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieuhandhavingstaken

91,40

81,10

10,30

Niet beschikbaar17

Niet beschikbaar18

Niet beschikbaar19

3,15

2,95

0,20

37,90 0,20 2,51 45,0520 8,10 2,00

35,60 0,20 2,20 41,05 6,10 1,0021

2,30 0,00 0,31 4,00 2,00 1,006

Niet beschikbaar

Niet beschikbaar

Niet beschikbaar

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken in VTE

Uit bovenstaande tabel blijkt dat een groot deel van de milieuhandhavingsactoren redelijk veel tijd besteedden aan administratieve milieuhandhavingstaken22. Zo besteedde Waterwegen en Zeekanaal niet minder dan 50% van de tijd besteed aan milieuhandhavingstaken aan de administratieve ondersteuning ervan. Bij de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij bedroeg dit in 2010 bijna 25%23, bij het Agentschap Zorg en Gezondheid meer dan 12% en bij de afdeling Milieu-inspectie meer dan 11%. Andere handhavingsactoren konden de tijd besteed aan administratieve ondersteuning beperken en zich meer focussen op de door de toezichthouders uitgevoerde milieuhandhavingstaken. Bij het Agentschap voor Natuur en Bos nam de administratieve ondersteuning slechts 8,88% van de totale tijd besteed aan milieuhandhavingstaken en bij de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen en bij de Vlaamse Landmaatschappij bedroeg dit slechts iets meer dan 6%. De Vlaamse Milieumaatschappij besteedde zelfs helemaal geen tijd aan administratieve ondersteuning.

17 Door de afdeling Milieuvergunningen wordt geen specifieke tijdsregistratie gedaan waardoor het niet mogelijk is de bestede tijd als VTE uit te drukken. 18 Door de afdeling Milieuvergunningen wordt geen specifieke tijdsregistratie gedaan waardoor het niet mogelijk is de bestede tijd als VTE uit te drukken. 19 Door de afdeling Milieuvergunningen wordt geen specifieke tijdsregistratie gedaan waardoor het niet mogelijk is de bestede tijd als VTE uit te drukken. 20

Exclusief de inzet van VTE door de afdeling Beheer van het ANB (boswachters, regiobeheerders, …); die inzet wordt geraamd op 8 VTE maar valt niet precies te berekenen omdat de betrokkenen hun beheers- en toezichtstaken meestal gelijktijdig uitvoeren

21

Aangegeven in fiche als <1

22

De mogelijkheid bestaat dat door de individuele handhavingsactoren een andere invulling werd gegeven aan het begrip ‘administratieve ondersteuning’. Voor de bevraging van deze actoren in het kader van het Milieuhandhavingsrapport 2011 zal dit begrip dan ook gedefinieerd worden. 23 De administratieve ondersteuning omvat voor wat OVAM betreft vooral de ondersteuning bij handhavingsacties van derden (cf. 930 controles in 2010 ter ondersteuning van andere instanties), aangevuld met opleiding, beantwoorden van kantschriften en doorsturen van informatie/klachten e.d. waarvoor de OVAM zelf geen handhavingsbevoegdheid heeft.

18 18


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Het feit dat het Agentschap Wegen en Verkeer, de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en NV De Scheepvaat nog geen enkele VTE in 2010 besteedden aan administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken of het aantal VTE niet beschikbaar was – zoals blijkt uit bovenstaande tabel - kan worden gerelateerd aan het feit dat er nog geen toezichthouders werden aangesteld in 2010 en er in totaal dus ook geen enkele VTE besteed werd aan milieuhandhavingstaken, hetgeen op zich kan worden verklaard door het feit dat zij pas met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 de mogelijkheid hadden een toezichthouder aan te stellen. In dit kader kan het dan ook nuttig zijn, daar de administratieve procedures in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet veelal gelijk zijn voor al de milieuhandhavingsactoren, om te onderzoeken waarom bepaalde actoren veel tijd hebben besteed aan de administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken van de toezichthouders en hoe dit eventueel kan worden gereduceerd tot een lager percentage. De handhavingsactoren die minder tijd hebben besteed aan deze administratieve ondersteuning kunnen eventueel ‘best practices’ aanrijken.24 Het lijkt immers begrijpelijk dat deze administratieve taken best tot een minimum worden beperkt en het merendeel van de beschikbare tijd wordt gespendeerd aan toezichts- en controletaken.25 Indien zou blijken – in bijvoorbeeld toekomstige milieuhandhavingsrapporten – dat administratieve vereenvoudiging niet zou kunnen worden gerealiseerd binnen de organisaties zelf kan er voor worden geopteerd om de administratieve procedures in het Milieuhandhavingsdecreet nader te onderzoeken met het oog op een eventuele vereenvoudiging. Zoals reeds hoger werd aangehaald zal de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving in dit rapport een vergelijking maken met de gegevens van het Milieuhandhavingsrapport 2009. Dit levert niet alleen een beeld van de evolutie van de handhavingsactiviteiten van de verschillende actoren, maar tevens van de evolutie van de implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet. Omdat het Milieuhandhavingsrapport 2009 enkel de periode 1 mei 2009 (inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet) tot 31 december 2009 omsluit en het Milieuhandhavingsrapport 2010 betrekking heeft op het gehele kalenderjaar van 2010, zal er steeds een procentuele of relatieve vergelijking worden gemaakt. Onderstaande grafiek en tabel vormen hier echter een uitzondering op aangezien ze betrekking hebben op de voltijdse equivalenten beschikbaar binnen de organisatie voor het uitvoeren van handhavingstaken. Het feit dat de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 slechts betrekking hebben op 1 mei 2009 tot 31 december heeft geen enkele invloed op een vergelijking van de absolute cijfers. Onderstaande grafiek en tabel geven dus een beeld van het totaal aantal beschikbare VTE voor het uitvoeren van handhavingstaken bij de verschillende gewestelijke milieuhandhavingsactoren in 2009 en 2010. Voor het MHR2009 werden de actoren gevraagd het aantal VTE op te geven dat in totaal werd besteed aan handhavingstaken, voor het MHR2010 werd de vraag echter opgesplitst naar het aantal VTE dat door de toezichthouders werd besteed aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en het aantal VTE dat werd besteed aan administratieve ondersteuning van milieuhandhavingstaken. Deze twee laatste zullen, om een vergelijking tussen 2009 en 2010 mogelijk te maken, dan ook uiteraard worden opgeteld.

24 De administratieve ondersteuning omvat voor wat OVAM betreft vooral de ondersteuning bij handhavingsacties van derden (cf. 930 controles in 2010 ter ondersteuning van andere instanties), aangevuld met opleiding, beantwoorden van kantschriften en doorsturen van informatie/klachten e.d. waarvoor de OVAM zelf geen handhavingsbevoegdheid heeft. 25 De afdeling Milieu-inspectie laat optekenen dat streeft ze er juist naar streeft, door onder andere de inschakeling van de administratieve medewerkers, door een ondersteunend dossier beheersysteem en door een sjabloonsysteem, de ondersteuning van de toezichthouders bij hun toezichts- en handhavingstaken te optimaliseren.

19 19


20


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Gewestelijke handhavingsactor Afdeling Milieu-inspectie van het Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen van het Departement LNE Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement LNE Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Zorg en Gezondheid Agentschap voor Natuur en Bos Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Waterwegen en Zeekanaal Agentschap Wegen en Verkeer – Afdeling Planning en Coördinatie Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken NV De Scheepvaart

Tabel 3)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Totaal aantal VTE in 2009 Niet beschikbaar

26

Totaal aantal VTE in 2010 91,4

0,15

Niet beschikbaar27

2,95

3,15

37 0 5 45,05

37,9 0,20 2,51 45,05

Niet beschikbaar

8,10

Onbekend

2

-

Niet beschikbaar

-

0,00

-

0,00

Vergelijking van de inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken in VTE in 2009 en 2010

De vergelijking kan enkel maar worden gemaakt voor die actoren waarvan de VHRM beschikt over gegevens inzake de totale beschikbare VTE voor milieuhandhavingstaken van zowel het jaar 2009 als het jaar 2010. Voor het Agentschap Wegen en Verkeer, de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en NV De Scheepvaat zijn geen gegevens beschikbaar voor 2009 aangezien zij toen nog geen toezichtsopdrachten noch toezichthouders hadden. Het feit dat er geen VTE werd vrijgemaakt in 2010 voor de uitvoering van handhavingstaken kan worden gerelateerd aan het feit dat er nog geen toezichthouders werden aangesteld in 2010, hetgeen op zich kan worden verklaard door het feit dat zij pas met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 de mogelijkheid hadden een toezichthouder aan te stellen. Zowel voor Waterwegen en Zeekanaal als voor de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij beschikt de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving niet over gegevens inzake het aantal VTE voor inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken voor 2009. Voor 2010 konden deze gegevens wel worden aangeleverd. Het maken van een vergelijking is niet mogelijk, al kan eventueel worden aangenomen dat beide handhavingsactoren misschien deze gegevens voor 2010 wel hebben bijgehouden met het oog op een rapportering ter zake voor de VHRM. Een vergelijking in toekomstige milieuhandhavingsrapporten zal allicht wel mogelijk worden. De afdeling Milieu-inspectie heeft voor het MHR2009 enkel het aantal VTE voor de toezichthouders opgegeven, niet het totale aantal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken. Ook dit maakt dat geen vergelijking tussen 2009 en 2010 mogelijk is. Met betrekking tot het Milieuhandhavingsrapport 2009 rapporteerde de afdeling Milieuvergunning dat er 0,15 VTE werd ingezet voor de handhavingstaken. Voor het Milieuhandhavingsrapport 2010 bleken deze

26 De afdeling Milieu-inspectie heeft voor het MHR2009 enkel het VTE van de toezichthouders opgegeven en niet het totaal aantal VTE dat besteed werd aan handhavingstaken. Dit maakt dat er nu ook geen vergelijking kan worden gemaakt tussen het totaal aantal VTE besteed aan handhavingstaken (door de toezichthouders en de administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken) in 2009 en 2010. 27 Door de afdeling Milieuvergunningen wordt geen specifieke tijdsregistratie gedaan waardoor het niet mogelijk is de bestede tijd als VTE uit te drukken.

21

21


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

gegevens niet meer beschikbaar aangezien er door de afdeling Milieuvergunningen geen specifieke tijdsregistratie werd gedaan waardoor het niet mogelijk was de bestede tijd als VTE uit te drukken. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving hoopt natuurlijk dat de afdeling Milieuvergunningen deze gegevens zal registreren in 2011 met het oog op de rapportering voor het volgende milieuhandhavingsrapport. Opvallend is dat een aantal actoren meer VTE equivalenten inzetten voor de handhaving van het milieurecht en dit met een gelijk aantal toezichthouders of zelfs minder toezichthouders. Bij de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen bleef het aantal aangestelde toezichthouders op 8, maar steeg het aantal VTE gespendeerd aan milieuhandhavingstaken met 0,2 VTE. De Vlaamse Landmaatschappij werkte slechts met 41 toezichthouders in 2010 terwijl dit er nog 42 waren in 2009. Opmerkelijk is dat er echter wel 0.9 VTE extra werd vrijgemaakt voor de milieuhandhavingsopdrachten. Terwijl de Vlaamse Milieumaatschappij in 2009 4 toezichthouders had aangesteld, maar geen enkele VTE besteedde aan handhavingstaken, werd er in 2010 0,2 VTE vrijgemaakt. Het Agentschap Natuur en Bos stelde in 2010 9 extra toezichthouders aan, maar het aantal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken bleef gelijk. Het Agentschap Zorg en Gezondheid had in 2009 27 toezichthouders en 5 VTE besteed aan handhavingstaken. In 2010 daalde het aantal aangestelde toezichthouders wel naar 23, maar het aantal VTE daalde maar liefst met de helft. Het valt echter als positief te onderstrepen dat het aantal inzetbare VTE besteed aan milieuhandhavingstaken bij de meeste gewestelijke handhavingsactoren gelijk of vermeerderd is. Dit kan de handhaving van het milieurecht alleen maar ten goede komen. Om de inspanningen op het vlak van de milieuhandhaving van de gewestelijke toezichthoudende instanties beter te kunnen kaderen, werden deze actoren gevraagd hoeveel controles zij hebben uitgevoerd in 2010. Aangezien bij de opmaak van het Milieuhandhavingsrapport 2009 de verschillende handhavingsactoren een andere definitie hanteerden voor de term ‘controle’, en dit uiteraard leidde tot niet optimaal vergelijkbare gegevens, formuleerde de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving in de bevragingsfiche in het kader van de opmaak van het Milieuhandhavingsrapport 2010 een definitie voor de term ‘controle’. Deze definitie luidt als volgt: “een controle in het kader van milieuhandhaving is het nagaan bij een rechtspersoon en/of een natuurlijke persoon die gehouden is aan wettelijke verplichtingen uit het milieurecht, of die rechtspersoon of natuurlijke persoon ook daadwerkelijk deze wettelijke verplichtingen naleeft. Dit kan opgedeeld worden in controles ter plaatse (inspectie) of controles op stukken”. Door een duidelijke definitie te formuleren, kan de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving een zekere vergelijkbaarheid van de ontvangen gegevens verkrijgen. Omdat niet enkel de term “controle” op verschillende wijze werd geïnterpreteerd door de bevraagde handhavingsactoren, maar bijvoorbeeld ook de termen “hinderlijke inrichting” en “verslag van vaststelling” heeft de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving via zijn werkgroep ‘Informatie-uitwisseling’ een VHRM-glossarium ontwikkeld waarin verschillende termen met betrekking tot de handhaving van het milieurecht werden opgelijst en gedefinieerd. Het initiële opzet was om aan de handhavingsactoren die de VHRM-vragenlijst ontvangen in het kader van het milieuhandhavingsrapport duidelijk te maken wat er bedoeld wordt met de bevraagde termen. Het bleek echter nuttig om het VHRM-glossarium op een meer uitgebreide wijze te benaderen. Een dergelijke glossarium kan immers ook een handige tool zijn voor de toezichthouder. Hiertoe werden dan ook zo veel mogelijk relevante begrippen verklaard. Het VHRM-glossarium is terug te vinden op de website van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving.28 In onderstaande grafiek en tabel werden niet alleen het aantal toezichthouders, het aantal VTE en het aantal controles opgenomen, maar er werd tevens een afweging gemaakt door het aantal controles te delen door het aantal toezichthouders om zo het gemiddeld aantal controles per toezichthouders te bekomen. Daarnaast wordt tevens een overzicht gegeven van het gemiddelde aantal controles per VTE.

28

http://www.vhrm.be/voor-de-toezichthouder/glossarium

22 22


23

Grafiek 4)

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken

VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

23


Afdeling Milieu-inspectie van het Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen van het Departement LNE Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement LNE Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij

175

24

41 4

8

80

100

Aantal toezichthouders

2,00

8,10

45,05

2,51

37,9 0,20

3,15

Niet beschikbaar29

91,40

Aantal VTE

034

1.53633

7.23332

866

3.07631 5

298

52230

11.590

Aantal controles

0,00

16,00

41,33

36,08

75,02 1,25

37,25

6,53

115,9

Gemiddeld aantal controles per toezichthouder

0,00

189,63

160,55

345,02

81,16 25

94,60

Niet beschikbaar

126,81

Gemiddeld aantal controles per VTE

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Agentschap Zorg en Gezondheid

96

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Agentschap voor Natuur en Bos 102

Gewestelijke handhavingsactor

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

0

Niet beschikbaar

0,00

0,00

Niet beschikbaar

0

0

Niet beschikbaar35

0,00

0,00

Niet beschikbaar

0,00

0,00

Niet beschikbaar

Waterwegen en Zeekanaal Agentschap Wegen en Verkeer – Afdeling Planning en Coördinatie Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken

0

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken

NV De Scheepvaart

Door de afdeling Milieuvergunningen wordt geen specifieke tijdsregistratie gedaan waardoor het niet mogelijk is de bestede tijd als VTE uit te drukken.

Tabel 4)

29

Het betreft hier controles in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en het Mestdecreet

410 controles op technici vloeibare en gasvormige brandstof (309 controles en 101 herkeuringen na controle met onaanvaardbaar meetresultaat); 12 controles laboratoria (8 water + 4 lucht); 100 controles milieucoördinatoren (controle bijscholing); talrijke controles op erkenningshouders gebeuren simultaan met adviesverlening, aantallen worden niet geregistreerd

30

31

34

33

Het Agentschap Wegen en Verkeer gaf geen totaal aantal controles weer bij de bevraging

Geen specifieke actie, zit vervat in dagelijkse controle van/langs de waterweg

606 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in 2010 + ondersteuning bij 930 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in 2010

32 Het aantal van 7.233 controles vormt een raming van het totaal aantal uitgevoerde controles op basis van het aantal opgestelde processen-verbaal, het aantal geformuleerde aanmaningen en het aantal controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld.

35

24

24


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Naast het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles is het gemiddelde aantal controles per toezichthouder een andere mogelijke invalshoek om de inspanningen uitgevoerd door de gewestelijke handhavingsactoren te bekijken. Wat opvalt, is dat er een zekere asymmetrie bestaat tussen sommige handhavingsactoren. Zo laat de afdeling Milieu-inspectie het hoogste aantal controles per toezichthouder registeren, namelijk 115,90. De handhaving van het milieurecht vormt echter voor deze afdeling de enige taak. Hiertoe kan de afdeling Milieu-inspectie dan ook een groot arsenaal aan VTE inzetten. Ook wat ANB betreft, vormt handhaving voor de 45,5 opgegeven VTE een voltijdse functie-invulling. Het merendeel van de aangestelde 175 toezichthouders zijn echter boswachters die hun toezichttaken meestal gelijktijdig met hun beheertaken uitvoeren en waar de toezichttaak maar een klein deel van de volledige taak beslaat. De uitvoering van handhavingstaken werd bij de boswachter geraamd op 8 VTE. Voor de overige gewestelijke instanties vormen de handhavingstaken een bijkomende taak bij hun reeds zeer uitgebreide opdrachtenpakket. Dit maakt dat zij zich dan ook minder kunnen specialiseren en dat het hoge cijfer van de afdeling Milieu-inspectie dan ook in dit licht dient te worden gerelativeerd. De afdeling Milieuvergunningen heeft een gemiddeld aantal controles per toezichthouder van 6,53 en een totaal van 522 controles in 2010. Van deze 522 controles waren er 410 controles op technici van vloeibare en gasvormige brandstof (309 controles en 101 herkeuringen na controle met onaanvaardbaar meetresultaat), 12 controles op laboratoria en 100 controles op de bijscholing van milieucoĂśrdinatoren. Hier dient er echter te worden vermeld dat de 410 controles op technici van vloeibare en gasvormige brandstof niet door de toezichthouders van de afdeling Milieuvergunning zelf gebeuren, maar door een geaccrediteerde keuringsinstelling36. Het gemiddeld aantal controles per toezichthouder van de afdeling Milieuvergunningen dient te worden teruggebracht naar 1,4 in plaats van 6,53. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gaf aan 1536 controles te hebben uitgevoerd in 2010. Dit maakte dat het gemiddelde aantal controles per toezichthouder werd berekend op 16. Van deze 1536 controles voerde de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij er 606 uit, terwijl het ondersteuning gaf aan andere handhavingsinstanties bij 930 milieuhandhavingscontroles. Dit maakt dat het gemiddeld aantal controles per toezichthouders ligt op 6,31 en niet op 16, zoals dit hoger in de tabel en in de grafiek werd opgenomen. Het gemiddeld aantal controles per toezichthouder bij de Vlaamse Landmaatschappij, namelijk 1,61, geeft een vertekend beeld aangezien zij in 2010 enkel de controles hebben geregistreerd waar een overtreding werd vastgesteld. Dit wil zeggen dat enkel die controles waar er een milieumisdrijf werd vastgesteld, werden gerapporteerd aan de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. Het gemiddeld aantal controles per toezichthouder ligt in werkelijkheid dus hoger dan de berekende 1,61. Ook bij Waterwegen en Zeekanaal is er sprake van een vertekend beeld. In bovenstaande tabel en grafiek wordt er immers gerapporteerd dat Waterwegen en Zeekanaal geen enkele controle uitvoerde in 2010. Waterwegen en Zeekanaal verduidelijkte dat zij geen specifieke acties hebben gevoerd en dat de milieuhandhavingscontroles vervat zitten in de dagelijkse controles van/langs de waterweg. Het Agentschap Wegen en Verkeer rapporteerde aan de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving dat het aantal controles, toezichthouders en het aantal VTE ingezet voor de milieuhandhaving niet beschikbaar was. De vraag kan dan ook worden gesteld wie deze controles heeft uitgevoerd aangezien er niet kon worden aangegeven of en hoeveel toezichthouders er waren aangesteld. Een ander beeld wordt echter verkregen wanneer het aantal uitgevoerde controles wordt afgewogen ten aanzien van het totale aantal VTE dat werd besteed aan handhavingstaken. Bij alle handhavingsactoren ligt dit gemiddelde veel hoger dan het aantal controles per toezichthouder. Bij de afdeling Milieu-inspectie ligt het gemiddeld aantal controles per VTE op 126,81, bij het Agentschap Natuur en Bos op 160,55, bij de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij op 189,6337 en bij het Agentschap Zorg en Gezondheid 36 Het is echter wel zo dat bij deze controles ook een bepaalde activiteiten door de toezichthouders worden uitgevoerd, onder andere op het vlak van de planning, op vraag bijwonen van de controles, opvolging, hoorzittingen en de handhaving naderhand. 37

De administratieve ondersteuning omvat voor wat de OVAM betreft vooral de ondersteuning bij handhavingsacties van derden (cf. 930 controles in 2010 ter ondersteuning van andere instanties), aangevuld met opleiding, beantwoorden van kantschriften en doorsturen van informatie/klachten e.d. waarvoor de OVAM zelf geen handhavingsbevoegdheid heeft. Aangezien het gemiddeld aantal controles per VTE werd berekend aan de hand van het totale VTE besteed aan handhavingstaken, werd het totaal door OVAM aangegeven uitgevoerde controles (ook waar het bijstand betrof) afgewogen door het totale aangegeven VTE besteed aan handhavingstaken.

25 25


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

zelfs op 345,02 controles per VTE. Deze cijfers geven dus een geheel ander beeld van de activiteiten van de gewestelijke toezichthouders. Een mogelijke verklaring hiervoor kan het soort controles zijn en het verschil in tijd dat aan deze controles wordt besteed. Voor de afdeling Milieuvergunningen was het niet mogelijk een gemiddeld aantal controles per VTE te berekenen aangezien het aantal beschikbare VTE ingezet voor de handhavingstaken niet beschikbaar was. Door de afdeling Milieuvergunningen werd er in 2010 geen specifieke tijdsregistratie gedaan waardoor het niet mogelijk is de bestede tijd als VTE uit te drukken. Het feit dat voor de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken en NV De Scheepvaart de afweging van het gemiddeld aantal controles per toezichthouder en het gemiddeld aantal controles per VTE neerkomt op nul kan worden gerelateerd aan het feit dat er nog geen toezichthouders werden aangesteld in 2010 en er dus ook nog geen milieuhandhavingscontroles werden uitgevoerd, hetgeen op zich kan worden verklaard door het feit dat zij pas met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 de mogelijkheid hadden een toezichthouder aan te stellen. In onderstaande grafiek en tabel wordt de vergelijking weergegeven van het gemiddeld aantal controles per gewestelijke toezichthouder in 2009 en 2010.

Grafiek 5)

Vergelijking van het gemiddeld aantal controles per gewestelijke toezichthouder in 2009 en 2010

26 26


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Gewestelijke handhavingsactor Afdeling Milieu-inspectie van het Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen van het Departement LNE Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement LNE Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Zorg en Gezondheid Agentschap voor Natuur en Bos Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Waterwegen en Zeekanaal Agentschap Wegen en Verkeer – Afdeling Planning en Coördinatie Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken NV De Scheepvaart

Tabel 5)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Gemiddeld aantal controles per toezichthouder in 2009

Gemiddeld aantal controles per toezichthouder in 2009 (herleid naar 12 maanden)

Gemiddeld aantal controles per toezichthouder in 2010

82,71

124,06

115,90

0,14

0,21

6,53

29,13

43,69

37,25

49,74 0,00 13,74 45,01

74,61 0,00 20,61 45,0138

81,16 1,25 36,08 41,33

7,35

7,3539

1640

0,02

0,03

0,00

-

-

Niet beschikbaar

-

-

0,00

-

-

0,00

Vergelijking van het gemiddeld aantal controles per gewestelijke toezichthouder in 2009 en 2010

Bovenstaande vergelijking kan voor de Vlaamse Landmaatschappij, Waterwegen en Zeekanaal, het Agentschap Wegen en Verkeer, de afdeling Maritieme Toegang en NV De Scheepvaart niet worden gemaakt. Deze laatste drie beschikten in 2010 nog niet over een toezichthouder zoals bepaald in het Milieuhandhavingsdecreet hetgeen te maken heeft met het feit dat zij pas met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse van 19 november 2010 de mogelijkheid hadden een toezichthouder aan te stellen. Waterwegen en Zeekanaal beschikte daarentegen wel over toezichthouders, namelijk 102, maar konden niet aangegeven hoeveel controles er in 2010 werden uitgevoerd aangezien zij geen specifieke handhavingsacties hadden georganiseerd en de milieuhandhavingscontroles vervat zitten in de dagelijkse controles van/langs de waterweg. De Vlaamse Landmaatschappij rapporteerde in het kader van de opmaak van het Milieuhandhavingsrapport 2010 enkel die controles waar ook degelijk een milieumisdrijf werd vastgesteld. Dit maakt dat de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving geen zicht heeft op het totaal aantal controles dat werd uitgevoerd in 2010, dit in tegenstelling tot de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij rapporteerde in het kader van de opmaak van het Milieuhandhavingsrapport 2009.

38 Door het Agentschap voor Natuur en Bos werd gemeld dat het gemiddeld aantal controles per toezichthouder van 45,01 niet louter betrekking heeft op de periode van 25 juni 2009 tot 31 december 2009, maar dat die controles werden uitgevoerd over het gehele kalenderjaar 2009. Dit maakt dat dit aantal dan ook niet dient te worden geëxtrapoleerd naar het volledige kalenderjaar 2009. 39 Door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij werd gemeld dat het gemiddeld aantal controles per toezichthouder van 7,35 niet louter betrekking heeft op de periode van 1 mei 2009 tot 31 december 2009, maar dat die controles werden uitgevoerd over het gehele kalenderjaar 2009. Dit maakt dat dit aantal dan ook niet dient te worden geëxtrapoleerd naar het volledige kalenderjaar 2009. 40 De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gaf aan 1536 controles te hebben uitgevoerd in 2010. Dit maakte dat het gemiddelde aantal controles per toezichthouder werd berekend op 16. Van deze 1536 controles voerde de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij er 606 uit, terwijl het ondersteuning gaf aan andere handhavingsinstanties bij 930 milieuhandhavingscontroles. Dit maakt dat het gemiddeld aantal controles per toezichthouders ligt op 6,31 en niet op 16.

27 27


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Voor de overige gewestelijke handhavingsactoren kan de vergelijking wel worden gemaakt al dient er een nuancering te worden aangebracht. Op het eerste gezicht lijkt het immers alsof bijna alle handhavingsactoren een hoger gemiddeld aantal controles per toezichthouder konden laten optekenen voor 2010. Het gemiddeld aantal controles per toezichthouder in 2009 heeft echter slechts betrekking op de periode van 1 mei 2009 tot 31 december 2009, terwijl de gegevens van 2010 betrekking hebben op een heel kalenderjaar. De gegevens voor 2009 dienen dus procentueel te worden herleid of te worden gewogen naar een volledig kalenderjaar. Dit maakt het beeld genuanceerder. Zo had de afdeling Milieuinspectie nog gemiddeld 124,06 controles per toezichthouder in 2009, terwijl dit in 2010 was ingekrompen naar gemiddeld 115,9 controles per toezichthouder. Ook het Agentschap Natuur en Bos, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen kenden een daling in het gemiddelde aantal controles per toezichthouder, namelijk respectievelijk van een gemiddelde van 45,01 controles per toezichthouder naar 41,33 controles, gemiddeld 7,35 controles naar 6,3141 controles per toezichthouder en een gemiddelde van 43,69 controles per toezichthouder naar 37,25 controles. Deze minder gunstige evolutie doet de vraag rijzen wat hiervan de oorzaak is. Dit kan immers niet achterhaald worden uit de voorliggende cijfergegevens. Voor de afdeling Milieuvergunningen steeg het gemiddelde aantal controles per toezichthouders van 0,21 in 2009, naar 1,442 in 2010. Ook deze van de Vlaamse Milieumaatschappij en het Agentschap Zorg en Gezondheid stegen respectievelijk van 0 controles per toezichthouder naar gemiddeld 1,25 controles per toezichthouder en van een gemiddelde van 20,61 controles per toezichthouders naar 36,08 controles per toezichthouder. Een andere mogelijke invalshoek is om de vergelijking te maken tussen het aantal uitgevoerde controles door de gewestelijke toezichthouders per totaal beschikbare VTE voor handhavingstaken in 2009 en 2010. De volgende grafische voorstellingen geven hiervan een overzicht. Ook hier weer dient het gemiddeld aantal controles per VTE in 2009 herleid te worden naar twaalf maanden aangezien de bevraging voor het Milieuhandhavingsrapport 2009 slechts betrekking had op de periode van 1 mei 2009 tot 31 december 2009, terwijl dit voor het Milieuhandhavingsrapport 2010 betrekking had op het volledige jaar 2010.

41 De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gaf aan 1536 controles te hebben uitgevoerd in 2010. Dit maakte dat het gemiddelde aantal controles per toezichthouder werd berekend op 16. Van deze 1536 controles voerde de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij er 606 uit, terwijl het ondersteuning gaf aan andere handhavingsinstanties bij 930 milieuhandhavingscontroles. Dit maakt dat het gemiddeld aantal controles per toezichthouders ligt op 6,31 en niet op 16. 42 De afdeling Milieuvergunningen heeft een gemiddeld aantal controles per toezichthouder van 6,53 en een totaal van 522 controles in 2010 opgegeven. Van deze 522 controles waren er 410 controles op technici van vloeibare en gasvormige brandstof (309 controles en 101 herkeuringen na controle met onaanvaardbaar meetresultaat), 12 controles op laboratoria en 100 controles op de bijscholing van milieucoĂśrdinatoren. Hier dient er echter te worden vermeld dat de 410 controles op technici van vloeibare en gasvormige brandstof niet door de toezichthouders van de afdeling Milieuvergunning zelf gebeuren, maar door een geaccrediteerde keuringsinstelling. Het gemiddeld aantal controles per toezichthouder van de afdeling Milieuvergunningen dient zodus te worden teruggebracht naar 1,4 in plaats van 6,53.

28 28


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2009

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2009 (herleid naar 12 maanden)

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2010

niet beschikbaar43

135,35

126,81

2120,00

2826,67

niet beschikbaar

78,98

105,31

94,60

Vlaamse Landmaatschappij

56,46

75,28

75,02

Vlaamse Milieumaatschappij

0,00

0,00

25

Agentschap Zorg en Gezondheid

74,20

98,93

345,02

Agentschap voor Natuur en Bos

165,84

165,8444

160,55

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

niet beschikbaar

niet beschikbaar

189,63

Waterwegen en Zeekanaal

niet beschikbaar

niet beschikbaar

0,00

niet beschikbaar

niet beschikbaar

niet beschikbaar

niet beschikbaar

niet beschikbaar

0,00

niet beschikbaar

niet beschikbaar

0,00

Gewestelijke handhavingsactor Afdeling Milieu-inspectie van het Departement LNE Afdeling Milieuvergunningen van het Departement LNE Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement LNE

Agentschap Wegen en Verkeer – Afdeling Planning en Coördinatie Afdeling Maritieme Toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken NV De Scheepvaart

Tabel 6)

Vergelijking van het gemiddeld aantal controles per gewestelijke toezichthouder in 2009 en 2010

Voor een aantal handhavingsactoren was het aantal VTE ofwel in 2009 nog niet beschikbaar ofwel voor 2010. Voor deze actoren kan er dan ook geen vergelijking worden gemaakt. Voor de overige actoren bleef eveneens een daling of een stijging zichtbaar bij de vergelijking tussen 2009 en 2010 op basis van het aantal controles per toezichthouders en op basis van het aantal controles per beschikbare VTE.

43 Aangezien de afdeling Milieu-inspectie voor het MHR2009 enkel het aantal VTE heeft opgegeven van de toezichthouders en niet het totaal dat werd besteed aan handhavingstaken, is een vergelijking tussen het gemiddelde aantal controles per VTE van 2009 en 2010 niet mogelijk. 44 Door het Agentschap voor Natuur en Bos werd gemeld dat het aantal opgegeven niet louter betrekking heeft op de periode van 25 juni 2009 tot 31 december 2009, maar dat die controles werden uitgevoerd over het gehele kalenderjaar 2009. Dit maakt dat dit aantal dan ook niet dient te worden geëxtrapoleerd naar het volledige kalenderjaar 2009.

29 29


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

2.2

EVALUATIE VAN HET GEVOERDE MILIEUHANDHAVINGSBELEID DOOR DE POLITIE

2.2.1

Algemeen

Onderstaande grafiek en tabel geven een overzicht van het soort processen-verbaal dat werd opgesteld door de politiediensten inzake leefmilieu in 2010. De cijfers omvatten zowel de aanvankelijke processenverbaal en de vereenvoudigde processen-verbaal.45 Het feit dat hierin ook de vereenvoudigde processenverbaal vervat zitten, geldt als verklaring voor het verschil tussen het aantal opgestelde processenverbaal door de politiediensten en het aantal ontvangen dossier – opgesteld door de politiediensten – bij de parketten (cf. hoofdstuk 4.1.) Eenheden Type feit

Lokale politie

Federale politie

Overige

Totaal

Afval door beroepspersoon

498

72

3

573

Afvaltransport

99

62

2

163

Afval: vergunning-erkenning

58

4

6

68

Afval door particulier

3.314

71

0

3.385

Luchtverontreiniging

537

9

1

547

Waterverontreiniging

251

34

0

285

Bodemverontreiniging

86

4

1

91

Geluidsoverlast

616

1

0

617

Leefmilieu flora fauna Vernietiging

299

0

0

299

Leefmilieu flora fauna Dierenwelzijn

760

3

9

772

Leefmilieu flora fauna Natuurbescherming

264

1

3

268

Leefmilieu flora fauna Vergunning erkenning

41

13

1

55

Leefmilieu flora fauna overige

1

0

0

1

Overige fenomenen gelinkt met Leefmilieu46

11.387

198

47

11.632

TOTAAL

18.211

472

73

18.756

Tabel 7)

Processen-verbaal opgesteld door politiediensten inzake leefmilieucriminaliteit voor het jaar 2010 en voor het Vlaamse Gewest

45 Vereenvoudigde processen-verbaal worden voornamelijk opgesteld voor lichte feiten met bijvoorbeeld onbekende daders, die niet systematisch overgemaakt worden aan het parket. 46 De categorie ‘overige fenomenen gelinkt met leefmilieu’ bevat onder meer geluidshinder, maar ook inbreuken die niet ressorteren onder het milieuhandhavingsdecreet (bv.: ruimtelijke ordening, vuurwerkzwendel,…).

30 30


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Totaal = 18.756 Grafiek 6)

2.2.2

Processen-verbaal opgesteld door politiediensten inzake leefmilieucriminaliteit voor het jaar 2010 en voor het Vlaamse Gewest, opgesplitst naar Lokale politie, Federale politie en overige diensten

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Federale politie

De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving heeft ook voor het Milieuhandhavingsrapport 2010 de Federale politie bevraagd naar zijn activiteiten in het kader van de milieuhandhaving. Er werd onder meer gevraagd hoeveel processen-verbaal er gevat werden in de Algemene Nationale Gegevens databank betreffende Leefmilieucriminaliteit waarbij de vaststellende eenheid een onderdeel uitmaakte van de Federale politie. Daarnaast werd bijvoorbeeld gevraagd hoeveel personen er in 2010 binnen de Federale politie actief bezig was met de handhaving van het milieurecht in het Vlaamse Gewest. Binnen de Federale politie maakten er in 2010 143 personen deel uit van het Leefmilieunetwerk in Vlaanderen. Dit Leefmilieunetwerk heeft als opzet om informatie met betrekking tot leefmilieuschendingen uit te wisselen, om wederzijdse ondersteuning te leveren, om samen best practices te ontwikkelen en om grootschalige onderzoeken effectief en efficiënt uit te voeren. Binnen dit netwerk zijn er ook leden van de Lokale politie. Het is echter zo dat het cijfer van 143 personen van de Federale politie dat actief bezig is met milieuhandhaving zowel een overschatting als een onderschatting inhoudt. Het cijfer is immers een extractie uit de databank Leefmilieunetwerk. Niet alle personen opgenomen in deze databank zijn nog steeds actief bezig met milieuhandhaving. Anderzijds is het ook zo dat niet alle personen die zich binnen de Federale politie bezighouden met milieuhandhaving in dit netwerk zijn opgenomen. Het cijfer van 143 personen dient dus als indicatief te worden beschouwd. Meer nauwkeurig is het feit dat er in 2010 binnen de Federale politie 49 VTE actief bezig waren met milieuhandhaving in het Vlaamse Gewest. Dit betrof 12 VTE binnen de Dienst leefmilieu van de Directie van de bestrijding van de criminaliteit tegen goederen (DJB Milieu), 35 VTE onderzoekscapaciteit binnen de Federale Gerechtelijke politie en 2 VTE fenomeencoördinatoren . 31 31


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

In 2010 werden er in het totaal 472 aanvankelijke processen-verbaal opgenomen in de Algemene Nationale Gegevensbank betreffende leefmilieucriminaliteit en dit enkel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en waarbij de vaststellende eenheid een onderdeel uitmaakte van de Federale politie. De aanleiding van deze reactieve milieuhandhavingsvaststellingen vormden een aangifte, een klacht of een op heterdaad ontdekt misdrijf. Deze processen-verbaal handelden niet alleen over milieumisdrijven, maar tevens over milieugerelateerde feiten.

PROACTIEVE CONTROLES IN HET KADER VAN AFVALTRANSPORTEN OP HET GRONDGEBIED VAN HET VLAAMSE GEWEST Naast deze reactieve controles voerde de Federale politie in 2010 ook 1352 proactieve controles uit in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Er werd binnen de Federale politie voor gekozen om die afvalstoffen aan te pakken die een ernstige bedreiging uitmaken voor de volksgezondheid of voor het leefmilieu en die grote (illegale) winsten genereren. Deze controles van afvaltransport worden veelal gedaan in samenwerking met de Lokale politie. Bij 137 van deze controles werd er een overtreding vastgesteld. Het verdere resultaat van deze controles wordt in onderstaande grafiek weergegeven.

Grafiek 7)

Proactieve controles i.v.m. afvaltransporten uitgevoerd door de Federale politie

In totaal werden er in 2010 1352 controles uitgevoerd op afvaltransporten. In bijna 90% van de controles werd er geen overtreding vastgesteld en in 4,5% van de gevallen werd er een proces-verbaal47 opgesteld. In 5,5% werd er een overtreding vastgesteld na contactname met de bevoegde administratie(s). Dit document laat toe om een gedeelte van een afvalstroom zichtbaar te maken. Na de opstelling wordt het ECO-formulier afval overgemaakt aan de dienst Leefmilieu van de Federale Gerechtelijke politie. Deze dienst controleert de gegevens. Een aantal gegevens met betrekking tot “risicoafvalstromen” wordt uitgewisseld met de bevoegde administratieve diensten. Op basis van deze bijkomende administratieve data kunnen, a posteriori, nog inbreuken worden vastgesteld die resulteren in initiële processen-verbaal. Concreet ging het hier over 76 gevallen.

47 Dit zijn processen-verbaal die werden opgesteld op het moment van het invullen van het ECO-formulier. Het is mogelijk dat er naderhand, nadat de gegevens werden gecontroleerd door de administraties en er alsnog overtredingen werden vastgesteld, nog meerdere processen-verbaal werden opgesteld. Dit laatste werd in bovenstaande grafiek opgenomen als “Er werd een overtreding vastgesteld zonder onmiddellijk verder gevolg”.

32 32


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Bovenstaande cijfergegevens geven een gelijkaardig beeld als deze van het Milieuhandhavingsrapport 2009. Deze gegevens hadden echter slechts betrekking op de periode tussen 1 mei 2009 en 31 december 2009, maar indien de cijfers worden herleid naar een periode van 12 maanden zouden er in totaal 1363 controles zijn uitgevoerd, waarvan in 89% van de controles geen overtreding werd vastgesteld, in 6% er een overtreding werd vastgesteld na contactname met de bevoegde administratie(s) en in 5% van de gevallen er een proces-verbaal werd opgesteld. Het aantal controles met betrekking tot de afvaltransporten en zodus ook de aanpak van de Federale politie ter zake blijft bestendigd. De handhavingsactiviteiten van de Federale politie spitsten zich met 1352 controles in de bestudeerde periode dus duidelijk toe op de controles van de afvaltransporten. Dit werd immers ook zo opgenomen in het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011 waarin de Federale Regering heeft beslist om onder meer de zware milieucriminaliteit (met focus op de zware en georganiseerde vormen van afvalzwendel) als prioritair te beschouwen en projectmatig aan te pakken door middel van jaarlijks geïntegreerde actieplannen.

2.2.3

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Lokale politie

In het algemene deel inzake de politiediensten werden de processen-verbaal gevat die door de Lokale politie en de Federale politie werden opgesteld in 2010 inzake een bepaald milieuthema. De activiteiten van de toezichthouders van de Lokale politie worden echter besproken in dit afzonderlijk hoofdstuk, volgend op de activiteiten van de Federale politie. Dit heeft te maken met het feit dat de Lokale politie onderscheiden taken heeft wat betreft de handhaving van de milieuwetgeving. Enerzijds zijn binnen sommige steden en gemeenten politiefunctionarissen aangesteld als toezichthouder binnen een politiezone. Anderzijds staat de Lokale politie in voor de basispolitiezorg en voert zij meer bepaald alle opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie uit die nodig zijn voor het beheren van lokale gebeurtenissen en fenomenen die zich voordoen op het grondgebied van de politiezone, evenals het vervullen van sommige politieopdrachten van federale aard. In dat kader wordt uiteraard ook aan handhaving van de milieuwetgeving gedaan, al zij het niet als toezichthouder in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet, zoals reeds werd besproken in hoofdstuk 2.2.1.1. Binnen diverse politiezones kunnen er immers gespecialiseerde milieucellen worden opgericht of wordt er voor geopteerd 1 of meerdere medewerkers te laten specialiseren in milieugerelateerde onderwerpen. Dit zijn dan niet steeds medewerkers die het statuut van toezichthouder hebben gekregen, zij kunnen ook functioneren enkel als officier van de gerechtelijke politie. Voor dit Milieuhandhavingsrapport 2010 werden echter de korpschefs van de Vlaamse politiezones gevraagd enkel te rapporteren, indien er een toezichthouder werd aangesteld binnen de politiezone, over de activiteiten van deze toezichthouder(s). Dit onderdeel dient dus eigenlijk te worden gelezen samen met de evaluatie van het gevoerde lokale milieuhandhavingsbeleid (2.4).

TOEZICHTHOUDERS AANGESTELD BIJ DE LOKALE POLITIE Naast het aanstellen van een gemeentelijke toezichthouder binnen het eigen personeelsbestand of door een intergemeentelijke vereniging, kan er – eventueel via een samenwerkingsovereenkomst – voor gekozen worden om de gemeentelijke milieuhandhaving vorm te geven door het aanstellen van toezichthouders bij de Lokale politie. De toezichthouders van de Lokale politie hebben, net zoals de lokale toezichthouders aangesteld binnen de gemeente zelf of binnen een intergemeentelijke vereniging de opdracht op toezicht uit te oefenen op de volgende wetgeving: •

Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: titel III – bedrijfsinterne milieuzorg voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook niet-ingedeelde vrije velddelicten. 33 33


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

•

Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de lozing van afvalwater en opsporing van elke vorm van verontreiniging voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidhinder voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 1982, artikel 2.

•

Koninklijk Besluit van 24 februari 1977 betreffende elektronisch versterkte muziek, artikel 5.

•

De artikelen 11, 12, 13, 14, 17, 18 en 20 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende voorkoming en het beheer van afvalstoffen en de bijhorende uitvoeringsbesluiten voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunningen voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

•

Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

•

Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

In artikel 34 van het Besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt, naast bovenvermelde bevoegdheden, ook een toezichtsopdracht gegeven aan de lokale toezichthouder om bij inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het Vlarem zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 – binnen het kader van de bovenvermelde wetten, decreten en verordeningen – vaststellingen te doen op basis van zintuiglijke waarnemingen en zaken te onderzoeken zoals vermeld in artikel 16.3.14 van het Milieuhandhavingsdecreet.

34

Vergelijkbaar met de bevraging van de gemeentelijke toezichthouders werd in de bevraging van de politiezones gevraagd naar het aantal inwoners in de politiezone, het feit of de politiezone al dan niet beroep kan doen op een aangestelde toezichthouder, het aantal, de tijdsbesteding en de aanmelding van de toezichthouders en de organisatie van het toezicht binnen de Lokale politie en uiteraard het aantal uitgevoerde controles en vaststellingen met daaraan gekoppeld het resultaat van de uitgevoerde controles. 34


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

RESPONS VAN DE LOKALE POLITIE BETREFFENDE DE BEVRAGING VOOR INPUT De VHRM mocht input ontvangen van 94 van de 118 politiezones, hetgeen voor het Vlaamse Gewest een respons van 79,66% betekent. In onderstaande grafiek en tabel kan een overzicht van de respons op basis van het inwonersaantal van de politiezone worden gevonden. Er werd – net zoals bij de gemeenten – gekozen voor een indeling op basis van het aantal inwoners in de politiezone aangezien door deze indeling meer significante verschillen konden worden vastgesteld dan bij een indeling van de politiezones per provincie. Er worden 5 klassen van politiezones gebruikt:

Grafiek 8)

Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners

Tabel 8)

Respons (%) van de Lokale politie betreffende de bevraging (volgens inwonersaantal politiezone)

met 0-24.999 met 25.000-49.999 met 50.000-74.999 met 75.000-99.999 met meer dan 100.000

Aantal politiezones in de betreffende klasse

Aantal responderende politiezones per klasse

11

8

69

53

23

22

9

6

6

5

Indelingsklassen van de Vlaamse politiezones inclusief aantal politiezones per klasse en aantal respondenten per klasse 35

35


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Op basis van bovenstaande cijfergegevens kan worden geconcludeerd dat voor alle klassen een relevant aantal politiezones respondeerde. Dit maakt dat er kan worden gesteld dat per klasse van politiezones een conclusie kan worden geformuleerd die geldt voor de gemiddelde politiezone in de desbetreffende klasse. In vergelijking met de bevraging in het kader van het Milieuhandhavingsrapport 2009 kan er een lichte stijging worden vastgesteld. Zo antwoordde 77,12% van de politiezones voor het Milieuhandhavingsrapport 2009, terwijl dit voor het Milieuhandhavingsrapport 2010 79,66% bedraagt. De grootste stijging was merkbaar bij de politiezones met een inwonersaantal van 50.000-74.999, namelijk van 69,57% naar bijna 96%. Bij de politiezones met een inwonersaantal van 25.000-49.999 en van 75.000-99.999 kon er echter een daling worden vastgesteld in het percentage van politiezones dat antwoordde binnen deze klassen, namelijk respectievelijk van 78,26% naar 76, 81% en van 88,89% naar 66,67%.

INSPANNINGEN MET BETREKKING TOT MILIEUHANDHAVINGSTAKEN Aanstelling van toezichthouders bij de Lokale politie en tijdsbesteding Artikel 16§1 van het besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, kortweg het Milieuhandhavingsbesluit, bepaalt dat gemeenten binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, dit was op 1 mei 2010, beroep moeten kunnen doen op minstens 1 toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder of Vlaremambtenaar, hetzij een toezichthouder of Vlaremambtenaar van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder of een Vlaremambtenaar van een politiezone. Omdat de mogelijkheid bestaat om toezichthouders aan te stellen binnen de politiezones werden al de politiezones in het Vlaams Gewest gevraagd of er al dan niet een toezichthouder werd aangesteld binnen hun politiezones, hoeveel toezichthouders er werden aangesteld en hoeveel tijd deze besteedden in 2010 aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Deze gegevens worden globaal en per klasse als volgt grafisch weergegeven:

36 36


37


Tabel 9)

Totaal

Totale tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (VTE) waarvan VTE door de toezichthouder besteed aan de milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet waarvan VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieuhandhavingstaken Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken (in VTE) Politiezone zonder inzicht in tijdsbesteding toezichthouder

100.000â&#x20AC;Ś

Gemiddeld aantal toezichthouders per politiezone

75.000-99.999

Aantal aangestelde toezichthouders

50.00074-999

Politiezone die beroep kan doen op een toezichthouder Politiezone die geen beroep kan doen op een toezichthouder

25.000-49.999

Respons

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

024.999

VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

8

53

22

6

5

94

5

36

13

5

2

61

3

17

9

1

3

33

5

64

37

13

4

123

1,00

1,78

2,85

2,60

2,00

2,02

0,00

5,03

8,20

1,60

1,60

16,43

0,00

3,77

5,00

1,60

0,80

11,17

0,00

1,26

3,20

0,00

0,80

5,26

0,00

0,08

0,22

0,12

0,40

0,13

4

16

8

1

1

30

Overzicht van de inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken door toezichthouders Lokale politie (volgens inwonersaantal politiezone)

Uit bovenstaande cijfergegevens kan worden afgeleid dat bijna 65% van de responderende politiezones een toezichthouder hebben aangesteld binnen de politiezone. In totaal handelde het over 123 toezichthouders aangesteld bij de politiezones in het Vlaamse Gewest, hetgeen gemiddeld neerkomt op 2,02 toezichthouders binnen de politiezones die beroep kunnen doen op een toezichthouder. De totale tijdsbesteding van deze 123 toezichthouders bedroeg in 2010 echter slechts 16,43 VTE, waarvan 11,17 VTE besteed aan de milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en 5,26 besteed aan administratieve taken ter ondersteuning van de milieuhandhavingstaken. Dit komt neer op een gemiddelde tijdsbesteding van 0,13 VTE per toezichthouder aan toezichtstaken. Dit cijfer dient echter wel te worden gerelativeerd aangezien 30 politiezones aangaven geen inzicht te hebben in de tijdsbesteding van de aangestelde toezichthouder.

38

In vergelijking met de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 kan worden vastgesteld dat er meer politiezones een beroep konden doen op een of meerdere toezichthouders, namelijk 41 in 2009 en 61 in 2010. Daarnaast steeg het totaal aantal aangestelde toezichthouders van een politiezone van 97 naar 123. Opmerkelijk is echter het feit dat de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken daalde in 2010. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd er nog een gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken geregistreerd van 0,19 VTE, in 2010 bedroeg dit slechts 0,13. Er waren dus meer politiezones die beroep konden doen op een toezichthouder en er waren in 2010 meer toezichthouders bij deze politiezones, maar deze toezichthouders hebben dus minder tijd besteed aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Het feit dat de toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie gemiddeld zeer weinig tijd hebben besteed aan het uitvoeren van effectieve toezichtstaken doet de vraag rijzen of de aanstelling van enkele van deze toezichthouders enkel en alleen pro forma gebeurde, zonder dat deze zich effectief focussen op de milieuhandhaving in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. 38


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Dit probleem rijst zeer duidelijk bij de politiezones met een inwonersaantal tot 24.999. Zo gaven 5 van de 8 responderende zones aan beroep te kunnen op 1 toezichthouder. Vier van deze politiezones hadden geen inzicht in de tijdsbesteding van hun toezichthouder, terwijl 1 politiezone aangaf dat zijn toezichthouder 0 VTE besteedde aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet in 2010. Van de 53 responderende politiezones gaven 36 zones aan dat ze in totaal beroep konden doen op 64 toezichthouders. Dit is niet minder dan 1,78 toezichthouder per politiezone. Aangezien er in totaal 5,03 VTE werd geregistreerd voor 64 toezichthouders, komt het gemiddeld aantal VTE per toezichthouder te liggen op amper 0,08 VTE. Bij de politiezones met meer inwoners vervaagt dit probleem echter. Zo is er sprake van een gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken van 0,40 VTE in de grootste klasse met meer dan 100.000 inwoners. Hier zou de conclusie kunnen worden getrokken dat het meer opportuun zou zijn voor de gemeenten om het toezicht niet bij de politiezones onder te brengen wanneer dit een eerder kleine politiezone is, aangezien zij minder VTE besteedden aan toezichtstaken. Het idee van schaalvergroting en specialisatie kan hiervoor een verklaring zijn. Daar waar de politiezones meer inwoners hebben, zou er kunnen worden gesteld dat de politiezone op zich ook groter is. Dit zou kunnen betekenen dat de agenten binnen dit korps zich kunnen specialiseren en de aangestelde toezichthouders zich meer kunnen bezig houden met milieuhandhavingstaken zoals deze werden opgenomen in het Milieuhandhavingsdecreet. Onderstaande grafiek en tabel bieden een vergelijking van het gemiddeld aantal toezichthouders in 2009 en 2010.

Grafiek 10)

Vergelijking van het gemiddeld aantal toezichthouders per politiezone in 2009 en 2010

39 39


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Totaal

Tabel 10)

met 0-24.999 met 25.000-49.999 met 50.000-74.999 met 75.000-99.999 met meer dan 100.000

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Gemiddeld aantal toezichthouders per politiezone in 2009

Gemiddeld aantal toezichthouders per politiezone in 2010

1,67

1,00

1,88

1,78

2,67

2,85

3,17

2,60

6,00

2,00

2,37

2,02

Vergelijking van het gemiddeld aantal toezichthouders per politiezone in 2009 en 2010

Het totaal aantal aangestelde toezichthouders binnen in politiezone steeg van 97 naar 123, maar ook het aantal politiezones dat beroep kon doen op een toezichthouder steeg van 41 naar 61. Dit maakt dat het gemiddeld aantal toezichthouders per politiezone die beroep kon op een toezichthouder daalde van 2,37 naar 2,02. De meest opmerkelijk terugval is deze van de politiezones in de klasse van meer dan 100.000 inwoners. Hier viel het gemiddeld aantal toezichthouders terug van 6 naar 2. In de klasse van politiezones met 50.000 -74.999 inwoners steeg het gemiddelde aantal toezichthouders per politiezone licht. Het kan echter meer relevant zijn om niet het gemiddelde aantal toezichthouders te vergelijken, maar wel de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2009 en 2010. Deze gegevens worden in onderstaande tabel grafisch voorgesteld.

Grafiek 11)

Vergelijking van de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2009 en 2010

40 40


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Totaal

Tabel 11)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2009

Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2010

0,20

0,00

0,14

0,08

0,36

0,22

0,17

0,12

0,17

0,40

0,19

0,13

met 0-24.999 met 25.000-49.999 met 50.000-74.999 met 75.000-99.999 met meer dan 100.000

Vergelijking van de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2009 en 2010

Ondanks het feit dat er meer politiezones een beroep kunnen doen op een of meerdere toezichthouders en er in 2010 in totaal meer toezichthouders zijn aangesteld binnen de politiezones, daalde niet alleen het aantal beschikbare toezichthouders per zone, maar tevens ook de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan milieuhandhavingstaken van 0,19 naar 0,13 VTE. Een dergelijke daling kan als opmerkelijk worden omschreven. De vraag kan dan ook gesteld worden of deze toezichthouders pro forma worden aangesteld, enkel en alleen opdat de gemeente de bepalingen in het Milieuhandhavingsdecreet zou naleven. Deze daling is bij de verschillende klassen aanwezig, enkel bij de klasse van politiezones met meer dan 100.000 inwoners niet. De gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan milieuhandhavingstaken is in 2010 sterk gestegen, namelijk van 0,17 VTE naar 0,40 VTE. In grafiek 9 en tabel 8 werd er aangegeven dat het gemiddelde aantal toezichthouders per politiezone in deze klasse echter fors was gedaald, namelijk van 6 naar 2. Dit houdt dus in dat er meer tijdbesteding is aan milieuhandhavingstaken met minder aangestelde toezichthouders. Het kan als aannemelijk worden beschouwd dat het bovenvermeld proces van schaalvergroting en specialisatie van toepassing zou kunnen zijn op de positionering door de gemeenten van de handhavingsopdrachten bij de politiezones.

Organisatie van toezicht bij de Lokale politie Naast een meer gedetailleerde bevraging over de organisatie van het toezicht en de milieuhandhavingstaken binnen de eigen politiezone, zoals bijvoorbeeld het aantal aangestelde toezichthouders binnen de zone en het aantal VTE besteed aan handhavingstaken, werd in de bevraging van de Lokale politie geïnformeerd hoe het toezicht binnen de gemeenten werd georganiseerd. Naast het feit of de politiezone zelf een toezichthouder had binnen het korps, werd er gevraagd of er ook toezichthouders werden aangesteld binnen de gemeenten behorende tot de politie zone en/of er een toezichthouder werd aangesteld binnen een intergemeentelijke vereniging. Dit geeft een totaalbeeld van de wijze waarop het lokale toezicht is georganiseerd. De bekomen gegevens worden grafisch weergegeven in onderstaande grafiek en tabel en worden – procentueel – vergeleken met de gegevens van het Milieuhandhavingsrapport 2009. Een gelijkaardige oefening werd voltrokken bij de bevraging van de gemeenten en is terug te vinden in hoofdstuk 2.4.3.2. Dit maakt het mogelijk een nauwkeurig beeld te schetsen van de organisatie van de lokale milieuhandhaving, ondanks het feit dat deze cijfers niet absoluut zijn en dienen te worden gerelativeerd. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving mocht immers noch bij de gemeenten noch bij de politiezones een volledige respons ontvangen en derhalve is de kans op dubbeltellingen reëel.

41 41


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

.

Tabel 12)

50.00074-999

75.00099.999

100.000…

Totaal

Toezichthouder maakt deel uit van het eigen politiekorps Toezichthouder maakt deel uit van een intergemeentelijke vereniging Toezichthouder maakt deel uit van een individuele gemeente

25.00049.999

Organisatie van toezicht bij Lokale politiezones (volgens inwonersaantal politiezone) in 2009 en 2010

024.999

Grafiek 12)

2009 2010 2009

20,00% 0,00% 0,00%

31,11% 21,88% 2,22%

50,00% 27,03% 0,00%

21,05% 38,46% 10,53%

16,67% 50,00% 0,00%

29,90% 25,20% 3,09%

2010

0,00%

7,81%

0,00%

0,00%

0,00%

4,07%

2009 2010

80,00% 100,00%

66,67% 70,31%

50,00% 72,97%

68,42% 61,54%

83,33% 50,00%

67,01% 70,73%

Organisatie van toezicht bij Lokale politiezones (volgens inwonersaantal politiezone) in 2009 en 2010

In 2009 maakte het merendeel van aangestelde lokale toezichthouders deel uit van de individuele gemeenten, namelijk 67,01%. Dit aandeel is in 2010 verder gestegen tot 70,73% van de toezichthouders. Tevens is er een stijging van bijna 1% merkbaar bij de aanstelling van toezichthouders bij intergemeentelijke verenigingen. In 2010 maakte slechts ¼ van de lokale toezichthouders deel uit van een politiekorps, in tegenstelling tot bijna 30 % in 2009. Hieruit zou kunnen worden geconcludeerd dat meer gemeenten kiezen voor een aanstelling van een toezichthouder binnen de eigen gemeente of een intergemeentelijke vereniging, in plaats van het lokale toezicht via de politiezone te regelen. Een opvallend gegeven is dat bij de politiezones met een kleiner aantal inwoners (klassen 0-24.999, 24.000-49.999 en 50.000-74.999 inwoners) de aanstelling van een toezichthouder die deel uitmaakt van het eigen politiekorps daalde in 2010 terwijl dit bij de politiezones met een groter aantal inwoners (klassen 75.000-99.999 en >100.000 inwoners) juist steeg. Er kan dus worden gesteld dat gemeenten die deel uitmaken van een redelijk grote politiezone er voor opteren – om eventueel naast de aanstelling van een toezichthouder binnen de eigen gemeenten – een toezichthouder laten aan te stellen binnen het 42 42


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

politiekorps, terwijl gemeenten die behoren tot een kleinere politiezone hier net van af zien. Zoals bleek uit bovenstaande cijfergegevens besteedden de toezichthouders in de twee kleinste klassen van zones gemiddeld ook minder tijd (VTE) aan de milieuhandhavingstaken per toezichthouder. Dit zou eventueel de aanleiding kunnen geweest zijn dat de gemeenten er voor kozen om de milieuhandhaving te plaatsen onder de eigen administratie of binnen een intergemeentelijke vereniging in plaats van bij de politiezone.

Aanmelding van de toezichthouders binnen de politiezone bij AMV Voor de 61 politiezones die beroep kunnen doen op een aangestelde toezichthouder werd in de bevraging ook gevraagd naar de aanmelding van deze toezichthouder bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie. Voor niet-gewestelijke toezichthouders – dit zijn de provinciale toezichthouders, de gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones – betekent de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten namelijk dat: • provinciale toezichthouders, gemeentelijke toezichthouders, toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en toezichthouders van politiezones moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs (artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid); • om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, toezichthouders een opleiding moeten volgen zoals vermeld artikel 13, tweede lid van het bovenvermelde uitvoeringsbesluit. De minister kan echter, op basis van de aangetoonde opleiding of ervaring, op gemotiveerde aanvraag van de betrokkene een gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het theoretische en het praktische onderricht. De vrijstelling heeft ook betrekking op de gedeelten van de bekwaamheidsproef waarvoor vrijstelling van onderricht is verleend. De opleiding tot het verkrijgen van een bekwaamheidsbewijs bestaat uit: -

theoretisch onderricht;

-

praktisch onderricht;

-

een bekwaamheidsproef over het theoretische en praktische onderricht.

• de opleiding - vermeld in artikel 13, tweede lid - alleen mag gegeven worden door de instellingen die daartoe erkend zijn door de minister, na gemotiveerd advies van de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE (artikel 14 van het uitvoeringsbesluit); • in overeenstemming met artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 de instelling een getuigschrift aflevert aan de cursisten die het onderricht, vermeld in artikel 13, tweede lid van dit uitvoeringsbesluit, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef. Dat getuigschrift wordt - samen met de eventueel verleende vrijstelling van het onderricht en het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, §1, 2°, 3°, 4° en 5° van het Milieuhandhavingsdecreet, voorgelegd aan de afdeling Milieuvergunningen. De afdeling Milieuvergunningen levert op basis van deze documenten vervolgens een bekwaamheidsbewijs en een legitimatiebewijs af. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de mate waarin de toezichthouders van de politiezones werden aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, en dit in vergelijking met de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009.

43 43


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Tabel 13)

75.00099.999

100.000â&#x20AC;Ś

Totaal

2009 2010 2009 2010 2009 2010

50.00074-999

Politiezones waar toezichthouder werd aangemeld bij AMV Politiezones waar toezichthouder niet werd aangemeld bij AMV Politiezones waar geen toezichthouder aangesteld

25.00049.999

Aanstelling en aanmelding van toezichthouder(s) door politiezone bij AMV (volgens inwonersaantal politiezone) in 2009 en 2010

024.999

Grafiek 13)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

25,00% 62,50% 12,50% 0,00% 62,50% 37,50%

24,07% 16,98% 20,37% 50,94% 55,56% 32,08%

31,25% 27,27% 6,25% 31,82% 62,50% 40,91%

62,50% 66,67% 12,50% 16,67% 25,00% 16,67%

20,00% 20,00% 20,00% 20,00% 60,00% 60,00%

28,57% 26,60% 16,48% 38,30% 54,95% 35,11%

Aanstelling en aanmelding van toezichthouder(s ) door politiezone bij AMV (volgens inwonersaantal politiezone) in 2009 en 2010

Een opvallend gegeven is het feit dat procentueel minder politiezones hun toezichthouder(s) hebben aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu Natuur en Energie in 2010 dan in 2009. Slechts 25 van de responderende 94 politiezones gaven aan dat hun toezichthouder werd aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen, terwijl 36 politiezones hun toezichthouder (nog) niet hebben aangemeld. Dit fenomeen kan eventueel gedeeltelijk worden verklaard door het feit dat het aantal politiezones dat beroep kan doen op een toezichthouder is toegenomen in 2010 (cf. procentuele daling van bijna 20 procentpunten bij de politiezones waar geen toezichthouder werd aangesteld) en dat deze toezichthouders allicht nog niet werden aangemeld bij de afdeling Milieuvergunning. Dit kan zowel de daling van het aantal politiezones waar de toezichthouder werd aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen als de stijging van het aantal politiezones waar toezichthouders niet werden aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen verklaren. 44 44


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Indien er specifiek naar de verschillende klassen van politiezones wordt gekeken (volgens inwonersaantal van de politiezone) kunnen er nog een aantal mogelijke determinerende factoren worden aangewezen. In de klasse van politiezones met 0 – 24.999 inwoners valt er een sterke stijging op te merken van het aantal politiezones dat hun toezichthouder hebben aangemeld bij de afdeling Milieuvergunning. 100% van de toezichthouders in deze klasse werden immers aangesteld. Deze forse stijging valt dus te verklaren door het feit dat alle politiezones hun toezichthouder zijn gaan aanmelden in 2010, maar tevens is het aantal politiezones die beroep kunnen doen op een toezichthouder ook gestegen. In de klassen van politiezones met 25.000 – 49.999 en 50.000 – 74.999 inwoners is het aantal politiezones dat hun toezichthouders heeft aangemeld gedaald, en het aantal zones dat hun toezichthouders niet heeft aangemeld fors gestegen. Het feit dat dit verschil niet evenredig is, valt te verklaren door het feit dat het aantal politiezones die beroep kunnen doen op een toezichthouder flink gestegen is in beide klassen in 2010 (cf. tabel 7). Deze politiezones dienen hun toezichthouders dus nog aan te melden bij de afdeling Milieuvergunningen. De verschillen in de klasse van politiezones met 75.000 – 99.999 inwoners kunnen voornamelijk worden verklaard door het feit dat de respons in 2010 lager lag dan in 2009.

Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door toezichthouders Lokale politie Om een inzicht te krijgen in de activiteiten van de toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie wordt er in onderstaande grafiek en tabel het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles per klasse van politiezones weergegeven, maar ook het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder. In de bevraging werd er expliciet gevraagd naar het aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet door deze toezichthouder(s) van de politiezone tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010. De term controle werd gedefinieerd als: “een controle in het

kader van milieuhandhaving is het nagaan bij een rechtspersoon en/of een natuurlijke persoon die gehouden is aan wettelijke verplichtingen uit het milieurecht, of die rechtspersoon of natuurlijke persoon die ook daadwerkelijk deze wettelijke verplichtingen naleeft. Dit kan opgedeeld worden in controles ter plaatse (inspectie) of controles op stukken”.

45 45


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 14)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken door toezichthouders Lokale politie (volgens inwonersaantal politiezone)

46 46


47

Tabel 14)

Totaal

100.000-â&#x20AC;Ś

94

5

6

22

53

8

123

4

13

37

64

5

Aantal aangestelde toezichthouders

3.741

16

71

1.030

2.624

0

Aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles

30,41

4,00

5,00

27,84

41,00

0,00

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken door toezichthouders Lokale politie (volgens inwonersaantal)

75.000-99.999

50.000-74.999

25.000-49.999

0-24.999

Respons

VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

0,13

0,40

0,12

0,22

0,08

0,00

Gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (in VTE)

227,69

10,00

44,38

125,61

521,67

0,00

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE

47


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Deze cijfergegevens geven aan dat er in 2010 in totaal 3.741 milieuhandhavingscontroles in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en als toezichthouder werden uitgevoerd door de Lokale politie en dit door een totaal van 123 toezichthouders. Dit komt neer op 30,41 controles per toezichthouder die een gemiddelde tijdsbesteding heeft van 0,13 VTE aan toezichtstaken. In het algemeen kan worden gesteld dat dit cijfer veelbelovend is. Ondanks het feit dat de toezichthouders van de lokale politie slechts weinig tijd besteden aan milieuhandhavingstaken voeren zij toch wel een groot aantal controles uit in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Dit cijfer dient echter te worden genuanceerd. Indien er wordt gekeken naar de milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door toezichthouder van de Lokale politie per klasse van politiezones, kan er een sterk vertekend beeld worden waargenomen. Zo blijkt dat de grootste klasse (politiezone >100.000 inwoners) slechts gemiddeld 4 milieuhandhavingscontroles per toezichthouder hebben laten noteren, maar wel een gemiddelde tijdsbesteding van 0,40 VTE per toezichthouder. Ook bij de politiezones van de klasse 75.000-99.999 duizend inwoners staat het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder op 5 en de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken op 0,12 VTE. De klasse van politiezones met 25.000-49.999 inwoners en deze van politiezones met 50.000-74.000 geven daarentegen een heel ander beeld, van respectievelijk 41 controles per toezichthouder die 0,08 VTE besteed aan toezichtstaken en bijna 28 controles per toezichthouder die 0,22 VTE besteed aan toezichtstaken. Op basis van deze cijfers zou kunnen worden geconcludeerd dat deze twee laatste politiezones enorm veel prestaties leveren aan een zo laag mogelijke inspanning. Bovenstaande cijfers vallen echter enigszins als onverwacht te beschouwen, hetgeen de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving doet vrezen dat er nog steeds een probleem rijst bij de hantering van de correcte terminologie enerzijds, en de eventueel incorrecte monitoring en rapportering (in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet) anderzijds. Inzake de controles werd er in de bevragingsfiche een onderscheid gemaakt in het aantal milieuhandhavingscontroles naar aanleiding van klachten en meldingen en het aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op eigen initiatief, bijvoorbeeld in het kader van een geplande milieuhandhavingscampagne. Een grafische voorstelling van de bekomen gegevens is terug te vinden in onderstaande tabel en grafiek.

48 48


49


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

verhouding bedraagt op het totaal aantal controles immers respectievelijk 94,23% ten opzichte van 5,77%. Deze verhouding is echter niet bij elke klasse even uitgesproken. Bij de grootste klasse van politiezones met een inwonersaantal van meer dan 100.000 inwoners kan er in eerste instantie worden opgemerkt dat het aantal uitgevoerde controles, namelijk 16, door de toezichthouders betrekkelijk laag ligt aangezien het gemiddelde aantal toezichthouders per politiezones op 2 werd genoteerd en een gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken op 0,17 kon worden vastgelegd. Dit komt neer op 4 controles per jaar per toezichthouder die 0,17 VTE van zijn tijd besteed aan handhavingstaken. Bovenstaande tabel geeft echter wel aan dat Âź van deze controles gebeurde op eigen initiatief. De verhoudingen in de klasse van politiezones met 50.000-74.999 inwoners ligt eveneens anders dan het globale beeld. In 2010 voerden deze politiezones in totaal 1.030 controles uit met 37 toezichthouders. Dit komt neer op bijna 30 controles per toezichthouder die 0,36 VTE van zijn tijd besteed aan milieuhandhavingstaken per jaar. Bijna 17 % van deze controles waren milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op eigen initiatief. Het globale beeld geeft echter weer dat de toezichthouders van de Lokale politie zich voornamelijk hebben gefocust op het toezicht naar aanleiding van klachten en meldingen. Dit kan eventueel worden verklaard door het feit dat de Lokale politie instaat voor de eerstelijnsbijstand en de eerstelijnsklachtenbehandeling. In onderstaande tabel en grafiek wordt er een vergelijking gemaakt tussen het gemiddelde aantal controles per toezichthouder in 2009 en 2010.

Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Politiezones inwoners Totaal

Tabel 16)

met 0-24.999 met 25.000-49.999 met 50.000-74.999 met 75.000-99.999 met meer dan 100.000

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2009

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2010

4,80

0,00

14,76

41,00

14,88

27,84

7,84

5,00

3,42

4,00

11,51

30,41

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2009 en 2010

50 50


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Grafiek 16) Grafiek 16)

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2009 en 2010

Bovenstaande gegevens kunnen echter niet zomaar worden vergeleken. De cijfergegevens uit 2009 hebben betrekking op het aantal controles uitgevoerd van 1 mei 2009 tot 31 december 2009, terwijl de gegevens voor 2010 betrekking hebben op een volledig kalenderjaar. Om een vergelijking mogelijk te maken dienen de gegevens te worden herleid naar het gemiddelde aantal controles per toezichthouder per maand. in 2009 bedroeg dit in het totaal gemiddeld 1,44 controles per toezichthouder per maand, terwijl dit in 2010 gestegen was naar gemiddeld 2,53 controles per toezichthouder per maand. De grootste stijging valt op te merken bij de klassen van politiezones met 25.000 – 49.999 en 50.000 – 74.999, inwoners, namelijk respectievelijk van gemiddeld 1,85 controles per toezichthouder per maand naar gemiddeld 3,42 controles per toezichthouder per maand en van gemiddeld 1,86 controles per toezichthouder per maand naar gemiddeld 2,32 controles per toezichthouder per maand. Deze vooruitgang kan als zeer positief worden bestempeld aangezien beide klassen in 2010 minder VTE beschikbaar hadden ter uitoefening van hun toezichtstaken, namelijk voor de klasse van politiezones met 25.000 – 49.999 inwoners daalde de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken van 0,14 VTE in 2009 naar 0,08 VTE in 2010. Voor de klasse van politiezones met 75.000 – 99.999 inwoners daalde de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken van 0,36 VTE in 2009 naar 0,12 VTE in 2010. Deze politiezones doen dus meer controles per toezichthouder terwijl deze toezichthouder minder tijd kan besteden aan toezichtstaken. 51 51


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

De overige klasse dragen echter niet bij tot de stijging van het globale cijfer, integendeel, bij de kleinste en twee grootste klassen daalde het gemiddelde aantal controles per toezichthouder per maand. In 2010 voerden de kleinste politiezones geen enkele controle uit, terwijl dit in 2009 nog gemiddeld 0,6 controle per toezichthouder per maand bedroeg. In de klasse van politiezones met 75.000 - 99.999 inwoners daalde het gemiddelde aantal controles per toezichthouder per maand zelfs met meer dan de helft van 1 naar 0,42 controles. In de grootste klasse daalde dit cijfer ook van 0,43 naar 0,33 controles. Zeker dit laatste gegeven is opmerkelijk aangezien de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2010 steeg naar 0,40 VTE terwijl dit in 2009 slechts 0,17 bedroeg. Voor deze klasse kan er dus gesteld worden dat er minder controles worden uitgevoerd met een groter beschikbaar VTE. Dit in tegenstelling tot kleinere klassen (25.000 - 49.999 en 50.000 â&#x20AC;&#x201C; 74.999 inwoners) die meer controles doen in 2010 met minder tijd (VTE). Er kan dus worden vastgesteld dat er een grote verscheidenheid bestaat aan de wijze waarop de politiezones hun milieuhandhavingstaken uitvoeren. Sommige politiezones bouwen een zekere expertise en vooruitgang op en kunnen meer controles doen aan een kleinere beschikbare tijdsspan. Deze tendens kan echter bij andere politiezones niet worden teruggevonden, integendeel. Zeker bij de grotere politiezones zou kunnen worden verwacht dat zij baat zouden hebben bij schaalvergroting en expertiseopbouw. Uit bovenstaande cijfergegevens kan echter worden afgeleid dat zij hier geen gebruik van maken. Een andere mogelijke invalshoek om te inspanningen van de toezichthouders van de Lokale politie te beschouwen en te vergelijkingen met deze van 2009 is het gemiddelde aantal controles per VTE. Dit kan een duidelijker beeld geven, aangezien niet elke aangestelde toezichthouder zich binnen de Lokale politie voltijds kan bezighouden met milieuhandhavingstaken.

Politiezones met 024.999 inwoners Politiezones met 25.000-49.999 inwoners Politiezones met 50.000-74.999 inwoners Politiezones met 75.000-99.999 inwoners Politiezones met meer dan 100.000 inwoners Totaal

Tabel 17)

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2009

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2009 (herleid naar 12 maanden)

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2010

24,00

32,00

0,00

106,75

142,34

521,67

41,39

55,19

125,61

45,85

61,13

44,38

20,50

27,33

10,00

61,25

81,67

227,69

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE in 2009 en 2010

52 52


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 17)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE in 2009 en 2010

Aangezien de gegevens voor 2009 betrekking hebben op de periode 1 mei 2009 tot en met 31 december 2009 werden de cijfers geëxtrapoleerd naar een volledig kalenderjaar. Het gemiddelde aantal controles per VTE ligt, zowel voor 2009 als voor 2010, aanzienlijk hoger dan het gemiddelde aantal controles per toezichthouder. Dit heeft te maken met het feit dat de gemiddelde tijdbesteding per toezichthouder bij de Lokale politie in 2010 niet hoger lag dan 0,40 VTE en gemiddeld slechts 0,13 VTE, en in 2010 respectievelijk 0,36 VTE en 0,19 VTE. Bovenstaande cijfers dienen dan ook op die wijze geïnterpreteerd te worden. Algemeen kan worden gesteld dat het aantal controles per VTE in 2010 is gestegen ten opzichte van 2009, namelijk van gemiddeld 81,67 controles per VTE naar gemiddeld 227,69 controles per VTE. Dit algemeen positief beeld is echter voornamelijk te danken aan de sterke stijging in de politiezones met 25.000-49.999 inwoners. De politiezones met 50.000-74.999 inwoners kenden ook een aanzienlijke stijging; de andere categorieën van politiezones kenden echter een daling in het gemiddelde aantal controles per VTE.

53 53


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

2.3

EVALUATIE VAN HET GEVOERDE LOKALE MILIEUHANDHAVINGSBELEID

2.3.1

Provinciegouverneurs

De bevoegdheden van de provinciegouverneurs van de 5 Vlaamse provincies werden in het Milieuhandhavingsdecreet zeer duidelijk afgebakend. Zij zijn meer bepaald bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en/of veiligheidsmaatregelen in het kader van: •

de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;

•

het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;

•

de artikelen 4 (exploitatie zonder vergunning) en 22 (exploitatie klasse 2 en 3 in strijd met vergunningsvoorwaarden) van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.

In de onderstaande tabellen wordt er een overzicht weergegeven van de vragen/verzoeken die de gouverneurs ontvingen betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen alsook het aantal effectief opgelegde bestuurlijke maatregelen naar aanleiding van deze vragen/verzoeken. Onder vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen worden de vragen van toezichthouders aan de provinciegouverneur tot het treffen van bestuurlijke maatregelen verstaan. Bestuurlijke maatregelen kunnen daarentegen ook het onderwerp zijn van een verzoek om oplegging door personen die rechtstreeks nadeel lijden van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, personen die een belang hebben bij de beteugeling van die milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf, en rechtspersonen bedoeld in de wet betreffende vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu. Dit verzoek moet gebeuren bij aangetekende brief aan personen bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en bij voldoende gemotiveerd verzoek dat aannemelijk maakt dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is en volgens een strikte procedure met korte termijnen. Onderstaande tabel geeft per provincie aan hoeveel vragen/verzoeken de provinciegouverneur in kwestie heeft mogen ontvangen tussen 1 januari 2010 en 31 december en van wie deze vraag (gewestelijke toezichthouder, gemeentelijke toezichthouder, toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, toezichthouder van een politiezone, provinciale toezichthouder) of dit verzoek (derden) kwam.

Bestuurlijke maatregelen

2.3.1.1

Vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen

Bestuurlijke maatregelen

Vragen/verzoeken ontvangen door de gouverneur tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010:

Tabel 18)

Vragen gesteld door gewestelijke toezichthouders: Vragen gesteld door gemeentelijke toezichthouders: Vragen gesteld door toezichthouders van een intergemeentelijke vereniging: Vragen gesteld door toezichthouders van een politiezone: Vragen werden gesteld door provinciale toezichthouders: Verzoeken gesteld door derden:

Gouverneur van de provincie Limburg

VlaamsBrabant

Antwerpen

OostVlaanderen

WestVlaanderen

1

1

2

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

1

2

0

0

Vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen ontvangen door de gouverneurs van de Vlaamse provincies in 2010

54 54


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Bovenstaande tabel toont aan dat er slechts in zeer beperkte mate verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen werden gericht aan de provinciegouverneur, en al helemaal geen vragen van toezichthouders. De provinciegouverneur van Limburg en deze van Vlaams-Brabant ontvingen elk in 2010 slechts 1 verzoek, terwijl dit er in Antwerpen twee verzoeken betrof. Het instrument “vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen” gericht aan de provinciegouverneur wordt dus niet veelvuldig gebruikt. Dit zou eventueel twee redenen kunnen hebben, namelijk het feit dat de toezichthouders – al dan niet gewestelijk of lokaal – beter aangewezen zijn om zelf bestuurlijke maatregelen op te leggen aangezien de toezichthouders in alle onafhankelijkheid en neutraliteit (cf. artikel 16.3.3 van het Milieuhandhavingsdecreet) en met de nodige expertise, kwalificaties en eigenschappen (cf. artikel 16.3.2.van het Milieuhandhavingsdecreet) te werk kunnen gaan in plaats van hiertoe een vraag in te dienen bij de provinciegouverneur. Een mogelijk andere of aanvullende verklaring zou kunnen zijn dat derden, die verzoeken kunnen indienen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen bij de provinciegouverneur, niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheid en er in eerste instantie voor opteren om de milieudienst van de gemeenten of de Lokale politie te contacteren (eerstelijnsbehandeling) om zo bij de toezichthouder te komen. In vergelijking met 2009, toen de provinciegouverneur van Antwerpen 1 vraag/verzoek ontving en de provinciegouverneur van Oost-Vlaanderen 2 vragen/verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen ontving, kan er worden gesteld dat het aantal vragen/verzoeken aan de provinciegouverneurs tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen licht gestegen is. In onderstaande tabel wordt er een overzicht gegeven van het resultaat van deze verzoeken/vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen.

Bestuurlijke maatregelen opgelegd door de provinciegouverneur

Bestuurlijke maatregelen

Tabel 19)

Bestuurlijke maatregelen opgelegd door de provinciegouverneur in 2010 Bevel tot staking50: Bevel tot regularisatie51: Bestuursdwang52: Een combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen:

Het was niet mogelijk de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren:

Gouverneur van de provincie Limburg

VlaamsBrabant

Antwerpen

OostVlaanderen

WestVlaanderen

0

0

1

0

0

0 0 0

0 0 0

0 1 0

0 0 0

0 0 0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Bestuurlijke maatregelen opgelegd door de gouverneurs van de Vlaamse provincies in 2010

Ondanks het feit dat er 4 verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen werden ingediend bij de provinciegouverneurs werd er slechts 1 bestuurlijke maatregel opgelegd. De provinciegouverneur van Antwerpen heeft in 2010 een stakingsbevel opgelegd. Dit kon op eigen initiatief of als reactie op het verzoek van een derde om een bestuurlijke maatregel op te leggen. Ter vergelijking kan worden aangehaald dat er in 2009 helemaal geen bestuurlijke maatregelen werden opgelegd door provinciegouverneurs.

50 Dit is een bevel vanwege de bevoegde toezichthouder aan de vermoedelijke overtreder om bepaalde activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te staken. 51 Dit is een bevel vanwege de bevoegde toezichthouder aan de vermoedelijke overtreder om bepaalde maatregelen te nemen met de bedoeling een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf te beëindigen, zijn gevolgen ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen. 52

Hier treedt de bevoegde toezichthouder zelf feitelijk op tegen de vastgestelde milieu-inbreuk en het milieumisdrijf.

55 55


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Hoewel het op basis van de huidige gegevens niet mogelijk is de reden van het niet opleggen van bestuurlijke maatregelen te achterhalen, kunnen meerdere scenario’s worden vooropgesteld. Zo kan een mogelijke oorzaak liggen in het feit dat de vragen/verzoeken onterecht aan de gouverneurs werden gericht, dan wel buiten de bevoegdheden van de gouverneurs vielen. Een andere oorzaak kan worden gezocht in het gebrek aan equipe, ondersteuning, omkadering of ervaring bij de gouverneurs om de nieuwe bevoegdheden in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet effectief ten uitvoer te brengen. Dit maakt dat er eventueel voor werd geopteerd om de toezichthouders zelf de bestuurlijke maatregelen te laten opleggen. In elke provincie zouden de gouverneurs echter thans beroep kunnen doen op de afdeling Milieu-inspectie om hen in deze taken bij te staan. Ondanks het feit dat er momenteel nog geen definitieve conclusies kunnen worden getrokken inzake de bevoegdheidsverdeling in het Milieuhandhavingsdecreet, kan er toch reeds voorzichtig worden geconstateerd dat het opleggen van bestuurlijke maatregelen door provinciegouverneurs, en de vragen/verzoeken hiertoe, geen grote resultaten oplevert.

2.3.1.2

Veiligheidsmaatregelen

Geen enkele provinciegouverneur ontving een vraag tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Tevens dient er vastgesteld te worden dat geen van de provinciegouverneurs zelf initiatief nam om veiligheidsmaatregelen te treffen. Ook in dit kader kan de gouverneur echter desgevallend beroep doen op de ondersteuning van de afdeling Milieu-inspectie om zich in deze taak deskundig te laten ondersteunen. Volledigheidshalve dient er te worden meegedeeld dat de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving geen antwoord heeft mogen ontvangen van de provinciegouverneur van Oost-Vlaanderen.

2.3.2 2.3.2.1

Provinciale toezichthouders

Milieuhandhavingsactiviteiten door provinciale toezichthouders

AANGESTELDE PROVINCIALE TOEZICHTHOUDERS Artikel 16.3.1, §2, 2° van het DABM bepaalt dat personeelsleden van de provincie aangewezen kunnen worden als toezichthouder door de deputatie. Het betreft hier de zogenaamde provinciale toezichthouders. Met het oog op deze bepaling achtte de VHRM het dan ook opportuun om de deputaties, in de persoon van de gedeputeerde bevoegd voor Leefmilieu, van de vijf Vlaamse provincies te bevragen naar de aanstelling van deze toezichthouders en de inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken. Deze provinciale toezichthouders zijn in het kader van het DABM immers bevoegd voor het toezicht op:

56

•

artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de onbevaarbare waterlopen categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden;

•

artikel 12 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, onbevaarbare waterlopen categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden.

Uit de ontvangen gegevens kan worden vastgesteld dat er geen enkele provincie in 2010 beroep kon op een toezichthouder (zie tabel 17), zoals vermeld in artikel 16.3.1§1, 2° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid, aangewezen door de deputatie van de provincie of een Vlaremambtenaar. In het programma voor 2010 van de Vlaamse provincies, zoals opgenomen als bijlage in het Milieuhandhavingsprogramma 2010 van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving, werd er echter reeds meegedeeld dat de Vlaamse provincies in 2010 aandacht gingen besteden aan het duidelijk maken van de concrete taakstellingen in samenspraak met andere beheerders van waterlopen, gezien er nog verwarring en onduidelijkheid bestond inzake de uiteindelijke toezichtsopdrachten van 56


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

provinciale toezichthouders. Daarnaast werd voor 2010 voorzien dat er duidelijkheid zou worden gezocht over de vormingsplicht van de provinciale toezichthouders, daar de omvang van de vorming niet in verhouding zou staan met de mogelijk uit te oefenen opdrachten. Met het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 werd er in het Milieuhandhavingsbesluit bepaald dat de provinciale toezichthouders om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen de onderdelen theoretisch en praktisch onderricht in verband met geluidshinder en luchtverontreiniging niet moeten volgen en de bijhorende bekwaamheidsproeven niet dienen af te leggen. Dit maakt dat de opleiding werd afgestemd naar de bevoegdheden van de provinciale toezichthouders. Toch kan er worden vastgesteld dat de provincies nog geen beroep kunnen doen op provinciale toezichthouders en dit meer dan 2 en half jaar na de inwerkingtreding van het decreet. Provincie

Limburg Antwerpen Vlaams-Brabant Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

Tabel 20)

Kon de provincie in 2010 beroep doen op een toezichthouder53 – aangewezen door de deputatie van de provincie of een Vlaremambtenaar?

Kon de provincie in 2010 beroep doen op een provinciale medewerker aangeduid voor de controle op onbevaarbare waterlopen54?

0 0 0 0 0

7 7 0 2 4

Aangestelde provinciale toezichthouders en aangeduide provinciale medewerkers in 2010

INSPANNINGEN MET BETREKKING TOT MILIEUHANDHAVINGSTAKEN Het probleem dat hier rijst – het niet aanwijzen van provinciale toezichthouders en het dus ook niet uitvoeren van controles is dan ook dat er geen handhaving werd uitgeoefend door de provinciale toezichthouders ten aanzien van die wetgeving in het kader van titel XVI van het DABM waarvoor zij bevoegd zijn. De afdeling Milieu-inspectie heeft ook toezichtsopdrachten gekregen in deze wetgeving, maar acht vrije velddelicten55 niet prioritair. Er dient echter wel opgemerkt te worden dat de provincies, rekening houdend met hun verantwoordelijkheid als waterloopbeheerder, al jaren een toezichtsfunctie uitoefenen op wetgeving die niet werd opgenomen in titel XVI van het Milieuhandhavingsdecreet, maar waarvoor per provincie voor de uitvoering van deze toezichtsfunctie provinciale medewerkers werden aangeduid, namelijk: •

de wet van 28 december 1967 op de onbevaarbare waterlopen;

•

het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen.

Desondanks het feit dat deze wetgeving niet is opgenomen in het Milieuhandhavingsdecreet, worden dit toezicht en de eventuele controles en controleurs hieronder kort besproken in dit Milieuhandhavingsrapport 2010. Bovenstaande tabel geeft niet alleen een overzicht van het uitblijven van de aanstelling van provinciale toezichthouders, maar geeft tevens aan op hoeveel provinciale medewerkers, aangeduid voor de controle op onbevaarbare waterlopen, de provincie beroep kon doen in 2010. Niet elke provincie kon in 2010 53

Zoals vermeld in artikel 16.3.1§1, 2° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid (DABM)

54

Controles uitgevoerd in het kader van de wet van 28 december 1967 op onbevaarbare waterlopen en het koninklijk besluit van 5 augustus 1967 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen door aangeduide provinciale medewerkers 55 Vrije velddelict: Schending van de milieuhygiëneregelgeving die niet gebonden is aan een gereglementeerde installatie of activiteit, zoals bv. het achterlaten van afval, verbranden van afval. (definitie afkomstig uit het VHRM-glossarium)

57 57


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

beroep doen op een dergelijke provinciale medewerker die werd aangeduid om de controles ter zake uit te voeren.

2.3.2.2

Uitvoering bevoegdheden inzake onbevaarbare waterlopen (andere dan deze opgenomen in het Milieuhandhavingsdecreet) door aangeduide provinciale medewerkers

AANGESTELDE PROVINCIALE MEDEWERKERS Zoals reeds werd meegedeeld kunnen de provincies provinciale medewerkers aanduiden voor het uitvoeren van controles inzake onbevaarbare waterlopen (andere dan deze opgenomen in het Milieuhandhavingsdecreet). Onderstaande tabel en grafiek tonen niet alleen het aantal provinciale medewerkers bevoegd voor het toezicht op de onbevaarbare waterlopen, maar tevens het aantal VTE dat werd besteed aan deze controles door deze aangeduide provinciale medewerkers. Provinciale medewerkers aangeduid voor controles inzake onbevaarbare waterlopen

VTE besteed aan controles inzake onbevaarbare waterlopen door aangeduide provinciale medewerkers

Limburg

7

0,5

Vlaams-Brabant

0

0

Antwerpen

7

2,5

Oost-Vlaanderen

2

0,05

West-Vlaanderen

4

0

Tabel 21)

Aantal aangeduide en tijdsbesteding van de provinciale medewerkers inzake onbevaarbare waterlopen in 2010

Bovenstaande gegevens tonen aan dat, ondanks het feit dat het merendeel van de provincies beroep kan doen op minimaal 2 provinciale medewerkers om het toezicht uit te oefenen op de onbevaarbare waterlopen, slechts heel weinig VTE werd besteed aan deze taken in 2010. Het meest frappante voorbeeld is de provincie West-Vlaanderen waar 4 van deze provinciale medewerkers werden aangeduid, maar waar geen enkele VTE werd besteed aan de controles inzake de onbevaarbare waterlopen.

INSPANNINGEN INZAKE ONBEVAARBARE WATERLOPEN Onderstaande tabel en grafiek geven een overzicht van het aantal controles dat werd uitgevoerd door de provinciale medewerkers inzake onbevaarbare waterlopen, het aantal aanmaningen dat tijdens deze controles werd geformuleerd en het aantal processen-verbaal dat werd opgesteld naar aanleiding van de vaststelling van een misdrijf tijdens deze controles.

Provincie

Aantal controles waterlopen

inzake

onbevaarbare

Aantal PV's opgesteld naar aanleiding van deze controles inzake onbevaarbare waterlopen Aantal aanmaningen geformuleerd naar aanleiding van deze controles inzake onbevaarbare waterlopen

Tabel 22)

Limburg

VlaamsBrabant

Antwerpen

OostVlaanderen

WestVlaanderen

50

0

100

29

0

2

0

0

0

0

10

0

100

15

0

Aantal controles inzake onbevaarbare waterlopen in 2010 en aantal geformuleerde aanmaningen en opgestelde PVâ&#x20AC;&#x2122;s naar aanleiding van deze controles

58 58


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Ter verduidelijking van bovenstaande gegevens dient te worden aangehaald dat de provincie Antwerpen op de vraag naar het aantal controles dat werd uitgevoerd, meedeelde dat de controles op een permanente basis plaats hadden. Om dit op te nemen in de grafiek werd het aantal controles gelijk gesteld met het aantal aanmaningen, namelijk 100, aangezien er geen enkel proces-verbaal werd opgesteld. Ook de provincie Oost-Vlaanderen gaf aan dat er 29 controles werden uitgevoerd en dat er geen enkel proces-verbaal werd opgesteld, maar wel 15 aanmaningen werden gegeven. Een aanmaning, zoals opgenomen in het Milieuhandhavingsdecreet (artikel 16.3.27), kan echter enkel en alleen worden geformuleerd wanneer er een misdrijf werd vastgesteld en wanneer er dus ook een proces-verbaal werd opgesteld. Met een aanmaning worden de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aangemaand om de nodige maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beĂŤindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. De aanmaning is een curatief instrument dat de bestuurlijke handhaving voorafgaat en wordt steeds vergezeld van een proces-verbaal. Indien een aanmaning in de context van de controles inzake de onbevaarbare waterlopen in het kader van de wet van 28 december 1967 op de onbevaarbare waterlopen en het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen dezelfde betekenis zou hebben, zou een dergelijk optreden niet legitiem zijn. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de overtredingen die werden vastgesteld door de provincies Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen. De provincies Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen hebben geen controles uitgevoerd op bovenstaande wetgeving. Provincie Type overtredingen: Beschadiging oever Lozen in waterloop Andere

Tabel 23)

Limburg

VlaamsBrabant

Antwerpen

OostVlaanderen

WestVlaanderen

1 5 6

0 0 0

25 10 65

6 0 23

0 0 0

Type overtredingen inzake onbevaarbare waterlopen in 2010

De provincie Oost-Vlaanderen rapporteerde over 6 overtredingen inzake de beschadiging van de oever en 23 andere overtredingen. Dit komt neer op een totaal van 29 overtredingen, terwijl er slechts 15 aanmaningen werden geformuleerd en geen enkel proces-verbaal. Het wetboek van strafvordering bepaalt echter in artikel 29 dat iedere gestelde overheid, iedere openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, verplicht is daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat allesbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. Het uitvoeren van een controle zonder hierbij gevolg te geven aan een vastgestelde overtreding, is dus in strijd met bovenstaande wetsbepaling. De provincie Antwerpen kon tijdens de controles op onbevaarbare waterlopen onder meer een aantal overtredingen vaststellen inzake de beschadiging van de oever, het lozen in de waterloop, overtredingen inzake de 1-meterzone, de 5-meterzone en constructies in de waterloop. In totaal werden er 100 overtredingen vastgesteld en tevens 100 aanmaningen geformuleerd. Er werd echter geen enkel procesverbaal opgesteld. Hier manifesteert zich dus hetzelfde probleem als in de provincie Oost-Vlaanderen. In Limburg werden er 12 overtredingen vastgesteld en werden er 10 aanmaningen geformuleerd, maar er werden slechts 2 processen-verbaal opgesteld hetgeen maakt dat in Limburg een zelfde probleem kan vastgesteld worden als in de andere twee provincies.

2.3.3

Ondersteunende rol van de provincies ten aanzien van de gemeenten

Niet alleen in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet komen de activiteiten van de provincies inzake milieuhandhaving aan bod. Ook via de rapportering in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst 59

59


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

2008-2013 kunnen de activiteiten van de provincies worden geanalyseerd. Deze Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 is een vrijwillige overeenkomst tussen het Vlaamse Gewest en de Vlaamse provincies op het vlak van milieu, waarbij in ruil voor het uitvoeren van een aantal acties financiële en inhoudelijke ondersteuning wordt verkregen van de Vlaamse Overheid. De vijf Vlaamse provincies hebben deze samenwerkingsovereenkomst ondertekend. Dit houdt onder meer in dat de provincies instaan voor het begeleiden, coördineren en ondersteunen van het gemeentelijk milieubeleid. De provincies nemen een actieve begeleidingsfunctie op naar de individuele gemeenten en begeleiden de gemeenten aldus in functie van de noden. De provincies zijn verplicht jaarlijks een rapport op te stellen over de uitvoering van de provinciale samenwerkingsovereenkomst. In dit rapport worden conform de afspraken de thema’s instrumentarium, afval, productgebruik, water, hinder, energie, mobiliteit, natuur, bodem en duurzame ontwikkeling besproken. In iedere provincie worden deze ondersteunende taken georganiseerd via een loketwerking, het organiseren van regionale vergaderingen en het (mede)inrichten van opleidingstrajecten. De provinciale vormingsinstituten zijn erkend om de opleiding lokale toezichthouder in te richten: PIVO heeft de cursus ingericht schooljaar 2009/2010 voor de provincies Vlaams-Brabant en Limburg, INOVANT heeft de volledige cursus in 2010 ingericht voor de provincie Antwerpen en OBAC heeft de cursus ingericht schooljaar 2010/2011 voor de provincies Oost- en West-Vlaanderen. De provincie Limburg zet de provinciale aanspreekpunten in om de loketvragen rond milieuhandhaving te beantwoorden De provincie Vlaams-Brabant heeft in 2010 een rondvraag bij de gemeenten georganiseerd in verband met de opleidingsbehoeften rond milieuhinder en luchtkwaliteit. Op basis van deze gegevens zullen de nieuwe opleidingen worden gestuurd. Binnen het Milieuambtenarenoverleg werden milieuhandhaving en het toezicht besproken. De gemeentebesturen konden in 2010 met alle vragen inzake milieu en natuur terecht bij de cel milieuregiowerking. In de provincie Oost-Vlaanderen wordt via het Provinciaal milieunetwerk voor politie- en milieuambtenaren het thema handhaving besproken; in 2010 werd een bijeenkomst georganiseerd inzake ‘Milieuhandhaving in de praktijk’. Bijkomend werden twee opleidingsdagen georganiseerd met als titel ‘Handhaving van de milieuwetgeving’. De provincie Oost-Vlaanderen ondersteunt de gemeenten inzake handhaving via de continue helpdesk en de inzet van deskundigen van het provinciaal centrum voor milieuonderzoek (PCM). Naar aanleiding van de gemeentenbezoeken in 2010 rapporteerde de provincie dat in heel wat (vooral kleinere) gemeenten er geen proactieve controles worden uitgevoerd aangezien dit een extra inzet vergt van de milieudienst en aangezien dit ook meer politiek draagvlak vereist. Een aantal gemeenten werd door de provincie gestimuleerd om een meer structureel overleg op te starten. De provincie West-Vlaanderen organiseerde in 2010 een studiedag rond thema Zwerfvuil voor gemeenten, waar ook het thema handhaving aan bod kwam. Samen met de intercommunales WVI en Leiedal werden regiovergaderingen georganiseerd waar de thema’s VLAREM-VLAREBO en handhaving aan bod kwamen. Toelichting werd gegeven bij het Addendum Samenwerkingsovereenkomst (VVSG) en Samenwerking MI en gemeente rond toezicht en handhaving (door MI). Eind 2010 organiseerde de provincie West-Vlaanderen een infonamiddag rond milieuhandhaving. Er werd een toelichting gegeven door Milieu-inspectie over het algemeen kader van het Milieuhandhavingsdecreet en door het parket van Kortrijk over de werking en de rol van het parket. Op deze infonamiddag waren heel wat milieuambtenaren en toezichthouders vanuit de politiezones aanwezig en werd een uitgebreide 60 60


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

bevraging gedaan naar de nood naar overleg en vorming rond milieuhandhaving. Het aanbod voor de komende jaren wordt afgestemd op de info uit deze bevraging. Vragen rond handhaving worden behandeld door het loket Gemeentelijke ondersteuning. Het thema wordt ook meegenomen in de plaatsbezoeken die de provincie in kader van de SO uitvoert bij al haar gemeenten. In de provincie Antwerpen wordt door het team van de regioverantwoordelijken de loketvragen rond milieuhandhaving en de nodige opleidingen doorgegeven naar de cel Handhaving binnen het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH). De cel Handhaving werkt hierbij samen met de deskundigen van het PIH. In 2010 werd door de cel Handhaving naast het behandelen van loketvragen , drie elektronische nieuwsbrieven milieuhandhaving opgemaakt en doorgestuurd naar de milieuambtenaren en de lokale politie. In deze nieuwsbrieven worden de actuele thema’s rond handhaving en nieuwe informatie duidelijk toegelicht. Binnen de vorming werd ‘Het platform voor handhaving’ opgestart met als thema horeca en werden lokale cursussen georganiseerd rond sluikstoken en sluikstorten. Binnen deze vormingen wordt gezorgd voor concrete en ‘direct’ bruikbare informatie in het kader van de milieuhandhaving. Periodiek werd overleg gepland in de lokale politiezones waar de thema’s handhaving –algemeen, biodiversiteit en dierenwelzijn, vuurwerk en soortenbesluit werden toegelicht en besproken.

2.3.4

Toezichtstaken uitgevoerd door de Vlaamse steden en gemeenten

Net zoals voor de voorgaande handhavingsactoren wordt, uitgaande van de opdrachten betreffende toezicht door de Vlaamse steden en gemeenten, getracht een inzicht te geven in de door hen geleverde inspanningen op het vlak van lokale milieuhandhaving. Vergelijkbaar met de Vlaamse provincies is de toezichtsopdracht door de Vlaamse steden en gemeenten tweeledig. Deze tweedeling uit zich in de praktijk in het feit dat het Milieuhandhavingsdecreet handhavingsopdrachten voorziet voor twee gemeentelijke actoren: de burgemeester en de gemeentelijke toezichthouder. De bevoegdheden van de burgemeesters van de 308 Vlaamse steden en gemeenten worden in het Milieuhandhavingsdecreet zeer duidelijk afgebakend. Ze zijn meer bepaald bevoegd voor het opleggen van veiligheidsmaatregelen en bestuurlijke maatregelen in het kader van: 

Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.

Decreet van 2 juli 1981 betreffende voorkoming en het beheer van afvalstoffen.

Artikel 4 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunningen: exploiteren van een hinderlijke inrichting zonder vergunning.

Artikel 22 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunningen: het exploiteren van een klasse 2- of klasse 3-inrichting in strijd met de vergunningsvoorwaarden.

Artikel 62 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

De tweede gemeentelijke actor – de gemeentelijke toezichthouder – kreeg de opdracht om toezicht uit te oefenen op: 

Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: titel III – bedrijfsinterne milieuzorg voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

61 61


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de lozing van afvalwater en opsporing van elke vorm van verontreiniging voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidhinder voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 1982, artikel 2.

Koninklijk Besluit van 24 februari 1977 betreffende elektronisch versterkte muziek, artikel 5.

De artikelen 11, 12, 13, 14, 17, 18 en 20 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende voorkoming en het beheer van afvalstoffen en de bijhorende uitvoeringsbesluiten voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 1, 2, 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunningen voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen voor wat betreft de hinderlijke inrichtingen ingedeeld in de klassen 2 en 3 alsook de niet-ingedeelde vrije velddelicten.

In artikel 34 van het Besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt, naast bovenvermelde bevoegdheden, ook een toezichtsopdracht gegeven aan de gemeentelijke toezichthouder om bij inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het Vlarem zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 – binnen het kader van de bovenvermelde wetten, decreten en verordeningen – vaststellingen te doen op basis van zintuiglijke waarnemingen en zaken te onderzoeken zoals vermeld in artikel 16.3.14 van het Milieuhandhavingsdecreet.

2.3.4.1

62

Burgemeesters

In tegenstelling tot het Milieuhandhavingsrapport 2009 werden de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten voor de redactie van het Milieuhandhavingsrapport 2010 wel bevraagd inzake de opgelegde bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen. De bevraging liep analoog met de bevraging van de gemeentelijke toezichthouders (cf. hoofdstuk 2.3.4.2). In totaal mocht de VHRM van 185 van de 308 Vlaamse burgemeesters een antwoord ontvangen inzake hun bevoegdheden betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen. 62


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Onderstaande tabellen en grafieken geven een overzicht van de responderende burgemeesters in de verschillende klassen van steden en gemeenten, het aantal burgemeester dat een verzoek of een vraag ontving tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en het aantal burgemeester die een bestuurlijke maatregel hebben opgelegd in 2010. Onder de term “vraag tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen” behoren de vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen van toezichthouders, provinciegouverneurs … aan de bevoegde personen zoals bedoeld in artikel 16.4.6 van het Milieuhandhavingsdecreet tot het treffen van bestuurlijke maatregelen, zoals bijvoorbeeld de burgemeester. Bestuurlijke maatregelen kunnen anderzijds het onderwerp zijn van een verzoek tot oplegging door personen die rechtstreeks nadeel lijden van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, personen die een belang hebben bij de beteugeling van die milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf, en door rechtspersonen bedoeld in de wet betreffende vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu. Dit moet gebeuren bij aangetekende brief aan personen bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen, zoals bijvoorbeeld de burgemeesters, en bij gemotiveerd verzoek dat aannemelijk maakt dat er een milieuinbreuk of milieumisdrijf is en volgens een strikte procedure met korte termijnen.

BESTUURLIJKE MAATREGELEN

Burgemeester van: gemeenten met een inwonersaantal van 0-4.999 gemeenten met een inwonersaantal van 5.000-9.999 gemeenten met een inwonersaantal van 10.000-14.999 gemeenten met een inwonersaantal van 15.000-19.999 gemeenten met een inwonersaantal van 20.000-24.999 gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.999 steden en gemeenten met een inwonersaantal van 30.000-74.999 steden met meer dan 75.000 inwoners Totaal

Tabel 24)

Aantal responderende burgemeesters

Aantal burgemeesters die in 2010 een vraag/ verzoek ontving tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen

Aantal burgemeesters die bestuurlijke maatregelen oplegde in 2010

5

0

0

36

7

7

48

15

15

31

5

6

22

4

4

8

0

0

29

12

9

6

1

2

185

44

43

Responsgraad van de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten en aantal van deze burgemeesters die in 2010 een vraag/verzoek ontving tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en aantal burgemeesters die bestuurlijke maatregelen oplegde in 2010

63 63


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 18)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Aantal burgemeesters die in 2010 een vraag/verzoek ontvingen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en aantal burgemeester die bestuurlijke maatregelen oplegde in 2010

In totaal hebben 41 van de in totaal 185 responderende burgemeesters een vraag of een verzoek ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en hebben 40 van de responderen burgemeesters ook effectief bestuurlijke maatregelen opgelegd, al dan niet op basis van een vraag/verzoek of op eigen initiatief. Dit komt neer op bijna 25% van de responderende burgemeesters. In het begin van dit onderdeel werd het verschil tussen verzoeken tot en vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen aangehaald. De Vlaamse burgemeesters werden dan ook gevraagd hoeveel verzoeken zij in 2010 hebben ontvangen en het aantal vragen en van wie deze vragen kwamen. Onderstaande tabel en grafiek geven een overzicht van het aantal verzoeken en vragen die werden ingediend bij de burgemeesters in de verschillende klassen van steden en gemeenten en welke toezichthouders deze vragen stelden.

64 64


65


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Het merendeel van de vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen gericht aan de burgemeesters is afkomstig van de gemeentelijke toezichthouders, namelijk meer dan 44%. Een eerder vreemd gegeven is het feit dat er aangegeven werd dat er 4 vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen werden gesteld door provinciale toezichthouders. Reeds hoger werd aangegeven dat er tot op heden nog geen provinciale toezichthouders werden aangesteld. Dit kan er op wijzen dat de bepalingen in het Milieuhandhavingsdecreet nog niet door iedereen even goed gekend zijn. Waarschijnlijk wordt ‘de provincie’ (geen toezichthouder) verward met de ‘provinciale buitendiensten van de Vlaamse Overheid’ (wel toezichthouders). Zoals reeds hoger werd aangegeven gaven 40 burgemeesters te kennen dat ze effectief, al dan niet naar aanleiding van een vraag/verzoek of eigen initiatief, bestuurlijke maatregelen hebben opgelegd. Onderstaande tabel en grafiek geven een overzicht van het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen en de aard van deze maatregelen. De mogelijke bestuurlijke maatregelen die kunnen worden opgelegd zijn: -

Bevel tot staking: dit is een bevel vanwege de bevoegde toezichthouder aan de vermoedelijke overtreder om bepaalde activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te staken.

-

Bevel tot regularisatie: dit is een bevel vanwege de bevoegde toezichthouder aan de vermoedelijke overtreder om bepaalde maatregelen te nemen met de bedoeling een milieuinbreuk of een milieumisdrijf te beëindigen, zijn gevolgen ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen.

-

Bestuursdwang: Hier treedt de bevoegde toezichthouder zelf feitelijk op tegen de vastgestelde milieu-inbreuk en het milieumisdrijf.

-

Of een combinatie van deze.

Bestuurlijke maatregelen opgelegd door de burgemeesters

Bestuurlijke maatregelen

Bestuurlijke maatregelen opgelegd door de burgemeester in 2010: Bevel tot staking: Bevel tot regularisatie: Bestuursdwang: Een combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen:

Het was niet mogelijk de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren:

Tabel 26)

Burgemeester van een stad/gemeente met een inwonersaantal: 04.999

5.0009.999

10.00014.999

15.00019.999

20.00024.999

25.00029.999

30.00074.999

75.000…

0

10

51

19

9

0

32

7

0 0 0

1 7 1

4 30 5

0 19 0

1 3 1

0 0 0

8 15 1

1 6 0

0

1

12

0

4

0

8

0

0

2

8

2

1

0

6

2

Opgelegde bestuurlijke maatregelen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2010

66 66


67


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 21)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Procentueel aandeel van het aantal bestuurlijke maatregelen waarbij het niet mogelijk was deze maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren

Er werd aangegeven dat 21 van de in totaal 128 door de burgemeesters opgelegde bestuurlijke maatregelen niet binnen de opgelegde termijn werd uitgevoerd. Aangezien dit slechts 16,41 % is van het totaal opgelegde bestuurlijke maatregelen, kan er zeker niet geconcludeerd worden dat dit handhavingsinstrument niet effectief zou zijn. Naast het opleggen van bestuurlijke maatregelen zijn de burgemeesters ook bevoegd voor het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de personen, vermeld in artikel 16.4.6, waaronder de burgemeester, alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Veiligheidsmaatregelen kunnen strekken tot onder meer (artikel 16.7.2 van het Milieuhandhavingsdecreet): -

-

de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn; het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren; het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen.

Onderstaande grafiek en tabel geven een overzicht van het aantal responderende burgemeesters dat een vraag heeft ontvangen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen en het aantal burgemeesters dat 68 68


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

effectief een veiligheidsmaatregel heeft opgelegd, al dan niet op basis van een vraag of op eigen initiatief.

VEILIGHEIDSMAATREGELEN

Burgemeester van: gemeenten met een inwonersaantal van 0-4.999 gemeenten met een inwonersaantal van 5.000-9.999 gemeenten met een inwonersaantal van 10.000-14.999 gemeenten met een inwonersaantal van 15.000-19.999 gemeenten met een inwonersaantal van 20.000-24.999 gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.999 steden en gemeenten met een inwonersaantal van 30.000-74.999 steden met meer dan 75.000 inwoners Totaal

Aantal responderende burgemeesters

Aantal burgemeesters die in 2010 een vraag ontving tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen

Aantal burgemeesters die veiligheidsmaatregelen oplegde in 2010

5

0

0

36

1

1

48

7

9

31

1

2

22

2

2

8

0

0

29

1

1

6 185

0 12

1 16

Tabel 27)

Responsgraad van de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten en aantal van deze burgemeesters die in 2010 een vraag ontving tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen en aantal burgemeesters die veiligheidsmaatregelen oplegde in 2010

Grafiek 22)

Aantal burgemeesters die in 2010 een vraag ontving tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen en aantal burgemeester die veiligheidsmaatregelen oplegde in 2010

Slechts 12 van de 185 responderende burgemeesters hebben een vraag ontvangen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Daarentegen deelden 16 burgemeesters mee dat ze minimum een 69 69


70


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

gewestelijke toezichthouders eerder zelf een veiligheidsmaatregel zullen opleggen, terwijl gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van de Lokale politie, die respectievelijk 13 en 9 keer de burgemeester hebben gevraagd om een veiligheidsmaatregel op te leggen, eerder geneigd zijn om de burgemeester te vragen een veiligheidsmaatregel op te leggen. Dit zal echter meer duidelijkheid krijgen wanneer er afzonderlijk wordt gerapporteerd over de veiligheidsmaatregel als instrument in hoofdstuk 3. Onderstaande tabel en grafiek geven een overzicht van het aantal effectief opgelegde veiligheidsmaatregelen door de burgemeesters en van de soort veiligheidsmaatregel die werd opgelegd. Tevens heeft de VHRM gevraagd, analoog de vraag bij de bestuurlijke maatregelen, of het mogelijk was om de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. Ook hier zou dit wederom een indicatie kunnen zijn voor de effectiviteit van het instrument veiligheidsmaatregel. Veiligheidsmaatregelen

Veiligheidsmaatregelen opgelegd door de burgemeesters

Veiligheidsmaatregelen opgelegd door de burgemeester tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010: de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn een verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt de gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren het niet betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen

Het was niet mogelijk de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren:

Tabel 29)

Burgemeester van een stad/gemeente met een inwonersaantal: 04.999

5.0009.999

10.00014.999

15.00019.999

20.00024.999

25.00029.999

30.00074.999

75.000â&#x20AC;Ś

0

5

23

8

5

0

1

1

0

1

9

6

3

0

0

0

0

1

4

1

1

0

0

1

0

1

1

0

0

0

0

0

0

1

8

0

0

0

1

0

0

1

1

1

1

0

0

0

0

0

2

0

2

0

0

0

Veiligheidsmaatregelen opgelegd door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2010

71 71


72


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 25)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Procentueel aandeel van het aantal veiligheidsmaatregelen waarbij het niet mogelijk was deze maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren

Slechts in 9,30% van de door de burgemeesters opgelegde veiligheidsmaatregelen was het niet mogelijk de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. In de klasse van gemeenten met 20.000 – 24.999 inwoners bedroeg dit echter 40% en werden er voornamelijk stopzettingen of uitvoeringen van werkzaamheden, handelingen of activiteiten opgelegd, ogenblikkelijk of binnen bepaalde termijn. Het is echter onduidelijk waarom de nalevingsgraad binnen deze klasse eerder laag ligt, namelijk op 60% van de door de burgemeester opgelegde veiligheidsmaatregelen, terwijl dit gemiddeld 90,70% bedraagt. Aangezien de nalevingsgraad van de door de burgemeester opgelegde veiligheidsmaatregelen 90,70% bedraagt, kan er zeker niet worden besloten dat het instrument “veiligheidsmaatregelen” niet effectief zou zijn. In hoofdstuk 3 worden het instrument en het gebruik ervan door de verschillende toezichthouders besproken. Dit zal toelaten om meer algemenere uitspraken te doen.

2.3.4.2

Gemeentelijke toezichthouders

Om een inzicht te krijgen in de organisatie en inspanningen betreffende de lokale milieuhandhaving werden – analoog het Milieuhandhavingsrapport 2009 – de 308 Vlaamse steden en gemeenten via een bevragingsfiche gevraagd om informatie aan te leveren onder meer inzake de aanstelling van toezichthouders, de organisatie van het toezicht in de gemeente, het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles alsook inzake het resultaat van deze controles. De resultaten van de milieuhandhavingscontroles worden besproken in hoofdstuk 3, waarbij een evaluatie per handhavingsinstrument hierin een inzicht zal bieden. In het voorliggend hoofdstuk wordt getracht een beeld te schetsen van: 73 73


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

de respons van de gemeenten op de vragenlijst van de VHRM;

het aantal hinderlijke inrichtingen klasse 1, klasse 2 en klasse 3;

de aanstelling van toezichthouders door de Vlaamse steden en gemeenten;

het aantal aangestelde toezichthouders per gemeente;

de tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken;

de organisatie van toezicht in de steden en gemeenten;

het aantal uitgevoerde controles per klasse van gemeente en per toezichthouder en per VTE.

RESPONS VAN DE GEMEENTEN BETREFFENDE DE BEVRAGING VOOR INPUT Om de onderstaande cijfers betreffende de milieuhandhaving op gemeentelijk niveau in het juiste perspectief te plaatsen, is het belangrijk een inzicht te krijgen in de respons van de gemeenten op de bevraging voor het Milieuhandhavingsrapport 2010. In het totaal mocht de VHRM een antwoord ontvangen van 185 van de 308 Vlaamse gemeenten. Een lijst van deze gemeenten kan in bijlage 1 bij dit rapport worden teruggevonden. Om toch een inzicht te krijgen in de verschillen tussen de verschillende ‘typen’ van gemeenten, werd ervoor gekozen om de resultaten van de gemeenten weer te geven op basis van 8 klassen volgens het inwonersaantal van de gemeente:

gemeenten met een inwonersaantal van 0-4.999 gemeenten met een inwonersaantal van 5.000-9.999 gemeenten met een inwonersaantal van 10.000-14.999 gemeenten met een inwonersaantal van 15.000-19.999 gemeenten met een inwonersaantal van 20.000-24.999 gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.999 steden en gemeenten met een inwonersaantal van 30.000-74.999 steden met meer dan 75.000 inwoners Totaal

Tabel 30)

Aantal steden en gemeenten in de betreffende klasse

Aantal responderende steden en gemeenten per klasse

14

5

75

36

85

48

49

31

30

22

12

8

37

29

6

6

308

185

Indelingsklassen van de Vlaamse steden en gemeenten inclusief aantal steden en gemeenten per klasse en aantal respondenten per klasse

Voor de indeling in klassen werd er rekening gehouden met het aantal inwoners aangegeven door de gemeenten in de bevragingsfiche. Bij de redactie van het MHR2009 mocht de VHRM nog een antwoord ontvangen van in totaal 193 gemeenten (62,66%). Ondanks het feit dat de respons in een aantal klassen toenam, kon de grootste daling worden vastgesteld in klasse van gemeenten met een inwonersaantal van 5.000 – 9.999 inwoners. Voor het MHR2009 antwoordden nog 49 van de 75 gemeenten in die klasse, terwijl dat voor de opmaak van dit rapport gedaald is tot 36 van de 75. 74 74


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 26)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Responsgraad (%) bevraging gemeenten (volgens inwonersaantal)

Gerelateerd aan de 308 Vlaamse steden en gemeenten mocht de VHRM een antwoord ontvangen van 60,06% van de gemeenten. Enkel voor de gemeenten met inwonersaantallen van 0-4.999 en 5.0009.999 inwoners is de respons laag, met een antwoord van respectievelijk 5 op 14 gemeenten en 36 van de 75 gemeenten, en kan de vraag worden gesteld of voor deze klasse sluitende conclusies kunnen worden geformuleerd. Voor de andere klassen van gemeenten kan een responsgraad worden vastgesteld tussen 56,47% en 100% van de gemeenten en steden in deze klasse. Voor deze klassen wordt er voor de conclusies van het voorliggende rapport dan ook vanuit gegaan dat zij representatief zijn voor de gemeenten in de klasse die zij vertegenwoordigen. Wellicht dient er rekening mee te worden gehouden dat diegene die geantwoord hebben sterker bij de milieuhandhaving zijn betrokken.

INSPANNINGEN MET BETREKKING TOT MILIEUHANDHAVINGSTAKEN Hinderlijke inrichtingen per gemeente Aan de steden en gemeenten werd gevraagd hoeveel vergunde inrichtingen van klasse 1, 2 en 3 volgens bijlage I van titel I van het Vlarem op hun grondgebied zijn gevestigd alsook een schatting van het totaal aantal niet-vergunde hinderlijke inrichtingen in hun stad/gemeente. Het doel van deze vraag was een inzicht te verkrijgen in het aantal hinderlijke inrichtingen per gemeente, aangezien voor het opstellen van een degelijk inspectieplan en voor een inschatting en evaluatie van de inspanningen op het vlak van milieutoezicht dit inzicht onontbeerlijk is. Om elke verwarring te voorkomen werd het begrip nietvergunde hinderlijke inrichting als volgt gedefinieerd: Het betreft hier die inrichtingen die evenwel op basis van de Vlarem zouden kunnen geclassificeerd worden als zijnde een klasse 1-, klasse 2- of klasse 3inrichting, maar zo aldus nog niet werden vergund. In de volgende tabel werd dan ook het totaal aantal hinderlijke inrichtingen van de klasse 1, 2 en 3 opgenomen alsook het geschat aantal niet-vergunde hinderlijke inrichtingen. De tabel geeft daarnaast een gemiddeld aantal hinderlijke inrichtingen per indelingsklasse weer en het aantal gemeenten dat geen zicht heeft op het aantal hinderlijke, dan wel niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied. 75

75


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

5 1.305

41

29,18

39,55

8,20

Gemiddeld aantal per gemeente

1

4

3

0

Aantal gemeenten dat aantal klasse 1inrichtingen niet kent

4.275

4.836

4.806

4.116

109

Totaal aantal volgens bevragin g

668,43

194,32

161,20

109,23

124,73

21,80

Gemiddeld aantal per gemeente

2

1

0

1

4

3

0

Aantal gemeenten dat aantal klasse 2inrichtingen niet kent

22.243

25.856

7.189

15.907

14.966

18.062

10.379

370

684,36

3.707,17

994,46

1.198,17

723,05

498,87

430,05

334,81

74

Gemiddeld aantal per gemeente

17

0

3

2

0

1

6

5

0

Aantal gemeenten dat aantal klasse 3inrichtingen niet kent

2.223

100

437

20

315

189

629

533

0

Totaal aantal volgens bevragin g

21,58

33,3362

33,6261

5,0060

22,5059

13,5058

26,2157

19,7456

0

Gemiddeld aantal per gemeente

82

3

16

4

8

17

24

9

1

Aantal gemeenten dat aantal nietvergunde inrichtingen niet kent

Niet-vergunde inrichtingen

0-4.999

36 1.284 29,47 0

4.679

350,67

0

114.972

Klasse 3-inrichtingen

5.000-9.999

48 884 25,91

1

9.468

1.053,17

11

Klasse 2-inrichtingen

10.000-14.999

31 570 301,43

3

6.319

221,89

Klasse 1-inrichtingen

15.000-19.999

22 2.110 111,92

1

38.608

Inwonersaantal

20.000-24.999

8 2.910

258,40

13

Totaal aantal volgens bevraging

25.000-29.999

29 1.292

60,44

Totaal aantal volgens bevraging

30.000-74.999

6 10.396

Aantal respondente n per inwonersklasse

75.000-â&#x20AC;Ś

185

Totaal

Hinderlijke inrichtingen per gemeente

5 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, rekening houdende met dit aantal zou het gemiddelde 24,23 bedragen voor de gemeenten die een aantal niet-vergunde inrichtingen opgaven 12 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, rekening houdende met dit aantal zou het gemiddelde 52,42 bedragen voor de gemeenten die een aantal niet-vergunde inrichtingen opgaven 6 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, rekening houdende met dit aantal zou het gemiddelde 23,63 bedragen voor de gemeenten die een aantal niet-vergunde inrichtingen opgaven 5 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, rekening houdende met dit aantal zou het gemiddelde 35,00 bedragen voor de gemeenten die een aantal niet-vergunde inrichtingen opgaven 3 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, de 20 niet-vergunde inrichtingen worden dus vermeld op de antwoordfiche van 1 gemeente 5 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, rekening houdende met dit aantal zou het gemiddelde 54,63 bedragen voor de gemeenten die een aantal niet-vergunde inrichtingen opgaven 2 gemeenten meldden 0 niet-vergunde inrichtingen, de 100 niet-vergunde inrichtingen worden dus vermeld op de antwoordfiche van 1 gemeente

Tabel 31)

56 57 58 59 60 61 62

76

76


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

De 185 responderende gemeenten meldden 10.396 vergunde klasse 1-inrichtingen op hun grondgebied. Gemiddeld zou een Vlaamse gemeente op basis van deze cijfers aldus 60,44 klasse 1-bedrijven tot haar toezichtsopdracht mogen rekenen. Daartegenover staat echter wel dat 13 gemeenten geen duiding konden geven van het aantal op hun grondgebied gevestigde klasse 1-inrichtingen. Deze cijfergegevens verschillen aanzienlijk met de gegevens zoals deze werden gerapporteerd voor het MHR2009. Ondanks het feit dat er toen 193 gemeenten hadden geantwoord, lag het gemiddelde klasse 1-inrichtingen per gemeente beduidend lager, namelijk op 42, 26. Het aantal gemeenten dat het aantal klasse 1inrichtingen niet kende lag op 23. Een groot verschil valt op te merken bij de gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.999. Ondanks het feit dat er 1 gemeente minder heeft geantwoord in deze klasse voor dit rapport, steeg het totaal aantal klasse 1-inrichtingen aanzienlijk, namelijk van 284 in 2009 naar 2110 in 2010. Het aantal gemeenten dat geen inzicht heeft in het aantal klasse 2-inrichtingen op het grondgebied bedraagt 11 of bijna 6%. Voor het aantal meldingsplichtige inrichtingen stijgt dit aantal tot 17 van de 185 responderende gemeenten of 9,20%. Dit is echter een daling in vergelijking met het MHR2009. Dit kan dus als een positieve evolutie worden aanschouwd. De gemeenten beginnen een beter zicht te krijgen op het soort en het aantal inrichtingen op hun grondgebied. In tegenstelling tot 2009 waren er in 2010 meer gemeenten die voor het opstellen van een doelmatig inspectieplan of het efficiĂŤnt organiseren of evalueren van de inspanningen betreffende milieuhandhaving gebruik konden maken van cijfers over het aantal hinderlijke inrichtingen op haar grondgebied. Niet alleen voor de planning van de eigen milieuhandhavingsinspanningen, maar ook om te voldoen aan wettelijke en decretale verplichtingen is het voor steden en gemeenten uitermate belangrijk een inzicht te hebben in het aantal inrichtingen op hun grondgebied. Gemeenten met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 dienen namelijk binnen de twee jaar na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten een beroep te kunnen doen op twee toezichthouders. De gemeenten die het best op de hoogte blijken te zijn van het aantal hinderlijke inrichtingen die onder hun bevoegdheid ressorteren in de klassen met een inwonersaantal van 0-4.999 en van 20.000-24.999. Geen enkele gemeente heeft in die klassen opgegeven geen kennis te hebben van het aantal klasse 1, klasse 2 of klasse 3 inrichtingen. Het is echter geen opmerkelijke vaststelling dat een deel van de gemeenten het aantal klasse 1, klasse 2 en klasse 3 inrichtingen niet kon opgeven. Het feit dat er onzekerheid bestaat over de exacte aantallen kwam reeds duidelijk naar voren in de parlementaire besprekingen betreffende de milieuvergunningenpiek in de maanden maart en mei van 201063. Het probleem is hier dat er verschillende databanken met gegevens van milieuvergunningen zijn en de informatie derhalve gefragmenteerd is. Tijdens deze parlementaire besprekingen werd er echter wel aangegeven dat er wordt gewerkt aan een geĂŻntegreerd Vlaams informatiesysteem met gegevens van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten. Het decreet van 11 juni 2010 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de invoering van maatregelen van de milieuvergunningenpiek voegt een artikel 28bis toe, hetgeen bepaalt dat de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie een milieuvergunningendatabank bijhoudt. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de milieuvergunningendatabank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling moeten worden aangeleverd en de wijze waarop dit gebeurt. Dit maakt dat in de toekomst er betere gegevens beschikbaar zullen zijn voor de ontwikkeling van een beleid ter zake. De algemene trend in deze gegevens is dat de gemeenten in 2010 een beter zicht hadden op het aantal hinderlijke inrichtingen in hun gemeente. Over 2009 gaf bijna 12% van de gemeenten aan geen kennis

63

Parlementaire handelingen, stuk 287 (2209-2010) nr.4, 18 mei 2010.

77 77


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

te hebben over het aantal klasse 1 inrichtingen op hun grondgebied, terwijl dit voor 2010 daalde naar iets meer dan 7%. Met betrekking tot de klasse 2 inrichtingen kon er een daling worden vastgesteld van bijna 12% naar bijna 6% van de gemeenten die geen kennis had over het aantal inrichtingen. Voor het MHR2009 gaf bijna 17% van de responderende gemeenten aan niet te weten hoeveel klasse 3 inrichtingen er zich op hun grondgebied bevond, terwijl dit voor het MHR2010 daalde tot iets meer dan 9%. Naast de vraag naar het aantal vergunde hinderlijke inrichtingen werd aan de steden en gemeenten ook de vraag gesteld naar het geschat aantal niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied. 65 van de 185 responderende gemeenten gaven aan kennis te hebben van een totaal van 2.223 niet-vergunde inrichtingen, terwijl 82 gemeenten aangeven geen kennis te hebben van het aantal niet-vergunde inrichtingen en 38 gemeenten rapporteerden dat er geen niet-vergunde inrichtingen aanwezig waren op hun grondgebied in 2010. Het gemiddelde aantal niet-vergunde inrichtingen van de gemeenten die wel degelijk aangaven dat er niet-vergunde inrichtingen aanwezig waren op hun grondgebied in 2010 bedraagt 34,58. Opmerkelijk is dat een stad uit de klasse met meer dan 75.000 inwoners aangaf het aantal niet-vergunde inrichtingen te schatten op 100. Het totaal aantal geschatte niet-vergunde inrichtingen daalde in 2010 in vergelijking met het MHR2009 wel van 4.056 naar 2.223. Deze positieve evolutie wijst er op dat de gemeenten zeker en alvast al actie hebben genomen ten aanzien van de nietvergunde inrichtingen op hun grondgebied. De verkregen cijfers zijn enkel representatief voor die gemeenten die respondeerden. De gegevens kunnen aldus niet getransponeerd worden op alle Vlaamse gemeenten. Waar geen kennis van het aantal hinderlijke inrichtingen leidt tot onvoldoende mogelijkheid om milieuhandhaving efficiënt en doelmatig te plannen, geeft inzicht in het aantal niet-vergunde hinderlijke inrichtingen aan dat de gemeente kennis heeft van een overtreding ten aanzien van de vigerende milieuwetgeving en bijgevolg verwacht zou mogen worden dat zij actie ter zake onderneemt. Hier rijst derhalve de vraag – ondanks de reeds vastgestelde positieve evolutie - waarom de gemeenten, en in het bijzonder de burgemeester, geen verdere handhavingsacties ter zake hebben ondernomen ten aanzien van de nog resterende nietvergunde inrichtingen op hun grondgebied. Als aanbeveling naar die steden en gemeenten zou dan ook kunnen worden voorgesteld dat er in de inspectieplannen van de gemeenten nog steeds prioriteit wordt gegeven aan het toezicht bij deze niet-vergunde hinderlijke inrichtingen.

Aanstelling van gemeentelijke toezichthouders en tijdsbesteding Artikel 16§1 van het Besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bepaalt dat gemeenten binnen één jaar na de inwerkingtreding van voormeld besluit, d.i. op 1 mei 2010, beroep moet kunnen doen op minstens 1 toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig titel I van het Vlarem, of met meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is, een beroep kunnen doen op twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones.

78

Aangezien de einddatum van 1 mei 2010 in het bestudeerde jaar verstreek, leek het aangewezen om aan de gemeenten te vragen of zij een beroep konden doen op een ‘toezichthouder(s)’ of een ‘Vlaremambtenaar’ in 2010. Dit zou een beeld kunnen verschaffen van de mate waarin de gemeenten in het Vlaamse Gewest het Milieuhandhavingsdecreet hebben geïmplementeerd. In onderstaande grafiek en tabel kan voor de responderende gemeenten dan ook de informatie, of zij al dan niet zijn overgegaan tot het aanstellen van een toezichthouder, worden gevonden. In de bevraging werd er expliciet melding gemaakt van het feit of de gemeente beroep kon doen op een toezichthouder of een Vlaremambtenaar, aangezien de gemeenten waar reeds een Vlaremambtenaar was aangesteld pas tegen 1 mei 2012 een wijziging naar de aanstelling van een toezichthouder conform het Milieuhandhavingsdecreet dienen te verzorgen. Verder in de tekst zal er echter steeds gesproken worden over toezichthouder, bedoelende de 78


79


Tabel 32)

5.0009.999

10.00014.999

15.00019.999

20.00024.999

25.00029.999

30.00074.999

75.000â&#x20AC;Ś

Gemeente met aangestelde toezichthouder Gemeente zonder aangestelde toezichthouder Aantal aangestelde toezichthouders Gemiddeld aantal toezichthouders per gemeente Totale tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (VTE) waarvan VTE door de toezichthouder besteed aan de milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet waarvan VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieuhandhavingstaken Gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (VTE) Gemeente zonder inzicht in tijdsbesteding toezichthouder

04.999

Respons

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Totaal

VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

185

5

36

48

31

22

8

29

6

170

4

30

45

29

21

7

28

6

15

1

6

3

2

1

1

1

0

269

5

40

47

42

33

13

59

30

1,58

1,25

1,33

1,04

1,45

1,57

1,86

2,11

5,00

64,17

0,00

3,80

13,16

8,70

2,90

4,10

11,76

19,75

41,15

0,00

2,02

8,80

5,08

2,07

2,50

6,68

14,00

23,02

0,00

1,78

4,36

3,62

0,83

1,60

5,08

5,75

0,24

0,00

0,10

0,28

0,21

0,09

0,32

0,20

0,66

2

0

1

0

1

0

0

0

0

Inspanningen m.b.t. inwonersaantal)

milieuhandhavingstaken

door

gemeentelijke

toezichthouders

(volgens

In bovenstaande tabel en grafiek wordt ook een overzicht weergegeven van het aantal gemeenten dat conform met de bepalingen van het Milieuhandhavingsdecreet een toezichthouder aanstelde enerzijds en het aantal gemeenten dat nog actie ter zake dient te ondernemen aangezien ze in strijd zijn met de bepalingen in het Milieuhandhavingsdecreet anderzijds. Van de 185 Vlaamse steden en gemeenten die antwoordden op de vraag tot informatie blijken 170 gemeenten of bijna 92% beroep te kunnen doen op een aangestelde toezichthouder. Slechts 8,11% van 80 80


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

de gemeenten handelde in 2010 in strijd met de verplichting van artikel 16 van het Besluit van 12 december 2008. Rekening houdende met de daling in respons, is er in vergelijking met 2009 toch een procentuele daling vast te stellen van het aantal gemeenten dat in 2010 nog geen beroep kon doen op een toezichthouder, namelijk van 12,44% van de responderende gemeenten naar 8,11%. Deze daling heeft allicht te maken met het feit dat de gemeenten tot 1 mei 2010 de tijd hadden om beroep te kunnen doen op een aangestelde toezichthouder. Het feit dat nog 8,11% van de gemeenten in 2010, en zodus ook na 1 mei 2010, nog geen beroep konden doen op een toezichthouder maakt dat ter zake bepaalde acties dienen te worden ondernomen opdat zij zouden voldoen aan de decretale bepalingen. Als de aanstelling van toezichthouders vervolgens per klasse van gemeenten wordt bekeken, kan er worden opgemerkt dat het vooral de kleine gemeenten zijn die tot nog toe geen beroep kunnen doen op een toezichthouder. Bij de kleinste klasse, met een inwonersaantal van 0-4.999, maakt zelfs slechts 1 van de 5, oftewel 20% van de responderende gemeenten melding van het feit nog geen beroep te kunnen doen op een toezichthouder. Na de kleinste gemeenten volgen de gemeenten met 5.000-9.999 inwoners en met 25.000-29.999 inwoners in de rangschikking. In deze klassen kunnen respectievelijk 16,67% en 12,5% van de gemeenten geen beroep doen op een toezichthouder. In de klasse van steden met meer dan 75.000 inwoners maakt geen enkele responderende stad melding van het niet-aanstellen van een toezichthouder. Voor de gemeenten die een beroep kunnen doen op een toezichthouder, met name 170 van de 185 respondenten, wordt vervolgens het totaal aantal toezichthouders weergegeven alsook het gemiddeld aantal toezichthouders (ten aanzien van het aantal responderende gemeenten die beroep kunnen doen van een toezichthouder). De 170 bovenvermelde gemeenten konden in de bestudeerde periode beroep doen op 269 toezichthouders. Dit komt neer op 1,58 toezichthouders per gemiddelde Vlaamse stad of gemeente. De invulling van de toezichtsopdracht via het eigen personeelsbestand, een intergemeentelijke vereniging of de politiezone wordt weergegeven in grafiek nummer 32. Interessant zijn eveneens de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners. Volgens het hierboven vermelde artikel 16§1 van het besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid geldt dit inwonersaantal namelijk als een criterium om een tweede toezichthouder aan te stellen indien een gemeente geen inzicht heeft in het aantal hinderlijke inrichtingen op haar grondgebied. De steden en gemeenten met meer dan 75.000 inwoners voldeden ruim aan dit criterium met een gemiddeld aantal toezichthouders per gemeente van 5. In tegenstelling tot 2009 voldeden in 2010 ook de steden en gemeenten met 30.000 tot 74.999 inwoners aan dit criterium. Het gemiddelde aantal toezichthouders per gemeente steeg in deze klasse immers van 1,95 naar 2,11. Voor de overige 6 klassen van gemeenten bedraagt het gemiddelde aantal toezichthouders per gemeente 1,42. Het gemiddelde aantal toezichthouders per gemeente stijgt naargelang het aantal inwoners toeneemt. Enkel de klasse van gemeenten met 10.000 – 14.999 inwoners valt buiten deze tendens met het laagste gemiddelde aantal toezichthouders per gemeente van namelijk 1,04. Ten slotte vermelden de grafiek en de tabel ook gegevens over de tijdsbesteding van de aangestelde toezichthouders aan toezichtstaken. Voor een beoordeling van dit gegeven werden de volgende cijfers opgenomen: •

•

de totale tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken in VTE; o

Waarvan VTE besteed door de toezichthouders aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet

o

Waarvan VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieuhandhavingstaken

de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in VTE; 81 81


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

•

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

het aantal gemeenten zonder inzicht in de tijdsbesteding van de toezichthouder.

Uit deze informatie blijkt dat slechts 2 van de 170 gemeenten met een toezichthouder geen inzicht hebben in de tijdsbesteding van hun toezichthouder. In vergelijking met de gegevens voor 2009 is dit een opmerkelijke verbetering. Voor het Milieuhandhavingsrapport 2009 gaven 48 van de 169 gemeenten met een toezichthouder nog aan geen inzicht te hebben in de tijdsbesteding van hun toezichthouders. Dergelijke informatie is echter van belang voor het opzetten van gerichte handhavingscampagnes en/of het opstellen van een efficiënt en effectief handhavingsplan. Deze vooruitgang in het inzicht van de gemeenten in de tijdsbesteding van de toezichthouders kan dus als een zeer positieve evolutie worden beschouwd. De 269 toezichthouders in de gemeenten besteedden samen in totaal in 2010 64,17 VTE aan toezichtstaken waarvan 41,15 VTE aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en 23,02 VTE aan administratieve ondersteuning van de handhavingstaken. Dit betekent dat in 2010 een lokale toezichthouder gemiddeld voor 0,24 VTE werd ingezet voor toezichtstaken. Dit is een lichte stijging met het gemiddelde van 0,19 VTE in 2009. Voor de responderende Vlaamse steden en gemeenten kon er een tijdsbesteding in VTE worden vastgesteld van 52,00 voor 274 aangestelde toezichthouders. Een gemiddelde gemeentelijke toezichthouder zou op basis van deze cijfers slechts 0,19 VTE effectief kunnen besteden aan toezichtstaken. Net zoals voor het aantal toezichthouders is een stijgende trend waarneembaar in functie van de grootte van de stad/gemeente. Waar bij de kleinste gemeenten een tijdsbesteding van 0,00 en 0,10 VTE kan worden genoteerd, bedraagt dit bij de grote steden (meer dan 75.000 inwoners) 0,66 VTE. Opmerkelijk is de kloof tussen deze grote steden en de kleinere steden en gemeenten met een inwonersaantal van 30.000-75.000 inwoners. Bij deze laatste bedraagt de tijdsbesteding aan toezichtstaken per toezichthouder namelijk slechts 0,20 VTE, waarmee deze steden en gemeenten zich op ongeveer eenzelfde niveau bevinden als de gemeenten met 15.000-20.999 inwoners. Opvallend is ook dat de tussenklasse, namelijk de gemeenten met 20.000-24.999 inwoners beduidend minder tijd geven voor het uitvoeren van toezichtstaken door aangestelde toezichthouders dan zowel de klassen met minder als met meer inwoners, namelijk amper 0,09 VTE. Aan de hand van bovenstaande gegevens en deze uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 is het mogelijk een vergelijking – en eventueel een evolutie – op te maken van het gemiddeld aantal toezichthouders per gemeenten in 2009 en in 2010. Onderstaande grafiek en tabel geven hiervan een grafische voorstelling.

82 82


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 28)

Vergelijking van het gemiddeld aantal toezichthouders per stad/gemeente in 2009 en 2010

gemeenten met een inwonersaantal van 0-4.999 gemeenten met een inwonersaantal van 5.000-9.999 gemeenten met een inwonersaantal van 10.000-14.999 gemeenten met een inwonersaantal van 15.000-19.999 gemeenten met een inwonersaantal van 20.000-24.999 gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.999 steden en gemeenten met een inwonersaantal van 30.000-74.999 steden met meer dan 75.000 inwoners Totaal

Tabel 33)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Gemiddeld aantal toezichthouders per stad/gemeente in 2009

Gemiddeld aantal toezichthouders per stad/gemeente in 2010

1,00

1,25

1,20

1,33

1,51

1,04

1,44

1,45

1,63

1,57

2,11

1,86

1,95

2,11

4,80

5,00

1,62

1,58

Vergelijking van het gemiddeld aantal toezichthouders per stad/gemeente in 2009 en 2010

Over het algemeen kan worden gesteld dat het gemiddeld aantal toezichthouders per gemeente is gedaald. In het totaal kon een gemeente gemiddeld op 1,62 toezichthouders beroep doen in 2009. Dit 83

83


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

aantal daalde in 2010 naar gemiddeld 1,58 toezichthouders per gemeente. Deze dalende trend is echter niet constateerbaar bij elke klasse van gemeenten. Zo steeg het gemiddeld aantal toezichthouders waarop een gemeente beroep kon doen in de klassen van gemeenten met een inwonersaantal van 04.999, 5.000-9.999, 15.000-19.999, 30.000-74.999 en meer dan 75.000. De daling vond dus meer geconcentreerd plaats in de overige drie klassen van gemeenten. Interessanter dan de evolutie van het aantal toezichthouders kan mogelijk de evolutie in de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken zijn. Onderstaande tabel biedt dan ook een overzicht van het gemiddelde aantal VTE dat werd vrijgemaakt bij de toezichthouders in 2009 en 2010 om aan milieuhandhavingstaken te besteedden.

Totaal gemeenten met een inwonersaantal van 0-4.999 gemeenten met een inwonersaantal van 5.000-9.999 gemeenten met een inwonersaantal van 10.000-14.999 gemeenten met een inwonersaantal van 15.000-19.999 gemeenten met een inwonersaantal van 20.000-24.999 gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.999 steden en gemeenten met een inwonersaantal van 30.000-74.999 steden met meer dan 75.000 inwoners

Tabel 34)

Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2009

Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken in 2010

0,19

0,24

0,00

0,00

0,10

0,10

0,20

0,28

0,21

0,21

0,09

0,09

0,14

0,32

0,19

0,20

0,50

0,66

Vergelijking van de gemiddelde tijdsbesteding per gemeentelijke toezichthouder aan toezichtstaken in 2009 en 2010

Bovenstaande cijfergegevens maken duidelijk dat er in 2010 meer VTE werden ingezet voor milieuhandhavingstaken. Dit betekent dat er een positieve evolutie merkbaar is. Ondanks het feit dat er in 2010 minder toezichthouders waren bij de responderende gemeenten dan in 2009, besteedden deze toezichthouders wel meer van hun beschikbare tijd aan toezichtstaken. In het algemeen steeg de gemiddelde tijdsbesteding van een toezichthouder aan milieuhandhavingstaken van 0,19 VTE naar 0,24 VTE. Het feit dat een aangestelde toezichthouder zich niet voltijds met toezichtstaken kan bezighouden kan mogelijks verklaard worden door het gegeven dat de functie van toezichthouders â&#x20AC;&#x201C; veelal in de kleinere gemeenten â&#x20AC;&#x201C; gecombineerd wordt met andere functies. Dit wordt vooral duidelijk wanneer er nader wordt gekeken naar de verschillende klassen van gemeenten. Zo besteedde de gemiddelde toezichthouders in gemeenten met meer dan 75.000 inwoners 0,66 VTE van de beschikbare tijd aan toezichtstaken terwijl de aangestelde toezichthouders in de kleinste klasse van gemeenten helemaal geen tijd beschikbaar hadden voor het uitvoeren van toezichtstaken. Ondanks het feit dat het gemiddeld aantal toezichthouders per gemeente in deze klasse steeg van 1,00 in 2009 naar 1,25 in 2010 bleef de non-activiteit van deze aangestelde toezichthouders in het kader van toezichtstaken ook in 2010 aanhouden. Dit betekent dat er wel degelijk toezichthouders werden aangesteld conform de verplichtingen in het Milieuhandhavingsdecreet, maar dat deze toezichthouders geen toezichtstaken uitvoerden. Zoals reeds gesteld, kon in het algemeen worden vastgesteld dat er gemiddeld meer toezichthouders waren per gemeente en dat deze toezichthouders ook meer VTE besteedden aan handhavingstaken in 2010. Dit geldt echter niet voor elke klasse van gemeenten. Zo konden de gemeenten met een 84 84


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

inwonersaantal van 5.000 – 9.999 inwoners en 15.000 – 19.999 inwoners beroep doen op gemiddeld meer toezichthouders maar bleef het aantal VTE besteed aan handhavingstaken van toezichthouders constant. De steden en gemeenten met meer dan 30.000 inwoners konden gemiddeld beroep doen op meer toezichthouders; daarnaast werden er ook meer VTE besteed aan handhavingstaken. Enkel de gemeenten met 10.000 – 14.999 inwoners, 20.000 – 29.999 inwoners en 25.000 – 29.999 inwoners gaven aan per gemeente gemiddeld op minder toezichthouders beroep te kunnen doen terwijl er wel meer VTE werden besteed aan handhavingstaken.

Aanmelding van de gemeentelijke toezichthouders bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie Er werd reeds melding gemaakt van gemeenten die een toezichthouder aanstelden en gemeenten die tot nog toe nog geen beroep konden doen op een aangestelde toezichthouder. Deze gegevens worden in de volgende grafiek ter informatie opnieuw opgenomen. Daarnaast wordt voor de gemeenten die een toezichthouder aanstelden het onderscheid gemaakt tussen toezichthouders aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE en toezichthouders die nog niet werden aangemeld bij AMV. Voor niet-gewestelijke toezichthouders – dit zijn de provinciale toezichthouders, de gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones – betekent de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten namelijk dat: •

provinciale toezichthouders, gemeentelijke toezichthouders, toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en toezichthouders van politiezones moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs (artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid);

•

om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, toezichthouders een opleiding moeten volgen zoals vermeld artikel 13, tweede lid van het bovenvermelde uitvoeringsbesluit. De minister kan echter, op basis van de aangetoonde opleiding of ervaring, op gemotiveerde aanvraag van de betrokkene een gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het theoretische en het praktische onderricht. De vrijstelling heeft ook betrekking op de gedeelten van de bekwaamheidsproef waarvoor vrijstelling van onderricht is verleend. De opleiding tot het verkrijgen van een bekwaamheidsbewijs bestaat uit: o

theoretisch onderricht;

o

praktisch onderricht;

o

een bekwaamheidsproef over het theoretische en praktische onderricht.

•

de opleiding - vermeld in artikel 13, tweede lid - alleen mag worden gegeven door de instellingen die daartoe erkend zijn door de minister, na gemotiveerd advies van de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE (artikel 14 van het uitvoeringsbesluit);

•

in overeenstemming met artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 de instelling een getuigschrift aflevert aan de cursisten die het onderricht, vermeld in artikel 13, tweede lid van dit uitvoeringsbesluit, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef. Dat getuigschrift wordt - samen met de eventueel verleende vrijstelling van het onderricht en het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, §1, 2°, 3°, 4° en 5° van het Milieuhandhavingsdecreet, voorgelegd aan de afdeling Milieuvergunningen. De afdeling Milieuvergunningen levert op basis van deze documenten vervolgens een bekwaamheidsbewijs en een legitimatiebewijs af. 85 85


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Onderstaande grafiek geeft een overzicht van het aantal gemeenten dat hun toezichthouders al dan niet hebben aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie voor 2009 en 2010.

Grafiek 29)

Aanstelling en aanmelding van gemeentelijke toezichthouders bij AMV (volgens inwonersaantal)

In vergelijking met 2009 waren er minder gemeenten waarvan de toezichthouder(s) was aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen, namelijk 63,78% van de responderende gemeenten in 2010 en 66,32% van de responderende gemeenten in 2009. Zoals reeds hoger kon worden vastgesteld waren er in 2010 wel minder gemeenten die geen toezichthouder hadden aangesteld. Slechts 8,11% van de responderende gemeenten deelden voor 2010 mee geen beroep te kunnen op een toezichthouder, terwijl dit in 2009 nog 12,44% was van de responderende gemeenten. Een opvallend gegeven is dat bij de klasse van gemeenten met het grootste aantal inwoners de toezichthouders allemaal waren aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen in 2009, terwijl slechts 83,33% van de responderende gemeenten aangaf dat hun toezichthouders in 2010 zijn aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen. Ook bij de andere klasse is een procentuele stijging van het aantal responderende gemeenten dat hun toezichthouders niet hebben aangemeld bij de afdeling Milieuvergunningen in 2010 merkbaar. Wel moet worden aangestipt dat deze cijfers met enige voorzichtigheid dienen te worden geĂŻnterpreteerd. Zij zijn immers gebaseerd op de mededeling van de gemeenten over de melding bij de afdeling Milieuvergunningen, maar dit kon niet worden geverifieerd bij de afdeling Milieuvergunningen zelf. Dit zou kunnen wijzen op het dat de procedures van het Milieuhandhavingsdecreet nog onvoldoende gekend zijn. In dit kader zouden er dan ook bepaalde acties dienen ondernomen te worden om voldoende de aandacht te vestigen op het belang van het tijdig en correct aanmelden van de aangestelde toezichthouders. 86 86


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Organisatie van gemeentelijk toezicht Eerder in dit hoofdstuk werd reeds verwezen naar artikel 16§1 van het Besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid waarin wordt bepaald dat gemeenten binnen één jaar na de inwerkingtreding van voormeld besluit, d.i. op 1 mei 2010, beroep moeten kunnen doen op minstens 1 toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit moet een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig titel I van het Vlarem, of met meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is, een beroep kunnen doen op twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones. In onderstaande tabel wordt er per klasse van gemeente weergegeven hoe zij in 2010 de taak van lokale toezichthouder invulden: via het eigen personeelsbestand, via een intergemeentelijke vereniging of via een politiezone.

Totaal 04.999 5.000-9.999 10.000-14.999 15.000-19.999 20.000-24.999 25.000-29.999 30.000-74.999 75.000- … Tabel 35)

Toezichthouder maakt deel uit van de eigen gemeente

Toezichthouder maakt deel uit van een intergemeentelijke vereniging

Toezichthouder maakt deel uit van een politiezone

190 0 27 36 27 21 10 40 29

9 0 2 3 1 3 0 0 0

70 5 11 8 14 9 3 19 1

Organisatie van toezicht bij steden en gemeenten (volgens inwonersaantal) in 2009 en 2010

Van de 269 aangestelde lokale toezichthouders in 2010 rapporteerden de gemeenten dat er 190 toezichthouders deel uitmaakten van de eigen gemeenten, 9 toezichthouders deel uit maakten van een intergemeentelijke vereniging en 70 toezichthouders deel uitmaakten van de politiezone. Dit maakt duidelijk dat de gemeenten voornamelijk opteerden voor een toezichthouder aan te stellen binnen de eigen gemeente. Namelijk meer dan 70% van de aangestelde toezichthouders maakte deel uit van het gemeentelijke personeelsbestand, 26% van de aangestelde toezichthouders werd aangesteld binnen een politiezone en slechts 3,35% werd aangesteld binnen een intergemeentelijke vereniging. Aan de hand van de gegevens van het Milieuhandhavingsrapport 2009 kan worden vastgesteld dat deze verhoudingen respectievelijk als volgt lagen: 74,45% van de aangestelde toezichthouders maakte deel uit van het gemeentelijke personeelsbestand, 24,82% van het totaal aangestelde toezichthouders werd aangesteld binnen een politiezone en 0,73% werd aangesteld binnen een intergemeentelijke vereniging. Hieruit kan worden afgeleid dat er procentueel iets meer toezichthouders werden aangesteld binnen de politiezones en de intergemeentelijke verenigingen. Terwijl er in het Milieuhandhavingsrapport 2009 een duidelijke trend in functie van de grootte van de gemeente kon worden vastgesteld in die zin dat de kleinere gemeenten meer beroep deden op een toezichthouder aangesteld bij de politiezone en minder op toezichthouders die deel uitmaakten van het eigen personeelsbestand, is het beeld op basis van de gegevens van 2010 meer divers. Dit wordt duidelijk in onderstaande grafiek: 87 87


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 30)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Organisatie van gemeentelijk toezicht (volgens inwonersaantal) in 2009 en 2010

In alle klassen van gemeenten steeg het procentueel aantal van toezichthouders aangesteld bij de politiezones, behalve in de eerder kleine klassen van gemeenten met een inwonersaantal van 5.0009.999 inwoners en gemeenten met een inwonersaantal van 10.000 – 14.999 inwoners en dit voornamelijk ten voordele van het procentueel aantal aangestelde toezichthouders bij een intergemeentelijke vereniging. De gemeenten van de kleinste klasse met een maximum van 4.999 inwoners blijven volledig beroep doen op toezichthouders van de politiezones. In 2009 deed de grootste klasse van gemeenten met meer dan 75.000 inwoners volledig beroep op toezichthouders aangesteld binnen de eigen stad. In 2010 kon er echter beroep gedaan worden op 1 toezichthouder aangesteld bij de politiezone. Voornamelijk voor de kleinere gemeenten zou er kunnen worden verwacht dat zij – ondanks de stijging van het aantal aangestelde toezichthouders binnen een intergemeentelijke vereniging – nog meer beroep zouden doen op intergemeentelijke verenigingen dan momenteel het geval is. Het Milieuhandhavingsdecreet schept in artikel 16.3.1, §1, 4° immers de mogelijkheid dat personeelsleden van een intergemeentelijke vereniging worden aangewezen als toezichthouder. Een dergelijke gemeentelijke toezichthouder kan enkel toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot de intergemeentelijke vereniging. De VHRM zou echter een aantal voordelen kunnen onderschrijven van de organisatie van het toezicht op de milieuwetgeving in het kader van een intergemeentelijke vereniging. Zo kan het voor kleinere gemeenten interessant zijn om zich op een dergelijke wijze te organiseren. De aanduiding van een intergemeentelijke toezichthouder zou kunnen leiden tot een schaalvergroting op vlak van expertise en ruimtelijke inzetbaarheid van de toezichthouder. Gezien momenteel de functie van toezichthouder geen voltijdse equivalent dient te bedragen en de functie in de kleinere gemeenten veelal gecombineerd wordt met andere taken, kan door de aanstelling van een voltijds equivalent toezichthouder binnen een intergemeentelijke vereniging de deskundigheid en expertise van deze toezichthouder enkel maar kan worden vergroot. Daarnaast zou het aangewezen zijn dat er meerdere 88 88


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

toezichthouders worden aangesteld binnen een intergemeentelijke vereniging omdat de toezichthouder dan geen controles zou dienen uit te voeren in de eigen gemeenten. Tevens zou de aanstelling van een intergemeentelijke toezichthouder kunnen leiden tot een scheiding van de functies van toezichthouder en adviesverlener in de vergunningsprocedure. Een veel gehoord geluid is immers dat de milieuambtenaar (en dus de adviesverlener) nu vaak wordt aangeduid als toezichthouder en dus bijna rechter en partij is. Intergemeentelijk samenwerken is echter geen totaaloplossing die elke gemeente te hulp kan schieten. Voor sommige gemeenten moet een andere oplossing worden bedacht.

Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door gemeentelijke toezichthouders Om een inzicht te verkrijgen in de activiteiten van de gemeentelijke handhavingsactoren op het terrein wordt in onderstaande tabel het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles per klasse van gemeenten weergegeven, maar ook het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder, het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE en de gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken in VTE. De resultaten van deze controles worden vervolgens besproken bij de evaluatie van de individuele handhavingsinstrumenten in hoofdstuk 3.

89 89


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

25.000-29.999

20.000-24.999

15.000-19.999

10.000-14.999

5.000-9.999

0-4.999

29

8

22

31

48

36

5

30

59

13

33

42

47

40

5

Aantal aangestelde toezichthouders

Respons

30.000-74.999 6

Inwonersaantal

75.000-â&#x20AC;Ś

269

83

566

342

657

195

3

Aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles

17,81

6,38

17,15

8,14

13,98

4,88

0,60

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder

0,66

0,20

0,32

0,09

0,21

0,28

0,10

0,00

Gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (in VTE)

88,03

139,34

89,37

20,24

195,17

39,31

49,92

51,31

0,00

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Totale tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken in VTE

1.051

91,73

0,24

13,16 8,70 2,90 4,10 11,76 19,75

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE

0

2.752

21,00

3,80

5.649 64,17

Inspanningen m.b.t. milieuhandhavingstaken door gemeentelijke toezichthouders (volgens inwonersaantal)

185

totaal

Tabel 36)

90

90


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

In 2010 werden door de 269 aangestelde toezichthouders bij de 185 responderen gemeenten samen 5649 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd. Dit komt neer op 21 milieuhandhavingscontroles per toezichthouder. Indien er wordt gekeken naar het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE kan er worden vastgesteld dat er gemiddeld 88,03 controles kunnen worden uitgevoerd door deze toezichthouders, indien elke toezichthouder voltijds de functie van toezichthouder zou uitvoeren. De gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken bedraagt echter 0,24 VTE. Dit betekent dat de lokale toezichthouders gemiddeld slechts bijna 25% van hun tijd besteedden aan toezichtstaken. Deze gegevens zouden het mogelijk maken om te pleiten voor een aanpassing van het Milieuhandhavingsdecreet in die zin dat niet het aantal toezichthouders per gemeente wordt vastgelegd, maar wel het aantal VTE. Indien een gemeente minimum beroep moet kunnen doen op een voltijdse toezichthouder, zou deze toezichthouder – gemiddeld, en afgeleid uit bovenstaande cijfergegevens – 88,03 controles per jaar kunnen uitvoeren. Zoals uit onderstaande grafiek zal duidelijk worden betreft het uitgevoerde controles door de lokale toezichthouders wel voornamelijk milieuhandhavingscontroles naar aanleiding van klachten en meldingen. Indien er wordt gekeken naar de aparte klassen van gemeenten kan er een zeer gevarieerd beeld worden vastgesteld van een gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles van 0,60 tot een maximum gemiddelde van 91,73 controles per toezichthouder in 2010, een gemiddelde tijdsbesteding van 0 VTE tot 0,66 VTE en een gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE van 0,00 controles tot 139,34 controles. Een opmerkelijk gegeven is dat de kleinste steden (≤ 4.999 inwoners) een totaal aantal uitgevoerde controles opgaf van 3, maar dit zonder een tijdsbesteding aan toezichtstaken. Dit maakt dat het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder ligt op 0,60 en het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per VTE op 0. Bij de overige klassen ligt het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per VTE steeds hoger dan het gemiddelde aantal controles uitgevoerd per toezichthouder. Dit heeft te maken het feit dat de aangestelde toezichthouders slechts een beperkt aantal VTE besteed aan toezichtstaken. Desbetreffend kan geen tendens worden vastgesteld op basis van de omvang van de gemeente. Voor het Milieuhandhavingsrapport 2010, in tegenstelling tot het Milieuhandhavingsrapport 2009, werden de gemeenten gevraagd aan te geven hoeveel milieuhandhavingscontroles er werden uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen en hoeveel milieuhandhavingscontroles er werden uitgevierd op eigen initiatief. Dit wordt weergegeven in onderstaande grafiek en tabel.

91 91


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 31)

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

Aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door gemeentelijke inwonersaantal) in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet

toezichthouders

(volgens

Totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles

Aantal milieuhandhavingscontroles naar aanleiding van klachten en meldingen

Aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op eigen initiatief

3

0

3

5.000-9.999

195

142

53

10.000-14.999

657

486

171

15.000-19.999

342

217

125

20.000-24.999

566

305

261

25.000-29.999

83

48

35

30.000-74.999

1.051

759

292

75.000-…

2.752

1.755

997

Totaal

5.649

3.712

1.937

Inwonersaantal 0-4.999

Tabel 37)

Aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door gemeentelijke inwonersaantal) in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet

toezichthouders

(volgens

Het merendeel van de milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de lokale toezichthouders waren controles naar aanleiding van klachten en meldingen, namelijk 65,71% van het totaal aantal uitgevoerde controles. Dit betekent echter wel dat meer dan 33% van de controles werd uitgevoerd op eigen initiatief, zogenaamde proactieve controles.

92

Een opmerkelijk gegeven is dat de toezichthouders van de kleinste klasse van gemeenten (≤ 4.900 inwoners) – allemaal aangesteld bij de politie – enkel en alleen milieuhandhavingscontroles uitvoerden op eigen initiatief. Bij de overige klassen ligt dit redelijk gelijklopend met het gemiddelde. De klasse van gemeenten met 20.000 – 24.999 inwoners geeft echter weer dat bijna de helft van de milieuhandhavingscontroles proactief gebeurden. 63,64% van de aangestelde toezichthouders in deze 92


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

klasse maakte deel uit van het eigen personeelsbestand van de gemeente, 27,27% van de politiezone en 9,09% van een intergemeentelijke vereniging. De conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat de lokale toezichthouders niet enkel milieuhandhavingscontroles uitvoeren naar aanleiding van klachten en meldingen, maar zeker ook zelf proactieve milieuhandhavingscontroles plannen en uitvoeren. Dit kan alleen maar worden aangemoedigd door de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. In onderstaande tabellen en grafieken wordt een vergelijking gemaakt tussen het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2009 en 2010 en een vergelijking tussen het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per VTE in 2009 en 2010. Aangezien de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 betrekking hadden op de periode van 1 mei 2009 tot 31 december 2009 dienen de cijfergegevens in beide vergelijkingen ook hier herleid te worden naar een periode van 12 maanden.

Inwonersaantal 0-4.999 5.000-9.999 10.00014.999 15.00019.999 20.00024.999 25.00029.999 30.00074.999 75.000-… Totaal

Tabel 38)

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2009 0,00 5,37 9,93 11,53 9,84 10,84 19,14 120,33 20,46

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2009 (herleid naar 12 maanden) 0,00 8,06 14,89 17,29 14,76 16,26 28,71 180,49 30,69

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2010 0,60 4,88 13,98 8,14 17,15 6,38 17,81 91,73 21,00

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per gemeentelijke toezichthouder in 2009 en 2010

Bovenstaande tabel maakt duidelijk dat het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in totaal is gedaald van 30,69 in 2009 naar 21 in 2010. Dit kan allicht verklaard worden door het feit dat er in 2009 relatief meer controles werden uitgevoerd door een enigszins groter aantal toezichthouders. Zo werden er in 2009 – indien het aantal controles herleid wordt naar 12 maanden – in totaal 8.408 controles uitgevoerd door een totaal van 274 lokale toezichthouders, terwijl dit in 2010 5.649 controles waren door een totaal van 269 lokale toezichthouders. Slechts twee klassen van gemeenten kennen een stijging in het gemiddeld aantal controles uitgevoerd door de toezichthouders, namelijk de kleinste klasse van 0-4.999 inwoners en de klasse van 20.000-29.999 inwoners. Bij de kleinste klasse kan dit verklaard worden door het feit dat de gemeenten in deze klasse bij de opmaak van het Milieuhandhavingsrapport 2009 aangeven dat er geen enkele milieuhandhavingscontroles werd uitgevoerd in 2009, terwijl er in 2010 3 controles werden uitgevoerd. Een opmerkelijk gegeven is echter dat de gemeenten in deze klasse hebben aangeven dat er in 2010 geen enkele VTE van de in totaal 5 aangestelde toezichthouders werd besteed aan toezichtstaken. In de klasse van gemeenten met 20.00024.999 inwoners steeg het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles van 14,76 controles per toezichthouder naar 17,15 controles per toezichthouder, en dit ondanks het feit dat het gemiddeld aantal toezichthouders per gemeente daalde van 1,63 in 2009 naar 1,57 in 2010. De stijging in het gemiddeld aantal controles per toezichthouders kan dan ook worden verklaard door de forse stijging in het totaal 93 93


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles in de gemeenten van deze klasse, namelijk 305 in 2009 naar 566 in 2010. Meer preciezer is het echter om een vergelijking te maken tussen het gemiddelde aantal controles per VTE in 2009 en in 2010. Het aantal VTE geeft immers hoeveel tijd de aangestelde toezichthouders immers effectief hebben besteed aan milieuhandhavingstaken. Aangezien ook deze gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 betrekking hadden op de periode van 1 mei 2009 tot 31 december 2009 dienen de cijfergegevens herleid te worden naar een periode van 12 maanden.

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE in 2009

Gemiddeld aantal controles per VTE in 2009 (herleid naar 12 maanden)

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE in 2010

0-4.999

0,00

0,00

0,00

5.000-9.999

54,23

81,35

51,32

10.000-14.999

50,43

75,65

49,92

15.000-19.999

53,69

80,54

39,31

20.000-24.999

113,81

170,72

195,17

25.000-29.999

76,87

115,31

20,24

30.000-74.999

101,60

152,40

89,37

75.000-…

240,67

361,01

139,34

Totaal

107,79

161,69

88,03

Inwonersaantal

Tabel 39)

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE in 2009 en 2010

Bovenstaande tabel geeft een gelijkaardig beeld. Ook bij deze vergelijking is er een daling merkbaar van de activiteiten en de inspanningen van de toezichthouders in 2010 in vergelijking met 2009. In 2009 kon er nog een gemiddeld aantal controles per VTE worden opgetekend van 161,69. In 2010 daalde dit naar 88,03 controles per VTE. Deze daling is merkbaar bij al de klassen van gemeenten, uitgezonderd de klasse van gemeenten met 20.000-24.999 inwoners. Net als bij het gemiddeld aantal controles per toezichthouders is er, in deze klasse, ook een stijging zichtbaar bij het gemiddeld aantal controles per VTE van 2009 naar 2010. Opvallend echter wel is dat – ondanks de daling in het aantal controles per VTE – de gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken in VTE gestegen is in 2010 ten opzichte van 2009, van 0,19 VTE naar 0,24 VTE. Dit betekent dat het aanzienlijke groter aantal controles in 2009 het verschil kan verklaren. Herleid naar 12 maanden werden er in 2009 een totaal van 8.408 controles uitgevoerd door de lokale toezichthouder. In 2010 bedroeg dit 5.649 controles. Dit betekent dat ondanks het stijgen van de gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken er minder controles werden uitgevoerd door de lokale toezichthouders in 2010. De aard van de controles speelt natuurlijk een cruciale rol in deze tijdbesteding. Mogelijk had er een verschuiving plaats van het aanvankelijk uitvoeren van eerder eenvoudig controles in 2009 naar het uitvoeren van meer complexere en tijdrovende controles door de lokale toezichthouders in 2010. De cijfergegevens laten het echter niet toe om hier over uitspraken te doen. 94 94


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

2.4

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

CONCLUSIE

In bovenstaand onderdeel stond het Vlaamse milieuhandhavingsbeleid in 2010 centraal. Er werd reeds opgemerkt dat deze titel de nodige relativering dient te krijgen. De VHRM heeft er voor gekozen om in dit hoofdstuk te rapporteren over de toezichthouders van de verschillende handhavingsactoren en het aantal controles dat werd uitgevoerd door deze toezichthouders. Hiertoe werden de actoren gevraagd onder meer aan te geven hoeveel toezichthouders binnen hun organisatie werden aangeduid, hoeveel VTE werd besteed aan handhavingstaken en hoeveel controles door deze toezichthouders werden uitgevoerd. Het betrof zowel de gewestelijke toezichthouders als de lokale toezichthouders. Daarnaast werd gerapporteerd over het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Federale en Lokale politie. In het kader van het gevoerde lokale milieuhandhavingsbeleid werd er niet alleen gerapporteerd over de activiteiten van de lokale toezichthouders, maar tevens over de uitoefening van de bevoegdheden door de provinciegouverneurs en de burgemeesters in het kader van het treffen van bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen en de ondersteunende rol van de provincies ten aanzien van de gemeenten. Niet enkel werden om bovenstaande evaluatie uit te voeren de gegevens met betrekking tot 2010 gehanteerd, tevens werd â&#x20AC;&#x201C; daar waar mogelijk â&#x20AC;&#x201C; een vergelijking gemaakt tussen 2009 en 2010. Bij de evaluatie van het gewestelijke milieuhandhavingsbeleid werd aangegeven dat het exacte aantal toezichthouders dat werd aangesteld en waarop beroep kon worden gedaan (VTE) voor het uitvoeren van de milieuhandhavingstaken ook in 2010 tussen de verschillende actoren grote verschillen vertoont. Een aantal handhavingsactoren kon beroep doen op een groot aantal toezichthouders terwijl andere actoren hun taken dienden uit te voeren met een klein aantal toezichthouders. Dit kan allicht worden verklaard door het feit dat een aantal handhavingsactoren een groot aantal bevoegdheden heeft toegewezen gekregen; in die gevallen zijn de toezichthouders quasi voltijds bezig met hun toezichtstaken; andere actoren dienen slechts handhaving uit te voeren van een beperkt aantal wetten en decreten en dienen hiertoe dus ook minder toezichthouders aan te stellen, aangezien handhaving een bijkomende taak voor hen vormt; in sommige gevallen is een beperkt aantal toezichthouders voldoende om de beperkte taken uit te voeren. Daarnaast is het tevens mogelijk dat een handhavingsorganisatie met beperkte bevoegdheden er voor kiest om een groot aantal toezichthouders aan te stellen, zodat de toezichtsopdrachten verspreid kunnen worden over een breed gamma aan toezichthouders. Daar de decreetgever in het Milieuhandhavingsdecreet slechts aangeeft dat bepaalde personen een gewestelijk toezichthouder kunnen zijn als ze over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtsopdracht naar behoren in te vullen en als ze personeelsleden van het departement en de agentschappen zijn die behoren tot een van de beleidsdomeinen die worden aangewezen door de Vlaamse Regering vermeld in artikel 2 van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 maar verder niet specifieert of deze toezichthouders voltijds bezig dienen te zijn met de handhaving van het milieurecht, noch wat deze vereiste kwalificaties en eigenschappen precies dienen te zijn, kunnen de gewestelijke handhavingsinstanties zelf beslissen op welke wijze het toezicht wordt georganiseerd binnen hun organisatie. De vraag kan echter worden gesteld in welke mate het wenselijk is dat de functie van toezichthouder wordt verenigd met andere functies, daar de tijdsbesteding aan handhavingstaken bij een aantal actoren minimaal blijkt te zijn. De afweging die dient te worden gemaakt is of de milieuhandhavingsopdrachten van een bepaalde actor in die mate specifiek en complex zijn dat een intensieve opleiding en ervaring noodzakelijk zijn om de handhaving zo optimaal mogelijk te uit te voeren. Daar waar de handhavingsactor complexe handhavingsopdrachten heeft, lijkt het meer aangewezen dat de toezichthouders specialisten zijn die voltijds actief zijn in de handhaving en niet zo zeer generalisten waarvan de handhaving van het milieurecht een bijkomende opdracht vormt in hun reeds bestaande takenpakket. Een positieve evolutie is echter het feit dat het aantal inzetbare VTE besteed aan milieuhandhavingstaken bij de meeste gewestelijke handhavingsactoren in 2010 gelijk gebleven of gestegen is in vergelijking met 2009. Dit kan de handhaving van het milieurecht alleen maar ten goede komen. Met betrekking tot het gemiddelde aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles per toezichthouder kan echter worden geconcludeerd dat dit voor een groot aantal gewestelijke handhavingsactoren in 2010 daalde ten 95 95


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

opzichte van 2009. Een genuanceerdere berekening, namelijk het gemiddelde aantal controles per VTE, levert hetzelfde beeld op. In het kader van de evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de politie kon worden vastgesteld dat de politie in het Vlaamse Gewest, Federaal en Lokaal, in 2010 niet minder dan 18.756 processen-verbaal opstelde inzake leefmilieucriminaliteit, waarvan 97% opgesteld door de Lokale politiediensten. Daarnaast kon worden aangegeven dat de Federale politie zich in het kader van de milieuhandhaving met 1.352 proactieve controles voornamelijk richtte op de afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Bij 61 controles werd onmiddellijk een overtreding vastgesteld en proces-verbaal opgesteld en bij 76 controles werd, a posteriori, een overtreding vastgesteld na overmaking van de gegevens aan de bevoegde administratie. Hoewel formeel geen toezichthouders kunnen worden aangesteld binnen de Federale politie, blijkt dat in 2010 143 personen van de Federale politie behoorden tot het Leefmilieunetwerk. Binnen de Federale politie was in 2010 49 VTE actief bezig met milieuhandhaving in het Vlaamse Gewest. Het Milieuhandhavingsdecreet bepaalt dat personeelsleden van de Lokale politie daarentegen kunnen worden aangewezen als toezichthouder. De verschillende politiezones in het Vlaamse Gewest werden dan ook gevraagd gegevens aan te leveren over het aantal toezichthouders in hun politiezone, het aantal VTE dat werd besteed aan handhavingstaken, de aanmelding van de toezichthouders, de organisatie van het toezicht binnen de Lokale politie en het aantal uitgevoerde controles door deze toezichthouders van de politiezones. De VHRM mocht gegevens ontvangen van 94 van de 118 politiezones in het Vlaamse Gewest. In vergelijking met de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 kan worden vastgesteld dat er meer politiezones een beroep konden doen op een of meerdere toezichthouders. Daarnaast steeg het totaal aantal aangestelde toezichthouders van een politiezone van 97 naar 123. Opmerkelijk is echter het feit dat de gemiddelde tijdsbesteding aan toezichtstaken per toezichthouder in 2010 daalde. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd nog een gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken geregistreerd van 0,19 VTE; in 2010 bedroeg dit slechts 0,13 VTE. Er waren dus meer politiezones die beroep konden doen op een toezichthouder en er waren in 2010 meer toezichthouders bij deze politiezones, maar deze toezichthouders hebben minder tijd besteed aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Het feit dat de toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie gemiddeld zeer weinig tijd hebben besteed aan het uitvoeren van effectieve toezichtstaken doet de vraag rijzen of de aanstelling van enkele van deze toezichthouders enkel en alleen pro forma gebeurde, zonder dat deze zich daadwerkelijk bezig houden met de milieuhandhaving in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. De responderende politiezones gaven aan dat een totaal van 3.741 milieuhandhavingscontroles â&#x20AC;&#x201C; plaats vond waarvan 94% werd uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen. Deze uitgevoerd door de 123 toezichthouders van de Lokale politie, hetgeen een gemiddelde van 30,41 milieuhandhavingscontroles per toezichthouder in 2010 betekent. Ondanks het feit dat de toezichthouders van de Lokale politie eerder weinig tijd besteedden aan milieuhandhavingstaken (gemiddeld 0,13 VTE per toezichthouder), worden toch heel wat controles uitgevoerd in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Daarenboven vormt dit een forse stijging ten opzichte van 2009 toen gemiddeld 11,51 controles werden uitgevoerd per toezichthouder. Er kan echter een grote verscheidenheid worden vastgesteld tussen de verschillende klassen van politiezones. Sommige politiezones bouwen een zekere expertise en vooruitgang op en kunnen meer controles doen binnen een kleinere beschikbare tijdsspanne. Deze tendens kan echter bij andere politiezones niet worden teruggevonden, integendeel. Zeker bij de grotere politiezones zou kunnen worden verwacht dat zij baat zouden hebben bij schaalvergroting en expertiseopbouw; dit blijkt echter niet uit de cijfergegevens. Om een evaluatie van het gevoerde lokale milieuhandhavingsbeleid uit te voeren werd gekeken naar de handhavingsactiviteiten van de provinciegouverneurs, de provinciale toezichthouders, de burgemeesters en de toezichthouders van de gemeenten. De provinciegouverneurs en de burgemeesters hebben in het Milieuhandhavingsdecreet een zeer duidelijk afgebakende bevoegdheid, namelijk het opleggen van bestuurlijke maatregelen of 96 96


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

veiligheidsmaatregelen in het kader van bepaalde wetgeving. In 2010 werden in totaal 4 verzoeken gedaan door derden betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen gericht aan de provinciegouverneurs. Het instrument “vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen” gericht aan de provinciegouverneur wordt dus niet vaak gebruikt. Ondanks het feit dat er 4 verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen werden ingediend bij de provinciegouverneurs, werd slechts 1 bestuurlijke maatregel opgelegd door een provinciegouverneur in 2010. Een verklaring voor dit zeer beperkte gebruik van de bevoegdheid van de provinciegouverneurs zou kunnen worden gezocht in het gebrek aan ondersteuning, omkadering of ervaring bij de gouverneurs om de nieuwe bevoegdheden in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet effectief ten uitvoer te brengen. De burgemeesters van de responderende gemeenten hebben daarentegen 61 vragen en 56 verzoeken ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en hebben in 2010 effectief 128 maatregelen opgelegd. In het algemeen zou dus kunnen worden gesteld dat dit instrument reeds zijn ingang heeft gevonden in de milieuhandhavingsactiviteiten van de burgemeesters in het Vlaams Gewest. Geen enkele provinciegouverneur ontving in 2010 een vraag tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast kon worden vastgesteld dat geen van de provinciegouverneurs zelf initiatief nam om veiligheidsmaatregelen te treffen. In totaal hebben de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten 22 vragen ontvangen betreffende het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Er werden er in totaal 43 opgelegd in 2010. Dit betekent dat minstens 21 veiligheidsmaatregelen ambtshalve en op eigen initiatief werden opgelegd. Het Milieuhandhavingsdecreet bepaalt dat personeelsleden van de provincie aangewezen kunnen worden als toezichthouders door de deputatie van de provincie. In 2010 werden echter nog steeds geen provinciale toezichthouders aangewezen en dus ook geen controles uitgevoerd in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Dit zou te maken hebben met het feit dat er onduidelijkheid bestaat rond de vormingsplicht van de provinciale toezichthouders en rond de exacte taakstelling. Er dient echter wel te worden opgemerkt dat de provincies, rekening houdend met hun verantwoordelijkheid als waterloopbeheerder, al jaren een toezichtsfunctie uitoefenen op wetgeving die niet werd opgenomen in titel XVI van het Milieuhandhavingsdecreet, maar waarvoor per provincie voor de uitvoering van deze toezichtsfunctie provinciale medewerkers werden aangeduid. Daarnaast werd er door de provincies wel ondersteuning geboden aan de gemeenten op vlak van milieuhandhaving in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013. Deze ondersteuning had onder meer betrekking op de organisatie van opleidingen – langlopend en ad hoc – en specifieke acties zoals een campagne rond sluikstorten, ondersteuning op technisch-wetenschappelijk, juridisch, beleidsmatig of educatief vlak en de organisatie van platformen of overleg rond milieuhandhaving. Om een inzicht te krijgen in de organisatie van de toezichtstaken van de gemeentelijke toezichthouders werd er, analoog de bevraging van de gewestelijke handhavingsactoren, onder meer gevraagd naar het aantal aangestelde toezichthouders, het aantal VTE besteed aan handhavingstaken en het aantal uitgevoerde controles. Meer dan 60% van de Vlaamse gemeenten heeft de VHRM een antwoord bezorgd. De gemeenten werden tevens gevraagd hoeveel vergunde inrichtingen van klasse 1, 2 en 3 volgens bijlage I van titel I van het Vlarem op hun grondgebied waren gevestigd tevens werd gevraagd naar een schatting van het aantal niet-vergunde hinderlijke inrichtingen. De cijfers maken echter duidelijk dat 7,5% van de responderende gemeenten niet beschikten over deze gegevens. Dit is echter een positieve evolutie ten opzichte van de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009. In 2010 hadden meer gemeenten een beter zicht op het aantal hinderlijke inrichtingen in hun gemeente. Voor het opstellen van een degelijk inspectieplan en voor een inschatting en evaluatie van de inspanningen op vlak van het milieutoezicht blijft het cruciaal dat de gemeenten zouden kunnen beschikken over deze gegevens. Opvallend is het feit dat 65 van de 185 responderende gemeenten aangeven het totaal aantal nietvergunde inrichtingen te schatten op een totaal van 2.223. Dit zou erop kunnen wijzen dat deze gemeenten kennis hebben van overtredingen ten aanzien van de milieuwetgeving en hier niet tegen optreden (voor zover er ook geweten is om welke niet-vergunde inrichtingen het gaat). Ondanks het feit dat het totaal geschatte niet-vergunde inrichtingen daalde van 4.056 in 2009 naar 2.223 in 2010, kan 97 97


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid

hier wederom de vraag worden gesteld waarom deze gemeenten – in het bijzonder de burgemeester – geen handhavingsacties ter zake hebben ondernomen. Als aanbeveling naar deze gemeenten zou dan ook wederom kunnen worden voorgesteld dat er in de inspectieplannen van de gemeenten prioriteit wordt gegeven aan het toezicht op deze niet-vergunde hinderlijke inrichtingen. Uit de aanstelling van de gemeentelijke toezichthouders en hun tijdsbesteding kan worden geconcludeerd dat in totaal reeds 269 toezichthouders werden aangesteld bij de responderende gemeenten met een toezichthouder, met een totale tijdsbesteding van 64,17VTE, wat neerkomt op een gemiddelde van 1,62 toezichthouders per gemeente en een gemiddelde tijdsbesteding van 0,24 VTE per toezichthouder. In vergelijking met het Milieuhandhavingsrapport 2009 vormt dit een verbetering. Ondanks het feit dat er minder gemeenten hebben geantwoord voor dit milieuhandhavingsrapport en ondanks het feit dat het totaal aantal aangestelde toezichthouders is gedaald van 274 in 2009 naar 269 in 2010, steeg de totale tijdbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken – en zodus ook de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken – van 52 VTE in 2009 naar 64,17 VTE in 2010. 8,10% van de responderende gemeenten gaf aan nog geen toezichthouder te hebben aangesteld. Dit is een daling ten opzichte van 2009 (12,44%). De gemeenten hadden voor 1 mei 2010 een toezichthouder moeten aanstellen. Echter, daarnaast kunnen de gemeenten nog steeds beroep doen op “oude” Vlaremambtenaren tot 1 mei 2012.

98 98


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

EVALUATIE VAN DE INZET VAN DE AFZONDERLIJKE MILIEUHANDHAVINGSINSTRUMENTEN EN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

Waar in het vorig hoofdstuk werd uitgegaan van de individuele handhavingsactoren en hun inspanningen in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet, staat in dit hoofdstuk het milieuhandhavingsinstrumentarium centraal. De bedoeling is een inzicht te verkrijgen in het gebruik van alle middelen die de handhavingsactoren kregen om hun doelstellingen te bereiken. Hierbij wordt vooral toegespitst op het feit of bepaalde instrumenten minder worden gebruikt, bijvoorbeeld omdat het nieuwe instrumenten betreft waar de handhavingsactoren minder mee vertrouwd zijn of die ze eventueel mijden door een gebrek aan kennis en expertise ter zake. Ook bij de cijfers die zijn opgenomen in dit hoofdstuk moet het nodige voorbehoud worden gemaakt. De cijfers hebben slechts betrekking op het kalenderjaar 2010. Vele handhavingsactoren dienden zich in 2010 nog verder te (her)organiseren of te heroriënteren naar aanleiding van het nieuwe Milieuhandhavingsdecreet of dienden te wachten op de aanstelling van hun toezichthouders voordat ze aan de slag konden gaan. In veel gevallen zullen tendensen dan ook slechts duidelijk worden of kunnen worden bevestigd indien ze ook in de volgende milieuhandhavingsrapporten kunnen worden waargenomen. In tegenstelling tot het Milieuhandhavingsrapport 2009 worden de handhavingsinstrumenten in dit rapport per jaar afgewogen ten opzichte van het aantal uitgevoerde handhavingscontrole waar een overtreding werd vastgesteld. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werden deze per actor afgewogen ten opzichte van het totaal aantal uitgevoerde controles. De afweging ten opzichte van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld heeft als voordeel dat het gebruik van de instrumenten kan worden weergegeven daar waar dit nodig was, uitgezonderd de raadgeving uiteraard. Tevens wordt er een beeld gegeven van het totaal aantal controles ten opzichte van het aantal waar een overtreding werd vastgesteld. Dit maakt het mogelijk om uitspraken te doen over de nalevingsgraad en het gericht handhaven van de actoren. Het nadeel is echter dat er geen vergelijkingen kunnen gemaakt worden met de gegevens uit het milieuhandhavingsrapport 2009. Gelijklopend met het hoofdstuk 2 ‘Evaluatie van het gewestelijke milieuhandhavingsbeleid’ wordt voor de evaluatie van de individuele handhavingsinstrumenten uitgegaan van de informatie verkregen van de handhavingsactoren. Het gebruik van deze cijfers impliceert dat alle eerder geformuleerde kanttekeningen en opmerkingen ook hier van toepassing zijn. In het onderstaande hoofdstuk zullen de verschillende handhavingsinstrumenten worden besproken.

99 99


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3.1

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’

Om een correcte evaluatie van de milieuhandhavingsinstrumenten uit te voeren dienen de juiste parameters met elkaar te worden vergeleken. In onderstaande tabel wordt het totaal aantal uitgevoerde controles opgesplitst in het aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’ en het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’. Aangezien een instrument enkel kan worden gebruikt bij het vaststellen van een milieumisdrijf of een milieu-inbreuk zal het aantal keer dat het werden toegepast worden vergeleken met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’, de uitzondering hierop is het instrument ‘raadgeving’. De raadgeving is immers enkel toepasbaar als er een milieumisdrijf of milieu-inbreuk dreigt op te treden, maar er nog geen overtreding werd vastgesteld. Handhavingsactor:

Aantal controles door toezichthouders

Aantal 'controles waar geen overtreding werd vastgesteld’

% aandeel

Aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

% aandeel

11.590

10.714

92,44%

876

7,56%

233

44,64%

289

55,36%

158

53,02%

140

46,98%

1.863

60,57%

1.213

39,43%

0

0,00%

5

100,00%

380

43,88%

486

56,12%

5.957

82,36%

1.276

17,64%

139

9,05%

1.397

90,95%

0

0,00%

0

0,00%

AMI AMV

522

ALBON

64

298 65

VLM

3.076

VMM

5

AZ&G

866 66

ANB

7.233

OVAM

1.53667

W&Z

0

AWV

68

Niet beschikbaar

69

0

0,00%

0

0,00%

AMT

0

70

0

0,00%

0

0,00%

De Scheepvaart

071

0

0,00%

0

0,00%

72

0

0,00%

0

0,00%

5.649

1.789

31,67%

3.860

68,33%

3.741

1.905

50,92%

1.836

49,08%

34.516

23.138

67,04%

11.378

32,96%

Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie Totaal

Tabel 40)

0

Vergelijking van het aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’ met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’ voor 2010

64 410 controles op technici vloeibare en gasvormige brandstof (309 controles en 101 herkeuringen na controle met onaanvaardbaar meetresultaat); 12 controles laboratoria (8 water + 4 lucht); 100 controles milieucoördinatoren (controle bijscholing); talrijke controles op erkenningshouders gebeuren simultaan met adviesverlening, aantallen worden niet geregistreerd 65

Het betreft hier controles in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en het Mestdecreet

66

Het aantal van 7.233 controles vormt een raming van het totaal aantal uitgevoerde controles op basis van het aantal opgestelde processen-verbaal, het aantal geformuleerde aanmaningen en het aantal controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld. 67

606 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in 2010 + ondersteuning bij 930 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in 2010

68

Geen specifieke actie, zit vervat in dagelijkse controle van/langs de waterweg

69

Geen totaal aantal controles gekend

70

Geen toezichthouders aangewezen bij AMT

71

Geen toezichthouders aangewezen bij De Scheepvaart

72

Geen provinciale toezichthouders

100 100


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Onderstaande grafiek geeft een beeld van de verhouding tussen het aandeel van controles waar geen overtreding werd vastgesteld en het aandeel controles waar een overtreding werd vastgesteld. Deze grafische weergave maakt het mogelijk de verschillende actoren met elkaar te vergelijken op gebied van procentueel aandeel controles met en zonder overtreding.

Grafiek 32)

Vergelijking van het ‘totaal aantal controles’ met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld

Bij deze grafiek kan meteen worden opgemerkt dat er verschil is tussen de verschillende actoren naar het aandeel van controles met de vaststelling van een overtreding (en bijgevolg ook controles waar geen overtreding werd vastgesteld). Dit kan echter ook worden verwacht gezien het feit dat de actoren verschillende toezichtsopdrachten hebben die ieder een specifieke manier van handhaving vereisen. Een eerste opmerking die moet worden gemaakt bij de hierboven weergegeven cijfers betreft de 100% van controles waar een overtreding werd vastgesteld door de Vlaamse Milieu Maatschappij. Deze actor gaf te kennen 5 controles te hebben uitgevoerd waarbij ook 5 vaststellingen van een overtreding werden gedaan. De afdeling Milieu-inspectie en het Agentschap voor Natuur en Bos stelden in respectievelijk 7,56% (876) en 17,64% (1.276) van het totaal aantal controles een overtreding vast. Met deze cijfers geven de twee actoren aan dat slechts bij een klein aandeel van het totaal aantal controles een overtreding wordt vastgesteld. Hierbij dient nog te worden vermeld dat het Agentschap voor Natuur en Bos meedeelde dat het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een raming is op basis van de optelsom van het aantal opgestelde processen-verbaal en het aantal geformuleerde aanmaningen73 aangezien het aantal controles op eigen initiatief die worden uitgevoerd tijdens het dagdagelijkse toezicht niet worden geregistreerd. De afdeling Milieuvergunningen, ALBON, de Vlaamse Landmaatschappij en het Agentschap Zorg & Gezondheid hebben ongeveer evenveel controles uitgevoerd waar een overtreding kon worden vastgesteld alsook controles waar geen overtreding wordt vastgesteld. AMV voerde 522 controles uit, waarbij het aangaf talrijke controles te hebben uitgevoerd gelijktijdig met een adviesverlening (in kader

73 Bij het Agentschap Natuur en Bos wordt het totaal aantal uitgevoerde controles waarbij een overtreding werd vastgesteld berekend op basis van de optelsom van het aantal opgesteld processen-verbaal en het aantal geformuleerde aanmaningen zonder dat er een overlapping is tussen beide. Dit betekent dat er bij de vaststelling van een overtreding ofwel een aanmaning werd geformuleerd ofwel een proces-verbaal werd opgesteld, maar geen combinatie van beide.

101 101


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

van vergunningen) en waarvan de aantallen niet werden geregistreerd, met 289 (55,36%) vaststellingen van een overtreding. Het aandeel van controles waarbij een overtreding werd vastgesteld door de actor ALBON was 46,98% (140). De VLM kende een aandeel van 39,43% (1.213) controles met een vaststelling van een overtreding. De actor maakte de bijkomende opmerking dat in het totaal aantal controles zowel de aantal controles zijn opgenomen die zijn uitgevoerd in het kader van het deel van het Mestdecreet dat vervat zit in het Milieuhandhavingsdecreet als het deel dat er buiten valt. Het AZ&G voerde 866 controles uit waarbij er 486 (56,12%) overtredingen werden vastgesteld. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kende het grootste aandeel controles waar een overtreding werd vastgesteld. Voor het bevragingsjaar 2010 gaf deze actor aan 1.536 controles te hebben uitgevoerd waarbij het aan 930 milieuhandhavingscontroles ondersteuning gaf. Van het totaal aantal uitgevoerde controles (1.536) waren er 1.397 controles waarbij een vaststelling van een overtreding werd gedaan. Hierdoor is het aandeel van controles met een vaststelling van een overtreding 90,95% en werd dus slechts bij 9,05% van het totaal aantal controles geen overtreding vastgesteld. De toezichthouders van de Lokale politie gaven aan dat er in het bevragingsjaar 2010 3.741 controles werden uitgevoerd, bij 1 op 2 (49,08%) controles was er een vaststelling van een overtreding. Voor deze actor kan het interessant zijn dit cijfer te vergelijken met het aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd naar aanleiding van een klacht (2.2.1.3 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Lokale politie). Uit de bevraging blijkt dat er 3.525 (94,23% van het totaal aantal uitgevoerde controles) controles werden uitgevoerd door toezichthouders van de Lokale politie naar aanleiding van een klacht. De overige (216) werden op eigen initiatief uitgevoerd door deze actor. Het is niet mogelijk te bepalen bij hoeveel controles ‘naar aanleiding van een klacht’ er ook effectief een overtreding kon worden vastgesteld. De gemeentelijke toezichthouders stelden in 68,33% (3.860) van het totaal aantal controles een overtreding vast. In vergelijking met de andere actoren kan er worden gesteld dat dit een eerder hoog percentage is. Een algemene vaststelling die kan worden geformuleerd is dat slechts bij 32,96% van het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles door alle handhavingsactoren een overtreding kon worden vastgesteld. Daaruit volgt dat in bijna 70% van de uitgevoerde controles kon worden vastgesteld dat de milieuregelgeving werd nageleefd. Dit is een positieve vaststelling en wijst op een hoge nalevingsgraad in het Vlaamse Gewest. Zoals reeds eerder werd vermeld, kan er echter niet worden uitgegaan van een uniforme verdeling van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld tussen de verschillende actoren. Een belangrijke factor die invloed uitoefent op dit cijfers is het aantal controles uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen en het aantal controles uitgevoerd op eigen initiatief. Zo kan immers worden verwacht dat bij controles naar aanleiding van klachten en meldingen meer overtredingen zullen worden vastgesteld. De actoren waarvan de voornaamste activiteit de milieuhandhaving is, en die dus ruimte kunnen vrij maken voor het uitvoeren van controles op eigen initiatief, hanteren het toezicht of deze controles zelf als een handhavingsinstrumenten. Het inzicht dat de kans bestaat dat toezicht zal worden uitgevoerd op zich kan immers aanzetten om zich in regel te stelling met de milieuwetgeving. Bij dergelijke controles op eigen initiatief worden daarnaast ook regelmatig verkenningscontroles georganiseerd. Dit houdt in dat meerdere controles worden uitgevoerd voordat wordt overgegaan tot effectieve vaststelling van overtredingen. De impact van deze aanwezigheid op terrein kan dan ook als gevolg hebben dat bij deze milieuhandhavingsactoren en bij die controles uitgevoerd op eigen initiatief minder overtredingen werden vastgesteld. Aan de andere kant zou het beperkt aantal controles waar een overtreding kon worden vastgesteld de vraag kunnen doen rijzen naar het al dan niet (voldoende) gericht handhaven en controleren door de actoren. Een doelgericht milieutoezicht zou immers tot een zo efficiënt mogelijk inzetten van de handhavingsmiddelen kunnen leiden met het oog op effectieve milieuwinst en dit onder meer door targetting en identificatie van de risicofactoren.

102 102


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3.2

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

‘CONTROLES WAARVAN HET RESULTAAT ONBEKEND IS’

Aan de hand van de bevraging van de milieuhandhavingsactoren werd onderzocht bij hoeveel controles het resultaat onbekend was. Dit werd gedaan door de aftreksom te maken van het aantal controles zonder verder actie en het totaal aantal keer een instrument werd gebruikt ten opzichte van het totaal aantal controles. Het betreft hier dus steeds een minimum aantal, gezien tijdens een controle meerdere instrumenten kunnen worden gebruikt. In onderstaande tabel wordt het aantal ‘controles waarvan het resultaat onbekend is’ in verhouding geplaatst tot het totaal aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de handhavingsactor. Handhavingsactor:

Aantal controles door toezichthouders

Aantal ‘controles waarvan het resultaat onbekend is’

% aandeel in 2010

AMI

11.590

0

0,00%

AMV

522

277

53,07%

ALBON

298

0

0,00%

VLM

3.076

665

21,62%

VMM

5

0

0,00%

AZ&G

866

0

0,00%

ANB

7.233

0

0,00%

OVAM

1.536

739

48,11%

W&Z

0

0

0,00%

AWV

Niet beschikbaar

0

0,00%

AMT

0

0

0,00%

De Scheepvaart

0

0

0,00%

Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

0

0

0,00%

5.649

1.678

29,70%

3.741

81

2,17%

Tabel 41)

Aantal ‘controles waarvan het resultaat onbekend is’ in 2010

De bespreking van de tabel zal zich beperken tot 4 actoren: de afdeling Milieuvergunningen, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie. Bij al deze actoren dient er immers nog een bijkomende opmerking te worden geformuleerd. De AMV had 478 controles waarvan, op het moment van de bevraging, de uitkomst nog onbekend was. Er werden door de AMV in 2010 in totaal 522 controles uitgevoerd. Procentueel uitgedrukt was er in 91,57% van de gevallen een onbekend resultaat. De afdeling Milieuvergunningen gaf hierbij enkele redenen aan waarom dit aantal eerder hoog was. Zo vonden tal van controles plaats op erkenningshouders waarbij ook simultaan een adviesverlening werd verstrekt. Deze aantallen werden niet geregistreerd. Voorts dient nog een bijkomende opmerking te worden gemaakt bij de 478 controles waarvan het resultaat onbekend was. De AMV gaf te kennen dat tal van controles, en de daarop volgende maatregelen, een uitvoering zullen kennen in 2011. Bijgevolg waren de resultaten op het moment van de bevraging nog onbekend. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gaf voor 2010 aan dat in 48,11% van de controles het niet mogelijk was een resultaat te vermelden. In totaal gaf de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij aan in 2010 1.536 controles te hebben uitgevoerd. Van deze 1.536 controles voerde de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij er zelf 606 uit, terwijl ondersteuning werd gegeven aan andere handhavingsinstanties bij 930 milieuhandhavingscontroles. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gaf op een totaal van 1.536 controles aan dat er van minimum 739 controles in 2010 nog niet was geweten wat het eindresultaat was. Deze actor maakte wel de bijkomende opmerking 103

103


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

dat dit cijfer betrekking heeft op de controles waar de OVAM ondersteuning leverde. Bijgevolg kan worden verondersteld dat de resultaten van de milieuhandhavingscontroles (waarbij OVAM louter ondersteunend optrad) gerapporteerd werden door de instantie die handhavend optrad. De gemeentelijke toezichthouders voerden in 2010 5.649 controles uit, waarvan bij minimum 1.678 controles het resultaat onbekend blijkt te zijn. Dit komt neer op 29,70% van het totaal aantal controles. Opgemerkt dient te worden dat dit hoge cijfer voornamelijk afkomstig is van de rapportering van 2 gemeenten. Deze twee gemeenten zijn samen goed voor 1.229 controles waarvan het resultaat onbekend is. Aan de hand van de gegevens in de tabel kan dus zeker niet worden gesteld dat de gemeenten een algemeen probleem zouden hebben met het registreren en/of het uitvoeren van maatregelen na een controle maar dat de ‘problematiek’ zich zeer lokaal situeert bij twee gemeenten. Een gelijkaardige opmerking kan worden gemaakt bij de tabel voor de toezichthouders van de Lokale politie waar in 2,17% van het totaal aantal controles het resultaat niet bekend was. Dit is een lager cijfer in vergelijking met andere reeds besproken actoren en kan ook bijna volledig worden toegeschreven aan twee politiezones. Deze twee politiezones voerden samen 70 controles waarvan het resultaat onbekend was op een totaal van 81 door hen uitgevoerde controles. Uit deze gegevens kan de conclusie worden getrokken dat er bij sommige actoren een betere notificatie mogelijk zou kunnen zijn, enerzijds bij ondersteuning en samenwerking alsook in het kader van monitoring. Voor het efficiënt opstellen van het milieuhandhavingsrapport is het belangrijk dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met volledige informatie. Iedere controle waarvan het resultaat onbekend is, betekent dat er ook een onvolledige evaluatie kan worden gemaakt voor de desbetreffende actor en het volledige instrumentarium.

104 104


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3.3

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

‘CONTROLES ZONDER VERDERE ACTIE’

In de bevraging van de milieuhandhavingsactoren werd gevraagd naar het aantal uitgevoerde controles waarbij een overtreding – milieu-inbreuk dan wel milieumisdrijf - ten aanzien van de vigerende milieuwetgeving werd vastgesteld, maar er geen actie werd ondernomen. De onderstaande tabel geeft het aantal ‘controles zonder verdere actie’ weer in verhouding geplaatst tot het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’ voor de handhavingsactor. Bijkomend werd ook het procentueel aandeel van deze ‘controles zonder verdere actie’ weergegeven. Handhavingsactor:

Aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Aantal ‘controles zonder verdere actie’

% aandeel in 2010

AMI

876

0

0,00%

AMV

289

0

0,00%

ALBON

140

0

0,00%

VLM

1.213

0

0,00%

VMM

5

2

40,00%

AZ&G

486

0

0,00%

ANB

1.276

0

0,00%

OVAM

1.397

2

0,14%

W&Z

0

0

0,00%

AWV

Niet beschikbaar

0

0,00%

AMT

0

0

0,00%

De Scheepvaart

0

0

0,00%

Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

0

0

0,00%

3.860

153

3,96%

1.836

764

41,61%

Tabel 42)

Aantal ‘controles zonder verdere actie’ in 2010 vergeleken met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Bij de cijfers opgenomen in de tabel dienen echter wel opmerkingen te worden gemaakt die bepaalde resultaten kunnen nuanceren. De afdeling Milieu-inspectie gaf aan al zijn controles een gevolg. Ook de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen gaf aan alle 140 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een gevolg. De Vlaamse Land Maatschappij koppelde ook aan iedere controle waarbij een overtreding werd vastgesteld een verdere actie. Het Agentschap Zorg & Gezondheid en het Agentschap Natuur en Bos stelden bij respectievelijk 486 en 1.276 controles een overtreding vast waar ook steeds een verdere actie werd aangekoppeld. Waterwegen & Zeekanaal NV voerde 2010 geen specifieke controles uit, maar gaf wel te kennen dat er een dagelijkse controle was van de gebieden die tot zijn bevoegdheid behoren, maar dat deze niet worden geregistreerd. De afdeling Maritieme Toegang, De Scheepvaart en de provinciale toezichthouders voerden in 2010 geen controles uit. De reden hiervoor is dat bij deze drie actoren nog geen toezichthouders waren aangewezen. De Vlaamse Milieumaatschappij voerde 5 controles uit waarvan aan 2 geen verder gevolg werd gegeven. Dit lage aantal controles zorgt er echter voor dat de impact van het aandeel ‘controles zonder verder actie’ groot is (40%) voor 2010. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gaf aan 1.397 controles te hebben uitgevoerd in 2010 waarbij een overtreding werd vastgesteld. Van deze 1.397 controles werd slechts bij 2 controles (0,14%) geen actie gekoppeld aan de vastgestelde overtreding. De gemeentelijke toezichthouders stelden in 2010 bij 3.860 controles overtredingen vast. 153 controles kenden echter geen 105 105


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

verdere actie, wat een aandeel is van 3,96%. In de bevraging van de toezichthouders van de Lokale politie werd aangegeven dat aan 764 (41,61%) van de 1.836 controles waar een overtreding werd vaststelde geen verdere actie werd gekoppeld. Voor bepaalde actoren zijn de hierboven besproken aantallen eerder hoog. Het Milieuhandhavingsdecreet bepaalt in artikel 16.3.23 echter dat de toezichthouder bij de vaststelling van een milieu-inbreuk een verslag van vaststelling kan opmaken. De toezichthouder is hiertoe dus niet verplicht. Het wetboek van strafvordering bepaalt echter in artikel 29 dat iedere gestelde overheid, iedere openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, verplicht is daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle betreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. Het uitvoeren van een controle zonder hierbij gevolg te geven aan het vastgestelde misdrijf, is dus formeel in strijd met bovenstaande wetsbepaling. Er is echter een spanningsveld tussen de wettelijke verplichtingen en de praktijk. De vraag rijst of deze praktijk nog aanvaardbaar is, zeker aangezien het Milieuhandhavingsdecreet een hele waaier aan instrumenten ter beschikking stelt. Dit gegeven zal verder worden onderzocht door de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. Het is echter opmerkelijk dat de toezichthouders van de Lokale politie bij meer dan 40% van het door hen uitgevoerde controles een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststelden zonder hieraan een verdere actie te koppelen. Zeker met betrekking tot de vastgestelde milieumisdrijven zou er kunnen worden verwacht dat de toezichthouders van de Lokale politie in proces-verbaal opstellen aangezien dit een vertrouwd instrument is in de werking van de Lokale politie.

106 106


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3.4

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘RAADGEVING’

In artikel 16.3.22 van het DABM wordt het instrument ‘raadgeving’ als volgt omschreven: “Als

toezichthouders vaststellen dat een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen”. De VHRM heeft het gebruik van het preventieve instrument ‘raadgeving’, zoals hierboven gedefinieerd, bevraagd aan de handhavingsactoren. Op basis van de verkregen respons is het niet mogelijk een inzicht te krijgen in het feit of deze definitie door alle individuele handhavingsactoren op eenzelfde wijze werd geïnterpreteerd. Met het oog op de komende bevraging werd dan ook het VHRM-glossarium ontwikkeld, waarin verschillende handhavingstermen, waaronder ‘raadgeving’ worden geformuleerd. Aangezien de ‘raadgeving’ een preventief instrument is en dus enkel kan worden gehanteerd indien er geen misdrijf werd vastgesteld, werd het aantal raadgevingen afgewogen ten opzichte van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld. Handhavingsactor:

Aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld

Aantal ‘raadgevingen’ door toezichthouders

% aandeel in 2010

AMI

10.714

85

0,79%

AMV

233

0

0,00%

ALBON

158

108

68,35%

VLM

1.863

6

0,32%

VMM

0

2

0,00%

AZ&G

380

395

103,95%

5.957

0

0,00%

OVAM

139

66

47,48%

W&Z

0

0

0,00%

AWV

0

0

0,00%

AMT

Niet beschikbaar

0

0,00%

De Scheepvaart

0

0

0,00%

Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

0

0

0,00%

1.789

897

50,14%

1.905

165

8,66%

ANB

Tabel 43)

Aantal ‘raadgevingen’ door toezichthouders in 2010 vergeleken met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Omwille het feit dat de ‘raadgeving’ een preventief handhavingsinstrument is, is het enkel zinvol dit te evalueren door de vergelijking te maken met het ‘aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld’. Het procentueel aandeel dat in de tabel wordt aangegeven heeft dan ook enkel betrekking op de controles waar geen overtreding werd vastgesteld. Zoals kan worden afgeleid uit bovenstaande tabel is het instrument ‘raadgeving’ niet bij elke actor even bekend of van toepassing. Zo gebruikte de afdeling Milieu-inspectie het instrument 85 keer. Als dit dan procentueel wordt bekeken, werd het instrument ‘raadgeving’ bij 0,79% van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld toegepast. De Vlaamse Landmaatschappij gebruikte het instrument slechts 6 keer. Gezien het hoge aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld, en waar potentieel een raadgeving aan gekoppeld zou kunnen worden, is dit een relatief laag aantal van ‘raadgeving’. Bij de cijfers van de Vlaamse Milieu Maatschappij dient de opmerking te worden gemaakt dat er, zoals aangeven in de bevraging, enkel controles 107 107


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

plaatsvonden waar een overtreding werd vastgesteld. De VMM gebruikte het instrument ‘raadgeving’ in 2010 echter toch 2 keer. Dit is in strijd met artikel 16.3.22 van het DABM waarin gesteld wordt dat een ‘raadgeving’ enkel van toepassing is als een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden. De afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen, het Agentschap Zorg & Gezondheid, de Openbare Vlaamse Afvalstoffen Maatschappij, de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie maakten ook allen gebruik van het instrument ‘raadgeving’. De afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen maakte in 68,35% van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld gebruik van het instrument ‘raadgeving’. Dit wijst erop dat voor deze actor het instrument nuttig blijkt te zijn voor het behalen van de milieuhandhavingsdoelstellingen. Het aandeel raadgevingen bedroeg voor het AZ&G 103,95% van het totaal aantal controles waarbij geen overtreding kon worden vastgesteld. De hoge toepassingsfrequentie van het instrument ‘raadgeving’ door deze actor geeft aan dat er meerdere raadgevingen tijdens één controle werden geformuleerd. Zoals reeds hoger werd aangegeven, is het echter niet mogelijk om met 100% zekerheid mee te delen dat alle handhavingsactoren het instrument ‘raadgeving’ enkel en alleen gebruiken wanneer een overtreding dreigt op te treden. OVAM gebruikte het instrument ‘raadgeving’ 66 (47,48%) keer op een totaal van 139 controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld. De gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van de Lokale politie gaven te kennen dat respectievelijk 897 en 165 keer een raadgeving werd geformuleerd. De toezichthouders van de Lokale politie kenden een aandeel van 8,66% raadgevingen. De gemeentelijke toezichthouders formuleerden bij ongeveer 1 op 2 (50,14%) controles, waar geen overtreding werd vastgesteld, een ‘raadgeving’. Dit is een aanzienlijk groot aandeel wat erop zou kunnen wijzen dat dit instrument goed gekend is door de gemeentelijke toezichthouders.

108 108


109

Grafiek 33)

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Aandeel van het gebruik van het instrument ‘raadgeving’ in 2010

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

109


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Actoren die geen gebruik maakten van het instrument waren ANB, AWV, W&Z, AMT, De Scheepvaart en de provinciale toezichthouders. Voor deze laatste vier waren er in het bevragingsjaar 2010 nog geen toezichthouders aangesteld en vonden er bijgevolg geen controles plaats. Er kan duidelijk worden vastgesteld dat het instrument ‘raadgeving’ van belang is voor een aantal van actoren. Een algemene conclusie over dit instrument is moeilijk te formuleren aangezien de toepassing van ieder instrument afhankelijk is van de verschillende actoren. Er kan voorzichtig worden gesteld dat het instrument ‘raadgeving’ zijn functie heeft voor een aantal actoren voor het behalen van de vooropgestelde milieuhandhavingsdoelstelling. Daarenboven kan een raadgeving ook enkel maar worden geformuleerd wanneer zich een misdrijf of inbreuk dreigt voor te doen.

110 110


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3.5

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘AANMANING’

Ook voor het instrument ‘aanmaning’ kan in het DABM een duidelijke omschrijving worden gevonden. Onderafdeling IV, artikel 16.3.27 vermeldt: “Als toezichthouders bij de uitvoering van hun

toezichtsopdracht een milieu-inbreuken of een milieumisdrijf vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.” In onderstaande tabel en grafiek worden de cijfers weergegeven betreffende het gebruik van het instrument ‘aanmaning’ ten opzichte van het totaal aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, verkregen van de verschillende milieuhandhavingsactoren uit bevragingsjaar 2010. Handhavingsactor:

Aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Aantal ‘aanmaningen’ door toezichthouders

% aandeel in 2010

876

1.343

153,31%

AMI AMV

289

ALBON

140

31

22,14%

VLM

1.21375

20

1,65%

VMM

5

0

0,00%

AZ&G

12

74

4,15%

486

19

3,91%

ANB

1.276

461

36,13%

OVAM

1.397

493

35,29%

W&Z

076

0

0,00%

AWV

0

0,00%

AMT

0

78

0

0,00%

De Scheepvaart Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

079

0

0,00%

080

0

0,00%

3.860

1.106

28,65%

1.836

286

15,58%

Tabel 44)

Niet beschikbaar

77

Aantal ‘aanmaningen’ door toezichthouders in 2010 vergeleken met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Bij bovenstaande tabel kan de opmerking worden geformuleerd dat de ‘aanmaning’ een goed gekend instrument blijkt te zijn bij de verschillende handhavingsactoren. Alle handhavingsactoren, met als uitzondering de VMM, en waar een toezichthouder was aangesteld in 2010gebruikten het instrument ‘raadgeving’. De afdeling Milieu-inspectie en het Agentschap voor Natuur en Bos kenden beide het grootste aandeel aan ‘aanmaningen’.

74

Brandertechnici: acties op basis van controles 2010 nog uit te voeren in 2011 – Milieucoördinatoren: acties op basis van controles 2010 nog uit te voeren in 2011 – 12 laboratoria (correctieve acties)

75

Het betreft hier controles in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en het Mestdecreet

76

Geen specifieke actie – zit vervat in dagelijkse controle van/langs de waterweg

77

Geen totaal aantal controles gekend

78

Geen toezichthouders aangewezen bij AMT

79

Geen toezichthouders aangewezen bij De Scheepvaart

80

Geen provinciale toezichthouders

111 111


Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Aandeel van het gebruik van het instrument ‘aanmaning’ in 2010

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 34)

112

112


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Het eerste wat bij bovenstaande grafiek opvalt is dat, ongeacht het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, sommige actoren veel gebruik maakten van dit instrument. De actoren AMI en ANB kenden een groot aandeel, respectievelijk 153,31% en 36,13%, van het instrument ‘aanmaning’, in vergelijking met de andere actoren. Zoals reeds werd aangehaald kan een aanmaning enkel worden geformuleerd als er een overtreding werd vastgesteld. Het hoge percentage van aanmaningen bij AMI zou dus moeten impliceren dat er bij een controle meerdere overtredingen werden vastgesteld waardoor een proces-verbaal moest worden opgesteld of al dan niet een verslag van vaststelling kon worden opgesteld. De AMI formuleerde 1.343 aanmaningen, maar stelde 1 verslag van vaststelling en slechts 500 processen-verbaal op. Dit zou betekenen dat de overige aanmaningen betrekking hadden op vastgestelde milieu-inbreuken of dat er meerdere aanmaningen werden geformuleerd voor een of meerdere milieumisdrijven die in één proces-verbaal werden gevat. Het ANB daarentegen formuleerde 461 aanmaningen. Het aantal controles waarbij een overtreding kon worden vastgesteld werd door ANB berekend door de optelsom te maken van het aantal aanmaningen en het aantal processen-verbaal. Er werd echter door ANB meegedeeld dat voor eenzelfde controle waar een overtreding werd vastgesteld ofwel een aanmaning wordt geformuleerd ofwel een proces-verbaal werd opgesteld, en nooit een combinatie van beide. De ALBON, OVAM, gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie gaven in de bevraging 2010 aan gebruik te hebben gemaakt van het instrument ‘aanmaning’. Het aandeel dat de ‘aanmaning’ vertegenwoordigt op het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld is lager dan dat van de actoren ANB en AMI, maar ondanks dit gegeven blijven de absolute aantallen van het gebruik van aanmaningen niet te verwaarlozen. ALBON gebruikte 31 keer een ‘aanmaning’ ten opzichte van 140 controles waar een overtreding werd vastgesteld, wat een aandeel van 22,14% vertegenwoordigt. Een andere actor die een frequent gebruik van het instrument ‘aanmaning’ rapporteerde was OVAM. Het instrument ‘aanmaning’ werd in 35,29% van de controles waar een overtreding werd vastgesteld gehanteerd. Hoewel dit procentueel lager is in vergelijking met andere actoren, vertegenwoordigt dit 493 aanmaningen. Na AMI maakte de gemeentelijke toezichthouders het meeste gebruik van de aanmaning. Deze actor gebruikte het instrument 1.106 keer bij 3.860 controles waar een overtreding werd vastgesteld. Dit vertaalt zich in een aandeel van 28,65%. De toezichthouders van de Lokale politie gebruikten het instrument ‘aanmaning’ minder dan de reeds vermelde actoren. Voor de 1.836 vastgestelde overtredingen werden er 286 aanmaningen gebruikt wat een aandeel van 15,58% vertegenwoordigt. Een mogelijke reden voor het minder frequent gebruik van het instrument ‘aanmaning’ kan te wijten zijn aan het feit dat er meer gebruik werd gemaakt van de voor deze actor bekendere instrumenten zoals het proces-verbaal. Voor sommige actoren kan er worden gesteld dat het instrument ‘aanmaning’ minder noodzakelijk was voor het invullen van de eigen toezichtstaken. AMV rapporteerde in de bevraging van 2010 12 keer het instrument ‘aanmaning’ te hebben gebruikt. Deze actor stelde in 2010 bij 289 controles een overtreding vast waardoor het aandeel van het instrument ‘aanmaning’ 4,15% bedraagt. Het AZ&G gaf bij 3,91% van alle controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een aanmaning. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat deze actor het minder sanctionerende spoor verkiest en daarbij dus eerder de, zoals eerder besproken, ‘raadgeving’ gebruikt. Het instrument ‘aanmaning’ werd het minst gebruikt door de VLM. De VLM stelde bij 20 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een aanmaning op. Aangezien het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld neerkomt op 1.213 controles, is het aandeel van het instrument ‘aanmaning’ slechts 1,65%. De cijfers tonen aan dat het instrument ‘aanmaning’ voor bepaalde actoren een frequent aangewend instrument is bij controles waarbij een milieumisdrijf of milieu-inbreuk werd vastgesteld. Er dient echter wel een opmerking te worden geformuleerd bij de het aantal keer het instrument ‘aanmaning’ werd gebruikt en het aantal opgestelde processen-verbaal. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 maakte de VHRM melding van het feit dat de enige wettelijke werkwijze erin bestond om bij het formuleren van een aanmaning ook een proces-verbaal op te stellen (conform artikel 29 van het wetboek strafvordering) of een verslag van vaststelling kan worden opgesteld. Dit houdt in dat de som van het aantal procesverbalen en het aantal verslagen van vaststelling minstens even groot moet zijn dan het aantal 113 113


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

aanmaningen. Als even wordt vooruitgelopen naar 3.7 ‘Evaluatie van het instrument proces-verbaal’ kan worden vastgesteld dat dit bij bepaalde actoren helemaal niet het geval is. Zoals reeds aangehaald, formuleerde AMI 1.343 aanmaningen en stelde amper 500 processen-verbaal op. Ook AMV, ALBON, AZ&G, OVAM en de gemeentelijk toezichthouders stelden minder proces-verbalen op dan het aantal geformuleerde aanmaningen, ondanks het feit een aanmaning betekent dat er een misdrijf of inbreuk werd vastgesteld. Het Agentschap voor Natuur en Bos deelde zelfs uitdrukkelijk mee dat bij de vaststelling van een milieumisdrijf ofwel een aanmaning werd geformuleerd ofwel een proces-verbaal werd opgesteld, maar dat de combinatie van beide instrumenten niet werd gehanteerd. Het is echter ook mogelijk dat er een aanmaning wordt geformuleerd ten aanzien van een milieu-inbreuk. Het volgende hoofdstuk 3.7 ‘Evaluatie van het instrument verslag van vaststelling’ geeft echter aan dat AMI 1 verslag van vaststelling opstelde in 2010. OVAM en de gemeentelijke toezichthouders stelden respectievelijk 28 en 21 verslagen van vaststelling op, terwijl ALBON, AMV en AZ&G er geen opstelden. Het is echter mogelijk dat er een aanmaning werd geformuleerd ten aanzien van een milieu-inbreuk, maar dat er geen verslag van vaststelling werd opgemaakt. De toezichthouders kunnen immers een verslag van vaststelling opmaken bij de vaststelling van een milieu-inbreuk, maar zijn hiertoe niet verplicht. Er bestaat echter mogelijk nog steeds een spanningsveld tussen art. 29 van het strafwetboek en de handhavingspraktijk. De VHRM zal dit vraagstuk verder onderzoeken om een pragmatische oplossing ter zake te formuleren.

114 114


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

3.6

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘VERSLAG VAN VASTSTELLING’

Het ‘verslag van vaststelling’ is een handhavingsinstrument dat samen met de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet op 1 mei 2009 het levenslicht zag. Een van de belangrijkste wijzigingen van het Milieuhandhavingsdecreet is namelijk de depenalisering van bepaalde administratieve inbreuken op de milieuregelgeving, met een beperkte weerslag op het leefmilieu, op basis van zes cumulatieve criteria waaraan deze inbreuken dienen te voldoen. Dit resulteerde in een lijst, opgenomen als 12 bijlagen bij het Besluit van 12 december 2008, van gedragingen die als milieu-inbreuk worden gekwalificeerd. Het verslag van vaststelling is het instrument om milieu-inbreuken te melden, zodat ze vervolgens uitsluitend bestuurlijk kunnen worden gesanctioneerd. De toezichthouder kan een dergelijk verslag van vaststelling opstellen, maar is daartoe niet verplicht. De toezichthouder beschikt hierbij over een discretionaire bevoegdheid en kan dus zelf oordelen over de opportuniteit van het gebruik ervan. In onderstaande tabel en grafiek worden het aantal opgestelde verslagen van vaststellingen door de individuele handhavingsactoren weergegeven in vergelijking met het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld. De opmerking dient te worden gemaakt dat het ‘verslag van vaststelling’ een instrument is dat door de toezichthouder wordt aangewend bij de vaststelling van een milieuinbreuk. Het cijfer waarmee het instrument vergeleken wordt, betreft het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld, zowel milieumisdrijven als milieu-inbreuken. Onderstaande gegevens geven dus geen beeld van het aantal keer dat een milieu-inbreuk werd vastgesteld en het aantal keer dat hiervoor en verslag van vaststelling werd opgesteld. Handhavingsactor:

Aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld

Aantal ‘verslagen van vaststelling’ door toezichthouders

% aandeel in 2010

AMI

876

1

0,11%

AMV

289

0

0,00%

ALBON

140

0

0,00%

1.213

0

0,00%

VMM

5

0

0,00%

AZ&G

486

0

0,00%

ANB

1.276

0

0,00%

OVAM

1.397

28

2,00%

W&Z

0

0

0,00%

AWV

Niet beschikbaar

0

0,00%

AMT

0

0

0,00%

De Scheepvaart

0

0

0,00%

Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

0

0

0,00%

3.860

21

0,54%

1.836

4

0,22%

VLM

Tabel 45)

Aantal ‘verslagen van vaststellingen’ door toezichthouders in 2010 vergeleken met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd duidelijk dat dit nieuw instrument in 2009 nog niet volledig verankerd was in de standaard werkwijze van de verschillende actoren. Eén jaar later, in het bevragingsjaar 2010, blijkt uit bovenstaande tabel dat de verschillende actoren nog steeds weinig vertrouwd zijn met de toepassing van het instrument ‘verslag van vaststelling’.

115 115


Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Gebruik van het instrument ‘verslag van vaststelling’ in 2010

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Grafiek 35)

116

116


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Een mogelijke verklaring voor het mindere gebruik van het instrument ‘verlag van vaststelling’ kan echter zijn dat de verschillende actoren in 2010 een andere definitie van een ‘verslag van vaststelling’ hanteerden. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd reeds de opmerking gemaakt dat door de gemeentelijke toezichthouders een definitie werd gehanteerd die afwijkt van die definitie aangegeven in het DABM. De VHRM heeft hier op geanticipeerd door in de bevraging voor dit Milieuhandhavingsrapport melding te maken van het feit dat bij de vraag naar het aantal opgestelde verslagen van vaststelling dat werd overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer te melden dat het niet gaat over interne inspectievragen, maar om formele verslagen van vaststellingen zoals bedoeld in art. 16.3.23 van het Milieuhandhavingsdecreet. Om in de toekomst een uniforme definitie te handhaven werd de term ‘verslag van vaststelling’ ook opgenomen in het VHRM-glossarium. Deze ‘herdefiniëring’ kan ertoe hebben bijgedragen dat er voor 2010 een lagere registratie is van het aantal verslagen van vaststelling maar dat deze wel een correct beeld biedt van het effectief gebruik van dit instrument zoals gedefinieerd in het DABM. Net zoals in het bevragingsjaar 2009 is er ook in bevragingsjaar 2010 een zekere discrepantie tussen het aantal opgegeven verslagen van vaststellingen enerzijds en het aantal verslagen van vaststellingen doorgeven aan het AMMC anderzijds. Deze laatste ontving (zie hoofdstuk 4) twee verslagen van vaststellingen van de gemeentelijke toezichthouders terwijl het permanent secretariaat van de VHRM 21 meldingen kreeg van het gebruik van dit instrument van de gemeentelijke toezichthouders. Ook bij de toezichthouders van de Lokale politie werd het instrument ‘verslag van vaststelling’ weinig gebruikt. Deze actor gaf aan 4 verslagen van vaststelling te hebben opgesteld ten aanzien van 1.836 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. Dit is een aandeel van 0,22%. In bevragingsjaar 2009, waar de het gebruik van het instrument vergeleken werd met het totaal aantal controles, bedroeg het aandeel van verslagen van vaststellingen nog 4,48%. Hoewel een vergelijking met 2009 niet toelaatbaat is, is er wel een duidelijke dalende trend zichtbaar. OVAM kende het grootste aandeel van verslagen van vaststellingen. Bij de 1.397 controles waar een overtreding werd vastgesteld werden 28 verslagen van vaststelling opgesteld. Hoewel dit slechts een percentage van 2% vertegenwoordigt, blijft dit de actor die het hier besproken instrument het meest hanteerde. Ook de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie maakten beide gebruik van het verslag van vaststelling. De gemeentelijke toezichthouders stelden 21 verslagen van vaststellingen op wat een aandeel vertegenwoordigt van 0,54% op een totaal van 3.860 controles waar een overtreding werd vastgesteld. Het instrument ‘verslag van vaststelling’ kende een lagere toepassingsgraad bij de toezichthouders van de Lokale politie waar het een aandeel vertegenwoordigt van 0,22%. Voor de Vlaamse Landmaatschappij en het Agentschap voor Natuur in Bos is het instrument ‘verslag van vaststelling’ minder van toepassing. In de limitatieve lijst van bijlagen in het Besluit van 12 december 2008 werden enerzijds geen milieu-inbreuken betreffende het Mestdecreet en anderzijds nauwelijks delicten van de milieubeheerwetgeving opgenomen, zodat hiervoor geen verslagen van vaststelling konden worden opgesteld. Het gering gebruik van het verslag van vaststelling kan worden verklaard door het feit dat toezichthouders niet verplicht zijn een verslag van vaststelling op te stellen bij de vaststelling van een milieu-inbreuk. Ze beschikken hier over een discretionaire bevoegdheid. De cijfergegevens laten niet toe een beeld te geven van het aantal milieu-inbreuken dat werd vastgesteld, enkel van het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. Het is dus niet mogelijk uitspraken te doen over het gebruik van deze discretionaire bevoegdheid door de toezichthouders. Aan de andere kant, maar tevens hieraan gerelateerd, dient de relevantie van de huidige criteria en de huidige limitatieve lijst onder de loep te worden genomen. De VHRM zal hier, onder meer in het kader van de evaluatie van het Milieuhandhavingsdecreet, verder onderzoek naar doen.

117 117


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

3.7

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘PROCES-VERBAAL’

Waar een milieu-inbreuk kan worden vastgesteld door middel van een verslag van vaststelling, dienen de toezichthouders een proces-verbaal te gebruiken voor het melden van milieumisdrijven aan het parket. In onderstaande tabel en grafiek kan een overzicht van de opgestelde aanvankelijke processen-verbaal per handhavingsactor worden gevonden ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld. Net zoals bij de bespreking van het instrument ‘verslag van vaststelling’, geldt ook hier weer de beperking van de cijfergegevens. De afweging van het aantal opgestelde processen-verbaal ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, geeft geen correct beeld over het aantal vastgestelde milieumisdrijven. Bij het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld kan het immers gaan over milieumisdrijven en milieu-inbreuken. Aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld

Aantal ‘processen-verbaal’ door toezichthouders

% aandeel in 2010

AMI

876

500

57,08%

AMV

289

0

0,00%

ALBON

140

1

0,71%

1.213

45

3,71%

VMM

5

1

20,00%

AZ&G

486

0

0,00%

ANB

1.276

815

63,87%

OVAM

1.397

63

4,51%

Handhavingsactor:

VLM

W&Z

0

0

0,00%

AWV

Niet beschikbaar

15

0,00%

AMT

0

0

0,00%

De Scheepvaart Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

0

0

0,00%

0

0

0,00%

3.860

272

7,05%

1.836

409

21,95%

Tabel 46)

Aandeel van het gebruik van het instrument ‘proces-verbaal’ door toezichthouders in 2010

Een kanttekening die dient te worden gemaakt betreft het ANB. Voor deze actor was er een verschil in het aantal dossiers geregistreerd door de correctionele parketten (zie “Evaluatie van het strafrechtelijk sanctioneringsbeleid” in hoofdstuk 4) en het door het ANB aangegeven opgestelde PV’s. Een verklaring hiervoor dient te worden gezocht in het feit dat een aantal PV’s opgesteld door de desbetreffende actor werden behandeld door de politieparketten. Een bijkomend gegeven kan ook zijn dat een aantal van de door ANB opgestelde PV’s ten onrechte werd ingeschreven op dierenwelzijn, waardoor ze niet gevat werden door het Milieuhandhavingsdecreet.

118 118


119

Grafiek 36)

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Aandeel van het gebruik van het instrument ‘proces-verbaal’ in 2010

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

119


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

De actoren AMT, De Scheepvaart en de provinciale toezichthouders gaven aan dat er geen toezichthouders werden aangewezen in 2010. Hierdoor is het bijgevolg ook niet mogelijk dat deze actoren PV’s opstelden. Waterwegen & Zeekanaal ondernam geen specifieke actie maar meldde dat er dagelijkse controles plaatsvonden waarvoor zij bevoegd zijn. Bij deze controles werden echter blijkbaar geen processen-verbaal in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet opgesteld. Kijkend naar eventuele stijgende of dalende trends inzake het gebruik van het instrument ‘proces-verbaal’ is er een opvallend cijfer voor de toezichthouders van de Lokale politie. In het bevragingsjaar 2010 werden 3.741 controles uitgevoerd waarvan 1.836 controles waar een overtreding werd vastgesteld en waarbij 409 (21,95%) PV’s werden opgesteld. Voor bevragingsjaar 2009 voerden de toezichthouders van de Lokale politie 1.116 controles (het betreft hier het totaal aantal controles) uit waarbij 548 PV’s werden opgesteld. Zoals al eerder werd opgemerkt is het niet mogelijk, gezien er in dit rapport een andere methode van evalueren en vergelijken wordt gebruikt, de absolute cijfers met elkaar te vergelijken, toch is het merkwaardig dat er bij 1.116 controles, waar ook de controles zonder een vaststelling van een overtreding in vervat zitten, meer processen-verbaal werden opgesteld. Dit terwijl verwacht kan worden dat het PV voor de Lokale politie een vertrouwd instrument is. Ondanks deze sterke daling blijft dit instrument het meest toegepaste instrument door de toezichthouders van de Lokale politie. Een gelijke mate van gebruik van dit instrument werd geregistreerd voor de actoren VLM en OVAM. Hun aandeel van controles waarbij een overtreding vastgesteld en waarbij een PV werd opgesteld was in 2010 respectievelijk slechts 3,71% en 4,51%. Bij deze twee actoren dient er echter een bijkomende opmerking te worden gemaakt. Uit de bevraging van OVAM blijkt dat er 1.397 controles plaatsvonden met een vaststelling van een overtreding. Bij het bekijken van de cijfers voor deze actor blijkt dat er relatief weinig gebruik werd gemaakt van de reeds besproken instrumenten. Een verklaring hiervoor zou het eerder hoge aantal (739) van controles waarvan het resultaat onbekend is kunnen zijn. Dit kan ertoe hebben bijgedragen dat het aantal opgeven instrumenten, en bijgevolg ook het gebruik van het proces-verbaal, een laag aandeel vertegenwoordigt ten aanzien het hoog aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. De VLM registreerde zowel controles in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en het Mestdecreet maar gaf in de bevraging enkel het aantal processen-verbaal specifiek vallend onder het Milieuhandhavingsdecreet. Omwille van deze reden kan de indruk ontstaan dat het PV weinig relevant is voor de VLM. De gemeentelijke toezichthouders stelden 272 processen-verbaal op. Dit is, in vergelijking met de andere actoren, een eerder hoog aantal PV’s. Als het aandeel (7,05%) van het hier besproken instrument in acht wordt genomen - ten aanzien van het totaal aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld blijkt het echter aangewezen dit te nuanceren en kan er worden vastgesteld dat het PV eerder relatief weinig werd opgesteld door de gemeentelijke toezichthouders. De actoren AMI en ANB kenden het grootste aandeel van opgestelde processen-verbaal. De actor AMI gebruikte het PV 500 keer voor 876 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. Dit betekent dat er bij meer dan 1 op 2 (57,08%) controles waar een overtreding werd vastgesteld een proces-verbaal werd opgesteld. Het instrument proces-verbaal werd het meest gebruikt door de actor ANB die bij 1.276 controles waarbij een overtreding werd 815 processen-verbaal opstelde Het AZ&G, ALBON en AMV maakten weinig of geen gebruik van het instrument PV. Eerder bleek dat deze actoren veeleer gebruik maken van zachtere instrumenten zoals de ‘raadgeving’ en de ‘aanmaning’. De VMM stelde slecht één PV op, bij een totaal van 5 controles. Dit geeft de indruk dat er veel gebruik werd gemaakt van het instrument ‘proces-verbaal’, namelijk voor 20% van het totaal aantal uitgevoerde controles.

120 120


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

3.8

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘BESTUURLIJKE MAATREGELEN’ EN ‘BEROEPEN TEGEN BESLUITEN HOUDENDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN’

3.8.1

Evaluatie van het instrument ‘Bestuurlijke maatregelen’

Ook voor dit milieuhandhavingsrapport werd ervoor gekozen de ‘bestuurlijke maatregelen’ te beschouwen en te evalueren als een milieuhandhavingsinstrument. In overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk IV van het Milieuhandhavingsdecreet maakt het opleggen van de bestuurlijke maatregelen deel uit van de bestuurlijke handhaving, samen met het opleggen van bestuurlijke geldboeten. In die zin had de bespreking van bestuurlijke maatregelen ook plaats kunnen vinden in het hoofdstuk 4.2. De keuze werd echter gemaakt om in de conclusie van het huidige hoofdstuk een uitspraak te kunnen doen over het gebruik van het volledig voorhanden zijnde handhavingsinstrumentarium waarover de toezichthouder op het terrein kan beschikken. De artikelen 16.4.5 tot en met 16.4.18 van titel XVI van het DABM bepalen de oplegging, de opheffing, de uitvoering, het beroep en het verzoek tot de oplegging van bestuurlijke maatregelen. Op het beroep tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen wordt verder ingegaan in het hoofdstuk 3.8.3. Volgens artikel 16.4.7 van het DABM kunnen bestuurlijke maatregelen de vorm aannemen van: 1. een bevel aan de vermoedelijke overtreder om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of bij het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 2. een bevel aan de vermoedelijke overtreder om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; 3. een feitelijke handeling van de personen, vermeld in artikel 16.4.6, op kosten van de vermoedelijke overtreder, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 4. een combinatie van de maatregelen, vermeld in 1°, 2° en 3°. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld per handhavingsactor. Handhavingsactor: AMI AMV ALBON VLM VMM AZ&G ANB OVAM W&Z AWV AMT De Scheepvaart Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

Tabel 47)

Aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld

Aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen

% aandeel in 2010

876 289 140 1.213 5 486 1.276 1.397 0 Niet beschikbaar 0 0

58 0 0 15 0 55 90 5 0 0 0 0

6,62% 0,00% 0,00% 1,24% 0,00% 11,32% 7,05% 0,36% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00%

0

0

0,00%

3.860

164

4,25%

1.836

270

14,71%

Aandeel van het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld 121 121


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

De cijfers geven aan dat alle actoren (uitgezonderd VMM, AMV en ALBON) die controles uitvoerden waarbij een overtreding kon worden vastgesteld, gebruik maakten van het instrument ‘bestuurlijke maatregel’. Twee actoren die het instrument slechts beperkt gebruikten waren de VLM en OVAM. De VLM gebruikte 5 keer het instrument ‘bestuurlijke maatregel’ voor 1.213 controles waar een overtreding werd vastgesteld. Dit maakt dat het aandeel van de bestuurlijke maatregel voor de hier vernoemde actor 1,24% bedroeg. Een andere actor die aangaf in de bevraging minder gebruik te hebben gemaakt van het instrument ‘bestuurlijke maatregel’ was OVAM. Deze actor gebruikte in 0,36% van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld een bestuurlijke maatregel. Dit vertaalt zich in 15 bestuurlijke maatregelen. Voor AMI en de gemeentelijke toezichthouders valt ongeveer een gelijk aandeel van gebruik van het instrument ‘bestuurlijke maatregel’ te registeren. AMI legde bij 58 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een bestuurlijke maatregel op, hetgeen een aandeel vertegenwoordigt van 6,62%. De gemeentelijke toezichthouders voerden 3.860 controles uit waarbij er een vaststelling van een overtreding was, bij 270 van deze controles werd een bestuurlijke maatregel opgelegd. Procentueel betekent dit dat er in 4,25% van het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een bestuurlijke maatregel werd opgelegd. De actoren die het meest beroep deden op het instrument ‘bestuurlijke maatregel’ waren ANB, AZ&G en de toezichthouders van de Lokale politie. ANB gaf in de bevraging voor dit milieuhandhavingsrapport aan 90 bestuurlijke maatregelen te hebben opgelegd. Deze actor voerde 1.276 controles uit waarbij een overtreding kon worden vastgesteld. Hierdoor is het aandeel van de bestuurlijke maatregel 7,05%. De toezichthouders van de Lokale politie voerden 1.836 controles uit waarbij een overtreding kon worden vastgesteld. Er werden in totaal 270 bestuurlijke maatregelen opgelegd, wat een aandeel van 14,71% vertegenwoordigt. AZ&G legde 55 bestuurlijke maatregelen op ten aanzien van een totaal van 486 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. Er kan besloten worden dat het instrument ‘bestuurlijke maatregel’ voor bepaalde actoren een goed gekend en frequent aangewend instrument is. Naast de lokale toezichthouders (gemeentelijk en Lokale politie) vormt de bestuurlijke maatregel een belangrijk instrument voor bepaalde gewestelijke toezichthouders. Bij bepaalde actoren werd de bestuurlijke maatregel echter niet of in mindere mate toegepast. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aandeel van de verschillende soorten bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen per handhavingsactor. Aangezien het aantal bestuurlijke maatregelen hier niet wordt afgewogen ten aanzien van het totaal aantal uitgevoerde controles waarbij een overtreding kon worden vastgesteld, is een vergelijking met de gegevens van het Milieuhandhavingsrapport 2009 wel mogelijk. Een dergelijke vergelijking laat het immers toe een bepaalde trend weer te geven in de noodzakelijkheid van bepaalde soorten bestuurlijke maatregelen.

122 122


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Bestuurlijke maatregelen Stakingsbevel81

Handhavings actor

2010 %

n

Regularisatiebevel82

2009 %

n

2010 %

Bestuursdwang83

2009 %

n

2010 %

2009 %

Combinatie van vermelde bestuurlijke maatregelen 2010 2009 % n %

AMI

17

29,31%

100,00%

37

63,80%

0,00%

1

1,72%

0,00%

3

5,17%

0,00%

AMV

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

ALBON

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

VLM

3

20%

0,00%

9

60%

100,00%

0

0,00%

0,00%

3

20%

0,00%

VMM

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

AZ&G

2

3,64%

7,14%

51

92,72%

85,71%

2

3,64%

7,14%

0

0,00%

0,00%

ANB

14

15,55%

0,00%

54

60,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

22

24,45%

100,00%

OVAM

0

0,00%

0,00%

1

20,00%

100,00%

4

80,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

W&Z

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

AWV

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

AMT De Scheepvaart Provinciale toezichthouders Gemeentelijke toezichthouders Toezichthouders Lokale politie

0

0,00%

-

0

0,00%

-

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

-

0

0,00%

-

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

0

0,00%

0,00%

30

18,29%

25,00%

77

46,95%

57,58%

4

2,44%

1,52%

53

32,32%

15,91%

9

3,33%

27,94%

32

11,85%

64,71%

6

2,22%

4,41%

223

82,60%

2,94%

Tabel 48)

Aard van de opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2010 en vergelijking van het procentueel aandeel in 2009 en 2010

Een eerste eerder algemene trend die uit bovenstaande tabel kan worden afgeleid, is het feit dat bepaalde actoren zoal AMI, VLM, ANB en OVAM een gevarieerdere soort van bestuurlijke maatregelen hanteerden in 2010 in vergelijking met 2009. De afdeling Milieu-inspectie gebruikte immers in het bevragingsjaar 2010 iedere bestuurlijke maatregel. In totaal gaf deze actor aan 58 bestuurlijke maatregelen te hebben opgelegd. De meest toegepaste maatregel voor deze actor was het ‘regularisatiebevel’. Deze maatregel werd 37 keer aangewend, wat een procentueel aandeel vertegenwoordigt van 63,80%. Buiten het ‘regularisatiebevel’ werd het ‘stakingsbevel’ ook zeer frequent opgelegd, in 29,31% van het totaal opgelegde bestuurlijke maatregelen ging het om die bestuurlijke maatregel. In 2009 heeft de afdeling Milieu-inspectie echter enkel stakingsbevelen opgelegd. De ‘combinatie van vermelde bestuurlijke maatregelen’ werd ook in 3 gevallen uitgevaardigd waardoor deze soort van maatregel, op de bestuursdwang na, het minst werd toegepast. Ook bij de Vlaamse Landmaatschappij is er sinds de bevraging voor 2009 sprake van een meer gevarieerde aanpak bij het opleggen van bestuurlijke maatregelen. In 2009 werd enkel gebruik gemaakt van een regularisatiebevel. Bij de bevraging van 2010 gaf de actor te kennen dat het ‘stakingsbevel’ en

81 Een bevel aan de vermoedelijke overtreder om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen 82

Een bevel aan de vermoedelijke overtreder om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen

83

Een feitelijke handeling van personen, vermeld in artikel 16.4.6 van het DABM, op kosten van de vermoedelijke overtreder om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen

123 123


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

de ‘combinatie van vermelde bestuurlijke maatregelen’ in een gelijk aantal gevallen werd toegepast. Beide maatregelen werden ieder drie keer toegepast. De meest gebruikte maatregel was het ‘regularisatiebevel’. Deze vertegenwoordigde 60% van het totaal aantal bestuurlijke maatregelen. De maatregel ‘bestuursdwang’ werd niet toegepast door de VLM. Hoewel het hier in totaal handelt over 15 bestuurlijke maatregelen kan er voorzichtig worden geconcludeerd dat, in vergelijking met 2009, meer gebruik werd gemaakt van de verschillende soorten van bestuurlijke maatregelen. Een gelijkaardige trend kende de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Waar deze in 2009 enkel regularisatiebevelen oplegde, werd door OVAM voor 2010 aangegeven dat ook de bestuursdwang werd toegepast. Van de 5 bestuurlijke maatregelen die werden genomen, werd er 4 keer een bestuursdwang toegepast. De overige bestuurlijke maatregel kende een regularisatiebevel als invulling. Het Agentschap Natuur en Bos gebruikt in 2010, zoals ook het geval is bij de andere actoren, meer frequenter het instrument ‘bestuurlijke maatregel’. In 2009 werden er 24 bestuurlijke maatregelen opgelegd waarbij het altijd om een combinatie van mogelijke bestuurlijke maatregelen ging, waar dit in het laatste bevragingsjaar een aandeel kende van 24,45%. Ook heeft deze actor in 2010 meer gebruik gemaakt van verschillende types bestuurlijke maatregelen. Zo werd het regularisatiebevel met 54 toepassingen het meest gebruikt. Het stakingsbevel werd in 14 gevallen toegepast wat neerkomt op een aandeel van 15,55%. De bestuursdwang werd geen enkele keer toegepast. De actor Agentschap Zorg & Gezondheid vaardigde in totaal 55 bestuurlijke maatregelen uit in 2010. Ook voor deze actor is er dus een stijging in het gebruik van bestuurlijke maatregelen. In 2009 werden er namelijk 14 bestuurlijke maatregelen getroffen. De actor trof in 2010 voornamelijk regularisatiebevelen. Dit type van bestuurlijke maatregel vertegenwoordigde een aandeel van 92,72% op het totaal van bestuurlijke maatregelen door AZ&G. Hiermee volgde de actor dezelfde trend als in 2009 waar ook deze laatste maatregel het meest frequent werd gehanteerd. Het instrument ‘bestuurlijke maatregel’ werd het meest toegepast door de gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van de Lokale politie. Deze actoren gaven respectievelijk aan 164 en 270 bestuurlijke maatregelen te hebben opgelegd. In 46,95% van het totaal aantal bestuurlijke maatregelen opgelegd door de gemeentelijke toezichthouders hield dit een regularisatiebevel in. Dit was, anders dan bij de toezichthouders van de Lokale politie, de meest voorkomende maatregel. De toezichthouders van de Lokale politie gebruikten bijna uitsluitend (82,60%) de combinatie van bestuurlijke maatregelen. In de bevraging voor dit milieuhandhavingsrapport werd een bijkomende vraag opgenomen inzake hoeveel bestuurlijke maatregelen er werden opgelegd naar aanleiding van een verzoek. Artikel 16.4.18. van titel XVI van het DABM geeft aan dat personen die voldoen aan één van de volgende omschrijvingen een verzoek kunnen indienen tot een bestuurlijke maatregel: 1. natuurlijke personen en rechtspersonen die rechtstreeks nadeel lijden als gevolg van de milieuinbreuk of het milieumisdrijf; 2. natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de beteugeling van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf; 3. rechtspersonen in de zin van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Ieder verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel moet gericht zijn aan personen bevoegd voor de implementatie ervan. Artikel 16.4.6. titel XVI van het DABM bepaald dat toezichthouders, voor de milieuwetgeving waarop hun toezichtopdracht betrekking heeft; de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering; en de burgemeester of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering, allen gemachtigd zijn verzoeken te beantwoorden met het opleggen van een bestuurlijke maatregel.

124

Onderstaande grafiek geeft het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen voor bevragingsjaar 2010 weer. Hierbij bevindt zich ook het aantal bestuurlijke maatregelen opgelegd naar aanleiding van een verzoek. 124


125


126


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

werden verklaard. Van de 29 beroepen die wel ontvankelijk werden verklaard, hadden er 12 beroepen betrekking op milieuhygiëne en 17 op milieubeheer. Na ontvangst van het beroep dient de minister binnen een termijn van 90 dagen een uitspraak te doen. Mits hiervan kennis wordt gegeven aan de vermoedelijke overtreder, alsook aan de persoon die de bestuurlijke maatregel heeft opgelegd, kan de minister die termijn eenmalig verlengen met 90 dagen. In 2010 gebeurde dit in 5 beroepsdossiers. Aangezien de bestuurlijke maatregelen vervallen bij gebrek aan een tijdige beslissing, is het van belang dat de uitspraak van de minister binnen de decretaal voorziene termijn valt. Dit was dan ook het geval voor al de in 2010 ontvankelijk verklaarde beroepen. Wat de uitspraak van de minister in deze beroepsdossiers betreft, werden 6 beroepen volledig en 8 beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard. De overige 15 beroepen werden ongegrond verklaard. In onderstaande grafiek wordt procentueel het aantal beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen weergegeven ten aanzien van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen per aard, dit zowel voor 2009 als voor 2010. Aard van de opgelegde bestuurlijke maatregelen

% aantal beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen 2010

2009

Stakingsbevel

9,33%

9,09%

Regularisatiebevel

6,51%

1,48%

Bestuursdwang

0,00%

0,00%

Combinatie van vermelde bestuurlijke maatregelen

1,64%

10,64%

Tabel 49)

% aantal beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen

Aangezien de aard van de opgelegde bestuurlijke maatregelen in vergelijking met 2009 gewijzigd is, kan er een verandering worden verwacht in de aard van de beroepen. Voor het stakingsbevel werd er in 7 van de 75 opgelegde stakingsbevelen een beroep ingediend, dit is dus in 9,33% van de gevallen. In vergelijking met 2009 is dit niet zo heel verschillend. Een toename in het aantal beroepen werd wel waargenomen bij het regularisatiebevel: hier werden, in het laatste bevragingsjaar 2010, 17 beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen ontvangen. Op een totaal van 261 opgelegde bestuurlijke maatregelen van dit type is dit een aandeel van 6,51%. In vergelijking met 2009, waar dit aandeel nog 1,48% was, is dit een relatief grote stijging. Een directe reden voor dit cijfer is niet voorhanden en dient nog verder te worden onderzocht. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de betrokkenen, die geconfronteerd werden met de bestuurlijke maatregel, meer kennis hebben over de procedures (in vergelijking met 2009 waar deze maatregelen op 1 mei in werking traden) en zodus frequenter trachten de opgelegde maatregel teniet te doen. Voor de bestuurlijke maatregel ‘bestuursdwang’ werd er geen beroep ontvangen. Dit soort maatregel komt niet frequent voor. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat omwille van zijn lagere toepassingsgraad ook de dossiers inzake deze maatregel bij oplegging weinig discutabel zijn waardoor er minder snel een beroep tegen wordt ingediend. De sterkste daling in aantal beroepen ontvangen tegen het opleggen van een bestuurlijke maartregel is bij de combinatie van vermelde bestuurlijke maatregelen. In 2009 werd voor 1 op 10 opgelegde combinaties van vermelde bestuurlijke maatregelen een beroep ingediend. In 2010 is dit aandeel gezakt naar 1,64% (5 beroepen op 304 bestuurlijke maatregelen van het hier besproken type). Ook hier is het niet duidelijk wat de verklaring zou zijn voor de cijfers. Een omgekeerde redenering als bij het 127

127


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

regularisatiebevel zou misschien gemaakt kunnen worden. De toezichthouders bezitten meer expertise en kennis van dit type maatregel waardoor de dossiers meer sluitend zijn en waardoor het zodus minder evident wordt voor de betrokkenen om een beroep in te dienen tegen de opgelegde maatregelen. Verder onderzoek hieromtrent zal meer zekerheid kunnen geven over de verklaring van dit cijfer.

3.8.2.2

Aantal ingediende beroepen tegen geweigerde verzoeken houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen en de beslissingen ter zake

In 2010 werden 8 beroepen tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen ingediend. Van deze 8 werd 1 beroep volledig gegrond en 1 beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. De overige 6 beroepen werden ongegrond verklaard. Na ontvangst van het beroep dient de minister binnen een termijn van 60 dagen een uitspraak te doen. Het betreft een termijn van orde, en de sanctie van verval van de maatregel bij niet-tijdige beslissing geldt hier niet. Voor één van de beroepen werd er niet binnen de decretaal voorziene periode een beslissing genomen. Het volgende onderdeel van dit hoofdstuk zal het instrument ‘veiligheidsmaatregelen’ bespreken, zowel de toepassing ervan door de actoren alsook de vergelijking met de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009.

128 128


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

3.9

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘VEILIGHEIDSMAATREGELEN’

In het hoofdstuk VII van titel XVI van het DABM wordt onder meer de procedure voor het nemen van veiligheidsmaatregelen ten aanzien van personen verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, maar ook de opheffing van de veiligheidsmaatregelen besproken. Voor een beter begrip van onderstaande cijfergegevens en de bijhorende evaluatie worden de artikelen 16.7.1 van 16.7.2 hieronder weergegeven. Artikel 16.7.1 definieert het instrument ‘Veiligheidsmaatregelen’ als: “Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de personen, vermeld in artikel 16.4.6, alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren.” Het volgende artikel, artikel 16.7.2, bepaalt dat veiligheidsmaatregelen kunnen onder meer strekken tot: 1.

de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn;

2.

het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt;

3.

de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;

4.

het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren;

5.

het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen.

In tegenstelling tot het toezicht en het in dit hoofdstuk besproken handhavingsinstrumentarium staat het gebruik van veiligheidsmaatregelen volledig buiten het handhavingsproces. Veiligheidsmaatregelen zijn immers niet gericht op het voorkomen of het ongedaan maken van milieu- inbreuken of milieumisdrijven. Veiligheidsmaatregelen worden enkel opgelegd als er sprake is van een ernstig gevaar voor de mens of het leefmilieu. Dit maakt dat de veiligheidsmaatregelen een geheel aparte categorie vormen binnen het Milieuhandhavingsdecreet, waardoor ze noch een bestuurlijke maatregel of bestuurlijke geldboete zijn, noch een strafsanctie. Hoewel het beperkende maatregelen zijn, veronderstellen ze geen fout in hoofde van de persoon tot wie ze gericht zijn en hebben ze evenmin tot doel te bestraffen. Wat bij een veiligheidsmaatregel primeert, is het algemeen belang waaronder de vrijwaring van de openbare gezondheid, orde, rust en veiligheid.84 Omdat veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgelegd door onder meer toezichthouders zoals beschreven in het Milieuhandhavingsdecreet, worden ze toch opgenomen als instrumentarium in dit hoofdstuk. Het is echter niet de bedoeling om het aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen af te wegen ten aanzien van het totaal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles zoals dit bij de vorige instrumenten wel het geval was. Er zal enkel worden onderzocht hoeveel en welke veiligheidsmaatregelen door welke actoren werden genomen in 2010. Onderstaande tabel en grafiek geven een overzicht van het aantal en het soort opgelegde veiligheidsmaatregelen, onderverdeeld per milieuhandhavingsactor in 2010.

84

Memorie van Toelichting; parlementaire handelingen, Zitting 2006-2007, 13 juni 2007,Stuk 1249 (2006-2007)–Nr. 1, p.12 en p.15

129 129


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Totaal

Stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten

het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt

de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting

het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren

het nietbetreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen

AMI

2

0

0

0

0

2

AMV

0

0

0

0

0

0

ALBON

0

0

0

0

0

0

VLM

0

0

0

0

0

0

VMM

0

0

0

0

0

0

AZ&G

9

0

7

2

0

18

ANB

0

0

0

0

0

0

OVAM

0

0

0

1

0

1

W&Z

0

0

0

0

1

1

AWV

0

0

0

0

0

0

AMT

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Provinciale toezichthouders

0

0

0

0

0

0

Gemeentelijke toezichthouders

11

5

2

7

10

35

Toezichthouders Lokale politie

8

2

1

5

1

17

Totaal

30

7

10

15

12

74

NV Scheepvaart

Tabel 50)

De

Aard van de opgelegde veiligheidsmaatregelen

130 130


131


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2009

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Het Milieuhandhavingsrapport 2009 geeft echter duidelijk aan dat het zwaartepunt van het gebruik van het opleggen van veiligheidsmaatregelen toen al bij de lokale toezichthouders lag. Ook in 2009 werd het instrument voornamelijk gebruikt door de lokale toezichthouders en minder door de gewestelijke toezichtsinstanties. Van het totaal aantal veiligheidsmaatregelen dat in 2009 werd getroffen in het Vlaamse Gewest, was maar liefst 61,86% afkomstig van de gemeentelijke toezichthouders, 26,80% van de toezichthouders van de lokale politie en amper 11,34% van de gewestelijke toezichthouders. Onderstaande grafiek laat het verschil zien tussen de soorten veiligheidsmaatregelen die door de verschillende handhavingsactoren werden getroffen in 2009 en in 2010.

132 132


133


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

Uit bovenstaande grafische weergave kan worden afgeleid dat het voornamelijk de lokale toezichthouders zijn die verschillende soorten veiligheidsmaatregelen hebben opgelegd en dit zowel in 2009 als in 2010. De meest gehanteerde veiligheidsmaatregel – en dit zowel door de toezichthouders van de Lokale politie als door de gemeentelijke toezichthouders en dit zowel in 2009 als in 2010 – is de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten. De afdeling Milieu-inspectie legde daarentegen in 2009 en in 2010 enkel ‘de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten’ als veiligheidsmaatregel op. Het Agentschap Zorg & Gezond heeft in 2009 voornamelijk de gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting als veiligheidsmaatregel opgelegd. In 2010 was 50% van het totaal door het Agentschap Zorg & Gezond opgelegde veiligheidsmaatregelen echter de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten. OVAM heeft zowel in 2009 als in 2010 één veiligheidsmaatregel opgelegd. In 2009 betrof dit de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, en in 2010 het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren. Waterwegen en Zeekanaal heeft in 2009 geen veiligheidsmaatregel opgelegd. In 2010 daarentegen werd eenmaal ‘het niet betreden of verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen’ als veiligheidsmaatregel opgelegd. Er werd de toezichthoudende instanties ook gevraagd het aantal veiligheidsmaatregelen aan te geven waarvan het niet mogelijk was de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. Het resultaat wordt voorgesteld in onderstaande grafiek.

Grafiek 41)

Aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen in 2010 waarbij het niet mogelijk was de veiligheidsmaatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren

Slechts 5 van 74 opgelegde veiligheidsmaatregelen, oftewel 6,76%, kon niet worden uitgevoerd binnen de vooropgestelde termijn. De afdeling Milieu-inspectie gaf echter te kennen dat het omwille van verschillende praktische redenen voor de afdeling Milieu-inspectie niet mogelijk was hier een duidelijk antwoord op te geven. De vijf veiligheidsmaatregelen die niet tijdig werden uitgevoerd zijn veiligheidsmaatregelen opgelegd door de lokale toezichthouders. Het feit dat zij ook het grootste aantal veiligheidsmaatregelen hebben getroffen in 2010 kan hier allicht als verklaring worden gegeven. In onderstaande tabellen en grafieken zal er specifieker worden gekeken naar de veiligheidsmaatregelen getroffen door deze lokale toezichthouders, namelijk de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de politiezones. 134 134


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

3.10

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

CONCLUSIE

In de grafieken en tabellen op de vorige pagina’s werd voor de individuele handhavingsactoren het procentueel gebruik van het volledige handhavingsinstrumentarium ten aanzien van het aantal uitgevoerde controles waarbij een overtreding werd vastgesteld door de betreffende handhavingsactor weergegeven. Naast het gebruik van de handhavingsinstrumenten werd er ook in de grafieken en tabellen het aantal handhavingscontroles waarbij er geen actie werd ondernomen bij een vastgestelde overtreding en het aantal controles waarbij er geen overtreding werd vastgesteld aangegeven. Anders dan in 2009 werd in dit milieuhandhavingsrapport ook bijkomend gevraagd naar ‘het aantal controles waarvan het resultaat onbekend is’ aangegeven. In eerste instantie werd het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld afgewogen ten aanzien van het totaal aantal uitgevoerde controles. Een belangrijke – en positieve – vaststelling die hier gemaakt kan worden is het feit dat bij bijna 70% van de controles geen overtreding kon worden vastgesteld, hetgeen mogelijks wijst op een algemene hoge nalevingsgraad. Ondanks dit hoge percentage, blijkt er een groot verschillen tussen de actoren te bestaan. Bij een aantal actoren werd amper bij minder dan 10% van de controles ook effectief een overtreding vastgesteld, terwijl bij andere actoren dit meer dan 90% bedroeg. Een mogelijke verklaring hiervoor is het verschil in het uitvoeren van controles op basis van klachten en meldingen en het uitvoeren van controles op eigen initiatief door de verschillende handhavingsactoren. Het aantal controles waarvan het resultaat onbekend was kan oplopen tot 53,07% van het totaal aantal uitgevoerde controles. Ondanks dit percentage kan er niet van een systematisch probleem worden gesproken aangezien slecht bij 5 van de 15 actoren ‘controles waarvan het resultaat onbekend was’ konden worden vastgesteld. Bij de bevraging van het aantal controles waarbij er een milieu-inbreuk dan wel milieumisdrijf werd vastgesteld maar geen verdere actie werd ondernomen gaven 4 actoren aan hier kennis van te hebben. Ook hier gaat het dus niet om een algemene trend. In onderstaande bespreking van de individuele handhavingsinstrumenten zal dezelfde volgorde worden gehanteerd als in het voorgaande hoofdstuk 3. Het eerste onderdeel dat dan ook wordt belicht betreft de ‘raadgeving’. Aangezien een ‘raadgeving’ enkel kan worden geformuleerd bij de vaststelling dat een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden, werd dit instrument afgewogen ten aanzien van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld. Er zijn heel wat verschillen vast te stellen in het gebruik van dit instrument. Bepaalde actoren gebruikten de raadgeving helemaal niet, terwijl andere actoren bij meer dan de helft van het aantal uitgevoerde controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld het instrument gebruikten. Waar de ‘raadgeving’ eerder een preventief instrument is, is het instrument ‘aanmaning’ een curatief middel waarmee de toezichthouder bij de uitoefening van zijn toezichtsopdracht de vermoedelijke overtreder kan aanmanen om de nodige maatregelen te nemen. Een eerste kanttekening die dient te worden gemaakt bij de aanmaning is dat, vooruitblikkend op het instrument ‘proces-verbaal’, er veel meer aanmaningen werden gegeven dan er processen-verbaal werden opgesteld of een verslag van vaststelling kan worden opgesteld. Dit zou strikt gezien niet mogelijk kunnen zijn aangezien er altijd bij een ‘aanmaning’ een proces-verbaal zou moeten worden opgesteld of een verslag van vaststelling kan worden opgesteld. Elke actor, uitgezonderd één, gebruikte het instrument indien deze actor ook controles uitvoerde waarbij een overtreding kon worden vastgesteld. Bepaalde actoren gebruikten echter meer aanmaningen dan het aantal opgegeven controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. Er kan besloten worden dat het instrument ‘aanmaning’ zijn plaats heeft gekregen en blijft behouden binnen de modus operandi van de verschillende actoren. Uit de cijfers verkregen uit de bevraging 2009 kon worden afgeleid dat het instrument ‘verslag van vaststelling’ nog weinig bekend was bij de toezichthouders. Nu, uit de bevraging 2010, blijkt echter ook dat het ‘verslag van vaststelling’ nog altijd een lage graad van toepassing kent. Er werden 81 verslagen van vaststellingen gemaakt op een totaal aantal van 10.424 controles waarbij een overtreding werd 135

135


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

vastgesteld. Het is echter niet mogelijk aan te geven of deze overtreding een milieu-inbreuk of milieumisdrijf betrof. In verband met het ‘verslag van vaststelling’ is het echter belangrijk te verwijzen naar artikel 16.3.23 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Dit artikel stelt namelijk dat bij de vaststelling van een milieu-inbreuk de toezichthouder een verslag van vaststelling KAN opstellen. In tegenstelling tot de bepalingen van artikel 29 van het wetboek van strafvordering waarbij een PV dient te worden opgesteld bij elk vastgesteld misdrijf, geeft het Milieuhandhavingsdecreet aan de toezichthouder de keuze om al dan niet op te treden bij de vaststelling van een milieu-inbreuk. Een belangrijke reden waarom sommige toezichthouders maar in beperkte mate verslagen van vaststelling opstellen heeft tevens te maken met het feit dat in sommige milieuwetgeving (bv. de milieubeheerwetgeving) nauwelijks delicten als milieu-inbreuken zijn opgenomen. Het opstellen van een verslag van vaststelling is dus geen verplichting. De toezichthouder beschikt hier over een discretionaire bevoegdheid en kan dus zelf de opportuniteitsafweging maken. Toch dient te worden opgemerkt dat wanneer een verslag van vaststelling in de zin van het Milieuhandhavingsdecreet wordt opgesteld, dit ook effectief dient te worden doorgestuurd naar AMMC. Bijgevolg kunnen de cijfergegevens vermeld voor het aantal ‘controles zonder verdere actie’ mogelijk verklaard worden door het niet-optreden van toezichthouders bij vastgestelde inbreuken. Rekening houdende met de bovenvermelde gegevens rijst de vraag of de discretionaire bevoegdheid van de toezichthouder in dit kader aan een verder onderzoek dient te worden onderworpen. Een andere mogelijke verklaring voor het beperkt aantal opgestelde verslagen van vaststelling zijn de minieme gevolgen voor het leefmilieu. Er kan dan ook worden aangenomen dat de prioriteiten van de handhavingsactoren anders georiënteerd zijn en dat er maximaal wordt ingezet op de aanpak van milieumisdrijven. Ook kan het in dit kader opportuun zijn om de limitatieve lijst van milieu-inbreuken te evalueren. Het ‘proces-verbaal’ is in tegenstelling tot het ‘verslag van vaststelling’ zeker geen nieuw handhavingsinstrument. Niet elke handhavingsactor gebruikte dit echter in dezelfde mate. Zo stelde een bepaalde actor gemiddeld 2,5 processen-verbaal tijdens 1 controle waar een overtreding werd vastgesteld, terwijl andere actoren helemaal geen proces-verbaal opstelden bij die controles waar een overtreding werd vastgesteld. Voor de ‘bestuurlijke maatregel’ zal er niet meer worden gesproken over het aandeel van de verschillende types welke werden gebruikt. Deze evaluatie werd hierboven reeds gemaakt. Voor 2009 werden de opmerkingen gemaakt dat dit instrument voornamelijk ingang kende bij het lokaal toezicht. Ook de gewestelijke toezichthouders bleken in 2009 in zekere mate vertrouwd te geraken met dit instrument, maar algemeen was de toepassing ervan eerder beperkt. Met betrekking tot 2010 blijkt uit de cijfers dat de gewestelijke actoren meer vertrouwd zijn geraakt met het instrument ‘bestuurlijke maatregel’. Het totaal aandeel van dit instrument op het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld ligt op 6,3%. De minister bevoegd voor Leefmilieu ontving tussen 1 januari 2010 en 31 december 2010 29 beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen (waarbij één intrekking). Deze 29 werden ontvankelijk verklaard door AMMC. 28 ontvankelijke beroepen heeft de minister uitspraak gedaan binnen de decretaal voorziene termijn. In 5 dossiers werd een verlenging gevraagd. 6 beroepen werden volledig gegrond verklaard en 8 gedeeltelijk gegrond. Naast de beroepen tegen de besluiten houdende bestuurlijke maatregelen werden in dezelfde periode 8 beroepsschriften ontvangen aangaande geweigerde verzoeken houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Deze beroepsschriften werden allemaal ontvankelijk verklaard door AMMC. Er werd geoordeeld dat één beroepsschrift gedeeltelijk werd gegrond verklaard en één volledig gegrond werd verklaard. Voor 7 van deze 8 beroepsschriften werd een uitspraak gedaan binnen de voorziene decretale beslissingsperiode. Net zoals bij de ‘bestuurlijke maatregelen’ ligt het zwaartepunt van het gebruik van het instrument ‘veiligheidsmaatregelen’ bij de lokale toezichthouders. Toch zijn er niet onmiddellijk signalen op te 136 136


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van de inzet van milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen

vangen van een gebrek aan kennis en/of expertise bij de gewestelijke handhavingsactoren om dit instrument aan te wenden. Niet alleen voor de veiligheidsmaatregel, maar voor alle handhavingsinstrumenten en bovendien ook voor alle handhavingsactoren, zal het belangrijk zijn om duidelijke richtlijnen te ontwikkelen over de manier waarop de toezichthouders met de diverse handhavingsinstrumenten dienen om te gaan. Deze richtlijnen vereisen niet alleen aan te geven aan welk instrument op welk moment dient te worden ingezet, maar ook wat de optimale combinatie is van het beschikbare handhavingsinstrumentarium. De VHRM wil en zal voor de diverse handhavingsactoren in deze materie het forum zijn waar informatie en ervaringen kunnen worden uitgewisseld, zodat door de individuele handhavingsactor een aantal criteria/kapstokken voor een (gecombineerde) inzet van het handhavingsinstrumentarium op maat kan worden ontwikkeld. Doordat in de ontwikkeling rekening kan worden gehouden met de problemen, vooren nadelen ervaren door collegaâ&#x20AC;&#x2122;s, zal de actor niet alleen doelmatiger en efficiĂŤnter kunnen werken bij het ontwikkelen van de richtlijnen, maar zullen de richtlijnen van de handhavingsactoren mogelijk ook beter op elkaar afgestemd zijn.

137 137


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

EVALUATIE VAN HET MILIEUSANCTIONERINGSBELEID IN 2010

VLAAMSE

Door de toevoeging van een titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen” aan het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid werd een kader gecreëerd waar naast een strafrechtelijke sanctionering, ook bestuurlijk sanctionerend kan opgetreden worden aan de hand van alternatieve en exclusieve bestuurlijke geldboetes, al dan niet met een voordeelontneming85. Daartoe werd er een onderscheid gemaakt tussen milieumisdrijven en milieu-inbreuken. Deze laatste zijn lichte overtredingen op administratieve verplichtingen, zonder dat ze een gevaar voor de mens of het milieu impliceren, die limitatief zijn opgelijst door de Vlaamse Regering in de bijlagen bij het uitvoeringsbesluit van het Milieuhandhavingsdecreet. Deze milieu-inbreuken kunnen niet strafrechtelijk worden gesanctioneerd op grond van het DABM, maar ze kunnen wel gesanctioneerd worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete door een nieuwe gewestelijke entiteit die met dat doel werd opgericht, met name de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (AMMC). Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan daarentegen uitsluitend worden opgelegd voor milieumisdrijven. In principe kunnen dergelijke delicten strafrechtelijk worden behandeld, maar wanneer de procureur des Konings beslist ze niet strafrechtelijk te behandelen en dit tijdig laat weten aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, kan het milieumisdrijf door AMMC worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete. De toezichthouder kan een verslag van vaststelling opstellen bij de vaststelling van een milieu-inbreuk. Dit verslag van vaststelling wordt onmiddellijk naar de gewestelijke entiteit, zijnde de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, verzonden. De gewestelijke entiteit kan een exclusieve geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, opleggen. Na de ontvangst van het verslag van vaststelling kan AMMC binnen een termijn van 60 dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengen van het voornemen een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen (al dan niet incluis een voordeelontneming). Binnen een termijn van 90 dagen na de kennisgeving van het bericht beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. Binnen de tien dagen dient de vermoedelijke overtreder op de hoogte gesteld te worden van deze beslissing. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf bezorgt de verbalisant onmiddellijk een proces-verbaal aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd. Samen met het proces-verbaal dient er een schriftelijk verzoek verzonden te worden waarin de procureur des Konings wordt gevraagd zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf. De procureur des Konings beschikt hiervoor over 180 dagen vanaf de ontvangstdag van het proces-verbaal. Voor die periode verstreken is, en na hiertoe eerst voorafgaandelijk te zijn herinnerd door de verbalisant, kan ze gemotiveerd eenmalig worden verlengd met een aanvullende periode van maximaal 180 dagen. AMMC wordt van deze verlenging op de hoogte gesteld. Zowel een beslissing houdende strafrechtelijk behandelen van een milieumisdrijf als het nalaten van de procureur des Konings om tijdig zijn beslissing mee te delen aan AMMC sluiten het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. Indien de procureur des Konings AMMC tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen moet AMMC de procedure voor de eventuele oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete opstarten. Na de ontvangst van deze beslissing brengt AMMC de vermoedelijke overtreder binnen een termijn van 30 dagen op de hoogte van het voornemen om een alternatieve geldboete op te leggen (eventueel inclusief een voordeelontneming). AMMC heeft vervolgens

85 Een voordeelontneming is een sanctie waarbij een overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het nettovermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is verkregen (zoals gedefinieerd in het VHRM-glossarium).

138 138


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

180 dagen om te beslissen of er een alternatieve bestuurlijke geldboete (eventueel inclusief een voordeelontneming) wordt opgelegd. Binnen de tien dagen dient de vermoedelijke overtreder op de hoogte te worden gesteld van deze beslissing. Tegen de beslissingen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer – zowel bij alternatieve als exclusieve bestuurlijke geldboetes - kan beroep worden ingesteld bij het Milieuhandhavingscollege. De Vlaamse Landmaatschappij kon reeds voor het Milieuhandhavingsdecreet zelf administratieve geldboetes opleggen voor de inbreuken opgenomen in artikel 63 van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Mestdecreet). Het decreet bepaalt aan wie de boete kan worden opgelegd en hoeveel de boete bedraagt. Voor ernstige overtredingen, opgenomen in artikel 71 van datzelfde decreet, kan de Vlaamse Landmaatschappij een proces-verbaal opstellen met mogelijke strafrechtelijke vervolging door de procureur des Konings als consequentie. In dit luik, waarin er een evaluatie zal gebeuren van het Vlaamse sanctioneringsbeleid in 2010, zal er dus niet enkel worden gekeken naar de werkzaamheden van de parketten, maar ook naar deze van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, het Milieuhandhavingscollege en deze van de Vlaamse Landmaatschappij. Ook hier dient de term ‘evaluatie’ met de nodige behoedzaamheid benaderd te worden. Gezien het decreet in werking trad op 1 mei 2009 en dit vele veranderingen introduceerde, zou het voorbarig zijn om sluitende conclusies te trekken op basis van een anderhalf jaar werking in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet. Door de cijfergegevens van het Milieuhandhavingsrapport 2009 te combineren met de gegevens zoals deze werden aangereikt bij de bevraging in het kader van dit milieuhandhavingsrapport is het echter wel mogelijk reeds enkele tendensen waar te nemen.

139 139


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4.1

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

EVALUATIE VAN HET STRAFRECHTELIJK SANCTIONERINGSBELEID

Zoals hierboven reeds werd aangegeven bezorgt de verbalisant bij de vaststelling van een milieumisdrijf onmiddellijk een proces-verbaal aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd. In dit milieuhandhavingsrapport is het daarom van belang om een evaluatie te maken van het strafrechtelijke sanctioneringsbeleid in 2010. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving heeft zich dan ook gericht tot het College van procureurs-generaal met onder meer de vraag hoeveel dossiers er werden aangeleverd aan de parketten van het Vlaamse Gewest en op welke wijze deze dossiers werden behandeld. Voordat de cijfergegevens kunnen worden besproken, dienen eerst enkele kanttekeningen betreffende de data te worden geformuleerd. De cijfers zijn afkomstig uit een centrale databank (REA/TPI-systeem) van de statistische analisten verbonden aan de parketten-generaal en het College van procureurs-generaal die enkel gebaseerd is op de registratie van de correctionele afdelingen van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg en geen gegevens bevat over het aantal door de parketten-generaal behandelde milieuzaken en de door de politieparketten behandelde zaken, gerelateerd aan milieu.86 Er dient te worden opgemerkt dat deze gegevens een andere terminologie hanteren dan tot nu toe werd gebruikt in dit milieuhandhavingsrapport. Ook de invoering van de gemeentelijke administratieve sanctie voor kleine vormen van overlast (zoals het achterlaten van zwerfvuil vanaf 29 februari 2008) heeft een impact op de instroom van milieuzaken op de parketten. De Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving vroeg of het mogelijk was enkel die zaken weer te geven die zich in het Vlaamse Gewest hadden voorgedaan. De beperking tot Vlaanderen gebeurde enerzijds door de zaken behandeld door de Vlaamse parketten mee te tellen en anderzijds voor het gerechtelijke arrondissement Brussel een beperking te maken op basis van een combinatie van de verbaliserende overheid (waar geen rekening werd gehouden met processen-verbaal opgesteld door de politiediensten die gevestigd zijn in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest) en de pleegplaats (waar geen rekening werd gehouden met feiten gepleegd buiten het Vlaamse Gewest). Een lichte overschatting is echter onvermijdelijk. Vervolgens bevat de databank een dubbeltelling wat de ‘andere zendingen/terbeschikkingstellingen’ betreft. Dit houdt in dat elk proces-verbaal dat toekomt bij een parket wordt ingeschreven in de databank en een notitienummer krijgt. Indien dit proces-verbaal ter beschikking dient te worden gesteld van een ander parket, wordt dit proces-verbaal wederom ingeschreven in de databank en krijgt dit een nieuw notitienummer. De vereenvoudigde processen-verbaal87 worden niet opgenomen in de databank van de parketten. Er wordt enkel een lijst van de vereenvoudigde processen-verbaal bezorgd aan de parketten. Indien het proces-verbaal echter alsnog werd opgevraagd door het parket, wordt in de databank wel rekening gehouden met deze zaken. Het probleem is echter dat deze vereenvoudigde processen-verbaal wel worden opgenomen in de Algemene Nationale Gegevensdatabank (zie hoofdstuk 2) en er in

86 Er dient te worden opgemerkt dat enkele zaken met betrekking tot het milieubeheerrecht onder de bevoegdheid vallen van de politieparketten en de politierechtbanken (bv. de processen-verbaal opgesteld inzake schendingen van de boswetgeving of de visserijwetgeving, zelfs al worden de schendingen als een wanbedrijf beschouwd). Deze milieuzaken zijn dan ook niet allemaal gevat in de opgenomen cijfergegevens, aangezien deze niet allemaal worden meegeteld in de cijfers van REA/TPI. Op dit vlak zal de registratie binnen de parketten worden geüniformiseerd in de toekomst. 87

Een vereenvoudigd proces-verbaal houdt in dat de belangrijkste gegevens van welbepaalde lichte wetsovertredingen worden geregistreerd op een elektronische drager. De politie beperkt zich tot eventuele summiere onderzoeksdaden of opsporingsberichten. Op die manier wordt de instroom van redundante stukken op het parket beperkt.

140 140


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

onderstaande gegevens een onderschatting is van het aantal effectief opgestelde vereenvoudigde processen-verbaal. In het algemeen dient te worden gesteld dat de gepresenteerde parketstatistieken geen criminaliteits- of feitenstatistieken betreffen en dus ook niet zo mogen worden geïnterpreteerd. Net zoals in de vorige hoofdstukken zal de VHRM, aan de hand van de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 en de gegevens die verkregen werden bij de bevraging in het kader van het Milieuhandhavingsrapport 2010, een vergelijking trachten te maken tussen 2009 en 2010. De gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 die worden gehanteerd voor een vergelijking tussen 2010 en 2009 hebben betrekking op de processen-verbaal opgemaakt na 1 mei 2009, en in het geval van de processen-verbaal opgesteld in het kader van het milieubeheerrecht na 25 juni 2009. Die gegevens werden dan ook geselecteerd op einddatum van de feiten opgenomen in het proces-verbaal. Indien de einddatum niet gekend was, werd er geselecteerd op begindatum van de feiten. Indien ook de begindatum niet werd ingegeven in de databank, werd er een selectie gemaakt op de datum dat het dossier werd aangeleverd bij het parket. Aangezien de gegevens van 2009 geen volledig kalenderjaar bestrijken en de gegevens van 2010 wel degelijk handelen over het volledige kalenderjaar 2010 kan geen vergelijkingen worden gemaakt tussen de reële cijfers. Daarom zullen er enkel procentuele vergelijking worden gemaakt ten aanzien van het totaal aantal geregistreerde zaken. Er dient echter op te worden gewezen dat het in feite nog te vroeg is om op basis van de gegevensextractie d.d. 10 januari 2009 en d.d. 10 januari 2011 al conclusies te trekken over de mate waarin de afhandelingspraktijk verschilt voor de zaken geregistreerd in 2009 en geregistreerd in 2010. De cijfergegevens zijn voor beide jaren slechts indicatief, aangezien de vooruitgangsstaat van deze zaken nog geëvolueerd kan zijn na de extractiedatum. Toch zal er worden getracht reeds enkele tendensen te onderscheiden. Aan de zaken die op het parket toekomen, wordt door het Openbaar Ministerie een voornaamste tenlastelegging en eventueel één of meerdere bijkomende tenlasteleggingscodes (preventiecodes) toegekend. Deze registratie van bijkomende tenlasteleggingscodes gebeurt echter niet overal. Onderstaande statistieken zijn gebaseerd op alle zaken waarin minstens één van de volgende tenlasteleggingscodes zoals gebruikt door de parketten werden geregistreerd, met door de VHRM voorgestelde onderverdeling per thema (milieubeheerrecht, afval, mest, vergunning en emissies): •

•

•

•

Milieubeheerrecht: 63A – Jacht 63B - Visvangst 63M - Bosdecreet 63N - Conventie van Washington - beschermde diersoorten, planten en ivoor 64J - Decreet op het natuurbehoud en natuurlijk milieu, met inbegrip van verbod van en vergunningsplicht voor wijziging van vegetaties en kleine landschapselementen Afval88: 64E - Sluikstorten 64F - Beheer van afvalstoffen 64L - Invoer en doorvoer van afvalstoffen (W 09.07.1984) Mest: 63I - Meststoffen 63O - Mestdecreet Vergunning: 64D - Commodo-Incommodo (milieuvergunning) 64H - Exploitatie van een inrichting zonder vergunning 64I - Niet naleven Vlarem wetgeving

88 De overtredingen inzake het bodemdecreet kennen geen afzonderlijke tenlasteleggingscode (cijfer en letter) en ressorteren dan ook onder de tenlasteleggingscode ‘Afval’

141 141


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

•

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Lucht/water/bodem/geluid (emissies): 64A - Lucht- en waterverontreiniging 64B – Kooloxyde (CO) 64C - Geluidshinder, decibels in stedelijke omgeving (K.B. 24.2.77) 64G - Illegale waterwinning 64M - Oppervlaktewaterverontreiniging 64N – Grondwaterverontreiniging

Er werd een selectie gemaakt van de milieuhandhavingszaken op basis van bovenstaande tenlasteleggingscodes. In eerste instantie zal een beeld worden gegeven van de instroom van dossiers bij de parketten in zijn totaal. Dit zal gebeuren op basis van bovenstaande tenlasteleggingscodes, en indien mogelijk op basis van de verbaliserende overheid. Vervolgens zal worden gekeken naar de laatste vooruitgangsstaat (d.d. 10 januari 2011) van de dossiers ontvangen door de parketten in 2010, waarna er dieper zal worden ingegaan op de motieven tot seponering van de dossiers die onder milieuhandhaving vallen. Door het feit dat de peildatum van deze gegevens 10 januari 2011 is, is het belangrijk om enige relativering en nuancering te hanteren bij de interpretatie van de data van de vooruitgangsstaat van de zaken. De gegevens en percentages ter zake hebben enkel en alleen betrekking op de situatie d.d. 10 januari 2011 en vormen niet de definitieve status van een zaak. Er kunnen bijgevolg enkel tendensen worden onderschreven en dus zeker nog geen definitieve conclusies worden getrokken.

4.1.1

Instroom

Onderstaande grafiek geeft het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ weer die werden geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 en dit per verbaliserende overheid, onderverdeeld in vier verschillende klassen, namelijk algemene politie; inspectiediensten; klachten en burgerlijke partij-stellingen; en andere zendingen.89

89

De dossiers doe geregistreerd worden bij het parket van de politierechtbanken worden niet gevat in de verstrekte cijfergegevens.

142 142


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 42)

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 per verbaliserende overheid

In totaal ontvingen de parketten in 2010 6.376 zaken, waarvan 65,46% (4.147 in aantal) afkomstig van de algemene politie90 als verbaliserende overheid en 29,17% (1.860 in aantal) van de inspectiediensten91 als verbaliserende overheid. Klachten en burgerlijke partijstellingen92 maakten er 1,02% (69 in aantal) van uit, terwijl andere zendingen93 4,56 % uitmaakte (291 in aantal) van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in 2010. Aan de hand van bovenstaande grafiek kan er worden vastgesteld dat de meeste milieudelicten werden geverbaliseerd door de algemene politie. Deze tendens is ook duidelijk terug te vinden in hoofdstuk 2.2.1 ‘Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de politie,’ waar wordt weergegeven dat de politie in 2010 18.756 processen-verbaal betreffende milieudelicten opstelde. Zoals reeds werd meegedeeld omvat dat aantal processen-verbaal zowel de aanvankelijke processen-verbaal en de vereenvoudigde processen-verbaal. Het feit dat hierin ook de vereenvoudigde processen-verbaal vervat zitten, geldt als verklaring voor het verschil tussen het aantal opgestelde processen-verbaal door de politiediensten en het aantal ontvangen dossiers – opgesteld door de politiediensten – bij de parketten, zoals deze worden weergegeven in bovenstaande grafiek. Bovenstaande cijfers verschillen niet in grote mate van deze uit het Milieuhandhavingsrapport 2009. In 2009 werden er in totaal 6.162 zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen

90

De rubriek algemene politie omvat de Lokale en Federale politiediensten.

91

De inspectiediensten zijn de administratieve diensten met beperkte verbaliserende bevoegdheid, zoals de gewestelijke milieuadministraties (toezichthouders). 92

Het gaat om klachten van particulieren, evenals klachten van gerechtsdeurwaarders of van particuliere organisaties en burgerlijke partijstellingen.

93

Zendingen van andere parketten (ter beschikking stellingen) en rechtbanken, ook van andere secties van hetzelfde parket, van buitenlandse parketten/rechtbanken en van de rechtbanken van hetzelfde gerechtelijk arrondissement geven aanleiding tot de creatie van een nieuwe zaak. Deze rubriek is tevens restcategorie voor alle zaken die niet in één van de andere drie rubrieken konden ondergebracht worden. Ook de dossiers ontvangen van de gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen vallen hier onder.

143 143


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

bij de parketten in het Vlaamse Gewest waarvan 67,04% afkomstig van de algemene politie, 26,89% van de inspectiediensten, 1,09% klachten en burgerlijke partijstellingen, en 4,98% andere zendingen. De lichte stijging in het totaal aantal geregistreerde zaken is dus merkbaar is de verschillende klassen, behalve in de klasse van andere zendingen. In onderstaande grafiek wordt er een verdere onderverdeling gemaakt van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die werden geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 per Vlaamse milieuhandhavingsdienst.

Grafiek 43)

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010

In 2003 werd er een technische werkgroep opgericht binnen de Commissie Vervolgingsbeleid met als doel de verbetering van de herkenbaarheid van de door de milieudiensten van het Vlaamse Gewest aan de parketten bezorgde dossiers. De enige code die toen op het niveau van de milieudiensten van het Vlaamse Gewest was voorzien, was M2. Er werd echter beslist om vanaf 1 januari 2005 gebruik te maken van specifieke codes binnen de notitienummers die door de milieudiensten aan de parketten werden bezorgd. Initieel werden volgende codes voorzien: H1 : afdeling Milieu-inspectie H2 : Bos & Groen H3 : Natuur H4 : Water H5 : Mestbank H6 : OVAM H7 : overige94

94

Onder H7 zouden in grote mate processen-verbaal afkomstig van de ‘administratie wegen en verkeer’ en ‘de administratie waterwegen en zeewezen’ teruggevonden kunnen worden. Aangezien de kans bestond dat deze diensten gewijzigd zouden worden zonder dat er toen reeds een duidelijk zicht bestond op de precieze aard van die verandering, werd ervoor gekozen om ze beiden gebruik te laten maken van de code H7. De ‘administratie wegen en verkeer’ zou desgevallend geen gebruik meer maken van de code ‘WG’ die voor hen reeds voorheen voorbehouden werd.

144 144


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Door het gebruik van deze specifieke notitienummers werd het mogelijk om bovenstaande grafiek te maken voor 2010. Het maakt duidelijk hoeveel zaken er werden aangeleverd door welke Vlaamse milieudienst als verbaliserende overheid. In totaal hebben de Vlaamse milieudiensten 1.438 zaken ‘Milieuhandhaving’ aanhangig gemaakt bij de parketten. Momenteel vormen Bos & Groen en Natuur samen het Agentschap voor Natuur en Bos. Dit is dan ook weerspiegeld in bovenstaande grafiek waar ANB de zaken van H2 en H3 bundelt. Sinds 2008 gebruikt het ANB enkel nog de code H2. ANB heeft tevens het meeste zaken aangebracht bij het parket in 2010, namelijk 39,78% (572 in aantal) van het totaal aantal zaken aangebracht door de Vlaamse milieudiensten bij de parketten. De afdeling Milieu-inspectie vertegenwoordigde 35,05%, (504 in aantal) de Vlaamse Landmaatschappij 18,29% (263 in aantal), de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij 3,69% (53 in aantal) en de overige milieudiensten ook 3,20%. Er dient echter nog te worden opgemerkt dat de Vlaamse Milieumaatschappij ook in 2010 geen enkele zaak aanhangig zou hebben gemaakt bij het parket, ondanks het feit dat uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat door de VMM werd aangegeven dat er in 2010 vijf milieuhandhavingscontroles werden uitgevoerd en 1 proces-verbaal werd opgesteld. In vergelijking met hoofdstuk ‘3.6 Evaluatie van het instrument proces-verbaal’ lopen deze cijfers min of meer gelijk. Een opvallend verschil betreft het aantal processen-verbaal opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos, namelijk 815, en het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ afkomstig van het Agentschap Natuur en Bos zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010, namelijk 572. Dit kan worden verklaard door het feit dat een aantal processen-verbaal van het Agentschap Natuur en Bos ook door de politierechtbanken wordt behandeld. Ook opvallend is dat de Vlaamse Landmaatschappij aangaf 45 processen-verbaal te hebben opgesteld in 2010, terwijl er 263 zaken ‘Milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse Landmaatschappij werden geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010. Hiervoor kon niet direct een verklaring worden geformuleerd. Deze cijfers vormen wellicht een onderschatting, daar niet alle Vlaamse milieuadministraties op de hoogte blijken te zijn van de mogelijkheid een specifieke code te gebruiken. Bepaalde dossiers komen dan ook op een niet-identificeerbare manier terecht in bovenstaande cijfergegevens. De VHRM formuleert wederom de aanbeveling dat de verschillende milieuadministraties consequent gebruik maken van deze codes. In vergelijking met de cijfergegevens van 2009 is in 2010 het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest gestegen, namelijk van 1.202 in 2009 naar 1.438 in 2010. In concrete aantallen is deze stijging merkbaar bij alle milieudiensten met uitzondering van het Agentschap voor Natuur en Bos. Voor het Agentschap Natuur en Bos kan een lichte daling wordt geconstateerd van 586 zaken in 2009 naar 572 zaken in 2010. Maar zoals reeds werd aangehaald worden een aantal processen-verbaal opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos, behandeld door de politieparketten. Door de stijging van het aantal geregistreerde zaken van de andere milieuadministraties daalt ook het procentueel aandeel van het Agentschap Natuur en Bos van 48,75% van het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2009 naar 39,78% in 2010. Dit neemt niet weg dat ook in 2010 het grootste aantal van de geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ bij de correctionele afdelingen bij het de parketten afkomstig was van het Agentschap voor Natuur en Bos. Er werd hoger reeds een overzicht gegeven van de verschillende tenlasteleggingscodes die bij de registratie van de zaken ‘Milieuhandhaving’ worden gehanteerd. Dit maakt het ook voor 2010 weer mogelijk om in onderstaande grafieken en tabellen een overzicht te geven van het aandeel van elke tenlasteleggingscode in het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ dat werd geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010. Onderstaande grafiek geeft de percentages van het aantal zaken geregistreerd met de tenlasteleggingscodes onder de noemers van afval; mest; vergunning; lucht/water/bodem/geluid 145

145


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

(emissies); en milieubeheer ten opzichte van het totaal aantal zaken geregistreerd met een van deze tenlasteleggingscodes in 2010.

Grafiek 44)

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest, per voornaamste tenlastelegging voor zaken in 2010

In het totaal betrof het 6.367 zaken ‘Milieuhandhaving’ die in 2010 werden geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse gewest met betrekking tot Milieubeheer, Emissies, Vergunning, Mest en Afval. Inzake afval heeft bovenstaande 42,12% betrekking op 2.682 zaken. Voor mest vertegenwoordigt de 5,10% in totaal 325 zaken. onder de noemer vergunning was er sprake van 389 zaken en een dus een totaal van 12,87%. Er werden inzake emissies 1.533 zaken geregistreerd. Onder de noemer van milieubeheer werden in totaal 959 zaken geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest. Het merendeel van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010 werden geregistreerd hadden dus betrekking op afval en iets minder dan ¼ had betrekking op emissies. In onderstaande tabel wordt er een verdere onderverdeling gemaakt van de voornaamste tenlasteleggingscodes van Milieubeheerrecht, Emissies, Vergunning, Mest en Afval.

146

146


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Aantal zaken 'Milieuhandhaving' geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten van het Vlaamse Gewest

Milieubeheer

Lucht/Water/Bodem/ Geluid (emissies)

63A - Jacht

251

63B - Visvangst

150

63M - Bosdecreet

104

63N - Conventie van Washington - beschermde diersoorten, planten en ivoor95 64J - Natuurbehoud en natuurlijk milieu, m.i.v. verbod van en vergunningsplicht voor wijziging van vegetaties en kleine landschapselementen Totaal Milieubeheer

959

64A - Lucht en waterverontreiniging

454

64B - Kooloxyde (CO)

19

64C - Geluidshinder, decibels in stedelijke omgeving (KB 24/02/1977)

777

64G - Illegale waterwinning 64M - Oppervlaktewaterverontreiniging 64N - Grondwaterverontreiniging Totaal Lucht/Water/Bodem/Geluid

Vergunning

Mest

Afval

138 316

4 227 52 1.533

64D - Commodo-incommodo

177

64H - Exploitatie van een inrichting zonder vergunning

188

64I - Niet naleven Vlarem-wetgeving

503

Totaal Vergunning

868

63I - Meststoffen

69

63O - Mestdecreet

256

Totaal Mest

325

64E - Sluikstorten

1.711

64F - Beheer van afvalstoffen 64L - Invoer en doorvoer van afvalstoffen Totaal Afval

Tabel 51)

6.367

894 77 2.682

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest, per voornaamste tenlastelegging voor zaken in 2010

Zoals reeds werd meegedeeld had 42,12 % van de geregistreerde zaken ‘Afval’ als voornaamste tenlasteleggingscode. Indien binnen de tenlasteleggingscode afval meer specifiek wordt gekeken, kan worden vastgesteld dat het voornaamste deel betrekking heeft op zaken van sluikstorten, namelijk niet minder dan 26,87% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ dat werd geregistreerd in 2010. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ‘sluikstorten’ nog steeds het meest geverbaliseerde milieudelict is. Met bijna ¼ van het totaal aantal geregistreerde zaken vormen de zaken met als voornaamste tenlasteleggingscode ‘Emissies’ ook een belangrijk aandeel. Een opvallend aantal zaken heeft betrekking op ‘geluidshinder, decibels in stedelijke omgeving’, namelijk 777 zaken of 12,20% van het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’. De tenlasteleggingscodes ‘Meststoffen’ en ‘Mestdecreet’ maken samen echter maar een klein deel uit van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in 2010, namelijk respectievelijk slechts 1,08% en 4,02%. Dit zou echter kunnen worden verklaard door 95 code 63N (Conventie van Washington – beschermde diersoorten, planten en Ivoor) valt strikt genomen niet volledig onder milieubeheer aangezien milieubeheerrecht in het Milieuhandhavingsbesluit wordt gedefinieerd als het geheel van rechtsregels die gericht zijn op het beheer van het leefmilieu en de natuur, enerzijds, en het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, anderzijds, meer bepaald de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 7°, 14°, 15° en 16°, van het Milieuhandhavingsdecreet.

147 147


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

het feit dat de Vlaamse Landmaatschappij de overtredingen in het kader van het Mestdecreet gedeeltelijk zelf reeds bestuurlijk kan beboeten sinds 2006 (vide infra). Om een vergelijking mogelijk te maken tussen de cijfergegevens van het Milieuhandhavingsrapport 2009 en dit milieuhandhavingsrapport is het noodzakelijk om het procentuele aandeel van elke tenlasteleggingscode ten aanzien van het totaal aantal geregistreerde zaken te analyseren. Het is immers niet mogelijk de reële cijfers van 2009 te vergelijken met deze van 2010 aangezien de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 betrekking hebben op de periode 1 mei 2009 tot 31 december 2009 voor de zaken met ‘Afval’, ‘Vergunning’, ‘Emissies’ en ‘Mest’ als voornaamste tenlasteleggingscodes en op de periode 25 juni 2009 tot 31 december 2009 voor wat betreft de zaken met ‘Milieubeheerrecht’ als voornaamste tenlasteleggingscode. De gegevens voor dit milieuhandhavingsrapport hebben daarentegen betrekking op het gehele kalenderjaar 2010. Onderstaande grafiek geeft dan ook een beeld van de vergelijking van het procentueel aandeel van de tenlasteleggingscodes ten aanzien van het totaal aantal zalen ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2009 en 2010.

Grafiek 45)

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest, per voornaamste tenlastelegging voor zaken: vergelijking procentueel aandeel in 2009 en 2010

Bovenstaande grafiek maakt duidelijk dat het procentueel aandeel van de verschillende tenlasteleggingscodes ten aanzien van het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ in 2009 en 2010 redelijk constant is gebleven. Een kleine daling van het aandeel van de zaken met tenlasteleggingscodes ‘Emissies’ en ‘Afval’ ten voordele van de overige 3 tenlasteleggingscodes ‘Milieubeheer’, ‘Vergunning’ en ‘Mest’ kan worden geconstateerd.

148

148


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4.1.2

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Vooruitgangsstaat

Naast de instroom van zaken ‘Milieuhandhaving’ was het voor dit Milieuhandhavingsrapport 2010 wederom ook mogelijk cijfergegevens te krijgen over de voortgangsstaat van de zaken ‘Milieuhandhaving’ voor de bestudeerde periode. Er dient echter te worden meegedeeld dat de gegevensextractie dateert van 10 januari 2011. Dit betekent dat er eigenlijk nog geen definitieve conclusies kunnen worden getrokken inzake de afhandelingspraktijk van de dossiers. Er zal echter worden getracht een aantal tendensen te onderschrijven. De classificatie gebeurde op basis van volgende vooruitgangsstaten: VOORONDERZOEK De zaken die nog in vooronderzoek waren op 10 januari 2011. ZONDER GEVOLG / SEPONERING Met een zondergevolgstelling of seponering wordt voorlopig afgezien van verdere vervolging en wordt het vooronderzoek beëindigd. De beslissing om zonder gevolg te stellen is altijd voorlopig. Zolang de strafvordering niet vervalt, kan de zaak worden heropend. TER BESCHIKKING Deze rubriek omvat de zaken die op 10 januari 2011 ter beschikking waren gesteld aan een ander parket of andere (gerechtelijke) instanties. Voor zover ze niet terugkeren naar het parket van oorsprong, blijven ter beschikking gestelde zaken hier in deze vooruitgangsstaat. Voor dit parket kunnen zij dus als afgesloten worden beschouwd. Zij worden onder een ander notitienummer heropend bij het parket van bestemming. MINNELIJKE SCHIKKING In de categorie minnelijke schikking bevinden zich de zaken waarin een minnelijke schikking werd voorgesteld en waarin nog een eindbeslissing moet worden genomen (met inbegrip van de gedeeltelijk betaalde minnelijke schikkingen), de zaken die werden afgesloten door de betaling van de minnelijke schikking en waar de strafvordering vervalt en ten slotte de zaken waarin de minnelijke schikking werd geweigerd maar die sindsdien nog niet zijn overgegaan naar een volgende vooruitgangsstaat. BEMIDDELING IN STRAFZAKEN De rubriek bemiddeling in strafzaken omvat de zaken waarin het Openbaar Ministerie beslist heeft een procedure van bemiddeling in strafzaken aan de betrokken partijen voor te stellen. In deze categorie bevinden zich de zaken waarin een bemiddeling in strafzaken werd voorgesteld en waarin voor de betrokken partijen nog een beslissing moet worden genomen, de zaken die werden afgesloten door het lukken van de bemiddeling in strafzaken en waar de strafvordering vervalt en ten slotte de zaken waarin de dader niet aan de vereiste voorwaarden heeft voldaan, maar die sindsdien nog niet zijn overgegaan naar een volgende vooruitgangsstaat. ONDERZOEK De rubriek onderzoek bevat de zaken die in gerechtelijk onderzoek werden gesteld en die nog niet werden vastgesteld voor de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging. RAADKAMER Deze rubriek bevat zaken vanaf de fase van de regeling van de rechtspleging tot op het moment dat er een eventuele vaststelling voor de correctionele rechtbank is. Zaken waarin wordt afgezien van verdere vervolging, blijven deze vooruitgangsstaat behouden.

149 149


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

DAGVAARDING & VERDER Deze rubriek omvat de zaken waarin een dagvaarding of een daaropvolgende beslissing werd genomen. Het gaat om zaken waarin een dagvaarding, een vaststelling voor de correctionele rechtbank, een vonnis, een verzet, een beroep, enz. voorkomt. Onderstaande tabel geeft een beeld van de laatste vooruitgangsstaat d.d. 10 januari 2011 voor de zaken ‘Milieuhandhaving’, geregistreerd bij de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010. Zowel het totaal van de zaken in Vlaanderen wordt weergegeven, als de zaken per parket. Daarnaast wordt het procentueel aandeel van de verschillende vooruitgangsstaten ten aanzien van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ weergegeven en dit zowel voor 2010 als 2009, zodat een vergelijking ter zake kan gemaakt worden.

150 150


678

Kortrijk

245

531

Mechelen

Turnhout

287

419

380

461

Hasselt

Tongeren

Leuven

Brussel

Tabel 52)

43,75%

108

26,50%

388

439

%

3.505

38,30%

%

27,08%

26,11%

40,55%

41,35%

36,88%

43,06%

65,42%

55,05%

38,72%

408

112

29,74%

60,18%

46,65%

43,69%

37,93%

61,54%

54

26,34%

30,77%

327

29,67%

151

231

31,57%

55

34,16%

20,61%

197

40,15%

242 40,99%

50,44%

48,86%

51,84%

57,76%

49,38% 38,72%

48,78%

50,00%

44,23%

45,63%

61,58%

61,63%

30,00%

43,26%

42,00%

25,38%10454,63% 18,91% 311 67,46% 44,49% 28,00%

22,11%

22,20%

140 15334,38% 22,57%

29,97%

30,89%

15,92%

28,00%

203

18,91%

43,75% 40,15%11848,86% 41,84% 59 43,07% 29,55%

22,57%

45,63%

268

29,67%

31,57%14943,26% 22,21% 392 60,96% 51,10% 38,49%

41,84%

37,93%

38,49%

36,88%

30 231

9

59

34

18 408

9

112

21

36

392

108 9

42

11

388

12 439

5

3.505

156

39

n

431

2,08%

20,20%

6,40%

6,51% 0,88% 42,00%

1,24%

10,53%

43,07%

2,37%

8,11%

3,13% 60,18%

6,27%

1,91%

1,92%

61,54%

1,69%

8,57%

6,00%

60,96%

6,55%

38,30% 6,57% 7,95%

6,19%

7,77%

43,06%

6,04%

1,87% 0,31% 65,42%

1,77%

7,08%

13,06%

%

%

55,05%

17,31%

5,81%

6,77%

%

2010

2009

%

17,38%

2,44%

5,37%

23,96%

431

5,67%

4,12%

10,42%

n

%

0

0,00%

0,00%

0,15%

6,77%

0

1

0,02%

%

2010

%

1

n

2010

2009

0,00%

n

0

14

1

42

7,08%

0,00%

0,34%

%

0,10%

%

2009

2009

2,06%

1,10% 3,35%

0,00%

156 0

0

0,00%

0,00%

17,31%

0,75%

19,47%

11

19,23%

27,60%

12

0

0,00%

0,00%

0,00%

6,04%

0

0

1,87%

19,47%

21,74%

9

17,11% 0

0,00%

0,00%

6,57%

0

0 0,00% 360,00% 6,55% 0 0,00% 30,00%

74

9,07%

29,55%

38

36 12,54% 0 0,00% 46,65% 4211,25% 6,19%

4

6,12%

20,18%

43,69%

15

111

51,10%

27,08% 5 3,65% 5 2,27% 1,77% 0 0,00%

14

2

26,11% 0

0

9

3

5

1

0

0,00% 6,00% 3

7,95% 0,00%

0,00%

6,40% 0

0,63%

7,77%

0,00%

0,00%

0,31%

0,00%

2,08% 0 0,00%

0,30%

0,00%

20,20%

9 1,40% 393,76% 5,81% 0 0,00% 13,06% 0,00% 6 40,55%

49

%

6,52%

41,35%

22

36

415

n

2009

2010

Bemiddeling in SZ

Ter beschikking

Minnelijke schikking

0,65% 111

5

0,26%

0,00%

14

0,00%

2

1,69%

1,22%

9

0,91%

49 0,00%

0,00%

22

0,00%

0,93% 36

0,00%

415

1,55%

0,15%

n

0,66%

%

2010

2

0

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

5,67%

0,00%

0,00%4,12% 0,00%

0,71%

0,00%

0,00%

0,00%

%

%

2009

2009

10,42%

0,33%

0,00%

0,16%

%

2010

0,01%

0,00%

2,27% 0,26%

0,48%

0,00% 3,35%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00% 0,38%

0,00%

0,00%

3,76%

0,00%

0,00% 0 0,00% 0,00% 20,18% 27,60%

1

2

3,65% 0,00%

0,44%

0 2,06%

0,00%

2

0

1,10% 0,00%

0,96%

0

1,40%

0,80%

17,38% 23,96% 0,00% 0 0,00% 0,00%

0,00%

0

2,44%

0,00%

0,31% 0 5,37%

3,13%

3

0

10

%

n

6,52%

5,91%

0,00%

1,06%

%

2010

2009

Raadkamer

Minnelijke schikking

Onderzoek

00

0 14

10

0

7

0 16

13

0

63

90

60

0

3

211

0

1

50

6

n

272

n

0,00%

0

0

0

n

0,00%

42

0,00%

0,00%

0,06%

%

2010

0,10%

3,69%

3,44%

4

%

n

2009

2,91%

%

2009

0,00%

117

84

93

86

164

25,38%

22,11%

22,20%

29,97%

30,89%

54,63%

34,16%

20,61%

34,38%

26,34%

311

197

242

140

327

67,46%

51,84%

57,76%

48,78%

61,58%

44,49%

40,99%

50,44%

49,38%

50,00%

30

9

34

18

9

6,51%

2,37%

8,11%

6,27%

1,69%

0,88%

1,24%

10,53%

3,13%

1,91%

0

74

38

36

4

0,00%

19,47%

9,07%

12,54%

0,75%

0,00%

21,74%

17,11%

11,25%

19,47%

0

0

0

0

0

%

2009

1,06% 100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

%

0,66%

0,25%

0,00%

0,10%

%

2010

2009

1

0,15%

14

0,00%

5,91% 100,00%

0

3

0 0,00%

1,22%

6

0,00%

0,00% 2,29%

2,88%

0

0,00%

7,60%

0

0

0 0,00%

0,00%

0,00% 1,24%

0,44%

0,00% 100,00%

0,00% 100,00%

100,00%

0,00% 0,00%

0,00%

100,00% 0,00% 0,00%

0,00%

0,31% 100,00%

0,00% 0,00%

0,00%

100,00%

0,93%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,63%

0,00%

3

1

0

0

9

0,65%

0,26%

0,00%

0,00%

1,69%

0,00%

0,00%

0,44%

0,00%

0,00%

0,96%

0,00% 0 0,00%5 0,00% 100,00%0,80% 0,00% 0,00% 0,00% 0,91%

0,00% 3,68%

2,39%

0,61%

100,00%

1,55%

0,00%

11,36 0,00% 0,00% 0 0,00%0 0,00% 100,00%3,13% %

3,96%

0

0,00%

2,91%

0 0,00% 0,00% 1,25% 0,30% 0

2,44%

0,00% 3,01%

5,31%

0,00%

11,45%

0,00% 6,57%

8,85%

0,00%

1,65%

3,27% 0 0,00%1 0,00% 100,00%0,00% 0,15% 1,25% 0,34% 0,15%

0,00%

0,02%

5,55%

0,89%

%

4,27%

%

2010

2010

Totaal rijpercent age

Onderzoek

Onbekend/ error

Bemiddeling in SZ

Dagvaarding & verder

0

1

2

0

2

0

0

0

0

0

0

2

3

0

10

n

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0,

2010

Ra

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2010, al dan niet via voeging aan een moederzaak, inclusief vooruitgangsstaat op arrondissement en vergelijking met het procentueel aandeel in 2009 151

531

Turnhout

Mechelen

84

93

86

164

39

104

55

153

54

550 117

137

678

182

643

282

901

671 203

118

n

1.687

29,74%

22,21%

26,50%

n

2010

Zonder gevolg

Ter beschikking

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2010, al dan niet via voeging aan een moederzaak, inclusief vooruitgangsstaat op 10 januari 2011 per rubriek tenlastelegging en per gerechtelijk arrondissement245 en vergelijking met 39 het procentueel aandeel in 30,77% 2009 15,92% 151 61,63% 44,23% 21 8,57% 1,92% 15 6,12% 19,23% 0 0,00% 0,00% 3 1,22%

461

Brussel Antwerpen

Tabel 52)

380

419

Leuven

Veurne

Tongeren

Hasselt Kortrijk

Ieper

287

550

Antwerpen

Brugge

137

Oudenaarde Veurne

Gent

182

643

Ieper

Brugge Dendermonde

Oudenaarde

282

268

901

Vlaanderen

6.367

671

Dendermonde

Gent

correctioneel parket 1.687

149

6.367

Vlaanderen

Vooronderzoek Zonder gevolg Vooronderzoek Aantal zaken ‘Milieuhandha Aantal zaken ving’ 2010 2009 2010 2009 ‘Milieuhandha geregistreerd door het ving’ correctioneel 2010 2009 geregistreerd parket n % % n % % door het

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid Milieuhandhavingsrapport 2010 Milieuhandhavingsrapport 2010

151


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

In bovenstaande tabel kan worden vastgesteld dat iets meer dan ¼ van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 zich nog in vooronderzoek bevonden. In vergelijking met het procentuele aandeel is dit een daling ten opzichte van de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 waar meer dan 1/3 van de zaken ‘Milieuhandhaving’ zich in het stadium van vooronderzoek bevonden. Dit valt mogelijks te verklaren door het feit dat de cijfers van 2010 betrekking hebben op het gehele kalenderjaar, terwijl de cijfergegevens in het Milieuhandhavingsrapport 2009 betrekking hebben op de periode na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet, namelijk na 1 mei 2009. Aangezien de extractie van de cijfergegevens steeds gebeurde in januari van het daaropvolgende jaar bevonden zich procentueel gezien meer dossiers in vooronderzoek, namelijk die dossiers van de eerste helft van het jaar. Een tweede mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de parketten in 2010 nog meer dan in 2009 gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om dossiers over te maken aan AMMC met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Het feit dat zij deze dossiers niet meer verder dienden af te handelen zou voor de parketten mogelijk kunnen hebben geleid tot meer ruimte om andere dossiers sneller af te handelen. Een opvallend gegeven is dat meer dan de helft, namelijk 55,05% van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2010 zonder gevolg werd gesteld. In 2009 bedroeg dit echter slechts 41,35% van al de zaken ‘Milieuhandhaving’. In het volgende onderdeel – 4.2.3 Motieven tot seponeren – zal er specifieker worden aangegeven wat de vooruitgangsstaat zonder gevolg concreet inhoudt. De vraag dient immers te worden gesteld of de procentuele stijging van het aantal dossiers dat zonder gevolg werd gesteld betrekking heeft op een stijging van het aantal dossiers dat werd overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer voor het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Deze dossiers worden immers gecategoriseerd als zonder gevolg. Dit zal echter uitgebreid worden besproken in het volgende onderdeel. Een andere mogelijk verklaring is het feit dat de cijfers van 2010 betrekking hebben op het gehele kalenderjaar terwijl de cijfergegevens in het Milieuhandhavingsrapport 2009 betrekking hebben op de periode na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet, namelijk na 1 mei 2009. Aangezien de extractie van de cijfergegevens steeds gebeurde in januari van het daaropvolgende jaar, is het logisch dat er al meer dossiers volledig werden afgerond, namelijk de dossiers van de eerste helft van het jaar. Bij 6,52% van de zaken ‘Milieuhandhaving’ werd er in 2010 een minnelijke schikking voorgesteld. Dit is een daling ten aanzien van 2009 toen er bij 10,42% van de zaken ‘Milieuhandhaving’ een minnelijke schikking werd voorgesteld. Een mogelijke verklaring voor deze opmerkelijke daling is het feit dat de parketten in 2010 procentueel meer dossiers hebben overgemaakt aan AMMC dan in 2009. De dossiers waarin in het verleden eerder een minnelijke schikking werd voorgelegd (bv. regularisaties, sluitstorten, afvalverbranding, dossiers zonder benadeelden/klager,…) worden steeds meer overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (zie infra) voor het opleggen van een bestuurlijke boete. In dit kader kan er worden verwezen naar de Sorteernota van het Openbaar Ministerie die als doel heeft, op basis van onder andere het maatschappelijk belang, een aantal technischjuridische, rechtseconomische, criminologische en praktische overwegingen, te bepalen welke dossiers door de parketten zelf zullen worden behandeld en welke dossiers zullen worden overgemaakt aan de AMMC, zodat ieder PV een passend gevolg zal krijgen. 0,66% van de zaken bevond zich d.d. 10 januari 2011 in de fase van onderzoek, terwijl 4,27% van de zaken geregistreerd in 2010 reeds werd gedagvaard. Dit is stijging ten aanzien 2009. Dit zou kunnen worden verklaard door het feit dat de parketten, naar aanleiding van het doorsturen van een deel van de milieudossiers naar AMMC, meer capaciteit kunnen vrij maken om de meer gewichtige leefmilieudossiers te dagvaarden voor de correctionele rechtbank. Dit zou er dus op kunnen wijzen dat het systeem zoals beoogd met het Milieuhandhavingsdecreet wel degelijk uitwerking heeft in de praktijk.

152

Indien naar de verschillende correctionele parketten wordt gekeken, is het opmerkelijk dat de sterke stijging van het aantal dossiers dat zonder gevolg werd gesteld in 2010 ten aanzien van 2009 bij al de parketten kan worden gesignaleerd. Bij meer als de helft van de parketten werd meer dan de helft van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2010 zonder gevolg gesteld, terwijl dit in 2009 slechts bij 3 parketten het geval was. Enkel de parketten van Gent, Oudenaarde, Veurne, Antwerpen en Hasselt 152


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

seponeerden minder dan de helft van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die ze hebben geregistreerd in 2010. Oudenaarde had echter wel procentueel nog het grootste aantal zaken in vooronderzoek d.d. 10 januari 2011, namelijk 41,84% van al de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2010. Daarnaast werd er in Oudenaarde nog geen enkel zaak gedagvaard. Het parket van Brussel had d.d. 10 januari 2011 ook nog geen enkele zaak ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2010 gedagvaard. Het parket van Brussel kende daartegenover wel het procentueel grootste aantal zonder gevolg stellingen. Gent daarentegen kende procentueel het grootste aantal dagvaardingen. 11,45% van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die in Gent werden geregistreerd in 2010 was d.d. 10 januari 2011 reeds gedagvaard en dit in vergelijking met 7,60% in 2009. Verder onderzoek dringt zich op naar de verklaring voor deze regionale verschillen. Er kan echter worden verondersteld dat met de verschillende parketsamenwerkingsverbanden die momenteel tussen de verschillende Vlaamse parketten werden en reeds worden opgestart en de aangekondigde schaalvergroting tussen de parketten er zich een grotere uniformisering ten aanzien van het vervolgingsbeleid zal voltrekken. Een dergelijke uniformisering zou deze regionale verschillen mogelijk kunnen doen vervagen. Met betrekking tot de reële cijfers kunnen nog regionale verschillen worden vastgesteld. Gemiddeld werden 455 zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd per parket. Het parket van Veurne heeft in 2010 echter het kleinste aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd, namelijk 137 dossiers, terwijl het parket van Gent er 901 registreerde. Algemeen kan er gesteld worden dat d.d. 10 januari 2011 minstens 20,61% van de zaken geregistreerd in 2010 zich nog in vooronderzoek bevond, terwijl minstens 27,08% zonder gevolg werd gesteld. Er dient echter nog opgemerkt te worden dat sinds 1 januari 2008 het merendeel van de Ieperse dossiers inzake milieuhygiëne- en milieubeheerrecht worden behandeld door het Kortrijkse parket. Dit ingevolge een parketsamenwerkingsverband dat door beide procureurs werd aangegaan inzake enerzijds leefmilieu/stedenbouw (Kortrijk) en anderzijds hormonen/voedselveiligheid (Ieper). Een uitzondering hierop zijn de zogenaamde “leefbaarheidsmisdrijven” (zoals inbreuken op de reglementering inzake riviervisserij, bosdecreet, dierenbescherming, geluidshinder, sluikstorten, edm.). Deze blijven dus bij de beide territoriaal bevoegde parketten. De in casu relevante codes van deze “leefbaarheidsmisdrijven” betreffen 63B, 63M, 64C en 64E. Sinds 1 november 2010 kende dit samenwerkingsverband tevens uitbreiding naar de volledige provincie West-Vlaanderen, met als gevolg dat alle zaken met als tenlasteleggingscode 63A, 63N, 63O, 64A, 64D, 64F, 64G, 64H, 64I, 64J, 64L, 64M en 64N van de arrondissementen Ieper, Brugge en Veurne door het parket van Kortrijk worden behandeld. Een deel van de beslissingen in de desbetreffende arrondissementen werd dus genomen door magistraten verbonden aan het Kortrijkse parket. Onderstaande grafiek geeft een beeld per vooruitgangsstaat van het aandeel van de verschillende rubrieken van tenlasteleggingscodes (afval, mest, vergunning, emissies en milieubeheer) weer. De zaken afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer werden afgemeten aan een op honderd gestelde referentiewaarde zijnde een bepaalde vooruitgangsstaat (vooronderzoek, zonder gevolg, ter beschikking, minnelijke schikking, bemiddeling in strafzaken, onderzoek, raadkamer, dagvaarding en verder, onbekend/error).

153 153


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 46)

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Vooruitgangsstaat d.d. 10 januari 2011 van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 per aandeel rubriek van tenlastelegging (afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer)

Bovenstaande grafiek maakt duidelijk dat bijna de helft van de zaken dat zonder gevolg werd gesteld betrekking had op afval. Bijna 46% van al de zaken waar een minnelijke schikking werd voorgesteld had betrekking op afval en bijna 1/3 van deze zaken had betrekking op emissies. Het merendeel van de zaken ‘Milieuhandhaving’ dat werd geregistreerd in 2010 en dat reeds werd gedagvaard d.d. 10 januari 2011 had betrekking op emissies, namelijk 41,18% van al de zaken die zich in de vooruitgangsstaat dagvaarding bevond. Slechts 1,47% van de gedagvaarde zaken had betrekking op mest. Onderstaande tabel maakt een vergelijking tussen 2009 en 2010 per vooruitgangsstaat van het aandeel van de verschillende rubrieken tenlasteleggingscodes (afval, mest, vergunning, emissies en milieubeheer). De zaken afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer werden in deze vergelijking ook afgemeten aan een op honderd gestelde referentiewaarde zijnde een bepaalde vooruitgangsstaat (vooronderzoek, zonder gevolg, ter beschikking, minnelijke schikking, bemiddeling in strafzaken, onderzoek, raadkamer, dagvaarding en verder, onbekend/error).

154 154


155

42,05%

51,42%

33,33%

9,38%

66,67%

19,31%

0,00%

Ter beschikking

Minnelijke schikking

Bemiddeling in strafzaken

Onderzoek

Raadkamer

Dagvaarding en verder

Onbekend/ error 75,00%

25,37%

20,00%

26,19%

0,00%

45,78%

35,27%

48,10%

33,73%

2010

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

1,27%

5,61%

3,53%

2,33%

2009

Mest

0,00%

1,47%

0,00%

9,52%

0,00%

0,72%

6,96%

6,56%

3,20%

2010

33,33%

10,23%

33,33%

6,25%

0,00%

3,81%

3,74%

9,52%

21,26%

2009

0,00%

21,32%

10,00%

9,52%

0,00%

8,43%

6,03%

8,73%

25,96%

2010

Vergunningen

66,67%

62,50%

0,00%

78,12%

66,67%

33,02%

36,45%

23,12%

26,73%

25,00%

41,18%

30,00%

47,62%

0,00%

31,81%

29,23%

21,88%

22,05%

2010

Emissies

2009

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

0,00%

7,96%

0,00%

6,25%

0,00%

10,48%

12,15%

12,32%

15,52%

2009

0,00%

10,66%

40,00%

7,14%

100,00%

13,25%

22,51%

14,72%

15,06%

2010

Milieubeheer

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

Totaal

155

Vorderingsstaten d.d. 10 januari 2010 en 10 januari 2011 van zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaams Gewest tussen 1 mei 2009 en 31 december 2009 en tussen 25 juni 2009 en 13 december 2009 vergeleken met 2010 per (procentueel) aandeel rubriek tenlastelegging (afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer)

51,51%

Zonder gevolg

Tabel 53)

34,16%

Vooronderzoek

2009

Afval

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Een vergelijking tussen de gegevens met betrekking tot 2009 en 2010 maakt duidelijk dat er een lichte stijging is van het procentuele aandeel zaken vergunningen en een procentuele daling van het aandeel zaken emissies in vooruitgangsstaat van vooronderzoek. De overige rubrieken tenlasteleggingen blijven ongeveer eenzelfde procentueel aandeel behouden in het stadium van vooronderzoek. In de vooruitgangsstaat zonder gevolg daalde het procentuele aandeel van afval en emissies, terwijl het procentuele aandeel van mest en milieubeheer steeg. In 2009 had meer dan 50% van de minnelijke schikkingen betrekking op afval. Ook in 2010 bleef afval het onderwerp uitmaken van het merendeel van de minnelijke schikkingen die werden voorgelegd, al daalde het procentuele aandeel naar 45,78%. Het procentuele aandeel van vergunningen en milieubeheer steeg daarentegen echter. Het merendeel van de zaken dat werd gedagvaard in 2009 had betrekking op emissies, namelijk 62,50%. Het procentuele aandeel van emissies daalde echter sterk in 2010 en zakte tot 41,18%, terwijl de andere rubrieken van tenlasteleggingen procentueel stegen. Dit kan betekenen dat er in 2010 een gevarieerder soort zaken werd gedagvaard door de correctionele parketten en er niet langer voornamelijk werd gefocust op zaken die betrekking hebben op emissies, al blijft de rubriek emissies ook in 2010 het grootste aandeel van de gedagvaarde zaken uitmaken. Onderstaande tabel geeft een procentuele vergelijking tussen de gegevens van 2009 en 2010 per tenlasteleggingscode en de vooruitgangsstaat (vooronderzoek, zonder gevolg, ter beschikking, minnelijke schikking, bemiddeling in strafzaken, onderzoek, raadkamer, dagvaarding en verder, onbekend/error) waarin de zaken in de tenlasteleggingscodes zich respectievelijk d.d. 10 januari 2010 en dd. 10 januari 2011 bevonden. De vooruitgangsstaten (vooronderzoek, zonder gevolg, ter beschikking, minnelijke schikking, bemiddeling in strafzaken, onderzoek, raadkamer, dagvaarding en verder, onbekend/error) werden afgemeten aan een op honderd gestelde referentiewaarde zijnde een bepaalde rubriek van tenlasteleggingscode (afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer).

156 156


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Afval

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Mest

Vergunningen

Emissies

Milieubeheer

2009

2010

2009

2010

2009

2010

2009

2010

2009

2010

Vooronderzoek

29,31%

21,22%

30,23%

16,62%

60,93%

50,46%

34,94%

24,27%

43,80%

26,49%

Zonder gevolg

49,53%

62,86%

51,16%

70,77%

30,59%

35,25%

33,88%

50,03%

38,99%

53,81%

Ter beschikking

6,92%

5,67%

13,95%

9,23%

2,06%

3,00%

9,14%

8,22%

6,58%

10,11%

Minnelijke schikking

12,46%

7,08%

4,66%

0,92%

3,08%

4,03%

12,19%

8,61%

8,35%

5,74%

Bemiddeling in strafzaken

0,09%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,24%

0,00%

0,00%

0,10%

Onderzoek

0,23%

0,41%

0,00%

1,23%

0,51%

0,46%

2,93%

1,30%

0,51%

0,31%

Raadkamer

0,15%

0,07%

0,00%

0,00%

0,26%

0,12%

0,00%

0,20%

0,00%

0,42%

Dagvaarding en verder

1,31%

2,57%

0,00%

1,23%

2,31%

6,68%

6,45%

7,31%

1,77%

3,02%

Onbekend/ error

0,00%

0,11%

0,00%

0,00%

0,26%

0,00%

0,23%

0,07%

0,00%

0,00%

Totaal

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

100,00 %

Tabel 54)

Rubrieken tenlasteleggingscodes (afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer) van de zaken â&#x20AC;&#x2DC;Milieuhandhavingâ&#x20AC;&#x2122; geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest: vergelijking van het procentueel aandeel tussen 1 mei 2009 en 31 december 2009 en tussen 25 juni 2009 en 31 december 2009 ten aanzien van 2010 per aandeel vooruitgangsstaat op respectievelijk 10 januari 2010 en 10 januari 2011 per rubriek van tenlastelegging

Net zoals in voorgaande grafiek en tabel wordt hier bevestigd dat de zaken betreffende afval het meest zonder gevolg werden gesteld, en dit nog meer in 2010. In 2009 werd bijna de helft (49,53%) van al de zaken met betrekking tot afval zonder gevolg gesteld, terwijl dit in 2010 zelfs 62,86% bedroeg. Opmerkelijk is echter het feit dat dit de zaken zijn die het meeste werden geregistreerd bij de parketten, zowel in 2009 (43%) als in 2010 (42,12%). Het procentuele aandeel dagvaardingen binnen de rubriek afval steeg echter ook, van 1,31% in 2009 naar 2,75% van al de zaken met de betrekking tot afval die werden gedagvaard. Een daling in 2010 ten opzichte van 2009 kon daarentegen worden vastgesteld bij de zaken met betrekking tot afval die zich in vooronderzoek bevonden, namelijk 29,31% in 2009 en 21,22% in 2010 en zaken waarbij een minnelijke schikking werd voorgesteld, namelijk 12,46% in 2009 en 7,08% in 2010. Een gelijkaardig beeld is terug te vinden bij die zaken met betrekking tot mest. Het procentuele aandeel van de zaken met betrekking tot mest in vooronderzoek daalde van 30,23% in 2009 naar 16,62% in 2010. Het aandeel dat zonder gevolg werd gesteld steeg echter enorm van iets meer dan de helft van de zaken met betrekking tot mest in 2009 naar 70,77% in 2010. In tegenstelling tot 2009 werden er in 2010 wel zaken met betrekking tot mest gedagvaard, al betrof het slechts 1,23% van het totaal aantal zaken met betrekking tot mest. Het aandeel van de minnelijke schikkingen daalde echter van bijna 5% in 2009 naar ongeveer 1% in 2010. Het merendeel van de zaken met betrekking tot vergunning bevond zich op de extractiedatum nog in vooronderzoek al daalde dit aandeel wel van 60,93% in 2009 naar iets meer dan de helft in 2010 en dit onder meer ten voordele van het procentuele aantal zaken dat werd gedagvaard. Dit aandeel steeg immers van 2,31% in 2009 naar 6,68% in 2010. 157 157


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Meer dan de helft van de zaken met betrekking tot lucht/water/bodem/geluid werd zonder gevolg gesteld al bleef emissies ook in 2010 het hoogste percentage dagvaardingen kennen en steeg dit aandeel zelfs van 6,45% in 2009 naar 7,31% in 2010. Er werden daarentegen wel procentueel minder minnelijke schikkingen voorgesteld bij de zaken met betrekking tot emissies. Met betrekking tot de dossiers inzake milieubeheer daalde het procentueel aantal dat zich in vooronderzoek bevond van 43,80% in 2009 naar 26,48% in 2010. Daarentegen steeg echter wel het procentueel aandeel van de zaken dat zonder gevolg werd gesteld van 38,99% in 2009 naar 53,81% in 2010. Ook werden er procentueel minder minnelijke schikkingen voorgesteld ten aanzien van de zaken met betrekking tot milieubeheer, al steeg het aandeel van de dagvaardingen wel. Terwijl er kan worden vastgesteld dat ten aanzien van 2009 het procentuele aandeel van de zaken ’Milieuhandhaving’ dat zich nog in onderzoek bevond op de extractiedatum in 2010 daalde, kan algemeen worden geconcludeerd dat minimaal ongeveer 35% en maximaal 70,77% van de zaken met betrekking tot milieuhandhaving zonder gevolg werd gesteld/geseponeerd. Dit is aanzienlijk meer dan het minimum en maximum van 2009, namelijk minimum 30% en maximum 50%. In het volgende onderdeel zal er dan ook meer aandacht worden geschonken aan de redenen tot seponeren. KANTTEKENING: In bovenstaande analyse werden alle zaken ‘Milieuhandhaving’ die zonder gevolg werden gesteld en dus werden geseponeerd door de parketten in het Vlaamse Gewest samengeteld. Er werd immers aangehaald dat 55,05% van de zaken met betrekking tot milieuhandhaving zonder gevolg werd gesteld/geseponeerd door de parketten van het Vlaamse Gewest. Dit cijfer dient echter te worden gerelativeerd. Er moet namelijk rekening worden gehouden met het feit dat een groot aantal zaken dat binnenkomt bij de parketten in feite niet vervolgbaar is. De ‘ter beschikking gestelde’ zaken en de ‘technische sepots’ dienen vervolgens buiten beschouwing te worden gelaten. Er wordt dus meer gevolg verleend aan milieudossiers dan de hierboven gestelde cijfers. Er dient immers enkel te worden gekeken naar de ‘vervolgbare zaken’. Voor de zaken ‘Milieuhandhaving’ die werden geregistreerd bij de parketten in 2010 zou het dan gaan om een aantal van 4.556 vervolgbare zaken in plaats van 6.367. Op die manier dient er te worden berekend dat eigenlijk reeds in 9,11% van de geregistreerde zaken een minnelijke schikking werd voorgesteld in plaats van de bovenstaande 6,52% en dat reeds 5,97% van de zaken gedagvaard werd in plaats van 4,27%. Deze lijn kan echter nog verder worden doorgetrokken. Als ook de ‘andere sepots’ (administratieve geldboete, praetoriaanse probatie, seining van de dader) en de ‘opportuniteitsepots waar kon aangetoond worden dat de toestand geregulariseerd werd’, buiten beschouwing worden gelaten (vide infra), ligt het cijfer van de vervolgbare zaken lager en het percentage van zowel de minnelijke schikkingen als de gedagvaarde zaken hoger voor de zaken ‘Milieuhandhaving’, geregistreerd bij de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010. Dit geeft een totaal van 3.242 zaken, waarvan dus in 12,80% van de gevallen een minnelijke schikking werd voorgesteld en reeds 8,39% werd gedagvaard. In vergelijking met 2009 is dit een procentuele daling van het aantal voorgestelde minnelijke schikkingen, maar wel een procentuele stijging van het aantal dagvaardingen. Het aantal minnelijke schikkingen daalde met 3,74 procentpunten (van 16,54% in 2009 naar 12,80% in 2010) en het aantal dagvaardingen steeg met 3,77 procentpunten (van 4,62% in 2009 naar 8,39% in 2010).

158 158


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4.1.3

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Motieven tot seponeren

In bovenstaand onderdeel met betrekking tot de vooruitgangsstaat van de zaken ‘Milieuhandhaving’ werd vastgesteld dat d.d. 10 januari 2011 reeds 55,05% zonder gevolg werd gesteld door de parketten in het Vlaamse Gewest. Er werden echter ook voor de opmaak van dit milieuhandhavingsrapport cijfers ter beschikking gesteld van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving die een verdere duiding geven van de zaken die zonder gevolg werden gesteld. Bij de zaken die zonder gevolg werden gesteld is het immers van belang om rekening te houden met het motief tot seponeren. Het Wetboek van strafvordering, artikel 28 quater al. 1, ingevoegd door de wet van 12 maart 1998, legt aan de procureur des Konings de verplichting op zijn beslissingen te motiveren. De parketten beschikken over een verfijnde lijst van motieven ‘zonder gevolgstelling’ die uniform is voor het hele land en geformaliseerd is als gevolg van de Franchimonthervorming. Deze lijst – en de mogelijke rubrieken – werd opgenomen in omzendbrief COL12/98 van het College van procureurs-generaal betreffende de toepassing van de wet van 12 maart 1998. In deze cijfergegevens werd volgende classificatie aangehouden: Opportuniteitssepot: • beperkte maatschappelijke weerslag • toestand geregulariseerd • misdrijf van relationele aard • nadeel gering • redelijke termijn overschreden • afwezigheid van voorgaanden • toevallige feiten met oorzaak • jeugdige leeftijd • wanverhouding strafvordering – maatschappelijke verstoring • houding van het slachtoffer • vergoeding van het slachtoffer • te weinig recherchecapaciteit • andere prioriteiten Technisch sepot: •

geen misdrijf

•

onvoldoende misdrijven

•

verjaring

•

overlijden van de dader

•

klachtafstand (bij klachtmisdrijf)

•

amnestie

•

onbevoegdheid

•

kracht van gewijsde

•

immuniteit

•

strafuitsluitende verschoningsgrond 159 159


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

•

gebrek aan klacht

•

dader(s) onbekend

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Sepot omwille van andere redenen: •

administratieve geldboete

•

pretoriaanse probatie

•

seining van de dader

Onbekend/error: zaken waarvoor niet kon worden achterhaald welk motief ten grondslag lag aan de zonder gevolgstelling. Het onderscheid tussen een technisch motief en een opportuniteitsmotief is echter niet altijd even strikt te maken. Een gedeelte van de zaken dat om technische redenen wordt geseponeerd, kan immers gelijk worden gesteld met een opportuniteitssepot. In onderstaande tabel wordt een beeld gegeven van het soort ‘zonder gevolgstelling’ (opportuniteitsepot; technisch sepot en andere reden van sepot) dat werd aangegeven door de verschillende parketten in het Vlaamse Gewest ten aanzien van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die zich in de vooruitgangsstaat ‘zonder gevolgstelling’ bevonden d.d. 10 januari 2011. Aan de hand van de cijfergegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 is het mogelijk om een procentuele vergelijking te maken van het aandeel van de verschillende soorten ‘zonder gevolgstelling’ ten aanzien van het totaal aantal zaken dat zonder gevolg werden gesteld in 2009 en 2010.

160 160


161

het correctioneel parket in 2009

287

160

228

Kortrijk

Tongeren

250

461

901

643

151

231

59

408

112

678

242

140

44,49%

262

160

228

161

227

Turnhout

Hasselt

Tongeren

Leuven

Brussel

461

380

419

287

531

245

550

311

40,99%137 197

50,44%

49,38%

50,00%182 327

44,23%

30,00%

29,55%282

46,65%

43,69%

51,10%671 392

108

388

439

%

44,49%

40,99%

50,44%

49,38%

50,00%

44,23%

67,46% 30,00%

51,84%

29,55%

57,76%

48,78% 46,65%

61,58%

43,69%

61,63%

42,00% 51,10%

43,07%

27,08%

60,18%

61,54% 26,11%

60,96%

40,55%

38,30%

3.505

311

197

242

140

327

151

231

61,39%

59 19,70%

47,83%

408

36,71%

112 15,27%

32,61%

392

26,67%

108 23,08%

16,34%

388

20,00%

439 82,82%

34,62%

24,53%

n 18,64%

% 65,42% 43,06% 41,35%

35,68%

%

2009

55,05%

2009

2010

166

53

88

52

67

48

92

15

4

24

310

29

71

89

1.108

%

67,46%

51,84%

57,76%

48,78%

61,58%

61,63%

53,38%

42,00%

43,07% 26,90%

36,36%

37,14%

60,18%

61,54% 20,49%

31,79%

39,83%

60,96%

38,30% 25,42%

0,98

21,43%

43,06%

65,42% 79,08%

26,85%

18,30%

55,05%

% 20,27%

31,61%

2010

2010

n

35,68%

24,53%

82,82%

61,39%

19,70%

47,83%

36,71%

15,27%

32,61%

26,67%

8,91%

23,08%

62,12%

40,87%

16,34%

54,43%

20,00%

45,04%

47,83%

32,00%

34,62%

50,00%

45,75%

46,67%

18,64%

17,18%

34,62%

64,15%

% 27,12%

38,88%

2009

%

2009

87

94

91

64

108

68

54

18

266

50

66

38

252

124

n

2010

166

53

88

52

67

48

92

15

4

24

310

29

71

89

27,97%

47,72%

37,60%

45,71%

33,03%

45,03%

23,38%

30,51%

65,20%

44,64%

16,84%

35,19%

64,95%

28,25%

53,38%

26,90%

36,36%

37,14%

20,49%

31,79%

29,70%

39,83%

25,42% 18,18%

11,30%

8,86%

0,98

21,43% 39,69%

19,57%

41,33%

79,08%

26,85% 26,92%

37,91%

33,33%

18,30%

20,27% 0,00%

30,77%

11,32%

%54,24%

25,44%

%

2009

31,61%

2010

%

39,37%

1.108

1.380

n

2010

8,91%

62,12%

40,87%

54,43%

45,04%

47,83%

58 32,00%

50

50,00%

63

24 45,75%

152

46,67%

35

85 17,18%

26

34,62%

137

38 64,15%

16

27,12%

41

65 38,88%

% 226

1.016

2009

n

18,65%

25,38%

26,03%

17,14%

46,48%

23,18%

36,80%

44,07%

33,58%

33,93%

4,08%

37,96%

16,75%

51,48%

28,99%

%

87

94

91

64

108

68

54

18

266

50

66

38

252

124

1.380

n

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

2010

%

2009

27,97%

47,72%

37,60%

45,71%

33,03%

45,03%

0

23,38%

30,51% 0

0

0

65,20%

44,64% 0

0

0

16,84%

35,19% 0

1

0

64,95%

28,25% 0

0

0

39,37%

%0

1

n

Onbekend/error van zaken

Technisch sepot van zaken

Andere reden van sepot van zaken

2010

2009

25,44%

11,32%

0,00%

37,91%

29,70%

18,18%

11,30%

8,86%

39,69%

19,57%

41,33%

0,00%

26,92% 0,00%

0,00%

0,00%

33,33% 0,00%

0,00%

0,00%

30,77% 0,00%

0,25%

0,00%

54,24% 0,00%

0,00%

0,00%

0,00%%

0,03%

%

58

50

63

24

152

35

85

26

137

38

16

41

65

226

1.01

n

Andere reden van sepot v

Per parket, zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2009 en 2010 en aandeel opportuniteitssepots, technische sepots en se vergeleken met vooruitgangsstaat op 11 januari 2011) 161

104

Tabel 55)

6.367

27,08%

26,11%

40,55%

n

3.505

2010

41,35%

%

Opportuniteitsepot van zaken

Technisch sepot van zaken

Per parket, zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2009 en 2010 en aandeel opportuniteitssepots, technische sepots en sepots om andere reden (vooruitgangsstaat op 10 januari 2010 vergeleken met vooruitgangsstaat op 11 januari 2011)

227

88

380

419

328

103

Mechelen

Tabel 55)

Brussel Antwerpen

Leuven

Veurne

Hasselt

161

531

262

Ieper Turnhout

245

104

319

Mechelen

Brugge

550

96

137

678

250

88

328

406

182

103

291

643

319

Antwerpen

Oudenaarde Veurne

Kortrijk

Gent

Ieper

Dendermonde Brugge

282

901 3.023

96

406

Oudenaarde

Vlaanderen

Gent

671

291

Dendermonde

2009

6.367

3.023

2010

Vlaanderen

2009

Aantal zakenAantal ‘milieu- zaken ‘milieuhandhaving’ handhaving’ geregistreerd door Behandeling zonder gevolg van zaken Opportuniteitsepot van zaken het correctioneel geregistreerd door Behandeling zonder gevolg van zaken parket in

Milieuhandhavingsrapport 2010

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid Milieuhandhavingsrapport 2010 VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Van de 6.367 zaken ‘Milieuhandhaving’ die bij de parketten in het Vlaamse Gewest werden geregistreerd in 2010 kan er worden vastgesteld dat 31,61% van de zaken die zonder gevolg werden gesteld, werd geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen, namelijk 1.108 zaken. Algemeen betrof het vaak een seponering omwille van het feit dat de zaak een beperkte maatschappelijke weerslag had (314 zaken) of de toestand reeds was geregulariseerd (298 zaken). In 2009 lag het aandeel opportuniteitssepot ten aanzien van het totaal aantal zaken dat zonder gevolg werd gesteld iets hoger, namelijk 35,68%. Toch kunnen hier grote regionale verschillen worden vastgesteld. Zo seponeerde het parket van Brugge meer dan 48,21% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2010 wegens opportuniteitsredenen. In Kortrijk werd daarentegen amper 0,59% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2010 geseponeerd wegens opportuniteitsredenen. Deze aanzienlijke verschillen zouden eventueel kunnen wijzen op het belang of de opportuniteit die in diverse parketten wordt geschonken aan milieuzaken. Verder onderzoek naar een verklaring voor deze verschillen is echter aangewezen. In dit kader kan echter wederom worden gewezen op het feit dat er op 1 november 2010 een parketsamenwerkingsverband (PSV) werd opgestart in de provincie West-Vlaanderen, waarbij het parket te Kortrijk vanaf deze datum alle zogenaamde ‘A-lijst milieumisdrijven’ (dit betreffen alle leefmilieudossiers uitgezonderd de zogenaamde ‘leefbaarheidmisdrijven’ zoals sluikstorten, afvalverbranding door particulieren, geluidshinder, riviervisserij en inbreuken op het Bosdecreet) van de overige West-Vlaamse parketten (Brugge, Veurne en Ieper – tussen de parketten van Ieper en Kortrijk bestond trouwens reeds sedert 1 januari 2008 een gelijkaardig parketsamenwerkingsverband) behandelt (zie supra). In totaal werd bijna 40% van de zaken ‘Milieuhandhaving’ dat zonder gevolg werd gesteld, geseponeerd om technische redenen, namelijk 1.380 van het totaal van 3.505 zaken dat in 2010 zonder gevolg werd gesteld. Dit percentage is gelijklopend met dat van 2009. De reden hiervoor was meestal het feit dat er onvoldoende bewijzen konden worden aangebracht (656 zaken) of het feit dat de daders onbekend waren (414 zaken). Ook hier weer kunnen regionale verschillen worden gedetecteerd en vormen de twee uitersten ook weer de parketten en Kortrijk en Brugge. In 2010 seponeerde het parket van Brugge slechts 16,84% van de zonder gevolg gestelde zaken ‘Milieuhandhaving’ omwille van technische redenen, terwijl dit percentage bij het parket van Kortrijk ligt op 65,20%. Ook hier zou verder onderzoek mogelijks een verklaring kunnen bieden. Hier dient echter te worden opgemerkt dat een gedeelte van de technische seponeringen de facto gelijk zou kunnen worden gesteld aan opportuniteitssepots. Het motief ‘dader onbekend’ is een technische seponeringsgrond, maar de daders blijven in vele gevallen onbekend omdat de opportuniteitsbeslissing wordt genomen om de daders niet te identificeren. Meestal is het nadeel van het misdrijf immers niet evenredig met de kosten van het opsporingsonderzoek. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 kon worden vastgesteld dat in 2009 (na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet op 1 mei 2009) reeds 25,44% van de zonder gevolg gestelde zaken of 10,13% van het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ werd geseponeerd om ‘andere reden’. Één van die andere redenen is, naast pretoriaanse probatie en seining van de dader, het seponeren met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. In het kader van het Milieuhandhavingsdecreet is het uiteraard belangrijk om te onderzoeken of het aandeel van het seponeren omwille van andere reden – en zodus ook de impact van het Milieuhandhavingsdecreet en de keuze die de procureurs des Konings met het decreet hebben gekregen om zaken betreffende milieumisdrijven over te maken aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer – is toegenomen in 2010 ten opzichte van 2009. In totaal werd 25,44% van alle zaken ‘Milieuhandhaving’ in Vlaanderen in 2009 (na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet) wegens ‘andere reden’ geseponeerd. In 2010 was dit 28,99%. Het is immers juist deze seponering om ‘andere reden’ die, naast pretoriaanse probatie en seining van de dader, de categorie van administratieve geldboete bevat.

162

Meer specifiek kan worden gesteld dat in 2009 (na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet) 23,92% van het totaal aantal zonder gevolg gestelde zaken ‘Milieuhandhaving’ 162


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

werd geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. In 2010 bedroeg dit 27,82%. Dit is een stijging van bijna 5 procentpunten. Indien er wordt gekeken naar het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ werd in 2009 9,89% geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete, in 2010 bedroeg dit 15,31%. Dit zou kunnen wijzen op het feit dat de parketten er in 2010 aanzienlijk meer voor hebben gekozen om een zaak te seponeren met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer en dat een stijgende invloed van het Milieuhandhavingsdecreet kan worden vastgesteld en dat er in stijgende lijn meer dossiers worden overgemaakt voor bestuurlijke beboeting. Toch zijn ook hier weer regionale verschillen merkbaar. Zo seponeerden de parketten van Gent, Brugge en Hasselt om ‘andere reden’ respectievelijk slechts 16,75% (65 zaken), 4,08% (16 zaken) en 17,14% (24 zaken) van de dossiers die zonder gevolg werden gesteld in de bestudeerde periode. In Dendermonde daarentegen werden 226 zaken geseponeerd om ‘andere reden’ (51,48% van het totaal aantal zonder gevolg gestelde zaken). In Veurne ging het over 26 zaken of 44,07% en in Turnhout over 152 zaken of 46,48%. Deze laatste percentages liggen beduidend hoger dan het gemiddelde van 28,99%. In onderstaande tabel worden de motieven tot seponeren weergegeven per rubriek van de tenlasteleggingscodes (afval, mest, vergunning, emissies en milieubeheer) en dit zowel voor 2009 en 2010 in procentuele gegevens ten aanzien van het totaal aantal geseponeerde zaken per rubriek en in reële cijfers voor 2010. Dit maakt het mogelijk om onder meer een beeld te vormen van welk soort zaken om welke redenen wordt geseponeerd en welke invloed dat het Milieuhandhavingsdecreet hierop heeft.

163 163


148

n 8,78%

%

2010

2009 %

geregulariseerd 0,47% 5

0 0,30%

0,00%

6

2010

0,00%

2,27%

2010 %

0

25

70

0,65% 0,84%

29

1

17

4

7,14% 2,60%

0,00%

0,00%

0

8,40%

0,84% 0,00%

2 5

0,00% 0,00%

1,68%

2010

48 0 0 0 3 6 3 0

1

26

0

3,88%

0,19%

5,62%

0,78%

3,29%

Lucht/water/bodem/ geluid (emissies)

Totaal

2009 %

70

n

298 10,03%8,50%

10,38%

0,09%

0,00%

0

0

1

17,97%

3,59%

50,17%

13,15%

407

115

53,06%

14,99%

33,12%

16,88%

0,00%

0,00%

16

79

0

0

14

11

26,62%

164

0

55

18,25%

0,00%

0,00%

140

0,00%

14,29%

8,65%

0

0,87%

54,25%

0,00%

11,74%

166

0,33%

2

51,26%

1

27

44,78%

0,00%

0,00%

103

0,00%

2,27% 65,91%

0

12,28%

24,79%

0,00%

42,88% 418

0,06%

207

22,20%

1

723

0,31%

13,98% (28) administratieve geldboete

42,24%

(29) pretoriaanse probatie

Totaal rubriek

(26) dader(s) onbekend

Milieubeh

%

20,78%

25

15,69%

110,00%0,31%

0,23%

0,00%

0,65%

2010

3,25%

0

3,20% 0,00%

0,66%

3

13,11% 0,03%

27,82%

39,37%

0

0,39%

n

8,08%

0,00%

20

2,40%

3,25%

0,35%

84

114

2,72%

4,72%

2,11%

0,00%

8,96%

62

5,61%

1,95%

1

74

1,04%

1,92%

0,00%

0

38

8,30%

11

0,31%

0,98% 0,08%

0,39%

0,24%

0,48% 1,96%

0,00%

%

43

0,00%

0,65%

29

2010 n 2009 %

0

0,26%

7,14%

4

0,97%

31,61%

5,54%3,79%

1.108

7,59%

133

35,68%

266

2,24% 0,98%

7,20%

5,04%

4,26%

23

0,00%18,72%

656

0,00%

18,96% 0,00%

0,14%

8

0,35%

5

0,08%

0,11%

0,08%

0,24%

4

0,00%

0,00%

0,00%

3,920,00%

0,00%

0,00%

975

1.380

15,31% 27,45% 12,32%

23,92%

0,06%

10,00% 0,03%

3

0,65%

28,99%

10,00%0,03%

0,65%

100,00%

5

3.505

0,35%

1.016

2

38,88%

3,92%

0,16%

0,00% 0,00%

25,44%

0,00%

100,00%

0,65%

0,00% 0,00%

100,00%

0,00%

28,88%

0,19%

0,00%

28,68%

32,56%

0,00%

0,00%

0,00%

0,19%

0,19%

12,60%

38,57%

314

2

0,26%

2,60%

17

2009 %

2

1,69%

0,00%

0

%11,28%

13

7,04%

0,00%

2

13,57%

54

1,69%

0,00%

5

n

13

0,00%

0,00%

26

8,00% 3,92%

0

0,13%

3,90%

22

19

4,84%

1

0,00%

7,14%

40,26%

1

65

12

0

3,39%

7,79%

0,00%

2,08%0,00%

26

17,86%

28,16%

0,00%

0,88%

1,08%

137

414 11,81% 216 41,18%

1,96%

17,08%

0

16,26%

15

131

31

20,42%

0,24%

390,00%1,11%

0,56%

8,50%

0,00%

0,33% 1,36%

% 2010

Milieubeheerrecht Vergunning 2009

3,25% 5,04%

20

n

0,00%

% 2009 20,78% % 5,61%

1,95%

8,08%

0,00%

2010n 62%

Lucht/water/bodem/ geluid (emissies)

2009 %

0,26%

43 9,57% 0

7,04%

0,00%

15,97% 2

0,26%

21,30% 2 0,00%

1,69%

0,35%

13

49

01,04%

1,74% 8,30%

2,08%

4

54

0,98% 1,96%

1,69%

0

1

0,00% 13 5,54%

0,00%

0,00%

0

0,87% 0

0,98%

20,00% 0,00%

0,00%

0,00%0,00%

0,35%

2,61% 0,00%

0,13%

6

0,00%

0,00% 0 0,00%

1,68%

3

3

0,84%

0,47%

Mest

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

n

Vergunning

12

2010

2009 %

Afval

% 5,04%

Mest

% 2010

2009 9,57%

0

n10,03%

n

15,97% 8,78%

0

2009 % % 3,92%

22n

0,84%

2009% %27,27% 21,30%

0,00%

10,38% 22

0,00%

15,69% 48 27,27%

49 148

1,74%

2,61% 0,43%

0,00%

0

8

0,00%

4

6,99%

6

8,40% 0,00%

7,89%

0,00%

0,00%

2,27%

0,00% 0,31%

2,19%

133

0,00% 00

(1) beperkte 6,99% 133 7,89% 9,63% 2,27% maatschappelijke weerslag

9,63%

Afval

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving

(4) nadeel gering 0,47%

2,61%

4,04%

0

0,84%

37

(5) redelijke termijn

2,19% 0,00%

0,30%

44

1

0,00%

0

2,27%

199

0

0

40,26%

1

26

28,16%

22 0,00%

3,90% 0,84%

216

7,14%

3,39%

27,45%

17,86% 1,96%

0 0

1

0

0,00% 0,65%

0,00%

0,65%

0,00% 0,39%

0

12

0

0,65%

0

148

168

1 0

2

0 516

0

149

0

3

0,00%

79

26,62%

5,04%

0,00%

8,40%

0,00% 0,00%

0

33,12%

16,88% 34,45%

0,00%

5

0,13%

0,00% 0,84%

0,00% 1

0,00% 0 6,96%

18,25%

53,06%

115 14,99% 43,48% 140

407

0,00% 0,52%

0,00% 0,00%

26,62% 0,00%

0,00% 0,00%

18,77%

0,00%

100,00%

0,84%

12

84

0,00%

15

26 0,43%

84

137

65

41,18%

34,45%

16,26%

7,79% 0,00% 0,00%

0,35% 0,00%

0

0,00%

0

0,00%

13,11%

6,96%

3,92%

17,08%

0,00%3,92 43,48%

12

131 0,00% 0,00%

0,65%

0,00%0,98%

0,00%

0,00%

0,33%

0,00%

12

16

5,04%

020,42% 1

0

0

2

0,00% 0,00%

2,08%

0,00%

0,84% 2.37%

100

9,52%

8,50%

40 22

26

37

0,87%

2,48%

0,00% 0

(6) afwezigheid van

5

4,35% 2.37%

2,48% 0,00%

0,00%

0,00%

0,00% 2,61%

2

(6) afwezigheid van voorgaanden

40 0,00%

0,00%

6

0,00%

(7) toevallige feiten met oorzaak

0

0 44

0,47%

31,82%

0,00% 1,09%

2,27%

30,19% 4,33%

8,40% 0,00%

0

0,00%

0,00%

1,30% 3 0

0,00% 0,16% 0,00%

0,36%

35

0,84%

0,36%

0

0,00% 0

3

0,00%

0,00%

0,00%

6

0,00%

0,00%

0,47%

0

0,78%

0

25,56%

0,00% 0,06%

0,00%

6

0

0,24%

het 431

73

0,47%

(9) wanverhouding overschreden strafvord.-maatschap. 1,09% Verstoring

2,08% 0,00%

0,00% 4,35%

(4) nadeel gering

(10) houding van het 0,16% voorgaanden slachtoffer

0,36%

oorzaak

(12) te weinig recherchecapaciteit

3,88%

(9) wanverhouding 1,86% 53 strafvord.-maatschap. 32,61% 509 Verstoring

(13) andere prioriteiten

Totaal rubriek (15) geen misdrijf

slachtoffer0,00%

(10) houding (16) onvoldoende bewijzen 24,22%van (17) verjaring

0,00%

vergoeding van4 het 0,16% slachtoffer

(18) overlijden van de (11) dader (21) onbevoegdheid

0,00%

0,00%

(22) kracht van gewijsde 0,00% recherche1 (12) te weinig 0 capaciteit0,00% (23) immuniteit

0,00% 3,14%

160,00% 0,00% 30,19%

0,00% 1,86%

0,00% 0 0,00%

0,00% 0,00% 32,61%

2 509

0,87%

0,06%

13,15% 100

0,00%

8,65%

9,52%

50,17%

22 54,25%

17,97%

2,27%

1,30%

55

0,00% 4

166

3

0

00,00%

0,00% 0 0,00%

0,33%

0,00%

51,26%

4,33%

0,00%

0,36% 0,00%

767

144

0,00% 0

100,00%

8,65%

00,00%

0,00% 0

54,58% 0,00% 0 0,00%

00,00%

167

0,00% 0 0,00%

0,00% 100,00%

0,00% 306

100,00%

0

1

14,29%

3,59% 11 31,82%

053 12,28%

44,78%

73

11,74%

3,88%

0,00%

0,24% 0,00%

51,26% 0,00%

100,00%

0,06%

0,00% 0,00% 100,00%

0,00%

0,00%

431 0

06

0,00%

0,00% 0,00%

24,22%

44,78% 04

00

1 230

25,56%

27

207

0,00% 1 andere prioriteiten

0,06%

103

24,79%

42,88%

2,02%

2,27% 418

723

1

103

0,16% 0,00%

65,91% 0,06%

100,00%

0,00%

0,00% 0,00% 100,00%

0,06%

26,87%

34

1.686

65,91%

22,20%

42,24%

geen misdrijf

13,98% Totaal rubriek

(24) strafuitsluitende verschoningsgrond (13) (26) dader(s) onbekend

Totaal rubriek

(28) administratieve(15) geldboete

verjaring 2,64%

0,31%

(16) onvoldoende bewijzen

(29) pretoriaanse probatie

100,00%

(22) kracht van gewijsde

0,00% 1 (21) onbevoegdheid

25,16% van453 (18) overlijden de 0,00% 1 dader

(30) seining van de(17) dader

Totaal rubriek Onbekend/error

Totaal rubriek

nder

(23) immuniteit 0,00% 0,00% 0,00% 0,98% 1 0 0,00% 0 0,00% 3 0,00% 0,13% Per rubriek van tenlasteleggingscodes, zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 en aandeel opportuniteitssepots, technische sepots en sepots om andere reden (vooruitgangsstraat op 10 (24) strafuitsluitende januari 2011) vergeleken met het aandeel in 2009 (vooruitgangsstaat0,00% op 10 januari 2010) 1 0,06% 0,00% 0,00% 0,00% 0,00% 0 0,00% 0 0,00% 0 verschoningsgrond

Totaal

3,14%

(11) vergoeding van(7) het toevallige feiten met 0,78% 35 slachtoffer

(5) redelijke termijn(3) overschreden

misdrijf van relationele 4,04% 8 aard

(3) misdrijf van relationele 0,31% aard (2) toestand

(2) toestand geregulariseerd

(1) beperkte maatschappelijke weerslag

Milieuhandhavingsrapport 2010 VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Tabel 56)

Opportuniteit

Technisch

Opportuniteit Technisch Ander Onbeken d/ error


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

In totaal werd 55,05% van de geregistreerde zaken in 2010 geseponeerd. Het betrof 3.505 van de 6367 zaken. 31,61% werd geseponeerd om opportuniteitsredenen. De twee voornaamste opportuniteitsredenen waren de beperkte maatschappelijke weerslag en de geregulariseerde toestand. In 39,37% van de gevallen, oftewel 1.380 zaken, betrof het een technisch sepot. De voornaamste redenen hiervoor waren onvoldoende bewijzen en onbekende daders. Zoals reeds hoger werd aangestipt, werd bijna 16% van al de geregistreerde zaken geseponeerd omwille van ‘andere’ redenen, met als voornaamste oorzaak het opleggen van een bestuurlijke boete (hetzij aan AMMC, hetzij aan de Mestbank). Zo werd in 2010 15,31% van het totaal aantal geregistreerde zaken geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Het dalen van het procentuele aandeel van de opportuniteitssepot en de stijging van het procentuele aandeel ‘andere redenen’ zou kunnen wijzen op het feit dat deze twee categorieën van sepot “communicerende vaten” zouden kunnen zijn. Een mogelijke verklaring voor het feit dat het aantal opportuniteitssepots duidelijk wordt teruggedrongen zou mogelijk kunnen worden gevonden in het aandringen van de parketten-generaal, AMMC en de VHRM (bv. in het Milieuhandhavingsrapport 2009) bij de verschillende Vlaamse milieumagistraten om de mogelijkheden van het Milieuhandhavingsdecreet optimaal te benutten. Indien er specifiek wordt gekeken naar de rubrieken van de tenlasteleggingscodes van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die worden geseponeerd, kan het volgende worden geconcludeerd: -

Afval: de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest registreerden in 2010 in totaal 2.682 zaken met betrekking tot afval. 62,86% van deze zaken werd geseponeerd. Van deze 1.686 geseponeerde zaken werden de meeste geseponeerd om van onvoldoende bewijzen (technisch sepot), namelijk 26,56% van de geseponeerde zaken met betrekking tot afval. Daarnaast werd echter wel bijna 25%, oftewel 418 zaken, geseponeerd omwille van het feit dat deze werden overgemaakt naar de bevoegde instantie voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit is een lichte stijging in vergelijking met 2009. Opvallend is het feit dat van al de zaken die werden overgemaakt voor het opleggen van een bestuurlijke boete 42,87% betrekking had op afval.

-

Mest: in 2010 werden er door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest 325 zaken met betrekking tot mest geregistreerd. 70,77% hiervan werd geseponeerd, voornamelijk omwille van opportuniteitsredenen en met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Zo werden immers 49 zaken geseponeerd omdat de toestand geregulariseerd werd (opportuniteitsreden) en 103 zaken werden geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Slechts 11,74% van de geseponeerde zaken met betrekking tot mest werd geseponeerd om van technische redenen. Van al de zaken die werden geseponeerd voor het opleggen van een bestuurlijke boete had 10,56% betrekking had op mest.

-

Vergunning: de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest registreerden in 2010 in totaal 868 zaken met betrekking tot vergunning. Hiervan werden er 306, ofwel 35,25%, geseponeerd. Opmerkelijk is het feit dat meer dan de helft (54,25% oftewel 166 zaken) van de geseponeerde zaken, werd geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Daarnaast werd bijna 16% geseponeerd omdat de toestand geregulariseerd werd (opportuniteitssepot). Van al de zaken die werden geseponeerd voor het opleggen van een bestuurlijke boete had 17,03% betrekking had op vergunning.

-

Emissies: in 2010 werden er door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest 1.533 zaken met betrekking tot lucht/water/bodem/geluid geregistreerd. Meer dan 50% van deze zaken werd geseponeerd. In meer dan de helft van de geseponeerde zaken had de motivering betrekking op technische aspecten zoals bijvoorbeeld het feit dat er geen misdrijf werd gepleegd (137 zaken), er onvoldoende bewijzen waren (131 zaken) en dat de daders onbekend waren (115 zaken). In 28,16% van de geseponeerde zaken betrof het een opportuniteitssepot, zoals beperkte maatschappelijke weerslag (62 zaken) en toevallige feiten met oorzaak (54 zaken). Slechts 18,25% werd geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Aangezien dit toch 140 zaken betrof, kan worden vastgesteld dat van al de zaken die werden overgemaakt voor het opleggen van een bestuurlijke boete 14,36% betrekking had op emissies. 165 165


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

-

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Milieubeheerrecht: de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest registreerden in 2010 in totaal 959 zaken met betrekking tot milieubeheerrecht. Hiervan werden er 516, oftewel 53,81%, geseponeerd en dit meestal omwille van opportuniteitsredenen. Zo werden 70 zaken geseponeerd omwille van het beperkte maatschappelijke belang en 29 zaken omwille van de afwezigheid van voorgaanden. In 32,56% van de geseponeerde zaken betrof het een technisch sepot, voornamelijk omdat de daders niet waren gekend of dat er onvoldoende bewijzen waren. 28,68% van de geseponeerde zaken werd geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Aangezien dit 148 zaken betrof, kan worden vastgesteld dat van al de zaken die werden overgemaakt voor het opleggen van een bestuurlijke boete 15,18% betrekking had op emissies.

In vergelijking met 2009 kan worden vastgesteld dat het procentueel aandeel van de zaken die worden geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen is afgenomen in 2010, namelijk van 35,68% van het totaal aantal geseponeerde zaken in 2009, naar 31,61%. Daarentegen steeg wel het procentueel aandeel van die zaken die werden geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. In 2009 bedroeg dit namelijk 23,92% van al de geseponeerde zaken, terwijl dit in 2010 reeds 27,82% bedroeg. Uit bovenstaande cijfers blijkt dat er weliswaar nog steeds wordt geseponeerd, maar dat er toch van het alternatief – zijnde de administratieve geldboete – in toenemende mate wordt gebruik gemaakt. Dit betekent dat er voorzichtig kan worden gewezen op een succes van het Milieuhandhavingsdecreet. Uiteraard is een werkelijk zicht op de uitwerking van het Milieuhandhavingsdecreet op de activiteiten van de milieuhandhavingsactoren pas mogelijk na een aantal jaren; toch kan de tendens die uit bovenstaande cijfers blijkt als positief worden beschouwd. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 was er echter sprake van grote regionale verschillen. Ook in 2010 kon deze regionale diversiteit worden afgeleid uit de cijfers, al bleek een lichte afvlakking in het verschil tussen de minimum en de maximum percentages merkbaar. Zo kon met betrekking tot 2009 worden vastgesteld dat het parket van Brugge geen enkel dossier had overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, terwijl het parket van Dendermonde 54,24% van de geseponeerde zaken seponeerde om van ‘andere reden’, waaronder de administratieve geldboete. In 2010 werd in het parket van Brugge 4,08% geseponeerd om ‘andere redenen’ en in het parket van Dendermonde nog 51,48%. Het feit dat tussen de parketten voor wat betreft de vervolging van milieudelicten nog steeds aanzienlijke verschillen bestaat, dient nadere aandacht te krijgen omdat dit de uniformiteit van de vervolging van milieudelicten kan beïnvloeden. Daarnaast is het wederom van belang om verder te onderzoeken welke dossiers die door de parketten worden geseponeerd om opportuniteitsredenen eventueel nog in aanmerking kunnen komen voor bestuurlijke afhandeling door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. Het is immers van belang dat elke misdrijf een passend gevolg krijgt. In dit kader zou kunnen worden gedacht om die zaken die worden geseponeerd wegens van andere prioriteiten – het betreft hier toch in totaal 133 ofwel bijna 4% van al de geseponeerde zaken – zoveel mogelijk te laten beboeten door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. Daarnaast is het mogelijk dat een deel van de dossiers waarbij de “toestand werd geregulariseerd”, er “afwezigheid van voorgaanden” zijn, het “slachtoffer werd vergoed”, en er een “beperkte maatschappelijke weerslag” is, dossiers zijn die wellicht ook voor bestuurlijke beboeting in aanmerking zouden kunnen komen. De grote regionale verschillen en de mogelijkheid om nog een groter deel van de opportuniteitssepots bestuurlijk te laten beboeten, betekenen dat de nu reeds zichtbare positieve tendens nog verder kan worden verstrekt in de toekomst. In hoofdstuk 4.2 volgt een evaluatie van het bestuurlijke sanctioneringsbeleid en wordt er onder meer aangehaald op welke wijze de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer omgaat met de dossiers die de parketten deze afdeling van het departement LNE bezorgen.

166 166


167


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

parketten. Ook wees de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving in zijn Milieuhandhavingsrapport 2009 uitdrukkelijk op deze mogelijkheid en toonden de cijfergegevens aan dat er zeker ruimte was om nog meer dossiers over te maken aan AMMC (bv. bepaalde opportuniteitssepots). Dit heeft er vermoedelijk voor gezorgd dat de mogelijkheid tot bestuurlijke sanctionering nog ruimer gekend en in gebruik geraakte bij de verschillende parketten. Uit bovenstaande cijfers zou kunnen worden afgeleid dat bijna 17,28% van de processen-verbaal ‘Milieuhandhaving’ die bij de parketten werden geregistreerd in 2010 (een totaal van 6.367 zaken) reeds werden doorgestuurd naar AMMC met het oog op bestuurlijke beboeting (in totaal 1.100 processenverbaal). Een zekere discrepantie in de cijfergegevens is echter merkbaar (zie infra). Daar er dus een (beperkte) ruis zit in de te vergelijken gegevens, zal dit onderdeel dan ook voornamelijk gebaseerd zijn op de cijfers die de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving heeft ontvangen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. Onderstaande tabel geeft het aantal dossiers dat de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer heeft ontvangen van de parketten in 2010. Tevens wordt het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ weergegeven dat door de correctionele afdelingen van de parketten in het Vlaamse Gewest werd geregistreerd in 2010. Dit maakt het mogelijk om het percentage te berekenen van het aandeel van de dossiers dat bij elk parket wordt overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. PV’s ontvangen door AMMC van de parketten

Aantal zaken 'milieuhandhaving' geregistreerd door het correctioneel parket

Procentueel aandeel van de PV's doorgestuurd aan AMMC

1.100 230 157 11 81 29 138 28 69 23 136 8 85 55 50

6.367 671 901 282 643 182 678 182 550 245 531 287 419 380 461

17,28% 34,28% 17,43% 3,90% 12,60% 15,93% 20,35% 15,38% 12,55% 9,39% 25,61% 2,79% 20,29% 14,47% 10,85%

Vlaanderen Dendermonde Gent Oudenaarde Brugge Ieper Kortrijk Veurne Antwerpen Mechelen Turnhout Hasselt Tongeren Leuven Brussel96

Tabel 57)

Procentueel aandeel van de dossiers ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010, bezorgd aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE

Bovenstaande tabel geeft duidelijk weer dat meer dan 17% van al de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd bij de parketten in de bestudeerde periode werden overgemaakt aan AMMC voor het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Dit lijkt een positieve evolutie inzake de mogelijkheden die het Milieuhandhavingsdecreet biedt tot bestuurlijke afdoening.

96

Het betreft de parketten Brussel en Vilvoorde.

168 168


169


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Vlaanderen Dendermonde Gent Oudenaarde Brugge Ieper Kortrijk Veurne Antwerpen Mechelen Turnhout Hasselt Tongeren Leuven Brussel97

Tabel 58)

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Procentueel aandeel van de PV’s doorgestuurd aan AMMC

Procentueel aandeel van de PV's doorgestuurd aan AMMC

(1/5/2009-31/12/2009)

(1/1/2010-31/12/2010)

10,06% 19,24% 13,55% 5,21% 9,09% 6,80% 18,29% 4,55% 6,80% 4,81% 16,03% 1,88% 3,95% 5,59% 1,32%

17,28% 34,28% 17,43% 3,90% 12,60% 15,93% 20,35% 15,38% 12,55% 9,39% 25,61% 2,79% 20,29% 14,47% 10,85%

Procentueel aandeel van de dossiers ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010, bezorgd aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE Vorderingsstaten d.d. 10 januari 2010 en 10 januari 2011 van zaken „Milieuhandhaving‟ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaams Gewest tussen 1 mei 2009 en 31 december 2009 en tussen 25 juni 2009 en 13 december 2009 vergeleken met 2010 per (procentueel) aandeel rubriek tenlastelegging (afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer)

Zoals hoger reeds werd aangegeven steeg het procentueel aandeel van PV’s dat werd overgemaakt aan AMMC in 2010 met meer dan 7 procentpunten ten opzichte van 2009. Dit kan worden gezien als een positieve evolutie. Dit betekent immers dan in 2010 steeds meer dossiers werden overgemaakt aan AMMC met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete, wat nu net een van de doelstellingen was van het Milieuhandhavingsdecreet. Dit impliceert bovendien dat de parketten meer tijd kunnen besteden aan de meer gewichtige zaken, en dat er toch ook een passend gevolg wordt gegeven aan elk milieumisdrijf. Zoals hoger werd aangegeven is er echter nog ruimte voor een stijging van het percentage van dossiers dat wordt overgemaakt aan AMMC. Zo kunnen bijvoorbeeld bepaalde dossiers die momenteel nog worden geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen mogelijks worden doorgestuurd naar AMMC. Om deze reden kan worden verwacht dat dit percentage mogelijks nog gaat toenemen. Niet alleen is er nog ruimte om meer dossiers door te sturen, er is ook zeker nog sprake van een groeimarge indien er wordt gekeken naar de afzonderlijke parketten. Bovenstaande tabel geeft weer dat een procentuele stijging merkbaar is bij de meeste parketten, maar de sterkte van de stijging verschilt. Bovendien kan er bij het parket van Oudenaarde zelfs een daling worden vastgesteld. Daarnaast verschilt het percentage van dossiers dat aan AMMC wordt overgemaakt ook sterk. Zo stuurde het parket van Dendermonde 34,28% van hun geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ in 2010 door naar de AMMC, terwijl dit in 2009 19,24% bedroeg. Het parket van Hasselt daarentegen maakte slechts 2,79% van hun dossiers in 2010 over aan AMMC met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit vormt een stijging ten opzichte van 2009, maar slechts een stijging van 1 procentpunt.

97

Het betreft de parketten Brussel en Vilvoorde.

170 170


171


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Hoewel de totale aantallen een verschil vertonen – het aantal ontvangen dossiers door AMMC ligt hoger dan het aantal dossiers dat geseponeerd werd om “andere reden” door de parketten - blijkt toch dat de cijfers van de afzonderlijke parketten in de sommige gevallen telkens net iets hoger liggen dan deze aangegeven door AMMC. Dit zou eventueel kunnen worden verklaard door onder meer volgende oorzaken: -

de selectie van de parketzaken gebeurde op basis van een specifieke – in samenspraak met de VHRM opgestelde – lijst van tenlasteleggingscodes. Vanaf het moment dat één van die codes geregistreerd werd in een zaak, werd die zaak in de parketcijfers geteld. In theorie bestaat dus de kans dat in de parketcijfers zaken werden geteld die bovenop de geviseerde tenlasteleggingscodes andere tenlasteleggingscodes omvatten. Deze andere tenlasteleggingscodes konden in theorie zwaarder doorwegen waardoor de kans bestaat dat een dergelijk dossier werd overgemaakt aan een andere administratie;

-

bepaalde, op basis van de geregistreerde tenlasteleggingscode geselecteerde, milieuzaken werden afgehandeld met een gemeentelijke administratieve sanctie of een andere soort bestuurlijke boete;

-

om een volledig zicht te krijgen op het gevolg verleend aan alle door het parket ontvangen zaken, werd er in samenspraak met de VHRM voor gekozen om bij de gevoegde zaken te kijken naar de beslissing genomen op het niveau van de zogezegde ‘moederzaak’. Het is dus mogelijk dat een parket twee of meer zaken aan elkaar heeft gevoegd (omdat het dezelfde verdachte en hetzelfde soort inbreuken betreft) en dat die verschillende zaken werden gebundeld (maar als één geheel met als referentie het notitienummer van de zogenaamde ‘moederzaak’) overgemaakt. Desgevallend bestaat de kans dat AMMC dit dossier – niet onterecht - als één zaak heeft geteld, terwijl dit in de parketcijfers als meerdere zaken werd geteld, aangezien de beslissing betrekking heeft op meer dan één zaak (een zaak wordt op parketniveau immers gedefinieerd als een notitienummer, elk aanvankelijk proces-verbaal leidt tot de creatie van één notitienummer);

-

het is mogelijk dat er vergissingen hebben plaatsgevonden bij de registratie van tenlasteleggingen op het parket of dat de registratie niet voldoende precies of volledig gebeurde waardoor bepaalde zaken niet werden geselecteerd op parketniveau terwijl ze wel aan AMMC werden overgemaakt.

Bovenstaande redenen zouden kunnen verklaren waarom bij sommige parketten het aantal dossiers dat werd geseponeerd om “andere redenen” (waaronder de doorgestuurde dossiers met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete) hoger ligt dan het aantal dossiers dat AMMC werkelijk heeft ontvangen. Bij de parketten van Antwerpen, Brussel, Hasselt, Ieper, Mechelen en Oudenaarde is dit immers het geval. Er kan echter niet meteen een verklaring worden gegeven voor het feit dat het totale aantal voor Vlaanderen en de aantallen voor de andere parketten aangeven dat AMMC meer dossiers zou hebben ontvangen dan de parketten werkelijk hebben doorgestuurd (hetgeen in bovenstaande grafiek zelfs een overschatting is). In tegenstelling tot het Milieuhandhavingsrapport 2009 worden er in dit milieuhandhavingsrapport ook meer specifieke gegevens opgenomen inzake de herkomst en het thema van de dossiers die werden overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. Zo geeft onderstaande tabel per parket en voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel het aantal dossiers weer dat AMMC heeft ontvangen van de verschillende handhavingsinstanties, namelijk Agentschap Wegen en Verkeer, Federale politie, Lokale politie, Gemeentelijke toezichthouders, afdeling Milieu-inspectie, Agentschap voor Natuur en Bos, OVAM, VLM.

172 172


173

98

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

3

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

2

0

6

0

0

0

4

3

15

3 14 87 12 29

0 0 4,35 0 2,90

1 12 0 1

0 0 0 0

2

2

0

97

114

2,55

0

125

1,30

0

499

1,36

n

2

0

14,12

12,50

71,32

8,70

42,03

42,86

63,04

48,88

3,70

18,18

72,61

54,35

45,36

%

Lokale politie

1

0

1

0

0

1

1

1

1

0

2

0

6

6

20

n

2

0

1,12

0

0

4,95

1,45

3,57

0,72

0

2,47

0

3,82

2,61

1,81

%

Gemeentelijke toezichthouders

24

30

8

5

18

5

17

0

15

2

5

5

3

23

160

n

48

54,54

9,41

62,50

13,23

21,79

24,64

0

10,87

6,90

6,17

45,45

1,91

10

14,54

%

Afdeling Milieuinspectie

Handhavingsactor

23

25

62

2

14

12

16

8

16

9

59

2

24

45

317

n

46

45,45

72,94

25

10,29

52,19

23,19

28,57

11,59

31,03

72,84

18,18

15,29

19,56

28,81

%

Agentschap voor Natuur en Bos

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

1

0

2

0

0

3

2

0

6

0

0

1

0

2

17

n

2

0

2,35

0

0

13,04

2,90

0

4,35

0

0

9,09

0

0,87

1,54

%

OVAM

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

n

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0,18

%

Provinciale toezichthouders

Procentueel aandeel van de dossiers ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010, per handhavingsactor

10 1,91

23

2,36

26

Het betreft de parketten Brussel en Vilvoorde.

Tabel 59)

Vlaanderen Dendermonde Gent Oudenaarde Brugge Ieper Kortrijk Veurne Antwerpen Mechelen Turnhout Hasselt Tongeren Leuven Brussel98

%

n

n

%

Federale politie

Agentschap Wegen en Verkeer

VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

0

0

0

0

7

0

2

7

5

4

12

1

3

3

44

n

4

%

0

0

0

0

5,15

0

2,90

25

3,62

13,79

14,81

9,09

1,91

1,30

VLM

173


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Uit bovenstaande tabel blijkt dat AMMC in totaal 1098 dossiers zou hebben ontvangen. Dit komt echter niet overeen met de 1.100 dossiers zoals dit in bovenstaande tabellen werd aangegeven. Dit valt te verklaren door het feit dat AMMC in 2010 ook twee processen-verbaal ontving die waren opgesteld door bijzondere veldwachters beëdigd door het provinciaal bestuur West-Vlaanderen inzake schendingen van het bermbesluit. Het betrof dus niet de provinciale toezichthouders in het kader van het DABM, maar wel deze in het kader van het Veldwetboek. Zoals in hoofdstuk 2 werd aangegeven werden er immers nog geen provinciale toezichthouders aangesteld in 2010. Meer dan 45% van de dossiers die AMMC heeft ontvangen in 2010 zijn afkomstig van de Lokale politie. In reële getallen ging het om 499 dossiers. Daarnaast werd bijna 30% van de processen-verbaal die werden overgemaakt aan AMMC met het oog op het opleggen van bestuurlijke boete opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos. Concreet ging het hier over 317 dossiers. Slechts 1,36%, 1,54% en 1,81% van de 1098 processen-verbaal werd opgesteld door respectievelijk de Federale politie, OVAM en de gemeentelijke toezichthouders. Dit maakt duidelijk dat bijna de helft van de dossiers dat AMMC heeft ontvangen in 2010 afkomstig was van Lokale politie. Indien er afzonderlijk wordt gekeken naar de verschillende parketten wordt duidelijk dat niet bij alle parketten het merendeel van de dossiers dat werd doorgestuurd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete afkomstig was van de Lokale politie. Zo komt het merendeel van de dossiers van Oudenaarde, Hasselt, Leuven en Brussel van de afdeling Milieu-inspectie, respectievelijk 45,45%, 62,50%, 54,54% en 48%. De parketten van Brugge, Mechelen en Tongeren stuurden voornamelijk processen-verbaal van het Agentschap Natuur en Bos door met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete, namelijk respectievelijk 72,84%, 52,19% en 72,94% van de dossiers die AMMC heeft ontvangen van deze parketten. Bij de andere parketten is het overwicht van de dossiers van de Lokale politie dat werd overgemaakt aan AMMC wel duidelijk. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de thema’s van de dossiers die AMMC heeft ontvangen in 2010. Op vraag van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving werd dezelfde opdeling gehanteerd als deze die in het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd gebruikt voor de gegevens van de parketten.

174 174


175

151 25 6 4 3 6 28 0 22 4 26 2 6 9 10

13,73 10,87 3,82 36,30 3,70 20,69 20,29 0 31,88 17,39 19,12 25 7,06 16,36 20

% 115 24 9 3 3 2 16 1 15 1 13 1 3 16 8

n 10,45 10,43 5,73 27,27 3,70 6,09 11,59 3,57 21,74 4,35 9,56 12,5 3,53 29,09 16

%

Vergunning

44 4 3 1 11 4 4 7 3 0 7 0 0 0 0

n

Mest

Procentueel aandeel van de dossiers ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest in 2010, per milieuthema

29,09 19,13 16,56 18,18 75,31 37,93 14,49 32,14 23,19 56,52 11,03 25 63,53 45,45 44

32099 44 26 2 61 11 20 9 16 13 15 2 54 25 22

n

Lucht, Water, Bodem & Geluid

Milieuthema

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

4 1,74 1,91 9,09 13,58 13,79 2,90 25 4,35 0 5,15 0 0 0 0

%

470 133 113 1 3 6 70 11 13 5 75 3 22 5 10

n

Afval

42,73 57,83 71,97 9,09 3,70 20,69 50,72 39,29 18,84 21,74 55,15 37,5 25,88 9,09 20

%

100

Het betreft de parketten Brussel en Vilvoorde.

175

99 Het aantal processen-verbaal met het thema milieubeheer wijkt licht af van het aantal processen-verbaal opgesteld door ANB (317), aangezien AMMC wat dit milieuthema betreft eveneens 2 processen-verbaal ontving van bijzondere veldwachters (zie ook tabel 84) en 1 proces-verbaal ontving van de stad Brugge met betrekking tot schending van het toegangsreglement van een domein.

Tabel 60)

Vlaanderen Dendermonde Gent Oudenaarde Brugge Ieper Kortrijk Veurne Antwerpen Mechelen Turnhout Hasselt Tongeren Leuven Brussel100

%

n

Milieubeheer

VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Bovenstaande tabel geeft aan dat het merendeel van de dossier dat AMMC heeft ontvangen in 2010 betrekking had op afval, namelijk 42,73% van de 1.100 dossiers. Dit komt neer op 470 processenverbaal. Bovenstaande cijfergegevens van de parketten gaven reeds deze conclusie aan, aangezien de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest 2.682 dossiers inzake afval registreerden in 2010 (42,12% van het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ in 2010) en 418 dossiers hiervan doorstuurden met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Bijna 30% van de dossiers van AMMC heeft betrekking op milieubeheer, namelijk 320 processen-verbaal. Opmerkelijk is echter het feit dat de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 amper 148 zaken met betrekking tot milieubeheer hebben doorgestuurd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Het is niet duidelijk wat de reden is voor deze discrepantie. Een tweede opmerkelijk gegeven is het feit dat AMMC 44 dossiers met betrekking tot mest registreerde in 2010, terwijl de cijfergegevens van de parketten aangaven dat 103 dossiers werden doorgestuurd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Dit kan worden verklaard door het feit dat onder deze seponeringscode ook de dossiers worden meegeteld die worden overgemaakt aan de Mestbank voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Het hoger beschreven overwicht van de dossiers inzake afval bij AMMC kan ook worden teruggevonden bij een aantal parketten die voornamelijk dossiers inzake afval overmaakten aan AMMC. Meer specifiek handelt het over de parketten van Dendermonde, Gent, Kortrijk, Veurne en Turnhout. Bij de parketten van Brugge, Ieper, Mechelen, Tongeren, Leuven en Brussel werden in 2010 voornamelijk dossiers inzake milieubeheer overgemaakt aan AMMC. De parketten van Oudenaarde en Antwerpen vormden echter een uitzondering. Zij stuurden voornamelijk dossiers door met betrekking tot lucht/water/bodem/geluid met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Als er echter naar de reële cijfers wordt gekeken, betreft het een beperkt aantal dossiers, namelijk respectievelijk, 4 en 22 processen-verbaal. Bovenstaande cijfers geven aan dat AMMC in 2010 meer processen-verbaal heeft ontvangen van de parketten dan in 2009 en dat AMMC bijna de helft processen-verbaal ontving die werden opgesteld door de Lokale politie. Een tweede conclusie die kan worden afgeleid uit bovenstaande cijfers is dat AMMC voornamelijk dossiers heeft ontvangen met betrekking tot afval (illegaal achterlaten of verbranden van afval). In 2009 ontving AMMC 304 processen-verbaal. Er werden in 2009 echter nog geen bestuurlijke boetes opgelegd door AMMC. Nu duidelijk blijkt dat het aantal dossiers dat wordt overgemaakt aan AMMC toenam in 2010, is het belangrijk om te onderzoeken welk gevolg deze hebben gekregen bij AMMC. Het opzet van het Milieuhandhavingsdecreet en de oprichting van de gewestelijk entiteit was immers in eerste instantie om meer milieumisdrijven effectief te sanctioneren. Daarenboven wilde men een lik-opstukbeleid creëren waar er een snelle opvolging werd gegeven aan milieumisdrijven die door de parketten werden overgemaakt aan de gewestelijke entiteit voor bestuurlijke beboeting.

176 176


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Onderstaande tabel en grafiek geeft een overzicht van de beslissingen van AMMC in 2010.

Grafiek 50)

Beslissingen genomen in het kader van alternatieve bestuurlijke geldboeten door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE in 2010

Alternatieve bestuurlijke geldboete PVâ&#x20AC;&#x2122;s ontvangen door AMMC van de parketten Beslissingen genomen in het kader van de alternatieve bestuurlijke geldboete

Aantal in 2010 1.100 219

Er werd geen geldboete opgelegd

6

Er werd een geldboete opgelegd

151

Het proces-verbaal viel niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM

62

Tabel 61)

Beslissingen genomen in het kader van alternatieve bestuurlijke geldboeten door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE in 2010

177 177


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Van de 1.100 dossiers die AMMC heeft ontvangen van de parketten in 2010 werd er in 219 dossiers een beslissing genomen. Dit betekent dat slechts 20% van het totale aantal dossiers dat AMMC heeft ontvangen in 2010 werd behandeld. Dit kan echter gedeeltelijk worden genuanceerd door melding te maken van het feit dat de gewestelijke entiteit een termijn van 30 dagen heeft om de vermoedelijke overtreder op de hoogte te brengen van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Daarnaast heeft het DABM een termijn van 180 dagen (termijn van orde) voorzien voor de gewestelijke entiteit om een beslissing ter zake te nemen. Daarom kunnen de dossiers die in de tweede helft van 2010 door AMMC werden ontvangen in 2011 nog worden behandeld. Dankzij de oprichting van de gewestelijke entiteit bleven er in 2010 in het algemeen minder milieumisdrijven ongesanctioneerd dan voordien. Dit neemt niet weg dat het aantal behandelde dossiers eerder laag ligt en er een deel wordt voorbij gegaan aan het in het Milieuhandhavingsdecreet bedoelde lik-op-stukbeleid. Aangezien er in 2009 maar 5 van de 304 dossiers werden behandeld en in 2010 in 1/5 van de dossiers een beslissing werd genomen, zou gesteld kunnen worden dat de uitstroom van dossiers bij AMMC toch wel met 18 procentpunten is gestegen. Ook dit dient genuanceerd te worden, omdat er in 2009 geen enkele boete werd opgelegd in de 5 behandelde dossiers. Het betrof immers feiten die niet onder het toepassingsgebied van het Milieuhandhavingsdecreet vielen, zodat de bestuurlijke beboetingsprocedure niet kon worden opgestart). Net omdat er in 2009 nog geen boetes werden opgelegd, gaat de vergelijking met het aantal afgehandelde dossiers in 2010 bijgevolg niet op. Indien meer specifiek wordt gekeken naar de wijze waarop de 219 dossiers werden behandeld in 2010, kan er worden vastgesteld dat 151 alternatieve bestuurlijke geldboetes werden opgelegd; en dit voor een totaal bedrag van 208.430,18 euro, waarvan reeds 165.738,68 euro werd geĂŻnd. Daarnaast werd in 62 dossiers beslist dat het proces-verbaal niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM viel. Bij deze beslissingen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan feiten die dateren van voor 1 mei 2009, processen-verbaal die werden opgesteld door onbevoegde toezichthouders, schendingen waarop gemeentelijke administratieve sancties van toepassing zijn en processen-verbaal waarin door de procureur des Konings niet tijdig werd beslist om niet-strafrechtelijk te behandelen. Tenslotte werd in 6 dossiers beslist om geen alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, omdat het milieumisdrijf onvoldoende bewezen werd geacht of als onvoldoende ernstig werd beschouwd. Onderstaande tabel en grafiek geven het kader weer waarbinnen een alternatieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd, al dan niet met een voordeelontneming.

178 178


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Grafiek 51)

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Kader waarbinnen een alternatieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE, zonder en met voordeelontneming

Aantal zonder voordeelontneming in 2010

Aantal met voordeelontneming in 2010

Milieubeheer

18

4

Lucht/water/bodem/geluid (emissies)

29

0

Vergunningen

13

4

Mest

2

0

Afval

81

0

Kader waarbinnen een alternatieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd

Tabel 62)

Kader waarbinnen een alternatieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE, zonder en met voordeelontneming

Van de 151 boetes die AMMC heeft opgelegd in 2010 had meer dan 53% betrekking op afval, 19,21% op lucht/water/bodem/geluid, 14,57% op milieubeheer, 11,26% op vergunningen en amper 1,32% op mest. Het beperkte aandeel van de dossiers met betrekking tot mest kan allicht worden verklaard door het feit dat de Vlaamse Landmaatschappij via de Mestbank zelf bestuurlijke geldboetes kan opleggen voor bepaalde overtredingen. Het feit dat de dossiers inzake afval het grootste aandeel hebben in het totaal aantal opgelegde bestuurlijke geldboetes kan worden gerelateerd aan het feit dat 42,73% van de dossiers die AMMC in 2010 heeft ontvangen van de parketten betrekking had op afval. Iets meer dan 5% van de opgelegde boetes werd gecombineerd met een voordeelontneming. Het betrof 4 boetes met betrekking tot vergunning en 4 boetes met betrekking tot milieubeheer. In het kader van schendingen op het Milieuvergunningendecreet betrof het enerzijds onuitgevoerde meetverplichtingen waarvan de uitgespaarde kosten, naast de bestuurlijke geldboete, afgeroomd worden en anderzijds de 179

179


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

interesten op uitgestelde investeringskosten. Met betrekking tot de boetes inzake milieubeheer werd er geen verdere informatie verstrekt over de aard van de voordeelontneming. Daarnaast heeft AMMC in 2010 de studie â&#x20AC;&#x153;Analyse en toepassing van het instrument voordeelontneming in het kader van de bestuurlijke milieuhandhavingâ&#x20AC;? gegund. Deze studie loopt tot september 2011 en heeft als doel om het kader waarbinnen het instrument voordeelontneming kan worden toepast (verder) te ontwikkelen. Dit zou mogelijk kunnen leiden tot het frequenter hanteren van het instrument voordeelontneming door AMMC.

4.2.1.2

Behandeling van milieu-inbreuken

De Vlaamse Regering nam 18 bijlagen op bij het Milieuhandhavingsbesluit met een limitatieve lijst van milieu-inbreuken. Deze milieu-inbreuken werden gedepenaliseerd. Zoals reeds werd meegedeeld kan de toezichthouder een verslag van vaststelling opstellen bij de vaststelling van een milieu-inbreuk. Dit verslag van vaststelling wordt onmiddellijk naar de gewestelijke entiteit verzonden. Na de ontvangst van het verslag van vaststelling kan AMMC binnen een termijn van 60 dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengen van het voornemen een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen (al dan niet incluis een voordeelontneming). Binnen een termijn van 90 dagen na de kennisgeving van het bericht beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. Binnen de tien dagen dient de vermoedelijke overtreder op de hoogte te worden gesteld van deze beslissing. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer werd daarom gevraagd aan te geven hoeveel verslagen van vaststelling zij ontving in 2010, of deze werden opgesteld door gemeentelijke, provinciale, gewestelijke toezichthouders of toezichthouders van een politiezone en in welk kader deze verslagen van vaststelling werden opgesteld en beboet. In onderstaande grafiek wordt er een overzicht gegeven van het aantal verslagen van vaststelling dat AMMC heeft ontvangen in 2010 opgesplitst per toezichthoudende actor.

Grafiek 52)

Verslagen van vaststelling ontvangen door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE, per handhavingsactor

180 180


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Verslagen van vaststelling Verslagen van vaststelling ontvangen door AMMC in 2010

Aantal in 2010 38

Verslagen van vaststelling ontvangen van gemeentelijke toezichthouders

2

Verslagen van vaststelling ontvangen van intergemeentelijke toezichthouders

0

Verslagen van vaststelling ontvangen van provinciale toezichthouders

0

Verslagen van vaststelling ontvangen van toezichthouders van een politiezone

7

Verslagen van vaststelling ontvangen van gewestelijke toezichthouders

29

Tabel 63)

Verslagen van vaststelling ontvangen door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE, per handhavingsactor

In totaal ontving AMMC 38 verslagen van vaststelling. Meer dan 75% van deze milieu-inbreuken werd vastgesteld door de gewestelijke toezichthouders. Daarnaast werd 18,42% vastgesteld door toezichthouders van een politiezone en 5,26% door gemeentelijke toezichthouders. Geen enkele intergemeentelijke toezichthouder stelde in 2010 een milieu-inbreuk vast. Zoals eerder aangehaald, waren er in 2010 geen provinciale toezichthouders. Het instrument werd in 2010 dus hoofdzakelijk gebruikt door de gewestelijke toezichthouders. In 2009 ontving AMMC tussen 1 mei 2009 en 31 december 2009 18 verslagen van vaststelling. Het merendeel werd – in tegenstelling tot 2010 – vastgesteld door toezichthouders van de lokale politie. Ondanks een lichte stijging van het aantal jaarlijks opgestelde verslagen van vaststelling, kan wederom worden geconcludeerd dat de toezichthouders dit nieuw instrument nog niet volledig hebben geïntegreerd in hun werking. Een andere verklaring kan wederom zijn dat de toezichthouders een verslag van vaststelling kunnen opstellen bij de vaststelling van een milieu-inbreuk, terwijl er een proces-verbaal moet worden opgesteld bij de vaststelling van een milieumisdrijf. De toezichthouder beschikt hier dus over een discretionaire bevoegdheid om zelf de afweging te maken of het opstellen van een verslag van vaststelling noodzakelijk of wenselijk is of niet. Een derde mogelijke reden zou ook de aard van de schendingen die als milieu-inbreuk werden gecatalogeerd kunnen zijn. Zo werden er bijvoorbeeld nauwelijks delicten van de milieubeheerwetgeving en geen delicten betreffende het mestdecreet als milieu-inbreuk in de bijlagen van het Milieuhandhavingsbesluit opgenomen. De VHRM onderzoekt in het kader van zijn werkgroep ‘Bestuurlijke en Strafrechtelijke Sanctionering’ in welke mate deze lijst van milieu-inbreuken kan worden aangevuld en in welke mate de criteria kunnen worden aangepast. In hoofdstuk 3 ‘Evaluatie van de inzet van de afzonderlijke milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen’ werd er bij het onderdeel ‘Evaluatie van het instrument verslag van vaststelling’ aangegeven dat de toezichthouders in totaal 81 verslagen van vaststelling opstelden in 2010. De politiezones zouden in de bestudeerde periode amper 4 verslagen van vaststelling hebben opgesteld, terwijl AMMC 7 verslagen van vaststelling heeft ontvangen van toezichthouders van de Lokale politie. Dit kan worden verklaard door het feit dat de VHRM geen 100% responsgraad kreeg bij de bevraging van de toezichthouders van de politiezones. Het is daarentegen opmerkelijk dat AMMC aangaf 29 verslagen van vaststelling te hebben ontvangen van de gewestelijke toezichthouders, terwijl zijzelf aangeven er in totaal 56 te hebben opgesteld in 2010. Daarnaast ontving AMMC amper 2 verslagen van vaststelling opgesteld door de toezichthouders van de gemeenten, terwijl zijzelf aangeven er 21 te hebben opgesteld in 2010. Er is dus wederom sprake van een discrepantie tussen het aantal opgestelde verslagen van vaststelling en het aantal door AMMC ontvangen verslagen van vaststelling. Hiervoor kunnen twee verklaringen worden gesuggereerd. Ofwel heeft een groot aantal verslagen van vaststelling zijn weg niet gevonden naar de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer en 181 181


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

dient de te volgen procedure beter te worden gecommuniceerd. Een andere plausibele verklaring is dat de toezichthouders nog niet vertrouwd zouden zijn met de term ‘verslag van vaststelling’ zoals bedoeld in het Milieuhandhavingsdecreet waardoor er ‘foutieve’ gegevens werden ingevuld in de bevragingsfiches. Deze kwestie verdient duidelijk verder onderzoek binnen de VHRM en beide mogelijke verklaringen verdienen verdere aandacht. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer werd gevraagd aan te geven in welk kader deze 38 verslagen van vaststelling werden opgesteld. Onderstaande grafiek en tabel geven dit weer.

Grafiek 53)

Verslagen van vaststelling ontvangen door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE, per onderwerp

Verslagen van vaststelling Bedrijfsinterne milieuzorg Milieueffect- en veiligheidsrapportage Bodembescherming en –sanering Geluidslaboratoria Grondwaterbeheerslaboratoria Wateranalyselaboratoria Sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Afvalvoorkoming en –beheer Onderhoud en nazicht stooktoestellen Certificering van koeltechnische bedrijven Brandbeveiligingssystemen Bodemsanering Bosdecreet Jachtdecreet Ozonlaag afbrekende stoffen Oppervlaktedelfstoffendecreet Gefluoreerde broeikasgassen REACH

Tabel 64)

Aantal in 2010 0 0 0 0 0 0 1 37 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Verslagen van vaststelling ontvangen door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE, per onderwerp

182 182


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Ondanks het feit dat een verslag van vaststelling voor een breed gamma aan inbreuken kan worden opgesteld, beperkt het kader zich tot inbreuken inzake afvalvoorkoming en – beheer en inbreuken inzake sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, met een duidelijk overwicht van de inbreuken inzake afvalvoorkoming- en beheer. Zo werd immers 97,37% van het totaal aantal opgestelde verslagen van vaststelling zoals deze werden ontvangen door AMMC opgesteld naar aanleiding van milieu-inbreuken inzake afvalvoorkoming en – beheer. AMMC ontving slechts één verslag van vaststelling dat werd opgesteld naar aanleiding van een inbreuk inzake de sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Ook in 2009 hadden de verslagen van vaststelling vooral – 88,89% van het aantal door AMMC ontvangen verslagen van vaststelling – betrekking op afvalvoorkoming- en beheer. Daarnaast had in 2009 amper één dossier betrekking op bodembescherming en – sanering en één dossier op onderhoud en nazicht van stooktoestellen. Dit betekent dat zowel in 2009 als in 2010 de verslagen van vaststelling voornamelijk rond het thema afvalvoorkoming en – beheer werden opgesteld en dat andere milieu-inbreuken weinig of niet werden vastgesteld. Dit maakt dat er verder onderzoek dient te gebeuren naar de relevantie van de bepalingen opgenomen als milieu-inbreuken in de bijlagen bij het Milieuhandhavingsbesluit. Een andere mogelijke verklaring voor het feit dat enkel een bepaald soort milieu-inbreuk wordt vastgesteld is dat toezichthouders meer vertrouwd dienen te geraken met het instrument “verslag van vaststelling” en met de milieudelicten die als milieu-inbreuk zijn gekwalificeerd. Er werd de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer gevraagd aan te geven welke acties in 2010 werden ondernemen ten aanzien van de ontvangen verslagen van vaststelling. Onderstaande grafiek en tabel geven hier een overzicht van.

Grafiek 54)

Beslissingen genomen in het kader van exclusieve bestuurlijke geldboeten door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE in 2010 183

183


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Exclusieve bestuurlijke geldboete

Aantal in 2010

Verslagen van vaststelling ontvangen door AMMC in 2010

38

Beslissingen genomen in het kader van de exclusieve bestuurlijke geldboete

13

Er werd geen geldboete opgelegd

0

Er werd een geldboete opgelegd

5

Het verslag van vaststelling viel niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM

8

Tabel 65)

Beslissingen genomen in het kader van exclusieve bestuurlijke geldboeten door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE in 2010

De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer ontving in 2010 38 verslagen van vaststelling. Ten aanzien van deze 38 verslagen van vaststelling werden er 13 beslissingen genomen. Dit maakt dat 34,21% van de in 2010 aan AMMC overgemaakte verslagen van vaststelling werden behandeld in 2010. In 2009 werd 22,22% - oftewel vier van de 18 – van de ontvangen verslagen van vaststelling behandeld. Dit wijst dus op een lichte stijging van het procentueel aandeel genomen beslissing in 2010. Toch blijft het aantal behandelde dossiers relatief laag. Het beperkte aantal beslissingen kan echter wederom gedeeltelijk worden verklaard door de voorziene termijnen in het Milieuhandhavingsdecreet. Na de ontvangst van het verslag van vaststelling kan de gewestelijke entiteit immers binnen een termijn van 60 dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengen van het voornemen een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Binnen een termijn van 90 dagen na de kennisgeving van het bericht beslist AMMC over het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. Dit heeft tot gevolg dat de dossiers die in de laatste vijf maanden van 2010 door AMMC werden ontvangen nog in 2011 kunnen worden behandeld. In concreto betrof het 9 dossiers waarvan de einddatum pas in 2011 verstreek. Van de 13 beslissingen hielden er 5 beslissingen een exclusieve bestuurlijke geldboete in, opgelegd voor een totaal bedrag van 6.670,4 euro, waarvan reeds 2791,8 euro werd geïnd (ten voordele van het Minafonds). In 8 dossiers oftewel 61,54% van de beslissingen die AMMC heeft genomen in 2010 viel het verslag van vaststelling niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM, in de meeste gevallen omdat de opsteller ervan niet was aangesteld als toezichthouder. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer is echter niet verplicht om een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Van deze mogelijkheid werd in 2010 geen gebruik gemaakt. De beslissingen hielden telkens het opleggen van bestuurlijke geldboete in of de constatering dat het verslag van vaststelling niet onder toepassingsgebied van titel XVI van het DABM viel. In 2009 werd er in het kader van één dossier wel beslist om geen boete op te leggen. In 3 van de in 2009 18 verslagen van vaststelling werd er wel een exclusieve bestuurlijke geldboete opgelegd. Dit maakt dat in 2009 in totaal 4 van de 18 ontvangen dossiers werden behandeld De vijf boetes die door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer werden opgelegd in 2010 hadden allemaal betrekking op afvalvoorkoming en – beheer. In 40% van de gevallen werd de boete gekoppeld aan een voordeelontneming.

184 184


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4.2.2

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Evaluatie van de rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege

Het Milieuhandhavingscollege (MHHC) is een administratief rechtscollege dat werd opgericht naar aanleiding van artikel 16.4.19 van het DABM. Het doet uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer houdende de oplegging van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete. Ook het Milieuhandhavingscollege werd bevraagd door de VHRM naar zijn activiteiten in 2010. Er werd gevraagd naar het aantal ontvangen beroepen tegen beslissingen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer in het kader van zowel milieumisdrijven als milieu-inbreuken in 2010. Tevens werd gevraagd hoe deze beroepen werden behandeld. Onderstaande tabel geeft de activiteiten van het Milieuhandhavingscollege in 2010 weer met betrekking tot de ingediende beroepen tegen beslissingen van AMMC in het kader van een milieumisdrijf. Milieumisdrijven Beroepen tegen beslissingen van AMMC in het kader van een milieumisdrijf

Aantal in 2010 11

Gemotiveerde afwijzingen op grond van onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan, met bevestiging van de opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete tot gevolg

2

Gemotiveerde gegrondverklaringen van het beroep met vermindering van de opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete tot gevolg

1

Gemotiveerde gegrondverklaringen van het beroep met kwijtschelding van de opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete tot gevolg

1

Gemotiveerde vernietigingen van de onrechtmatig genomen beslissing van AMMC, met bevel om een nieuwe beslissing te nemen inzake de alternatieve bestuurlijke geldboete onder de voorwaarden gesteld door het MHHC

0

Nog geen arrest geveld in 2010

7

Tabel 66)

Ontvangen beroepen tegen beslissingen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE in het kader van een milieumisdrijf door het Milieuhandhavingscollege in 2010 en de resultaten van de behandeling ervan

Zoals hoger werd aangegeven, heeft de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer in 2010 151 alternatieve bestuurlijke geldboetes opgelegd. In 2010 ontving het Milieuhandhavingscollege 11 beroepen tegen beslissingen van AMMC in het kader van de opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboetes. Dit houdt dus in dat minimaal tegen 7,28% van de beslissingen van AMMC een beroep werd ingediend. Dit percentage kan hoger liggen aangezien de overtreder over een termijn van 30 dagen, die ingaat op de dag die volgt op de kennisgeving van de beslissing van de gewestelijke entiteit, beschikt om een beroep in te dienen bij het Milieuhandhavingscollege. Dit maakt dat er eventueel nog een beroep zou kunnen zijn ingediend tegen die beslissingen van AMMC van de laatste dertig dagen van 2010. Het Milieuhandhavingscollege heeft in 2010 in vier van de 11 ingediende beroepen een beslissing genomen. Tweemaal betrof het een gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan. Dit impliceert dat de door AMMC opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboetes werden bevestigd. Eenmaal hield de beslissing van het Milieuhandhavingscollege in dat de door AMMC opgelegde boete werd verminderd op basis van een gemotiveerde gegrondverklaring en eenmaal werd de door AMMC opgelegde alternatieve bestuurlijke boete kwijtgescholden op basis van een gemotiveerde gegrondverklaring. 185 185


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Van de 11 ingediende beroepen in 2010 werd er in datzelfde jaar in 7 gevallen nog geen arrest geveld. Dit kan worden verklaard door de termijnen en de procedures die het Milieuhandhavingsdecreet voorschrijft, onder meer in het kader van de kennisgeving, indienen van memorie van antwoord en wederantwoord en uitspraak van de beslissing. Indien deze termijnen worden uitgeput kan de procedure immers een doorlooptijd kennen van 270 dagen, namelijk maximaal 5 werkdagen voor het zenden van het verzoekschrift naar de gewestelijke entiteit; maximaal 15 dagen voor de gewestelijke entiteit om het dossier met de stukken aan het Milieuhandhavingscollege te bezorgen; tot 5 werkdagen voor samenstelling dossier, consultatie en procedurekalender; maximaal 150 dagen voor de uitwisseling van memories; tot 45 dagen tussen de laatste memorie en de zitting; maximaal 45 dagen na de sluiting van de debatten om tot een uitspraak te komen. Dit betekent dat voor de beroepen die werden ingediend in de laatste 270 dagen van 2010 nog geen beslissing diende genomen te worden door het Milieuhandhavingscollege. Ook tegen de door afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer opgelegde exclusieve bestuurlijke maatregelen is het mogelijk een beroep in te dienen bij het Milieuhandhavingscollege. Onderstaande tabel geeft voor 2010 de ingediende beroepen en de beslissingen van het Milieuhandhavingscollege weer. Milieu-inbreuken Beroepen tegen beslissingen van AMMC in het kader van een milieu-inbreuk

Aantal in 2010 1

Gemotiveerde afwijzingen op grond van onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan, met bevestiging van de opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboete tot gevolg

0

Gemotiveerde gegrondverklaringen van het beroep met vermindering van de opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboete tot gevolg

0

Gemotiveerde gegrondverklaringen van het beroep met kwijtschelding van de opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboete tot gevolg

0

Gemotiveerde vernietigingen van de onrechtmatig genomen beslissing van AMMC, met bevel om een nieuwe beslissing te nemen inzake de exclusieve bestuurlijke geldboete onder de voorwaarden gesteld door het MHHC

0

Nog geen arrest geveld in 2010

1

Tabel 67)

Ontvangen beroepen tegen beslissingen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE in het kader van een milieu-inbreuk door het Milieuhandhavingscollege in 2010 en de resultaten van de behandeling ervan

Het Milieuhandhavingscollege heeft in 2010 slechts ĂŠĂŠn beroep ontvangen ten aanzien van een door AMMC opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboete. Aangezien AMMC in 2010 5 exclusieve bestuurlijke geldboetes heeft opgelegd, houdt dit in dat in 20% van de gevallen beroep werd aangetekend tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit in 2010. Dit percentage kan hoger liggen aangezien de overtreder over een termijn van 30 dagen, die ingaat op de dag die volgt op de kennisgeving van de beslissing van de gewestelijke entiteit, beschikt om een beroep in te dienen bij het Milieuhandhavingscollege. Dit betekent dat eventueel nog beroep zou kunnen ingediend worden tegen die beslissingen van AMMC in de laatste dertig dagen van 2010.

186

Ten aanzien van het ingediende beroep werd nog geen arrest geveld in 2010 zelf. Het Milieuhandhavingscollege deelde mee dat het beroep in kwestie heeft geleid tot een tussenbeslissing, met heropening van de debatten. Ook in het kader van de beroepen tegen de door AMMC opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboetes is het Milieuhandhavingscollege gebonden aan de in het Milieuhandhavingsdecreet geformuleerde procedures en termijnen. 186


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4.2.3

Evaluatie van het Landmaatschappij

gevoerde

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

sanctioneringsbeleid

door

de

Vlaamse

Niet alleen de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer kan bestuurlijke geldboetes opleggen. De Vlaamse Landmaatschappij heeft reeds met de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen – algemeen bekend als het Mestdecreet - de bevoegdheid gekregen om bestuurlijke geldboetes op te leggen. Het Mestdecreet bepaalt in artikel 63 limitatief voor welke inbreuken door de VLM administratieve geldboetes kunnen worden opgelegd. In dit artikel zijn tevens de berekeningen van de boetebedragen vermeld. Artikel 71 van voornoemd decreet bepaalt vervolgens voor welke inbreuken er een procesverbaal dient te worden opgesteld. De administratieve geldboetes kunnen betrekking hebben op volgende inbreuken: balans stikstof en fosfaat; overbemesting perceel; meer dieren dan nutriëntenemissierechten; niet bewezen mestafzet; melding en afmelding vervoer; laattijdige melding vervoer; vervoer zonder bewijs van verzending of overhandiging burenregeling; niet afsluiten of melden van een burenregeling; transporten zonder juist of onvolledig mestafzetdocument; verzuim aangifteplicht; foutieve aangifte; niet bijhouden register; nutriëntenbalansen niet ter inzage; vervoer zonder verplichte documenten; verzet gebruik Sanitel; niet of niet-correct gebruik AGR-GPS; mestverwerkingsplicht en verwerking 25% NER; mestuitscheidingsbalansen: ter inzage en bij aangifte; vervoer erkende verzenders: melding of afmelding; vervoer erkende verzenders: zonder verzenddocument; nitraatresidu in risicogebied: overschrijding; nitraatresidu in risicogebied: verzet staalnames en nitraatresidu (zowel in as buiten risicogebied): teeltplan en bemestingsplan/register. De Vlaamse Landmaatschappij werd daarom niet enkel bevraagd naar het aantal milieuhandhavingscontroles dat werd uitgevoerd in 2010 en welk gevolg werd gegeven aan deze controles, zoals omschreven in de hoofdstukken 2 en 3, maar tevens werd gevraagd hoeveel bestuurlijke boetes VLM heeft opgelegd in het kader van de door de VLM opgestelde inspectieverslagen en voor welke inbreuken . Onderstaande grafiek geeft het aantal terreinvaststellingen en het aantal bestuurlijke boetes opgelegd door de VLM in 2010 weer.

187 187


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Bestuurlijke boetes opgelegd door de VLM Bestuurlijke boetes opgelegd door de VLM in 2010 volgens de bepalingen opgenomen in het mestdecreet een bestuurlijke boete betreffende de balans stikstof en fosfaat een bestuurlijke boete betreffende de overbemesting van een perceel een bestuurlijke boete betreffende meer dieren dan nutriëntenemissierechten (NER-D) een bestuurlijke boete betreffende niet bewezen mestafzet een bestuurlijke boete betreffende de melding en afmelding vervoer een bestuurlijke boete betreffende de laattijdige namelding van vervoer een bestuurlijke boete betreffende het vervoeren zonder bewijs van verzending of overhandiging burenregeling In hoeveel gevallen betrof het een bestuurlijke boete betreffende het niet afsluiten of melden van een burenregeling? een bestuurlijke boete betreffende transporten zonder juiste of onvolledig mestafzetdocument een bestuurlijke boete betreffende het verzuimen van de aangifteplicht een bestuurlijke boete voor een foutieve aangifte een bestuurlijke boete voor het niet bijhouden van het register een bestuurlijke boete betreffende het niet ter inzage houden van de nutriëntenbalansen een bestuurlijke boete voor het vervoer zonder verplichte documenten een bestuurlijke boete voor verzet tegen gebruik Sanitel een bestuurlijke boete voor het niet of niet-correct gebruik van AGRGPS een bestuurlijke boete betreffende de mestverwerkingsplicht en verwerking 25% NER een bestuurlijke boete voor mestuitscheidingsbalansen een bestuurlijke boete betreffende het vervoer van erkende verzenders (melding en afmelding) een bestuurlijke boete voor het vervoer erkende verzenders (zonder verzenddocument) een bestuurlijke boete voor overschrijding van het nitraatresidu in risicogebied een bestuurlijke boete voor verzet staalnames inzake nitraatresidu in risicogebied een bestuurlijke boete betreffende het teeltplan en bemestingsplan/register voor nitraatresidu (zowel in als buiten risicogebied)

Tabel 68)

188

Aantal terreinvaststellingen in 2010

Aantal boetes in 2010

278

5.436

8 55

738 19

0

2.138

2 0

3 73

0

546

5

3

6

7

103

109

4

1.280

4 2

4 5

0

415

29

30

0

0

60

64

0

0

0

0

0

1

0

1

0

0

0

0

0

0

Aantal en aard van de bestuurlijke boetes opgelegd door de Vlaamse Landmaatschappij

In bovenstaande tabel wordt weergegeven dat de VLM in 2010 5.436 boetes heeft opgelegd naar aanleiding van 278 terreinvaststellingen. Het verschil tussen het aantal op het terrein vastgestelde inbreuken en het aantal opgelegde boetes is afkomstig door de termijn voor oplegging van de boetes. Niet voor alle vaststellingen van 2010 werd de boete ook in 2010 opgelegd. De opgelegde boetes in 2010 kunnen nog betrekking hebben op vaststellingen van de voorgaande jaren. Daarnaast zijn de opgelegde boetes in 2010 afkomstig van zowel overtredingen vastgesteld op het terrein als van administratieve controles. Zo werden in 2010 4.379 boetes administratief opgelegd naar aanleiding van de controle van de databank. Dit betekent dat deze dan ook niet worden weerspiegeld in het aantal terreinvaststellingen in 2010. Het betrof 2.138 bestuurlijke boetes met betrekking tot overtredingen inzake meer dieren dan nutriëntenemissierechten (NER-D), 546 bestuurlijke boetes betreffende de laattijdige namelding van vervoer, 1.280 bestuurlijke boetes inzake het verzuimen van de aangifteplicht en 415 bestuurlijke boetes betreffende het niet ter inzage houden van de nutriëntenbalansen. 188


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

Met betrekking tot de bestuurlijke boetes opgelegd voor het niet of niet-correct gebruik van AGR-GPS dient te worden meegedeeld dat 5 van deze boetes werden opgelegd naar aanleiding van de controle van de databank, terwijl de overige 59 boetes werden opgelegd naar aanleiding van een terreinvaststelling. Ook inzake de bestuurlijke boetes met betrekking tot overtredingen inzake de balans stikstof en fosfaat werden er in 2010 5 opgelegd naar aanleiding van een terreincontrole, terwijl de overige 733 boetes werden opgelegd op basis van jaarlijkse berekeningen van de gegevens in de databank. Dit betekent dat in 2010 319 bestuurlijke boetes werden opgelegd naar aanleiding van een terreinvaststelling en 5.117 bestuurlijke boetes werden opgelegd naar aanleiding van de controle van de gegevens van de databank.

189 189


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

4.3

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

CONCLUSIE

In het Milieuhandhavingsrapport 2009 kon worden vastgesteld dat de parketten reeds gebruikt maakten van de mogelijkheid om dossier over te maken aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer in de periode tussen 1 mei 2009 (inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet) en 31 december 2009. In totaal werd d.d. 10 januari 2010 bijna 10% van al de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd bij de parketten in het Vlaamse Gewest na 1 mei 2009 geseponeerd voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Opdat het Milieuhandhavingsdecreet zijn doel niet zou missen, was het echter de bedoeling dat in elk dossier dat door de parketten werd overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer zo snel mogelijk een beslissing werd genomen inzake het al dan niet opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete (het zogenaamde lik op stuk beleid). Uit het Milieuhandhavingsrapport 2009 bleek echter dat de dossieruitstroom bij deze afdeling eerder beperkt was. Dit kon worden verklaard door de behandelingstermijnen van het Milieuhandhavingsdecreet en het feit dat deze afdeling volledig nieuw was en zich nog diende te organiseren. Dit Milieuhandhavingsrapport 2010 heeft zich onder meer tot doel gesteld het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid in 2010 te evalueren. Dit houdt in dat onder meer de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld milieumisdrijf, de beslissingspraktijk van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer in het kader van de alternatieve en bestuurlijke gelboeten en de beslissingen van het Milieuhandhavingscollege ten aanzien van beroepen tegen opgelegde bestuurlijke geldboeten werden besproken in dit hoofdstuk Bovenstaande cijfergegevens maken het mogelijk de volgende conclusies te maken of de volgende tendensen te onderschrijven. In verband met het handhavingsbeleid van de parketten in het Vlaamse Gewest kan worden vastgesteld dat de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 6.367 zaken ontvingen inzake milieu, waarvan 65,46% afkomstig van de algemene politie (Lokale en Federale politie), 29,17% van de inspectiediensten (toezichthouders), 1,02% klachten en burgerlijke partijstellingen en 4,56% andere zendingen. Op basis van specifieke codes die de gewestelijke toezichthouders hanteren werd het mogelijk een beeld te schetsen van de zaken die aanhangig werden gemaakt door deze Vlaamse milieudiensten. In 2010 betrof dit 1.438 zaken, waarvan 39,78% afkomstig waren van ANB, 35,05% van AMI, 18,29% van de VLM, 3,69% van OVAM en 3,20% van overige milieudiensten.101 Deze cijfers vormen wellicht een onderschatting, daar niet alle Vlaamse milieuadministraties de specifieke codes voor de notitienummers hanteren. Het kan nog steeds worden aanbevolen dat de verschillende milieuadministraties consequent gebruik maken van deze codes. Tevens was het mogelijk te rapporteren per onderwerp (afval, mest, vergunning, lucht/water/bodem/geluid (emissies), milieubeheer) op basis van de tenlasteleggingscodes voor 2010. In totaal werden 6.367 zaken geregistreerd bij de parketten in het Vlaamse Gewest in de bestudeerde periode met deze tenlasteleggingscodes, waarvan 42,12% inzake afval, 5,10% inzake mest, 13,63% inzake vergunning, 24,08% inzake emissies en 15,06% inzake milieubeheer. Meer specifiek had 26,87% betrekking op sluikstorten. Dit betekent dat sluikstorten meer dan 1 op 4 van het totaal aantal geverbaliseerde overtredingen vormde in 2010. Iets meer dan ¼ van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest bevond zich d.d. 10 januari 2011102 nog in vooronderzoek, terwijl 6,52% zich in de

101 Een deel van de zaken met betrekking tot het milieubeheerrecht vallen hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de politieparketten en de politierechtbanken. Deze milieuzaken konden dan ook niet gevat worden in de opgenomen cijfers. 102 Door het feit dat de peildatum van de gegevens van de parketten 10 januari 2011 is, is het van belang een zekere relativering en nuancering te hanteren bij de interpretatie van de data van de vooruitgangsstaat van de zaken. De gegevens en percentages ter zake hebben enkel en alleen betrekking op de situatie d.d. 10 januari 2011 en vormen niet de definitieve status van een zaak.

190 190


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

vooruitgangsstaat van minnelijke schikking bevond. 4,27% bevond zich op 10 januari 2011 in de fase van dagvaarding. Het feit dat niet minder dan 55,05% van de zaken ‘Milieuhandhaving’, geregistreerd bij de parketten in het Vlaamse Gewest, in de bestudeerde periode en d.d. 10 januari 2011 werd geseponeerd, dient echter te worden gerelativeerd. Een groot aantal zaken dat wordt geregistreerd is immers niet vervolgbaar. Hieronder bevinden zich immers ook de ‘ter beschikking gestelde zaken’ en de ‘technische sepots’. Daarnaast worden ook de ‘andere sepots (administratieve geldboete, praetoriaanse probatie, seining van de dader)’ en de ‘opportuniteitssepot waar kon aangetoond worden dat de toestand geregulariseerd werd’ opgenomen in de vooruitgangsstaat ‘zondergevolgstelling’. In het kader van de vooruitgangsstaat van de zaken ‘Milieuhandhaving’ kunnen er voorzichtig een aantal tendensen worden onderschreven. Deze bouwen voort op de tendensen die reeds in het Milieuhandhavingsrapport 2009 konden worden opmerkt. Het merendeel van deze zaken, namelijk 55,05%, werd in 2010 zonder gevolg gesteld. Bijna de helft van deze zaken had betrekking op afval. De tendens die hieruit voort komt, is dat de zaken die de grootste instroom kennen, namelijk deze met tenlasteleggingscode ‘afval’, ook de hoogste seponeringsgraad kennen. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd op basis van dezelfde conclusies de vraag gesteld of er geen verder onderzoek vereist is naar eventuele alternatieve wijzen van afhandeling, zoals de bestuurlijke geldboete. Aangezien er voor dit milieuhandhavingsrapport gedetailleerdere informatie kon worden verkregen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, kon er worden vastgesteld dat 42,73% van de 1.100 dossiers die AMMC heeft ontvangen in 2010 betrekking had op afval. Daarnaast kon op basis van de gegevens van de parketten worden vastgesteld dat 25,79% van al de geseponeerde zaken met betrekking tot afval, werd geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Het is immers het totale aandeel van de sepots in het kader van ‘andere redenen – administratieve geldboete’ dat bijzonder interessant is voor dit milieuhandhavingsrapport. In het kader van het nieuwe Milieuhandhavingsdecreet is het uiteraard belangrijk om te onderzoeken of er gewag kan worden gemaakt van een verdere impact van de mogelijkheid die de procureurs des Konings met het decreet hebben gekregen om milieumisdrijven over te maken aan AMMC met het oog op bestuurlijke beboeting. De cijfers in dit hoofdstuk gaven aan dat de trend die reeds zichtbaar was in het Milieuhandhavingsrapport 2009 verder in stijgende lijn werd voortgezet. In totaal werd d.d. 10 januari 2010 bijna 10% van al de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd bij de parketten in het Vlaamse Gewest na 1 mei 2009 geseponeerd voor het opleggen van een bestuurlijke boete. In 2010 steeg dit tot 15,31%. Hoewel het decreet nog maar ander half jaar van kracht was, zou deze stijging toch reeds markant kunnen worden genoemd. Tevens kon worden vastgesteld dat het procentueel aandeel van de zaken die zonder gevolg werden gesteld wegens opportuniteitsredenen verder daalde in 2010, en dit ten voordele van de sepots met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit versterkt het idee zoals geformuleerd in het Milieuhandhavingsrapport 2009 dat deze verschuiving eventueel zou kunnen wijzen op het feit dat de parketten eerder de keuze maken om zaken te seponeren met als doel het opleggen van een bestuurlijke geldboete in plaats van te kiezen voor een opportuniteitssepot (of een technisch sepot). Dit toont aan dat de impact van het Milieuhandhavingsdecreet zich in positieve lijn heeft verder gezet in 2010. Er dient echter op te worden gewezen dat het in feite nog te vroeg is om op basis van de gegevensextractie d.d. 10 januari 2011 al definitieve conclusies te trekken Er kan enkel worden getracht enkele tendensen weer te geven. Het is immers mogelijk dat nog meer zaken worden overgemaakt aan AMMC voor het opleggen van een bestuurlijke boete, aangezien veel dossiers d.d. 10 januari 2011 nog niet hun finale vooruitgangsstaat hadden bereikt. Om de impact van het Milieuhandhavingsdecreet - en de bestuurlijke sanctionering in het bijzonder - te maximaliseren, is het belangrijk dat er verder wordt onderzocht hoe er zoveel mogelijk geseponeerde dossiers nog verder kunnen doorstromen van de procureur des Konings naar AMMC. Ondanks het feit dat er een daling kon worden vastgesteld van de zaken die werden geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen, blijft een verdere doorstroming naar AMMC mogelijk. Een optimale afstemming 191

191


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

tussen de parketten en AMMC kan de milieuhandhaving nog meer slagkracht geven. Het valt dan ook aan te bevelen dat hierover nog verdere afspraken worden gemaakt. Tevens blijkt uit de aangeleverde cijfers dat er nog steeds regionale verschillen bestaan tussen verschillende parketten wat betreft de wijze waarop de parketten de milieumisdrijven afhandelen, en ook in het overmaken van milieumisdrijven naar AMMC. Dit gegeven verdient verder onderzoek, teneinde de sanctionering van milieumisdrijven in het Vlaamse Gewest waar mogelijk en wenselijk te uniformiseren. Uit de cijfers van de parketten blijkt dat meer dan 15% van al de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2010 werd geseponeerd met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. In 2009 (net na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet) bedroeg dit 10%. Een groot deel van deze zaken werd overgemaakt aan AMMC, en het overige deel ging naar andere administraties zoals de VLM. In totaal heeft AMMC in 2010 1.100 processen-verbaal ontvangen met het oog op het opleggen van alternatieve bestuurlijke geldboetes Uit de cijfers van de aangeleverde dossiers per parket kwamen eveneens de regionale verschillen naar voren die ook bij de parketten zichtbaar werden. Wel kan worden gesteld dat elk parket in het Vlaamse Gewest ook in 2010 verder en meer103 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die het Milieuhandhavingsdecreet biedt (om zaken door te sturen aan AMMC voor oplegging van een bestuurlijke geldboete). In het Milieuhandhavingsrapport 2009 kon inzake milieumisdrijven worden vastgesteld dat AMMC in totaal 304 dossier had ontvangen en dat in 5 dossiers werd vastgesteld dat de processen-verbaal niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM vielen (feiten daterend van voor 1 mei 2009), zodat de bestuurlijke beboetingsprocedure niet kon worden opgestart. Ten aanzien van de overige 299 dossiers werd er in 2009 nog geen beslissing genomen. De beslissingen inzake de dossiers die AMMC in 2009 heeft ontvangen, maken dan ook deel uit van de 219 beslissingen van 2010, aangezien de termijnen pas verliepen in 2010. Van deze 219 beslissingen die AMMC in 2010 heeft genomen in het kader van milieumisdrijven, hadden 175 beslissingen immers betrekking op dossiers die in 2009 werden ontvangen en waarvan de beslissingstermijn verstreek in 2010. Bovenstaande cijfers geven aan dat AMMC in 2010 1.100 dossiers heeft ontvangen van de parketten. Bijna de helft van deze processenverbaal werd opgesteld door de Lokale politie en bijna de helft had betrekking op afval. Er kon echter worden vastgesteld, ondanks de toename van het aantal dossiers dat de parketten heeft overgemaakt aan AMMC voor het opleggen van een bestuurlijke boete, dat amper 19,90% van deze 1.100 dossiers ook effectief werden behandeld in 2010. Het betrof in 62 dossiers de vaststelling dat het proces-verbaal niet onder het toepassingsgebied viel van titel XVI van het DABM en in 6 dossiers werd er beslist geen boete op te leggen. In 151 van 1.100 dossiers werd er effectief een boete opgelegd. Deze vaststelling doet de vraag rijzen of er verder onderzoek dient te gebeuren naar alternatieve afhandelingswijze om een effectief lik op stuk beleid te creëren. In dit kader kan worden gedacht aan de toevoeging van het instrument bestuurlijke transactie. AMMC is niet alleen bevoegd voor het opleggen van alternatieve bestuurlijke geldboetes, maar tevens voor het opleggen van exclusieve bestuurlijke geldboetes voor milieu-inbreuken. Dergelijke milieuinbreuken worden door de toezichthouders opgenomen in een verslag van vaststelling dat, gelet op de depenalisering, rechtstreeks wordt overgemaakt aan AMMC. In de bestudeerde periode ontving AMMC 38 verslagen van vaststelling, waarvan 37 met betrekking tot afvalvoorkoming en -beheer, 1 met betrekking tot sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Meer dan ¾ werd opgesteld door gewestelijke toezichthouders. Het verslag van vaststelling is een handhavingsinstrument dat werd geïntroduceerd door het Milieuhandhavingsdecreet. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 kon worden vastgesteld dat het nieuwe instrument nog niet volledig was geïntegreerd in de werking van de toezichthoudende instanties. Ook op

103 Bij elk parket kon in 2010 een stijging van het procentuele aandeel van de dossiers ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest, bezorgd aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer ten aanzien van 2009 (na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet), behalve bij het parket van Oudenaarde.

192 192


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Evaluatie van het Vlaamse milieusanctioneringsbeleid

basis van bovenstaande cijfers kan de vraag worden gesteld in welke mate de toezichthouders volledig vertrouwd zijn met het nieuwe instrument en de procedures ter zake. In hoofdstuk 3 werd aangegeven dat de toezichthouders zelf meedeelden 81 verslagen van vaststelling te hebben opgesteld in 2010, terwijl AMMC er slecht 38 heeft ontvangen. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de toezichthouders wel verslagen van vaststelling opstellen, maar deze niet overmaken aan AMMC. Een andere mogelijk verklaring zou kunnen zijn dat de procedures van het Milieuhandhavingsdecreet wellicht nog steeds niet volledig gekend zijn bij alle toezichthouders, of misschien zijn de bevraagde toezichthouders nog onvoldoende vertrouwd met de term ‘verslag van vaststelling’ zoals bedoeld in het Milieuhandhavingsdecreet. Een belangrijke reden waarom sommige toezichthouders maar in beperkte mate verslagen van vaststelling opstellen heeft te maken met het feit dat in sommige milieuwetgeving (bv. De milieubeheerwetgeving) nauwelijks delicten als milieu-inbreuken zijn opgenomen. Het feit dat de toezichthouders eigenlijk in beperkte mate verslagen van vaststelling opstellen zou tevens kunnen worden verklaard door het feit dat de toezichthouders ter zake over een discretionaire bevoegdheid beschikken. Bij het vaststellen van een milieu-inbreuk is een toezichthouder namelijk niet verplicht een verslag van vaststelling op te stellen. Dit verdient duidelijk ook verder onderzoek. In 2010 nam AMMC in 13 van deze 38 dossiers een beslissing. Vijf keer werd een exclusieve bestuurlijke geldboete opgelegd en 8 keer werd er vastgesteld dat het verslag van vaststelling niet onder het toepassingsgebied viel van titel XVI van het DABM. Dit maakt dat 34,21% van de in 2010 aan AMMC overgemaakte verslagen van vaststelling werden behandeld in 2010. Tegen de boetebeslissingen van AMMC kan beroep worden ingediend bij het Milieuhandhavingscollege. In de bestudeerde periode ontving dit Milieuhandhavingscollege 11 beroepen tegen beslissingen van AMMC in het kader van een milieumisdrijf en 1 beroep tegen een beslissing van AMMC in het kader van een milieu-inbreuk. Het lage aantal ingediende beroepen bij het Milieuhandhavingscollege kan worden verklaard door het feit dat de instroom bij het Milieuhandhavingscollege uiteraard afhankelijk is van de uitstroom bij de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeer. Het Milieuhandhavingscollege heeft in 2010 in vier van de 12 ingediende beroepen een beslissing genomen. Voor de overige 8 beroepen werd in 2010 nog geen arrest geveld. Dit kan worden verklaard door de termijnen en de procedures die het Milieuhandhavingsdecreet voorschrijft, onder meer in het kader van de kennisgeving, indienden van memorie van antwoord en wederantwoord en uitspraak van de beslissing. De VLM heeft reeds sedert de inwerkingtreding van het Mestdecreet de bevoegdheid gekregen om bestuurlijke geldboetes op te leggen voor bepaalde schendingen van het Mestdecreet. De VLM werd daarom niet enkel bevraagd naar het aantal milieuhandhavingscontroles dat werd uitgevoerd in 2010 en welk gevolg werd gegeven aan deze controles, maar er werd tevens gevraagd hoeveel bestuurlijke boetes de VLM heeft opgelegd in het kader van de door de VLM opgestelde inspectieverslagen alsook voor welke inbreuken. In de bestudeerde periode heeft de VLM 5.436 bestuurlijke boetes opgelegd naar aanleiding van 278 uitgevoerde terreinvaststellingen. Het verschil tussen het aantal op het terrein vastgestelde inbreuken en het aantal opgelegde boetes is afkomstig door de termijn voor oplegging van de boetes. Niet voor alle vaststellingen van 2010 werd de boete ook in 2010 opgelegd. De opgelegde boetes in 2010 kunnen nog betrekking hebben op vaststellingen van de voorgaande jaren. Daarnaast zijn de opgelegde boetes in 2010 afkomstig van zowel overtredingen vastgesteld op het terrein als van administratieve controles. Zo werden in 2010 4.379 boetes administratief opgelegd naar aanleiding van de controle van de databank. Dit betekent dat deze dan ook niet worden weerspiegeld in het aantal terreinvaststellingen in 2010. Buiten het Milieuhandhavingsdecreet bestaan er nog instrumenten die bijdragen aan de milieuhandhaving. Hier kan onder meer gedacht worden aan de rechtontnemende sancties zoals de schorsing of opheffing van machtigingen (milieuvergunningen, erkenningen,…). Ook de gemeentelijke administratieve sanctie (GAS), zoals geregeld in art. 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, vormt een niet onbelangrijk sanctioneringsmiddel in het kader van de lokale milieuhandhaving, en de aanpak van kleine vormen van openbare overlast in het bijzonder. Bij de opmaak van dit Milieuhandhavingsrapport 2010 werd er echter wederom voor gekozen om uitsluitend over de werkzaamheden van de parketten, AMMC, het Milieuhandhavingscollege en de VLM te rapporteren. 193

193


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

5

Besluit

BESLUIT

5.1

SAMENVATTENDE CONCLUSIES

Net als het Milieuhandhavingsrapport over 2009 zal ook in dit handhavingsrapport over 2010 eerst een samenvatting worden geboden van de belangrijkste conclusies. Aan het einde van de meeste onderdelen werden reeds enkele tentatieve conclusies geboden; die kunnen hier nu in belangrijke mate worden samengevat. Waar in het Milieuhandhavingsrapport van 2009 nog belangrijke beperkingen golden (omdat die rapportage immers slechts betrekking had op de periode van 1 mei 2009 tot 31 december 2009) kon met dit Milieuhandhavingsrapport over 2010 reeds meer inzicht worden geboden. Ook is het voordeel dat nu een vergelijking tussen de beide jaren mogelijk is, waardoor ook kan worden nagegaan of bepaalde trends die reeds in 2009 konden worden ontwaard slechts incidenteel waren of dat deze zich ook daadwerkelijk doorzetten. Toch blijven enkele van de waarschuwingen die ten aanzien van de methodologie ook in het Milieuhandhavingsrapport 2009 werden geformuleerd nog steeds gelden: dit rapport heeft wederom veel cijfers kunnen bieden, maar toch laat dit rapport nog geen inzicht toe bijvoorbeeld in de effectiviteit van de handhaving, de handhavingslasten van de gecontroleerde, de milieuwinst of bijvoorbeeld de effectiviteit van het huidige instrumentarium en de participatie van derden aan de milieuhandhaving. Een effectiviteitsanalyse zou immers veronderstellen dat ook een causale relatie kan worden onderzocht tussen de gebruikte instrumenten en verbetering van milieukwaliteit, hetgeen met de middelen die de VHRM ter beschikking heeft niet mogelijk is. Niet alleen zijn de data waarover de VHRM beschikt relatief beperkt; ook de respons van de bij de handhaving betrokken actoren was niet steeds volledig. Wel wordt de respons steeds weergegeven en werd ook aangegeven in welke mate die als representatief kon worden beschouwd. Ondanks die beperkingen kan nu voor het tweede jaar reeds een redelijk inzicht worden gegeven in de handhavingsactiviteiten van de verschillende handhavingsactoren in het Vlaams gewest en dit reeds voor het tweede jaar. De belangrijkste conclusies en vaststellingen kunnen als volgt worden samengevat:

* Evaluatie van het uitgevoerde toezicht 1. Een eerste conclusie vloeit voort uit een vergelijking van het aantal bij de (volgens het Milieuhandhavingsdecreet) betrokken actoren, de hen toegekende bevoegdheden en de daadwerkelijk geleverde inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken. In hoofdstuk 2 van dit rapport bleek dat in sommige gevallen de verhouding tussen het aantal aangestelde toezichthouders, hun tijdsbesteding, hun toezichtopdrachten en het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles aanleiding geeft tot nader onderzoek. Vooral blijkt er een groot verschil tussen de actoren wat betreft de mate waarin de aangestelde toezichthouders ook daadwerkelijk handhavingstaken konden uitvoeren. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat een aantal handhavingsactoren een groot aantal bevoegdheden heeft toegewezen gekregen; in die gevallen zijn die toezichthouders quasi voltijds met toezichttaken bezig; andere actoren dienen slechts een beperkt aantal wetten of decreten te handhaven en voor de in dat kader aangestelde toezichthouders vormt handhaving dan ook veeleer een bijkomende taak. 2. Vergeleken met 2009 is het aantal inzetbare VTE dat werd besteed aan milieuhandhavingstaken bij de meeste gewestelijke handhavingsactoren in 2010 gelijk gebleven of gestegen. 3. Het gemiddeld aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles per toezichthouder en het gemiddeld aantal controles per VTE daalde in 2010 licht ten opzichte van 2009. De daling is echter slechts licht en niet als significant te kwalificeren, reden waarom de VHRM meent dat dit op zich geen punt van zorg dient te zijn. 194 194


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Besluit

4. Vergeleken met 2009 konden in 2010 meer politiezones een beroep doen op één of meerdere toezichthouders. Wel daalde de gemiddelde tijdsbesteding die de toezichthouder bij de lokale politie aan toezichttaken kon besteden licht. 5. In 2010 vonden in totaal 3.741 milieuhandhavingscontroles plaats door de (in totaal 123) toezichthouders van de lokale politie, hetgeen een gemiddelde van 30,41 milieuhandhavingscontroles per toezichthouder van de lokale politie vertegenwoordigt. 94 % van deze handhavingscontroles vonden reactief plaats naar aanleiding van klachten en meldingen. Dit vormt een behoorlijke stijging vergeleken met 2009 toen er slechts gemiddeld 11,51 controles per toezichthouder van de lokale politie werden uitgevoerd. Wel bestaan er tussen de verschillende categorieën van politiezones belangrijke verschillen, die vermoedelijk veroorzaakt worden door verschillen in expertise. 6. Derden blijken slechts relatief weinig gebruik te maken van de mogelijkheid een verzoek te richten aan de provinciegouverneur (en burgemeester) om bestuurlijke maatregelen op te leggen. In 2010 werden slechts vier verzoeken aan de provinciegouverneurs gericht en werd slechts één bestuurlijke maatregel opgelegd. Bij de burgemeesters ontstaat een ander beeld: zij ontvingen 61 vragen en 56 verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en hebben in 2010 128 maatregelen opgelegd. 7. Hoewel zulks op basis van het Milieuhandhavingsdecreet mogelijk is, werden ook in 2010 nog steeds geen toezichthouders aangewezen door de deputaties van de vijf provincies. 8. In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd uitgebreid aandacht besteed aan de (veelal nieuwe) handhavingsactiviteiten van de lokale toezichthouders. Opvallend daarin was dat 68 % van de responderende gemeenten aangaf geen zicht te hebben op het aantal niet-vergunde inrichtingen op een grondgebied. Dat aantal is in 2010 gedaald tot 7,5 %, hetgeen duidelijk als een positieve evolutie kan worden gekwalificeerd. Dit cijfer verwondert enigszins en vraagt om verder onderzoek. 9. Van de 185 (van de in totaal 308) Vlaamse gemeenten gaven 170 gemeenten aan een toezichthouder te hebben aangesteld. In totaal werden binnen deze 185 gemeenten 269 toezichthouders aangesteld. Slechts 8,10 % van de responderende gemeenten gaf aan nog geen toezichthouder te hebben aangesteld. Gemiddeld besteedden zij 0,24 VTE aan handhavingstaken, maar binnen bepaalde kleine gemeenten wordt slechts tussen de 0,00 en 0,10 VTE aan handhaving besteed, hetgeen problematisch lijkt te zijn.

* Evaluatie van de afzonderlijke milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen 1. Uit een evaluatie van de verschillende handhavingsinstrumenten blijkt dat ook in 2010 de meeste instrumenten die het Milieuhandhavingsdecreet biedt vaak door de verschillende toezichthouders worden gebruikt. 2. Opvallend is het feit dat in het algemeen bij bijna 70% van de controles geen overtreding kon worden vastgesteld. Dit wijst mogelijk op een algemene hoge nalevingsgraad van de milieuregelgeving in het Vlaamse Gewest. In dit kader zijn er echter opvallende verschillende tussen de handhavingsactoren die verder onderzocht dienen te worden. 3. In 2009 werd vastgesteld dat het verslag van vaststelling nog weinig bekend was bij de toezichthouders en niet vaak werd gebruikt. Nu is, in 2010, dit aandeel iets toegenomen. Toch vormt het aantal verslagen van vaststelling nog steeds een gering deel van het aantal controles (slechts 81 verslagen op een totaal van 10.424 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld). Net als in 2009 bestaat er een discrepantie tussen het aantal verslagen van vaststelling dat zou zijn opgesteld in 2010 (21) door de gemeentelijke toezichthouders en het aantal verslagen dat door de afdeling AMMC ontvangen zou zijn (2). Dit zou ofwel (nog steeds) kunnen betekenen dat verslagen van vaststelling niet altijd systematisch naar de AMMC werden 195

195


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Besluit

doorgestuurd of dat enkele gemeenten (ten onrechte) ook interne verslagen als een verslag van vaststelling in de zin van het Milieuhandhavingsdecreet kwalificeren. 4. Het proces-verbaal is nog steeds één van de meest gebruikte handhavingsinstrumenten, vooral door de Lokale politie. Wel blijkt ten opzichte van 2009 het aantal processen-verbaal te zijn gedaald, waarvoor niet direct een verklaring gegeven kan worden. 5. Hoewel in 2010 meer bestuurlijke maatregelen werden opgelegd dan in 2009, is het aantal bestuurlijke maatregelen op het totaal van de uitgevoerde controles waarbij een overtreding werd vastgesteld nog steeds zeer gering: 6,30 %.

* Evaluatie van het sanctioneringsbeleid 1. Zowel uit de data van de parketten als van de AMMC blijkt dat ook in 2010 meerdere parketten de door het Milieuhandhavingsdecreet geboden weg van de bestuurlijke afdoening (via een alternatieve bestuurlijke geldboete) hebben gevonden. In 2009 was het aantal PV’s dat door de parketten aan de AMMC werd doorgestuurd gemiddeld 10 %; in 2010 is dit gestegen naar 17 %. Dit is een markante stijging en betekent dat zaken die vermoedelijk in het verleden door de parketten werden geseponeerd nu naar de AMMC worden doorgestuurd voor de oplegging van een bestuurlijke geldboete. Daarmee wordt één van de doelstellingen van het Milieuhandhavingsdecreet gerealiseerd. Toch blijft op dat vlak nog steeds verbetering mogelijk. Aangezien het totaal aantal PV’s dat door de parketten aan de AMMC werd doorgestuurd 17 % bedroeg, betekent dit dat er vermoedelijk nog steeds heel wat milieumisdrijven zijn waaraan geen gevolg wordt gegeven door de parketten of die geseponeerd worden om opportuniteitsredenen terwijl ze toch voor een bestuurlijke geldboete in aanmerking zouden komen. 2. Nog steeds blijven er tussen de parketten grote verschillen bestaan wat betreft het aantal dossiers die de AMMC in 2010 heeft ontvangen. Het aantal doorgestuurde processen-verbaal in Dendermonde bedroeg bijvoorbeeld meer dan 34 % terwijl dit voor Hasselt nog geen 3 % en voor Oudenaarde nog geen 4 % bedroeg. De noodzaak tot betere afstemming ter zake tussen de parketten blijft derhalve bestaan. 3. Het AMMC heeft als nieuwe gewestelijke entiteit in 2010 sterk ingezet op de ontwikkeling van een kader (processen, methodologie) voor een kwalitatieve, coherente en uniforme bestuurlijke sanctionering. In deze periode heeft AMMC niet minder dan 1.100 processen-verbaal met milieumisdrijven ontvangen van de parketten. De helft van die PV’s werd opgesteld door de lokale politie. Bijna de helft van de PV’s had betrekking op afval, de andere helft betrof voor een kwart milieuhygiëneschendingen en voor een kwart milieubeheerschendingen. Voor deze 1.100 dossiers werd de bestuurlijke boeteprocedure opgestart. Een 200-tal boetedossiers kon in 2010 volledig worden afgehandeld en er werden effectief 151 boetes opgelegd. De overige boetedossiers worden verder behandeld in 2011. 4. In 2010 ontving het milieuhandhavingscollege (bevoegd voor de behandeling van beroepen tegen boetebeslissingen van de AMMC) 11 beroepen in het kader van een milieumisdrijf en één beroep tegen een beslissing in het kader van een milieu-inbreuk. Het college heeft in 2010 in 4 van de 12 ingediende beroepen een beslissing genomen; in de overige 8 beroepen werd nog geen arrest geveld, hetgeen verklaard kan worden door de termijnen en procedures die het Milieuhandhavingsdecreet voorschrijft.

196 196


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

5.2

Besluit

AANBEVELINGEN

Uit de hierboven geformuleerde conclusies en de in dit Milieuhandhavingsrapport gepresenteerde data kunnen verschillende aanbevelingen worden geformuleerd, zowel ten aanzien van de dataverzameling als ten aanzien van de effectiviteit van de milieuhandhaving. Het betreft daarbij enerzijds aanbevelingen geformuleerd ten aanzien van de Vlaamse Regering (5.2.1) en anderzijds aandachtspunten waar de VHRM zelf bij wil stilstaan (5.2.1). Ten dele trokken die punten ook reeds in het Milieuhandhavingsrapport 2009 de aandacht, hetgeen uiteraard betekent dat de VHRM op dat terrein zijn aandacht zal verderzetten.

5.2.1

Aanbevelingen ten aanzien van de Vlaamse Regering

Krachtens artikel 16.2.5 van het Milieuhandhavingsdecreet formuleert de VHRM in het Milieuhandhavingsrapport aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het milieuhandhavingsbeleid. Dit kadert onder meer in zijn opdracht om krachtlijnen en prioriteiten voor het beleid inzake de handhaving van het milieurecht te suggereren. Ten aanzien van enkele aanbevelingen die de VHRM op basis van dit rapport voornemens is te formuleren, kan worden gemeld dat deze nu reeds voorwerp zijn van wetgevende actie door de decreetgever. In sommige gevallen is verbetering van de milieuhandhaving immers zo acuut dat ook nog voor de publicatie van het Milieuhandhavingsrapport tussen de VHRM en de bevoegde minister contacten bestaan waarbij de VHRM op bepaalde knelpunten kan wijzen met het oog op wetgevend ingrijpen. Een belangrijk punt van zorg, zeker in tijden van financiële crisis, is dat de VHRM bij vele handhavingsactoren vaststelt dat zij de gevolgen van tekorten in personele en financiële middelen sterk voelen en dat zulks uiteraard op termijn nefast kan zijn voor de kwaliteit van de handhaving. De VHRM zelf heeft dit probleem ook aan den lijve ondervonden: door personeelstekort kan helaas dit Milieuhandhavingsrapport over 2010 slechts in 2012 worden gepubliceerd. De VHRM beveelt enerzijds de Vlaamse Regering aan om, voor zover mogelijk binnen het financiële kader, toch de nodige middelen te blijven vrijmaken om een minimale handhaving van de milieuwetgeving te kunnen garanderen; anderzijds wordt ook aan de toezichthouders aanbevolen om, waar mogelijk, de schaarse middelen nog beter in te zetten bijvoorbeeld door doelgerichte handhaving.104 Verder kunnen de volgende aanbevelingen worden geformuleerd: -

-

-

104 105

zoals reeds in het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd gemeld, lijkt het voor kleinere gemeentes aangewezen vaker gebruik te maken van de aanstelling van toezichthouders via intergemeentelijke verenigingen. De Vlaamse Regering zou het toetreden van kleinere gemeenten tot dergelijke intergemeentelijke verenigingen voor ondersteuning inzake handhaving kunnen stimuleren. In de schoot van de VHRM wordt een studieopdracht uitgevoerd over de rol van lokale (en vooral gemeentelijke) toezichthouders bij de milieuhandhaving. De resultaten daarvan worden in mei 2012 verwacht. De VHRM beveelt aan om totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, geen definitieve stappen te zetten ten aanzien van de (financiering van) de milieuhandhaving door lokale toezichthouders,105 maar om rekening te houden met de uitkomsten van de door de VHRM uitgegeven studie bij de verdere besluitvorming. Het lijkt (net als in 2009) wederom aanbeveling te verdienen dat de toezichthouders in het algemeen, maar de gemeentelijke toezichthouders in het bijzonder, prioriteit zouden geven aan de controle op de naleving van de vergunnings-/meldingsplicht van de aanwezige inrichtingen en activiteiten op hun grondgebied. Weliswaar is het totaal geschatte niet-vergunde inrichtingen (op basis van een respons van 185 gemeenten) in 2010 gedaald van 4.056 in 2009 naar 2.223 in

Juist daarom heeft de VHRM op 8 april 2011 een studiedag georganiseerd over doelgericht handhaven. Zie desbetreffend ook de discussie over het Witboek Interne Staatshervorming, Vlaamse Regering, april 2011.

197 197


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

-

Besluit

2010. Maar op dit punt is zeker verdere handhavingsactie mogelijk door intensiever toezicht uit te oefenen op deze niet-vergunde hinderlijke inrichtingen. Tevens lijkt het van belang dat aandacht zou worden besteed aan de vraag of de reële toestand binnen de inrichting al dan niet overeenstemt met de in de vergunning/melding beschreven toestand. Ook verdient het aanbeveling om gemeentelijke toezichthouders te stimuleren niet alleen formeel een toezichthouder aan te stellen, maar om deze ook voldoende tijd aan handhavingstaken te laten besteden. De data geven immers aan dat binnen enkele (vooral kleinere) gemeenten weliswaar toezichthouders zijn aangesteld, maar dat deze de facto geen VTE aan handhaving kunnen besteden, hetgeen moeilijk te verenigen lijkt met de geest en doelstelling van het Milieuhandhavingsdecreet.

Naast de aanbevelingen betreffende de activiteiten van de toezichthouders kunnen ook een aantal aanbevelingen aan de Vlaamse Regering worden geformuleerd met betrekking tot het sanctioneringsbeleid. -

-

-

Net als in 2009 bestaan er nog steeds belangrijke regionale verschillen tussen de parketten wat betreft het doorsturen van zaken aan de AMMC. Het lijkt derhalve van belang (mogelijk ook via actie bij het Ministerie van Justitie of via het College van Procureurs-generaal) om aan te sturen op verdere bewustmaking binnen de parketten ten aanzien van de mogelijkheden van bestuurlijke sanctionering door de AMMC. Uit de data lijkt nog steeds naar voren te komen dat, hoewel het aantal zaken dat aan de AMMC werd overgemaakt is gestegen, nog steeds zaken door de parketten onbehandeld blijven of geseponeerd worden (om opportuniteitsredenen) die volgens de doelstelling en geest van het Milieuhandhavingsdecreet aan de AMMC zouden moeten kunnen overgemaakt. Het lijkt van belang ter zake actie te doen ondernemen om binnen het Vlaamse Gewest een eenvormige afhandeling van milieudelicten te kunnen garanderen. Net als in 2009 beveelt de VHRM ook aan om de prioriteitennota “Vervolgingsbeleid Milieurecht in het Vlaamse Gewest” van 30 mei 2000 te actualiseren, rekening houdend met het Milieuhandhavingsdecreet en met de door het parket opgestelde sorteernota van 2010.106 De VHRM heeft reeds de nodige stappen gezet met het oog op een actualisering van deze prioriteitennota en verwacht dat een nieuw concept daarvan in de lente van 2012 aan de bevoegde overheden zal kunnen worden voorgelegd. De VHRM beveelt de Vlaamse Regering aan om op dat ogenblik in overleg met de bevoegde federale minister voor justitie spoedig werk te maken van de formele invoering van deze geactualiseerde prioriteitennota. Het verdient aanbeveling om maatregelen te nemen om de snellere doorstroming van dossiers bij de AMMC te bevorderen. Op dit ogenblik worden reeds vele dossiers door de parketten doorgestuurd (en de VHRM beveelt bovendien aan dat er nog meer zouden moeten worden doorgestuurd). Gecombineerd met de ontoereikende personeelsbezetting is het voor de AMMC niet haalbaar om deze dossiers binnen de decretaal voorziene termijn (van orde) af te handelen, hetgeen tot een belangrijke achterstand heeft geleid. Op termijn zou dit uiteraard de verwezenlijking van de doelstellingen van het Milieuhandhavingsdecreet ernstig in gevaar kunnen brengen, precies omdat een effectieve bestuurlijke afhandeling als alternatief naar voren was geschoven voor de seponering van milieudelicten door de parketten. Het is dus belangrijk, met het oog op een vlotte doorstroming van dossiers, om enerzijds de AMMC voldoende uit te rusten met deskundig personeel en anderzijds alternatieve afhandelingswijzen (zoals een bestuurlijke transactie) te onderzoeken. Op beide terreinen wordt reeds gewerkt: er is einde 2011 meer personeel toegevoegd aan de AMMC en AMMC heeft een decreetswijziging voorgesteld waardoor ze lichtere zaken ook via een voorstel van een bestuurlijke transactie zou kunnen afhandelen.107

106

Milieuhandhavingsprogramma 2010, Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving, januari 2010, p. 103-104.

107

Decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, artikel 30-32. Publicatie B.S. 22 mei 2012

198 198


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Besluit

Het lijkt echter van belang dat de Vlaamse Regering deze doorstroom van dossiers door de AMMC nauwgezet blijft volgen. Wanneer immers die doorstroomsnelheid niet aanzienlijk verhoogt, valt te vrezen dat de doelstelling – een krachtiger handhavingsbeleid via gepaste sanctionering – in het gedrang komt. Ook voor de parketofficieren is het van belang te weten dat milieumisdrijven die zij doorsturen naar AMMC leiden tot een spoedige behandeling, en waar gepast, een effectieve beboeting.

5.2.2

Aandachtspunten

Naast bovenstaande aanbevelingen die zijn gericht aan het adres van de Vlaamse Regering zijn in dit rapport ook verschillende aandachtspunten naar voren gekomen die door de VHRM zelf zullen worden behandeld. De VHRM heeft in 2010 ook vele van de aanbevelingen die in het Milieuhandhavingsrapport 2009 waren geformuleerd reeds ter harte genomen en deze hebben geleid tot behandeling hetzij in werkgroepen, in de plenaire vergadering of via het inroepen van externe deskundigen.108 In de eerste plaats werd reeds in het eerste Milieuhandhavingsrapport (2009) benadrukt, maar dat geldt voor dit milieuhandhavingsrapport eveneens, hoezeer de kwaliteit van dergelijk rapport afhankelijk is van de kwaliteit van de aangeleverde data. De VHRM benadrukt nogmaals dat juist met het oog op het formuleren van aanbevelingen ter verbetering van de effectiviteit van de milieuhandhaving het van groot belang is om een goed inzicht te hebben in data over de milieuhandhaving. Daarbij is onder meer van belang: -

-

-

-

Dat de bevraagde toezichthouders zo volledig mogelijk en tijdig informatie bieden aan de VHRM met het oog op het op te stellen Milieuhandhavingsrapport. Helaas was in 2010 de respons niet voor wat betreft alle toezichthouders beter dan in 2009. De VHRM doet derhalve een beroep, niet alleen op de betrokken toezichthouders, maar ook op overkoepelende organisaties en hiërarchische publiekrechtelijke overheden om toezichthouders te overtuigen van het belang van een adequate dataverzameling en om hen derhalve ertoe aan te zetten de door de VHRM gevraagde gegevens aan te leveren. Precies omdat de VHRM overtuigd was van het belang van het gebruik van uniforme concepten, teneinde ook data te kunnen vergelijken, heeft de VHRM een glossarium ontworpen met termen die voor de milieuhandhaving van belang zijn. Toezichthouders en andere belangstellenden worden uitgenodigd dit glossarium te raadplegen109 en uiteraard is het van belang om bij de beantwoording van de door de VHRM uitgevoerde bevraging gegevens in te vullen conform de definities uit dit glossarium. Voorts is het ook van belang om tussen toezichthouders en de parketten te komen tot een uniforme codering van de verschillende milieudelicten teneinde de uniformiteit en vergelijkbaarheid van data te bevorderen. Juist op dit punt wordt binnen de VHRM nu reeds gewerkt aan een uniforme nomenclatuur. Op termijn wil de VHRM ook beter inzicht krijgen in de aard en de milieu-impact van de milieudelicten teneinde op termijn een beter oordeel te kunnen vormen over de doeltreffendheid van de (handhaving van) de milieuwetgeving, en de wijze waarop deze effectief tot verbetering van milieukwaliteit leidt.

In het Milieuhandhavingsrapport 2009 werd reeds aangegeven dat de VHRM had vastgesteld dat vele handhavingsactoren op het terrein vaak met praktische problemen werden geconfronteerd. De VHRM heeft zich derhalve tot doel gesteld de kwaliteit van de handhaving te verbeteren, onder meer ook door workshops en congressen te organiseren. Enkele aandachtspunten kwamen ook in dit

108 109

Zie in het algemeen over de werking van de VHRM de website: http://www.vhrm.be http://www.vhrm.be/voor-de-toezichthouder/glossarium

199 199


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Besluit

Milieuhandhavingsrapport (wederom) naar voren. Enkele in het Milieuhandhavingsrapport 2009 vermelde aandachtspunten gaven in 2010 en 2011 reeds aanleiding tot nader onderzoek door de VHRM. Enkele aandachtspunten waarop de VHRM zich ook in de toekomst wil richten, zoals onder meer ook uit dit Milieuhandhavingsrapport naar voren komen, zijn: -

-

-

-

-

-

-

-

Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de vraag in welke mate het wenselijk is dat de functie van toezichthouder wordt verenigd met andere functies, daar de tijdsbesteding aan handhavingstaken bij een aantal actoren minimaal blijkt te zijn. Zo rijst de vraag of milieuhandhaving niet een zodanige kennis, ervaring en deskundigheid vereist (zeker bij complexere handhavingsopdrachten) dat het meer aangewezen zou zijn om toezichthouders voltijds met handhaving bezig te laten zijn in plaats van milieuhandhaving als een bijkomende opdracht naast een ander takenpakket te zien. Aandacht dient uit te gaan naar de vraag hoe het komt dat bepaalde toezichthouders aangesteld bij de lokale politie gemiddeld slechts zeer weinig tijd kunnen besteden aan het uitvoeren van effectieve toezichtstaken. Ook rijst de vraag in welke mate een zekere expertise en uitbouw van kennis bij bepaalde politiezones ook leidt tot een betere kwaliteit van de milieuhandhaving. Ook dient te worden onderzocht waarom het instrument “vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen” gericht aan de provinciegouverneur nauwelijks wordt gebruikt. De vraag rijst of er voor derden bepaalde barrières bestaan bij het aanwenden van dit instrument waardoor dit in de praktijk niet wordt gebruikt. Rekening houdend met de uitkomsten van de door de VHRM uitgevoerde studie naar de lokale milieuhandhaving dient vervolgens ook aandacht te worden besteed (conform de aanbeveling aan de Vlaamse Regering) op welke wijze gemeentelijke toezichthouders zouden kunnen optreden tegen niet-vergunde inrichtingen. In geval van exploitatie zonder milieuvergunning in de volgende specifieke omstandigheden: o Het totaal ontbreken van een vergunning, indien, nooit een vergunning is aangevraagd; o Het totaal ontbreken van een vergunning na een weigering in tweede aanleg of een weigering in eerste aanleg, waartegen geen beroep werd ingediend; o Het exploiteren van een inrichting of het uitoefenen van een activiteit, wanneer hiervoor een algemeen verbod geldt; o Het ontbreken van een vergunning voor een sterk milieubelastende deelactiviteit; is hier sprake van een milieumisdrijf en dient er een proces-verbaal opgesteld te worden en is het aangewezen om dadelijk over te gaan tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen (bij de keuze van het middel moet, cfr. artikel 16.4.4 van het Milieuhandhavingsdecreet, het proportionaliteitsprincipe gerespecteerd worden). Tevens dient, rekening houdend met de uitkomsten van gemelde studie, te worden nagegaan hoe het komt dat binnen bepaalde (vooral kleinere) gemeenten wel toezichthouders zijn aangesteld, maar de facto geen tijd beschikbaar is voor handhavingstaken. Rekening houdend met de uitkomsten van de door de VHRM georganiseerde studiedag over doelgericht handhaven rijst de vraag of richtlijnen/criteria maar ook programma’s tot stand kunnen worden gebracht (ook rekening houdend met buitenlandse ervaringen) waardoor de effectiviteit van de milieuhandhaving (mede vanuit een kosten/batenperspectief) kan verhogen. Onderzocht dient te worden of richtlijnen kunnen worden ontwikkeld aangaande de wijze waarop de toezichthouders met de beschikbare handhavingsinstrumenten uit het milieuhandhavingsdecreet dienen om te gaan. Bepaalde instrumenten lijken immers weinig te worden gebruikt en andere instrumenten worden door de ene toezichthouder veel en door de andere weinig te worden gebruikt. Richtlijnen die aangeven welk instrument op welk ogenblik wordt ingezet en ook hoe een optimale combinatie van het beschikbare handhavingsinstrumentarium tot stand komt zouden ter zake aangewezen kunnen zijn. Het geringe gebruik van het verslag van vaststelling voor milieu-inbreuken als instrument vereist ook nadere bestudering. De vraag rijst of dit enerzijds te maken heeft met inderdaad een gering aantal inbreuken, dan wel met het feit dat toezichthouders van de mogelijkheid (geen

200 200


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

-

Besluit

verplichting) om een verslag van vaststelling in geval van een milieu-inbreuk op te stellen weinig gebruik maken. De redenen voor het relatief beperkte gebruik van dit nieuwe door het milieuhandhavingsdecreet ingevoerde instrument dienen beter in kaart te worden gebracht. Het kan echter ook zijn dat, aangezien de handhavingsmiddelen beperkt zijn, er prioriteiten moeten gesteld worden en het dus niet onlogisch is dat voorrang wordt gegeven aan milieumisdrijven met effectieve impact op het milieu boven milieu-inbreuken zonder dergelijke negatieve impact/schade. Tenslotte dient, conform de aanbeveling aan de Vlaamse Regering, ook door de VHRM in het kader van zijn werkgroepen steeds de aandacht uit te gaan naar een optimale afstemming tussen de strafrechtelijke en de bestuurlijke handhaving. Dit vereist enerzijds dat de aandacht uitgaat naar vooral die parketten die de weg naar de AMMC nog niet of niet in voldoende mate hebben gevonden. Conform de geest en doelstelling van het milieuhandhavingsdecreet zouden immers in beginsel alle milieumisdrijven die om opportuniteitsredenen worden geseponeerd ook door het parket aan de AMMC dienen te worden doorgezonden. Anderzijds blijft de snellere sanctionering van milieuschendingen door de AMMC cruciaal, en zal dan ook in de toekomst aandachtig gevolgd blijven door de VHRM.

201 201


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

VERKLARENDE WOORDENLIJST - AFKORTINGEN HANDHAVINGSACTOREN EN INSTELLINGEN ALBON:

afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

AMMC:

afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

AMI:

afdeling Milieu-inspectie van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

AMV:

afdeling Milieuvergunningen Leefmilieu, Natuur en Energie

ANB:

Agentschap voor Natuur en Bos

AWV:

Agentschap Wegen en Verkeer

AZ&G:

Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid

OVAM:

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

MHHC:

Milieuhandhavingscollege

SG van het departement LNE:

Secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

VHRM:

Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving

VLM:

Vlaamse Landmaatschappij

VMM:

Vlaamse Milieumaatschappij

VVP:

Vereniging van Vlaamse Provincies

VVSG:

Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten

W&Z:

Waterwegen en Zeekanaal NV

van

het

departement

MILIEUHANDHAVINGSTERMINOLOGIE DABM

Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

GAS

Gemeentelijke Administratieve Sanctie

MHR

Milieuhandhavingsrapport

PV

Proces-verbaal

202 202


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

ANDERE AGR-GPS

Elk transportmiddel dat door een erkende mestvoerder Klasse B of klasse C ingezet wordt voor het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen, moet op elk moment AGR-GPS compatibel zijn. Die AGR-GPS-compatibiliteit houdt in dat elk erkend transportmiddel moet beschikken over AGR-GPSapparatuur, die deel uitmaakt van een operationeel AGRGPS-systeem. Bovendien moeten de signalen uitgestuurd door die apparatuur via een computerserver, beheerd door een GPS-dienstverlener, rechtstreeks en onmiddellijk verstuurd worden naar de Mestbank.

B.S.

Belgisch Staatsblad

ECO-formulier

Vattingsdocument dat bij een afvaltransportcontrole door de politie wordt ingevuld en overgezonden voor centrale vatting aan de centrale dienst Leefmilieu. De gegevens worden, naast de punctuele controle, gebruikt voor het uitvoeren van operationele en strategische analyses.

n.g.

niet gekend

PIVO

Provinciaal Instituut voor Vorming en Opleiding

REA/TPI

nationaal informaticaprogramma voor de rechtbanken van eerste aanleg met applicaties voor de correctionele parketten en -griffies, jeugdparketten en â&#x20AC;&#x201C;griffies, burgerlijke griffies

t.a.v.

ten aanzien van

VTE

voltijdse equivalenten

203 203


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

LIJST VAN GRAFIEKEN GRAFIEK 1) AANTAL TOEZICHTHOUDERS PER GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOR ........................................... 13 GRAFIEK 2) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN IN VTE ............................................................. 16 GRAFIEK 3) VERGELIJKING VAN DE TOTALE INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN IN VTE IN 2009 EN 2010…………………………………………………………………………………………………………………………………………………….…20 GRAFIEK 4) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN ........................................................................ 23 GRAFIEK 5) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL CONTROLES PER GEWESTELIJKE TOEZICHTHOUDER IN 2009 EN 2010……………………. ............................................................................................................................. 26 GRAFIEK 6) PROCESSEN-VERBAAL OPGESTELD DOOR POLITIEDIENSTEN INZAKE LEEFMILIEUCRIMINALITEIT VOOR HET JAAR 2010 EN VOOR HET VLAAMSE GEWEST, OPGESPLITST NAAR LOKALE POLITIE, FEDERALE POLITIE EN OVERIGE DIENSTEN……. .................................................................................................................................... 31 GRAFIEK 7) PROACTIEVE CONTROLES I.V.M. AFVALTRANSPORTEN UITGEVOERD DOOR DE FEDERALE POLITIE ... 32 GRAFIEK 8) RESPONS (%) VAN DE LOKALE POLITIE BETREFFENDE DE BEVRAGING (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE)……………...................................................................................................................................... 35 GRAFIEK 9) OVERZICHT VAN DE INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR TOEZICHTHOUDERS LOKALE POLITIE (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) ........................................................................... 37 GRAFIEK 10) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL TOEZICHTHOUDERS PER POLITIEZONE IN 2009 EN 2010…………………………. ..................................................................................................................................... 39 GRAFIEK 11) VERGELIJKING VAN DE GEMIDDELDE TIJDSBESTEDING PER TOEZICHTHOUDER AAN TOEZICHTSTAKEN IN 2009 EN 2010 ................................................................................................................... 40 GRAFIEK 12) ORGANISATIE VAN TOEZICHT BIJ LOKALE POLITIEZONES (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) IN 2009 EN 2010 ......................................................................................................................... 42 GRAFIEK 13) AANSTELLING EN AANMELDING VAN TOEZICHTHOUDER(S) DOOR POLITIEZONE BIJ AMV (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) IN 2009 EN 2010 ........................................................................... 44 GRAFIEK 14) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR TOEZICHTHOUDERS LOKALE POLITIE (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) ..................................................................................................... 46 GRAFIEK 15) AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES UITGEVOERD DOOR TOEZICHTHOUDERS LOKALE POLITIE (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) IN HET KADER VAN HET MILIEUHANDHAVINGSDECREET .. 49 GRAFIEK 16) GEMIDDELD AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES PER TOEZICHTHOUDER IN 2009 EN 2010…..…………………… ...................................................................................................................................... 51 GRAFIEK 17)

GEMIDDELD AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES PER VTE IN 2009 EN 2010 ................... 53

GRAFIEK 18) AANTAL BURGEMEESTERS DIE IN 2010 EEN VRAAG/VERZOEK ONTVINGEN TOT HET OPLEGGEN VAN BESTUURLIJKE MAATREGELEN EN AANTAL BURGEMEESTER DIE BESTUURLIJKE MAATREGELEN OPLEGDE IN 2010…………………………. ..................................................................................................................................... 64 GRAFIEK 19) VRAGEN/VERZOEKEN BETREFFENDE HET OPLEGGEN VAN BESTUURLIJKE MAATREGELEN ONTVANGEN DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010 ............................. 65 GRAFIEK 20) OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010 ....................................................................................................................... 67 GRAFIEK 21) PROCENTUEEL AANDEEL VAN HET AANTAL BESTUURLIJKE MAATREGELEN WAARBIJ HET NIET MOGELIJK WAS DEZE MAATREGEL BINNEN DE OPGELEGDE TERMIJN TE DOEN UITVOEREN ................................. 68 GRAFIEK 22) AANTAL BURGEMEESTERS DIE IN 2010 EEN VRAAG ONTVING TOT HET OPLEGGEN VAN VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN AANTAL BURGEMEESTER DIE VEILIGHEIDSMAATREGELEN OPLEGDE IN 2010 ...... 69 GRAFIEK 23) VRAGEN BETREFFENDE HET OPLEGGEN VAN VEILIGHEIDSMAATREGELEN ONTVANGEN DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010................................................................. 70 204 204


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

GRAFIEK 24) VEILIGHEIDSMAATREGELEN OPGELEGD DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010 .................................................................................................................................... 72 GRAFIEK 25) PROCENTUEEL AANDEEL VAN HET AANTAL VEILIGHEIDSMAATREGELEN WAARBIJ HET NIET MOGELIJK WAS DEZE MAATREGEL BINNEN DE OPGELEGDE TERMIJN TE DOEN UITVOEREN ................................. 73 GRAFIEK 26)

RESPONSGRAAD (%) BEVRAGING GEMEENTEN (VOLGENS INWONERSAANTAL) ......................... 75

GRAFIEK 27) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDERS (VOLGENS INWONERSAANTAL) .......................................................................................................................... 79 GRAFIEK 28) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL TOEZICHTHOUDERS PER STAD/GEMEENTE IN 2009 EN 2010…………………… ....................................................................................................................................... 83 GRAFIEK 29) AANSTELLING EN AANMELDING VAN GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDERS BIJ AMV (VOLGENS INWONERSAANTAL)………… ................................................................................................................................ 86 GRAFIEK 30)

ORGANISATIE VAN GEMEENTELIJK TOEZICHT (VOLGENS INWONERSAANTAL) IN 2009 EN 2010 88

GRAFIEK 31) AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES UITGEVOERD DOOR GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDERS (VOLGENS INWONERSAANTAL) IN HET KADER VAN HET MILIEUHANDHAVINGSDECREET ...... 92 GRAFIEK 32) VERGELIJKING VAN HET ‘TOTAAL AANTAL CONTROLES’ MET HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD ......................................................................................................... 101 GRAFIEK 33)

AANDEEL VAN HET GEBRUIK VAN HET INSTRUMENT ‘RAADGEVING’ IN 2010 ........................... 109

GRAFIEK 34)

AANDEEL VAN HET GEBRUIK VAN HET INSTRUMENT ‘AANMANING’ IN 2010 ............................ 112

GRAFIEK 35)

GEBRUIK VAN HET INSTRUMENT ‘VERSLAG VAN VASTSTELLING’ IN 2010 ................................ 116

GRAFIEK 36)

AANDEEL VAN HET GEBRUIK VAN HET INSTRUMENT ‘PROCES-VERBAAL’ IN 2010 .................... 119

GRAFIEK 37) OVERZICHT VAN HET AANTAL BESTUURLIJKE MAATREGELEN – OPGELEGD IN 2010 – NAAR AANLEIDING VAN EEN VERZOEK...................................................................................................................... 125 GRAFIEK 38) AANTAL OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN IN 2010 WAARBIJ HET NIET MOGELIJK WAS DE BESTUURLIJKE MAATREGEL BINNEN DE OPGELEGDE TERMIJN TE DOEN UITVOEREN ................................... 126 GRAFIEK 39)

AARD VAN DE OPGELEGDE VEILIGHEIDSMAATREGELEN .......................................................... 131

GRAFIEK 40) AARD VAN DE OPGELEGDE VEILIGHEIDSMAATREGELEN – VERGELIJKING VAN HET PROCENTUEEL AANDEEL PER TOEZICHTHOUDENDE INSTANTIE IN 2009 EN 2010..................................................................... 133 GRAFIEK 41) AANTAL OPGELEGDE VEILIGHEIDSMAATREGELEN IN 2010 WAARBIJ HET NIET MOGELIJK WAS DE VEILIGHEIDSMAATREGEL BINNEN DE OPGELEGDE TERMIJN TE DOEN UITVOEREN ............................................ 134 GRAFIEK 42) AANTAL ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN BIJ DE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010 PER VERBALISERENDE OVERHEID ................................. 143 GRAFIEK 43) AANTAL ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ AFKOMSTIG VAN DE VLAAMSE MILIEUDIENSTEN ZOALS GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN BIJ DE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010144 GRAFIEK 44) AANTAL ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN VAN DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, PER VOORNAAMSTE TENLASTELEGGING VOOR ZAKEN IN 2010146 GRAFIEK 45) AANTAL ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN VAN DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, PER VOORNAAMSTE TENLASTELEGGING VOOR ZAKEN: VERGELIJKING PROCENTUEEL AANDEEL IN 2009 EN 2010 ................................................................................. 148 GRAFIEK 46) VOORUITGANGSSTAAT D.D. 10 JANUARI 2011 VAN DE ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010 PER AANDEEL RUBRIEK VAN TENLASTELEGGING (AFVAL, MEST, VERGUNNINGEN, EMISSIES EN MILIEUBEHEER) ..................... 154 GRAFIEK 47) PROCESSEN-VERBAAL ONTVANGEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE VAN DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010 ........ 167 GRAFIEK 48) PROCENTUEEL AANDEEL VAN DE DOSSIERS ONTVANGEN DOOR DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, BEZORGD AAN DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN 205 205


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

HET DEPARTEMENT LNE IN DE PERIODE VAN 1 MEI 2009 TOT EN MET 31 DECEMBER 2009 EN VAN 1 JANUARI 2010 TOT EN MET 31 DECEMBER 2010 ............................................................................................................. 169 GRAFIEK 49) AANTAL ZAKEN MILIEUHANDHAVING IN 2010, DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN VAN DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, GESEPONEERD OM “ANDERE REDENEN” VERGELEKEN MET HET AANTAL ZAKEN BETREFFENDE MILIEUMISDRIJVEN ONTVANGEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LEEFMILIEU, NATUUR EN ENERGIE IN 2010 .................................... 171 GRAFIEK 50) BESLISSINGEN GENOMEN IN HET KADER VAN ALTERNATIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE IN 2010 ... 177 GRAFIEK 51) KADER WAARBINNEN EEN ALTERNATIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETE WERD OPGELEGD DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE, ZONDER EN MET VOORDEELONTNEMING ............................................................................................................................ 179 GRAFIEK 52) VERSLAGEN VAN VASTSTELLING ONTVANGEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE, PER HANDHAVINGSACTOR ............................. 180 GRAFIEK 53) VERSLAGEN VAN VASTSTELLING ONTVANGEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE, PER ONDERWERP .......................................... 182 GRAFIEK 54) BESLISSINGEN GENOMEN IN HET KADER VAN EXCLUSIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE IN 2010 ... 183

206 206


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

LIJST VAN TABELLEN TABEL 1)

AANTAL TOEZICHTHOUDERS PER GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOR ........................................... 14

TABEL 2)

INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN IN VTE ............................................................. 18

TABEL 3)

VERGELIJKING VAN DE INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN IN VTE IN 2009 EN 2010 21

TABEL 4)

INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN ........................................................................ 24

TABEL 5) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL CONTROLES PER GEWESTELIJKE TOEZICHTHOUDER IN 2009 EN 2010……………....................................................................................................................................... 27 TABEL 6) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL CONTROLES PER GEWESTELIJKE TOEZICHTHOUDER IN 2009 EN 2010……………....................................................................................................................................... 29 TABEL 7) PROCESSEN-VERBAAL OPGESTELD DOOR POLITIEDIENSTEN INZAKE LEEFMILIEUCRIMINALITEIT VOOR HET JAAR 2010 EN VOOR HET VLAAMSE GEWEST ............................................................................................... 30 TABEL 8) INDELINGSKLASSEN VAN DE VLAAMSE POLITIEZONES INCLUSIEF AANTAL POLITIEZONES PER KLASSE EN AANTAL RESPONDENTEN PER KLASSE ........................................................................................................... 35 TABEL 9) OVERZICHT VAN DE INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR TOEZICHTHOUDERS LOKALE POLITIE (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) ........................................................................... 38 TABEL 10) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL TOEZICHTHOUDERS PER POLITIEZONE IN 2009 EN 2010 40 TABEL 11) VERGELIJKING VAN DE GEMIDDELDE TIJDSBESTEDING PER TOEZICHTHOUDER AAN TOEZICHTSTAKEN IN 2009 EN 2010………. ...................................................................................................................................... 41 TABEL 12) ORGANISATIE VAN TOEZICHT BIJ LOKALE POLITIEZONES (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) IN 2009 EN 2010 ......................................................................................................................... 42 TABEL 13) AANSTELLING EN AANMELDING VAN TOEZICHTHOUDER(S ) DOOR POLITIEZONE BIJ AMV (VOLGENS INWONERSAANTAL POLITIEZONE) IN 2009 EN 2010 ........................................................................................... 44 TABEL 14) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR TOEZICHTHOUDERS LOKALE POLITIE (VOLGENS INWONERSAANTAL) .......................................................................................................................... 46 TABEL 15) AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES UITGEVOERD DOOR TOEZICHTHOUDERS LOKALE POLITIE (VOLGENS INWONERSAANTAL) IN HET KADER VAN HET MILIEUHANDHAVINGSDECREET ..................................... 49 TABEL 16) GEMIDDELD AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES PER TOEZICHTHOUDER IN 2009 EN 2010 .... 50 TABEL 17) GEMIDDELD AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES PER VTE IN 2009 EN 2010…………………………………………………………………………………………………………………………………………………….……52 TABEL 18) VRAGEN/VERZOEKEN BETREFFENDE HET OPLEGGEN VAN BESTUURLIJKE MAATREGELEN ONTVANGEN DOOR DE GOUVERNEURS VAN DE VLAAMSE PROVINCIES IN 2010……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………54 TABEL 19) BESTUURLIJKE MAATREGELEN OPGELEGD DOOR DE GOUVERNEURS VAN DE VLAAMSE PROVINCIES IN 2010…………………………… .................................................................................................................................... 55 TABEL 20) AANGESTELDE PROVINCIALE TOEZICHTHOUDERS EN AANGEDUIDE PROVINCIALE MEDEWERKERS IN 2010………………………………. ................................................................................................................................ 57 TABEL 21) AANTAL AANGEDUIDE EN TIJDSBESTEDING VAN DE PROVINCIALE MEDEWERKERS INZAKE ONBEVAARBARE WATERLOPEN IN 2010 .............................................................................................................. 58 TABEL 22) AANTAL CONTROLES INZAKE ONBEVAARBARE WATERLOPEN IN 2010 EN AANTAL GEFORMULEERDE AANMANINGEN EN OPGESTELDE PV’S NAAR AANLEIDING VAN DEZE CONTROLES ................................................ 58 TABEL 23) TYPE OVERTREDINGEN INZAKE ONBEVAARBARE WATERLOPEN IN 2010 ........................................... 59 TABEL 24) RESPONSGRAAD VAN DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN EN AANTAL VAN DEZE BURGEMEESTERS DIE IN 2010 EEN VRAAG/VERZOEK ONTVING TOT HET OPLEGGEN VAN BESTUURLIJKE MAATREGELEN EN AANTAL BURGEMEESTERS DIE BESTUURLIJKE MAATREGELEN OPLEGDE IN 2010 .................... 63 207

207


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

TABEL 25) VRAGEN/VERZOEKEN BETREFFENDE HET OPLEGGEN VAN BESTUURLIJKE MAATREGELEN ONTVANGEN DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010 ................................................. 65 TABEL 26) OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010………… .............................................................................................................................. 66 TABEL 27) RESPONSGRAAD VAN DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN EN AANTAL VAN DEZE BURGEMEESTERS DIE IN 2010 EEN VRAAG ONTVING TOT HET OPLEGGEN VAN VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN AANTAL BURGEMEESTERS DIE VEILIGHEIDSMAATREGELEN OPLEGDE IN 2010 .... 69 TABEL 28) VRAGEN BETREFFENDE HET OPLEGGEN VAN VEILIGHEIDSMAATREGELEN ONTVANGEN DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………70 TABEL 29) VEILIGHEIDSMAATREGELEN OPGELEGD DOOR DE BURGEMEESTERS VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN IN 2010……….. ............................................................................................................................... 71 TABEL 30) INDELINGSKLASSEN VAN DE VLAAMSE STEDEN EN GEMEENTEN INCLUSIEF AANTAL STEDEN EN GEMEENTEN PER KLASSE EN AANTAL RESPONDENTEN PER KLASSE .................................................................... 74 TABEL 31) HINDERLIJKE INRICHTINGEN PER GEMEENTE .................................................................................. 76 TABEL 32) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDERS (VOLGENS INWONERSAANTAL) .......................................................................................................................... 80 TABEL 33) VERGELIJKING VAN HET GEMIDDELD AANTAL TOEZICHTHOUDERS PER STAD/GEMEENTE IN 2009 EN 2010………………………………. ................................................................................................................................ 83 TABEL 34) VERGELIJKING VAN DE GEMIDDELDE TIJDSBESTEDING PER GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDER AAN TOEZICHTSTAKEN IN 2009 EN 2010 ................................................................................................................... 84 TABEL 35) ORGANISATIE VAN TOEZICHT BIJ STEDEN EN GEMEENTEN (VOLGENS INWONERSAANTAL) IN 2009 EN 2010………………………………….. ............................................................................................................................ 87 TABEL 36) INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN DOOR GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDERS (VOLGENS INWONERSAANTAL) .......................................................................................................................... 90 TABEL 37) AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES UITGEVOERD DOOR GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDERS (VOLGENS INWONERSAANTAL) IN HET KADER VAN HET MILIEUHANDHAVINGSDECREET ..................................... 92 TABEL 38) GEMIDDELD AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES PER GEMEENTELIJKE TOEZICHTHOUDER IN 2009 EN 2010……………… .................................................................................................................................... 93 TABEL 39) GEMIDDELD AANTAL MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES PER VTE IN 2009 EN 2010…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………94 TABEL 40) VERGELIJKING VAN HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR GEEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’ MET HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’ VOOR 2010 .................................... 100 TABEL 41) AANTAL ‘CONTROLES WAARVAN HET RESULTAAT ONBEKEND IS’ IN 2010 ....................................... 103 TABEL 42) AANTAL ‘CONTROLES ZONDER VERDERE ACTIE’ IN 2010 VERGELEKEN MET HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’ .............................................................................................. 105 TABEL 43) AANTAL ‘RAADGEVINGEN’ DOOR TOEZICHTHOUDERS IN 2010 VERGELEKEN MET HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’ .......................................................................... 107 TABEL 44) AANTAL ‘AANMANINGEN’ DOOR TOEZICHTHOUDERS IN 2010 VERGELEKEN MET HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’ .......................................................................... 111 TABEL 45) AANTAL ‘VERSLAGEN VAN VASTSTELLINGEN’ DOOR TOEZICHTHOUDERS IN 2010 VERGELEKEN MET HET AANTAL ‘CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD’ ...................................................... 115 TABEL 46) AANDEEL VAN HET GEBRUIK VAN HET INSTRUMENT ‘PROCES-VERBAAL’ DOOR TOEZICHTHOUDERS IN 2010………………………………… ............................................................................................................................ 118 TABEL 47) AANDEEL VAN HET AANTAL OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN HET AANTAL CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD............................................................... 121 208 208


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

TABEL 48) AARD VAN DE OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN IN 2010 EN VERGELIJKING VAN HET PROCENTUEEL AANDEEL IN 2009 EN 2010 ........................................................................................................ 123 TABEL 49) % AANTAL BEROEPEN TEGEN BESLUITEN HOUDENDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN HET AANTAL OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN………………………………………………………………………………………………………………………………………….127 TABEL 50) AARD VAN DE OPGELEGDE VEILIGHEIDSMAATREGELEN ................................................................. 130 TABEL 51) AANTAL ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN VAN DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, PER VOORNAAMSTE TENLASTELEGGING VOOR ZAKEN IN 2010 ..... 147 TABEL 52) AANTAL ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010, AL DAN NIET VIA VOEGING AAN EEN MOEDERZAAK, INCLUSIEF VOORUITGANGSSTAAT OP 10 JANUARI 2011 PER RUBRIEK TENLASTELEGGING EN PER GERECHTELIJK ARRONDISSEMENT EN VERGELIJKING MET HET PROCENTUEEL AANDEEL IN 2009 ............................................. 151 TABEL 53) VORDERINGSSTATEN D.D. 10 JANUARI 2010 EN 10 JANUARI 2011 VAN ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMS GEWEST TUSSEN 1 MEI 2009 EN 31 DECEMBER 2009 EN TUSSEN 25 JUNI 2009 EN 13 DECEMBER 2009 VERGELEKEN MET 2010 PER (PROCENTUEEL) AANDEEL RUBRIEK TENLASTELEGGING (AFVAL, MEST, VERGUNNINGEN, EMISSIES EN MILIEUBEHEER) ............. 155 TABEL 54) RUBRIEKEN TENLASTELEGGINGSCODES (AFVAL, MEST, VERGUNNINGEN, EMISSIES EN MILIEUBEHEER) VAN DE ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST: VERGELIJKING VAN HET PROCENTUEEL AANDEEL TUSSEN 1 MEI 2009 EN 31 DECEMBER 2009 EN TUSSEN 25 JUNI 2009 EN 31 DECEMBER 2009 TEN AANZIEN VAN 2010 PER AANDEEL VOORUITGANGSSTAAT OP RESPECTIEVELIJK 10 JANUARI 2010 EN 10 JANUARI 2011 PER RUBRIEK VAN TENSLASTELEGGING……… ................................................................................................................................ 157 TABEL 55) PER PARKET, ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST IN 2009 EN 2010 EN AANDEEL OPPORTUNITEITSSEPOTS, TECHNISCHE SEPOTS EN SEPOTS OM ANDERE REDEN (VOORUITGANGSSTAAT OP 10 JANUARI 2010 VERGELEKEN MET VOORUITGANGSSTAAT OP 11 JANUARI 2011) ................................................................................................... 161 TABEL 56) PER RUBRIEK VAN TENLASTELEGGINGSCODES, ZAKEN ‘MILIEUHANDHAVING’ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010 EN AANDEEL OPPORTUNITEITSSEPOTS, TECHNISCHE SEPOTS EN SEPOTS OM ANDERE REDEN (VOORUITGANGSSTRAAT OP 10 JANUARI 2011) VERGELEKEN MET HET AANDEEL IN 2009 (VOORUITGANGSSTAAT OP 10 JANUARI 2010)................................... 164 TABEL 57) PROCENTUEEL AANDEEL VAN DE DOSSIERS ONTVANGEN DOOR DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010, BEZORGD AAN DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE…….. .................................................................................................................................. 168 TABEL 58) PROCENTUEEL AANDEEL VAN DE DOSSIERS ONTVANGEN DOOR DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010, BEZORGD AAN DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE VORDERINGSSTATEN D.D. 10 JANUARI 2010 EN 10 JANUARI 2011 VAN ZAKEN „MILIEUHANDHAVING‟ GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN IN HET VLAAMS GEWEST TUSSEN 1 MEI 2009 EN 31 DECEMBER 2009 EN TUSSEN 25 JUNI 2009 EN 13 DECEMBER 2009 VERGELEKEN MET 2010 PER (PROCENTUEEL) AANDEEL RUBRIEK TENLASTELEGGING (AFVAL, MEST, VERGUNNINGEN, EMISSIES EN MILIEUBEHEER)……….. ..................................................................................................................................... 170 TABEL 59) PROCENTUEEL AANDEEL VAN DE DOSSIERS ONTVANGEN DOOR DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010, PER HANDHAVINGSACTOR.................................................................................................... 173 TABEL 60) PROCENTUEEL AANDEEL VAN DE DOSSIERS ONTVANGEN DOOR DE PARKETTEN VAN HET VLAAMSE GEWEST IN 2010, PER MILIEUTHEMA ............................................................................................................... 175 TABEL 61) BESLISSINGEN GENOMEN IN HET KADER VAN ALTERNATIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE IN 2010 ........ 177 TABEL 62) KADER WAARBINNEN EEN ALTERNATIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETE WERD OPGELEGD DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE, ZONDER EN MET VOORDEELONTNEMING.................................................................................................................................... 179 TABEL 63) VERSLAGEN VAN VASTSTELLING ONTVANGEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE, PER HANDHAVINGSACTOR ............................. 181 209

209


VHRM – Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

TABEL 64) VERSLAGEN VAN VASTSTELLING ONTVANGEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE, PER ONDERWERP………………………………………………………………………………………………………………………………………………182 TABEL 65) BESLISSINGEN GENOMEN IN HET KADER VAN EXCLUSIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETEN DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE IN 2010 ........ 184 TABEL 66) ONTVANGEN BEROEPEN TEGEN BESLISSINGEN VAN DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE IN HET KADER VAN EEN MILIEUMISDRIJF DOOR HET MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE IN 2010 EN DE RESULTATEN VAN DE BEHANDELING ERVAN....................... 185 TABEL 67) ONTVANGEN BEROEPEN TEGEN BESLISSINGEN VAN DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LNE IN HET KADER VAN EEN MILIEU-INBREUK DOOR HET MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE IN 2010 EN DE RESULTATEN VAN DE BEHANDELING ERVAN....................... 186 TABEL 68) AANTAL EN AARD VAN DE BESTUURLIJKE BOETES OPGELEGD DOOR DE VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ 188

210 210


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

BIJLAGEN Bijlage 1:

Responderende gemeenten

Bijlage 2:

Responderende politiezones

211 211


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

Bijlage 1: Responderende gemeenten Aalst

Ham

Oostende

Aalter

Hamme

Oostkamp

Aarschot

Hamont-Achel

Oostrozebeke

Alken

Hasselt

Opwijk

Antwerpen

Heers

Oudenaarde

Anzegem

Heist-op-den-Berg

Oud-Heverlee

Ardooie

Hemiksem

Oud-Turnhout

Arendonk

Herentals

Overijse

As

Herenthout

Pittem

Asse

Herne

Poperinge

Assenede

Herstappe

Putte

Avelgem

Hoogstraten

Puurs

Baarle-Hertog

Houthulst

Ravels

Balen

Hove

Riemst

Beernem

Huldenberg

Roeselare

Beerse

Ingelmunster

Ronse

Beringen

Kapellen

Rumst

Berlaar

Kaprijke

Scherpenheuvel-Zichem

Bilzen

Kasterlee

Schilde

Blankenberge

Keerbergen

Schoten

Boechout

Kinrooi

Sint-Gillis-Waas

Bonheiden

Koekelare

Sint-Katelijne-Waver

Boom

Koksijde

Sint-Laureins

Boortmeerbeek

Kontich

Sint-Martens-Latem

Borgloon

Kortenaken

Sint-Niklaas

Bornem

Kortenberg

Sint-Pieters-Leeuw

Boutersem

Kortessem

Sint-Truiden

Brakel

Kortrijk

Staden

Brasschaat

Kruibeke

Steenokkerzeel

Brecht

Laakdal

Temse

Bredene

Laarne

Ternat

Bree

Lanaken

Tervuren

Brugge

Landen

Tessenderlo

212 212


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

Damme

Langemark-Poelkapelle

Tienen

De Panne

Lebbeke

Tongeren

De Pinte

Lede

Torhout

Deerlijk

Leopoldsburg

Vilvoorde

Deinze

Leuven

Vleteren

Denderleeuw

Lichtervelde

Voeren

Dendermonde

Liedekerke

Vorselaar

Dessel

Lier

Vosselaar

Destelbergen

Lille

Waarschoot

Diepenbeek

Lochristi

Waregem

Diest

Lokeren

Wemmel

Duffel

Londerzeel

Westerlo

Eeklo

Lubbeek

Wetteren

Erpe-Mere

Lummen

Wevelgem

Evergem

Maarkedal

Wijnegem

Galmaarden

Malle

Wortegem-Petegem

Gavere

Mechelen

Zandhoven

Geel

Meerhout

Zelzate

Geetbets

Menen

Zemst

Genk

Merksplas

Zingem

Gent

Mesen

Zoersel

Geraardsbergen

Middelkerke

Zomergem

Gistel

Mol

Zonhoven

Gooik

Moorslede

Zonnebeke

Grimbergen

Mortsel

Zottegem

Grobbendonk

Neerpelt

Zulte

Haacht

Nieuwpoort

Zwalm

Haaltert

Nijlen

Zwevegem

Halle

Ninove

213 213


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

Bijlage 2: Responderende politiezones Politiezone Aalst

Politiezone Kempenland

Politiezone Aalter/Knesselare

Politiezone Klein Brabant

Politiezone Aarschot

Politiezone Laarne/Wetteren/Wichelen

Politiezone Assenede/Evergem

Politiezone Leuven

Politiezone Balen/Dessel/Mol

Politiezone Lier

Politiezone Beersel

Politiezone Lokeren

Politiezone Beringen/Ham/Tessenderlo

Politiezone Lommel

Politiezone Berlaar/Nijlen

Politiezone Maasland

Politiezone Beveren

Politiezone Maasmechelen

Politiezone Bierbeek/Boutersem/Holsbeek/Lubbeek

Politiezone Machelen/Vilvoorde

Politiezone Bilzen/Hoeselt/Riemst

Politiezone Maldegem

Politiezone Blankenberge/Zuienkerke

Politiezone Meetjesland-Centrum

Politiezone Bodukap

Politiezone MINOS

Politiezone Brasschaat

Politiezone MIRA

Politiezone Bredene/De Haan

Politiezone Neteland

Politiezone BRT

Politiezone Ninove

Politiezone Brugge

Politiezone Noord

Politiezone Damme/Knokke-Heist

Politiezone Noorderkempen

Politiezone Demerdal - DSZ

Politiezone Noordoost-Limburg

Politiezone Denderleeuw/Haaltert

Politiezone Oostende

Politiezone Dendermonde

Politiezone Pajottenland

Politiezone Dijleland

Politiezone Polder

Politiezone Dilbeek

Politiezone Puyenbroeck

Politiezone Druivenstreek

Politiezone Regio Rhode en Schelde

Politiezone Gaoz

Politiezone Regio Tielt

Politiezone Gavers

Politiezone Regio Turnhout

Politiezone Geel

Politiezone RODE

Politiezone Gent

Politiezone Ronse

Politiezone Geraardsbergen/Lierde

Politiezone Rupel

Politiezone Gingelom/Nieuwerkerken/Sint-Truiden

Politiezone Schelde-Leie

Politiezone Grens

Politiezone Sint-Gillis-Waas/Stekene

Politiezone Grensleie

Politiezone Sint-Niklaas

214 214


VHRM â&#x20AC;&#x201C; Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Milieuhandhavingsrapport 2010

Bijlagen

Politiezone Haacht

Politiezone Sint-Pieters-Leeuw

Politiezone Hageland

Politiezone Spoorkin

Politiezone Hamme/Waasmunster

Politiezone TARL

Politiezone Hamont-Achel/Neerpelt/Overpelt

Politiezone Tervuren

Politiezone Hazodi

Politiezone Tongeren/Herstappe

Politiezone Heist

Politiezone Vlaamse Ardennen

Politiezone Hekla

Politiezone VLAS

Politiezone HERKO

Politiezone Voeren

Politiezone Herzele/Sint-Lievens-Houtem/Zottegem

Politiezone Voorkempen

Politiezone Het Houtsche

Politiezone West-Limburg

Politiezone Hoegaarden/Tienen

Politiezone WOKRA

Politiezone Houthalen-Helchteren

Politiezone ZARA

Politiezone Ieper

Politiezone Zaventem

Politiezone Kanton Borgloon

Politiezone Zuiderkempen

Politiezone Kempen N-O

Politiezone Zwijndrecht

215 215


216


COLOFON Uitgave

VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Prof. Dr. Michael G. Faure LL. M. Voorzitter van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Koning Albert II-laan 20 bus 15 1000 Brussel

EINDREDACTIE An Stas, Vaste secretaris van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving

ONTWERP COVER Nadia De Braekeler, Grafisch ontwerpster van de Afdeling Digitale Drukkerij van het departement Bestuurszaken

DEPOTNUMMER D/2012/3241/138 Dit rapport is beschikbaar op de website van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving: www.vhrm.be Overname wordt verwelkomd, mits bronvermelding.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Milieuhandhavingsrapport_2010.pdf by Vlaanderen-be - Issuu