L E F A T S D U O H N I
18. De Gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen . . . . . . . . . . KRIS DECLEER, WIM MERTENS, NIKO BOONE, AN CLIQUET, DESIRÉ PAELINCKX & ECKHART KUIJKEN - Juridisch kader inzake ruimtelijke ordening in Vlaanderen (periode vóór het Structuurplan Vlaanderen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Knelpunten in de ruimtelijke ordeningswetgeving voor het natuurbehoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - De algemene en aanvullende (of bijzondere) stedenbouwkundige voorschriften m.b.t. natuur zijn typologisch onvoldoende consistent en up-to-date, de afbakeningen gebeurden niet volgens een uniforme methode en systematiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - De afbakening op het gewestplan van gebieden met een groene bestemming biedt in de praktijk ruim onvoldoende bescherming voor de aanwezige natuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Kwantitatief overzicht van de groene bestemmingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Actueel grondgebruik in de natuur-, reservaat- en bosgebieden en de agrarische gebieden met ecologisch belang . . - Evolutie van de natuurwaarde binnen de groengebieden: enkele steekproeven. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Steekproef voor het uitwaardengebied van de Grensmaas, provincie Limburg. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Steekproef voor de Moeren van Meetkerke (Brugge-Zuienkerke), provincie West-Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . - Steekproef voor de vallei van de Bosbeek en aangrenzende zandgronden (As, Opblabeek, Opoeteren), prov. Limburg . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Conclusies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - De groene zones op het gewestplan zijn sterk versnipperd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Vele waardevolle natuurgebieden in Vlaanderen zijn actueel op de gewestplannen planologisch niet of onvoldoende beschermd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Onderzoek naar de planologische bescherming van de Biologisch zeer waardevolle en biologisch waardevolle ecotopen, zoals gekarteerd op de Biologische Waarderingskaart . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Onderzoek naar de planologische bescherming van de natuurgebieden met een internationaal beschermingsstatuut . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - EG-Vogelrichtlijngebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - EG-Habitatrichtlijngebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Ramsargebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Onderzoek naar de planologische bescherming van de gebieden van belang voor weidevogelpopulaties . . . . . . . . . . . . - Juridische en administratieve knelpunten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Aanbevelingen.; . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
117
117 118
118 119 119 121 121 121 122 122 124 126 127 127 129 129 131 131 131 131 135
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? KRIS DECLEER, WIM MERTENS, NIKO BOONE, AN CLIQUET, DESIRÉ PAELINCKX & ECKHART KUIJKEN
Juridisch kader inzake ruimtelijke ordening in Vlaanderen (periode vóór het Structuurplan Vlaanderen) De wetgeving inzake ruimtelijke ordening kan bijdragen tot het natuurbehoud door enerzijds in de ruimtelijke planning de bestemming natuur toe te kennen, met daaraan bepaalde voorschriften gekoppeld en anderzijds voor bepaalde activiteiten die ingrijpen in de natuur een bouwvergunning te vereisen2. De wettelijke basis voor de ruimtelijke ordeningswetgeving in het Vlaamse Gewest is de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, die herhaaldelijk werd gewijzigd en uiteindelijk werd gecoördineerd als het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 19963. Net voor het in druk gaan van dit rapport werd het nieuwe Decreet op de ruimtelijke ordening door het Vlaams parlement goedgekeurd (Decreet van 18/05/99 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, nog niet gepubliceerd). Op basis van deze wet werden gewestplannen opgemaakt4, waarin de diverse bodembestemmingen juridisch werden vastgelegd en waaraan bepaalde stedenbouwkundige voorschriften werden gekoppeld. De algemene stedenbouwkundige voorschriften worden vastgelegd in het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. De gewestplannen werden gebiedsdekkend voor Vlaanderen opgemaakt en vastgesteld in de periode 1963-19805. De 2
3
4
5
6
7
voor de natuur belangrijke bestemmingen zijn de groengebieden (groengebied, natuurgebied en natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat), de bosgebieden, de parkgebieden, de buffergebieden, de landschappelijk waardevolle gebieden en de agrarische gebieden. Daarnaast zijn er ook de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften6 die niet zijn voorzien in het KB van 1972, maar die in het betrokken gewestplan zelf zijn opgenomen. Voor de natuur belangrijke aanvullende voorschriften zijn agrarische gebieden met ecologisch belang, valleigebieden, agrarisch gebied met bijzondere waarde, brongebieden, zones voor natuurontwikkeling, natuurgebieden met erfdienstbaarheid, bosgebieden met ecologische waarde, bosuitbreidingsgebied en gebieden waar aan een bepaalde basisbestemming (b.v. ontginningsgebied) de nabestemming natuur wordt gegeven. In Tabel 18.1 (zie bijlage bij dit hoofdstuk) wordt een overzicht gegeven van de verschillende voor de natuur belangrijke stedenbouwkundige voorschriften en de belangrijkste implicaties inzake sectorale wetgeving. De ruimtelijke ordeningswetgeving aan de hand van bodembestemmingsplannen is een statische ruimtelijke ordening. Het voordeel van een dergelijke planning is dat er rechtszekerheid is ten aanzien van de grondgebruikers over de bestemming van hun gronden en dat een ongebreidelde ruimtelijke bezetting (althans in theorie) wordt afgewend. Het statische karakter is echter ook een nadeel aangezien de plannen van aanleg berusten op een keuze die op een bepaald ogenblik in de tijd is gemaakt en relatief snel achterhaald kan zijn. Een wijziging aan de vastgelegde bestemming kan slechts na een gewestplanherziening of via een Bijzonder Plan van Aanleg. Een systematische herziening van de gewestplannen is er echter niet gekomen. Het aanwenden van bodembestemmingsplannen als uitvoeringsinstrument van een meer dynamische structuurplanning zou dit nadeel kunnen verhelpen (zie hoofdstuk 21)7. Een ander belangrijk aspect in de ruimtelijke ordeningswetgeving voor het natuurbehoud is de vergunningsplicht voor bepaalde activiteiten zoals het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, ontbossing, het vellen van alleenstaande hoogstammige bomen.
Voor een grondige bespreking van de ruimtelijke ordeningswetgeving en het natuurbehoud, zie DE ROO, K., "Het natuurbehoud en de ruimtelijke ordening" in Het natuurbeschermingsrecht, JADOT, B. (Ed.) m.m.v. VAN PELT, P., Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1996, 111-159. Cf. B.Vl.R. van 22 oktober 1996 tot wijziging van het B.Vl.R. van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; bekrachtigd door het Decreet van 4 maart 1997, BS 15 maart 1997. Het in de wet voorzien nationale plan van aanleg, evenals de streekplannen zijn nooit tot stand gekomen. Daarnaast zijn er ook nog de gemeentelijke plannen van aanleg (APA’s en BPA’s); op deze plannen wordt verder niet ingegaan. De aanwijzing van de verschillende gewestplannen geschiedde in de periode 1963-1967; de ontwerp-gewestplannen werden voorlopig vastgesteld in de periode 1973-1978 en de definitieve goedkeuring volgde in de periode 1976-1980.Tussen aanwijzing en goedkeuring verliep een periode van 10-15 jaar (gemiddeld 12 jaar). De eerste gewestplannen waarmee ervaring werd opgedaan waren "Brugge-Oostkust" en "Gentse en Kanaalzone". Op sommige gewestplannen is ook nog sprake van "bijzondere stedenbouwkundige voorschriften". Gemakshalve worden deze hier bij de "aanvullende stedenbouwkundige voorschriften" gerekend. Zie DE PUE, E., LAVRYSEN, L. en STRYCKERS, P., Milieuzakboekje ’98, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1998, 66.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
117
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Knelpunten in de ruimtelijke ordening voor het natuurbehoud8 De ruimtelijke ordeningswetgeving is tot dusver niet geslaagd in, of heeft onvoldoende bijgedragen tot de duurzame bescherming van de natuur en de kwantiteit en kwaliteit van de open ruimte in Vlaanderen. Hierna worden kort de belangrijkste knelpunten inzake ruimtelijke ordening voor het natuurbehoud aangegeven.
De algemene en aanvullende stedenbouwkundige voorschriften m.b.t. natuur zijn typologisch verouderd en onvoldoende consistent. De afbakeningen gebeurden niet volgens een uniforme methode en systematiek Er valt heel wat aan te merken op de verschillende stedenbouwkundige voorschriften die worden gehanteerd op de 25 Vlaamse gewestplannen: • De verschillende algemene en aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zijn onvoldoende duidelijk gedefinieerd en niet sluitend. Dit zorgt voor allerlei problemen in de rechtspraak. • Er is een duidelijk gebrek aan uniformiteit in het gebruik van de verschillende stedenbouwkundige voorschriften op elk gewestplan. Aanvullende voorschriften, waarvan er vele voor het natuurbehoud zeer relevant zijn, komen slechts op een beperkt aantal gewestplannen voor. Zo is er in de eerste gewestplannen die werden vastgesteld (b.v. Brugge-Oostkust) nog geen sprake van een voor het natuurbehoud belangrijke bestemmingscategorie als "agrarisch gebied met ecologisch belang". Op de jongere gewestplannen is meestal wel een bestemmingscategorie gericht op verweving tussen natuur en landbouw voorzien. (Figuur 18.1). • Verschillende benamingen worden gehanteerd voor inhoudelijk identieke voorschriften. Dit maakt de ruimtelijke ordeningswetgeving en de sectorale wetgeving die hierop noodgedwongen terugvalt nodeloos ingewikkeld, wat voor allerlei verwarring kan zorgen bij de burger en overheden. Een typisch voorbeeld zijn de verschillende benamingen die worden gehanteerd voor zones waar de landbouwfunctie en de ecologische functie met elkaar verweven zijn (of zouden moeten zijn). Er is soms sprake van "agrarisch gebied met ecologisch belang", op andere gewestplannen spreekt men van "valleigebied", "agrarisch gebied met bijzondere waarde" of "vallei- en brongebied"9. De term "groengebied" zorgt ook geregeld voor 8 9
verwarring. Naast een algemeen gebruik als verzamelnaam voor de verschillende groene voorschriften (natuurgebied en natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, eventueel samen met bosgebied, parkgebied en buffergebied), wordt het stedenbouwkundig voorschrift "groengebied" op verschillende gewestplannen gebruikt wanneer geen onderscheid wordt gemaakt tussen N-gebied en R-gebied. Op de meeste gewestplannen wordt dit onderscheid wel gemaakt, hoewel de omschrijving van beide voorschriften in het KB van 28/12/72 veel aan duidelijkheid te wensen overlaat. De R-gebieden op het gewestplan zijn trouwens in vele gevallen (nog) geen natuurreservaat in de geest van de sectorale natuurbehoudwetgeving. Om de verwarring nog te vergroten is op sommige gewestplannen nog sprake van "zone voor natuurontwikkeling", "natuurgebied met erfdienstbaarheid", "bijzonder natuurgebied", enz. • Het onderscheid tussen de bestemmingscategorie "bosgebied" en "natuurgebied" op de verschillende gewestplannen gebeurde schijnbaar zonder veel logica. De meeste bossen zijn N-gebied op het gewestplan en de natuurfunctie van de gebieden met bestemming bosgebied is op vele plaatsen onmiskenbaar. Het zou logischer zijn dat de categorie "bosgebied" (of een andere term) wordt gereserveerd voor louter productiebos (snelgroeiende populierenaanplanten en monotone naaldhoutaanplanten) met weinig natuurwaarde. Hoewel "bosgebied" volgens de wetgever ook slaat op te bebossen gebieden (KB 28/01/72), bestaat op sommige gewestplannen toch nog een apart aanvullend voorschrift "uitbreidingsgebied voor bos". De categorie "bosgebieden met ecologisch belang" kan worden gezien als een waardevol equivalent van de "natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten", maar is slechts voorzien op vier gewestplannen.
Figuur 18.1: De aanwezigheid van de bestemmingsgroep "Agrarisch gebied met ecologisch belang" (AEB) in de 25 Vlaamse gewestplannen, in relatie tot hun jaar van aanwijzing.
Zie ook de beoordeling in het Milieuzakboekje ’98 (DE PUE, E., LAVRYSEN, L. en STRYCKERS, P., o.c., 112-115); DE ROO, K., o.c., 115-159 (1996). Omdat de bestemming "agrarisch gebied met ecologisch belang" over het hoofd was gezien als "algemeen stedenbouwkundig voorschrift" werd het alsnog ingevoegd in enkele gewestplannen als "aanvullend stedenbouwkundig voorschrift". Het juridisch statuut van deze voorschriften is dat deze niet op elk gewestplan terug te vinden zijn. Daarom moesten verschillende namen worden bedacht voor inhoudelijk een zelfde bestemming.
Instituut voor Natuurbehoud 118
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? • De voor natuur belangrijkste stedenbouwkundige voorschriften zijn hopeloos verouderd. Het voorschrift voor N-gebied is bijvoorbeeld beperkt tot het toelaten van jagers- en vissershutten. Ook de bestemmingsvoorschriften voor R-gebied zijn niet in overeenstemming met de moderne voorschriften die gelden voor natuurreservaten in de wetgeving natuurbehoud (art. 34 en 35, Decreet Natuurbehoud). Om tegemoet te kunnen komen aan de hedendaagse noden van het natuurbehoud ontbreken in de ruimtelijke ordeningswetgeving ook essentiële stedenbouwkundige voorschriften gericht op natuurverweving (met b.v. militair domein, waterwinning, recreatie, overstromings- of wachtbekkenfunctie).
De afbakening op het gewestplan van gebieden met een groene bestemming biedt in de praktijk onvoldoende bescherming voor de aanwezige natuur Kwantitatief overzicht van de groene bestemmingen Tabel 18.2 geeft een overzicht van de oppervlakte van de diverse "families" van planologische bestemmingen per gewestplan en provincie op 1/1/98. Afgaand op de gewestplannen zou de open ruimte in Vlaanderen nog ca. 75% van de oppervlakte van Vlaanderen uitmaken10. In die open ruimte ligt 114.829 ha groengebied s.l. (groengebied, N- en R-gebied, zone voor natuurontwikkeling), 42.542 ha bosgebied (s.l.), 31.543 ha park- en buffergebied, 17.610 ha agrarisch gebied met ecologisch belang (s.l.), 786.678 ha overig agrarisch gebied (waarvan 342.543 ha
agrarisch gebied met landschappelijke waarde), 18.276 ha recreatiegebied (s.l.), 14.317 ha militair domein en nog een kleine restgroep overige bestemmingen (ontginningsgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen, overstromingsgebieden e.d.). De groen gekleurde gebieden van het gewestplan nemen dus 188.914 ha of 13,9% van Vlaanderen in beslag. Het bebouwd areaal in Vlaanderen neemt ongeveer 330.500 ha in beslag (industrie- en woongebieden, verkeersinfrastructuur e.d.). Figuur 18.2 geeft een proportioneel overzicht van het beschermingsstatuut van de "open ruimte" (of het buitengebied, d.i. heel Vlaanderen exclusief woon-, industrie- en verkeersinfrastructuurgebieden). Hieruit blijkt dat de groene bestemmingen (natuurgebied, reservaatgebied, groengebied, zone voor natuurontwikkeling, bosgebied, bosgebied met ecologische waarde, bosuitbreidinggebied, parkgebied en buffergebied) 18,3% van de open ruimte uitmaken.Worden hieraan ook nog de geelgroene gebieden (landbouwgebied met ecologische waarde, valleigebied, landbouwgebied met bijzondere waarde) toegevoegd dan bekomt men het ronde percentage van 20% van de open ruimte waar natuurwaarden planologische bescherming genieten. Binnen één vijfde van de open ruimte van Vlaanderen mag op basis van de gewestplannen in principe een beleid worden verwacht, gericht op de bescherming en de ontwikkeling van natuur, eventueel in combinatie met andere functies, zoals landbouw, bosbouw en recreatie. De praktijk geeft echter een aanzienlijk minder rooskleurig beeld, zoals blijkt uit volgende analysegegevens.
Figuur 18.2. Beschermingsstatuut van de open ruimte in Vlaanderen volgens de gewestplannen op 1/1/98 (proportioneel weergegeven). Afkortingen : P = Parkgebied; T = Buffergebied; B = Bosgebied; Be = Bosgebied met ecologisch belang; Bu = Bosuitbreidingsgebied; N = Natuurgebied; R = Natuurgebied met wetenschappelijke waarde; G = Groengebied; NOG = Natuurontwikkelingsgebied; AEB = Agrarisch gebied met ecologisch belang; LWA = Landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
10
Volgens het Nationaal Instituut voor Statistiek nam, op basis van meer nauwkeurige kadastergegevens, de onbebouwde oppervlakte in Vlaanderen af van 83,4% in 1982 naar 77,6% in 1997 (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1998).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
119
7
Kortrijk
6
Roeselare-Tielt
5
Ieper-Poperinge
4
Diksmuide-Torhout
3
Brugge-Oostkust
2
Oostende Middenkust
1
13
St-Niklaas-Lokeren
12 Aalst-Ninove-G'bergen
11
Oudenaarde
10
Dendermonde
9
Eeklo-Aalter
8
17
Herentals-Mol
16
Turnhout
15
Mechelen
14
21
St-Truiden-Tongeren
20
Limburgs Maasland
19
Hasselt-Genk
18
25
Halle-Vilvoorden-Asse
24
Tienen-Landen
23
Leuven
22
Aarschot-Diest LIMBURG
Neerpelt-Bree
ANTWERPEN
Antwerpen
OOST-VLAANDEREN
Gentse en Kanaalzone
WEST-VLAANDEREN
Veurne-Westkust
industrie / wonen / infrastr.
2746
5608 12929
3911
4514 11057 14342
55108 24643 5927
2323 4492 84
5910 6430 7027
1220 631 1684
0
1409
4434
1412
79693 33432 15819
26348 180845 11832 26368 733 2990 1684 1414 78 352 864 132 42 467 227 262
3589
18041
1822
7616 10688 12233 18586
1670 1072 4255 1179 890 750 1347 11163 3705 2215 2370 2188 5741 N + R + G + NOG 1184 1216 1605 0 0 645 69 237 22 211 634 1111 124 B+Be+Bu 4784 3214 175 338 2437 288 462 387 697 476 474 711 924 P+T 4394 2213 0 0 0 3098 952 334 10 82 1248 1800 0 groep AGEB 14566 16933 40191 44860 47909 47792 23477 235727 40152 30921 12856 40154 30414 AG + LWAG 494 2625 263 753 550 115 283 129 532 852 101 338 472 groep Recreatie 865 414 37 67 182 126 2 37 15 206 1 52 0 Militair Domein 251 2 86 98 27 2 0 36 316 15 29 65 0 groep overige De bebouwde omgeving in Vlaanderen 1517
993
802 214
2594
3183 8355
22219
1017
2372
2202
22488 13330 15444
858
551
981
8539
24
1388
421
4642
2113
5113
6787
41955
1337
611
982
3846
0
1878
799
9968
145
694
219
1246
0
3678
4442
6122
1482
6861
6442
21182
415 294
2476 323
19644 18195
1773
2303
692
3887 1106
2522 352
3602
87090 11204 28240
486 4827
7174
0
83
252
8929 10423
670
71
715
58797
1714
8583
3975
40
244
483
5166 14142
11
162
327
0
137
636
4883 25584
2
87
66
49775
53
630
1512
58341 35910 132451 26203 27155 12046 48330 113733 14785 23384 31441 54312 123922
1395
5696
7625
1059
9766
9862
330463
3591
14317
18276
786678
17610
31543
42542
114829
19836 24827 61172 53729 55375 60473 40689 316101 76326 41548 25566 57241 49930 51144 301755 58527 51250 104767 72820 287364 60941 82906 33360 65563 242770 27227 50938 38783 94911 211859 1359849 Oppervlakte (ha) De open ruimte in Vlaanderen
Nummer gewestplan
VLAAMS-BRABANT
120 VLAANDEREN
Tabel 18.2: Oppervlakte van de verschillende bodembestemmingsfamilies op de 25 Vlaamse gewestplannen op 1/1/98. Afkortingen : N+R+G+NOG : natuurgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde, groengebied en natuurontwikkelingsgebied; B+Be+Bu : bosgebied, bosgebied met ecologisch belang, bosuitbreidingsgebied; P+T : parkgebied, buffergebied; AEB : agrarisch gebied met ecologisch belang; A + LWA : agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Noot : de categorie NOG (244 ha in de prov. Limburg) wordt soms ook tot de groep AEB gerekend
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
Instituut voor Natuurbehoud
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? Actueel grondgebruik in de natuur-, reservaat- en bosgebieden en de agrarische gebieden met ecologisch belang Uit de gedetailleerde kartering in 1997 van de natuur-, reservaat- en bosgebieden op het Gewestplan, in het kader van de uitwerking van het Mestactieplan (PAELINCKX & KUIJKEN, 1999), blijkt dat 20.840 ha (13,4%) door intensieve landbouw (akkers en intensief grasland) wordt ingenomen en dus voor het natuurbehoud actueel weinig waarde heeft. Daar bovenop bestaat nog eens 7.500 ha (4,8%) uit intensief grasland met verspreide natuurwaarden (b.v. houtkanten, bomenrijen, moerasstroken, sloten, poelen). Slechts 7.950 ha (5,1%) bestaat nog uit grasland met hoge natuurwaarde. Anders geformuleerd : slechts 22% van de ca. 36.000 ha N-, R- en bosgebied waar een landbouwuitbating fysisch niet onmogelijk is (d.i. geen bos, heide, duin, open water, moeras, bebouwing e.d.) heeft actueel nog een min of meer hoge natuurwaarde.
Sti lst aan de So or wa ten ter arm s( Ka A) ec lkr ult ijk A u kk eM ur e g r ras aas s( B) lan uit erw de n( aar Hp de Ge +H ng ru x) ras de lan ral d ise en erd (H pu eg ) ras Me lan so de fie n( le Hr ho ) oil an de n( Hu Bo ) me nr ije n( Kb ) Gr oe ve n( Kc ) Ho Di og jke sta n( mb Kd oo ) mg La aar ags de tam n( Na bo K j) om tte gaa po pu rd en lie ren (K l) aan pla nte n( Zu Lh ur ) eik en bo s( Qs ) Str uw ele n( S)
Binnen de groep gewestplanbestemmingen "agrarische gebied met ecologisch belang" (geelgroene laag op het gewestplan) neemt de intensieve landbouw 7.660 ha of 43,4% van de oppervlakte in, nog vermeerderd met 4.750 ha (26,9%) intensief grasland met verspreide natuurwaarden. Slechts 2.460 ha (13,9 %) bestaat nog uit grasland met hoge natuurwaarde. Anders geformuleerd : slechts 16,5 % van de ca. 15.000 ha agrarisch gebied met ecologisch belang waar een landbouwuitbating fysisch niet onmogelijk is (d.i. gelegen buiten bos, heide, duin, open water, moeras, bebouwing e.d.) heeft actueel nog een min of meer hoge natuurwaarde.
Figuur 18.3: Vergelijking van de oude en de geactualiseerde BWK van de groengebieden in de Maasvallei.
Men zou kunnen opperen dat bij de opmaak van het Gewestplan een hele reeks gebieden onterecht als waardevol voor het natuurbehoud werden aangeduid. Dit is ongetwijfeld veeleer uitzondering dan regel, zoals kan worden geĂŻllustreerd aan de hand van steekproefgegevens over de evolutie van de natuurwaarde in enkele groengebieden (zie volgende paragrafen). Indien de biologisch weinig waardevolle situatie toch reeds zou dateren van voor de opmaak van het gewestplan, dan kan minstens worden gesteld dat een groene of geelgroene bestemming op het gewestplan maatregelen voor natuurontwikkeling of natuurherstel niet of onvoldoende heeft in de hand gewerkt. Evolutie van de natuurwaarde binnen de groengebieden: enkele steekproeven. Wegens methodologische beperkingen van de Biologische waarderingskaart en de beschikbaarheid van concrete, gebiedsgerichte cijfergegevens, moet het analyseren van de evolutie binnen groengebieden momenteel noodgedwongen worden beperkt tot steekproeven. Het vermelde cijfermateriaal heeft slechts een indicatieve waarde, zodat bij de interpretatie van tabellen en figuren steeds met een zekere foutenmarge moet rekening worden gehouden. Steekproef voor het uitwaardengebied van de Grensmaas, provincie Limburg. Figuur 18.3 toont de achteruitgang van de natuurwaarden in de groengebieden van het studiegebied (358 ha binnen een projectgebied van ca. 2.250 ha) door een kwantitatieve vergelijking van de gekarteerde ecotopen in 1980 en 1997 (niet gepubliceerde gegevens Kris Van Looy & Stijn Vanacker). Opvallend is de drastische achteruitgang van de onbemeste tot licht bemeste, kalkrijke graasweiden (Hpu) en de soortenrijke hooilanden met schermbloemigen en composieten (Hu), beiden van hoge waarde voor het natuurbehoud door o.a. de aanwezigheid van tal van typische stroomdalsoorten die elders in Vlaanderen nagenoeg ontbreken. Daarentegen ziet men een spectaculaire toename van de soortenarme en ingezaaide graslanden (Hp+Hx) en grindwinningen (Kc), naast een toename van akkers (B) en dijken (Kd). Deze negatieve evolutie binnen de groengebieden van de Grensmaasuiterwaarden wordt bevestigd door het verdwijnen van allerlei soorten gebonden aan rivierecotopen. In de periode 1972-1997 verdwenen o.a. Voorjaarsganzerik, Harige ratelaar, Kalketrip en Blauw walstro uit de kalkgraslanden, terwijl in de natte milieus waardevolle soorten als Voszegge, Snavelzegge, Grote watereppe, Schildereprijs, Pijptorkruid, Kleinste egelskop en Grote boterbloem niet meer voorkomen. De meeste van de hoger vernoemde soorten komen voor op de Rode Lijst voor Vlaanderen. De afgelopen 10 jaar verdwenen Wulp en Paapje als broedvogel uit de Maasvallei. Het verlies aan biodiversiteit en het verdwijnen van waardevolle soorten voor het natuurbehoud kan voor de Maasvallei grotendeels worden toegeschreven aan de intensivering van de landbouw (verdroging, vermesting).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
121
Sti lst aan de Na wa tte ter s( me A) so Ak tro W ke fe eil rs an h oo (B dc ) ilan om de ple Na n( xm Hc tte et ) r uig Bla ve el ten uw slo gra (H ten So sla f) or en nd ten Ge /of en arm ru mi (H d cro m) era ep rel lise erm iëf erd an (H en gra pr te ) sla Ze cu nd er ltu en ur so (H gra or r) ten sla nd Po arm en pu eg lie (H ras ren p) lan aan de pla n( Ee nte Hx n de no ) n pv ko oi oc hti (K a) ge Lo gro ofh nd ou (Lh taa np ) Ru lan de ten raa lo (N lm ) en W bo ilge s( Ru ns tru ) we len Ur Ni ba (Sf tro an ) fie ge le die lze d( nb U) ro ek bo s( Vn )
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Figuur 18.4: Vergelijking van de oude en de geactualiseerde BWK van de groengebieden in de Moeren van Meetkerke (provincie West-Vlaanderen).
Steekproef voor de vallei van de Bosbeek en aangrenzende, hoger gelegen zandgronden (As, Opglabbeek, Opoeteren), provincie Limburg. Op kaartblad 26/2 (Opoeteren) komt ca. 3.300 ha Nen R-gebied voor (24,5 ha niet gespecifieerd groengebied, 3.133 ha N-gebied en 171 ha R-gebied). De N- en Rgebieden vindt men zowel in de vallei van de Bosbeek en zijbeekjes, als op de hoger gelegen (heide)terreinen. Van dit kaartblad is een vegetatiekaart gepubliceerd uit 1962 (TRAETS, 1965). Een vergelijking kan worden gemaakt tussen de toestand in het begin van de jaren 60, de toestand rond 1980 (eerste versie van de Biologische
Sti lst tan de
wa ter s( A) Ak ke rs Na (B tte ) he Na ide Dr tte og (C eh ho e ) eid oie( en Cg gra ,… sla ) nd en (H Na c, H tte j) ru igt Bla en uw (H f) gra sla n d( Ov H eri m) ge gra Po Rie sla pu tnd lie en en ren gro aan te pla ze n gge t( ve L) Kle ge ine tat ies ze gge (M ve s) Zu ge re tat eik ies en (M bo Ka s) sse pv n( lak Qb ten Be ,Q bo en uw s) s tru ing we , vi svi len jve (S) r, t err il ( U, Br … oe ) kb os sen (V )
Steekproef voor de Moeren van Meetkerke (Brugge-Zuienkerke), provincie West-Vlaanderen. Een ander groengebied waar gegevens van voorhanden zijn, betreft de Meetkerkse Moeren in het poldergebied ten westen van Brugge (Figuur 18.4). In dit uitgestrekte aaneengesloten graslandcomplex lag in de periode 1978-1980 volgens de Biologische waarderingskaart, binnen 423 ha aaneengesloten N- en R-gebied op het gewestplan, nog 91 ha bloemrijk, nat hooiland (met blauwgrasland-relicten) en 187 ha reliëfrijk (historisch permanent) grasland, verweven met fragmenten zilte vegetaties, grote zeggenvegetaties en moerasspirearuigte. Op de hoger gelegen delen was in die periode reeds 81 ha akker en 38 ha soortenarme graasweide aanwezig.Tengevolge van de ruilverkaveling "Houtave" in de jaren tachtig (zie ook DE BLOCK & KUIJKEN, 1981) kwam in nau-
welijks een decennium tijd een intensivering van de landbouw op gang die resulteerde in de nagenoeg volledige teloorgang van de bloemrijke, natte hooilanden en de voor het natuurbehoud eveneens uiterst waardevolle andere vegetatietypes die in mozaïekverband samen voorkwamen. In 1997 werd nog slechts 108 ha reliëfrijk grasland gekarteerd (-42%). De oppervlakte akker was toegenomen tot 131 ha (+62%) en de soortenarme, genivelleerde graasweiden namen toe tot 140 ha (+368%). Het belang van het gebied voor broedende weide- en watervogels ging eveneens zeer beduidend achteruit. Enkel voor overwinterende ganzen (Kol- en Kleine rietgans) heeft het gebied nog steeds een internationale betekenis (Vogelrichtlijngebied). De integriteit van het gebied werd verder geschaad door boerderijuitbreiding (nieuwe bedrijfsgebouwen en woning) en door populierenaanplanting in oude hooilanden. De mogelijkheden voor ecologisch herstel van de Moeren van Meetkerke hangen in belangrijke mate af van het waterpeilregime dat door een pompgemaal wordt geregeld.Verminderde bemesting kan op korte termijn tot positieve resultaten leiden.
Figuur 18.5: Evolutie van de biologische waarde in de huidige 3.300 ha N- en R-gebied op kaartblad 26/2 tussen de periode 1962 en de periode 1980.
Figuur 18.6: Evolutie van de oppervlakte van diverse ecotoopgroepen in de huidige 3.300 ha N- en R-gebied op kaartblad 26/2 tussen de periode 1962 en de periode 1980.
Instituut voor Natuurbehoud 122
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? waarderingskaart) en de toestand in 1997 (actualisatie van een deel van de BWK). De karteringseenheden van de vegetatiekaart en de BWK stemmen niet overeen. De eenheden van de vegetatiekaart werden zo goed mogelijk omgezet naar BWK-karteringseenheden. Om tot een vergelijking te komen, werden sommige eenheden gegroepeerd (b.v. graslanden). In het studiegebied werden de ontwerp-gewestplannen (Limburgs Maasland, Neerpelt-Bree en Hasselt-Genk) vastgesteld in de periode 1976 - 1977. De kartering van de eerste versie van de BWK werd uitgevoerd in de periode 1978 - 1981. Figuur 18.5 geeft het oppervlakte-aandeel van biologisch zeer waardevolle, biologisch waardevolle en biologisch minder waardevolle ecotopen weer in 1962 en 1980 voor het geheel van N- en R-gebieden op kaartblad 26/2. Het aandeel van biologisch zeer waardevolle ecotopen blijkt sterk afgenomen (van 49 naar 22%, of omgerekend een verlies van bijna 1.000 ha). De oppervlakte waardevolle en minder waardevolle ecotopen neemt sterk toe.
)
S)
‌ m,
(U ,A
ing uw
bo Be
ten
en
str
uw ele
n(
s)
P) n(
b, Q
nte
(Q
pla
sen
an
os nb ike
re e
Ka pv
lak
)
L) n( nte
pla an na
uta ho ald
Na
Zu
r)
Ms s( tie
eta Po p
uli
ere
en
(M sen
ras oe ine
ze
gge
nv eg
m)
nd
(H
sla tm Kle
nd
gra
Ov eri
ge
sla
igt ru
gra uw
Bla
Rie
j)
f) (H en
)
c, H (H en
tte Na
)
Cg e( eid
nd sla gra
en
Na
tte
ho
oi-
Dr og
eh
tte Na
,‌
Ce n(
ide he
Ak
ke rs
(B)
Figuur 18.6 geeft de evolutie tussen 1962 en 1980 van de ecotopen in het geheel van N- en R-gebieden weer en toont de kwalitatieve afname meer gedetailleerd. Hieruit blijkt dat de natuurwaarden zowel op de hogere gronden als in de vallei sterk achteruit zijn gegaan. Op de hogere gronden ziet men een sterke afname van de oppervlakte droge en natte heide en zuur eikenbos. Natte heiden zijn op enkele hectaren na verdwenen. In de valleien valt een zeer sterke afname van ecologisch waardevolle natte hooilanden (dottergraslanden) te noteren. Blauwgraslanden zijn volledig verdwenen. De oppervlakte natte moerasspirearuigten neemt af, maar wordt grotendeels gecompenseerd door een oppervlaktetoename van riet- en grote zeggen-
Figuur 18.7: Evolutie van de oppervlakte van diverse ecotoopgroepen in 462 ha N- en R-gebied op kaartblad 26/2 voor de periode 1962, 1980 en 1997.
Figuur 18.8: Evolutie van de biologische waarde in 462 ha Nen R-gebied op kaartblad 26/2 tussen 1962, 1980 en 1997 moerassen en broekbossen. Dit wijst op een afgenomen gebruiksintensiteit op de natste gronden. De afname in oppervlakte van de meeste biologisch zeer waardevolle ecotopen gaat gepaard met een toename aan biologisch waardevolle (naaldhoutaanplanten) en biologisch minder waardevolle ecotopen (bebouwing en visvijvers, soortenarme graslanden, ...). Hoewel de totale oppervlakte licht toeneemt, blijven van de 6 locaties met kleine zeggenvegetaties slechts 2 locaties over. De kleine oppervlaktetoename op de BWK is te wijten aan de karteringswijze als complex, samen met andere vegetatietypes. Voor het in 1997 gekarteerde deel van de N- en Rgebieden (462 ha) kan een vergelijking worden gemaakt tussen de situaties in 1962, 1980 en 1997. Figuur 18.7 geeft een beeld van de evolutie in ecotoop-groepen tussen 1980 en 1997 voor deze gebieden. Figuur 18.8 geeft de procentuele oppervlakteverdeling weer van de biologisch zeer waardevolle, biologisch waardevolle en biologisch minder waardevolle ecotopen. Zowel de klasse biologisch zeer waardevol als de klasse biologisch waardevol vertonen tussen 1980 en 1997 een licht dalende trend. Figuur 18.7 toont aan dat voornamelijk de natte hooi- en graasweiden sterk in oppervlakte blijven afnemen (nog slechts ca. 5 % blijft over t.o.v. de situatie in 1962). Ook de Kleine zeggenvegetaties nemen met meer dan de helft in oppervlakte af. De overige biologisch zeer waardevolle ecotopen blijven min of meer constant of kennen een lichte toename. Opvallend is ook dat binnen N- en R-gebied de oppervlakte akker en bebouwing toeneemt. Concluderend kan worden gesteld dat in de huidige N- en R-gebieden in en rond de vallei van de Bosbeek een afname aan natuurkwaliteit zich vooral voordeed voorafgaand en tijdens de periode van het opstellen van de gewestplannen. De groene bestemming op het gewestplan heeft zeker geen herstel van de vroegere natuurwaarden bewerkstelligd. Integendeel, de kwalitatieve achteruitgang blijkt zich, zij het minder snel, door te zetten. Opvallend is vooral een toename van bebouwing (incl. visvijvers) en akkers binnen N- en R-gebieden.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
123
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? Conclusies Uit bovenstaande steekproeven blijkt een aanzienlijk verlies aan natuurwaarden binnen groengebied op het gewestplan. Intensivering van de landbouw is hiervoor een belangrijke oorzaak. De gegevens die op het Instituut voor Natuurbehoud werden verzameld in het kader van de actualisatie van de Biologische waarderingskaart, aangevat in 1997, bevestigen dat deze tendens ook plaatsvindt in de groengebieden elders in Vlaanderen. Niet alleen landbouw is verantwoordelijk voor de achteruitgang van de natuurwaarden in de groengebieden op het gewestplan. Lokaal zijn er ook negatieve effecten tengevolge van waterwinning (verdroging), bebouwing (illegale weekendverblijven, uitbreiding industrie e.d.), versnippering door wegenaanleg en infrastructuurwerken, intensieve recreatie, inplantingen met populieren of naaldhout, enz. Zeer belangrijk is ook het gebrek aan een gepast natuurgericht herstel- of onderhoudsbeheer (b.v. maaien en afvoeren zonder bemesting, extensieve begrazing, ecologisch bosbeheer) dat op vele plaatsen heeft geleid tot 'verruiging' of 'verbossing' met verlies van voor het natuurbehoud waardevolle, oorspronkelijke levensgemeenschappen.
De planologische bescherming van ca. 20% van de open ruimte in Vlaanderen voor natuur heeft niet kunnen vermijden dat deze natuur, buiten de gebieden die als natuurreservaat worden beheerd, op de meeste plaatsen in meer of mindere mate is verarmd en gedegradeerd. De wetgeving ter zake en het toezicht op de naleving ervan is daartoe ontoereikend: • Het bindend karakter van de gewestplanbestemmingen heeft niet voor gevolg dat er een verplichting is de voorziene bestemming effectief te realiseren (b.v. een gebied bestemd als N- of R-gebied wordt daarom niet effectief als natuurgebied ingericht en beheerd). • De uitzonderingsmogelijkheden (voorzien in het KB van '72 en later uitgebreid o.a. door het 'mini-decreet') zoals de opvulregel, de uitbreiding van zonevreemde gebouwen, de voortzetting van zonevreemde exploitaties en de uitzondering voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen hebben veelal gezorgd voor een uitholling van de groene bestemmingen. Inmiddels zijn de uitzonderingsmogelijkheden opnieuw sterk beperkt. • De handelingen en activiteiten waarvoor een bouwvergunning is vereist, zijn niet voldoende omschreven in de wetgeving, wat tot verschillende interpretaties aanleiding geeft (b.v. aanmerkelijke reliëfwijzigingen).
Figuur 18.9: Verdeling van de groengebieden (aaneengesloten vlekken N-, R-, bosgebied, parkgebied en/of buffergebied) in Vlaanderen over verschillende oppervlakteklassen, opgesplitst per provincie.
Instituut voor Natuurbehoud 124
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Tabel 18.3: Absolute (A) en procentuele (B) verdeling van de groengebieden (aaneengesloten vlekken N-, R-, groengebied, bosgebied, parkgebied en/of buffergebied) in Vlaanderen over verschillende oppervlakteklassen, opgesplitst per provincie.
(A)
(B)
OPPERVLAKTEKLASSEN (in ha)
WVL
OVL
ANT
VLB
LIM
VL
0 tot 1
103
153
39
171
50
516
1 tot 5
151
347
134
322
148
1102
5 tot 10
68
122
72
136
85
483
10 tot 20
47
114
85
118
78
442
20 tot 30
25
42
40
45
30
182
30 tot 40
24
38
20
34
18
134
40 tot 50
10
24
17
11
15
77
50 tot 100
26
39
44
47
35
191
100 tot 200
12
33
31
28
28
132
200 tot 500
7
8
18
7
21
61
500 tot 1000
1
3
3
3
4
14
> 1000
1
0
2
2
10
15
TOTAAL AANTAL GEBIEDEN
475
923
505
924
522
3349
gemiddelde oppervlakte
23,5
19,5
44,5
23,0
79,9
34,2
opp. groengebied per km2 (ha)
3,5
6,0
7,8
10,0
17,2
8,4
OPPERVLAKTEKLASSEN (in ha)
WVL
OVL
ANT
VLB
LIM
VL
0 tot 1
21,7%
16,6%
7,7%
18,5%
9,6%
15,4%
1 tot 5
31,8%
37,6%
26,5%
34,8%
28,4%
32,9%
5 tot 10
14,3%
13,2%
14,3%
14,7%
16,3%
14,4%
10 tot 20
9,9%
12,4%
16,8%
12,8%
14,9%
13,2%
20 tot 30
5,3%
4,6%
7,9%
4,9%
5,7%
5,4%
30 tot 40
5,1%
4,1%
4,0%
3,7%
3,4%
4,0%
40 tot 50
2,1%
2,6%
3,4%
1,2%
2,9%
2,3%
50 tot 100
5,5%
4,2%
8,7%
5,1%
6,7%
5,7%
100 tot 200
2,5%
3,6%
6,1%
3,0%
5,4%
3,9%
200 tot 500
1,5%
0,9%
3,6%
0,8%
4,0%
1,8%
500 tot 1000
0,2%
0,3%
0,6%
0,3%
0,8%
0,4%
> 1000
0,2%
0,0%
0,4%
0,2%
1,9%
0,4%
WVL: West Vlaanderen; OVL: Oost-Vlaanderen; ANT: Antwerpen;VLB:Vlaams-Brabant; LIM: Limburg;VL:Vlaanderen
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
125
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? • Activiteiten die in strijd zijn met het stedenbouwkundig voorschrift, maar die niet vergunningsplichtig zijn, zijn niet strafbaar11. Zo kunnen in groengebieden activiteiten plaatsvinden die niet vergunningsplichtig zijn en niet verboden zijn, maar die wel een afbreuk doen aan de beoogde doelstelling van de bescherming van de natuur12. • De bouwvergunning voor vegetatiewijzigingen is volstrekt ontoereikend. Hoewel globale cijfergegevens niet beschikbaar zijn, blijkt uit de dagelijkse praktijk dat ook de instelling van een vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen (B.Vl.R. 4/12/91) in uitvoering van de Wet op het natuurbehoud van 12/7/73 niet de verhoopte verbetering heeft gebracht. De regelgeving was onvoldoende bekend bij de bevolking en de lagere overheden, toezicht op de naleving ervan was gebrekkig, er werd meestal niet overgegaan tot gerechtelijke vervolging of de straffen waren zeer klein. Deze vergunningsplicht werd blijkbaar niet opgevolgd waardoor de verdere achteruitgang van de natuurwaarden in de groengebieden niet kon worden verhinderd. De vergunningsplicht voor vegetatiewijzingen is nu herzien in uitvoering van het Decreet op het natuurbehoud en het natuurlijk milieu13. • Actieve landbouwintensivering in groengebied op het gewestplan die dateert van vóór 1994 en kadert in de uitbating van een gezinsveeteeltbedrijf, wordt in de bemestingregelgeving in uitvoering van het Mestdecreet (23/01/91) beloond met een ontheffing op de verplichte nulbemesting of aanzienlijke bemestingsverscherping. Een herstel van de natuurwaarde wordt in deze gebieden op korte termijn onmogelijk en hypothekeert ook de kansen op natuurherstel op langere termijn.
De groene zones op het gewestplan zijn sterk versnipperd Bij de afbakening van "groene zones" op de gewestplannen werd geen of te weinig aandacht besteed aan het behoud of de ontwikkeling van een samenhangend en functioneel ecologisch netwerk. De groene bestemmingen op het gewestplan zijn een mozaïek van overwegend klei-
ne, versnipperde gebieden. Aaneengesloten natuurgebieden zijn vaak artificieel opgesplitst over meerdere bestemmingen en nabijgelegen natuurgebieden zijn dikwijls van elkaar gescheiden door 'natuurvreemde' bodembestemmingen. Wanneer levensgemeenschappen en populaties van dieren en planten steeds meer van elkaar geïsoleerd geraken en uitwisseling van individuen op termijn onmogelijk wordt, vergroot de kans dat lokale populaties uitsterven. Kleine gebieden zijn ook veel gevoeliger aan negatieve randinvloeden door activiteiten in de omgeving. In de meer uitgestrekte natuurgebieden bestaat een grotere kans op een goede milieukwaliteit, noodzakelijk voor het voortbestaan van een grote diversiteit aan kwetsbare of veeleisende soorten (zie ook hoofdstuk 20). De gegevens gepresenteerd in Figuur 18.9 en Tabel 18.3 illustreren het probleem zeer duidelijk. Gemiddeld zijn in Vlaanderen 48,3% van alle groengebieden op het gewestplan (meer bepaald eventueel gecombineerde, maar aaneengesloten zones van N- en R-gebied, groengebied, bosgebied, parkgebied en/of buffergebied) kleiner dan 5 ha en 75,9% is kleiner dan 20 ha. Vooral de provincies OostVlaanderen en Vlaams-Brabant vormen uitschieters met 54,2 resp. 53,3% kleiner dan 5 ha en 79,8 resp. 80,8% kleiner dan 20 ha. Gemiddeld zijn in Vlaanderen slechts 6,5% van alle aaneengesloten groengebieden op het gewestplan groter dan 100 ha. In West-Vlaanderen zijn er slechts 21 gebieden in dit geval, in Vlaams-Brabant 40, in OostVlaanderen 44, in Antwerpen 54 en in Limburg 63. Slechts 29 gebieden in Vlaanderen hebben een aaneengesloten oppervlakte met groene bestemming die groter is dan 500 ha. Van die 29 gebieden liggen er 14 in de provincie Limburg. De gemiddelde oppervlakte van een aaneengesloten "groene zone" op het gewestplan bedraagt in Vlaanderen 34,2 ha, met als uitschieters Oost-Vlaanderen (19,5 ha) en opnieuw Limburg (79,9 ha). In realiteit is de versnippering van de natuurgebieden in Vlaanderen nog een stuk groter. De groene bestemmingen op het gewestplan worden immers nog eens doorsneden door transportinfrastructuur (spoorwegen, kana-
Tabel 18.4: Versnippering van de verschillende Vlaamse provincies en Vlaanderen door verkeersinfrastructuur. AANTAL KM SNELWEG PER KM2 0,08
AANTAL KM SPOORWEG PER KM2 0,09
TOTAAL AANTAL KM PER KM2
West-Vlaanderen
AANTAL KM VERHARDE WEG PER KM2 3,77
Oost-Vlaanderen
4,18
0,08
0,15
4,41
Antwerpen
4,75
0,09
0,23
5,07
Vlaams-Brabant
4,56
0,13
0,14
4,83
Limburg
4,15
0,06
0,09
4,30
Vlaanderen
4,26
0,09
0,14
4,49
PROVINCIE
11 12 13
3,94
Dit is het geval voor de gewestplannen en de APA’s. Voor de BPA’s is elke vorm van inbreuk op de voorschriften ervan strafbaar. DE ROO, K., o.c., 121 (1996). In het ontwerpdecreet tot herziening van de ruimtelijke ordeningswetgeving zou de bouwvergunning voor vegetatiewijzigingen vervallen.
Instituut voor Natuurbehoud 126
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? len, (snel)wegen), die voor veel diergroepen een harde barrière vormen. Vlaanderen heeft één van de dichtste verkeersnetwerken van de wereld. De situatie per provincie wordt onderling vergeleken in Tabel 18.4. De provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen zijn het ergst getroffen door versnippering tengevolge van wegen en spoorwegen.
Vele waardevolle natuurgebieden in Vlaanderen zijn actueel op de gewestplannen planologisch niet of onvoldoende beschermd Na de vaststelling van de gewestplannen is de wettelijk voorziene herziening ervan nooit systematisch op gang gekomen. Ook de mogelijkheid van "groene" BPA's bleef vrijwel onbenut. Dit heeft voor gevolg dat een grote oppervlakte actueel waardevolle natuur planologisch nog steeds onvoldoende bescherming geniet, zoals kan worden geïllustreerd met volgende cijfergegevens.
Onderzoek naar de planologische bescherming van de biologisch zeer waardevolle en biologisch waardevolle ecotopen, zoals gekarteerd op de Biologische waarderingskaart (periode 1978-1986) Met behulp van een Geografisch Informatiesysteem (GIS) werd een combinatie (een zgn. 'overlay') uitgevoerd tussen de digitale Biologische waarderingskaart en de gewestplannen. Alle cijfergegevens die werden bekomen, moeten als indicatieve cijfers worden beschouwd, vermits rekening moet worden gehouden met belangrijke kanttekeningen: (1) de kartering van de BWK dateert grotendeels uit de periode 1978-1986 en zoals hoger werd beschreven, hebben vele terreinen de afgelopen 10-20 jaar sterk aan biologische waarde ingeboet. Dit geldt in het bijzonder voor de graslanden en voor alle gebieden die niet in groengebied zijn gelegen. Een vermoedelijk kleiner aandeel gebieden kan, daarentegen, ondertussen ook een grotere biologische waarde hebben ontwikkeld. (2) Er werd bij de berekeningen geen rekening gehouden met gebieden die opgewaardeerd kunnen worden omwille van bijzondere faunistische waarden (b.v. aanwezigheid van belangrijke weidevogelpopulaties, overwinterende watervogels e.d.) (3) Het uitvoeren van een 'overlay' tussen de biologische waarderingskaart en de gewestplannen is nogal omslachtig (o.a. doordat vele gebieden werden gekarteerd als een complex van verschillende ecotopen), waarbij GIS-technische problemen rezen waarvoor zo goed mogelijk werd gecorrigeerd. (4) De Biologische waarderingskaart houdt geen rekening met de aanwezigheid van potentieel waardevolle terreinen, de gewenste uitbouw van grote eenheden
natuur en een samenhangend ecologisch netwerk, de noodzakelijke buffering of een logische gebiedsbegrenzing. Hiermee moet rekening worden gehouden wanneer aan de gepresenteerde cijfergegevens oppervlaktetaakstellingen zouden worden gekoppeld voor een betere planologische bescherming van de natuur in Vlaanderen. Figuur 18.10 (in kaartenbijlage) geeft een overzicht van alle biologisch zeer waardevolle en biologisch waardevolle ecotopen in Vlaanderen volgens de Biologische waarderingskaart. Figuur 18.11 en 18.12 (in kaartenbijlage) tonen de gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle en biologisch waardevolle ecotopen domineren en die gelegen zijn buiten N-, R- of bosgebied op het gewestplan, respectievelijk buiten zowel alle groengebieden in de brede zin, agrarische gebieden met ecologisch belang (s.l.) als militaire domeinen.Tabellen 18.5a-d (zie bijlage bij dit hoofdstuk) geven een kwantitatief overzicht per ecotoop en per provincie. Eén vijfde van de gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle ecotopen domineren (of ca. 15.000 ha), zijn planologisch niet beschermd. Uit de GIS-analyse werden volgende indicatieve cijfers bekomen. Ongeveer 23.000 ha of 36% van de biologisch zeer waardevolle gebieden in Vlaanderen liggen buiten N-, R- of bosgebied op het gewestplan. Dit getal verkleint tot ongeveer 15.000 ha (22%) wanneer alleen de gebieden in aanmerking worden genomen die ook buiten park- en buffergebied, agrarisch gebied met ecologisch belang s.l. en militair domein zijn gelegen. De provincies Antwerpen en Limburg scoren het slechtst; het natuurpatrimonium van Brabant is proportioneel het best beschermd. Op het niveau Vlaanderen ontbreekt het vooral aan een gepaste bescherming voor de graslanden, waarvan 40% niet is beschermd, op de voet gevolgd door de moerasgebieden (39% niet beschermd). Ook meer dan één vijfde van de stilstaande wateren en de gebieden met dominantie van vallei-, moeras- en veenbos en struwelen of kapvlakten geniet geen planologische bescherming. Een globale oppervlakteverdeling voor Vlaanderen van de onbeschermde, zeer waardevolle ecotopen is weergegeven in Figuur 18.13. Ruim één vierde van de gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle en/of biologisch waardevolle ecotopen domineren (of ca. 75.000 ha), zijn planologisch niet beschermd. De biologisch waardevolle gebieden nemen een veel grotere oppervlakte in: ca. 200.000 ha. Analoog werd via GIS berekend dat 68% of 140.000 ha buiten N-, R- of bosgebied gelegen is. Dit getal verkleint tot 58% of 120.000 ha wanneer ook de overige groengebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang en de militaire domeinen in rekening worden gebracht. De helft hiervan, of 60.000 ha, bestaat uit kleinschalige agrarische gebieden met domi-
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
127
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
15.000 ha met dominantie van biologisch zeer waardevolle ecotopen heeft geen planologische bescherming in Vlaanderen. Slikken en schorren (100 ha) Duinen (150 ha) Overige (200 ha) Mesofiele beukenbossen (350 ha)
Lijn- en strookvormige landschapselementen (1550 ha)
Mesofiele eikenbossen (4700 ha)
Struwelen en kapvlakten (700 ha) Moerassen (800 ha) Stilstaande wateren (900 ha)
Heiden (1050 ha) Graslanden (2400 ha) Vallei-, moeras- en veenbossen (1500 ha)
Figuur 18.13: Ca. 15.000 ha waar biologisch zeer waardevolle ecotopen domineren zijn in Vlaanderen planologisch niet beschermd.
75.000 ha met dominantie van biologisch (zeer) waardevolle ecotopen heeft onvoldoende planologische bescherming in Vlaanderen. Moerassen (800 ha)
Halfnatuurlijke en soortenrijke permanente graslanden (4500 ha
Stilstaande wateren (1300 ha) Overige (9000 ha)
Soortenarme graslanden (Hp of Hx) met verspreide biologische waarde (exclusief Hpr, zones met veel KLE's) (6500 ha)
Lijn- en strookvormige landschapselementen (5500 ha) Struwelen en kapvlakten (1900 ha)
Weilandcomplexen met veel sloten en/of microreliĂŤf (Hpr) (17000 ha)
Aanplanten en ruderale bossen (19000 ha)
Mesofiele eikenbossen (4800 ha) Mesofiele beukenbossen (350 ha)
Heiden (1900 ha) Duinen (200 ha) Slikken en schorren (100 ha) Vallei, moeras- en veenbossen (1500 ha)
Figuur 18.14: Ca. 75.000 ha waar biologisch zeer waardevolle en biologisch waardevolle ecotopen domineren, zijn in Vlaanderen planologisch niet beschermd. Afkortingen : Hp, Hx en Hpr verwijzen naar graslandtypes, zoals gekarteerd op de Biologische Waarderingksaart; KLE : kleine landschapselementen.
Instituut voor Natuurbehoud 128
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? nantie van graslanden met veel kleine landschapselementen, waarvan aangenomen wordt dat de meeste van deze gebieden hun actuele waarde grotendeels kunnen behouden met een bescherming als Landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Hieruit volgt dat dus ongeveer 60.000 ha met dominantie van biologisch waardevolle ecotopen (of bijna 1/3 van 200.000 ha) planologisch onvoldoende is beschermd. Voor de biologisch zeer waardevolle en biologisch waardevolle gebieden samen gaat het dus om ongeveer 75.000 ha dat planologisch niet of onvoldoende beschermd is, of ruim één vierde van het totale natuurpatrimonium14 van Vlaanderen (275.000 ha). Een globale oppervlakteverdeling voor Vlaanderen van de ongeveer 75.000 ha niet of onvoldoende beschermde, zeer waardevolle en waardevolle ecotopen samen is weergegeven in Figuur 18.14. Een 6-tal groepen ecotopen kunnen worden onderscheiden: (1) naar oppervlakte het belangrijkst zijn de biologisch waardevolle vallei- en poldergraslanden (Hpr-graslanden) en graslanden met verspreide biologische waarde (mozaïek met biologisch zeer waardevolle vlakvormige fragmenten of percelen), samen ongeveer 23.000 ha (of bijna 1/3 van de hoger vernoemde 75.000 ha). Meer dan 2/3 of ruim 16.000 ha van deze graslanden zijn gelegen in de provincie West-Vlaanderen. Een bestemming agrarisch gebied met ecologisch belang is voor dergelijke graslanden een minimum vereiste om hun behoud op langere termijn te kunnen garanderen. (2) De biologisch waardevolle aanplanten vormen een tweede grote groep, samen ca. 19.000 ha. Het gaat vooral om populieren- en naaldhoutaanplanten, vaak op verlaten, biologisch interessante natte graslanden, respectievelijk op arme zandbodems, beiden met grote potenties voor natuurontwikkeling, natuurherstel of spontane bosontwikkeling. De grootste oppervlakten zijn gelegen in de provincies Antwerpen en Limburg. (3) Verspreid in het Vlaamse landschap liggen 8.500 ha planologisch onbeschermd bos en struweel. Een belangrijk deel bestaat vermoedelijk uit kleine, geïsoleerde bosjes in een agrarisch landschap. Het gaat vooral om mesofiel eikenbos (en beukenbos) (5.000 ha), vallei- moeras- en veenbos (1.500 ha) en struwelen en kapvlakten (1.900 ha). (4) Ongeveer 5.500 ha lijn- en strookvormige landschapselementen (voornamelijk dijken, holle wegen, oude spoorwegbeddingen, waardevolle bermen en in mindere mate oude houtkanten en hagen) zijn planologisch onvoldoende beschermd. Ze vormen nochtans een essentieel onderdeel van de groene linten in het landschap met een belangrijke corridor- en 'refugium'functie. Vooral voor de strookvormige natuurelemen14
ten is een betere planologische bescherming absoluut aangewezen, mede gelet op het feit dat de totale oppervlakte van dit type ecotopen in Vlaanderen hooguit 7.500 ha bedraagt. (5) De onbeschermde "klassieke" natuurgebieden (nietbosgebieden) nemen ongeveer 8.800 ha in beslag. Het gaat om 4.500 ha halfnatuurlijk en soortenrijk permanent grasland, 1.900 ha heide, 1.300 ha stilstaande wateren, 800 ha moeras, 200 ha duinen en 100 ha slikken en schorren. Een betere planologische bescherming is hier uiteraard prioritair, eventueel uitgezonderd een deel van de stilstaande wateren (b.v. recreatieplassen e.d.). (6) Tenslotte is er nog een restgroep van ca. 9.000 ha biologisch waardevolle natuur in groeven, opgespoten terreinen, oude stortplaatsen, groeven, parken, bebouwde omgeving e.d. Een groot aantal van dergelijke gebieden heeft ongetwijfeld de potentie om te ontwikkelen tot biologisch zeer waardevolle biotopen.
Onderzoek naar de planologische bescherming van de natuurgebieden met een internationaal beschermingsstatuut EG-Vogelrichtlijngebieden Tabel 18.6 geeft een overzicht van het planologisch beschermingsstatuut van de 23 EG-Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen. Van de 8.013 ha integraal beschermd Vogelrichtlijngebied is 6.375 ha (79,6%) gelegen in N-, R- of bosgebied op het gewestplan. De resterende 1.638 ha is gelegen in recreatiegebied (4,7%), ontginningsgebied (3,9%), landbouwgebied (6,8%, waarvan 4,6 % in AEB) en nog een restgroep. Planologische knelpunten doen zich vooral voor in "Westkust" (75 ha in woongebied), "Kuifeend en Blokkersdijk" (67 ha in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen), "Bokrijk" (365 ha in recreatiegebied en 21 ha in woongebied), "De Maten" (98 ha in agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied) en "De Mechelse Heide" (309 ha in ontginningsgebied). In de overige EG-Vogelrichtlijngebieden genieten alleen bepaalde habitats en hun buffers bescherming. De nood aan een goede planologische bescherming van deze gebieden is hier uiteraard essentieel; concrete cijfers kunnen echter niet worden gegeven. De totale afgebakende oppervlakte bedraagt 89.550 ha. Binnen deze gebieden is het wenselijk deze habitats te herstellen of te ontwikkelen en een goed natuurgericht milieubeleid te voeren. De planologische bestemmingen moeten hieraan worden aangepast. Binnen de perimeter van deze gebieden doen zich heel wat planologi-
Hier gedefinieerd als het geheel van de lichtgroene en donkergroene gebieden (resp. biologisch waardevol en zeer waardevol) op de Biologische waarderingskaart, zoals gekarteerd in de periode 1978-1986.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
129
130
* Met Tabel 16.2 afwijkende oppervlaktecijfers zijn het gevolg van onvermijdelijke GIS-technische fouten wanneer gebruik wordt gemaakt van de verschillende, beschikbare digitale kaartenbestanden.
Tabel 18.6: Overzicht van het planologisch beschermingsstatuut van de 23 EG-Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen en aanduiding van de oppervlakte (ha) buiten "groengebied". In het grijs: integraal beschermde Vogelrichtlijngebieden; "groengebied" is gedefinieerd als de som van N-en R-gebied, overig groen, bijzonder natuurgebied en de groep bossen.
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
Instituut voor Natuurbehoud
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? sche knelpunten voor. Slechts 26.233 ha (29,3 %) is bestemd als N-, R-, bos-, park- of buffergebied, aangevuld met 6.565 ha (7,3%) gelegen in agrarisch gebied met ecologisch belang en 9.669 ha (10,8%) in militair domein. Dit betekent dat meer dan de helft van de oppervlakte een minder natuurgerichte of meer natuurvijandige bestemming heeft. Uitschieters daarbij zijn 35.528 ha (39,7%) agrarisch en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, naast 2.120 ha (2,4%) woongebied en 4.462 ha (5,0 %) industriegebied en, vooral voor het Scheldeen Durmegebied, 2.563 ha (2,9 %) "infrastructuurgebied". Naast grenscorrecties ten gunste van de gerealiseerde harde bestemmingen als wonen en industrie, is het wenselijk te onderzoeken welke (te herstellen) waardevolle habitats actueel onvoldoende planologisch beschermd zijn binnen en grenzend aan de huidige perimeterafbakeningen. Vooral binnen de gebieden "Poldercomplex Noordwest-Vlaanderen", "Peer en Hechtel-Eksel", "Hamonterheide, Hageven, Stamprooierbroek" en "gebied ten noorden van Ravels en Turnhout" en verder in minder mate ook nog binnen de gebieden "IJzervallei", "Zwin", "Maatjes en Groot Schietveld", "Ronde Put", "Zwarte Beek" en "Demervallei" liggen grote oppervlakten agarisch gebied die onvoldoende bescherming geven aan actuele of potentiĂŤle natuurwaarden. Niet aangesneden woon- en industriegebieden binnen de diverse Vogelrichtlijngebieden moeten waar mogelijk planologisch worden gevrijwaard van bebouwing. EG-Habitatrichtlijngebieden Tabel 18.7 geeft een overzicht van het planologisch beschermingsstatuut van de 40 aangemelde EGHabitatrichtlijngebieden in Vlaanderen (zie hoofdstuk 16). 30.693 ha of 44,1% van de voor het natuurbehoud belangrijkste habitats liggen buiten groengebied (N-,R-,bos-,P-,Tgebied) op het gewestplan, waaronder 10.220 ha (14,7%) in militair domein en 3.254 ha (4,7%) in agrarisch gebied met ecologisch belang.Voor de overige 17.219 ha, of ongeveer 1/4 van de aangemelde Habitatrichtlijngebieden moet een herziening van de gewestplanbestemming bijgevolg als zeer prioritair worden beschouwd. Het betreft o.a. 12.924 ha (18,6 %) agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied, 710 ha uit de groep "wonen", 439 ha uit de groep "industrie" en 923 ha uit de groep "recreatie". Volgende Habitatrichtlijngebieden zijn proportioneel het minst goed beschermd: (1) Zilte poldergraslanden (2) Het Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop (3) De vennen, heiden en moerassen rond Turnhout (4) De vallei van de Kleine Nete (5) De vallei van de Zwarte beek (6) De vallei van de Itterbeek met De Brand, Jagersborg en Schotsheide (7) Het plateau van Caestert met hellingbossen en mergelgroeven (8) De uiterwaarden langs de Grensmaas met Vijverbroek
(9) De bossen van Limburgs Haspengouw (10) De bovenloop van de Grote Nete en Zammelsbroek. Ramsar-gebieden Tabel 18.8 geeft een overzicht van het planologisch beschermingsstatuut van de 4 Vlaamse Ramsar-gebieden of waterrijke gebieden van internationale betekenis. De totale oppervlakte bedraagt 5.570 ha, waarvan 57 % in N- en Rgebied gelegen is en 36 % in agrarisch gebied met ecologisch belang (dit laatste geheel te wijten aan de "IJzervallei"). Globaal gezien zijn de huidige Ramsar-gebieden bijgevolg relatief goed beschermd door het gewestplan. In hoofdstuk 16 is aangetoond dat nog 11 andere gebieden in Vlaanderen voldoen aan de criteria om te worden erkend als Ramsar-gebied.
Onderzoek naar de planologische bescherming van de gebieden van belang voor weidevogelpopulaties In uitvoering van EG-Verordening 2078/92 betreffende landbouwproductiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming en natuurbeheer en het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt de mogelijkheid voorzien om beheersovereenkomsten met landbouwers af te sluiten voor het behoud en beheer van weidevogels. Op een werkkaart (schaal 1/50.000) werden door de Vlaamse administratie gebieden afgebakend die voor weidevogels (exclusief overwinterende ganzen en eenden) belangrijk worden geacht en waarbinnen beheersovereenkomsten zullen kunnen worden afgesloten (ca. 44.000 ha). Dit werkdocument wordt hier gebruikt als een min of meer representatief kaartbeeld van de belangrijke weidevogelgebieden in Vlaanderen. Een GIS-overlay van deze perimetergebieden met het gewestplan werd uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 18.9. Slechts 10% van de Vlaamse weidevogelgebieden is gelegen in groengebied op het gewestplan. Een deel hiervan heeft bovendien betrekking op bosgebieden die in de Kempen binnen de afgebakende perimeter vallen. Nog eens 10 % is gesitueerd binnen agrarisch gebied met ecologisch belang. 55 % of ca. 24.000 ha van de Vlaamse weidevogelgebieden zijn echter gelegen in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Deze bestemming biedt weinig garanties naar behoud van de specifieke milieuomstandigheden en een aangepast bodemgebruik, noodzakelijk voor de instandhouding of ontwikkeling van weidevogelpopulaties. Met het oog op duurzame verweving van de landbouw- en natuurfunctie in deze weidevogelgebieden is een aanzienlijke toename van het areaal agrarisch gebied met ecologisch belang (AEB) wenselijk. Juridische en administratieve knelpunten Natuurwaarden buiten de traditionele groengebieden op het gewestplan zijn doorgaans sterker bedreigd dan deze erbinnen. In de nabijheid van beschermde
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
131
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? Tabel 18.7: Overzicht van het planologisch beschermingsstatuut van de 40 aangemelde EG-Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en aanduiding van de oppervlakte (ha) buiten "groengebied".
* Met Tabel 16.5 afwijkende oppervlaktecijfers zijn het gevolg van onvermijdelijke GIS-technische fouten wanneer gebruik wordt gemaakt van de verschillende, beschikbare digitale kaartenbestanden.
Instituut voor Natuurbehoud 132
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Totaal
%
IJzervallei
Kalmthoutse heide
Zwin en Zwinpolders
Slikken en schorren van de Schelde
Tabel 18.8: Overzicht van het planologisch beschermingsstatuut van de 4 Ramsar-gebieden in Vlaanderen en aanduiding van de oppervlakte (ha) buiten "groengebied". Groengebied is gedefinieerd als de som van N- en R-gebied, overig groen en de groep bossen.
333
518
2174
156
3182
57,1%
0
0
0
1
1
0,0%
25
0
0
0
26
0,5%
groep “agr. geb. met ecol. belang”
0
0
0
2000
2000
35,9%
agrarisch + agr. geb. met landsch. waarde
0
5
1
163
168
3,0%
groep wonen
0
5
4
0
9
0,2%
groep recreatie
0
0
1
1
2
0,0%
groep industrie
2
0
0
1
4
0,1%
38
0
2
138
179
3,2%
totaal
398
529
2183
2461
5570
opp buiten groengebied
40
10
8
2303
2361
% buiten groengebied
10,0%
2,0%
0,4%
93,6%
42,4%
N- en R-gebied groep “bossen” groep “overig groen”
overige
100,%
Vlaanderen
%
1587
10
733
2260
4588
10,5%
50
0
53
67
170
0,4%
groep “agr. geb. met ecol. belang”
2562
810
873
370
4579
10,5%
agrarisch + agr. geb. met landsch. waarde
4145
313
14427
5453
24337
55,6%
groep recreatie
4
0
54
108
166
0,4%
groep industrie
421
476
449
19
1366
3,1%
93
3
277
6
380
0,9%
militair gebied
0
0
6
5289
5296
12,1%
infrastructuur
31
1619
1
9
1660
3,8%
overige
58
565
262
249
1224
2,8%
8951
3887
17099
13829
43766
N- en R-gebied groep “overig groen”
groep ontginningsgebied
totaal
Antwerpen
Limburg
West-Vlaandeen
Oost-Vlaanderen
Tabel 18.9. Raming van het planologisch beschermingsstatuut van de weidevogelgebieden in Vlaanderen (naar een werkkaart van AMINAL afdeling Natuur, 1998). Oppervlakte in ha.
100,%
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
133
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? Tabel 18.10: Voorstellen voor een meer optimale selectie van een set stedenbouwkundige voorschriften, relevant voor het natuurbehoud. De groengebieden met hoofdfunctie natuur - natuurgebied : zones met actueel waardevolle natuur, te herstellen of te ontwikkelen natuur, inclusief : • bestaande natuurreservaten of bosreservaten • alle multifunctionele bossen • parkgebieden en buffergebieden op het huidige gewestplan met actuele of te ontwikkelen natuur (Komen te vervallen : natuurontwikkelingsgebied, bosgebied, bosgebied met ecologisch belang; indien de gewestplannen regelmatig worden herzien kan eventueel de categorie reservaatgebied worden behouden, waarmee dan de effectieve natuurreservaten worden bedoeld) - Belangrijke ecologische infrastructuur : ecologisch waardevolle, strookvormige natuur (beken, waterlopen, rivieren en waterwegen inclusief oevers (voor beken minimum 5 m), dijken, verlaten spoorwegen e.d.) die niet ingebed liggen in een groter natuurgebied en minstens op regionaal niveau van belang zijn voor de totstandkoming van een samenhangend ecologisch netwerk. Binnen deze gebieden moet een meer natuurgericht beheer (incl. hermeandering van beken) mogelijk worden.
Groengebieden met op langere termijn hoofdfunctie natuur, waar tussentijds geen beperkingen gelden t.a.v. het actueel grondgebruik (reservatiezones voor natuur) - Natuuruitbreidingsgebied : strategisch belangrijke zones zonder actuele natuurwaarde, op termijn gereserveerd voor natuurontwikkeling (al of niet via actieve bebossing), hoofdzakelijk gericht op ontsnippering, buffering van bestaande natuurgebieden en bescherming van grondwaterinfiltratiegebieden - Bosuitbreidingsgebied : strategisch belangrijke zones op termijn gereserveerd voor aanleg van nieuw bos met hoofdzakelijk sociaal-recreatieve functie (stadsrandbossen) - Ontginningsgebieden met nabestemming natuur
De gebieden met nevenfunctie natuur (verwevingsgebieden) - landbouwgebied met ecologische waarde : gebieden met een verweving landbouw-natuur die zich grotendeels op perceelsniveau afspeelt - landbouwgebied met landschappelijke waarde : gebieden met een verweving landbouw-natuur, grotendeels beperkt tot de lijn- en puntvormige natuurelementen (houtkanten, bomenrijen, heggen, poelen, grachten, beken, kleinschalige percelering, archeologische of geologische waarden) - militair domein met ecologische waarde - recreatiegebied met ecologische waarde (b.v. golfterreinen) - waterwinningsgebied met ecologische waarde - overstromingsgebied met ecologische waarde (inclusief wachtbekkens) - parkgebied : parkachtige natuur met beperkte ecologische waarde, b.v. in de stedelijke omgeving of met overwegend gazonnen en alleenstaande bomen - Houtwinningsgebied : zones hoofdzakelijk gericht op houtproductie (populieren- en naaldhoutaanplanten met korte omlooptijd)
Instituut voor Natuurbehoud 134
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? groengebieden kunnen voor het natuurbehoud strategisch belangrijke percelen liggen (b.v. voor ontsnippering, buffering, natuureducatieve uitbouw, natuurherstel). Vooral in de periferie van bestaande natuurreservaten worden (via de vrije grondmarkt) door natuurbehoudorganisaties op vele plaatsen inspanningen verricht om buiten traditioneel groengebied belangrijke percelen toch te verwerven en in te richten als natuurreservaat. Het uitvoeren van natuurherstel- of ontwikkelingsmaatregelen in deze percelen stuit vaak op problemen wanneer hiervoor de nodige stedenbouwkundige vergunningen moeten worden afgeleverd, ook wanneer de terreinen door de overheid ("voor het algemeen nut") zijn verworven. Door de bevoegde administratie wordt de bouwvergunning voor b.v. een aanmerkelijke reliëfwijziging soms geweigerd, wegens niet-verenigbaar met de stedenbouwkundige bestemming (b.v. agrarisch gebied). De enige mogelijkheid om hiervan af te wijken is via een beheersplan voor een natuurreservaat, of een natuurrichtplan voor VENgebieden, vastgesteld op grond van het decreet natuurbehoud.
Aanbevelingen
een grotere regio op het gewestplan moeten kunnen aangeduid en aldus beschermd worden. • Buiten de planologisch beschermde groengebieden liggen nog vele natuurwaarden die momenteel weinig beschermd zijn. Een inhaalbeweging is noodzakelijk om deze gebieden zo snel mogelijk de gepaste bescherming te geven. De voorziene 38.000 ha bijkomende natuur en 10.000 ha bijkomend bos die kunnen worden aangeduid in uitvoering van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, zijn een weliswaar beperkte maar essentiële maatschappelijke opdracht die evenmin op de lange baan mag worden geschoven (zie hoofdstuk 20 en 21). Om in Vlaanderen ook buiten de traditionele groengebieden van het gewestplan minimum een "stand-still" te bereiken inzake verlies aan biodiversiteit en kwaliteit van de open ruimte, moet een deontologische code worden ontwikkeld om binnen het bestaande wetgevend kader niet alleen de bestaande natuur maximaal te vrijwaren, maar ook de ontwikkeling van een basisnatuurkwaliteit zo veel mogelijk te verzekeren. De "Code van goede natuurpraktijk", zoals beschreven in de Omzendbrief LNW/98/01 van 10/11/98 (BS, 17/02/99) vormt hiertoe een eerste belangrijke aanzet.
• De wetgeving op de ruimtelijke ordening vertoont veel tekortkomingen en moet worden aangepast aan de noden van het natuurbehoud. Afstemming met het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu is essentieel. Gebods- en verbodsbepalingen moeten duidelijk worden omschreven. In het kader van een herziening van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening is het wenselijk het gamma stedenbouwkundige voorschriften dat betrekking heeft op natuur te hervormen. Tabel 18.10 formuleert een voorstel ter zake. Belangrijke aandachtspunten zijn: • Beperking van het aantal voorschriften met betrekking tot natuur en een duidelijke definiëring. • Gelet op de veel voorkomende verweving van natuur met andere functies (zoals b.v. landbouw of recreatie) is het wenselijk de bestaande stedenbouwkundige voorschriften uit te breiden met enkele specifieke voorschriften gericht op natuurverweving met waterwinning, recreatiegebied, overstromingsgebied en militair domein. • Talrijke waterlopen (inclusief hun oevers) vormen essentiële onderdelen van de natuurlijke structuur in Vlaanderen en hebben vaak een grote actuele natuurwaarde, maar hun natuurfunctie is planologisch onvoldoende vastgelegd. Dit geldt ook voor sommige andere duidelijk begrensde strookvormige landschapsstructuren (b.v. dijken). Met een lijn of dwarse arcering zouden dergelijke belangrijke onderdelen van de ecologische infrastructuur van
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
135
136
Natuurgebied
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Bemesting verboden, Uitgezonderd bemesting door rechtstreekse begrazing (max. 2 grootvee-eenheden per ha/j.) Uitzondering: gezinsveeteeltbedrijven en bepaalde bedrijven (cf. art. 15, § 5)
Uitzondering: gezinsveeteeltbedrijven en bepaalde bedrijven (cf. art. 15, § 5)
Bemesting verboden, uitgezonderd bemesting door rechtstreekse begrazing (max. 2 grootvee-eenheden per ha/j.)
Cf. N- en R-gebied
Mestdecreet3
Omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1° en 20)
Omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1° en 20)
Cf. N- en R-gebied
VLAREM I
Nieuwe inrichtingen voor verwerking van afvalstoffen: rekening houden met aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot de R-gebieden; Afstandsregel van 1000 m voor kleine en 1500 m voor grote open opslagplaatsen voor dierlijke mest (rubriek 28.2, tot 1/1/2000); Nieuwe omlopen voor motorvoertuigen verboden in of op minder dan 500 m (of 350m) van R-gebieden (rubriek 32.9); Beschermingszones voor luchtverontreiniging; Varkenshouderijen en pluimveestallen zijn verboden (rubriek 9.4 en 9.3) + afstandsregels op basis van toegekende waarderingspunten
Nieuwe inrichtingen voor verwerking van afvalstoffen: rekening houden met aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot de N-gebieden; Afstandsregel van 1000 m voor kleine en 1500 m voor grote open opslagplaatsen voor dierlijke mest (rubriek 28.2, tot 1/1/2000); Verbod voor activiteiten met modelvliegtuigen (rubriek 32.6); voor schietstanden in open lucht (rubriek 32.7)
Cf. N- en R-gebied
VLAREM II
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
Instituut voor Natuurbehoud
Cf. KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, BS 10 februari 1973 en Omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, BS
4
De groengebieden zijn niet te verwarren met de term "groene bestemmingen", waarmee een ruimere categorie wordt bedoeld (omvat naast N- en R-gebied, ook ecologisch waardevol agrarisch gebied, bosgebied met ecologische waarde en parkgebied).
Daarover wordt geen verdere toelichting gegeven in de omzendbrief.
5
6
23 augustus 1997.
Zie voor de gebiedsgerichte verscherping van bemestingsnormen DE PUE, E., LAVRYSEN, L. en STRYCKERS, P., o.c., 301-303 (1998).
3
uitvoering van het decreet van 23 juni 1993 houdende aanvulling met een artikel 88 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, BS 27 januari 1994.
Cf. B.Vl.R. van 20 juli 1994 tot uitvoering van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, BS 22 september 1994; B. Vl.R. van 29 september 1993 tot
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbouwing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing; Uitzonderingsregel voor voortzetting van zonevreemde bedrijven is niet van toepassing
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Cf. N- en R-gebied
Vegetatiewijzigingsbesluit
Zie DE PUE, E., LAVRYSEN, L. en STRYCKERS, P., Milieuzakboekje ’98, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1998, 76-99.
Enkel handelingen en werken toegestaan, nodig voor actieve of passieve bescherming van het gebied (art. 13); In graasweiden zijn schuilhokken voor dieren toegestaan voor zover de begrazing past in het beheer (omzendbrief 8/7/97)
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbouwing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing; Uitzonderingsregel voor voortzetting van zonevreemde bedrijven is niet van toepassing
Cf. N- en R-gebied
Uitzonderingsbepalingen2
2
Gebieden die in hun staat bewaard moeten worden wegens hun wetenschappelijke of pedagogische waarde (art. 13)
Natuurgebied met wetenschappelijke waarde of reservaatgebied
Bouwen van jagers- en vissershutten is toegelaten (niet als woonverblijf) (art. 13); In graasweiden zijn schuilhokken voor dieren toegestaan voor zover de begrazing past in het beheer; Is verboden: het oprichten van gebouwen, het overschakelen naar agrarisch bodemgebruik door ontginning , het ontginnen van heiden en vennen of het wijzigen van de vegetatie ervan (omzendbrief 8/7/97)
Er geldt een principieel bouwverbod; in principe zijn enkel werken toegelaten, gericht of verenigbaar met het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu (omzendbrief 8/7/97)
Stedenbouwkundige voorschriften
1
Omvatten bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden (art. 13)
Natuurgebied
4
Algemene voorschriften Groengebied5 Bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu (art. 13); omvatten de natuurgebieden (Ngebieden) en de reservaatgebieden (Rgebieden)
Natuurgebied
Tabel 18.1: Overzicht van de belangrijkste groene bestemmingen op de gewestplannen en hun implicaties1
Bijlage bij 18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
(niet specifiek omschreven)
(niet specifiek omschreven)
Gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschaps-ontwikkeling te doen (art. 15)
Buffergebied
Landschappelijk waardevol gebied
Alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in de grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen (art. 15)
Moeten in hun staat bewaard worden of als groene ruimte ingericht om te dienen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet verenigbaar zijn of ten behoeve van goede plaatselijke ordening van elkaar moeten gescheiden worden (art. 14); Er geldt een principieel bouwverbod (omzendbrief 8/7/97)
Moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden dat ze in al dan niet verstedelijkte gebieden hun sociale functie kunnen vervullen (art. 14); Slechts die werken en handelingen kunnen toegelaten worden, die strikt noodzakelijk zijn voor de openstelling, het behoud, verfraaiing en/of aanleg van het park; In graasweiden zijn schuilhokken voor dieren toegestaan voor zover de begrazing past in het beheer (omzendbrief 8/7/97)
Stedenbouwkundige voorschriften Beboste of te Gebouwen zijn toegelaten, noodzakebebossen gebieden lijk voor de exploitatie van en het bestemd voor het bos- toezicht op de bossen; jagers- en visbedrijf (art. 12) sershutten zijn toegelaten (niet als woonverblijf) (art. 12)
Natuurgebied
Parkgebied
Bosgebied
Natuurgebied
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbouwing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing, tenzij op gunstig advies van de Afdeling Natuur
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbouwing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing (behalve indien voor uitbreiding van een bestaand vergund gebouw – woningen uitgezonderd – een voldoende bufferzone kan worden voorzien in de bouwvergunning
Uitzonderingsbepalingen2
In landschappelijk waardevol agrarisch gebied, van toepassing voor wijziging van lijnen puntvormige elementen
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Vegetatiewijzigingsbesluit Mestdecreet3
Uitzondering: gezinsveeteeltbedrijven en bepaalde bedrijven (cf. art. 15, § 5)
Bemesting verboden, uitgezonderd bemesting door rechtsreekse begrazing (max. 2 grootvee-eenheden per ha/j.)
VLAREM I
VLAREM II
Omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1° en 20)
Nieuwe inrichtingen voor verwerking van afvalstoffen: rekening houden met aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot parkgebieden; Nieuwe omlopen voor motorvoertuigen verboden in of op minder dan 500 m (of 350m) van parkgebieden (rubriek 32.9); Er geldt een verbod: - in en binnen 50 m rond parkgebied voor productie van bedekkingsmiddelen (rubriek 4) en kleurstoffen en pigmenten (rubriek 21); - in en op minder dan 100 m voor Seveso-bedrijven (rubriek 17.2) en inrichtingen m.b.t. biociden (rubriek 5) en gevaarlijke stoffen (rubriek 17.3.1-3)
Omlopen voor wedVerbod voor activiteiten met modelvliegtustrijden, test- en oefen- igen (rubriek 32.6); voor schietstanden in ritten met motorvoer- open lucht (rubriek 32.7) tuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1° en 20)
Bijlage bij 18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Instituut voor Natuurbehoud
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
137
138
Natuurgebied
7
Agrarische gebieden met landschappelijke waarde overdrukt met letter V
Idem valleigebied
Slechts agrarische werken en handelingen mogen worden uitgevoerd die het specifiek natuurlijk milieu van planten en dieren en de landschappelijke waarde niet schaden
Alleen die werken en handelingen mogen worden uitgevoerd die het specifiek milieu van planten en dieren en de landschappelijke waarde niet schaden
Stedenbouwkundige voorschriften
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbou-wing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing Uitzonderingsregel voor voortzetting van zonevreemde bedrijven is niet van toepassing
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbouwing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing, tenzij op gunstig advies van de Afdeling Natuur
Uitzonderingsregel voor uitbreiding en verbouwing van zonevreemde gebouwen is niet van toepassing, tenzij op gunstig advies van de Afdeling Natuur
Uitzonderingsbepalingen2
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Van toepassing voor wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen
Vegetatiewijzigingsbesluit
Verscherpte bemestingsnormen (cf. art. 15, § 4)
Verscherpte bemestingsnormen (cf. art. 15, § 4)
Mestdecreet3
De aanvullende stedenbouwkundige voorschriften kunnen verschillen naargelang het gewestplan. Voor ecologisch waardevol agrarisch gebied en valleigebied wordt veelal hetzelfde voorschrift gehanteerd.
Bosgebied met ecologische waarde
Brongebied
Valleigebied
Aanvullende voorschriften7 Ecologisch Gebieden die omwille waardevol van de belangrijkheid agrarisch gebied van de fauna en flora die zij herbergen of omwille van hun invloed op de aanpalende groengebieden een uitgesproken ecologische waarde hebben
Natuurgebied
Omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1°en 20)
Omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1°en 20)
Omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, van beperkte omvang zijn verboden (rubriek 32.9, 1°en 20)
VLAREM I
VLAREM II
Bijlage bij 18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
Instituut voor Natuurbehoud
Tabel 18.5b: Raming van de oppervlakte (in ha) van gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle ecotopen domineren, gelegen buiten N-, R-, B-, overig groen, agrarisch gebied met ecologisch belang en militair domein op het gewestplan.
Tabel 18.5a: Raming van de oppervlakte (in ha) van gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle ecotopen domineren, gelegen buiten N-, R- en bosgebied op het gewestplan.
Bijlage bij 18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Instituut voor Natuurbehoud
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
139
140
Tabel 18.5d: Raming van de oppervlakte (in ha) van gebieden in Vlaanderen waar biologisch waardevolle ecotopen domineren, gelegen buiten N-, R-, B-, overig groen, agrarisch gebied met ecologisch belang en militair domein op het gewestplan.
Tabel 18.5c: Raming van de oppervlakte (in ha) van gebieden in Vlaanderen waar biologisch waardevolle ecotopen domineren, gelegen buiten N-, R- en bosgebied op het gewestplan.
Bijlage bij 18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
Instituut voor Natuurbehoud
Tabel 18.5f: Raming van de oppervlakte (in ha) van gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle en/of biologisch waardevolle ecotopen domineren, gelegen buiten N-, R- en bosgebied, overig groen, agrarisch gebied met ecologisch belang en Militair domein op het gewestplan.
Tabel 18.5e: Raming van de oppervlakte (in ha) van gebieden in Vlaanderen waar biologisch zeer waardevolle en/of biologisch waardevolle ecotopen domineren, gelegen buiten N-, R- en bosgebied op het gewestplan.
Bijlage bij 18. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen?
Instituut voor Natuurbehoud
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
141