Skip to main content

dossier 2021-457_0.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/457

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 24 november 2021 diende xxx (hierna vermeld als: verzoeker), een verzoek in bij Lantis om een afschrift van de volgende documenten over te maken: 1. De beide rapporten en de verschillende versies ervan over de PFAS-vervuiling die xxx in op 6 oktober 2017 neerlegde bij BAM (het huidige Lantis) (zie persartikel 1 en persartikel 2) 2. De notulen van de raad van bestuur van BAM (het huidige Lantis) van het jaar 2017 en 2018 3. Het persbericht over de PFAS-vervuiling dat door OVAM in 2017 niet verzonden werd (“Maar er is in september 2017 wél door toenmalig minister van Leefmilieu Joke Schauvliege gevraagd om geen “trekkersrol” op te nemen in de communicatie en een persbericht dat klaar lag, raakte nooit verstuurd” – zie persartikel) 4. De correspondentie tussen het kabinet van ministers Ben Weyts en Joke Schauvliege en OVAM over de PFAS vervuiling tussen 1 september 2017 en 30 september 2018 (“Volgens afvalstoffenmaatschappij OVAM, dat het bodemonderzoek doet, beslisten in 2017 Joke Schauvliege (toen minister van Leefmilieu voor CD&V) en Ben Weyts (toen minister van Mobiliteit voor N-VA) om dat niet te doen” – zie persartikel en “Henny De Baets, administrateur-generaal van de OVAM, gaf een gedetailleerde tijdlijn van de vergaderingen, mails en afspraken in de bewuste periode tussen september 2017 en de zomer van 2018” – zie persartikel) 5. De correspondentie van Lantis waarbij er aangedrongen wordt op extra metingen (“Moest er extra gemeten worden? Waarom niet eigenlijk? Lantis heeft daar bijvoorbeeld herhaaldelijk op aangedrongen” zie persartikel) 6. De metingen uit de werfzone die Lantis niet meteen vrijgaf (“Lantis gaf volgens OVAM ook niet meteen al haar meetresultaten uit de werfzone vrij” – zie persartikel)

www.vlaanderen.be


7. De correspondentie met betrekking tot de vragen van BAM (het huidige Lantis) om te communiceren (“Uit die tijdlijn blijkt dat er verschillende keren, onder meer door bouwheer BAM/Lantis, geopperd is geweest om over de vervuiling te communiceren” – zie persartikel) Op 17 december 2021 weigerde Lantis gedeeltelijk een afschrift van de gevraagde documenten. Op 22 december 2021 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen deze gedeeltelijke weigeringsbeslissing d.d. 17 december 2021. Dit beroep werd geregistreerd op 23 december 2021. Op 21 januari 2022 werd, in toepassing van artikel II.50, §1, tweede lid van het Bestuursdecreet de beroepstermijn van dertig kalenderdagen verlengd tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 24 november 2021. De bestreden beslissing dateert van 17 december 2021. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet. Het beroep werd ingediend bij mailbericht d.d. 22 december 2021 en is bijgevolg tijdig ingesteld. Het beroepschrift is ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Bestreden beslissing

De documenten zoals omschreven in het derde en vierde onderdeel van het openbaarheidsverzoek zijn niet in het bezit van Lantis. De metingen vermeld in het zesde onderdeel werden bezorgd aan de verzoeker. In de mate dat er effectief sprake is van documenten, worden de onderdelen 1, 2, 5 en 7 van de aanvraag afgewezen omwille van één of meer uitzonderingsgronden. Voor al deze documenten die door voormelde deelvragen zouden worden gevat, geldt volgens Lantis dat de openbaarmaking ervan verhinderd wordt door de toepasselijkheid van artikel II.35, 4°, c.q. artikel II.36, 8° van het Bestuursdecreet, die een specifieke bevestiging vormen van het algemene juridische beginsel van de rechten van verdediging. Er werd in de schoot van het Vlaamse Parlement op 16 juni 2021 een onderzoekscommissie “PFAS-PFOS” opgericht die belast werd met een reeks onderzoeksvragen betreffende de aanpak van deze vervuiling in het verleden en naar de toekomst toe, de verantwoordelijkheden hierin en de gevolgen voor de volksgezondheid. De werkzaamheden van deze parlementaire commissie lopen nog volop. Daarnaast werd door een aantal burgers en verenigingen via diverse media verklaard dat zij via het

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 2 van 10


Parket van de Procureur des Konings en/of de onderzoeksrechter ook een strafrechtelijk onderzoek zouden hebben geïnitieerd inzake de PFAS-PFOS vervuiling te Zwijndrecht. Lantis is van oordeel dat documenten die relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding in twee officiële onderzoeksprocedures, voorbehouden dienen te zijn voor deze onderzoeken. Voor de onderdelen 1, 5 en 7 geldt volgens Lantis bovendien dat deze documenten interne communicatie betreffen, waarvan de openbaarmaking kan geweigerd worden op grond van artikel II.33,3° van het Bestuursdecreet. Wat betreft het belang dat in dit kader dient afgewogen te worden tegen het belang van de openbaarheid, verwijst Lantis naar de voorgaande alinea. Inzake onderdeel 2 van de aanvraag merkt Lantis op dat de notulen van de raad van bestuur van BAM de weergave zijn van de beraadslagingen binnen het hoogste beslissingsorgaan van de vennootschap. Teneinde bestuurders toe te laten om zich op een kwalitatieve wijze van hun opdracht te kwijten voorziet de regelgeving ter zake in een specifieke vertrouwelijkheid, gevat in de artikelen II.34, 3° c.q. II.36, 2° van het Bestuursdecreet. Om deze redenen beslist Lantis om de bedoelde documenten niet openbaar te maken.

2. Inhoud van het beroepschrift Verzoeker stelt vooreerst dat hij genoegen neemt met de beslissing van Lantis, voor wat betreft het derde en vierde onderdeel van zijn openbaarheidsverzoek. Het beroep is dus beperkt tot de onderdelen 1, 2, 5, 6 en 7 van zijn openbaarheidsverzoek. Verzoeker merkt het volgende op: - er is geen burgerlijk of administratief rechtsgeding hangende; - bij gebrek aan een proces kan de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen niet ingeroepen worden; - gezien de opgevraagde bestuursdocumenten milieu-informatie bevatten, met namen over de PFASvervuiling in Zwijndrecht, moet Lantis argumenteren waarom het belang van de openbaarheid niet zou opwegen tegen het ingeroepen belang. Men laat na dit te doen. Ook een mogelijk strafonderzoek door het parket is geen strafprocedure, aldus verzoeker. Volgens verzoeker zijn er geen aanwijzingen dat Lantis het voorwerp zou uitmaken van dit onderzoek en daarom acht hij de uitzonderingsgrond van de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen niet van toepassing. Voor de onderdelen 1, 5 en 7 wordt de openbaarmaking ook geweigerd op grond van artikel II.33, 3° van het Bestuursdecreet. De twee expertenrapporten (onderdeel 1) zijn nochtans formele adviezen en kunnen niet onder deze uitzonderingsgronden vallen, aldus verzoeker. Het vijfde en zevende onderdeel betreffen e-mails van Lantis aan OVAM en/of een ministerieel kabinet. Het zijn aanbevelingen en adviezen om toch over te gaan tot bijkomende metingen en bijkomend te communiceren. Dit overstijgt volgens verzoeker de dagdagelijkse uitwisseling van berichten. Hij acht de uitzonderingsgrond daarom niet van toepassing. Ook ontbreekt volgens hem de concrete afweging van belangen die noodzakelijk is bij deze relatieve uitzonderingsgrond. Voor het tweede onderdeel wordt nog verwezen naar de artikelen II.34, 3° c.q. II.36, 2° van het Bestuursdecreet. Lantis laat volgens verzoeker na te verduidelijken welke commerciële en industriële informatie deze documenten zouden bevatten en welk gelegitimeerd economisch belang gevrijwaard dient te worden. Verzoeker is daarom van oordeel dat voor alle bovenstaande documenten het belang van de openbaarheid overweegt op enig ander belang. Het feit dat deze documenten in het kader van de PFAS-

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 3 van 10


onderzoekscommissie aan bod komen, wijst op zich reeds op het belang. Deze wordt geïllustreerd door de motie waarmee de commissie werd opgericht (844 (2020-2021) - nr. 4) die duidelijk verwijst naar volksgezondheid en milieuvervuiling als belang dat gediend is door de openbaarheid. Bovendien worden deze documenten door xxx opgevraagd om na te gaan of de Vlaamse overheid met betrekking tot de PFAS-vervuiling voldeed de milieu-informatieplicht zoals gestipuleerd in artikel 5.1.c van het Verdrag van Aarhus, artikel 7.4 van de Richtlijn Milieu-informatie en artikel 7 van het besluit van 28 oktober 2005 van de Vlaamse Regering betreffende de verspreiding van milieu- informatie. De openbaarheid van deze documenten is een essentiële voorwaarde om dit te kunnen beoordelen.

3. Standpunt van Lantis De beroepsinstantie contacteerde Lantis op 24 december 2021 voor toelichting bij de bestreden beslissing. Op 11 januari 2022 deelde Lantis aan de beroepsinstantie mee dat, wat het beginsel van het recht van verdediging betreft, zij benadrukt dat er effectief een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld door het parket. Anderzijds zijn er twee klachten met burgerlijke partijstellingen die eveneens aanleiding geven tot een gerechtelijk onderzoek. Eén van deze klachten werd ingediend door xxx. Het betreft, dixit het parket, “een onderzoek m.b.t. de Oosterweelwerken” en meer specifiek m.b.t. de in dit gebied aangetroffen PFOSverontreiniging te Zwijndrecht en Antwerpen-Linkeroever. Lantis werd in dit strafrechtelijk onderzoek reeds meermaals gecontacteerd als betrokkene en er werden documenten opgevraagd. Er zijn volgens Lantis dus wel degelijk aanwijzingen dat Lantis deel uitmaakt van dit onderzoek. Lantis verleent hieraan zijn volle medewerking. Verzoeker is zelf betrokken partij in een strafrechtelijk onderzoek dat draait rond dezelfde feitelijkheden als de hiervoor vermelde klacht. Het is volgens Lantis niet onaannemelijk dat diverse klachten inzake dezelfde feiten wegens samenhang zullen worden samengevoegd tot één dossier indien het parket zou beslissen om tot vervolging over te gaan. In de mate dat een klacht met burgerlijke partijstelling is ingediend bij de onderzoeksrechter, is seponering zelfs onmogelijk en dient de raadkamer volgens Lantis te oordelen over buitenvervolgingstelling of doorverwijzing naar de rechtbank. Voorts werd er door xxx en xxx respectievelijk een burgerlijk en administratiefrechtelijk geding jegens Lantis opgestart, meer specifiek : • een burgerrechtelijke milieustakingsvordering voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarbij in de plaats van de gemeente Zwijndrecht en de stad Antwerpen in rechte wordt opgetreden jegens o.m. Lantis m.b.t. de PFOS-verontreiniging te Zwijndrecht en Antwerpen-Linkeroever (zie o.m. xxx); • een administratiefrechtelijke procedure bij de Raad van State waarin o.m. wordt opgetreden jegens xxx (zie o.m. xxx); Over deze gerechtelijke procedures heeft verzoeker recent samen met één van de procesvoerende partijen een opiniestuk gepubliceerd in De Standaard (xxx). Het mag volgens Lantis duidelijk zijn dat er een nauwe betrokkenheid is tussen enerzijds xxx en anderzijds de partijen die betrokken zijn bij voormelde burgerlijke en administratiefrechtelijke gedingen. Lantis wil er in dit verband op wijzen dat het PFOS-dossier zowel in de klassieke media als op sociale media aanleiding heeft gegeven tot hevige debatten en forse stellingnames, niet gehinderd door een gedegen en objectieve dossierkennis. Het is voor Lantis duidelijk dat voormelde strafrechtelijke onderzoeken en gerechtelijke procedures waarin xxx rechtstreeks, minstens onrechtstreeks, betrokken zijn, met de nodige sereniteit moeten kunnen

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 4 van 10


verlopen. Dit laatste geldt ook voor de werkzaamheden van de parlementaire onderzoekscommissie PFASPFOS. Lantis heeft ter zake niks te verbergen, maar het is duidelijk dat wanneer er gezocht wordt naar en getoetst wordt op verantwoordelijkheden door officiële instanties, het recht van verdediging van alle betrokkenen – en dus ook van Lantis - wel degelijk aan de orde is en dergelijk onderzoek niet gebaat is bij beïnvloeding door middel van publieke ophef, vaak veroorzaakt door het strategisch lekken en selectief en uit hun context citeren van documenten, aldus Lantis. Lantis merkt op dat het recht van verdediging geldt als een natuurrecht en een algemeen rechtsbeginsel is, erkend in internationale verdragen zoals het EVRM. Naast gekende elementen als de onpartijdigheid van de rechter is ook de wapengelijkheid van partijen van cruciaal belang. Van zodra een zaak een strafrechtelijke aard krijgt, komen daar elementen als het vermoeden van onschuld bij, dat de bewijsvoering aan de kant van het openbaar ministerie legt en dat bijvoorbeeld ook een verbod op zelfincriminatie inhoudt. In zoverre de rechten van verdediging, als elementair en universeel rechtsbeginsel, zouden moeten worden afgewogen tegen het belang van de openbaarheid, dient volgens Lantis vastgesteld te worden dat het belang dat in deze door de verzoeker wordt aangehaald, met name dat van de volksgezondheid en milieuvervuiling, ongetwijfeld reeds centraal staat in de lopende onderzoeken van de Procureur des Konings of de onderzoeksrechter te Antwerpen en dat de verzoeker vertrouwen dient te hebben in de deskundigheid, accuraatheid, volledigheid en onafhankelijkheid waarmee die onderzoeken en procedures, met respect voor de rechten van verdediging, worden uitgevoerd. Voor de onderdelen 1, 5 en 7 van het oorspronkelijke verzoek wordt ook de uitzonderingsgrond inzake “interne communicatie” aangehaald door Lantis. De “correspondentie” zoals bedoeld in onderdelen 5 en 7 heeft vermoedelijk betrekking op rapporteringen van BAM/Lantis aan de overheid/aandeelhouder inzake de omvang van de aangetroffen vervuiling. De adviezen bedoeld in onderdeel 1 werden door Lantis gevraagd in functie van die rapportering. Het betreft documenten tussen diensten van de Vlaamse overheid die dienen tot raadpleging en beraadslaging en die beogen om een onderbouwde beleidskeuze mede mogelijk te maken. Voor de afweging van de vertrouwelijkheid hiervan tegen het belang van de openbaarheid werd verwezen naar het feit dat de middels de openbaarheid van bestuur te dienen belangen voldoende gewaarborgd zijn door het feit dat er twee officiële onderzoeksprocedures lopen waarin de betrokken documenten onder de loep worden genomen, met name het onderzoek door een onderzoekscommissie “PFAS-PFOS” die in de schoot van het Vlaamse parlement werd opgericht enerzijds, en (minstens) een opsporingsonderzoek in handen van de Procureur des Konings te Antwerpen. Tot slot, wat het onderdeel 2 betreft, werd tevens de bijzondere uitzonderingsgrond van het geheim van de beraadslaging ingeroepen, zoals omschreven in de artikelen II.34, 3° c.q. II.36, 2° van het Bestuursdecreet. De verzoeker vergist zich volgens Lantis wanneer hij ter zake aangeeft dat de openbaarheid zou geweigerd zijn ter bescherming van industriële of commerciële informatie. De onder dit onderdeel geviseerde documenten betreffen de weergave van de besprekingen in de schoot van de raad van bestuur van de vennootschap. Het geheim van de beraadslaging en, meer algemeen, de waarden discretie en vertrouwelijkheid zijn van essentieel belang om de context te scheppen waarin leden van de raad van bestuur kunnen doen wat van hen verwacht wordt: kennis nemen van informatie, vragen stellen en opmerkingen maken die de voorstellen challengen en die de kwaliteit van de besluitvorming ten goede komen, die de risico’s van de voorliggende opties op de weegschaal leggen en die de onderbouwing van beslissingen robuuster maken. Het geheim van de beraadslaging geeft aldus mede vorm aan het forum waarin bestuursleden op een kwalitatieve wijze invulling kunnen geven aan wat ze behoren te doen en waarvoor zij ook een bijzondere aansprakelijkheid dragen. Dit raakt bijgevolg rechtstreeks aan het belang van de vennootschap en, gelet op de publieke taak van Lantis, ook aan het maatschappelijke belang. Zonder de garantie van vertrouwelijkheid en dus met het risico dat elke bespreking binnen de raad van bestuur

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 5 van 10


zelf het voorwerp wordt van een publiek debat, dreigt een deugdelijk beslissingsproces onder druk te komen, zo besluit Lantis in haar reactie aan de beroepsinstantie.

4. Standpunt van de beroepsinstantie Het komt nu aan de beroepsinstantie toe om na te gaan in hoeverre het openbaarheidsverzoek kan worden ingewilligd of in hoeverre er eventueel uitzonderingsgronden aanwezig zijn om de openbaarmaking niet of eventueel gedeeltelijk toe te staan. Betreffende de onderdelen 1, 2 , 5 en 7 van het openbaarheidsverzoek Met verwijzing naar de vanuit Lantis verstrekte informatie, zoals hiervoor beschreven, kan de beroepsinstantie enkel maar concluderen dat er, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert in zijn beroepschrift, dus wel degelijk twee zeer concrete rechtsgedingen aanhangig zijn bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen met betrekking tot de door verzoeker opgevraagde informatie: - een burgerrechtelijke milieustakingsvordering voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (Kortgedingprocedure), waarbij Lantis rechtsreeks werd gedagvaard in augustus 2021 m.b.t. de PFOS-verontreiniging te Zwijndrecht en Antwerpen-Linkeroever. Het kortgeding werd intussen beëindigd, maar de procedure ten gronde moet nog worden gevoerd. - Een tweede burgerlijke rechtszaak voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel (waarvan de eerste zittingsdag is vastgelegd op 10 februari 2022), waarbij Lantis ook rechtsreeks werd gedagvaard, met het oog op het betalen van een schadevergoeding wegens buitencontractuele aansprakelijkheid, waarbij Lantis wordt verweten dat ze is tekort geschoten en een fout heeft begaan bij haar informatie- en onderzoeksverplichting ten aanzien van de burgers over mogelijke significante gezondheidseffecten, gekoppeld aan persistente chemische stoffen, zoals PFOS/PFAS. In dat verband wijst de beroepsinstantie op de toepassing van de artikelen II.35, 4° (voor de niet-milieuinformatie in de opgevraagde documenten) en artikel II.36, 8° van het Bestuursdecreet (voor de milieuinformatie in de opgevraagde documenten) om de onderdelen 1, 2, 5, en 7 van het openbaarheidsverzoek af te wijzen. Alle door verzoeker opgevraagde informatie in de voormelde onderdelen van zijn openbaarheidsverzoek houdt ontegensprekelijk verband met de beide voormelde burgerrechtelijke procedures die momenteel aanhangig zijn. De voormelde decreetartikelen uit het Bestuursdecreet bepalen dat een aanvraag tot openbaarmaking moet afgewezen worden als de overheidsinstantie van oordeel is dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen: Deze uitzonderingsgrond beoogt het eerlijk verloop van de rechtspleging te vrijwaren. Een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces is immers het beginsel van de “gelijkheid der wapens in een proces”, dat inhoudt dat elke partij het recht heeft haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet benadelen ten opzichte van de tegenpartij. De bestaansreden van deze uitzonderingsgrond ligt vooral bij het verhinderen dat de openbaarheid van bestuur, waaraan één partij onderworpen is, afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid. Zonder deze uitzonderingsgrond zou één partij op grond van de openbaarheid van bestuur kunnen worden verplicht stukken in het gerechtelijk debat te brengen die tegen haar zouden kunnen pleiten, daar waar de andere partij enkel die elementen die haar eis ondersteunen, kenbaar mag maken om het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Deze uitzonderingsgrond is een correctief op de openbaarheid om te beletten dat een instantie zou worden verplicht in een rechtsgeding de tegenpartij informatie ter beschikking te stellen die vervolgens tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) wordt uitgespeeld.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 6 van 10


In casu dient de beroepsinstantie op basis van de door Lantis aangeleverde informatie vast te stellen dat het voorwerp van het verzoek tot openbaarheid van verzoeker (voor wat betreft de onderdelen 1, 2, 5 en 7) duidelijk verband houdt met het voorwerp van de beide aanhangige burgerlijke rechtsgeschillen, waarbij Lantis rechtsreeks werd gedagvaard en zoals hiervoor werden vermeld. De beroepsinstantie moet samen met Lantis vaststellen dat verzoeker xxx recent samen met één van de procesvoerende partijen in de burgerlijke gedingen een opiniestuk publiceerde in De Standaard (xxx). Hieruit kan enkel maar worden afgeleid dat er dus een nauwe betrokkenheid is tussen enerzijds huidig verzoeker (xxx) en anderzijds de partijen die betrokken zijn bij voormelde burgerlijke rechtsgedingen. Beide gerechtelijke procedures, waarbij Lantis dus rechtstreeks werd gedagvaard, zijn erop gericht om bepaalde werken definitief te laten stilleggen of niet te laten uitvoeren en om een schadevergoeding te bekomen van Lantis (op grond van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid). De informatie die verzoeker wenst te bekomen in de onderdelen 1, 2, 5 en 7 van zijn openbaarheidsverzoek, zijn er op gericht om zich zoveel mogelijk te documenteren met informatie vanuit Lantis en deze dan te kunnen gebruiken tegen Lantis of de Vlaamse Overheid in de beide voormelde gerechtelijke procedures. Het zal nu aan de rechter toekomen om, op basis van alle informatie in het dossier rond PFOS/PFAS en Oosterweel, een uitspraak te doen in de beide hangende burgerlijke rechtsgedingen. Het betreft hier een relatieve uitzonderingsgrond. De toetsing van de concrete situatie aan de finaliteit van de uitzonderingsgrond leidt tot de conclusie dat het belang van de openbaarheid in dit specifieke geval niet opweegt tegen het belang van de uitzonderingsgrond. De openbaarmaking ten koste van het beschermde belang mag maar worden bevolen als daarmee het algemeen belang gediend wordt, quod non in casu. De beroepsinstantie is van mening dat er in casu geen openbaar belang, zoals geduid in de parlementaire voorbereiding, gemoeid is met de openbaarmaking van de betrokken documenten. De memorie van toelichting stelt immers m.b.t. de belangenafweging het volgende: “De uitzonderingen worden alleen ingeroepen als het belang van de openbaarheid niet primeert. Daarmee wordt bedoeld: een met de openbaarmaking gediend openbaar belang. Deze bepaling betekent dus niet dat de private belangen van de aanvrager moeten afgewogen worden tegenover de belangen die met de uitzonderingen beschermd worden. Het gaat om het belang van de gemeenschap: de openbare orde, de veiligheid van de bevolking, grote maatschappelijke issues, globale bescherming van het leefmilieu enzovoort..” (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, 1656/1, 56). In voorliggend geval dient de bescherming van een eerlijk verloop van de hangende rechtsgedingen, met de wapengelijkheid van de betrokken partijen, geacht te worden te primeren. Het belang dat in deze door de verzoeker wordt aangehaald, met name dat van de volksgezondheid en milieuvervuiling, staat ongetwijfeld reeds centraal in de beide hangende rechtsgedingen en verzoeker moet, net als de overige betrokken partijen, vertrouwen hebben in de deskundigheid, accuraatheid, volledigheid en onafhankelijkheid waarmee de burgerlijke rechtbank de aanklachten zal onderzoeken en zijn beslissing zal nemen in de beide hangende geschillen, met respect voor de rechten van verdediging. De afweging van de beroepsinstantie leidt dan ook tot de conclusie dat het belang dat beschermd wordt door de uitzonderingsgrond van de artikelen II.35, 4° (voor de niet-milieu-informatie in de opgevraagde documenten) en artikel II.36, 8° van het Bestuursdecreet (voor de milieu-informatie in de opgevraagde documenten) primeert op het privaat belang van de openbaarheid in hoofde van verzoekende partij en dat voormelde uitzonderingsgrond dan ook terecht werd ingeroepen door Lantis om de opgevraagde informatie in de onderdelen 1, 2, 5 en 7 van zijn openbaarheidsverzoek af te wijzen. De beroepsinstantie kon voorts vaststellen dat er momenteel door het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen een strafrechtelijk onderzoek werd opgestart in mei 2021 (referte: xxx), dat momenteel nog volop lopende is. In het kader van dat strafrechtelijk onderzoek werd Lantis gevraagd om alle relevante

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 7 van 10


stukken met betrekking tot de PFOS-problematiek aan het strafonderzoek beschikbaar te stellen, wat ze ook effectief hebben gedaan. Voorts werd de beroepsinstantie door Lantis in kennis gesteld van het feit dat er minstens 1 klacht met burgerlijke partijstelling is neergelegd bij de onderzoeksrechter te Antwerpen: Huidig verzoeker (xxx) heeft namens xxx op 23 juni 2021 een klacht met burgerlijke partijstelling tegen 3M ingediend. In de klacht zelf wordt ondermeer gesteld dat in 2017 xxx een aantal aanbevelingen aan Lantis NV heeft geformuleerd, waaruit het gevaar voor mens, natuur en milieu van PFOS blijkt. Het is dus hoogst waarschijnlijk zo dat Lantis in het kader van deze strafrechtelijke klacht tegen 3M eveneens zal worden gevraagd door de onderzoeksrechter om een aantal stukken neer te leggen. De beroepsinstantie verwijst bijkomend dan ook voor de bestuursdocumenten uit dit dossier (die geen milieu-informatie uitmaken) die in een opsporingsonderzoek gebruikt worden, naar de uitzonderingsgrond bepaald in artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Op grond van deze bepaling moet een aanvraag tot openbaarmaking door een federale of niet federale administratieve overheid worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Voor de milieu-informatie die voorkomt in de opgevraagde bestuursdocumenten verwijst de beroepsinstantie naar artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie. Deze bepaling voorziet dat een vraag tot openbaarmaking afgewezen wordt als het publiek belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van sanctioneerbare feiten. Deze uitzondering geldt ook voor de niet-federale overheden omdat zij verband houdt met de strafvervolging, die met uitzondering van de bevoegdheden die artikel 11 en 11bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de Gemeenschappen en de Gewesten hebben toegekend, een federale bevoegdheid blijft. In bovenvermelde wet worden met “sanctioneerbare feiten” de strafrechtelijk beteugelde feiten bedoeld, evenals de feiten die onderworpen zijn aan een administratieve sanctie met inbegrip van de disciplinaire maatregelen. Onder deze uitzonderingsgrond kunnen bijvoorbeeld ook de documenten vallen die nog niet gelinkt zijn aan een lopend gerechtelijk onderzoek, maar waarvan de openbaarmaking het onderzoek eventueel kan schaden (Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 51, 2511/001, 36). Beide uitzonderingsgronden vereisen echter wel een concrete belangenafweging. De toetsing van de concrete situatie aan de finaliteit van de voormelde uitzonderingsgronden leidt tot de conclusie dat het belang van de openbaarheid in dit specifieke geval niet opweegt tegen het belang van de uitzonderingsgronden, dat erin bestaat om een lopend strafrechtelijk onderzoek door het Parket en een gerechtelijk onderzoek door de onderzoeksrechter af te schermen, zodat het geheime karakter ervan kan beschermd blijven.. De openbaarmaking ten koste van het beschermde belang mag maar worden bevolen als daarmee het algemeen belang gediend wordt, quod non in casu. De beroepsinstantie verwijst in dit verband naar wat er hiervoor al werd uiteengezet. De beroepsinstantie is dan ook van oordeel dat de uitzonderingsgronden van artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en van artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie ook van toepassing zijn in casu, zodat de openbaarmaking van de opgevraagde informatie in de onderdelen 1, 2, 5 en 7 van het openbaarheidsverzoek van verzoeker dient afgewezen te worden. Voor de volledigheid wijst de beroepsinstantie ook nog op het feit dat momenteel nog steeds de parlementaire onderzoekscommissie PFAS-PFOS aan de gang is binnen het Vlaams Parlement. Die onderzoekscommissie, die notabene over dezelfde mogelijkheden beschikt als een onderzoeksrechter, heeft als belangrijkste taak om te onderzoeken wie de politieke verantwoordelijkheid draagt, wat de

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 8 van 10


langetermijneffecten voor de volksgezondheid van de PFOS-vervuiling zijn en of het vervuilende bedrijf 3M kan aansprakelijk gesteld worden. In dit dossier wordt alle nuttige informatie in verband met het onderzoek naar de PFAS- en PFOS-vervuiling samengebracht, waarbij Lantis is verschenen op de hoorzitting van de parlementaire onderzoekscommissie van 24 en 25 september 2021 en daarbij alle beschikbare informatie heeft bezorgd aan de parlementaire onderzoekscommissie, waaronder de door verzoeker gevraagde documenten. Het ingestelde beroep is, gelet op de toepassing van de verschillende uitzonderingsgronden uit het Bestuursdecreet en de federale openbaarheidswetten, dan ook als ongegrond te beschouwen voor dit onderdeel. Betreffende onderdeel 6 van het openbaarheidsverzoek In dit onderdeel van zijn openbaarheidsverzoek, vraagt verzoeker naar een afschrift van de metingen uit de werfzone die Lantis niet meteen vrijgaf. In zijn beslissing d.d. 17 december 2021 stelde Lantis dat de metingen bedoeld in onderdeel 6 uiterlijk op maandag 20 december 2021 zouden worden overgemaakt aan verzoeker via Wetransfer. Uit het onderzoek door de beroepsinstantie is evenwel gebleken dat er iets fout is gelopen bij het doorsturen van het Wetransfer-bestand op 20 december 2021. Vanuit Lantis werden op 3 februari 2022 evenwel alle resultaten van de metingen, zoals gevraagd door verzoeker, alsnog bezorgd aan verzoeker. De beroepsinstantie kreeg een afschrift van de mail aan verzoeker en de bevestiging van het doorsturen van het Wetransfer-bestand aan verzoeker. Lantis benadrukt dat het wel degelijk gaat om alle beschikbare metingen en dat geen resultaten werden achter gehouden. Lantis bezorgde in de mail bovendien een link naar een website, https://experience.arcgis.com/experience/ea4883140e7641019b2e0471fa071d55, waarop alle meetresultaten volgens hun meest actuele versie terug te vinden zijn. De beroepsinstantie stelt dan ook vast dat hiermee werd tegemoetgekomen aan de verzuchtingen van verzoeker, wat dit onderdeel betreft, en het ingestelde beroep wordt bijgevolg voor dit onderdeel zonder voorwerp beschouwd. Na beraadslaging,

BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 22 december 2021 tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van Lantis in het kader van de PFAS-PFOS vervuiling te Zwijndrecht wordt als ontvankelijk en deels ongegrond en deels zonder voorwerp beschouwd. Brussel, 4 februari 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur,

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 9 van 10


Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/457

pagina 10 van 10


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
dossier 2021-457_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu