Skip to main content

Advies_energiegemeenschappen.pdf

Page 1

Advies Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Brussel, 30 november 2020

Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen  Wetstraat 34-36, 1040 Brussel  T +32 2 209 01 11 info@serv.be  www.serv.be


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Adviesvraag: Voorontwerp van decreet tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU Adviesvrager: Zuhal Demir - Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Ontvangst adviesvraag: 30 oktober 2020 Adviestermijn: 30 dagen Decretale opdracht: SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie) Goedkeuring raad: 30 november 2020 Het advies kwam tot stand in samenwerking met Minaraad die het goedkeurde(n) op 30 november 2020

Contactpersoon: Annemie Bollen – abollen@serv.be Julien Matheys – jmatheys@serv.be Stefanie Corens – stefanie.corens@minaraad.be

2


Mevrouw Zuhal Demir Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Martelaarsplein 7 B-1000 BRUSSEL

contactpersoon Annemie Bollen abollen@serv.be

ons kenmerk SERV_BR_20201130_flexibiliteitsdecreet

Brussel 30 november 2020

Advies flexibiliteit en energiegemeenschappen Mevrouw de minister De SERV en de Minaraad zijn verheugd met de opmaak van een decretaal kader voor flexibiliteit en energiegemeenschappen. Ze hopen dat dit kader snel in de praktijk ingevuld en geoperationaliseerd wordt om de ontwikkeling van flexibiliteit en energiegemeenschappen de nodige kansen te geven. Ook vragen de raden om stakeholders en adviesraden te betrekken bij de concretisering en om een evaluatiebepaling op te nemen in het decreet. Gezien de beperkte adviesperiode en de omvang van het dossier, bevat het bijgevoegde gezamenlijke advies van de SERV en de Minaraad slechts een voorlopige beoordeling van het decretaal kader, met een aantal aandachtspunten voor de aanpassing van het decreet en voor de invulling van het decretaal kader. Hoogachtend

Danny Vanassche

Walter Roggeman

voorzitter SERV

voorzitter Minaraad

Bijlage(n): Advies SERV energiegemeenschappen’.

en

Minaraad

‘Kader

en

kansen

voor

Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen  Wetstraat 34-36, 1040 Brussel  T +32 2 209 01 11 info@serv.be  www.serv.be

flexibiliteit

en


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Inhoud Krachtlijnen ......................................................................................................................... 5 Situering............................................................................................................................... 6 Advies ................................................................................................................................ 7 1

Terechte ijver rond flexibiliteit en energiegemeenschappen.............................. 7

2

Moeilijke, voorlopige beoordeling ........................................................................ 8

3

Aandachtspunten bij het decretaal kader ............................................................ 9

4

Aandachtspunten bij uitwerking........................................................................... 12

4


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Krachtlijnen De SERV en de Minaraad zijn blij dat de Vlaamse regering met een decretaal kader werk maakt van flexibiliteit in het energiesysteem en van de ontwikkeling van energiegemeenschappen. De beoordeling van dat kader is moeilijk omdat het onduidelijk is welke keuzes de Vlaamse regering precies maakt, waar ze naar toe wil en wat de implicaties op het terrein zullen zijn. Een evaluatiebepaling in het decreet moet garanderen dat het kader en de invulling periodiek getoetst, geconsulteerd en bijgestuurd worden en dat flexibiliteit en energiegemeenschappen inderdaad de nodige kansen krijgen. Bij de invulling is voldoende aandacht nodig voor faire financiering en marktconforme vergoedingen, voor een sterke regulator, voor marktwerking en voor burgerparticipatie, lokale besturen en kwetsbare groepen. Tot slot moeten enkele nevendiscussies rond de financiering van het energiesysteem, infrastructuurplanning en kerntakendebat dringend uitgeklaard worden om ook in het voorliggend dossier vooruitgang te boeken. De SERV en de Minaraad steunen de Vlaamse Regering in haar ambitie om de flexibiliteit van het energiesysteem en de ontwikkeling van energiegemeenschappen te stimuleren. Beide raden roepen in een gezamenlijk advies op om de initiatieven verder aan te wakkeren die samen zorgen voor een flexibeler en duurzamer energiesysteem. Het voorliggend decretaal kader rond flexibiliteit en energiegemeenschappen was dringend nodig en sluit terecht nauw aan bij het Europese kader. Toch is dit slechts een eerste stap. Op korte termijn zijn aanvullend aangepaste uitvoeringsbesluiten, technische reglementen, specificaties, afsprakenkaders, tariefmethodologieën, investeringsplanprocessen, een faciliterend kader, ruimte voor onderzoek en experimenten, operationele voorzieningen en processen, … nodig én een aangepaste mindset bij de diverse actoren. Die moeten duidelijkheid en rechtszekerheid creëren over hoe het Vlaamse energiesysteem flexibiliteit zal omarmen en over hoe energiegemeenschappen in Vlaanderen kunnen ontwikkelen. Een evaluatiebepaling in het decreet moet garanderen dat het kader voldoende getoetst en geconsulteerd wordt en dat flexibiliteit en energiegemeenschappen inderdaad de nodige kansen krijgen. Verder vinden de raden het alvast positief dat het voorontwerp een brede benadering van flexibiliteit hanteert, een marktgebaseerde aanpak voor flexibiliteit vooropstelt en evenwichten zoekt tussen de belangen van marktactoren en netbeheerders. Wel moeten enkele bepalingen rond energiegemeenschappen herbekeken worden, enkele keuzes gemotiveerd worden en lijkt technisch nazicht van de teksten nodig. De verdere uitwerking van het beleidskader is bepalend voor de implicaties op het terrein. Een goede procesaanpak moet hiervoor uitgetekend worden waarbij relevante stakeholders, inclusief de raden, geraadpleegd worden. De regulator moet voldoende uitgerust worden om de nieuwe taken als gevolg van het decretaal kader rond flexibiliteit en energiegemeenschappen goed te kunnen uitvoeren. Verder moeten definanciering fair en de vergoedingen marktconform geregeld worden en moet er voldoende aandacht zijn voor marktwerking, burgerparticipatie, lokale besturen en kwetsbare groepen. Tot slot moeten tegelijkertijd enkele aanverwante discussies uitgeklaard worden, onder meer inzake financiering van het energiesysteem, infrastructuurplanning en het kerntakendebat.

5


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Situering De SERV en de Minaraad werden op 30 oktober 2020 om advies gevraagd over een wijziging van het energiedecreet1. Het voorliggend voorontwerp van decreet voorziet o.a. een kader rond flexibiliteit en energiegemeenschappen en wil hiermee o.m. twee Europese richtlijnen omzetten. De SERV en de Minaraad beslisten om samen over dit voorontwerp van decreet te adviseren. Het voorliggend advies apprecieert de inspanningen van de Vlaamse regering om rond flexibiliteit en energiegemeenschappen te werken (deel 1). Deel 2 geeft aan waarom de raden het moeilijk vonden om op basis van het voorliggend dossier nu volledig en definitief over het voorliggend voorontwerp te oordelen. Deel 3 van het advies formuleert dan ook slechts enkele voorlopige aandachtspunten omtrent voorliggend decretaal kader. Deel 4 vermeldt tot slot enkele aandachtspunten die van belang zijn bij de nadere uitwerking van het decretaal kader. De raden danken de administratie voor de toelichting van het voorontwerp van decreet tijdens de voorbereiding van dit advies.

1

Voluit: Voorontwerp van decreet tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU.

6


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Advies 1

Terechte ijver rond flexibiliteit en energiegemeenschappen

Wakker ijver rond flexibiliteit en energiegemeenschappen aan. De SERV en de Minaraad vinden het belangrijk dat de Vlaamse regering de ijver op het terrein om werk te maken van een flexibeler energiesysteem en van energiegemeenschappen niet blust, maar juist aanwakkert en faciliteert. Samen werken aan een flexibeler en duurzamer energiesysteem zorgt voor gemeenschapsvorming en democratisering en heeft ook veel andere voordelen. Flexibiliteit door vraagsturing, productiesturing, opslag, … zorgt o.a. voor een veerkrachtiger en daardoor robuuster energiesysteem. Het helpt om te evolueren naar een koolstofarmer energiesysteem dat kan omgaan met meer intermittente en decentrale hernieuwbare energieproductie en meer elektrificatie2. Energiegemeenschappen laten burgers, bedrijven en organisaties samen deelnemen aan de energietransitie en laten hen mee de vruchten van deze nieuwe ontwikkelingen plukken. Flexibiliteit en energiegemeenschappen zijn essentieel voor de effectiviteit en het draagvlak van het klimaat- en energiebeleid en voor de betrouwbaarheid van de energievoorziening. Ze kunnen er o.a. voor zorgen dat het potentieel aan hernieuwbare energiebronnen maximaal wordt aangeboord, bv. door via energiedelen het potentieel aan zonne-energie op daken maximaal te benutten zelfs als er onder die bewuste daken niet onmiddellijk dezelfde vraag is naar de opgewekte energie. Decretaal kader was dringend nodig. Er was dringend nood aan een Vlaams decretaal kader rond flexibiliteit en energiegemeenschappen. Zo’n kader kan initiatieven rond flexibiliteit en energiegemeenschappen de nodige rechtszekerheid en faciliteiten geven en vrijwaart tegelijkertijd de rechten en plichten van alle actoren. De SERV en de Minaraad verwelkomen dan ook dat de Vlaamse regering met het voorliggend voorontwerp decretale kaders wil creëren voor zowel flexibiliteit in het energiesysteem als voor energiegemeenschappen. Daarmee geeft de Vlaamse regering uitvoering aan de omzetting van twee Europese richtlijnen. Deze omzetting is zeker voor de elektriciteitsrichtlijn bijzonder dringend: 31 december 2020 is hiervoor de deadline. Verder bevat het voorliggend decretaal kader ook enkele restbepalingen die niet direct kaderen in de omzetting van de bewuste richtlijnen, zoals de bepalingen omtrent het recht op dynamische prijscontracten, het recht op meerdere contracten op een afnamepunt, vrije leverancierskeuze, gesloten distributienetten, vergelijkingstools, de Raad van Bestuur en de taken van de VREG, de mogelijkheid voor netbeheerders hun activiteiten naar andere dan elektriciteits- en gasnetten uit te breiden, … De hele ‘energiehuishouding’ moet de nieuwe dynamieken uitdragen. Naast het decretaal kader moet ook de rest van de ‘energiehuishouding’ afgestemd raken met de nieuwe dynamieken rond flexibiliteit en energiegemeenschappen. Dat impliceert niet alleen een aangepast energiedecreet, maar ook aangepaste uitvoeringsbesluiten, technische

2

Door het energiesysteem flexibeler te maken en een actievere rol te voorzien voor meerdere actoren, kan het beter omgaan met nieuwe uitdagingen zoals meer hernieuwbare energie en meer elektrificatie, vergelijkbaar met een marshmallow die boven een gezellig vuur een beetje smelt en vloeibaar wordt, maar ook een krokante korst en een andere smaak krijgt.

7


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

reglementen, specificaties, afsprakenkaders, tariefmethodologieën, investeringsplanprocessen, een faciliterend kader, ruimte voor onderzoek en experimenten, operationele voorzieningen en processen, … én een aangepaste mindset bij de diverse actoren. In het bijzonder hangt veel af van hoe de VREG en Fluvius met dit kader concreet aan de slag zullen gaan.

2

Moeilijke, voorlopige beoordeling

Beoordeling van het kader is moeilijk en voorlopig, en wordt later aangevuld. De SERV en de Minaraad spreken zich in het voorliggend advies slechts voorlopig en onvolledig uit over het voorgestelde decretaal kader voor flexibiliteit en energiegemeenschappen. Een grondige beoordeling van dit kader is op dit moment moeilijk omwille van een aantal aspecten. Zo was de toegestane adviesperiode van 30 dagen relatief kort (en niet verlengbaar) en omvatte zij een (verlengde) vakantieperiode. Daardoor was er onvoldoende tijd om het voorliggende omvangrijke, complexe en technische dossier dat samenhangt met ingewikkelde Europese richtlijnen en federale regelingen ten gronde te analyseren en hierover het nodige sociaal overleg te organiseren. Het dossier is bovendien weinig transparant over waar de Vlaamse regering met dit kader precies naar toe wil en welke keuzes het decreet precies maakt3 en waarom. Het voorliggend dossier is voor diverse aspecten een ‘black box’, die veel vragen het oproept. Er ligt bv. geen concrete Vlaamse visie op tafel over hoe Vlaanderen de markt en het kader voor flexibiliteit wil organiseren. De implicaties in de praktijk voor de verschillende potentiële betrokkenen blijven onduidelijk. Veel zal afhangen van de bijhorende uitvoeringsbesluiten, de technische reglementen en de concrete uitwerking maar dat plaatje blijft onscherp (Figuur 1). Ook de verhouding van het Vlaamse kader tot het federale kader (o.a. de regeling inzake transmissienetten en federale investeringsplanprocessen) en het kader in Brussel, in Wallonië en in onze buurlanden roept nog veel vragen op. Er werd geen reguleringsimpactanalyse voorzien die de doelen, opties en implicaties van het voorstel en de resultaten van het maatschappelijk overleg overzichtelijk in beeld brengt. Het is niet altijd duidelijk in welke mate Vlaanderen gebruik maakt van de vrijheidsgraden die de Europese richtlijnen voorzien. Het door de Stroomgroep Flexibiliteit gevraagde advies met een analyse van opties en hun implicaties4 werd niet aan het adviesdossier toegevoegd. Ook verduidelijkt de memorie van toelichting (of een ander document) niet in welke mate het ontwerp rekening houdt met eerder gemaakte bemerkingen en aanbevelingen van stakeholders, o.a. in de Stroomgroep Flexibiliteit5 of van deelnemers aan de consultatie van de VREG. De verslagen van het overleg met de Stroomgroep en andere stakeholders over ontwerpversies van het decreet

3

Dit gebeurt in de nota aan de VR wel voor deze twee opties: - de mogelijke grensoverschrijdende deelname voor energiegemeenschappen van burgers, - de mogelijkheid voor energiegemeenschappen van burgers om distributienetten te bezitten.

4

Stroomgroep Flexibiliteit

5

De Stroomgroep Flexibiliteit maakte reeds aanbevelingen, en het zou wel de bedoeling zijn om terug te koppelen met de Stroomgroep Flexibiliteit maar met betrekking tot het voorliggend voorontwerp gebeurde dit (nog) niet.

8


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

zijn niet beschikbaar. Verder bevat het dossier nauwelijks informatie over lessen uit proefprojecten en ervaringen in andere landen. Figuur 1: Het voorliggend decretaal kader en bijhorend dossier laten veel onduidelijkheden. Een selectie. Op basis van het voorliggend dossier kan niet opgemaakt worden in welke mate het voorontwerp de ontwikkeling van lokale energiegemeenschappen en hernieuwbare energie en flexibiliteit in de praktijk zal vergemakkelijken en welke obstakels voor flexibiliteit en energiegemeenschappen precies worden weggenomen. Het blijft o.a. onduidelijk: • hoe de commerciële flexibiliteitsmarkt precies zal werken en hoe technische flexibiliteit precies geregeld en gecompenseerd zal worden, • hoe de investeringsplanprocessen precies vorm zullen krijgen om de afweging tussen netinvesteringen en flexibiliteit te kunnen maken, • in welke mate burgers, bedrijven, bedrijvenzones, gemeenschappen, organisaties, lokale besturen, etc. effectief gefaciliteerd zullen worden om een actieve(re) rol op te nemen in het energiesysteem en bv. in welke mate KMO’s uit verschillende sectoren of burgers die energie willen uitwisselen dit ook effectief en gemakkelijker zullen kunnen doen, • in welke mate het kader de oprichting van micro-grids zal vergemakkelijken, • op welke manier zelfverbruik van hernieuwbare energie door kwetsbare huishoudens en huurders vergemakkelijkt wordt, • hoe de financierings- en regelgevingsbelemmeringen aangepakt (zullen) worden, • op welke manier gegarandeerd zal worden dat iedereen, incl. de deelnemers aan de energiegemeenschappen, een faire bijdrage aan de openbare dienstverplichtingen en aan het onderhoud van de netten zullen leveren. • …

3

Aandachtspunten bij het decretaal kader

Aansluiten bij EU-kader en gaandeweg leren is een pragmatische strategie. Het voorliggend decretaal kader sluit overwegend nauw aan bij de letter en de geest van de richtlijnen. Dat is volgens de SERV en de Minaraad een goede zaak, zeker als dit de complexiteit van het kader kan beperken en ruimte en mogelijkheden biedt voor experimenten. Nauw aansluiten bij de richtlijnen en gaandeweg aanvullen naarmate er geëxperimenteerd, overlegd en onderzocht wordt, is een pragmatische strategie. Die is begrijpelijk, ook omdat een uitgewerkte Vlaamse visie over flexibiliteit en energiegemeenschappen nog ontbreekt, omdat de ervaringen in het buitenland nog beperkt zijn en omdat de omzetting van de elektriciteitsrichtlijn dringend is. De trial-and-error-strategie laat ook toe te leren uit en af te stemmen met de strategieën die de andere gewesten en andere landen nu uitrollen. Zorg met een brede evaluatiebepaling voor een degelijke, open leerstrategie. Om te garanderen dat deze pragmatische aanpak degelijk vorm krijgt, vragen de SERV en de Minaraad om een evaluatiebepaling op te nemen in het decreet. Zo’n evaluatiebepaling helpt ervoor te zorgen dat het decretaal kader inclusief de uitwerking ervan in besluiten, reglementen, afspraken, … én in de praktijk periodiek en minstens over 2 jaar (dus zeker eind 2022, begin 2023) geëvalueerd worden, dat stakeholders hierbij betrokken worden, dat de adviesraden geconsulteerd worden en dat hierover in een evaluatierapport transparant gecommuniceerd wordt. Een strikte timing moet zorgen voor voldoende vaart bij de nadere invulling en concretisering van het kader. De politieke en parlementaire bespreking van zo’n evaluatierapport laat toe om aldus de algehele visie rond flexibiliteit en energiegemeenschappen gaandeweg vorm te geven en waar nodig bij te sturen. Inhoudelijk moet de evaluatie ook toetsen in welke mate het decretaal kader en de invulling ervan op het terrein zorgt voor een flexibeler gebruik van het bestaande net en bekijken in welke mate via regelluwe zones en 9


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

experimenten de mogelijkheden en knelpunten inzake microgrids verkend kunnen worden mits aandacht voor de noodzakelijke randvoorwaarden, zoals garanties voor solidariteit inzake financiering, het vermijden van wildgroei van netten, …, er op toezien dat het decretaal kader en de invulling ervan inzake energiegemeenschappen leiden tot voldoende burgerparticipatie (cf. infra), nagaan in welke mate het kader experimenten mogelijk maakt en nieuwe én bestaande gemeenschappen voor energiedoelen activeert, de temperatuur meten van de bredere ontwikkeling van flexibiliteit en energiegemeenschappen in Vlaanderen, eventuele mijlpalen terzake evenals de ecologische, economische en sociale toegevoegde waarde van energiegemeenschappen en de toegevoegde waarde van flexibiliteit voor het energiesysteem onderzoeken, (resterende) hinderpalen inventariseren en mogelijke remediëringsopties verkennen en de bijdrage aan de energietransitie in kaart brengen. De gevraagde evaluatiebepaling moet dus breed geformuleerd worden, veel breder dan de beperkte onderzoeksbepalingen die nu reeds in het voorontwerp van decreet en het dossier vervat zitten6. Een pluim voor de positieve elementen en keuzes. De SERV en de Minaraad stellen vast dat dit ontwerp van decreet reeds een aantal positieve elementen en keuzes bevat. Zo waarderen de SERV en de Minaraad de ruime benadering in het decreet en de evenwichten die werden gezocht tussen de belangen van diverse actoren, zowel marktspelers als distributienetbeheerders. Zo is het positief dat het voorontwerp van decreet: toelaat dat energiegemeenschappen ook warmte (en niet enkel elektriciteit, zoals bepaald in de richtlijn) kunnen uitwisselen. Ook de Stroomgroep Flexibiliteit had het belang benadrukt van de link tussen verschillende energievectoren en sectoren (sector-koppeling), waaronder de link met warmtenetten. Dat betekent dat ook sectoren zoals de glastuinbouw kunnen deelnemen aan lokale warmtenetten (als afnemer en/of als leverancier van warmte). flexibiliteit ruim benadert en niet louter ‘vraagrespons’ (flexibiliteit op verbruik en afname) omvat zoals voorzien in de Vierde Elektriciteitsrichtlijn, maar ook flexibele productie, injectie en elektriciteitsopslag. een marktgebaseerd kader voor flexibiliteit voorziet met de definitie van een aantal duidelijke rollen (dienstverlener, deelnemer, aanvrager,…), hetgeen opportuniteiten biedt voor diverse actoren en lokale initiatieven die door concurrentie kunnen zorgen voor de meest kostenefficiënte oplossing. een faciliterende functie toevertrouwt aan Fluvius en tegelijk vermijdt dat de distributienetbeheerder de markt zou verstoren via directe deelname aan de flexibiliteit via energieopslaginfrastructuur.

6

Zo voorziet art. 58 §4 dat aan de VREG gevraagd wordt om via een kosten-batenanalyse te onderzoeken in welke mate energiegemeenschappen het distributienet kunnen ontlasten en om de relevante vergoedingen en kortingen te onderzoeken die desgevallend voorzien kunnen worden voor de energiegemeenschappen. Ook voorzien de nota aan de Vlaamse regering en de memorie (op blz. 14, resp. blz. 12) in 2023 een evaluatie omtrent de mogelijkheid voor (gewest)grensoverschrijdende samenwerkingen tussen afnemers van energiegemeenschappen. Dit gebeurt best met een voorafgaande, tijdige aftoetsing met de andere Belgische entiteiten (zoals voorzien via ENOVER), maar idealiter ook met de buurlanden.

10


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Stem bepalingen rond energiegemeenschappen maximaal af. De decretale bepalingen rond hernieuwbare energiegemeenschappen en energiegemeenschappen voor burgers worden best zoveel mogelijk op elkaar afgestemd, ook al omdat ze deels kunnen overlappen. In dat kader lijkt het aangewezen om te onderzoeken of de EU-regelgeving toelaat7 dat middelgrote ondernemingen ook in energiegemeenschappen voor burgers kunnen deelnemen, zoals KMO´s in een hernieuwbare energiegemeenschap, temeer omdat de Europese definitie van (middel)grote ondernemingen veel ruimer is dan in Vlaanderen. Het decreet voorziet nu voor energiegemeenschappen voor burgers dat alleen kleine ondernemingen zeggenschap kunnen hebben. In de geest van de Europese richtlijn moet bovendien bij de nadere invulling van energiegemeenschappen aandacht zijn voor voldoende burgerparticipatie (cf. infra). Ook lijkt het aangewezen om bij de (decreets)bepalingen omtrent eigendom(s- en gebruiksrechten) van energiegemeenschappen eerder te verwijzen naar de betrokken ‘installaties’ in plaats van naar (alle) ‘activa’ (art. 55 en 56 van het voorontwerp). Motiveer gemaakte keuzes. De raden vragen om de cruciale keuzes in het voorontwerp van decreet nader toe te lichten en te motiveren. De memorie van toelichting is hierover veelal zeer summier. Zo is het bijvoorbeeld niet duidelijk waarom art. 31 de mogelijkheid voor netbeheerders om netgebruikers te verplichten tot technische flexibiliteit anders omschrijft als het gaat over gereserveerde technische flexibiliteit (‘verplichten om deel te nemen aan technische flexibiliteit’) die vergoed zou worden dan wel over nietgereserveerde technische flexibiliteit (‘de modulatie van productie-installaties verplichten via telecontrole’) waar niet altijd een marktconforme vergoeding tegenover zou staan (art. 31) (cf. Figuur 2). Figuur 2: Soorten flexibiliteit8 (aangekochte/commerciële) flexibiliteit technische flexibiliteit

Netbeheerder koopt flexibiliteit aan op lokale flexibiliteitsmarkt. Via een dienstverlener. Netbeheerder verplicht actor tot flexibiliteit bij marktfalen (te weinig aanbod, te hoge prijs). Met of zonder dienstverlener.

Verplicht? Neen

Vergoeding? Ja, via marktwerking

•

gereserveerd

Ingeval van buitengewone omstandigheden9 die netbeheerder voldoende op voorhand kan inschatten Voor (diverse vormen van) flexibiliteit

Ja

Ja, kostenreflectieve compensatie

•

niet-gereserveerd

Ingeval van onvoorziene uitzonderlijke netuitbatingsomstandigheden zoals bv. een noodsituatie of overmacht Enkel voor de modulatie van productie-installaties via telecontrole

Ja

Al dan niet kostenreflectieve compensatie, kan in bepaalde situaties

Zorg voor technisch nazicht. De teksten worden best nauwgezet herlezen om onjuiste of inconsistente formuleringen te vermijden. Zo wordt in art. 31 gesproken over ‘buitengewone omstandigheden’ (bij gereserveerde technische flexibiliteit) en over ‘uitzonderlijke netuitbatingsomstandigheden’ bij niet-gereserveerde technische flexibiliteit, art. 31)10. Ook kloppen de formuleringen in de memorie niet altijd.

11


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

4

Aandachtspunten bij uitwerking

Zorg voor een goede invulling en uitwerking. De SERV en de Minaraad begrijpen dat dit ontwerp van decreet slechts een eerste stap is die nadere invulling vergt in het Energiebesluit, technische reglementen, specificaties, afsprakenkaders, e.d. De bepalingen in het flexibiliteitsdecreet zijn (begrijpelijk) vaak nog vaag en laten nog ruimte voor nadere keuzes en verfijning. Dat biedt ook mogelijkheden voor experimenten. Evenwel pas na de nadere invulling die vermoedelijk nog enige tijd in beslag zal nemen, zal het decretaal kader echt substantiële impact kunnen hebben op het terrein. De spoedige nadere invulling in het ‘enabling framework’ is cruciaal en zal bepalen in welke mate er inderdaad samen aan een flexibeler en duurzamer energiesysteem gewerkt kan worden. Om een goede invulling te verzekeren, vragen de raden hieronder dat de Vlaamse regering een goede procesaanpak volgt bij de invulling, de regulator die bij de invulling een cruciale rol zal vervullen, voldoende uitgerust worden voor de nieuwe taken, de financiering fair en de vergoedingen marktconform geregeld worden, er voldoende aandacht gaat naar burgerparticipatie, kwetsbare groepen en lokale besturen, samen met de invulling van dit kader enkele aanverwante discussies uitgeklaard worden. Maak een procesplan voor de invulling van het beleidskader. De SERV en de Minaraad vragen om het proces voor de nadere invulling van het beleidskader rond flexibiliteit en energiegemeenschappen uit te tekenen, zodat de aanpak en de timing voor alle stakeholders duidelijk zijn. Zo’n procesplan kan de degelijke implementatie verzekeren en bespoedigen. Dat procesplan moet zeker voorzien in een goed georganiseerde betrokkenheid van stakeholders, op zijn minst via de Stroomgroep Flexibiliteit of een vergelijkbaar forum. Bij de voorbereiding van het decretaal kader werden o.a. via de betrokkenheid van de Stroomgroep Flexibiliteit beperkte snelle consultaties voorzien, maar die zijn nog voor verbetering vatbaar, bv. door te zorgen voor meer transparantie en een bredere betrokkenheid, door daadwerkelijk overleg te organiseren, door de te maken keuzes en hun implicaties duidelijker op te lijsten en te

7

De EU-regelgeving stelt voor een energiegemeenschap van burgers dat natuurlijke personen, lokale overheden of kleine ondernemingen die niet betrokken zijn bij grootschalige commerciële activiteiten en voor wie de energiesector niet de belangrijkste economische activiteit vormt, zeggenschap hebben over de activiteiten van de energiegemeenschap van burgers waarvan zij vennoot of lid zijn. Leden of vennoten van de hernieuwbare energiegemeenschap kunnen volgens EU-regelgeving ‘natuurlijke personen, lokale overheden of kleine en middelgrote ondernemingen zijn waarvan de deelname aan de energiegemeenschap niet de belangrijkste commerciële of professionele activiteit vormt en die zich bevinden in nabijheid van de hernieuwbareenergieprojecten van de hernieuwbare energiegemeenschap’.

8

Voorwaarden en modaliteiten nader te bepalen door VREG/Vlaamse regering.

9

MvT, Blz. 48-49: “Onder buitengewone omstandigheden wordt verstaan dat een redelijke en kosteneffectieve netinvestering niet mogelijk is, in combinatie met één van de volgende situaties: 1 de aankoop van flexibiliteit is economisch niet efficiënt; 2° de aankoop van flexibiliteit leidt tot ernstige marktverstoringen; 3° de aankoop van flexibiliteit leidt tot meer lokale congestie binnen het dekkingsgebied van de netbeheerder.” Het lijkt in de memorie evenwel louter de bedoeling een onderscheid te maken tussen voorziene en onvoorziene omstandigheden, waarbij het onderscheid tussen buitengewoon en uitzonderlijk of tussen omstandigheden en netuitbatingsomstandigheden niet nader wordt toegelicht.

10

12


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

duiden, door te zorgen voor een duidelijke afstemming en scope-afbakening van de diverse initiatieven door de administratie/kabinet, VREG en VITO en door feedback te geven op de geleverde input bv. via consultatieverslagen. adviesvragen aan de adviesraden over de uitvoeringsbesluiten bij het decreet. Deze adviesvragen zijn noodzakelijk omdat de uitvoeringsbesluiten van strategisch belang zijn, temeer omdat het kader in het voorontwerp van decreet vaag en onvolledig is en gezien de besluiten bepalend zijn voor de effecten op het terrein (cf. supra). transparantie over de onderbouwende informatie door bv. onderbouwende studies en een reguleringsimpactanalyse ter beschikking te stellen. Zorg voor een regulator die voldoende uitgerust is voor de nieuwe taken. Omdat het decretaal kader een grote rol voorziet voor de VREG bij de invulling, uitwerking en opvolging van het decretaal kader11, vragen de SERV en de Minaraad om werk te maken van een regulator die voldoende uitgerust is om die nieuwe taken inzake flexibiliteit en energiegemeenschappen goed en onafhankelijk in de praktijk te brengen12. De regulator moet immers de nodige checks and balances helpen verzekeren. Ook rijzen in dit verband vragen omtrent de mate waarin bepaalde keuzes het beste in een besluit van de Vlaamse regering worden gemaakt, dan wel door de regulator worden vastgelegd, zoals bv. de keuzes van de drempels die bepalen of flexibiliteit kostenefficiënt is en die dus de ruimte voor de commerciële flexibiliteit in zeer grote mate afbakenen. de manier waarop de VREG bij meldingsplicht van (hernieuwbare) energiegemeenschappen actief zal controleren of aan de voorwaarden en verplichtingen voldaan wordt en ook de manier waarop betrokken actoren bij meldingsplicht kunnen aftoetsen of aan voorwaarden en verplichtingen voldaan is (met het oog op de nodige rechtszekerheid). In ieder geval moeten de administratieve verplichtingen beperkt worden en mogen de doorlooptijden van projecten niet nodeloos verlengd worden. Er moet werk gemaakt worden van een meer integraal georganiseerde regulering13. Het voorontwerp bepaalt immers dat netbeheerders hun activiteiten (verder) mogen uitbreiden naar andere netten dan elektriciteits- en gasnetten (art. 20) en dat de regulator de netbeheerders moet controleren op kruissubsidiëring (art. 4) om zo marktverstoring te vermijden. Verder moet de regulator als onderdeel van de opvolging van de netontwikkeling ook werk kunnen maken van de integratie met planningsprocessen van andere infrastructuurvoorzieningen.

11

Zo moet de VREG o.a. een methodologie uitwerken voor de afwegingen tussen investeringen en flexibiliteit, regels vast leggen omtrent energieoverdracht, de kaders goedkeuren die de netbeheerders moeten uitwerken inzake de aankoop van flexibiliteitsdiensten, evenals de regels inzake gereserveerde en niet-gereserveerde technische flexibiliteit, de specificaties voor deelname aan de federale flexibiliteit, zorgen voor geschillenbeslechting, …

12

Zie ook SERV, Elementen voor een gesublimeerd klimaat- en energiebeleid. 24 juni 2019.

13

SERV, Elementen voor een gesublimeerd klimaat- en energiebeleid. 24 juni 2019.

13


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

Garandeer faire financiering en marktconforme vergoedingen. Dat geldt voor de financiering van het energiesysteem in brede zin (de infrastructuur, de openbare dienstverplichtingen, de kosten van het energiebeleid, de kosten van flexibiliteit, etc.) en voor de vergoedingen die worden voorzien. Cruciaal hiervoor is dat het uit te werken kader iedereen laat bijdragen aan de kosten van het energiesysteem. Dit vergt een uitgeklaarde discussie en een afgestemde visie over toekomstige openbare dienstverplichtingen, tariefmethodologieën en financiering van netten en energie- en klimaatbeleid, die ook om andere redenen dan louter de integratie van flexibiliteit en energiegemeenschappen ter discussie staan (cf. infra). Het gaat dan bv. over de vraag wat best via welke weg gefinancierd wordt met welke sturingsdoelstelling, over hoe het een en ander getarifieerd wordt, over de verhouding tussen financiering via de elektriciteitsfactuur versus andere energiefacturen, over de financiering van netbeheerders, over het vermijden en de afbouw van schulden bij netbeheerders, over de vergoeding van de netbeheerders via de tariefmethodologie en wijze waarop ook flexibiliteitsvergoedingen betaald door netbeheerders in de tariefmethodologie worden geïntegreerd, over de grote financieringsnoden als gevolg van de energie- en klimaatdoelen14, … In het bijzonder benadrukken de raden dat een correcte vergoeding nodig is voor alle types flexibiliteit. ervoor zorgt dat energiegemeenschappen, net als anderen, marktconform vergoed worden voor de flexibiliteit en netondersteunende diensten die ze leveren, maar dat burgers of bedrijven die niet wensen of kunnen deelnemen, niet benadeeld worden. ook voor andere diensten (bv. op sociaal, ecologisch gebied) vergoedingen aan energiegemeenschappen vanuit de begroting overweegt (cf. infra aanpak kwetsbare groepen). meer algemeen, samen met het flankerend beleid een afdoende rendabiliteit van de vereiste investeringen in het energiesysteem bewaakt en tegelijkertijd de kostenefficiëntie van het energiesysteem verzekert, waarbij ook de systeem-, organisatorische en transactiekosten beperkt worden. aandacht heeft voor de positie en risico’s van de ‘restleveranciers’, die klanten met commercieel weinig interessante profielen (moeten blijven) beleveren en alle taksen, heffingen, bijdragen e.d. voor het totale volume moeten blijven innen (met prefinanciering en groter risico op onbetaalde facturen). Evenwel betekent dit niet dat deze kosten dan gesocialiseerd moeten worden. Besteed extra aandacht aan burgerparticipatie, lokale besturen, kwetsbare groepen, samenhang, … De uitwerking van het decretaal kader moet daarvoor burgerparticipatie voldoende centraal stellen in de energiegemeenschappen. De concepten uit de richtlijnen leggen de nadruk op de participatie en het versterken van burgers, huishoudens, kleine -en middelgrote ondernemingen en lokale autoriteiten in de energiemarkt. Een energiegemeenschap moet dan ook openstaan voor het open en vrijwillig lidmaatschap van deze partijen. Het is daarom wenselijk dat er voldoende mogelijkheden zijn (o.a. via flankerend beleid) voor elk van deze partijen, maar in het bijzonder voor burgers, om lid te worden van een hernieuwbare energiegemeenschap of een energiegemeenschap van burgers. Die burgerparticipatie kan gestimuleerd worden en vorm krijgen o.a. via

14

SERV, Elementen voor een gesublimeerd klimaat- en energiebeleid. 24 juni 2019.

14


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

eigenaarschap, medezeggenschap, derdepartijfinanciering, democratische besluitvorming, vastgelegde engagementen in de statuten, etc. De gevraagde periodieke evaluatie moet dit ook opvolgen en eventuele hindernissen voor rechtstreekse burgerparticipatie in energiegemeenschappen in kaart brengen. aandacht hebben voor de positie en participatie van kwetsbare groepen. In dat kader moet o.m. bekeken worden hoe de verschillende overheden via flankerend beleid de participatie van kwetsbare groepen kunnen stimuleren zonder de marktwerking aan te tasten en hoe kwetsbare groepen hierbij best benaderd worden. Ook moet steeds rekening worden gehouden met de rechten en plichten van alle deelnemers aan een energiegemeenschap, en specifiek die van welbepaalde doelgroepen, o.a. door de vrijwaring van de rechten van beschermde klanten. Aangezien alle leden of vennoten in principe steeds een overeenkomst sluiten met de energiegemeenschap, zou de Vlaamse Regering de minimale inhoud van een dergelijke overeenkomst moeten bepalen. In dat perspectief kunnen modelcontracten zinvol zijn. Tot slot is oog nodig voor de aanvaardbaarheid van nieuwe processen en technologieën bij diverse types consumenten. een rol voorzien voor lokale besturen, aangezien ze vaak goed geplaatst kunnen zijn om een vooraanstaande regisseursrol op te nemen bij energiegemeenschappen. Ook bieden de gebouwen van lokale besturen opportuniteiten om een substantiële bijdrage te leveren aan de energietransitie. de samenhang bewaken met het overig beleid (bv. inzake vergunningen, premies, ontzorging, …) en met de flexibiliteitsbepalingen en -regelingen van andere beleidsniveaus (o.a. federale en Europese kaders15 en de operationalisering van federale flexibiliteitsregeling door Elia). Verduidelijk zo snel mogelijk, zeker de essentiële aspecten. De SERV en de Minaraad vragen om snel o.a. onderstaande aspecten en vragen te verduidelijken. Daarbij moet steeds het evenwicht gevonden worden tussen de nood aan duidelijkheid enerzijds en ruimte voor innovatie en maatwerk anderzijds. Hoe wordt de terechte voorkeur voor commerciële flexibiliteit in de praktijk gebracht? Hoe wordt de commerciële flexibiliteitsmarkt gestimuleerd en geoperationaliseerd en lokale marktwerking gegarandeerd? Hoe wordt flexibiliteit afgebakend en gekwantificeerd? Hoe wordt ervoor gezorgd dat verplichte technische flexibiliteit ook de komende jaren een uitzondering blijft en het ontstaan van commerciële flexibiliteitsinitiatieven en -markten niet hindert? Welke criteria en eventuele procedures zullen het onderscheid maken tussen commerciële en technische flexibiliteit en tussen gereserveerde en niet-gereserveerde technische flexibiliteit? Hoe wordt de verplichte technische flexibiliteit afdoende vergoed? Hoe wordt het concept ‘technische of geografische nabijheid’ dat de deelname aan een hernieuwbare energiegemeenschap bepaalt, ingevuld? Wordt dit ruim ingevuld zodat bv. ook coöperatieven of groepen van mensen die het Vlaamse grondgebied beslaan en die focussen op één of meerdere activiteiten hieronder vallen (zoals bv. energiecoöperaties, verenigingen van personeelsleden van een bedrijf of andere organisaties die afkomstig kunnen zijn uit verschillende gemeenten en provincies)?

15

O.a. ook anticipeert op de European Strategy on Energy System Integration

15


Kader en kansen voor flexibiliteit en energiegemeenschappen

In welke mate kan experimenteerruimte gebruikt worden voor grensoverschrijdende en/of spanningsniveau-overschrijdende energiegemeenschappen? In welke mate kunnen opportuniteiten in dat verband al benut worden, in afwachting van de aangekondigde evaluatie omtrent de mogelijkheid om grensoverschrijdende energiegemeenschappen te introduceren? Welke initiatieven laten toe om terzake snel de nodige ervaring op te doen, te leren en problemen te verhelpen, zodat hierrond later sneller geschakeld kan worden? Welke objectieve criteria en indicatoren zal de VREG hanteren om te beoordelen of de ingediende investeringsplannen van de netbeheerders voldoende transparant zijn over hoe ze op korte en lange termijn zullen omgaan met nieuwe ontwikkelingen (zoals meer hernieuwbare energie en elektrificatie van transport en gebouwen) en of deze investeringsplannen voldoende transparant en toereikend zijn dan wel of ze moeten worden bijgestuurd? Hoe worden flexibiliteitsnoden in en via de investeringsplannen geïnventariseerd en gecommuniceerd en welk tijdsperspectief wordt hierbij gehanteerd? Hoe worden kip-en-ei-problemen vermeden wanneer marktactoren enerzijds flexibiliteitsnoden niet (tijdig) kennen of bij gebrek aan schaal of perspectief die niet tijdig of kostenefficiënt kunnen invullen en netbeheerders anderzijds die noden zelf invullen bij gebrek aan voldoende tijdig en kostenefficiënt flexibiliteitsaanbod? Hoe worden databeheer en datastromen nader gereguleerd en hoe verloopt de integratie met een Vlaamse open energiedataplatform? Blus smeulende nevendiscussies professioneel. De SERV en de Minaraad vragen de Vlaamse regering om snel de visie rond flexibiliteit in het bredere energiesysteem te verduidelijken in een visienota. Deze visie valt immers niet (direct) af te leiden uit het decretaal kader. De eerder geformuleerde energievisie16 verdient terzake verfijning en aanvulling. Daarnaast is snel opheldering nodig rond enkele aanverwante discussies. Het voorliggend dossier heeft immers raakvlakken met vele (nog deels) onuitgeklaarde discussies bv. inzake: de globale lange termijnvisie op het energiesysteem, ook in relatie tot keuzes in mobiliteit, gebouwenverwarming, industrieel energieverbruik, etc. Deze visie is namelijk bepalend voor de rol van flexibiliteit en energiegemeenschappen. De vraag is hoe energiegemeenschappen en lokale besturen in de dialoog en in een constructieve samenwerking bij een betere visievorming en netbeheer betrokken kunnen worden. Verder moeten de ervaringen van energiegemeenschappen en lokale besturen gecapteerd worden om de visie op de energiesystemen bij te stellen. de aard en de reikwijdte van noodzakelijke investeringen in netinfrastructuur en de tradeoffs tussen flexibiliteit, netinvesteringen en energie-efficiëntie …. Het is onduidelijk hoe en met welk tijdsperspectief afwegingen in dit kader zullen gebeuren en hoe de integratie met planningsprocessen van andere infrastructuur wordt gerealiseerd (cf. supra). de taken van de regulatoren en de netbeheerders (het zogenaamde kerntakendebat), de financiering van het energiesysteem (cf. supra), het databeheer, etc.

16

Nota van de Vlaamse Regering ingediend door viceminister-president Bart Tommelein over de Vlaamse energievisie (Vlaamse regering), 22 mei 2017.

16


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Advies_energiegemeenschappen.pdf by Vlaanderen-be - Issuu