Habitatmapping Zeeschelde slik Habitatkarakteristieken van bodemdieren en garnaalachtigen & slikecotopen Zeeschelde 2.0 Alexander Van Braeckel, Joost Vanoverbeke, Frank Van de Meutter, Liesbeth De Neve, Jan Soors, Jeroen Speybroeck, Gunther Van Ryckegem, Erika Van den Bergh
Auteurs: Alexander Van Braeckel , Joost Vanoverbeke , Frank Van de Meutter , Liesbeth De Neve , Jan Soors , Jeroen Speybroeck , Gunther Van Ryckegem , Erika Van den Bergh Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: VNSC Beheer en Beleid Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel vlaanderen.be/inbo e-mail: Frank.Vandemeutter@inbo.be, alexander.vanbraeckel@inbo.be Wijze van citeren: Van Braeckel A, Vanoverbeke, J, Van de Meutter F, De Neve L, Soors J, Speybroeck J, Van Ryckegem G, Van den Bergh E (2020). Habitatmapping Zeeschelde slik: habitatkarakteristieken van bodemdieren en garnaalachtigen & slikecotopen Zeeschelde 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (31). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18643770 D/2021/3241/365 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (31) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Slik in de oligohaliene zone voor het schor van de Notelaer (Yves Adams - Vildaphoto) Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: Maritieme Toegang, Thonetlaan 102 bus 2, 2050 Antwerpen
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding‐GelijkDelen 4.0 Internationaal‐licentie.
HABITATMAPPING ZEESCHELDE SLIK Habitatkarakteristieken van bodemdieren en garnaalachtigen & slikecotopen Zeeschelde 2.0. Alexander Van Braeckel, Joost Vanoverbeke, Frank Van de Meutter, Liesbeth De Neve, Jan Soors, Jeroen Speybroeck, Gunther Van Ryckegem & Erika Van den Bergh
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Dankwoord/Voorwoord Het Habitatmapping onderzoeksproject werd uitgevoerd met de financiële steun van MOWMaritime Toegang (MOW-MT). Specifiek willen we Frederik Roose bedanken voor de aangename samenwerking. Speciale dank gaat uit naar de superdataverzamelaars en laboratoriumverwerkers van ons INBO-Team Estuaria voor het benthoswerk dat is uitgevoerd door Dimitri Buerms, Olja Bezdenjesnji, Joram De Beukelaer, Nico De Regge, Jan Soors, Thomas Terrie en Pieter Dhalluin. Een laatste woord is voor Ruben Elsen, die ook aan dit rapport weer onmisbare ondersteuning bood, en die voor altijd in onze gedachten blijft.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Samenvatting Van macrobenthos naar Ecotopen Zeeschelde 2.0 Slikken, de intertidale onbegroeide delen van een estuarium, vormen een cruciale habitat in de Zeeschelde die van groot belang is voor broedende, doortrekkende en overwinterende watervogels, het hyperbenthos en opgroeiende vis. De indeling van slikken in verschillende slikecotopen vormt een belangrijk instrument om de evolutie van slikken en de kwaliteit van de slikhabitat in de Zeeschelde op te volgen. De tot nu gehanteerde klassegrenzen om de verschillende slikecotopen te onderscheiden zijn overgenomen uit het Nederlandse Zoute Wateren Ecotopenstelsel (ZES.1), maar werden niet gevalideerd voor de Zeeschelde. In dit rapport gebeurt deze validatie, zoals gebruikelijk is, op basis van het macrobenthos, een kenmerkende gemeenschap diertjes die in het slik leven. We deden dit omdat macrobenthos een sleutelpositie inneemt in de ecologie van het estuarium, in het bijzonder van slikken, als voedsel voor watervogels, hyperbenthos en vis. De testdataset werd verzameld in specifieke focusgebieden, gespreid over de Zeeschelde en met sterk verschillende slikken en maximale verschillen in omgevingsfactoren. Deze studie is opgebouwd uit drie stappen: • •
•
In een eerste stap onderzochten we welke omgevingsvariabelen goed de verspreiding van het benthos kunnen verklaren. Voor de best verklarende omgevingsvariabelen gingen we vervolgens op zoek naar grenswaarden waarbij de benthosgemeenschap aan beide helften van de omgevingsgradiënt maximaal verschilt. Hiervoor gebruikten we een specifieke splitsingstechniek die eerder ook in Habitatmapping Subtidaal werd toegepast (Van Braeckel et al. 2018). In een derde stap werden deze grenzen gevalideerd aan de hand van een controledataset: de verzamelde benthosgemeenschap van de jaarlijkse gerandomiseerde monitoring in de Zeeschelde in de periode 2008-2016.
In de verkennende analyses bleek een belangrijke hoeveelheid data ruis te veroorzaken in de bestudeerde relaties tussen benthos en omgevingsvariabelen. Het betrof zeer lage aantallen benthos bemonsterd in slik op breuksteen en op natuurlijk hard substraat, en zeer variabele aantallen benthos op de hoogste slikken in de supralitorale zone. Deze habitats hebben een dermate afwijkende benthosgemeenschap dat ze in deze fase al werden afgesplitst. De belangrijkste verklarende variabelen van de biomassa, de densiteiten en de soortensamenstelling van benthosgemeenschappen in de overblijvende slikken zijn de saliniteitszone en de hoogte ten opzichte van laagwater. Verder hebben de maximale stroomsnelheid, de fractie organisch materiaal in het slik en de slikhelling een wisselende invloed, afhankelijk van saliniteitszone en van de beschouwde benthosparameter. In de Zeeschelde komen verschillende benthosgemeenschappen voor in de brakke zone en de zoete zone (som van oligohalien, zoet met lange en zoet met korte verblijftijd). De gemeenschappen bestaan uit andere soorten en ze gedragen zich ook anders, wat tot een verschillende verspreiding van benthos op het slik leidt. In de brakke zone vinden we vooral crustaceeën, borstelwormen (Polychaeta) en tweekleppigen. In de zoete zone bestaat het grootste deel van het benthos uit borstelarme wormen (Oligochaeta). De benthosdensiteit en -biomassa nemen er met een factor tien toe van onderaan naar bovenaan het slik. In de brakke zone is er geen toename meer in de bovenste helft van het slik, zelfs een lichte afname. In de onderste helft van de brakke slikken vinden we andere soorten dan bovenaan. Een groep met Corophium volutator, Cyathura carinata en Hediste diversicolor bevindt zich hoofdzakelijk hoger op de
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 3 van 157
slikken. Een groep met hoofdzakelijk Tubificoides heterochaetus en Streblospio benedicti bevindt zich eerder laag tot middelhoog op het slik. Indien we een verband vonden met slikhelling was dit verband kwadratisch – densiteiten en biomassa’s waren laag zowel bij zeer vlakke als bij zeer steile hellingen. De lage densiteiten bij vlakke hellingen is wellicht te wijten aan het feit dat we vlakke slikdelen vooral onderaan de voet van de slikhelling vinden, waar altijd weinig benthos zit. De fractie organisch materiaal in het sediment was slechts lokaal in de oligohaliene zone positief gerelateerd met benthos. In de andere zones was er geen verband of zelfs eerder een tendens naar een negatieve correlatie. We vermoeden dat dit organisch materiaal voor een groot deel uit refractair organisch materiaal bestaat, wat geen of een slechte voedingsbron is voor het beschouwde benthos. De maximale stroomsnelheid had slechts in een klein deel van de analyses een effect en dit effect verschilde tussen de saliniteitszones. In de zoete zone zat er meer benthos bij lage maximale stroomsnelheden, in de brakke zone zat er net meer benthos bij hogere stroomsnelheden. De zoektocht naar grenswaarden om ecotopen af te bakenen gebeurde voor de brakke en zoete zone (inclusief oligohalien) apart, omwille van het verschil in benthossoorten en vooral het verschillend ruimtelijk voorkomen. Data van op breuksteen en supralitoraal stalen werden ook in deze fase weggelaten. De variabele hoogte boven laagwater werd vervangen door de meer pragmatische variabele droogvalduur (DD). Voor de brakke zone vonden we voor densiteiten en biomassa van benthos een grenswaarde bij 25% DD, met lage waarden onder en grotere waarden boven deze grens. Omdat we ook met soortensamenstelling rekening houden werd de analyse ook apart gedaan voor de kenmerkende benthosgemeenschappen van enerzijds de hoge en anderzijds de lage slikken. Hieruit volgde een ondergrens rond 35% voor de “hoge” gemeenschap en een bovengrens rond de 60% voor de “lage” gemeenschap. We combineerden deze grenzen tot een slikopdeling in 3 zones (laag, middelhoog en hoog slik) met de grenzen op 25% en 60%. In de zoete zone vonden we een grenswaarde bij 35% voor densiteiten en op 60% voor biomassa. Het slik kan ook hier dus op basis van ruimtelijke patronen in het benthos opgedeeld worden in 3 zones. De grens tussen hoog en middelhoog slik ligt net als in de brakke zone bij 60% DD, de grens tussen middelhoog en laag slik ligt echter hoger bij 35% DD. In het zoete deel van het estuarium ontbreekt een benthosgemeenschap aangepast aan het lage slik wat wellicht de hogere grens verklaart. Deze studie geeft een door een ruime kennisbasis onderbouwd voorstel voor aanpassing van de ecotoopgrenzen voor litoraal in de Zeeschelde. We onderscheiden daarbij 8 ecotopen. Een eerste ecotoop betreft slik op breuksteen en natuurlijk hard substraat met zeer lage benthosdensiteiten en -biomassa in het slik. Een tweede, minder homogeen ecotoop is het supralitoraal slik boven de 85% hoogwaterpercentiel. Daarnaast vinden we in de brakke en de zoete zone telkens laag, middelhoog en hoog slik, met deels aparte grenzen voor het brakke en zoete deel (samen 6). De andere onderzochte variabelen (dynamiek, granulometrie en organische stof) worden voorlopig niet ingezet bij het definiëren van ecotoopgrenzen. Ruimtelijke analyse hyperbenthos, een eerste stap Hyperbenthos, vooral garnaalachtigen en jonge vissen, was lange tijd afwezig in het grootste deel van de Zeeschelde, maar sinds een tiental jaar wordt het aandeel van deze groep in het estuariene voedselweb steeds groter. Voor een aantal (commerciële) soorten is de Zeeschelde belangrijk als kraamkamer, en de intertidale gebieden spelen daarbij wellicht een belangrijke rol. Daarom verdient deze groep zeker ook aandacht bij de indeling van ecotopen en werd in deze studie gestart met onderzoek naar het ruimtegebruik van hyperbenthische organismen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Het contrast tussen vloed- en ebgedomineerde habitats is karakteristiek voor het bochtige binnen-estuarium van de Zeeschelde. In eerste instantie werd hyperbenthos bemonsterd in deze contrasterende habitats nabij de laagwaterlijn, in de contactzone tussen slik en water tijdens een zomercampagne (augustus 2013 en 2015). Op basis van saliniteit werden drie hyperbenthosgemeenschappen onderscheiden: een brakke, een zwak brakke en een zoete. De brakke gemeenschap wordt getypeerd door hoge aantallen aan steeloog-aasgarnalen (Mesopodopsis slabberi) die verder stroomopwaarts niet meer voorkomen. Ook vonden we meer grijze garnalen (Crangon crangon) dan in het oligohalien deel terwijl de langneus-steurgarnaal (Palaemon longirostris) beduidend minder voorkwam dan in de rest van de Zeeschelde. Ook epi/hyperbenthische juveniele vissen waren minder talrijk in het brakke deel dan verder stroomopwaarts. Het zoete deel (met lange én korte verblijftijd) onderscheidde zich van de oligohaliene zone door hogere aantallen langneussteurgarnalen en de afwezigheid van de grijze garnaal. Op plaatsen met lagere gemiddelde stroomsnelheid waren totale hyperbenthosdensiteiten hoger, maar stroomsnelheid hield geen verband met totale biomassa noch met soortspecifieke densiteit en biomassa. Vloeddominante ondiepwater- en slikplaten lijken belangrijker dan ebgedomineerde slikplaten voor bepaalde soorten en in specifieke periodes. De reden voor deze voorkeur is nog niet goed gekend, mogelijks functioneren ze als stapstenen in de opwaartse migratie. Voor de meeste taxa afzonderlijk was er geen verband tussen biomassa of aantallen en vloeddominantie, maar dit verband was er wel bij het totale aantal epi- en hyperbenthos. Soorten waarbij we wel een duidelijk verband vonden zijn de epibenthische grijze garnaal (Crangon crangon) en de veel voorkomende hyperbenthische brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer) die beduidend talrijker voorkwamen op meer vloedgedomineerde locaties. Verder leek organisch materiaal (mg/l), beschouwd als proxy voor voedseltoegankelijkheid, een positieve rol te spelen in het voorkomen en de biomassa van Mysida en Amphipoda. Moeilijker te verklaren was het verband tussen organisch materiaal en de biomassa van grijze garnalen, de vermoedelijke predator van Mysida en Amphipoda. Los van de seizoenale variatie en een expliciete link met het intertidaal vormt dit onderzoekstopic een allereerste input in de opmaak van een kaartlaag van ecologisch belangrijk gebieden voor hyper- en epibenthos in de Zeeschelde.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 5 van 157
Betekenis voor beheer en beleid Ecotopenkaarten vormen het uitgangspunt bij de evaluatie van het Schelde-estuarium voor het thema ‘diversiteit habitats’ en zijn de basis voor de ruimtelijke stratificatie van de jaarlijkse MONEOS macrobenthos bemonstering. Ecotopen worden ook ingezet voor de wetenschappelijke onderbouwing bij het maken van keuzes voor beheerscenario’s, onder andere voor sedimentbeheer en rivierkundige ingrepen. Zo kan bij de scenarioafwegingen beter rekening gehouden worden met potentiële impact op de ecologische functies van de verschillende habitats en kan er gericht voor gekozen worden om de impact op ecologisch waardevolle gebieden te minimaliseren. De essentie van een goed ecotopenstelsel is dat het ecotopen onderscheidt en de fysische grenzen ervan bepaalt in functie van het potentieel voorkomen van specifieke levensgemeenschappen. Deze grenzen moeten dus gebaseerd zijn op en getoetst worden aan de aanwezige levensgemeenschappen. In dit rapport wordt voor het eerst getracht om litorale (bij elk getij overspoelde) ecotopen en de contactzones naar het supralitoraal (niet bij elk getij overspoeld) in de Zeeschelde met gebiedseigen data te onderscheiden en te begrenzen. De tot nu gebruikte ecotopen en hun klassegrenzen voor rapportage over slikken (onbegroeide intertidale habitats) in de Zeeschelde (Tabel I-1) werden overgenomen uit het Nederlandse Zoute Wateren Ecotopenstelsel (ZES.1), maar een afstemming op de Zeeschelde moest nog gebeuren, wat de aanleiding is voor deze studie. In het ZES.1 systeem zijn saliniteitszone, droogvalduur en substraat de gebruikte determinanten en binnen elke saliniteitszone worden dezelfde onderscheidingscriteria gebruikt. In deze studie voor de Zeeschelde onderzochten we een groter aantal variabelen namelijk saliniteitzone, droogvalduur, substraat, stroomsnelheid, morfologie, granulometrie en organische stof in de bodem en hun invloed op de structuur van bodemdiergemeenschappen op de slikken. Als eerste aanzet om ook hyperbenthos te betrekken bij ecotoopbegrenzingen onderzochten we de invloed van fysische variabelen op het voorkomen van deze organismen in de contactzone naar het sublitoraal bij laagwater. Tabel I-1: Slikecotopen per saliniteitszone in de Zeeschelde versie 1.2
Laag slik LW30 tot< 25%DD Middelhoog slik 25% - 75%DD Hoog slik > 75%DD tot HW85 Supralitoraal > HW85
LW30-HW85
Litoraal
ZACHT SUBSTRAAT laag slik zacht substraat middelhoog slik zacht substraat hoog slik zacht substraat potentiële pionierszone
HARD SUBSTRAAT laag slik hard natuurlijk laag slik hard antropogeen middelhoog slik hard natuurlijk middelhoog slik hard antropogeen hoog slik hard natuurlijk hoog slik hard antropogeen supralitoraal hard antropogeen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
A. Slikecotopen Zeeschelde V2.0: Bodemdieren in de intertidale zone Saliniteitszone, droogvalduur en substraat blijven de belangrijkste ecotoopdeterminanten in het nieuwe voorgestelde slikecotopenstelsel. Ze worden echter op een andere manier ingezet om ecotopen te onderscheiden en te begrenzen. We onderscheiden de volgende ecotopen (Tabel I-2): Slik met harde ondergrond en/of een helling > 25%: In de Zeeschelde wordt een nog steeds toenemend aandeel van het intertidaal bedekt met breuksteen. Daarnaast zijn er oppervlaktes met natuurlijke harde substraten (bijvoorbeeld veenbodems). Als deze harde substraten met een laagje slik bedekt zijn krijg je suboptimaal slikecotoop voor bodemdieren, mogelijk doordat deze slikken periodiek verdwijnen als gevolg van de seizoenale slikdynamiek. Slikken met een harde ondergrond zijn dus weinig functioneel voor bodemdieren, ze vertonen nauwelijks relaties tot andere omgevingsvariabelen en huisvesten algemeen lage macrobenthosdensiteiten en -biomassa’s onder alle omstandigheden. Alles bijeen gaat het om een relatief groot aandeel van de estuariene habitatoppervlakte. Voor een juiste evaluatie van de intertidale ecologische functies van de Zeeschelde is het dus belangrijk om harde substraten goed te karteren en te begroten. Er bestaat een grote overlap tussen slikken op hard stubstraat en zeer steile slikken. Omdat deze habitats doorgaans ook redelijk steil zijn, wordt naast de geomorfkaart een bijkomend criterium van >25% helling gehanteerd om alle harde substraten op te sporen. Supralitorale slikken met zacht substraat, de zogenaamde potentiële pionierszones, zijn bij nader onderzoek niet één ecotoop maar een groep van ecotopen met uiteenlopende voorgeschiedenis en kenmerken: geërodeerd schor, gesedimenteerd hoog slik, schorinhammen of -kreken, delen van ontpolderingen in ontwikkeling. Ze hoorden niet tot de doelecotopen van deze studie (cfr bemonsteringstrategie grotendeels beperkt tot het intertidaal) zodat ons beeld ervan nog niet volledig is. De enkele stalen uit deze hoogtezone vertonen logischerwijze – omwille van de grote variatie in ontstaansgeschiedenis - een grote variabiliteit met betrekking tot macrobenthosgemeenschappen. Litorale slikken met zacht substraat vormen het hoofdonderwerp van deze studie. Op basis van de invloed van abiotische variabelen op bodemdiergemeenschappen werden ecotopen onderscheiden en hun fysische grenzen gedefinieerd. -
-
Saliniteitszone is de invloedrijkste variabele met name voor de soortensamenstelling van de bodemdiergemeenschappen. Die is in de mesohaliene zone helemaal verschillend van de rest van de Zeeschelde. Omdat het in elk van deze zones om andere soorten gaat met verschillende eigenschappen, werden voor analyses naar de invloed van andere variabelen twee ‘zoutzones’ onderscheiden: de mesohaliene of brakke zone (incl. zone met grote saliniteitsgradiënt) en de zoete zone (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd samen). Droogvalduur (DD), als alternatief voor slikhoogte, is binnen iedere zoutzone de meest dominante omgevingsgradiënt. In de brakke Zeeschelde is er een shift in de soortensamenstelling met de hoogte, en kunnen ‘lagere’ en ‘hogere’ soorten onderscheiden worden. In de zoete zone verandert de soortensamenstelling nauwelijks of niet met hoogte of droogvalduur. In beide zones stijgen bodemdierdensiteit en -biomassa met de hoogte; in de zoete zone tot bovenaan het slik, in de brakke zone zwakt het verband voor densiteit af hoog op het slik en daalt het zelfs voor biomassa. In de zoete
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 7 van 157
-
-
-
zone worden de grenzen tussen laag, midden en hoog slik louter bepaald op basis van densiteit en biomassa, in de brakke zone zijn de nichegrenzen van de dominante ‘lage’ en ‘hoge’ soorten mee bepalend voor de ecotoopgrenzen (Tabel I-2). De 75% DD grens die tot nu gebruikt werd om hoge slikken af te scheiden wordt in beide zoutzones verlaagd naar 60%. De 25% grens die de bovengrens vormde voor lage slikken blijft gehandhaafd in de brakke zone en in de zoete zone wordt die verhoogd naar 35% DD. Stroomsnelheden op het slik hangen nauw samen met hoogteligging en vertonen daardoor weinig aanvullend effect. In vergelijking met de Westerschelde zijn de effecten van stroomsnelheid in de Zeeschelde minder duidelijk. Nochtans suggereren verschillende patronen tussen eb- en vloedgedomineerde slikken een negatieve invloed van hoge stroomsnelheden op bodemdierdensiteit, maar dit wordt niet weerhouden in de analyses. Voorlopig worden geen stroomsnelheidsparameters als ecotoopdeterminant aangeduid in de Zeeschelde. Aangezien stroomsnelheid een onderliggende sturende variabele is voor slikmorfologie en –sedimentsamenstelling is het wel aangewezen om deze effectketens gericht nader te onderzoeken. Slikhelling, afgezien van het 25% uitsluitingscriterium (zie hoger), wordt ook niet ingezet als ecotoopdeterminant. In de zoete zone is er een unimodale respons: heel vlakke (<1%, meestal lage) en heel steile (> 15%) slikken zijn oninteressant voor bodemdieren. Organisch stofgehalte in de bodem verklaart enige variatie in beide saliniteitszones maar de patronen zijn onduidelijk en geven voorlopig geen aanleiding tot zinvolle ecotoopbegrenzing. Nochtans leven oligochaeten, de hoofdmoot van de bodemdieren in de zoete Zeeschelde, van detritus. Vooral van vers gesedimenteerd, labiel organisch materiaal is belangrijk als voedsel, maar plaatselijk kan er ook veel inert organisch materiaal aanwezig zijn (vb eroderende veenbodems, aangespoeld houtig materiaal,..). De gebruikte analyse methode laat echter niet toe om beschikbare (“eetbare”) van niet beschikbare koolstof te onderscheiden.
Tabel I-2: Slikecotopen per saliniteitszone in de Zeeschelde versie 2.0
HARD SUBSTRAAT
ZACHT SUBSTRAAT Brak
LW30-HW85
LW30 tot < 35%DD
Lage bodemdierdensiteit en biomassa, soorten van de 'lagere slikken'
Lage bodemdierdensiteit en – biomassa
25% tot 60 %DD
35% tot 60 %DD
Middelhoog Hogere bodemdierdensiteit en slik biomassa; soorten van de 'lagere' en van de 'hogere' slikken.
Hoog slik
Hogere bodemdierdensiteit
> 60%DD tot HW85
> 60%DD tot HW85
soorten van de 'hogere slikken'; dominantie van Corophium
Hogere bodemdierdensiteit en – biomassa
Supralitoraal > HW85
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Antropogeen
LW30 tot < 25%DD
Natuurlijk
Litoraal
Laag slik
Zoet (Oligohalien+zoet lang + zoet kort)
B. Hyperbenthos Voor het eerst proberen we ook het hyperbenthos te betrekken bij de afbakening van ecotopen in de Zeeschelde. Er zijn daarbij twee belangrijke kanttekeningen te maken. Hyperbenthos bemonsteren op het intertidaal is logistiek bijzonder lastig. Daarom is er net onder de laagwaterlijn bemonsterd bij laagwater. Bovendien worden uitsluitend resultaten van de maand augustus besproken en houden we dus geen rekening met eventuele seizoenale variatie in het voorkomen. In deze fase wordt dus nog geen expliciete link gelegd met het intertidaal en wordt het hyperbenthos niet als bijkomend afbakeningscriterium meegenomen. Wel vormt dit een allereerste input in de mogelijke opmaak van een kaartlaag van ecologisch belangrijk gebieden voor hyper- en epibenthos. Een aantal patronen tekenen zich al af en kunnen nu al geduid worden: Op basis van hyperbenthosgemeenschappen zijn er drie saliniteitszones te onderscheiden: de brakke, de zwak brakke en de zoete. Vloeddominantie beïnvloedt de soortensamenstelling, densiteit en biomassa. Aantallen en biomassa variëren eveneens met gemiddelde stroomsnelheid maar het verband is anders in elke saliniteitszone en verschilt ook tussen soorten(groepen). Er is een positief verband tussen densiteit en biomassa en de hoeveelheid organisch materiaal (mg/l) in het water.
Aanbevelingen voor beheer en beleid A. Ecosysteemevaluatie -
-
-
Het aandeel ‘oninteressant’ slik met harde ondergrond omvat een relatief groot aandeel van de estuariene habitatoppervlakte. Nauwkeurige en geüpdatete geomorfkaarten zijn een vereiste om de ecologische draagkracht en functies van de Zeeschelde slikken juist in te kunnen schatten. Toepassing van de nieuw gedefinieerde ecotopen, gebaseerd op gebiedseigen relaties bij het opstellen van een nieuwe generatie ecotopenkaarten voor de Zeeschelde en als basis voor de ruimtelijke stratificatie van de jaarlijkse macrobenthosbemonstering zal resulteren in betere inschattingen van ecologische toestand, impact en potenties. Hyper- en epibenthos zijn ook een belangrijke op te volgen schakel in het estuarien functioneren. Ecotopen op basis van hyperbenthos zullen echter anders gedefinieerd en begrensd zijn dan op basis van bodemdieren. Voor de inschatting van ecologische toestand, impact en potenties in functie van deze schakel is een voor ecologisch betekenisvolle kaart voor het hyper- en epibenthos nodig die als overlay kan gebruikt worden op de ecotopenkaart.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 9 van 157
B. Habitatinrichting en herstel -
De grootste densiteiten en biomassa’s aan bodemdieren zijn te vinden in het middelhoog tot hoog slik met hellingen tussen 1 en 10%. Behoud en herstel van Zeescheldeslikken moet zich dus vooral richten op brede, bolle en flauwhellende (middel)hoge slikken. Bolle slikken hebben de grootste oppervlakte bovenaan, holle slikken hebben een kleiner aandeel aan hogere slikzones maar zijn bovendien steiler in de hogere slikzones.
C. Nader onderzoek -
-
-
-
Supralitoraal zacht slikgebied bestaat uit een zeer diverse habitat met een aantal potentieel ecologisch belangrijke ecotooptypen en een aantal minder interessante. Langs de oevers gaat het het om een relatief klein aandeel van de estuariene habitatoppervlakte, soms met efemeer karakter. De vraag ligt voor of karakterisering en begrenzing van de ecotopen in de supralitorale slikken haalbaar en/of nodig of wenselijk is. Ontpolderingen (niet mee opgenomen in deze studie) bevatten echter redelijk grote oppervlakten van dit habitat. Verschillende andere studies berichten over zeer hoge benthosdensiteiten in deze gebieden, het lijkt dus evident om deze verder te karakteriseren en de eigenschappen ook te beschouwen in relatie tot de inrichtingsvorm. Stroomsnelheidsgegevens in deze studie onderpresteren voor het verklaren van intertidale bodemdiergemeenschappen. Voor habitatmapping watervogels (Vanoverbeke et al., 2021) vonden we nochtans een verschil in contrasterende hoog- en laagdynamische gebiedskoppels, gecatalogeerd op basis van stroomsnelheidsparameters. Er zit dus bruikbare informatie in de stroomsnelheidsparameters die we nu nog niet vatten. Een kort onderzoek naar de exacte hydrodynamische verschillen tussen hoog- en laagdynamische gebieden kan tot betere stroomsnelheidsparameters leiden. Omdat we met de gebruikte methode geen onderscheid kunnen maken tussen labiele en inerte koolstof vinden we geen duidelijke relaties tussen organisch-stof-gehalte van het sediment en bodemdieren. Onderzoek naar de labiele fractie in het organisch materiaal zou hierin verbetering kunnen brengen. Om de hyperbenthos-data uit het subtidaal bij laagtij beter te kunnen duiden is gericht onderzoek nodig naar het ruimtelijke gedrag van hyperbenthos in de intertidale (en subtidale) zone, dwars op de rivier (in functie van oa. overspoelingsregime).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
English abstract Mudflats – the unvegetated intertidal areas in estuaries – are of great ecological importance as a foraging habitat for breeding and wintering birds, fish and crustaceans. The classification of mudflats in different mudflat ecotopes is an important instrument for monitoring the evolution of mudflats and mudflat quality in the Zeeschelde. INBO has proposed a first version of a mudflat ecotope system in 2006. The ecotope boundaries used in this classification were taken from the Dutch Salt Water Ecotope System (ZES.1), but have not been validated for the Zeeschelde. It is the goal of this report to verify and update the existing ecotope classification on the basis of the benthos community. Benthos (short for macrozoobenthos in this report) is the name for small invertebrate animals that live in the mud. The choice for benthos as a validation group is motivated by the key position it occupies in the ecological functioning of estuaries, in particular its mudflats, as food for birds, hyperbenthos and fish. By linking densities, biomass and community composition of benthos to environmental properties of mudflats, we want to find threshold values for mudflat ecotopes with different importance to benthos. The test data set of benthos was collected in specific focus areas distributed over the four different salinity zones of the Zeeschelde so as to maximize the gradient length of important environmental factors (slope, hydrodynamics, …). Our research strategy consisted of 3 steps. In a first step, we start with a large set of environmental variables and evaluate which ones can best explain the distribution of the benthos. The best variables are maintained and used in the second step, where we look for threshold values, at which the benthos community differs maximally on both halves of the environmental gradient. For this we used a specific splitting technique related to ANOVA that we also applied in Habitat Mapping Subtidal. In a third step, the suggested threshold values are validated using a large control data set of benthos from the annual randomized monitoring of the Zeeschelde in the period 2008-2016. In the exploratory analyses (first step), a significant amount of data was found to cause noise in the studied relationships between benthos and environmental variables. It concerned samples from mud on riprap with very low numbers of benthos, and very variable numbers of benthos on the highest mudflats in the supralitoral zone. These data were omitted so as to improve all further analyses. The most important explanatory variables of the biomass, the densities and the species composition of benthos communities in the remaining data are the salinity zone and the height relative to low water. Furthermore, the maximum flow rate, the fraction of organic material in the mud and the slope had a variable and context-dependent effect, depending on the salinity zone and the benthos parameter considered. In the Zeeschelde, different benthos communities occur in the brackish zone and the freshwater zone (combination of oligohaline and freshwater). These communities are largely composed of different species, and behave differently with respect to the studied variables, which leads to a different distribution of benthos over the mudflats. In the brackish zone we mainly find crustaceans, bristle worms (Polychaeta) and bivalves. In the freshwater zone, most of the benthos consists of oligochaetes. The density and biomass of benthos increases generally by a factor 10 from the lower mudflats to the upper part of the mudflats. In the freshwater zone, the increase is monotonic, but in the brackish zone, the increase levels off halfway the mudflat, or slightly decreases. This difference in the vertical distribution of density and biomass between brackish and freshwater benthos may be linked to community composition. In the freshwater zone, community composition is relatively stable along the vertical gradient, but in the brackish zone, we find other species in the lower half of the mudflats compared to the upper half. A group of species including Corophium volutator, Cyathura carinata and Hediste diversicolor lives higher on the mudflats and a group with mainly Tubificoides heterochaetus and Streblospio benedicti occurs lower on the mudflats. If present, the ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 11 van 157
relationship with slope was quadratic - densities and biomasses were low both on very flat and on very steep slopes. The low densities on flat slopes may be due to the fact that we find flat mudflats mainly near the low water line, where benthos is always scarce. Steep mudflats are likely to have hard substrate and/or are very dynamic, making them unsuitable for most benthos species. The fraction of organic matter in the sediment correlated positively with benthos in accordance with our expectations, but only in the oligohaline zone. In the other zones, there was no association or sometimes a tendency towards a negative correlation. We suspect that the organic material consists largely of refractory organic material, which is not or only poorly nutritious for the benthos. The residual of maximum flow rate only had an effect in some analyses and its effect differed between the salinity zones. In the freshwater zone there was more benthos at low maximum flow rates; in the brackish zone we found a positive link with benthos. We performed separate analyses for the brackish and freshwater zone to find threshold environmental values to demarcate ecotopes. Data from riprap and the supralitoral were omitted. The variable “height above low water“ was replaced by the more pragmatic variable “average emersion duration” (AED, DD in Dutch). For the brackish zone, we found a threshold value for densities and biomass at 25% AED with low values under and large values above this threshold. Because we also wanted to take species composition into account, the analysis was repeated for the low and high benthos community seperately. This resulted in a threshold value around 35% for the high community and around 60% for the low community. We pragmatically combined these thresholds to obtain 3 zones (low, medium and high mudflat) with threshold values at 25% and 60%. In the freshwater zone, we found a threshold at 35% for densities and at 60% AED for biomass. Here, too, the mudflat can be subdivided into 3 zones. As in the brackish zone, the threshold between high and medium mudflat is at 60% AED, but the threshold between medium and low mudflat is somewhat higher at 35%. The freshwater part of the estuary lacks a benthos community specifically associated (adapted) to the lower mudflat, which explains why it has a more extended area near the low water line with very low densities of benthos. This study provides an evidence-based proposal for adapting the ecotope boundaries in the tidal mudflats in the Zeeschelde. We distinguish 8 ecotopes. A first ecotope concerns mud on riprap with very low benthos densities and biomass in the mud. A second, less homogeneous ecotope is the supralitoral mudflat above the 85% high water percentile. The remaining ecotopes are three vertical bands found on typical mudflats, the low, medium and high mudflat. They are partly differently defined and have different species in the brackish and freshwater zone, and are therefore considered different ecotopes. Hyper- and epibenthos, an exploratory habitat survey Hyper- and epibenthos, mainly Crustaceans and juvenile fish, were absent for decades in the Sea Scheldt but in the last decade their share of biomass in the estuarine food web has grown considerably. For some (commercial) species the Sea Scheldt is an important nursery ground and tidal mudflats probably play a major role. Therefor this group of organisms should be considered for ecotope definitions and a study on their habitat use at 6 locations along the Sea Scheldt was started. Since flood- and ebb dominance typically create contrasting habitats in the inner Scheldt estuary a survey started at the low water line in these contrasting locations in August 2013. Based on salinity three hyperbenthic communities were identified: a mesohaline, a oligohaline and a freshwater community. The brackish community is characterized by high abundance of
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Mesopodopsis slabberi, which is absent more upstream. Additionally Crangon crangon is more abundant compared to the oligohaline zone and the number of Palaemon longirostris was considerably lower compared to the upstream reaches. Juvenile fishes, especially hyper en epi/hyperbenthic fish species were also less abundant here than more upstream. The freshwater part, with long and short retention time, could be distinguished by higher abundance of Palaemon longirostris and the absence of Crangon crangon. The highest total abundance of epi- or hyperbenthic species could be found in zones with lower mean stream velocity, although velocity was not related to total biomass or species specific abundance and biomass. Flood-dominated shallow waters and tidal mudflats seem to be more important for some species within a specific period (within the seasonal migration pattern). This preference is not well understood, possibly these habitats function as stepping stones for migration. For individual taxa no relation between flood dominance and biomass or abundance could be shown, however for total abundance of epi- and hyperbenthos this relationship was significant. Furthermore the epibenthic Crangon crangon and the common opossum shrimp Neomysis integer were considerably more abundant in flood dominated locations. Organic matter (mg/l), often considered as a proxy for food availability, correlated positively with the abundance and biomass of Mysida and Amphipoda. Remarkably the biomass of Crangon crangon showed no direct relation to the organic matter content of the water. These results represent the first input for a map layer of ecological important areas for hyperen epibenthic species for the Scheldt.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 13 van 157
Inhoudstafel Dankwoord/Voorwoord ................................................................................................................ 2 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 Betekenis voor beheer enbeleid ................................................................................................... 6 A.
Slikecotopen Zeeschelde V2.0: Bodemdieren in de intertidale zone. .................................. 7
B.
Hyperbenthos ........................................................................................................................ 9
Aanbevelingen voor beheer en beleid .......................................................................................... 9 A.
Ecosysteemevaluatie ............................................................................................................. 9
B.
Habitatinrichting en herstel ................................................................................................ 10
C.
Nader onderzoek ................................................................................................................. 10
English abstract ........................................................................................................................... 11 Lijst van figuren ........................................................................................................................... 18 Lijst van foto’s ............................................................................................................................. 25 Lijst van tabellen ......................................................................................................................... 26 Inleiding ....................................................................................................................................... 28 1 Macrobenthos als basis om slikecotopen en ecotoopgrenzen in de Zeeschelde te onderscheiden............................................................................................................................. 32 1.1
Materiaal en methode ................................................................................................ 32
1.1.1
Studiegebied ........................................................................................................... 32
1.1.2
Bemonsteringstrategie ........................................................................................... 33
1.1.3
Laboverwerking macrobenthos .............................................................................. 34
1.1.4
Sedimentstalen ....................................................................................................... 34
1.1.5
Analyse van de macrobenthosgemeenschappen ................................................... 35
1.1.5.1
Selectie van omgevingsvariabelen ............................................................. 35
1.1.5.2
Verkennende analyse ................................................................................. 36
1.1.5.3
Multivariate analyses: gemeenschapssamenstelling ................................. 36
1.1.5.4
Univariate analyses: totale aantallen en biomassa .................................... 37
1.1.6 1.2
Ecotopen en ecotoopgrenzen onderscheiden........................................................ 38
Algemene kenmerken macrobenthos van het slik...................................................... 40
1.2.1
Diversiteit en taxonomische samenstelling ............................................................ 40
1.2.2
Kenmerkende soorten ............................................................................................ 41
1.2.2.1
Corophium volutator (Amphipoda) ............................................................ 41
1.2.2.2
Cyathura carinata (Isopoda)....................................................................... 42
1.2.2.3
Hediste (Nereis) diversicolor (Polychaeta).................................................. 42
1.2.2.4
Marenzelleria neglecta (Polychaeta).......................................................... 43
1.2.2.5
Streblospio benedicti (Polychaeta) ............................................................. 44
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.2.2.6 Limnodrilus hoffmeisteri (gewone schedeworm) en L. claparedianus (langschedeworm)........................................................................................................... 45 1.2.2.7 Paranais litoralis (glad slikwormpje) en Paranais frici (gerimpeld slikwormpje) .................................................................................................................... 45 1.2.2.8
Tubificoides heterochaetus (langstaartkustworm)..................................... 46
1.2.2.9
Macoma balthica (Bivalvia) ........................................................................ 47
1.2.3 1.3
Algemene sedimentkenmerken van de benthoslocaties ....................................... 47
Macrobenthosgemeenschap analysen ....................................................................... 49
1.3.1
Verkennende analyse ............................................................................................. 49
1.3.2
Macrobenthos gemeenschapsstructuur................................................................. 55
1.3.3
Totale macrobenthos densiteit en biomassa ......................................................... 59
1.3.3.1
Totale macrobenthosdensiteit ................................................................... 59
1.3.3.2
Totale macrobenthosbiomassa .................................................................. 63
1.3.4
1.4
Besluiten macrobenthos analyse............................................................................ 66
1.3.4.1
Besluiten ..................................................................................................... 66
1.3.4.2
Samenvattende tabel macrobenthos analyse............................................ 68
Ontwikkeling van een slikecotopenstelsel .................................................................. 69
1.4.1
Slikindeling op basis van habitatmapping focusgebieden (HM14)......................... 69
1.4.1.1
Bijzondere sliktypes op basis van substraat, helling en hoogteligging ...... 69
Slikecotopen met antropogeen of natuurlijk hard substraat en steile helling (> 25%) ..................................................................................................................................... 70 Slikecotopen van het supralitoraal.............................................................................. 70 1.4.1.2 Definitie van slikecotopen op basis van saliniteit, tidale hoogte, maximale stroomsnelheid en helling ............................................................................................... 71 Hoogteligging .............................................................................................................. 71 Droogvalduur en hoogte ten opzichte van de LW30-slikwatergrens ........................................ 71 Benthosdensiteit en -biomassa in relatie tot hoogte (droogvalduur) ....................................... 71 Samenstelling van de benthosgemeenschap in relatie tot hoogte (droogvalduur) .................. 72 Maximale stroomsnelheid........................................................................................... 74 Slikhelling en organisch materiaal............................................................................... 75 1.4.2
Validatie met de spatial monitoringsdata 2008-2016 ............................................ 75
1.4.2.1
Hard substraat slik, zeer steil slik en supralitoraal ..................................... 75
Supralitorale zone ....................................................................................................... 76 1.4.2.2
Litorale zachte substraat slikken ................................................................ 77
Hoogteligging (DD%, mLW30) ..................................................................................... 77 Droogvalduurklasse bepaalt densiteit en biomassa .................................................................. 78 Droogvalduur en soortensamenstelling van het macrobenthos: hoge en lage brakke benthosgemeenschap ........................................................................................... 79 Maximale stroomsnelheid........................................................................................... 80 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 15 van 157
1.4.3
1.4.3.1
Droogvalduur.............................................................................................. 82
1.4.3.2
Maximale stroomsnelheid .......................................................................... 83
1.4.4 1.5
2
Opdeling zachte slikecotopen met als basis de volledige Zeescheldedataset ....... 81
Besluiten grenswaarde analyse .............................................................................. 86
Discussie, conclusie & aanbevelingen macrobenthos ................................................ 89
1.5.1
Aanzet tot slikecotopen voor de volledige Zeescheldegradiënt voor macrobenthos 89
1.5.2
Discussie macrobenthos ......................................................................................... 92
1.5.3
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................. 95
Hyperbenthos in de contactzone tussen slik en subtidaal .................................................. 99 2.1
Materiaal en methode ................................................................................................ 99
2.1.1
Bemonstering en laboratoriumverwerking ............................................................ 99
2.1.2
Selectie van omgevingsvariabelen........................................................................ 102
2.1.3
Gemeenschapssamenstelling hyperbenthos ........................................................ 103
2.1.4
Aantallen en biomassa hyperbenthos .................................................................. 103
2.2
Algemene kenmerken hyperbenthos ........................................................................ 105
2.3
Hyper- en epibenthos analyse................................................................................... 106
2.3.1
Verkennende analyses .......................................................................................... 106
2.3.1.1
Vergelijking van variabelen tussen stroomsnelheidsmodellen ................ 106
2.3.1.2
Abiotiek in relatie tot vloed-/ ebdominantie ........................................... 109
2.3.1.3
Selectie van omgevingsvariabelen: conclusie .......................................... 112
2.3.2
Gemeenschapssamenstelling ............................................................................... 113
2.3.3
Totale aantallen en biomassa hyper- en epibenthos ........................................... 114
2.3.3.1
Totale aantallen ........................................................................................ 114
2.3.3.2
Totale biomassa........................................................................................ 115
2.3.4
Aantal en biomassa per hoger taxon van het hyper- en epibenthos ................... 116
2.3.4.1
Garnaalachtigen (Decapoda) .................................................................... 117
2.3.4.2
Hyperbenthos van de aasgarnalen (Mysida)............................................ 118
2.3.4.3
Vissen (Pisces) .......................................................................................... 119
Epibenthische vissen ................................................................................................. 120 Hyperbenthische vissen ............................................................................................ 122 Epi-hyperbenthische vissen....................................................................................... 122 2.3.4.4 2.3.5
Vlokreeften (Amphipoda)......................................................................... 123
Aantal en biomassa per soort hyper- en epibenthos ........................................... 126
2.3.5.1
Grijze garnaal (Crangon crangon, Decapoda)........................................... 126
2.3.5.2
Langneus-steurgarnaal (Palaemon longirostris, Decapoda) .................... 127
2.3.5.3
Brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer, Mysida) ................................. 128
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
2.4
2.3.5.4
Steeloog-aasgarnaal (Mesopodopsis slabberi, Mysida) ........................... 130
2.3.5.5
Brakwatergrondel (Pomatoschistus microps, Piscis) ............................... 130
2.3.5.6
Spiering (Osmerus eperlanus, Piscis)........................................................ 132
Discussie en conclusie hyper- en epibenthos ........................................................... 133
2.4.1
Samenvattende tabel hyper- en epibenthos ........................................................ 133
2.4.2
Discussie ............................................................................................................... 134
2.4.3
Conclusies ............................................................................................................. 137
Referenties ................................................................................................................................ 139 Bijlagen ...................................................................................................................................... 141 Bijlage 1: Relatie tussen biotische variabelen en potentieel verklarende variabelen .............. 141 Bijlage 2: Paarsgewijze correlaties en Variance inflation factors voor alle potentiële abiotische variabelen gebruikt bij de macrobenthosanalyse in HM14 ...................................................... 150 Bijlage 3: Relatie tussen hoogte tot de Laagwater (LW30)(meter tov 30%-frequentie van de laagwaters) en droogvalduur op basis van SP0816 dataset ..................................................... 151 Bijlage 4: Opsplitsingsanalyses voor Hoogte tov laagwaterlijn (LW30) van het slik ................. 152 Bijlage 5: Opsplitsingsanalyses voor Organisch materiaal percentage in slik en slikhelling ..... 155
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 17 van 157
Lijst van figuren Figuur 1-1: Ligging van de staalnamelocaties uit de HM14 campagne binnen de focusgebieden voor elke saliniteitszone met aanduiding van de waargenomen macrobenthosdensiteiten of lege stalen (rood). Figuur 1-2: Voorbeeld van staalnamelocaties uit de HM14 campagne binnen strata rond Ballooi (LO) en Notelaer (RO), het focusgebied in de oligohaliene zone. Figuur 1-3: Boxplots (mediaan, box = 25%-75% percentielen, whiskers=1.5 IQR) van de mediane korrelgrootte, het percentage slib en het percentage organisch materiaal voor de staalnamepunten voor benthos in the HM14 campagne Figuur 1-4: Macrobenthos in functie van onderliggend substraat a) aantallen en b) biomassa per m² (HM14; V0.1) Figuur 1-5: Helling van de oever in functie van onderliggend substraat per fysiotoop (definitie V0.1) Figuur 1-6: Macrobenthos aantallen (a) en biomassa (b) in functie van helling(log). Vertikale lijn:25% Figuur 1-7: Spreiding van de totale macrobenthosdensiteit op de slikken per gebied (groen: in supralitorale zone, grijs: breuksteenzone of veenbank ). Figuur 1-8: Paarsgewijze correlaties voor de geselecteerde variabelen met minimale multicollineariteit. Figuur 1-9: RDA-analyse op intertidale macrobenthosdensiteiten in alle salzones: belangrijkste soorten (aanwezig in >5% van de stalen) en significante variabelen. A) vergelijking tussen staalname punten. De afstand t tussen staalnamelocaties weerpiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling; de projectie op de vector van omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie met deze variabelen. B) vergelijking tussen soorten. De hoek tussen soorten onderling en tussen soorten en omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). De lengte van de soortpijl geeft de sterkte van de correlatie weer. Figuur 1-10: Univariate responsen van de belangrijkste soorten (aanwezig in >5% van de stalen) t.o.v. significante variabelen in de RDA (multivariate) analyses. (Zie ook Bijlage 1C) Figuur 1-11: RDA-analyse op densiteiten van benthos in de brakke zone: belangrijkste soorten (aanwezig in >5% van de stalen) en significante variabelen. A) vergelijking tussen staalname punten. De afstand tussen staalnamelocaties weerpiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling; de projectie op de vector van omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie met deze variabelen. B) vergelijking tussen soorten. De hoek tussen soorten onderling en tussen soorten en omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). Figuur 1-12: Macrobenthosdensiteiten in functie van de hoogte ten opzichte van laag water per saliniteitszone. Regressielijnen zijn gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). De densiteiten op de y-as hebben een log-schaal. Figuur 1-13: Macrobenthosdensiteiten in functie van maximale stroomsnelheid per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor
33 34
48 49 50 51 52 54
56
57
58
61
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Niet-significantie van stroomsnelheid in het zoete deel zorgt voor een horizontale regressielijn. Densiteiten op de y-as hebben een log-schaal. Figuur 1-14: Macrobenthosdensiteiten in functie van slikhelling per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). De densiteiten op de y-as hebben een log-schaal. Figuur 1-15: Macrobenthosensiteiten in functie van het percentage organisch materiaal in het slik per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). De densiteiten op de y-as hebben een log-schaal. Figuur 1-16: Totale macrobenthosbiomassa in functie van de hoogte ten opzichte van laag water per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Biomassawaarden worden weergegeven in een log-schaal. Figuur 1-17: Totale macrobenthosbiomassa in functie van de maximale stroomsnelheid per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op niet de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Merk op dat nt significant resulteert in een horizontale regressielijn. Biomassawaarden worden weergegeven in een log-schaal. Figuur 1-18:Totale macrobenthosbiomassa in functie van het percentage organisch materiaal in het slik per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Biomassawaarden worden weergegeven in een log-schaal. Figuur 1-19: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van één variabele helling (%) voor de totale dataset van habitatmapping Zeeschelde (blauw volle lijn), enkel brak (groene stippellijn) en enk enkel zoet (bruine stippellijn) ( ntotaal: 146, nbrak:44, nzoet:102) Figuur 1-20: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauw volle lijn); b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden Figuur 1-21: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 dataset in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauw volle lijn); b) verdeling van de biomassa’s tussen relevante grenswaarden Figuur 1-22: Residueel aandeel van de totale variantie aan a) densiteit en b) biomassa van macrobenthos bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 dataset (blauw volle lijn), lage slikgemeenschap (oranje lijn) en hoge slikgemeenschap (bruine lijn) Figuur 1-23: a) cumulatieve gemiddelde aantallen van kensoorten van de hoge (rode) en de lage (oranje) slikgemeenschap in de brakke zone per
61
62
62
64
65
65
70
72
72
73
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 19 van 157
droogvalduurpercentageklasse (5%klassegrootte), b) Boxplot van de brakke soorten in functie van de droogvalduurklasse Figuur 1-24: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van maximale stroomsnelheid voor HM14 dataset in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauwe volle lijn); b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden Figuur 1-25 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van maximale stroomsnelheid voor HM14 dataset in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauw volle lijn); b) verdeling van de biomassa’s tussen relevante grenswaarden Figuur 1-26 Residueel aandeel van de totale variantie aan a) densiteit en b) biomassa van macrobenthos bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de typisch lage slikgemeenschap (oranje lijn) en de typisch hoge slikgemeenschap (bruine lijn). Figuur 1-27 Densiteit en voorkomen van de kensoorten van de hoge (Corophium, Cyathura, Hediste) en de lage (Streblospio en Tubificoides) slikgemeenschap in de brakke zone per droogvalduur-percentageklasse (5% klassegrootte) Figuur 1-28 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van stroomsnelheid voor SP0816 dataset (volle lijn) en HM14 (stippellijn) brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden. Figuur 1-29 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van maximale stroomsnelheid voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden. Figuur 1-30 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak190, nzoet:242); b) verdeling van de densiteit uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet. Figuur 1-31 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak:190, nzoet:242); b) verdeling van de biomassa’s uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet. Figuur 1-32 a) verdeling van a) de densiteiten en b)biomassa’s uit de totale dataset voor alle relevante droogvalduur grenswaarden in het brakke gebied. Figuur 1-33 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van stroomsnelheid voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (blauwe lijn) en de totale dataset (bruine lijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet. Figuur 1-34 Tweedeling van staalnamelocaties op basis van macrobenthosdensiteiten op basis van alle data (HM14+SP0816) voor droogvalduurpercentageklasse in functie van maximale stroomsnelheid. Lege stalen zijn gemarkeerd met
73
74
75
79
80
81
81
82
82 83
84
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
een zwarte cirkel voor de brakke zone (groene lijn), zoete zone (bruine lijn) en totale dataset (blauwe lijn) Figuur 1-35: Systematische voorstelling van de gevonden sikhabitats in de Zeeschelde op basis van macrobenthos. Figuur 1-36 a) verdeling van a) de densiteiten en b)biomassa’s uit de totale dataset voor alle relevante grenswaarden in het brakke gebied. Figuur 1-37: IDW-interpolatie maximale stroomsnelheden naar 1x1m raster in een moeilijke zone. Driehoeken wijzen op mindere interpolatiekwaliteit. Groene punten HM14-benthosdata Figuur 2-1 Stroomsnelheidsverloop gedurende één getij in 2 slikgebieden, de ebgedomineerde Notelaer (NOT) en de vloedgedomineerde Ballooi (BAL), voor verschillende hoogtelocaties (mTAW) uit Nevla (bron: Waterbouwkundig Laboratorium) Figuur 2-2: Correlatiematrix van de verschillende stroomsnelheidsvariabelen (m/sec) berekend volgens het NEVLA (NV) en SCALDIS (SC) numeriek model. Gemiddelde stroomsnelheid bij eb (eb_avg_NV, eb_avg_SC), gemiddelde maximale stroomsnelheid bij eb (eb_avg_max_NV, eb_avg_max_SC), gemiddelde stroomsnelheid bij vloed (vl_avg_NV, vl_avg_SC ) en gemiddelde maximale stroomsnelheid bij vloed. Figuur 2-3: A. Factor loadings van de twee resulterende assen uit de PCA-analyse. B. Biplot van de eerste en tweede PC-as en de relatie met stroomsnelheden bij eb en vloed. Figuur 2-4: Biplots gebaseerd op de PC-assen met visualisatie van vloed- en ebgedomineerde locaties en salniteitszones. Figuur 2-5: Pearson correlatie tussen A. gemiddelde stroomsnelheid en PC1. B. vloed/ebdominantie en PC2. Figuur 2-6: Correlatiematrix van de verschillende omgevingsvariabelen Figuur 2-7: Voorspelde waarden ± SE-foutstaven van het Lineair Mixed Model van A. het organische-stofgehalte en B. de fractie organisch materiaal in functie van saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. De werkelijke waarden worden ook weergegeven. Figuur 2-8: Voorspelde waarden ± SE-foutstaven van het Lineair Mixed Model van A. de watertemperatuur B. het zuurstofgehalte in functie van saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. De werkelijke waarden worden ook weergegeven. Figuur 2-9: A. Voorspelde waarden ± SE foutstaven (LMM) van gemiddelde stroomsnelheid (m/sec) in functie van saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. B. Waarden van de gemodelleerde gemiddelde vloed/ebstroomsnelheid op gekoppelde eb- en vloedgedomineerde locaties. Locaties met vloed-/ebdominantie hoger dan één (horizontale lijn) zijn vloedgedomineerd. Figuur 2-10: resultaten van RDA-analyse op biomassa en van hyperbenthos met aanduiding van de verschillende saliniteitszones. De afstand tussen de staalnamelocaties (punten) weerspiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling. De soorten die meest het verschil in gemeenschappen markeren worden ook weergegeven. De hoek tussen soorten onderling weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). De groene pijl geeft de invloed van vloed-/ebdominantie weer. Figuur 2-11: resultaten van RDA-analyse op biomassaen van hyperbenthos met aanduiding van de verschillende saliniteitszones. De afstand tussen de
85 90 90
94
100
107
107 108 108 109
110
111
112
113
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 21 van 157
staalnamelocaties (punten) weerspiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling. De soorten die meest het verschil in gemeenschappen markeren worden ook weergegeven. De hoek tussen soorten onderling weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). De groene pijl geeft de invloed van vloed-/ebdominantie weer. Figuur 2-12: Voorspeld verband uit het negatief bionomiaal mixed model (NBMM) tussen het totaal aantal hyperbenthos/40m3 en A. de mate van vloed/ebdominantie. B. het totaal organische-stof gehalte. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De ruwe data worden ook weergegeven. Figuur 2-13: A. Voorspeld verband uit het linear mixed model tussen de totale biomassa (mg/40m3) en gemiddelde stroomsnelheid in de verschillende saliniteitszones. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens over biomassa beschikbaar zijn. B. De totale biomassa in relatie tot gemiddelde stroomsnelheid en de mate van vloed/ebdominantie in de verschillende saliniteitszones. Figuur 2-14: Voorspeld verband uit Lineair Mixed Model (LMM) tussen de totale biomassa (mg/40m3) van het hyperbenthos en A. het gehalte aan organisch materiaal B. de fractie aan organisch materiaal. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De ruwe data worden ook weergegeven. Figuur 2-15: Boxplot van A. aantal en B. biomassa van de meest dominante taxa van epienhyperbenthos in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Figuur 2-16: Voorspeld verband uit het negatief binomiaal mixed model tussen de gemiddelde stroomsnelheid en het totaal aantal Decapoda in de verschillende saliniteitszones. Figuur 2-17: Voorspeld verband uit Lineair Mixed Model (LMM) tussen de totale biomassa van garnaalachtigen (Decapoda) en A. de fractie aan organisch materiaal B. het gehalte aan organisch materiaal. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De ruwe data worden ook weergegeven. Figuur 2-18: (A) Het totaal aantal en (B) de totale biomassa van aasgarnalen of Mysida in relatie tot de mate van vloed-/ebdominantie en het gehalte organisch materiaal. Figuur 2-19: Boxplot van A. het aantal vissen en B. de biomassa van vissen volgens functionele groep en saliniteitszone. Figuur 2-20: A. Het verband tussen aantal en biomassa epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten) worden ook weergegeven. Figuur 2-21: Voorspeld verband tussen de gemiddelde stroomsnelheid (m/sec) en A. het aantal epibenthische vis B. de biomassa van epibenthische vis. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Figuur 2-22: Voorspeld verband tussen de biomassa van epibenthische vis en A. de mate van vloed-/ebdominantie B. het zuurstofgehalte (mg/L). Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Figuur 2-23: A. Het verband tussen aantal en biomassa epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van
114
115
115
116 117
117
118
119 120
120
121
121
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten) worden ook weergegeven. Figuur 2-24: A. Het verband tussen aantal en biomassa epi-hyperbenthische vis in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten) worden ook weergegeven. Figuur 2-25: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van vlokreeftjes (Amphipoda) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van Amphipoda in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. Figuur 2-26: Voorspeld verband tussen het gehalte aan organisch materiaal (mg/L) en A. het aantal vlokreeften (Amphipoda) B. de biomassa van Amphipoda. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Figuur 2-27. Het voorspeld verband tussen het aantal vlokreeften en A. de fractie organisch materiaal en B. de gemiddelde stroomsnelheid. Staafjes op de xas tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Figuur 2-28: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van grijze garnalen (Crangon crangon) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van grijze garnalen in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. Figuur 2-29: Het voorspeld verband tussen het aantal grijze garnalen (Crangon crangon) en A. de gemiddelde stroomsnelheid en B. de mate van vloed/ebdominantie. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Figuur 2-30: Het verband tussen de biomassa van grijze garnalen (Crangon crangon) en de fractie en het gehalte organisch materiaal. Figuur 2-31: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van langneussteurgarnalen (Palaemon longirostris) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van langneus-steurgranalen in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. Figuur 2-32: Het voorspeld verband uit het Negatief bionimaal mixed model (NBMM) tussen gemiddelde stroomsnelheid en het aantal langneus-steurgarnaal (Palaemon longirostris). Figuur 2-33: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van de brakwateraasgarnaal (Neomysis integer) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van de brakwater-aasgarnaal in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. Figuur 2-34: Het voorspeld verband tussen het aantal brakwater-aasgarnalen (Neomysis integer) en A. de mate van vloed-/ebdominantie B. het zuurstofgehalte in het water en C. de fractie aan organisch materiaal. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. Figuur 2-35: Het voorspeld verband tussen het aantal steeloog-aasgarnalen (Mesopodopsis slabberi) en A. de het gehalte aan organisch materiaal en B. de fractie aan organisch materiaal.
122
123
124
124
125
126
126 127
127
128
128
129
130
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 23 van 157
Figuur 2-36: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van de brakwatergrondel (Pomatoschistus microps) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van de brakwatergrondel in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. Figuur 2-37: Het voorspeld verband (NBMM) tussen het aantal brakwatergrondels (Pomatoschistus microps) en de gemiddelde stroomsnelheid, in de verschillende saliniteitszones. Figuur 2-38: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van de spiering (Osmerus esperlanus) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van de spiering in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. Figuur 2-39: Het voorspeld verband tussen A. het aantal spieringen (Osmerus esperlanus) en de gemiddelde stroomsnelheid en B. de biomassa van spieringen en het gehalte aan organisch materiaal. Figuur A 40 Relatie tussen droogvalduurpercentage (%) en hoogte tov LW30 (m) in de 4 saliniteitszones Figuur A 41 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van hoogte tov LW30 (m) voor habitatmapping Zeeschelde dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) (ntotaal: 132, nbrak:44, nzoet:88) b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden Figuur A 42 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van hoogte tov LW30 (m) voor HM14 dataset (blauw volle lijn), brak (groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s tussen relevante grenswaarden Figuur A 43 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van één variabele hoogte tov LW30 (m) voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816dataset (volle lijn, ntotaal: 304, nbrak:147, nzoet:157) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden. Figuur A 44 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn; ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden Figuur A 45: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak190, nzoet:242); b) verdeling van de densiteit uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet. Figuur A 46: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak:190, nzoet:242); b) verdeling van de biomassa’s uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet.
131
131
132
132 151
152
152
153
153
154
154
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur A 47 Verklaarde variantie aan a) densiteit aan macrobenthos en b) biomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) Figuur A 48 a) Verklaarde variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van organische materiaal (%) voor HM14 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) ( ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166; b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden Figuur A 49 Verklaarde variantie aan a) macrobenthosdensiteit en b) -biomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van helling voor de brakke (groen) en zoete (bruin) zone in de SP0816 dataset (volle lijn) en HM14 data (onderbroken lijn) Figuur A 50 a) Verklaarde variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van organische materiaal (%) voor SP0816 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) ( (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816dataset tussen relevante grenswaarden Figuur A 51 a) Verklaarde variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van helling (%) voor SP0816 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden
155
155
156
156
157
Lijst van foto’s Foto 1: Foto 2: Foto 3: Foto 4: Foto 5: Foto 6: Foto 7: Foto 8: Foto 9: Foto 10: Foto 11: Foto 12:
Foto 13:
Corophium volutator, habitus (©Jan Soors) Cyathura carinata,habitus (© Jan Soors) Nereis (Hediste) diversicolor, habitus en detail: proboscis met paragnathen (© Jan Soors) Marenzelleria neglecta, habitus: let op de roodgekleurde kieuwen (© Jan Soors) Streblospio benedicti, habitus en detail: kop (© Jan Soors) Limnodrilus hoffmeisteri, detail: soortspecifieke chaeta (©Jan Soors) Paranais litoralis, habitus en detail: kop met soortspecifieke chaeta (© Jan Soors) Tubificoides heterochaetus (© Ton Van Haaren); detail: haarvormige chaetae en papilae (© Jan Soors) Nonnetje of Macoma balthica Slikken in de brakke zone voor het Galgenschoor (© Yves AdamsVildaphoto.net) Slikken in de oligohaliene zone voor het Kijkverdriet (© Yves AdamsVildaphoto.net) Bemonstering met bongonet van hyperbenthos voor het slik van Notelaer (voorgrond, ebgedomineerd) versus voor het slik van de Ballooi (achtergrond, vloedgedomineerd) Hyperbenthosonderzoek in het veld met bongonet, meettoestellen voor waterstaal aan het slik van Weert
42 42 43 44 44 45 46 46 47 68 88
100 138
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 25 van 157
Lijst van tabellen Tabel I-1: Tabel I-2: Tabel 0-1:
Slikecotopen per saliniteitszone in de Zeeschelde versie 1.2 Slikecotopen per saliniteitszone in de Zeeschelde versie 2.0 Overzicht van de huidige zachte substraat sliktypes met fysiotoop- en ecotoopklassen en -grenzen die gebruikt worden in de MONEOS monitoring (Van Braeckel in Van Ryckegem et al. 2013) Tabel 1-1: Geteste potentieel verklarende omgevingsvariabelen voor macrobenthosgemeenschappen in de Zeeschelde Tabel 1-2: Macrobenthostaxa van HM14 en het aantal stalen waarin ze aangetroffen zijn. Onderaan wordt het aantal niet-lege stalen gegeven. Tabel 1-3: Biomassa verdeling over de aangetroffen macrobenthos klassen per saliniteitszone. Tabel 1-4: Aantal bemonsterde locaties per ecotooptype (HM14; V0.1)) Tabel 1-5: Potentieel verklarende variabelen en benodigde transformaties. Percentage slib en Dom_avg_vl is niet weerhouden owv sterk verband met respec. Korrelgrootte Dom_max_vl. Tabel 1-6: Generalized variance inflation factors (GVIF) voor de HM14 dataset voor de geselecteerde variabelen met minimale multicollineariteit. Vergelijking met categorische variabele (Salzone) gebeurt adhv GVIFadj = [GVIF1/(2⋅df)]2 Tabel 1-7: Resultaten van de multivariate analyse op gemeenschapsstructuur (samenstelling en densiteiten). De waarden in de tabel geven de verklaarde variatie weer (R2; totaal of voor elke variabele afzonderlijk). Significantie: ·:0.1 > p >0.05; *: p < 0.05; **: Tabel 1-8: Resultaten van de lineaire regressie analyses op totale macrobenthosdensiteit. Bij de analyse voor alle salzones samen worden de coëfficiënten van de interacties tussen de omgevingsvariabele en de aparte salzone gegeven. Tabel 1-9: Resultaten van lineaire regressie analyses op totale biomassa. Tabel 1-10: Samenvattende tabel verklaring soortensamenstelling, densiteiten en biomassa van macrobenthos voor HM14. Prevalentie variabele: fractie van de zones (Zeeschelde totaal,brakke zone, zoete zones) waarin de variabele tot het beste model behoort of significant is. R²: R² of pseudo R² van het totale model. Lin: lineaire respons (+/-: stijgend/dalend), kwadr: unimodale of kwadratische respons; significanties voor multivariate analyse: ***: p = 0-0.001; **: p = 0.001-0.01; *: p = 0.01-0.05; .= p = 0.05-0.1; leeg = niet significant, p > 0.1; ng: variabele niet overgebleven in finaal model Tabel 1-11: Overzicht van het nieuw voorstel voor grenswaarden van de zachte substraat sliktypes met fysiotoop- en ecotoopklassen en -grenzen Tabel 2-1 Bemonsteringslocaties hyperbenthos. Voor elke locatie wordt weergegeven op welke oever ze ligt (oever; L=linkeroever, R=rechteroever), in welke saliniteitszone (saliniteit), of het een vloed- of ebgedomineerde locatie is (vloed-eb), en tot welk koppel ze behoort (koppel). Tabel 2-2: Hyper (H)- en epibenthos (E) soortenoverzicht uit de meetcampagnes (drempel van minstens in 2 stalen (3%) aangetroffen). Modelsoorten zijn vetgedrukt. MH = mesohalien; OH = oligohalien; ZL = zoet met lange verblijftijd; ZK zoet met korte verblijftijd; R Rupel. Tabel 2-3: Samenvattende tabel van gevonden verbanden tussen aantallen (Negatief Binomiaal Mixed Model) en de biomassa (Lineair Mixed Model) van het
6 8
29 35 40 41 49
53
54
55
60 63
68 91
101
105
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
hyper- en epibenthos. Uitleg over de variabelen en modelselectie kan terug gevonden worden in 2.3.4 en 3.3.2.4. Belang variabele: fractie van de getoonde modellen waarvoor een variabele significant bijdraagt. Enkel variabelen die een belang van >10% hadden worden weergegeven. Salzone (M=mesohalien, O = oligohalien, Z=zoet), S*stroomsnelheid (interactie tussen salzone en stroomsnelheid).
133
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 27 van 157
INLEIDING Een ecotopenstelstel als belangrijk beleidsinstrument De Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) wil blijven investeren in een veilig, ecologisch veerkrachtig en economisch vitaal Schelde-estuarium. Hiervoor werd met de Scheldeverdragen (2005) onder andere beslist tot het uitvoeren van een gezamenlijk onderzoek- en monitoringprogramma. De monitoringresultaten en nieuwe inzichten worden ingezet bij het uittekenen van het beleid en beheer. Kernwoorden om het ecologisch functioneren van estuaria te begrijpen zijn dynamiek en gradiënten. De hydro- en morfodynamiek zijn essentieel voor processen die gradiënten en patronen en daarmee de verscheidenheid aan habitattypes in het estuarium bepalen. De belangrijkste omgevingsgradiënten die hieruit volgen zijn zoutgehalte, waterdiepte, droogvalduur, hydrodynamiek en sedimentsamenstelling. De essentie van het overkoepelende habitattype ‘estuarium’ ligt in de mozaïek van habitats, de gradiënten waarlangs die voorkomen, de samenhang langs deze gradiënten en de daaraan aangepaste flora en fauna. Om fysische systeemkenmerken te kunnen doorvertalen naar potenties voor habitats, planten en dieren is het noodzakelijk om dit verband synoptisch te beschrijven. Dit kan door gebruik te maken van ecotopen. Ecotopen zijn ‘ruimtelijk te begrenzen ecologische eenheden, waarvan de samenstelling en ontwikkeling worden bepaald door abiotische, biotische en antropogene condities.’ Een ecotoop is daardoor een herkenbare min of meer homogene landschappelijke eenheid (Bouma et al. 2005). Een ecotopenstelsel is een classificatiesysteem waarin de belangrijke ecotopen van een ecosysteem op overzichtelijke wijze gerangschikt zijn. De essentie van een goed ecotopenstelsel is dat het de fysische grenzen bepaalt in functie van het potentieel voorkomen van specifieke levensgemeenschappen. Ecotopenkaarten worden afgeleid uit een aantal onderliggende, gebiedsdekkende kaarten van in hoofdzaak fysische factoren, die samen de kenmerken van de ecotopen uitmaken. Hiermee kan het potentieel voorkomen van levensgemeenschappen in kaart worden gebracht, kan voorspeld worden wat de veranderingen in een ecosysteem kunnen zijn als gevolg van inrichtings- en beheersmaatregelen en kan de evolutie van het ecosysteem geëvalueerd worden. Habitatmapping Zeeschelde: ecotopen differentiëren, optimaliseren en valideren Het ecotopenstelsel dat momenteel wordt gehanteerd in de Zeeschelde (Van Braeckel et al. 2006) onderscheidt ecotopen op basis van hoogteligging en de daaraan gekoppelde waterdiepte en droogvalduur. Deze hoogtegrenzen zijn overgenomen uit het Nederlandse Zoute Wateren Ecotopenstelsel (ZES.1) en werden nooit expliciet gevalideerd in de Zeeschelde. Voorliggende studie kadert in het project ‘Habitatmapping Zeeschelde’ dat INBO in samenwerking met het Waterbouwkundig Laboratorium Borgerhout uitvoert in opdracht van MOW afdeling Maritieme Toegang van de Vlaamse Overheid. Dit project heeft als doel de voor de Zeeschelde gehanteerde ecotopen te valideren of indien nodig verder te differentiëren op basis van bijkomende abiotische kenmerken zoals hydrodynamiek en sedimentkarakteristieken. Deze validatie of verfijningsoefening moet ecologisch gefundeerd worden op basis van de voorkomende levensgemeenschappen, zoals dat ook voor de Westerschelde gebeurde (Ysebaert et al., 2016). Verfijning met het oog op hydrodynamiek (stress van de leefomgeving) aan de hand van betrouwbare stroomsnelheidsgegevens was
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
lange tijd niet mogelijk. 3D-modellering uitgevoerd in het kader van het Habitatmappingproject (Maximova et al. 2013) en het Integraal plan Boven-Zeeschelde (Smolders et al. 2016) stellen dergelijke stroomsnelheidsdata steeds meer en beter ter beschikking. Voorliggend onderzoek is een volgend luik in het habitatmapping proces na Van Braeckel et al. (2018) over de herziening van de subtidale ecotopen en wil nagaan of de huidige slikecotopen en ecotoopgrenzen met behulp van bijkomende variabelen een ecologisch juistere indeling en begrenzing kunnen krijgen. Hierbij wordt naast hard substraat, bestaande uit natuurlijk hard substraat (klei of veenbanken) of antropogeen hard substraat (breukstenen, schanskorven,…) wordt binnen dit onderzoek vooral gefocust op de slikecotopen met zacht substraat (Tabel 0-1). Tabel 0-1: Overzicht van de huidige zachte substraat sliktypes met fysiotoop- en ecotoopklassen en grenzen die gebruikt worden in de MONEOS monitoring (Van Braeckel in Van Ryckegem et al. 2013)
hoogtezones
Klassegrenzen
Slikgrenzen
% frequentie
Droogvalduur
30% LWfrequentie litoraal
85% HWfrequentie
Supralitoraal
>85% HWfrequentie
Fysiotopen
Huidige zachte substraat slikecotopen
LW30 (1-4%DD) - 25%DD
laag slik
laag slik zacht substraat
25% - 75%DD
middelhoog slik
middelhoog slik zacht substraat
hoog slik
hoog slik zacht substraat
supralitoraal
potentiële pionierzone
75%DD - HW85 (85-90%DD)
In het streefbeeld van de LangeTermijnVisie 2030 (LTV2030) en in de Ontwikkelingsschets 2010 voor het Schelde-estuarium (OS2010) van de VNSC worden laagdynamische gebieden als waardevolle ecotopen omschreven in functie van het ecologisch functioneren van macro- en hyperbenthos en vogels. Wijzigingen in het fysische systeem van het Schelde-estuarium, door menselijke ingrepen en autonome evoluties, hebben geleid tot verdere doordringing van getijdenenergie, een versteiling van slikken en verhoging van het verhard intertidaal (Van Braeckel et al. 2006) Deze verschuivingen zetten net deze zachte laagdynamische slikgebieden onder druk. De indruk bestaat dat de tot hiertoe gehanteerde ecotoopgrenzen onvoldoende de volledige impact van deze ingrepen vatten waardoor de impact op de ecologische balans ervan niet voldoende ingeschat wordt (bv. Van de Meutter et al. 2019b). De bestaande ecotoopgrenzen worden ook gebruikt bij de stratifiëring van de jaarlijkse monitoring van het macrobenthos in de Zeeschelde. Ook daar bestaat de indruk dat er nog vooruitgang mogelijk is met betrekking tot de precisie van dit instrument, onder andere door het verfijnen van de ecotoopindeling. Stroomsnelheid en waterdynamiek behoren tot de belangrijkste variabelen die vorm geven aan de ecotopen van de Zeeschelde. Voor de Zeeschelde zijn modelgegevens beschikbaar voor verschillende categorieën stroomsnelheden in het intertidaal, echter, de modelkalibratie op basis van meetdata op het intertidaal was voor Scaldis 2013 doorrekeningen nog beperkt. Voor de geplande Scaldis 2019 doorrekeningen zullen meer meetdata beschikbaar zijn en zullen hier nog verbeteringen optreden (mond. mededeling WL). INBO en WL plannen om aan deze
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 29 van 157
verfijningen en validatie te werken in kader van de MONEOS-monitoring en verdere bepaling van de habitatkenmerken van de biota in de Zeeschelde. Toch is het zinvol om nu al met de beschikbare data deze oefening te doen, omwille van het dominante effect van deze variabele op habitats en biota en de grote potenties op het verbeteren van de bestaande typologie, en het overtuigend aanwenden van deze data bij de herziene typologie van de subtidale zone (Van Braeckel et al. 2019, zie ook Ysebaert et al. 2016). Een ecotopentypologie voor slik in de Zeeschelde In voorliggende studie willen we op basis van het voorkomen van macrobenthos slikecotopen valideren en eventueel (her)definiëren voor de Zeeschelde. Aan de hand van een uitgebreide op saliniteit, hoogte en stroomsnelheid gestratifieerde dataset wordt gefocust op het habitatgebruik en de habitatgrenzen van macrobenthos als criteria voor een ecotoopindeling. Macrobenthos is de belangrijkste (zichtbare) organismengroep van slikken en hun grotendeels sedentair leven, hun talrijkheid en de vrij eenvoudige manier om ze gestandaardiseerd te bemonsteren leent zich sterk tot het aflijnen van ecotoopgrenzen. De ecotopenindeling op basis van macrobenthos wordt in een eerste stap gebaseerd op macrobenthosdata van strategisch gespreide focusgebieden van de Zeeschelde en verzameld binnen dit project. Er is gezocht naar specifieke criteria om abiotische ecotoopgrenzen voor het macrobenthos op slikken in de Zeeschelde te definieren. In een tweede stap worden deze criteria gevalideerd door ze te toetsen aan de langjarige gegevens van bodemdiergemeenschappen van INBO buiten de focusgebieden. Het NIOZ voerde in samenwerking met het Waterbouwkundig Laboratorium en IMARES verwant benthosonderzoek uit in de Westerschelde en gebruikte ook de monitoringsdata (MWTL-data) van de Westerschelde (Ysebaert et al. 2016). We nemen de resultaten mee in deze studie in die zin dat we er naar streven om, indien mogelijk, de ecotopenstelsels in beide landen aan de grens zo goed mogelijk te doen aansluiten. Hyperbenthos in de contactzone tussen slik en ondiep subtidaal in de Zeeschelde Als aanvulling hierop analyseerden we ook het voorkomen van hyperbenthos (vooral jonge vissen en garnaalachtigen) bij laagwater in het ondiepe water. We weten uit eerdere studies (onder andere Van de Meutter et al. (2019a,b) voor de Zeeschelde, maar zie bv. ook David et al. (2016) dat dit hyperbenthos minstens deels afhankelijk is van het intertidaal om er te foerageren of te schuilen. Hyperbenthos was lange tijd afwezig in het grootste deel van de Zeeschelde maar sinds een tiental jaar is dit een zeer belangrijke groep die in grote aantallen en biomassa aanwezig is. Ze verdient daarom zeker ook aandacht bij de indeling van ecotopen. Voor een aantal soorten is de Zeeschelde sinds enkele jaren een belangrijke kraamkamer, en wellicht spelen intertidale gebieden daarbij een belangrijke rol. Welke fysische processen en omgevingsfactoren het voorkomen (in ruimte en tijd) van hyperbenthos bepalen is slechts in beperkte mate onderzocht (Ysebaert et al. 2016) en deze kennis ontbreekt voor de Zeeschelde bijna volledig. Binnen deze habitatmapping studie geven we een eerste aanzet tot het betrekken van hyperbenthos bij het indelen van ecotopen. Het bemonsteren van hyperbenthos terwijl dit op het intertidaal vertoeft is bijzonder lastig; daarom zijn de bestaande gegevens van het hyperbenthos net onder de laagwaterlijn. We bestuderen in dit rapport in hoeverre het voorkomen, densiteit en soortensamenstelling van hyperbenthos bij laagwater bepaald worden door de lokale fysische eigenschappen. Dit laat echter nog geen expliciete link toe met het intertidaal zodat ze nog niet rechtstreeks als criterium voor de sliktypering kan meegenomen worden. Wel kunnen we de bevindingen van het ruimtelijk gebruik meenemen om tot een extra ecotopenlaag te komen van belangrijk ecologisch ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
waardevol gebied voor hyper- en epibenthos. Hopelijk kan ook later de link met intertidale habitats sterker gemaakt worden. Het temporele aspect van het voorkomen van (aas)garnalen en jonge vis en de belangrijkste sturende variabelen wordt ook beschreven in De Neve et al. (2020).
Onderzoeksvragen binnen deze studie 1. Welke omgevingsvariabelen bepalen de slikbodemdiergemeenschappen in de Zeeschelde? 2. Welke omgevingsvariabelen voorkomen densiteit en biomassa van de slikbodemdieren in de Zeeschelde? 3. Blijven de huidige slikzones laag-, middelhoog en hoog als ecotoop behouden of zijn er bijkomende variabelen die we in acht moeten nemen? 4. Kan gemodelleerde stroomsnelheid gebruik worden om hoog- en laagdynamische slikgebied af te bakenen? 5. (Hoe) bepalen lokale fysische eigenschappen het voorkomen (soorten, densiteit biomassa) van hyperbenthos in het ondiep water bij laagwater op het eind van de zomer?
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 31 van 157
1 MACROBENTHOS ALS BASIS OM SLIKECOTOPEN EN ECOTOOPGRENZEN IN DE ZEESCHELDE TE ONDERSCHEIDEN 1.1 MATERIAAL EN METHODE 1.1.1 Studiegebied Het habitatmapping onderzoek in de Zeeschelde gebeurt in strategisch gedefinieerde focusgebieden (Figuur 1-1). Voor het MONEOS monitoringprogramma en voor de Kaderrichtlijn water zijn in de Zeeschelde vier zones/waterlichamen onderscheiden op basis van saliniteit en verblijftijd (Van Ryckegem et al., 2014). Binnen elk van deze zones werd een sectie afgebakend met grote slik/schorgebieden, dominantie van zacht substraat en met zo veel mogelijk habitat differentiatie met betrekking tot hoogteligging, bodemsamenstelling en stroomsnelheidspatronen. Binnen elke sectie werd een op elke oever een gebied afgebakend met het oog op maximale spreiding met betrekking tot omgevingsgradiënten. In de praktijk betekent dat een binnenbocht en een buitenbocht met eb- en vloedgedomineerde zones: 1. 2. 3. 4.
Mesohalien (β-mesohalien, Zeeschelde IV): Doel, Galgenschoor & Lillo Oligohalien (ZeescheldeIII): Notelaer & Ballooi Zoete zone met lange verblijftijd (Zeeschelde II): Plaat Driegoten/De Kont & Branst Zoete zone met korte verblijftijd (Zeeschelde I): Zele & Appels.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 1-1: Ligging van de staalnamelocaties uit de HM14 campagne binnen de focusgebieden voor elke saliniteitszone met aanduiding van de waargenomen macrobenthosdensiteiten of lege stalen (rood).
1.1.2 Bemonsteringstrategie Om de slikken binnen de focusgebieden zo representatief mogelijk te bemonsteren werden stratified random 224 staalnameplaatsen vooraf vastgelegd (HM14 campagne). De verschillende strata werden als volgt gedefinieerd: •
De vier saliniteitszones/waterlichamen (zoet korte verblijftijd, zoete lange verblijftijd, oligohalien en mesohalien) zitten vervat in de afbakening van de focusgebieden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 33 van 157
• •
Stroomsnelheidsklasse (4): zwak, matig zwak, matig sterk en sterk stromend. De onderste klassegrenzen (0, 0.35, 0.65 en 0.9 m/s maximale stroomsnelheid) werden afgeleid uit het 2D-Nevla-stroommodel (Maximova et al. 2013) ; Droogvalduurklassen (4) afgeleid uit het droogvalduurraster: laag (laagwatergrens ~ 4 25%), midlaag (25-50%), midhoog (50-75%), hoog (75% - schorgrens, afgeleid uit de ecotopenkaart)
Tussen 4 september en 13 oktober 2014 werden op 221 plaatsen stalen genomen. Op elke locatie. Op elke locatie werd een bodemdierstaal verzameld met steekbuis (diameter: 4.5 cm) en een begeleidend sedimentstaal voor granulometrie en organische stof bepaling. Bodemdierstalen werden ter plaatse gefixeerd in 4% formaldehyde-oplossing.
Figuur 1-2: Voorbeeld van staalnamelocaties uit de HM14 campagne binnen strata rond Ballooi (LO) en Notelaer (RO), het focusgebied in de oligohaliene zone.
1.1.3 Laboverwerking macrobenthos In het labo werden bodemdierstalen stalen gespoeld en achtereenvolgens gezeefd over een maaswijdte van 1mm en 500 µm. Organismen in beide zeeffracties werden uitgepikt, geïdentificeerd en geteld in. De biomassabepaling gebeurde per staal per soort door verassing (LOI, loss on ignition) aan de hand van volgende stappen: • • •
drogen (12h bij 105°C) => drooggewicht (DW) verassen (2h bij 550°C) => asgewicht (AW) biomassa (asvrij drooggewicht = AFDW): AFDW = DW - AW
1.1.4 Sedimentstalen Voor sedimentstalen is de korrelgrootteverdeling en de fractie organisch materiaal bepaald. De korrelgrootteverdeling werd bepaald aan de hand van een Malvern laserdiffractietoestel. Een belangrijke opmerking is dat het staal niet vooraf verast werd, enkel gezeefd over een breedmazige zeef (0.8 cm). Organische partikels bepalen dus mee de mediane korrelgrootte. Deze keuze volgt vanuit de redenering, dat voor het macrobenthos de natuurlijke omgevingsmatrix, inclusief organische partikels, relevanter is dan de standaard anorganische korrelgrootteverdeling. De bepaling van de organische fractie gebeurde door verassing (LOI). Daarbij werden dezelfde stappen gevolgd als voor de biomassabepaling van het macrobenthos.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.1.5 Analyse van de macrobenthosgemeenschappen 1.1.5.1
Selectie van omgevingsvariabelen
Tabel 1-1 geeft een overzicht weer van de ecologisch relevant geachte omgevingsvariabelen die in deze studie getest werden op hun sturing van de macrobenthosgemeenschappen op de slikken van de Zeeschelde. Tabel 1-1: Geteste potentieel verklarende omgevingsvariabelen voor macrobenthosgemeenschappen in de Zeeschelde Variabele
Code
Klasse
type
Saliniteitszone
Salzone
helling (%) afgeleid van DTM
Helling
Chemisch/ hydrodynamisch Morfologisch
categorisc h continu
hoogte tov laag water (30%LW) Percentage droogvalduur
Hoogte_LW30 00 DD
Hydrodynamisch Hydrodynamisch
continu continu
vloeddominantie of verhouding vloed-/ebstroomsnelheid:
Dom_max_vl
Hydrodynamisch (SCALDIS)
continu
maximale en gemiddelde
Dom_avg_vl
totale stroomsnelheid:
Stroom_max
Hydrodynamisch (SCALDIS)
continu
maximale maximale en gemiddelde mediane korrelgrootte Percentage slibgehalte
Stroom_gem Mediaan slib
Sedimentkarakteristieken Sedimentkarakteristieken
continu continu
percentage organisch materiaal
OM
Sedimentkarakteristieken
continu
harde of zachte substraatzone
substraat
Sedimentkarakteristieken
categorisc h
De stroomsnelheidsvelden, afkomstig uit het SCALDIS 3D-model opgebouwd uit een ongestructureerde modelrooster en ontwikkeld door het Waterbouwkundig Laboratorium (Smolders et al. 2016), werden berekend voor de volledige Zeeschelde en verrasterd naar een GIS-omgeving van 1m x 1m gridcelgrootte op basis van een IDW interpollatie. Het model werd ontwikkeld binnen het project ‘Integraal Plan Boven-Schelde’ in opdracht van De Vlaamse Waterweg en voor een groot deel gekalibreerd op basis van stroomsnelheidsdata uit het Habitatmapping Zeeschelde project. De hoogte ten opzichte van de slikwatergrens (LW30), het percentage droogvalduur en de helling van het slik werden afgeleid uit basisgrids gebruikt voor de opmaak van de ecotopenkaarten voor de Zeeschelde. Verder zijn er een aantal variabelen die sterk vergelijkbare gradiënten vertonen langsheen de as van de rivier, wat problemen geeft bij statistische analyses (collineariteit). Aangezien de 4 studiegebieden sterk ruimtelijk van elkaar zijn gescheiden en verspreid liggen over de saliniteitsgradiënt, werd saliniteitszone gebruikt als categorische variabele. Deze ruimtelijke categorie omvat zowel variatie in afstand tot de monding, saliniteit als tijverschil en verblijftijd. Gemiddelde stroomsnelheid wordt berekend als het gemiddelde van de gemiddelde ebsnelheid en de gemiddelde vloedsnelheid. Maximale stroomsnelheid wordt berekend als het maximum van de maximale ebsnelheid en de maximale vloedsnelheid.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 35 van 157
Als extra informatielaag werden de staalname punten gekoppeld aan de ecotopenkaart 2013 (Van Ryckegem et al., 2015) en op basis van hun locatie (x,y coördinaten) toegekend aan het ecotooptype versie 0.1 (met een resolutie van 1 m²). 1.1.5.2
Verkennende analyse
In de verkennende analyse werd in de eerste plaats gekeken of de dataset een representatief beeld gaf van ecologische relaties tussen het macrobenthos en omgevingsvariabelen. Strata met een verstorend effect op kenmerken van de macrobenthosgemeenschap en hun relatie tot andere variabelen (zoals hard substraat, supralitorale slikzones) werden niet meegenomen in de uni- en multivariate analyse. Vervolgens werd nagegaan of transformaties van de omgevingsvariabelen aangewezen waren om lineaire relaties met aantallen of biomassa te optimaliseren. Deze analyses geven ook een eerste indicatie over het eventuele unimodale responsen. In een volgende stap werd de multicollineariteit tussen de omgevingsvariabelen onderzocht aan de hand van generalized variance inflation factors (GVIF) en analyse van de paarsgewijze correlaties tussen deze variabelen. Pragmatisch gehanteerde, maximaal toegestane waarden liggen rond de 2 voor GVIF en rond de 0.4 voor R2 in paarsgewijze correlaties. Hogere waarden leiden tot interferentie voor het toe-eigenen van verklaarde variatie tussen variabelen in de analyses. Op basis van GVIF en paarsgewijze correlaties werd een subset van de potentiële verklarende variabelen geselecteerd die minimaal met elkaar gecorreleerd zijn. Deze subset werd dan gebruikt in een derde en laatste stap bij de eigenlijke multivariate en univariate analyses. Op basis van verkennende grafieken van de relatie tussen omgevingsvariabelen en soortensamenstelling, totale aantallen en totale biomassa, werd ook bepaald voor welke variabelen er kwadratische termen in de analyse werden meegenomen om unimodale responsen te modelleren. 1.1.5.3
Multivariate analyses: gemeenschapssamenstelling
Multivariate technieken laten toe om gegevens over aan- en afwezigheid of abundantie van meerdere (alle) soorten binnen elke site te gebruiken om verschuivingen in faunagemeenschappen in verband te brengen met sturende omgevingsvariabelen en ruimtelijke verspreiding. Voor deze analyses werden enkel de soorten weerhouden die in minstens 5% van de stalen van het focusgebied voorkomen. Soorten die een lagere frequentie van voorkomen hebben, veroorzaken eerder ruis dan dat ze de onderzochte relaties verhelderen. We beperken ons hier tot analyses op basis van densiteit (aantallen per oppervlakte). Verkennende analyses en eerdere ervaringen (Habitatmapping subtidaal, Van Braeckel et al. 2018) toonden aan dat analyses op basis van densiteit duidelijkere en meer uitgesproken resultaten opleverden dan analyses op basis van aan- of afwezigheid van soorten binnen elke site. Voor de gemeenschapsanalyse werd een RDA-analyse op Hellinger-getransformeerde densiteiten (individuen per staal) uitgevoerd. Deze methode houdt rekening met de relatieve abundantie van de verschillende soorten binnen een locatie. In eerste instantie werd een model opgebouwd met alle geselecteerde variabelen uit de verkennende analyses. Voor een aantal variabelen werd ook een kwadratisch verband toegevoegd om unimodale responsen te modelleren. Vervolgens werd modelselectie toegepast (selectie van relevante verklarende variabelen) aan de hand van achterwaartse selectie op basis van de verklaarde variatie (R2) en significantie van elke variabele. Variabelen die minder dan 1% van de variatie verklaren of niet significant (op het 5% niveau) bijdroegen tot de verklaarde variatie, werden stapsgewijs uit het ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
maximale model verwijderd. Alle analyses werden uitgevoerd in R met behulp van de package ‘vegan’. Er werd eerst een analyse uitgevoerd voor alle saliniteitszones samen. Omdat de gemeenschapssamenstelling sterk verschilt tussen brak (mesohalien) en zoet water (oligohalien, zoet met lange verblijftijd en zoet met korte verblijftijd) (zie resultaten), werd er voor deze twee zones afzonderlijke ook een analyse uitgevoerd. 1.1.5.4
Univariate analyses: totale aantallen en biomassa
Aan de hand van univariate regressieanalyses (veralgemeende lineaire modellen of generalized linear models) werd nagegaan in hoeverre de verschillende omgevingsvariabelen bijdragen om de patronen in de totale aantallen en biomassa van de benthische fauna in het intertidaal te verklaren. Hierbij werden per staalnamepunt de aantallen of biomassa overheen alle soorten gesommeerd. Voor de totale aantallen werd een GLM (generalized linear model) analyse uitgevoerd met log link functie en negatief-binomiale foutverdeling. Preliminaire analyses toonden aan dat een GLM met Poisson foutverdeling niet voldoet aan de assumpties, omdat er overdispersie (de foutenmarge is groter dan verwacht onder Poisson) voorkomt. Voor de totale biomassa werd een GLM uitgevoerd met log link functie en gamma foutverdeling om te voldoen aan de assumpties van heteroscedasticiteit. Omdat nulwaarden niet zijn toegestaan in een gamma distributie (strikt groter dan nul) werd aan de biomassa waarden een kleine waarde toegevoegd zodat alle waarden strikt positief zijn. De waarde die werd toegevoegd is gebaseerd op McCune and Grace (2002): Voor de totale biomassa werd een GLM uitgevoerd met log link functie en gamma foutverdeling om te voldoen aan de assumpties van heteroscedasticiteit. Omdat nulwaarden niet zijn toegestaan in een gamma distributie (strikt groter dan nul) werd aan de biomassa waarden een kleine waarde toegevoegd zodat alle waarden strikt positief zijn. De waarde die werd toegevoegd is gebaseerd op McCune and Grace (2002): 𝑦𝑡𝑟 = 𝑦 + 𝑑 Waarbij: 𝑑 = exp(𝑐) En 𝑐 = 𝑖𝑛𝑡(log(𝑚𝑖𝑛(𝑦))) met int() het integer (geheel getal) deel van een getal min() het minimum van alle waarden groter dan nul Deze transformatie voegt een kleine constante d toe, zodat alle waarden groter zijn dan nul. Bij elke analyse wordt er gestart met een maximaal model waarin alle geselecteerde (en dus niet collineaire) omgevingsvariabelen uit de verkennende analyses worden meegenomen. Indien nodig worden kwadratische termen toegevoegd om unimodale responsen te modelleren. Dit maximale model wordt vervolgens afgebouwd aan de hand van achterwaartse modelselectie (selectie van relevante verklarende variabelen) op basis van AIC. Hierbij heeft
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 37 van 157
een model met een lagere AIC de voorkeur op een model met een hogere AIC. Indien het verschil in AIC waarde tussen het beste model (laagste AIC) en een aantal andere modellen niet groter is dan 2, wordt het meest parsimone model behouden. Om het verklarend vermogen van het beste model aan te geven wordt een pseudo-R² 𝑑𝑒𝑣𝑖𝑎𝑛𝑐𝑒 berekend als 1 − 𝑑𝑒𝑣𝑖𝑎𝑛𝑐𝑒 𝑚𝑜𝑑𝑒𝑙 Om het belang van individuele omgevingsvariabelen te 𝑛𝑢𝑙𝑙.𝑚𝑜𝑑𝑒𝑙
vergelijken, worden, zowel voor aantallen als biomassa, gestandaardiseerde richtingscoëfficiënten (SC) berekend voor elke variabele. Deze worden verkregen door de analyses uit te voeren na standaardisatie van de verklarende variabelen: 𝑥𝑠𝑡 =
𝑥 − 𝑔𝑒𝑚(𝑥) 𝑠𝑑(𝑥)
waarbij gem(x) en sd(x) respectievelijk het gemiddelde en de standaard deviatie van de variabele x zijn. SC geeft de richtingscoëfficiënt weer op basis van herschaalde variabelen (gemiddelde 0 en standaard deviatie 1) en laat toe om het belang van variabelen onderling te vergelijken. Hoe groter de absolute waarde van de SC, hoe groter de invloed op de aantallen of biomassa. Zoals bij de gemeenschapsanalyse, wordt er een analyse uitgevoerd op alle saliniteitszones samen, en een aparte analyse voor brak (mesohalien) en zoetwater (oligohalien, zoet met lange verblijftijd en zoet met korte verblijftijd). Aangezien de soortensamenstelling van de macrobenthosgemeenschap sterk verschilt tussen brak en zoet (zie resultaten), is het immers mogelijk dat ook de sturende variabelen verschillen tussen deze zones. Alle analyses worden uitgevoerd in R.
1.1.6 Ecotopen en ecotoopgrenzen onderscheiden Op basis van multi- en univariate analyses zijn verbanden aangetoond tussen het benthos enerzijds en fysische omgevingsvariabelen anderzijds. Deze verbanden laten ons toe om een opdeling van de slikhabitat te maken met gedocumenteerde biotische betekenis. Op basis van de voorgaande analyses zullen eerst abiotische variabelen worden geïdentificeerd die een significante invloed hebben op de soortensamenstelling, abundanties en biomassa. De relevante variabelen kunnen dan verder gebruikt worden om een opsplitsing te maken in slikhabitats met lagere of hogere abundanties of biomassa’s, al dan niet gecombineerd met een andere belangrijke variabele. Dit gebeurt aan de hand van een geoptimaliseerde methode gebaseerd op Ysebaert et al. (2009, 2016). Enerzijds gebeurt de opsplitsing in een groep met lagere of hogere abundanties of biomassa’s op basis van twee relevante abiotische variabelen (X en Y) om een scheidslijn te definieren (beperkt tot een rechte lijn) in het X-Y vlak zoals toegepast in Habitatmapping Zeeschelde Subtidaal (Van Braeckel et al. 2018). Op basis van deze scheidslijn kunnen de stalen ingedeeld worden in twee groepen. Anderzijds kan dit ook gebeuren op basis van één verklarende variabele waarbij een grenswaarde wordt gebruikt om de twee groepen (lage/hoge densiteiten of biomassa) te onderscheiden. De basis vormt de berekening van een score voor elke opdeling langs één of twee variabelen tijdens een zoekalgoritme waarbij een ANOVA uitgevoerd wordt op de abundanties of biomassa in de twee bekomen groepen. Hierbij wordt de ‘residual sum of squares’ over de ‘total sum of squares’ berekend wat de residuele fractie van de variantie wordt genoemd. Deze score heeft een waarde tussen 1 (laag onderscheidend vermogen tussen de twee groepen) en
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
0 (hoog onderscheidend vermogen tussen de twee groepen) en dient geminimaliseerd te worden in het zoekalgoritme. Bij de zoektocht naar een grenswaarde op basis van één verklarende variabele worden deze residuele fracties van de variantie geplot. Deze scores vormen ook de basis voor de opdeling op basis van twee verklarende variabelen. Via een zoekalgoritme worden op basis van deze scores de coëfficiënten bepaald voor de regressie tussen X en Y (de vergelijking van een rechte) die de opdeling optimaliseren. Deze optimalisatie wordt uitgevoerd aan de hand van het ‘Pricefit’ algoritme (Soetaert & Herman, 2009) waarvan een implementatie in R voorhanden is in het package ‘ecolMod’. Bijkomend is een routine toegepast met 10 variabele beginpunten om te vermijden dat het zoekalgoritme in een lokaal optimum terecht komt dat verschillend is van het globale optimum. Deze methodiek wordt eerst toegepast op de Habitatmappingdata van 2014 (HM14). De resultaten worden vervolgens gevalideerd aan de hand van een controledataset, de MONEOSmonitoringsdata van 2008 tot 2016 (SP0816). INBO voert jaarlijks een benthosstaalnamecampagne, ook wel Spatialbenthoscampagnes genaamd, uit voor het VNSC MONEOS monitoringsprogramma. Ecotoopgrenzen worden uiteindelijk definitief vastgelegd door integratie van de grenzen bepaald op basis van alle beschikbare data HM14 en op basis van SP0816. Later zullen afgebakende ecotopen binnen de MONEOS programma ook steeds gekalibreerd en gevalideerd worden op basis van zowel habitatmapping en MONEOSspatialdatasets.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 39 van 157
1.2 ALGEMENE KENMERKEN MACROBENTHOS VAN HET SLIK 1.2.1 Diversiteit en taxonomische samenstelling Tabel 1-2: Macrobenthostaxa van HM14 en het aantal stalen waarin ze aangetroffen zijn. Onderaan wordt het aantal niet-lege stalen gegeven. Phylum
Klasse
Species
Mesohalien
Oligohalien
Zoet lang
Zoet kort
Annelida
Hirudinea Oligochaeta
Piscicola cf geometra Baltidrilus costatus
0 6
1 0
0 0
0 0
Bothrioneurum vejdovskyanum
0
0
3
3
Eiseniella tetraedra
0
1
0
1
Enchytraeidae
5
0
2
3
Limnodrilus claparedianus
0
9
1
2
Limnodrilus hoffmeisteri
0
38
38
34
Limnodrilus sp1
0
4
4
12
Lumbricidae
0
0
2
1
Monopylephorus irroratus
0
1
0
0
Paranais frici
1
5
3
1
Paranais litoralis
5
2
1
4
Potamothrix moldaviensis
0
1
2
0
Psammoryctides barbatus
0
0
1
1
Psammoryctides moravicus
0
0
0
1
Quistadrilus multisetosus
0
0
0
1
Tubifex tubifex
0
0
1
0
Tubificide met haren
0
12
14
15
Tubificide zonder haren
1
45
41
41
Tubificoides heterochaetus
37
2
0
0
Hediste diversicolor
20
0
0
0
Heteromastus filiformis
1
0
0
0
Manayunkia aestuarina
2
0
0
0
Pygospio elegans
1
0
0
0
Streblospio benedicti
17
0
0
0
Corophium sl sp
0
0
1
0
Corophium volutator
27
0
0
0
Gammarus sp
0
0
1
1
Polychaeta
Arthropoda
Mollusca
Nemertini
Amphipoda
Gammarus tigrinus
1
1
0
0
Arachnida
Acari
0
1
0
0
Decapoda
Palaemon longirostris
0
1
0
0
Diptera
Cecidomyiidae
0
0
0
1
Ceratopogonidae
0
2
0
0
Chironomidae
0
0
0
2
Dolichopodidae
0
3
1
3
Ephydridae
0
1
0
0
Isopoda
Cyathura carinata
18
0
0
0
Bivalvia
Bivalvia sp
1
0
0
0
Macoma balthica
9
0
0
0
Scrobicularia plana
1
0
0
0
Gastropoda
Hydrobia ulvae
5
0
0
0
Nemertinae
Nemertini
1
0
0
0
Totaal niet lege stalen
49
49
50
44
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Tijdens de HM14 campagne werden 42 taxa van bodemdieren aangetroffen, waarvan 11 slechts éénmalig (Tabel 1-2). De samenstelling van de macrozoöbenthosgemeenschap wordt gedomineerd door het phylum van de rondwormen (Annelida) die meer dan de helft van de taxa uitmaken (inclusief enkele pseudotaxa). Borstelarme wormen (Oligochaeta) zijn veruit de meest soortenrijke klasse met 19 taxa. Dit overwicht is vooral te wijten aan hun hoge presentie in het zoete en oligohaliene deel van de Zeeschelde, waar ze op alle vlakken (soortenrijkdom, densiteit, biomassa) het andere macrobenthos overschaduwen. Voor biomassa’s blijkt dit onder andere uit Tabel 1-3 waar Oligochaeta meer dan 80% van de biomassa uitmaken in de zoete en oligohaliene zone, maar slechts 2.3% in het mesohalien. In deze laatste zone zijn Amphipoda, Bivalvia en Polychaeta de belangrijkste groepen voor wat betreft biomassa. Op basis van de gelijkenissen in soortensamenstelling in de zoete en oligohaliene zones en de in vergelijking totaal verschillende kenmerken van de macrobenthosgemeenschappen in de mesohaliene zone werden gemeenschapsanalysen uitgevoerd op alle data en apart voor data van de mesohaliene zone enerzijds en zoete en oligohaliene zone anderzijds. Tabel 1-3: Biomassa verdeling over de aangetroffen macrobenthos klassen per saliniteitszone. Klasse Amphipoda Bivalvia Decapoda Diptera Gastropoda Hirudinea Isopoda Nemertinae Oligochaeta Polychaeta
Mesohalien 23,4 23,4 0 0 0,7 0 10,9 0,1 2,3 39,2
Oligohalien 0,2 0 6,9 1,1 0 0,1 0 0 87,0 4,7
Zoet lang 0,6 0 0 16,8 0 0 0 0 82,5 0
Zoet kort 0,3 0 0 3,9 0 0 0 0 95,7 0
1.2.2 Kenmerkende soorten De meest kenmerkende taxa in de staalname (op basis van de multivariate analyses, zie verder) zijn het wadkreeftje of slijkgarnaal (Corophium volutator), de lijnpissebed (Cyathura carinata), de veelkleurige zeeduizendpoot (Hediste diversicolor), de Oostzeegroenworm (Marenzelleria neglecta), , een polychaet Streblospio benedicti, het Nonnetje (Macoma balthica), de langstaartkustworm (Tubificoides heterochaetus), de langschedeworm (Limnodrilus claparedianus) en de gewone schedeworm (L. hoffmeisteri), Limnodrilus sp1 (een nog niet beschreven Limnodrilus soort), het gerimpeld slikwormpje (Paranais frici), Tubificiden zonder haren en Tubificiden met haren (de laatste twee groepen zijn verzameltaxa voor enkele groepen van ondetermineerbare (juveniele) oligochaeten) 1.2.2.1
Corophium volutator (Amphipoda)
Het algemeenste vlokreeftje van de brakke Zeeschelde is de slijkgarnaal. Deze soort kan tot meer dan één cm lang worden. Het is als surface deposit feeder een typische bewoner van slibrijke gedeelten van de slikplaten. In algenrijke omgevingen kan hij ook deze organismen uit het water filteren. Het ‘wadkreeftje’ of ook wel ‘slijkgarnaal’ genoemd leeft in een U-vormige gang in het slik die enkele centimeters diep kan zijn. Met behulp van zijn bijzonder krachtige, behaarde 2de paar antennes beweegt de slijkgarnaal zich over het slik en verzamelt zo zijn
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 41 van 157
voornaamste voedsel: detritus & diatomeeën. Zwemmen kunnen ze ook en doen ze doorgaans op hun rug.
Foto 1: Corophium volutator, habitus (©Jan Soors)
1.2.2.2
Cyathura carinata (Isopoda)
De lijnpissebed kan tot meer dan 2cm lang zijn en is crèmekleurig, witbruin gekleurd. Het is een typische brakwaterbewoner die in de Zeeschelde tot in het oligohaliene deel van de Rupel en ter hoogte van de Notelaer voorkomt. De hoogste dichtheden haalt deze pissebed in de brakke Zeeschelde nabij de Nederlandse grens. Het is –net als Corophium volutator- een surface deposit feeder maar ze haalt niet de hoge densiteiten van Corophium. C. Carinata kan in tegenstelling tot C. volutator niet zwemmen.
Foto 2: Cyathura carinata,habitus (© Jan Soors)
1.2.2.3
Hediste (Nereis) diversicolor (Polychaeta)
De veelkleurige zeeduizendpoot is geen duizendpoot maar een polychaet: een worm met vele chaetae of borstels. Hediste diversicolor is de meest algemene en grootste polychaet in de Zeeschelde (haalt regelmatig een lengte van meer dan 10 cm). Hij is te herkennen aan de vorm van de grote parapoden, die aan beide kanten van elk segment aanwezig zijn en aan de rode lijn (de bloedbaan) die te zien is aan de rugkant. Het is een opportunistische worm die jaagt, graast en/of filtert naargelang het voedselaanbod: hij kan zich voeden met wormen en andere slikbewoners die het met zijn krachtige kaken -die ingeplant staan op een soort van slurf (proboscis)- grijpt (Foto 3). Anderzijds kan hij zich ook voeden door te grazen op algen, door dood materiaal op te nemen of kan hij opgeloste stoffen uit het water filteren. Zelfs ‘tuinieren’ is bij deze soort vastgesteld: het tot kiemen brengen van zaad van slijkgras in hun gangen. Door zijn ‘graasgedrag’ zou hij een belangrijke beperkende factor zijn voor schorontwikkeling. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Deze soort komt vooral in het mesohaliene deel van de Zeeschelde voor maar is recent ook tot op de Notelaer (centrale deel van de oligohaliene zone) waargenomen.
Foto 3: Nereis (Hediste) diversicolor, habitus en detail: proboscis met paragnathen (© Jan Soors)
1.2.2.4
Marenzelleria neglecta (Polychaeta)
Marenzelleria neglecta of Oostzeegroenworm is een tot 15 cm lange, slanke, exotische polychaet die te herkennen is aan de grote lamelvormige kieuwen die paarsgewijs vanaf de eerste segmenten tegen het lichaam aan liggen. In tegenstelling tot Hediste diversicolor is het een slappe worm met kleine, in het veld nauwelijks te onderscheiden parapoden. Deze slibrijke-bodembewoner leeft in een met slijm beklede gang die tot meer dan 30 centimeter diep kan zijn. De Oostzeegroenworm Is een deposit feeder. Dit wil zeggen dat hij zich voedt door voedseldeeltjes (organismen, organisch materiaal en afval) van de bodem op te nemen. De Oostzeegroenworm Marenzelleria neglecta kwam oorspronkelijk enkel voor in brak water langs de Atlantische kusten van Noord-Amerika. Vermoedelijk bereikte de soort rond 1985 met het ballastwater van schepen het Duitse deel van de Baltische Zee. Op basis van exemplaren uit de Baltische Zee werd deze worm in 2004 beschreven als een nieuwe soort voor de wetenschap. In België werd de Oostzeegroenworm voor het eerst waargenomen in de Zeeschelde nabij Antwerpen op 23 oktober 1996.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 43 van 157
Foto 4: Marenzelleria neglecta, habitus: let op de roodgekleurde kieuwen (© Jan Soors)
1.2.2.5
Streblospio benedicti (Polychaeta)
Een kleine, tot 2 cm lange estuariene polychaet die in het veld niet te herkennen is maar onder vergroting gekenmerkt wordt door een opstaande kraag –eigenlijk zijn het de kieuwen die dorsaal aan elkaar zijn gegroeid- op het 2de segment en aan de kamvormige hakenborstels. Ze leven in fragiele slijmerige kokertjes die aan de buitenkant met zand en detritus kunnen bezet zijn. Ze leven vooral in slibbige substraten in riviermondingen en estuaria. In de Zeeschelde komen ze enkel in het mesohaliene voor: de soort is nog nooit stroomop Antwerpen gevonden. Er wordt voorlopig van uit gegaan dat het S. benedicti is die in de Zeeschelde voorkomt hoewel de gevonden exemplaren enkele kenmerken met S. shrubsolii gemeen heeft. Genetisch onderzoek zal uitsluitsel moeten brengen.
Foto 5: Streblospio benedicti, habitus en detail: kop (© Jan Soors)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.2.2.6
Limnodrilus hoffmeisteri (gewone schedeworm) en L. claparedianus (langschedeworm)
Deze kleine en opportunistische oligochaeten hebben een brede ecologische range en leven in cohesief slibrijke bodems in alle watertypes, inclusief vervuilde (al dan niet met hoge organische belasting). Van deze twee soorten is L. hoffmeisteri wel bij uitstek de soort met brede ecologische toleranties en een abundante, wereldwijde verspreiding. Genetisch onderzoek toonde aan dat verschillende cryptische soorten schuilgaan onder dit ene taxon. Het voedsel van deze soorten bestaat wellicht vooral uit fijn organische materiaal dat zij aan de oppervlakte verzamelen. Ondanks het feit dat hij een zoetwatersoort is, wordt L. hoffmeisteri meer zeewaarts gevonden dan andere zoetwater-oligochaeten (tot 5psu). Binnen de in de zoete Zeeschelde sterk dominante groep Oligochaeta (bijna 90% van de biomassa), is dit de courantst aangetroffen soort (Speybroeck et al. 2014). In de Zeeschelde bereikt deze soort tegenwoordig haar hoogste densiteiten in het intertidaal gebied, terwijl dat in sommige zones van de zijrivieren (bv. Rupel, Dijle) en vroeger ook deels in de Zeeschelde eerder in het ondiep subtidaal het geval is/was. Limnodrilus hoffmeisteri komt in 73% en L. claparedianus in 8% van de staalnamepunten van zwak brak tot zoet met korte verblijftijd voor. In het mesohalien ontbreken ze. De gemiddelde densiteit van de talrijkste soort L. hoffmeisteri bedroeg 5600, 6500 en 7900 ind/m² voor zoet korte verblijftijd, zoet lang verblijftijd en het oligohalien, respectievelijk. Het is erg waarschijnlijk dat het gros van de juveniele oligochaeten die niet tot op soort te determineren waren en onder de noemer ‘Tubificiden zonder haren’ werden geklasseerd ook tot deze soort behoren, waardoor de werkelijke gemiddelde densiteit tussen de 17.000 en 28.000 per m² zou bedragen.
Foto 6: Limnodrilus hoffmeisteri, detail: soortspecifieke chaeta (©Jan Soors)
1.2.2.7
Paranais litoralis (glad slikwormpje) en Paranais frici (gerimpeld slikwormpje)
Het glad sikwormpje is een typische estuariene soort die ook in poelen met brakwaterkwel of in met zouten verontreinigde stromen kan voorkomen. Samen met de ecologisch nauw verwante Paranais frici, het gerimpeld slikwormpje, voedt het zich met microscopische algen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de veel grotere Limnodrilus-soorten die op detritus teren.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 45 van 157
Kenmerkend voor deze soorten is de niet-geslachtelijke voortplanting, het ontbreken van dorsale chaetae (borstels) op enkele segmenten en de lengte van deze borstels.
Foto 7:Paranais litoralis, habitus en detail: kop met soortspecifieke chaeta (© Jan Soors)
1.2.2.8
Tubificoides heterochaetus (langstaartkustworm)
Tubificoides heterochaetus is voor het eerst gerapporteerd in Belgische wateren in 1952 in de Schelde nabij Doel. Het is onzeker of deze soort van origine inheems is (Van Haaren & Soors, 2013). Het is een deposit feeder in de bovenste bodemlaag (<5cm). Hij is te herkennen aan het contrast tussen de vrij brede eerste lichaamssegmenten en de lange, smalle, kronkelige ‘staart’. Op die ‘staart’ staan lange, enkelpuntige setae (borstels).
Foto 8: Tubificoides heterochaetus (© Ton Van Haaren); detail: haarvormige chaetae en papilae (© Jan Soors)
De langstaartkustworm is samen met Baltidrilus costatus vaak dominant terug te vinden in de mesohaliene brakwaterzones van estuaria (Seys et al. 1999). Hij werd reeds waargenomen bij zoutgehaltes van 0.5 tot 20 PSU, maar gedijt het best tussen 2 en 14 PSU is. Hij leeft in zandige
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
tot slibrijke substraten, is tolerant voor matige vervuiling, maar is gevoelig voor lage zuurstofgehaltes (Harrel 2004). Tubificoides heterochaetus is aangetroffen in 74% van de staalnamepunten in de brakke zone. 1.2.2.9
Macoma balthica (Bivalvia)
De tweekleppige Macoma balthica (Ned.: nonnetje) verkiest eerder zandige bodems. Ze leeft hier ingegraven en voedt zich voornamelijk met algen. Met hun sifon filteren ze het fytoplankton uit het water (filter feeder), maar ze kunnen ook microfytobenthos van de bodem opzuigen (surface deposit feeder). Nonnetje vormt een belangrijke voedselbron voor steltlopers en vissen (oa. Schol predeert op de siphons van nonnetjes). Nonnetjes kunnen 6 tot 7 jaar oud worden en graven zich steeds dieper in naarmate ze ouder worden.
Foto 9: Nonnetje of Macoma balthica
Macoma balthica is zeer algemeen in de Westerschelde in het intertidaal, zowel in de mariene zone als de brakke zone (Ysebaert & Meire 1999, Ysebaert et al. 2003). In het subtidaal en vooral in het intertidaal van de brakke zone van de Zeeschelde zijn ze een stuk minder abundant. De lagere densiteiten en biomassa kunnen wellicht worden gelinkt aan de soms relatief lage saliniteit en de grote saliniteitsschommelingen (Speybroeck et al. 2014). De gemiddelde biomassa neemt af met afnemend zoutgehalte. In het subtidaal komt M. balthica veel minder voor. In de Westerschelde heeft M. balthica een voorkeur voor droogvallende, laagdynamische, fijnzandige gebieden (Ysebaert & Meire 1999). Het Nonnetje is in deze campagne in 18% van de staalnamepunten in de brakke (mesohaliene) zone aangetroffen.
1.2.3 Algemene sedimentkenmerken van de benthoslocaties De mediane korrelgrootte in de zoete zones met korte en lange verblijftijd zijn fijner (mediaan <25µm) dan in de meso- en oligohaliene zones (60-70µm) (Figuur 1-3). Dit strookt met het erg hoge percentage slib in de zones met korte en lange verblijftijd en de lagere fracties slib in het meso- en oligohalien. In de meeste zones werden uitbijters met grofzandige sedimenten aangetroffen. Van Ryckegem et al. (2016) merkten op dat het sediment in de Zeeschelde sinds 2011 iets fijner en slibrijker is geworden in het intertidale gebied en dat deze evolutie meer uitgesproken is in de meer stroomopwaarts gelegen zoetwaterzones van de Boven‐Zeeschelde en zijrivieren. Deze vaststellingen komen overeen met de waarnemingen in deze studie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 47 van 157
Figuur 1-3: Boxplots (mediaan, box = 25%-75% percentielen, whiskers=1.5 IQR) van de mediane korrelgrootte, het percentage slib en het percentage organisch materiaal voor de staalnamepunten voor benthos in the HM14 campagne
Het percentage organisch materiaal in het slib was in alle zones vergelijkbaar, met een mediaan van ongeveer 5-6% en een range van ongeveer 1-10% in alle zones. Deze waarden komen overeen met die uit eerdere campagnes in het intertidaal van de Zeeschelde bv. Speybroeck et al. (2014). Percentages organisch materiaal in het slik in de Zeeschelde vertonen geen aantoonbare trend overheen de voorbije 20 jaar, ondanks sterke veranderingen in het ecosysteem en vermindering van de toegevoerde vuilvracht in dezelfde periode (Van Ryckegem et al. 2016). Een meer uitvoerige analyse van sedimentkarakteristieken in functie van de verzamelde fysische variabelen valt buiten de scope van deze studie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.3 MACROBENTHOSGEMEENSCHAP ANALYSEN 1.3.1 Verkennende analyse Bij een eerste verkennende analyse bleek dat er een groot aantal stalen is met lage densiteit en biomassa van benthos. Belangrijker nog is dat deze benthosarme stalen nauwelijks relaties tot omgevingsvariabelen (o.a. hoogte boven LW30) vertonen – we vinden ze zowel hoog op het slik als laag op het slik -,terwijl dat bij de overige stalen wel het geval is. Deze stalen maken het dus veel moeilijker om duidelijke ecotoopgrenzen af te bakenen voor macrozoöbenthos, doordat ze de relaties met omgevingsvariabelen doen vervagen. Nadere inspectie bracht aan het licht dat het vooral locaties betreft op plaatsen waar de geomorfkaarten hard substraat indiceren. In de meeste gevallen zijn dit plekken met zacht sediment op breuksteen of natuurlijk hard substraat (Figuur 4 1). In het veld hebben ze het uitzicht van zacht substraat (of betreft het zacht slib waar enkele stenen uitsteken), maar onder het slikoppervlak ligt een laag stenen of andere harde substraten (klei, veen,…). Omwille van hun sterk afwijkend gedrag werden deze stalen afgescheiden en verdere analysen betroffen uitsluitend stalen van zacht substraat.
Figuur 1-4: Macrobenthos in functie van onderliggend substraat a) aantallen en b) biomassa per m² (HM14; V0.1)
Het aantal bemonsterde locaties per huidig gebruikte ecotopenstratum (ecotopenkaart 2013, gebaseerd op Van Braeckel et al., 2006) zonder outliers (extreme sedimentsamenstelling) wordt weergegeven in Tabel 1-4. Tabel 1-4: Aantal bemonsterde locaties per ecotooptype (HM14; V0.1)) Fysiotoop
Substraattype Zacht
Hard
laag slik
46
16
middelhoog slik
90
26
hoog slik
10
6
supralitoraal
15
0
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 49 van 157
De ‘hard substraat’ locaties kunnen eenvoudig herkend worden door gebruik te maken van het geomorftype uit de ecotopenkaarten waarop zones met hard substraat zijn aangeduid. Deze kaarten die gebaseerd zijn op orthofoto (true & false colour beelden) geven een soms wel onderschatting van de oppervlakte hard substraat, doordat met een dun laagje slib bedekt hard substraat niet altijd als dusdanig kan herkend worden. De kwaliteit van de kaartlagen is ook afhankelijk van de opnameperiode van de gebruikte orthofoto. Een extra hellingcriterium kan echter wel een deel van de gemiste harde substraten aan het licht brengen. Conform de aanpak bij het Integraal Plan Boven-Zeeschelde (Van Braeckel et al. 2019) werd beslist om als bijkomend criterium een hellingspercentage van 25% te hanteren. Boven deze hellingsgraad zijn de oevers van de Zeeschelde nagenoeg altijd (ver)hard (ook al staat dit niet steeds in de kaartlagen). Indien ze niet verhard werden, dan nog betreft het vaak (natuurlijke) harde substraten bedekt met een dun zacht sedimentlaagje dat periodiek (seizoenaal) vaak verdwijnt. Dit verband tussen hellingsgraad en verharding is ook duidelijk in onze data, toch voor het middelhoog en hoog slik, wanneer we de hellingsgraad vergelijken tussen locaties met hard of zacht substraat op basis van de kaartlaag (Figuur 1-5). Stalen genomen op locaties met een (zeer) hoge hellingsgraad bevatten overigens ook consequent lagere aantallen en densiteiten aan benthos dan locaties met een lagere hellingsgraad (Figuur 1-6), waarbij we hier in het midden laten of dit te maken heeft met verharding an sich, de hellingsgraad, of eventueel een gerelateerde hydromorfologische variabele, zoals hydrodynamiek.
Figuur 1-5: Helling van de oever in functie van onderliggend substraat per fysiotoop (definitie V0.1)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 1-6: Macrobenthos aantallen (a) en biomassa (b) in functie van helling(log). Vertikale lijn:25%
De supralitorale HM14 stalen zijn meer variabel in benthosdensiteiten en fysische eigenschappen dan de locaties gecatalogeerd als hoog slik (de onderliggende hoogtezone). Gemiddeld zijn de benthosdensiteiten lager maar vooral het aandeel onverklaarde variatie is groter. In realiteit gaat het niet om één ecotooptype maar om een verschillende ecotopen van onbegroeid supralitoraal zacht substraat van verschillende origines, voor een relatief kleine totaal oppervlakte. Ook deze stalen worden niet mee genomen in de multi- en univariaatanalysen van het zacht litoraal slik.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 51 van 157
Figuur 1-7: Spreiding van de totale macrobenthosdensiteit op de slikken per gebied (groen: in supralitorale zone, grijs: breuksteenzone of veenbank ).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Voor elk van de continue potentieel verklarende variabelen werd in eerste instantie nagegaan of er transformaties nodig zijn om het lineair (of unimodaal) verband met biomassa of aantallen te verbeteren. In Tabel 1-5 wordt voor elk van de variabelen weergegeven welke transformatie toegepast werd in verdere analyses. De relaties worden ook weergegeven in figuren in Bijlage 1A en 1B. Merk op dat hoewel deze verkennende analyses zijn uitgevoerd voor totale aantallen en biomassa (de som over alle soorten per staal), dezelfde transformaties worden gehanteerd voor de multivariate analyse van de gemeenschapssamenstelling. Aanvullende figuren (Bijlage 1C) geven aan dat de transformaties ook goede benaderingen geven voor lineaire of unimodale responsen per soort. Tabel 1-5:Potentieel verklarende variabelen en benodigde transformaties. Percentage slib en Dom_avg_vl is niet weerhouden owv sterk verband met respec. Korrelgrootte Dom_max_vl. Variabele
Omschrijving
Eenheid
Transformatie
Stroom_gem
Gemiddelde stroomsnelheid
m/s
√
Stroom_max
Maximale stroomsnelheid
m/s
Geen
Dom_max_vl
Vloeddominantie
-
Geen
Hoogte_LW30
Hoogte t.o.v. laagwater (LW30)
m
Geen
DD
Droogvalduur
%
Geen
Helling
Helling van het slik
%
√
Mediaan
Mediane korrelgrootte
µm
√
OM
Percentage organisch materiaal
%
Geen/√
Uit de continue variabelen geassocieerd met stroomsnelheid, topologie en sedimenteigenschappen wordt op basis van GVIF en paarsgewijze correlaties een verdere selectie gemaakt om multicollineariteit te reduceren. Waarden voor GVIF en paarsgewijze correlaties voor alle variabelen zijn weergegeven in Bijlage 2. De uiteindelijke selectie van variabelen met minimale multicollineariteit, weergegeven in Tabel 1-6 en Figuur 1-8 is zowel van toepassing op de totale dataset (alle saliniteitszones) als voor aparte datasets voor brak (mesohalien) enerzijds en zoetwater (oligohalien, zoet met lange verblijftijd en zoet met korte verblijftijd) anderzijds. Voor de zoetwater zone is de variabele Stroom_max een randgeval (GVIF= 2.32) maar omwille van vergelijkbaarheid tussen de zones wordt de variabele behouden. De overblijvende variabelen zijn: saliniteitszone (Salzone, enkel in hele dataset), maximale stroomsnelheid (Stroom_max), hoogte t.o.v. laag water (Hoogte_LW30), helling en percentage organisch materiaal (OM).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 53 van 157
Tabel 1-6: Generalized variance inflation factors (GVIF) voor de HM14 dataset voor de geselecteerde variabelen met minimale multicollineariteit. Vergelijking met categorische variabele (Salzone) gebeurt adhv GVIFadj = [GVIF1/(2⋅df)]2
Salzone Stroom_max Hoogte_LW30 Sqrt(Helling) OM
GVIF 1.85 2.12 1.43 1.64 1.27
df 3 1 1 1 1
GVIFadj 1.23 2.12 1.43 1.64 1.27
Op basis van de verkennende analyses en figuren in Bijlage 1A en Bijlage 1B werd besloten om in de univariate analyses ook een kwadratische term aan de modellen toe te voegen voor hoogte ten opzichte van laag water, helling en percentage organisch materiaal. Voor deze variabelen zijn er potentieel unimodale responsen aanwezig. In de multivariate analyses worden geen kwadratische termen toegevoegd omdat de interpretatie ervan in een multivariate analyse niet eenduidig te maken is.
Figuur 1-8: Paarsgewijze correlaties voor de geselecteerde variabelen met minimale multicollineariteit.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.3.2 Macrobenthos gemeenschapsstructuur Na het wegselecteren van harde subtraten en supralitorale fysiotopen trachten we aan de hand van multivariate analyses faunagemeenschappen in de zachte substraten van het litoraal te karakteriseren. Hiervoor werd de relatie onderzocht tussen de densiteit van soorten binnen elke site en potentieel sturende omgevingsvariabelen. Dit toont hoe de aanwezige benthosgemeenschap verandert qua soortensamenstelling en –structuur in functie van de omgevingsvariabelen. In Tabel 1-7 zijn de analyseresultaten weergegeven. Op basis van de soortensamenstelling (hoofdstuk 1.2.1) werd beslist om zowel de totale dataset (alle saliniteitszones) als aparte datasets voor brak (mesohalien) en zoet (oligohalien, zoet met lange verblijftijd en zoet met korte verblijftijd samen) te analyseren. Per gemodelleerde zone worden telkens de significantie en verklaarde variatie van de potentieel sturende omgevingsvariabelen weergegeven. Tabel 1-7: Resultaten van de multivariate analyse op gemeenschapsstructuur (samenstelling en densiteiten). De waarden in de tabel geven de verklaarde variatie weer (R2; totaal of voor elke variabele afzonderlijk). Significantie: ·:0.1 > p >0.05; *: p < 0.05; **: Saliniteitszones
Alle Salzones
Mesohalien
Zoetwater zones (zonder mesohalien)
R2 totaal
0.65***
0.44***
0.11***
Salzone
0.61***
Hoogte_LW30
0.04***
Variabele
0.38***
Stroom_max
0.04*
Helling (sqrt)
0.1***
OM (sqrt)
0.06*
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 55 van 157
A
B Figuur 1-9: RDA-analyse op intertidale macrobenthosdensiteiten in alle salzones: belangrijkste soorten (aanwezig in >5% van de stalen) en significante variabelen. A) vergelijking tussen staalname punten. De afstand t tussen staalnamelocaties weerpiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling; de projectie op de vector van omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie met deze variabelen. B) vergelijking tussen soorten. De hoek tussen soorten onderling en tussen soorten en omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). De lengte van de soortpijl geeft de sterkte van de correlatie weer.
Wanneer we de volledige dataset over de vier saliniteitszones analyseren is de totale verklaarde variatie in benthossoortensamenstelling 65%. De meest bepalende factor is de saliniteitszone, die 61% van de variatie verklaart (Tabel 1-7, Figuur 1-9A). In Figuur 1-9B en Figuur 1-10 is inderdaad duidelijk te zien dat de soortensamenstelling sterk verschilt tussen de mesohaliene zone en de andere saliniteitszones. Kenmerkende en vrij talrijke soorten voor het mesohalien zijn Corophium volutator, Cyathura carinata, Hediste diversicolor, Macoma ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
balthica, Streblospio benedicti en Tubificoides heterochaetus. Soorten gebonden aan de zoete zone (oligohalien, zoet met lange verblijftijd, zoet met korte verblijftijd) zijn allemaal borstelarme wormen (Oligochaeta): Limnodrilus claparedianus, Limnodrilus hoffmeisteri, Limnodrilus sp1, Paranais frici, Tubificiden zonder haren en Tubificiden met haren.
Figuur 1-10: Univariate responsen van de belangrijkste soorten (aanwezig in >5% van de stalen) t.o.v. significante variabelen in de RDA (multivariate) analyses. (Zie ook Bijlage 1C)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 57 van 157
A
B Figuur 1-11: RDA-analyse op densiteiten van benthos in de brakke zone: belangrijkste soorten (aanwezig in >5% van de stalen) en significante variabelen. A) vergelijking tussen staalname punten. De afstand tussen staalnamelocaties weerpiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling; de projectie op de vector van omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie met deze variabelen. B) vergelijking tussen soorten. De hoek tussen soorten onderling en tussen soorten en omgevingsvariabelen weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie).
Binnen het mesohalien zijn er twee soortengroepen te onderscheiden langsheen de hoogtegradiënt (Tabel 1-7, Hoogte_LW30, 38% verklaarde variatie). Een groep met Corophium volutator, Cyathura carinata en Hediste diversicolor bevindt zich hoofdzakelijk hoog op de slikken. Een groep met hoofdzakelijk Tubificoides heterochaetus en Streblospio benedicti bevindt zich eerder laag tot middelhoog op het slik (Figuur 1-9B, Figuur 1-11). Een verder onderscheid tussen soorten kan gemaakt worden langsheen de gradiënt in organisch materiaal (6% verklaarde variatie Tabel 1-7; Figuur 1-10, Figuur 1-11). Cyathura carinata en Streblospio benedicti zijn gelinkt aan locaties met minder organisch materiaal, terwijl enkel Corophium volutator een duidelijk positief verband met organisch materiaal vertoont. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Binnen de zoete zone kan slechts 11% van de variatie in soortensamenstelling verklaard worden door de gebruikte omgevingsvariabelen (Tabel 1-7). Hoewel er ecologische verschillen tussen deze soorten bestaan (bv. de Paranais-soorten zijn algeneters, de Limnodrilus wormen zijn eerder detritus eters) lijken ze als gehele gemeenschap vrij gelijkaardig op de omgevingsvariabelen te reageren. Niet alleen is de gemeenschap in deze zone fylogenetisch weinig divers (bijna allemaal Oligochaeta), de soortensamenstelling is bovendien numeriek heel sterk gedomineerd door één abundante soort, Limnodrilus hoffmeisteri, terwijl andere soorten eerder een erratisch voorkomen vertonen. Bovendien is herkenning van de wormen slechts mogelijk voor volwassen dieren waardoor enkele van de betrokken taxa pseudotaxa zijn (wellicht verzameling van verschillende soorten). Deze pseudotaxa met gemengde soorten en dus waarschijnlijk gemengde ecologische profielen vertonen naar verwachting een minder duidelijk verband met de omgevingsvariabelen dan taxonomisch (en ecologisch) homogenere soorten. De soortensamenstelling in de zoete zone wordt beïnvloed door de maximale stroomsnelheid en de helling van het slik maar de patronen zijn niet erg duidelijk, met uitzondering van Paranais frici die vooral bij lage stroomsnelheden voorkomt. omgevingsvariabelen. De macrobenthosgemeenschap in de zoete zone gedraagt zich als één uniforme gemeenschap en vertoont eerder een generieke respons op de omgevingsvariabelen. Er kan niet, zoals voor de brakke zone, een onderscheid gemaakt worden tussen twee of meerdere gemeenschappen die in functie van omgevingsvariabelen verschillen in voorkomen. Een ecotoopindeling moet in deze zone dus gebeuren op basis algemene parameters (biomassa, densiteit) en niet op soortensamenstelling.
1.3.3 Totale macrobenthos densiteit en biomassa Omdat gemeenschappen van de brakke (mesohalien) en van de zoete zone (oligohalien, zoet korte verblijftijd en zoet lange verblijftijd) uit heel andere soorten samengesteld zijn is het belangrijk om voor de synoptische parameters totale biomassa en totale macrobenthosdensiteit niet alleen een analyse met de vier saliniteitszones samen uit te voeren maar ook voor het brakke en het zoete deel apart. 1.3.3.1
Totale macrobenthosdensiteit
Voor alle saliniteitszones samen werden de densiteiten van macrozoöbenthos best verklaard door een model met daarin hoogte, stroomsnelheid en helling (Tabel 1-8). Zowel voor hoogte als voor helling is ook de kwadratische term van belang, wat wijst op unimodale responsen. Bovendien zijn de effecten van zowel hoogte, maximale stroomsnelheid als helling afhankelijk van de saliniteitszones (interactie met saliniteitszone). Wanneer we de analyse enkel voor het brakke deel doen is er enkel een effect van hoogte (kwadratisch) en van maximale stroomsnelheid. In een analyse met enkel de zoete zone valt het effect van maximale stroomsnelheid weg. Er is wel een effect van hoogte (zonder kwadratische term), helling (kwadratisch) en organisch materiaal. Over het algemeen komen de (richtings-)coëfficiënten en patronen voor de analyse over alle saliniteitszones en voor de analyses van het brakke en zoete deel apart vrij goed overeen. De belangrijkste verschillen zijn het wegvallen van helling (wat dus betekent coëfficiënt = 0) in de analyse met enkel het brakke deel en het wegvallen van stroomsnelheid en behouden van organisch materiaal in de analyse met enkel het zoete deel.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 59 van 157
Tabel 1-8: Resultaten van de lineaire regressie analyses op totale macrobenthosdensiteit. Bij de analyse voor alle salzones samen worden de coëfficiënten van de interacties tussen de omgevingsvariabele en de aparte salzone gegeven. Saliniteitszones Variabele
Alle
Mesohalien
Zonder mesohalien
(pseudo-)R2 totaal
0.65
0.34
0.78
Hoogte_LW30 Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort Stroom_max Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort Helling (sqrt) Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort OM (sqrt) Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort
lin
Kwadr
lin
kwadr
lin
kwadr
0.57 0.45 1.01 1.61
ng ng ng ng
0.81 / / /
-0.29 / / /
/ 0.71 0.98 1.73
/ ng ng ng
0.98 -0.56 0.1 -0.41
/ / / /
0.77 / / /
/ / / /
/ ng ng ng
/ / / /
0.31 -0.11 0.22 -0.20
-0.10 -0.9 -0.32 -0.02
ng / / /
ng / / /
/ 0.17 0.15 -0.42
/ -0.78 -0.25 0.05
ng ng ng ng
ng ng ng ng
ng / / /
ng / / /
/ 0.39 0.03 -0.09
/ ng ng ng
Waarden voor afzonderlijke variabelen zijn gestandaardiseerde coëfficiënten. lin = lineaire component; kwadr = kwadratische component. / = niet opgenomen in het maximale model; ng = niet behouden in het afgebouwde (beste) model.
Algemeen kan er gesteld worden dat er een positief verband is tussen aantallen macrobenthos en slikhoogte (Figuur 1-12). Dit positief verband zwakt evenwel af naar het hoog intertidaal in de brakke zone (mesohalien). Het sterkste positieve verband met hoogte wordt waargenomen in de zoete zone met korte verblijftijd. Dit komt wellicht doordat er hier een sterke afname is van de getijamplitude, waardoor de bovengrens van het slik 1 tot 2 meter lager ligt dan in de andere zones (zie Bijlage 3).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 1-12: Macrobenthosdensiteiten in functie van de hoogte ten opzichte van laag water per saliniteitszone. Regressielijnen zijn gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). De densiteiten op de y-as hebben een log-schaal.
Figuur 1-13: Macrobenthosdensiteiten in functie van maximale stroomsnelheid per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Nietsignificantie van stroomsnelheid in het zoete deel zorgt voor een horizontale regressielijn. Densiteiten op de y-as hebben een log-schaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 61 van 157
Figuur 1-14:Macrobenthosdensiteiten in functie van slikhelling per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). De densiteiten op de y-as hebben een log-schaal.
Figuur 1-15: Macrobenthosensiteiten in functie van het percentage organisch materiaal in het slik per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). De densiteiten op de y-as hebben een log-schaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
In de brakke zone is er een positief effect van maximale stroomsnelheid op de aantallen (Figuur 1-13). Dit effect wordt niet waargenomen in de zoete zone, daar is er eerder een tendens tot een negatief effect van maximale stroomsnelheid, maar dit wordt niet opgepikt door de analyses. Afhankelijk van de saliniteitszone is er geen (mesohalien), een lineair (zoet met korte verblijftijd) of een unimodaal (oligohalien en zoet met lange verblijftijd) effect van slikhelling. Algemeen kan voor de zoete zone gesteld worden dat de grootste aantallen worden waargenomen op intermediaire hellingen (Figuur 1-14). Zowel steilere slikken (> 5-10%) als slikken zonder helling (< 0.5-1%), waaronder veel lage zandige platen (OH) of slib op een harde veenlaag (MH) hebben een negatief effect op de aantallen. Tenslotte is er in het oligohalien ook een positief effect waar te nemen van het percentage organisch materiaal op de aantallen (Figuur 1-15). In de andere saliniteitszones is er geen duidelijk verband met organisch materiaal. Op basis van de gestandaardiseerde coëfficiënten (Tabel 1-8) is slikhoogte overal de belangrijkste variabele. Voor de brakke zone is stroomsnelheid even belangrijk. 1.3.3.2
Totale macrobenthosbiomassa
Voor alle saliniteitszones samen worden biomassa’s van macrozoöbenthos best verklaard door een model met daarin hoogte en helling (Tabel 1-9). In tegenstelling tot totale densiteit is er geen effect van stroomsnelheid of organisch materiaal en dit zowel voor de analyse met alle saliniteitszones als voor de analyses met de brakke en zoete zones apart. Tabel 1-9: Resultaten van lineaire regressie analyses op totale biomassa. Saliniteitszones Variabele
Alle
Mesohalien
Zonder mesohalien
(pseudo-)R2 totaal
0.59
0.47
0.63
Hoogte_LW30 Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort Stroom_max Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort Helling (sqrt) Mesohalien Oligohalien Zoet lang Zoet kort OM (sqrt)
lin
kwadr
lin
kwadr
lin
kwadr
1.38 0.14 0.84 1.32
-0.71 0.26 0.04 -0.36
1.35 / / /
-0.67 / / /
/ 0.27 0.84 1.29
/ ng ng ng
ng ng ng ng
/ / / /
ng / / /
/ / / /
/ ng ng ng
/ / / /
-0.27 0.05 0.24 -0.45 ng
-0.04 -0.64 -0.38 0.13 ng
ng / / / ng
ng / / / ng
/ -0.04 0.27 -0.45 ng
/ -0.70 -0.37 0.13 ng
Waarden voor afzonderlijke variabelen zijn gestandaardiseerde coëfficiënten. lin = lineaire component; kwadr = kwadratische component. / = niet opgenomen in het maximale model; ng = niet behouden in het afgebouwde (beste) model.
De belangrijkste verklarende variabele (hoogste coëfficiënten) is ook hier slikhoogte (Figuur 1-16). Voor het brakke deel is het verband met hoogte kwadratisch en nemen de biomassawaarden licht af bij de hoogste slikhoogtes. In de zoete zones neemt de biomassa lineair toe met hoogte, al zijn er hier weinig locaties met slik op grote hoogtes (>4 m boven
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 63 van 157
laag water). In het zoete deel is de respons op hoogte het minst uitgesproken in het oligohalien (lagere coëfficiënt). Helling is vooral belangrijk in de zoete zone Figuur 1-18) en de patronen zijn vergelijkbaar met die waargenomen voor aantallen. Ook voor de totale biomassa is er een tendens waarbij zowel steile slikken (> 5-10%) als te vlakke slikken (< 0.5-1%) negatief inwerken.
Figuur 1-16: Totale macrobenthosbiomassa in functie van de hoogte ten opzichte van laag water per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Biomassawaarden worden weergegeven in een log-schaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 1-17: : Totale macrobenthosbiomassa in functie van de maximale stroomsnelheid per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op niet de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Merk op dat nt significant resulteert in een horizontale regressielijn. Biomassawaarden worden weergegeven in een log-schaal.
Figuur 1-18:Totale macrobenthosbiomassa in functie van het percentage organisch materiaal in het slik per saliniteitszone. Regressielijnen gebaseerd op de afzonderlijke analyses voor het brakke deel (mesohalien) en het zoete deel (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd). Biomassawaarden worden weergegeven in een log-schaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 65 van 157
1.3.4 Besluiten macrobenthos analyse 1.3.4.1
Besluiten
Slik ecotopen met harde ondergrond en/of een helling > 25%, natuurlijk of antropogeen, met een dun tijdelijk of permanent laagje slib zijn niet interessant als habitat voor macrobenthos. Ze huisvesten algemeen lage macrobenthosdensiteiten en -biomassa’s onder alle omstandigheden. Alles bijeen gaat het om een relatief groot aandeel van het slikhabitat van de Zeeschelde en onderscheiden we het als een apart type. Voor een juiste evaluatie van de intertidale ecologische functies van de Zeeschelde is het dus belangrijk om harde substraten goed te karteren en te begroten. Deze ecotopen zijn doorgaans ook zeer steil en kunnen ook op die manier herkend worden. Data met betrekking tot dit habitat zijn niet mee opgenomen in de multi- en univariaatanalyse. Zachte substraten in het supralitoraal, de zogenaamde potentiële pionierszone in de overgang naar het schor, zijn niet één ecotoop maar een groep van ecotopen met uiteenlopende kenmerken op een relatief kleine totaaloppervlakte: geërodeerd schor, gesedimenteerd hoog slik, schorinhammen of -kreken. Gemiddeld zijn de benthosdensiteiten in de supralitorale HM14 stalen lager maar vooral het aandeel onverklaarde variatie is logischerwijze groter dan in de locaties gecatalogeerd als hoog slik in de litorale zone. Het supralitoraal is niet echt een beoogde fysiotoop voor deze studie en ook deze stalen worden niet mee genomen in de multien univariaatanalysen van het litoraal slik. Litoraal slik of zacht substraat is het onderwerp van de multi- en univariate gemeenschapsanalysen. Variabelen met betrekking tot saliniteit, hoogteligging, stroomsnelheid, helling en sedimenteigenschappen werden getest met betrekking tot hun invloed op de macrobenthosgemeenschappen. Tabel 1-10 vat de resulterende verklaring samen voor soortensamenstelling, densiteiten en biomassa van het macrobenthos voor HM14. Saliniteitszone en hoogteligging t.o.v. laagwater verklaren samen 65% van de variatie in soortensamenstelling. De resultaten voor totale densiteit en totale biomassa liggen in dezelfde lijn maar er worden meer en sterkere responsen waargenomen voor densiteit dan voor biomassa. In verband met draagkracht en ecosysteemfunctioneren wordt biomassa doorgaans als een ecologisch meer relevante parameter beschouwd, maar omdat de patronen gelijkaardig zijn hechten we toch veel belang aan densiteit, de variabele met de beste responsresolutie. In totaal kan 30% tot 80% van de waargenomen variatie in densiteit verklaard worden door de geselecteerde omgevingsvariabelen en 50% tot 60% van de waargenomen variatie in biomassa. •
•
Saliniteitszone is zonder meer de invloedrijkste variabele. Deze categorische variabele is een soort containerbegrip en dekt naast saliniteit ook een aantal hydromorfologische kenmerken van de plaatselijke estuariene habitats. In de mesohaliene zone is de soortensamenstelling van macrobenthosgemeenschappen sterk verschillend van die in de ‘zoete’ Zeeschelde (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd samen). Daarom werden analyses naar de invloed van andere variabelen niet alleen voor de volledige Zeeschelde, maar ook apart voor de mesohaliene en de zoete zone (de rest van de Zeeschelde) uitgevoerd. Slikhoogte ten opzichte van laagwater is binnen iedere saliniteitszone de meest dominante omgevingsgradiënt. Ook deze variabele vertegenwoordigt een combinatie van fysische factoren zoals droogvalduur, stroomsnelheid, sedimentkarakteristieken, vochtgehalte. Het is niet mogelijk om aan te duiden welke fysische factor precies de waargenomen patronen verklaart. In de mesohaliene zone is er een shift in
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
•
•
•
soortensamenstelling met de hoogte; er is een ‘hoogslik’ en een ‘laag tot middelhoogslik’ macrobenthosgemeenschap. In alle saliniteitszones nemen densiteiten en biomassa van macrozoöbenthos toe van het laag naar het hoog litoraal slik, al is er in het mesohalien een stagnatie (of zelfs lichte afname) bovenaan het litoraal Hogere stroomsnelheden hebben een ogenschijnlijk positief effect op densiteit maar niet op biomassa in de brakke zone. Biomassa echter wordt bepaald door aantallen én grootte (vorm), die sterk kan verschillen per soort. Dit verschil in de respons tussen densiteiten (duidelijk) en biomassa (niet) ten opzichte van stroomsnelheid kan te wijten zijn aan de shift in soortensamenstelling langs omgevingsgradiënten in de brakke zone. In de zoete zone suggereren de scatterplots van densiteit en biomassa een negatief effect van stroomsnelheid op macrobenthosdensiteit. Stroomsnelheid werd echter niet weerhouden in de modelselectie, en heeft dus geen groot aanvullend effect op de andere variabelen in het model. Er is echter een verband tussen bv. maximale stroomsnelheid en hoogte boven laagwater (zie Figuur 1-8) en dus competitie tussen variabelen bij het verklaren van variatie. Aangezien stroomsnelheid een belangrijke onderliggende sturende variabele is voor slikmorfologie en – sedimentsamenstelling en omdat deze binnen Habitatmapping Zeeschelde als een nieuwe belangrijke te onderzoeken variabele is beschouwd, wordt die toch verder meegenomen binnen de ontwikkeling slikecotopentypologie. Alleen in de zoete zones is er respons op slikhelling gevonden voor densiteit en biomassa. De unimodale respons is belangrijk in de oligohaliene zone en de zoet zone met lange verblijftijd. Macrozoöbenthos is in lagere densiteit en biomassa aanwezig wanneer slikken steiler zijn dan 10-15%. Heel vlakke slikken (<1%, vaak zandige platen laag in het getijvenster) vertonen op basis van de HM14-data ook lage densiteit en biomassa. De steile slikken tussen 10-15% vormt vormen waarschijnlijk de aanloop naar het 25% uitsluitcriterium. Het organisch materiaal gehalte in de bodem verklaart enige variatie in de soortensamenstelling in de mesohaliene zone en voor densiteiten in de oligohaliene zone. Aangezien de meeste soorten organisch materiaal in één of andere vorm (detritus, organische zwevende stof,…) eten is een negatief verband voor een aantal soorten met OM% in de brakke zone enigszins verrassend maar eroderende turfbanken (bv. ter hoogte van het Galgenschoor) bieden een mogelijke verklaring. Ook algemeen vinden we in de Zeeschelde dat OM% weinig tot geen verklarend vermogen heeft voor benthos en dit heeft waarschijnlijk te maken met de samenstelling van het organisch materiaal. Historisch OM (turf, diep begraven sedimentair materiaal, maar eventueel ook restanten van petrochemische lozingen) en ook recent grof plantaardig materiaal (bv. houtfragmenten)zijn niet meteen eetbaar voor macrobenthos. Net doordat deze fracties zo slecht afbreekbaar zijn vormen ze na verloop van tijd ook vaak de grootste fracties in het sediment. De eetbare fractie, vooral de zogenaamde labiele koolstof waarin koolstofverbindingen met de juiste verhoudingen aan N (en eventueel P) een ideaal substraat vormen, is vluchtiger en moet ook specifiek gemeten worden. De gebruikte analyse methode kan beschikbare en niet beschikbare koolstof niet onderscheiden, er ontbreekt dus voorlopig inzicht over het verband tussen totaal organisch materiaal en de hoeveelheid labiele koolstof in de slikken van de Zeeschelde.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 67 van 157
1.3.4.2
Samenvattende tabel macrobenthos analyse
Tabel 1-10: Samenvattende tabel verklaring soortensamenstelling, densiteiten en biomassa van macrobenthos voor HM14. Prevalentie variabele: fractie van de zones (Zeeschelde totaal,brakke zone, zoete zones) waarin de variabele tot het beste model behoort of significant is. R²: R² of pseudo R² van het totale model. Lin: lineaire respons (+/-: stijgend/dalend), kwadr: unimodale of kwadratische respons; significanties voor multivariate analyse: ***: p = 0-0.001; **: p = 0.001-0.01; *: p = 0.01-0.05; .= p = 0.05-0.1; leeg = niet significant, p > 0.1; ng: variabele niet overgebleven in finaal model Taxon
Modelgebied
Type
GemeenschapSamenstelling
ZS tot brak Zoet ZS tot
Soorten
Totale biomassa & densiteit
Brak Zoet
Prevalentie variabele
R²
densiteit biomassa densiteit biomassa densiteit biomassa Soortensamenstelling densiteit biomassa
0.65 0.44 0.11 0.65 0.59 0.34 0.47 0.78 0.63
Salzone ***
Hoogte tov LW30 *** ***
Ng
1/2
Stroom max
Helling sqrt|log
OM sqrt
+ + + + + +
* B+Zng + ng ng ng
*** kwadr kwadr ng ng kwadr kwadr
2/3
1/3
1/3
1/3
3/3 3/3
2/3 1/3
2/3 1/3
1/3 0/3
* ng ng ng +
Foto 10: Slikken in de brakke zone voor het Galgenschoor (© Yves Adams-Vildaphoto.net)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.4 ONTWIKKELING VAN EEN SLIKECOTOPENSTELSEL Voorgaande hoofdstukken waren een brede verkennning naar patronen en sturende variabelen van de litorale macrozoöbenthosgemeenschappen in de Zeeschelde. In dit hoofdstuk trachten we de analyseresultaten te vertalen naar een slik ecotopenstelsel voor de Zeeschelde. De leidraad bij deze oefening is dat we grenzen willen afbakenen tussen habitats met lagere en hogere macrobenthosdensiteiten en/of biomassa, eveneens rekening houdend met de samenstelling van de benthosgemeenschappen. Eerder is zo’n analyse uitgevoerd voor het onderwatergebied (Habitatmapping subtidaal; Van Braeckel et al. 2018), nu focussen we op het litoraal. Na validatie krijgen we naast de supralitorale ecotopen met de herziene ecotopenstelsels subtidaal en litoraal samen een ecologisch gevalideerd ecotopenstelsel versie 2.0 voor de volledige Zeeschelde. Als basis nemen we de respons van de intertidale macrobenthosgemeenschappen op de in vorige hoofdstukken geselecteerde omgevingsvariabelen substraattype en helling, saliniteit, hoogteligging en in mindere mate stroomsnelheid. De minder verklarende variabelen totaal organisch stofgehalte en mediane korrelgrootte worden kort verkenned aangehaald. De splitsingstechniek die we daarvoor hanteren op basis van één of twee continue variabelen is vergelijkbaar met habitatmapping subtidaal (Van Braeckel et al. 2018) en werd ook al gebruikt voor de Westerschelde data (Ysebaert et al. 2016). Deze op variantieanalyse gebaseerde statistische techniek splitst de dataset langsheen een (of twee) omgevingsgradiënt(en) (x-as in verdere figuren) op in twee zo sterk mogelijk van elkaar verschillende groepen. De grenswaarde wordt afgeleid uit de verhouding van de variantie binnen de groepen op de variantie tussen de groepen. De residuele fractie van de variantie (op de y-as) die overblijft na tweedeling op een bepaalde grenswaarde wordt grafisch uitgezet voor alle mogelijke waardes langsheen de omgevingsgradiënt. Zo kan in een oogopslag in een grafiek het optimale splitsingspunt bepaald worden (in het dal). Bij een lage residuele fractie variatie waarde, minimaal onder 0.9 (90%), zijn de afgescheiden groepen duidelijk verschillend. Hoe kleiner deze waarde, hoe groter (duidelijker) het verschil. De vorm van het verloop van de grafiek is een indicatie voor de eenduidigheid van de opdeling (best is er slechts 1, duidelijk minimum). De gevolgde strategie om tot een ecotoopindeling te komen kent drie fasen. Eerst wordt op basis van de gedetailleerde dataset in de focusgebieden (campagne HM14) gezocht naar mogelijke slikhabitatgrenzen voor de belangrijkste omgevingsvariabelen. Vervolgens worden de voorgestelde grenzen gevalideerd door fase 1 te herhalen met de uitgebreide SPATIAL dataset overheen de periode 2008-2016. Tot slot worden de resultaten van beide fasen in een afwegingsdiscussie geïntegreerd.
1.4.1 Slikindeling op basis van habitatmapping focusgebieden (HM14) 1.4.1.1
Bijzondere sliktypes op basis van substraat, helling en hoogteligging
In de verkennende analyse (1.3.1) werd beslist om een deel van de datapunten uit de dataset verwijderen voorafgaand aan de multi- en univariaatanalyses. Al deze punten hebben gemeen dat de macrobenthosgemeenschappen er vrijwel inert bleken voor de onderzochte omgevingsvariabelen. Dit pleit voor het prioritair afscheiden van de betrokken habitats.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 69 van 157
Enerzijds betreft het slik op hard substraat en /of met een steile helling, anderzijds onbegroeid zacht subtstraat boven de supralitoraalgrens HW85% (Van Ryckegem, 2015). Slikecotopen met antropogeen of natuurlijk hard substraat en steile helling (> 25%) Uit de verkennende analyse (4.1; Figuur 1-4) bleken de slikken met hard substraat van zowel antropogene als natuurlijke oorsprong ongunstige slikhabitats voor macrobenthos te zijn Het betreft voornamelijk oude breuksteenzones of harde natuurlijke substraatzones van veen of klei met lokaal/tijdelijk een dikkere sliblaag. De densiteiten blijven er erg laag. Door de grote oppervlakte maakt dit habitattype toch een zeer belangrijk deel uit van het slikhabitat van de Zeeschelde en onderscheiden we het als een apart type. De kaartlaag voor hard substraat (breuksteen) afgebakend op basis van luchtfoto’s kan een onderschatting zijn. Slikken met hellingen van meer dan 25% (Figuur 1-5, Figuur 1-6) hebben echter in de ondiepe ondergrond ook vaak harde substraatzones met slib op breuksteen of harde natuurlijke kliffen met hier en daar wat zacht substraat. Daarom is een tweede criterium op basis van de helling nuttig om steile zones met hard substraat op te sporen, die in de substraat kaartlaag gemist worden. Het splitsingscriterium van 25% is overgenomen uit de habitatmodellering binnen het Integraal Plan Boven- Zeeschelde (Van Braeckel et al. 2019). We kunnen de juiste splitsing ook empirisch nagaan met de splitsingstechniek op basis van een ongefilterde dataset (Figuur 1-19). Dit toont dat er voor de brakke zone (groene stippellijn) en de zoete zone (bruine stippellijn) al vanaf een helling van ongeveer 20% zeer lage densiteiten en biomassa aan macrobenthos zijn. Een criterium op 20% dan wel op 25% hellingsgraad heeft kleine consequenties voor de oppervlakte van dit ecotoop in de Zeeschelde. Om deze resultaten in overeenstemming te houden met het IP houden we het (minder strenge) criterium van 25% aan. Het is ook de bedoeling dat we gradueel betere kaartlagen voor hard substraat maken zodat het verschil nog kleiner wordt.
a
b
Figuur 1-19: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van één variabele helling (%) voor de totale dataset van habitatmapping Zeeschelde (blauw volle lijn), enkel brak (groene stippellijn) en enk enkel zoet (bruine stippellijn) ( ntotaal: 146, nbrak:44, nzoet:102)
Slikecotopen van het supralitoraal Aan de bovenrand van het slik bevindt zich een zacht overgangshabitat naar schor, de ‘potentiële pionierszone’ van het ecotopenstelsel versie 0.1. Ze overspoelt vanwege haar hoge ligging niet bij elk hoog water en is niet begroeid met hogere planten. De ondergrens vormt
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
het 85% van de hoogwaters (HW85) wat betekent dat 15% van de hoogwaters op jaarbasis niet boven deze hoogte komt. Voor de beperkte data in HM14 (n:14) blijkt uit de verkennende analyse (4.1; Figuur 1-4) dat de macrobenthosdensiteiten laag zijn met een gemiddelde biomassa. Tevens blijken densiteit en biomassa een zeer hoge variatie te vertonen zonder respons op hoogteligging. In realiteit gaat het niet om één ecotooptype maar om verschillende ecotopen van onbegroeid supralitoraal zacht substraat van verschillende origines (geërodeerd schor, gesedimenteerd hoog slik, schorinhammen en -kreken, ….) voor een relatief kleine totaal oppervlakte. Het past daardoor niet bij de overige slikhabitats en wordt als een apart type beschouwd. 1.4.1.2
Definitie van slikecotopen op basis van saliniteit, tidale hoogte, maximale stroomsnelheid en helling
Uit de analyse van het macrobenthos bleek dat saliniteit (als saliniteitszone) en hoogteligging veruit de belangrijkste variabelen zijn die de samenstelling en/of de densiteit en biomassa van litoraal macrobenthos bepalen (Tabel 1-10). In de resultaten van deze analyse krijgt maximale stroomsnelheid enkel in de brakke zone een rol toebedeeld; toch blijft stroomsnelheid een nader te onderzoeken sturende variabele. Helling (<25%) en organische stof zijn beperkt belangrijk in de zoete en oligohaliene zone van de Zeeschelde en worden verder besproken in Bijlage 4 en 5. Omwille van de interacties van saliniteit met andere omgevingsvariabelen (zie 1.1.1) worden de splitsingsanalyses in eerste instantie apart uitgevoerd voor brak (groene lijn) en zoet (inclusief het oligohalien; bruine lijn). De resultaten voor brak en zoet worden per variabele telkens in dezelfde figuur getoond en samen besproken. Als referentie worden ook de resultaten van de totale Zeeschelde getoond (blauwe lijn). Hoogteligging Droogvalduur en hoogte ten opzichte van de LW30-slikwatergrens Als alternatieve variabele voor hoogte boven de Laagwater (LW30) kan ook geopteerd worden voor droogvalduur, een variabele die vaak voor slikecotooptypering gebruikt wordt (zie ook Bijlage 1 Figuur A 2: Topologievariabelen). Beiden zijn uiteraard zeer sterk gecorreleerd en in de univariate en multivariate analyses moest er één gekozen worden. Er is gekozen voor hoogte boven laagwater omdat deze variabele naadloos aansluit op de subtidale classificatie, waar droogvalduur niet kan gebruikt worden. Toch is er een belangrijk nadeel: in de zoete zone met korte verblijftijd, waar de getijamplitude kleiner is en bovenafvoer de waterstanden beïnvloedt, vertoont LW30 een afwijkende relatie met droogvalduur (zie Bijlage 3). Dit bleek ook uit de analyses. Uit Figuur 1-12 en Tabel 1-8 blijkt bijvoorbeeld dat het verband tussen hoogte en macrobenthosdensiteit een stuk steiler verloopt in de zone met korte verblijftijd. De slikzone is hier immers samengeknepen tot ca. 2.5 hoogtemeters, terwijl dit in de andere zones meer dan 4 meter is. Bij de ontwikkeling van slikecotopen werken we daarom verder met droogvalduur. Om toch de vergelijkbaarheid met Hoofdstuk 4 mogelijk te maken, voerden we de splitsingsanalyse ook uit voor hoogte ten opzichte van de laagwater (LW30, sliksubtidaal grens). Deze resultaten staan in Bijlage 6A.
Benthosdensiteit en -biomassa in relatie tot hoogte (droogvalduur) De opsplitsingsanalyse voor droogvalduur geeft een minstens even goede opdeling als voor hoogte boven de laagwater (residuele fractie variantie ca. 50% voor het zoete deel). De grenswaarde voor droogvalduurpercentage op basis van macrobenthosdensiteit (Figuur 1-20) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 71 van 157
is voor de brakke zone rond 21-25% en voor de zoete zone rond 30-37%. Op basis van macrobenthosbiomassa ligt de grenswaarde voor de brakke zone rond 35% maar voor de zoete zone (Figuur 1-21) is die, net als voor hoogte boven LW30, een stuk hoger, namelijk tussen 56 en 63%. De ecotoopgrenzen voor macrobenthosdensiteit en -biomassa zijn dus niet dezelfde en ze verschillen ook tussen beide saliniteitszones (brak/zoet). Voor de mesohaliene zone weten we dat dit ook gepaard gaat met een verschuiving in soortensamenstelling (zie verder). Als we beide grenzen gebruiken komen we, naar analogie met ecotopenstelsel Zeeschelde versie 0.1 (Van Braeckel et al., 2006), tot een driedeling van slikhabitats met betrekking tot tidale hoogte zei het met andere grenswaarden.
a
b
Figuur 1-20: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauw volle lijn); b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden
a
b
Figuur 1-21: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 dataset in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauw volle lijn); b) verdeling van de biomassa’s tussen relevante grenswaarden
Samenstelling van de benthosgemeenschap in relatie tot hoogte (droogvalduur) Bovenstaande grenzenwaarden zijn louter gebaseerd op de synoptische parameters totale densiteit en totale biomassa maar ook de samenstelling van de gemeenschap is belangrijk bij het onderscheiden van ecotopen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
In de brakke zone wijzigt de soortensamenstelling van de macrobenthosgemeenschap met de hoogte. Kenmerkende soorten voor een ‘hogere slik’ macrobenthosgroep zijn Corophium volutator, Macoma balthica, Cyathura carinata en Hediste diversicolor; voor de ‘lagere slik’ macrobenthosgroep zijn dat Tubificoides heterochaetus en Streblospio benedicti. De nicheondergrens van de ‘hogere brakke slikgroep’ valt grotendeels samen met de 35% droogvalduur grenswaarde op basis van densiteit én biomassa in de brakke zone (Figuur 1-22;Figuur 1-23). De meest kenmerkende soort van de gemeenschap van ‘lagere’ slikgroep (Tubificoides heterochaetus) heeft haar nichebovengrens bij 65% droogvalduur.
a
b
Figuur 1-22: Residueel aandeel van de totale variantie aan a) densiteit en b) biomassa van macrobenthos bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 dataset lage slikgemeenschap (oranje lijn) en hoge slikgemeenschap (bruine lijn).
a
b Figuur 1-23: a) Cumulatieve gemiddelde aantallen van kensoorten van de hoge (rode) en de lage (oranje) slikgemeenschap in de brakke zone per droogvalduurpercentageklasse (5% klassegrootte), b) Boxplot van de kenmerkende brakke soorten in functie van de droogvalduurklasse.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 73 van 157
Maximale stroomsnelheid Naast hoogteligging verklaarde maximale stroomsnelheid voornamelijk in de brakke zone nog een redelijk aandeel van de variatie in macrobenthosdensiteit en -biomassa. Omdat maximale stroomsnelheid in het model voor totale densiteit op basis van stalen uit alle saliniteitszones ook voor de zoete zones duidelijke trends aantoonde, voeren we hier de splitsingsanalyses uit voor zowel de zoete als de brakke zone. Bovendien is stroomsnelheid in elk geval een belangrijke directe én indirecte factor die het voorkomen van organismen in een estuarium bepaalt. In de zoete zone vinden we een duidelijke grens rond 35cm/s maximale stroomsnelheid met hogere densiteiten bij stroomsnelheden onder deze grenswaarde en lagere densiteiten erboven. Daarentegen is er voor densiteiten in de brakke zone geen eenduidige grenswaarde en is de residuele fractie variatie vrij hoog. In de multipele regressies vonden we nochtans een vrij sterk positief effect van maximale stroomsnelheid op macrobenthosdensiteiten, wat we ook terugzien in de boxplots van Figuur 1-24. Waarom dit tegenintuïtief positief verband tussen stroomsnelheid en benthosdensiteit bestaat is onduidelijk en verdient nadere studie. Op basis van de macrobenthosbiomassa vinden we voor maximale stroomsnelheid in de zoete zone een vergelijkbare grenswaarde rond 30cm/s met hoge waarden onder deze waarde en lage waarden erboven.
a
b
Figuur 1-24: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van maximale stroomsnelheid voor HM14 dataset in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauwe volle lijn); b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
a
b
Figuur 1-25 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van maximale stroomsnelheid voor HM14 dataset in het brak (groene stippellijn), zoet (bruine stippellijn) of het totaal gebied (blauw volle lijn); b) verdeling van de biomassa’s tussen relevante grenswaarden.
Slikhelling en organisch materiaal De splitsingsanalyses om (ecotoop)grenswaarden af te leiden werden ook uitgevoerd voor de variabelen slikhelling en percentage organisch materiaal in het slik. Deze variabelen bleken uit eerdere analyses een minder groot belang te hebben bij het bepalen van de macrobenthosgemeenschap. Dit bleek ook bij de splitsingsanalyses, waar mogelijke ecotoopopdelingen op basis van deze variabelen slechts matig ondersteund werden voor macrobenthosdensiteiten en biomassa (zie Bijlage 5).
1.4.2 Validatie met de spatial monitoringsdata 2008-2016 De onderscheiden ecotopen en grenswaarden gebaseerd op de Habitatmappingdata van 2014 (HM14; hoofdstuk 1.4.1) worden in een tweede stap gevalideerd op basis van de MONEOSmonitoringsdata van 2008 tot 2016, een jaarlijkse benthosstaalnamecampagne uitgevoerd door INBO in het kader van het VNSC MONEOS programma. 1.4.2.1
Hard substraat slik, zeer steil slik en supralitoraal
Slikecotopen met antropogeen of natuurlijk hard substraat en steile helling (> 25%) Hard antropogeen substraatzones met een breuksteenbedekking van > 50% in de spatial dataset vertonen een consistent duidelijk lagere macrobenthosdensiteit en biomassa onafhankelijk van de omgevingsvariabelen die doorgaans het macrobenthos bepalen (Figuur 5 8). Dit komt overeen met de resultaten voor de habitatmapping dataset (HM14) en wordt gevalideerd met de SPATIAL data.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 75 van 157
a
b
Figuur 5 8: a) Totale aantallen en b) biomassa per m² aan macrobenthos voor locaties met hard of zacht onderliggend substraat waargenomen in de bemonsterde locaties in functie van de bestaande ecotooptypes versie 1.0 voor slik (n=560).
De steile zones (>25% helling) vertonen ook een lage macrobenthosdensiteit. Dergelijke steile hellingen vinden we enkel in de zoete zone in iets minder dan 10% van de stalen (34 van de 394 bemonsterde locaties uit de zoete zone) (Figuur 5 9). Staalnames van deze steile habitats ontbreken in de brakwaterzone. Dit is uiteraard een gevolg van de riviermorfologie, waarbij de rivieroevers veel steiler zijn in de meer opwaartse delen, en vaak meer geleidelijk hellend in de brakwaterzone.
a
b
Figuur 5 9: a) Totale aantallen en b) biomassa per m² aan macrobenthos voor locaties met een helling hoger of lager dan 25% (ntotaal: 540, nbrak:217, nzoet:323).
Supralitorale zone De supralitorale zone is beperkt aanwezig en bemonsterd tijdens de SPATIAL campagnes (58 van de 540 zachte substraatstalen). Ze vertoont een grote variatie aan densiteiten en biomassa van macrobenthos in vergelijking met de lager gelegen zachte slikzones in het litoraal (Figuur 5 10). Die grote variatie was ook opvallend in de HM14 dataset en lijkt dus kenmerkend voor deze zone. De supralitorale benthosdataset kon op basis van een overlay met de ecotopenkaart van het dichtst aansluitende jaar in twee types onderverdeeld worden. Stalen die in een ‘potentiële pionierzone’ genomen zijn in een permanent (of toch langdurige) onbegroeide zone of in een slikzone nabij de schorrand die nadien tot schor ontwikkelde (‘schorrand’ ). Opvallend is dat in de brakke zone de supralitorale stalen gemiddeld zeer hoge densiteiten en biomassa vertonen. In feite is dit een verderzetting van de positieve relatie tussen hoogte en macrobenthos tot in het supralitoraal. Het betreffen vaak nieuwe ontpolderingsgebieden, die gezien hun hoogteligging op termijn zullen evolueren naar schor. In de zoetwaterzone is dit niet het geval. Hier zijn onbegroeide supralitorale zones zeer beperkt. Ze zijn vooral opgebouwd uit slib op een hardere ondergrond (harde kleigrond of ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
breuksteen) nabij de schorrand, wat de lage densiteiten en biomassa’s kan verklaren. Zoals eerder aangehaald is er waarschijnlijk grote variatie in het ontstaan, de eigenheid of de bestendigheid van onbegroeide supralitorale zone wat de grote variaties kan verklaren. Een gerichtere supralitorale staalname is nodig om hier een beter beeld van te krijgen.
a
b Figuur 5 10: a) Densiteit en b) biomassa aan macrobenthos voor de supralitorale locaties per saliniteitszone in vergelijking met de zachte substraatdelen in het litoraal volgens de huidige gehanteerde definities (25%-en 75% droogvalduur; ntot_supralit./tot=58/540, nbrak_supralit./brak:17/173, nzoet_supralit./tot zoet:41/221).
1.4.2.2
Litorale zachte substraat slikken
Voor de opmaak van deze validatiedataset zijn dezelfde criteria gebruikt als voor de HM14 modellering: geen hard substraatecotoop, helling kleiner dan 25% en geen supralitoraal. Op basis van de densiteit en biomassa van macrobenthos uit de MONEOS-monitoringsdata voor 2008-2016 (SP0816) kan het scheidingscriteriabereik dat volgt uit de basisclassificatie (4.1.3) op basis van HM14-data afgetoetst worden. In deze dataset over verschillende jaren is de droogvalduur grover bepaald op basis van droogvalduurklassen van 5%. Hoogteligging (DD%, mLW30) Als hoogteligging kan zowel hoogte ten op zichte van de laagwater (LW30) gebruikt worden als droogvalduurpercentageklasse. Zoals besloten voor de HM14-analyse (zie 5.1.2) werken we
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 77 van 157
verder met droogvalduur maar is de splitsingsanalyse ook uitgevoerd voor hoogte ten opzichte van LW30-slikwatergrens. Deze resultaten staan in Bijlage 4B. Droogvalduurklasse bepaalt densiteit en biomassa In de zoete zone is op basis van droogvalduur voor HM14 een sterke scheiding gevonden voor macrobenthosdensiteiten rond 30-37% (Figuur 5 11). In de SP0816 validatieset vinden we een bredere range van mogelijke grenswaarden tussen 30-60% droogvalduur (minimum 35-45%). Zoals eerder gezegd werkten we wel met bredere droogvalduurklasses van 5%, zodat het patroon een ander verloop kent. Voor de brakke zone ligt de scheiding 21-25% op basis van de HM14-densiteiten, bij de validatieset blijft het héél breed tussen de 20-55%.
a
b
Figuur 5 11 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn, ntotaal: 304, nbrak:147, nzoet:157) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden.
Op basis van biomassa (Figuur 5 12) in HM14 was voor het zoete gebied een grens tussen de 56-63% terug te vinden; deze wordt met de SP0816 data bevestigd (55-60%). Boven deze grens is er een habitat met hoge biomassa aan macrobenthos. Voor het brakke gebied is de biomassa opsplitsing voor SP0816 veel minder duidelijk met een brede range van optimale splitsingswaarden tussen 20-55% terwijl in HM14 de grens rond 35% vrij duidelijk is.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
a
b
Figuur 5 12 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van één variabele droogvalduurpercentage voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn; ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden
Droogvalduur en soortensamenstelling van het macrobenthos: hoge en lage brakke benthosgemeenschap Ook voor de SP0816-monitoringsdata gaan we voor de brakke zone het bestaan en bereik van de ‘hoge’ slikgroep met Corophium volutator, Cyathura carinata en Hediste diversicolor (bruin) en een ‘lage’ slikgroep met Tubificoides heterochaetus en Streblospio benedicti (oranje) na. De nicheondergrens van de ‘hogere brakke soortengemeenschap’ valt grotendeels samen met de 45% droogvalduur grenswaarde op basis van densiteit én biomassa (Figuur 5-13), m.a.w. hoger dan de 35% droogvalduur bij HM14 (Figuur 4-6). Een nichebovengrens voor de lage soortengemeenschap is niet aanwezig omdat de residuele fractie erg hoog blijft. Het minimum situeert zich weliswaar ook net als HM14 rond 60%. Op basis van de densiteitverdeling van de soorten (Figuur 4-6) wordt uiteindelijk voorgesteld om toch een hoge slikzone (>60%DD) af te bakenen met een sterke densiteitsdaling van de lage brakke sliksoorten Tubificoides en Streblospio en héél hoge densiteiten van Corophium als de meest dominante soort van de hoge benthosgemeenschap.
a
b
Figuur 1-26 Residueel aandeel van de totale variantie aan a) densiteit en b) biomassa van macrobenthos bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de typisch lage slikgemeenschap (oranje lijn) en de typisch hoge slikgemeenschap (bruine lijn).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 79 van 157
Figuur 1-27: Densiteit en voorkomen van de kensoorten van de hoge (Corophium, Cyathura, Hediste) en de lage (Streblospio en Tubificoides) slikgemeenschap in de brakke zone per droogvalduurpercentageklasse (5% klassegrootte).
a
b Maximale stroomsnelheid Naast hoogteligging of droogvalduur verklaarde maximale stroomsnelheid ook een belangrijk aandeel van variatie in macrobenthosdensiteit en -biomassa. In de zoetwaterzone ligt voor SP0816 de beste grenswaarde op basis van macrobenthosdensiteit rond 0.58m/s terwijl dit voor HM14 een stuk lager was (0.35m/s, Figuur 1-28). Deze grens bij SP0816 is minder duidelijk dan voor HM14, maar zelfs wanneer we de brede range beschouwen (grofweg 0.40.9m/s) overlapt deze niet. Voor biomassa (Figuur 1-29) is er in SP0816 geen goede opsplitsing mogelijk terwijl dat voor HM14 wel zo was (bij 0.58m/s). Voor de brakke zone vormt 0.88m/s de belangrijkste grenswaarde op basis van densiteiten met een afscheiding van een hoogdynamische zone met lage densiteiten. Dit is in tegenstelling tot HM14 waarvoor in de brakke zone een positief verband bestond tussen stroomsnelheid en macrobenthosdensiteiten. Waarschijnlijk komt dit doordat deze hoge stroomsnelheden grotendeels ontbraken in de minder uitgebreide HM14 dataset (n>098_HM14:4; n>0.9_SP0816:68) zodat we hier geen goed beeld konden van vormen. Voor biomassa is het minder uitgesproken en vormen 0.6 én 0.86m/s een mogelijke grenswaarde, maar deze hebben weinig onderscheidend vermogen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
a
b
Figuur 1-28 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van stroomsnelheid voor SP0816 dataset (volle lijn) en HM14 (stippellijn) brak (groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden.
a
b
Figuur 1-29 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van maximale stroomsnelheid voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden.
Net als voor HM14 deden we ook de opsplitsingsoefening voor de statistisch minder belangrijke sturende variabelen organisch materiaal en slikhelling. De resultaten liggen ook hier in dezelfde lijn, namelijk het is moeilijk om grenswaarden aan te duiden omdat er een slecht discriminerend vermogen is (hoge residuele fractie) of omdat er geen eenduidige minima in residuele fractie zijn (zie Bijlage 5).
1.4.3 Opdeling zachte slikecotopen met als basis de volledige Zeescheldedataset Uit habitatmapping op basis van HM14 en de validatie-oefening op basis van de monitoringsdata SP0816 bleek dat de habitatkenmerken hard substraat, zeer steile helling (>25%) en supralitorale ligging een consistente aparte macrobenthos habitat definieerden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 81 van 157
Voor de belangrijke variabelen hoogte (droogvalduur) en maximale stroomsnelheid was de validatie niet helemaal overtuigend, vooral voor maximale stroomsnelheid. Dit ligt waarschijnlijk voor een deel aan het feit dat in de veel grotere dataset van de meerjaarse monitoring er grotere gradiënten voor stroomsnelheid bestudeerd kunnen worden met meer datapunten op extreme plaatsen. Dit laat toe om het effect beter in te schatten. Daarom werd uiteindelijk beslist om de uiteindelijke grenswaarden robuuster vast te leggen op basis van een zo groot mogelijke dataset, namelijk de HM14 en SP0816 data samen (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166). 1.4.3.1
Droogvalduur
Voor de droogvalduur blijkt 25% droogvalduur in de brakke en 35% voor de zoete zone de densiteiten het best op te splitsen terwijl de splitsingswaarde voor biomassa het best rond 35% voor het brakke en 60% voor het zoete ligt.
a
b
Figuur 1-30 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (blauwe lijn) (nbrak190, nzoet:242); b) verdeling van de densiteit uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet.
a
b
Figuur 1-31 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak:190, nzoet:242); b) verdeling van de biomassa’s uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Begrenzing van een habitatype tussen 25% en 35% droogvalduur voor de brakke zone is ruimtelijk te beperkt en weinig praktisch in toepassing. Onder 25% DD bevindt zich een lage zone met héél weinig en klein macrobenthos (Figuur 1-32). 35% DD is de nicheondergrens voor de ‘hogere soorten’. Tussen 25 en 35% zijn densiteiten iets hoger, maar zijn er uitsluitend ‘lagere’ soorten en blijft de biomassa eerder laag (cfr.1.4.2.2) (Figuur 1-32 B). Tussen 35 en 60% DD bevindt zich een zone van gemiddelde densiteit en biomassa en leven zowel de ‘hogere’ als de ‘lagere’ soorten. 60% DD is de nichebovengrens voor de ‘lagere’ soorten, daarboven zijn de biomassa’s hoog en is Corophium dominant. Op basis van verschillen in densiteiten en biomassa lijkt de duidelijke afscheiding van het ongunstig habitat onder de 25% droogvalduur de beste keuze waarbij de overgangszone (25-35% DD) samengevoegd wordt met de hogere zone (35-60% DD). Hierdoor ontstaat een zone met gemiddelde densiteiten en gemiddelde biomassa’s (zie ook Figuur 1-36).
a
b
Figuur 1-32 a) Verdeling van a) de densiteiten en b) biomassa’s uit de totale dataset voor alle relevante droogvalduur grenswaarden in het brakke gebied.
1.4.3.2
Maximale stroomsnelheid
Voor het slik is de maximale stroomsnelheid veel minder differentiërend dan hoogteligging (res. fractie var. >0.9). Op basis van de totale dataset blijken 0.35m/s voor het zoete en 0.88 m/s voor de totale Zeeschelde nog enigszins betekenisvol als grenswaarde doch met een zeer laag onderscheidend vermogen (Figuur 1-33). Op basis van de meer gebalanceerde dataset HM14 (Figuur 1-24) is 0.35m/s als grenswaarde kandidaat voor de zoete zone, 0.6m/s voor zoet en brak. Op basis van de SP0816-data (Figuur 1-28) komt 0.88m/s naar voren als grenswaarde voor het brakke deel. Mogelijke kandidaat nichegrenzen, maar met een beperkt onderscheidend vermogen, lijken voor de brakke zone enkel <0.88m/s te zijn om vooral habitat met lage densiteiten af te zonderen terwijl voor het zoete deel een grens op >0.35m/s habitat met hoge densiteit kan afzonderen. In beide gevallen blijft de grens weinig onderscheidend zeker in vergelijking met hoogteligging.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 83 van 157
a
b
Figuur 1-33 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van stroomsnelheid voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (blauwe lijn) en de totale dataset (bruine lijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet.
Een tweedeling op basis van twee variabelen droogvalduur en maximale stroomsnelheid bevestigt het weinig onderscheidend vermogen van maximale stroomsnelheid van de densiteiten en biomassa’s van macrobenthos (Figuur 1-34). De hoogste densiteiten zijn te vinden linksboven bij hoge droogvalduren en lage stroomsnelheden en rechtsonder vice versa. Algemeen liggen de tweedelingslijnen vrij horizontaal wat wijst op het veel groter onderscheidend vermogen van droogvalduur tov maximale stroomsnelheid in tegenstelling tot habitatmapping subtidaal waar de tweedeling tussen hoogte/diepte en maximale stroomsnelheid een verticale grens toonde. De helling van de tweedeling is echter niet consequent over brak, zoet en totaal heen waardoor we het niet kunnen opnemen in de slikecotooptypologie. Wel zien we bij een toenemende droogvalduur een licht opschuiven van de nichegrens naar een hogere maximale stroomsnelheid bij de tweedeling op basis van densiteiten van de totale dataset (blauwe streeplijn) en vooral ook voor de biomassa in de totale dataset en de brakke zone, wat kan wijzen dat bij hogere dynamiek de biomassaproductie sneller wordt geremd of dat de grote wormsoorten minder laag komen. Opvallende uitzondering vormt o.a. de dalende scheidingslijn in de brakke zone op basis van densiteiten. Dit vonden we ook reeds terug in de regressieanalyse 1.3.3 waarbij een positieve relatie tussen densiteiten en maximale stroomsnelheid (voornamelijke in vloedgedomineerde zones) werd gevonden voor de brakke HM-dataset. Deze dataset bevatte echter weinig punten met heel hoge snelheden. Op basis van de Spatial dataset voor de brakke zone bleek dat eens de 0.88m/s overschreden wordt, opnieuw een daling in densiteit optreedt (zie ook Figuur 1-28).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
a
b Figuur 1-34 Tweedeling van staalnamelocaties op basis van macrobenthosdensiteiten op basis van alle data (HM14+SP0816) voor droogvalduurpercentageklasse in functie van maximale stroomsnelheid. Lege stalen zijn gemarkeerd met een zwarte cirkel voor de brakke zone (groene lijn), zoete zone (bruine lijn) en totale dataset (blauwe lijn)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 85 van 157
1.4.4 Besluiten grenswaarde analyse Twee bijzondere habitattypes Slikecotopen met harde ondergrond en/of een helling > 25% hebben een (zeer) lage benthosdensiteit en biomassa onder alle omstandigheden. Zowel de HM14 dataset als de validatieset uit de monitoring SP0816 bevestigen dit. Ook de slikken met (zeer) steile hellingen (helling>25%) vertonen lage densiteiten en lage biomassa, waarbij biomassa wel een grotere variatie vertoont in de validatieset binnen de zoete zone. De breuksteenzones, kleibanken en veenbanken blijven ondanks een vaak lokale en tijdelijke dunne sliblaag een ongunstig habitattype voor macrobenthos. Het zacht supralitoraal slik ook wel potentiële pionierzone genoemd overstroomt niet bij elk hoogwater (>85% HWfrequentie) en vertoont densiteiten en biomassa die sterker variëren dan deze in het litorale slik. Opmerkelijk is wel het verschil tussen brak en zoet. In de brakke zone met de grootste supralitorale slikzones vertoont dit habitat erg hoge benthosdensiteiten en biomassa’s. Hier functioneert het als een verlengde van het litoraal met toenemende benthosdensiteit en -biomassa van laag naar hoog. In de zoete zone is dat in beide datasets niet zo en zijn densiteiten en biomassa vergelijkbaar of lager met middelhoog slik. Dit gaat waarschijnlijk samen met hogere morfodynamiek (bvb. recente slibaccretie op oude geërodeerde schorbodem,…) of recente oorsprong na een afbraakfase van het schor. Opdeling van de typische zachte litorale slikken in de Zeeschelde De typische zachte litorale slikken binnen de habitatmappinggebieden en de ruimere Zeeschelde kunnen het best opgedeeld worden in ecotopen op basis van in eerste instantie saliniteit (brak en zoet) en in tweede instantie droogvalduurpercentage (alternatief: hoogte tov LW30). Ook in de monitoringsdata SP0816, die heterogener is in ruimte en tijd, blijkt het effect van deze hoogtegradiënt en de bijhorende grenswaarden te verschillen tussen de brakwaterzone en de zoetwaterzone. Hoogte boven Laagwater (LW30) is een goede voorspellende omgevingsvariabele voor macrobenthosdensiteit en –biomassa maar de respons is niet uniform langsheen de rivieras. Belangrijke reden is dat het tijverschil verandert langsheen het estuarium waardoor droogvalduur een correctere weergave is van het getij-effect en toch te verkiezen is. Droogvalduur (DD%) leidt tot dezelfde patronen en opdelingen als hoogte maar is uniformer langsheen het estuarium. Tevens is deze variabele conform de huidige Vlaamse en de Nederlandse ecotoopindeling wat vergelijken sterk vergemakkelijkt. In de de zoetwaterzone kunnen we net als in de bestaande litorale slikecotopentypologie op basis van droogvalduur 3 hoogtezones onderscheiden: een lage, middelhoge en hoge slikzone met duidelijke verschillen. De lage slikzone onder de 35% droogvalduur (LW30-35%DD) is gekenmerkt door lage densiteiten en biomassa, de middelhoge slikzone tussen de 35 en 60% droogvalduurklasse (35-60% DD) door gemiddelde densiteiten en biomassa’s en de hoge slikzone (60%DD – HW85) met hoge densiteiten en zeer hoge biomassa’s aan macrobenthos. In de brakwaterzone kunnen we theoretisch 4 litorale slikhabitats onderscheiden (Figuur 1-32), maar uit pragmatisme groeperen we de twee middenste zones in één middelhoge slikzone zodat we ook hier 3 litorale slikecotopen kunnen onderscheiden. Er is een duidelijke lage slikzone onder de 25% droogvalduur met lage macrobenthosdensiteiten en –biomassa. Daarboven in de middelhoge slizone vinden we een overgangszone tussen de 25% en 35% droogvalduur met vooral kleinere soorten uit de lage brakke benthosgemeenschap met
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
gemiddelde densiteiten en lage biomassa’s. De grootste middelhoge zone tussen de 35% en 60% droogvalduur kent gemiddelde densiteiten en hoge biomassa’s van zowel de lage als de hoge brakke benthosgemeenschap. Boven de 60% droogvalduur is een hoge slikzone met gemiddelde densiteiten en vrij hoge biomassa’s maar vooral gekenmerkt door de afwezigheid van de lage brakke benthosgemeenschap en met een dominantie van Corophium. De opdeling tussen een middelhoge en een hoge slikzone gebeurde in de brakke zone vooral op basis van de verschillen in soortensamenstelling (afwezigheid lage brakke gemeenschap) en minder op basis van densiteit en biomassa. Ecosysteemfunctioneren is zowel gerelateerd tot biomassa als tot soortenrijkdom en soortidentiteit. Een optimale ecotoopindeling houdt dus best rekening met alle aspecten. Verschillen in soortensamenstelling liggen ook aan de basis van de opdeling in het bovenste deel van het slik (dus net als in het zoetwaterdeel een hoog slik naast middelhoog slik). In de zoetwaterzone verandert de samenstelling van de macrobenthosgemeenschap nauwelijks met hoogte zodat dit niet in rekening dient gebracht te worden. Maximale stroomsnelheid is een belangrijke onderliggende sturende variabele naar slikmorfologie en sedimentsamenstelling maar kan op basis van de huidige gebruikte stroomsnelheidsdata geen duidelijke slikhabitats helpen onderscheiden (residuele fractie van de variantie > 0.85). Een aanzienlijk deel van de variatie overlapt met hoogte/droogvalduur (zie Figuur 1-34). Bovendien is de respons van macrobenthosdensiteit ten opzichte van stroomsnelheid in het brakke en het zoete bij verschillende datasets zeer uiteenlopend. In het brakke gebied is hierbij vooral opmerkelijk dat een toename van stroomsnelheid samengaat met een toename in densiteiten (HM14 dataset -Figuur 1-24b). Waarschijnlijk is dit te wijten aan de overgang naar een andere gemeenschap, met veel kleine wormen (Tubificoides heterochaetus), wanneer je van hoog slik naar laag slik gaat, wat samen valt met de toename in stroomsnelheid. Bij hoge stroomsnelheden op slik boven de 0.9 m/s daalt deze densiteit opnieuw en wordt het habitat ongunstiser voor macrobenthos (SP0813 dataset -Figuur 1-28b). Ook voor het zoete deel is hoogteligging belangrijker dan stroomsnelheid. Wel zorgen hogere stroomsnelheden ervoor dat de ideale hoogteligging van gunstige slikhabitats voor macrobenthos (>35% droogvalduur) iets hoger komt te liggen dan bij lage maximale stroomsnelheden (Figuur 1-34). De interactie tussen het effect van droogvalduur en stroomsnelheid op benthossamenstelling (brakke) en densiteit (brak en zoet) is dan ook van belang en dient nader onderzocht te worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 87 van 157
Foto 11: Slikken in de oligohaliene zone voor het Kijkverdriet (© Yves Adams-Vildaphoto.net).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.5 DISCUSSIE, CONCLUSIE & AANBEVELINGEN MACROBENTHOS 1.5.1 Aanzet tot slikecotopen voor de volledige Zeescheldegradiënt voor macrobenthos Vanuit de analysesresultaten kunnen we volgende slikhabitats onderscheiden voor de Zeeschelde (Figuur 1-35). 1. Ongunstige habitats zoals slik met hard substraat (natuurlijk en antropogeen) en slikdelen met zeer steile hellingen van meer dan 25% hellingspercentage. 2. Supralitoraal slik (of potentiële pionierzone) een ecotoop dat niet bij elk hoog water overstroomt (>HW85%) met grotere variatie aan densiteiten en biomassa’s, met gunstig tot zeer gunstig habitat voor macrobenthos. 3. Het overige en belangrijkste slikhabitat is het zacht substraat slik. Een opdeling in ecotopen is verschillend voor de brakke en zoete zone. Op basis van droogvalduur is dit slikhabitat op te delen in 3 hoogtezones. A. voor de zoete zone (zone met korte en lange verblijftijd en de oligohaliene zone): • laag slik met zacht substraat: zone met lage densiteiten en biomassa en gelegen tussen de subtidaal – slikgrens of 30%percentiel van alle laagwaters in de voorbije 4 jaar (LW30, vergelijkbaar met 1-4% droogvalduur) en 35% droogvalduur; • middelhoog slik met zacht substraat: zone tussen 35% en 60% droogvalduur met hogere densiteiten en gemiddelde biomassa’s; • hoog slik met zacht substraat: zone tussen 60% droogvalduur en supralitoraalgrens of 85 percentiel van alle hoogwaters in de voorbije 4 jaar met hoge densiteiten en hoge biomassa’s. B. In de brakke zone onderscheiden we: • laag slik met zacht substraat: zone met lage densiteiten en biomassa en soorten van de lagere slikzone en gelegen tussen de subtidaal – slikgrens of LW30 en 25% droogvalduur; • middelhoog slik met zacht substraat: zone tussen 25% en 60% droogvalduur met gemiddelde densiteiten en gemiddelde tot hoge biomassa’s van zowel de lage als de hoge brakke benthosgemeenschap. Het laagste smalle deel tussen 25-35% vormt wel een overgangshabitat met kleinere wormen vooral van de lage gemeenschap(Figuur 1 34). • hoog slik met zacht substraat: zone tussen 60% droogvalduur en supralitoraalgrens of 85 percentiel van alle hoogwaters in de voorbije 4 jaar met gemiddelde densiteiten en iets hogere biomassa’s door de afwezigheid van de lage brakke benthosgemeenschap en met een dominantie van Corophium.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 89 van 157
Figuur 1-35: Systematische voorstelling van de gevonden sikhabitats in de Zeeschelde op basis van macrobenthos. De stippellijn geeft een ecologisch grens aan die niet weerhouden werd als ecotoopgrens. De zones links en rechts van deze grens worden dus samen genomen in de ecotoopindeling.
Figuur 1-36 a) Verdeling van a) de densiteiten en b) biomassa’s uit de totale dataset voor alle relevante grenswaarden in het brakke gebied.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Op basis van dit habitatmappingonderzoek wordt voorgesteld om voor de Zeeschelde volgende nieuwe grenswaarden met betrekking tot hoogteligging in het getijvenster voor de zachte substraat slikecotooptypes te gaan hanteren (Tabel 1-11). Tabel 1-11: Overzicht van het nieuw voorstel voor grenswaarden van de zachte substraat sliktypes met fysiotoop- en ecotoopklassen en -grenzen Klassegrenzen Litorale hoogtezones
% frequentie 30% LWfrequentie -
litoraal
Fysiotopen
Slikgrenzen Zoet (ZKVT, ZLVT, OH)
Brak (MH)
< 35%DD
<25% DD
35% - 60%DD
25% - 60%DD
> 60%DD
>60%
85% HWfrequentie
supralitoraal
>85% HWfrequentie
naamgeving zachte substraat slikecotopen
laag slik
laag slik zacht substraat
middelhoog slik
middelhoog slik zacht substraat
hoog slik
hoog slik zacht substraat
supralitoraal
potentiële pionierzone
Stroomsnelheid op het slik in zijn huidige vorm vertoont nog te veel overlap met de hoogteligging met name droogvalduur bij het verklaren van de variatie van macrobenthos. De interactie tussen het effect van droogvalduur en stroomsnelheid op macrobenthossamenstelling (brakke) en macrobenthosdensiteit (brak en zoet) kan wel nog in belang toenemen bij een verbeterslag in de stroomsnelheidskaart.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 91 van 157
1.5.2 Discussie macrobenthos Nieuwe ecotopen in de Zeeschelde Binnen de Zeeschelde zijn duidelijke verschillende slikecotopen te onderscheiden in enerzijds de brakke of mesohaliene zone inclusief de zone met sterke saliniteitsgradiënt en anderzijds de zoete zone met daarin de oligohaliene en de 2 zoete zones (met lange en korte verblijftijd). De armste slikecotopen qua bodemdieren zijn de lage slikzone onder de 25% droogvalduur in de brakke zone en de lage slikzone onder de 35% droogvalduur in de zoete zone. De meest productieve slikecotopen bevinden zich boven de 60% DD (hoog slik) in de zoete zone en boven de 25% DD (middelhoog en hoog slik) in de brakke zone. De bovengrens is voor beide hoge slikecotopen de supralitorale grens uitgedrukt als de laagste hoogwaterhoogtes (85percentiel van de hoogwaters over 4 jaar). Vooral in de zoete zone worden zeer hoge densiteiten en biomassa’s bereikt tegen de bovengrens van het slik aan. In het mesohalien zijn hoge densiteiten en biomassa eerder gelijk verdeeld overheen het middelhoog en hoog slik. Tot hiertoe werden in de Zeeschelde de ecotoopgrenzen gehanteerd uit Van Braeckel et al. (2006) die overgenomen werden uit het Nederlandse Zoute wateren ecotopenstelsel ZES.1 (Bouma et al., 2005). Onze validatieoefening toont aan dat deze grenzen deels kloppen voor de brakke zone (de grens op 25% DD blijft behouden, de grens op 75% DD wordt verlaagd naar 60%) maar dat in de zoete zone er andere grenzen gelden. In de zoete zone is het lage slik waar nauwelijks benthos zit breder, het reikt tot de 35% DD. In deze zone ontbreekt een gespecialiseerde gemeenschap voor het lage deel van het slik, zoals we die in het brakke (en zoute) deel wel vinden (zie verder). Dit is een belangrijk resultaat van deze validatie-oefening en geeft aan dat in de zoete Zeeschelde de hogere slikzones proportioneel belangrijker zijn dan in de brakke zones. Een belangrijk verschil in de betekenis van de verschillende slikecotopen tussen het zoet en het brak is dat er in de zoete zone verschillende gradaties van dezelfde gemeenschap voorkomen, terwijl er in de brakke zone soorten zijn die meer onderaan en halverweg het slik voorkomen en soorten die vooral in het midden en bovenaan het slik zitten. In de laagste zone (<25% DD) en de hoogste zone (>60% DD) vinden we enkel soorten van de lage en hoge gemeenschap, respectievelijk. In de middelhoge slikzone (25-60%) zijn beide soortgroepen goed vertegenwoordigd. Doordat het andere gemeenschappen betreft vinden we meer onderaan op het brakke slik voornamelijk kleinere dieren terug en bovenaan grotere, terwijl in de zoete zone er geen noemenswaardige verschillen optreden. In het supralitoraal blijft de potentiële pionierzone als slikecotooptype behouden. Deze hoge slikzone overspoelt niet bij elk hoog water (hoger dan de grenswaarde van 85% van de hoogwaters) en heeft een hoogteligging waar normaal vegetatievestiging en dus schorontwikkeling kan optreden. Dat dit niet het geval is heeft wellicht verschillen redenen. In de brakke zone ontstaat dit ecotoop op natuurlijke wijze als fase in de schorcyclus, maar ook bij ontpolderingen. De ontwikkeling kan in deze fase blijven hangen, door te beperkte drainage of doordat o.a. Nereis (Hediste) diversicolor kiemplanten weggraast. Sommige locaties zijn mogelijk ook te dynamisch door veranderende stroompatronen waardoor een toenemende vloedstroom de schorrand erodeert al dan niet versterkt door wind- of scheepsgolven. Dit zijn locaties in de aftakelende fase in de schorcyclus. Qua bodemdieren kent dit ecotooptype lokaal zeer sterk variërende densiteiten en bodemdieren op locaties met nieuw afgezet sediment kan dit zeer hoog zijn terwijl nabij schorkliffen in een sliblaag op een diepere harde kleilaag de densiteit en biomassa van bodemdieren sterk beperkt is. Meer gerichte staalname ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
is nodig om een beter beeld te krijgen van de productiviteit van deze supralitorale gebieden die in grote oppervlaktes voorkomen in recent ontpolderingen. Zeeschelde versus Westerschelde Ysebaert et al. (2016) onderzochten de relatie tussen hydrodynamische en morfologische variabelen enerzijds en het benthos anderzijds voor de Westerschelde, op basis van monitoringsdata (MWTL). Zij vonden dat de belangrijkste verklarende variabele de maximale stroomsnelheid was, zowel voor het subtidale als intertidale gebied. Ze leggen hierbij de grens tussen ecologisch rijk en arm in het litoraal in de range van 43-58 cm/s. Ook blijkt het eerder om een geleidelijke gradiënt te gaan dan een duidelijke scheiding tussen ecologisch arm en ecologisch rijk. Voor droogvalduur wordt een grens tussen ecologisch rijk en ecologisch arm gevonden bij 37% in de zoute zone en 48% droogvalduur in het brakke deel. Ook de grenzen tussen lagere en hogere macrobenthosdensiteit- en biomassa liggen in het zoute lager dan in het brakke. De meest optimale grens in het brakke ligt voor densiteit en biomassa rond de 48% terwijl voor het zoute gebied de grens voor densiteit op 44% en voor biomassa dit op 35% droogvalduur komt te liggen. Merk op dat deze indeling sterk verschilt van de indeling voorgesteld in het Zoute wateren ecotopenstelsel (ZES.1). In dit stelsel liggen de grenzen op 25% en 75%. De grenswaarden op basis van biomassa en densiteiten in Ysebaert et al. (2016) verschillen dus van deze in de aansluitende brakke zone van de Zeeschelde, en maximale stroomsnelheid speelt een grotere rol. Een mogelijke verklaring voor deze verschillen is de grotere stroomsnelheidsvariatie bij eenzelfde hoogteligging in het meergeulenstelsel in de Westerschelde, waar we naast slikken ook grote platen vinden. Ook speelt hydrodynamiek door windgolven een grotere rol dan in de smallere Zeeschelde. In de Westerschelde vindt men dat stalen uit het laagdynamisch laag litoraal een ecologisch arme bodemdiergroep hebben, wat ook voor de lage slibrijke slikken van de Zeeschelde geldt. Laagdynamische lage slikzones vertonen dus net als hoogdynamische lage slikzone lage densiteiten en biomassa aan macrobenthos. In dit geval primeert dus het belang van hoogte (droogvalduur) boven hydrodynamiek. Het belang van maximale stroomsnelheid Maximale stroomsnelheid is en blijft, net zoals in de Westerschelde, een belangrijke onderliggende sturende variabele naar slikmorfologie en sedimentsamenstelling en vermoedelijke ook habitatgeschiktheid voor macrobenthos in de Zeeschelde. Op basis van de huidige gebruikte stroomsnelheidsdata zijn echter (nog) geen duidelijke slikhabitats te onderscheiden. Een verklaring kan enerzijds zijn dat de ruimtelijke verspreiding van macrobenthos in de Zeeschelde effectief eerder bepaald wordt door tidale hoogteligging. De Zeeschelde is immers de slibrijke ‘inner estuary’ van de Schelde, met relatief minder hydrodynamische variabiliteit dan de Westerschelde. De belangrijkste gradiënten in stroomsnelheid vallen dan samen met de hoogte- of droogvalduurgradiënt. Mogelijke hypothesen zijn dat sedimentatie van slib met goed biologisch afbreekbaar organisch materiaal vooral in de hogere zones gebeurt eerder onafhankelijk van stroomsnelheid. Een andere mogelijke verklaring is de mismatch tussen de gewenste en gemodelleerde ruimtelijke en temporele resolutie van stroomsnelheden op de korte en vaak steile habitatgradiënten in de Zeeschelde. Eén van de vaststellingen bij de huidig gebruikte stroomsnelheidsdata is dat de interpolatie van de output uit het ongestructureerd SCALDIS modelrooster naar een 1x1m grid voor bepaalde locaties voor verbetering vatbaar is. Een voorbeeld van een zeer moeilijk te modelleren locatie in de brakke zone aan het Paardenschor nabij Doel zien we in Figuur 1-37.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 93 van 157
Driehoeken in het kleurenpatroon wijzen hierbij vaak op een verminderde interpolatiekwaliteit. Om dit op te lossen kan in eerste instantie gekeken worden of lokaal een verfijning van het SCALDIS modelrooster mogelijk is. De mate van verfijning kan afgestemd worden met bvb. begroeid versus onbegroeide delen (af te leiden uit de geomorfologische kaart).
Figuur 1-37: IDW-interpolatie maximale stroomsnelheden naar 1x1m raster in een moeilijke zone. Driehoekige ruimtelijke patronen in de maximale stroomsnelheid (zichtbaar in de kleurengradiënt) wijzen op mindere interpolatiekwaliteit. Groene punten = HM14benthosdata.
Anderzijds kan gekeken worden naar manieren om de interpolatie te optimaliseren. De huidige gebruikte en snelle methode voor interpolatie is de IDW-methode waarbij afstand negatief gecorreleerd is met het gewicht van een punt in de berekening van de gemiddelde hoogte (Inverse Distance Weight). In rivieren en estuaria bleek eerder al dat deze methode voor de interpolatie van bathymetrische data met een grote tussenruimte in reliëfrijke gebieden ondermaats scoorde. Daarom werden methoden zoals DIGIPOL ontwikkeld voor intelligente interpolatie van bathymetriedata. Bij gebruik in rivieren wordt bvb. rekening gehouden met de hoofdrichting van de stroming. In estuaria blijft dit moeilijker aangezien stroming tijafhankelijk is. Een laatste mogelijke te onderzoeken optie is om bij de interpolatie van de stroomsnelheiden rekening te houden met de waterdiepte/hoogteligging, omdat gemodelleerde diepte-gemiddelde stroomsnelheden vaak diepte-afhankelijk zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
1.5.3 Conclusies en aanbevelingen Twee bijzondere en atypische habitattypes De getijindringing in de Zeeschelde, van oorsprong een meanderende rivier, is door de eeuwen heen sterk toegenomen. Toenemende hydrodynamiek door zeespiegelstijging en antropogene ingrepen ging bovendien gepaard met verminderende waterbergingsruimte (Van Braeckel et al. 2006, 2009). In een keursslijf tussen winterdijken is de oppervlakte natuurlijk hard substraat (klei/veenbanken) in de Zeeschelde groter dan verwacht bij een meer natuurlijke morfologische evolutie. Bovendien is er nog zeer veel antropogeen hard substraat aangebracht in de vorm van breuksteen als oever/dijkverdediging. Onze analyses toonden aan dat deze verharde zones (breuksteen maar ook natuurlijk hard substraat) ongunstig litoraal habitat voor macrobenthos blijven ook al vormt er zich (lokaal/ tijdelijk) een dunne sliblaag bovenop. De densiteiten blijven er erg laag onder alle omstandigheden. Omdat de totale oppervlakte aan verhard substraat zo groot is het aandeel van dit type in het slikhabitat in de Zeeschelde aanzienlijk en wordt het als apart habitattype onderscheiden. Verharde substraten zijn doorgaans ook (veel) steiler dan natuurlijke slikken en kunnen ook op die manier onderscheiden worden op de geomorfologische kaart. Aan de bovenrand van het slik bevindt zich een bijzonder overgangshabitat naar schor, de potentiële pionierszone. Dat deze zone (nog) niet tot schor ontwikkelde kan veel verschillende redenen hebben, en de toestand van dit ‘slik’ is ook erg variabel (bv. verschillende fases in schorcyclus zijn mogelijk). Het betreft een zeldzaam maar duidelijk en apart habitattype, met (vooral in het zoete deel) doorgaans lagere maar vooral een variabele waarde voor. Opvallend is dat er in het brakke deel soms (SPATIAL dataset) uitzonderlijk hoge densiteiten aan macrobenthos te vinden zijn, en dat dit onder bepaalde omstandigheden een hoogwaardig slikhabitat is. Omwille van dit alles beschouwen we het ook als een apart habitattype. Belangrijke variabelen voor het onderscheiden van de typische slikken in de Zeeschelde Saliniteit: De macrobenthosgemeenschappen van slik in de Zeeschelde verschillen vrijwel volledig van samenstelling in de brakke (mesohalien en sterke saliniteitsgradiënt) en de zoete (oligohalien, zoet lange verblijftijd en zoet korte verblijftijd) zone. Belangrijker nog is dat we aantoonden dat deze gemeenschappen ook verschillend reageren op omgevingsgradiënten, of minstens andere kantelpunten kennen langsheen de gradiënten. Dit leidt tot de conclusie dat we aparte, andere ecotoopgrenzen dienen te gebruiken bij het afbakenen van de zoete en de brakke slikhabitats. Slikhoogte is veruit de meest dominante variabele die macrobenthosgemeenschappen in de Zeeschelde bepaalt. We laten daarbij in het midden welke fysische factor dit precies aanstuurt en waarschijnlijk betreft het een combinatie van verschillende factoren die samen met de hoogte variëren (droogvalduur, stroomsnelheid, fysische sedimentkarakterstieken,…). Hoogte is een gemakkelijke en goed bruikbare variabele om ecotopen te onderscheiden. Dat de steilheid van de relatie tussen hoogte en densiteit sterk toeneemt in de zoete zone met korte verblijftijd, waar de getijamplitude kleiner is, is een aanwijzing dat we wellicht beter met droogvalduur werken bij de ecotoopindeling. Deze laatste variabele is zeer sterk gerelateerd aan hoogte en geeft (bijna) dezelfde sterke relaties als hoogte ten opzichte van laagwater (LW30) maar is beter toepasbaar overheen de hele Zeeschelde én compatibel met andere ecotoopindelingen. Daarom maken we gebruik van droogvalduur in plaats van slikhoogte om ecotoopgrenzen te bepalen. Hoogteligging of droogvalduur beïnvloedt in de zoete zone vooral
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 95 van 157
densiteit en biomassa van het macrobenthos. In de brakke zone is hoogte bovendien ook sterk bepalend voor de soortensamenstelling. De impact van andere fysische variabelen die we testten was beperkter of niet-generiek voor macrobenthos in slikken. Waterdynamiek (stroomsnelheid) is zonder twijfel een sturende kracht en een veelbelovende variabele voor litoraal macrobenthos, maar de nu beschikbare data voor intertidale stroomsnelheden in de Zeeschelde zijn niet superieur aan hoogte voor het verklaren van macrobenthospatronen. Een belangrijk deel van het effect van hoogte op macrobenthos zit wellicht vervat in de afnemende invloed van waterdynamiek hoger op het slik. Daarnaast verwachhten we ook onafhankelijk van de hoogte verschillen in macrobenthosgemeendschappen tussen binnen- en buitenbochten, eb-en vloedgedomineerde slikken, etc…. Dit verschil konden we echter (nog) niet voldoende sterk vatten met de data die we nu hebben. Validatie, calibaratie en verbetering van de stroomsnelheidsgegevens- en geïnterpoleerde stroomsnelheidsrasters op slikken enerzijds en gericht vergelijkend onderzoek, bijvoorbeeld tussen gepaarde sites met andere vloeddominantie, zal nodig zijn om dit aspect beter in kaart brengen. Andere geteste maar onvoldoende sterk bevonden variabelen correleren eveneens met hoogte en dragen mee bij aan de kracht van hoogte als verklarende variabele. De fractie organisch materiaal in het sediment correleert sterk met hoogte op het slik. Verschillen in de fractie organisch materiaal die niet aan hoogte gerelateerd zijn bestaan, maar het effect ervan kwam niet of slechts lokaal (in de oligohaliene zone) tot uiting, vermoedelijk door de heterogene samenstelling van het organisch materiaal, met sterk verschillende voedselwaarde. INBO zal testen doen met nieuwe analysemethoden om dit onderscheid in de toekomst hopelijk wel te kunnen maken. Slikhelling was een belangrijke variabele, maar met zonaal verschillende patronen. Steile slikken zijn minder waardevol (zie ook eerder bij hard substraat), maar dat geldt ook voor heel vlakke slikken. Dit is onverwacht, want vlakke slikken hebben een grote spreiding in droogvalduur en zijn doorgaans laagdynamischer, wat gunstig is voor macrozoöbenthos. Controle van specifieke punten wijst op een mogelijke interactie met hoogte, waarbij vlakke slikken meestal onderaan in de lage slikzone (met weinig macrozoöbenthos, zie hoger) lagen. Dit werd in dit rapport niet verder uitgewerkt. Het uiteindelijke resultaat van de objectieve zoektocht naar ecotoopgrenzen op basis van de belangrijke ecologische groep macrobenthos zijn 8 (9) slikecotopen. Deze worden hiërarchisch ingedeeld: eerst worden hard substraat (steile hellingen) en supralitoraal slik aangeduid. Op het overblijvend slikareaal wordt een indeling in hoogteklassen uitgevoerd, die verschillend is voor het zoet deel (inclusief oligohalien) en het brakke (mesohaliene) deel. De huidige voorgestelde ecotopen zijn: •
•
hard substraattype (antropogeen en natuurlijk) o natuurlijk hard substraat (gekarteerd op basis van luchtfoto’s aangevuld met hellingkaarten met controle van hellinggebieden van meer dan 25% o antropogeen hard substraat voornamelijk breuksteen, meer dan 50% bedekt met een sliblaag. Bijkomende controle van hellinggebieden van meer dan 25% supralitoraal sliktype
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
o
•
potentiële pionierszone: onbegroeid zacht substraat boven het 85% hoogwaterpercentielgrens. litorale sliktypes met zacht substraat brak gebied o laag slik: <25% droogvalduur met lage bodemdier densiteit en biomassa o middelhoog slik: 25-60% droogvalduur met gemiddelde bodemdier densiteit en biomassa. Kenmerkende macrobenthossoorten van zowel de lage als de hoge slikgemeenschap o hoog slik: >60% droogvalduur gekenmerkt door de afwezigheid van macrobenthossoorten van de lage brakke gemeenschap en dominantie van Corophium volutator zwak brak en zoet gebied o laag slik: 0-35% droogvalduur met lage bodemdier densiteit en biomassa o middelhoog slik: 35-60% droogvalduur met gemiddelde bodemdier densiteit en biomassa o hoog slik: >60% droogvalduur met hoge bodemdier densiteit en hoge biomassa
Aanbevelingen
•
•
•
In de Zeeschelde onderpresteren stroomsnelheidsgegevens voor het verklaren of voorspellen van macrobenthos. We weten dat dit deels aan de kwaliteit van de gegevens en interpollatie ligt voor de intertidale zone. Dit rapport formuleert enkel suggesties over hoe de datakwaliteit zou kunnen verbeteren, bv. de omzetting van de SCALDIS output van modelrooster naar stroomsnelheidsrasters optimaliseren. Een vergelijking met vergelijkbare Nederlandse studies lijkt aan te tonen dat stroomsnelheden een minder duidelijk effect hebben in de Zeeschelde, of alleszins een minder duidelijk effect onafhankelijk van de hoogtegradiënt. Het catalogeren van gebieden als hoog- of laagdynamisch kan wel degelijk op basis van stroomsnelheidsgegevens gebeuren. Er zit echter nog bruikbare informatie in de stroomsnelheidsparameters en haar interactie met hoogteligging die we nu nog niet vatten. Verder onderzoek waarbij hoogte en stroomsnelheid beter ontrafeld wordt kan leiden tot een betere toepassingmogelijkheid van stroomsnelheid. Met het benthosraaionderzoek neemt het INBO hier een eerste stap. Supralitoraal zacht slikgebied bestaat uit een zeer diverse habitat met voor benthos gunstig maar ook zeer ongunstig habitat. Een belangrijke oppervlakte van dergelijke habitat is aanwezig in de NOP-gebieden, die in deze analyse grotendeels niet zijn bemonsterd. Verschillende andere studies berichten over zeer hoge
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 97 van 157
•
•
•
benthosdensiteiten in deze gebieden. Naarmate er meer van dergelijke gebieden bijkomen lijkt het evident om op basis van bestaande benthosdata (NOP- gebieden) en nieuwe gerichte sampling in zowel het zoete als brakke gebied deze habitats beter te beoordelen. De hoofdmoot van het benthos in de zoete Zeeschelde zijn oligochaeta die van detritus leven. Nochtans vinden we geen of erge zwakke verbanden tussen de fractie organisch materiaal in het sediment en het benthos. Vermoedelijk is vooral vers gesedimenteerd, labiel organisch materiaal belangrijk als voedsel. Onderzoek naar wat en hoe groot de labiele fractie van het organisch materiaal is alsook het afzettings/sedimentatiepatroon ervan is lijkt nodig. Dit kan door op vaste raaien sedimentatie-erosie dynamiek en benthos samen op te volgen, en de fractie organisch labiel materiaal de monitoren. Analyse van de ‘betekenis’ van de droogvalduurpercentage langsheen de saliniteitsgradiënt rekening houdend met de asymmetrische tijkrommeveranderingen in stroomopwaartse richting. Doel is na te gaan of er ook een abiotische aanleiding is voor de verschillende verkregen grenswaarden van het laag slik in de zoete en brakke zone. Om een hoge biomassa of hoge aantallen van macrobenthos in het Zeescheldesysteem te krijgen, is het dus van belang om voldoende grote oppervlaktes (middel)hoog slik te hebben. Dit kan door het behoud van of door ruimte te geven aan brede, bolle en flauwhellende slikken, die de grootste slikoppervlak bovenaan hebben. Smalle (holle) slikken vertonen lagere aantallen of biomassa’s aan macrobenthos: ze hebben niet alleen een klein slikoppervlak maar vooral een kleiner aandeel aan hogere slikzones en zijn bovendien steiler in de hogere slikzones.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
2 HYPERBENTHOS IN DE CONTACTZONE TUSSEN SLIK EN SUBTIDAAL 2.1 MATERIAAL EN METHODE 2.1.1 Bemonstering en laboratoriumverwerking In 2013 werd gestart met de monitoring van de ongewervelde fauna die zich op en boven de bodem (en dus niet, zoals macrobenthos, erin) bevindt. Dit epi- en hyperbenthos (hier verder eenvoudigheidshalve aangeduid als “hyperbenthos”) leek immers een steeds belangrijker deel uit te maken van de aanwezige biomassa in het systeem (o.a. zie bijvangstdata in het vismeetnet, Breine, in: Van Ryckegem et al. 2014). In eerste instantie is een temporele monitoring opgestart in 2013 bestaande uit maandelijkse bemonsteringen van juli tot oktober op 6 locaties langsheen de zoutgradiënt van de Zeeschelde (5 langs de Zeeschelde en 1 langs de Rupel). Binnen Habitatmapping Zeeschelde is het doel om meer te weten te komen van het ruimtegebruik van garnaalachtigen en kleine vissen binnen de rivier, waarbij in eerste instantie wordt gefocust op de contactzone tussen litoraal en sublitoraal m.a.w. nabij de laagwaterlijn binnen contrasterende habitats. Vandaar is in augustus 2013 gestart met een eerste testcampagne met vangsten op 4 x 2 gepaarde locaties (8) waarvan telkens één in vloedgedomineerde en één in ebgedomineerde deelgebieden (samen hierna “koppel” genoemd, zieTabel 2-1). Uit analyse van Vos et al. (2012) bleek de stroomsnelheidsvariabele “vloeddominantie” namelijk voor sterke ruimtelijke contrasten te zorgen in de stroompatronen van de Zeeschelde. In augustus 2015 werd deze gegevensset uitgebreid met nog eens 19 x 2 (38) locaties. Samen (2013, 2015) zijn dus 48 gekoppelde stalen (24 koppels) genomen in vloed- en ebgedomineerde locaties in dezelfde riviersectie en 9 niet gekoppelde stalen voornamelijk in het stroomopwaartse deel waar vloed- en ebgedomineerd niet altijd in dezelfde riviersectie terug te vinden zijn. Al deze stalen zijn dus beschikbaar voor analyse (Tabel 2-1). Er werden in totaal op 26 verschillende locaties stalen genomen en op 3 locaties werden koppels zowel in 2013 als 2015 bemonsterd (Tabel 2-1). Vloedgedomineerde gebieden, vaak binnenbochten, vertonen bredere slik- en ondiep waterzones met een duidelijke hoge stroomsnelheidspiek bij vloed net voor hoog water (zie Figuur 2-1). Ebgedomineerde gebieden vertonen lagere stroomsnelheden bij vloed en hogere snelheden bij eb. In het ééngeulsysteem van de Zeeschelde zijn vloed-gedomineerde gebieden vaker dynamischer dan eb-gedomineerde gebieden. Zodoende willen we nagaan of deze verschillen in leefomgeving ook verschillen induceren in de aantallen, biomassa en soortenrijkdom van hyperbenthische fauna. Een belangrijke nuance daarbij is dat we owv praktische redenen onze staalname uitvoeren bij laag water, dus wanneer het hyperbenthos niet boven het slik verblijft.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 99 van 157
NOT 3,5m NOT 1m BAL 3m
NOT 3m NOT 0,5-GLWS BAL 2m
EB
1,00
NOT 2m BAL 3,5m BAL 1,1m VLOED
0,80
(m/s)
0,60 0,40 0,20 0,00 8:30
10:30
12:30
14:30
(tijd)
16:30
18:30
20:30
Figuur 2-1 Stroomsnelheidsverloop gedurende één getij in 2 slikgebieden, de ebgedomineerde Notelaer (NOT) en de vloedgedomineerde Ballooi (BAL), voor verschillende hoogtelocaties (mTAW) uit Nevla (bron: Waterbouwkundig Laboratorium).
Foto 12: Bemonstering met bongonet van hyperbenthos voor het slik van Notelaer (voorgrond, ebgedomineerd) versus voor het slik van de Ballooi (achtergrond, vloedgedomineerd)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Tabel 2-1 Bemonsteringslocaties hyperbenthos. Voor elke locatie wordt weergegeven op welke oever ze ligt (oever; L=linkeroever, R=rechteroever), in welke saliniteitszone (saliniteit), of het een vloed- of ebgedomineerde locatie is (vloed-eb), en tot welk koppel ze behoort (koppel).
jaar
Locatie
saliniteit
oever vloed-eb
2013 2013 2013 2013 2013 2013 2013 2013 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2013 2013 2013 2013 2015 2015 2015
Doelkerncentrale – DK Paardenschor Lillo polder – LP Galgenschoor – GS Notelaer - NOT2 Ballooi Branst De Plaat Groot Buitenschoor - GBS L Groot Buitenschoor - GBS R Doelkerncentrale – DK Ouden Doel – DO Lillo polder – LP Galgenschoor – GS Ketenisse - KP2 Ketenisse - KP1 Fort Filip - FF2 Fort Filip - FF1 St-Anna St-Anna - SA1 Rupelmonde/Aubroeck - RM ZS Aubroeck/Rupelmonde - OB_08 Notelaer - NOT2 Ballooi Tielrode/Weert – TR Tielrode/Weert – WE Sint-AmandsMariekerke - MK Sint-Amands Zwijn - ZW1 Wal/OudeBriel - OB_16 Wal/OudeBriel - WAL GrootSchoor/Briel - BRI2 GrootSchoor/Briel - GSH Vlassenbroek thv Kramp - VK1 Vlassenbroek thv Kramp - VK2 Vlassenbroek thvGrembergen - VG1 Vlassenbroek thvGrembergen - VG2 Dendermonde zand - aDZ2 Dendermonde ZelePottelbergschor - POT of PB ZeleAppels - ZE2 Zele thv Pottelbergschor - ZP ZeleAppels – AP Rupel Niel Roever - RN2 Rupel Niel Loever - RN1 Ter Hagen Rupel - RP2 Rupel St-Anna Dendermonde Konkelschoor – KS Rupel Paardenschor Plaat van Boomke - PB1 Bergenmeersen – BE
mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien oligohalien oligohalien zoet lang zoet lang mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien mesohalien oligohalien oligohalien oligohalien oligohalien oligohalien oligohalien zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet lang zoet kort zoet kort zoet kort zoet kort Rupel Rupel Rupel Rupel mesohalien zoet lang zoet kort Rupel mesohalien mesohalien zoet kort
L L R R R L R L R R L L R R L L R R L L L R R L L R R L R L R L R R R R L R R L L R R L R R L R L R L R R
eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb vloed eb eb vloed vloed eb vloed eb vloed eb vloed vloed vloed vloed vloed vloed
koppel 2 2 4 4 10 10 12 12 1 1 2 3 4 4 5 5 6 6 8 8 9 9 10 10 11 11 13 13 14 14 15 15 16 16 17 17 18 18 19 19 19 19 23 23 24 24 8 18 22 24 2 7 20
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 101 van 157
2015 2015
Brede Schoren Konkelschoor – KS
zoet kort zoet kort
L L
vloed vloed
21 22
Bemonstering Op elke locatie werd bij laag water een bongonet, i.e. een net met cirkelvormige opening van 0.5m en een maaswijdte van 1mm, te voet gesleept over een afstand van 2x 100m (heen en weer). Het volume water dat dus gefilterd werd bedraagt steeds 39.9 m3. De staalnamekoppels (linker- rechteroever) werden steeds op dezelfde dag gesampled. De verschillende koppels bijna altijd op enkele opeenvolgende dagen. Waterstalen (drie replicaten) werden verzameld per locatie ter bepaling van het gehalte aan zwevende stof en het organische stofgehalte (fractie organisch materiaal). Daarnaast werden ook de saliniteit (g/L), temperatuur (°C), conductiviteit (µS/cm) en het zuurstofgehalte (mg/L) opgemeten. Laboverwerking De faunastalen werden in het labo gespoeld over een 1mm-zeef, alle organismen werden uitgepikt, tot op soort gedetermineerd (tenzij dat niet mogelijk was; dan tot op maximale taxonomische resolutie) en per soort geteld. Om de biomassa te bepalen (asvrij drooggewicht, AFDW) werden de dieren vervolgens per soort verzameld in een kroes en behandeld volgens dezelfde procedure als voor macrobenthos. De waterstalen werden gezeefd over een glasmicrovezelfilter (GF/B) en de massa zwevende stof per watervolume werd berekend (g/L).
2.1.2 Selectie van omgevingsvariabelen De aantallen en biomassa van het hyperbenthos kunnen gelinkt worden aan een reeks abiotische verklarende variabelen. Door logistieke moeilijkheden ontbreekt informatie over 1 of meerdere van de omgevingsvariabelen in 16 stalen. Stroomsnelheden werden door het Waterbouwkundig Laboratorium berekend op basis van het NEVLA numeriek model (Maximova et al. 2013) en het SCALDIS model (Smolders et al. 2016). Volgende variabelen op basis van beide modellen werden gekoppeld aan de verschillende locaties (ontbreken in 8 stalen): • • • •
Gemiddelde stroomsnelheid bij eb (avg_eb) Maximale stroomsnelheid bij eb ("max_eb") Gemiddelde stroomsnelheid bij vloed ("avg_vl") Maximale stroomsnelheid bij vloed ("max_vl")
De (potentiële) verklarende variabelen werden getransformeerd om bij elk een verdeling te verkrijgen die een normaalverdeling zo goed mogelijk benaderde. Selectie van de omgevingsvariabelen gebeurde in eerste instantie door een visuele inspectie met een correlatiematrix. De stroomsnelheidsvariabelen gebaseerd op het NEVLA en het SCALDIS model waren sterk gecorreleerd (alle r>0.85, P<0.001), alsook bepaalde stroomsnelheidsvariabelen onder elkaar. Daarom werd een multivariate analyse (PCA)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
toegepast om de variabelen te kunnen selecteren/berekenen die de variatie in hydrodynamiek het best samenvatten (zie resultaten). Als proxy voor de voedseltoegankelijkheid voor epi-en hyperbenthos werd de fractie organisch materiaal (%OM ) in het zwevende-stof gehalte in rekening gebracht. Als een maat voor voedselbeschikbaarheid werd het totaal gehalte aan organisch materiaal (mg/L) beschouwd: zwevende-stof gehalte (g/L) x fractie organisch materiaal (%OM) x 1000 Vervolgens werden de abiotische variabelen vergeleken tussen saliniteitszones en eb/vloed gedomineerde locaties. Dit gebeurde aan de hand van Linear Mixed Models (lme4 package, hierna afgekort “LMM”), waarbij de gekoppelde locaties als random factor werden beschouwd omdat deze locaties niet als onafhankelijke datapunten kunnen worden beschouwd (zelfde tijdstip gesampled, ruimtelijk gekoppeld). Omdat waarden van de omgevingsvariabelen verschillen tussen jaren, werd de factor jaar steeds toegevoegd aan de modellen. Het verschil tussen jaren kon echter niet correct gemodelleerd worden omdat er niet elk jaar evenveel locaties en maanden gesampled werden (veel minder locaties gesampled in het proefproject van 2013 in vergelijking met de intensieve campagne van 2015). Dit zou de assumpties schenden en daarenboven zouden mogelijke verschillen tussen jaren te wijten kunnen zijn aan toeval omdat verschillen in feite enkel kunnen getest worden op gepaarde locaties tussen jaren, waarvoor de steekproefomvang veel te klein is. De factor jaar werd dus steeds toegevoegd aan de modellen als een soort correctiefactor, maar er wordt verder niet op ingegaan. Op basis van de lineaire modellen konden de omgevingsvariabelen geselecteerd worden die gestructureerd variëren volgens saliniteitszone en tussen eb/vloed gedomineerde locaties. Nadien kon onderzocht worden of deze variabelen ook patronen in aantallen en biomassa van het hyperbenthos verklaren.
2.1.3 Gemeenschapssamenstelling hyperbenthos Via eenzelfde werkwijze als bij het macrobenthos, werden ook hier verschuivingen in faunagemeenschappen in verband gebracht met sturende omgevingsvariabelen en ruimtelijke verspreiding. Voor deze analyses werden enkel soorten weerhouden die in minstens 10% van de stalen voorkomen. We beperkten ons ook hier tot analyses op basis van densiteit. Voor de gemeenschapsanalyse werd een RDA-analyse op Hellinger-getransformeerde densiteiten uitgevoerd. Deze methode houdt rekening met de relatieve abundantie van de verschillende soorten binnen een locatie. In eerste instantie werd een model opgebouwd met alle geselecteerde variabelen uit de verkennende analyses. Vervolgens werd modelselectie toegepast (selectie van relevante verklarende variabelen) aan de hand van achterwaartse selectie op basis van de verklaarde variatie (R2) en significantie van elke variabele. Variabelen die minder dan 1% van de variatie verklaren of niet significant (op het 5% niveau) bijdragen tot de verklaarde variatie, werden stapsgewijs uit het maximale model verwijderd. Alle analyses werden uitgevoerd in R met behulp van het package ‘vegan’.
2.1.4 Aantallen en biomassa hyperbenthos De verbanden tussen omgevingsvariabelen en de aantallen en biomassa van het epi-en hyperbenthos werden geanalyseerd op verschillende taxonomische niveaus.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 103 van 157
1. Totale aantallen en biomassa van hyperbenthos: per staalnamepunt werden de aantallen of biomassa van alle soorten gesommeerd. 2. Per hoger taxon: de aantallen of biomassa werden gesommeerd per hoger taxon (Mysida of aasgarnalen, Decapoda of echte garnalen, Pisces of vissen en Amphipoda of vlokreeftjes). Verschillende vissoorten maken deel uit van de bodem-geassocieerde fauna en kunnen opgedeeld worden in 3 functionele groepen op basis van hun levensstijl: epibenthos, hyperbenthos, of een combinatie van beide (zie Tabel 2-2). Aangezien omgevingsvariabelen de soorten verschillend kunnen beïnvloeden naargelang hun levensstijl werd in de analyses een onderscheid gemaakt tussen deze 3 functionele groepen bij de juveniele vissen. 3. Per soort: de meest dominante soorten werden geselecteerd om verbanden met de omgevingsvariabelen apart te testen (zieTabel 2-2): Neomysis integer of brakwateraasgarnaal (Mysida), Mesopodopsis slabberi of steeloog-aasgarnaal (Mysida), Palaemon longirostris of langneus-steurgarnaal (Decapoda), Crangon crangon of grijze garnaal (Decapoda), Pomatoschistus microps of brakwatergrondel (Pisces) en Osmerus esperlanus of spiering (Pisces). Voor de aantallen van het hyperbenthos werd een Generalized Linear Mixed Model uitgevoerd met log link functie en negatief-binomiale foutverdeling (hierna afgekort als NBMM: Negative Binomial Mixed Model). Preliminaire analyses toonden aan dat een Poisson foutverdeling niet voldoet aan de assumpties, omdat er overdispersie (de foutenmarge is groter dan verwacht onder Poisson) voorkomt. Voor de biomassa werd een Linear Mixed Model (hierna afgekort als LMM) uitgevoerd, waarbij de afhankelijke variabele (biomassa) werd getransformeerd om te voldoen aan de assumpties van normaliteit, op dezelfde manier zoals bij het macrobenthos. Via deze modellen werd nagegaan welk belang de verschillende omgevingskenmerken hebben om de patronen in aantallen en biomassa van de hyperbenthische fauna te verklaren. De omgevingsvariabelen werden herschaald/gestandaardiseerd (gemiddelde = 0, standaard deviatie = 1) om zo verbanden te kunnen vergelijken. De gekoppelde locaties werden steeds beschouwd als een random factor in het model, om zo te corrigeren dat deze stalen niet onafhankelijk zijn van elkaar (zie eerder). Bij elke analyse werd er gestart met een maximaal model waarin alle geselecteerde omgevingsvariabelen uit de verkennende analyses werden meegenomen. Dit maximale model werd vervolgens afgebouwd aan de hand van achterwaartse modelselectie (selectie van relevante verklarende variabelen) op basis van AIC. Hierbij heeft een model met een lagere AIC de voorkeur op een model met een hogere AIC. Indien het verschil in AIC waarde tussen het beste model (laagste AIC) en een aantal andere modellen niet groter is dan 2, werd het meest parsimone model behouden. Om het verklarend vermogen van het beste model voor totale aantallen (GLM) aan te geven 𝑑𝑒𝑣𝑖𝑎𝑛𝑐𝑒𝑚𝑜𝑑𝑒𝑙
wordt een pseudo-R2 berekend als 1 − 𝑑𝑒𝑣𝑖𝑎𝑛𝑐𝑒
𝑛𝑢𝑙𝑙.𝑚𝑜𝑑𝑒𝑙
. Voor totale biomassa (LM) wordt de
standaard R2 van het totale model weergegeven.
Alle analyses werden uitgevoerd in RStudio (versie 1.1.442, 2009-2018 RStudio, Inc.)
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
2.2 ALGEMENE KENMERKEN HYPERBENTHOS Tabel 2-2 toont de aangetroffen soorten in de meetcampagnes. De verschillende taxa vallen grotendeels samen met de functionele groepen. Mysids of aasgarnalen zwerven in wolken in het water en behoren typisch tot het hyperbenthos (Van de Meutter et al. 2019b, De Neve et al. 2020). De Decapoden of garnaalachtigen (grijze en steurgarnaal) zijn opportunistische predatoren van bijvoorbeeld aasgarnalen of oligochaeten. Garnalen leven hoofdzakelijk net boven de bodem en vertonen een epibenthische levensstijl. De vissen (Pisces) die in deze studie werden gevangen waren altijd juvenielen en er waren zowel epibenthische als hyperbentische soorten, alsook soorten die beide levensstijlen hanteren (Van den Bergh et al. 2018). Amphipoda of vlokreeftjes zijn detrivoren en zijn typische bodemdieren die slechts een deel van hun levenscyclus als epibenthos doorbrengen. Tabel 2-2: Hyper (H)- en epibenthos (E) soortenoverzicht uit de meetcampagnes (drempel van minstens in 2 stalen (3%) aangetroffen). Modelsoorten zijn vetgedrukt. MH = mesohalien; OH = oligohalien; ZL = zoet met lange verblijftijd; ZK zoet met korte verblijftijd; R Rupel.
Hoger taxon
Garnaalachtigen (Decapoda)
Aasgarnalen (Mysida)
Soort
Vlokreeftjes
M
O
ZL
ZK
R
gemiddelde biomassa (ind/100m3)
% stalen aanwezig
Wetenschappelijk
Nederlands
Crangon crangon
Grijze garnaal
E
17
8
0
0
0
463
51
Palaemon longirostris
Langneussteurgarnaal
E
12
7
14
8
5
181
78
Palaemon macrodactylus
Rugstreepgarnaal
E
0
2
0
0
0
8
3
Eriocheir sinensis
Chinese wolhandkrab
E
1
0
1
0
0
4
3
Mesopodopsis slabberi
Steeloog-aasgarnaal
H
19
0
0
0
0
4565
36
Neomysis integer
Brakwater-aasgarnaal
H
13
7
14
6
4
883
75
H
9
0
0
1
0
88
17
Neomysis americana Vissen (Pisces)
E/H
Pomatoschistus microps
Brakwatergrondel
E
17
7
15
8
4
234
86
Osmerus eperlanus
Spiering
H
8
7
13
4
3
33
59
Dicentrarchus labrax
Zeebaars
E/H
10
7
10
8
3
19
64
Abramis brama
Brasem
E
2
2
6
0
3
17
22
Gasterosteus aculeatus
Stekelbaars
H
1
2
2
4
1
7
17
Platichthys flesus
Bot
E
6
1
4
4
1
4
27
Pseudorasbora parva
Blauwbandgrondel
E/H
1
2
4
2
2
4
19
Clupea harengus
Haring
H
3
0
0
0
0
3
5
Cyprinus carpio
Karper
E/H
0
1
1
1
1
3
7
Syngnathus rostellatus
Kleine zeenaald
E
3
0
0
0
0
3
5
E
10
2
11
5
3
33
54
Gammarus zaddachi
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 105 van 157
Hoger taxon
Soort
E/H
M
O
ZL
ZK
R
gemiddelde biomassa (ind/100m3)
% stalen aanwezig
E
5
0
0
0
0
39
8
E
10
0
0
0
1
36
19
Gammarus tigrinus
E
0
0
5
3
2
17
17
Apocorophium lacustre
E
1
0
2
0
2
11
8
E
0
0
1
0
1
6
3
Eurydice pulchra
E
2
0
0
0
0
41
3
Synidotea laticauda
E
6
0
0
0
0
30
10
Cyathura carinata
E
2
0
0
0
0
11
3
Neteldieren (Cnidaria)
Nemopsis bachei
E
3
0
0
0
0
42
5
Pijlwormen (Chaetognat ha)
Chaetognatha sp.
E
3
0
0
0
0
26
5
Wetenschappelijk
(Amphipoda)
Incisocalliope aestuarius Corophium volutator
Bathyporeia pilosa Pissebedden (Isopoda)
Nederlands
Wadkreeftje
Knipsprietkreeftje
2.3 HYPER- EN EPIBENTHOS ANALYSE 2.3.1 Verkennende analyses 2.3.1.1
Vergelijking van variabelen tussen stroomsnelheidsmodellen De stroomsnelheidvariabelen uit het NEVLA en SCALDIS model waren voor de zones waar met het net gesleept werd bij de hyperbenthosstaalname sterk met elkaar gecorreleerd (Figuur 2-2). Aangezien het SCALDIS model het meest recent numeriek model is met een fijnere gridgrootte ter hoogte van de slikken in vergelijking met het NEVLA model, is geopteerd om voor de verder analyses steeds SCALDISstroomsnelheden en afgeleiden te gebruiken. De correlatiematrix toont dat ook gemiddelde en maximale stroomsnelheden (m/sec) bij zowel eb als vloed aanzienlijk met elkaar gerelateerd zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-2: Correlatiematrix van de verschillende stroomsnelheidsvariabelen (m/sec) berekend volgens het NEVLA (NV) en SCALDIS (SC) numeriek model. Gemiddelde stroomsnelheid bij eb (eb_avg_NV, eb_avg_SC), gemiddelde maximale stroomsnelheid bij eb (eb_avg_max_NV, eb_avg_max_SC), gemiddelde stroomsnelheid bij vloed (vl_avg_NV, vl_avg_SC ) en gemiddelde maximale stroomsnelheid bij vloed.
Een PCA-analyse op de gemiddelde stroomsnelheid en gemiddelde maximale stroomsnelheid bij eb en vloed resulteerde in 2 PC-assen die samen 95.46% van de variatie in de 4 variabelen verklaarden. De eerste as was gecorreleerd met de 4 stroomsnelheidmetingen (Figuur 2-3) en verklaart dus voornamelijk variatie in gemiddelde stroomsnelheid over een volledige tijcyclus tussen locaties. De tweede as geeft de verhouding tussen eb- en vloedstroomsnelheid weer. Zoals verwacht was er een sterke overlap in hydrodynamiek tussen saliniteitszones (Figuur 2-4), maar worden vloed- en ebgedomineerde locaties mooi gescheiden op basis van de PCassen. A.
B. PC1
PC2
avg_eb
-0,42
0,62
max_eb
-0,53
0,41
avg_vloed
-0,53
-0,43
max_vloed
-0,49
-0,51
Figuur 2-3: A. Factor loadings van de twee resulterende assen uit de PCAanalyse. B. Biplot van de eerste en tweede PC-as en de relatie met stroomsnelheden bij eb en vloed. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 107 van 157
Figuur 2-4: Biplots gebaseerd op de PC-assen met visualisatie van vloed- en ebgedomineerde locaties en salniteitszones.
De interpretatie van de verschillende stroomsnelheidsvariabelen kan dus samengevat worden in twee variabelen, die ook rechtstreeks uit de data kunnen worden berekend: • •
gemiddelde stroomsnelheid = (gemiddelde stroomsnelheid bij eb + gemiddelde stroomsnelheid bij vloed)/2 vloed-/ebdominantie = gemiddelde stroomsnelheid bij vloed/ gemiddelde stroomsnelheid bij eb
Deze interpretatie van de assen wordt gestaafd door een lineaire regressie van PC1 en de gemiddelde stroomsnelheid (Figuur 2-5-A) en van PC2 en vloed-/ebdominantie (Figuur 2-5B), waardoor voor de verdere analyses rechtstreeks met de data kan gewerkt worden in plaats van met de PC-assen.
Figuur 2-5: Pearson correlatie tussen A. gemiddelde stroomsnelheid en PC1. B. vloed-/ebdominantie en PC2.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
2.3.1.2
Abiotiek in relatie tot vloed-/ ebdominantie
Temperatuur, zuurstofgehalte en gemiddelde stroomsnelheid benaderden een normaal verdeling. Het organisch materiaal, de fractie organisch materiaal en de vloed-ebdominantie werden log getransformeerd. Behalve een positieve tendens tussen het gehalte aan organisch materiaal en de fractie organisch materiaal, toont de correlatiematrix van de verschillende omgevingsfactoren geen significante verbanden (Figuur 2-6).
Figuur 2-6: Correlatiematrix van de verschillende omgevingsvariabelen
Zowel het totaal organisch materiaal als de fractie organisch materiaal vertoonden een significante interactie tussen saliniteitszone en vloed-/ebdominantie (LMM, χ2 (3)> 7.71, P < 0.05, Figuur 2-7). Op ebgedomineerde locaties stijgt het totaal organisch materiaal vanaf de oligohaliene zone stroomopwaarts, maar de fractie organisch materiaal lijkt af te nemen. In de mesohaliene zone waren zowel het totaal organisch materiaal als de fractie organisch materiaal lager op eb- dan op vloedgedomineerde locaties, terwijl dit in de andere saliniteitszones een omgekeerde tendens was.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 109 van 157
Figuur 2-7: Voorspelde waarden ± SE-foutstaven van het Lineair Mixed Model van A. het organischestofgehalte en B. de fractie organisch materiaal in functie van saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. De werkelijke waarden worden ook weergegeven.
De watertemperatuur verschilde in relatie tot saliniteitszone (LMM, χ2 = 10.22, P = 0.017, Figuur 2-8-A). Hoe meer stroomafwaarts, hoe hoger de temperatuur, maar er was geen verband met vloed-/ebdominantie. Opmerkelijk is wel dat het zuurstofgehalte in het water binnen eenzelfde saliniteitszone zo sterk varieerde tussen eb- en vloedgedomineerde locaties. Bovendien varieerde het zuurstofgehalte in het water tussen saliniteitszones, maar enkel op ebgedomineerde locaties (LMM, χ2 (3)= 8.63, P = 0.034, Figuur 2-8 -B). Het zuurstofgehalte was beduidend lager op ebgedomineerde locaties in brak water in vergelijking met ebgedomineerde locaties in zoet water.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-8: Voorspelde waarden ± SE-foutstaven van het Lineair Mixed Model van A. de watertemperatuur B. het zuurstofgehalte in functie van saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. De werkelijke waarden worden ook weergegeven.
Het linear mixed model met gemiddelde stroomsnelheid resulteerde in een niet significante interactie tussen saliniteitszone en vloed-/ebdominantie (LMM, χ2 (3)= 7.03, P = 0.071, Figuur 2-9-B). De gemiddelde stroomsnelheid verminderde op ebgedomineerde locaties stroomopwaarts, daar waar geen duidelijk verband bestond op vloedgedomineerde locaties. Vloedgedomineerde locaties hadden een hogere gemiddelde stroomsnelheid dan ebgedomineerde locaties, behalve in het mesohalien deel van de Zeeschelde. De mate van vloed-/ebdominantie was gelijkaardig tussen saliniteitszones, maar was logischerwijs hoger op vloedgedomineerde locaties dan op ebgedomineerde locaties ( χ2 (1)= 105.9, P < 0.001), al blijft er behoorlijk wat variatie tussen locaties.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 111 van 157
Figuur 2-9: A. Voorspelde waarden ± SE foutstaven (LMM) van gemiddelde stroomsnelheid (m/sec) in functie van saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. B. Waarden van de gemodelleerde gemiddelde vloed-/ebstroomsnelheid op gekoppelde eb- en vloedgedomineerde locaties. Locaties met vloed-/ebdominantie hoger dan één (horizontale lijn) zijn vloedgedomineerd.
2.3.1.3
Selectie van omgevingsvariabelen: conclusie
Alle gemeten omgevingsvariabelen, behalve de watertemperatuur, vertoonden een trend of varieerden significant in relatie tot saliniteitszone en vloed-/ ebdominantie. Ebgedomineerde locaties liggen typisch dichter bij de vaargeul en het valt ook op dat de omgevingsvariabelen sterker fluctueerden op deze locaties. Aangezien temperatuur enkel varieerde met saliniteitszone wordt deze verder niet meegenomen in deze analyse van aantallen en biomassa van hyper- en epibenthos, al is deze variabele uiteraard wel belangrijk in het seizoenaal spreidingspatroon (De Neve et al. submitted.). Aangezien de mate van vloed-/ebdominantie (Figuur 2-8) ruime variatie toont tussen locaties is gekozen om de continue variabele in plaats van de discrete variabele mee te nemen bij het modelleren van aantallen en biomassa. Omdat gemeenschappen sterk verschillen volgens saliniteitszones zou testen of verbanden met abiotiek verschillen tussen saliniteitszones interessant zijn. Echter, gezien de beperkte steekproefgrootte, is het onmogelijk om alle interacties tussen het groot aantal omgevingsparameters en saliniteitszone (met 4 niveaus) toe te voegen aan het model. De verkennende analyses tonen dat de zones ‘zoet met lange verblijftijd’ en ‘zoet met korte verblijftijd’ gelijkaardig zijn qua gemeenschapssamenstelling en abiotiek. Daarom worden de zones ‘zoet lang’ en ‘zoet kort’ als 1 saliniteitszone ‘zoet’ beschouwd. De interacties tussen saliniteitszone en de respectieve omgevingsparameters werden eerst in aparte modellen getest en vervolgens werden enkel significante interacties getest in het maximaal model. Als gevolg werd gekozen voor volgend maximaal model: •
Aantallen of Biomassa ~ gemiddelde stroomsnelheid + mate van vloed-/ebdominantie + zuurstofgehalte + organische-stof gehalte + fractie organisch materiaal + saliniteitszone + jaar + significante interacties met saliniteitszone
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
•
Random factor = gekoppelde locaties
2.3.2 Gemeenschapssamenstelling Aan de hand van multivariate analyses wordt de relatie onderzocht tussen het wisselend aantal individuen van verschillende soorten en potentieel sturende omgevingsvariabelen. Dit toont hoe de aanwezige hyperbenthosgemeenschap verandert qua soortensamenstelling en/of aantallen in functie van de omgevingsvariabelen. De totaal verklaarde variatie in hyperbenthos-soortensamenstelling was 55% en de meest bepalende omgevingsfactor was de saliniteitszone. Het mesohalien deel van de Zeeschelde heeft duidelijk een andere epi-hyperbenthos gemeenschap dan in de andere zones. Echter, ook de mate van vloed-/ebdominantie werd weerhouden in het model (Figuur 2-10). Geen enkele andere omgevingsvariabele werd weerhouden in de modelselectie om variatie in soortengemeenschappen te verklaren. Deze variabelen zullen dus waarschijnlijk eerder lokale variatie in biomassa of biomassa helpen verklaren. De steeloog-aasgarnaal (Mesopodopsis slabberi) is de kenmerkende soort voor de mesohaliene zone, daar waar de brakwatergrondel (Pomatoschistus microps) en de spiering (Osmerus eperlanus) hun laagste biomassa en densiteit kennen in deze zone.
Figuur 2-10: resultaten van RDA-analyse op biomassa van hyperbenthos met aanduiding van de verschillende saliniteitszones. De afstand tussen de staalnamelocaties (punten) weerspiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling. De soorten die meest het verschil in gemeenschappen markeren worden ook weergegeven. De hoek tussen soorten onderling weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). De groene pijl geeft de invloed van vloed/ebdominantie weer.
De analyse werd herhaald op de dataset zonder de mesohaliene zone om te zien of meer variabelen en/of soorten konden gelinkt worden aan de verschillende gemeenschappen. Dit model verklaarde 19% van de variatie in soortensamenstelling en opnieuw werden saliniteitszone en de mate van vloed/ebdominantie weerhouden (Figuur 2-11). De grijze garnaal (Crangon crangon) dringt het estuarium binnen tot de oligohaliene zone, die zich verder kenmerkt door afwezigheid van steeloog-aasgarnalen. De langneus-steurgarnaal ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 113 van 157
(Palaemon longirostris) werd in alle zones aangetroffen, maar was beduidend talrijker en dus kenmerkend voor het zoet deel van de Zeeschelde. De brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer) is een dominante soort van het hyperbenthos en vertoonde, net als de grijze garnaal, een voorkeur voor vloedgedomineerde locaties (zie ook resultaten uit lineaire modellen per soort, 2.3.5).
Figuur 2-11: Resultaten van RDA-analyse op biomassa van hyperbenthos met aanduiding van de verschillende saliniteitszones. De afstand tussen de staalnamelocaties (punten) weerspiegelt de onderlinge verschillen in soortensamenstelling. De soorten die meest het verschil in gemeenschappen markeren worden ook weergegeven. De hoek tussen soorten onderling weerspiegelt de correlatie (hoeken kleiner dan 90° = positieve correlatie, hoeken groter dan 90° = negatieve correlatie). De groene pijl geeft de invloed van vloed/ebdominantie weer.
2.3.3 Totale aantallen en biomassa hyper- en epibenthos
2.3.3.1
Totale aantallen
De totale aantallen epi-en hyperbenthos (verder als hyperbenthos benoemd) verschilden naargelang de saliniteitszone en waren het hoogst in het mesohalien deel van de Zeeschelde (NBMM, χ2 (2)= 11.42, P = 0.0032, -A). Het totaal aantal hyperbenthos was hoger naargelang de locatie meer vloed-gedomineerd was (Negative Binomial Mixed Model (NBMM) z = 4.12, P < 0.001,Figuur 2-12 -A). Er was ook een eenduidig positief verband tussen het totaal aantal hyperbenthos en het gehalte aan organisch materiaal (NBMM, z = 4.78, P < 0.001, Figuur 2-12-B).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-12: Voorspeld verband uit het negatief bionomiaal mixed model (NBMM) tussen het totaal aantal hyperbenthos/40m3 en A. de mate van vloed-/ebdominantie. B. het totaal organische-stof gehalte. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De ruwe data worden ook weergegeven.
2.3.3.2
Totale biomassa
In tegenstelling tot de totale aantallen, verschilde de totale biomassa van het hyperbenthos niet tussen saliniteitszones (Linear Mixed Model (LMM), χ2 (2)= 0.31, P = 0.86) en ook de vloedebdominantie speelde geen rol (Figuur 2-13-B). De gemiddelde stroomsnelheid vertoonde wel een verband met de totale biomassa, al verschilde dit verband volgens saliniteitszone (Linear Mixed Model (LMM), χ2 (1)= 8.36, P = 0.015). De totale biomassa nam af met de gemiddelde stroomsnelheid in het mesohalien en oligohalien deel van de Zeeschelde. Het tegenovergestelde verband werd vastgesteld in het zoete deel van de Zeeschelde.
Figuur 2-13: A. Voorspeld verband uit het linear mixed model tussen de totale biomassa (mg/40m3) en gemiddelde stroomsnelheid in de verschillende saliniteitszones. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens over biomassa beschikbaar zijn. B. De totale biomassa in relatie tot gemiddelde stroomsnelheid en de mate van vloed/ebdominantie in de verschillende saliniteitszones.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 115 van 157
De totale biomassa toonde daarenboven een algemeen positief verband met het gehalte aan organisch materiaal (LMM, χ2 (1)= 13.64, P < 0.001, Figuur 2-14) en een licht negatieve trend met de fractie aan organisch materiaal (χ2 (1)= 2.78, P = 0.096).
Figuur 2-14: Voorspeld verband uit Lineair Mixed Model (LMM) tussen de totale biomassa (mg/40m 3) van het hyperbenthos en A. het gehalte aan organisch materiaal B. de fractie aan organisch materiaal. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De ruwe data worden ook weergegeven.
2.3.4 Aantal en biomassa per hoger taxon van het hyper- en epibenthos De aantallen van het hyper- en epibenthos verschilden significant tussen de hogere taxa onderling (χ2 (3)= 28.44, P < 0.0001), en die verschillen waren ook anders tussen saliniteitszones (χ2 (6)= 17.31, P = 0.008, Figuur 2-15-A). Wat de biomassa per hoger taxon betreft was ook hier de variatie tussen taxa niet gelijk voor alle saliniteitszones (interactie tussen saliniteitszone en taxon, χ2 (6)= 41.01, P < 0.001, Figuur 2-15-B).
De hoogste aantallen hyper-en epibenthos werden aangetroffen in het mesohalien deel van de Zeeschelde, wat voornamelijk veroorzaakt werd door een hoger aantal aasgarnalen (Mysida) dan in de andere saliniteitszones. Vissen (Pisces) en garnaalachtigen (Decapoda) droegen het meest bij aan de biomassa van het hyper- en epibenthos in de Zeeschelde. Vlokreeftjes (Amphipoda) waren de groep die het minst talrijk voorkwam in de Zeeschelde, en ook duidelijk de laagste biomassa vertegenwoordigden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-15: Boxplot van A. aantal en B. biomassa van de meest dominante taxa van epienhyperbenthos in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde.
2.3.4.1
Garnaalachtigen (Decapoda)
Noch het aantal noch de biomassa van Decapoda verschilde significant tussen saliniteitszones (beide modellen, P>0.22). De aantallen van de garnaalachtigen vertoonden een sterk negatief verband met de gemiddelde stroomsnelheid in het mesohalien deel van de Zeeschelde, maar verder stroomopwaarts verdween dit verband, of werd het zelfs positief (NBMM, interactie saliniteitzone en stroomsnelheid: χ2 (2)= 13.69, P = 0.001, Figuur 2-16).
Figuur 2-16: Voorspeld verband uit het negatief binomiaal mixed model tussen de gemiddelde stroomsnelheid en het totaal aantal Decapoda in de verschillende saliniteitszones.
De biomassa was algemeen positief gerelateerd aan het gehalte organisch materiaal (LMM, χ2 (1)= 4.66, P = 0.031) en negatief aan de fractie organisch materiaal (LMM, χ2 (1)= 6.29, P =
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 117 van 157
0.012, Figuur 2-17). De andere omgevingsvariabelen of interacties met saliniteitszone werden niet weerhouden in de modellen.
Figuur 2-17: Voorspeld verband uit Lineair Mixed Model (LMM) tussen de totale biomassa van garnaalachtigen (Decapoda) en A. de fractie aan organisch materiaal B. het gehalte aan organisch materiaal. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De ruwe data worden ook weergegeven.
2.3.4.2
Hyperbenthos van de aasgarnalen (Mysida)
Het mesohalien deel van de Zeeschelde herbergde de hoogste aantallen en biomassa van aasgarnalen of Mysida (beide modellen, P<0.001, Figuur 2-18). Locaties met een sterkere vloed-/ebdominantie herbergden hogere aantallen en een hogere biomassa van aasgarnalen of Mysida (beide modellen P < 0.001). Zowel het aantal als de biomassa van Mysida vertoonde ook een algemeen positief verband met het gehalte aan organisch materiaal (beide modellen P<001). De aantallen Mysida vertoonden ook een licht positief verband met de gemiddelde stroomsnelheid (NBMM, z = 2.54, P = 0.011).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-18: (A) Het totaal aantal en (B) de totale biomassa van aasgarnalen of Mysida in relatie tot de mate van vloed-/ebdominantie en het gehalte organisch materiaal.
2.3.4.3
Vissen (Pisces)
Juveniele epibenthische vissen, zoals brakwatergrondel en brasem, waren over het algemeen talrijker dan juveniele hyperbenthische vis (vb. spiering en stekelbaars) of juveniele epi/hyperbenthische vissen (vb. zeebaars) (Figuur 2-19,Tabel 2-2). In het oligohalien en zoet deel van de Zeeschelde vertoonden hyper- en epi/hyperbenthische vissen lagere aantallen dan epibenthische vissen, maar hun biomassa verschilde niet noemenswaardig. In het mesohalien deel waren zowel aantal en biomassa van hyper- en epi/hyperbenthische vissen lager dan dat van epibenthische vissen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 119 van 157
Figuur 2-19: Boxplot van A. het aantal vissen en B. de biomassa van vissen volgens functionele groep en saliniteitszone.
Epibenthische vissen De biomassa en aantallen van juveniele epibenthische vissen zoals brakwatergrondel en brasem waren in alle saliniteitszones sterk gecorreleerd met elkaar (Figuur 2-20-A). Noch aantal noch biomassa verschilde significant tussen saliniteitszones, al blijkt uit Figuur 2-20-B dat in de olighaliene zone hogere aantallen en biomassa gevonden werden dan in de andere zones.
Figuur 2-20: A. Het verband tussen aantal en biomassa epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten) worden ook weergegeven.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
De gemiddelde stroomsnelheid toonde verbanden met zowel aantallen en biomassa van epibenthische vis. Er bestond een algemeen negatief verband tussen gemiddelde stroomsnelheid en de biomassa (LMM, χ2 (1)= 3.63, P = 0.057, Figuur 2-21-B). Het verband met aantallen was ook negatief in het mesohalien deel van de Zeeschelde, maar werd onbestaande verder stroomopwaarts (NBMM, interactie saliniteitszone en stroomsnelheid, χ2 (2)= 15.11, P = 0.0052, Figuur 2-21-A).
Figuur 2-21: Voorspeld verband tussen de gemiddelde stroomsnelheid (m/sec) en A. het aantal epibenthische vis B. de biomassa van epibenthische vis. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
De biomassa was positief gecorreleerd met de mate van vloed-/ebdominantie (LMM, χ2 (1)= 3.91, P = 0.038, Figuur 2-22-A). Enkel in het mesohalien deel was er ook een positief verband tussen biomassa en het zuurstofgehalte in het water (LMM, interacties saliniteitszone en zuurstofgehalte, χ2 (2)= 8.71, P = 0.013, Figuur 2-22-B).
Figuur 2-22: Voorspeld verband tussen de biomassa van epibenthische vis en A. de mate van vloed/ebdominantie B. het zuurstofgehalte (mg/L). Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 121 van 157
Hyperbenthische vissen Juveniele hyperbenthische vissen zoals spiering, stekelbaars en haring waren minder talrijk in het mesohalien deel van de Zeeschelde in vergelijking met de stroomopwaarts liggende locaties (NBMM, χ2 (2)= 5.03, P = 0.081), en de biomassa volgde dezelfde trend (Figuur 2-23-B). De correlatie tussen aantal en biomassa was sterker in het oligohalien en zoet deel van Zeeschelde dan in het mesohalien deel (Figuur 2-23–A), al kan dit laatste verband mogelijk gedreven zijn door 1 staal met hoge aantallen hyperbenthische vis. Geen enkele omgevingsvariabele verklaarde significante variatie in aantallen of biomassa van hyperbenthische vis.
Figuur 2-23: A. Het verband tussen aantal en biomassa epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten) worden ook weergegeven.
Epi-hyperbenthische vissen Juveniele epi/hyperbenthische vissen zoals zeebaars waren minder talrijk en hadden een lagere biomassa in het mesohalien deel van de Zeeschelde (beide modellen, P<0.02, Figuur 2-24). De aantallen en biomassa van epi/hyperbenthische vis waren minder sterk met elkaar gecorreleerd dan in de andere functionele groepen juveniele vissen. In het mesohalien deel van de Zeeschelde was dit verband zelfs onbestaande. Dit wil zeggen dat epi/hyperbenthische vissen vrij sterk varieerden in grootte, wat kan veroorzaakt worden door een grootteverschil tussen soorten of door een grootteverschil qua leeftijd. Geen enkele van de opgemeten omgevingsvariabelen verklaarde variatie in aantallen of biomassa van epi/hyperbenthische vissen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-24: A. Het verband tussen aantal en biomassa epi-hyperbenthische vis in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van epibenthische vis in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten) worden ook weergegeven.
2.3.4.4
Vlokreeften (Amphipoda)
De vlokreeftjes of Amphipoda vertonen slechts in een deel van hun levencyclus een epibenthisch levenswijze. Bij het modelleren van deze vlokreeftjes werd de oligohaliene zone weggelaten (slechts 2 stalen met 1 Corophium, zieTabel 2-2, Figuur 2-25) en bleek er geen enkele interactie met saliniteitszone significant. De correlatie tussen aantal en biomassa van vlokreeften was sterker in het zoete deel dan in het mesohaliene deel van de Zeeschelde, wat wil zeggen dat de vlokreeftjes in het zoete deel groter waren dan in het oligohaliene deel (LMM, : χ2 (2)= 10.68, P = 0.001, Figuur 2-25-A). Vlokreeftjes waren iets talrijker in het mesohalien deel van de Zeeschelde, maar qua biomassa was er geen verschil tussen saliniteitszones (Figuur 2-25-B).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 123 van 157
Figuur 2-25: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van vlokreeftjes (Amphipoda) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van Amphipoda in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven.
Zowel het aantal als de biomassa vertoonde een algemeen positief verband met het gehalte organische materiaal (beide modellen P<0.04).
Figuur 2-26: Voorspeld verband tussen het gehalte aan organisch materiaal (mg/L) en A. het aantal vlokreeften (Amphipoda) B. de biomassa van Amphipoda. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
De aantallen, maar niet de biomassa, van vlokreeften waren ook positief gecorreleerd met de fractie organisch materiaal (NBMM, z=2.47, P = 0.014, Figuur 2-26 -A) en negatief met de gemiddelde stroomsnelheid (NBMM, z = -2.49, P = 0.012, Figuur 2-27-B).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-27. Het voorspeld verband tussen het aantal vlokreeften en A. de fractie organisch materiaal en B. de gemiddelde stroomsnelheid. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 125 van 157
2.3.5 Aantal en biomassa per soort hyper- en epibenthos 2.3.5.1
Grijze garnaal (Crangon crangon, Decapoda)
Crangon crangon (grijze garnaal) kwam voor in 51% van de stalen en was het talrijkst in het mesohalien deel van de Zeeschelde (Figuur 2-28). Het aantal en de biomassa van grijze garnalen waren sterk gecorreleerd, maar resulteerden wel in verschillende verbanden met de omgevingsvariabelen.
Figuur 2-28: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van grijze garnalen (Crangon crangon) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van grijze garnalen in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven.
Het aantal grijze garnalen was hoger op locaties met een lage gemiddelde stroomsnelheid (NBMM, z = -3.13, P = 0.0019, Figuur 2-29) en op meer vloedgedomineerde locaties (NBMM, z = 2.89, P = 0.0038).
Figuur 2-29: Het voorspeld verband tussen het aantal grijze garnalen (Crangon crangon) en A. de gemiddelde stroomsnelheid en B. de mate van vloed-/ebdominantie. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 126 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Anderzijds correleerde de biomassa van grijze garnalen negatief met de fractie aan organisch materiaal (LMM, : χ2 (1)= 38.6, P < 0.0001) en positief met het gehalte aan organisch materiaal (LMM, : χ2 (1)= 9.46, P = 0.002, Figuur 2-30).
Figuur 2-30: Het verband tussen de biomassa van grijze garnalen (Crangon crangon) en de fractie en het gehalte organisch materiaal.
2.3.5.2
Langneus-steurgarnaal (Palaemon longirostris, Decapoda)
Palaemon longirostris (langneus-steurgarnaal) kwam voor in 78% van de stalen en was verspreid over alle saliniteitszones van de Zeeschelde. Het verband tussen biomassa en aantallen verschilde echter volgens saliniteitszone (LMM, χ2 (2) = 14.13, P = 0.0082, Figuur 2-31-A). In het mesohalien deel werden de kleinste langneus-steurgarnalen aangetroffen omdat de biomassa lager was dan verwacht op basis van de aangetroffen aantallen (Figuur 2-31 -B) en het verband tussen aantal en biomassa was zwakker. Zowel biomassa als aantallen waren hoogst in het zoet deel van de Zeeschelde.
Figuur 2-31: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van langneus-steurgarnalen (Palaemon longirostris) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van langneus-steurgranalen in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 127 van 157
Geen enkele van de gemeten abiotische factoren bleek echter variatie in de biomassa van Palaemon longirostris te verklaren (LMM, alle P ≥ 0.14). De aantallen vertoonden een negatief verband met gemiddelde stroomsnelheid (NBMM, z = -2.93, P = 0.0034, Figuur 2-32).
Figuur 2-32: Het voorspeld verband uit het Negatief bionimaal mixed model (NBMM) tussen gemiddelde stroomsnelheid en het aantal langneus-steurgarnaal (Palaemon longirostris).
2.3.5.3
Brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer, Mysida)
Neomysis integer (brakwater-aasgarnaal) werd aangetroffen in 75% van de stalen, verspreid over alle saliniteitszones van de Zeeschelde (Figuur 2-33). Noch aantal noch biomassa verschilde tussen saliniteitszones. Het aantal en de biomassa van Neomysis integer waren heel sterk gecorreleerd (r=0.98, P < 0.0001), en beide variabelen resulteerden in dezelfde verbanden met de omgevingsvariabelen (resultaten met aantallen worden getoond).
Figuur 2-33: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van de brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van de brakwater-aasgarnaal in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 128 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Het voorkomen van Neomysis integer was positief gerelateerd met de mate van vloed/ebdominantie (NBMM, z = 6.98, P < 0.0001, Figuur 2-34-A), het zuurstofgehalte in het water (NBMM, z = 2.97, P = 0.003) en de fractie aan organisch materiaal (NBMM, z = 2.57, P = 0.01, Figuur 2-34-C).
Figuur 2-34: Het voorspeld verband tussen het aantal brakwater-aasgarnalen (Neomysis integer) en A. de mate van vloed-/ebdominantie B. het zuurstofgehalte in het water en C. de fractie aan organisch materiaal. Staafjes op de x-as tonen de waardes waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 129 van 157
2.3.5.4
Steeloog-aasgarnaal (Mesopodopsis slabberi, Mysida)
Mesopodopsis slabberi (steeloog-aasgarnaal) kwam voor in 36% van de stalen en was ruimtelijk beperkt tot het mesohalien deel van de Zeeschelde (zie Tabel 2-2). De aantallen en biomassa van de steeloog-aasgarnaal waren heel sterk met elkaar gecorreleerd (r=0.97, P < 0.0001) en beide variabelen resulteerden in dezelfde verbanden met de omgevingsvariabelen (resultaten met aantallen worden getoond). Het voorkomen van Mesopodopsis slabberi was positief gerelateerd aan het gehalte organisch materiaal (NBMM = 3.01, P = 0.0026, Figuur 2-35) en aan de fractie organisch materiaal (NBMM, z= 3.79, P = 0.0001).
Figuur 2-35: Het voorspeld verband tussen het aantal steeloog-aasgarnalen (Mesopodopsis slabberi) en A. de het gehalte aan organisch materiaal en B. de fractie aan organisch materiaal.
2.3.5.5
Brakwatergrondel (Pomatoschistus microps, Piscis)
Pomatoschistus microps (brakwatergrondel) kwam voor in 86% van de stalen verspreid over alle saliniteitszones (Figuur 2-36). Het betreft voornamelijk juveniele vissen, al kon in veel gevallen niet bepaald worden of de vissen al dan niet reeds volwassen waren. Het verband tussen aantal en biomassa verschilde niet significant tussen saliniteitszones. Brakwatergrondels hadden de laagste biomassa in het mesohalien deel van de Zeeschelde, en waren het talrijkst in het oligohalien deel. De juveniele vissen waren het grootst in het zoet deel van de Zeeschelde (hogere biomassa dan verwacht volgens aantal).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 130 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur 2-36: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van de brakwatergrondel (Pomatoschistus microps) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van de brakwatergrondel in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven.
Het voorkomen van brakwatergrondel was negatief gecorreleerd met de gemiddelde stroomsnelheid in het mesohalien deel van de Zeeschelde, maar vertoonde geen verband met stroomsnelheid in het zoet deel (χ2 (2) = 8.76, P = 0.012, Figuur 2-37). De biomassa vertoonde echter geen verbanden met de gemeten abiotische factoren.
Figuur 2-37: Het voorspeld verband (NBMM) tussen het aantal brakwatergrondels (Pomatoschistus microps) en de gemiddelde stroomsnelheid, in de verschillende saliniteitszones.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 131 van 157
2.3.5.6
Spiering (Osmerus eperlanus, Piscis)
Osmerus eperlanus (spiering) werd aangetroffen in 59% van de stalen en het betreft voornamelijk juveniele vissen, al werden soms ook volwassen vissen aangetroffen. De spiering was het minst talrijk en had de laagste biomassa in stalen uit het mesohalien deel van de Zeeschelde (beide P < 0.07, Figuur 2-38). Het verband tussen aantal en biomassa verschilde niet volgens saliniteitszone).
Figuur 2-38: A. Het verband tussen het aantal en de biomassa van de spiering (Osmerus esperlanus) in de verschillende saliniteitszones. B. Boxplot van het aantal en de biomassa van de spiering in de verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde. Ruwe data, aantallen (opgevulde punten) en biomassa (open punten), worden ook weergegeven.
De gemiddelde stroomsnelheid vertoonde een negatief verband met het aantal spieringen (NBMM, z=-2.11, P = 0.034, Figuur 2-39 -A), en de biomassa spieringen was positief gerelateerd aan het totaal gehalte organisch materiaal (LMM, χ2 (1) = 6.74, P = 0.009, Figuur 2-39-B).
Figuur 2-39: Het voorspeld verband tussen A. het aantal spieringen (Osmerus esperlanus) en de gemiddelde stroomsnelheid en B. de biomassa van spieringen en het gehalte aan organisch materiaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
2.4 DISCUSSIE EN CONCLUSIE HYPER- EN EPIBENTHOS 2.4.1 Samenvattende tabel hyper- en epibenthos Alle gevonden verbanden tussen abiotiek en aantal/biomassa van het hyper- en epibenthos worden weergegeven in Tabel 2-3. Tabel 2-3: Samenvattende tabel van gevonden verbanden tussen aantallen (Negatief Binomiaal Mixed Model) en de biomassa (Lineair Mixed Model) van het hyper- en epibenthos. Uitleg over de variabelen en modelselectie kan terug gevonden worden in 2.3.4 en 3.3.2.4. Belang variabele: fractie van de getoonde modellen waarvoor een variabele significant bijdraagt. Enkel variabelen die een belang van >10% hadden worden weergegeven. Salzone (M=mesohalien, O = oligohalien, Z=zoet), S*stroomsnelheid (interactie tussen salzone en stroomsnelheid). *** p ≤ 0.001; ** p = 0.001-0.01; * p = 0.01-0.05; ns = niet significant (p = 0.05-0.1); blanco = p > 0.1. ‘+/-/~‘ aard van het verband (stijgend/ dalend/geen verband). Taxon
Type
Alle soorten
aantal biomassa
garnaalachtigen (Decapoda)
Aasgarnalen Mysida
garnaalachtigen Decapoda
Aasgarnalen (Mysida)
biomassa aantal biomassa aantal
hyperbenthische vissen (Pisces hyper)
aantal
epi-&hyperbenthische vissen (Pisces epi-hyper)
aantal
Vlokreeften (Amphipoda)
aantal
Langneussteurgarnaal/ Palaemon longirostris Neomysis integer/ brakwateraasgarnaal Mesopodopsis slabberi/ steeloogaasgarnaal
vloed/ eb
**
+/***
Stroomsnelheid
aantal
epibenthische vissen (Pisces epi)
Grijze garnaal/ Crangon crangon
Salzone
biomassa
biomassa
biomassa
biomassa aantal biomassa aantal biomassa
% org. materiaal
Gehalte org. mat.
* M-/O -/Z + ** M-/O~/Z+
-/ns
+/*** +/***
-/ns *** M<O≈Z *** M<O≈Z Ns M<O>Z Ns M<O≈Z NsM<O≈ Z ** M<O≈Z Ns M<O≈Z ** M<O≈Z Ns M>O
+/* +/*** +/***
** M-/O~/Z~ +/*
-/*
-/*
+/*
+/* +/*
*** M>O *** M>O *** M≈O<Z *** M<O<Z
+/**
-/** -/***
+/**
-/**
+/***
aantal/ biomassa aantal/ biomassa
S*stroomsnelheid
+/**
+/*** M
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 133 van 157
Vissen Pisces
Brakwatergrondel/ Pomatoschistus microps
aantal
Spiering/ Osmerus eperlanus
aantal
* M<O>Z * M<O≈Z * M<O>Z
biomassa
biomassa
* M-/O~/Z~
-/*
* M<O≈Z
Belang variabele
79%
+/*
17%
21%
17%
25%
42%
2.4.2 Discussie De gekoppelde staalname op vloed- en ebgedomineerde locaties verspreid over verschillende saliniteitszones van de Zeeschelde liet toe om het belang van een aantal abiotische omgevingsvariabelen op het voorkomen van het hyper- en epibenthos aan de laagwaterlijn te onderzoeken. De resultaten tonen aan dat saliniteit, zoals verwacht, een doorslaggevende invloed heeft op de samenstelling van de epi-en hyperbenthische gemeenschappen In de zomer (maand augustus) konden drie gemeenschappen onderscheiden worden in de Zeeschelde: • • •
Mesohaliene gemeenschap Oligohaliene gemeenschap Zoete gemeenschap
De mesohaliene gemeenschap in de Zeeschelde onderscheidt zich het sterkst en werd gekenmerkt door hoge aantallen van de steeloog-aasgarnaal (Mesopodopsis slabberi) die verder stroomopwaarts niet meer voorkomt. Er werden ook hogere aantallen grijze garnalen (Crangon crangon) gevonden dan in het oligohalien deel, en de langneus-steurgarnaal (Palaemon longirostris) was er beduidend kleiner dan in de andere zones van de Zeeschelde. Juveniele vissen, vooral dan de hyper en epi/hyperbenthische vissen waren er ook minder talrijk dan verder stroomopwaarts. De zoet delen van de Zeeschelde met lange en met korte verblijftijd vertoonden zeer gelijkaardige gemeenschappen en abiotiek, en werden daarom als 1 gemeenschap beschouwd. Deze zone onderscheidde zich van de oligohaliene zone door hogere aantallen langneussteurgarnaal en de afwezigheid van de grijze garnaal. Behalve de watertemperatuur en saliniteit verschilden de gemeten abiotische variabelen niet eenduidig volgens saliniteitszone of eenduidig tussen vloed- en ebgedomineerde locaties. De verschillen in abiotiek tussen vloed- en ebgedomineerde locaties varieerden tussen de verschillende saliniteitszones. Op ebgedomineerde locaties, die dichter bij de vaargeul liggen, fluctueerde de abiotiek over het algemeen meer tussen saliniteitszones dan op vloedgedomineerde locaties (zie 2.3.1). Bij laagwater bleken verschillende taxa verschillende habitats te verkiezen, en die preferentie bleek soms te verschillen tussen saliniteitszones. Belangrijk om in het achterhoofd te houden is dat de stroomparameters niet de condities rond laagwater betreffen, maar zowel op de eb als vloedperiode betrekking kunnen hebben. Een hoge gemiddelde stroomsnelheid bleek de aantallen, maar niet de biomassa, van epibenthische taxa negatief te beïnvloeden (Tabel 2-3). Dus soorten die vooral op de bodem ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 134 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
leven (zoals garnalen, vlokreeftjes en epibenthische vissen) waren minder talrijk in zones met hoge gemiddelde stroomsnelheden. Echter, in sommige gevallen bestond deze voorkeur voor lage stroomsnelheden enkel in het mesohalien deel van de Zeeschelde. Gemiddelde stroomsnelheid was de enige omgevingsvariabele waarvan de verbanden met aantallen/biomassa soms verschillend waren tussen saliniteitszones. De reden hiervoor is momenteel niet duidelijk. Op mesohaliene locaties verschilde de gemiddelde stroomsnelheid niet tussen vloed- en ebgedomineerde locaties, maar er was geen algemeen verschil in stroomsnelheid tussen saliniteitszones. Voor taxa met een hyperbenthische levenswijze werden geen verbanden met stroomsnelheid gevonden en voor geen enkel taxon was het verband met de gemiddelde stroomsnelheid positief. De gemiddelde vloeddominantie (vloed-/ebstroomsnelheid) verschilde niet tussen saliniteitszones en bleek geen verband te tonen met de biomassa of aantallen van de meeste taxa afzonderlijk, maar wel met de totale aantallen epi- en hyperbenthos indien alle taxa werden samen genomen (Tabel 2-3). Opvallend was dat zowel de epibenthische grijze garnaal (Crangon crangon) als de veel voorkomende hyperbenthische brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer) beduidend talrijker voorkwamen op meer vloedgedomineerde locaties, die voor deze soorten dus een beter habitat lijken te vormen. De brakwater-aasgarnaal werd in alle saliniteitszones aangetroffen, en noch aantallen noch biomassa verschilden tussen zones (Figuur 2-36). Geen enkele van de gemeten omgevingsvariabelen was over alle saliniteitszones heen hoger of lager op vloedgedomineerde locaties. Het blijft dus onduidelijk wat de drijvende factor kan zijn voor dit positief verband tussen epi- en hyperbenthos met de mate van vloedebdominantie. In het mesohalien deel van de Zeeschelde is de steeloog-aasgarnaal dominant, maar deze vertoonde dan weer geen verband met de mate van vloed-ebdominantie. Een mogelijke verklaring kunnen de gekende seizoenale migratiepatronen zijn, waarbij de dominante crustaceeënsoorten zich ’s zomers stroomopwaarts verplaatsen bij vloed en vervolgens bij eb zich ter plaatse trachten te handhaven (Decapoda – Henderson & Holmes 1987, Mysida – bv. Hough & Naylor 1992; Mees et al. 1993). Aangezien vloedgedomineerde locaties over het algemeen ook een hogere piekstroomsnelheid vertonen, lijken deze bevindingen in eerste instantie enigszins contradictorisch voor de grijze garnaal die een negatief verband vertoonde met gemiddelde stroomsnelheid en een positief verband met de mate van vloed-/ebdominantie. Echter, grijze garnalen komen voornamelijk voor in het mesohaliene deel van de Zeeschelde waar de gemiddelde stroomsnelheid niet verschilde tussen vloed- en ebgedomineerde locaties (zie Figuur 2-9-,Figuur 2-28). Grijze garnalen komen dan ook vaak voor in zones met weliswaar korte hoge stroomsnelheden bij vloed maar waar het nadien langere tijd beduidend trager stroomt. Naast stroomsnelheidsgegevens werd ook het zwevendestofgehalte op de staalnamelocatie gemeten. Na wegen en drogen kon hieruit de fractie organisch materiaal alsook het gehalte aan organisch materiaal berekend worden. Mysida voeden zich voornamelijk met mesozoöplankton en organisch materiaal (Fockedey 2005, Van de Meutter et al. 2019a) en ook Amphipoda zijn grotendeels detrivoren. Daarom kan het gehalte aan organisch materiaal (mg/L) gezien worden als een maat voor voedselbeschikbaarheid en de fractie organisch materiaal (% organisch materiaal in het zwevende-stofgehalte) als een proxy voor de voedseltoegankelijkheid voor deze 2 hogere taxa. Zoals verwacht waren zowel de fractie als het gehalte organisch materiaal inderdaad positief gerelateerd aan de aantallen en/of biomassa van Mysida en Amphipoda. Dit positief verband werd niet op alle niveaus significant bevonden (Tabel 2-3), maar Mysida en Amphipoda vertoonden in ieder geval nooit een negatief verband noch met de fractie noch met het gehalte aan organisch materiaal. Opmerkelijk was dat de biomassa van grijze garnalen, die zich waarschijnlijk voeden met ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 135 van 157
Mysida en Amphipoda (bv. Oh, Hartnoll & Nash 2001) ook verbanden vertoonden met zowel de fractie als het gehalte organische stof (Tabel 2-3). Dit zou logisch zijn en kan verwacht worden als een niet rechtstreeks verband indien grijze garnalen meer voorkomen op locaties waar hun potentiële prooien ook abundant zijn. Mar in deze dataset betreft het verband met organische stof waarschijnlijk eerder een artefact van saliniteitszone omdat grijze garnalen veel talrijker waren en een hogere biomassa hadden in het mesohalien deel van de Zeeschelde waar het gehalte aan organische stof gemiddeld hoger was dan in het oligohalien deel (Figuur 2-8, Figuur 2-30) en dus resulteerde in een positief verband (Tabel 2-3). Het sterk negatief verband tussen de fractie organisch materiaal en biomassa van grijze garnalen is moeilijker te verklaren omdat er geen effect van saliniteitszone was op deze variabele. Wanneer de fractie organisch materiaal hoger werd dan ongeveer 17% was de biomassa van grijze garnalen heel laag, ongeacht de saliniteitszone (Figuur 2-30). Mogelijk is dit te wijten aan seizoenale variatie in de organische fractie die correleert met seizoenale variatie in het voorkomen van de grijze garnaal. De verbanden met zuurstof kwamen minder duidelijk naar voor, maar ook hier werd soms een positief verband gevonden, zoals voor Neomysis integer en epibenthische vissen. Door grote seizoenale en saliniteitzone-gebonden variatie in omgevingsfactoren, in combinatie met de natuurlijke cyclus van epi- en hyperbenthos in de Zeeschelde was het moeilijk om correlaties tussen abiota en biota te interpreteren of valideren. Gemiddelde stroomsnelheid lijkt een vrij algemene negatieve invloed te hebben op minstens epibenthos. Ook zijn verschillende taxa positief gecorreleerd met de factor vloeddominantie. Onze resultaten suggereren dus dat, in overeenstemming tot het subtidale macrobenthos bij gelijke maximale stroomsnelheid, de vloeddominante ondiepwater- en slikplaten belangrijker zijn dan ebgedomineerde slikplaten voor hyperbenthos. Ook laagdynamische (lage gemiddelde stroomsnelheid) locaties worden verkozen minstens door het epibenthos. Een belangrijke bedenking is dat de voorkeur voor vloedgedomineerde locaties mogelijk verband houdt met de seizoenale migratiepatronen van de dominante taxa van het hyperbenthos dan dat een specifieke abiotische factor dit patroon zou verklaren. Zo functioneren ze mogelijks als stapstenen in hun stroomopwaartse migratie. De gemeten abiotische variabelen vertoonden geen eenduidige verbanden met vloed-/ebdominantie. Wel lijkt de abiotiek op vloedgedomineerde locaties meer constant te zijn over het estuarium heen, daar waar de abiotiek op ebgedomineerde locaties ruimtelijk meer fluctueert. Verder vertoonde de fractie en het gehalte aan organische stof (proxies voor voedseltoegangelijkheid en –beschikbaarheid) een positief verband voornamelijk met de totale biomassa en de biomassa van aasgarnalen (Mysida). De resultaten van het epi- en hyperbenthos zijn vooralsnog moeilijk te integreren in de opstelling van de typologie. De cruciale vraag is wat het epi- en hyperbenthos ruimtelijk doet binnen een tijcyclus. De vraag hierbij is wat het voorkomen van deze organismen bij laagwater juist zegt over het slik dat zich boven hen uitstrekt. In de marge van het project trofische relaties werd onderzocht hoe het epibenthos het slik gebruikt tijdens een hoogwater. Eerder onderzoek in het project had aangetoond dat epibenthos de belangrijkste predatoren zijn van Oligochaeten tijdens de zomermaanden (Van de Meutter et al. 2019a). Onderzoek naar de hoogteverdeling van epibenthos tijdens een hoogwater toonde aan de dit waarschijnlijk met de waterlijn mee over het slik naar de schorrand beweegt (Van de Meutter et al. 2019b). Voor steurgarnaal waren er zelfs aanwijzingen dat deze preferentieel naar de hoogste zone op het slik bewogen, en dus naar die zone waar het meeste macrobenthos zit. Dit leidt echter niet tot een onderdrukking van macrobenthosdensiteiten zoals dat voor bv. rotskustgemeenschappen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 136 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
gekend is, mogelijk omdat de in het slib weggedoken wormen niet efficiënt kunnen gevangen worden door de garnalen. Alleszins wijzen deze resultaten erop dat foerageermogelijkheden voor epi/hyperbenthos op slik belangrijk zijn voor hun voorkomen. Voor de soorten waarvoor dit foerageren vooral op macrobenthos gebeurt zijn de beste foerageerplaatsen bovenaan het slik, wat betekent dat het verblijf aan de laagwaterlijn eerder als een tijdelijke rustplaats geldt, die dan best dicht bij de foerageergronden gelegen is. Hyperbenthos (cf. aasgarnalen) foerageren wellicht vooral op klein zoöplankton en POM (particulate organic matter). De distributie en concentratie hiervan wordt vooral door waterstromingen bepaald. Bovendien is hyperbenthos zelf onderhevig aan waterstromingen en loopt het gevaar om door sterke stromingen (hoge afvoer) “geflusht” te worden (De Neve et al. 2020). Dit doet vermoeden dat epi- en hyperbenthos andere eisen stelt aan zijn omgeving, en dat een laagwatervangst van hyperbenthos een ander aspect van gedrag weerspiegelt.
2.4.3 Conclusies Taxa verkiezen verschillende habitats bij laagwater in de zomer (maand augustus) die soms verschillen tussen saliniteitzones. •
•
•
•
saliniteit (en watertemperatuur) speelt een doorslaggevende rol met vorming van 3 epi-en hyperbenthische gemeenschappen in de zomer (maand augustus): o mesohaliene gemeenschap: typerend door de hoge aantallen van de steeloogaasgarnaal (Mesopodopsis slabberi), hogere aantallen grijze garnalen (Crangon crangon) dan in het oligohalien en kleinere aantallen langneus-steurgarnalen (Palaemon longirostris); o oligohaliene gemeenschap gekenmerkt door afwezigheid van steeloogaasgarnaal, gemiddelde aantallen grijze garnaal en langneus-steurgarnalen; o zoete gemeenschap met hogere aantallen langneus-steurgarnaal en de afwezigheid van de grijze garnaal. hoge gemiddelde stroomsnelheden beïnvloedt aantallen negatief, maar niet biomassa van epibenthische of nabij de bodem levende soorten (zoals garnalen, vlokreeftjes en epibenthische vissen, Tabel 2-3), echter soms enkel in de mesohaliene zone. Hyperbenthische soorten (juist boven de bodem) vertoonden geen verband met de gemodelleerde stroomsnelheden. gemiddelde vloeddominantie (vloed-/ebstroomsnelheid) verschilde niet tussen saliniteitszones en vertoonde geen verband met biomassa of aantallen van de meeste taxa afzonderlijk, maar wel met de totale aantallen epi- en hyperbenthos. o zowel epibenthische grijze garnaal (Crangon crangon) als de veel voorkomende hyperbenthische brakwater-aasgarnaal (Neomysis integer) kwamen beduidend talrijker voor op meer vloedgedomineerde locaties; o de drijvende factor voor dit positief verband tussen totale aantallen en vloeddominantie is nog onduidelijk, mogelijk een migratiefunctie; o abiotische condities in ebgedomineerde locaties (nabij de vaargeul) fluctueren sterker dan in vloedgedomineerde locaties (o.a. O2, zie 2.3.1). gemeten fractie organisch materiaal en het gehalte aan organisch materiaal, een proxy voor voedseltoegankelijkheid voor Mysida en Amphipoda, is positief gerelateerd aan aantallen en/of biomassa van deze 2 taxa. Verband is wel niet op alle niveaus
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 137 van 157
•
significant (Tabel 2 3) maar nooit negatief. Opmerkelijk was het onrechtstreeks verband tussen de organische materiaalparameters en biomassa van grijze garnalen, vermoedelijke predator van Mysida en Amphipoda, wat moeilijker te verklaren is; verband met zuurstof minder duidelijk maar soms positief zoals voor Neomysis integer en epibenthische vissen.
Net als in bij Habitatmapping subtidaal (Van Braeckel et al. 2018) bleek stroomsnelheid één van de meest relevante variabelen die sturend is voor deze organismen. Hoge gemiddelde stroomsnelheid is negatief voor densiteiten van epibenthos. Vloeddominante ondiepwater- en slikplaten lijken belangrijker dan ebgedomineerde slikplaten voor bepaalde soorten en in specifieke periode (binnen seizoenale migratiepatronen). De reden van deze voorkeur is nog niet goed gekend, mogelijks functioneren ze als stapstenen in de opwaartse migratie. Hiervoor is meer bijkomend onderzoek nodig naar het ruimtelijke gedrag van hyperbenthos dwars op de rivier (ifv overspoelingsduren) en in specifieke perioden die door voorgaand temporeel onderzoek beter in kaart is gebracht (De Neve et al. 2020). Uiteindelijk is het doel om een ecologisch waardevolle kaartlaag voor het hyper- en epibenthos te ontwikkelen die bovenop de ecotopenkaart een beeld geeft van de evolutie van de ecologisch belangrijkste habitats voor hyper- en epibenthos in de Zeeschelde.
Foto 13: Hyperbenthosonderzoek in het veld met bongonet, meettoestellen voor waterstaal aan het slik van Weert.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 138 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Referenties David V., Selleslagh J., Nowaczyk A., Dubois S., Bachelet G., Blanchet H., Gouillieux B., Lavesque N., Leconte M., Savoye N., Sautour B., Lobry J. (2016) Estuarine habitats structure zooplankton communities: Implications for the pelagic trophic pathways. Estuarine, Coastal and Shelf Science, 179: 99–111. De Neve L., Van Ryckegem G., Vanoverbeke J., Van de Meutter F., Van Braeckel A., Van den Bergh E., Speybroeck J. (2020). Hyperbenthos in the upper reaches of the Scheldt estuary (Belgium): spatiotemporal patterns and ecological drivers of a recovered community. Estuarine and Coastal Shelf Sciences. 245:109667 Fockedey N. (2005). Dieet en groei van Neomysis integer (Leach, 1814) (Crustacea, Mysidacea) = Diet and growth of Neomysis integer (Leach, 1814) (Crustacea, Mysidacea). PhD Thesis. Universiteit Gent. Vakgroep Biologie, sectie Mariene Biologie: Gent. 297 pp. Henderson P., & Holmes R. (1987). On the population biology of the common shrimp Crangon crangon (L.) (Crustacea: Caridea) in the Severn Estuary and Bristol Channel. Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom, 67: 825-847. Hough A., & Naylor E. (1992). Distribution and position maintenance behaviour of the estuarine mysid Neomysis integer. Journal of the Marine Biological Association of the United Kingdom, 72: 869-876. Oh. C.W., Hartnoll, R.G., Nash R. D. M. 2001. Feeding ecology of the common shrimp Crangon crangon in Port Erin Bay, Isle of Man, Irish Sea. Marine Ecology Progress Series 214, 211-223. Mees J., Dewicke A., Hamerlynck O. (1993). Seasonal composition and spatial distribution of hyperbenthic communities along estuarine gradients in the Westerschelde. Netherland Journal of Aquatic Ecology, 27: 359-376. Seys J., Vincx M., & Meire P. (1999). Macrobenthos van de Zeeschelde, met bijzonder aandacht voor het voorkomen en de rol van Oligochaeta. Rapport Instituut voor Natuurbehoud 99/4, Raport Universiteit Gent, Brussel. Smolders S., Maximova T., Vanlede J., Plancke,, Y., Verwaest T., Mostaert, F. (2016). Integraal Plan Bovenzeeschelde: Subreport 1 – SCALDIS: a 3D Hydrodynamic Model for the Scheldt Estuary. Version 5.0. WL Rapporten, 13_131. Flanders Hydraulics Research: Antwerp, Belgium. Ysebaert T., Craeymeersch J., vanderWal D. (2016). De relatie tussen bodemdieren en hydroen morfodynamiek in het sublitoraal en litoraal vn de Westerschelde. Wageningen, IMARES Wageningen UR (University & Research centre) en Nederlands Instituut voor oOnderzoek derZee (NIOZ). IMARES rapport C066/16. Van Braeckel A., Piesschaert F., & Van den Bergh E. (2006). Historische analyse van de Zeeschelde en haar getijgebonden zijrivieren. 19e eeuw tot heden. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Braeckel A., Vanoverbeke J., Elsen R. & Van Ryckegem G. (2019). Modelinstrumentarium voor het voorspellen van habitats in de Boven-Zeeschelde. Deelrapport voor het Integraal plan Boven-Zeeschelde.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 139 van 157
Van den Bergh, E, Pauwels, I & Breine, J (2018). Vissen en sediment in de Zeeschelde: Een beknopte risico analyse voor het Strategisch-MER Complex Project Extra Containercapaciteit Antwerpen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, nr. 75, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). https://doi.org/10.21436/inbor.15396954 Van Ryckegem, G. (red.) (2013). MONEOS –Geïntegreerd datarapport Toestand Zeeschelde INBO 2012. Monitoringsoverzicht en 1ste lijnsrapportage Geomorfologie, diverstiteit Habitats en diversiteit Soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (INBO.R.2013.26). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Ryckegem G. (red.), Van Braeckel A., Elsen R., Speybroeck J., Vandevoorde B., Mertens W., Breine J., De Regge N., Soors J., Dhaluin P., Terrie T., Van Lierop, F., Hessel K., Froidmont M. & Van den Bergh E. (2015). MONEOS – Geïntegreerd datarapport INBO: toestand Zeeschelde 2014. Monitoringsoverzicht en 1ste lijnsrapportage Geomorfologie, diversiteit Habitats en diversiteit Soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015 (8990774). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel, pp 179. Van Ryckegem G., Van Braeckel A., Elsen R., Speybroeck J., Vandevoorde B., Mertens W., Breine J., Spanoghe G., Buerms D., De Beukelaer J., De Regge N., Hessel K., Soors J., Terrie T., Van Lierop F., Van Den Bergh E. (2017). MONEOS – Geïntegreerd datarapport INBO : Toestand Zeeschelde 2016 Monitoringsoverzicht en 1ste lijnsrapportage Geomorfologie , diversiteit Habitats en diversiteit Soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (37). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel, pp 215. Van de Meutter F., Bezdenjesnji O., De Regge N., Maes J., Soors J., Speybroeck J., Van den Bergh E., Van Ryckegem G. (2019a) The cross-shore distribution of epibenthic predators and its effect on zonation of intertidal macrobenthos. A case study in the river Scheldt. Hydrobiologia, 846: 123–133. Van de Meutter F., Bezdenjesnji O., Buerms D., De Beukelaer J., De Regge N., Speybroeck J., Terrie T., Vanoverbeke J., Van Braeckel A., Vandevoorde B., Van den Bergh E., Van Ryckegem G. (2019b). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (1). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Ysebaert T., Craeymeersch J. & van der Wal D. (2016) De relatie tussen bodemdieren en hydroen morfodynamiek in het sublitoraal en litoraal van de Westerschelde. Yerseke.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 140 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Bijlagen Bijlage 1: Relatie tussen biotische variabelen en potentieel verklarende variabelen Bijlage 1A Relaties met de totale aantallen uit de HM14-dataset
Figuur A 1: Stroomsnelheidsvariabelen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 141 van 157
Figuur A 2: Topologievariabelen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 142 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur A 3: Sedimenteigenschappen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 143 van 157
Bijlage 1B Relaties met de totale biomassa uit de HM14-dataset
Figuur A 4: Stroomsnelheidsvariabelen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 144 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur A 5: Topologievariabelen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 145 van 157
Figuur A 6: Sedimenteigenschappen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 146 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Bijlage 1C Relaties met de aantallen per soort uit de HM14-dataset Enkel soorten die in 5% of meer van de stalen voorkomen worden weergegeven.
Figuur A 7: Stroomsnelheidsvariabelen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 147 van 157
Figuur A 8: Topologievariabelen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 148 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Figuur A 9: Sedimenteigenschappen
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 149 van 157
Bijlage 2: Paarsgewijze correlaties en Variance inflation factors voor alle potentiële abiotische variabelen gebruikt bij de macrobenthosanalyse in HM14
Figuur A 10: Paarsgewijze correlaties voor alle potentieel verklarende variabelen Tabel A 1: Variance inflation factors (GVIF) voor alle potentiële variabelen. Vergelijking met categorische variabele (Salzone) gebeurd aan de hand van GVIFadj = [GVIF1/(2⋅df)]2.
GVIF
Df
GVIFadj
Salzone
7.56
3
1.96
Sqrt(Stroom_gem)
7.31
1
7.31
Stroom_max
6.64
1
6.64
Dom_max_vl
1.89
1
1.89
Hoogte_LW30
56.02
1
56.02
DD
59.17
1
59.17
Sqrt(Helling)
1.78
1
1.78
Sqrt(Mediaan)
2.42
1
2.42
OM
2.23
1
2.23
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 150 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Bijlage 3: Relatie tussen hoogte tot de Laagwater (LW30)(meter tov 30%frequentie van de laagwaters) en droogvalduur op basis van SP0816 dataset
Figuur A 40 Relatie tussen droogvalduurpercentage (%) en hoogte tov LW30 (m) in de 4 saliniteitszones
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 151 van 157
Bijlage 4: Opsplitsingsanalyses voor Hoogte tov laagwaterlijn (LW30) van het slik Bijlage 4A voor de HM14 dataset Uit de analyse voor hoogte ten opzichte van de Laagwater (LW30) blijkt zowel op basis van de densiteit (Figuur A 41) als de biomassa (Figuur A 42) voor de brakke zone een lagere grenswaarde dan voor de zoete zones. De grenswaarde is geassocieerd met een een sterker verschil tussen hoge en lage waarden in de zoete zone. De resultaten voor de totale Zeeschelde vertoont een grote range aan kleine residuele fracties, zodat hier veel moeilijker 1 grenswaarde kan bepaald worden. Dit pleit, naast het gevonden verschil in benthosgemeenschap, nogmaals voor een aparte analyse van de brakke en zoete zone. Voor macrobenthosdensiteit ligt de ecotoopgrens tussen de 1 en 1.2m voor de brakke zone en rond de 2.1m voor de zoete zone (Figuur A 41b), voor biomassa op 1.5-1.85m voor brak en voor de zoete zone duidelijk hoger rond de 2.5 m. Dezelfde conclusies over een driedeling van de slikhabitat die we noteerden bij droogvalduur gelden ook hier.
a
b
Figuur A 41 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van hoogte tov LW30 (m) voor habitatmapping Zeeschelde dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) (ntotaal: 132, nbrak:44, nzoet:88) b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden.
a
b
Figuur A 42 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van hoogte tov LW30 (m) voor HM14 dataset (blauw volle lijn), brak (groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s tussen relevante grenswaarden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 152 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Bijlage 4B voor de SP0816 dataset Een optimale grens tussen een lage en hoge densiteitsklasse op basis van hoogte tov LW30 voor de brakke zone is iets minder duidelijk afgelijnd voor SP0816 en ligt ergens tussen 0.8 en 1.3m boven LW30 tegenover 1 en 1.2m boven LW30 voor HM14. In de zoete zone lag de grens rond de 2.1m boven LW30 voor HM14. Voor de SP0816data is de scheiding niet zo sterk en ligt ze eerder lager maar met een brede range tussen 1.6 en 2.2m boven de LW30-slikwatergrens.
a
b
Figuur A 43 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van één variabele hoogte tov LW30 (m) voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn, ntotaal: 304, nbrak:147, nzoet:157) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden.
Een optimale slikhoogtegrens op basis van biomassa ligt hoger dan op basis van densiteiten. Voor het brakke deel van de Zeeschelde ligt deze grens bij HM14 duidelijk rond 1.85m boven LW30 terwijl deze voor SP0816 veel minder duidelijk bepaald is met een bredere range aan mogelijke waarden maar met een minimum bij 1.94 m. In de zoete zone is op basis van de SP0816 data de scheiding minder sterk dan voor de HM14 data en situeert zich rond 2.35m boven de Laagwater (LW30)tegenover de 2.2-2.6 (2.45) m boven LW30 voor HM14. In conclusie kunnen we voor de variabele hoogte stellen dat de validatie positief is. Er zijn kleine afwijkingen en ook wat minder duidelijke potentiële ecotoopgrenzen in de spatial SP0816 dataset in vergelijking met de HM14 studiedata. De data zijn onder nog meer verschillende omstandigheden en in verschillende jaren genomen, wat dit kan verklaren. Toch blijken de HM14 data vrijwel steeds mooi binnen de range te liggen van de SP0816 data.
a
b
Figuur A 44 a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de brakke zone (groen) en zoete zone (bruin) op basis van SP0816-dataset (volle lijn; ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) en HM14-data (stippellijn); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 153 van 157
Bijlage 4C Opdeling slikecotopen op basis van de LW30-slikwatergrens voor de totale dataset Een belangrijk voordeel van een ecotopenafleiding op basis van de hoogte tov de Laagwater (LW30)is dat zowel het subtidaal (waar droogvalduur niet toepasbaar is) als het slik samen in één beweging zou kunnen afgeleid worden. De bekomen grenswaarde bij deze opdeling blijkt echter niet zo stabiel bij verschillende datasets in vergelijking met droogvalduur, deels ten gevolge van het ruimtelijk variërend tijverschil (Bijlage 5).
a
b
Figuur A 45: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak190, nzoet:242); b) verdeling van de densiteit uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet.
a
b
Figuur A 46: a) Residueel aandeel van de totale variantie aan macrobenthosbiomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor de totale dataset voor de brakke zone (groene lijn) en de zoet zone (bruine lijn) (nbrak:190, nzoet:242); b) verdeling van de biomassa’s uit de totale dataset bij de relevante grenswaarde voor brak en zoet.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 154 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
Bijlage 5: Opsplitsingsanalyses voor Organisch materiaal percentage in slik en slikhelling Bijlage 5A voor de HM14 dataset Helling (%) Naast hoogteligging en maximale stroomsnelheid kon een klein deel van de variatie in macrobenthosdensiteit en -biomassa toegewezen worden aan helling. Om een hellingsklasse met hogere densiteiten af te scheiden bleek zowel de univariate analyse met één splitsing als unimodale opsplitsing met een onder- en bovengrens geen zinvol resultaat te geven (residuele fractie van de variantie > 0.9 of 90%).
a
b
Figuur A 47 Verklaarde variantie aan a) densiteit aan macrobenthos en b) biomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van droogvalduurpercentage voor HM14 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn).
Organisch materiaal (%) Ook organische stof verklaarde een deel van de totale variatie van de brakke soortengemeenschap en totale densiteiten in de zoete zone. Ook hier blijkt het verschil in variantie tussen de groepen te klein (>0.9). Opsplitsingen op basis van biomassa bleven ook boven de 0.9 en worden niet besproken.
a
b
b)
Figuur A 48 a) Verklaarde variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van organische materiaal (%) voor HM14 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) ( ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166; b) verdeling van de densiteiten tussen relevante grenswaarden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 155 van 157
Bijlage 5B voor de SP0816 dataset Helling (%)
a
b
Figuur A 49 Verklaarde variantie aan a) macrobenthosdensiteit en b) -biomassa bij verschillende opsplitsingen op basis van helling voor de brakke (groen) en zoete (bruin) zone in de SP0816 dataset (volle lijn) en HM14 data (onderbroken lijn).
Organisch materiaal (%)
a
b
Figuur A 50 a) Verklaarde variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van organische materiaal (%) voor SP0816 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) ( (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166) b) verdeling van de densiteiten uit de SP0816dataset tussen relevante grenswaarden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 156 van 157
doi.org/10.21436/inbor.18643770
www.vlaanderen.be/inbo
a
b
Figuur A 51 a) Verklaarde variantie aan macrobenthosdensiteit bij verschillende opsplitsingen op basis van helling (%) voor SP0816 dataset (blauw volle lijn), brak(groene stippellijn) en zoet (bruine stippellijn) (ntotaal: 321, nbrak:155, nzoet:166); b) verdeling van de biomassa’s uit de SP0816-dataset tussen relevante grenswaarden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.vlaanderen.be/inbo
doi.org/10.21436/inbor.18643770
Pagina 157 van 157