Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/017
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 25 november 2019 diende xxx, een verzoek in bij De Lijn, waarbij werd gevraagd om een afschrift te verlenen van de volgende documenten: 1. Het of de bestuursdocumenten waarin De Lijn op de hoogte werd gesteld van het dossiernummer 18C011359 dat door het parket werd opgestart naar aanleiding van de aangifte (nr.68AN99217/2018) door De Lijn bij het Parket te Antwerpen. 2. Een afschrift van het register openbaarheid van De Lijn voor de periode 2018 tot op heden. De Lijn heeft het openbaarheidsverzoek gedeeltelijk ingewilligd met zijn beslissing d.d. 9 januari 2020. Op 13 januari 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de voormelde gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn. Dit beroep werd geregistreerd op 13 januari 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 25 november 2019.
www.vlaanderen.be
De gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn dateert van 9 januari 2020. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (verder ‘Bestuursdecreet’). Op 13 januari 2020 diende de verzoeker beroep in tegen voormelde beslissing. Het ingediende beroep is bijgevolg tijdig ingediend. De beroepsinstantie merkt op dat verzoeker in zijn beroepschrift bezwaar aantekent tegen het feit dat De Lijn in zijn beslissing niet heeft toegelicht waarom geen antwoord werd geleverd binnen de voorziene decretaal voorgeschreven termijn. Verzoeker wenst daartegen klacht in te dienen bij de beroepsinstantie. De beroepsinstantie wijst er dit verband op dat ze enkel bevoegd is om beroepen te behandelen tegen een al dan niet gedeeltelijke weigeringsbeslissing van een overheidsinstantie of tegen de ontstentenis van beslissing vanwege een overheidsinstantie met betrekking tot een concreet openbaarheidsverzoek. In casu wordt vastgesteld dat verzoeker een beroep heeft ingesteld tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn d.d. 9 januari 2020. Het klopt inderdaad dat deze beslissing ruimschoots buiten de decretaal voorgeschreven termijn van 20 dagen werd genomen, een termijn die aanvangt de dag na registratie van het openbaarheidsverzoek, dat in casu dateerde van 25 november 2019. Het decreet koppelt daar evenwel geen enkele sanctie aan vast, tenzij de mogelijkheid voor verzoeker om een beroep in te stellen bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing vanwege De Lijn. De verzoeker was dus in casu in de mogelijkheid om al eerder een beroep in te stellen bij de beroepsinstantie, namelijk na het verstrijken van de decretaal voorgeschreven termijn van 20 dagen. Deze mogelijkheid is uitdrukkelijk voorzien in artikel II.48, §1, 2° van het Bestuursdecreet en verzoeker kent deze procedure maar al te goed, zo kan worden opgemaakt uit eerder door hem ingestelde beroepen in andere dossiers. Verzoeker opteerde er evenwel voor om in dit dossier eerst nog twee herinneringen te sturen naar De Lijn, waarna er alsnog een beslissing door hen werd genomen op 9 januari 2020. De beroepsinstantie is dus nu door dit beroepschrift d.d. 13 januari 2020 gevat om een oordeel te vellen in beroep en het heeft geen enkele bevoegdheid om op te treden tegen de laattijdigheid van de beslissing door De Lijn. Het ingestelde beroep is, wat dit onderdeel betreft, dan ook als onontvankelijk te beschouwen. Het ingediende beroep wordt bijgevolg dan ook gedeeltelijk als ontvankelijk beschouwd. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
pagina 2 van 7
1.
Bestreden beslissing
De Lijn heeft met zijn beslissing d.d. 9 januari 2020 het volgende beslist: “In zoverre uw vraag ertoe strekt om inzage te bekomen van ‘de bestuursdocumenten waarin De Lijn op de hoogte werd gesteld van het dossiernummer 18C011359 dat door het parket werd opgestart naar aanleiding van de aangifte (nr. 68AN99217/2018) door De Lijn bij het Parket te Antwerpen’ kan daarop niet worden ingegaan. Het gaat immers om een document opgesteld door het parket ten behoeve van de strafvordering in de zin van artikel II.34,4° van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Wat het register openbaarheid van De Lijn betreft, kan u in bijlage het gevraagde afschrift terugvinden. Vermits er evenwel persoonsgegevens in het register voorkomen die behoren tot de persoonlijke levenssfeer (cf. namen en adressen) dewelke beschermd dienen te worden, werden deze gegevens onleesbaar gemaakt in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet.”
2. Inhoud van het beroepschrift In het beroepschrift stelt verzoeker dat hij bezwaar aantekent op drie punten: - De Lijn heeft niet toegelicht waarom geen antwoord werd geleverd binnen de voorziene decretaal voorgeschreven termijn. Verzoeker wenst daartegen klacht in te dienen bij de beroepsinstantie. - De eerste vraag wordt door De Lijn afgewezen op grond van artikel II.34,4° van het Bestuursdecreet, zijnde ‘afgewezen omdat het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie werden opgesteld.’ De beroepsinstantie heeft al eerder aangegeven dat deze uitzonderingsgrond enkel ‘wil beletten dat het goede verloop van het strafonderzoek, de rechten van de verdediging en het vermoeden van onschuld worden geschaad;’ Intussen is het De Lijn sinds geruime tijd bekend dat de raadkamer in Antwerpen besliste om over te gaan tot een buitenvervolgingstelling in deze zaak. Op grond daarvan is verzoeker van oordeel dat het gevraagde document wel degelijk voor openbaarheid in aanmerking komt of tenminste voor gedeeltelijke openbaarmaking: alle informatie uit het gevraagde document die reeds eerder openbaar werden gemaakt alsook alle passages die de beschermde belangen zoals omschreven in art. II. 34,4° Bestuursdecreet niet in het gedrang brengen. - Voor de tweede vraag werd ongemotiveerd een onvolledig antwoord geleverd. Tal van vragen openbaarheid die zelfs werden behandeld door de beroepsinstantie komen in het register openbaarheid niet voor. In tweede orde blijken ook alle gegevens inzake persoonsgegevens onleesbaar gemaakt te zijn. Op geen enkele wijze wordt aangetoond dat het in alle gevallen wel degelijk gaat om persoonsgegevens die niet voor openbaarmaking in aanmerking komen.
3. Toelichting door De Lijn De beroepsinstantie nam op 17 januari 2020 contact op met De Lijn om wat meer informatie te krijgen aangaande dit dossier.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
pagina 3 van 7
Bij mailberichten van 27 januari 2020, 31 januari 2020 en 11 februari 2020 maakte De Lijn de gevraagde informatie over aan de beroepsinstantie. Vooreerst bezorgde De Lijn het volledige register inzake openbaarheid van bestuur aan de beroepsinstantie. Daarnaast bezorgde De Lijn aan de beroepsinstantie een afschrift van de aangifte die door De Lijn werd bezorgd aan het Parket met nummer 68AN99217/2018. Daarnaast laat De Lijn weten over geen andere documenten van het Parket in dit verband te beschikken.
4. Standpunt van de beroepsinstantie a) Betreffende de klacht inzake de laattijdigheid van het antwoord van De Lijn De beroepsinstantie verwijst in dit verband naar wat ze hieromtrent heeft beslist bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit beroepschrift.
b) de bestuursdocumenten waarin De Lijn op de hoogte werd gesteld van het dossiernummer dat door het parket werd opgestart naar aanleiding van de aangifte door De Lijn bij het Parket te Antwerpen Uit het onderzoek door de beroepsinstantie is gebleken dat er, naast de aangifte zelf die vanuit De Lijn werd gedaan aan het Parket van Antwerpen op 7 februari 2018, geen enkel ander document in het bezit is van De Lijn. Er is geen melding gekomen vanuit het Parket aan De Lijn met betrekking tot de gedane aangifte. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het recht op openbaarheid kan aldus maar uitgeoefend worden voor zover het gaat om informatie die gematerialiseerd werd op een drager. In casu wordt evenwel door de beroepsinstantie vastgesteld dat De Lijn niet in het bezit is van bestuursdocumenten waarin De Lijn op de hoogte werd gesteld van het dossiernummer dat door het parket werd opgestart naar aanleiding van de aangifte door De Lijn bij het Parket te Antwerpen. Er kan dan bijgevolg dan ook onmogelijk een afschrift worden verleend van de gevraagde documenten, daar De Lijn deze niet in haar bezit heeft. Het ingestelde beroep is, wat dit onderdeel betreft, dan ook ongegrond.
c) het register openbaarheid van De Lijn De beroepsinstantie stelt vast dat De Lijn met zijn beslissing d.d. 9 januari 2020 het openbaarheidsregister werd bezorgd aan verzoeker, mits weglating van de persoonsgegevens die in het register voorkomen en die
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
pagina 4 van 7
behoren tot de persoonlijke levenssfeer (cf. namen en adressen) dewelke beschermd dienen te worden, in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Verzoeker beweert dat het register onvolledig is en dat er te veel informatie onleesbaar werd gemaakt. De beroepsinstantie ontving vanwege De Lijn het integrale register inzake openbaarheid van bestuur, zodat ze kennis kon nemen van de inhoud ervan. Daaruit is gebleken dat het register dat aan verzoeker werd bezorgd op 9 januari 2020 inderdaad overeenkomt met het volledige register dat aan de beroepsinstantie werd bezorgd. Voorts is gebleken dat de informatie die onleesbaar werd gemaakt door De Lijn in zijn beslissing d.d. 9 januari 2020 voor het overgrote deel terecht niet openbaar werd gemaakt. Het gaat daarbij immers om namen en postadressen van natuurlijke personen. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bepaalt dat een overheidsinstantie het verzoek afwijst als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De hierboven opgesomde persoonsgegevens (namen en adressen van natuurlijke personen) behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokken personen die een openbaarheidsverzoek indienden. Het vrijgeven van deze gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
pagina 5 van 7
uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is, na inzage van het openbaarheidsregister, van oordeel dat dit register inderdaad elementen bevatten zoals de naam en adresgegevens van natuurlijke personen en dat deze tot de persoonlijke levenssfeer van die personen behoren. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van de hiervoor vermelde gegevens van de aanvragers van openbaarheidsverzoeken afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat dergelijke gegevens toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken personen. Het Bestuursdecreet voorziet eveneens dat de beroepsinstantie de betrokkenen hiervoor contacteert, indien de bestuursinstantie het niet zelf heeft gedaan. De beroepsinstantie acht het niet mogelijk om alle betrokkenen te contacteren om per openbaarheidsverzoek een dergelijke toestemming te vragen en dit gelet op de omvang van het aantal verzoeken en het beperkte tijdsbestek waarover de beroepsinstantie beschikt voor de afhandeling van het voorliggende beroep. De beroepsinstantie besluit bijgevolg dat De Lijn terecht de openbaarmaking van gegevens van de natuurlijke personen die vermeld worden in het openbaarheidsregister geweigerd heeft, in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. De beroepsinstantie stelt wel vast dat één van de geregistreerde openbaarheidsverzoeken in het register van De Lijn betrekking heeft op de huidige verzoeker zelf (registernummer 2019/21), zodat de naam en het adres daarbij wel zichtbaar mogen blijven. Om deze redenen wordt het voorliggende beroep, wat dit onderdeel betreft, dan ook als ongegrond beschouwd, met uitzondering van de naam en de adresgegevens van verzoeker zelf die wel openbaar mogen worden gemaakt. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 13 januari 2020 tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van De Lijn wordt als deels onontvankelijk en deel ontvankelijk en deels ongegrond, deels gegrond beschouwd.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
pagina 6 van 7
Bijgevolg dient De Lijn het volgende bestuursdocument openbaar te maken: -
het register openbaarheid van De Lijn voor de periode 2018 tot op heden, mits weglating van alle namen en adressen van de daarin vermelde natuurlijke personen, met uitzondering van de gegevens van verzoeker zelf (registernummer 2019/21)
Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om het/de gevraagde bestuursdocument(en) te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
Brussel, 12 februari 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/017
pagina 7 van 7