Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_1998_vertrouwen.pdf

Page 1

VERTROUWEN Het vertrouwen van de Vlamingen in politiek, overheid en instellingen in tijden van affaires Mark Elchardus & Wendy Smits TOR-vakgroep sociologie Vrije Universiteit Brussel In verschillende westerse landen blijken mensen het vertrouwen te verliezen in politiek en overheid (Klingemann & Fuchs, 1995; Adams & Lennon, 1992; Blendon et al., 1997; Buchta, 1993; Kruger, 1993; Socha, 1979). In landen waar opiniepeilers het vertrouwen al geruime tijd meten, is dat verlies inmiddels een vertrouwd verschijnsel. In de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, begon de aftakeling in de jaren zestig (Bachman, 1975) en zet ze zich nagenoeg onverminderd door (Ney, 1997; Ney, Zelikow & King, 1997). Af en toe is er een kortstondige heropflakkering van vertrouwen, maar die wordt vrij vlug tenietgedaan. In eigen land namen de uitingen van politiek wantrouwen in de loop van 1996 en 1997 spectaculaire vormen aan. Talrijke journalisten, intellectuelen en de Witte Beweging wierpen zich op als de vertolker ervan. Een aantal leden van de Witte ComitĂŠs richtte op het einde van 1997 een open brief aan de Koning: "Een democratie die het vertrouwen van de bevolking verloor is een gevaarlijke democratie. Ons publiek leven is in handen gegeven van specialisten, die nooit iets zien aankomen. Noch de corruptie, noch de werkloosheid, noch sociale uitsluiting, noch het failliet van ons onderwijssysteem" (De Standaard, 30 december '97). De formulering klinkt pathetisch, maar maakt duidelijk met hoeveel zelfzekerheid het verlies van vertrouwen in de politiek wordt voorgesteld als een onbetwistbaar, feitelijk gegeven.

1. Moet het wantrouwen ons zorgen baren? Deze bijdrage wil speuren naar de oorzaken van de vertrouwenscrisis en zo bijdragen tot de discussie over mogelijke oplossingen. Het is niet de bedoeling na te gaan hoe zorgwekkend die crisis is, maar we kunnen die vraag niet volkomen uit de weg gaan. Daarom geven we hier een paar opmerkingen en literatuurverwijzingen over de vermeende gevolgen van wantrouwen. Auteurs die de vertrouwenscrisis beschouwen als een specifiek politiek verschijnsel, durven wel eens stellen dat we er ons helemaal geen zorgen over hoeven te maken. Wantrouwen tegenover de overheid wordt door bepaalde (voornamelijk Amerikaanse) liberale denkers niet zozeer als een probleem dan wel als een pluspunt beschouwd. In hun ogen is het een teken van een vigoureuze, kritische democratische cultuur (zie Orren, 1997). Dit soort denken is geworteld in de utilitaristische theorieĂŤn. Vertrouwen wordt onbelangrijk geacht omdat men ervan uitgaat dat alle mensen uit eigenbelang handelen wat onder vrijmarktcondities, als vanzelf tot positieve resultaten leidt (Misztal, 1996: hoofdstuk 2). Wie dat uitgangspunt niet deelt, maakt zich doorgaans meer zorgen over het verlies van vertrouwen in politiek en overheid. Wie een positieve rol ziet weggelegd voor de overheid in het verwezenlijken van collectieve welvaart en welzijn, heeft een grotere kans om zich zorgen te maken over het wantrouwen omdat het de kans verkleint dat de overheid en de politiek hun rol kunnen spelen. Het vergroot de kans dat voor alle problemen naar een marktoplossing wordt gegrepen, of die


nu geschikt is of niet. We onderzoeken verder of dit ook geldt voor de bevolking in haar geheel en niet alleen voor de wetenschappers, filosofen en politici die over de gevolgen van wantrouwen schrijven. We zullen meer bepaald nagaan of mensen die kritisch staan tegenover de verzorgingsstaat minder vertrouwen hebben in de politiek, de overheid en andere instellingen. De overgrote meerderheid van de auteurs die naar de gevolgen van het wantrouwen in politiek en overheid kijken, signaleren wel degelijk gevaren. Van het gebrek aan vertrouwen wordt onder meer gezegd dat het een negatieve invloed heeft op de rekrutering van politiek personeel en overheidspersoneel en dat het de doeltreffendheid van bestuur en beleid bemoeilijkt (Lane, 1988: 34). Het vergemakkelijkt, zo wordt verder gesteld, de opkomst van een extremistische, populistische en simplistische politiek (Orren, 1997). Het vergroot de kans op politieke instabiliteit (Useem & Useem, 1979). Volgens Neustadt (1997: 180) bemoeilijkt het niet alleen de implementatie van een beleid, maar maakt het politieke vernieuwing nagenoeg onmogelijk. Het blokkeert de politiek. Men heeft zich herhaaldelijk zorgen gemaakt over de gevolgen van de vertrouwenscrisis voor de democratie zelf. Het verlies van vertrouwen in politiek en overheid blijkt vooralsnog niet te hebben geleid tot een verwerping van de democratische regeringsvorm (Nye, 1997, Klingemann & Fuchs, 1995: hoofdstuk 11; Deschouwer 1998; Weil, 1989). De Eurobarometer-peilingen stellen sedert 1974 in verschillende landen de vraag "Sommige mensen zijn tegen de regering. Anderen zijn ervoor. Als u nu even buiten beschouwing laat of u voor of tegen de regering bent, zou u zeggen dat u over het algemeen heel tevreden, tevreden, nogal tevreden, niet tevreden of helemaal niet tevreden bent met de wijze waarop de democratie in uw land werkt?"1. Figuur 1. Tevredenheid met de werking van de democratie Bron: Eurobarometer, Trends 1974-1994, Public Opinion in the European Union, European Commission. Vertrouwen in de democratie (Eurobarometer) 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Denemarken België Europese Gemeenschap Italië

We zien dat het vertrouwen in de democratie schommelt, ups en downs kent, maar over een wat langere periode geen duidelijke op- of neerwaartse trend laat zien. In de grafiek worden de “Some people are for the present government (of your country). Others are against it. Putting aside whether you are for or against the present government, on the whole, are you very satisfied, fairly satisfied, not very satisfied, or not at all satisfied with the way democracy works (in your country)?” 1


gegevens voor Denemarken, België, Italië en, vanaf 1983, de Europese Unie voorgesteld. Die landen werden gekozen omdat in Denemarken het vertrouwen in de democratie bijzonder hoog is, terwijl het in Italië bijzonder laag is. Op die manier blijkt meteen dat het vertrouwen in de democratie in België over de hele periode beschouwd niet bijzonder hoog of laag is, maar vrij nauw aansluit bij het gemiddelde van de Europese Unie. Belgen zijn modale Europese democraten. Het vertrouwen in de democratie kreeg in België wel een flinke deuk tussen 1996 en 1997, ongetwijfeld naar aanleiding van de gemediatiseerde vertrouwenscrisis. Tussen 1976 en 1997 zien we twee periodes waarin het vertrouwen in de democratie in België daalde: van 1977 tot 1979 en, met enige schommelingen, van 1990 tot 1997. De tevredenheid met de democratie situeert zich in België nu op een zeer laag, Italiaans niveau in plaats van op een Deens niveau. Tussen 1980 en 1990 herstelde het vertrouwen zich tot boven het niveau van 1980. Het is niet uitgesloten dat dat nu weer gebeurt. De stelling dat de vertrouwenscrisis vooralsnog het vertrouwen in of de tevredenheid met de democratie niet duurzaam aanvreet, kan daarom niet worden verworpen. Volgens Lipset & Schneider (1987) leidde het verlies van vertrouwen vooralsnog niet naar antidemocratische gevoelens omdat het wantrouwen in politiek, overheid en andere instellingen de gevoelens van persoonlijk geluk en welzijn nog niet heeft aangevreten. Zorgen over de vertrouwenscrisis beperken zich echter niet tot de politieke en beleidsmatige gevolgen ervan. Wantrouwen uit zich ook in de toename van controlerende activiteiten (de onbemande camera's, de groeiende tolerantie tegenover verklikken, melden en aangeven, of de verleiding om van burgers klikspanen te maken). Het uit zich in de toename van het aantal rechtszaken dat wordt aangespannen, bijvoorbeeld naar aanleiding van schadeclaims. De kost daarvan kan, zoals het voorbeeld van de Verenigde Staten duidelijk laat zien, zeer belastend worden voor de gezondheidszorg en de ziekteverzekering. Als het principe van de verantwoordelijkheid zonder schuld wordt verworpen, leidt de toename van het aantal rechtszaken dat tegen artsen wordt aangespannen haast onvermijdelijk tot onbeheersbare kosten. Even zorgwekkend is de toename van ritualistisch gedrag bij artsen: gedrag dat niet gericht is op het zo creatief mogelijk gebruiken van kennis en expertise, maar op het vermijden van risico's met het oog op de rechtszaak die kan volgen (zie b.v. Engel, 1995). Op die manier kan wantrouwen een samenleving van burgers snel doen aftakelen tot een bange maatschappij van klagers en aanklagers, van slachtoffers en schuldigen. Al in 1967 stelde Talcott Parsons dat ondernemende, innoverende individuen veel betere kansen krijgen in een vertrouwende omgeving. Wantrouwen werpt samenlevingen volgens hem terug op particularistische geslotenheid en eigen-volk-eerstgevoelens. Het plaatst een domper op ondernemende individuen en bemoeilijkt de groei van open, meer inclusieve, kosmopolitische gemeenschappen (Parsons, 1967). De stelling van Parsons wordt vandaag vooral herontdekt door auteurs die peilen naar de voorwaarden van economische groei en welvaart. Zij stellen vast dat een gebrek aan vertrouwen de interactie tussen mensen bemoeilijk. Dat heeft loodzware economische gevolgen. Het verhoogt de tijd en de middelen die moeten worden besteed aan controle. Economisten drukken dat uit door te stellen dat in situaties met een gebrek aan vertrouwen, de transactiekosten (de kosten om economisch betekenisvolle handelingen te kunnen stellen) de pan uit rijzen. De kosten om economische transacties te verwezenlijken, worden hoog en plaatsen een domper op de economische creativiteit. Samenlevingen waar dat het geval is, worden doorgaans gekenmerkt door kneuterigheid: een overwicht van kleine, familiale bedrijven, een gebrek aan grote ondernemingen die internationaal concurrentieel zijn en waaraan de economie zich kan optrekken (Fukuyama, 1995). De aandacht voor de negatieve


economische gevolgen van een gebrek aan vertrouwen is recent sterk gegroeid, samen met de belangstelling voor de sociale en culturele condities van economische welvaart (een greep uit de overvloed aan literatuur die op een vloedgolf begint te gelijken: Peyrefit, 1995; Fukuyama, 1995; Rosenberg & Birdzell, 1986). Bij deze auteurs gaat de aandacht niet meer uitsluitend, zelfs niet meer in de eerste plaats, naar vertrouwen in politiek en overheid, maar naar vertrouwen als een meer algemene kwaliteit van samenlevingen. In de volgende sectie gaan we na of die benaderingswijze empirisch aangewezen is. 2. De aard van het wantrouwen Wij zijn inmiddels vertrouwd met uitingen van politiek wantrouwen. Die zijn echter sociologisch gezien een uitermate verbazend verschijnsel. In tegenstelling tot de traditionele samenleving, waar alle verantwoordelijkheid uiteindelijk samenvloeide in de figuur van de heerser of koning, wordt de moderne samenleving immers gekenmerkt door een spreiding van verantwoordelijkheid en dus ook van het vertrouwen. Politiek en overheid zijn niet langer het centrum van de samenleving. Zij staan in de moderne samenleving niet zozeer boven de economie, het gerecht, de wetenschap, de geneeskunde of het onderwijs, maar naast de economie, het gerecht, de wetenschap, de geneeskunde, het onderwijs en andere instellingen. Zij zijn een handelingsgebied tussen de andere geworden. Het vertrouwen dat vroeger zijn brandpunt vond in de heerser, is nu gerefracteerd in de vorm van vertrouwen in de economie en de bedrijfsleiders, het gerecht en de rechters, de wetenschap en de vorsers, de geneeskunde en de artsen, het onderwijs en de leraars2. Een vertrouwenscrisis die alleen betrekking heeft op de overheid en de politiek, alsof die nog het echte centrum van de samenleving vormen, lijkt daarom een anachronisme. In een moderne maatschappij takelt het vertrouwen af als men bedrijfsleiders, rechters, vorsers, artsen en leraars wantrouwig benadert, en via dat wantrouwen instellingen als de markt, het gerecht, de wetenschap, de geneeskunde en het onderwijs in vraag stelt. Wantrouwen in de politiek is in zo'n samenleving maar één vorm van wantrouwen, uiteindelijk misschien minder bedreigend dan het verlies van vertrouwen in de munt, de banken, de wetenschap, de geneeskunde of het onderwijs. De grote aandacht van de media, de sociologen en de politologen voor de politieke vertrouwenscrisis en de zogeheten "kloof tussen burger en overheid" (Huyse, 1996) roept daarom de vraag op of het wel degelijk om een specifiek politieke vertrouwenscrisis gaat. Het bestaan van zo'n uitzonderlijk verschijnsel is niet op voorhand uit te sluiten, maar het zou vrij verbazend zijn. Onderzoek over vertrouwen in verschillende landen brengt aan het licht dat wantrouwen tegenover politiek en overheid nauw samenhangt met wantrouwen tegenover andere instellingen (Nye, 1997; Orren 1997). Dergelijke onderzoeksbevindingen suggereren dat we te maken hebben met een algemene maatschappelijke of institutionele vertrouwenscrisis die weliswaar niet alle instellingen even hard treft, maar waaraan weinig instellingen ontsnappen. 2

De duidelijkste versie van die theorie over de moderne samenleving vindt men in het werk van Talcott Parsons, in het bijzonder in de zogeheten media-papers (Parsons, 1967). Voor Parsons ligt het moderne vertrouwen uiteindelijk niet meer zozeer in personen, zelfs niet in instellingen als dusdanig, maar in de media waarmee de interactie binnen instellingen wordt geregeld, zoals b.v. geld in de economie, waardegetrouwheid in de wetenschap of invloed in de politieke en sociale organisaties. Een radicale toepassing van Parsons’ ideeën vindt men bij Luhmann (1987, o.m. blz. 179 e.v.). In vergelijking met Parsons wordt het centrum (overheid, politiek) bij Luhmann nog minder belangrijk.


Niet iedereen is het met die diagnose eens. Volgens Inglehart (1997) verliezen mensen alleen vertrouwen in wat hij "autoritaire" en "gevestigde" instellingen noemt (zie ook Kruger, 1993). Hij vertelt er echter niet bij wat hij daaronder juist verstaat en hoe men autoritaire van nietautoritaire instellingen onderscheidt. De gegevens van de APS-surveys van 1996 en 1997 maken het mogelijk om de samenhang tussen het vertrouwen in verschillende instellingen te onderzoeken. In beide enquêtes werd aan de respondenten gevraagd hoeveel vertrouwen ze in verschillende instellingen stellen (zie tabel 1). De Vlaming heeft een bijna grenzeloos vertrouwen in het onderwijs. In 1997 verklaart niet minder dan 72% van de ondervraagden veel tot zeer veel vertrouwen in het onderwijs te hebben, slechts 8% heeft er weinig of zeer weinig vertrouwen in. Andere instellingen varen veel minder goed. Zelfs de Kerk krijgt slechts 20% van de mensen achter zich die stellen dat zij er veel tot zeer veel vertrouwen in hebben. Voor het Vlaams Parlement is dat 17%, de Vlaamse regering 16%, de Belgische regering, alsook het gerecht 12% en, ten slotte, de politieke partijen 10%. Gegeven de mate waarin de Dutroux affaire vanaf eind augustus '96 en doorheen '97 de actualiteit heeft beheerst, hoeft het geenszins te verbazen dat het vertrouwen in het gerecht en in de politie en de rijkswacht een duik neemt tussen '96 en '97. Andere instellingen - de Vlaamse regering, de politieke partijen en de Kerk – delen in de klappen. Het vertrouwen in die laatste instellingen taant weliswaar minder, maar de daling is nog altijd statistisch significant. De pers vaart daar wel bij. Zij is de enige instelling die zich kan verheugen op een toename van vertrouwen tussen 1996 en 1997. De boodschapper krijgt van de Vlamingen niet de schuld, althans voorlopig niet. Aan de hand van de gegevens uit het tweede verkiezingsonderzoek (Beerten, Billiet, Carton & Swyngedouw, 1995) kan de ontwikkeling van het vertrouwen vanaf 1995 in kaart worden gebracht. Figuur 2. Ontwikkeling van het wantrouwen in Vlaanderen van 1995 tot 1997

% weinig/geen vertrouwen

W a n t r o u w e n in in s t e llin g e n : V l a a n d e r e n

70 60

1995

50

1996

40

1997

30 20 10 0

1995: Beerten, R., Billiet, J., Carton, A. & Swyngedouw, M. (1997) 1996: APS-SURVEY ‘96 1997: APS-SURVEY ‘97 Van de elf instellingen waarvoor we over drie meetpunten beschikken, zijn er zeven die geconfronteerd worden met een gestage toename van wantrouwen. De cijfers bevestigen wat


iedereen aanvoelt: we beleven een periode waarin het vertrouwen in de instellingen laag is en daalt. Uitermate belangrijk is de vraag of het verlies van vertrouwen specifieke instellingen treft of daarentegen, zoals de internationale literatuur suggereert, een meeromvattend verschijnsel is dat het vertrouwen in alle instellingen aanvreet. In het eerste geval kunnen mensen hun vertrouwen in bijvoorbeeld het gerecht en de politie verliezen zonder dat dat hun vertrouwen in andere instellingen ondergraaft. In het tweede geval bestaat er een sterke relatie tussen de mate van vertrouwen die mensen in alle instellingen stellen. Het is dan nog best mogelijk dat het vertrouwen in de politieke partijen uitermate laag is, terwijl het vertrouwen in de gemeentelijke administratie behoorlijk hoog blijft, maar de persoon die weinig vertrouwen stelt in de politieke partijen zal in dat geval ook relatief weinig vertrouwen hebben in de administratie. Die laatste mogelijkheid wordt door de gegevens bevestigt. Het vertrouwen in de verschillende instellingen kan worden beschouwd als een weerspiegeling van ĂŠĂŠn onderliggende factor of dimensie die we vertrouwen in de instellingen kunnen noemen3. We meten die aan de hand van een schaal die het vertrouwen weergeeft in de twaalf instellingen waarover zowel in 1996 als in 1997 vragen werden gesteld in de APS-surveys. Tabel 1. Vertrouwen in de instellingen: 1996 en 1997

1. Politie en rijkswacht**1

2. Onderwijs1

3. Vlaamse administratie1

4. Gemeentelijke administratie1

5. Gerecht**1

6. Vlaamse pers**1

7. Vlaamse regering**1

3

1996 en 1997 1996 1997 1996 en 1997 1996 1997 1996 en 1997 1996 1997 1996 en 1997 1996 1997 1996 en 1997 1996 1997 1996 en 1997 1996 1997 1996 en 1997 1996 1997

Zie bijlage 1 voor de hoofdcomponentenanalyse

Zeer veel, veel (%) 40.4 50.6 29.9 71.9 72.6 71.2 29.4 29.9 28.9 41.8 43.2 40.3 16.3 20.3 12.2 25.4 23.0 27.9 17.2 18.0 16.4

Niet veel, niet weinig (%) 32.3 28.5 36.2 20.1 19.0 21.2 41.9 42.4 41.3 36.2 35.6 36.9 29.7 31.0 28.4 39.6 37.9 41.3 37.6 39.6 35.4

Weinig, Zeer weinig (%) 27.3 20.9 33.9 8.0 8.4 7.6 28.7 27.7 29.8 22.0 21.3 22.8 54.0 48.7 59.5 37.0 39.1 30.8 45.2 42.4 48.2


8. Politieke partijen**1

1996 en 1997 10.0 32.8 57.2 1996 10.3 34.1 55.7 1997 9.8 31.4 58.7 1 1996 en 1997 22.1 31.4 46.5 9. Kerk** 1996 24.9 31.6 43.5 1997 19.2 31.2 49.7 1 1996 en 1997 28.7 44.4 26.9 10. Patroons 1996 29.1 44.3 26.6 1997 28.3 44.5 27.2 1 1996 en 1997 18.0 39.1 43.9 11. Vlaams Parlement 1996 18.6 40.0 41.4 1997 17.3 38.2 44.5 1 1996 en 1997 22.0 33.2 44.8 12. Vakbonden 1996 23.6 32.3 44.1 1997 20.3 342 45.5 2 1997 42.9 31.9 25.2 13. Koning 1997 14.1 38.5 47.4 14. Belgisch parlement2 2 1997 15.4 36.5 48.1 15. Europese commissie 1997 11.6 34.7 53.7 16. Belgische regering2 2 1997 3.3 22.7 74.0 17. Waalse politieke partijen **: significant verschil tussen APS-SURVEY ‘96 en APS-SURVEY ‘97 op het niveau 0.01. 1 : zowel in 1996 als in 1997 bevraagd. 2 : alleen in 1997 bevraagd. De zeer sterke samenhang tussen de mate van vertrouwen in verschillende instellingen betekent dat we veeleer met een algemene dan met een specifiek politieke vertrouwenscrisis te maken hebben. Het feit dat sommige instellingen, zoals de politieke partijen, veel minder vertrouwen genieten dan andere, mag ons daar niet blind voor maken. We hebben te maken met een algemeen wantrouwen dat alle instellingen treft. Er zijn mensen die geen vertrouwen hebben in de instellingen, anderen die er wel vertrouwen in hebben. Het wantrouwen manifesteert zich in de eerste plaats als wantrouwen in de politiek en de overheid, maar de mensen die wantrouwig staan tegenover die instellingen, zullen doorgaans ook minder vertrouwen stellen in de andere instellingen. Politiek en overheid blijken de eerste doelwitten te zijn waarop het wantrouwen zich richt. Het zijn de zondebokken van een wantrouwige samenleving. Die empirische vaststelling impliceert dat men wantrouwen in de politiek in feite niet kan scheiden van wantrouwen in het gerecht of de vakbond. Onderling hangen die verschillende vormen van wantrouwen zozeer samen, dat een analyse de oorzaken van één vorm van wantrouwen niet op een betrouwbare wijze van die van een andere vorm van wantrouwen kan onderscheiden. Wie het per se wil hebben over de oorzaken van specifiek het politiek wantrouwen, moet beseffen dat hij waarschijnlijk een empirisch onbeantwoordbare vraag stelt. Het kan daarom ook heel misleidend zijn specifiek politieke verschijnselen en gebeurtenissen als oorzaken van de vertrouwenscrisis aan te wijzen. Het zoeken naar oplossingen via een specifiek politieke weg, zoals bijvoorbeeld de hervorming van het kiesstelsel of decentralisatie (Yin en Lucas, 1973), zou dus wel eens verloren moeite kunnen zijn (zie ook Deschouwer, 1998). Het wantrouwen is van die aard dat het kan worden


aangezwengeld door teleurstellende ervaringen met alle instellingen, zonder dat de ene of andere instelling met veel zekerheid kan worden aangewezen als de echte oorzaak van het verlies van vertrouwen. Een redelijke benadering van de vertrouwenscrisis begint bij de drieledige vaststelling dat deze, ten eerste, niet typisch is voor het ene of andere land, maar zich in de meeste westerse landen voordoet. Ten tweede heeft de crisis niet alleen betrekking op politiek en overheid, maar treft zij een uitgebreide reeks instellingen. Ten derde is zij niet nieuw, maar heeft zij zich, althans in de landen waar het vertrouwen al geruime tijd wordt opgemeten, al lang geleden ingezet. In de Verenigde Staten gebeurde dat op het einde van de jaren zestig. De samenhang tussen het gebrek aan vertrouwen in verschillende instellingen is in feite zo sterk dat sommige onderzoekers vermoeden dat het wantrouwen moet worden beschouwd als een uiting van een wantrouwige houding tegenover alles en iedereen. Aberbach (1969) vestigde lang geleden al de aandacht op die mogelijkheid. Een gebrek aan vertrouwen in de instellingen is volgens die verklaring één aspect van een algemeen gebrek aan vertrouwen in de medemens (in sociologisch jargon ook wel "anomie" genoemd). In de Verenigde Staten, waar men de evolutie van het vertrouwen in de instellingen al geruime tijd observeert, stelt men vast dat een laag vertrouwen in overheid, de politiek en andere instellingen, inderdaad gepaard gaat met een laag vertrouwen in de medemens (Blendon et al., 1997). Dat doet sommige auteurs besluiten dat men het verlies van vertrouwen in instellingen eigenlijk moet benaderen als een uiting van een meer algemeen wantrouwen. Zo'n veralgemeend gebrek aan vertrouwen kan eigen zijn aan culturen of door bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen in de hand worden gewerkt. Zo zijn er heel wat onderzoeksbevindingen die erop wijzen dat culturen die zijn ontsproten aan een dominant protestantse traditie (b.v. Scandinavische landen) doorgaans meer vertrouwend zijn dan culturen die zijn ontsproten aan een dominant katholieke traditie (b.v. Italië) (Klingemann & Fuchs, 1995)4. Lipset en Schneider (1987: 108109) nemen de stelling over de samenhang van een algemeen wantrouwige houding en het vertrouwen in de instellingen onder de loep. Zij vinden een empirische band tussen die verschijnselen, maar komen tot het besluit dat die eerder bescheiden is. Een algemeen gebrek aan vertrouwen in de medemens kan een oorzaak en/of een gevolg zijn van een gebrek aan vertrouwen in de instellingen, maar dat laatste is in grote mate onafhankelijk van het eerste. Het is dus een verschijnsel waarvan de oorzaken ook los van een algemeen wantrouwen tegenover de medemens kunnen worden bestudeerd. Inglehart (1997: 231) gaat nog een stap verder dan Lipset en Schneider. Hij stelt dat wantrouwen tegenover politiek, overheid en instellingen veeleer gepaard gaat met vertrouwen dan met wantrouwen in de medemens. Hij draagt echter geen empirische gegevens aan om dat standpunt kracht bij te zetten.

3. Speuren naar de oorzaken van het wantrouwen In de literatuur vindt men heel wat verklaringen voor de vertrouwenscrisis. Omdat de aandacht, ten onrechte, op politiek vertrouwen werd toegespitst, handelt een groot deel daarvan specifiek over wantrouwen tegenover politiek en overheid. Ons blikveld is ruimer. Wij inventariseren verklaringen van het verlies van vertrouwen in politiek, overheid en andere instellingen. We beperken ons tot verklaringen die al op de een of andere manier een graad 4

Dit klassieke Weberiaanse thema werd verder uitgewerkt en veralgemeend tot andere cultuurvariaties in onder meer Banfield, 1958 over Zuid-Italië, Bellah, 1957 over Japan, en meer recent, Rosenberg & Birdzell, 1986, Fukuyama, 1995 en Peyrefitte, 1995.


van plausibiliteit verwierven, hetzij omdat ze steunen op empirisch onderzoek, hetzij omdat ze afgeleid zijn van theorieĂŤn die hun strepen al hebben verdiend. Onze aandacht gaat vooral naar verklaringen die toetsbaar zijn door mensen met verschillende opvattingen of in verschillende situaties te vergelijken. We concentreren ons dus niet op verklaringen die toetsbaar zijn door gegevens over de tijd te vergelijken omdat we niet over dergelijke gegevens beschikken. We proberen de verschillende mogelijke verklaringen dan te toetsen aan de hand van de gegevens van de APS-surveys van 1996 en 1997. We gebruiken daarvoor de maat van vertrouwen in instellingen die in de vorige sectie werd ontwikkeld en die beschreven wordt in bijlage 1. Niet alle besproken verklaringen zijn toetsbaar aan de hand van de gegevens die in die surveys beschikbaar zijn. We beschrijven achtereenvolgens de verschillende verklaringen en geven aan hoe we de relevante variabelen meten. In de volgende sectie worden die dan simultaan op waarde en belang getoetst. Vooraleer we de speurtocht naar verklaringen aanvatten, zijn een paar voorafgaande opmerkingen aan de orde. Los van specifieke verklaringen van het wantrouwen, dient men er rekening mee te houden dat wantrouwen zichzelf aanzwengelt. Kanter & Mirvis (1989) stelden vast dat cynisme, een frequent gevolg van wantrouwen, leidt tot onbetrouwbaarheid en dus zelf de objectieve gronden voor zijn bestaan schept5. Zodra delen van de bevolking geloven dat de overheid systematisch liegt, is het moeilijk het vertrouwen te herstellen omdat alle communicatie van de overheid met grote argwaan zal worden bejegend. Zo gelooft een deel van de Amerikaanse bevolking steevast dat de overheid liegt als ze stelt dat er geen Amerikaanse krijgsgevangenen meer in Vietnam zijn (Doyle 1992). Eenzelfde verschijnsel doet zich in ons land voor met betrekking tot de zogeheten believers in pedofiele netwerken. Elke ontkenning van het bestaan ervan wordt beschouwd als een bewijs van cover up en een goede reden tot wantrouwen. Zodra er een betekenisvol verlies van vertrouwen in de instellingen is opgetreden, wordt voor minder gewetensvolle politici de verleiding ook heel groot om de antipolitiek en het wantrouwen te hanteren als politiek wapen. Kortom, zodra het wantrouwen zich heeft geĂŻnstalleerd, kan het zich via ontelbare mechanismen en agenten bestendigen en aandikken, zonder dat er nog duidelijke oorzaken van wantrouwen kunnen worden onderkend. Zodra het vertrouwen is aangevreten, kunnen specifieke schandalen betekenisvol bijdragen tot het vergroten van het wantrouwen (b.v. Garment, 1991; Orren, 1997). Voor een journalistieke benadering van de werkelijkheid, die met evenementen en de impact van evenementen werkt, is het zeer aantrekkelijk die schandalen voor te stellen als de ware oorzaak van de vertrouwenscrisis. Men mag oorzaak en gevolg echter niet met elkaar verwarren. Een grote aandacht voor schandalen is veeleer typisch voor samenlevingen die al in een vertrouwenscrisis verkeren. De schandalen zijn evenzeer gevolg als oorzaak van een vertrouwenscrisis. Zij zijn tegelijkertijd een gelegenheid om politioneel te speuren naar het gedrag dat wantrouwen veroorzaakt en de manier waarop een wantrouwige samenleving haar wantrouwen op een dramatische wijze voorstelt en opvoert. In de Verenigde Staten waar men het vertrouwen in de politiek, de overheid en de instellingen al geruime tijd meet, zijn Watergate, Irangate, Whitewater en andere affaires, opgetreden als het vertrouwen al flink was aangetast. Op dat ogenblik hebben ze dat vertrouwen een knauw gegeven, maar zij kunnen niet als de langetermijnoorzaken van het verlies van vertrouwen worden aangewezen (zie 5

Het zijn dergelijke vaststellingen die Etzioni doen schrijven: "The more people accept the neoclassical paradigm as a guide for their behavior, the more the ability to sustain a market economy is undermined" (1988: 250).


verschillende bijdragen in Ney, J.S., Ph.D.Zelikow & D.C.King 1997; Bachman & Jennings, 1975). De schandaalsfeer die de laatste paar jaren in Vlaanderen heeft geheerst en het zelfaanzwengelend karakter van het wantrouwen, laten vermoeden dat dit momenteel een zeer hoog peil bereikt. In de nabije toekomst, in 1998 of 1999, zal waarschijnlijk een licht herstel van het vertrouwen worden opgetekend. Het is belangrijk om zich niet te laten misleiden door dergelijke fluctuaties. Zij zeggen weinig over de maatschappelijke dynamiek die achter de langetermijndaling van het vertrouwen in de westerse samenlevingen schuilgaat. De analyse die we hier ondernemen, is een poging om op basis van de gegevens uit de APS-surveys die dynamiek op het spoor te komen. De verklaringen kunnen worden gegroepeerd rond drie begrippen die elk een connotatie van vertrouwen weergeven: het vertrouwde, het verwachte en het gekende.

3.1 Het vertrouwde en vertrouwen De eerste groep van verklaringen beschouwt vertrouwen als een gevolg van vertrouwdheid. Die visie is schatplichtig aan Durkheim (voor een moderne formulering van die idee, zie Parsons, 1967). Voor het sociologische denken in de Durkheimiaanse traditie hangt de mogelijkheid tot samenleven uiteindelijk af van een gedeelde cultuur. Vertrouwen is een gevolg van gedeelde waarden, normen, competenties, opvattingen en vaardigheden. Men stelt, eenvoudig gezegd, gemakkelijker vertrouwen in het vertrouwde. Die opvatting ligt ook aan de basis van de metafoor van de "kloof". Die suggereert dat wantrouwen ontstaat ten gevolge van een gebrek aan vertrouwdheid. De oorzaak van het wantrouwen wordt gesitueerd in een groot verschil tussen de gevoelens, zorgen en denkwijzen die men bij zich zelf onderkent en de gevoelens, zorgen en denkwijzen die men bij de politici, aan gene zijde van de kloof, meent te onderkennen. Men kan binnen die algemene theorie een viertal varianten onderscheiden, die de aandacht toespitsen op de rol van respectievelijk socialisatie, associatie, betrokkenheid en consensus. 3.1.1 Socialisatie De kans om vertrouwen te stellen in anderen en in instellingen is volgens de Durkheimiaanse theorie geen abstract gegeven maar een concrete handelingsbekwaamheid die moet worden verworven. Zij veronderstelt dat men de kennis, inzichten en vaardigheden verwerft die een bepaalde omgeving vertrouwd en dus vertrouwenswaardig kunnen maken. De belangrijkste bronnen van vertrouwen zijn socialisatie en associatie. Socialisatie grijpt plaats in het gezin, de scholen, via de massamedia en ook in andere handelingsverbanden (b.v. jeugdbewegingen of verenigingen). Associatie gebeurt in het geheel van het verenigingsleven maar ook op het werk, althans als het een betekenisvolle hoeveelheid menselijke interactie inhoudt. Die algemene opvattingen over het menselijke handelen en de aard van het vertrouwen leiden tot een aantal verklaringen of uitspraken over de omstandigheden waaronder vertrouwen al dan niet aanwezig zal zijn. Zo kan onder meer worden aangenomen dat naarmate de opleiding langer heeft geduurd, mensen meer gesocialiseerd zijn in het bestaande cultuurpatroon, meer


opvattingen en normen delen en derhalve meer vertrouwend kunnen zijn. Deze hypothese kan worden getoetst omdat in de APS-surveys naar het onderwijspeil wordt gevraagd6.

3.1.2 Associatie Naar de rol van het verenigingsleven, het middenveld of de zogeheten civil society7 gaat vandaag bijzonder veel belangstelling (Putnam, 1993; Fukuyama, 1995; Gellner, 1994)8. Dat leidde tot een herwaardering van de Tocqevilliaanse denktraditie waarin de kansen op een democratische cultuur (die een mate van vertrouwen veronderstelt) nauw verbonden is met associatie. Het verenigingsleven haalt de mensen uit de kleine kring van het gezin en de familie, maakt het mogelijk om sociale banden aan te gaan met vreemden en maakt van die vreemden op die manier medestanders en medeburgers. De hoop die recent in het middenveld wordt gesteld, is bijzonder groot. Men verwacht dat (actieve) participatie aan het middenveld civic culture bijbrengt, dat hij bijdraagt tot democratische opvattingen en vaardigheden, sociale contacten en vertrouwen (Van Deth, 1992; Hooghe en Derks, 1997; Billiet, 1995b). Een verarmd verenigingsleven wordt daarom beschouwd als tegelijkertijd een gevolg en een oorzaak van het verlies van vertrouwen. Om het effect van het verenigingsleven te verduidelijken wordt dikwijls een beroep gedaan op het begrip "sociaal kapitaal". Dat verwijst naar het geheel van niet-tastbare middelen als vertrouwen, normen, verwachtingen, relaties en netwerken die het samen-handelen van mensen mogelijk maken en de transactiekosten van het handelen verminderen. Het begrip is dus redundant als het over vertrouwen gaat. Door de aandacht te vestigen op de samenhang tussen sociale interactie, vertrouwen en normen, maakt het echter duidelijk dat er geen reden is om de associatie-stelling alleen op het verenigingsleven toe te passen en de werksituaties die sociale interactie inhouden buiten beschouwing te laten. Op basis van deze stelling verwachten we dat het lidmaatschap van verenigingen en het verrichten van vrijwilligerswerk vertrouwen in de instellingen geeft. De APS-survey bevat ook een variabele die culturele participatie meet (naar een toneelstuk, balletvoorstelling, popconcert, opera, muziekconcert, tentoonstelling, museum, bioscoop, bibliotheek of monument gaan). Volgens de logica van de associatie-stelling zou ook dat een positief effect moeten hebben op het vertrouwen. Met de enquĂŞte kunnen we niet nagaan of de verrichte arbeid interactie met mensen veronderstelt. We zullen daarom onderzoeken of het al dan niet verrichten van arbeid een effect heeft.

3.1.3 Betrokkenheid

6

De definities van de variabelen zijn opgenomen in bijlage 2. Zie Elchardus & Hooghe (1996) voor een begripsverduidelijking met betrekking tot het verschil tussen middenveld en civil society. 8 Putnam verklaart de afname van vertrouwen in Amerika als een gevolg van de achteruitgang van het verenigingsleven (Putnam, 1995). Die stelling werd inmiddels al uitvoerig bekritiseerd omdat in de VS de participatie niet even sterk naar beneden is gegaan als Putnam suggereert (zie een aantal verwijzingen in Mansbridge, 1997). Die kritiek is echter niet relevant voor de stelling die ons hier bezighoudt en die betrekking heeft op een verband tussen participatie aan het verenigingsleven en vertrouwen. 7


Socialisatie en associatie vallen dikwijls samen met het engagement in levensbeschouwelijke of politieke bewegingen. De historische basis van de civil society ligt in dergelijke bewegingen. Het effect van participatie of associatie als dusdanig wordt dikwijls toegeschreven aan de kans die het verenigingsleven biedt om relaties te vormen, met anderen te leren omgaan, te leren samen beslissingen te nemen. Het effect van de socialisatie heeft meer rechtstreeks betrekking op het verwerven van een gemeenschappelijk vertoog, een gedeelde manier van denken en gedeelde waarden en normen. Het bewust verwerven van overtuigingen is op zich natuurlijk een belangrijke ervaring. Het lijkt ons waarschijnlijk dat mensen die zo'n ervaring hebben meegemaakt beter dan anderen weten wat engagement kan betekenen, meer begrip opbrengen voor andere overtuigingen en daarom ook vertrouwender zullen zijn (Elchardus, 1994: 184). Als die stelling juist is, zouden we moeten vaststellen dat sterke levensbeschouwelijke overtuiging geassocieerd is met vertrouwen, terwijl onverschilligheid en lauwheid samenhangen met wantrouwen. Zo'n samenhang kunnen we ook verwachten op basis van het inzicht dat vertrouwen in instellingen zelf als een soort geloof of commitment moet worden beschouwd (Giddens, 1990: 27). Vertrouwen is niet alleen een reactie op het gedrag van anderen. Het is ook een engagement: de bereidheid geloof te hechten aan en vertrouwen te stellen in, zonder het onmiddellijke bewijs dat die bereidheid gerechtvaardigd is of zal worden terugbetaald. Die houding is waarschijnlijker bij mensen die zich levensbeschouwelijk of ideologisch engageren dan bij mensen die ongelovig of onverschillig zijn. Individualisme wordt frequent voorgesteld als een afwijzen van sterke betrokkenheid en als bron van verlies van vertrouwen (Fukuyama, 1995; Nye, 1997: 14; Mansbridge, 1997: 146147). Deze stelling heeft betrekking op het utilitair individualisme. Dat drukt het geloof uit dat mensen in de eerste plaats hun eigenbelang behartigen en dat waarden maar schone woorden zijn, sluiers die de echte gedragsmotieven verhullen en geen oprechte vertalingen van die motieven (Elchardus en Heyvaert, 1990: hoofdstuk 7). Wie een utilitair individualistisch mensbeeld aanhangt, gelooft niet dat het menselijk handelen door waarden en normen wordt geregeld, maar gaat ervan uit dat het volkomen wordt beheerst door belangen. Orde, regelmaat en voorspelbaarheid vloeien dan alleen voort uit de angst voor bestraffing en het handelen uit eigenbelang. Het is evident dat zo'n mensbeeld het vertrouwen op de proef stelt. Het is waarschijnlijk een van de mechanismen achter de destructieve spiraal die Kanter & Mirvis (1989) beschrijven. Negatieve ervaringen kunnen leiden tot een utilitair individualistisch mensbeeld. Dat mensbeeld vreet dan het vertrouwen in de medemens aan, leidt tot cynisme en verhoogt op die manier de kans op negatieve ervaringen, wat op zijn beurt het utilitair individualistische mensbeeld bevestigt, enzovoort (Elchardus, Glorieux, Derks en Pelleriaux, 1996: hoofdstuk 7). Men kan derhalve verwachten dat personen die gevoelig zijn voor het utilitair individualisme minder vertrouwen zullen stellen in de instellingen.

3.1.4 Consensus Habermas (1973) beschouwt verschillen tussen enerzijds de waarden van de burgers en anderzijds de waarden die uit het optreden van de overheid en de instellingen blijken, als de belangrijkste bron van de legitimiteitscrisis en van het verlies van vertrouwen in de overheid en de instellingen. Dergelijke conflicten nemen toe naarmate mensen meer uitgesproken ethische verwachtingen koesteren met betrekking tot de overheid (Bellah et al., 1991). Die verwachtingen zijn zelden consistent. De zeer strikte regels van de political correctness worden soms gevraagd door mensen die zich met betrekking tot andere morele en ethische


regels (b.v. betreffende pornografie) zeer laks opstellen. De pleitbezorgers van een strakke traditionele moraal zijn er zelden grote voorstanders van om regels over de gelijkberechtiging van vrouwen of het verbod op racistische uitspraken toe te passen. Naarmate van de overheid een grotere ethische rol wordt geëist, verhoogt de kans dat de ene of andere groep zich gekrenkt voelt in de eigen waarden en opvattingen (May, 1997). Het gaat daarbij niet zozeer om de overheid in strikte zin, maar om een meer diffuus "zij". "Zij", de gevestigde orde, het establishment, het systeem… dragen waarden uit die niet stroken met de eigen levensopvattingen. Over de specifieke vorm die dergelijke conflicten in de hedendaagse samenleving aannemen, bestaan verschillende stellingen. Volgens Habermas (1973) ontstaat een dergelijk conflict omdat een groeiend deel van de bevolking zijn zelfverwezenlijking niet meer zoekt in het beroep, in prestatie en het oude burgerlijke gezin, maar anders wil gaan leven. Het gaat om mensen die hoog opgeleid zijn, die de conventionele burgerlijke levensstijl verwerpen en die zich engageren in nieuwe sociale bewegingen. De zorg voor het milieu is een belangrijk aandachtspunt geweest van die groepen en een van de belangrijke breekpunten met de "traditionele politiek". We vinden een gelijkaardige visie op het conflict bij Inglehart (1997). Hij stelt dat de mensen die op een andere manier op zoek gaan naar zelfverwezenlijking, "postmaterialistische" waarden ontwikkelen. Eén element daarvan is een afnemend respect voor gezag. Ten gevolge van die verschuiving naar postmateriële waarden daalt het vertrouwen in de instellingen. Als deze stellingen juist zijn, zou postmaterialisme moeten leiden tot een groter wantrouwen tegenover de instellingen. De zorgen waarvan Habermas en Inglehart verwachten dat zij tot een verlies van vertrouwen in de instellingen leiden, zijn de zorgen van hooggeschoolden. De kritiek die uit dat denken voortvloeit, komt erop neer dat instellingen in onvoldoende mate de waarden van de nieuwe middenklasse respecteren. Dat is slechts één kant van het hedendaagse waardenconflict. In de loop van de jaren tachtig en negentig is in onze samenleving een nieuw conflict gegroeid. De politieke agenda werd toen sterk bepaald door issues die verband houden met migratie, veiligheid, zekerheid, solidariteit en corruptie (Elchardus, 1994a: 1; Elchardus, 1994b: 7; Betz, 1990). Dergelijke issues vergroten het maatschappelijke en politieke belang van houdingen als etnocentrisme (racisme), politiek cynisme en autoritarisme. Vooral mensen die laaggeschoold zijn en zich sociaal zwak voelen, worden door dergelijke opvattingen en houdingen aangetrokken. Op die manier ontstaan een nieuwe sociaal-culturele tegenstelling en een nieuwe politieke breuklijn. Daarop staan mensen die etnocentrisch zijn, zich politiek machteloos voelen, zich autoritair opstellen en het utilitair individualisme aanhangen, regelrecht tegenover de mensen die dergelijke houdingen verwerpen (Elchardus, 1994a: 1; Elchardus, 1994b: 7). Het gaat om een scherp conflict waarbij de tegenstanders elkaar ongevoeligheid en morele deficiëntie verwijten. De mensen die het etnocentrisme, het autoritarisme, het utilitair individualisme en het politiek cynisme verwerpen, en dus een linkse of progressieve positie innemen op de nieuwe breuklijn, hangen doorgaans ook postmaterialistische waarden aan en vertonen dus veel overeenkomst met de groepen die volgens Habermas en Inglehart het vertrouwen in de instellingen verliezen9. Wij verwachten dat de mensen die zich aan beide uiteinden van de nieuwe breuklijn positioneren, wantrouwig staan tegenover de instellingen. Dat vertrouwen wordt volgens deze stelling aangetast door de 9

Postmaterialisme, de houding die Inglehart onderscheidend acht voor die groepen, gaat gepaard met het verwerpen van etnocentrisme, autoritarisme, politiek cynisme en machteloosheid en utilitair individualisme (Elchardus, 1994a: 1; Elchardus, 1994b: 7).


aftakeling van consensus onder invloed van nieuwe conflictstof. De mensen die een zeer progressieve houding aannemen op de nieuwe breuklijn, en doorgaans hoog opgeleid zijn, verliezen waarschijnlijk hun vertrouwen omdat zij vinden dat hun waarden weliswaar lippendienst wordt bewezen, maar onvoldoende gevolgd. De mensen die een rechtse positie op die breuklijn innemen, worden wantrouwig omdat zij het gevoel hebben dat de heersende instellingen, via het gevoerde beleid of bij monde van vooraanstaande politici, intellectuelen, geestelijke en wereldlijke leiders, waarden huldigen die niet meer de hunne zijn. Bovendien hebben zij het gevoel dat zij in het licht van die waarden als moreel minderwaardig worden voorgesteld (Mansbridge, 1997). Het scherpste en gevoeligste conflict stelt zich waarschijnlijk rond etnocentrisme en racisme. We verwachten derhalve dat zowel postmaterialisme als etnocentrisme het wantrouwen aanzwengelt. De eerder geformuleerde verwachting dat tegenstanders van de verzorgingsstaat wantrouwiger zijn, kan ook op basis van de consensustheorie worden begrepen. Onze samenleving is in grote mate een verzorgingsstaat en tegenstanders van die maatschappij-ordening zullen daarom minder vertrouwen hebben in de politiek, het beleid en de instellingen die zo'n ordening schragen. 3.2 Het verwachte en vertrouwen 3.2.1. Economische crisis Max Weber is de grondlegger van een sociologische traditie die legitimering en vertrouwen loskoppelt van waarden. Hij verklaart ze hoofdzakelijk in termen van belangen. Volgens Weber worden in de moderne samenleving alle geloofskwesties (dus ook waarden) naar de privĂŠ-sfeer verbannen (voor een bondige uiteenzetting van Webers positie zie Alexander, 1983: hoofdstuk 5; voor commentaar op die positie: Habermas, 1988: 15). Daar kunnen ze dan overleven onder de triviale vorm van individuele emoties. Het volgroeide kapitalisme heeft volgens Weber niet langer de steun van waarden nodig. Het kan als het ware op eigen kracht draaien, als een machine die zelf de energie aanmaakt die haar werking en voortbestaan garandeert. In die zin vormt het kapitalisme voor Weber een belangrijk breekpunt in de westerse geschiedenis. Met het volgroeide kapitalisme ontstaat een maatschappelijke orde die niet meer hoeft te steunen op idealen of overtuigingen om zich te verantwoorden. Het volstaat dat de winkels goed gevuld zijn, dat er voldoende wordt geproduceerd en dat de politieke elite en de overheidsadministratie zich voldoende doeltreffend tonen in het verdedigen van de relevante (lees machtige) belangen (zie ook, Gouldner, 1976). Waarden verliezen met andere woorden hun waarde. EfficiĂŤnte productie en doeltreffend beleid nemen hun plaats in. Vanuit een dergelijke maatschappijvisie zal men geneigd zijn een vertrouwenscrisis te verklaren op basis van economische problemen, of een chronische legitimiteitscrisis te poneren op basis van een voortdurende spanning tussen accumulatie en legitimiteit (O'Conner, 1973; Offe, 1984). De politieke en maatschappelijke vertrouwenscrisis is volgens deze theorie eigenlijk een verplaatste economische crisis, een gevolg van werkloosheid die wordt veroorzaakt door processen als technologische vernieuwing, accumulatie of globalisering. Op basis van die theorie kan men verwachten dat iemands ervaring met werkloosheid het wantrouwen aanzwengelt. Economische prestaties lijken een voor de hand liggende verklaring van vertrouwen in de politiek, de overheid en de andere instellingen. Zittende regeringen spelden zich zelf graag de pluim van economische groei op de hoed. Economische problemen leiden tot lage inkomens en/of werkloosheid, twee omstandigheden waarvan doorgaans wordt aangenomen dat ze het


vertrouwen in de overheid aanvreten. Dergelijke verklaringen van de vertrouwenscrisis zijn uitermate populair en frequent. Toch blijkt de band tussen economische prestatie en vertrouwen niet zo strak en/of duidelijk als doorgaans wordt aangenomen. In de Verenigde Staten was het verlies van vertrouwen het grootst op het einde van de jaren '60 en in het begin van de jaren '70, toen de economische groei zeer sterk was, de impact van de technologische vernieuwingen op de tewerkstelling nog niet werd gevoeld, "globalisering" een nog nagenoeg onbekend begrip was en nog niemand buiten een kleine kring van specialisten van de OPEClanden had gehoord (Lawrence, 1997: 112-113). Op basis van de Amerikaanse gegevens kan men economische groei bezwaarlijk hanteren als een langetermijnverklaring van de vertrouwenscrisis. Dat neemt niet weg dat de individueel ervaren gevolgen van economische crisis, zoals werkloosheid, het vertrouwen kunnen aanvreten. De algemene theorie die stelt dat wantrouwen een gevolg is van gekrenkte verwachtingen, kent twee belangrijke varianten. De ene stelt veiligheid en zekerheid centraal, de andere heeft betrekking op overdreven of misplaatst geachte verwachtingen.

3.2.2. Veiligheid, zekerheid en vertrouwen Gedeelde waarden en normen worden belangrijk geacht voor het vertrouwen omdat ze de wereld voorspelbaarder maken. Ze zijn zeker niet de enige zekerheidscheppende mechanismen. Vertrouwen in de toekomst, een redelijke mate van zekerheid dat men aan de slag kan blijven, dat men kan rekenen op een degelijk pensioen en de huidige levensstandaard min of meer kan vrijwaren, zijn minstens even belangrijk. Het valt daarom te verwachten dat het vertrouwen in de toekomst een invloed heeft op het vertrouwen in de instellingen. Toekomstverwachtingen werden in de APS-surveys op verschillende manieren gemeten: de vrees voor faillissementen, verwachtingen met betrekking tot de persoonlijke economische toekomst, algemene toekomstverwachtingen en verwachtingen betreffende de toekomst van de sociale zekerheid (werkloosheid, vastheid pensioenen, mate van uitsluiting en ongelijkheid). Op basis van de theorie verwachten we dat onzekerheid en/of pessimisme met betrekking tot de toekomst tot wantrouwen leidt. Veiligheid en zekerheid zijn nauw aan elkaar verwant. Daarenboven wordt van de overheid minimaal verwacht dat zij veiligheid garandeert. Het lijkt ons dus evident dat mensen die veiligheid een belangrijk probleem achten, minder vertrouwen stellen in de overheid en de andere instellingen.

3.2.3 Te hoge verwachtingen en vertrouwen Ter verklaring van de vertrouwenscrisis wordt dikwijls aangevoerd dat de verwachtingen van de burger met betrekking tot de overheid te hoog zijn. Terwijl de schandaaltheorie kan rekenen op de enthousiaste steun van journalisten, wordt de theorie betreffende de overdreven verwachtingen van de burger hartstochtelijk omhelsd door politici, vooral door politici uit regeringspartijen. De leden van de oppositie durven wel eens te beweren dat de burger dubbel en dik gelijk heeft als hij de overheid confronteert met torenhoge verwachten. Maar bij een regeringsdeelname wordt die stelling doorgaans snel weer opgeborgen. Burgers, zo luidt de theorie, verwachten veel te veel van de politiek en de overheid. Dat leidt tot overload: de regering en het politieke systeem worden dermate zwaar met verwachtingen


beladen dat de as van het vertrouwen onvermijdelijk breekt (Mansbridge, 1997). Lang geleden al ontwikkelde Talcott Parsons (1967) daarover een elegante theorie waarin hij het vertrouwen in instellingen, via de metafoor van de inflatie, koppelde aan de verwachtingen. De verwachtingen in de technologie, de geneeskunde of de overheid kunnen inflatoir worden: ronduit overdreven. Tijdelijk varen wetenschap, geneeskunde en overheid daar wel bij. Zij krijgen steun en aanzien. Wetenschappers baden in de belangstelling, artsen worden benaderd als wonderdokters, politici worden op hun woord geloofd. Dan wordt duidelijk dat de verwachtingen overdreven zijn. Deflatie en devaluatie volgen op de inflatie. Wetenschappers worden benaderd als Frankensteins en mad scientists. Artsen worden bedolven onder de schadeclaims. Politici schroeven hun P-platen van de bumper. Binnen de dan opduikende nieuwe politieke cultuur worden de politici aangemaand tot bescheidenheid: beloof niet te veel! De overload-theorie is een toepassing van deze metafoor. Zij werd, nadat het vertouwen in de westerse landen te midden van grote economische groei was beginnen dalen, door de Trilaterale Commissie (Crozier, Huntington & Watanuki, 1975) aangegrepen als verklaring en remedie. De remedie is een terugtredende overheid: een overheid die andere actoren responsabiliseert en via enveloppen financiert. Waarschijnlijk heeft geen andere theorie van de vertrouwens- of legitimiteitscrisis zoveel invloed gehad op het beleid. Een mogelijk probleem met de diagnose annex remedie is dat zij de vertrouwenscrisis beschouwt als een specifiek politieke crisis, terwijl het in feite gaat om een maatschappelijke crisis die verschillende instellingen raakt. Het is daarenboven een moeilijk, nagenoeg niet verifieerbare theorie. Hoe kunnen we nagaan of de verwachtingen van de burgers te hoog zijn? Hoe kun je het punt bepalen waarop de verwachtingen zo hoog worden dat overload en onbestuurbaarheid optreden? Deze vragen werden tot nog toe niet beantwoord (Bok, 1997). De taken van de overheid zijn zo divers dat het zeer moeilijk is om duidelijke prestatiecriteria te hanteren. Ook daarom laten theorieĂŤn die een verband leggen tussen de verwachtingen van de burgers en de prestaties van het beleid, zich moeilijk empirisch onderzoeken De theorie valt iets gemakkelijker te toetsen als de nadruk niet ligt op de hoogte maar op de aard van de verwachtingen. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving heeft zich verbreed. Het aantal toestanden waarvan mensen geloven dat er "iets kan aan gedaan worden" neemt toe. Ook als een potvis aanspoelt op het strand, is er wel altijd een rampentoerist die voor de camera verklaart dat "het schandalig is dat zij zoiets laten gebeuren". Die ontwikkeling blijkt bijvoorbeeld heel concreet uit het feit dat mensen niet meer bereid zijn een risico te aanvaarden. Een renwagen die uit de baan vliegt, een vliegtuig dat neerstort tijdens een meeting, een klapband, een kinderkoets die kantelt, een speelgoedje dat wordt ingeslikt: alles geeft aanleiding tot de vraag wie verantwoordelijk en schuldig is. Die ontwikkeling is een uiting van het streven naar zekerheid en beheersbaarheid dat vooralsnog, bij gebrek aan aangepaste instellingen, uitmondt in het verlies van vertrouwen en het zoeken naar schuldigen (Engel, 1995). In de mate dat "er" niets wordt gedaan en "men" laat gebeuren, takelt het vertrouwen af. Omdat de politiek en de overheid zich heel frequent in de rol van de ongespecificeerde "zij" of "men" bevinden, zijn het vertrouwen in politiek en overheid daar het eerste slachtoffer van. Op die manier realiseert zich, met onvoorziene gevolgen, de slogan van de jaren zestig, "alles is politiek": de armoede in de Derde Wereld, de verdeling van de huishoudelijke taken, een relatie die spaak loopt, het voedsel dat we eten, de sportschoenen die we dragen, het speelgoed van de kinderen (voor een beschrijving van deze politiek van de life concerns, zie Beck, 1986; Giddens, 1990). Het politieke en maatschappelijke vertrouwen moet wel een knauw krijgen zodra het misnoegen over het eigen gezin tot de conflicten op


andere continenten, op de politiek en de overheid wordt afgewenteld. De juistheid van die stelling kan aan de hand van de gegevens van de APS-survey worden getoetst door na te gaan of de tevredenheid met het dagelijkse leven een effect heeft op het vertrouwen in de instellingen. Daarnaast onderzoeken we ook of gebeurtenissen met een overduidelijk privĂŠkarakter (een echtscheiding, alleen wonen) het vertrouwen in de instellingen aantasten.

3.3 Vertrouwen, het gekende en (politieke) communicatie Nadat Hannah Arendt in 1960 in de Verenigde Staten de conventies van de Democratische en Republikeinse partijen op tv had gevolgd, verklaarde zij dat dit mediagebeuren de politiek had veranderd. Men kon voortaan de persoonlijkheden van de politici waarnemen. Een politieke keuze hield daarmee op alleen een beslissing te zijn over de vraag of men het al dan niet eens was met de standpunten van de politicus (Orren, 1997: 98-99). Sindsdien kan men de politicus in de ogen kijken, zien hoe ze groot en vochtig worden of smal en hardvochtig; hun kin observeren terwijl ze zacht wordt, haar scherpe contouren verliest, trillend een diepe en ongetwijfeld authentieke ontroering verraadt. Men kan, kortom, uitmaken of men de man of vrouw in kwestie vertrouwt. De geringe aandacht voor partijen, de overweldigende belangstelling voor de persoonlijkheden van politici, treft de waarnemer van de Amerikaanse verkiezingen al geruime tijd (Elchardus, 1980). De toen nog schuchtere tendens die Hannah Arendt nu haast veertig jaar geleden met feilloos inzicht onderkende, heeft zich inmiddels ook hier voltrokken. "Wegkwijnende partijen, bloeiende persoonlijkheden": zo ziet Patrick Stouthuysen ook bij ons het politieke landschap van de toekomst (1997: 16). Hij citeert uit een interview met noorderbuurman en specialist ter zake, Van Mierlo. Die legt heel precies de band tussen beeld, media en vertrouwen. "Het karakter van een partij wordt bepaald door de personen die vooraan staan‌ Moeten we niet zeggen: we maken geen partijprogramma, we maken een houding. Dan kun je als kiezer zeggen: ik kies je want ik vertrouw je" (Stouthuysen, 1997: 16). Het is duidelijk dat de massamedia de politieke communicatie en waarschijnlijk ook het verband tussen politiek, beleid en vertrouwen grondig hebben veranderd. Over de effecten van de media op het politieke en maatschappelijke vertrouwen circuleren heel wat stellingen. Zo stelt Orren (1979: 99) dat de media de afstand tussen burger en politicus al te zeer verkleinen, te weinig kloof laten, met het gevolg dat respect dikwijls omslaat in ontluistering en wantrouwen. Een stelling die hier te lande door Louis Tobback wordt verdedigd (Tobback, 1995). De media veranderen ook de wijze waarop aan politiek wordt gedaan. Zij maken er een spektakel van. Partijen of politici die niet continu met het ene of andere item in het nieuws zitten, geven de indruk niets te doen. Trotski droomde van een permanente revolutie, de media zorgen alvast voor een permanente campagne. De massamedia monopoliseren vandaag in grote mate de politieke communicatie. Volgens een aantal auteurs kunnen zij die rol niet aan, onder meer omdat journalisten zich niet meer als waarnemers kunnen wegcijferen maar graag zelf als vedetten op de voorgrond treden. De onthulling, het sensationele, de klinkende veroordeling, worden gebruikt als de sokkel van een personencultus (Neustadt, 1997). Dat komt de politieke communicatie niet ten goede. Omdat de berichtgeving sensatiegericht is, maar ook omdat journalisten zelf de politieke agenda willen bepalen en het politieke proces willen sturen, werken zij dikwijls onbegrip en wantrouwen in de hand (Patterson,1993). Het probleem van deze stellingen is dat ze de effecten van de media op een heel algemeen niveau schetsen. Die geschetste effecten worden dikwijls voorgesteld als een gevolg van het bestaan van de media op zich, alsof alle journalisten, alle kranten en zenders ongeveer de zelfde


impact hebben. Daarom is het haast onmogelijk die stellingen te toetsen. Dat is alleen mogelijk als een onderscheid wordt gemaakt naar het specifieke medium en de aard van de krant, de zender of het programma (Blendon et al., 1997). We zullen nagaan of de mensen die het nieuws volgen op VTM en VRT(BRT) onderling verschillen in de mate waarin ze de instellingen vertrouwen. De media zijn overigens het voorwerp van verdeelde verwachtingen. Alvast daarin verschilt de vakliteratuur niet van de toogpraat. Men verwijt hun enerzijds het publieke leven te trivialiseren en het wantrouwen te voeden, maar verwacht anderzijds dat zij het publiek informeren. De theorie die vertrouwen beschouwt als een gevolg van vertrouwdheid wijst meteen ook op het belang van de media. Naast de gezinnen en de scholen zijn zij immers de instellingen waar mensen kennis over politiek, overheid en andere instellingen kunnen opdoen (Maddens & Dewachter, 1993; Billiet, Cambré & Swyngedouw, 1997). Als die stelling juist is, kunnen we verwachten dat mensen die frequent het nieuws op radio, in de krant en op tv volgen, meer vertrouwend zijn.

4. Verklaringen van het wantrouwen getoetst Omdat in de APS-SURVEY ‘96- en de APS-SURVEY ’97 niet volledig dezelfde vragen werden gesteld, kunnen niet alle voorgestelde verklaringen op elk van de waarnemingspunten worden getoetst. De verklaringen werden eerst geëvalueerd per theorie. Daarna werden de variabelen die een significante verklaringskracht bleken te hebben, samengevoegd in complexere modellen. Het eindresultaat van die oefening wordt samengevat in tabel 210. Daarbij wordt de afhankelijke variabele gedefinieerd als de mate van wantrouwen (niet van vertrouwen). Tabel 2. Netto-effecten van de verschillende variabelen op het wantrouwen

Meetpunt 1996 1997 Onderwijsniveau Laag Midden Hoog Lid van verenigingen 0 10

APSSURVEY ‘9611 N

APSSURVEY ‘9712 N

0.09*** -0.10 0.10 0.04 0.07 0.04

0.08* -0.02 -0.08 0.12 0.04 0.03

APSSURVEY ‘96+213 0.0414 0.04 -0.05 0.02 -0.02 0.02 0.01 0.04 0.04

De toetsen gebeurden op basis van (dummy) regressie-analyse en variantie analyse. Beide technieken leiden niet altijd tot dezelfde conclusies. In de tekst worden de resultaten van de variantie-analyse weergegeven; de resultaten van de regressie-analyse zijn opgenomen in bijlage 3. 11 De gemiddelde score op wantrouwen in APS-SURVEY ‘96 is –0.06. 12 De gemiddelde score op wantrouwen in APS-SURVEY ‘97 is 0.01. 13 De gemiddelde score op wantrouwen in APS-SURVEY ‘96+2 is –0.04. 14 Dit is het netto-effect van de onafhankelijke variabele op het wantrouwen na controle voor de overige factoren in het model en de co-variaat leeftijd.


1 2 en meer Arbeid Ja Nee Cultuurparticipatie Laag Midden Hoog Economisch toekomstbeeld Positief Midden Negatief Toekomst van de sociale zekerheid Positief Midden Negatief Algemeen toekomstbeeld Positief Midden Negatief Tevredenheid dagelijks leven Laag Midden Hoog Individualisme Laag Midden Hoog Postmaterialisme Laag Midden Hoog Etnocentrisme Laag Midden Hoog Zich zorgen maken over veiligheid Veel Midden Weinig Verzorgingsstaat Voor Midden Tegen Interesse in het nieuws Laag

-0.09 0.07 N

0.01 -0.08 N

0.02 0.01 0.03 0.02 N

0.09 0.11 -0.08 -0.06 N

0.13*** -0.14 0.03 0.16 0.16*** -0.17 0.03 0.24 0.13*** 0.10 -0.01 -0.19 0.04 -0.04 0.01 0.06 0.06* -0.03 0.00 0.18 N

0.10** -0.15 0.06 0.08 0.09 -0.07 -0.05 0.14 0.13*** 0.11 -0.16 -0.13 N

0.03 -0.01 -0.03 0.04 0.15*** -0.17 0.03 0.24 0.15*** -0.16 0.01 0.22 0.13*** 0.11 -0.06 -0.18 N

N

N

0.12** -0.14 -0.02 0.15 0.15*** 0.22 -0.06 -0.16 N

N

0.08* 0.07

N

N

0.08* -0.09 0.10 0.03 N

-0.05 -0.01 0.03* -0.02 0.03 N

N

N


Midden -0.01 Hoog -0.12 Levensbeschouwing 0.17*** 0.21*** 0.18*** Ongelovig 0.37 0.31 0.35 Vrijzinnig 0.28 0.22 0.22 Christelijk/niet katholiek: nooit of 0.00 0.15 0.07 zelden naar kerk Christelijk/niet katholiek: vaak naar 0.06 -0.25 -0.11 de kerk Katholiek: nooit of zelden naar kerk 0.07 0.04 0.08 Katholiek: vaak naar de kerk -0.17 -0.25 -0.21 *: significant op het niveau 0.05. **: significant op het niveau 0.01. ***: significant op het niveau 0.001. N: variabele niet beschikbaar of variabele heeft geen effect in de analyse per theorie. In 1996 wordt 17% van de variantie verklaard, in 1997 22% en voor beide datapunten samen 16%. Dat is behoorlijk veel. Als alle betekenisvolle variabelen op één datapunt beschikbaar zouden zijn, dan zou de verklaarde variantie ruim boven de 20% zitten. Het gaat, met andere woorden, om modellen die voldoende verklaringskracht bezitten om een interpretatie van de resultaten te wettigen. Die resultaten worden overzichtelijk samengevat in tabel 3 en daarna besproken. Tabel 3. Samenvatting van de resultaten van de toetsen. VERKLARING

- Het vertrouwde - Socialisatie Onderwijsniveau - Associatie Aantal verenigingen lid Verricht vrijwilligerswerk Cultuurparticipatie Werken versus niet werken - Betrokkenheid Levensbeschouwing Utilitair individualisme - Consensus Etnocentrisme Postmaterialisme Steun welvaartsstaat - Het verwachte - Economische crisis Werkloosheidservaring - Veiligheid en zekerheid

APSSURVEY ‘96

APSSURVEY ‘97

APSSURVEY ‘96+’97

+

+

0

0 0 0 0

0 0 0 0

0 0 0 +

+ 0

+ N

+ N

N + +

+ N N

N N N

0

0

0


Onveiligheidgevoel N + Vrees faillissement en ontslag 0 0 Zorgelijk beeld van economische toekomst 0 0 Zorgelijk beeld van toekomst in het algemeen + + Zorgelijk beeld van toekomst van soc. zekerheid + + - Persoonlijke zorgen, publiek wantrouwen Tevredenheid met dagelijks leven + + Ooit gescheiden 0 0 Alleenstaand met kind 0 0 Vaste levenspartner 0 0 - Het gekende - Nieuws als informatie Frequentie volgen nieuws op radio N 0 Frequentie volgen nieuws op tv N 0 Frequentie volgen nieuws in krant N 0 Belangstelling voor het nieuws N + Kennis N 0 - Stijl van medium Nieuw op VRT versus VTM N 0 + + - Leeftijd N N - Verschil tussen 1996 en 1997 0: geen effect. +: significant effect, zowel in de regressie- als in de variantie-analyse. '+': significant effect in de regressie- of variantie-analyse. N: variabele niet beschikbaar.

N 0 0 + + + N N N

N N N N N + +

De socialisatie- en associatietheorieën blijken niets bij te dragen tot de verklaring van het wantrouwen. Elk van de gebruikte variabelen of indicatoren wordt statistisch onbetekenend in een van de modellen. Het effect dat het onderwijsniveau of het al dan niet werken op een bepaald ogenblik lijken te hebben, dient in feite aan andere variabelen te worden toegeschreven. Participatie leidt in onze samenleving niet tot vertrouwen in de instellingen, in tegenstelling tot wat de zeer hooggespannen verwachtingen laten vermoeden die vandaag in de civil society worden gesteld. De theorieën die steunen op de rol van informatie en kennis, zetten evenmin zoden aan de dijk. De frequentie waarmee nieuws wordt gelezen, beluisterd en bekeken, heeft geen effect op het vertrouwen: noch in de positieve, noch in de negatieve zin. De stijl van het nieuws heeft dat evenmin. De variabele die werd gebruikt om dat te meten, VRT versus VTM, is nogal schraal. Deze conclusie suggereert daarom eerder verder onderzoek dan boude besluiten. De enige indicator uit deze reeks die wel een effect heeft, drukt uit in welke mate mensen zeggen belangstelling te hebben voor verschillende soorten nieuws. Wie geïnteresseerd is in berichtgeving over binnenlandse politiek, buitenlandse politiek, nieuwe medische en technologische ontwikkelingen, kunst, cultuur of milieu, is minder wantrouwig dan de mensen die zeggen weinig belangstelling te hebben voor nieuws over dat alles. Deze variabele meet misschien niet zozeer geïnformeerdheid als betrokkenheid. Hij dient waarschijnlijk als een indicator van dat laatste te worden beschouwd. De relatie tussen massacommunicatie en vertrouwen blijkt in elk geval veel minder belangrijk te zijn dan de talrijke publieke commentaren over de impact van de media suggereren.


De stelling dat de vertrouwenscrisis eigenlijk een economische crisis is, werd getoetst aan de hand van de relatie tussen de werkloosheidservaring en het vertrouwen. Mensen die werkloos zijn, zo blijkt uit de analyse, staan niet wantrouwiger tegenover de instellingen. Het verband dat zo gemakkelijk wordt gelegd tussen de aanhoudend hoge werkloosheid en het verlies van vertrouwen, dient dus met de nodige voorzichtigheid te worden benaderd. Onze waarneming impliceert niet dat werkloosheid geen effect heeft op het vertrouwen. Het is immers ook mogelijk, zoals werd vastgesteld in een studie over de blijvende effecten van langdurige werkloosheid (Elchardus, Glorieux, Derks, Pelleriaux, 1996), dat werklozen zich pas echt wantrouwig opstellen als ze weer aan de slag zijn. Het wantrouwen kan daarom eerder een functie zijn van het aantal mensen dat in het verleden al met werkloosheid te kampen had, dan van het aantal personen dat werkloos is op een gegeven tijdstip. Dat zou betekenen dat de relatie tussen economische groei en vertrouwen veel minder direct is dan doorgaans wordt aangenomen. Dat besluit sluit overigens wonderwel aan bij de vaststelling dat het wantrouwen in de Verenigde Staten niet sneller, maar trager toeneemt in periodes van recessie dan in periodes van snelle economische groei. De theorieën die het meest bijdragen tot de verklaring van het vertrouwen (of wantrouwen) richten de aandacht op de rol van betrokkenheid, consensus, de gevoelens van veiligheid en zekerheid en van privé-zorgen. De effecten die door die theorieën worden voorspeld, zijn zowel in 1996 als in 1997 veruit de meest belangrijke. Na controle voor de andere variabelen heeft het utilitair individualisme geen rechtstreeks effect op het vertouwen in de instellingen. De levensbeschouwing heeft dat wel. Degenen die zich als ongelovig omschrijven zijn het meest wantrouwend, de regelmatig praktiserende katholieken het minst wantrouwig. Het verschil tussen beide groepen is zeer groot (gelijk aan iets meer dan een halve standaardafwijking). De vrijzinnigen nemen een tussenpositie in. De mensen met een uitgesproken overtuiging zijn met andere woorden meer vertrouwend dan degenen die zich omschrijven als ongelovig. De mate van betrokkenheid bij de beleden overtuiging speelt eveneens een zeer grote rol. Vanwege de aantallen kan dit alleen voor de katholieken worden nagegaan. De kerkse katholieken staan veel minder wantrouwig tegenover de instellingen dan de niet-kerkse katholieken. Ook dit bevestigt de algemene stelling dat de afname van sterke levensbeschouwelijke overtuigingen en van betrokkenheid, leidt tot wantrouwen in de instellingen. Ook de theorieën over de rol van consensus worden bevestigd. Zoals Habermas en Inglehart suggereren, staan mensen die zich uitgesproken postmaterialistisch opstellen, wantrouwiger tegenover de instellingen. Hetzelfde geldt, op een nog meer uitgesproken wijze, voor de mensen die zich etnocentrisch opstellen. Die twee groepen bevinden zich aan de tegengestelde uitersten van een nieuwe sociaal-culturele breuklijn die door onze samenleving loopt en die wijst op fundamentele conflicten over vragen betreffende de identiteit, het mensbeeld en de aard van de goede samenleving (Elchardus, 1994: 1; Elchardus, 1994: 7). Volgens de vooropgestelde theorie verliezen de groepen die op die schaal een uitgesproken positie innemen hun vertrouwen in de instellingen omdat die hun waarden en overtuigingen niet of onvoldoende weerspiegelen. Het gebrek aan consensus wordt veel scherper aangevoeld door de mensen die moeite hebben met de aanwezigheid van migranten, dan door mensen die postmaterialistische waarden verdedigen. Het effect van die laatste variabele is relatief zwak; het effect van de eerste is sterk.


We stellen vast dat personen die de verzorgingsstaat verwerpen, wantrouwiger staan tegenover de instellingen. Het is mogelijk dat we ook dit effect moeten interpreteren als het gevolg van een gebrek aan consensus: tegenstanders van de verzorgingsstaat ontzeggen hun vertrouwen aan een staat die in hun ogen al te zeer verzorgingsstaat is. Het is echter ook mogelijk dat dit wantrouwen een uiting is van dezelfde houding die sommige liberale politieke filosofen doet zeggen dat wantrouwen tegenover politiek en overheid getuigt van een gezonde democratische reflex. Ook het onveiligheidgevoel en de zorgen over de toekomst spelen een belangrijke rol. Een samenleving die veiligheid noch zekerheid kan garanderen, verliest het vertrouwen van haar leden. Dat vertrouwen wordt niet aangevreten door de persoonlijke economische toekomstverwachtingen. Noch de mate waarin men vreest voor ontslag of voor het faillissement van de onderneming waar men tewerkgesteld is, noch de perceptie van de persoonlijke financiële situatie (het economische toekomstbeeld) spelen een rol. Het wantrouwen wordt veeleer aangevreten door een algemeen onbehaaglijk toekomstgevoel dat tot uiting komt in uitspraken als "zoals het er nu uitziet, is het ternauwernood verantwoord kinderen op deze wereld te zetten" en "het beste hebben we gehad. In de toekomst kan het alleen slechter worden". Ook de verwachtingen met betrekking tot de gemeenschap, meer bepaald de toekomst van de sociale zekerheid, spelen een belangrijke rol. Wie vreest dat het aantal werklozen in Vlaanderen nog gaat toenemen, ongerust is over de toekomst van het pensioenstelsel, in de toekomst het aantal uitgeslotenen nog ziet toenemen, de sociale zekerheid ziet aftakelen en de kloof tussen rijk en arm verbreden, heeft minder vertrouwen in de instellingen. Het effect van de toekomstverwachtingen blijkt dus minder een uitloper te zijn van een persoonlijke ervaring of de vrees voor een economische crisis, meer een gevolg van een gebrek aan een hoopgevend project. Het vertrouwen in de instellingen wordt ook aangevreten door de mate waarin privé-zorgen zich vertalen in publiek wantrouwen. De tevredenheid met het dagelijkse leven heeft zowel in 1996 als in 1997 een vrij sterk effect op het vertrouwen. Mensen die ontevreden zijn met hun buurt, woning, inkomen, werk, levensstandaard, gezondheidstoestand, vrijetijdsbesteding en hun relaties met huisgenoten, familieleden, vrienden en kennissen, staan wantrouwiger tegenover de instellingen. De tevredenheid vormt een algemene dimensie (zie bijlage 2). Het is niet mogelijk een specifieke vorm van ontevredenheid met het vertrouwen in verband te brengen. Wat we vaststellen is dat ontevreden mensen wantrouwiger staan tegenover de instellingen, ook al vindt die ontevredenheid grotendeels haar oorsprong in het privé-leven. Het is duidelijk dat de mensen vandaag verwachten dat de politiek, de overheid en de instellingen, de voorwaarden scheppen waaronder zij persoonlijk gelukkig kunnen zijn. De theorieën die de crisis van het vertrouwen toeschrijven aan hoge verwachtingen of aan verwachtingen die misplaatst zijn omdat men de instellingen verantwoordelijk stelt voor wat in de eerste plaats een persoonlijke verantwoordelijkheid lijkt, bevatten dus zeker een grote dosis waarheid. Nadat we het effect van deze algemene graad van tevredenheid op het dagelijkse leven hebben gecontroleerd, hebben andere indicatoren van problemen in de privésfeer, zoals een spaak gelopen relatie, het alleen staan en het ongehuwd ouder zijn, geen effect meer. Verder stellen we vast dat, na controle voor de effecten van al de overlopen variabelen, de leeftijd een betekenisvolle invloed op het vertrouwen behoudt (de βis gelijk aan -.18 in 1996, -.16 in 1997 en -.18 voor beide meetpunten samen). Oudere mensen zijn minder wantrouwig, jongere mensen wantrouwiger. Het is niet duidelijk of we hier met een leeftijds- dan wel met


een cohorte-effect te maken hebben. Het is mogelijk dat naarmate men ouder wordt, het vertrouwen in de instellingen groeit. Het is ook mogelijk dat in een situatie die gekenmerkt wordt door een laag vertrouwen of in een situatie die door journalisten en andere commentatoren wordt omschreven als een vertrouwenscrisis, jonge mensen hun vertrouwen in de politiek, de overheid en de instellingen opgeven. Het is zelfs niet uitgesloten dat wantrouwen een nieuw conformisme wordt, in de zin dat het uitdrukken van groot vertrouwen een houding is die beschouwd wordt als een beetje naïef of ouderwets en die daarom minstens de moed van het nonconformisme vergt. Na controle voor de effecten van de variabelen die op beide meetpunten beschikbaar zijn, rest nog een statistisch significante toename van het wantrouwen tussen 1996 en 1997 (zie tabel 2, effect van het meetpunt). Die stijging is grotendeels het gevolg van het verlies van vertrouwen in de magistratuur en de politie en de rijkswacht.. Die vaststelling wijst er op dat een gemediatiseerde crisis zoals we die in dit land tijdens de afgelopen twee jaar hebben meegemaakt, het vertrouwen daadwerkelijk aanvreet. Zij maakt het eveneens mogelijk de impact van zo’n crisis in perspectief te plaatsen. Het totale netto-verschil in vertrouwen tussen 1996 en 1997 (0,08 standaardafwijking) is bijvoorbeeld kleiner dan het verschil in de mate van vertrouwen tussen gelovigen en vrijzinnigen of tussen kerkse katholieken en katholieken die zelden een eredienst bijwonen; het is eveneens veel kleiner dan het verschil tussen mensen met een matig positief en mensen met een negatief sociaal toekomstbeeld; het is ongeveer één vierde van het verschil tussen mensen met een positief en mensen met een negatief beeld van de toekomst van de gemeenschap. Als men rekening houdt met de maatschappelijke ontwikkelingen die het wantrouwen beïnvloeden, blijkt een “affaire” of een specifiek schandaal slechts een relatief kleine invloed te hebben. Die vaststelling suggereert dat de crisis zoals hij in de media verschijnt, vooral die mensen aanspreekt die al om de ene of andere reden wantrouwend staan ten opzichte van de instellingen en in de berichtgeving over schandalen een bevestiging van hun vermoedens en een verantwoording van hun houding vinden. Op die manier kan een zaak zeer grote proporties aannemen zonder dat ze op zich nieuwe mensen tot het wantrouwen bekeert.

5. Besluiten Factoren waaraan in het publieke debat over de vertrouwenscrisis een grote verklaringskracht wordt toegeschreven, blijken in werkelijkheid geen invloed of een bescheiden invloed te hebben. De participatie aan het verenigingsleven, cultuurparticipatie, de mate waarin men het nieuws volgt, werkloosheid, de verwachtingen met betrekking tot de persoonlijke economische toekomst, de "affaire": ze blijken geen noemenswaardig effect te hebben. De oorzaken van de vertrouwenscrisis liggen elders. Wie onverschillig staat tegenover levensbeschouwelijke materies en/of tegenover het maatschappelijke gebeuren, ontwikkelt een wantrouwiger houding. Wie ontevreden is met zijn leven, ongelukkig met zijn huis, baan en gezin, heeft geen vertrouwen in de instellingen. Wie zich onveilig voelt, staat wantrouwig tegenover de instellingen. Wie gelooft dat het land de grote sociale uitdagingen (de pensioenen, de ziekteverzekering, tewerkstelling, een mate van gelijkheid) en de strijd tegen de uitsluiting niet zal aankunnen, is wantrouwiger. Wie houdingen heeft die sterk van de heersende opvattingen afwijken (wie postmaterialist, racist of etnocentrisch is of de verzorgingsstaat afkeurt) verliest vertrouwen in de instellingen. Al die vaststellingen laten zich heel bondig samenvatten. De onverschillige, ongelukkige, bange, onzekere burger die het


gevoel heeft dat het "systeem" of het "establishment" andere waarden huldigt dan de zijne of hare, is een wantrouwige burger. In het licht van dat besluit lijken drie ontwikkelingen een mogelijke verklaring in te houden voor de daling van het vertrouwen op de langere termijn. De eerste is de afname van betrokkenheid, zoals die blijkt uit ontkerkelijking, het tanen van ideologisch engagement, verzakelijking en het zogeheten "einde van de grote verhalen". Samen met onverschilligheid en ongeloof groeit het wantrouwen. De tweede ontwikkeling is de opkomst en de crisis van de verzorgingstaat. De verzorgingsstaat is niet alleen een geheel van voorzieningen. Het is ook, en in de eerste plaats, een geheel van verwachtingen. Het is een maatschappijmodel dat hoge verwachtingen in de hand werkt en dat zekerheid verheft tot een elementair recht. Een verzorgingsstaat neemt in zekere zin politieke verantwoordelijkheid op voor alle zorgen van zijn burgers. Daarom vertalen privé-problemen zich snel in wantrouwen tegenover politiek, overheid en andere instellingen. De crisis van de verzorgingsstaat en vooral de twijfels over de haalbaarheid van sociale zekerheid en sociale rechtvaardigheid die daarmee gepaard gaan, zwengelen dat wantrouwen nog aan. Ten derde is er ook de komst van nieuwe sociaal-culturele conflictstof. Die verdeelt de samenleving met betrekking tot fundamentele vragen over het goede leven en het goede samenleven. Het gaat hier om conflicten waarvoor (nog) geen degelijke pacificatiemechanismen werden ontwikkeld en die daarom verscheurend kunnen zijn. De manier waarop de begrippen "politiek protest" en "kloof" vandaag in het publieke debat worden gehanteerd, is misleidend. Het protest en de kloof zijn in belangrijke mate het gevolg van de nieuwe conflictstof die de burgers onderling verdeelt en het voor de overheid onmogelijk maakt om aan de wensen en overtuigingen van al haar burgers tegemoet te komen. De kloof scheidt in de eerste plaats de ene groep burgers van de andere. De vaststellingen waartoe we komen, maken duidelijk dat de vertrouwenscrisis niet gemakkelijk kan worden opgelost. De politiek en de overheid kunnen immers weinig doen om de tevredenheid met het dagelijkse leven te laten toenemen, het levensbeschouwelijk of ideologisch engagement aan te wakkeren en de nieuwe sociaal-culturele conflictstof te neutraliseren. Zij hebben weinig of geen vat op belangrijke oorzaken van het wantrouwen. Het verklaringsmodel biedt maar drie duidelijke aanknopingspunten voor een beleid gericht op het herstel van vertrouwen: • het verhogen van het veiligheidsgevoel, • het opwekken van belangstelling voor de publieke zaak, • het bieden van een geloofwaardig en hoopvol project dat duidelijk maakt hoe de verworvenheden van de sociale zekerheid kunnen worden beveiligd, hoe uitsluiting kan worden tegengegaan en sociale rechtvaardigheid vergroot. Daarmee worden tegenover de overheid geenszins nieuwe verwachtingen geformuleerd. Men kan van het onderwijs verwachten dat het jonge mensen belangstelling voor de publieke zaak bijbrengt. Het garanderen van veiligheid is waarschijnlijk de oudste en in elk geval de meest fundamentele opdracht van de overheid. Een hoopvol project bieden, dat het mogelijk maakt de toekomst met vertrouwen tegemoet te treden, is de wezenlijke opdracht van de politiek.


Bibliografie Aberbach, J. D. (1969). “Alienation and Political Behavior.” American Political Science Review 63: 86-99. Adams, M. and M. J. Lennon (1992). “Canadians, Too, Fault their political Institutions and Leaders.” The Public Perspective , 3-19. Alexander, J. (1983). Theoretical Logic in Sociology, Vol. 3, The Classical Attempt at Theoretical Synthesis: Max Weber, University of Califormia Press, Berkeley. Bachman, J.-G. and M. K. Jennings (1975). “The Impact Of Vietnam On Trust In Government.” Journal-of-Social-Issues 31(4): 141-155. Beck, U. (1986). Risk Society: Towards a New Modernity. London; New Delhi, Newbury Park; Sage Publications. Beerten, R., Billiet, J., Carton, A., & Swyngedouw, M. (1997). General Election Study 1995, Flanders – Belgium : Codebook and Questionnaire, ISPO : Interuniversitair Steunpunt PolitiekeOpinieonderzoek K.U.Leuven, Departement Sociologie K.U.Leuven, pp217. Bellah, R., R.Madson, R.Sullivan, A.Swindler, S.M.Tipton (1991). The Good Society, Alfred A.Knopf, New York. Betz, M., L. O'Connell, et al. (1991). Legitimating the Corporation by Routinizing Distrust. Billiet, J. (1995b), “Het lidmaatschap van Sociale Organisaties en Trouw stemgedrag”, in : Res Publica 37, pp11-30. Billiet, J., Cambré, B. & Swyngedouw, M.(1997), “De kennis van de federale logica en van de bevoegdheden en het beleid van de Vlaamse overheid. Een verklaringsmodel”, Res Publica, 39(4), 609-627. Blendon, R. J. and e. al. (1997). Changing Attitudes in America. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 205-216. Bok, D. (1997). Measuring the Performance of Government. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 55-75. Buchta, S. (1993). “Politicka dovera obcanov k miestnej samosprave a socialne charakteristiky ich politickej participacie.” Sociologia 25(1-2): 119-129. Crozier, M.J., S.P.Huntington & Joji Watanuki (1975). The Crisis of Democracy, Report on the Governability of Democracies to the Trilateral Commission. New York University Press, New York. Deschouwer, K. (1998). “Politieke partijen en de moeilijke democratie”. Samenleving en Politiek 5(1): 4-17. Doyle, R.-C. (1992). “Unresolved Mysteries: The Myth of the Missing Warrior and the Government Deceit Theme in the Popular Captivity Culture of the Vietnam War.” Journal of American Culture 15(2): 1-18.


Elchardus, M. (1980), “Kwijnende partijen en bloeiende persoonlijkheden in de Amerikaanse verkiezingen.” Tijdschrift voor Diplomatie, 1980, 20, 3:133-143. Elchardus, M. e. H. P. (1990). Soepel, Flexibel en Ongebonden: Een vergelijking van twee laatmoderne generaties. Brussel, VUB-Press. Elchardus, M. (1994a). “Gekaapte deugden. Over de nieuwe politieke breuklijn en de zin van limieten.” Samenleving en Politiek 1(1): 20-27. Elchardus, M. (1994b). “Verschillende werelden. Over de ontdubbeling van links en rechts.” Samenleving en Politiek 1(7): 5-17. Elchardus, M. (1995). “Het concrete is sterk overroepen. Bedenkingen naar aanleiding van Zwart op Wit.” Samenleving en Politiek 2(9): 34-44. Elchardus, M., Glorieux, I., Derks, A. & Pelleriaux, K., (1996). Voorspelbaar ongeluk. Over de letsels die werkloosheid nalaat bij mannen en hun kinderen. Brussel, VUBPress. Elchardus, M. & Hooghe, M. (1996), Maatschappelijk middenveld en civil society. Een conceptuele analyse in het licht van de processen van differentiatie en interpenetratie, TOR-working paper, VUB. Engel, L. (1995), La responsabilité en crise. Paris : Hachette, 142 p. Fukuyama, F. (1995). Trust. The Social Virtues and the Creation of Prosperity. New York, The Free Press. Garment, S. and Scandal (1991). The Culture of Mistrust in American Politics. New York, Doubleday. Gellner, E. (1994). Naties en nationalisme. Amsterdam : Wereldbibliotheek, 195 p. Giddens, A. (1990). The Consequences of Modernity, Polity Press, Cambridge. The consequences of modernity / by Anthony Giddens. - Cambridge : Polity Press, 186 p. Gouldner, A. W. (1976). The dialectic of ideology and technology: the origins, grammar and future of ideology. London : Macmillan, 304 p. Habermas, J. (1973). Arbeit, Freizeit, Konzum: Frühe Aufsatze. s'Gravenhage, Van Eversdijck. Hooghe, M. en A. Derks(1997), Voluntary Associations and the Creation of Social Capital. The Involvement Effect of Participation., TOR-Working paper, VUB. Huyse, L. (1996), De lange weg naar Neufchateau. 2e dr. - Leuven : Van Halewyck, 1996. - 231 p. Inglehart, R. (1997). Postmaterialist Values and the Erosion of Institutional Authority. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 217-236. Kanter, D.L. & Mirvis, P.H. (1989), The cynical Americans: living and working in an age of discontent and disillusion. London : Jossey-Bass, 1989. - 328 p. Klingemann, H. D. and D. Fuchs (1995). Citizens and the State. Oxford, Oxford University Press.


Kruger, W. (1993). “Vertrauen in Institutionen bei Jugendlichen und jungen Erwachsenen.” Diskurs 2: 69-78. Lane, L. M. (1988). “Individualism, Civic Virtue and Public Administration.” Administration and Society 10: 30-45. Lawrence, R. Z. (1997). Is It Really the Economy, Stupid? Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 133-155. Lipset, S. M. and W. Schneider (1987). The Confidence Gap: Business, Labor and Govenment in the Public Mind. Baltimore, John Hopkins University Press. Maddens, B. & Dewachter W. (1993), “Politieke kennis.”, pp131-146 in Marc Swyngedouw e.a. (red.), Kiezen is verliezen. Acco, Leuven. Mansbridge, J. (1997). Social and Cultural Causes of Dissatisfaction with U.S. Government. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 133-155. May, E. R. (1997). The Evolving Scope of Government. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 21-54. Misztal, B.A. (1996), Trust in modern societies: the search for the bases of social order. Cambridge : Polity , 1996. - 296 p. Mol, A. and G. Spaargaren (1993). “Environment, Modernity and the Risk Society: The Apocalyptic Horizon of Environmental Reform.” International Sociology 8(4): 431-459. Neustadt, R. E. (1997). The Politics of Mistrust. Why People Don't Trust Govenment. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Harvard University Press: 179-201. Ney, J. S. (1997). Introduction: The Decline of Confidence in Government. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Cambridge University Press: 1-18. Nye, J. S. and J. P. Zelikow, D., et al., Eds. (1997). Why People Don't Trust Government. Cambridge, Massachusetts, London, Harvard University Press. O’Connor, J. (1973). The Fiscal Crisis of the State. St.Martins Press, New York. Offe, C. (1984). Contradictions of the Welfare State, Hutchinson, London. Orren, G. (1997). Fall from Grace: The Public's Loss of Faith in Government. Why People Don't Trust Government. J. S. Ney, P. D. Zelikow and D. C. King. Cambridge, Mass., Cambridge University Press: 77-107. Parsons, T. (1967). On the Concept of Influence, in : Sociological Theory and Modern Society, 1967: 405-429, Free Press, Gelcoe, Ill. Patterson, T. (1993). Out of Order. New York, Vintage Books.


Peyrefitte, A. (1995), La societe de confiance: essai sur les origines et la nature du developpement. Paris : Jacob, 556 p. Putnam, R. (1993). Making democracy work. Civic traditions in modern Italy. Princeton University Press, Princeton. Putnam, R. (1995). “Bowling Alone : America’s Declining Social Capital”. Journal of Democracy, 6(1), 65-78. Rosenberg, N. & Birdzell, L.E. (1986). How the West grew rich: the economic transformation of the industrial world. New York : Basic Books, 353 p. Socha, J. (1979). “Wies wspolczesna w opiniach mlodziezy.” Kultura-i-Spoleczenstwo 23(4): 255268. Stouthuysen, P. (1997). “Is nieuw noodzakelijk ook beter? Aantekeningen bij vier publicaties over de nieuwe politieke cultuur.” Samenleving en Politiek 4(10):13-20. Tobback, L. (1989). Zwart op wit. Opgetekend door Jörgen Oostterwaal, Antwerpen; Baarn : Houtekiet, 120p. Useem, B. and M. Useem (1979). “Government Legitimacy and Political Stability.” Social-Forces 57(3): 840-852. Van Deth, J. (1992), “De politieke betekenis van maatschappelijke participatie.” Acta Politica, 27(4), 425-443. Weber, M. (1956). Staatssoziologie: mit einer Einfuhrung und Erlauterungen. Berlin : Duncker & Humblot, 129p. Weber, M. (1958). The Protestant Ethic and the Spirit of Capitalism. Scribner’s, New York. Weil, F.-D. (1989). “The Sources and Structure of Legitimation in Western Democracies: A Consolidated Model Tested with Time-Series Data in Six Countries since World War II.” AmericanSociological-Review 54(5): 682-706. Yin, R.-K. and W.-A. Lucas (1973). “Decentralization and Alienation.” Policy-Sciences 4(3): 327336.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_1998_vertrouwen.pdf by Vlaanderen-be - Issuu