M&L
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN 1' JAARGANG, NR. 4 - MEI 1982 - TWEEMAANDELIJKS
OUDE KERK DOOR EN DOOR GESCHEURD. SCHADE GENOEG OM HET GEHELE KUNSTWERK VOLLEDIG TE SLOPEN EN TERUG OP TE BOUWEN.
Slopen hoeft niet: EMERGO CHEMICAL COATING N.V. restaureert oude metselwerken, houten balken, natuursteen, enz... Lost extreme problemen probleemloos op. En brengt tevens het herstelde op zijn oorspronkelijke sterkte terug. Zonder hak- en breekwerk. Snel en zeker.
NEEM LIEVER DE TELEFOON EN BEL EMERGO N.V. 031-28.10.15 (5 L.) N.V. EMERGO CHEMICAL COATING Terbekehofdreef 50-52 - 2610 Wilrijk Tel. 031-28.10.15 (5 I.) - Telex 32641
HEDENDAAGSE METHODEN BIJ DE ZACHTE RESTAURATIE VAN GEBOUWEN EN MONUMENTEN
Constructieve scheurinjectie Dichtende scheurinjectie Consolidatie van hout en steen Restauratie van steen Restauratie van beeldhouwwerk Behandeling tegen stijgend muurvocht
Restauratie van hout Constructieve restauratie van houten draagbalken Curatieve en preventieve behandeling van hout Antizwambehandeling
Met behulp van 'zachte' polymeertechnische middelen als: — epoxyharsen — polyurethanen — silicoonharsen
N.V. RESIPLAST Bistweg 80 • 2250 Broechem - Tel. 031/85.62.31
Uitvoering met anorganische produkten. Levering en verwerking van: MINEROS en KEIM produkten BETONSANERING SPUITBETON GEVELKOSMETIKA WATERDICHTING STEENRESTAURATIE BETONREPARATIES
bagnal ISO-lsoleertechniek
BAGRAT BELGIUM p.v.b.a. Dr. Van de Perrestraat 289 2440 GEEL Tel. 014/58 04 90 TULPSTRAAT 49-53 - 2000 ANTWERPEN - TEL. 031-36.93.61
00 CD
Inventaire visuel de L'ARCHEOLOGIE INDUSTRIELLE de Tagglomération de Bruxelles
Steeds in voorraad Tientallen soorten
Kasseien in natuursteen Kasseien, mozaïekkeien, kasseitegels
Een verwezenlijking van ,,Les Archives d'architecture moderne", in samenwerking met het,,Ministère de la Communauté Franfaise". Twee jaar lang heeft een team van historici en architecten een diepgaande zoektocht ondernomen naar de bijna uitgewiste sporen van vroegere fabrieken en produktieketens in de Brusselse agglomeratie. Zowel ter plaatse als aan de hand van archiven hebben zij gepoogd te achterhalen of die zeer verspreide en verwarde overblijfselen in het verleden niet volgens een welomlijnd schema opgericht werden. Deze originele inventaris brengt het uiterst boeiend relaas van een speurtocht naar een miskend patrimonium. Hij is ingedeeld per gemeente en per industrietak. Hij brengt een overzicht van alle tussen 1800 en 1940 opgetrokken industriële gebouwen. Dat resulteert in een massa onuitgegeven referentiemateriaal, onmisbaar voor de historische studie van de hoofdstad en voor haar industriële ordening en toekomst. U kunt de verschillende boekdelen bestellen via onderstaande bestelkaart. BESTELKAART Gelieve deze kaart te zenden naar Snoeck-Ducaju en Zoon, Begijnhoflaan 464, 9000 Gent, tel. 091/23.48.97.
nieuw - herbruik voor bestrating van
dorpskernen wandelstraten monumenten villa's nijverheid parkeerplaatsen restauratiewerken park en tuin. terrassen
Waardebestendig Tijdsbestand
Van Camp Pater Nuyenslaan 60 2230 Schilde Tel. : (031) 53.87.66
Ik bestel: D De volledige inventaris (18 delen) D D D D D D D D D D D D D D D D D D
Molenbeek 1 Molenbeek II Molenbeek III Anderlecht I Anderlecht II Bruxelles (Pentagone ouest) Bruxelles (Pentagone est) Bruxelles (hors Pentagone) Ixelles Saint-Gilles Forest Koekelberg Jette/Berchem/Ganshoren Schaerbeek/Saint-Josse Uccle Evere/Woluwe-St-Lambert/Woluwe-St-Pierre Watermael-Boitsfort/Auderghem Etterbeek
Ik stort het totale bedrag van
24.900fr. 2.500 fr. 1.200 fr. 900 fr. 2.500 fr. 2.500 fr. 1.800 fr. 1.800 fr. 1.200 fr. 1.800 fr. 900 fr. 1.800 fr. 600 fr. 900fr. 1.800 fr. 600 fr. 600 fr. 600 fr. 900 fr. fr.
op rekening nr. 290-0204513-58 van Snoeck-Ducaju en Zoon. Naam: Adres: Datum: Handtekening:
..^ ^ ^ ^ "
Spectron herstelt,onderhoudt en injekteert alle soorten bouwwerken.
spectron
Spectron N.V. Injekteerbedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02
Ook in training,' loop maar langs. Service begint bij het betere onthaal.
KRED
BOUWSTOFFEN WALTER LEYS Bredabaan 126 - 2130 Brasschaat Tel. 031/51 7910 BOUWHEREN - ARCHITEKTEN • DAKDEKKERS • EIGENAARS - PRIVATE en OPENBARE DIENSTEN
CHEMISCHE
SOKOL ® Waterdichting - Silikonen - Hechtingsemulsie Snelcement - Plasificeerder - Ontkistingsolie
Met het oog op de besparingen die gewenst worden door de Regering biedtdePVBA I EDR A S U haarnatuurleien H 14
^jk
van KWALITEIT m HOEVEELHEID tegen SCHOKPRIJS
De natuurlei H 14 werd in hel laboratorium van hel Wetenschappelijk en Technisch Centn het Bouwbedrijf getest op basis van de kritena s wan het lastenboek 104 en de STS 34 P.V.B.A. I E D R A S
OMBRAN ® Betonbeschermingsprodukten - Herstelmortels Wandafdichtingsmaterialen - Saneringsprodukten
JERUZALEMSTRAAT 43 • 9420 ERPEMERE • Tel. (053) 21 01 54
VERKOOPKANTOOR: HINNENBERGSTR 32 9531 ZOTTEGEMOOMBERGEN • Tel. (091) 60 22 74
RIETEN DAKEN
BOUWSPECIALITEITEN
WILLY IBENS
SfflWroTl PVBAISOFINA
P.V.B.A.
HOUTBESCHERMING Brandbeveiligde daken
1e Kwaliteit houtbeschermingsprodukten van
SOLIGNUM Ltd - Engeland - A BURMAH COMPANY Rietmatten en rietplaten
Uitroeiing van houtschimmel en houtworm met
20 JAAR GARANTIE Restauraties
VRAAG KOSTELOOS INSPECTIEBEZOEK
Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie
Verkoop van produkten voor vakman en doe-het-zelver, inbegrepen decoratieve Solignum produkten PVBA l o L / r l f M A \ ,
Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (031)51 5345
WOONERVEN in een globale stedebouwkundige visie
Houtbeschermingstechnieken
Abeelstraat 9, 9600 RONSE ( 0 5 5 ) 2 1 6 1 7 1 • na18u (055)2125 25
WOONERVEN in een globale stedebouwkundige visie Ruimtelijke ordening, Landinrichting en natuurbehoud Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke ordening Technische gegevens: 200 bladzijden - 590 ir. - 2 kleuren - kaft: 4 kleuren Inhoud: de verschillende hoofdstukken handelen over: — kennismaking met het woonerf — een nieuw stedebouwkundig perspectief — het woonerf als onderdeel van een maatregelenpakket — de „andere" straatverbeteringen — de vormgeving van het woonerf — de ontwerpmethodiek — synthese van de vormgevings- en beoordelingscriteria — diverse aspecten — samenvatting der bevindingen
verkrijgbaar
in de boekhandel
of bij de
uitgever
Snoeck-Ducaju & Zoon, n.v. Begijnhoflaan 464, 9000 Gent, tel. 091/23.48.97
Het Sikkens diagnose team helpt U bij monumentenzorg. Als lezer van dit blad ligt monumentenonderhoud u nauw aan het hart. Wanneer u dieper ingaat op de technische aspekten van het onderhoud van monumenten, dan merkt u dat dit veel tijd (en geld) kost. Ook schilderwerk behoort tot het eksklusieve werkterrein van deskundigen die weten welke produkten en systemen aan de strenge eisen van monumentenonderhoud beantwoorden. En dat is nu precies de zaak van het "Sikkens Diagnose Team".
Wat is een "Sikkens Diagnose Team" Het "Sikkens Diagnose Team" bestaat uit een groep deskundige en vakbekwame mensen, die aan de opdrachtgevers van schilderwerken een kompleet dienstenpakket aanbieden. Zij hebben een jarenlange ervaring en zijn getraind om het werk te bekijken vanuit het standpunt van de opdrachtgever. Via een vlotte dialoog wordt er samen gezocht naar de beste oplossing van het probleem.
Wat heeft een "Sikkens Diagnose Team" te bieden? Alvorens te starten met het onderhoudswerk kunnen de volgende stappen worden ondernomen: - Het "Sikkens Diagnose Team" begint met een diepgaand onderzoek en stelt een rapport op over de aktuele staat van het monument. - Het team geeft, indien nodig, adviezen betreffende dringende gevallen. Bijvoorbeeld een sanering, een restauratie... - Een overzicht van het uit te voeren schilderwerk met een budgetraming wordt in detail opgemaakt. - Het team bepaalt de meest geschikte verfsystemen en werkt conceptlastenboeken uit. - Het team geeft ook advies op estetisch vlak. - Een plan om een werkelijk duurzame bescherming en verfraaiing van het monument te verkrijgen wordt opgesteld. - Indien nodig worden zelfs proefapplikaties verricht. De verschillende stadia van de uitvoering worden gecontroleerd. Het team bemiddelt bij de oplevering en goedkeuring van de werken om op die »«*« » manier bij te dragen tot een goede sfeer in de relatie tussen opdrachtgever en aannemer.
,./.,: .::...!
L.:
Zekerheid op lange termijn Het behoeft geen betoog, dat de kwaliteit van de uitvoering tenminste even belangrijk is als de kwaliteit van het materiaal. Het "Sikkens Diagnose Team" zet er zich voor in om samen met de opdrachtgever en de schilder, op voorhand, de normen van het werk vast te leggen. Als extra zekerheid voor de opdrachtgever komt hier nog bij, dat tijdens de uitvoering van het werk kontroles plaatsvinden die door de goede schildersbedrijven erg op prijs worden gesteld. Een tevreden klant is immers een vaste relatie.
Bewezen efficiëntie... GRATIS en VRIJBLIJVEND. De werkzaamheden van het "Sikkens Diagnose Team" zijn niet gisteren van start gegaan. Talrijk zijn de steden en gemeenten, grote en kleine, waar de mandatarissen er veel waardering voor hebben. De Hallen van leper, hierbij afgebeeld, zijn slechts één voorbeeld uit een reeks monumenten die met sukses onder handen werden genomen. Het is haast te mooi om waar te zijn, dat in deze tijd, waarin vooral de dienstverlening zo duur wordt, een dergelijk kostbaar en kompleet dienstenpakket GRATIS wordt aangeboden. Of het écht waar is, kunt u vernemen bij de talrijke opdrachtgevers die u reeds zijn voorafgegaan in samenwerking met het "Sikkens Diagnose Team". Met veel plezier zullen wij u onze referenties opgeven ... of nog beter... waarom neemt u zelf niet eens de proef op de som ? Schrijf, bel ons op of stuur ons de onderstaande bon terug. Wij zullen u met genoegen antwoorden.
Afdeling Bouwverven Donkerstraat 38 1740 Ternat - T, (02) 582.31.10
Antwoordkoepon: Naam: Adres: Tel Contactpersoon:.... ° wenst gecontacteerd te worden i.v.m. Monumentenonderhoud ° wenst referenties te ontvangen
^....^
•
\
1
_ L
ï\
•• 1
,i .>...v^j. Ui
:ï~:^Ki£iJi
•^«jïi
mffiSMfr #
•m
>:f.-^F
%
ÉÉN VAN DE REALISATIES VAN HET SIKKENS DIAGNOSE TEAM WAAR WIJ TERECHT FIER OP ZIJN.
^--Mr*
Kerk van O.-L.-V. Bijstand, Kolenmarkt,
* '
•
f
r .r. m
Abdij van Opheylissem Eretrap, rechtervleugel
Brussel
mrttot N. IANNETTI opvolger René Bours
Koninginnelaan 166 1000 BRUSSEL Tel. 02/216 06 15
Abdij van Opheylissem Eretrap, rechtervleugel
alle restauratie- en renovatiewerken kerken - musea - kastelen - abdijen - gebouwen restauratie en reproduktie van alle sierelementen, motieven, beelden. in eigen atelier toonzaal en atelier te bezichtigen op afspraak
Woord vooraf
Op 22 december 1981 zijn de Executieven uit de nationale regering getreden. Hiermee is een zeer belangrijke stap gezet fn de hervorming van ons land. Het zal voor iedereen wel duidelijk zijn dat deze hervorming nog heel wat problemen onopgelost laat en dat niet alleen de burger maar ook openbare instellingen niet altijd meer weten wie waarvoor bevoegd is . Naast de alombekende verwarring blijkt nochtans dat door de verruimde autonomie nieuwe kansen zich aanbieden voor een soepel en efficiënt overheidsoptreden. Drie belangrijke initiatieven die sinds begin 1982 van start zijn gegaan of waarvoor alle nodige beslissingen voor een spoedige start in de eerste helft van 1982 werden getroffen, zijn te vermelden namelijk: OVAM (Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij), de Waterzuiveringsmaatschappij en het Commissariaat-generaal voor de Internationale Culturele Betrekkingen van de Nederlandstalige Gemeenschap in België. Het spreekt vanzelf dat de monumenten- en landschapszorg in deze evolutie niet ten achter kan blijven. Een hervorming van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg is in voorbereiding. Niet alleen zal deze dienst ingevolge de staatshervorming een dienst van de Vlaamse Gemeenschap worden i.p.v. een Rijksdienst, ook zijn huidig statuut wordt grondig herzien. Naast deze hervorming werd»reeds concreet begonnen met een nieuw initiatief: op 28 april 1982 werd de „Stichting Monumenten- en Landschapszorg V.Z.W." opgericht. In de ons omringende landen zijn heel wat verenigingen werkzaam op het gebied van de Monumenten- en Landschapszorg. Verenigingen met een semi-publiek karakter maar werkzaam volgens de beginselen van het privaatrecht. De Engelse 'National Trust', om er maar een te noemen, geniet in dit opzicht terecht een wereldfaam. De Stichting Monumenten- en Landschapszorg heeft tot doel het roerend en onroerend cultuurbezit alsmede de landschappen te beschermen. Onder bescherming wordt verstaan: identificatie, studie, beveiliging, onderhoud, conservatie, restauratie, valorisa-
tie alsook de integratie in het kader van de hedendaagse maatschappij. Zij kan alle verrichtingen uitvoeren die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met haar doel en kan haar medewerking verlenen aan elke gelijkaardige bedrijvigheid, inzonderheid het verlenen van bijstand aan de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Rekening houdende met de beginselen van het cultuurpakt, behoren de stichtende leden tot de ideologische strekkingen die in de Vlaamse Executieve vertegenwoordigd zijn, namelijk: De heer A. Vermeulen, Kabinetschef van de Gemeenschapsminister van Cultuur K. Poma. De heer Y. Porters, Kabinetsattaché van de Voorzitter van de Vlaamse Executieve, G. Geens. De heer R. De Paepe, Kabinetsadviseur van Gemeenschapsminister M. Galle. De heer E. Van Lerberghe, Kabinetschef van Gemeenschapsminister H. Schiltz. De heer J.P. Heirman, ambtenaar, directeur van de personeelsdienst van Cultuur. De heer E. Goedleven, Adviseur-Hoofd van Dienst van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Ze werden allen benoemd tot beheerders. De heer A. Vermeulen is voorzitter, de heer J.P. Heirman, Secretarispenningmeester en de heer E. Goedleven, Afgevaardigd beheerder. De Stichting heeft een toelage aangevraagd voor haar werkingskosten. Zij heeft tevens een aantal B.T.K.-projecten ingediend waarmee zij bijstand wil verlenen aan de werking van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Gelet op de samenwerking tussen de Stichting en de Rijksdienst zal over de activiteiten van de Stichting geregeld verslag worden uitgebracht in het tijdschrift M & L. E. GOEDLEVEN Adviseur-hoofd van dienst
7
v£2ö/£Uim£rN: voor wmtiPADK£t1~B£CBLATIL ea3TAD5. V£Zti/£UWine£N. ia KU/iöTSmOi GÜAHIZT.
^/gre/i.
^TudiebureeL.
MOt1üM£HTAL£ fOHTm&i.
rnmum LMIZL ClAUólAAH M?6i. QbOO A5T£h£ -D£ltiZ£ nu. Zt/3T&AHK£-/i.
ogi/€>6.24.4A.
BLOZMVAZZti 4iM&T WAT-Er-R-RZSE&VOIfiJï
HOUTVERROTTING ? EN WAT DAN ? DE RENOFORS-BETA TECHNIEK VOOR ZINVOL BEHOUD VAN WAARDEVOL HOUT Oude verrotte en vermolmde houtkonstrukties herwinnen hun oorspronkelijke sterkte tegen een redelijke kostprijs.
É
|^: ""
U kan het repareren noemen, of restaureren of renoveren of rehabiliteren of wat U maar wil. Voor ons is het betrouwbaar, vakkundig en estetisch verantwoord herstellen van gelijk welke houtkonstruktie. Met een door Adviesbureau Bèta ontwikkeld revolutionair eigen systeem dat gebaseerd is op wapening met polyesterglasstaven en afvullen met een kunststofmortel. In meer dan duizend kerken, kastelen, raadhuizen, paleizen en woonhuizen in Europa werd, in een tiental jaren, door Renofors de Bèta Techniek toegepast om kostenbesparend waardevolle historische konstrukties te behouden. SOLARn.v. werkt als officieel licentiehouder geheel volgens de richtlijnen van Bèta en heeft zich tot doel gesteld de oerdegelij-
IÏ; Ijl?; w"Ér SS IS _ voor inlichtingen & dokumentatie :
ke service van Renofors tot behoud van het oorspronkelijke SOLAR N V verder te zetten. Restauratietechnieken Afd SOLAR n.v: gevelreiniging - steenverharding - vochtwering / , drooglegging van muren met capillair stijgend vocht /^^Z^A o/nn S I N T - N I K L A A dichtingswerken - betonrestauratie i f f e E T tel 031/76 91 62 houtbehandeling - brandremming '"T ' f tel. 031/76.91.62 . Officieel licentiehouder Renofors-Bèta-systeem Belgisch Octrooi nr. 793.103
<m\
Tweemaandelijks tijdschrift uitgegeven door Snoeck-Ducaju & Zoon, N.V., in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg ISSN 0770-674X 1ste jaargang Nr. 4 - mei 1982
M&L
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN INHOUD Nr. 4
Paul Hankar: geaquaretleerde tekening (Plannen Hankar, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel). (Foto: Peter Somers, R.M.L.Z.)
Redactiecomité: E. Goedleven (Voorzitter), H. Craeybeckx (Voorzitter K.C.M.L.), O. De Wandel (afgevaardigde van Gemeenschapsminister K. Poma), A. Bergmans, M. Buyle, M. Celis, W. Claes, M. Fierlafijn, M. Hoflack, H. Jult, M. Ramakers, H. Stynen, S. Van Aerschot, Hedwig Van Den Bossche, Herman Van Den Bossche. Redactie: Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, Jozef ll-straat 30, 1ste verdieping, 1040 BRUSSEL. Tel. 02/217.99.90. Marijke Hoflack: coördinatie. Marcel Ramakers: promotie en lay-out. Herman Stynen: eindredactie. Diane Torbeyns: zetwerk. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Redactioneel
II
Renovatiestudie 'De Ring' te Hamme R . M . L . Z . , afdeling Architectuur
12
De neogotische beelden van het stadhuis te Leuven, schepping van de 19de-eeuwse restauratiedrang A. Maesschalk en J. Viaene
39
'Ter Vaart': een cottage van Paul Hankar in de Gentse haven M. Dubois en L. Daenens
50
Het Nederlands Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud: een bruikbaar beleidsinstrument voor de Vlaamse Gemeenschap? R . M . L . Z . , afdeling Landschappen
56
Summary
65
Brochure „Vragen rond Monumentenzorg"
[1]
Jaarabonnementen: België: 660 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 110 fr.). CPJ'ers betalen 550 fr. Buitenland: 810 fr.
Uw abonnement gaat automatisch in met het eerstvolgend nummer (tenzij u dit expliciet anders vermeldt) na overschrijving van het abonnementsgeld naar rek. 445-3608261-22 van Snoeck-Ducaju & Zoon, N.V., Abonnementen M & L , Begijnhoflaan 464, 9000 Gent (tel. 091/23.48.97). Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd. Advertentiewerving: De Ganzerik, Postbus 71, 8000 Brugge 1. Tel. 050/32.34.98. Druk: Snoeck-Ducaju & Zoon
1
mm Openingsuren:
Stad Gent tel: 2570.53 Museum d'Hane-Steenhuyse Veldstr.55 9000Gent
van maandag tot en met zaterdag 9.00 u. tot 18.00 u. vrijdag tot 19.00 u.
A Minéros steenrestauratie Invoerder: Lumac p.v.b.a. :Schuitbroekstraat 2 - 3999 Laakdal - 014/30.07.24:
Minerale verfsystemen
Redactioneel De optie die de redactie voor de eerste drie nummers van M & L heeft genomen, wordt in deze vierde aflevering aangehouden. Dit echter met enkele belangrijke nuances. Het nummer bevat inderdaad slechts vier bijdragen, die evenwel elk op zich een belangrijk aspect van de ruimere problematiek waarin de Monumenten- en Landschapszorg zicht beweegt, in het licht stellen.
Eerst is er de bijdrage over 'de Ring', een aan haar lot overgelaten woonbuurt in de Oostvlaamse gemeente Hamme. De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg heeft getracht en blijft proberen, binnen de hem toegemeten opdracht, de spiraal van vergrijzing, verkrotting en sloop mede te doorbreken. Reeds geruime tijd geleden werd er een beschermingsvoorstel opgemaakt en ingeleid. Vrij vlug bleek echter dat een bescherming op zich, in de realiteit van een dergelijke buurt, riskeert haar doel voorbij te schieten. Zeker indien zij de ogen sluit voor een aantal reële problemen en moeilijkheden die zich voordoen, ook voor de plaatselijke beleidsverantwoordelijken. Wie A zegt moet B zeggen en de Afdeling Architectuur van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg heeft dan een studie uitgewerkt, die een aanzet zou kunnen betekenen voor een concrete, sociaal verantwoorde 'zachte' renovatie en restauratie van de betrokken buurt. Het is zonder meer duidelijk dat een dergelijke aanpak de grenzen van de 'stadsvernieuwing', de 'ruimtelijke ordening' en de 'monumentenzorg' als autonome disciplines overstijgt. Monumentenzorg is zich in dat opzicht ten volle bewust van het belang en de noodzaak van de integratie van deze , ten onrechte opgesplitste, disciplines. De historische studie over de stadhuisbeelden van Leuven is een uitvloeisel van het lijvige rapport dat de auteurs opmaakten in opdracht van het stadsbestuur n.a.v. de restauratie van de beeldenreeks van de westelijke zijgevel van het Leuvense stadhuis. Het is niet alleen een boeiend verhaal, maar het brengt ook belangrijke informatie aan voor de theorievorming t.a.v. het probleem van de vervanging, de restauratie of het hermaken van beeldhouwwerk aan de gevel van gotische stadhuizen. Ook dit probleem staat volop in de actualiteit, o.m. in Brugge. Met de publikatie van deze studie wil de redactie het belang onderstrepen van dergelijk historisch onderzoek, in relatie tot een verantwoorde restauratie-aanpak. Als er één
discipline is die een geheugen moet inbouwen, is het wel Monumentenzorg. Eind 1981 werd aan de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg gevraagd, in het kader van een Beneluxoverlegprocedure, een commentaar te geven op het in Nederland als beleidsvoornemen gepresenteerde Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. De kanttekeningen hierbij van de afdeling Landschapszorg zijn uitgegroeid tot een uitgebreide theoretische beschouwing, die als standpunt en discussiematerie een ruimere verspreiding verdient. Het redactioneel gedeelte wordt afgerond met een artikel over de onlangs herontdekte cottage van de hand van ArtNouveau-architect Paul Hankar, gelegen in de Gentse industriezone. De presentatie van dit gebouw ligt in de lijn van de bijdragen over o.m. het 'Hamesse-interieur' (nr. 1) en over het kasteel 'Charles-Albert' (nr. 2), waarin ook minder bekende realisaties werden voorgesteld. De binnenkrant, tenslotte is volledig gewijd aan 'vragen rond monumentenzorg'. Het ligt in de bedoeling deze binnenkrant ook in brochurevorm apart te verspreiden en beschikbaar te stellen voor particulieren, verenigingen en lokale en andere openbare besturen. Reeds lang bestond de nood aan een korte begrijpelijke tekst, die in een notedop zowel de inhoudelijke als de bestuurlijk-administratieve aspecten van de monumentenzorg belicht. Deze brochure is slechts een stap in de richting van de duidelijke informatie, die de Rijksdienst voor Monumentenen Landschapszorg wil verspreiden. Het tijdschrift is één van de middelen om dit doel te bereiken. Wij hopen dat dit vierde nummer, dat wellicht een wat zwaardere inspanning van de lezer vergt, evengoed onthaald zal worden als het vorige thema-nummer rond het arrondissement Veurne.
11
STADSHERSTEL Renovatiestudie 'De Ring' te Hamme R.M.L.Z., Afdeling architectuur Aan deze bijdrage werkten mee: Walter Slock (architect/projectleider), Chrisla Lievens (architecte), Louis De Koninck (architect), Frederic De Clercq (ind. ingenieur) en Jo De Schepper (inspecteur afdeling industriële archeologie). Het project zelf kreeg, builen de reeds vernoemden, de medewerking
van: Frank Van Kerckhove (architect), Jo Van Massenhove (architectenassistente), Brigitte De Schaepmeesler (archilectenassistente). Griet Van Lijsebelh (hinnenhuisarchilecle), Michel Wouters (bouwkundig tekenaar). Peter Somers (fotograaf), Guido Knops (projectleider stadsvernieuwingscampagne). Rosane De Smeyter en Annick Menens (typwerk).
In de kern van de gemeente Hamme (prov. Oost-Vlaanderen) ligt een straat genaamd 'De Ring'. Deze straat en omgeving is een zeer typische buurt omwille van haar geschiedenis, structuur, architecturale vorm en socio-culturele-geografische ligging binnen de gemeente. Een dergelijke omgeving vraagt op zichzelf reeds bijzondere aandacht en studie. Dit werk vindt echter hoofdzakelijk zijn basis in een beschermingsvoorstel van enkele panden uit 'De Ring' met daaraan gekoppeld de dringende noodzaak om het bestaand woningpatrimonium in ere te herstellen. Met deze studie wordt terzelfder tijd aangetoond dat de kleinere monumenten, in casu de sociale woninggroepen, minstens even belangrijk zijn als 'de grote monumenten' zoals kathedralen, kerken, kastelen, stadhuizen enz... aangezien ze samen het typisch karakter verlenen aan de bebouwde omgeving en de daarmee gepaard gaande sociale samenleving. Daar de stads- en dorpsvernieuwing hoofdzakelijk ten dienste moet staan van de hele gemeenschap, en in het bijzonder van de plaatselijke bewoners, meent de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg met deze studie, binnen haar opdracht, bevoegdheid en beschikbare tijd, in het kader van de sociale huisvesting, het praktische bewijs geleverd te hebben dat de overheid en de ondergeschikte besturen de mogelijkheid bezitten om effectief aan renovatie te doen binnen een vernieuwde huisvestingspolitiek. Algemeen opzet en doelstelling. Praktische realisaties hebben aangetoond dat stadsvernieuwing bijzondere bouwtechnische, juridische en administratieve vraagstukken bevat. De toenemende vraag en de potentiële aanwezigheid van kwalitatief verbeterbare panden verplichten de overheid ertoe haar beleid en bestaand instrumentarium inzake dorps- en stadsvernieuwing te toetsen aan de realiteit. Via een tentoonstelling te Hamme wordt deze studie ten dienste gesteld van de hele gemeenschap en in het bijzonder van de plaatselijke beleidsverantwoordelijken en bewoners. De afdeling architectuur heeft met dit rapport geenszins de bedoeling een structuurplan uit te lokken al zou dit ontegensprekelijk nuttig zijn. Wel heeft zij binnen haar bevoegdheden en binnen de beschikbare tijd en opdracht het initiatief genomen om enkele essentiële aspecten van een dergelijke probleemstelling uit te diepen,met name de geschiedkundige en de architecturaal-technische. Aangezien de vraagstelling van het heden onverbrekelijk verbonden is met de herziening van het verleden, start deze studie dan ook met een historische nota om op deze wijze een beter inzicht te verkrijgen in de geschiedkundige evolu12
tie van deze woonwijk. Aansluitend hierop en zeker niet minder belangrijk, is de architecturaal-technische benadering ; de enige manier om tot een concreet inzicht te komen in de mogelijkheden die deze woonstraat in zich heeft voor een nieuwe toekomst, waarbij de hele gemeente betrokken is. Dit rapport kan en wil derhalve in elk geval sensibiliserend werken. De abstractie op dit vlak wordt gedeeltelijk opgeheven door een concreet ruimtelijk ontwerp te suggereren dat primo, het karakter en de identiteit van de straat behoudt, secundo (omwille van de technische benadering) getoetst kan worden aan de reële financiële subsidiëringsmogelijkheden en, tertio, beter inzicht geeft in het bevorderen van de levensvatbaarheid van het dorp. Tot slot heeft deze studie enkel de bedoeling een positieve aanzet te geven om, gezamenlijk met het gemeentelijk beleid ter zake, een verdere uitdieping van de dorpsrenovatie te bewerkstelligen. Hoe dan ook, de historische en architecturaal-geografische betekenis van de Ring is te groot om de renovatie in het kader van werkelijke sociale huisvesting niet aan te vatten. In de hoop aan deze doelstelling tegemoet te komen heeft de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg deze studie opgemaakt. Het gaat er immers om aan te tonen dat renovatie haalbaar en zinvol is, en dat zij getoetst kan worden aan het huidige beschikbare instrumentarium.
Historisch onderzoek. Situering van het gebied en zijn bewoners. Hamme was vanaf het midden van de 19de tot medio 20ste eeuw een typische nijverheidsgemeente met thuisspinners, touwslagerijen en stijfselfabrieken en later textielfabrieken. ,,Onder de dorpen in Vlaanderen, die door de talrijkheid hunner bevolking, de verschillige en uitgeoefende nijverheden en de dichte bebouwing hunner straten er als zoo vele kleine steden uitzien, bekleedt Hamme ontegensprekelijk ene voorname plaats"{\). Filip De Pillecyn, de vermaarde Hamse schrijver, typeerde de gemeente zeer treffend: ,,Hamme behoort tot de categorie van gemeenten die tevens stad zijn én dorp: stad door nijverheid en bevolkingscijfer, dorp door organisatie en levenswijze"(2). Hamme kende reeds vroeg de 'zeeldraaierij' als specifieke arbeidstak: „Dat er hier in de eerste helft der 17de eeuw reeds zeeldraaierijen bestonden is ons gebleken uit de kerkrekeningen van dit tijdvak"{3). Dit had de gemeente vooral te danken aan haar ligging, landbouw en aan de bloei van Antwerpen.
Kemp en vlas waren namelijk de twee typische landbouwprodukten van de streek. De ligging aan de Durme en dichtbij de Schelde en de Antwerpse haven bevorderden sterk deze ontwikkeling. De sluiting van de Schelde in het begin van de 18de eeuw, veroorzaakte echter een sterke achteruitgang van de koordennijverheid te Hamme(4). De industrialisatie vanaf de tweede helft van de 18de eeuw en vooral in het begin van de 19de eeuw, uitte zich voornamelijk in de opkomst van steenkoolmijnen en van diverse nijverheden. Invoer van grondstoffen en specerijen en uitvoer van steenkool en afgewerkte produkten, meestal per schip, namen inderdaad sterk uitbreiding :,,Le réseau fluvial de Flandres est Ie plus serre du monde entier (...) la region de Hamme forme comme Ie noeud de ce vaste réseau (5).^ De hele streek ontwikkelde zich dan ook industrieel in functie van de scheepvaart, scheepsbouw, zeildoekweverijen en natuurlijk ook de touwnijverheid. De 'zeeldraaierijen', die het zwaartepunt van de nijverheid vormden, begonnen zich vooral in de 19de eeuw te ontwikkelen. In 1815 waren er nog niet zoveel spinner-touwslagers (106 van 894 arbeiders of 11, 86%) maar daarentegen heel veel thuisspinsters (72%)(6). De touwproduktie had — waarschijnlijk — enkel plaats in open lucht en kleine ateliers. In 1846 waren er nog maar
13
Kasteelmuur met woningen uit ±1800. (Foto P. Somers, R.M.L.Z.)
weinig thuisspinsters en nam het aantal spinnertouwslagers sterk toe (466 van de 1609 textielarbeiders of 28,96%) De landbouw die erg versnipperd was over veel kleine boerderijen,bleef echter veruit het belangrijkst. Volgens kadastraal plan en legger van 1835-'40 waren er toen minstens een 5-tal touwslagerijen. Verder waren er in het centrum van de gemeente een 5-tal brouwerijen, 3 stijfselmakerijen, 1 blekerij, 1 scheepstimmerij, 1 lintweverij (Van Damme), een 4-tal olieslagerijen (o.a. Verbist) en 1 zeepziederij. Mede door de stoommachine zette de industriële ontwikkeling zich verder, vooral in de touwnijverheid. Hierbij moeten we echter voor ogen 14
houden dat het accent toch op de (arme) landbouw bleef liggen en dat er zeker geen industrialisering plaats vond zoals in het Waalse mijnbekken. Op de Popp-kaart van 1858-'60 en in de daarbij horende kadastrale legger merken we een en ander van deze industriële evolutie. De manufacturen, die dikkere touwen maakten (met paarden) en hun verkoop over het hele land hadden, namen uitbreiding. Vanaf 1860, zo vertelt ons de telling van dat jaar, waren er 831 spinner-touwslagers van de 2064 textielactieven (of 40,26%); 45 personen waren geregistreerd als 'Fabricant' en 754 als fabrieksarbeider. De Hamse koordenindustrie.
gevormd door fabrieken, manufacturen, ateliers en spinners, bereikte stilaan haar hoogtepunt en kende zelfs internationale faam; dit gebeurde echter ten koste van heel wat menselijk leed, vooral op de rug van de sterk in aantal aangegroeide thuisspinners, in 1896 zo'n 1600 in getal(7). Vanaf 1868 werden uitheemse vezels ingevoerd; dit gaf weer een nieuw elan aan de touwproduktie, bedreigd door de achteruitgang van de regionale hennepteelt. Van de Hamse nijverheid omstreeks 1887 vonden we volgend beeld: ,,Buiten de 13 gestichten van dien aard (... zeeldraaierijen en touwslagerijen...) waaronder deze der familiën Vermeire, Van Haver en Van Geertruyen de voornaamste zijn, telt men op dit ogenblik 5 tapijtwerkerijen, 3 lint f abrieken, 6 olieslagerijen, 4 ameldonkmakerijen, eene huidenvetterij, 2 zoutziederijen, 12 bierbrouwerijen, een stokerij, 2 cichoreifabrieken, een scheepstimmerwerf en 17 windmolens. "(8) Topografie van de spinbanen. De spinbanen waren op sterk verschillende plaatsen gelegen, langsheen straten, naast akkers of zoals het merendeel gegroepeerd op open terreinen. Twee factoren bepaalden de ligging van de spinbanen: enerzijds de groepen en rijen spinnerswoningen, zoals in het Klein-Hulst, Mandemakerstraat, Kalvarieberg, Posthoorn, Broekstraat, Hooirt, Geemstraat, Kaaldries... „plekken in het dorp, die nu nog de laatste overblijfselen tonen van de kleine
armoehuizekens, binnenhoven en oude stallingen."(9), anderzijds de open, slechte akkergronden die met verschillende spinners afgehuurd werden om daar meestal afwisselend spinhuisjes en spinbanen rechtlijnig op in te planten: de Kouter, de Biezestraat, de Veldstraat en de Noordstraat zijn hiervan voorbeelden. De overal in de gemeente, zowel in het centrum als naar de gehuchten toe verspreide spinbanen gaven aan het dorp een heel specifiek karakter en waren tevens spiegel van een harde sociale realiteit. Zij maakten wezenlijk deel uit van de omgeving en bepaalden haar zelfs in sterke mate. (10) Voorbeeld: de touwslagerij van Theodorus Vermeire en 'De Ring'. Van de touwslagerij van Theodorus Vermeire (B 653) bestaat een mooie lithografie, daterend van rond 1842 en gepubliceerd in ,,La Belgique industrielle"; het was de grootste touwslagerij van de gemeente (ongeveer 300 m lang)(l 1). Zij werd gebouwd in 1828 en was volledig overdekt; de constructie bestond uit hout en leem, met waarschijnlijk een pannendak. Als we de lithografie wat nader bekijken, merken we links, naar de fabriek toe, een verhoogde doorgang over de touwbaan (door de kap van het dak), die aansluiting gaf op 'Vermeirens wegel', vanuit de 'Straet van den Rinck'. Deze merkwaardige verbinding, duidelijk merkbaar op de kadasterkaart van 1835-'40, vormde een doorbreking van de grootschalige touwslagerij en verhoogde daardoor sterk de bereikbaarheid van de aan
•
Lithografie uit ,,La Belgique Industrielle", 1842. Privé-verzamelingen Vermeire en Le Lis. (Foto P. Somers, R.M.L.Z.) 15
De Ring: zicht op spinnershuisjes (±1800). (Foto afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
weerszijden gelegen gebieden. Dit specifiek omgevingselement vinden we terug op de Popp-kaart van 1858, en zelfs nu nog, in 1982, zij het in een gewijzigde vorm (niet meer overdekt), over een nieuwe en grotere touwbaan, die ter vervanging van de oude, er net naast werd opgebouwd. De plaats van de doorgang is weinig veranderd. De huidige doorgang vertrekt langzaam hellend en versmallend vanuit de Ringstraat, waar hij zo'n 2,5 m breed is en waar er over de helft een metalen borstwering staat; daarna loopt het sterk gesloten pad horizontaal over de touwbaan, doorheen het afgesloten dak en onder een verwarmingskoker, om vervolgens op een reeks trappen uit te geven (vandaar de benaming 'de trapkens'), die verbinding geven met de hoek Baantje-Museumstraat. Deze situatiegerichte doorgang met specifieke belevingswaarde vormt een uniek omgevingselement, dat tevens voor een betere bereikbaarheid zorgt tussen het station en de omgeving enerzijds en het centrum van de gemeente (o.a. 2 scholen) anderzijds. Rond 1856 werd de oude touwbaan grotendeels afgebroken en ernaast heropgebouwd, maar ditmaal veel langer (ongeveer 425 m), breder (zo'n 8 m) en zonder knik. Constructief veranderde er ook heel wat: baksteen verving namelijk leem en hout. Deze touwbanen vormden ongetwijfeld samen met de open spinbanen een zeer karakteristiek element in het 19de-eeuwse (en begin 20ste-eeuwse) Hamme, dit ondanks het feit dat ze meestal vanaf de straat 16
weinig zichtbaar waren. Op dit ogenblik blijven er slechts een paar touwbanen over, volkomen in verval. De ring als 'levende', materiële getuigenis. Bij een rustige wandeling doorheen de Ring is zelfs de leek, mits een weinig voorlichting, getroffen door de welsprekendheid waarmee dit geheel van arbeiderswoningen, burgerhuizen, het kasteel met park en zelfs de open ruimten een 18de- en 19de-eeuwse realiteit verhaalt. Afgezien van toenmalige mensonwaardige toestanden, kunnen bepaalde zichten charmant genoemd worden door de visuele invloed van een architectuur naar menselijke maat. De bouw van de woningen was gespreid over een periode van de 17de tot de 20ste eeuw, met echter een kwantitatief zwaartepunt rond 1800. De 17de-eeuwse uitschieter, nr. 33, bezit een merkwaardig authentiek gevelfront en werd op een verrassende wijze geïntegreerd in een jonger geheel (nrs. 35-37; ± 1800). Het is spijtig te moeten vaststellen dat de 18deeeuwse woning, nr. 7, met een in de oorspronkelijke staat bewaarde gevel en interieur (houten tochtportaal), monumentale schoorsteen met bekleding in Delftse tegels, werd gesloopt en vervangen door een metalen poort. In veel van de woningen vindt men eveneens nog open haarden met uitkragende wangen. Naderhand werden zij door een kleine ingreep omgebouwd tot kachelschoorstenen. Nr. 61, een burgerhuis van ± 1900 in neostijl is met betrekking
tot de Ring het vermelden waard. Zowel wat stijl als wat omvang betreft, verwijst het, samen met de 19de-eeuwse woning in eclectische stijl, gelegen aan het andere uiteinde van de Ring, en met het kasteel 'Van Doorslaer', naar een zeer karakteristieke sociaal-gemengde nederzettingswijze. De nog aanwezige sporen van het touwslagersbedrij f in de onmiddellijke nabijheid van 'Baantje', spreken voor de toenmalige (nu historische) relatie wonen-werken. Uit de geraadpleegde kaarten, kadastrale plannen en leggers blijkt dat de huidige structuur in de 2de helft van de 18de eeuw reeds gedeeltelijk aanwezig was. Het is in deze zin interessant dat hier de overgang tussen pre-industrieel en industrieel tijdperk analyseerbaar is. Er is aan de Ring ook nog een zuiver historische betekenis verbonden. Zo woonden er beroemde figuren of werden zij er geboren: bvb. de minderbroeder Liévin, auteur van de veelvertaalde „Indicateur de la Terre Sainte", PieterJan Cornelissen, aanvoerder van de Boerenkrijg (1798), Pieter Vermeire (+ 1900), volksvriend, schepen van St.-
HISTORISCHE
KAARTEN
Niklaas en medeoprichter van het „Genootschap voor taal en kunst" waarin ook H. Conscience actief is geweest. Dit alles maakt van de Ring een uiterst waardevol industrieel-archeologisch, geografisch-architecturaal, historisch en menselijk document. Vandaar werd de noodzaak aangevoeld om dit gebied, omwille van het algemeen belang, voor bescherming voor te stellen. Hierbij dient duidelijk verstaan te worden dat niet enkel een kostenbatenanalyse op basis van de vergelijking kostprijs nieuwbouw / kostprijs vernieuwbouw het lot van dit belangrijk monumentaal geheel mag bepalen. Ook de louter socioculturele en maatschappelijke waarde — moeilijk in een munteenheid uit te drukken — moet hier bepalend zijn. Een toekomst voor ons verleden. Waar men vaststelt dat in 1972 slechts 2% van de staatstoelagen voor de verbetering van 'verbeterbare ongezonde woningen' werd toegekend, beschikken wij nu over meerdere intentieverklaringen van de hogere overheid inzake de
£33
b
,bouwln8
WBl.r
Evolutie van de bebouwing op basis van kadasterplannen (Tekening: Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
17
Geaquarelleerde tekening naar historische kaart van 1775 uit Gemeentelijk Archief Hamme. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
prioriteit voor vernieuwbouw. Er is op dit vlak dan ook een belangrijke evolutie te bespeuren. Meer en meer gemeenten en sociale-huisvestingsmaatschappijen maken inderdaad realistische gevolgtrekkingen uit een aantal rechtstreekse of onrechtstreekse wettelijke schikkingen die het huisvestingsbeleid trachten om te buigen tot een streven naar meer 'welzijn'. Hierin spelen verschillende factoren een rol. Die gaan van de wil tot een spaarzaam gebruik van onze bodem (inbreiding) over de versoepeling van de subsidiëring voor vernieuwbouw tot het inspelen op de vraag van de publieke opinie om respect voor onze gebouwde omgeving. Waar het gaat om een site met een door de gemeenschap erkende monument-waarde, zoals dit met 'De Ring' het geval is, zou redelijkerwijze en na inzage van deze studie geen twijfel mogen bestaan omtrent de toekomst ervan. Het behoud en de renovatie van deze belangrijke historische getuigen zijn noodzakelijk met het oog op de vrijwaring van het historisch bewustzijn van onze gemeenschap en zijn daarenboven sociaal volkomen aanvaardbaar voor de huidige en toekomstige bewoners. Ook als financiële operatie liggen de zaken gunstig. (12) Wij drukken dan ook de hoop uit dat de betrokken instanties en personen bereid zullen gevonden worden om voor het behouden en herwaarderen van de Ring te opteren. In het verleden is gebleken dat de Ring het slachtoffer dreigde te worden van het gebrek aan een gefundeerde optie. Men wachtte niet enkel het verval van deze 'krotten' af maar de systematische krotverklaring van leegstaande
woningen ontmoedigde tevens de eigenaars om hun onderhoudsplicht te vervullen. De studie van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg wil nu een beleid terzake stimuleren.
Bestaande toestand
Situatieplan Hamme ten opzichte van de provincie (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
Het kasteel van Hamme, R.M.L.Z.)
anno
1731. (Schets afd.
Architectuur,
Oost-Vlaanderen.
De sociale, demografische en historische verschijningsvorm van 'De Ring' en haar omgeving zoals beschreven in voorgaand hoofdstuk, is slechts een facet van het totale vooronderzoek naar de bestaande toestand. Dit onderzoek verliep gelijktijdig op verschillende niveaus. Naast een feitenanalyse, het fotografisch en metrisch vastleggen van de gegevens, werd een zo grondig en objectief mogelijke beoordeling gemaakt van de bouw- en woontechnische kwaliteiten en van de aanwezige uitrustingen in de panden. Om tot een dergelijke werkwijze te kunnen overgaan, was het noodzakelijk op de medewerking van de bewoners te kunnen rekenen. Daarom werd voorafgaandelijk aan alle bewoners een brief gestuurd, waarin de huisbezoeken aangekondigd werden. Het opmetingswerk verliep in 2 fasen: de opname van de gevels door middel van foto's en schetsen, en in tweede fase de opmeting van interieurs, plattegronden, aanduiding van hoofdmaten en functies per vertrek van de meest bedreigde panden. 19
y-
^
hoek
,
.
/—(r^
I
nn n ^ innnnmnnn
*-*-T'^W:3rt1__t
DE RING
0
fe^rrn kerkstraat - huisnummer
nnnRRmnffinajia.in-
\Vr
22
-Oimmmi
ffl n m m n ra
l'EaBfl'O huisnummers
i
5
•
*
&
•
nr in
huisnummers
T^nrTTT
I
M
20 tot 14
3
ffl
D
ffl ffl ffl n
n
n m TTS a
•m
»jrfr
12 tot 2
Straatbeeld 'De Ring': even huisnummers (opmetingen en tekening: Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
Opname van de bouw- en woontechnische situatie Door middel van een werkfiche werden de verschillende aspecten van de bouw- en woontechnische situatie opgenomen. Aan de hand van eigen observatie en aanwijzingen van de bewoner in kwestie was het mogelijk een lokalisatie te maken van de belangrijkste technische gebreken. Hoewel de meeste woningen heel netjes onderhouden worden, is de ontmoediging bij de bewoners groot wat betreft de uitwendige zorg. Hier zijn vochtinsijpeling en opstijgend grondwater de grootste verwoesters. Over het algemeen mogen wij echter stellen dat de bewoners tevreden zijn omwille van de lage huurprijzen en de mogelijkheid deel te 20
nemen aan het buurtleven. Als dit wegvalt, blijft het rusthuis voor de bejaarden de enige uitweg. Een enquête-formulier werd opgesteld naar het voorbeeld van soortgelijke studies in Vlaanderen. (13) Ondertussen echter hebben wij kennis genomen van andere methodes die minder omvangrijk zijn en waar het op kortere tijd mogelijk is vast te stellen welke de kostprijs zal zijn om een woning te renoveren. (14) Deze methode is gebaseerd op een vlugge observatie van het verval van de ruwbouw, de gevel, de algemene (verwarming) en bijzondere (badkamer,...) uitrusting. Die graad van verval wordt uitgedrukt in een aantal punten voor een dertigtal criteria die op een diagnose-steekkaart vermeld
rx
I
< M .
ffl m FR FR ffl m ttf m m DE
RING
hoek
slangstraat -
huisnummers
1 tot 9
^
^s u±.
Qi^sSJL^èSÈ^ huisnummers
11 tot
17
.0
0
0-
-O-
ZUU
ffnfffflEM huisnummers
19 tot 59
huisnummers
61 tot
65 - hoek
hoogstraat
Straatbeeld 'De Ring': oneven huisnummers (opmetingen en tekening: Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
staan. Dit geeft een algemeen beeld van de staat van de woning, een beeld dat omgezet wordt in cijfers en in een kostenraming voor eventuele vernieuwingswerken. Wij noteren echter dat die methode geen rekening houdt met 3 factoren. — functionele verbetering van de woning. — architecturale of historische waarde van het gebouw. — de te vrijwaren sociale structuur. Om een totaal overzicht te krijgen van het probleem moeten deze verschillende criteria samen in beschouwing genomen worden. Bij het toetsen van de woontechnische situatie kwamen als belangrijkste punten naar voor: de aanwezigheid van buitenruimte, het aantal woonvertrekken, de
natuurlijke verlichting, verluchting en bezonning. Gegevens met betrekking tot de bouwtechnische situatie werden onder volgende omschrijvingen geformuleerd: onderzoek naar de stabiliteit van de verschillende bouwonderdelen, eventuele vochtigheid of andere technische gebreken. Als derde en laatste luik noteren wij het onderzoek van de uitrustingen in de behandelde panden: aanwezigheid van sanitair, keuken, riolering en verwarming. Al deze gegevens werden in een tabel samengevat en toegelicht. Zij zijn van primordiaal belang geweest voor het opstellen van de typologie van de onderzochte panden, het bepalen van minimale en maximale ingrepen, het aanpassen van het wooncomfort en het opmaken van een kostenraming. 21
I
I HUISVESTING
f
1 ONDERWIJS
E 3
OPENBARE DIENSTEN
•
HANDEL , HORECA
f~1 |
NIJVERHEID | SOCIO-MEDISCHE ZORGEN 50
100
150
200
250M
De functie van de bebouwing in Hamme. Tekening naar kadasterplan van 1975. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
Hierbij willen wij nog vermelden dat normen die leiden tot het ongezond verklaren van woningen ten sterkste variëren afhankelijk van de personen en de instanties die ze hanteren. Aldus is het mogelijk tot situaties te komen, waar nogal vlug overgegaan wordt tot krotverklaring en, als direct gevolg daarvan, sloping van de onderzochte panden. In dit opzicht achten wij het belangrijk de nadruk te leggen op het feit dat hier ook andere dan louter bouwtechnische kwaliteiten een rol spelen. Hierbij denken wij vooral aan de sociale functie van de straat, het welzijn van 22
de huidige en toekomstige bewoners,de aanpassingen en veranderingen die daarmee gepaard gaan, en tenslotte de historisch waardevolle elementen. In deze context verwijzen wij naar de brochure „De derde dimensie voor een woonbeleid", door hoofdir. directeur Marcel Franssen van de N.I.H., waarbij renovatie en inbreiding als een sociale, functionele en visuele integratie beschouwd worden. Hieruit volgend citaat: ,,De doorlopende verbetering van het bestaande gebouwen-patrimonium, is men niet alleen gaan erkennen
als een niet langer te ontwijken ekonomische noodzaak, maar ook als sociaal wenselijk, om het buurtleven niet ten onder te laten gaan in de vicieuze cirkel van vergrijzing, verkrotting, gettovorming, kaalslag en nieuwbouw.(...) Het inpassen van een bouwproject in een reeds gedeeltelijk bezette zone, vergt een heel aangepast beleid, een administratief instrumentarium voor grondverwerving, het bouwrijp maken, het aanpassen van het bouwprogramma aan de behoeften en mogelijkheden van de buurt, het ontwerpen van plannen in funktie van de reeds bestaande en te behouden elementen." Beleidsonderzoek Daarmee zijn we gekomen aan het cruciale punt van het te voeren beleid. De studie van de Ring had tot hoofddoel voldoende informatie te verzamelen om tot een verantwoorde beleidsbeslissing te komen. Na de acties die de buurtgroep 'Het Klokhuis' in Hamme gevoerd heeft, is het belangrijk — met het oog op de herwaardering van de Ring — om het onderzoek ter tafel te brengen opdat de politici en de bevolking gezamenlijk tot een formulering kunnen komen van haalbare oplossingen. Nochtans is deze studie slechts een hulpmiddel op deze weg. Zij kan gebruikt worden naargelang de besluiten van het onderzoek passen binnen de uitgangspunten van het beleid. Het oplossen van problemen van financiële, juridisch-administratieve en architecturaal-technische aard blijkt dus vooral een politieke keuze te zijn. Het is de bedoeling dat de studie een inzicht levert in de belangrijkste knelpunten waarmee het gemeentelijk beleid zal worden geconfronteerd en in de organisatorische consequenties daarvan. Alles staat of valt bij een beleidsbeslissing. Al is het onderzoek verantwoord en leidt het tot uitvoerbare conclusies, dan kan de opdrachtgever of uitvoerder het nog altijd naast zich neerleggen.
Renovatieontwerp Typologie Wanneer men het gebruik van oude waardevolle gebouwen verandert of aanpast aan de eisen van onze samenleving, kan de samenhang en de typologie van dit gebouw in het gedrang komen. Daarom is het noodzakelijk dat de evoluties en transformaties van de verschillende types onderzocht worden en aangepast aan de oorspronkelijke verschijningsvorm van het gebouw. Tussen de nieuwe functie en de typologie van het te renoveren of te restaureren gebouw zal een samenhang gezocht dienen te worden. Het is noodzakelijk dat de elementen die het bestaan van het pand uitmaken vastgelegd en bepaald worden. Deze vaststellingen liggen aan de basis van het zoeken naar mogelijke oplossingen van transformaties, het bepalen van circulaties en uitbreidingen en het afwegen van hedendaagse ingrepen t.o.v. de oorspronkelijke typologie en zijn transformaties. De genomen opties zijn een rechtstreeks gevolg van het typologisch onderzoek. Hierin hebben wij geprobeerd ons standpunt te preciseren en te definiëren, en
aan de hand van prioriteiten te beantwoorden aan de vooropgestelde criteria. Opties De Ring fungeert tot op vandaag als typische woonstraat. Naast de kleinere arbeiderswoningen van de 17de en 18de eeuw treffen we er de ruimere burgerhuizen aan. De kasteelmuur die het park van het kasteel afsluit, bepaalt mede het specifieke karakter van de Ring.
'Hel Baantje', smalte verbindingsweg lussen de Ring en de Museumslraal (17de-18de eeuw). (Foto afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
23
TYPOLOGIE :
HOOFDGEBOUW
t y p e ui publieke zone
type i private zone -niet toegankelijk —gestoten
1
private zone - 1 kamerbreedte
-gesloten met "licht" geen zicht
K
private zone -
-open publieke zone 1
1
< 1
semi publieke zone
1
I 1 1 1
open of gesloten
•'
L__ll
in
-open
1
llllllllllll
/
\
-open private zone
1
iL-J
1
1
Il
!
'\ L
2 kamerbreedte
open
-gesloten semi publieke zone
gesloten uitbreiding 1
D
V
open
1
type iv
IS-
private zone
i
uitbreiding 2
1
1
semi publieke zone (+bijgebouw.
I
t y p e ii
-open
1
private zone-niet toegankelijk gesloten semi private zonel+bijgetouw.) -gesloten met doorgang
• ,'
private zone - 2 kamerbreedte
-open publieke zone
^M
private zone - 1 kamerbneedte 1 gesloten
-open publieke zone
i
i
i i
D
>
I" !
n
^^
r -i
open *— "7
gesloten open
A
1
i
!
r-!|
j ;i
^
open
u-i
i
uitbreiding 1
^U. J
• •
gesloten open ^ open
i i^.
24
uitbreiding 2
_
type
v private zone (bij^bouwai)
J
private zone 2 kamerbreedte
DmD
r
open
tijdelijk
MATERIALEN : hout -
-open publieke zone
gesloten
met
A. AFDAK LUIFEL
-open
- ¥*
t y p e 2 : uitbreiding karakter
a^
golfplaten
B. LESSENAARSDAK
ander
of
plaaimateriaal
1 4
h415
p r i v a a t - niet toegankelijk —gesloten private zone 2 kamerbreedte
TYPOLOGIE : AFSLUITINGEN t y p e 1 : HARDE AFSLUITINGEN met definitief karakter "TTI I I I I I I I I II I I I I I 1 I I I IL I I 11 i
-open publieke zone
muren met penanten, afgedekt pannen
met
t y p e 2 : HARDE AFSLUITINGEN met tijdelijk karakter
TYPOLOGIE : BIJGEBOUWEN t y p e 1 : uitbreiding met definitief karakter
betonplaten tussen betonpalen
A. ZADELDAK type
stalen hekwerk
3 : ZACHTE AFSLUITINGEN met tijdelijk karakter
MATERIALEN ; B. ZADELDAK
ALLEENSTAAND
baksteen •_ pannendak . roofing
of
zinken dak
betonpalen met geplastificieerde of gewone metaaldraad type 4
: ZACHTE groen
houten of betonnen palen met metaaldraad
AFSLUITINGEN
25
Dit stratenpatroon dreigt door sloping en private initiatieven totaal te verdwijnen. Daar de ingrepen die tot nu toe gebeurd zijn nog beperkt zijn gebleven tot enkele pijnlijke hiaten in de straat, is het de hoogste tijd dat er initiatieven in de goede richting genomen worden. Rekening houdend met de omvang van het onderzoekswerk, werd beslist vooral het ontwerp voor de meest bedreigde woningen uit te diepen, wat niet betekent dat de andere panden in het totale straatbeeld een minderwaardige rol zouden spelen. De waardevolle woningen met historisch karakter behielden wij als basisgegeven voor de natuurlijke groei en de inbreiding van de Ring. Omdat vooral deze kleinere panden door onbestemdheid en onbewoonbaar-verklaring dreigen te verkrotten, was het vooral noodzakelijk hiervoor voorstellen uit te werken. Als tweede punt in het renovatie-ontwerp stellen wij het herstel van het typische stratenpatroon, en het herstel van de Ring als woonstraat in relatie tot het centrum van Hamme, met als vertrekpunt de bestaande bebouwing. De specifiek gegroeide toestanden in de Ring blijven behouden en worden benadrukt, zo dat het woonmilieu niet bruusk verandert maar evolueert naar de vernieuwde toestand. Zo worden naast de bestaande ontmoetingsplaatsen een aantal publieke voorzieningen gecreëerd die hierop gedeeltelijk inspelen. Met deze uitgangspunten sluiten wij aan bij de richtlijnen en beoordelingscriteria m.b.t. de subsidiëring van dorpsontwikkelingsprojecten. De projecten die hiervoor in aanmerking komen, moeten de leefbaarheid van de plaatselijke leefkernen blijvend bevorderen. Onder plaatselijke leefkernen wordt verstaan: een plattelandsstreek, een landelijke gemeente, een deelgemeente, een dorp, een buurt, een wijk of straat. De initiatieven van de ondergeschikte besturen kunnen in aanmerking komen voor een subsidie van 65%, in de mate dat zij aansluiten bij de geest van wat volgt: a) kleinschalige projecten gegroeid vanuit de eigenheid van de plaatselijke situatie en behoeften; b) vanuit de betrokkenheid van de plaatselijke bevolking tot stand gekomen; c) het lokale gemeenschapsleven bevorderend; d) kaderend in een globaal en geïntegreerd pakket van dorps- en streekontwikkeling. Bij wijze van voorbeeld, kunnen volgende projecten duidelijker de richting aanwijzen: a) werken nodig voor het functiebehoud van of het scheppen van een nieuwe functie voor de bestaande infrastructuur. In het kader van de blijvende dienstverlening op administratief vlak, kunnen de gemeentelijke diensten verspreid worden over de bestaande infrastructuur. b) werken nodig om de dorpskern verkeersarm te maken, veiliger voor fietsers, voetgangers, spelende kinderen en kuierende bejaarden, en zo bij te dragen tot een rustige leefkern waarin de mens belangrijker wordt dan de auto. c) werken die de dorpskern tot een woon- en leefkern maken zoals bijvoorbeeld de herindeling van het dorpsplein met aangepaste groenvoorziening, de nodige speelruimte en het voorzien van een aangepaste verlichting, zithoekjes, enz.. 26
d) werken nodig voor het herstel en het behoud van een sfeervol dorpsgezicht met landelijk karakter.
Deelontwerpen De Ring, in haar huidige verschijningsvorm, is vooral bewoond door-bejaarden, alleenstaanden en jonge immigranten-gezinnen. Zij zijn de belangrijkste schakel voor de toekomst van deze buurt, haar groei en vernieuwing. Na de renovatie is het de bedoeling dat zij als eersten de kans krijgen hun oorspronkelijke woning opnieuw te betrekken. Daar op het ogenblik verschillende panden leegstaan, kunnen die als tijdelijke opvangwoningen fungeren. Doch onze aandacht gaat niet alleen uit naar de huidige bewoner; voor de 'onbekende' toekomstige bewoner moet het eveneens mogelijk zijn om zich dit buurtleven eigen te maken. Een aantal panden worden samengevoegd tot grotere woningen, om aldus voldoende diversiteit te bekomen in het woonvolume. Deze zal afhankelijk zijn van de plaatselijke vraag naar huisvesting voor jonge gezinnen, bejaarden, alleenstaanden of anders validen. In dezelfde optiek onderscheiden wij bij het ontwerp stappen van minimale naar grondige vernieuwing. Dit is noodzakelijk om ook in de eventueel vooropgestelde huurprijzen voldoende variatie te krijgen. Het is belangrijk dat voor een aantal woningen deze prijzen gedrukt worden en aangepast blijven aan het kleine pensioen of de inkomens van de betrokkenen. Tijdens de enquête is het ons opgevallen dat vele zolders onbenut blijven. De belangrijkste oorzaak hiervan is de aanwezigheid van zeer steile trappen die zelfs voor jonge personen een gevaar betekenen. De noodzaak om deze laddertrappen te vervangen dringt zich op. In het ontwerp gebeurde dit en het stelde ons in de gelegenheid om van alle zolders woonzolders te maken. De typologie van de meeste woningen lag echter ook aan de basis van deze verticale inbreiding. Daar we hier te maken hadden met hoofdzakelijk langwerpige L-kamertypes konden nooit meer als twee panden samengevoegd worden. Naast deze structurele ingrepen, werden alle ervaringen aangepast aan de huidige eisen van wooncomfort. Het vernieuwen van de keuken, het voorzien van een douchecel, de aansluitingen op waterleiding, elektriciteit en riolering waren zowat de belangrijkste ingrepen. Om economische redenen werden de sanitaire installaties per woning zoveel mogelijk gegroepeerd, werden alle zolders geïsoleerd en is iedere woning voorzien van een tochtsas. Uit de typologie is gebleken dat wij een onderscheid dienen te maken tussen hoofdvolumes en bijgebouwen die mettertijd aan de woningen toegevoegd werden. Deze bouwwerken uit 'minderwaardige' materialen treffen wij vooral aan, waar bij gebrek aan buitenruimte, expansie noodzakelijk was. In het ontwerp hebben wij ernaar gestreefd de hoofdvolumes in hun vorm en geest te respecteren. Bij uitbreiding van de bestaande woningen, werd er doelbewust naar gestreefd een duidelijk onderscheid te maken tussen oud en nieuw via materiaalgebruik, kleur en volume.
De omgeving De hierboven aangehaalde volumes bepalen immers het totaalbeeld van de straat, het gabariet, het straatperspectief, de korrelgrootte en de schaal. In dezelfde zin hebben wij getracht de bestaande woonstructuur, in de gradatie „private, semi-publieke en
BESTAANDE
publieke ruimte" te respecteren. Via semi-publieke terreinen wordt de link gelegd naar de straat en de gemeenschappelijke voorzieningen. Elke woning heeft in de mate v a n het mogelijke een private uitbreiding naar buiten, Daar de Ring op verschillende plaatsen te smal is om voetgangers en mechanisch verkeer in gescheiden bedding (geasfalteerde rijweg + verhoogd voetpad) te laten verlo-
TOESTAND-WONINGTYPE 3
• %v^ AF TE BRfKEN
TE BfHOUOEN
VOORSTEL TOT
RENOVATIE
GELIJKVLOERS TUINGEVEL 6
8
10M
"—'"Wi
ir
S
ffl ps
VERDIEPING
DOORSNEDE
STRAATGEVEL
Deelontwerp woningtype 2. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.) 27
BESTAANDE
TOESTAND-WONINGTYPE 3 1
•T"
1 ' 1
c
I*, .*!
DOORSNEDE
VOORSTEL TOT RENOVATIE ;ÏD;J IJ
- rcnl
KEUKEN
—
»
30C '.gO,
SLAP€N
m
WU ' r
-
-r
1 El
GHIJKVIC
-
1
f - -r ---
SERGiMG
ZS
ERS
iSffl^ 3
. - •• ...1
M
StRGING
..
s
BERGING
"tr 1 . : ,1 1 ! - 1 • » ; J i . M J fOUl t • J-.i:'
225
'1 1
VERDIEPING
Deelontwerp woningtype 3. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
pen wordt voorgesteld alles op hetzelfde niveau te brengen met afwatering naar de as van de straat. De bestrating wordt zo opgevat dat de vorm, de structuur en de kleur van de gebruikte materialen, het verkeer enigszins in goede banen zouden leiden. Daar op de spitsuren de straat overwegend gebruikt wordt 28
door fietsende kinderen bleek het nodig het mechanisch verkeer via verkeersdrempels af te remmen, daar waar belangrijke knooppunten ontstaan waren, d.i. bij in- en uitritten van de school, bij de parking en de woonerven. De mogelijkheid tot parkeren in de Ring moet bewaard blijven om de straten in de omgeving niet over te belasten.
-a
0 m
•
^
2
4
6
8
10M
^
n GEVEl
IN
BAANTJE
n
QT teMÉ
0 fa.
F Fr OlVtl
OP
p3CD i
rr
PD
rr 11
r*i
r
«INNINKOtR
Deelontwerp woningtype 3. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
om de bewoners toe te laten hun woning gemakkelijk te bereiken, omwille van de aanwezigheid van postgebouw en winkelcentrum in de directe omgeving en opdat mensen van buiten de buurt ook zouden kunnen deelnemen aan manifestaties binnen de Ring. Deze parkeerfunctie blijft wel op schaal van de straat.
Om het woon- en leefmilieu compleet te maken en een echte woonstraat te creëren, wordt via publieke voorzieningen aan de bewoners de kans gegeven, elkaar in daarvoor voorziene ruimtes te ontmoeten; in de speelweide, gemeenschappelijke lokalen en praatplaatsen. Hierbij zal als derde en laatste element de groenaanleg een 29
belangrijke rol spelen, ter verlevendiging van de gevels en de open ruimten, en ter aanvulling van het bestaande groen. Aldus hopen wij de straat af te stemmen op een levendig gebruik door alle bewoners.
Kosten-batenanalyse Bij het doornemen van een dergelijke studie wordt doorgaans vlug naar de realiseerbaarheid ervan gevraagd: wat is de kostprijs? Hoe kan dat betaald worden? Deze studie zou ons inziens dan ook onvolledig zijn zonder een uitgewerkte kosten-batenanalyse. In het hierna volgende deel wordt de kostprijs van dit type ontwerp berekend, waar-
Renovalieonlwerp en ontwerpinfrastructuur
30
naast ook enkele financierings- en subsidiëringsmogelijkheden nader bekeken worden. Kostenraming woningen. Leidraad van de raming. N.a.v. de nieuwe functie van de zolders als slaap- en badkamers worden de daken vernieuwd en geïsoleerd. De pannen en gordingen worden afgenomen met het oog op recuperatie. De goede spanten blijven behouden in situ. Vermits de huidige zoldering wat te licht uitvalt en omdat er toch nogal wat vertimmeringen zullen moeten gebeuren (alle trapgaten vergroten, want er komen overal nieuwe trappen — de bestaande zijn erg smal en steil —), worden de volledige zoldervloer en roostering en moerbalken gede-
de Ring. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
monteerd, nagezien, herplaatst en, waar nodig, aangevuld. Gezien de minder goede toestand van de muren in verband met de vochthuishouding, worden in deze sanering alle muren in aanraking met de grond onderkapt en voorzien van een scherm tegen opstijgend vocht. Bovendien ondergaan alle gevelmuren een grondige reiniging van verven en dergelijke, alle voegen worden uitgekapt en terug opgevoegd en er komt opnieuw een beschermlaag op volgens de bestaande toestand: wit geschilderde muren en zwartgepikte plinten. Het ontbreken van een hygiënisch rioleringsnet noodzaakt tot een nieuw afvoersysteem, dat collectief per blok wordt opgevat. Alle straatgevels krijgen een dakgoot. Het hemelwater loopt naar de bestaande regenputten die geherwaardeerd worden; er wordt tevens
voor de nodige pompen gezorgd. Vermits deze werken gepaard zullen gaan met veel breek- en graafwerk opteert men voor het volledig vernieuwen van de stenen bevloering, wat tevens toelaat een isolerende ondervloer met vochtscherm te plaatsen. Het buitenschrijnwerk dient nagekeken, zonodig hersteld of helemaal vernieuwd (zoals bv. alle metalen ramen). Overal, behalve in bergingen en in nieuw ontworpen wintertuinen (serres) en tochtportalen, komt er dubbel glas. Naar schatting kunnen ongeveer de helft van de bestaande raam- en deurdorpels bewaard blijven. Wat betreft het binnenwerk: alle binnenmuren worden volledig tot op de blote steen afgekapt zodat scheuren en dergelijke aan het licht komen. Na herstellingen bepleistert men al deze muren. Het binnenschrijnwerk
bestrating '•'iKKl klinkers + kasseien verkeersdrempel
31
zal op enkele te recupereren binnendeuren na, nieuw zijn. Nutsvoorzieningen: elektriciteit, waterleiding en gas worden volledig herlegd. Elke woning is voorzien van een baddouche, een W.C., een lavabo en een keukenuitrusting (gootsteen en kasten). Gasboilers zorgen voor warm water, behalve in de vergrote woningen nrs. 14-20, waar een mini-centrale-verwarmingsinstallatie tevens het warm water levert.
Vergelijkende tabel. — In het volgende deel worden, voor elke blok afzonderlijk, de vierkante meters nuttige oppervlakte en de kubieke meters volume berekend: dit voor het gedeelte woning en voor het gedeelte berging. De oppervlakte van de gemeenschappelijke buitenaanleg en individuele tuinen en tuintjes worden in de tabel geplaatst. — Een volgende stap is het omrekenen, per blok, van de in de vorige tabel bekomen eindresultaten (blok I t.e.m. III) tot eenheidsprijzen per vierkante en kubieke meter, (de m2 en m3 berging worden slechts voor 2/3 in rekening gebracht; we mogen immers vooropstellen dat de kostprijs per m 2 of per m3 berging in diezelfde verhouding ' 2 / 3 ' ligt t.o.v. de kostprijs voor de woningen ; de gemeenschappelijke buitenaanleg wordt niet in de oppervlakte-berekening aangerekend).
Prijsbepaling. In een eerste gedeelte wordt de kostprijs geraamd voor drie woningblokken (blok I: nrs. 2 tot 12 type 1, blok II: nrs 14 tot 20 type II en blok III: nrs. 41 tot 51 type III) uitgaande van nauwkeurig gemeten hoeveelheden en recente eenheidsprijzen (zomer 1981). De hiernavolgende tabel 1 is hiervan een samenvatting.
Renovatieschema
Blok 1 nrs. 2 t / m 12 (type 1)
Blok II nrs. 14 t / m 20 (type II)
Blok III nrs. 41 t / m 51 (type III)
Blok IV nrs. 19 t / m 25 (type IV)
Blok V nrs. 27 t / m 31 (type IV)
Blok VI n r s . 33 t / m 37 (type IV)
Blok VII nr. 9 (type V)
6 - ) 5 woningen
4--)4 woningen
6 - ) 4 woningen
4 - ) 3 woningen
3 - ) 3 woningen
3 - ) 2 woningen
1 -)1 woning
per blok per won. per blok per won. per blok per won. per blok per won. per blok per won. per blok per won. per blok per won. 2
368
74
334
83
292
73
247
82
251
84
185
92
129
129
2
(m )
44
9
12
3
48
12
24
8
24
8
24
12
35
35
Gemeenschappelijke buitenaanleg (m 2 )
—
—
242
60
157
39
70
23
110
37
55
27
—
—
Woning
(m )
Berging
Individuele tuin Woning
2
—
—
155
39
—
—
226
75
210
70
220
110
179
179
3
1.007
201
1.004
251
862
216
555
185
781
260
462
231
363
363
3
200
40
41
10
168
42
lil
37
lil
37
73
36
108
108
(m ) (m )
Berging
(m )
per blok
per blok
per blok
per blok
per blok
per blok
per blok
In rekening gebrachte hoeveelheid (m 2 )
397
342
324
263
267
201
152
(m')
1.140
1.031
974
629
855
511
435
Prijsberekening: 4.758.965
6.856.505
4.188.295
Prijs per m
2
11.987
20.048
12.927
14.000
13.000
13.000
13.000
Prijs per m
3
4.175
6.650
4.300
5.300
4.300
4.300
4.400
4.758.965
6.856.505
4.188.295
951.793
1.714.121
1.047.074
Totaalprijs
G e r a a m d e totaalprijzen Prijs vernieuwde woning
(*) Deze totalen zijn het gemiddelde van de p r o d u k t e n (eenheidsprijzen per m
Gebaseerd op de prijzen voor blok I, II en III
2
3.507.850(*)
3.573.750(*)
2.405.150(*)
1.945.000(*)
1.169.283
1.191.250
1.202.575
1.945.000
en per m
3
x respectievelijk aantal m
2
3
en m ) .
Dit zou voor het geheel der woningen een totaalsom van 27.235.515 fr. betekenen ( B . T . W . niet inbegrepen). Rekenen we d e B . T . W . (17%) d o o r d a n b e k o m e n w e : Prijs per m 2
14.025
23.450
15.125
15.960
15.210
15.210
15.210
3
4.885
7.780
5.031
6.201
4.945
4.945
4.945
Totaalprijzen per blok
5.567.989
8.022.1II
4.900.305
4.404.185
4.181.288
2.814.026
2.275.650
Prijs vernieuwde woning
1.113.598
2.005.528
1.225.076
1.368.062
1.393.763
1.407.013
2.275.650
Prijs per m
of een totaalsom van 31.865.553 fr. ( B . T . W . inbegrepen)
Tabel I: vergelijkende koslenraming van drie woningblokken. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
32
— De zo becijferde eenheidsprijzen, per m2 en per m 3 , worden vergeleken met en toegepast op de overige woonblokken (blok IV t.e.m. VII) teneinde ook voor die totaalprijzen te bekomen, (zie tabel 1).
Het totale subsidiëringspakket kan, benaderd vanuit de verschillende invalshoeken, als volgt gestructureerd worden: (voor éénzelfde werk kan er slechts 1 maal gesubsidieerd worden). Infrastructuur. Kostenraming infrastructuur Door het Bestuur voor de Huisvesting wordt een subsidie tot 100% verleend voor de infrastructuurwerken bij Leidraad van de raming. Als gevolg van de genomen opties in verband met de her- groepsbouw (minimum 15 gesaneerde woningen in groepswaardering van 'De Ring' als woongebied, worden de verband). Tot 100% : d.w.z. dat deze subsidie afhankelijk hierna volgende infrastructuurwerken voorgesteld. (Het is van het aantal woningen in het desbetreffende gebied. In omschreven gebied behelst de Ring over een afstand van het project 'De Ring' kunnen we voor deze werken een ± 175 m, namelijk vanaf 10 m vóór de ingangspoort van percentage van 50% in aanmerking nemen. het Sint-Jozefinstituut tot 10 m voorbij de in- en uitrit van De infrastructuurwerken omvatten: het Heilig-Hartinstituut, de parking van ± 710 m2 en het — openbare riolering en watervoorzieningen, baantje over een lengte van ± 30 m tot aan de speelweide). — bestrating, voetpaden, openbare verlichting, beplanHet rioleringsnet wordt vernieuwd. ting, woonomgeving. Restauratie De bestrating wordt deels herlegd (voetpad), deels vernieuwd (rijweg: betegeling op zelfde niveau als voetpad in Er worden subsidies toegekend voor instandhouding van en restauratiewerken aan beschermde monumenten. Deze plaats van asfalt). De bestaande parking krijgt een verharding: ±710 m2 subsidies worden verleend door de staat, de provincie of 'grasdallen' in beton. Er komen eveneens 4 carportgarages de gemeente. en voorzieningen voor fietsenstalling. Het baantje wordt Aanleg van publieke ruimte. aan weerszijden opengemaakt naar de speelweide: het Door het bestuur der gesubsidieerde werken wordt een toewegdek wordt tot daar eveneens hernieuwd. De openbare lage van 60% verleend voor het aanleggen van voorzieninverlichting wordt aangevuld op parking en baantje. De gen m.b.t. de cultuurhistorische en functionele herwaardeladderschuur van het kasteel wordt naar 'De Ring' toe ring van de stad, het dorp en het platteland. De hiervoor in opengewerkt en omgevormd tot een gemeenschapsruimte aanmerking komende werken zijn: wegenaanleg (bovengronds), voetpaden, openbare verlichting, beplanting, voor de buurt. gemeenschapsruimtes, openbare parking, publieke garaPrijsbepaling: ges,... en riolering indien er een plan op gemeentelijk In de hierna volgende tabel wordt bij de prijsberekening niveau bestaat. De bindende voorwaarde is dat de gecijferd met recente eenheidsprijzen. Wat de wegen wer- gemeente deze werken uitvoert. De gemeente krijgt bovenken betreft, wordt als eenheidsprijs het gemiddelde aange- dien 30% toelage voor de aankoop van gebouwen bestemd houden van 3 pas beëindigde gelijkaardige projecten. voor gemeenschapsruimtes. Herwaarderingsgebied. Eenheids2 m /lm Totaal prijs Als het beschouwde project in een door de dienst voor stedebouw erkend en goedgekeurd herwaarderingsgebied 110m2 1. Gemeenschapsruimte 12.000/m 2 1.320.000 ligt, kunnen verkregen worden: 70 m^ 180.000/stuk 2. Carport-garages: 4 stuks 720.000 — indien de gemeente tot het totale project zou overgaan: 3. Wegenwerken De Ring — 60% van de totale verwervingssom van grond en — riolering + waterbedeling 11.000/lm 1.925.000 175 lm gebouwen. 2 2 — bestrating + inrichting 3.500/m 4.485.000 1.282 m — 60% van de totale som gebruikt voor de verbetering 4. Wegenwerken het Baantje van het woningbestand. — herleggen wegbedekking 80 m 2 800/m 2 56.000 — 60% van de totale som gebruikt voor het aanleggen 5. Parking aanleg 710 m 2 1.200/m2 852.000 van de woonomgeving. — indien private eigenaars binnen dit gebied overgaan tot Totaalprijs inclusief B.T.W.: 9.358.000 fr. sanering: Tabel II: kostenraming infrastructuur. (Afd. Architectuur, R.M.L.Z.) — 30% van de kosten voor de werken aan gevels en daken, met een max. van 200.000 fr. per woning. Premies en toelagen. — indien een erkend vennootschap de zaak zou beharBij het berekenen van mogelijke subsidiëringen kunnen we tigen : 3 gevallen onderscheiden: — 30% van de kosten voor de werken aan gevels en — de woningen blijven in privé-bezit (huidige of daken. nieuwe eigenaars) en worden door de eigenaars zelf — een bijdrage in de verbeteringswerken ter grootte gerenoveerd. van het verschil tussen aankoopsom + verbeterings— de gemeente koopt de woningen en de gronden aan en werken, en de venale waarde van de woningen na renoveert het geheel. de werken. — een sociale-woningbouwmaatschappij koopt de woningen en gronden aan en renoveert het woningbe- Verwerving en saneringspremies: stand, de gemeente behartigt de infrastructuurwerken. Door het bestuur voor de Huisvesting worden in bepaalde 33
gevallen (afhankelijk van belastbaar inkomen, grootte en toestand van de woning,...) premies toegekend aan particulieren die een woning aankopen en/of saneren, — verwervingspremie: bij de aankoop van een eengezinswoning in de privésector; de grootte van de premie is afhankelijk van belastbaar inkomen, onroerend bezit, gezinstoestand, grootte en toestand van de woning. — saneringspremie en verhoogde wervingspremie: bij het saneren en/of aankopen van een verbeterbare ongezonde of overbevolkte woning. De grootte van de premie is opnieuw afhankelijk van belastbaar inkomen, gezinstoestand,... Bedragen der werken waarvoor subsidies kunnen toegekend worden. 1.
Infrastructuur: — openbare riolering, waterbedeling — aanleg bovengronds openbare weg: De Ring + Baantje
1.925.000 4.541.000
een optimaal geval tussen de 150.000 en 250.000 fr. per woning kunnen verkregen worden ts. en Totaal subsidiepakket
1.
3. Aanleg van publieke ruimtes (indien door de gemeente uitgevoerd): Op de bovengrondse werken: 7.433.000 x 60%
4.485.000 1.320.000 825.000 720.000 7.433.000
4.
Herwaarderingsgebied: — Totale som van verbeteringswerk woningbestand — Totale som van aanleg woonomgeving
31.865.553 9.358.000
5. Sanerings- + verhoogde verwervingspremie: B.v. een gezin met 2 kinderen, en met een gezamenlijk belastbaar jaarinkomen kleiner dan 681.400 fr. krijgt: — verhoogde verwervingspremie 120.000 fr. (maar max. 80% aankoopsom) — saneringspremie 120.000 fr. (maar max. 80% van de verbeteringskosten). Subsidierekening In elk der beschouwde gevallen werd steeds de voor de belanghebbenden meest gunstige subsidieregeling uitgezocht en toegepast met inachtname van de regel dat op eenzelfde werk slechts één subsidie kan verkregen worden. a) Privaateigenaars renoveren hun woning 1.
Infrastructuurwerken: Er is geen sprake van groepsbouw
nihil
2. Restauratie: Op het totaal der subsidieerbare werken : 11.964.911 x (60 of 90%) 7.178.947 of 10.768.420 3. Aanleg van publieke ruimtes (indien door de gemeente uitgevoerd): Op de bovengrondse werken: 7.433.000 x 60% 4. Herwaarderingsgebied: De gevels en daken werden reeds gesubsidieerd onder 2. restauratie 5. Sanerings- en verwervingspremies: Indien aan de gestelde voorwaarden zou voldaan zijn (wat in de huidige toestand niet het geval is) zou er in
34
Infrastructuur: Opopenb. rioleringen waterbedeling: 1.925.000 x 50%
926.500
2. Restauratie: Op het totaal der subsidieerbare werken : 11.925.000x90% 10.768.420
Restauratiewerken: Bedrag der woningverbetering in aanmerking komend voor restauratiesubsidies geraamd op 11.964.911
3. Aanleg van publieke ruimtes: Aanleg bovengronds: wegen + voetpaden gemeenschapsruimtes publieke parking carports
ts. 14.938.747 en 20.728.220
b) Een erkend vennootschap voert de renovatie door
4. 2.
3.300.000 5.500.000
Herwaarderingsgebied: De gevels en daken werden reeds gesubsidieerd onder 2. Restauratie Bijdrage in de verbeteringswerken gelijk aan het verschil tussen (aankoopsom + kosten voor woningverbetering) en de venale waarde der woningen na de werken. Stellen we een gemiddelde aankoopsom van 200.000 fr. per woning voorop dan is de totale aankoopprijs voor de 27 woningen 5.400.000 fr. De kosten voor de verbeteringswerken vermind. met de restauratietoelage bedragen (31.865.553-10.768.420) of 21.097.133 fr. Veronderstellen we de venale waarde der 22 vernieuwde woningen 800.000 x 22 = 17.600.000 fr. dan bedraagt de toelage
Het volledige subsidiepakket is dan
4.459.800
nihil
8.897.133 25.087.853
c) De gemeente neemt het renovatieplan in handen 1.
Infrastructuur: Opopenb. riolering en waterbedeling: 1.925.000x50%
926.500
2. Restauratie: Op het totaal der subsidieerbare werken : 11.964.911 x 80%
9.571.929
3. Aanleg van publieke ruimtes: Op de bovengrondse werken: 7.433.000 x 60%
4.459.800
4.
Herwaarderingsgebied: Op de verwerving van gebouwen en gronden: 3.340.000 5.400.000 x 60% Op de verwerving van gebouwen voor gemeenschapsruimte 150.000x60% 90.000 Op de woningverbetering met aftrok van wat reeds onder 2. Restauratie gesubsidieerd werd: (31.865.553- 11.964.911) x 60% 11.940.385 Het volledige subsidiepakket
30.264.614
Samenvattend 4.459.800
nihil
De beschouwde woningen van 'De Ring' zijn momenteel eigendom van enkele eigenaars, die er zelf niet wonen. Omwille van deze situatie, vervallen een groot deel van mogelijke subsidies en premies en wordt de inspanning die van de eigenaars gevraagd wordt groot. Een andere mogelijkheid is dat de woningen verkocht wor-
MONUMENTENZORG
Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg
© 1982 Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg Jozef II straat 30 1040 BRUSSEL Samenstelling: C. De Maegd, H. Stynen, M Celis, M. Fierlaiijn, E. Goedleven, P. Hemeryckx, M. Hoflack, P. Lagaisse en M. Ramakers Tekening: Mynam Dierickx.
WOORD VOORAF „De bescherming van het leefmilieu, waarvan het behoud van het bouwkundig erfgoed deel uitmaakt, is één van de kernvraagstukken van onze tijd. De opkomende generatie zou het ons niet vergeven indien wij lijdelijk de ontaarding van ons leefmilieu zouden ondergaan" (Koning Boudewijn, Kasteel te Laken, 19.2.1975) De interesse voor het bouwkundig erfgoed is de laatste jaren zeer sterk toegenomen. Niet alleen architecten en wetenschapsmensen houden er zich mee bezig, talloze verenigingen zetten zich voortdurend in voor het behoud van de monumenten stads- en dorpsgezichten. Meer zelfs, veel actiegroepen werden opgericht speciaal om de verdediging en de vrijwaring ervan op zich te nemen. Het spreekt vanzelf dat deze stroming niet zulke afmetingen zou aannemen moest zij enkel het architecturale of kunsthistorische op het oog hebben. Dit bouwkundig erfgoed heeft op de eerste plaats een zeer grote economische waarde. De oude gebouwen, de monumenten zijn gewoon niet weg te denken uit de steden en dorpen van Vlaanderen. Zij vervullen er talloze essentiële functies. Om maar een voorbeeld te noemen: de meeste gemeentehuizen zijn monumenten. Tot een derde van de bevolking leeft, hetzij in monumenten, hetzij binnen de begrenzing van waardevolle stads- en dorpsgezichten. De vervanging door nieuwbouw zou astronomische bedragen vergen. Een tweede economisch belang is het toerisme. Het toerisme heeft drie grote aantrekkingspolen: het klimaat, het natuurlijke landschap en het monumentaal erfgoed. In dit opzicht staat de aanwending van de toeristische aantrekkingskracht van Vlaanderen nog in de kinderschoenen. Gelukkig werden door het Commissariaat-Generaal voor Toerisme de laatste maanden hiervoor veelbelovende initiatieven genomen. Naar mate de economische crisis zich meer en meer laat gevoelen blijkt ook het herstel en de renovatie van oude gebouwen van belang te zijn. Dit herstel heeft immers een veel groter tewerkstellingseffect dan nieuwbouw. Ook op sociaal gebied speelt het bouwkundig erfgoed een grote rol. Het zijn de monumenten die de eigenheid bepalen van dorpen en steden; zij maken ze herkenbaar en vormen het kader van de voor de mens zo belangrijke vertrouwde omgeving. De belangrijkste sociale waarde — en die is in het jaar van de stadsvernieuwing bijzonder sterk belicht — is die welke haar oorsprong vindt in de verbondenheid van de bewoner en zijn woonst. Het 'stedelijk weefsel' en het 'sociaal weefsel' zijn zeer nauw met elkaar verbonden. Het unieke karakter van oude buurten ligt niet alleen in de gebouwen maar evenzeer in zijn onderling zeer verscheiden maar toch met elkaar verbonden bewoners. Sommigen voelen zich misschien thuis in de grootschalige woonblokken buiten elk stedelijk of landelijk verband, velen echter voelen zich gelukkig in hun buurt en willen er niet weg. De vernieling van het natuurlijk kader, zowel in dorp als stad, is één van de oorzaken van de crisis waarin de huidige maatschappij terecht gekomen is. Elke politiek inzake bescherming, renovatie en restauratie van het bouwkundig erfgoed dient uit te gaan van deze sociale waarde. Diegenen die zich gunstig opstellen t.o.v. de bescherming en herwaardering van het erfgoed zijn dikwijls nog onvoldoende vertrouwd met de nieuwe aanpak van monumentenzorg. Om deze reden heerst er heel wat verwarring. Deze brochure 'Vragen rond Monumentenzorg' tracht op een eenvoudige wijze een antwoord te geven op de in de praktijk meest gestelde vragen. Voor wie op sommige punten meer inlichtingen wenst, houden wij ons graag ter beschikking.
E. GOEDLEVEN Adviseur-hoofd van dienst
131
Door de toenemende belangstelling voor de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten komen steeds meer besturen en particulieren met het begrip 'Monumentenzorg' in aanraking (*). Dit groeiend aantal beschermingen is deels te verklaren door het feit dat monumentenzorg, vooral de laatste tien jaren, geëvolueerd is van het voornamelijk beschermen en restaureren van grote, alleenstaande monumenten zoals kerken, kastelen... tot een bezig zijn met het gehele gebouwde patrimonium. Hierdoor is ook het aantal betrokkenen vanzelfsprekend gevoelig verruimd. Deze tekst poogt een aantal heersende misverstanden aan te duiden en op de meest voorkomende vragen elementen van antwoord te geven. De monumentenzorg in Vlaanderen is een materie die door de wetgever aan de Vlaamse Gemeenschap is toevertrouwd. Het is dus een 'gemeenschapszaak'. De brochure vertaalt het overheidsstandpunt van de Vlaamse Gemeenschap en is geschreven vanuit de dagelijkse praktijk van de bevoegde ministeriële dienst, de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg.
Monumentenzorg waarom ? Monumentenzorg als onderdeel van de globale zorg voor het menselijk milieu, heeft tot taak én als beleidsinstrument én als filosofie een tegengewicht te vormen voor eenzijdig geformuleerde of particuliere belangen die indruisen tegen het algemene belang. Waardevolle elementen, zowel gebouwen als natuurlijke objecten en waardevolle gehelen van gebouwen met hun natuurlijke omgeving dienen geherwaardeerd en beschermd te worden. Op deze wijze wil monumentenzorg het beheer van gebieden beïnvloeden vanuit een andere visie: de waardevolle elementen dienen het uitgangspunt te zijn voor een bewust, voorzichtig en zorgzaam omgaan met het milieu. Monumentenzorg poogt een positieve invloed uit te oefenen op de evolutie van het milieu, poogt het beheer ervan positief te beïnvloeden. Het is dan niet een bezig zijn met één onderdeel van het bebouwde milieu maar wel een dynamisch bezig zijn met de totaliteit van dat milieu: een streven naar evenwicht tussen de bebouwde en de natuurlijke omgeving.
Monumentenzorg: tussen verleden en toekomst Beschermde gebouwen zijn objecten die omwille van hun verleden — dat enkele eeuwen maar ook enkele tientallen jaren kan bedragen — een intrinsieke waarde en een betekenis hebben voor de gemeenschap. Een oud gebouw is immers niet een louter decoratief element maar wel een onderdeel van het ruimtelijk, cultureel en sociaal leven. Via deze gebouwen treden wij in contact met het verleden: niet alleen met de materiële overblijfselen maar ook met de vroegere bewoners, gebruikers, bouwers... Aan dit verleden kunnen wij onze huidige leef- en denkwijze meten en spiegelen. De gebouwen en hun omgeving vertellen een verhaal dat voor ons leerzaam, inspirerend en verhelderend kan zijn.
Dit kan gaan over vroegere bouwtechnieken, over materialen, ambachtslui, over wel en wee van de opeenvolgende gebruikers en bewoners, over maatschappelijke en machtsstructuren, over architectuurschepping, over evolutie en teloorgang.
Monumentenzorg: aspect van milieuzorg. De gebouwde omgeving is steeds onderworpen geweest aan veranderingen; de mens paste immers zijn omgeving aan aan de noden van het ogenblik. De laatste decennia echter is het traditioneel menselijk milieu onderhevig aan steeds sneller wordende wijzigingen die in veel gevallen ontsnappen aan de controle van de betrokken gemeenschap en op die manier het algemeen belang kunnen schaden. Het is duidelijk dat een agressieve aftakeling van het menselijk milieu, zowel de bebouwde als de landschappelijke omgeving, indruist tegen dit algemeen belang. Aandacht voor het milieu of milieuzorg is een onderdeel van een maatschappelijke houding die zich ook politiek vertaalt. Zo heeft monumentenzorg een aantal wettelijke instrumenten ter beschikking gekregen om effectief beschermend en corrigerend te kunnen optreden. Door monumenten te erkennen en aan te passen aan de huidige noden krijgen wij de kans hun verhaal verder te zetten, hun geschiedenis aan te vullen en ze door te geven aan volgende generaties. De aanpassing dient op een bedachtzame, zorgzame en verantwoorde manier te gebeuren; zoniet wordt zij aangevoeld als een blinde ingreep. Monumentenzorg houdt zich dus bezig met de concrete, gegroeide, soms chaotische gebouwde omgeving. Zij wil deze niet omvormen naar een ideaalbeeld maar wil er de eigenschappen en kwaliteiten van bewaren en zo mogelijk versterken. Op die manier kunnen wij het verhaal terug opnemen en voortzetten.
(*) Deze brochure heeft geen betrekking op de landschapszorg. Sedert het decreet van 3 maart 1976 op het behoud van monumenten, stads- en dorpsgezichten is de landschapszorg losgemaakt van de in de wet van 3 augustus 1931 als één geheel beschouwde materie 'monumenten en landschappen'. Momenteel is een decreet voor de landschappen in voorbereiding. [41
Monumentenzorg wat en hoe? Monumentenzorg: wettelijk instrument: De wet van 3 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen werd voor de Vlaamse Gemeenschap, voor wat de monumenten betreft, vervangen door het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten. Dit decreet is het wettelijk instrument dat toelaat gebouwen als monument en gehelen als stadsgezicht of dorpsgezicht te beschermen. Het decreet geeft volgende omschrijving: Monument: een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, inbegrepen de zich erin bevindende roerende zaken, onroerend door bestemming. Stads- of dorpsgezicht: een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheinin-
gen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, die omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is. De beschermingsprocedure verloopt in verschillende fasen: — de aanvraag tot bescherming kan door openbare besturen maar ook door partikulieren gebeuren; de aanvraag wordt gericht aan de Gemeenschapsminister die bevoegd is voor de monumentenzorg of aan de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. De aanvraag wordt best zo goed mogelijk gedocumenteerd met de noodzakelijke gegevens zoals: situatieplan, foto's, historische nota en kadastrale gegevens (afdeling, sectie, perceelnummer(s) en eigenaar(s). De Rijksdienst onderzoekt de aanvraag, maakt een verslag en verantwoording op over het voor bescherming voorgestelde gebied, en maakt dit voor akkoord over aan de Gemeenschapsminister; — dit leidt tot een voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- of dorpsgezichten.
[5]
Deze voorontwerplijst wordt betekend, dit wil zeggen officieel medegedeeld en voor advies voorgelegd aan volgende instanties: — de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen ; — de Provinciale directie van het Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening; — de eigenaars en vruchtgebruikers van de objecten die voor bescherming als monument worden voorgesteld; — het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente waar de voorgestelde objecten zich bevinden. De eigenaars van de niet als monument voorgestelde gebouwen die gelegen zijn in de als stads- of dorpsgezicht voorgestelde omgeving worden niet persoonlijk op de hoogte gebracht; zij krijgen kennis van het voorstel via de bekendmaking voor het openbaar onderzoek. De gemeentebesturen organiseren dit openbaar onderzoek en verzamelen de opmerkingen en mogelijke bezwaren van de betrokkenen. De voorstanders van de bescherming kunnen vanzelfsprekend eveneens hun mening kenbaar maken. Ook publiceert de minister de voorontwerplijst voor openbaar onderzoek in ten minste drie Nederlandstalige dag- of weekbladen. Het openbaar onderzoek wordt afgesloten dertig dagen na de ontvangst van de betekening van het beschermingsvoorstel. Het gemeentebestuur heeft dan nog vijftien dagen de tijd om de binnengekomen opmerkingen te bundelen, vast te leggen in een proces-verbaal en door te sturen naar de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, samen met het advies van het College van Burgemeester en Schepenen. De bedoeling van deze voorontwerplijst is dus alle betrokkenen — vooral de eigenaars van toekomstige monumenten en de beheerders van toekomstige stadsgezichten of dorpsgezichten — op de hoogte te brengen van de inzichten van monumentenzorg en hierover hun mening te vragen. Deze mededeling, die zoals alle 'administratieve' taal, moeilijk en soms onbegrijpelijk blijkt over te komen, heeft dus eigenlijk de bedoeling de rechten van de burger te respecteren. Het schrijven is vergezeld van een kaart op kadastrale basis waarop het voor bescherming voorgestelde gebied is afgebakend en waarop de als monument voorgestelde panden door arcering zijn aangeduid. Doorgaans wordt bij een bescherming als monument het hele gebouw met inbegrip van het interieur, soms zelfs het hele kadasterperceel aangeduid. Dit wil niet zeggen dat noodzakelijk alle onderdelen even waardevol zijn. Het is vooral een aanduiding dat bij een eventuele verbouwing of restauratie de ingreep in al zijn onderdelen afgewogen zal worden. — De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg onderzoekt de adviezen en bezwaarschriften en brengt hieromtrent verslag uit aan de minister. Deze stelt bij Ministerieel Besluit het ontwerp van lijst vast dat gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Zoals bij de eerste [61
fase wordt deze beslissing ook betekend en medegedeeld. Van dit ogenblik af is de bescherming effectief en zijn de rechtsgevolgen van kracht. Dit betekent: — dat voor alle vergunningen (b.v. bouw- of sloopvergunning) te verlenen volgens de wet van 29 maart 1962 op de Ruimtelijk Ordening en de Stedebouw, de vergunning verlenende instantie (zoals de gemeente of het Bestuur van Stedebouw) de aanvraag binnen dertig dagen voor advies dient voor te leggen aan de minister, bevoegd voor de monumentenzorg. Dit advies moet binnen dertig dagen worden uitgebracht en is bindend; — dat bij verkoop of overdracht van een monument of van een onroerend goed gelegen in een stads- of dorpsgezicht een stedebouwkundig attest dient aangevraagd te worden. De overdrachtakte moet vermelden dat het om een beschermd object gaat. Tegen de beslissing van bescherming kan eventueel bezwaar aangetekend worden bij de minister. Het bezwaarschrift dient aangetekend verstuurd te worden en is vergezeld van een precieze omschrijving van de objecten waarop het gemotiveerd bezwaar wordt ingeroepen. Het beschermingsdossier wordt nu voorgelegd aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen die haar eindadvies formuleert aan de minister. — Het Besluit van de Vlaamse Executieve (tot voor de staatshervorming van 22 december 1981 was dit een Koninklijk Besluit) tot bescherming van een monument, stadsgezicht of dorpsgezicht is de laatste fase van de procedure. Dit Besluit dient getroffen te worden uiterlijk één jaar na de publikatie van het Ministerieel Besluit in het Belgisch Staatsblad. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister deze termijn éénmaal verlengen voor een periode van zes maanden. Ook deze beslissing wordt aan de betrokkenen medegedeeld en het Besluit wordt eveneens in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De rechtsgevolgen zijn doorgaans dezelfde als deze van het ontwerp van lijst.
Beschermd, en dan? Door beschermde gebouwen verder te gebruiken, door hun verhaal te vervolgen, wordt aangetoond dat monumentenzorg zeker niet de bedoeling heeft ze in de bestaande toestand te 'bevriezen'. Bewust is van de term 'rangschikken' — in de volksmond ook 'klasseren' - afgestapt. Dit woord beantwoordt niet meer aan de huidige dynamische opvatting van monumentenzorg. Het is dan ook vervangen door 'beschermen'; al kan dit woord bij sommigen nogal paternalistisch overkomen, het heeft alleszins een meer positieve, minder statische klank en betekenis. Al te dikwijls wordt gedacht „mijn eigendom wordt beschermd, ik mag er dus niets meer aan veranderen". Dit is natuurlijk niet zonder meer waar!
Bepaalde ingrepen en werken aan een monument zijn aan een voorafgaande machtiging onderworpen. De bescherming beoogt de bewaring van het goed en de eigenaar is dan ook verplicht het in goede staat te onderhouden. Dit is eigenlijk de enige plichting die monumentenzorg oplegt. De intrinsieke waarde van het monument en haar betekeniswaarde voor de gemeenschap is de reden van de bescherming en is de norm die bij het adviesverlenen gehanteerd wordt. Wanneer het gaat om niet als monument beschermde objecten, gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht, geldt ook de onderhoudsplicht. Wijzigingen blijven mogelijk. De begeleidende waarde in de gegeven situatie t.o.v. monumenten en in de ruimere omgeving is hier uitgangspunt bij het adviesverlenen. Sloping wordt in principe alleen toegelaten indien een vervangend ontwerp is goedgekeurd. Dit dient op zijn minst evenwaardig te zijn aan wat ervoor verdwijnt. Ingrepen in beschermde stads- of dorpsgezichten moeten immers zorgvuldig getoetst worden aan de gevolgen voor de omgeving en voor de gemeenschap. Dit geldt ook voor nieuwbouw in de beschermde gebieden. Nieuwbouw blijft ook mogelijk maar moet wel een positieve bijdrage zijn tot de kwaliteit van de omgeving. Van de architecten wordt eerlijkheid, respect voor het bestaande en kwaliteit gevraagd — op zich natuurlijk tamelijk vage begrippen. Het is duidelijk dat banale imitatie-architectuur en de zogenaamde 'fermettebouw' niet beschouwd worden als een waardevolle bijdrage tot de bestaande gebouwde omgeving. Gebrek aan belangstelling voor een kwalita-
tieve aanpak, zowel bij ontwerpers als bij opdrachtgevers, stelt monumentenzorg dikwijls voor het probleem dat de ontwerpen vaak niet beantwoorden aan de mogelijkheden die de omgeving biedt en aan de hieruit voortvloeiende eisen.(*) Dit leidt dan tot negatieve adviezen en vertragingen in het dossier, die door niemand gewenst worden. Voor hoe het wel kan bestaan geen pasklare formules of regels. De bouwheer of architect neemt, vooraleer aan het opmaken van plannen begonnen wordt, eerst contact op met het gemeentebestuur om de stedebouwkundige voorwaarden te kennen die eventueel op het perceel of op het gebouw rusten. In geval het om een beschermd dorpsgezicht of stadsgezicht gaat wordt, bij voorkeur vooraf, overleg gepleegd met de provinciale inspecteur of architect van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Vermits geen algemene regels bestaan en elk geval een ander probleem stelt kunnen in de voorontwerpfase reeds aanduidingen gegeven worden waardoor een vlot verloop van het dossier gegarandeerd is. In elk geval wordt een dossier gevraagd met volgende elementen: een duidelijk liggingsplan, een situatieplan in het beschermd gebied, bouwplannen met aanduiding van de gebruikte materialen en foto's van de omgeving. Indien het een verbouwing betreft horen daar ook opmetingsplannen van de bestaande toestand bij. Nieuwbouw en verbouwingen blijven dus mogelijk in zoverre zij zich, wat inplanting, bestemming, volume en architecturale uitwerking betreft, aanpassen aan en aansluiten bij het beschermde karakter van de omgeving.
(•) Deze vaststelling is ook terug te vinden in een aantalpublikaties van architecten en architectuurcritici. Zie a.m. G. Bekaert en F. Strauven, Bouwen in België 1945-1970, Brussel, 1971 (tentoonstelingscat.); R. Braem, Het lelijkste land ter wereld, Leuven, 1968 en F. Strauven, Hoe België zijn huidige aanblik kreeg, in Wonen TA/BK, nr 12, 1980. [7]
IX]
waardevol beeldbepalend
1. Nieuwbouwstallen bij een beschermde hoeve. 2. Huizenrij v.l.n.r.: • monument • begeleidende waarde • storende nieuwbouw • begeleidende waarde 3. Monumentale kerk met deels bewaarde kerkhofmuur en vnjheidsboom.
Restauratie, waarom? Restauratie hoort eigenlijk een 'uitzonderingsmaatregel' te zijn. Een historisch gebouw, zoals elke menselijke activiteit trouwens, is vergankelijk. De gebruikte materialen zijn versleten, de constructie is aangetast of de bestemming is gewijzigd of verloren gegaan. Daarom is restauratie, het tegenhouden van de vergankelijkheid, vroeg of laat noodzakelijk. Hierbij is belangrijk eventueel een nieuwe, passende bestemming te vinden, evenwel zonder de waardevolle elementen van zowel het exterieur als het interieur in het gedrang te brengen. Een monument wordt belangrijk geacht om voor de gemeenschap bewaard te worden. Daarom moet het in zijn eigenheid, aankleding en groei en in zijn constructief gegeven hersteld worden.
Onderhouden gaat vóór restaureren. De eigenaars van beschermde monumenten, zowel als de eigenaars van in beschermde stads- of dorpsgezichten gelegen objecten zijn er toe gehouden, zoals elke eigenaar trouwens, hun goed te onderhouden en te behoeden voor verval en aftakeling. Regelmatig nazicht van de zogenaamde waterhuishouding (afwatering, bedaking, riolering en dakgoten) kan zware herstellingskosten vermijden. Ook een regelmatige verfbeurt is aangewezen. Belangrijk hierbij is te weten dat een bescherming niet betekent dat verplicht tot een globale restauratie dient overgegaan te worden. Enkel indien het monument door slijtage van de materialen of de constructie of door gebrek aan onderhoud in een vervallen of verwaarloosde toestand is gekomen zal vroeg of laat die restauratie onafwendbaar worden.
Restauratie, hoe? Elke restauratie is dus noodgedwongen een ingreep in de geschiedenis van het gebouw. Als de ingreep toch moet gebeuren, dan liefst zo pijnloos mogelijk. Als dienst voor monumentenzorg stellen wij eisen aan deze ingreep die zorgzaam, bedachtzaam, met liefde en creativiteit en in volle bewustzijn moet gebeuren. Dit veronderstelt vanwege de eigenaar en de ontwerper een morele houding ten opzichte van het monument. Zo'n gebouw is toch een evoluerend gegeven, ontstaan in een welbepaalde periode als antwoord op een welbepaalde behoefte, gegroeid met de opeenvolgende bewoners, gebruikers en eigenaars, aangepast, verfraaid of verminkt. Heel deze evolutie maakt wezenlijk deel uit van het monument zoals het monument wezenlijk deel uitmaakt van zijn omgeving. Het monument in zijn omgeving heeft een verhaal te vertellen ; wie restaureert moet dit ontdekken en ernaar kunnen luisteren. Dit dient het uitgangspunt te zijn voor de restauratie: alle elementen uit deze geschiedenis dienen op hun waarde onderzocht te worden. (•) De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg past hier de il 'Charter van Venetië'. (1964).
[10]
Het probleem van de 'harde' of 'zachte' restauratie komt hier aan de orde. Onder 'harde' restauratie wordt verstaan: 'proberen terug te gaan naar de oorspronkelijke toestand', wat bij velen te gemakkelijk in de mond ligt. Uit het voorgaande bijkt dat haast elk historisch gebouw een gegroeid geheel is en dat deze verheerlijkte 'oorspronkelijke toestand' meestal een fictie is. Onder 'zachte' restauratie wordt verstaan een restauratie die rekening houdt met de historische groei en die op technische vlak eerder conserverend behandelt dan ingrijpend vernieuwt. Het standpunt van de huidige monumentenzorg in deze problematiek is als volgt te verduidelijken (*): — Hard restaureren kan enkel verantwoord zijn als het monument een dergelijke waarde heeft op cultuurhistorisch, kunsthistorisch, architectuurhistorisch of industrieel-archeologisch gebied dat het niet restaureren van het geheel of van onderdelen van het object een verlies zou betekenen voor de wetenschap. Indien het monument hoegenaamd geen evolutie heeft doorgemaakt en dus ongewijzigd, maar in slechte toestand tot ons gekomen is, is de restauratie een louter technische ingreep. In elk geval kan hard restaureren maar gebeuren op een strict wetenschappelijke manier en op basis van een grondige bouwkundige, archeologische en historische studie. Hypothesen, veronderstellingen en 'naar analogie met' kunnen geen voldoende verantwoording bieden voor een harde restauratie. — Zacht restaureren moet dus steeds een evaluatie van de historische toestand inhouden. Wanneer ingrepen of toevoegingen noodzakelijk blijken, dienen zij duidelijk herkenbaar ingebracht en van hoge architecturale kwaliteit te zijn. De zachte restauratie, en meer nog een regelmatig onderhoud, zijn de aangewezen middelen om de herwaardering van het waardevol historisch patrimonium haalbaar te maken en te houden. Restauratie blijft altijd een zware financiële en administratieve investering die zoveel mogelijk door onderhoud dient vermeden te worden. Het historisch patrimonium is voor de gemeenschap echter van een dusdanige waarde dat deze investering verantwoord blijft.
Het restauratiedossier Uit het voorgaande kunnen wij besluiten dat in het restauratiedossier antwoord moet gegeven worden op de volgende vragen: — wat is over het object geweten? — wat vertelt het object zelf? — wat wil ik ermee doen? — wat betekent het voor de omgeving ? Hieruit volgt dat volgende elementen in het restauratiedossier dienen uitgewerkt te worden: erkende richtlijnen toe die zijn neergelegd in het zogenaamde
f) het opnieuw aanbrengen van niet meer aanwezige waardevolle elementen; g) verwijderen van storende elementen, wegwerken van onoordeelkundig uitgevoerde ingrepen, wegwerken of aan het zicht onttrekken van misplaatste toevoegsels; h) beschermen van een publiek toegankelijk monument tegen intens gebruik door versteviging van vloerplaten, bijkomende stabiliteitswerken, aanbrengen van detectiesysteem, aanbrengen van isolatie ter voorkoming van condensatie; i) de beveiliging tegen brand, vandalisme en diefstal van het eventueel aanwezige kunstbezit eigen aan het monument; De subsidiëring j) ingrepen die niet anders dan naar aanleiding van restauratie en instandhoudingswerken kunnen uitgevoerd Het is inderdaad niet meer dan normaal en logisch dat worden, die meerkosten met zich brengen omdat ze met wanneer de overheid bepaalde verplichtingen oplegt die de omzichtigheid ten overstaan van het monument moeten draagkracht van de eigenaar te boven gaan, zij ook tussenuitgevoerd worden, mogelijke oorzaken van vernietikomt in de eventuele meerkosten die deze verplichtingen ging, verval of abnormale slijtage wegnemen, inzondermet zich meebrengen. Deze tussenkomst, die onder de heid het vervangen of aanbrengen van installaties voor vorm van subsidiëring van de restauratiewerken gebeurt, centrale verwarming en elektriciteit. Voor deze werken wordt enkel toegekend indien het om een als monument kunnen enkel de bouwkundige werken en de basisbij Besluit van de Vlaamse Executieve beschermd object installatie betoelaagd worden, met uitsluiting van toegaat, en wanneer aan alle administratieve voorschriften is stellen en armaturen; voldaan (*). k) dringende voorlopige instandhouding van het monument, wanneer gevaar bestaat voor verder en snel verRestauratie van monumenten in privé-bezit val in afwachting dat kan begonnen worden met de eigenlijke werken; De eigenaars kunnen dus een financiële tegemoetkoming krijgen van overheidswege voor restauratie en in afwach- 1) de studie(s) vereist voor het opmaken van een definitief ting daarvan het uitvoeren van dringende instandhoudossier, inzonderheid historisch onderzoek, stabiliteitsdingswerken. De tussenkomende partijen zijn de Vlaamse berekeningen, geo-technisch onderzoek, proefkappinGemeenschap, de provincie, de gemeente en de eigenaar. gen, laboratoriumproeven, drukkings- en weerstandsEen eerste belangrijk punt is te weten welke werken voor proeven, plaatsen van voorlopige stellingen. deze betoelaging vatbaar zijn. Het betreft hier alle werken die tot doel hebben: Samenvattend komt het erop neer dat alle werken die het a) de algehele beveiliging en stabiliteit van het monument, monument in stand houden voor subsidiëring in aanmerinzonderheid onderstuttingen, afschermingen, schorin- king komen evenals de restauratie van de waardevolle gen, verstevigingen, consolideringen, onderkappingen; onderdelen van het interieur. Uitrustingswerken voor b) de beveiliging van het monument tegen ongunstige bewoning en comfort zijn niet betoelaagbaar. weersomstandigheden en natuurrampen door: het Voor dit soort werken varieert de tussenkomst van de dichten van daken, het sluiten van muuropeningen, het Gemeenschap, de Provincie en de gemeente tussen 50 en aanbrengen en herstellen van voorzieningen voor afwa- 90% van de kostprijs, hierin inbegrepen de B.T.W. en het tering, goten en aflopen en rioleringen, de beveiliging ereloon van de architect (beperkt tot 7%). Het percentage tegen insijpelingen, de bestrijding van opstijgend van de subsidie is afhankelijk van enerzijds de aard en de grondwater, de beveiliging tegen blikseminslag en bestemming van het gebouw en anderzijds de aard en het inkomen van de eigenaar(s). stormschade; c) de behandeling van waardevolle elementen van het mo- De eigenaar is vrij de architect aan te duiden. Het dossier nument onder meer door verharding, houtworm- en dient evenwel aan de vereisten te voldoen die wij hoger beschreven. Het is dus aan te raden in de voorontwerpfase zwambestrijding; d) het herstel van nog aanwezige waardevolle elementen het dossier met de inspecteur van de Rijksdienst te bespreken. van het monument; e) de vervanging van nog aanwezige elementen van het De aanvraag tot subsidiëring gebeurt samen met het indienen van het restauratiedossier (**). monument, die niet meer kunnen hersteld worden; — een fotografische en iconografische documentatie — een historische en kunsthistorische nota — een diagnose van de bouwfysische toestand — het bouwprogramma — een verantwoording van de restauratieoptie — opmetingsplannen en restauratieplannen — een volledig bestek waarin opgenomen: de administratieve bepalingen, de algemene en bijzondere beschrijving van de werken en een postgewijze opmetingsstaat en tenslotte een raming te splitsen in subsidieerbare en niet subsidieerbare posten.
(*) Voor de panden gelegen in een stads- of dorpsgezicht zijn in principe geen toelagen voorzien toch niet vanuit de dienst monumentenzorg. Wel is het zo dat in het kader van de stadsvernieuwing en van de vernieuwde huisvestingspolitiek diverse premies en subsidiëringsmogelijkheden voorzien zijn, zowel voor particulieren als voor openbare besturen. (**) Meer gedetailleerde inlichtingen zijn te vinden in de 'Richtlijnen van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg bij het samenstellen van een restauratieontwerp',-gratis te verkrijgen. [11]
Na goedkeuring van het dossier door de minister of zijn gemachtigde wordt de administratieve procedure voor de subsidiëring ingeleid. Op basis van het goedgekeurde restauratiedossier wordt een ontwerp van besluit van de Vlaamse Executieve ter ondertekening voorgelegd waarbij de subsidie wordt toegekend en de kostenverdeling wordt vastgesteld, dit is de zgn. pricipiële belofte van toelage (*). Na de betekening van dit besluit mag een aanbesteding georganiseerd worden. Op basis van de laagste regelmatige inschrijving van deze aanbesteding wordt een ontwerp van Ministerieel Besluit ter ondertekening voorgelegd houdende goedkeuring van de inschrijving en vastlegging van de kredieten van de Vlaamse Gemeenschap op naam van de opdrachtgever. Hierna kan het bevel tot aanvang der werken gegeven worden en zullen de maandelijks ingediende vorderingsstaten met fakturen door de Vlaamse Gemeenschap in vereffening worden gesteld.
Restauratie van monumenten in het bezit van openbare besturen Met betrekking tot restauratie uitgevoerd door openbare besturen wordt een analoge procedure gevolgd met dien verstande dat het dossier via de administratieve overheden wordt ingediend. Onder openbare besturen wordt verstaan: a) de provinciale openbare besturen: de provincies en bisschoppelijke seminaries; b) de lokale openbare besturen: de gemeenten, agglomeraties, federaties, verenigingen van gemeenten, de Nederlandse Commissie voor de Cultuur van de Brusselse agglomeratie, in zo verre de werken monumenten betreffen gelegen in het Nederlandse taalgebied, O.C.M.W.'s, intercommunales, polderingen, wateringen, verenigingen van polders of van wateringen, kerkfabrieken evenals andere rechtspersonen die voor de uitoefening van een openbare eredienst of voor verenigingen van vrijzinnigen onroerende goederen beheren. De toelagen voor werken ondernomen door lokale openbare besturen worden vastgesteld als volgt: de gemeenschap 60%, de provincie 20%, de eigenaar 20%. De toelagen voor werken ondernomen door provinciale openbare besturen: de gemeenschap 60%, de eigenaar 40%. Met betrekking tot restauratiewerken ondernomen voor gebouwen van een erkende eredienst is het Ministerie van Justitie, inzonderheid het Bestuur voor Erediensten giften en legaten bevoegd. De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg treedt hier enkel op als adviserend orgaan Gebouwen die gedesaffecteerd werden voor de eredienst vallen evenwel onder toepassing van de hoger geschetste procedureregelen.
Dringende instandhoudingswerken Om het onderhoud van beschermde monumenten te verzekeren in afwachting van een definitieve restauratie, is een spoedprocedure voorzien voor het uitvoeren van dringende instandhoudingswerken die de 500.000 fr. niet mogen overschrijden, BTW niet inbegrepen (Ministeriële omzendbrief van 21 oktober 1981). Een belangrijke voorwaarde, aan deze procedure verbonden, is dat terzelfder tijd een ontwerper wordt aangesteld om een definitief restauratiedossier op te stellen. De eigenaar dient de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, te verwittigen wanneer hij van deze spoedprocedure gebruik wenst te maken. Een afschrift van de aanvraag dient terzelfder tijd overgemaakt te worden aan de Gouverneur van de betrokken provincie, aan het betrokken gemeentebestuur en aan de Kern van de Inspectie van Financiën van de Vlaamse Gemeenschap (Jozef IIstraat 30, 1ste verdieping, 1040 Brussel). Op hetzelfde ogenblik verzoekt het opdrachtgevend bestuur of de eigenaar aan drie bekwame aannemers binnen tien dagen een postgewijze, gedetailleerde offerte in te dienen voor dringende werken. De uitvoeringstermijn mag niet meer bedragen dan dertig kalenderdagen. De eigenaar kan zich voor de keuze der aannemers laten bijstaan door de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Als gevolg van de aanvraag zal binnen tien dagen door een afgevaardigde van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg een plaatsbezoek worden georganiseerd waarop de provincie, de gemeente, de inspecteur van Financiën, en het opdrachtgevend bestuur of de eigenaar worden uitgenodigd. Bij dit plaatsbezoek wordt door alle aanwezige afgevaardigden gezamenlijk een proces-verbaal opgesteld waarin de hoogdringendheid der werken wordt vastgesteld, en advies gegeven wordt betreffende de keuze van een aannemer en de lijst van de uit te voeren posten uit de voorgestelde bieding. Het betrokken bestuur of de eigenaar kan vervolgens de werken toewijzen, die dan onmiddellijk moeten uitgevoerd worden. De bundel met de aanvraag tot betoelaging moet binnen een maand na het opstellen van het proces-verbaal worden ingediend bij de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg in acht exemplaren wanneer het een beschermd monument betreft toebehorend aan particulieren of privéinstellingen, en in vier exemplaren wanneer het een beschermd monument betreft toebehorend aan lokale openbare besturen. De bundel dient volgende documenten te bevatten: 1. een beslissing over de toepassing van de spoedprocedure en een aanvraag van de toelage;
(*) Waarschijnlijk zal kortelings deze stap in de subsidiëringsprocedure grotendeels vervallen. Een gunstig gevolg hiervan zou een snellere dossierbehandeling zijn. De kostenverdeling zal dan automatisch gebeuren zoals aangegeven in bijgaande tabel. (**) In het kader van de verdere doorvoering van de staatshervorming zal mogelijks ook hier een verschuiving gebeuren van het Nationale Ministerie naar het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. [12]
2. een kopie van het proces-verbaal; 3. het afschrift van de beslissing waarbij een ontwerper wordt aangesteld die opdracht krijgt een dossier op te maken voor de eigenlijke restauratie; 4. een afschrift van de gunning (deze gunning mag gebeuren op basis van een onderhandse overeenkomst, na raadpleging van ten minste drie bekwame aan nemers),
Gemeenschap
_ . Provincie
^ Gemeente
een afschrift van de aanvaarde bieding met vermelding van de uit te voeren posten. Bovenstaande regeling is van toepassing voor alle beschermde monumenten ongeacht of ze toebehoren aan particulieren, privé-instellingen of lokale openbare besturen.
Opdrachtgever
Provinciale + lokale openbare besturen 60
20
20
—
Lokale openbare besturen
60
40
—
—
Provinciale openbare besturen
Particulieren of privé-instellingen
60
15
15
10
1. Zonder huurwaarde: particulieren privé-instellingen + opengesteld voor publiek 2. Particulieren inkomen < 650.000 fr. (*)
55
15
15
15
Socio-culturele verenigingen, stichtingen en onderwijsinstellingen
50
10
10
30
Particulieren inkomen tussen 650.000 en 1.000.000 fr. (*)
40
Particulieren inkomen > 1.000.000 (*)
50
1. Handelsvennootschappen 2. Zonder huurwaarde: particulieren privé-instellingen + niet opengesteld voor publiek
45
40
7,5
5
7,5
5
(*) De inkomensgrenzen worden vei hoogd met 30.000 fr. per kind ten laste.
Monumentenzorg wie? Op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap
de'minister. Zij spreekt zich vrij uit, zonder gebonden te zijn aan standpunten van overheidsdiensten, politieke partijen, verenigingen of particulieren.
De Gemeenschapsminister onder wiens bevoegdheid de monumentenzorg valt, bepaalt het beleid, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (K.C.M.L.) is het adviesorgaan van de Minister en de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg (R.M.L.Z.) bereidt het beleid voor en voert het uit. Alle eindbeslissingen inzake beschermingen gebeuren bij Besluit van de Vlaamse Executieve op voordracht van de minister.
De Centrale Commissie bestaat uit drie afdelingen: 1. de eerste afdeling is bevoegd voor de monumenten, stads- en dorpsgezichten; 2. de tweede afdeling is bevoegd voor het interieur van monumenten en voor het roerend kunstbezit, al of niet onroerend door bestemming; 3. de derde afdeling is bevoegd voor de landschappen.
— De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen bestaat uit een Centrale Commissie en uit een Provinciale. Ze is het onafhankelijk adviesorgaan van
Elke afdeling vergadert minstens ééns per maand. Zo ook de Provinciale Commissies, die echter vergaderen in de provinciehoofdplaats. Voor de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten adviseert de Provinciale [13]
Commissie bij de aanvang van de procedure (het voorontwerp van lijst) en de Centrale Commissie bij het afsluiten ervan (Besluit van de Vlaamse Executieve). De Provinciale Commissie adviseert verder voornamelijk bouwaanvragen en stedebouwkundige voorstellen (o.m. Bijzondere Plannen van Aanleg enz.). — De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg werd opgericht in 1972 en heeft, bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1972, de volgende opdrachten meegekregen: 1. het aanleggen en bijhouden van lijsten; hieronder wordt verstaan ,,de systematische opsomming of het in kaart brengen van de onder historisch of artistiek of wetenschappelijk oogpunt waardevolle monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen"; 2. het opmaken van inventarissen; hieronder wordt verstaan ,,de wetenschappelijke beschrijving van de monumenten en van de erbij horende kunstwerken of kunstvoorwerpen"; 3. de studie en de voorbereiding van de maatregelen in verband met de instandhouding en de beveiliging van monumenten en hun kunstbezit tegen rampen en oorlogsgevaar; onder kunstbezit wordt verstaan: „de onder historisch, artistiek of wetenschappelijk oogpunt waardevolle kunstvoorwerpen of instrumenten, die horen bij een monument zonder onderscheid of ze roerend dan wel onroerend zijn; 4. de publikatie van inventarissen en van wetenschappelijke bijdragen in verband met de monumenten- en landschapszorg; 5. het toezicht op het onderhoud en de instandhouding van de monumenten; op het onderhoud, de conservatie en de restauratie van het kunstbezit behorend tot deze monumenten en op de vrijwaring van de landschappen. In het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten wordt de taak van de R.M.L.Z. nader omschreven: „het beleid inzake de bescherming, de instandhouding, het onderhoud en het herstel van monumenten en stads- en dorpsgezichten voorbereiden en uitvoeren. De R.M.L.Z. bestaat uit een hoofdbestuur en provinciale directies. De R.M.L.Z. verleent medewerking aan de K.C.M.L. bij de uitvoering van haar taak en neemt tevens het secretariaat van de K.C.M.L. waar". Een schets van de structuur van de R.M.L.Z. werkt wellicht verhelderend:
Het Hoofdbestuur, gevestigd in Brussel, heeft volgende afdelingen: 1. afdeling Personeel en Economaat 2. afdeling Administratie 3. afdeling Beschermingen 4. afdeling Subsidiëring 5. afdeling Secretariaat van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Daarnaast bestaan er een aantal bijzondere afdelingen: 1. Bibliotheek en documentatie 2. Public relations, manifestaties en publikaties 3. Beschrijving en inventaris 4. Architectuur ' 5. Industriële Archeologie en Molens, 6. Orgels 7. Conserveringsploeg. Op provinciaal niveau zijn er de Provinciale Directies gevestigd respectievelijk in Antwerpen, Brugge, Gent, Leuven en Sint-Truiden (zie adressenlijst in bijlage). De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg maakt dus deel uit van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Hij staat ten dienste van het publiek en heeft o.m. als taak de nodige toelichting en voorlichting te geven. Zo hebben de provinciale inspecteurs o.m. voorbehouden bezoekdagen.
Op het niveau van de provincie In de provincies zijn, afhangend van de gouverneur, provinciale diensten van Cultuur werkzaam, die zich eveneens op het gebied van de monumentenzorg verdienstelijk maken. De aard en de uitbouw van deze diensten verschilt echter nogal van provincie tot provincie. Nadere inlichtingen kunnen dus best ingewonnen worden bij het provinciebestuur.
Op het niveau van de gemeente De laatste jaren hebben ook steeds meer gemeentebesturen voor zichzelf de noodzaak aangevoeld te kunnen beschikken over plaatselijke diensten voor monumentenzorg. Andere gemeentebesturen laten zich bijstaan door plaatselijke adviesorganen inzake ruimtelijke ordening en monumentenzorg. Ook hebben sommige gemeentebesturen stadsreglementen uitgevaardigd en worden premies voor restauratie, vernieuwbouw of stadsverfraaiing en -herstel toegekend.
Monumentenzorg kan slechts zinvol zijn indien het Gemeenschapsbeleid door de lokale overheden, verenigingen en particulieren wordt gesteund. Monumentenzorg als gemeenschapsbeleid moet gezien worden als een optreden met het algemene belang als uitgangspunt en richtsnoer, en met respect voor de individuele rechten. Met deze brochure hopen wij een eerste kennismaking te hebben gegeven met de bedoeling en werking van Monumentenzorg, zowel op het inhoudelijke als op het bestuurlijk-administratieve vlak. [14]
Bijlagen 1. Nuttige adressen — De Gemeenschapsminister van Cultuur Jozef II-straat 30, 1040 Brussel Tel. 02/219.02.37 — Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen Jozef II-straat 30, 1040 Brussel Tel. 02/217.99.90 — De Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg Jozef II-straat 30, 1040 Brussel Tel. 02/217.99.90 — Provinciale directies van de R.L.M.Z. Antwerpen: Leysstraat 27, 2000 Antwerpen Tel. 031/32.81.43, 31.77.64 Brabant: Naamsestraat 39, 3000 Leuven Tel. 016/22.74.04, 23.80.31 Brussel-Hoofdstad: Jozef II-straat 30, 1040 Brussel Tel. 02/217.99.90 Limburg: Minderbroedersstraat 6, 3800 Sint-Truiden Tel. 011/67.45.40 Oost-Vlaanderen: Recollettelei 6, 9000 Gent Tel. 091/24.19.57 West-Vlaanderen: Spanjaardstraat 7, 8000 Brugge Tel. 050/33.57.87, 33.52.81
2. Publikaties Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. De bedoeling van deze reeks is de volledige inventarisatie van het historisch-architecturaal patrimonium van Vlaanderen te realiseren. Het opzet van deze snelinventaris is drievoudig: — Vooreerst wil hij een beschermingsinstrument zijn als uit gangspunt voor de op te stellen lijsten van de te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten. — Vervolgens wil hij een gids zijn voor de architectuur van de streek. — Tenslotte wil hij, door een eerste, uiteraard verbeterbaar overzicht te geven van het bouwkundig erfgoed, een uitgangspunt vormen voor de nog steeds onontbeerlijke verdere wetenschappelijke uitdieping. De inventarissen worden opgemaakt per arrondissement of per stedelijke agglomeratie. Deel 1- Leuven uitverkocht Deel 2n- Halle-Vilvoorde 880 fr. Deel 3na- Antwerpen 710 fr. Deel 3nb- Antwerpen 1.100 fr. Deel 4na- Gent 880 fr. Dln. 4nb- Gent N/O en Z/W 1.980 fr. Dln. 5nl/5n2-Aalst 1.600fr. Dln. 6nl/6n2- Hasselt/Sint-Truiden 1.980 fr.
Dln. 7nl/7n2- Sint-Niklaas Deel 8n- Veurne Brussel-Hoofdstad, urgentie-inventaris
1.980 fr. 1.350 fr. 580 fr.
De lijst van beschermde Monumenten en Landschappen. In 1976 verscheen onder de benaming Cultuurbezit in Vlaanderen de lijst van de beschermde monumenten en landschappen, afgesloten op 31 december 1976. In september 1982 zal een nieuwe, bijgewerkte lijst verschijnen. Hierin zal eveneens een geactualiseerde inventaris opgenomen worden van wetgeving met betrekking tot de monumenten- en landschapszorg. Tweemaandelijks tijdschrift Monumenten en Landschappen. In september 1981 verscheen het eerste nummer van het nieuwe tweemaandelijkse tijdschrift onder de benaming M & L. Het abonnementsgeld voor zes afleveringen bedraagt 660 fr. en het tijdschrift kan besteld worden bij Snoeck-Ducaju en Zoon, Abonnementen M & L, Begijnhoflaan 464, 9000 Gent. R.M.L.Z.-documentatiemap. Deze documentatiemap is een initiatief van de sector landschapszorg van de R.M.L.Z. In deze map worden een aantal al of niet beschermde landschappen op wetenschappelijke wijze benaderd. Het vijfde nummer verscheen in mei 1982. Voorlopig nog gratis te bestellen bij de Rijksdienst. Het historisch orgel in Vlaanderen. In de eerste plaats is deze inventaris van belang voor de registratie van het orgelpatrimonium. Het boek licht ons tevens in over de toestand waarin de instrumenten zich bevinden. Bovendien is het de taak van de inventarisatie, hoe schematisch en onvolledig ze soms ook kan zijn, elementen aan te brengen om de orgelgeschiedenis te verhelderen en meteen de artisanale vakkundigheid van bepaalde orgelmakers aan het licht te brengen. Reeds verschenen delen: Deel 1 - Oost-Vlaanderen, 1974 200 fr. Deel 2a - Brabant, Arr. Halle-Vilvoorde, 1975 400 fr. Deel 2b - Brabant, Arr. Leuven, 1975 500 fr. Deel 3 - Antwerpen, Arr. Antwerpen, 1982 600 fr. Richtlijnen bij de samenstelling van een restauratiedossier (op aanvraag te verkrijgen). Richtlijnen voor het indienen van vorderingsstaten (in voorbereiding).
[15]
den aan privé-personen met de bedoeling er te gaan wonen en subsidies en premies te vergroten.Het individueel bezit zou echter een collectieve aanpak kunnen bemoeilijken, met alle gevolgen vandien. De gemeente zou hierin natuurlijk een stimulerende rol kunnen spelen als bemiddelaar en als initiatiefnemer door het herwaarderingsproces van 'De Ring' op gang te brengen. Het aanvangen van de infrastructuurwerken kan hier een doorslaggevende rol in spelen. Indien het project uitgevoerd wordt door een erkend vennootschap of door de gemeente, wordt de subsidiëring voor aankoop en renovatie maximaal en wordt de collectieve aanpak verzekerd. Als — in het geval van een beschermd monument in een herwaarderingsgebied — een erkend vennootschap de renovatie doorvoert, kan deze voor de woningverbetering en -verwerving en voor de restauratie, voor een totale bouwsom van 31.865.553 fr., gesubsidieerd worden voor 19.665.553 fr. Indien de gemeente de werken uitvoert kan op dezelfde woningverbeteringssom 21.512.314 fr. aan subsidies verkregen worden en voor de infrastructuurkosten van 9.358.000 fr. een subsidiebedrag van 5.422.300 fr. Bovendien krijgt de gemeente nog eens 60% terug van de verwervingskosten.
Algemeen besluit Met deze studie gelooft de Rijksdienst voor Monumentenen Landschapszorg een bijdrage geleverd te hebben die kan leiden tot een beter afgewogen beslissing ten aanzien van het ruimtelijk beleid binnen dit woongebied. Na het historisch onderzoek en het veldwerk volgde een zeer intensieve studie die leidde tot een concreet architecturaal voorstel. Uit vergelijkingen met projecten in andere steden in de sector van de renovatie van sociale woningbouw werd duidelijk dat renovatie niet enkel financieel haalbaar is maar tevens geacht wordt maatschappelijk relevant te zijn. Belangrijk hierbij is dat bij bijna alle vergeleken projecten dezelfde probleemstellingen zich voordoen, zodat opgedane ervaringen overdraagbaar worden. Een even belangrijke vaststelling is het feit dat een grondig onderzoek (wat bij de vergeleken projecten ook tot uiting kwam) absoluut noodzakelijk is om een beter en dieper inzicht te krijgen in de probleemstellingen. Verder dient aangestipt te worden dat 'De Ring' slechts een deel uitmaakt van de hele woonproblematiek te Hamme. Vandaar dat een algemene studie ter zake nuttig zou zijn. Een grondig onderzoek op sociaal, historisch, cultureel, ruimtelijk, financieel en administratief vlak is een conditio sine qua non wil men goede en haalbare opties bekomen. Tijdens de studie stelde het studieteam verheugd vast dat de huidige huisvestingspolitiek ter zake de mogelijkheid biedt aan gemeentebesturen, erkende vennootschappen of particulieren om over te gaan tot renovatie en dat hierbij de nodige financiële steun verleend wordt. Om de financiële aspecten te onderzoeken werd een kosten-batenanalyse opgemaakt. Bij deze analyse werd uitgegaan van drie hypothetisch vooropgestelde bouw-
heren namelijk de gemeente, een erkend vennootschap en een particulier. In elk geval mag besloten worden dat de hele bescherming van de desbetreffende woningen en een collectieve aanpak van de renovatie door de gemeente of een erkend vennootschap het meest interessant zou zijn zowel financieel als planologisch. Naast voorgaande gegevens wordt binnen die vernieuwde huisvestingspolitiek eveneens duidelijk dat niet enkel de financiële aspecten de hoofdrol spelen in het woningbeleid maar dat daarnaast sociale, culturele, historische en architecturale aspecten evenwaardig zijn binnen het ruimtelijk beleid. Vanuit de genomen opties hopen wij, met dit concreet voorstel, een beter inzicht verleend te hebben in de waaier van mogelijkheden waarbij de bescherming als monument van het betreffend woongebied kan aangegrepen worden om tot een vernieuwing en verbetering van het zo typische woonmilieu uit 'De Ring' over te gaan. Het belangrijkste besluit hieruit is ons inziens dat bewezen werd dat deze renovatie haalbaar is en dat alle betrokken instanties bereid moeten gevonden worden om de nodige inspanningen te leveren om zodoende tot een gezonde oplossing te komen. Met deze studie hopen wij een aanzet te hebben gegeven tot een open, vruchtbare en creatieve dialoog met alle betrokken partijen rond de renovatie van 'De Ring' te Hamme.
Voetnoten. (1) F. De Potter en J. Broeckaert, Geschiedenis van de gemeenten van Oosl-Vlaanderen: Hamme, Gent, 1889, p. 1. (2) F. De Pillecyn, Mensen achter de dijk, Leuven, 1971. (3) F. De Potter en J. Broeckaert, o.c., p. 20. (4) Ch. De Zuttere, Les Industries a domicile en Belgique. L 'industrie de la corderie, Bruxelles, 1907, p. 22. (5) Ibidem, p. 23. (6) W. D'Havé, Evolutie van de verstedelijking in twee naburige gemeenten: Hamme en Zele, R.U. Gent (licentiaatsverhandeling), 1966, p. 86-87. (7) Provincie Oost-Vlaanderen. Algemene Survey. Gemeente Hamme, (1950). (8) F. De Potter en J. Broeckaert, o.c, p. 22-23. (9) J. Van Geert, Het nest van de Wuiten, (niet uitgegeven), 1975. (10) J.P. Ertzinger, Volkshuisvesting in Hamme 19de en 20ste eeuw, N.H.I.B.S. Antwerpen (eindverhandeling), 1975, p. 11. (11) Ibidem, p. 15. (12) Zo blijkt uit het witboek van het onroerend cultureel erfgoed, uitgegeven door de Koning-Boudewijnstichting dat 66% van de door de gemeenschap geïnvesteerde subsidies terug in de staatskas vloeien. (13) — Stad Antwerpen, Enkele vingerwijzigingen voor het herstel van oude huizen, 1977. — Buurtopbouwwerk 'De Bleek' v.z.w.. Voor de herwaardering van de St.-Erasmusstraat, Borgerhout, 1978. — T.H. Delft afdeling bouwkunde, Kattendijke, 1973. — STIVERO (Stichting Stadsverbetering Rotterdam), Bij wijze van proef, 1975. (14) Het betreft hier de methode CATED. Zie hierover: Ministère de l'urbanisme et du logement. Direction de la construction. Guide pour I'amelioration des logements existants, Paris, 1982.
35
"D
T3
C
!-
55 S
^
i
0
o
ai
^
— o
o ^
^ OJ
i l l
Ö ca
<u £
O:
CD
er
S
ID en
CD
II
ra
-n
-o o> 5
?I 01 C
1« ^
8 £
^2 i
> . -o
CO
o c
v en
s
•;
ss
a
cn
§,!=»
ui -
UJ
il £ g
JZ)
TO OJ
u
~ E
"
r-
0=
c
>
cu ^
O)
•*" C\J
E S M a> 2 " Q en E
=
OJ Q
. CNJ
O
C\J
T
CJ
O
CNJ CNJ
, (NI "*" CSJ
O
CM CM
. CO "*" CM
CO
s + co
CM
+CVJ
CM CO
. CM "T CO
CM
+
CM
rCO
j . ^
cn CM
03
.
i -
i~
+
CM
S +
+s rCM
. ^
o CM
O
o o o o o
o o o
CO CM
CO TT
TT . UI CO ^ CO
2
0
I i
CO
. +
. ^
CM CM
I
CM . CNJ ^
CD CM
CM
+
CM
o o
CO CM
. ^
OO CM
LJ
E
(U o
o o o o o o o o o o o
ü
0 -. I
o
• •
36
— 0
5
enquête-resultalen.
03 tn
ia 5
CU 03
- ^
D
n o o o o o o o
+
+
o . o o
C
-O
o+ o o o
o
o
D
Li
O
O
D
O
O
o
o
D
o o
03
LJ
§
OJ
E
o
«
-03 a>
o
Q)
nj <u
—> 0 3
C
CQ E <C
o o o o o o o o o
o o o o o o o o
*
o.
Il II
o o o o o
+
o o
D D O
o Oil
n n J
•
"rö "H.
+
o o o
O
O
O
O
D
a o n
o o o o
II i
(Afd. Architectuur, R . M . L . Z . )
9;6oon -puo)Bid
o o o o o o
6uilij3n|i3/\
won
03
, E cn
>
CU
>
E £
o
g ^
n
o o o o o o +o o +o o +o c D o O o o o
D
V
^ ro
3 ™ o
I"1
£
3 3
03
E
S1
if
E
"^ C 03
SE t
E
E
13 - ^ cu
S
c c —
0
•IH]
Tabel III: samenvalling
Ê s ™ TO - Q
03
CU O)
D
Is =
o
+
> CO CM
ao o o
D
CO
+
O CO
o o+
IJ
o o o o
lO CO
03 u)
CD
g|
03 "D
C 03 03
is
5 ^
TO
S Si / i §^ «
O
; CD
TO >
o; Cö
, cn
CT-C C
aj
CO
O
T-
=3
o
O
+
O
TO — ^ C
Q. O
a O
O
c
Oi
c c e
CM
co c c ^ 22, ^ o g'E
t; = ^ ^t <C ^c
OJ
TO Q3
t
^-
t is c_
5 S TO >
Ol O
"O
|g
E o
s|
£S
ai j e
03 aj
> en E SS o en
il
cu
TO g -
HJ
o-
O) -o
CO
ro
*
BmuaizjooAsjn^
jiBliues
De Ring: kinderen na schooltijd. (Foto afd. Architectuur, R.M.L.Z.)
Beknopte literatuurlijst. Historiek: algemeen. 1. Bekaert G., B. Van Reeth en E. Van Broekhoven, Omtrent wonen, Antwerpen, 1971. 2. Bertrand L., Le logement de l'ouvrier et du pauvre en Belgique, Bruxelles-Paris, 1888. 3. Bertrand L., Une visite au familistère de Guise, Bruxelles, 1888. 4. Ducpétiaux E., Le Pauperisme dans les Flandres, Bruxelles, 1850. 5. Engels F., Over hel woningvraugsluk, Nijmegen, 1970. 6. Mekkmg A.., Petrus Regout, een ondernemer als bouwheer, in Wonen. TA/BK, nr. 1, 1975. 7. Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België. Een overzicht van de Belgische volkswoningbouw in de periode 1830-1930, Brussel-Luik, 1977. 8. Soenens A., Les habitations ouvrières en Belgique, Bruxelles, 1894. 9. Soenens A., L'inspection des habitations ouvrières, s.l., 1913. 10. Sleensels W., Proletarisch Wonen, C.E.A.-C.E.R.E. Antwerpen, 1975. 11. Van Den Bos L., Du logement de l'ouvrier, Gand, 1887. Historiek: Ham me. 1. Commission du travail, Le travail industriel. Compte-rendu des seances. Section Regionale B. Termonde, Bruxelles, 1887. 2. De Winne A., Door arm Vlaanderen. De touwslagers van Hamme, Gent, 1903. 3. Durmek\okken,Gewestelijk weekblad, Hamme. 4. Hamme, Info-Hamme, 1974.
5. Thuysbaerl A.J., De Nationale Maatschappij voor Huisvesting en haar sociale woningbouw. 'De Zonnige Woonst', verhandeling, Antwerpen, 1975. Literatuur bij het ontwerp. 1. Caisse Nationale des Monuments Historiques, Réutiliserlepatrimoine architectural, 2dl., Parijs, 1978. 2. Groep Planning, Structuurplan Brugge, Brugge, 1976. 3. Koning-Boudewijnstichting, Groene eilandjes, s.l., 1981. 4. Matthew R. e.a.. New life in old towns, London, H.M.S.O., 1971. 5. Ministerie van Openbare Werken, Stads- en dorpsherwaardering. Technische en juridische leidraad voor het Vlaamse Gewest, Brussel, 1981. 6. Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, Informatieblad, nr. 50, 1980. 7. ld.. Onderrichtingen R/80, 1980. 8. Particulier woningbezit: rem op stadsvernieuwing, in Wonen TA/BK, nr. 23-24, 1981. 9. The Housing Rehabilitation Handbook, The Architectural Press, London, 1980. 10. Typologie de Thabital ancien 1850-1948. Actes de collogue du Wjanvier 1979 a I'abbaye de Royaumenl, Plan-Construction, Paris, s.d. 11. Stad Gent, Stadsontwikkeling, 1977. 12. Vermeersch C , Sociale stadsvernieuwing en structuurplanning, Gent, 1981. 13. W.I.A.R.U.G., Onderzoek naar de Gentse beluiken. Gent, 1978.
37
ÜMzi 'ic-vdii
linXci
P1.XL1V.
Maitm
1_
Qiimtiiv ll1et4ijiJ. ?aiU-vouii^wfc/^MV;
(XO tjVMOJilyi bili !j nuu/tvij
Cl^i/Uii V I .
SuMfc CetifcuiA.
Ë f i m t y ^Birn-ti.
Cttunit,.
6
I)iyUciu<,S.
J I A S U &(r4
Cïr^hTnTTiLt mijj
De neogotische beelden van het stadhuis te Leuven, schepping van de 19de-eeuwse restauratiedrang A. Maesschalck, J. Viaene
Het stadhuis van Leuven, zoals het nu voorkomt, werd eigenlijk in twee fases gebouwd. Het ontstond als een homogeen U-vormig complex in de 15de eeuw, maar werd in niet geringe mate herbouwd en voltooid in de 19de eeuw. De menigvuldige restauraties, die reeds in 1825 begonnen waren en in feite tot op onze dagen werden verdergezet, hebben het monument zowel uitwendig als inwendig fel veranderd. Extern heeft vooral het sculpturale aspect van het gebouw een grondige metamorfose ondergaan. Er bestaan tal van aanwijzingen die erop duiden dat de kraagstenen baldakijnen, pinakels, lovers, friezen en vele andere decoratieve elementen niet meer helemaal zijn wat ze vroeger waren. Maar de meest ingrijpende verandering is ongetwijfeld gevolgd uit de beslissing van 1847 om het werk van de middeleeuwen te voltooien door het aanbrengen van beelden in de 230 leegstaande nissen.
Het reusachtige beeldenproject, dat tussen 1849 en 1907 werd gerealiseerd, heeft het monument een onmiskenbare neogotische aanblik bezorgd. Het gebouw zou nooit in zo'n sfeer gebaad hebben ware de onderneming in de 15de of 16de eeuw uitgevoerd, zoals dit wel degelijk gepland was. Alhoewel velen nog altijd niet helemaal met de 19deeeuwse ingreep verzoend zijn, begint toch het besef door te dringen dat er geen weg terug is. ledere eeuw heeft immers belangrijke veranderingen aan het stadhuis aangebracht, die tot ons cultureel erfgoed moeten worden gerekend. De enorme beelden verzameling bezit ontegensprekelijk een eigen artistieke en kunsthistorische waarde die bescherming verdient. In de 19de eeuw beroemde de Leuvense magistraat er zich reeds op dat de stad het bijzonderste centrum van beeldhouwkunst van het land was. Zij legde zich een zware inspanning op om deze activiteit te ondersteunen en te stimuleren. De opdrachten werden uitsluitend aan Leuvense kunstenaars toegewezen en dit monopolie werd tegen de Brusselse geeuwhonger tot het einde toe met succes verdedigd. Leuven heeft aldus een unieke verzameling aangelegd, die meer dan een halve eeuw artistieke creativiteit binnen haar eigen muren vertegenwoordigt. Wanneer nog altijd twijfels blijven leven omtrent het bevolken van de nissen van het stadhuis, dan ligt dit in grote mate aan het ontbreken van een gedegen studie. Met deze bijdrage pogen we de lacune enigszins op te vullen. Het onderzoek blijft evenwel beperkt tot een eerste, algemeen overzicht, zonder af te dalen naar het beeldhouwwerk zelf. Om met dit laatste te kunnen beginnen, is er heel wat meer voorbereiding nodig. In de loop van de langdurige realisatie van het beeldenprogramma hebben veel voorvallen het probleem bijzonder ingewikkeld gemaakt. Onder meer de verschillende restauratiecampagnes, die sinds 1825 bijna ononderbroken werden opgezet, lopen
voortdurend door het verhaal heen en verdienen nauwkeurige studie. Bovendien zal het onderzoek uitgebreid moeten worden tot andere bronnen dan het archief van de stad Leuven (A.L.). Behalve de briefwisseling van de „Commission royale des monuments et des sites" die berust in het archief van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg in Brussel (A.B.) hebben we tot dusver geen andere historische documenten nagekeken. Het is evident dat zo'n aanvullend onderzoek zal leiden tot het herzien van sommige inzichten die we in deze bijdrage hebben uitgesproken. Het probleem is echter zo omvangrijk en ingewikkeld dat het niet anders dan stap voor stap kan worden opgelost.
De geschiedenis van de beelden en 150 jaar restauratie Vooraleer in 1847 de beslissing viel om, bij wijze van proef, 18 beelden te laten uitvoeren die de onderste nissen van de voorgevel zouden bevolken, waren reeds een zevental jaren aan de discussie van het probleem besteed. De idee is immers gegroeid uit de eerste grote restauratiewerken aan de gevels van het 'voorste huis' tussen de jaren 1829 en 1841. Door tal van omstandigheden zal de geschiedenis van de beelden overigens nauw verbonden blijven met de herstelling van het voorste deel van het stadhuis. De restauratie is nu reeds meer dan 150 jaar praktisch zonder onderbreking aan de gang. Na 1841 zette men de grote vernieuwing verder, maar nu binnen in het stadhuis. Bovendien zag men na enkele jaren reeds een ernstig verval optreden van de pas gerestaureerde gevels. De witte steen van Hordain, die men onder meer voor de kraagstenen gebruikt had, bood bijzonder weinig
i Plaat nr. XLIV uit A. Everaerts: „Monographie de l'hölel-de-ville de Louvain", Leuven, 1872.
39
weerstand aan regen en vorst, zodat reeds in 1880 de uitvoering van het beeldenproject stopgezet moest worden, enkel en alleen omdat de kraagstenen het gewicht van de beelden niet meer konden dragen. Na lang uitstellen zou de stad in de jaren 1890-1913 een tweede grondige restauratie van de drie versierde gevels laten uitvoeren. Terzelfder tijd hernam men ook het beeldenprogramma. Het was pas voltooid toen de eerste wereldoorlog uitbrak. De toenemende luchtvervuiling, de erge duivenplaag en de schade veroorzaakt door twee wereldoorlogen, zorgden na 1913 voor de continuïteit van de restauratie. Vooral de bombardementen van 1944 berokkenden heel wat schade aan de gevels. In 1972 was de stad aan de derde grote herstelling van het 'voirste huys' toe en zag zich opnieuw geconfronteerd met het probleem van de beelden, waarvan vele exemplaren door oorlog en verwering ernstig toegetakeld waren. Het einde van de nieuwe campagne wordt verwacht voor 1982, maar als de actuele omstandigheden blijven wat ze zijn, vrezen we dat de vierde restauratie niet zo lang meer op zich zal laten wachten. ,,11 ne faut pas se faire trop d'illusions" zei iemand in 1893 in de Leuvense gemeenteraad, ,,on restaurera encore après nous" (zitting 9 nov. 1893).
Dominique Everaerls, archilecl-reslauraleur (1803-1869) uil A. Everaerts, o.c, p. 3.
Ontstaan en groei van het beeldenproject (1840-1847) Na vele discussies, die reeds in 1825 aanvingen, was de stad in 1829 eindelijk met de eerste restauratie van haar stadhuis begonnen. Kunsthistorisch hebben deze werken een veel breder dan regionaal en zelfs nationaal belang, want het was één van de vroegste grote restauraties in Europa. Reeds gedurende de werken gaf men zich daar 40
rekenschap van. Vanuit binnen- en buitenland werd er gevraagd naar ervaring en resultaten. Er was overigens ook reeds heel wat kritiek, waartegen architect Dominique Everaerts zich moest afzetten. Afgezien van een bijdrage van 2.000 gulden, die in 1826 door de gedeputeerde staten ter beschikking gesteld werd voor de 'buitengewone werken aan het stadhuis' — een subsidie waarover Leuven na de revolutie van 1830 in alle talen zal zwijgen ! —, financierde de stad de restauratie gedurende de eerste jaren helemaal alleen. Pas vanaf 1836 zouden Staat en Provincie een som van 3.000 fr. per jaar uitkeren. Op 21 juli 1840, toen dit bedrag reeds viermaal ter beschikking was gesteld, vroeg de gouverneur, in naam van de minister van Binnenlandse Zaken, hoever de werken stonden en hoeveel geld er nog nodig zou zijn om de restauratie te beëindigen. Laconiek volgde daarop de vraag: ,,Mr. Ie Ministre désire savoir en outre, si l'intention de l'administration de votre ville est de completer Ie bel edifice dont il s'agit en faisant exécuter annuellement quelques statues en pierre pour être placées dans les niches restées vides" (A.L. 6891). Wij vonden geen oudere teksten die naar het ontstaan van de idee verwijzen, zodat de oorsprong van het beeldenproject omstreeks 1840 gesitueerd mag worden. Was het werkelijk de eerste maal dat de idee geopperd werd, of deed de stad of haar neus bloedde? In elk geval maakte de gemeentelijke overheid er zich in een uitvoerig antwoord omtrent de financiële toestand van af met de bondige opmerking achteraan de brief, dat het niet goed was geweten of het wel ooit de bedoeling van de middeleeuwers was geweest beelden in de nissen te plaatsen. Ook wees de stad erop dat aan zo'n project niet te denken viel zonder te weten wie dat zou betalen (A.L. 6891, brief van 11 augustus 1840). Het bleef daarna enige tijd stil, maar het probleem kwam voorgoed ter tafel wanneer de stad in 1841 haar vijfde subsidie van 3.000 fr. toegewezen kreeg. Zij nam terecht aan dat deze som, zoals vroeger, bestemd was om de schulden van de restauratie te dekken. Maar na wat geharrewar bleek dat het niet om een laatste hulp ging voor de werken, maar om een nieuwe 'spontane' subsidie „accordé par Ie Roi suivant son arrêté du 31 septembre 1841, afin d'aider notre administration a couvrir les frais a résulter de l'exécution des statues nécessaires pour garnir la facade de l'hótel de ville" (A.L. 6891, brief van 12 okt. 1843). Omwille van deze 'spontane' koninklijke hulp kon Leuven moeilijk nog de idee afweren, maar dat de subsidie in die eerste jaren als een vergiftigd geschenk werd aangezien is af te lezen uit wat verder gebeurde. Tussen 1841 en 1847 haastte de stad zich niet om aan het werk te gaan. Het probleem werd van commissie naar commissie doorgegeven, en de som bleef al die jaren ingeschreven als een project voor betere dagen. In het decisief — en voor de geschiedschrijving uiterst belangrijk — verslag, dat Ch. De Luesemans op 16 maart 1847 voor de gemeenteraad bracht, vat hij deze lijdensweg samen. Hierin wordt koning Leopold 1 nogmaals genoemd als diegene die de doorslag gegeven heeft tot de realisatie van het project. We willen het best geloven, maar er bestaan toch andere elementen die op een meer prozaïsch
e Stadhuis Leuven Westelijke zijgevel, gelijkvloers en deel van N.- W. hoektoren. Toestand na de eerste restauratiecampagne (A.L., stadhuis, l reeks. I, 152).
vaderschap wijzen. De idee is zonder twijfel gegroeid in de omgeving van diegenen die met de eerste restauratie bezig waren. Vooral de beeldhouwers moeten uitgekeken hebben naar middelen om ook nog na 1841 aan de slag te blijven. Velen van hen woonden in Leuven, dat in de 19de eeuw een belangrijk centrum van beeldhouwkunst was. Een van de bekendste Leuvense beeldhouwers, Egide Goyers (geb. Leuven 12 sept. 1796 - gest. 18 dec. 1847), had sinds het begin van de eerste restauratie het hoog toezicht op al het sculpturale werk uitgeoefend. Zijn atelier zou later een belangrijk deel van het beeldenproject in de wacht slepen. In een brief van 4 september 1843 aan de gouverneur schreef de toenmalige minister van Binnenlandse zaken Nothomb: ,,J'ai l'honneur de vous informer qu'après avoir pris l'avis de la Commission Royale des Monuments, je désire que Ton commence par placer dans les niches de la fa?ade principale de l'hótel de ville de Louvain, les Dues de Brabant, les Comtes de Louvain et les personnages célèbres de la magistrature et de l'université de cette ville. Je désire aussi, Mr. le Gouverneur, que l'exécution de ces statues soit confiée aux élèves les plus distingués de la classe de sculpture de l'Académie des Beaux-Arts et qu'elle ait lieu sous la direction de Mr. le professeur Geerts". (A.L. 6921). Alhoewel de bevelen van de minister prematuur
waren en nooit in deze vorm werden uitgevoerd, laten ze toch vermoeden dat er interventies vanwege de Leuvense beeldhouwers bij hun politieke broodheren zijn geweest. Dezelfden zouden er later trouwens voor zorgen dat enkel de Leuvense kunstenaars aan de uitvoering mochten deelnemen. Deze bemoeiingen, de plotse eigenaardige gedaanteverwisseling van de subsidie van 3000 fr.in 1841 en de aanhef in het rapport van De Luesemans van 1847 (,,Du monde artistique, du public, cette question est descendue dans les corps constitués") zetten een vraagteken achter het 'spontane' mecenaat van Koning Leopold I. Het hele initiatief kon evengoed berusten op een goed georganiseerde politieke begunstiging. De traagheid waarmee Leuven aan de 'Koninklijke' wens tegemoet kwam, zou in zulke omstandigheden beter te begrijpen vallen. Hoe dan ook, de stad stond gedurende de jaren van voorbereiding niet met hart en ziel achter het project. Ze consulteerde her en der en werd in de jaren 1844-1845 herhaaldelijk onder druk gezet. Op 16 mei 1844 vroeg de gouverneur zelfs wat de reden was waarom de stad zo weinig animo vertoonde, daar waar de regering toch met de beste intenties bezield was. De burgemeester antwoordde, na wat aandringen, dat er geen geld genoeg beschikbaar was (cfr. rapport De Luesemans, 1847). Maar alhoewel dit 41
voor de Leuvenaars ongetwijfeld een zwaarwichtige reden was, kan men zich bij de lezing van de vele documenten toch niet van de indruk ontdoen dat er twijfels bestonden omtrent de deugdelijkheid van het project zelf. De burgers van de stad waren het gedurende eeuwen gewoon geweest hun stadhuis zonder beelden te zien en de overheid kon terecht ernstige kritiek vrezen bij elke ingrijpende verandering. Dezelfde banbliksems zouden overigens opnieuw vallen als men vandaag alle beelden zou wegnemen of gewoon niet meer restaureren. In elk geval beseften de Leuvense gemeentevaderen dat de uitvoering van de idee hen niet alleen grote kosten, maar ook een hoop twist en last zou brengen. Zo is het best te begrijpen waarom ze niet erg warm liepen voor het Brusselse voorstel. Ten spijt van deze aarzelende en sceptische houding, werd de bijzonderste vraag in het begin niet in discussie gebracht: mocht men in de 19de eeuw wel beelden in het 15de-eeuwse stadhuis zetten? Het leek voor velen vanzelfsprekend dat het werk van de middeleeuwen voltooid moest worden. Zonder twijfel heeft het bloeiende romantisme van die tijd zijn aandeel gehad in deze houding, maar men mag ook niet vergeten dat de Leuvenaars moeilijk de principiële vraag konden aansnijden zonder de
ten ?'' om tenslotte op de gemeenteraad van 2 mei 1846 tot het besluit te komen „que la question de principe n'était pas résolue et, devant quelques doutes qui avaient surgi, il semblait utile de s'éclairer de nouveau sur la convenance de décorer la fagade de statues" ! (cfr. rapport De Luesemans, 1847). Door een nieuwe commissie werd vervolgens de vraag waarmee men had moeten aanvangen, ter studie genomen. Tevens werden alle reeds onderzochte problemen nogmaals ter tafel gelegd. Brussel was duidelijk niet gelukkig met al dat getalm en bleef hardnekkig aandringen. Het had in 1844 nog een tweede subsidie van 3.000 fr. toegekend om de financiële objecties van de stad te ontkrachten. Leuven had het bedrag dankbaar aanvaard, maar bleef de minister aan het lijntje houden. In 1847 bracht de laatste commissie eindelijk haar advies uit omtrent de principiële vraag en het antwoord was positief. Nu kon de stad niet meer terug. Op 16 maart 1847 bracht Ch. De Luesemans verslag uit in de gemeenteraad en verstrekte op objectieve wijze een overzicht van alles wat in de vele commissies gezegd was. Nergens beter dan in zijn rapport kan de lezer het antwoord zoeken op de vragen die gedurende zes jaar in discussie werden gebracht. Hij zal bemerken dat pro en contra zorgvuldig werden overwogen. Het verslag van De Luesemans maakte grote indruk. Het werd onder meer overgenomen in de „Journal de Louvain" van 28 maart 1847, zodat ook de bevolking weet had van het hele gebeuren. Op de gemeenteraadszitting van 8 april 1847 werden de conclusies van het rapport goedgekeurd. Daarin werd voorgesteld een prijsvraag uit te schrijven, alleen toegankelijk voor beeldhouwers die in Leuven geboren of gedomicilieerd waren. Bij wijze van proef zouden 18 beelden gemaakt worden voor de onderste nissen van de voorgevel op de markt. Als de proef meeviel, zou met het project worden doorgegaan. Voor de uitvoering koos men de witte steen van Rochefort in Frankrijk. Die was gelukkig van een veel betere kwaliteit dan de steen van Hordain, die tot 1841 voor het sculptuurwerk van de eerste restauratie was gebruikt.
De eerste fase van uitvoering: de beelden tot onder de balustrade (1847-1880)
Stadhuis Leuven: Zuidwestgevel, traptoren: gelijkvloers en eerste verdieping. Toestand vóór 1898 (A.L., 1' reeks, I, 150).
Koning voor schut te zetten. Bijgevolg consulteerde de gewiekste gemeenteoverheid tussen 1841 en 1846 meerdere instanties over secundaire strijdvragen zoals: „welke figuren zullen er in de nissen verschijnen ? Hoeveel zal dit kos42
Na de beslissing van de gemeenteraad in 1847 werd de jury samengesteld die de prijsvraag zou voorbereiden en de inzendingen beoordelen. Pas op 20 april 1849 kon tot de uitschrijving worden overgegaan. Al die tijd bracht de jury door met discussies omtrent het vastleggen van het thema en de condities van de prijsvraag. Eerst werd een 'plan d'ensemble' opgesteld voor de 281 nissen (230 grote en 51 kleine) die bevolkt moesten worden. „Transformer la fapade du monument en une sorte de galérie historique, oü l'on verrait représentés les personnages ayant illustré Louvain, et rappelant en même temps les principales institutions de la commune dans les siècles passés, voila l'idée qui a guide Ie jury dans la confection du plan general d'ensemble. D'après ce plan des hommes célèbres, tribuns, savants, guerriers, artistes, se rattachant
a l'histoire de Louvain, occuperaient les grandes niches du rez-de-chaussée. Celles du premier étage seraient réservées aux institutions de la commune. On placerait au deuxième étage les Comtes de Louvain et les Dues de Brabant. Enfin les statues a placer dans les petites niches représenteraient des figures emblématiques se rapportant aux Sciences, aux Lettres, aux Arts, a la Gloire militaire, etc." (prijsvraag van 20 april 1849). Dit bleek gemakkelijker gezegd dan gedaan, want het daaropvolgende detail van het 'plan d'ensemble' werd bijzonder schematisch uitgewerkt. In feite had men enkel de 18 beelden, die als proef uitgevoerd zouden worden, definitief vastgelegd. Aangezien deze beelden de onderste rij nissen van de voorgevel zouden versieren, dienden zij figuren voor te stellen die Leuven groot hadden gemaakt. Het lijstje met de 18 namen putte de mogelijkheden al behoorlijk uit, zodat men niet voldoende personages in reserve hield om dadelijk de resterende nissen van een titularis te voorzien. De jury besliste de lijst later aan te vullen. Nog minder werd een poging gedaan om het thema van de eerste en tweede verdieping concreet in figuren om te zetten. Ook dit zou later gebeuren. Voor de torentjes ter hoogte van het dak beperkte het plan zich tot één zin: „representations emblématiques des vertus et des vices, personnages bibliques, prophètes, e t c " .
Alhoewel dit programma in grote lijnen door de jaren heen werd behouden, werden regelmatig grondige veranderingen aangebracht, telkenmale aan de concrete uitvoering van een deel werd begonnen. We kunnen overigens niet de indruk van ons afzetten dat de jury in de jaren 1847-1849 niet geloofde in de volledige uitvoering van het project. Vandaar de toenemende vaagheid in het 'plan d'ensemble', naarmate de uitvoering verder in de toekomst lag. Deze onduidelijke doelstelling en het grote aantal te bevolken nissen was de oorzaak van toenemende thematische verwikkelingen en een relatief onoverzichtelijk en onsamenhangend eindresultaat. Beelden die men in 1847-49 op het gelijkvloers bijeen wou plaatsen — zoals de Leuvense streek- en patroonheiligen — raakten verspreid over de twee zijgevels op de eerste verdieping. Vooral de westelijke zijgevel, het eindpunt van iedere reeks, kreeg het thematisch hard te verduren. Men treft er een zeer onwaarschijnlijke plaatsing van sommige beelden aan, resultaat van meerdere veranderingen. In de loop van de uitvoering van het project schrok men er overigens niet voor terug ingrijpende wijzigingen aan de reeds afgewerkte thematiek voor te stellen. Zo adviseerde de jury op 13.11.1864 (A.L. 6925) de zes beelden die in de
Zicht op stadhuis. Aquarel van J.B. De Noter (1787-1855) (Stadhuis, Leuven). Foto P. Somers, R.M.L.Z.
43
jaren 1849-53 voor de onderste rij ontworpen waren, te verhuizen naar de westelijke zijgevel, omdat hun stijl niet paste in het kader van die van de andere beelden. Gelukkig blijkt dit advies niet te zijn opgevolgd, want de genoemde beelden staan nog steeds op hun oorspronkelijke plaats. Dergelijke ingrepen maakten het project op de duur dermate ingewikkeld, dat slechts ingewijden nog in staat waren orde te houden in het geheel. Ook nu is het niet zo eenvoudig er nog de weg in terug te vinden. In de prijsvraag van 1849 heeft de jury vanzelfsprekend ook de condities vastgelegd voor de deelname. Eerste voorwaarde was: van geboorte Leuvenaar te zijn of in deze stad te wonen. Reeds onmiddellijk kreeg men met deze clausule last en — onder druk van Brusselse invloeden — namen de moeilijkheden met de jaren toe. Doch de Leuvenaars wisten tot het einde toe handig hun monopolie te vrijwaren. De 18 beelden werden voor de prijsvraag opgesplitst in drie reeksen. ledere reeks kreeg een boegbeeld: Matheus de Layens, Paus Martinus V en Rega. De kunstenaar die het beste boegbeeld ontwierp, zou de reeks van zes beelden mogen uitvoeren. Omtrent de stijl zegt art. 13: „Les statues, bien qu'elles représentent des personnages ayant vécu a des époques différentes, doivent être traitées dans Ie style de l'architecture du monument, tout en conservant la fidélité du costume se rapportant a l'époque oü a vécu Ie personnage représenté". Aan deze voorwaarden heeft men gedurende de hele 19de eeuw vastgehouden. Praktisch van in het begin verplichtte de jury de beeldhouwers voorafgaandelijk een kleinschalig model te maken, op 1/3 van het normale formaat. Na enkele tijd werden zelfs houten nissen vervaardigd, eveneens op 1/3 van het normale formaat, om de beoordeling van dit eerste model te vergemakkelijken. Pas na een eerste keuring mocht een tweede model in gips, ditmaal op ware grootte, worden voorgebracht. Het werd andermaal aan de jury voorgelegd. Daarna volgde de toelating om het origineel uit te voeren, helemaal conform aan het goedgekeurde model. Een derde en laatste controle volgde nog, teneinde de overeenkomst tussen model en stenen beeld na te gaan. De deelnemers aan de prijsvraag van 20 april 1849 moesten hun inzending reeds vóór 15 augustus 1849 op het stadhuis brengen, voorzien van een teken om de anonieme beoordeling mogelijk te maken. Na 8 jaar discussie moest het nu blijkbaar vlug tot een resultaat komen. Maar de gestelde termijn bleek te kort, zodat een verlenging werd toegestaan tot 17 november 1849. Conform aan het reglement van de prijsvraag werden de 23 ingezonden beelden tussen 28 november en 2 december 1849 tentoongesteld in de gevelnissen, zodat het publiek kon oordelen. In de belangrijkste herbergen van de stad werd, door middel van grote affiches, de inwoners kond gedaan van deze gebeurtenis. De jury sprak zich op 2 december 1849 uit, maar er kwam onmiddellijk herrie van. De eerst-geklasseerde beeldhouwer, J. Ducaju, bleek geen Leuvenaar te zijn, maar in Brussel te wonen, alhoewel hij als domicilie een Leuvens adres opgaf. Voorgesteld werd hem uit te sluiten. De op hem volgende laureaten — P. Puyenbroeck, Ch. Geerts en A. Bolen — voldeden wel aan de voorwaarden, maar hun 44
beelden waren niet helemaal naar de zin van de jury. Er werden wijzigingen aanbevolen. Alle drie mochten ze nieuwe, kleine modellen ontwerpen tegen begin maart 1850. De ontevreden afgewezen kunstenaars meenden dat daarmee een nieuwe prijsvraag was uitgeschreven en protesteerden schriftelijk bij de stad. Hun klacht werd na juridisch onderzoek afgewezen en de drie laureaten bleven aangeduid. Wel werd de term 'lauréat', op aandringen van de misnoegden, geschrapt (A.L. 6921). De prijs per beeld werd vastgesteld op 350 fr., wat meer dan 100 fr. minder was dan de som door sommige beeldhouwers gevraagd. Toch aanvaardden allen het werk tegen deze voorwaarden. In de gemeenteraad brak nu pas de kritiek in volle hevigheid los. Enkele stemmen uit de zitting van 6 mei 1850 bewezen dat velen nog niet verzoend waren met het initiatief: M. Carlier - ,,Je regarde cette decision (beelden te plaatsen) comme une conception malheureuse sous Ie double rapport des finances et de Tart ... Je ne suis pas artiste, mais les artistes mêmes ne sont pas d'accord sur la question de savoir si les niches sont destinées a recevoir des statues. Nous avons eu naguère (d.w.z. in december 1849) un échantillon de ce que serait la fagade garnie de statues, lorsque nous y avons vu les épreuves du concours. Le seul bon sens indiquait que les statues écraseront la fagade". De Luesemans (die het project verdedigde): ,,La position des modèles produits au concours et le concours même ont causé beaucoup d'émotion dans le public. Beaucoup ont parlé contre, beaucoup ont parlé pour ... quant a l'effet produit par les modèles, il ne pouvait être bon, car les places étaient tirées au sort, les dimensions, les couleurs étaient différentes,...". Het jaar 1850 lijkt wel het dieptepunt te zijn geweest m.b.t. het Leuvense onbehagen omtrent het door Brussel opgedrongen project. Opgeschrikt nam de gemeentelijke overheid voor de eerste maal zelf de verdediging ter harte, daarin gesteund door de jury die ook in de toekomst over de uitvoering van de beelden zou waken. Geleidelijk identificeerde de stad zich met de idee die buiten haar ontstaan was en na enkele jaren bleek het oude scepticisme verdwenen. Van toen af aan werd ook het nodige gedaan om de publieke opinie gunstig te stemmen. Zo profiteerde De Luesemans van een kort verblijf van Victor Hugo in Leuven in 1852 om hem zijn steun te vragen voor het project. De Franse dichter was niet mals voor Dominique Everaerts, auteur van de eerste restauratie, wie hij verweet te fel op het gebouw te hebben ingegrepen (,,a mon sens on a trop restauré votre magnifique hotel de ville"), maar de voltooiing van het stadhuis met beelden vond hij goed (,,je suis complètement de votre avis sur la convenance, je dis plus, sur la nécessité de meubler de statues les niches vides"). De beelden zouden volgens Hugo de horizontale lijnen van het stadhuis breken en het gebouw gotischer maken (A.L. 6921, brief van 29 febr. 1852). Veel kritiek verstomde waarschijnlijk ook omdat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen haar tevredenheid uitsprak over de eerste resultaten (30 april 1853 - A.L. 6921 en 6922). Bovendien bleek het voorbeeld van Leuven belangstelling te wekken. Zo vroeg Brugge op 3 maart 1851 naar informatie over de prijsvraag
en over de aanwezigheid van beelden in het 13de-eeuwse stadhuis (A.L. 6891). De uitvoering van de 18 eerste beelden vergde veel meer tijd dan men verwacht had. Puyenbroeck en vooral Bolen lieten zich bij de oren trekken — het loon was niet zo interessant — en vroegen steeds maar opnieuw om uitstel. De jury van haar kant bezat geen ervaring en kwam moeilijk op gang. Het duurde tot 28 nov. 1852 vooraleer de 6 eerste beelden van Ch. Geerts in de nissen stonden en op 30 april 1854 bedroeg het aantal gevelbeelden nog maar 15. Toch toonde de jury zich op deze dag erg opgetogen over het resultaat en drong er bij de stad op aan om het project verder te mogen zetten. Velen leken ondertussen verzoend te zijn met de idee en er werd praktisch geen weerstand meer geboden. Van toen af kwam er ook meer vaart in de uitvoering. In 1858 prijkte reeds de 2de reeks beelden in de bovenste rij grote nissen van het gelijkvloers (voorgevel). Onder protest van Brussel dat controle wou op de wijze waarop de nieuwe beeldhouwers werden aangeduid, trok de jury nieuwe Leuvense krachten aan, teneinde meer armslag te hebben t.o.v. de afremmende laureaten van het eerste uur. Michel Abeloos, de gebroeders Goyers (zonen van Egide Goyers, die op de eerste restauratie had toegezien), Severin van Aerschodt en Fran?ois Vermeulen werden vaste medewerkers voor lange tijd. Geleidelijk aan begon ook de jury — waarvan de leden nu en dan vervangen of aangevuld werden — haar draai te vinden. Zij lag onzes inziens aan de basis van de normalisatie van het project dat pas na 1853 ingezet werd. Zij slaagde er in haar autoriteit te doen aanvaarden, zowel in Leuven als in Brussel, onder meer door streng te blijven en op kwaliteit te staan. Zij handhaafde de regel van kleine en grote maquettes en was niet karig met haar opmerkingen. Herhaaldelijk moest het hele beeld opnieuw worden gemaakt, ook door ervaren en bekende kunstenaars. Weinig beelden geraakten zonder aanmerkingen door de keuringen. Met de aanstelling in 1859 van Ed. Van Even, de bekende archivaris van de stad, en Ch. Piot, historicus verbonden aan het Rijksarchief, werd het werk van de commissie nog nauwgezetter. Na enkele maanden had E. Van Even, die van in den beginne voor het project gewonnen was, zelfs alle touwtjes in handen. Geen enkele brief, geen enkel voorstel ontsnapte aan zijn tussenkomst. De stad verliet zich volkomen op hem. Samen met Ch. Piot zorgde hij voor historische documentatie omtrent de uit te beelden figuren: levensbeschrijvingen, tekeningen, portretten, munten, enz. In tegenstelling tot Van Even was Piot één van de laatste felle kritikasters van het beeldenproject (o.m. in een fel opgemerkt artikel van 1855). Maar na zijn aanstelling als jurylid werkte hij intens mee aan de verwezenlijking van het programma. De aanstelling van beide deskundigen leek ook te zijn ingegeven door de noodzaak om het vage 'plan d'ensemble' van 1849 een concrete gestalte te geven. In 1859 moest immers begonnen worden met de beelden van de eerste verdieping, gewijd aan de Leuvense instellingen uit de middeleeuwen. De jury van 1849 had slechts zeer in het algemeen verwe-
zen naar figuren als de twee burgemeesters en zeven schepenen, de zeven geslachten, enz. Nu moest duidelijk gezegd worden hoe dit zou gebeuren en daartoe was deskundig advies nodig. Het nauwgezette optreden van de jury in de lange jaren na het uitschrijven van de prijsvraag van 1849 heeft het project behoed voor een verval in dodende routine. De verslagen van de jury bewijzen dat zij nooit aan dit gevaar heeft toegegeven. Wel heeft zij het euvel niet meer kunnen herstellen dat bij de schepping van het geheel in 1847-49 was begaan. Het thema dat zich op een overzichtelijke en eenvoudige manier had moeten openbaren, werd met de jaren duisterder. Op een bepaald ogenblik stelde men zelfs voor de namen van de figuren in de sokkels van de beelden te kappen. Iedereen voelde toen reeds aan dat niemand de afgebeelde personages en hun samenhang zou kunnen bijhouden en thuis wijzen. Met de veranderingen die in de loop van de tijd aan het originele schema werden aangebracht — en bepaalde vergissingen die gedurende de volgende restauraties werden begaan — was het 'plan d'ensemble' meer een enorme puzzel geworden dan een ordelijk Leuvens pantheon. De fout lag duidelijk in het gebrek aan diepgaande voorbereiding in de decisieve jaren 1847-1849, op zijn beurt een gevolg van het ongeloof in de kansen op realisatie. Vooral voor de westelijke zijgevel waren deze vaststellingen van belang, want alle tekorten i.v.m. de thematiek poogde men in dit eindstuk weg te werken. Als er ergens minder nauwgezet werd omgesprongen met de logica van het geheel, dan was het wel hier. Als men in onze tijd de actuele schikking van de beelden op de westelijke gevel zou veranderen, dan zou dit slechts in de lijn liggen van wat vroeger reeds gebeurd was. Het zou ons te ver voeren alle details van de realisatie van het project verder te volgen. Er doken gedurende de vele jaren heel wat problemen op, waarvan we slechts de bijzonderste noemen. Zo maakte de minister in 1871 de verdere subsidiëring afhankelijk van het opheffen van het monopolie van de Leuvense beeldhouwers ten gunste van Brusselse collega's. Door enkele van deze laatsten in de jury op te nemen, kon de stad de dreiging keren. Maar in 1875 herhaalde de minister zijn verzoek. Ook ditmaal liet hij zich door een weloverwogen en diplomatische argumentatie van zijn voornemen afleiden. De Leuvense kunstenaars behielden hun project en ontvingen ook geleidelijk aan een beter loon: de prijs steeg van 350 fr. per beeld in 1849 tot 600 fr. in 1875. Een nog dreigender zorg diende zich echter aan in de jaren zestig: het monument zelf raakte in een steeds ernstiger verval. Toen de jury op 17 april 1873 vaststelde dat — op de uitvoering van de laatste bestelling na — alle gevels van beelden voorzien waren,zodat men aan het bevolken van de puntgevels en de torentjes toe was, rees de verontrustende vraag: kunnen deze sokkels de last wel dragen? (A.L. 6927). Na onderzoek bleek dat het uitgesloten was nog beelden in deze nissen te plaatsen vooraleer een tweede grondige restauratie was gebeurd. De jury adviseerde de stad om in afwachting toch maar de beeldenreeks verder te zetten. E. Van Even en Ch. Piot werden opnieuw belast met het uitwerken van een concreet beeldenprogramma. 45
uitgaande van het thema van 1849 (bijbelfiguren, profeten enz.). Aan de uitvoering van dit laatste deel van het project werd ook begonnen, maar geleidelijk aan realiseerde men zich hoe zinloos het werd beelden te maken om ze ergens op te slaan in afwachting van de restauratie van het monument. De jury volgde tussen 1874 en 1881 de afwerking van de laatste beelden bestemd voor de gevels onder de borstwering — waarvan enkele exemplaren bijzonder traag binnenkwamen — alsmede van de eerste bestelling die ze nog gedaan had voor nissen van de daktorentjes. Begin 1881 echter werd er een punt achter alle activiteiten gezet in afwachting van de algehele restauratie. Op dat ogenblik waren 159 beelden in de grote nissen geplaatst (de kleine nissen werden nooit bevolkt). In de wandelzaal van het stadhuis kregen 14 beelden het wachten op betere tijden. Ze zouden er meer dan 20 jaar blijven staan! Toen de laatste beelden voor de gevels besteld waren, achtte Adolphe Everaerts het ogenblik gunstig om een lofzang te wijden aan de prestaties van de stad en van zijn broer Dominique Everaerts, die het stadhuis van de gewisse ondergang had gered. Hij publiceerde in 1872 zijn „Monographic de I'hótel de ville de Louvain" waarin, benevens architectonische en sculpturale details van het 15de-eeuwse stadhuis, ook afbeeldingen van de gevelbeelden werden opgenomen, vergezeld van een korte histori-
Slellingbouw bij de tweede restauratie (1904-1907) (A.L., 1' reeks, l, 157).
46
van de oostelijke
zijgevel
sche beschrijving. Onlangs werd het boek heruitgegeven. Het heeft meer dan een eeuw lang alle restauraties beïnvloed die na 1872 aan het stadhuis werden uitgevoerd. Helaas gebeurde dit zonder het nodige kritische inzicht, dat voor het werk van Adolphe Everaerts nochtans absoluut nodig is. Bij nader onderzoek is immers gebleken dat deze laatste verre van nauwgezet te werk is gegaan. De overigens slordige en kleine tekeningen van de beeldenreeksen stemmen vaak niet overeen met het origineel. Hoofden, armen, handen, klederdracht hebben soms een ander uitzicht. Werden deze tekeningen vanop grote afstand gemaakt of ging de auteur voort op de eerste maquettes die achteraf vaak nog aanpassingen kregen? Zeker is dat restaurateurs in het vervolg heel wat omzichtiger gebruik zullen moeten maken van dit werk. Waarheidsgetrouwer zijn de geschriften die Van Even aan de beeldengeschiedenis gewijd heeft. Zijn beknopt overzicht van 1855 in „Louvain dans Ie passé et dans Ie présent" (blz. 280-283) getuigt van gedegen kennis, gepaard aan heel wat meer bescheidenheid dan A. Everaerts betoonde. Nochtans waren zijn verdiensten bij de realisatie van het beeldenproject groot.
De tweede fase van de uitvoering: de beelden boven de borstwering (1903-1907) De tweede grote restauratie van het monument begon letterlijk met een donderslag. Leuven stelde maar steeds verder het onvermijdelijke werk uit, tot op 8 april 1890 de bliksem insloeg op het middelste torentje van de westgevel. Grote delen ervan stortten neer op het dak van het stadhuis en op de conciërgerie in de Naamsestraat, waar heel wat schade ontstond. De stad was nu klaar wakker en gaf haar architect, E. Frische, de opdracht de restauratie voor te bereiden. De gelden uitgekeerd door de verzekeringsmaatschappij als vergoeding voor de stormschade, werden gebruikt om het gebouw grondig uit te tekenen, om proeven te doen en modellen te maken met een nieuwe steensoort, ditmaal van Reffroy (Frankrijk). Architect Frische ging snel genoeg aan het werk, maar zoals gewoonlijk duurde het jaren vooraleer hij een fiat kreeg. De inmenging van de Commissie voor Monumenten was ondertussen fel toegenomen en heel wat opmerkingen moesten beantwoord worden met brief en wederbrief. In 1895 begon Frische met de vernieuwing van de plint van het 'voirste huys' in de Naamsestraat. Hij raakte echter dadelijk in conflict met de Commissie die hem — onzes inziens terecht — verweet veel te ver te gaan en alles te willen vervangen. De werken werden stilgelegd en het duurde twee jaar om de twist bij te leggen. Frische moest inbinden en werd in het vervolg gecontroleerd door een speciale commissie die met dit doel werd opgericht. Bovendien werd een tweede architect, Langerock, aangeduid als vertegenwoordiger van de regering. In 1897 werden uiteindelijk de stellingen geplaatst om de werken te beginnen aan de westelijke zijgevel. In hetzelfde jaar vroegen een hele reeks beeldhouwers werk aan de stad, waaronder een zoon van de oudgediende F. Vermey-
len (A.L. 6882). Vader Jean Francois Vermeylen (geb. steen, mits het aanbrengen van een 5-tal kleine wijzigin1824), die zoals we gezien hebben heel wat beelden voor de gen. De enige algemene opmerking hierbij was: „on vouwestelijke zijgevel had uitgevoerd, stierf in 1888. Zijn drait toutefois voir donner aux statues représentant des zoon Marie Pierre Fran?ois (geb. 25 nov. 1857) — in de personnages anciens un cachet plus gothique se rapprowandel Francois genoemd zoals zijn vader — zette de chant mieux des types en usage au temps oü l'édifice a été familiezaak verder. Samen met beeldhouwer Benoit Van Uytvanck (HammeWaas 25 juni 1857 - Leuven 6 nov. 1927) werd hij alras één van de belangrijkste figuren op de werf van de tweede restauratie. Van bij het begin werden beiden aangeduid om, ten gerieve van de beeldhouwers, de modellen in gips te maken van al het geschonden snijwerk. Dit was een delicate opdracht als men weet dat daarbij veel problemen van interpretatie gesteld werden. De ambachtslui die de gipsen modellen in steen moesten omzetten, werden aanvankelijk door de stad als losse arbeidskrachten aangetrokken. Zij werkten voor eigen rekening en stonden bijgevolg onder geen enkel ander toezicht dan dit van de architecten. Zo'n systeem wou de Koninklijke Commissie van Monumenten terecht niet aanvaarden. Vanaf 1898 protesteerde zij herhaaldelijk bij de minister en drong aan op het toewijzen van het werk ,,a un seul sculpteur, lequel s'entendra, si cela lui convient, avec d'autres artistes, mais qui sera seul responsable de la parfaite execution des ouvrages" (A.B. 3.573, 9 febr. 1899). Leuven wou van zo'n oplossing niet horen, en duidde begin 1900 Vermeylen en Van Uytvanck aan als verantwoordelijken voor het toezicht op al het beeldhouwwerk van hun collega's. Vanaf dit ogenblik leek Vermeylen het toezicht als zijn hoofdtaak te hebben opgevat. Hij liet geleidelijk het sculpturale werk staan, zich verlatend op Van Uytvanck voor het vervaardigen van de modellen. Omstreeks die tijd was de restauratie van de westelijke zijgevel zo ver gevorderd dat er gedacht moest worden aan vervollediging van het beeldenprogramma, afgebroken in 1880. Op 19 november 1901 begaf een delegatie van de Koninklijke Commissie zich naar Leuven om ter plaatse de toestand te onderzoeken (A.B. 3.573). Er werd vooral raad gegeven omtrent het herplaatsen van de oude beelden Zichl op de westelijke zijgevel (1914) (A.C.L. copyright) en het aanbrengen van de exemplaren die gedurende de eerste campagne waren klaargekomen, maar geen plaats hadden gevonden. Alhoewel de werken aan de zijgevel érigé; les barbes surtout laissent a désirer sous ce rapport" helemaal beëindigd waren en de stellingen wachtten om te (A.B. 3573). Er volgde geen enkele controle meer op de worden verwijderd, duurde het toch nog tot begin 1903 uitvoering die reeds vóór 1 juni 1904 moest zijn gebeurd, vooraleer toelating werd gegeven om de resterende 30 beel- want op dat ogenblik stemde de Koninklijke Commissie in den te maken, bestemd voor de voltooiing van de westeljke met de notulen van de voorlopige oplevering van de beelzijgevel boven de balustrade. den (A.B. 3573). En toen gebeurde het ongelooflijke: wat in de 19de eeuw Noch in de Leuvense noch in de Brusselse documenten is tientallen jaren zou hebben gevraagd, werd nu in enkele veel te vinden omtrent de wijze waarop de 30 beelden in maanden afgehandeld. F. Vermeylen en B. Van Uytvanck feite zijn ontstaan. In het jaarverslag van de stad van drongen op 15 januari 1903 aan bij de stad om te mogen 5 oktober 1903 wordt wel gezegd dat F. Vermeylen en B. overgaan tot het verderzetten van het door Piot en Van Van Uytvanck de modellen gemaakt hebben en tevens Even opgestelde programma van 1876 (A.L. 6932). Op 5 worden de namen vermeld van de beeldhouwers die voor februari 1903 gaf de Koninklijke Commissie haar toestem- de uitvoering in steen hebben ingestaan, maar wie precies ming, op voorwaarde dat beide beeldhouwers wel degelijk wat heeft gedaan is niet geweten. Uit de hele toedracht zouden instaan voor het toezicht op het hele project. Ook treedt echter wel duidelijk naar voren dat Vermeylen en moesten de modellen door de Koninklijke Commissie Van Uytvanck de bijzonderste creatieve taken op zich hebgoedgekeurd worden. Op 26 mei 1903 gebeurde dit laatste ben genomen. Waarschijnlijk is het zelfs voornamelijk B. reeds en op 5 juni daaropvolgend gaf de Commissie haar Van Uytvanck geweest die voor de conceptie heeft ingezegen voor de definitieve uitvoering van de 30 beelden in staan. 47
Vele van zijn gipsen modellen, die zijn zoon Joseph (eveneens beeldhouwer, 25 juli 1884 - 10 maart 1967) lange tijd in het atelier van de familie heeft bewaard — waar we ze in de jaren vijftig zelf nog hebben gezien — werden later overgemaakt aan de stad. We vermoeden dat ze gevoegd werden bij de exemplaren die nu op de stadhuiszolders staan en die alle tot de 2de beeldencampagne behoren. Begin 1904 was de restauratie van de westelijke zijgevel volledig voltooid. De werken verplaatsten zich onmiddellijk naar de oostelijke zijgevel, bij het politiebureau. Vanaf dat ogenblik kwam de Koninklijke Commissie niet meer actief tussen in de gang van zaken, behalve voor het verlenen van de vereiste toestemmingen. Het Brusselse dossier (A.B. 3573) bevatte enkel nog stereotype formules, die tot op het einde van de restauratie in 1913 werden herhaald. Ook in 1907, toen de resterende beelden van de oostelijke zijgevel boven de balustrade gemaakt moesten worden, was er alleen maar een blote instemming met alles wat in Leuven gebeurde. Het stedelijk jaarverslag van 7 oktober 1907 geeft gelukkig opnieuw een beknopt overzicht van de confectie van de beelden, die eens te meer in enkele maanden tijds werden voltooid. Alleen Vermeylen wordt er aangeduid als de maker van de modellen en verantwoordelijke voor het hele project. Van Uytvanck wordt niet expliciet vermeld. Wel is er opnieuw een lange lijst van beeldhouwers die ingestaan hebben voor de uitvoering. Het verschil met de wijze van procederen gedurende de uitvoering van de eerste fase van het beeldenprogramma vóór 1880 was bijgevolg heel groot. Hier was geen sprake meer van een jury die nauwgezet de werkzaamheden voorbereidde en volgde. Het hele opzet kwam geleidelijk in handen van twee Leuvense beeldhouwers die naar het einde toe bijna volkomen zelfstandig optraden. Er werd bovendien uitermate snel gewerkt. Ongetwijfeld heeft de betere economische toestand bij de aanvang van onze eeuw veel bijgedragen tot deze plotse stroomversnelling, maar toch kunnen we moeilijk de indruk van ons afzetten dat naar het einde toe heel wat remmen zijn weggevallen op het toezicht, zodat vragen gesteld kunnen worden over de ernst waarmee de voltooiing werd gerealiseerd. De nog altijd zeer lage loonprijs, de minder scherpe controle van een ver verwijderde Commissie, de afwezigheid van mensen als Van Even ter plaatse, lieten aan de beeldhouwers meer vrijheid dan voorheen. De kwaliteit van de beelden boven de balustrade was er zeker niet beter op geworden, alhoewel toch dient gezegd dat ook tijdens de 2de fase heel wat mooie beelden werden ontworpen. Waar een nauwgezet toezicht ontbrak, kreeg de creativiteit haar vrije loop. Zoals E. Van Even eens antwoordde op de kritiek van de minister die Brusselse beeldhouwers in Leuven aan het werk wou stellen: verre van te beweren dat alle beelden meesterwerken zijn, mag toch gezegd dat ze een behoorlijk niveau halen, vooral wanneer men bedenkt dat ze een aanvullende functie hebben. Wanneer we andere negentiende-eeuwse verwezenlijkingen voor ogen mogen nemen, mag dit oordeel volmondig beaamd worden. De ergste gevolgen van de nonchalance die in de jaren 1903-1907 werd gemanifesteerd, liggen dan ook niet zozeer op het artistieke dan wel op het thematische vlak. In een meer uitgebreide studie van de beelden van de westelijke 48
zijgevel, die we met het oog op hun restauratie gemaakt hebben (okt. 1981), kon duidelijk worden aangetoond dat Vermeylen en Van Uytvanck zich weinig bekommerd hebben om de juiste plaats van sommige figuren.
De periode na de voltooiing: de restauratie van de beelden (1913 - heden) Na de voltooiing van het beeldenprogramma in 1907, begon de verwering tamelijk vlug de beelden aan te tasten. Vooral de westelijke gevel was fel blootgesteld en het is niet te verwonderen dat men nu en dan moest ingrijpen om een afbrokkelende hand of een hoofd te herstellen. Veel beelden vertonen lapwerk, dat soms zeer zorgvuldig werd aangebracht. We geloven echter niet dat dit alles het gevolg is van restauratie tussen de twee oorlogen, maar veeleer van verbeteringen die de kunstenaars in laatste instantie nog aan de originelen hadden aan te brengen. Vooral in 1944 leed het stadhuis zware schade door projectielen die de gevels raakten of in de nabijheid ontploften. Heel wat beelden werden zwaar verminkt. De derde restauratie van de gevels, die in 1972 begon, betrof bijgevolg opnieuw de beelden. Toen ons, begin 1981, gevraagd werd onderhavige studie te maken, waren alle beelden reeds gerestaureerd, uitgezonderd een twaalftal exemplaren van de westelijke zijgevel, onder de balustrade. Toch werd de studie niet strict tot deze laatste beperkt. Dit bleek nodig te zijn om te kunnen oordelen over de vraag in hoeverre vertrouwd kan worden op A. Everaerts' monografie, die zoals gezegd tot op heden gediend heeft als de bijzonderste handleiding voor de restaurateurs. Bij een zorgvuldige vergelijking van Everaerts' tekeningen met enkele exemplaren komt al vlug aan het licht dat men er gedurende de laatste jaren goed aan gedaan heeft zoveel mogelijk het origineel beeld te volgen, zoals het voorkwam, eerder dan zich te laten leiden door de schetsen in het bewuste boek. Beter echter ware het nog geweest oude foto's te verzamelen om de ontbrekende delen aan te vullen, of de gipsen modellen op te zoeken die tot het originele beeld dienden. We zijn een ware speurtocht begonnen naar deze laatste, maar hebben niets kunnen toevoegen aan de weinige plaasters die nog op de zolders van het stadhuis staan. Meestal gaat het om figuren die boven de balustrades voorkomen (2de fase). Het is te vrezen dat er van de eerste campagne niets bewaard werd. Met de nieuwe technieken om foto's haarscherp te vergroten moet er een middel zijn om de beedhouwers te helpen bij het aanvullen van de delen waar anders slechts naar gegist kan worden. Wanneer er gedurende de laatste restauratie fouten zijn begaan, dan gebeurde dit bij fel geteisterde beelden waarvan geen afbeeldingen beschikbaar waren. Oude foto's bewijzen bovendien op hun beurt dat Everaerts' boek weinig te vertrouwen is voor het restauratiewerk. Gedurende de korte tijdspanne die ons gegund werd, hebben we dan ook gepoogd een zo goed mogelijke verzameling aan te leggen van het fotomateriaal waarop de
beelden van de westelijke zijgevel voorkomen. Enkele ervan worden hier gepubliceerd. Het zijn waarschijnlijk foto's die op bevel van de Koninklijke Commissie van Monumenten in 1895 gemaakt werden om bij de in te dienen plannen gevoegd te worden (A.B. 3573 — brief van 8 juni 1895). Zij laten zeer duidelijk de vergevorderde staat van de westelijke zijgevel zien, met daarin — fel contrasterend — de nieuwe beelden gemaakt vóór 1880.
Besluit Wanneer we de lange ontstaansgeschiedenis van de beelden overzien, dan dringen zich enkele merkwaardige vaststellingen op. Gedurende de eerste campagne (1847-1880) werd traag en uiterst bedachtzaam tewerkgegaan, werden afbeeldingen en bronnen verzameld, werden veel beeldhouwers aangetrokken die elk persoonlijk t.o.v. de jury verantwoordelijk bleven, werd elk beeld driemaal onder de loep genomen vooraleer te worden aanvaard, werden veel kunstenaars gedwongen hun werk aan te passen en zelfs te herbeginnen. Uiteindelijk werd 30 jaar besteed aan de confectie van ± 160 beelden. Gedurende de tweede campagne daarentegen verliep het productieproces massaal en in een bliksemsnel tempo. De resterende beelden — ongeveer 80 in het totaal — kwamen in twee korte periodes van enkele maanden klaar; deels in 1903 toen de restauratie van de westelijke zijgevel boven de balustrade helemaal voltooid was en deels in 1907 toen hetzelfde het geval was aan de oostelijke kant. Ditmaal was er geen grondige voorbereiding te bespeuren; evenmin bestond er een noemenswaardig toezicht van een deskundig college. De hele artistieke activiteit was in handen van slechts twee beeldhouwers, die in feite zichzelf controleerden. Een grotere tegenstelling tussen beide campagnes is nauwelijks denkbaar. De verklaring ervan moet ongetwijfeld worden gezocht bij meerdere factoren. Het midden van de 19de eeuw was een periode van ellende en uitbuiting. De stad beschikte niet over de nodige fondsen om het project snel uit te voeren. Zij gaf aan haar beeldhouwers overigens niet veel meer dan een aalmoes, wat opnieuw niet tot spoed aanzette. Veel kunstenaars lieten hun ander werk voorgaan op de bestellingen van de stad. In het begin van de 20ste eeuw daarentegen was de sociaal-economische situatie reeds heel wat beter, zodat de afwerking van het project niet meer werd afgeremd. Belangrijker is echter nog de evolutie die het overheidstoezicht op de restauraties heeft doorgemaakt. De Koninklijke Commissie voor Monumenten werd opgericht in 1836; toen was Leuven reeds 10 jaar bezig met het herstel van zijn stadhuis. De stad had de taak helemaal alleen op haar schouders genomen en zou vanaf hetzelfde jaar, tegen het einde van de eerste grote restauratie (1825-1841), enige financiële hulp van Staat en Provincie krijgen. De nieuwe Koninklijke Commissie kwam te laat om nog vat op de werken te krijgen, maar bovendien bleek ze in het begin ook bitter weinig in de pap te kunnen brokken. Zij werd in 1843 voor het eerst geconsulteerd om een advies te geven over de wijze waarop het beeldenprogramma opgevat zou worden, doch met haar (overigens povere) raad
werd zo goed als geen rekening gehouden. Zodra de stad geen ontkomen meer zag aan de opdracht trok ze het probleem helemaal naar zich toe en stelde haar eigen deskundigen aan het werk. Tot de jaren 1870-71 aanvaardde de Koninklijke Commissie gedwee de alleenheerschappij van de Leuvense jury inzake de beelden. Vermoedelijk heeft ze omstreeks deze tijd wel voor de eerste maal gepoogd een einde te maken aan de toestand, maar ze bracht het niet verder dan het laten opnemen van twee van haar leden in de schoot van het bewuste college. De maatregel schonk de Commissie zo weinig voldoening dat ze stelselmatig weigerde nog verder advies omtrent het beeldenprogramma te geven. Bij de aanvang echter van de tweede grote restauratie in 1890, werd Leuven dadelijk diets gemaakt dat het uit was met de oude gewoontes. De Koninklijke Commissie mengde zich krachtdadig in de voorbereiding van de werken en verwierp vier jaar lang de plannen die haar werden voorgelegd. Nadat de stad in 1895 eindelijk een paar maanden van start was gegaan keurde de Commissie het werk af en begon de hele organisatie in discussie te stellen. Een controle-orgaan werd opgericht dat ter plaatse de werken zou volgen, een architect werd toegevoegd als afgevaardigde van de regering en de beeldhouwers werden onder het toezicht van het tweemanschap Vermeylen-Van Uytvanck gebracht. Deze maatregelen waren ongetwijfeld gerechtvaardigd, maar toen ze eenmaal haar wil opgelegd had viel de Koninklijke Commissie zelf stil. Van het plaatselijke toezichtsorgaan werd zo goed als niets meer gehoord, de architect van de regering werd te weinig betaald om de opdracht ernstig ter harte te nemen en Vermeylen en Van Uytvanck veroverden geleidelijk de grootst mogelijke vrijheid. De Brusselse Commissie was op lange termijn duidelijk niet bij machte om de werken ter plaatse van zeer nabij te volgen. Haar invloed op de tweede beeldencampagne bleef daardoor ook even miniem als te voren. Voor het jurysysteem, dat ze uitgeschakeld had, wist ze niets in de plaats te stellen. Zolang de artistieke waarde van de beelden niet nauwkeuriger onderzocht is, kan moeilijk gezegd worden of de aanof afwezigheid van een nauwgezet toezicht op de beeldhouwers een goede of slechte zaak is geweest. Voor de kunsthistorici die zich wijden aan het onderzoek van de 19de-eeuwse sculptuur staat in Leuven een zeer interessant maar volkomen onbestudeerd pantheon te wachten. Het Leuvense stadhuis zou er in elk geval enorm bij winnen als zijn unieke beeldenverzameling iets beter gekend zou zijn naar inhoud en naar betekenis.
Bibliografie. Ch. Piot, Observations critiques au sujet des statues desttnées a orner les niches de l'hótel-de- Ville de Louvain, in Bulletin de la société scientifique et littéraire du Limbourg, 1855, p. 333-350. A. Everaerts, Monographic de l'hötel-de-Ville de Louvain, 1448-1872, d'après les documents laissées par son frère Dominique Eveaerts, Leuven, 1872. E. Van Even, Louvain dans Ie passé et dans Ie présent, Leuven, 1895. A. Maesschalck en J. Viaene, Mensen en Bouwkunst in Boergondisch Brabant. Boek 2. Het stadhuis te Leuven, in Area Lovaniensis, Leuven, 1972. 49
'Ter Vaart' Een cottage van Paul Hankar in de Gentse haven M. Dubois en L. Daenens Prov. C.M.L. en Museum voor Sierkunst Gent
In opdracht van de Gentse industrieel en kunstschilder Georges Buysse (1864-1916) bouwde architect Paul Hankar (1859-1901) in 1897 een cottage in Art-Nouveaustijl aan de oever van het kanaal GentTerneuzen in Wondelgem. Bij gebrek aan ernstige inventarissen van het oeuvre van deze architect, en overwoekerd door de industrialisering van het Gentse havengebied, raakte deze cottage Buysse totaal in de vergeethoek. De herontdekking van het gebouw gebeurde naar aanleiding van een vraag uit Frankrijk, waar de heer Frangois Loyer een doctoraatsthesis voorbereidt op basis van de ontwerptekeningen van Paul Hankar (1). Dit bracht ons ertoe de voorgelegde plannen te identificeren met het sierlijke landhuis in Wondelgem. Met deze bijdrage willen wij een voorsmaak bieden van die verfrissende herontdekking. G. Buysse, industrieel maar ook kunstschilder Samen met zijn vennoot Baertsoen had vader Buysse een belangrijk textielbedrijf uitgebouwd in Gent. De zonen van beide vennoten, Georges Buysse en Albert Baertsoen, die samen teken- en schilderles hadden gevolgd aan de Gentse Academie, waren voorbestemd om het bedrijf over te nemen, maar konden slechts weinig belangstelling opbrengen voor een industriële loopbaan. Terwijl Albert Baertsoen zich onbekommerd op de schilderkunst kon blijven toeleggen, moest Georges Buysse noodgedwongen zijn zieke vader opvolgen, wat hem overigens niet belette verder te schilderen. Rond dezelfde tijd huwde hij met Alberts zuster, Maria. Toen, enkele jaren later, de pijnlijke symptomen duidelijk werden van een ongeneeslijke ruggemergkwaal, liet Georges Buysse zich een landhuis met atelier en ruim terras bouwen, van waaruit hij ongehinderd zijn geliefkoosd
onderwerp, het kanaal, kon blijven schilderen. Grotendeels verlamd, overleed hij op 27 februari 1916, 52 jaar oud.
Een opdracht voor architect Hankar In 1885 bouwde de familie Baertsoen een woning op de Coupure in Gent, naar een ontwerp van niemand minder dan Hendrik Beyaert (1823-1894), briljant vertegenwoordiger van de eclectische stijlbeweging en uitgesproken architect van het burgerlijke fatsoen. Het kan dan ook geen toeval genoemd worden dat Georges Buysse in 1896, twee jaar na de dood van Hendrik Beyaert, zijn keuze liet vallen op één van zijn meest belovende leerlingen: architect Paul Hankar. Die bracht een belangrijk deel van zijn loopbaan door in het atelier van zijn leermeester (van 1879 tot 1894) waar hij in het bijzonder belast was met de ontwerpen voor smeedijzer (2). Op 11 november 1896 schrijft Paul Hankar hierover — niet zonder ironie —: „Je crois pouvoir me dire l'élève de Beyaert, bien que je doive lui avoir procure parfois la sensation qu'éprouve la poule qui a couvé un oeuf de canard" (3). Samen met Beyaert leidde hij in de periode 1880-1894, naast nieuwe realisaties, talrijke restauraties aan kerken en kastelen; het is ongetwijfeld onder invloed van Beyaert dat zijn liefde voor het smeedwerk is ontstaan en gegroeid.
Het voorontwerp
Cottage 'Ter Vaart'. Actuele toestand. (Foto P. Somers, R.M.L.Z., mei 1982).
50
Bij de analyse van de opeenvolgende ontwikkelingsfasen (voorontwerp, ontwerp, uitvoering) van de cottage Buysse wordt een evolutie zichtbaar binnen het ontstaansproces. De precieze redenen die aanleiding hebben gegeven tot de verschillende wijzigingen, vallen moeilijk te achterhalen, vooral omdat de woning ontstond in een sfeer van intense
X O u u v MMA-
XoXrlaXfrt.
Ontwerp voor een schouwmantel. (Foto P. Somers, R.M.L.Z.).
«JJfV
^C-c?hX<p^
Tekening van Hankar (Plannen Hankar, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel).
51
en voortdurende samenwerking tussen opdrachtgever en architect. Zo ontwierp Paul Hankar nog het volledige interieur en talrijke details voor het exterieur toen de bouwCAttiftfit,
^S a//r, /pa^f
.
werken reeds waren aangevat (4). Cottage Buysse betekende voor hem een continu-ontwerp waarbij hij op elk ogenblik bepaalde onderdelen kon herzien en ook wijzigen. Het uiteindelijke voorontwerp dateert van 30 november 1896, dezelfde maand waarin hij de reeds vermelde brief schreef en met nauwelijks verhulde voldoening opmerkt dat hij belangstelling vaststelt voor zijn baanbrekend werk (5). In dit voorontwerp kan men reeds een voorafspiegeling zien van het uiteindelijke ontwerp: een L-vormige planopbouw waarin de achthoekige ingangsruimte met centrale trap het schakelelement vormt tussen het salon en de eetkamer (6). Franco Borsi trekt in zijn ambitieuze pubiikatie 'Bruxelles 1900' een vergelijking door met het planschema van het herenhuis Aubecq, door architect Victor Horta gebouwd tussen 1899 en 1902. Toch stelt hij hierin dat Paul Hankar nog ver verwijderd blijft van Horta's gave om de ruimte te modelleren (7).
(\fa/te~l>e ó.o-tfï *?&€,
Onlwerptekening schouwkoppen (Plannen Hankar, K.M.K.G, (Foto P. Somers, R.M.L.Z.)
Brussel).
Naast de voornoemde vertrekken voorzag Hankar op de benedenverdieping nog een gastenkamer, dienstruimten en een trap voor het personeel, die in de gevel als autonoom volume wordt geaccentueerd. Het schildersatelier zelf is georiënteerd naar het oosten, maar is in het voorontwerp duidelijk gescheiden van het woongedeelte. Op de eerste en tweede verdieping bevinden zich de slaapkamers en badkamers.
Cottage 'Ter Vaart'. Toestand vóór 1914 (Verz. A. Verbeke, Gent). (Foto M. Dubois)
52
Een vergelijking van de planopbouw met de gevels is spijtig genoeg niet mogelijk wegens het ontbreken van de geveltekeningen. Duidelijk is nochtans dat de ligging van het terrein ten opzichte van het kanaal een uitgesproken invloed heeft gehad op het totale concept van de woning. Zo vormde het rechtstreekse uitzicht vanuit het atelier op het kanaal ongetwijfeld een belangrijke eis van Georges Buysse.
Van ontwerp naar bouw Tijdens de eerste maanden van 1897 tekende Paul Hankar de definitieve bouwplannen. De achthoekige ingangshal, de inplanting van salon en eetkamer en het volume van de diensttrap blijven ongewijzigd, terwijl voor de relatie atelier-woning een andere oplossing wordt voorzien. Tussen salon en atelier wordt nu een brede doorgang gelaten, zodat dit laatste niet langer een afzonderlijk gedeelte vormt van de woning. Bijzonder opvallend is het weglaten van de centrale trap, waardoor deze ruime woning enkel nog wordt bediend door een diensttrap. Deze twee ingrijpende wijzigingen werden waarschijnlijk aangebracht omwille van de reeds slechte fysieke toestand van Buysse: wellicht besliste hij nog tijdens de bouw om op de benedenverdieping te gaan wonen. Het meest opmerkelijke gegeven bij de gevelopbouw vormt het duidelijke verschil tussen linker- en rechtergedeelte. Boven de eetkamer werd een vooruitspringend volume aangebracht, uitgevoerd in houten vakwerk met baksteenopvulling, een bouwwijze die Hankar niet toepast op de andere delen van de cottage (9). Dit vakwerkgedeelte wordt afgesloten door een zadeldak op metalen gebinte, daar waar het schildersatelier van een volledig houten, zorgvuldig afgewerkte dakconstructie is voorzien. In de gevel werden Art-Nouveau-elementen slechts spaarzaam toegepast. Wel kan men ze onder meer terugvinden in de bow-window van de eetkamer en de belvédère bovenop de woning. De borstwering van deze belvédère was oorspronkelijk voorzien in hout, maar werd tijdens de bouw uitgevoerd in smeedijzer.
Het interieur Paul Hankar behoort samen met Victor Horta, Henry van de Velde en Gustave Serrurier-Bovy tot de pioniersgeneratie die in België een duidelijke relatie gelegd hebben tussen architectuur en meubelkunst. Vooral met Horta heeft Hankar gemeen dat al zijn meubels ontworpen werden voor huizen door hemzelf geconstrueerd. Henry van de Velde en Gustave Serrurier-Bovy daarentegen hadden hun eigen werkhuizen, waar naast exclusieve meubels ook seriële produkties werden vervaardigd. De stilistische evolutie in Hankars meubels volgt haast vanzelfsprekend zijn architecturale ontwikkeling. Aanvankelijk schiep Hankar architectuur en meubels in neoVlaamse-renaissancestijl, vooral onder invloed van zijn leermeester Hendrik Beyaert. Zoals vermeld heeft hij zich in die tijd speciaal toegelegd op ontwerpen voor smeed-
Opstand zijgevel; gedateerd 1 juni 1897. (Plannen Hankar, Brussel). (Foto P. Somers, R.M.L.Z.)
K.M.K.G.
:A, ...
n
IJ PH:
• • V
•
*
li^
I \ l"y^*MWTOf
• t v
Grondplan gelijkvloers, voorontwerp (Plannen Brussel). (Foto P. Somers, R.M.L.Z.)
Hankar, K.M.K.G.,
Grondplan: uitgevoerde versie. (Tekening M. Dubois).
53
ijzer; vooral in zijn vroege meubels heeft hij daar gebruik van gemaakt. In de meubelontwerpen van Paul Hankar is een duidelijke samenhang te merken tussen constructieve en decoratieve delen. De decoratie toont en accentueert als het ware de verschillende elementen van de constructie. Dit principe, in feite het gotische principe van de skeletbouw, is zeer duidelijk aanwezig in zijn meubels uit de vroege jaren '90. Deze meubels zijn in de meeste gevallen opgebouwd uit verschillende tonaliteiten van dennehout. Het gebruik van diverse soorten dennehout is ook aanwezig in de woning Buysse, vooral dan in de deuren en schouwbekledingen. Voordien had Hankar overwegend met eikehout gewerkt. In 1897 gebruikte hij voor de grote bibliotheek-buffetkast in de woning van de Brusselse kunstschilder Ciamberlani een combinatie van eikehout en dennehout. Een duidelijk aanwijsbare reden voor het gebruik van dennehout, toen een relatief goedkope houtsoort, is niet meteen voorhanden. Zocht Hankar daarin meer de decoratieve nerfaccentuering of de decoratieve tonaliteit van het hout? Of speelde hier de invloed mee van de 'Arts and Crafts'? De meubels van Hankar vertonen, in tegenstelling tot het werk van enkele tijdgenoten, een uitzonderijke soberheid in het lijnenspel. Dit voert ons naar het wellicht belangrijkste en sterkste vormkenmerk van zijn meubilair, namelijk het japonisme. Hoewel vaststaat dat Hankar nooit in het Oosten is geweest, had hij ongetwijfeld via publikaties kennis gemaakt met de Oosterse kunst. Het blijft te onderzoeken of de meubelontwerpen in Japanse stijl van de Engelse architect Edward Godwin uit de jaren 70 en 80 van de 19de eeuw invloed hebben uitgeoefend op Paul Hankar. In combinatie met zijn neogotische affiniteit leverde het streven naar rechtlijnigheid bij Hankar een uiterst verfijnde en gevoelige vormgeving op. Verfijning, zin voor
maat en symmetrie en het zoeken naar rechtlijnige en onversierde vormelementen maken van Hankar een protagonist van de nieuwe stromingen die in België de plaats van de Art Nouveau zullen innemen. Behalve enkele detailtekeningen van muurvaste zitbanken (ingewerkt in de lambrizering) konden geen losse meubels van Hankar teruggevonden worden in de cottage Buysse. Francois Loyer toonde ons een kleine foto waarop duidelijk te zien was dat het interieur van de cottage Buysse ook bemeubeld was met meubels van Serrurier-Bovy. Wellicht is door de plotse dood van Hankar (in 1901) dit onderdeel van het werk onvoltooid gebleven en heeft Georges Buysse toen zijn woning afgewerkt met het meubilair van Serrurier-Bovy.
Een kunstenaarswoning als kantoor Toen Georges Buysse in 1896 Paul Hankar de bouw toevertrouwde van een woning met atelier langs het kanaal Gent-Terneuzen in Wondelgem, lag het bouwterrein in een ongerept, landelijk gebied. Vanaf de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw nochtans raakte dit gebied ten noorden van de stad Gent fel in trek bij de Gentse industriëlen die er hun woning of buitenverblij f lieten optrekken (10). De uitbreiding van de Gentse haven in noordelijke richting langs het kanaal, in de loop van deze eeuw, had tot gevolg dat het agrarische karakter zeer vlug verdween en dat een industrieel landschap tot ontwikkeling kwam. Verschillende kasteeltjes werden afgebroken als gevolg van deze industrialisering, terwijl andere — hoofdzakelijk omwille van hun omvang — een andere functie kregen toebedeeld. Zo werd 'Ter Vaart', de cottage van Georges Buysse, al zeer vlug omgevormd tot kantoorgebouw met conciërgewoning, een functie die zij vandaag nog bezit. Hoewel in de loop der jaren een aantal wijzigingen werden aangebracht aan de cottage Buysse, mag de huidige toestand toch als bevredigend beschouwd worden. Zo verdwenen alle monumentale schouwkoppen en werd het grote atelierraam opgesplitst in twee ramen ingevolge het inbrengen van een nieuw niveau. Ook het torentje met klok van de belvédère bleef nochtans behouden. Het houten vakwerk werd wit geschilderd, waardoor dit gevelgedeelte een te groot accent verkreeg in verhouding tot de oorspronkelijke bedoeling. De zeer interessante houten borstwering van het terras bleef gelukkig eveneens gespaard.
Besluit
Ontwerp houtwerk voor de eetkamer (Plannen Hankar, Brussel). (Foto P. Somers, R.M.L.Z.)
54
K.M.K.G.,
In het oeuvre dat Paul Hankar als zelfstandig architect vanaf 1894 en tot aan zijn overlijden in 1901 wist uit te bouwen, nemen de kunstenaarsateliers een bijzondere plaats in. Na de bouw omstreeks 1896 van een woning en atelier voor de schilder Jean Gouweloos, moet Paul Hankar vrijwel gelijktijdig de plannen uitgetekend hebben voor de woningen en ateliers van de schilders Ciamberlani (1897), René Janssens (1897), Bartholomé (1898) en Geor-
ges Buysse (1896). De reeks wordt afgesloten met de bouw in 1900 van een cottage-atelier voor de beeldhouwer Philippe Wolfers. Enkele van deze werken werden afgebroken of in meer of mindere mate verbouwd. Alleen al door het feit dat de cottage-Buysse gaaf bewaard is gebleven, verdient zij — binnen het oeuvre van Hankar — onze bijzondere aandacht. Voetnoten. (1) Deze plannen worden bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. (2) Tijdens deze periode maakt Paul Hankar ook ontwerpen voor eigen rekening. Twee ontwerpen zijn gesitueerd in Gent; een graftombe (zonder datum) en een grafomheining in smeedwerk (1885). (3) Deze brief wordt geciteerd in Ch. Conrardy en R. Thibaut, Paul Hankar (1859-1901), La Cité, vol. 4, nrs. 2 en 3, juni-augustus 1923, p. 41. (4) De eerste steen van 'Ter Vaart' werd gelegd op 26 juli 1897.
(5) Ch. Conrardy en R. Thibaut, o.c. „il m'a été tres agréable d'apprendre que mes efforts pour sortir des chemins battus n'avaient pas passé inapercus...". (6) Het archief van Paul Hankar bevat nog een studie (enkel plan benedenverdieping) waarbij de L-vorm nog duidelijker te zien is, en waar het atelier een andere oriëntatie bezit. (7) „enfin la maison-atelier du peintre Georges Buysse oü Hankar avec une certaine candeur, tente d'articuler Ie plan en L avec un hall octogonal sur lequel s'ouvre la porte placée en diagonale, mais son aptitude a modeler les espaces teste fort éloignée de celle de Horta dans l'hótel Aubecq dont Ie schema planimétrique est en quelque sorte analogue", in F. Borsi, Bruxelles 1900, 1974, p. 35. (8) In de prijsofferte van aannemer S. Detaeye uit Gent (totaalprijs 53.487 fr.) is de trap voorzien. Nadien werd een minprijs aangerekend voor het niet uitvoeren van dit onderdeel. (9) Uit ontwerpschetsen blijkt dat Hankar de bedoeling had alle gevels te voorzien van houten vakwerk. (10) In de 20ste eeuw krijgt men duidelijk een verschuiving naar het zuiden van Gent. De eerste grote villa aan de Leie, in Sint-Martens-Latem, werd gebouwd in 1909-1910 door architect A. Van Huffel, voor de industrieel Eggermont.
Intact bewaarde schouwmantel. (Foto P. Somers, R.M.L.Z.)
55
Het Nederlandse Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud: een bruikbaar beleidsinstrument voor de Vlaamse Gemeenschap? R.M.L.Z., Afdeling Landschappen
Eind 1981 werd de R.M.L.Z. in het kader van een Benelux-overlegprocedure verzocht zijn commentaar te geven op het in Nederland als beleidsvoornemen gepresenteerde Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Omdat dit beleidsdocument blijkbaar ook inspirerend werkt op discussies in Vlaanderen, leek het ons gepast deze commentaar een bredere verspreiding te geven. Het onderstaande geldt derhalve als standpunt van de Afdeling Landschappen van de R.M.L.Z. ten aanzien van deze materie. Inleiding Sinds het Derde Congres over Groenvoorziening, dat op 17 en 18 oktober 1980 werd gehouden in Antwerpen, staat het Nederlandse planningsinstrumentarium ook in Vlaanderen volop in de belangstelling. De termen structuurschets, facet- en sectorplanning en structuurschema duiken geregeld op in discussies m.b.t. de ruimtelijke planning en de landschapszorg. Niet steeds worden die termen gezien binnen het globale kader van de Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening of de Nota Landelijke Gebieden waarin ze passen. Deze nota's van de Nederlandse Regering die vastgesteld worden na uitgebreide publieke participatie en na parlementaire behandeling, geven de grote beleidslijnen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland weer voor een welbepaalde periode. De Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 1979) geldt als basis voor de hele serie beleidsdocumenten van de Derde Nota. De definitieve, na parlementaire behandeling vastgestelde tekst geeft de volgende grote verdeling: 1. een analyse van de maatschappelijke ontwikkelingen die voor de ruimtelijke structuur van belang zijn; 2. een schets van de ontwikkelingen in de ruimtelijke planningstechnieken en in het ruimtelijke beleid; 3. de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid, en 4. het instrumentarium dat aangewend zal worden om tot het gewenste beleid te komen. De doelstellingen m.b.t. de hier behandelde problematiek worden in hiernavolgende tabel naar deze nota weergegeven (zie p. 57 bovenaan). De zgn. structuurvisies zijn de uitwerkingen van één bepaald aspect van het overheidsbeleid. Volgens de Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening (beleidsvormen) geven de structuurvisies een totaalbeeld van het te voeren beleid op lange termijn t.a.v. één afzonderlijke sector. Daarbij hebben gesignaleerde structurele ontwikkelingen en beleidsombuigingen betrekking op het totale sectorbeleid, en dus niet alleen op het ruimtelijke facet, of op de kwantificering van de benodigde financiële middelen om het voorgestelde beleid te kunnen voeren. De inleiding van de Structuurvisie Natuur- en Landschapsbehoud (Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, 1977) geeft nog een andere functie aan, namelijk: „Bovendien wordt uitgebreid ingegaan op die factoren en ontwikkelingen, die het natuur- en landschapsbehoud als maatschappelijk streven zijn legitimering verschaffen" (p. 7). 56
Wij zullen hierna, bij de bespreking van het ruimtelijke facet van het geviseerde beleid dat gepresenteerd wordt in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud, bemerken dat aan die maatschappelijke legitimatie nauwelijks aandacht besteed wordt. In economisch moeilijke tijden weegt een dergelijk gebrek dubbel zwaar door in de confrontatie van maatschappelijke belangen. Een structuurschets beperkt zich tot de ruimtelijke neerslag van het globale beleid. Bijvoorbeeld: de Structuurschets voor de Landelijke Gebieden is de ruimtelijke neerslag van het beleid dat in de Nota Landelijke Gebieden wordt voorgesteld. Structuurschema's vormen de ruimtelijke uitwerking van een bepaald sectorbeleid dat ruimtelijke consequenties ressorteert en ze bevinden zich derhalve als het ware op het kruispunt van de sectoren en het ruimtelijke facetbeleid. De Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 1979) geeft daaromtrent volgende beschouwing: „Het verschil tussen structuurschetsen en structuurschema's is in de praktijk niet altijd scherp aan te geven. In het algemeen kan gesteld worden dat structuurschetsen betrekking hebben op algemene ruimtelijke ontwikkelingen die de rijksoverheid in een bepaalde richting wenst te beïnvloeden, zoals de verstedelijking of de ontwikkelingen in de landelijke gebieden. Over structuurschema's wordt daarentegen gesproken, wanneer de nadruk valt op de eigen uitvoerende taak van het rijk in een bepaalde beleidssector, zoals de grote communicatiesystemen of de openbare nutsvoorzieningen" (p. 90). Volgens dezelfde bron moeten de structuurschema's beschouwd worden als hoofdlijnen van het beleid in de sector waarop zij betrekking hebben. Daarnaast zijn de structuurschema's eveneens hoofdlijnen van het nationale ruimtelijke beleid (zie Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 1979, p. 9091). Zij moeten derhalve beschouwd worden als planologische kernbeslissingen en de procedure van publiek en ambtelijk overleg doorlopen. Zonder die openbaarheid en brede maatschappelijke en parlementaire inbreng heeft een structuurschema geen enkele waarde voor de bepaling van het beleid. Het structuurschema heeft eigenlijk alleen maar belang door het procedurele democratische overleg dat ermee gepaard gaat en dat leidt tot afstemmen van standpunten en het toegroeien naar een zo breed mogelijke consensus omtrent de noodzakelijke beleidslijnen. Het document zelf en enkele kaarten die erbij horen mag men slechts zien als een tussentijdse balans van een discussie die nooit mag stilvallen.
Doelstellingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud in de Nederlandse Oriënteringsnota Ruimtelijke Ordening, (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 1979, p. 95-98)
3.2. Veilig stellen van natuurgebieden, cultuurlandschappen en cultuurmonumenten; het ontstaan van nieuwe vormen daarvan bevorderen. 5.4. Landschapsbeeld en Stadsbeeld
Basisdoelstelling Het bevorderen van zulke ruimtelijke en ecologische condities dat: a) de wezenlijke strevingen van individuen en groepen in de samenleving zoveel mogelijk tot hun recht komen; b) de diversiteit, samenhang en duurzaamheid van het fysische milieu zo goed mogelijk worden gewaarborgd.
4.1. Bevorderen van een landschaps- en stadsbeeld dat de cultuur-historische betekenis en visuele aantrekkelijkheid waarborgt casu quo dient: — tegengaan van vormen van bebouwing welke uit visueel oogpunt onaantrekkelijk zijn, ... 4.2. Veilig stellen van cultuurlandschappen en cultuurmonumenten.
Hoofddoelstellingen
5.5. Verstedelijking
/. Ontwikkelen en in stand houden van culturele waarden, tegengaan van uniformiteit: — ontwikkelen en in stand houden van gebouwde omgeving, objecten en situaties die historisch en/of esthetisch waardevol zijn, ... 5. Bevordering van selectieve economische groei; tot de planologische en milieubeschermende aspecten behoren o.a.: — bevordering van de groei van activiteiten, die zo min mogelijk nadelige effecten ten aanzien van milieu en ruimtebeslag met zich brengen; — terugdringen van de milieubelasting, ... 6. Ontwikkelen en in stand houden van het ecologische systeem: — bevorderen van de samenhang en diversiteit; — tegengaan van schadelijke externe effecten...
5.2. Behoud en ontwikkelen van stedelijke centra; behoud en herstel van milieudifferentiatie, ... 5.4. Binnen de stadsgewesten een ontwikkeling van een stedelijk patroon volgens het beginsel van de milieudifferentiatie... 5.6. Bij de situering en ontwikkeling van nieuwe woongebieden rekening houden met het natuurlijke milieu en het landschap : — hanteren van bestaand landschap en aanwezig natuurlijk milieu als structurerende elementen.
Subdoelstellingen S.l. Algemeen 1.1. Streven naar milieudifferentiatie op nationale, regionale, stadsgewestelijke en lokale schaal. 1.2. Streven naar een zuinig ruimtegebruik. 1.3. Beperking van de milieubelasting door verontreiniging van lucht, water en bodem en door geluid...
5.6. Landelijk gebied 6.1. In stand houden van open ruimten: — handhaven van open ruimten tussen de stedelijke zones (centrale open ruimte), en tussen de stadsgewesten en binnen de stadsgewesten (bufferzones); — tegengaan van suburbanisatie buiten de stadsgewesten en de stedelijke zones... 5.7. Communicatiestelsels en openbare
nutsvoorzieningen
3.1. Verbeteren en handhaven van de kwaliteit van het natuurlijke milieu.
7.2. Bevorderen en in stand houden van een goed functionerend verkeers- en vervoerstelsel: — optimaal benutten van de bestaande infrastructuur door bij de situering en ontwikkeling van woon- en werkgebieden en voorzieningscentra aan te haken aan bestaande infrastructuur; — bevorderen van 'milieuvriendelijke' vervoerwijzen (lopen en fietsen).
De structuurschema's als beleidsdocumenten (Tweede kamer 1980-1981a) en de zogenaamde planologische kernbeslissingsprocedures (Tweede Kamer 1980-1981b) maken momenteel het voorwerp uit van een discussie omtrent betekenis en bruikbaarheid binnen het systeem van de sector-, facet- en integrale planning. Dit systeem zelf wordt eveneens kritisch geëvalueerd in het licht van de gewijzigde socio-economische omstandigheden. De interactie tussen beleidsfacetten zoals landschapszorg, ruilverkaveling, recreatieve en sociale groenvoorziening en natuurbeheer staat momenteel ook in België in de belangstelling. De stelling van de Vlaamse beleidsmensen dat wij langs Vlaamse zijde geen artificiële scheiding tussen gemeenschaps- en gewestelijke materies wensen maar wel één gecoördineerd beleid — vandaar één Vlaamse Raad en één Executieve (Bijzondere Wet van 8.8.1980 tot hervorming der instellingen) — impliceert een onderlinge consultatie, coördinatie en concertatie van de genoemde beleidsfacetten. Antwoorden op recente vragen in de Vlaamse Raad wijzen erop dat sommige gemeenschapsministers de oorspronkelijke intentie om een geïntegreerd beleid na te streven
momenteel, nu de communautaire boedelscheiding een feit geworden is, anders interpreteren (zie b.v.: Vraag nr. 19 dd. 1.2.1982 van J. Valkeniers aan de Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening, Landinrichting en Natuurbehoud). De problemen die bij een dergelijke zeer brede concertatie van alle ruimtegebruikers optreden, worden geïllustreerd door het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Bovendien levert dit beleidsdocument een voorbeeld van de mogelijkheden die een 'zacht' beleidsfacet in werkelijkheid bezit om de ruimtelijke inrichting van het Vlaamse grondgebied (mede) te bepalen. Tenslotte vragen we ook of het volledig op de Nederlandse situatie afgestemde Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud een bruikbaar beleidsinstrument voor de Vlaamse Gemeenschap is. Zelfs indien er een ruimtelijk structuurplan voor Vlaanderen (zie E-Kompas 15, p. 44, maart 1981), voorbereid met publieke participatie en een grondige behandeling in de Vlaamse Raad, zou komen, dan nog geven de onderstaande kanttekeningen te denken over de waarde en de opportuniteit van de benadering die het schema vertegenwoordigt.
S.3. Natuurlijk milieu
57
Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud: inhoud en beleidsuitspraken In het beleidsvoornemen van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud wordt in het kader van de planologische kernbeslissing en de overleg- en inspraakprocedure die eraan verbonden worden, een aanduiding gegeven van de uitspraken die de Nederlandse Regering essentieel acht voor haar beleid inzake het natuur- en landschapsbehoud. „Het gaat hierbij om: de hoofddoelstelling; de bescherming van natuurgebieden; de aanwijzing van de grote eenheden natuurgebied en het limitatief karakter daarvan; de aanwijzing van bossen met accent op natuur; de instandhouding van bepaalde typen waardevolle agrarische cultuurlandschappen; de aanwijzing van grote landschapseenheden, het limitatief karakter van de opsomming daarvan en de wijze van bescherming; het streven naar een geharmoniseerde beleidsvisie voor de Noordzee en de geïntegreerde aanpak van de grote wateren. Het als essentieel aanmerken van uitspraken betekent dat de regering deze van zodanig belang acht dat zij daarvan niet zal afwijken behoudens bij herziening van dit structuurschema, waarbij wederom de procedure van de planologische kernbeslissing wordt gevolgd " (zie p. 5-6). Hieruit wordt duidelijk (1) dat de nadruk van de benadering ligt op de procedurele democratie en niet op een document of kaart die nooit zou kunnen herzien worden; integendeel het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud is geldig voor een periode van vijfjaar te beginnen vanaf de afronding van de parlementaire behandeling (behoudens vroegere in herziening stelling), en (2) dat de Nederlandse Regering vast wenst te houden aan het strict limitatieve karakter van de lijst van sommige, grotere beschermde gebieden. Dit is het gevolg van het beschouwen van natuur- en landschapsbehoud als het voorwerp van een sectorbeleid, of zelfs als het voorwerp van terreinbeheer alleen. We zullen daar nog op terugkomen in de hierna volgende paragrafen en bemerken dat deze sectoropvatting niet eens strookt met andere doelstellingen t.a.v. natuur- en landschapsbehoud in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Dit is bij voorbeeld het geval waar sprake is van het algemene beschermingsbeleid tot instandhouding van ecologische en landschappelijke kwaliteiten (p. 88 e.v.). Ter inleiding tot de kanttekeningen en ten einde deze begrijpelijker te maken in de brede context van het beleidsinstrumentarium zullen we nu een kort overzicht geven van de inhoud van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Het bevat volgende rubrieken of hoofdstukken: 1. Inleiding. 2. Ontwikkeling van het natuur- en landschapsbehoud en achterliggende motieven. 3. Beschrijving van de problematiek. 4. Doelstellingen. 5. Verkenningen. 6. Het te voeren beleid. 7. Procedurele, bestuurlijke, instrumentale, werkgelegenheidsen financiële aspecten. Bijlage 1. — Samenvatting van het reeds geldende regeringsbeleid. Bijlage 2. — Overzicht van het aanwijzingsprogramma beschermde stads- en dorpsgezichten. Er zijn vier kaarten opgenomen: 1. een kaart waarin worden voorgesteld : grote eenheden natuurgebied, gebieden met als hoofdfunctie natuur (zone-d over58
eenkomstig de Structuurschets voor de Landelijke Gebieden), grote landschapseenheden, (potentiële) nationale parken, potentiële nationale landschappen; 2. een kaart met de belangrijke weidevogelgebieden; 3. een kaart met een aanduiding van: voor ganzen belangrijke gebieden, door inrichting veranderend gebied waarvan grote delen voor ganzen belangrijk zijn en waarbinnen terreinen voor ganzen worden gereserveerd en 4. een kaart waarop staan afgebeeld : de meest waardevolle beekdalen, de biologisch of geomorfologisch waardevolle beken, de biologisch én geomorfologisch waardevolle beken en de meest waardevolle uiterwaarden. In de inleiding van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud worden nogmaals de voorgeschiedenis en de context van het schema uiteengezet. Belangrijk voor de Vlaamse situatie is volgende passage: ,,De beleidsuitspraken in dit structuurschema moeten mede worden gezien in samenhang met de voor het natuur- en landschapsbehoud relevante uitspraken in de overige structuurschema's en andere regeringsnota's over de ruimtelijke ordening. Tezamen geven deze documenten de hoofdlijnen van het rijksbeleid inzake de ruimtelijke ontwikkelingen van het Nederlandse grondgebied" (p. 23). Kan het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud dan op dezelfde wijze geconcipieerd worden in de Vlaamse Gemeenschap waar dit breder beleidskader (nog) niet in voorbereiding genomen is ? Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud lijkt ook in samenhang met het Structuurschema Openluchtrecreatie en het Structuurschema Landinrichting te zijn opgesteld. Wel wordt er van uitgegaan dat verdere afweging tussen de aanspraken vanuit verschillende sectoren noodzakelijk zal zijn; de structuurschema's zouden daarvoor een kader scheppen (p. 23). De uitwerking van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud ziet men langs twee kanten gebeuren: — via maatregelen op het gebied van het natuur- en landschapsbehoud ; — via maatregelen in het kader van de ruimtelijke ordening. Er wordt aan toegevoegd — wat merkwaardig is voor een sectorbeleid —: „Daarnaast geeft het structuurschema inzicht in de wijze waarop andere sectoren van het overheidsbeleid betrokken zijn bij de instandhouding en de ontwikkeling van kwaliteiten van natuur en landschap." (p. 24). Die betrokkenheid komt alleen maar via de kaarten met beschermde gebieden tot uiting. In het tweede deel wordt een overzicht gegeven van de hoofdmomenten van de maatschappelijke bewustwording t.a.v. het natuur- en landschapsbehoud. De argumenten waarmee de milieubeweging haar streven legitimeert en een deel van de overheidssteun opeist, worden kort besproken. We geven hiervan een kort overzicht: 1. Ecologische motieven : — het aspect van de biologische regulatie, — het aspect van de klimaatregeling, — het aspect van de bodemerosie, — het aspect van het watervasthoudend vermogen, — het aspect van de zuurstofproduktie. 2. Culturele motieven: — het ethische aspect, — het cultuurhistorische aspect. 3. Het informatiemotief: — het wetenschappelijke aspect, — het aspect van de indicatorfunctie, — het aspect van de genenreservoirfunctie.
4. Het welzijnsmotief. 5. Het recreatiemotief. Later zal blijken dat men het in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud vooral op een uitwerking van de ecologische motieven laat aankomen, terwijl deze motieven juist moeilijk direct bewijsbaar zijn, niet zo eenvoudig aan de bevolking verklaard kunnen worden en zeker niet a priori als de (maatschappelijk) waardevolste gelden voor alle strekkingen die in de samenleving aan bod komen. In het derde deel werkt men de zogenaamde ecologische uitgangspunten van het natuurbehoud uit en poogt men in het kader van de nog steeds betwiste diversiteits-stabiliteitshypothese een overzicht te geven van de verarming in natuur en landschap. De reactie van samenleving en beleid wordt geschetst. Door het specificeren van „de invloeden die uitgaan van de verschillende ruimtelijke relevante activiteiten, te weten verstedelijking, infrastructuur, openluchtrecreatie, landbouw, militaire activiteiten, waterwinning, diepe delfstofwinning en ontgrondingen" (p. 42) komt men uiteindelij k tot een probleemstelling en probleemvelden. De globale probleemstelling luidt: „Als gevolg van het totaal aan maatschappelijke ontwikkelingen, zoals die zich vooral de laatste decennia voordoen, heeft zich in toenemende mate een ernstige achteruitgang van ecologische en landschappelijke waarden en functies in Nederland voorgedaan. Dit proces lijkt zich vooralsnog voort te zetten" (p. 54). De uitwerking in probleemvelden wordt in hiernavolgende tabel weergegeven. Indeling in probleemvelden van de algemene probleemstelling in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. (Ministerie van Volksgezondheid en Ruimtelijke Ordening en Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, 1981, p. 55)
lingenformulering expliciet gesteld wordt binnen het kader van de Derde Nota over de ruimtelijke ordening (Oriënteringsnota, Verstedelijkingsnota. Nota Landelijke Gebieden). Vermits de structuurschema's de ruimtelijke uitwerking hiervan zijn, komt men tot een zeer belangrijke beperking: „Daar de bedoeling van dit structuurschema is uitwerking te geven aan het ruimtelijk beleid van de regering ten aanzien van het natuur- en landschapsbehoud, worden hier slechts die doelstellingen van deze sector weergegeven, die ruimtelijke implicaties hebben" (p. 56, eigen cursivering). Het feit dat men het alleen heeft over ruimtelijke implicaties belet uiteraard niet dat de economische en socio-culturele randvoorwaarden ook gelden t.a.v. de doelstellingen van dit structuurschema: het facetbeleid bepaalt de voorwaarden voor de sector natuur- en landschapsbehoud. Een summier overzicht van de doelstellingen vindt men in hiernavolgende tabel. De hoofdlijnen van de doelstellingenformulering in het Nederlandse Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, 1981, p. 56-58) De hoofddoelstelling Het bevorderen binnen het totaal van het maatschappelijke kader van zulke voorwaarden en omstandigheden dat: — de natuurlijke en cultuurhistorische verscheidenheid in het landelijk gebied, zomede de verschijningsvorm daarvan wordt in stand gehouden, hersteld of ontwikkeld; — natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en daarmee verband houdende waarden in de sfeer van de menselijke beleving met inachtneming van hun onderlinge samenhangen worden gehandhaafd, hersteld of ontwikkeld; een en ander mede met het doel bij te dragen tot het welzijn en de ontplooiing van individuen en groepen uit de samenleving.
A. Aantasten van de natuurfuncties /. Afname van functioneel oppervlak, door: — afname areaal natuurgebied; — afname aantal natuurlijke elementen; — toename functionele barrières. II. Afname van diversiteit, door: — intensivering van andere ruimtelijke functies; — onomkeerbare ingrepen in het abiotische milieu; — verdwijnen van specifieke vormen van grondgebruik. III. Toename van externe beïnvloeding, door: — verontreiniging van de milieucomponenten; — verspreiding van de effecten van ingrepen en activiteiten; — verstoring van essentiële ecologische relaties (waaronder ook verstoring van juist essentieel isolement). B. Aantasting van het landschap IV. Afname van 'landelijk gebied', door: — toename oppervlak verstedelijkt gebied; — afname aantal natuurlijke elementen; — toename aantal 'vreemde' elementen. V. Afname van verscheidenheid, door: — verloren gaan van cultuurhistorisch bepaalde landschapsstructuren en patronen; — verdwijnen en veranderen van cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken; — ontstaan van visuele uniformiteit in het landschap. In het vierde deel zijn we dan toe aan de formulering van de doelstellingen. Belangrijk hierbij is dat in de aanhef de doelstel-
De doelstellingen 1. Het bevorderen van duurzame verscheidenheid aan situaties, structuren en elementen. 2. Het bevorderen van de instandhouding van waardevolle situaties, structuren, elementen en belangrijke relaties. 3. Het bevorderen van de instandhouding en de ontwikkeling van de landschappelijke verschijningsvorm, waarin de verscheidenheid zich uitdrukt, van de samenhangen in het landschap en van de belevingswaarden van het landschap. In het vijfde deel worden in het licht van de probleemvelden en de doelstellingen een aantal verkenningen naar oplossingen ondernomen. De denkbare oplossingsrichtingen zijn de volgende: A. Beïnvloeding van gedragspatronen: — beïnvloeding van de vraag naar voorzieningen; — het voorzien in de vraag d.m.v. alternatieven. B. Bescherming: — planning, beoordeling, weging en regulering; — reservaat vorming door verwerving. C. Beheer van natuur en landschap. D. Natuurontwikkeling en landschapsherstel. Voor elk van deze richtingen, waarvan ook de onderlinge relaties worden geschetst, wordt de relevantie m.b.t. elk van de probleemvelden onderzocht. De oplossingsrichtingen worden vervolgens in hun maatschappelijk kader geplaatst en de factor tijd wordt bekeken m.b.t. mogelijke uitwerkingen van de verschil59
lende oplossingen. Eén en ander in dit deel blijft theoretisch en erg vaag; hetzelfde geldt voor de conclusies. De grote rol van de factor tijd en de ermee verbonden noodzakelijke fasering van het beleid en de vastlegging van prioriteiten, zijn wel belangrijk voor een eventuele, gelijkaardige actie van Vlaamse kant. Kritische kanttekeningen hierbij komen in de volgende paragraaf aan bod. In het zesde deel wordt een keuze gedaan t.a.v. het te voeren beleid. Er is een keuze gemaakt t.a.v. de hoofdlijnen van het beleid inzake natuur- en landschapsbehoud (p. 81): — het accent wordt gelegd op de instandhouding en zo mogelijk versterking van bestaande natuur- en landschapswaarden door bescherming en beheer; — waar mogelijk wordt gestreefd naar de ontwikkeling van natuurwaarden en het herstel van landschapswaarden; — beide lijnen worden ondersteund door het zodanig beïnvloeden van gedragspatronen dat minder negatieve effecten op het natuurlijk milieu en het landschap optreden. Het laatste punt zou slechts op langere termijn tot zichtbare resultaten kunnen leiden en dan nog heeft men daar in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud weinig vertrouwen in, terwijl de beide andere beleidslijnen op korte termijn effecten moeten ressorteren. Er wordt dan ook gekozen voor de prioritaire realisering van de beide eerste mogelijkheden. Daarbinnen gaat de aandacht dan eerst naar bescherming en beheer van actuele waarden. Als argumenten voor die keuze gelden de reeds gedane investeringen, de onvervangbaarheid van sommige waarden en de noodzaak tot een grootscheeps verwervingsbeleid om ontwikkeling te kunnen stimuleren (wat men dan impliciet, in deze economisch moeilijke tijden niet haalbaar acht). Langs deze weg komt men er toe om relatief veel plaats en aandacht in te ruimen voor de bespreking van het beleid t.a.v. 'beleidscategorieën' zoals: natuurgebieden, bossen, nationale parken, rivierenlandschap, laaglandstromen, kanalen en vaarten, cultuurmonumenten, waardevolle historische en/of landschappelijke gezichten, landgoederen en historische buitenplaatsen, afzonderlijke elementen in het landschap, aard wetenschappelijk waardevolle gebieden, waardevolle agrarische cultuurlandschappen, grote landschapseenheden, nationale landschappen, Noordzee en grote wateren. Er wordt nog nauwelijks plaats geboden aan een fundamenteel beleid m.b.t. de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit van de ruimtelijke omgeving (p. 86-88) en aan het algemene beschermingsbeleid tot instandhouding van ecologische en landschappelijke kwaliteiten (p. 88-92). In het algemene beschermingsbeleid heeft men het eerst over de milieu-effectrapportering en over de relaties met andere beleidsterreinen maar ook daar plaatst men veel in het teken van een specifiek, voor het natuur- en landschapsbehoud gunstig bodemgebruik. Nochtans werd eerder gesteld t.a.v. deze relaties: „Deze uitgangspunten hebben tot doel een zekere ecologische en landschappelijke kwaliteit in het landelijk gebied als geheel in stand te houden en te ontwikkelen; ze weerspiegelen ook het toegenomen inzicht, dat een plaatselijke bescherming van waarden van natuur en landschap vaak onvoldoende is. Rekening moet worden gehouden met relaties tussen de op verschillende plaatsen gelegen ecosystemen en de wezenlijke betekenis van de instandhouding van deze relaties voor het behoud van die ecosystemen" (p. 89). De gebieden die men voor dit bodemgebruik gereserveerd wil zien worden dan voorgesteld in enkele kaarten. In het zevende deel tenslotte, wordt aandacht besteed aan procedurele, bestuurlijke, instrumentele, werkgelegenheids- en finan60
ciële aspecten. Over de procedurele aspecten van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud zullen we het hierna nog hebben, in kritische zin dan wel. Verder worden de verantwoordelijkheden van het rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen bepaald. De provincie vervult in Nederland een spilfunctie als tussenniveau en omdat talrijke wettelijke bepalingen haar een grote rol toebedelen. De gemeenten worden o.a. bedacht met concrete beheerstaken en met de voorlichtings- en educatieve taken. Ook haar mogelijkheden inzake lokale verordeningen, kan leiden tot beveiliging van de geviseerde waarden. Op de doorwerking van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud in de facetlijn van de ruimtelijke ordening en in de sectorlijn van het natuur- en landschapsbehoud is veel aan te merken (zie volgende paragraaf). Volgend citaat is m.b.t. de relaties van het beleid inzake natuur- en landschapsbehoud en het beleid in andere sectoren nog van belang: „Een goede horizontale coördinatie tussen de beleidssectoren, die zich bewegen op het gebied van bestemming, inrichting en beheer van de ruimte, is dan ook een noodzakelijke voorwaarde voor een doeltreffend beleid tot behoud, ontwikkeling en herstel van waarden van natuur en herstel van het landschap" (p. 230). Tenslotte wordt m.b.t. de werkgelegenheid gesignaleerd dat voor de opbouw van de organisatie van het natuur- en landschapsbeheer behoefte is aan een aantal hoog gekwalificeerde krachten, waarvoor in het algemeen moeilijk mensen te vinden zijn (p. 231). Dat is, ook voor de Vlaamse Gemeenschap, een rake typering van de kern van de vele moeilijkheden die de beleidsvoorbereiding op dit vlak kenmerken.
Kritische kanttekeningen bij het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud met betrekking tot een mogelijke aanwending in Vlaanderen We zullen nu een aantal kanttekeningen plaatsen t.a.v. het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud en t.a.v. een eventuele aanwending van dit beleidsinstrument in de context van de Vlaamse Gemeenschap. Er zijn ten eerste opmerkingen bij de relatie van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud met zijn breder kader in de ruimtelijke planning. Ten tweede zijn er opmerkingen vanuit de verworvenheden van de (toegepaste) ecologische wetenschap. Tenslotte zijn er milieustrategische kanttekeningen waarbij we een maximale handhaving en uitbreiding van natuur- en landschapswaarden nastreven. Wij beperken ons hier tot de algemene lijn. Een omstandige argumentatie kan men vinden in de RMLZ-documentatiemap nr 5. Opmerkingen ten aanzien van de relatie van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud met andere beleidsdocumenten en de erin behandelde problematiek Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud is voorbereid in samenhang met de structuurschema's over openluchtrecreatie en over de landinrichting. Aldus wordt gepoogd om een evenwicht te bereiken tussen de verschillende belangen in het landelijke gebied. Er is eveneens een relatie met andere structuurschema's met ruimtelijke consequenties voor de landelijke gebieden (verkeer en vervoer, militaire terreinen, drink- en industriewatervoorziening) . Een opmerking dient derhalve geplaatst te worden bij volgend citaat uit de aanhef van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud : „Bij de voorbereiding van het Structuurschema natuur- en landschapsbehoud is rekening gehouden met het in deze en andere
reeds uitgebrachte structuurschema's neergelegde beleid, zoals ook bij de voorbereiding van die structuurschema's is rekening gehouden met de belangen van natuur en landschap" (p. 23). Dit impliceert inderdaad dat de inbreng van natuur en landschap in de andere schema's wellicht ad hoc gebeurd is en ongecoördineerd. De makers van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud hebben zich wel geconfronteerd gezien met een geïntegreerd en stevig doortimmerd beleid vanwege andere sectoren. Kan er dan sprake zijn van ecologische inpassing van activiteiten in het bestaande milieu ? De randvoorwaarden gesteld aan het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud liggen vast (geen interne conflicten daarin b.v.) en zijn veelvuldig aanwezig terwijl bij het opmaken van de andere structuurschema's slechts sprake kan zijn geweest van nog niet geïntegreerde randvoorwaarden vanuit natuur en landschap. Daarbij komt nog dat sommige aspecten van het natuurbeheer en de landschapszorg niet altijd als complementair en soms zelfs als tegenstrijdig worden ervaren. Bovendien kan bij de verhoudingen tussen het ruimtebeslag van de sectoren en het achterlopen van de uitwerking voor natuur- en landschapsbehoud op deze voor andere sectoren, verwezen worden naar de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening (Nota Landelijke Gebieden, deel 3c, 1978-1979): „Het woord structuurvisie komt in de Nota Landelijke Gebieden niet voor. Nochtans is duidelijk dat de verschillende structuurvisies benut zijn als bouwstenen voor de analyse. Wat dan ontbreekt is een expliciete toetsing van deze (aanzetten tot volwaardige) sectorplannen op ruimtelijk en financieel gebied. Aldus is niet duidelijk in hoeverre de Nota Landelijke Gebieden geënt is op een zo integraal mogelijke planning" (p. 16). Alle opmerkingen die in de lijn liggen van dit gebrek aan expliciete toetsing lijken dus te blijven bestaan. Ook kan men zich de vraag stellen of de gegeven opmerking over prioriteiten in de voorbereiding van beleidsdocumenten niet evenzeer geldt voor de verhouding tussen de Verstedelijkingsnota en de Nota Landelijke Gebieden. De regeringsbeslissing m.b.t. de Verstedelijkingsnota (Verstedelijkingsnota, deel 2d, 1976-1977) was al gevallen in februari 1977 terwijl het beleidsvoornemen Nota Landelijke Gebieden (deel 3a) pas twee weken later aan de Tweede Kamer werd overgemaakt (maart 1977). Men kon verwachten dat een regeringsbeslissing nog één jaar of meer op zich zou laten wachten. Er is blijkbaar een faseverschuiving in de behandeling van stedelijke resp. landelijke gebieden, terwijl de problemen duidelijk niet begrensd zijn tot één van deze categorieën. Hierbij kan voor België, of in het bijzonder voor Vlaanderen, aangeduid worden dat een dergelijke faseverschuiving niet toelaatbaar is gezien de omvang van de suburbanisatie en het ontbreken de facto van 'landelijke' gebieden in het grootste deel van Vlaanderen. Het lijkt derhalve gewenst de problematiek van de stedelijke gebieden of landelijke gebieden niet als dusdanig op te delen en een geïntegreerde benadering van het ruimtegebruik na te streven. Hieruit vloeit een andere procedurele benadering voort voor de voorbereiding van het sector- en facetbeleid. Aansluitend bij de situering van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud wordt gewezen op een onderscheid van dit schema met de andere: „Door de sterke gerichtheid op het behoud van bestaande waarden draagt dit structuurschema een ander karakter dan de schema's die in hoofdzaak gericht zijn op ruimtelijke reserveringen voor nieuwe voorzieningen" (p. 24). Natuurlijk gaat het hier om een schijnbare tegenstelling want ook voor het behoud van die waarden moet ruimte gereserveerd worden. Overigens is volgende opmerking in dezelfde alinea: „Wordt daarentegen op enig tijdstip afgezien van een onderdeel van het beleid inzake natuur- en landschapsbehoud dan zullen in
het algemeen de in het geding zijnde waarden onomkeerbaar en onherroepelijk aan kwaliteit verliezen of zelfs verloren kunnen gaan ('niet' betekent dan 'nooit meer')" (p. 24). op tenminste twee manieren op te vatten — elk met een verschillende graad van absoluutheid — namelijk (1) het afzien van het onderdeel van beleid veroorzaakt een bodembezetting van de geviseerde ruimte(n) door andere voorzieningen of (2) het afzien van het beleidsonderdeel resulteert niet in een andere bodembezetting. De stelling van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud geldt in het eerste geval, echter niet in het tweede geval vermits de natuurlijke successie niet noodzakelijk moet leiden tot kwaliteitsverlies. Hetzelfde geldt voor bepaalde terreinen of voor slecht of met onvoldoende middelen of continuïteit beheerde terreinen. Opnieuw moet men zich dus beraden over de programmatische aspecten van de beleidsvoorbereiding. Dit moet mede gezien worden in het licht van de geringere financiële middelen die momenteel ingezet kunnen worden voor het in dit Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud sterk gepropageerde verwervingsbeleid. De bovenstaande opmerkingen t.a.v. de laattijdige afstemming met andere ruimtegebruikende sectoren moeten natuurlijk bekeken worden in het licht van een voortdurend beleid. Zo zijn er de reeds geldende beleidsmaatregelen (bijlage 1, p. 236-242 van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud geeft een overzicht), die ook blijk geven van bekommernis voor het patrimonium. Hiertegen inbrengen dat de gegeven opmerkingen dus niet opgaan, leidt tot het verwerpen van de noodzaak aan zowel het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud als de Verstedelijkingsnota en andere schema's. Wil men toch aan systematische beleidsvoorbereiding doen, dan moet er op toegezien worden dat het facet natuur en landschap de kans krijgt daarin optimaal betrokken te raken en niet laattijdig. Op verschillende plaatsen in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud, o.a. bij de hoofdlijnen van het beleid (p. 82) en de relatie ervan met andere beleidsterreinen (pp. 90-92), worden vrij drastische beperkingen aan het gebruik van de hier geviseerde waarde in de planvorming m.b.t. andere voorzieningen gesteld. Indien dit gerealiseerd kan worden — de term 'zoveel mogelijk' duikt evenwel geregeld op — dan zou de hoofddoelstelling inderdaad bereikt kunnen worden. Maar de laattijdige voorbereiding van dit structuurschema en van de Nota Landelijke Gebieden wekt de indruk dat de overheid zich eerst nog gauw verzekerd heeft van wissels op de toekomst. Men kan zich daarbij ook de vraag stellen hoe de centrale overheid, met name het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, één en ander zal kunnen doordrijven. Daarbij moet ook gedacht worden aan de benodigde kennis die, gezien de ambities van deze voorzorgen m.b.t. de gerelateerde beleidsterreinen, niet gering is. Hoe zal men die kennis ter beschikking kunnen stellen bij het begin van de planvorming aan de betrokken overheden ? Enige twijfel lijkt gewettigd t.a.v. de bestuurlijke bindingen van provincies en gemeenten aan het door de Tweede Kamer goedgekeurde Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud (pp. 216-217). Het doorlopen van de planologische kernbeslissingsprocedure en het overleg daarin met de provincies en gemeenten alleen lijkt een erg smalle basis om de nodige wijzigingen in de gedragspatronen te brengen, waaruit aanvaarding van de consequenties op lokaal vlak zou moeten volgen. In het licht van deze regeling — we laten daarbij open of Nederland ja dan neen meer 'nature-minded' is dan zijn Benelux-partners — merken wij de afwezigheid op van expliciete initiatieven en beleidsvoornemens op het vlak van de milieu-educatie. Wel wordt de gemeente een educatieve taak opgedragen (p. 219) die 61
echter niet meer is dan een aanwijzing zonder uitwerking. Wij kunnen ons moeilijk voorsteilen dat de ecologische motieven voor natuur- en landschapsbehoud, waarop het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud grotendeels steunt (zie hierna), gemeengoed zijn op zo'n brede basis dat de lokale overheden praktisch beschikken over de steun van een meerderheid van de bevolking bij het aangaan van bestuurlijke bindingen m.b.t. het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Derhalve kan men zich de vraag stellen of de wijziging van gedragspatronen (p. 60-61) zowel als de vertaling van het Structuurschema Natuuren Landschapsbehoud naar de lagere bestuursniveaus niet moet gedragen worden door inspanningen op het vlak van de milieueducatie, en of die niet in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud ingeschreven moeten worden als een integraal deel van het overheidsbeleid. In het gehele schema valt de verbondenheid op van het beleid met terreinen of objecten. Nu is het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud een ruimtelijke uitwerking voor een beleid dat o.a. in de Nota Landelijke Gebieden werd voorbereid en men kan dus concluderen dat het beleid inzake natuur- en landschapsbehoud voldoende heeft aan het beveiligen van specifieke terreinen met specifieke bodembestemmende en bodemgebruiksmaatregelen. Het sterkst komt dit beleid tot uiting in een opmerking bij de doorwerking van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud in de sectorlijn van het natuur- en landschapsbehoud : „De uitwerking van het schema vindt dus vooral plaats in beslissingen, die per object worden genomen" (p. 221). Voor elk van die beslissingen per object zijn er dan wettelijke regelen, zogenaamde relevante sectorinstrumenten (p. 222). In geval niet het gehele grondgebied overdekt wordt met dergelijke beschermende statuten van verschillende aard — wat duidelijk blijkt uit de kaarten 1 en 4 van het Structuurschema Natuuren Landschapsbehoud dan komt men tot een situatie waarbij het overige landschap lelijk in de kou staat wat betreft de structurele degradatie. De Belgische praktijk leert immers dat de betrokken sectordiensten van de overheid al te gemakkelijk naar het kaartbeeld grijpen om een beleidsoptie als niet schadelijk voor natuur en landschap te legitimeren. Ook zal het natuurbehoud gereduceerd worden tot het beheer van natuurterreinen; dat is niet eens meer fauna- en florabeheer zoals België poogt te bewerkstelligen (Wet van 19.7.1973 op het natuurbehoud). Eén en ander heeft te maken met het sectorkarakter dat aan het beleid inzake natuur- en landschapsbehoud wordt toegekend. Er gaan sinds jaren in België stemmen op om eerder of mede een facetkarakter toe te kennen aan de groene of ecologische inbreng in het ruimtelijke beleid (Tips, 1978). Ook de Werkgemeenschap Landschapsecologisch Onderzoek heeft zich begin 1980 (WLOMededelingen 7(1), volledig) bij monde van een aantal leden en in bijdragen over het onderzoeksbeleid inzake landschapsecologie uitgesproken voor het opvatten van dit beleid als facet (of medeopvatten als facet). Er moet dan ook meer aandacht geschonken worden aan de gevolgen van dit facetkarakter voor de uitvoering van beleidsmaatregelen. Een eerste aanzet tot het erkennen van dit facetkarakter wordt gegeven in de doorwerking van het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud in de facetlijn van de ruimtelijke ordening. In de integrale belangenafweging t.a.v. het ruimtegebruik moet bij voorbeeld het visuele landschapsbeeld dat het gevolg zal zijn van de aangenomen beleidsmaatregelen, kunnen doorwegen. Doet men dit niet, dan aanvaardt men de facto een structurele degradatie van het landschap buiten de gebieden met een bijzondere status (hiervoor genoemd als sectorrealisaties). Concrete beleidslijnen hiervoor worden o.a. in het Structuurschema Natuur- en 62
Landschapsbehoud gesitueerd in het kader van de bestemmingsplannen : „In een bestemmingsplan wordt de bestemming van de in het plan begrepen grond geregeld en worden in verband met die bestemming de burger rechtstreeks bindende voorschriften gegeven met betrekking tot het gebruik van gronden en opstallen." (p. 221) Hoe kan men inhoud geven aan zulke voorschriften op bovenlokaal bestuursniveau, zonder daarbij te vervallen in het bestemmen van gebieden met specifieke status? Dit lijkt ons een essentiële vraag voor de bepaling van het landschapsbeeld en ter beveiliging van het landschap tegen structurele degradatie. Derhalve lijkt de vervulling van doelstelling „3. Het bevorderen van de instandhouding en de ontwikkeling van de landschappelijke verschijningsvorm, waarin de verscheidenheid zich uitdrukt, van de samenhangen in het landschap en van de belevingswaarde van het landschap" (p. 58) ons slechts in zeer geringe mate of in zeer specifieke gebieden (waarin andere functies uitgesloten of in de minderheid zijn) gedekt te zijn door het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Hiervoor is een facetkarakter van het geviseerde beleid nodig en dus moeten de verbanden met andere beleidsfacetten en -sectoren grondig herzien worden. Opmerkingen vanuit de (toegepaste) ecologische wetenschap Welke inhoud wordt gegeven aan de term 'ecologische kwaliteit' van het landelijke gebied (p. 23, 24, e.v.)? Aangezien de ecologie meestal gezien wordt als een wetenschap (ook in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud, p. 32) geeft zij als dusdanig geen aanleiding om een deel van het landelijke gebied als van hoge dan wel van lage ('ecologische') kwaliteit te omschrijven. Wetenschap constateert en verklaart eventueel; ze apprecieert niet. Hetzelfde geldt voor de omschrijving 'ecologische motieven' (p. 28 e.v.); vanuit de ecologie kunnen geen motieven geponeerd worden. Tenzij men de ecologie een ideologische rol toebedeelt. De Nederlandse overheid neemt derhalve wel erg grote risico's door de overname van deze motieven van de natuurbehoudsbeweging. Men kan zich overigens de vraag stellen waarom het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud afstapt van de meer doordachte en logisch opgebouwde omschrijving van de functies van het natuurlijk milieu, die in het Globaal Ecologisch Model (Van der Maarel & Dauvellier, 1978) werden opgesteld. Men kleeft in de ecologische uitgangspunten voor het natuurbehoud (p. 32-34) de diversiteits-stabiliteitshypothese aan als betrof het een theorie, zonder ze evenwel als dusdanig te noemen. Er is nog geen sluitende bewijsvoering die deze hypothese bevestigt in al de consequenties die men hieraan nu al verbindt. Er is aan de andere kant al geargumenteerd door vooraanstaande systeemtheoretici (Gardner & Ashby, 1970; dat deze hypothese slechts opgaat tot op een zeker niveau waarna grotere diversiteit, en ergo meer relaties, leiden tot catastrofale instabiliteit. Ze werd reeds toegepast in de ruimtelijke planning (Chadwick, 1977). Het is derhalve vreemd dat 'ecologische motieven' , die dus gebaseerd zijn op deze hypothese, vrijwel de volledige basis vormen voor het overheidsbeleid in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud en dat er nog weinig andere motieven uitgewerkt worden. Wat is bovendien de praktische betekenis van deze veelal zeer theoretisch gebleven, en in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud ook als dusdanig gehouden, overwegingen? Het is bij voorbeeld ongetwijfeld zo dat er grenzen (moeten) zijn aan het menselijke handelen in relatie tot het natuurlijke milieu. Maar het blijft voorlopig gissen naar een methode om die grens te herkennen. Hoe relevant is het verdwijnen van één plante- of
diersoort uit Nederland wanneer deze soort haar gunstigste (en natuurlijke) areaalomstandigheden bij voorbeeld in NoordEuropa of ten oosten van de rijksgrens bereikt ? Vanuit de ecologische motieven lijkt het ook niet direct relevant alleen de situatie in Nederland onder ogen te nemen. De in het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud genoemde World Conservation Strategy (IUCN, UNEP & WWF, 1980) staat bovendien primair in functie van de Noord-Zuid tegenstelling en heeft als doel „to help advance the achievement of sustainable development through the conservation of living resources". Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud gaat slechts sporadisch in op de veel bredere context, mede lijkt ons, omdat het nogal vastgepind zit op het sectorkarakter. Het zij terzijde opgemerkt dat het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud over de World Conservation Strategy zegt dat de ecologische motieven centraal gestaan hebben bij het opstellen ervan (p. 32). De uitwerking die daaraan gegeven wordt omvat echter ook genetische diversiteit die het Structuurschema Natuuren Landschapsbehoud zelf tot het informatiemotief rekent. Er zijn gegronde redenen om ook nog andere motieven in te roepen dan de ecologische om het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud op een bredere, en tegelijk minder wankele basis te stoelen. Om die reden moet gewezen worden op het gebrek aan differentiatie van de motieven over verschillende secties van de bevolking. Uiteraard blijven alle eerder geuite opmerkingen (zie o.a. Tips, Deneef & Van den Bremt, 1979) t.a.v. een beleid inzake landschaps- en natuurbehoud op basis van de diversiteits-stabiliteitshypothese en de vertaling ervan naar de ruimtelijke planning ook nu gelden. De gebrekkige logische verbanden — te wijten aan een gebrek aan praktische uitwerking van de theoretische beschouwingen over diversiteit, stabiliteit en de relatie ertussen — komen opnieuw scherp naar voren in het verloop van paragraaf 3 waarin men poogt een concrete probleemstelling op te bouwen op grond van de theorie (p. 32-55). De logische gevolgen van die theorievorming zijn een aantal aannemelijke illustraties van de verarming. Hierna schildert men de reactie van samenleving en beleid. Daarna worden de ruimtelijke effecten van de menselijke invloeden allerlei geschetst. Dit leidt tot een probleemstelling. In dit betoog zijn tenminste twee punten niet voldoende aan bod gekomen: (1) De reactie van samenleving en beleid wordt als een unanieme reactie afgeschilderd terwijl in werkelijkheid de verschillende motieven verschillende secties van de bevolking betreffen. Er is ook een belangrijke sectie van de bevolking die niet reageert. Hiermee belanden we opnieuw bij de milieu-educatie. (2) De concrete invloeden en effecten worden niet in verband gebracht met welbepaalde motieven, en dus ook niet met de secties van de bevolking en het handelen van deze secties. Indien men aanneemt dat het overheidsapparaat zelf pluriform is, met verschillende organisaties elk met doelstellingen, personeel uit specifieke vakgebieden en een eigen achterban, dan bedekt deze veralgemening wel erg veel functionele relaties die belangrijk zijn voor het slagen van het beleid dat in dit Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud wordt voorgesteld.
Opmerkingen vanuit milieustrategisch oogpunt waarbij een maximale handhaving en uitbreiding van natuur- en landschapswaarden voorop staan. Doordat het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud zich bijna uitsluitend baseert op zogenaamde 'ecologische motieven' die juist het minst toegankelijk zijn voor het grote publiek, wordt misschien een belangrijke sectie van het publiek vervreemd van de gronden van het geviseerde beleid of krijgt het moeilijk om zich daar achter op te stellen. Vandaar de problemen van legitimatie die o.a. voor specifieke doelgroepen opgebouwd zou kunnen worden vanuit geheel andere motieven. Er is overigens niet vermeld voor welke secties welbepaalde motieven gelden waardoor ook geen aanzet voor concrete milieu-educatieprojecten verkregen kan worden uit het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud. Hierdoor kan weer niet efficiënt gewerkt worden aan een legitimatie, enz. De bezwaren die eerder zowel in Nederland als in België (zie daarvoor Tips, Deneef & Van den Bremt, 1979) tegen de milieukartering werden geuit, gelden ook hier. De resultaten, afgebeeld in kaart 1 en 4, en de methode waarbij vooral beperkte terreinen een bijzondere status wordt gegeven berusten immers op dezelfde grondprincipes. Het is wel verheugend vast te stellen dat een aantal doelstellingen een algemene verbetering viseren. De concrete uitwerking ervan is heel wat moeilijker dan terreinbeheer; het gaat hier immers over een facetbeleid. De ecologisch gemotiveerden werken, door hun vertaling van het maatschappelijke doel in (bijna uitsluitend) terreinbescherming en -beheer, de uitbouw van een brede maatschappelijke consensus rond het vraagstuk bepaald niet in de hand. Bij de relatie tussen de factor tijd en de verschillende oplossingsrichtingen (p. 72-74) kan opgemerkt worden dat het laten prevaleren van de korte-termijnoplossingen met gebruik van het argument dat de toestand geen verder uitstel van reservaatvorming, terreinverwerving en -beheer en andere zulke maatregelen toelaat, natuurlijk veel bijdraagt tot het scheppen van een gunstig klimaat voor dit korte-termijnbeleid. Daarbij verschijnen de opmerkingen over de milieu-educatie en zijn relaties met ecologische motieven opnieuw ten tonele. Het terreinbeheer kan immers, vooral in het huidige socio-economische klimaat, als alibi gaan fungeren om geen fundamentele aanpak van de problemen te propageren. Het algemene klimaat zal geleidelijk verder verslechteren zodat ook de geviseerde terreinen en reservaten, alhoewel op een minder spectaculaire maar daarom niet minder grondige wijze vernietigd worden. In het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud zelf komt deze gedachte o.a. aan bod in het stuk over het algemene beschermingsbeleid (p. 88-92). Bovendien pleiten heel wat argumenten tegen de quasi-fatalistische opvatting over het onomkeerbaar verloren gaan van terreinen. Om een oordeel te kunnen vellen over de omkeerbaarheid moet men een concreet terrein, de concrete lokale omstandigheden en de fysiologie van de aldaar aanwezige organismen bekijken. Het zou verantwoord zijn inzake natuur- en landschapsbouw een begeleidingsprogramma op te zetten om hierover wat systematischer informatie te verzamelen. Vanuit Belgisch perspectief bekeken moeten ook particuliere organisaties daarbij betrokken worden.
Slot M.a.w. het hele verhaal in paragraaf 3 (p. 32-55) geeft verschillende secties van de bevolking geen inzicht in de effecten van hun handelen; de noodzaak tot verandering daarvan staat los van de motieven van die secties en de overheidsorganisaties wordt geen legitimatie geboden om langs hun specifiek beleid en in functie van hun doelstellingen in te grijpen.
Het is alleszins aan te moedigen dat beleidsintenties m.b.t. het ruimtelijke beleid op de middellange of lange termijn worden opgemaakt en door de Vlaamse Raad worden behandeld en aangenomen. De vorm en de procedure om tot de vaststelling van die beleidsintenties te komen kan echter zeker niet gekopieerd worden op de Nederlandse instrumentaria die de ruimtelijke planning 63
sinds het begin van de jaren zeventig heeft ontwikkeld vanuit de toenmalige, Nederlandse context. Mede omdat het ruimtelijke beleid in een interactie met zeer veel facetten van het beleid op andere terreinen gevangen zit en ten gevolge van de economische crisis en de toegenomen dynamiek van de westerse samenleving, heeft de Nederlandse Rijksplanologische Dienst besloten over te gaan tot een evaluatie van het sector-, facet- en integrale planningssysteem. Het zou van weinig realiteitszin en vakkennis getuigen om dit systeem nu, meer dan tien jaar later, zonder meer in te voeren voor de Vlaamse Gemeenschap. Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud maakt deel uit van de conceptie over ruimtelijke planning die in dit systeem verankerd ligt; het kan niet als een op zichzelf staand document worden beschouwd. In een bredere context geldt ook dat de voorbereiding van een ruimtelijk beleid past in de globale beleidsvoering die gewoonlijk naar aanleiding van de goedkeuring van het jaarlijks budget ter sprake komt en in de Vlaamse Raad aan de orde wordt gesteld. Ruimtelijke planning kan dus, mede omdat zij optreedt als scheidsrechter tussen partijen die beslag wensen te leggen op delen van de ruimte, zeker niet in isolatie bedreven worden. De eisen vanuit natuurbehoud en landschapszorg op een kaart intekenen en die dan uit handen geven aan de scheidsrechter, lijkt geen erg realistische wijze van handelen in de context van de ruimtelijke ordening die we het afgelopen decennium gekend hebben. Daarbij laat men nog in het midden of het mogelijk is de randvoorwaarden, die men vanuit ecologische inzichten en cultuurhistorische overwegingen meent te moeten stellen aan bepaalde andere maatschappelijke belangen, ingetekend kunnen worden op een kaart. Gaat het niet eerder om het verwerven van een recht tot deelneming onder gelijke voorwaarden aan elke afwegingsprocedure waarbij beslist wordt over de natuur- en landschapswaarden? Meer nog indien de randvoorwaarden die vanuit ecologische inzichten en cultuurhistorische overwegingen gesteld werden niet gehonoreerd kunnen worden in de procedures rond het ruimtegebruik in brede zin, dan valt te vrezen dat er geen maatschappelijk verantwoord gebruik van het bestaande
natuurlijke milieu en van de bestaande landschapsstructuur zal komen. Procesbewaking is dus een sleutelwoord voor natuur- en landschapsbehoud. Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud lijkt ons echter te zeer vastgepind op het sectorkarakter dat men aan het beleid inzake natuur- en landschapsbehoud toekent. Daardoor wordt het geïsoleerd en wordt slechts een bijdrage getolereerd op een moment waarop de opportuniteit van de bijdrage kan worden betwist, behalve dan ter legitimatie van de adviesvrager. Zo kan ook niet gebouwd worden aan een bredere consensus onder het algemene publiek. De zeer specifieke interpretatie die sommige kringen in Vlaanderen aan natuurbehoud en natuurbeheer verbinden, en die vrijwel uitsluitend neerkomt op het bewaren van representatieve monsters van soorten en levensgemeenschappen, werkt de maatschappelijke isolatie nog in de hand. Vanuit de landschapszorg, meer bepaald de visuele aspecten en de landschapsecologische relaties, kan alleen heil verwacht worden van een benadering van het beleidsvoorbereidend werk, waarbij men (tenminste mede) een facetkarakter toekent aan dit beleid. Zelfs indien men binnen de beleidsvoorbereiding een positie zou weten te veroveren waarbij naast economische, socio-culturele en ruimtelijke, ook ecologische randvoorwaarden worden gesteld aan activiteiten, dan nog blijft een brede maatschappelijke bewustwording noodzakelijk. Nooit zal men er in slagen door controle en politionele acties alleen de ecologische randvoorwaarden, gegeven dat die op democratische wijze aangenomen zouden zijn, te laten respecteren. Daarom moet in de eerste plaats gewerkt worden aan een brede maatschappelijke bewustwording. Er moet een proces van wilsvorming van het publiek en zingeving aan de overheidsinspanningen op gang gebracht worden om naar een consensus te kunnen toegroeien. Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud lijkt op dit punt te falen o.a. op het vlak van de milieu-educatie. Het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud is in essentie een technocratische oplossing voor wat eigenlijk een breed maatschappelijk probleem is.
Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Structuurschema Chadwick, G.F., The limits of the plannable: stability and complexity in Natuur- en Landschapsbehoud. Deel a: beleidsvoornemen, Stuk Tweede planning and planned systems, in Environment and Planning A 9, 1189- Kamer, zitt. 1980-1981, 16 820, nrs. 1-2. 1192, 1977. Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening, Derde nota over de Gardner, M.R. & Ashby, W.R., Connectance of large dynamic (cyberne- ruimtelijke ordening. Deel 3: nota landelijke gebieden. Deel 3c: advies. Stuk Tweede Kamer, zitt. 1978-1979, 14 392, nrs. 7-8, 1978-1979. tic) systems. Critical values for stability, in Nature, 228, 784, 1970. IUCN, UNEP & WWF, World Conservation Strategy. Living resource Tips, W., Een benadering van het ekologisch facet in de struktuurplanning — in hel bijzonder de survey, lic. thesis Hoger Instituut voor Stedeconservation for sustainable development, IUCN, Gland, 1980. Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Structuur- bouw, Ruimtelijke Ordening en Ontwikkeling, R.U. Gent, 1978. visie Natuur- en Landschapsbehoud, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage, Tips, W., Deneef, R., & Van den Bremt, P., Kritische doorlichting van 1977. de milieuwaardering in Vlaanderen, Rijksdienst voor Monumenten- en Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Derde nota Landschapszorg, Brussel, 1979. over de ruimtelijke ordening. Deel 2: verstedelijkingsnota. Deel2d: rege-Tweede Kamer der Staten-Generaal van Nederland, Structuurschema's, ringsbeslissing met nota van toelichting. Stuk Tweede Kamer, zitt. 1976- Stuk Tweede Kamer, zitt. 1980-1981, 16799, nrs. 1-2, 1980-I981a. 1977, 13 754, nrs. 10-11, 1976-1977. Tweede Kamer der Staten-Generaal van Nederland, Inspraak bij planoloMinisterie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Derde nota gische kernbeslissingen. Stuk Tweede Kamer, zitt. 1980-1981, 16798, nrs. over de ruimtelijke ordening. Deel 3: nota landelijke gebieden. Deel 3a:1-2, 1980-1981b. beleidsvoornemens over ontwikkeling, inrichting en beheer. Stuk TweedeVan der Maarel, E. & Dauvellier, P.L. (samenstelling). Naar een Globaal Kamer, zitt. 1976-1977, 14 392, nrs. 1-2, 1976-1977. Ecologisch Model voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, Deel Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Derde nota 1, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage, 1978. over de ruimtelijke ordening. Deel Ie: Oriënteringsnota. Tekst van de naWerkgemeenschap Landschapsecologisch Onderzoek. Commentaar van parlementaire behandeling vastgestelde nota. Staatsuitgeverij, Den de WLO op de drie groene structuurschema's, in WLO-Mededelingen 8 Haag, 1979. (4), 116-124, 1981. Referenties
Dit artikel werd opgesteld op basis van de oorspronkelijke commentaar die op 27 november 1981 aan de Bijzondere Commissie voor de Ruimtelijke Ordening van de BENELUX werd overgemaakt. De standpuntbepaling wordt onderschreven door E. Goedleven, R. Deneef, W. Tips, W. Claes, P. Van den Bremt, H. Bats, M. De Borgher, R. De Meirsman, E. Mollu, H. Van den Bossche. Voor een meer gedetailleerde versie kan men de R.M.L.Z.-documentatiemap Landschapsonderzoek nr. 5 consulteren. 64
Summary Half of this issue is dedicated to urban renewal: the article Hamme, De Ring deals with the study of a residential quarter in Hamme (prov. East Flanders). This study came about in consequence of a protection proposal: it states that 'small' monuments may be as important as large buildings (cathedrals, castles, town halls...) when characterizing a particular surrounding and its corresponding social community. A historical inquiry of 'De Ring' was necessary in order to get a better insight in its evolution; aspects like the situation of the street, its inhabitants, its industry, its reminiscences to an 18th and 19th century reality are discussed. Besides, the architectural and technical approach of 'De Ring' throws a light on its possibilities for the future: the R.M.L.Z. (Government Service for the Preservation of Monuments and Landscapes) opts for a 'smooth' although concrete restoration and renewal of the site, with respect for the existing situation. The Gothic Revival statues of the town hall in Leuven, a creation of the 19th century restoration urge is based on an elaborated study of the authors on the western gable statues of the town hall. This building has been subjected to a series of restorations since 1825. The alterations resulting herefrom, have been most radical at the outside of the building: canopies, pinnacles, friezes and other decorative
elements have been changed. But a more drastic intervention resulted from the decision in 1847 to provide the 230 unoccupied niches with statues, a process that was determined by restorations and discussions as to whether or not placing the statues, as to the sculptors and the persons to be represented... The recently discovered cottage of the industrial and painter G. Buysse, which was built by P. Hankar in 1897, is shortly discussed in 'Ter Vaart', a cottage of Paul Hankar in the port of Gent. The Art Nouveau house has been realised in an atmosphere of close co-operation between Buysse and Hankar. For this cottage, Hankar has projected a part of the furniture himself; the objects testify to refinement, symmetry and rectilineal forms. The last article forms a comment of the R.M.L.Z., section Landscapes on a publication of the Netherlands' Government: Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud (Structural scheme on the Conservation of Nature and Landscapes). A review of the contents and policy decisions are given in a first chapter. The R.M.L.Z. formulates some fundamental questions on the validity and the scientific background of the scheme. It is concluded that this scheme represents one possible approach to the problem only. The R.M.L.Z. would advocate a participatory and planning rather than a technocratic approach.
.Z.) Cottage 'Ter Vaart' (Hankar): view on the channel (P. Somers, R.M.L
65
Errata M & L Themanummer Veurne Redactioneel
— p. 29: Izenberge, kapel O.-L.-Vrouw van Bijstand i.p.v. SintMildredakerk — p. 32-33: legende foto's: Koksijde i.p.v. De Panne — p. 49: legende: Jozef Laigneil i.p.v. Raigneil
Binnenkrant
— Adres R.M.L.Z. Antwerpen: Leysstraat 27, 2000 Antwerpen tel.: 031/32.81.43 of 031/31.77.64 — Telefoon R.M.L.Z. West-Vlaanderen : 050/33.57.87 of 050/33.52.81
Dit Duinlandschap is de eerste van een nieuwe reeks Snoecks kleurenposters rond het thema 'Landschappen'.
A f m . : 86 X 60 cm. Prijs: 80 fr.
U kunt deze prachtige posters bestellen door 80 fr. over te schrijven naar rekening nr. 2900204513-58 en onderstaande bestelkaart goed ingevuld te zenden naar Snoeck-Ducaju & Zoon, Dienst posters, Begijnhoflaan 464, 9000 Gent, tel. 091/23.48.97.
Snoecks Landschapsposters Ik bestel exemplaren van Snoecks Duinlandschap en stort het totale bedrag van op rekening 290-0204513-58 van Snoeck-Ducaju & Z o o n . Naam: Adres: Handtekening:
Datum:
fr.
BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN Provincie West-Vlaanderen - Arrondissement Veurne Deel 8n van deze onvolprezen reeks is nu ook verkrijgbaar bij uw boekhandelaar
Meer dan 700 bladzijden grondige informatie, opgeluisterd met prachtige kleurenfoto's, plannen, tekeningen en honderden zwart-wit opnamen Prijs: 1.350 fr. Mocht u deze werken niet bij uw boekhandelaar vinden, richt u dan tot de uitgever, waar trouwens ook de andere delen van de reeks, met uitzondering van Leuven en Nijvel, nog verkrijgbaar zijn.
Ook dit werk is een uitgave van Snoeck-Ducaju & Zoon, Begijnhoflaan 464, 9000 Gent, tel. 091/23.48.97.
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Provincie Wesl-Vlaanderen Arrondissement Veurne
X f l 0 1 1
De meest ervaren gevelreinigers ter wereld
V«
vacuum C l G a n G I Ü Ï sinds 1906
erkenning, Ministerie openbare werken, Kat. D21 en Kat. D24: Klasse 5
GEVELREINIGING • STEEN RESTAURATIE • BETON HERSTELLING STEENVERHARDING • ANTI- DUIFBESCHERMING ANTI-MOSBEHANDELING • VOCHTISOLATIE GRAFFITI VERWIJDERING 2 0 0 0 ANTWERPEN Scheldestraat 87 TEL. : (031)37.53.53
1070 BRUSSEL Birminghamstraat 30 TEL. :(02) 522.23.03
9000GENT Tortelduif straat 47 TEL.:(091)26.44.70
Ontwerp: Restauratie renaissancegevel stadhuis Gent.
Restauratie: ETN. F. BRUXELMAN EN ZOON P.V.B.A. , Reigerstraat 8-10, 9000 GENT Tel.: 091/22.22.39 091/22.20.48 Restauratie van monumentale gebouwen Nieuwbouw Steenkapperij Schrijnwerkerij Erkenning: Klas 2-D2, Klas 3-D12, Klas 4-D9, Klas 5-D-D1, Klas 6-D24. Toestand voor de restauratie
assortiment is met de hand gevormd. N.V. Steenfabriek VSchouterden e n l o s e s t e e n w e g 70 B-3680 Maaseik Tel. (011) 56 40 38 - 56 50 34 telex 39692 s t e m a b.