Skip to main content

RHO-RHO-ADV-2122-001_0.pdf

Page 1

ADVIES RHO-RHO-ADV-2122-001

Aandachtspunten bij de toegang tot het hoger onderwijs en het toelatingsexamen Diergeneeskunde Advies bij de visienota ‘De invoering van een toelatingsexamen voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde’

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be

Wijs beleid door overleg


Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Raad Hoger Onderwijs op 30 september 2021 met eenparigheid van stemmen Voorbereiding: werkgroep Toelatingsexamen voor de opleiding diergeneeskunde op 10 september 2021 en op 21 september 2021 onder voorzitterschap van Hubert De Brabander Dossierbeheerder: Tine Degrande


Inhoud 1

Situering .......................................................................................................................................... 2

2

Probleemstelling uit de visienota .................................................................................................. 2

3

Principes rond toegang hoger onderwijs....................................................................................... 3

4

3.1

Open toegang en vrije studiekeuze ....................................................................................... 4

3.2

Samenhang en complementariteit van instrumenten ......................................................... 4

3.3

Randvoorwaarden voor kwaliteitsvolle instrumenten .......................................................... 4

3.3.1

Randvoorwaarden voor afname .................................................................................... 5

3.3.2

Randvoorwaarden tijdens afname ................................................................................ 5

3.3.3

Randvoorwaarden na afname ....................................................................................... 6

3.3.4

Randvoorwaarden op lange termijn .............................................................................. 6

3.4

Degelijke analyse bij uitbreiding van instrumenten ............................................................. 6

3.5

Gegronde argumentatie bij invoer van een toelatingsexamen ........................................... 6

Toepassing op het toelatingsexamen Diergeneeskunde ............................................................. 7 4.1

Beargumenteerde keuze voor ‘numerus clausus’ vs. ‘numerus fixus’ ............................... 7

4.2

Afstemming op toelatingsexamen arts/tandarts ................................................................. 8

4.3

Haalbare timing ...................................................................................................................... 8

4.4

Uitrol voorbereidingstraject.................................................................................................... 9

4.5

Heldere communicatie ......................................................................................................... 10

4.6

Opvolging niet-geslaagden ................................................................................................... 10

4.7

Monitoring effect .................................................................................................................. 11

1

vlor.be


1 Situering Er ligt een voorstel op tafel om voor de opleidingen Diergeneeskunde vanaf academiejaar 20232024 een toelatingsexamen in te voeren, naar analogie met de toelatingsexamens arts en tandarts. Het voorstel werd uitgewerkt in een visienota1 en goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 juli 2021. In dit advies op eigen initiatief schuift de Vlor in een eerste deel enkele globale principes naar voren rond het thema toelating tot hoger onderwijs. Tegen de achtergrond van die globale principes, benadrukt hij dat er zeer goed omlijnde motieven en gegronde argumenten nodig zijn om een toelatingsexamen in te voeren. In een tweede deel wijst de Vlor op enkele aandachtspunten, indien de politieke keuze wordt gemaakt voor de invoer van een toelatingsexamen diergeneeskunde. De Vlor spreekt zich dus niet uit over de noodzakelijkheid van het toelatingsexamen Diergeneeskunde.

2 Probleemstelling uit de visienota De visienota schetst het probleem waar de (bachelor)opleidingen Diergeneeskunde mee worden geconfronteerd. De onderstaande elementen worden in de visienota2 naar voren geschoven: 1. Evolutie van het aantal studenten “De quasi continue toename van de studentenaantallen heeft geleid tot aantallen die de opleidingscapaciteit van de faculteiten diergeneeskunde overstijgen” (p. 11) 2. Het aantal studenten overstijgt de opleidingscapaciteit a. Verlies van de Europese (EAEVE) accreditatie3: “Dit houdt dan ook het reële risico in van het verlies van de Europese EAEVE accreditatie” (p. 11). Nochtans is die accreditatie “essentieel voor de internationale uitstraling van de faculteit diergeneeskunde én de universiteiten, maar ook voor het garanderen van de werkzekerheid van afstuderende dierenartsen binnen en buiten België.” (p. 7) b. Praktische opleiding (practica en klinieken): “Vooral de druk op het klinische onderwijs in deze opleidingen is groot” (p. 11) 3. Veiligheid in de facultaire klinieken a. Veiligheid van mensen en dieren: “Door de dagelijkse grote aantallen studenten in de kliniek komt de persoonlijke veiligheid van de studenten, het personeel en zelfs het cliënteel en hun dieren in het gedrang.” (p. 8) b. Bioveiligheid: “De bioveiligheid omvat alle maatregelen die worden genomen om de kans op insleep en verspreiding (naar mens en dier) van infectieziekten te beperken. […] De bioveiligheid in de klinieken staat momenteel zwaar onder druk door het grote aantal studenten.” (p. 8)

Zie Vlaamse Regering (2021). Visienota ‘De invoering van een toelatingsexamen voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde’. 2 Zie Vlaamse Regering (2021). Visienota ‘De invoering van een toelatingsexamen voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde’. 3 De Europese opleidingen Diergeneeskunde beschikken sinds 1985 over een sterk systeem van kwaliteitscontrole dat opgestart en ondersteund wordt door de Europese Commissie. Dit systeem hanteert de vereisten opgenomen in de Europese wetgeving (Directives 8/1026 & 1027/EEC) en wordt geleid door de ‘European Association of Establishments for Veterinary Education’ (EAEVE). De EAEVE verleent een accreditatie aan opleidingen die aan de kwaliteitsvereisten voldoen. Meer dan 80% van de opleidingen Diergeneeskunde aan de Europese onderwijsinstellingen is geaccrediteerd. 1

2

vlor.be


4. Werkveld “In Vlaanderen bedraagt het aantal dierenartsen per 100.000 inwoners 57, terwijl […] het Europese gemiddelde 38 dierenartsen per 100.000 inwoners bedraagt” (p. 9). De visienota wijst in het bijzonder op het “overaanbod aan dierenartsen in bepaalde sectoren” (p. 6). 5. Kenmerken van de studentenpopulatie in de opleiding diergeneeskunde “Zoals ook blijkt uit de accreditatierapporten is de studentenpopulatie in de opleidingen diergeneeskunde een grote heterogene groep met een aantal specifieke kenmerken: een groot aantal Nederlandse studenten; een aandeel studenten met een onvoldoende grote component wiskunde en wetenschappen in de vooropleiding; een laag studierendement.” (p. 6)4 Op basis van bovenstaande probleemstelling besluit de visienota “dat er binnen diergeneeskunde een combinatie van elementen speelt waarvoor oplossingen moeten gezocht worden.” (p. 11). Via de invoer van een toelatingsexamen diergeneeskunde beoogt men om op termijn bovenstaande problemen te verhelpen.

3 Principes rond toegang hoger onderwijs Er worden momenteel verschillende (toetsings)instrumenten gehanteerd die het studiekeuzeproces van toekomstige studenten begeleiden en versterken. Zo zijn er bijvoorbeeld het exploratie-instrument Columbus, de ijkingstoetsen in bacheloropleidingen in het STEM-domein, de instaptoets voor de lerarenopleiding en het toelatingsexamen arts/tandarts.5 De Vlor heeft begrepen dat de Vlaamse Regering eraan denkt om nog verdere stappen hierin te zetten. Zo werd er in het Regeerakkoord 2019-20246 aangegeven dat de aanpak met ‘verplichte maar niet-bindende toelatingsproeven’ (zoals de instaptoets lerarenopleiding en een aantal ijkingstoetsen) zou worden veralgemeend naar andere opleidingen in het hoger onderwijs (p. 38). Daarnaast zou er ook worden bekeken voor welke opleidingen het aangewezen is om die proeven bindend te maken, door bijvoorbeeld de resultaten op de toetsen te koppelen aan verplichte remediëring.

Hoewel er buitenlandse studenten vanuit verschillende Europese landen instromen, vormt het aandeel Nederlandse studenten met zo’n 30 tot 50% een groot deel van de instroom. De substantiële instroom van Nederlandse studenten kan worden gekaderd binnen de bestaande selectie in de opleidingen Diergeneeskunde in Nederland, waar er momenteel een ‘numerus fixus’ wordt gehanteerd (d.w.z. dat het aantal geselecteerden op voorhand wordt bepaald). De precieze manier waarop de studieplaatsen worden toegewezen is echter gewijzigd in de loop der jaren, en dat heeft zijn implicaties voor de instroom van Nederlanders in de Vlaamse opleidingen Diergeneeskunde. Tussen 1975 en 1999 werd er in Nederland op centraal niveau een gewogen lotingssysteem gehanteerd. In 1999 werd het systeem van decentrale selectie ingevoerd, maar pas vanaf 2017-2018 werd de centrale loting volledig afgeschaft. De dag van vandaag vindt er in Nederland decentrale selectie plaats, op basis van het diploma (enkel VWO Natuur & Techniek en VWO Natuur & Gezondheid geven toegang), het eindexamencijfer, en enkele testen. Terwijl in de periode van de loting vaak sterke Nederlandse studenten die niet waren ingeloot instroomden in de Vlaamse opleidingen Diergeneeskunde, stromen vandaag ook minder sterke (en vandaar niet-geselecteerde) Nederlandse studenten in. Daarnaast schrijven er ook Nederlandse studenten in de Vlaamse opleidingen in omwille van economische redenen. 5 In lijn met het Vlor-advies over ijkings-en instaptoetsen (zie Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over ijkings- en instaptoetsen, 11 juni 2019) is deze sectie toegespitst op die vier (toetsings)instrumenten. Desondanks wijst de Vlor op het bestaan en de meerwaarde van andere instrumenten in de overgang van secundair naar hoger onderwijs, zoals de schoolresultaten in het secundair onderwijs, de klassenraad, het ‘schakeljaar’ en ‘de naamloze leerjaren’ waar in het Vlaams Regeerakkoord en de Beleidsnota Onderwijs sprake van is. Het geheel aan instrumenten wordt meegenomen binnen de werkzaamheden van het Overlegplatform studiekeuze van secundair naar hoger onderwijs. 6 Vlaamse Regering (2019). Regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2019-2024. 4

3

vlor.be


Tegen die achtergrond reflecteert de Vlor vanuit zijn helikopterperspectief over de toegang tot het hoger onderwijs. Hij schuift daarbij enkele algemene principes naar voren.

3.1 Open toegang en vrije studiekeuze Het Vlaamse hoger onderwijs wordt, in internationaal perspectief, gekenmerkt door een open toegang en vrije studiekeuze. Het principe van die open toegang wordt ook juridisch beschermd door de Grondwet en internationale bepalingen. Dat impliceert dat alle potentiële studenten (met een diploma secundair onderwijs)7 zich kunnen inschrijven in het hoger onderwijs, ongeacht de gevolgde vooropleiding, het studieresultaat, het aantal ingeschrevenen, etc. (met uitzondering van de toelatingsexamens arts/tandarts en de artistieke toelatingsproef in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende Kust en Muziek- en Podiumkunsten8). Via vrije toegang wordt de brede deelname aan het hoger onderwijs beoogd, en dat voor jongeren met verschillende achtergronden. Vlaanderen heeft er tot nu toe steeds naar gestreefd om die vrije toegang te combineren met een goede onderwijskwaliteit, en dat aan een lage kost voor de student. De Vlor wenst dat ook in de toekomst blijvend voorop te stellen.

3.2 Samenhang en complementariteit van instrumenten De Vlor hecht veel belang aan een degelijk studiekeuzeproces en een goede studie-oriëntatie. Kwaliteitsvolle instrumenten die het studiekeuzeproces en de toeleiding tot het hoger onderwijs ondersteunen, verdienen dan ook de nodige aandacht.9 De Vlor benadrukt dan ook dat er grote verschillen zijn tussen de bestaande instrumenten. Elk van die instrumenten heeft specifieke doelstellingen, modaliteiten en implicaties. Ze worden ook ingezet in verschillende fases in de overgang van secundair naar hoger onderwijs. Terwijl Columbus het keuzeproces ondersteunt via een verkenning van de eigen interesses en vaardigheden alsook de opleidingen die daarbij aansluiten, maken ijkings- en instaptoetsen het mogelijk dat studiekiezers die bepaalde opleidingen overwegen zicht krijgen op de mate waarop ze de startcompetenties van die opleidingen hebben verworven (met het oog op reflectie en remediëring). Toelatingsexamens ten slotte hebben als doel het selecteren van studenten die een bepaalde opleiding kunnen aanvatten en daarbij een grote kans tot slagen hebben. De Vlor benadrukt het belang van de samenhang en complementariteit van de instrumenten in de overgang van secundair naar hoger onderwijs, alsook hun unieke rol in de onderwijsloopbaanbegeleiding. Hij volgt dit van nabij op.10

3.3 Randvoorwaarden voor kwaliteitsvolle instrumenten Om hun kwaliteit en werking te waarborgen, moeten de instrumenten voldoen aan een aantal randvoorwaarden.

Departement Onderwijs en Vorming (2021). Toelatingsvoorwaarden hoger onderwijs. Vlaamse Overheid. Zie resp. artikel II.187 en artikel II.186 van de Codex Hoger Onderwijs 9 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over ijkings- en instaptoetsen, 11 juni 2019. 10 Vlor (2021). Activiteiten van het Overlegplatform Studiekeuze van Secundair naar hoger onderwijs. 7 8

4

vlor.be


In voorgaande adviezen heeft de Vlor zich al gebogen over de randvoorwaarden voor verschillende toetsen, met name het toelatingsexamen arts/tandarts, maar ook de ijkings- en instaptoetsen.11 In wat volgt plaatst de Vlor enkele van deze randvoorwaarden in de kijker.

3.3.1 Randvoorwaarden voor afname De Vlor vraagt dat er een grondige visiebepaling over het doel van elk instrument en zijn rol in de toeleiding naar hoger onderwijs plaatsvindt, en dat elk instrument ook effectief meet wat het beoogt te meten. Daarnaast waarschuwt de Vlor ook voor ‘biases’ die kunnen optreden bij toetsen, waardoor bepaalde deelnemers (met gelijke niveaus van kennis en vaardigheden) worden bevoordeeld of benadeeld. Hoewel dit risico eigen is aan testsituaties, moeten het toch zoveel mogelijk worden beperkt. Als er op basis van data (zie 3.3.4) zou worden vastgesteld dat dit het geval is bij bepaalde toetsen, vraagt de Vlor aan de overheid de nodige bijsturing. Idealiter gaat dit gepaard met een brede en toegankelijke communicatie over het hoe en het waarom van de verschillende instrumenten, aan de hand van heldere terminologie. Het moet voor de studiekiezer duidelijk zijn wat de rol en meerwaarde van elk instrument is in de toeleiding naar het hoger onderwijs en hoe de verschillende instrumenten zich ten opzichte van elkaar verhouden. De communicatie moet in eerste instantie gericht worden aan potentiële deelnemers, maar ook aan ouders, scholen secundair onderwijs, centra voor leerlingenbegeleiding en instellingen hoger onderwijs. Tot slot schuift de Vlor nog een randvoorwaarde naar voren, voor instrumenten die specifiek gericht zijn op een bepaalde opleiding. Leerlingen die instromen vanuit studierichtingen in het secundair onderwijs die voorbereiden op (de doorstroom naar) die opleiding in kwestie, moeten hierop een goede kans op slagen hebben. Als er daarnaast toch nog een specifieke voorbereiding wordt voorzien, dan pleit de Vlor voor een betaalbaar en toegankelijk aanbod.

3.3.2 Randvoorwaarden tijdens afname De afnamemodaliteiten moeten volgens de Vlor met de grootste zorgvuldigheid worden bepaald, omdat die de kwaliteit van de instrumenten mee bepalen. Bovendien heeft de manier waarop de instrumenten worden afgenomen ook een impact op de perceptie door de studiekiezers en door de maatschappij. De Vlor herhaalt zijn eerder pleidooi, zowel in het kader van toelatingsexamens als bij ijkings- en instaptoetsen, voor voldoende redelijke aanpassingen in afnamemodaliteiten voor studenten uit kansengroepen.12 Het is belangrijk dat alle studenten op gelijke voet en met gelijke kansen kunnen deelnemen aan dergelijke toetsen. Het resultaat kan immers hun studiekeuze beïnvloeden en een impact hebben op de studierichting waarin ze uiteindelijk terechtkomen.

Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over ijkings- en instaptoetsen, 11 juni 2019.; Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het toelatingsexamen arts/tandarts, 9 oktober 2018.; Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de omvorming van het toelatingsexamen arts/tandarts tot een vergelijkende proef, 8 maart 2016. 12 Voor de Vlor zijn kansengroepen een ruim begrip. De Vlor ziet de volgende groepen als kansengroepen in het hoger onderwijs: studenten met een functiebeperking, studenten met een migratie-achtergrond, werkstudenten, studentennieuwkomers, studenten met een lage SES-achtergrond, studenten uit een laaggeschoold milieu, studenten met een niet-traditionele vooropleiding, herintreders, studenten met een gezinslast. Voor een volledig overzicht, zie Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs (actualisering), 21 april 2015. 11

5

vlor.be


3.3.3 Randvoorwaarden na afname Na afname van een toets moeten studenten, samen met hun resultaat, ook de kans krijgen op inzage en, indien van toepassing op het instrument in kwestie, feedback kunnen verkrijgen. Een lage score op een instaptoets, ijkingstoets of toelatingsexamen kan bijvoorbeeld het resultaat zijn van onvoldoende verworven competenties, van onvoldoende motivatie of voorbereiding, of van het feit dat elke toets slechts een momentopname is. Het is belangrijk dat de kandidaat-studenten hun resultaten voldoende kunnen kaderen. Ook de opvolging van studenten is noodzakelijk. Welke remediëring is zinvol en (gezien het instrument in kwestie) mogelijk voor studenten die niet slagen? Waar komen die studenten uiteindelijk terecht? Stromen ze (indien mogelijk) alsnog in in de opleiding, kiezen zij een andere opleiding, of vallen ze volledig uit uit het hoger onderwijs?

3.3.4 Randvoorwaarden op lange termijn Tot slot moet ook de (langetermijn)impact van elk instrument worden nagegaan. Daartoe is het nodig dat er data worden verzameld (over deelnemers, hun resultaten en hun doorstroom), en dat die beschikbaar worden gesteld zodat het beleid op basis van die informatie kan worden bijgestuurd. Hiervoor moeten voldoende middelen en personeel worden voorzien.

3.4 Degelijke analyse bij uitbreiding van instrumenten Ondanks het potentieel dat de instrumenten hebben om de overgang van secundair naar hoger onderwijs te ondersteunen, is de Vlor voorzichtig om het arsenaal aan instrumenten alsook het toepassingsgebied van de bestaande instrumenten, verder uit te breiden. Hij is er voorstander van om in de eerste plaats het bestaande instrumentarium te perfectioneren en bij te sturen. Als er een uitbreiding wordt voorzien naar andere opleidingen, dan moet daar een degelijke inhoudelijke analyse en bepaling van de doelstellingen aan voorafgaan.13

3.5 Gegronde argumentatie bij invoer van een toelatingsexamen Toelatingsexamens vormen een uitzondering op de open toegang tot het hoger onderwijs in Vlaanderen. Ze gaan dan ook gepaard met een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid.14 Wie voldoende hoog scoort op het toelatingsexamen, heeft een grote kans om af te studeren in die opleiding. Maar ook het omgekeerde geldt: Wie een onvoldoende hoge score behaalt op het toelatingsexamen, wordt de toegang tot de opleiding in kwestie ontzegd. In dat laatste geval is het overigens niet vanzelfsprekend voor toekomstige studenten om op dat moment in het studiekeuzeproces de studiekeuze bij te sturen en de mogelijkheden ten volle te exploreren. De lage scores op en beperkte impact van niet-bindende instrumenten worden in de rationale om een toelatingsexamen in te voeren vaak naar voren geschoven. Hoewel de Vlor erkent dat de waarde van niet-bindende instrumenten wordt ondermijnd als ze niet grondig worden ingevuld, wijst hij erop dat er andere mogelijkheden dan een toelatingsexamen zijn om de impact ervan te versterken. Hij denkt hierbij aan de verplichte remediëring bij niet-bindende instrumenten.15

Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over ijkings- en instaptoetsen, 11 juni 2019 . Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het toelatingsexamen arts/tandarts, 9 oktober 2018. 15 De regelgeving wordt momenteel uitgeschreven om dergelijke verplichte remediëring vanaf academiejaar 20232024 in te voeren voor de ijkingstoetsen en de instaptoets lerarenopleiding. 13 14

6

vlor.be


Daarvoor kan er worden verder gebouwd op de (vaak niet-verplichte) remediëringsinitiatieven die momenteel al worden georganiseerd aan de hogeronderwijsinstellingen. Dit vergt echter de inzet van veel personele middelen. Bovendien benadrukt de Vlor dat de lage scores en beperkte impact van niet-bindende instrumenten niet kunnen volstaan als argument om een toelatingsexamen in te voeren. De invoer van een toelatingsexamen vraagt zeer goed omlijnde motieven en een gegronde argumentatie, opdat de invoer van een toelatingsexamen in een bepaalde opleiding geen precedent zou scheppen voor andere opleidingen. De opleidingsspecifieke context moet onder de loep worden genomen. De vraag is: In hoeverre neemt de opleiding in kwestie een uitzonderingspositie in, die de beperking van de vrije toegang tot het hoger onderwijs rechtvaardigt? De Vlor vraagt dat die uitzonderingspositie ten opzichte van andere opleidingen wordt gekaderd en scherp afgelijnd wordt beargumenteerd. Hoewel de Vlor waardeert dat de opleidingsspecifieke context werd geanalyseerd in het geval van Diergeneeskunde, met valabele argumenten zoals het risico op het verlies van de Europese EAEVEaccreditatie en de bedreiging van de (bio)veiligheid, doet hij er geen uitspraken over of die argumenten afdoende zijn en of de invoer van een toelatingsexamen Diergeneeskunde noodzakelijk is.

4 Toepassing op het toelatingsexamen Diergeneeskunde Indien de politieke keuze wordt gemaakt voor een toelatingsexamen Diergeneeskunde, vraagt de Vlor aandacht voor volgende elementen:

4.1 Beargumenteerde keuze voor ‘numerus clausus’ vs. ‘numerus fixus’ De visienota vermeldt dat een capaciteitscommissie verder onderzoek zal voeren naar de keuze voor een ‘numerus clausus’, een examen waarbij de selectie gebeurt op basis van een absolute cesuur, of een ‘numerus fixus’, een examen waarbij het aantal geselecteerden op voorhand wordt bepaald en de selectie wordt gemaakt op basis van onderlinge rangschikking van de kandidaten. Nochtans lijkt de visienota de laatste optie sterker naar voren te schuiven. Er is immers sprake van een ‘vergelijkend examen waarbij het aantal geselecteerden bij voorbaat wordt bepaald’16 (p. 12). De Vlor benadrukt het belang van transparante communicatie over de beslissingen die al werden gemaakt en de zaken waarvoor verdere concretisering nodig is. Daarnaast benadrukt de Vlor het belang van een gegronde argumentatie voor de keuze voor een ‘numerus fixus’ of een ‘numerus clausus’. De invoer van een ‘numerus fixus’ vraagt een andere argumentatie dan een ‘numerus clausus’. Ze dienen tenslotte een ander doel. Een ‘numerus clausus’ beoogt de selectie van de studenten met de nodige basiscompetenties, terwijl een ‘numerus fixus’ een beperking van de studenteninstroom vooropstelt.

16

Vlaamse Regering (2021). Visienota ‘De invoering van een toelatingsexamen voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde’.

7

vlor.be


Indien de keuze voor een ‘numerus fixus’ wordt gemaakt, vraagt de Vlor een grondige reflectie over het aantal geselecteerden dat wordt beoogd. Dit zou zeker noodzakelijk zijn voor de opleiding Diergeneeskunde, waar er in tegenstelling tot de opleidingen arts-tandarts, geen federale contingentering is die de toegang tot het beroep regelt. Er is dus voor Diergeneeskunde geen van overheidswege opgelegde norm die zou kunnen meespelen als criterium op basis waarvan de het startquotum wordt vastgelegd. Er zijn weliswaar wel objectieve normen voor de onderwijskwaliteit in de opleidingen Diergeneeskunde die werden vastgelegd door de ‘European Association of Establishments for Veterinary Education’ (EAEVE), zoals bijvoorbeeld de ‘staff-student ratio’. Hoewel de Vlor er vertrouwen in heeft dat de Vlaamse Regering het startquotum – in het geval van een ‘numerus fixus’ – met de nodige zorgvuldigheid zou bepalen, wenst de Vlor het belang van een correcte inschatting te benadrukken. Het aantal dierenartsen dat wordt opgeleid moet beantwoorden aan de noden van de maatschappij, zodat alle dierenartsen die worden opgeleid uiteindelijk een waardevolle job kunnen uitoefenen en er eveneens voldoende en competente dierenartsen zijn de om de diergezondheid, het dierenwelzijn en de volksgezondheid te beschermen.

4.2 Afstemming op toelatingsexamen arts/tandarts De visienota neemt het toelatingsexamen arts/tandarts als vertrekpunt voor het toelatingsexamen Diergeneeskunde. Ook bij het toelatingsexamen arts/tandarts is de selectie van kandidaatstudenten met de grootste kans op succes in de opleiding het doel. De startcompetenties voor de opleiding Diergeneeskunde lijken bovendien sterk op deze die verwacht worden voor de opleiding arts/tandarts. De Vlor adviseert dat het toelatingsexamen Diergeneeskunde kan worden geïnspireerd op het toelatingsexamen arts/tandarts, mits voldoende aandacht voor de eigenheid van de opleiding Diergeneeskunde. Hij maakt echter de kritische kanttekening dat de selectie van studenten met de grootste kans op slagen17 in de opleiding Diergeneeskunde niet hetzelfde is als de selectie van studenten die potentieel de beste dierenartsen worden. De opleidingen Diergeneeskunde spelen een cruciale rol in het verder opleiden van kandidaat-studenten tot volwaardige dierenartsen.

4.3 Haalbare timing De visienota vermeldt dat de afronding van het decretale proces is voorzien voor het zomerreces 2022, zodat het toelatingsexamen Diergeneeskunde zijn ingang kan vinden vanaf het academiejaar 2023-2024.

17

Bij de invoer van een ‘numerus fixus’ bepaalt de rangschikking of een kandidaat-student wordt toegelaten tot de opleiding. In dit advies hanteert de Vlor echter de meer algemene term ‘slagen’, gezien de bezorgdheden en onduidelijkheden rond de keuze voor een ‘numerus clausus’ of een ‘numerus fixus’ (zie 4.1).

8

vlor.be


Dit impliceert echter dat de publicatie in het Belgisch Staatsblad, volgend op de goedkeuring van het decreet dat het toelatingsexamen moet invoeren door het Vlaams Parlement, zal plaatsvinden na de uiterlijke datum waarop leerlingen uit het eerste jaar van de derde graad secundair onderwijs van studierichting kunnen veranderen.18 Daardoor wordt het voor leerlingen uit het eerste jaar van de derde graad secundair onderwijs die zich in een studierichting bevinden die onvoldoende voorbereidt op het toelatingsexamen Diergeneeskunde (bijvoorbeeld een aso-opleiding met een kleinere component wiskunde en/of wetenschappen), onmogelijk om zich dan alsnog te heroriënteren. Zelfs indien een heroriëntering in de loop van het schooljaar wel nog mogelijk is, is die volgens de Vlor allesbehalve evident voor leerlingen, zowel op sociaal-emotioneel vlak als met het oog op hun slaagkansen. De Vlor wijst op dat gegeven en op het bijhorende juridische risico, en vraagt om het op een zorgvuldige manier mee in overweging te nemen bij het bepalen van de concretisering van het toelatingsexamen Diergeneeskunde en het verdere traject. Er is nood aan degelijke risico-analyse. Het hierboven beschreven risico dat die korte tijdsspanne met zich meebrengt voor leerlingen in het eerste jaar van de derde graad secundair onderwijs, moet worden afgewogen ten opzichte van het risico van het uitstel van de invoer van het toelatingsexamen (nl. verderzetten van de problemen die werden geschetst in 2. Probleemstelling, o.a. het verlies van de EAEVE-accreditatie en de consequenties hiervan voor afgestudeerden). De Vlor hecht zowel belang aan een degelijke voorbereiding van toekomstige kandidaat-studenten op het toelatingsexamen diergeneeskunde als aan het behoud van de accreditatie van de opleidingen diergeneeskunde, en vraagt de overheid om hier zorgzaam in te handelen. Er wordt al jarenlang via verschillende kanalen gecommuniceerd over de aard van de opleiding Diergeneeskunde en het profiel van de instromers met een voldoende kans op slagen (zie 4.5). Daarnaast stelt de visienota ook dat er specifiek over de potentiële wijzigingen rond het toelatingsexamen diergeneeskunde werd gecommuniceerd naar potentieel toekomstige studenten die zich momenteel in het eerste jaar van de derde graad secundair onderwijs bevinden. Desondanks kan de Vlor het belang van dergelijke communicatie niet genoeg benadrukken. Het is cruciaal dat die leerlingen zich bewust zijn van de wijzigingen die potentieel op til zijn rond de toegang tot de opleiding Diergeneeskunde, en dat gebeurt best zo vroeg mogelijk.

4.4 Uitrol voorbereidingstraject Ongeacht welke timing wordt vooropgesteld, vraagt de Vlor voldoende aandacht voor het studiekeuzetraject van leerlingen. Er is nood aan een degelijke studietrajectbegeleiding en voldoende mogelijkheden tot voorbereiding op het toelatingsexamen Diergeneeskunde. Dat is niet alleen cruciaal voor een goede oriëntatie, maar ook voor het bevorderen van de slaagkansen van de kandidaat-studenten Diergeneeskunde.

18

Een gelijkaardige situatie deed zich voor in 1997, toen het Grondwettelijk Hof bij de invoering van het toelatingsexamen arts/tandarts oordeelde dat de leerlingen tussen de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van het decreet dat voorzag in de invoering van het toelatingsexamen arts/tandarts en de datum waarop het examen voor het eerst moest worden afgelegd, leerlingen de mogelijkheid moesten hebben gehad om een studierichting te kiezen die voorbereidt op het toelatingsexamen. In 1997 werd het toelatingsexamen gereduceerd tot het IVV-onderdeel (Informatie Verwerving en Verwerking) en werd het KIW-onderdeel (Kennis en Inzicht in Wetenschappen) geschrapt. Vanaf 1998 vond dan het volledige toelatingsexamen met beide onderdelen plaats.

9

vlor.be


De eigenlijke voorbereiding op het toelatingsexamen gebeurt in het secundair onderwijs, waar er momenteel een modernisering wordt uitgerold.19 De Vlor benadrukt dat leerlingen in het secundair onderwijs ongeacht hun achtergrond gelijke onderwijskansen moeten krijgen en de eindtermen moeten kunnen halen.20 Leerlingen die de eindtermen behalen (in het bijzonder in studierichtingen met een voldoende hoge focus op wiskunde en wetenschappen), zouden in principe een voldoende hoge kans tot slagen moeten hebben op het toelatingsexamen Diergeneeskunde. De Vlor wijst er ook op dat er, in het bijzonder voor leerlingen uit richtingen met minder wiskunde en wetenschappen die toch een dergelijke opleiding willen volgen in het hoger onderwijs, een 7de jaar bijzondere wetenschappelijke vorming bestaat. Daarnaast bestaan er verschillende online leerplatformen, oefen- of demo-examens en organiseren verschillende universiteiten programma’s of cursussen, als verdere ondersteuning bij de overgang naar hoger onderwijs in het algemeen, of bij het toelatingsexamen arts/tandarts in het bijzonder. Waar mogelijk kan er, in het bijzonder voor de eerste editie van het toelatingsexamen Diergeneeskunde, beroep worden gedaan op de bestaande initiatieven. Volgens de Vlor moet die voorbereiding voldoende toegankelijk zijn voor leerlingen uit het secundair onderwijs, in het bijzonder ook voor leerlingen uit kansengroepen.

4.5 Heldere communicatie De opleidingen Diergeneeskunde kampen met een incorrecte maatschappelijke perceptie over zowel de opleiding als het beroep van dierenarts. Dat is deels te wijten aan de heterogene studenteninstroom met heel wat studenten vanuit een vooropleiding met een onvoldoende component wetenschappen en wiskunde. We vragen er dan ook aandacht voor om blijvend helder te communiceren over de inhoud en het wetenschappelijke karakter van de opleiding Diergeneeskunde. Daarnaast moet de communicatie duidelijk maken waarom er een toelatingsexamen Diergeneeskunde wordt ingevoerd. Er is ook nood aan brede en heldere communicatie over de verdere concretisering van het toelatingsexamen Diergeneeskunde en de achterliggende rationale (nl. waarom bepaalde inhouden worden getoetst, waarom het examen al dan niet parallel loopt met dat van arts/tandarts, etc.). Degelijke communicatie kan helpen voorkomen dat het toelatingsexamen potentiële studenten afschrikt om in te stromen in de bacheloropleiding Diergeneeskunde.

4.6 Opvolging niet-geslaagden De Vlor vraagt bij de invoer van een toelatingsexamen Diergeneeskunde een goede opvolging van de kandidaat-studenten die niet slagen. Het is belangrijk dat die kandidaat-studenten bij de instellingen hoger onderwijs en (indien het generatiestudenten betreft) ook bij de centra voor leerlingenbegeleiding terechtkunnen voor reflectie over de resultaten en voor studiekeuzebegeleiding.

19 20

Departement Onderwijs en Vorming (2021). Krachtlijnen van modernisering secundair onderwijs. Vlaamse Overheid. Ook zie Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het toelatingsexamen arts/tandarts, 9 oktober 2018.

10

vlor.be


Studenten die niet geslaagd zijn voor het toelatingsexamen, moeten ook voldoende tijd krijgen om zich te heroriënteren. Zo wordt vermeden dat ze uiteindelijk volledig uitvallen uit het hoger onderwijs – wat niet enkel een individuele, maar ook maatschappelijke kost met zich meebrengt. De Vlor waarschuwt in het bijzonder voor een te snelle en ondoordachte heroriëntering van studenten die niet slagen voor het toelatingsexamen Diergeneeskunde (en bij uitbreiding voor de academische bacheloropleiding Diergeneeskunde), richting de professionele bacheloropleiding Dierenzorg. Omdat de finaliteit van beide opleidingen sterk verschillend is, is het niet vanzelfsprekend dat al die studenten per se zouden slagen voor de professionele bacheloropleiding Dierenzorg. Naast die opleiding zijn er nog verschillende andere professionele of academische opleidingen waarnaar studenten kunnen heroriënteren De Vlor vraagt daarenboven dat de impact van de invoer van het toelatingsexamen Diergeneeskunde op alle academische en professionele opleidingen in verwante studiegebieden wordt opgevolgd. In het bijzonder wijst de Vlor op het risico dat de professionele bacheloropleiding Dierenzorg op termijn ook steeds meer wordt geconfronteerd met de problemen waarmee de academische bacheloropleidingen Diergeneeskunde nu al kampen: de stijgende studentenaantallen en de bijhorende potentiële druk op de kwaliteit van de opleidingen, moeilijkheden rond veiligheid en dierenwelzijn, etc. Dit is niet wenselijk, zeker gezien de traagheid waarmee het financieringssysteem sterk stijgende studentenaantallen verrekent.

4.7 Monitoring effect Wanneer het toelatingsexamen wordt ingevoerd in de bacheloropleiding Diergeneeskunde, pleit de Vlor voor een onderzoeksmatige monitoring en opvolging ervan. Wordt het effect dat werd beoogd, ook daadwerkelijk verkregen? Wordt de juiste groep studenten geselecteerd? Idealiter wordt de langetermijnimpact van de selectie via het toelatingsexamen gemonitord, want de effecten ervan zullen zich pas na verloop van tijd ten volle manifesteren. Bovendien zou er, ondanks de invoer van een toelatingsexamen in de opleiding Diergeneeskunde, alsnog een overaanbod aan dierenartsen kunnen ontstaan in bepaalde beroepssectoren en een tekort aan dierenartsen in andere. Een langdurige opvolging laat dus toe om te onderzoeken in welke mate het toelatingsexamen, maar ook de instroom in de opleiding afgestemd blijft op de evoluties in de Diergeneeskunde, het beroepsprofiel en de verschillende beroepssectoren.

Tine Degrande secretaris Raad Hoger Onderwijs

11

vlor.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
RHO-RHO-ADV-2122-001_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu