MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN SEPTEMBER-OKTOBER 2 0 0 5
&
Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! CORIDECOR
UNILIT
• CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels • Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax: 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 E-mail : chris.voet'fficompaqnet.be
Maud BONNEVIE Tel./Fax:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail : maud.bonnevieitfskynet.be
Arte Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail : infoto;arteconstructo.be Web : www.arteconstrueto.be
Coi'er: De sacrisrie van de Predik beren kerk in Leuven (foto 0. Pauwels)
Abonnementsvoorwaarden 2006
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek, nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert H-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 2005". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
6
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Redactiecomité
België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 €
n h o i,i
Internet
Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Cells, L Tack, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, D. Nuytten, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, P. Van den Hove, Ch.Vanthillo, L Wylleman
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Joris Scheers Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be - www.jancasier.be
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
i
Van hertogelijke grafkerk tot studium generale:
De Onze-üeve-Vrouw-ter-Predikherenkerk In Leuven Thomas Coomans en Anna Bergmans
3 5 Üe13de-eeuwse oostvleugel van het predikherenklooster te Leuven Thomas Coomans en Dirk Van Eenhooge
5 1 Een unieke 1 3de-eeuwse architectuurpolychromie in de sacristie van de Predikherenkerk in Leuven Marjan Buyle
75 Su mmary
CEPRO", DE NIEUWE NAAM VOOR EEN HISTORISCHE TRADITIE. Gebruiksklare pleistermortels op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Loofde Heer,,, De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten
Kosteel (e Wannegem - Lede
beperkt tot een fractie hiervan.
Traditionele kaleimortel "Cepromill" op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van
Verrebeekmolen te Brakel
het historisch aspect.
! Kalkverf"Fresco"op basis van geselecteerde vette luchtkalk en inerte pigmenten. Bijgebouwen, Klein Seminarie te Sint-Niklaas
Natuursteen-, terracotta- e n parketvloeren... mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wif brengen het verleden met glans terug
!!
BEL nu 03-766.11.66
Voeg- en metselmortels, basispleisters, afwerkpleisters, zoittbestendige, vochtregulerende en isolerende pleistersystemen. Iraditionele afwerkingen: Marmorino, Arriceio, Silicato, Silicaat verf, ...
P.E.C. INTERNATIONALr Voor informatie over onze Cepro producten T 1 . HQ/TV/C | of projectadvies, neem vrijblijvend contact op: 1 6 1 . . \JO/ /
Q ^ OQ /0.0**.OT
slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
Restauratie en Monumentenzorg
*
)
Dakwerken G. BOSCH
b.v.b.a.
Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50
E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - Dl2 - Dl6 - D22 - D24
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties
mmi WÊÊi WH SP
p. Niis www.pnijs.be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71 p.nijs.nv@pandora.be
NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
%
"•» -»
«il Br
E 4f ISO 9001
Schildersbedrijf W O U T I M nv Nijverheidsstraat 7 Industrieterrein 'BOKT' 3990 Peer Tel.: 011-61 0 8 0 8 Fax: 011-61 08 09 Website: www.woutim.be info: info@woutim.be
VCA*
24/5
Generiek Een der schoonste van Loven Architecturaal revolutionair en als hertogelijke grafkerk vertroeteld door Hendrik III en Aleidis, genereerde het oudste gotische bouwwerk van Leuven hartje binnenstad een indrukwekkend kloostercomplex. Uitgebreid met een filosofie- en theologieschool, bibliotheek incluis, vond het predikherenklooster derhalve in 1447 als sfud/um genera/e vrijwel spontaan een onderkomen in de nog jonge universiteit. Een geschiedenis en recentere evoluties die door Thomas Coomans en Anna Bergmans in woord en beeld worden verhaald.
Een dormitorium met ziende kap Materiële sporen, daar is het Thomas Coomans en Dirk Van Eenhooge om te doen in de contextuele situering en analyse van de oostvleugel van dit middeleeuws mannenklooster: traditioneel een slaapzaal op de verdieping, bovenop de sacristie en kapittelzaal. Was het een vingerwijzing dat prior Jordanus Preingué bij de sloop van de statige slaapzaal in 1751 op de werf een fatale verkoudheid opliep?
Een voorzichtig ja voor het blootleggen Twee opeenvolgende 13de-eeuwse polychrome beschilderingen vrijleggen onder zomaar 29 monochrome kalklagen: het overkwam Marjan Buyle en haar conserveringsploeg in de sacristie van de Leuvense Predikherenkerk. Dat de - al bij al behoorlijk bonte - steenimitaties, geometrische en florale motieven zouden getuigen van een herkenbare 'bedelordenpolychromie' verwijst zij nochtans met klem naar het rijk der fabelen. De zeldzaamheidswaarde daarentegen tilt de nagenoeg intacte vondst op tot een zorgvuldig te koesteren monument.
Thomas Coomans en Anna Bergmans
VAN HERTOGELIJKE GRAEKERK TOT STUDIUM GENERALE: DE 0NZE-L1EVE-VR0UAA/-TERPREÜ1KHERENKERK IN LEUVEN • Het voorplein van het klooster van de predikheren genen vanuit het oosten. Leuvense Prentcnatlas, I7 d ' eeuw. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, II 2123, f43
( © KBR)
De predikherenkerk in Leuven, één van de
ontwikkelden de predikheren een omvang-
fraaiste middeleeuwse gebouwen in de
rijk kloostercomplex in het hart van de
Brabantse hoofdstad, verdient ongetwijfeld
binnenstad (1). Aan het klooster was een
meer aandacht, niet alleen omwille van
studium verbonden: een filosofie- en theo-
haar architecturale waarde, maar ook
logieschool met een bibliotheek. Kort na
wegens haar cultuurhistorische betekenis.
de stichting van de universiteit in Leuven
Ze is het oudste gotische gebouw in
werd het predikherenklooster in 1447 in
Leuven, in de tweede helft van de 13''" eeuw
de universiteit geïncorporeerd en kreeg
opgetrokken als hertogelijke grafkerk door
het de status van studium generaie. Tot zijn
Hendrik III en zijn gemalin Aleidis van
opheffing in 1796 fungeerde het klooster
Bourgondië. Met deze vorstelijke steun
als opleidingscentrum voor de dominicanen
van de Nederduitse provincie. Nadien werd de kerk op de valreep van de afbraak gered door haar herbestemming ais parochiekerk. Sinds enkeie jaren is de kerk onttrokken aan de eredienst en wordt zij door de eigenaar, de stad Leuven, gebruikt voor tentoonstellingen, concerten en andere culturele activiteiten.
DE VESTIGING VAN DE DOMINICANEN IN LEUVEN De orde van de dominicanen of predikheren {Ordo Fratrum praedicatorum) werd in 1216-1217 door Dominicus van Guzman gesticht om door middel van prediking de ketterij in het zuiden van Frankrijk te bestrijden (2). Deze orde is één van de talrijke religieuze bewegingen die in de 13 e -eeuwse westerse steden ontstonden. O m de ketterij te bestrijden had paus Gregorius IX in 1232 de inquisitie ingesteld en de uitvoering ervan aan de dominicanen en de franciscanen toevertrouwd. Tijdens het Concilie van Lyon in 1274 beperkte paus Gregorius X het aantal bedelorden tot vier: dominicanen, franciscanen of minderbroeders, augustijner eremieten en karmelieten. De dominicanen hadden de regel van de heilige Augustinus aangenomen, aangevuld met eigen constituties. Ze hechtten een bijzonder belang aan studie en contemplatie en waren aanwezig in alle universiteitssteden. De dominicanen structureerden hun orde in provincies, het aantal kloosters zou geleidelijk aan groeien. De orde bereikte haar hoogtepunt in het begin van de 14 e eeuw en telde toen ongeveer 25.000 broeders die verspreid waren over 554 kloosters. Het leven in stedelijke kloosters was georganiseerd met contemplatie, koorgebed, studie, onderwijs en apostolaat als kernactiviteiten. De zielenzorg bestond uit prediking en biecht, zowel binnen de stad als op het omringende platteland. De preek werd gevolgd door een collecte, die inkomsten voor de gemeenschap genereerde, vandaar de benaming bedelorde of mendicantenorde. De kerkgebouwen van de predikheren vertegenwoordigden een nieuw type waar gemeenschappelijk koorgebed en ruimte voor de prediking gecombineerd werden. In tegenstelling tot monniken die hun leven lang aan één abdij waren verbonden, konden de predikheren binnen hun provincie naar een ander kloos-
De predikherenkerk
Brussel. Koninklijke
op het panorama
Bibliotheek,
van Leuven circa
Prentenkabinet,
I540,detail van de
S.I-23.172
houtsnede van
( © KBR)
Anton Woensam.
ter worden verplaatst. Een prior stond aan het hoofd. Naast de broeders die priesters waren, telden de gemeenschappen ook lekenbroeders die minder geschoold waren en dus niet predikten. De priors vergaderden elk jaar tijdens een provinciaal kapittel, dat zowel de spirituele als de materiële en disciplinaire problemen regelde. Aan het hoofd van de orde stond de hoogmeester, die samen met het generaal kapittel de hoogste executieve macht had. Aan elk klooster waren scholen {studium) voor novicen en kloosterlingen verbonden, die een netwerk vormden tussen de hoofdkloosters van de ordeprovincies, en die telkens in een universiteitstad (Parijs, Keulen, Bologna, Oxford, Toulouse en andere) de rol van theologieschool of studium generale vervulden. De belangrijkste doctoren van de dominicanenorde in de 13 e eeuw waren Thomas van Aquino (circa 1228-1278) en Albertus Magnus (1193-1280). Tussen 1224 en 1324 stichtten de dominicanen niet minder dan 21 kloosters in de Lage Landen, waarvan zes op het huidige Belgische grondgebied, met name in Brugge, Gent, leper, Antwerpen, Leuven en Luik (3). De eerste drie behoorden tot de Franse provincie, de drie volgende tot de Duitse. Al in 1228 kwamen dominicanen vanuit Keulen in Leuven en Gent aan. Ze werden, meer dan andere orden, gesteund door de landsvorsten. Van hertog Hendrik I van Brabant kregen ze de toestemming om zich binnen het voormalige hofcomplex op
1VI&L
's Hertogeneiland - tussen de hoofdarm van de Dijle en een aftakking, de Aa — te vestigen en de hertogelijke kapel te gebruiken. O p dit moerassige erf bevond zich sinds circa het jaar 1000 het kasteel (castrum) van de graven van Leuven. Als gevolg van de integratie van het eiland binnen de eerste stadsomwalling in 1156-1161, bouwden de hertogen een nieuwe burcht op de Keizersberg en werd het eiland voortaan Neerhof (a«/d: inferior oi bassa curtis) genoemd (4). Tegen het midden van de 13 L eeuw was het hof naar een locatie buiten de stad verhuisd. De toenmalige hertog Hendrik III en zijn vrouw Aleidis van Bourgondië waren de dominicanen zeer genegen en in 1256 schonken zij hen de gehele bassa curtis, en twee jaar later nog een aanpalend erf. Dankzij bijkomende schenkingen door Arnoldus van Rotselaar in 1266 en Jan II in 1305 waren de dominicanen na een halve eeuw in het bezit van het volledige terrein tussen de Dijle en de Aa (5), waar ze een groot klooster met kerk uitbouwden. In de 13 c eeuw vestigden de bedelorden zich meestal in de periferie van de steden, net buiten de stadsomwalling en dicht bij een stadspoort (6). De
De predikherenkerk vanuit het noordwesten (foto Oswald Pauwels, 2005)
felle oppositie van de stedelijke parochies en kapittels tegen de vestiging van de nieuwe orden moet daarbij niet worden onderschat. Pas met de uitbreiding van de steden en de bouw van grotere stadsomwallingen in de late Middeleeuwen kwamen deze kloosters binnen de ruimere stadsomwallingen te liggen. Toch lukte het sommige bedelorden om zich van meet af aan binnen de omwalling te vestigen en er hun klooster uit te bouwen. In Leuven konden in de 13 e eeuw zowel de dominicanen als de franciscanen en de augustijnen grote kloosters binnen de eerste stadsomwalling bouwen. De vorstelijke steun speelde hierbij uiteraard een rol, al blijkt uit vergelijking dat de schenking van Hendrik III aan de dominicanen toch niet zo buitensporig was. Het gebeurde ook elders dat landsheren die hun burcht in het stadscentrum verlieten, de site aan de dominicanen of franciscanen overlieten. Zo vestigden de dominicanen zich onder meer in de voormalige stedelijke burchten van de graaf van Holland in Haarlem, van de gravin van Vlaanderen in leper en van de koning van Frankrijk in Evreux; de franciscanen in burchten van de gravin van Henegouwen in Valenciennes, van de koning van Frankrijk in Laon en van de graaf van Champagne
• •'• " l •• 1 " AL
11 t l
v
•4 Het koor van de predikherenkerk, tekening van Vincent Lenertz in lijn Documents d'ort
•
monumentol du
MoyenAge, 1903
1
>1 1
De predikherenkerk
(foto Oswald
vanuit het noord-
Pauwels, 2005)
•
-i BK 8 D ACX DOMIMCAiNS A LOUVAIN
\ T E nrrtuBDas DU CWECB
oosten
in Troyes. Maar de combinatie van een dergelijke stichting met de bouw van een vorstelijke grafkerk zoals in Leuven lijkt wel uniek te zijn in Noordwest-Europa.
EEN GOTISCH SCHRIJN ALS HERTOGELIJKE GRAFKERK Bij haar bouw, in het derde kwart van de 13 c eeuw, was de gotische oostpartij van de predikherenkerk een in Leuven volstrekt onbekende uiting van nieuwe architectuur. De rijzige koorpartij met haar zevenzijdige apsis en hoge lancetvensters, alsook de eerste aansluitende traveeën van het schip, ondersteund met luchtbogen, wekten ongetwijfeld een enorme belangstelling en bewondering. Het prestige van de opdrachtgevers van dit 'moderne' gebouw, dat nadrukkelijk naar de Sainte-Chapelle in Parijs verwees, was aanzienlijk. Het algemene bouwvolume van vier traveeën en een zevenzijdige apsis, evenals de tweeledige opstand (twee verdiepingen in Parijs tegen een zij- en lichtbeuk in Leuven), refereren aan het emblematische gebouw van de Franse koninklijke gotiek en aan Lodewijk IX. Hertog Hendrik III, die net zijn residentie buiten de stad had verplaatst, slaagde erin om een
nieuwe dimensie te geven aan de historische vesting van zijn dynastie in de binnenstad. Door de schenking aan de dominicanen won de hertog de opkomende stedelijke religieuze orde voor zich. Door de oprichting van een grafkerk bevestigde hij de hertogelijke aanwezigheid in het klooster en wel voor de eeuwigheid. In dat perspectief is de verwijzing naar de Sainte-Chapelle niet louter architecturaal en stilistisch. De Sainte-Chapelle was immers de hofkapel van het koninklijk paleis op de lie de la Cité en bevatte zeer kostbare relieken, onder meer een fragment van de doornenkroon van Christus. Deze beroemde hofkapel werd overigens ook door dominicanen bediend. Nog vóór de schenking van 1256 was men aan de bouw van het klooster en de kerk begonnen. Dat blijkt uit een aflaatbrief van 1251 die door de dominicaanse kardinaallegaat Hugues de SaintCher werd uitgevaardigd om de bouw aan te moedigen. De formulering is vaag en typisch voor dit type document (7), maar toont toch aan dat de bouw al begonnen was of dat er tenminste ernstig over gedacht werd. Hendrik III overleed onverwachts op 28 februari 1261 en werd in de kerk die in opbouw was begraven. Vanaf dat ogenblik had het gebouw de status van grafkerk, hoogstwaar-
In de wetenschap dat de Sainte-Chapelle in Parijs gebouwd werd van 1241 tot 1248, dient beklemtoond dat de receptie van die koninklijke kapel zeer snel gebeurde in Leuven. Er werd al gewezen op de belangrijke invloed van dat uitzonderlijke gebouw op de architectuur van de dominicanen en franciscanen (11), evenals op de hofcultuur van vorsten en bisschoppen. Halfweg tussen Parijs en Keulen — waar toen respectievelijk de toonaangevende dominicanen niemand minder dan Thomas van Aquino en Albertus Magnus waren - stond Leuven onder invloed van beide steden, zowel op religieus als op architecturaal vlak. In 1248 was overigens ook de bouw van de gotische kathedraal in Keulen aangevat. Een ander overtuigend voorbeeld van een gelijkaardige dubbele invloed is aanwijsbaar in de kerken van de dominicanen en franciscanen in Maastricht (12).
• De sluitsteen in de koorapsis ( © THOC, 1997)
schijnlijk volgens de wil van de overledene. De rol van zijn weduwe, hertogin Aleidis, bij de bouw is zeker niet te onderschatten. Zij steunde de dominicanen en blijkt persoonlijke contacten met Thomas van Aquino te hebben gehad. Thomas droeg zijn werk De regimine ludeorum [Over het bestuur van de Joden] op aan een vorstin die door sommigen geïdentificeerd wordt met Aleidis van Brabant, maar door anderen met Margaretha van Vlaanderen. Zij waren beiden weldoensters van de predikherenorde (8). Aleidis stichtte in 1262 het dominicanessenklooster van Hertoginnendal in Oudergem bij Brussel en had een huis laten bouwen naast het Leuvense klooster in de noordoostelijke hoek van het eiland, waar ze zich vaak terugtrok om bij het graf van haar gemaal te vertoeven. Reeds in 1263 schonk zij dat huis aan de gemeenschap door een akte, die in de kerk in aanbouw werd ondertekend (9). Het staat dus buiten kijf dat Aleidis door schenkingen de bouw van het koor heeft bevorderd zodat het al in 1276, twee jaar na haar dood en begrafenis in de kerk, kon worden ingewijd door Albertus Magnus, de prior van het dominicanenklooster van Keulen en hoofd van de Duitse provincie. De bouw had niet langer dan een kwarteeuw geduurd (circa 1251-1276), wat bewijst dat de beschikbare middelen aanzienlijk waren. De dendrochronologische analyse van de dakstructuur van het koor bevestigt deze datering: de twee reeksen gebruikte bomen werden respectievelijk in 1251-1261 en 1260-1265 geveld (10). Tegen 1265 was het koor dus onder dak en kon men aan de gewelven en aan de afwerking beginnen.
M&L
TWEE GROTE BOUWFASEN Opvallend is, voor wie de Leuvense predikherenkerk van buiten ziet, dat het gebouw uit twee verschillende delen bestaat. Enerzijds de rijzige koorpartij en de eerste traveeën van het schip, ondersteund door luchtbogen die behoren tot de gotiek van de tweede helft van de 13 c eeuw. De overwelfde zevenzijdige apsis wordt geschraagd door stevige steunberen waartussen zich gevelhoge spitsboogvensters bevinden. De vier volgende traveeën hebben een basilicale opstand en worden verlicht door grote vensters. Zowel de kruisribgewelven die het schip en de zijbeuken overkluizen, als het luchtbogenstelsel zijn kenmerkend voor de gotische structuur. Het metselwerk is volledig in zandsteen met enkele speklagen in ijzerzandsteen. Anderzijds zijn de vier westelijke traveeën van het schip lager en duidelijk naar een meer bescheiden concept dan het koor gebouwd. Na de dood van Aleidis kregen de Leuvense dominicanen immers minder aandacht van de nieuwe hertog. Jan I verplaatste zijn hof naar Brussel en verkoos de kerk van de minderbroeders in zijn nieuwe hoofdstad als grafkerk. Het is niet uitgesloten dat de schenking van Jan II in 1305 aan de Leuvense predikheren de aanzet gaf tot de voltooiing van het schip. Uit vergelijking met de in 1305 begonnen begijnhofkerk in Leuven, blijkt dat de bouw van het schip in de eerste helft van de 14 e eeuw moet hebben plaatsgevonden (13). Het schip en de zijbeuken werden overkluisd met houten tongewelven waarvan de
r
4,\'± JL
J
1 1
1 1
1L Cl
1 f
1 WÊÊÊKÊÊ^L.
^
^
A
M
mm
•
•
•
i
H ^1
Plattegrond van de predikherenkcrk en de sacristie (©THOC, 2001)
11
f at
i ^' M
^iB
A1
M1
II
f 1
l
f i
A
1
' i
1
3?Ai« ^
x
Langsdoorsnede van de predlkherenkerk. reconstructie van de middeleeuwse toestand ( © THOC. 2004)
veel lichtere druk op de zijmuren geen luchtbogen vereisten en dunnere steunberen toelieten. Ook de houten kap is van mindere kwaliteit en het binnenmetselwerk maakt gebruik van baksteen.
De twee delen van de predlkherenkerk bewijzen dat homogeniteit in architectuur niet altijd als norm geldt. Meestal werden de kerken van de bedelorden in twee hoofdbouwfasen opgetrokken: eerst het
i
I*"
M
^ÜmM^MHtmdk
Bouwnaad en materiaalgebruik duiden de overgang aan tussen de twee bouwfasen; muur van de middenbeuk boven de gewelven van de zuidelijke zijbeuk (foto Oswald Pauwels, 2001)
Overgang tussen de
Dwarsdoorsnede
oostelijke en de
van het koor door
(K.U.Leuven, Universiteitsarchief.
westelijke kapcon-
R.M. Lemaire,
Plannen Lemaire,
structie en houten
1942
1275/23)
scheidingswand (foto Oswald Pauwels, 2001)
koor voor het koorgebed van de gemeenschap en later het schip voor de prediking, voor altaren van de broederschappen en voor begraafplaatsen van burgers. De binnenruimte van de kerk was ook fysiek in twee gescheiden door een doksaal of koorafsluiting. In de eerste tijd van de orde beperkten strikte normen de architectuur van de kerk- en kloostergebouwen. Zo mochten de muren van een kerk niet hoger zijn dan 30 voet. Vanaf de jaren 1240 werden de richtlijnen minder streng en schikten zij zich naar de heersende bouwpraktijk van de dominicanen die steeds maar grotere kerken bouwden (14). Ook werden de kerken van de eerste generatie vaak verbouwd of vervangen. Zo werd de beroemde tweebeukige jakobijnenkerk in Toulouse nog in de 13 c eeuw verlengd, verhoogd en overwelfd. In Keulen bouwden de dominicanen na 1271 een nieuw rijzig koor dat tot de afbraak van het gebouw in 1804 een sterk contrast vormde met het lage Romaanse schip uit de jaren 1220. Enkele andere voorbeelden zijn de kerken van de dominicanen in Zurich, Straatsburg en Valenciennes en die van de franciscanen in Bazel, Regensburg en Valenciennes.
kleinere ramen en geen kruisribgewelven heeft. De toonaangevende 19 c -eeuwse architectuurhistoricus Augustin Schayes situeerde de bouw van het schip in de jaren 1230-1250 en dateerde het koor i n d e 15 e eeuw (15). Dankzij latere historische studies kon het koor gedateerd worden in de tweede helft van de 13 e eeuw (16) en werd het ook als een model van de klassieke gotiek beschouwd (17). De vroegste architectuurhistorische analyse van de predikherenkerk vormde een hoofdstuk in het doctoraat van Raymond M. Lemaire (18). Hij was ook de eerste die aandacht besteedde aan de kapconstructies van de kerk en er opmetingstekeningen van maakte (19). Lemaires werk was een referentie voor de volgende generatie onderzoekers die meer aandacht besteedden aan architectuuronderdelen (20), alsook aan de 18 e -eeuwse verbouwingen en het meubilair (21). Michel Rooryck wijdde onder zijn leiding een licentiaatverhandeling aan de kerk waaruit twee interessante artikels voortvloeiden (22).
De eerste auteurs die over de Leuvense predikherenkerk schreven dachten dat het schip ouder was dan het koor, gewoon omdat het lager is,
Het meest recente onderzoek focuste op de cultuurhistorische betekenis van het gebouw en plaatste de kerk in het perspectief van de tot voor kort
RFCENT QNDERZDFK
ongewaardeerde architectuur van de bedelorden in de Nederlanden (23). Een belangrijk bijkomend onderzoek werd gewijd aan de kapconstructie (24) die door het Lahomtoire de Dendrochronologie van de universiteit van Luik gedateerd kon worden (25). De betekenis van de predikherenkerk als hertogelijke grafkerk ten slotte leidde tot een nieuwe studie over de hertogelijke kapel, het grafmonument met bijhorende muurschildering en de glasramen (26). Deze elementen van de 13 e -eeuwse stoffering overleefden de 17 - en 18 e -eeuwse aanpassingswerken niet.
Het grafmonument van Hendrik III en Aleidis Hendrik III stierf, zoals vermeld, op 28 februari 1261 en zijn echtgenote Aleidis van Bourgondië op 23 oktober 1273. Zij werd naast haar gemaal begraven in een verheven tombe, die werd opgetrokken in Doornikse steen (27). Het monument stond in het koor aan de noordzijde, naast de muur die de hertogelijke kapel begrensde. Het koor werd ingewijd in 1276. Daarom kan de oprichting van de graftombe in die omgeving gesitueerd worden. Meestal wordt aangenomen dat hertogin Aleidis opdrachtgeefster was, maar de datum van het ontwerp is niet bekend. Hertog Hendrik III heeft in
• De hertogelijke graftombe van Hendrik III en Aleidis van Bourgondië. C. de Rietwijck, Sigillographico Belgico (begin 17'' eeuw), f 6 7 Ï - 6 8 . Brussel,
Koninklijke Bibliotheek, Hss 22483 ( © KBR)
ieder geval zelfde predikherenkerk gekozen als zijn begraafplaats (28). De graftombe waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn, is bekend door beschrijvingen, tekeningen en gravures vanaf het begin van de 17 c eeuw. Naast de vermelding bij Bernardus de Jonghe (29), is een prachtige ingekleurde tekening van het graf opgenomen in het wapenboek van de Brusselse schepen Charles de Rietwijck (1580-1656) (30). Vele andere auteurs hebben zich op de tekening in dat manuscript gebaseerd (31). Daarnaast leveren ook de Memorieën van Anthonio de Succa uit 1602 zeer interessante originele tekeningen en beschrijvingen (32). De Succa documenteert in de Leuvense predikherenkerk de ligbeelden van Hendrik en Aleidis (f 67v) en twee beeldjes uit de onderbouw (f 68). Die laatste stellen kinderen van het overleden paar voor: Jan I, latere hertog van Brabant (t 1294) en Maria van Brabant (t 1321), die zou huwen met Philippe III Ie Hardi, koning van Frankrijk. Ook de twee andere beeldjes aan het voeteinde stelden kinderen van het overleden paar voor, namelijk Hendrik (f 1272) en Godfried van Brabant (f 1302). H u n namen stonden op de epitaaf die de Succa zorgvuldig heeft overgeschreven (f 68v). De personages die in de arcaden op de lan-
HENDRIK III (tl056) Keizer van het
Zl
NI
Z2
W I L L E M II (t1256) N2 Graaf van Holland, Koning van D u i t s e Rijk
Duitse Rijk HENDRIK IV
(tiioe) Keizer van het
FREDERIK BARBAROSSA
HENDRIK III Z3
GODFRIED I
ALEIDIS van BOURGONDIË
Keizer van hel Heilig Roomse Rijk FILIPS (11208) Herlog vanZwaben, Koning van het Duitse Rijk
B
A
Duitse Rijk
(tmo)
N3
(tlUO) Hertog van
(t1261)
(t1273)
Brabant
Hertog van
Hertogin van
GODFRIED II
Brabant
Brabant
zu
Nt
(t1U2) Hertog van Brabant GODFRIED III
KONRAD [V (tl25/.) Koning van
MANUEL COMNENUS (tllSO) Keizer van het Byzantijnse Rijk
N5
Z5
(t1190) Hertog van
Sicilië
Brabant
ALFONSO X
HENDRIK I
(t1284) Koning van
Z6
N6
Brabant
Castilië PREMYSL OTTOKAR II (tl278) Koning van Bohemen
HENDRIK II Z7
N7
Graat van Holland
(t1248) Herlog van Brabant
OTTOII (t1271)
(tl235) Hertog van
N8
Z8 01 HENDRIK van BRABANT
02
03
JAN I
GODFRIED
( tl290
(tl272)
Hertog van
Augustijn
Brabant
ge zijden van de tombe stonden, worden in dat grafschrift eveneens bij naam genoemd. Hierdoor is de betekenis van het grafmonument als een genealogisch gedenkteken duidelijk (33). De bloedverwantschap langs moederszijde (de moeder van hertog Hendrik III) domineert de uitgebeelde personages aan de rechterhand van de liggende hertog, die
OA
HENDRIK I de JONGE (tl308) Landgraaf van Hessen
MARIA van
van BRABANT
BRABANT
(t1302)
(11321)
Heer van
Koningin van
Vierzon
Frankrijk
langs vaderszijde (de vader van hertog Hendrik III) aan zijn linkerhand. Het dynastieke programma wordt verduidelijkt op de bijgevoegde schematische voorstelling. Dat er uitsluitend mannelijke figuren rond de graftombe voorgesteld waren, was in die tijd gewoon. Aleidis van Bourgondië speelde nochtans een belangrijke rol in het culturele leven van
het hof (34) en na de dood van haar echtgenoot regeerde zij het hertogdom tijdens de minderjarigheid van haar kinderen. Toch wordt zij op het monument enkel voorgesteld als echtgenote van de hertog en als moeder van de vier kinderen. Haar voorouders zijn afwezig in de gebeeldhouwde portrettengalerij. Het monument heeft duidelijk een dynastieke en politieke betekenis. De voorgestelde personen moeten enerzijds de regering van het Brabantse geslacht in het hertogdom wettigen en anderzijds verantwoordt de iconografie ook de opvolging door de nog jonge erfgenamen in de toekomst. De tombe stond in het koor, goed zichtbaar voor de dominicanen die de herinnering aan hun stichters en weldoeners in hun dagelijkse gebeden zouden bewaren, tot op de dag van het Laatste Oordeel. Het spreekt vanzelf dat deze begraafplaats ook een buitengewoon prestige aan de kerk en aan de kloostergemeenschap verleende. Het is relevant vast te stellen dat grafmonumenten van het Franse koningshuis model stonden voor het graf van Hendrik III en Aleidis (35) en dit terwijl
De muurschildering
Sigillographica
Koninklijke
boven de hertogellj-
Be/gico
Bibliotheek,
ke graftombe.
(begin I7 d ' eeuw),
Hss 22483
C. de Rietwi|ck,
f «4v-65. Brussel,
( © KBR)
zij voor de architectuur van het koor in de predikherenkerk ook de Sainte-Chapelle wa.n Lodewijk IX als voorbeeld namen. Zij spiegelden zich dus aan het Franse koningshuis. Dat was een bewuste keuze die wellicht al lang voor hun dood werd gemaakt. Beide families hebben zoals reeds vermeld werd intense familiebanden gesmeed. Maria van Brabant huwde de Franse koning Filips III (Ie Hardi) terwijl de dochter van koning Lodewijk IX de vrouw werd van hertog Jan I van Brabant. Twee kinderen van het hertogelijke paar waren dus letterlijk thuis aan het Franse hof. Dat hiermee een intense culturele uitwisseling gepaard ging laat geen twijfel.
Een schildering op de wand Zoals het grafmonument bekend is door beschrijvingen, tekeningen en gravures uit de 17 '; eeuw, zo ook de schildering die zich eertijds op de wand, boven de graftombe bevond. Zowel de Rietwyck (f 64v-65 en f69) als de Succa (f 67v) geven hiervan tekeningen. Bij de Jonghe en Butkens wordt de schildering enkel in de tekst vermeld (36). In het midden troont de Moeder Gods. Zij wordt geïdentificeerd als de patroonheilige van het kerk-
l mrtubntówar ïüw hemiaw Inn'aora» m n ar tan'Aui^ bffi^ qiu « t o i\Öo at tr IY tdtia öicftbnurai tototor
M&L
gebouw en is natuurlijk ook de belangrijkste voorspreekster van de overledenen bij God de Vader. De rode achtergrond is bezaaid met de wapenschilden van Brabant en van Bourgondië. O p de linkerzijde van de schildering knielt hertog Hendrik III. Als stichter van de Leuvense predikherenkerk schenkt hij een model van het gebouw aan Maria. Dat gebeurt met de hulp van de heilige Dominicus, die is afgebeeld met zijn attribuut een staf. Achter de hertog staat een tweede heilige dominicaan als schutspatroon. Vermoedelijk is dit de zalige Heinrich Seuse (Suso) van het dominicanenklooster in Konstanz (Zwitserland) (37). Hij staat bekend als mystieker en zijn geschriften werden gelezen en waren aanwezig in dominicanenmilieus (38). Onder Hendrik III is op de muurschildering een opschrift aangebracht dat hem identificeert als hertog van Lotharingen en van Brabant en als stichter van het klooster. Rechts op de schildering knielt hertogin Aleidis van Bourgondië. Zij is voorgesteld in een zeer rijke kledij. Ook zij schenkt een kerkmodel aan Maria. Zij was namelijk, zoals reeds vermeld, de stichteres van het eerste dominicanessenklooster in de Nederlanden, Hertoginnendal in Oudergem (1262). Als bemiddelaar tussen Aleidis en Maria treedt de heilige Petrus van Verona naar voren. Hij is een bekende martelaar van de dominicanenorde en herkenbaar aan het zwaard waarmee hij werd onthoofd (39). Achter de hertogin staat een schutspatroon, die waarschijnlijk te identificeren is als de heilige keizerin Adelheid (Aleidis) van Bourgondië (f 999), dochter van Rudolf II van Bourgondië, echtgenote van Lotharius II, koning van Italië en in een tweede huwelijk van keizer Otto de Grote. O p het einde van haar leven trok zij zich terug in de Elzas, in Selz bij Straatsburg, waar zij een benedictijnenklooster stichtte (40). Onder hertogin Aleidis is ook een opschrift aangebracht dat haar identificeert als hertogin, als echtgenote en als stichteres van de kloosters in Leuven en Oudergem.
O p basis van de weergegeven dieptewerking, vooral in de troon van de Moeder Gods, en op basis van de kostuumhistorische details kan worden vastgesteld dat de schildering uit de late 14 e eeuw dateert en meer bepaald ca. 1370-1380. De schildering werd dus ruim honderd jaar na de dood van de hertogen boven hun graf aangebracht (of vernieuwd?). Zij geeft de figuren weer in een modieuze, eigentijdse kledij van het einde van de 14 e eeuw en grijpt niet terug naar de 13 e -eeuwse kleding die het paar draagt op de graftombe.
Het glasraam van
(begin 17'' eeuw),
Maria van Brabant,
f 75. Brussel,
koningin van
Koninklijke
Frankrijk.
Bibliotheek,
C. de Rletwljck,
Hss 22483
Sigillograpto
( © KBR)
Belfico
De muurschildering verwijst zowel naar de begraafplaats van de hertogen als naar de stichting van kerk en klooster. Door de teksten en door het beeld is het duidelijk dat de Brabantse hertogen hier herinnerd werden als deugdzame stichters van het klooster en als weldoeners van de Leuvense predikheren.
Gebrandschilderde ramen uit de 13de eeuw Het belang en het effect van gebrandschilderde ramen in de ruimte, ten tijde van de bouw van de kerk, kan niet genoeg benadrukt worden. De decoratie op de wanden moet in de 13 e eeuw bestaan hebben uit een architecturale polychromie met voegenschilderingen. De kleuren en de beeldvoorstellingen van de glasramen waren daarom absolute blikvangers. Het schenken van gebrandschilderd glas was in de 13 e eeuw een koninklijke traditie. Daarvan getuig-
•
-" '
•i» i
i
-•
" ..i'—i".' i "
Op het bovenste register zijn van links naar rechts afgebeeld: Maria, koningin van Frankrijk, met haar ouders Hendrik Hl en Aleldis van Daaronder andere
Sir i l
gebrandschilderde figuren met op het derde register In het midden en frontaal Margarctha van frankrijk. Onderaan m het midden de twee kinderen op het voeteinde van het grafmonument. Anthomo de Succa.
ï'
Q
j .***4^-
Memoneèn (1602).
••.••,
f 68. Brussel.
V
^
Koninklijke Bibliotheek.
•«.
-
Hss 1862
J8
( © KBR)
.v-
V^ >
ir
lt
,~^rr tó®*" H ^ l
- A few. S
.^aj Jtr^***
^ i-M
'
__.__,.,/
: ^
V^»^A
V J 7 irW«*4
M&L
^
^r:?rK
••. '«ÜX
UIL1 I
,
'
den ook de ramen in de hertogelijke kapel van de Leuvense predikherenkerk. In het raam van de oostelijke muur bevond zich oorspronkelijk een figuratief glasraam. De manuscripten van Charles de Rietwyck (f 71v-72, f75) en van Anthonio de Succa (f 68) bieden hierover opnieuw zeer interessant iconografisch materiaal (41). Het raam is verdeeld in drie lancetten. Bovenaan bevinden zich grisaillepanelen. Centraal is een Kruisiging afgebeeld met links Maria en rechts de heilige Johannes. Onder driepasbogen zijn verschillende figuren afgebeeld. Het paneel links van de Kruisiging stelt de heilige Dionysius voor, patroonheilige van het Franse koningshuis. Hij werd als martelaar onthoofd en draagt zijn hoofd zoals gebruikelijk voor de borst in de hand. Rechts van het kruis staat de heilige Nicolaas, patroonheilige van Lotharingen, voorgesteld als bisschop met zijn mijter in de hand. O p de tekening van de Rietwijck zijn de namen van die twee heiligen omgewisseld. In het register daaronder is in het midden Maria van Brabant (1254-1321) voorgesteld, geknield, frontaal en met gevouwen handen. Naast haar knielen haar ouders, links hertogin Aleidis en rechts hertog Hendrik III. O p het onderste register is centraal het wapenschild van Frankrijk uitgebeeld, links en rechts geflankeerd door het wapen van de hertogen van Brabant. Het raam moet ontstaan zijn tussen 1274 -het jaar van haar huwelijk met koning Filips III- en 1285, het jaar van Filips dood. De opdrachtgeefster wordt op het glasraam immers als koningin van Frankrijk geïdentificeerd. Die indicatie voor de datering stemt overeen met de kledij die gedragen wordt en met de opvatting van het glasraam zelf. In de hertogelijke kapel bevond zich in de 13 e eeuw nog een tweede gebrandschilderd raam, dat later naar het koor werd verplaatst. Anthonio de Succa tekende in 1602 (f68) verschillende adellijke portretten onder de vermelding "achter den hooghen autaer". Het zijn Godfried van Brabant (t 1302), hertog Godfried II (t 1142), zijn echtgenote Lutgardis (t na 1162), Margareta van Constantinopel (t 1280), gravin van Vlaanderen en van Henegouwen, Margaretha van Limburg (t 1172), eerste echtgenote van Godfried III, en Hendrik van Leuven (f 1285), heer van Gaasbeek en zoon van Godfried van Leuven of Hendrik, landgraaf van Hesse, halfbroer van Hendrik III. Ten slotte, de enige uit deze reeks die frontaal wordt afgebeeld is Margaretha van Frankrijk, dochter van Lodewijk
IX en korte tijd de echtgenote van hertog Jan I. Het paar huwde in 1270 doch Margaretha stierf in november 1271 in het kraambed. Jan I was de eerste opvolger van zijn vader Hendrik III die tijdens zijn minderjarigheid werd vervangen door zijn moeder hertogin Aleidis (1261-1267). Omdat Margaretha van Frankrijk de enige frontaal voorgestelde figuur is, kan haar een bijzondere rol worden toegekend. Naar analogie met het raam van Maria van Brabant, die ook frontaal was voorgesteld, mag misschien verondersteld worden dat ook de Franse koningsdochter opdrachtgeefster van een raam was. Te oordelen naar de kledij van de personages bij de Succa, dateert het raam in ieder geval nog uit de 13 e eeuw.
HET LEUVENSE KLOOSTER WORDT ÏTimillMGFNFRAlF De tweede helft van de 14 c eeuw was voor Europa een tijd van diepe crisis: pestepidemieën, oorlogen en schisma binnen de Kerk. Zoals de andere kloosterorden hadden ook de predikheren te lijden onder dit algemene klimaat. Er was nood aan een interne hervorming, die zou teruggrijpen naar de oorspronkelijke geest en waarden van de orde, namelijk contemplatie, studie, armoede en apostolaat. Deze hervorming begon in de Nederlanden met de steun van de Bourgondische hertogen, en leidde in 1465 tot de stichting van een zelfstandige congregatie van hervormde kloosters, de Congregatio Hollandiae (42). In deze context werden nieuwe kloosters opgericht, onder meer in de hertogelijke hoofdstad Brussel (43). Het Leuvense klooster zou pas in 1494 bij de hervorming aansluiten. In 1515 werd een nieuwe provincie gesticht, de Nederduitse provincie {Provincia Germania Inferioris). Zij stemde overeen met het grondgebied van de Nederlanden. Al in 1524 werd in het Leuvense klooster een provinciaal kapittel gehouden (44). Zoals hoger vermeld was er sinds de 13 e eeuw een studium aan het klooster verbonden, dat bestond uit een filosofie- en een theologieklas. Toen er in 1431 aan de Leuvense universiteit (gesticht in 1425) een faculteit theologie geopend werd, ontwikkelden zich onmiddellijk banden met de dominicanen, franciscanen en augustijnen, later met de karmelieten. In 1447 werden de eerste drie kloosters in de universiteit geïncorporeerd, naar het model van Parijs en Keulen. Elk klooster bewaarde zijn eigen studium, maar de dominicanenstudenten waren aan de universiteit ingeschreven. In 1447
IHXll HENTS I H « I
MOM MF HTAl
^7*—^ it*. " - ^ ^—-. * j«««^.' / .
.N.,..,...—' •»« vf^t^.. Tir *
tóLlhk DE NOTRE DAME A L0UTA1H STALU OKTAlLs,
Het koorgestoelte
Vincent Lenertz in
van de predikheren-
zi|n Documents d'ort
kerk, tekening van
monumenMl. 1903
waren het er 37. Ze kregen dezelfde rechten als de andere studenten, moesten bepaalde lessen aan de faculteit volgen en droegen bij tot de uitzonderlijke behoeften van de universiteit. Het studium generale
Het koorgestoelte van ca. 1530 werd In de I8''• eeuw verbouwd. Toestand 1991, vóór het demonteren (foto AROHM, 1991
van de dominicanen reikte eigen diploma's uit. Aan de filosofieklas doceerden twee professoren, de lectores. De theologieklas had oorspronkelijk ook twee professoren, de regentes, waarbij later een derde kwam, de magister studii (45). Naast deze docenten die binnen de muren van het klooster {intra parietes domesticos) les gaven, zetelde altijd een dominicaan in het bestuurscollege van de faculteit godgeleerdheid {regens strictae facultatis). De banden tussen de dominicanen en de universiteit waren zo nauw dat het tot 1635 de traditie was om de verkiezing van de rector van de universiteit en andere belangrijke vergaderingen in het predikherenklooster te houden (46). De dynamiek van het studium trok ook leken aan en zo ontstonden de eerste broederschappen in de jaren 1470 (47). De hervorming van het klooster en de ontwikkeling van het studium generale hebben zeker gevolgen gehad op het gebouwenpatrimonium, maar daarvan is weinig geweten. Aan de vorm van de tracering van het grote, nu deels dichtgemetselde, westvenster van de predikherenkerk is af te leiden dat dit in de 15 e eeuw werd geplaatst. De lichtinval in het westschip en de ruimte voor prediking werden daardoor totaal veranderd. In het begin van de 16 e eeuw vroegen de dominicanen en de augustijnen aan de universiteit een bijdrage voor hun bouwonkosten, zich beroepend op het feit dat de universiteit tegelmatig zalen van hun kloosters in gebruik nam (48). Verder beschik-
ken we niet over informatie met betrekking tot de laatmiddeleeuwse inrichting van de kerk, noch over de grafzerken van leken die in de kerk begraven waren. Onder prior Godfried Styroye vervaardigde de lekenbroeder Godfried Van der Loy rond 1530 een nieuw eikenhouten koorgestoelte, waarvan dertig zetels met figuratieve zittertjes nog bewaard zijn. In tegenstelling tot de laatmiddeleeuwse gewoonte om hierop drollige, satirische of moraliserende taferelen uit te beelden, zijn ze in de geest van de Renaissance integraal gehistoriëerd met scènes uit het Oude Testament. De levendige, gedetailleerde en verhalende voorstellingen zijn rechtstreeks ontleend aan eigentijdse grafiek in onder meer bijbeluitgaven en andere gedrukte werken als de Weltchronik van Hartmann Schedel. Dergelijke boeken waren aanwezig in dominicanenbibliotheken (49). Het koorgestoelte dat speciaal voor de kerk gemaakt werd heeft voor het monument een bijzondere betekenis. Toen de ideeën van Luther, Erasmus en Kalvijn in het tweede decennium van de 16 e eeuw in de Lage Landen ingang vonden, stonden de dominicanen op de bres om het protestantisme te bestrijden door predikaties en geschriften. Ze speelden een belangrijke rol tijdens het concilie van Trente, de basis van de Contrareformatie. Het thomisme, de leer van Thomas van Aquino, was trouwens de officiële basis voor het theologieonderwijs in de studio, van de orde en in de katholieke universiteiten. Een groot aantal dominicanen zou aan de universiteit van Leuven, die het thomisme verdedigde, doceren. O p de 286 studenten die tussen de stichting van de faculteit en 1796 als doctor in de godgeleerdheid in Leuven promoveerden, waren er niet minder dan 77 dominicanen (50). In Leuven waren twee kleinere kloosters en colleges van dominicanen aanwezig, namelijk die van de Ierse en Engelse dominicanen, respectievelijk gesticht in 1621 en 1694, evenals een klooster van dominicanessen van 1654. In de 17 e eeuw ontstonden nog negen andere dominicanenkloosters in de Nederduitse provincie, namelijk in Mechelen, Lier, Tongeren, Bergen, 's-Gravenbrakel, Vilvoorde, Namen, Revin en Zittaart (51). De beeldenstorm van de jaren schade toegebracht hebben aan dikherenklooster. Toch werden Contrareformatie in het begin vernieuwingswerken aangevat.
1560 zou weinig het Leuvense preals gevolg van de van de 17 e eeuw Het meest opval-
lend was het nieuwe hoogaltaar met een grote triptiek die de Passie van Christus voorstelde. Dit in 1614-1615 door Otto Venius geschilderde drieluik bevindt zich thans in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel (52). Vanaf 1637 werd op de plaats van de hertogelijke kapel in de noordelijke zijbeuk een kapel ingericht ter ere van de Rozenkrans, een door de dominicanen bevorderde mariale verering. Bij die gelegenheid werd het huidige Onze-Lieve-Vrouwealtaar geplaatst en het oorspronkelijke glasraam werd uit de oostelijke muur van de kapel en uit de kerk verwijderd. Ook in de zuidelijke zijbeuk werd een ander altaar geplaatst dat, zoals verwacht kan worden in een studium generale, aan Thomas van Aquino was toegewijd. Dat leidde tot het dichtmetselen van de oostelijke vensters van beide zijbeuken. Aan beide kapellen waren lekengenootschappen verbonden. In 1639 sloot Jan Van Weert een contract af voor een nieuw kerkorgel (53).
HOE MEN "DE OUDE AFSCHUWELIJKE KERK HEEL HEEFT VERANDERD IN LUYSTER" De tweede helft van de 17 e eeuw en de 18 ': eeuw waren moeilijkere tijden voor de predikherenorde, die geconfronteerd werd met het Jansenisme en met de concurrentie van de jezuïeten en de orato-
A Interieur van de kerk van OnzeLieve-ïrouw ter predikheren. De kerk staal plechtig in de rouw voor een eersteklasseruitvaart, circa 1940 ( © RIK-IRPA)
• Het I8d'-eeuwse hoofdaltaar, toestand 1956. De illusionistische schilderingen achter de monumentale (iguren verdwenen tijdens de restauratiewerken vanaf 1961 ( © KIK-IRPA)
rianen. Bovendien hadden de Leuvense predikheren regelmatig te lijden van overstromingen van de Dijle, zelfs in die mate dat de historicus Bernardus de Jonghe, die het klooster in 1715 bezocht, er een hoofdstuk in zijn boek aan wijdde (54). Tijdens de Frans-Oostenrijkse oorlog in 1745 en 1748, werd het klooster twee keer opgeëist door het Franse leger die het, zoals andere kloosters en universiteitsgebouwen, als militair hospitaal en opslagplaats gebruikte (55).
Gezicht op de noordelijke zi|beuk met preekstoel, lambrisering met ingewerkte biechtstoelen en schilderijen uit de IS11' eeuw, vóór de jongste restauratie van de kerk (fotoAROHM, 1991)
M&L
Onder het prioraat van Hendrik Van de Putte onderging de kerk een ware metamorfose. Reeds in 1733 had men met stenen gewelven de vier westelijke traveeën van de zijbeuken overkluisd, en werden daardoor de ziende kappen aan het oog onttrokken. Tussen 1762 en 1764 werd het kerkinterieur aan de smaak van de tijd aangepast naar ontwerp van architect Nicolaas Corthout (56). Het blijkt heel duidelijk dat hij opdracht kreeg om het zichtbare verschil tussen de twee bouwfasen van de kerk weg te werken en de ruimte één te maken. Bij die gelegenheid werd ook de muur met de schildering die herinnerde aan de Brabantse hertogen, tussen de voormalige hertogelijke kapel en het koor, afgebroken. Net als een toneeldecor, werd het interieur volledig opgesmukt met stucwerk in rococostijl, dat zich toch moest aanpassen aan de bestaande gotische krachtlijnen van de structuur. Het resultaat is als het ware eclectisch: de in traveeën ingedeelde gotische opstand werd door een horizontale doorlopende kroonlijst onderbroken. Onder deze witte kroonlijst, tussen de scheibogen en de lichtbeuk, werden zestien busten van dominicanenheiligen in stucwerk aangebracht (57). O m het interieur te homogeniseren werden tal van gotische elementen verwijderd. De kapitelen werden weggehakt en er werden nieuwe Toscaanse kapitelen uit gips boven geplaatst; de basementen van de zuilen verdwenen bij de vloerverhoging en werden vervangen door nieuwe basementen zonder profilering; het maaswerk en de kleurrijke glasramen moesten plaats ruimen voor ongekleurd glas. Anderzijds werden gotische elementen, die alleen aanwezig waren in de oostelijke traveeën, in het westschip nagebootst om meer eenheid aan de middenbeuk te geven. Zo werd tegen het tongewelf een
•4 Het koor met barokke zijaltaren en het koorgestoelte, vóór de jongste restauratie van de kerk (foto Oswald Pauwels, 1991)
schijngewelf in pleister aangebracht, dat dezelfde vormen vertoont als het stenen kruisribgewelf van de 13 e -eeuwse traveeën. Deze nepribben uit gips komen neer op halfzuiltjes die, door de kroonlijst heen, tot op de kapitelen doorlopen. In 1767 werd de ingang van de kerk van de vierde naar de eerste noordelijke travee verplaatst en werd een classicistisch rondboogportaal opgericht. De kerk werd in de loop van de 18 e eeuw ingericht met nieuw meubilair bestaande uit het theatrale hoogaltaar met de beelden van de gekruisigde Christus, twee cherubijnen, Aaron en Melchisedech; barokke zijaltaren op de scheiding van hoogkoor en schip waar vroeger een doksaal moet gestaan hebben; een preekstoel; lambriseringen met ingewerkte biechtstoelen in de zijbeuken die ook een reeks schilderijen herbergen van Pieter Jozef Verhaghen (1760-1764) en Antoine Clevenbergh (1791), later nog aangevuld met werk van Frans Van Dorne (1826). Er werd nu ook een doksaal gebouwd voor het westraam van het schip en hierop werd een orgel geplaatst. Het is niet bekend of het om een nieuw orgel ging, dan wel om het (aange-
paste) Van Weert-orgel (58). Het bestaande meubilair werd verplaatst of aangepast. De triptiek van Otto Venius verhuisde van het voormalige hoogaltaar naar de zuidelijke zijbeuk; het koorgestoelte van broeder Godfried Van der Loy werd naar vorm en stijl ingrijpend aangepast om binnen het gerenoveerde koor te passen; de zerken die getuigden van vijf eeuwen begraven in de kerk, verdwenen onder de nieuwe marmeren vloer (59). Bij de plaatsing van het nieuwe hoofdaltaar werden de gebrandschilderde ramen met de adellijke portretten uit de 13 e eeuw verwijderd. Zelfs het hertogelijke praalgrafwerd afgebroken terwijl de nieuwe opdrachtgever, prior Van de Putte, in 1767 in het koor begraven werd. De epitafen van de stichters Hendrik III en Aleidis, en van Hendrik Van de Putte, de zelosus ecclesiae restaurator (sic), stonden voortaan tegenover elkaar opgesteld, aan weerszijden van het hoogaltaar. Tijdgenoten schreven lovend over prior Van de Putte "die de oude afschuwelyke kerk heel heeft veranderd in luyster, gelyk sy hedendaegs voor een der schoonste van Loven pronkt, of men mag waarlijk
zeggen dat hij van de lelijkste kerke onser stad eene der schoonste gemaekt heeft" {GQ). Anderzijds gingen er kritische stemmen op over de afbraak van het hertogelijke praalgraf. Gelijkaardige radicale herinrichtingwerken hadden in de 18 e eeuw in vele middeleeuwse kerken plaats. Ze werden echter vaak, in de 19 c en soms nog laat in de 20 ste eeuw, op hun beurt verwijderd door de restaurateurs die de middeleeuwse monumenten in hun oorspronkelijke luister wilden herstellen (61). In dat opzicht heeft het interieur van de Leuvense predikherenkerk een bijzondere waarde (62). In tegenstelling tot het gebouwenbestand van het predikherenklooster, ging het met het studium generale, net zoals met de universiteit en de orde van de heilige Dominicus, tijdens de laatste decennia van de 18 e eeuw steeds slechter. De herhaaldelijke pogingen van keizer Jozef II om de katholieke universiteit te hervormen en aan het centrale gezag te onderwerpen, leidden tot diepe interne tegenstellingen. Na een respijt tijdens de Brabantse omwenteling in 1790, verslechterde de toestand onder het Frans revolutionaire regime. O p 25 oktober 1797 werd de universiteit afgeschaft. De opheffing van het predikherenklooster was toen al elf maanden een feit als gevolg van het afschaffingdecreet van alle kloosterorden. O p dat tijdstip was de Leuvense dominicanengemeenschap al geslonken tot zestien paters en dertien lekenbroeders. Vanaf 1794 werden de kloostergebouwen als kazerne gebruikt.
DE LOTGEVALLEN VAN EEN VOORMALIGE KLOOSTERKERK Door de aanwezigheid van de universiteit, telde Leuven nog meer kloosters en religieuze instellingen dan de andere steden in de Zuidelijke Nederlanden. Hun gebouwenpatrimonium en inboedel werden geveild na de afschaffing van de kloosterorden. Bijna alle kloosterkerken werden gesloopt omdat ze nutteloos waren geworden en hun bouwmaterialen een handelswaarde hadden. Zo verdwenen onder meer de roemrijke kloosters van de Leuvense minderbroeders en augustijnen. De abdijkerk van Sint-Geertrui en de Sint-Michielskerk van de iets vroeger opgeheven jezuïeten werden niet bedreigd, omdat zij op dat ogenblik al parochiekerken waren. De predikherenkerk kon op de valreep gered worden door de dominicanen zelf, met behulp van bereidwillige Leuvenaars (63).
Geen vier maanden na het verdrijven van de kloostergemeenschap, werd de inboedel van het klooster en de kerk op 15 maart 1797 openbaar verkocht. Buren slaagden erin om een groot deel van het kerkmeubilair te kopen met de bedoeling het zo snel mogelijk terug te geven. Zo ontsnapten de altaren, preekstoel, schilderijen, biechtstoelen en koorgestoelte aan afbraak en verspreiding. De kloostergebouwen en de kerk deden dienst als kazerne, tot ze op 8 september 1798 verkocht werden aan een Leuvense koperhandelaar, Charles Bastiné, en drie gezellen. De gebouwen werden grotendeels gesloopt en de terreinen verkaveld tot twee nieuwe straten (64). Na de verkoop van de marmeren kerkvloer en het lood van de daken, takelde de leegstaande kerk snel af. O p 27 mei 1799 slaagden de dominicanen erin, via een tussenpersoon, de kerk en de sacristie terug te kopen. Pas na het Concordaat werd de kerk terug ter beschikking van de eredienst gesteld en op 23 januari 1803 heropend. Wat de dominicanenkerk heeft gered is het feit dat ze een parochiekerk is geworden en als dusdanig voor de openbare eredienst door een kerkfabriek met behulp van de overheid kon onderhouden worden (65). Dank zij de steun van goed geplaatste mensen werd ze meteen de hoofdkerk van het tweede vredegerecht van de binnenstad met als hulpkerken de Sint-Kwintens- en de SintJacobskerk (66). De kerk werd plechtig als parochiekerk ingewijd op 6 juni 1803 en zes jaar later, op 5 juni 1809, stonden de dominicanen al hun rechten op het gebouw aften voordele van de nieuwe kerkfabriek. Behalve het kerkgebouw en zijn inboedel, herinneren alleen enkele namen nog aan de dominicanen: de kerk Maria-Boodschap aan de heilige Dominicus, in de volksmond Onze-LieveVrouw-ten-Predikheren, en de Predikherenstraat. In de context van het katholieke reveil en de herleving van de universiteit keerden de dominicanen terug naar Leuven, waar ze in 1856 een nieuw klooster stichtten met, vanaf 1859, een studium generale. Van het terugkrijgen van hun oude kerk was toen geen sprake (67).
De kerk van de nieuwe Onze-Lieve-Vrouwparochie moest dringend hersteld worden. Er werd een nieuwe vloer gelegd en de dichtgemaakte vensters in de zuidelijke zijbeuk werden opnieuw geopend. In de eerste travee van deze zijbeuk werd een doopkapel ingericht en het interieur werd opnieuw witgekalkt (68). Het orgel werd in 1832 door Theodore Smet samengesteld, met recuperatie van oudere onderdelen zoals het 18 c -eeuwse rugpositief en wellicht ook de hoofdkast. Opgravingen in het koor in 1835
De verminkte graf-
de Leuvense predik-
Het gebeeldhouwde
plaat rechtop
herenkerk
hoofd van Aleidis
Stedelijk Museum Vanderkelen-Mertens
gesteld tegen de
(foto K. Vandevorst,
van Bourgondië.
te Leuven
westelijke muur van
2004)
afkomstig van de
(foto K. Vandevorst,
graftombe,
2004)
nu bewaard in het
brachten de hertogelijke grafkelder terug aan het licht en de zwaar beschadigde deksteen werd rechtop gesteld tegen de westelijke muur onder de orgeltribune (69). Het gebeeldhouwde hoofd van Aleidis echter, wordt bewaard in het Stedelijk Museum Vanderkelen-Mertens te Leuven (70). Vanaf dan tot 1940 kende het gebouw het probleemloze leven van een stedelijke parochiekerk (71). In de 19 e eeuw was op het voormalige 's-Hertogeneiland een burgerwijk ontstaan, die dank zij de nieuwe brug op de Dijle rechtstreeks met de verbouwde Minderbroedersstraat en de chique botanische tuin was verbonden. In tegenstelling tot andere wijken in Leuven, ondervond de OnzeLieve-Vrouwparochie geen schade van de Eerste Weteldoorlog. Bij Koninklijk Besluit van 1 februari 1937, maakte de kerk deel uit van de eerste reeks beschermde monumenten in Leuven, samen met het stadhuis en de Sint-Gertrudiskerk. De kerk en haar onmiddellijke omgeving werden bij Besluit van de Regent van 15 juli 1948 als landschap beschermd. De voormalige predikherenkerk onderging ernstige schade tengevolge van een hevige stormwind in de nacht van 13 op 14 november 1940, de zware
luchtbombardementen van 11 en 12 mei 1944, en het vernielen van de nabij gelegen bruggen over de Dijle op 4 september 1944. Niet alleen het dak en de ramen moesten vernieuwd worden, maar er waren ook stabiliteitsproblemen ontstaan aan de gewelven van de middenbeuk. Omwille van de drassige bodem en de overstromingen was de stabiliteit van het gebouw altijd al een zwak punt: veel zuilen staan scheef en de grote ramen van de vijfde travee van de lichtbeuk werden reeds in de 18 c eeuw dichtgemetseld. In 1942 werden de twee westelijke stenen gewelven van de zijbeuk (oostschip en westschip zijn onbestaande woorden) gedemonteerd en op een experimentele (en goedkope) wijze heropgebouwd. Deze gewelven hangen sindsdien aan een stel betonnen balken en oefenen daarom geen zijdelingse druk meer uit op de zijmuren. Er zijn trouwens geen luchtbogen meer aan de zuidkant om die druk tegen te houden. Pas in 1961 werden de definitieve herstellingswerken van de oorlogsschade aan de kerk aangevat, onder leiding van architect Robert Vandendael die geadviseerd werd door professor Raymond M. Lemaire (72). "De wijk, die tussen de klinieken, scholen, handelszaken en afdelingen van de Boerenbond, in adem-
DE RESTAURATIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWTER-PREDIKHERENKERK IN LEUVEN Walter
De restauratie van de Predikherenkerk kende een problematische voorgeschiedenis. Een lange lijdensweg ging de start van de werken vooraf. De kerk staat namelijk in heel waterrijke gronden met een hoge grondwaterstand pal naast de Dijle, die de stad Leuven doorkruist. Deze ligging langsheen of net aan het water was belangrijk voor het functioneren van de voormalige abdij, maar was tevens nefast voor de bewaringstoestand van de kerk en de kloostergebouwen. Sinds het gebouw op het einde van de zeventiger jaren van de vorige eeuw onttrokken was aan de eredienst door het verhuizen van de franstalige universitaire parochie naar Louvain-la-Neuve, stond de kerk lange tijd leeg, zonder toezicht noch onderhoud. De gevolgen laten zich raden.
Slock
Midden de jaren '80 diende de stad Leuven, eigenaar van het gebouw, een restauratiebestek in bij de administratie Monumenten en Landschappen. Het betrof een restauratiedossier van de 'harde lijn', waarbij alleen zeer ingrijpende bouwkundige werken voorzien waren. De voorgelegde raming was ongeveer 170 miljoen Belgische frank inclusief 17,5 % B T W of 4.215.000,00 € . Het voorgelegde dossier kon blijkbaar niemand overtuigen of bekoren en geraakte in een impasse die jaren zou aanslepen. Daar het gebouw in onbruik was en leegstond, moest tevens dringend naar een nieuwe bestemming worden gezocht. Dit zou de enige manier zijn om het gebouw van de totale ondergang te redden. Hetwas bovendien noodzakelijkde (her) bestemming
•
T De Predikherenkerk
vóór de restauratie
Dramatische
van het glas
gezien vanuit
(foto 0. Pauwels)
toestand van de
(foto W. Slock)
het oosten,
venstermonelen en
De houten kapconstructie is over de muiiiplaat verschoven (foto W. Slock)
Gezicht naar het westen tijdens de plaatsing van de vloerverwarming (foto 0. Pauwels)
Het gestoelte vóór de restauratie (foto W. Slock)
De oostvleugel vóór de restauratie (foto W. Slock)
Het hoofdaltaar met de prachtige lichtinval langs de hoge gotische ramen, vóór de restauratie (foto W. Slock)
1VI&L
•4 Oe oostvleugel tijdens de restauratie (foto M. Buyle)
het koot waren dermate verrot dat de kapconstructie al tientallen meters in zuidelijke richting over de muurplaat verschoven was. Hierdoor ontstond acuut instottingsgevaar. Na grondig studiewerk, en rekening houdend met de bouwkundige toestand en opties, genomen ten aanzien van de nieuwe bestemming, heb ik in 1993 een haalbaar en aanvaardbaar restauratiedossier voorgelegd. Een restauratieontwerp van het zachte type met volgende delen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.
De gerestaureerde klokkenstoel
vóór het herplaatsen
te kennen om een aangepast renovatie- en restauratieontwerp te kunnen opmaken. Het stadsbestuur opteerde toen voor een multiculturele functie, met andere woorden de kerk zou gebruikt worden voor culturele activiteiten zoals concerten, tentoonstellingen, theatervoorstellingen, voordrachten en ontvangsten. Het gebouw zou echter respectvol worden gebruikt; de nieuwe bestemming was bijgevolg vastgelegd. Het toenmalige afdelingshoofd, de heer Edgard Goedleven vroeg mij, begin de jaren 90, een realistisch dossier op te maken met welbepaalde opties en doelstellingen overeenkomstig de nieuwe functie (lees bestemming). Inmiddels was de bouwfysische toestand van het gebouw dramatisch geëvolueerd. Een deel van de dakconstructie aan de westzijde van een zijkapel was ingestort. De voeten van het kapgebinte boven
M&L
stabiliteit en restauratie van de kapconstructie/ gebinte restauratie van de dakbedekking en het klokkentorentje + restauratie van de klokkenstoel fragmentaire restauratie van de gevelpartijen glas-in-loodrestaurade restauratie van de kerkvloeren aanleg van vloerverwarming in de kerk, de sacristie en het dormitorium restauratie van stucwerk en schilderwerken restauratie lambrisering zijbeuken schip basisinstallatie elektticiteit sanitaire installaties beveiligingsinstallatie
De werken startten in 1994 en werden opgeleverd in 1996. In totaal kostten de werken, inbegrepen bouwkundige, sanitaire, elektriciteit- en rioleringswerken, verwarmings- en beveiligingsinstallatie, een som van ± 60 miljoen Belgische frank of 1.490.000,00 € inclusief BTW. Ook hier werd opnieuw bewezen dat de overheid in staat is op beredeneerde, verantwoorde en kostenbesparende wijze, het beleid en inzichten van de monumentenzorg waar te maken, mits consequente houding ten aanzien van de restauratieopties, gekoppeld aan een goed werfbeheer, beredeneerd wikken en wegen bij de uitvoering van de werken, een goed portefeuillebeheer en aangepaste uitvoeringstechnieken. Helaas en jammer genoeg begint het degradatieproces de dag na de oplevering van de restauratiewerken met andere woorden vanaf 1996. Een gebouw
Het verduisterde kerkinterieur: voor tentoonstellingen werd elke lichtinval uitgesloten, met dit levenloze resultaat als gevolg. Dit zou binnenkort verwijderd worden (foto 0. Pauwels)
met uitzonderlijke waarden als deze van de Predikherenkerk vraagt dan ook uitzonderlijk en continu onderhoud. Vandaag wordt echter vastgesteld dat het gebouw niet voldoende aandacht en onderhoud krijgt. O p nieuw dringen zich een aantal noodzakelijke onderhouds- en restauratiewerken op. Bij deze gelegenheid zouden een reeks aspecten inzake het gebruik van de kerk moeten herbekeken worden zoals onder andere: - de noodzakelijke restauratie van de aanwezige koor- en zijaltaren inclusief lambriseringen - de te restaureren en terug te plaatsen geschilderde staties van de kruisweg in de lambriseringen van de noord- en zuidzijbeuken - de restauratie en herplaatsing van het koorgestoelte en de twee prachtige barokaltaartjes, die de middenbeuk sierden - de oneigenlijke en permanente afdekking van de ramen
- de toegang en afwerking van het doksaal - het gebruik van het gerestaureerde orgel - de bestemming tot ruimte voor culturele activiteiten met technische installaties, die moeilijk compatibel zijn met het respectvol omgaan met een historische ruimte - het ontsluiten van dit ensemble met openstelling van de kerkruimte, de sacristie en het dormitorium (en in bepaalde gevallen het dakgebinte), geleide bezoeken en documentatiemateriaal Laat ons hopen dat dit artikel de start kan zijn van een heropleving van deze prachtige kerk.
M&L
• Het kerkinterieur tijdens de tentoonstelling De (njenieuze neogotiek (©THOC, 1997)
A Zevenzijdige
nood geraakte, werd in 1963 gevoegd bij de SintPietersparochie. Datzelfde jaar werd de OnzeLieve-Vrouwkerk universitaire parochiekerk voor de Franstalige studenten. Aan de Vlamingen werd de kerk van het Groot Begijnhof toegewezen. Tijdens de restauratie van de begijnhofkerk SintJan-de-Doper, van 1978 tot 1985, werd de kerk van de predikheren gebruikt door de Nederlandstalige universitaire parochie. Na een lange leegstand, die het ergste deed vrezen, werd in 1992-1994 een 'zachte restauratie' toegepast" (73). Die conserverende restauratie werd uitgevoerd in opdracht van de vzw Stichting Monumenten en Landschappen die de kerk in erfpacht had genomen voor de duur van de werken. Tijdens de restauratie kon wetenschappelijk onderzoek verricht worden aan de gewelven van het schip (74) en werd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium een eerste onderzoek uitgevoerd naar de beschildering van de sacristie. Hiervan waren immers fragmenten zichtbaar doorheen de afbladderende kalkiagen (75). De restauratie van het orgel werd in 2002 voltooid (76). Sinds tien jaar is de predikherenkerk ingeschakeld in de werking van het Cultureel Centrum Romaanse Poort en wordt zij in hoofdzaak gebruikt voor concerten en tentoonstellingen. Door een naams-
koorapsis vanuit het oosten (©THOC, 1997)
verandering in 2005 maakt de predikherenkerk nu deel uit van het Cultuurcentrum Leuven 3 0 C C dat vijf zalen telt. De twee grote kunstmanifestaties. De ingenieuze neogotiek in 1997 en Dirk Bouts, een Vlaams primitief te Leuven, in 1998, toonden duidelijk de limieten van de kerk als tentoonstellingsruimte aan, onder meer voor wat het klimaat- en lichtbeheer betreft. De verduistering van de vensterramen die occasioneel werd aangebracht maar nooit verwijderd, verstoort al jarenlang de perceptie van de ruimte en de esthetische beleving. Jammer genoeg ook werd een groot deel van het meubilair en van de kunstwerken tijdens de jongste restauratiewerken gedemonteerd en in afwachting van een gepaste conservering in een depot buiten de kerk opgeslagen. Het is altijd de bedoeling geweest dat deze meubelstukken naar de kerk zouden terugkeren, maar het actuele gebruik van de kerk heeft dat tot nog toe verhinderd. In het bijzonder de afwezigheid van het waardevolle koorgestoelte en de hiermee verbonden barokke zijaltaren, alsook het ontbreken van de schilderijen in de lambriseringen van de zijbeuken, zijn een historisch en artistiek gemis. Het is wenselijk dat in de nabije toekomst hiervoor
een passende oplossing wordt gevonden. Daarnaast is de lamentabele toestand van hoofd- en zijaltaren met hun afbladderende verflagen sinds jaren een doorn in het oog van de bezoeker. De restauratie van deze meubels werd uitgesteld ten tijde van de bouwkundige restauratie en is nu dringend noodzakelijk.
Urrecht (1232), Luik (1232), Brugge (1233), Valenciennes (1233), Atrecht (1233), Sint-Winoksbergen (1240), Antwerpen (1244), Leeuwarden (1245), Haarlem (1247), Maastricht (1254), Zieribee (1262), leper (1268), Dowaai (1268), Zutphen (1288), Luxemburg (1292), 's-Hertogenbosch (1296), Groningen (1307) en Sint-Omaars (1324). (4) AMAND D., Een betere datering voor het ontstaan van de burcht van de hertogen van Brabant op Keizersberg, in COCKX E. en
De publieke toegankelijkheid van dit belangrijke monument en van de gerestaureerde sacristie is evenzeer wenselijk. De ligging op 's-Hertogeneiland, de aanwezigheid van hooggeleerde dominicanen al in de 13 e eeuw, het hertogelijke mausoleum, de vroegste uiting van de gotiek in Leuven, het thomistische studium generale en de eeuwenlange nauwe banden met de universiteit verlenen immers aan de voormalige predikherenkerk een unieke cultuurhistorische betekenis waarvan de waarde en het prestige niet altijd voldoende naar waarde geschat worden.
HUYBENS G. (ed.), De Leuvenseprentatlas. Zeventiende-eeuwse tekeningen uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, 2. Bijdragen (Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 41), Leuven, 2003, p. 681-691. (5)
Over de aangroei van het kloostererf van de predikheren te Leuven: SPAEY E, Het "Godshuis der predikheren binnen Leuven", Leuven, 1961, p. 49-60.
(6)
Over de verschillende vestigingen van de bedelorden: VOLT! P., Les couvents des ordres mendiants et leur environnement a la fin du Moyen Age. Le nord de la France et les anciens Pays-Bas méridionaaxi Parijs, 2003, p. 187-216.
(7)
DE J O N G H E B., Belgium dominkanum...,
Brussel, 1719,
p. 131: "(...) ibidem ecclesiam & claustrum cum officinis suis usibus opportunis aedificare coeperint opere sumptuoso (...)". Door een tikfout wordt dit document door de Jonghe gedateerd
Thomas Coomans is architectuur- en bouwhistoricus, en doceert de vakgebieden Architectuurgeschiedenis en Monumentenzorg aan de Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie.
uit 1351 i.p.v. 1251. Hugues de Saint-Cher, de eerste dominicaan die kardinaal werd, stierf trouwens in 1263. (8)
VAN UYTVEN R., The Date of Thomas Aqu'mass 'Epistola ad Ducissam Brabantiae', in 'Pascua Mediaevalia'. Studies voor Prof. Dr. J.M. De Smet, ed. LIEVENS R., VAN M1NGROOT E. en VERBEKE W., Leuven, 1983, p. 631-643; BOYLEL.E., Thomas
Anna Bergmans is kunsthistorica en erfgoedonderzoekster bij het VIOE. Zij doceert het vakgebied Historisch Interieur en Kunstnijverheid aan de Universiteit Gent, Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen
Aquinas and the Duchess of Brabant, in Proceedings of the Patristic, Mediaeval and Renaissance Conference, 8, New-York, Augustinian Historical Institute, 1983, p. 23-35. (9)
DE JONGHE B., Belgium dominkanum...,
Brussel, 1719,
p. 129-130. (10) COOMANS Th., De oudste dakconstructie in de Leuvense binnenstad: bouwhistorisch onderzoek in de predikherenkerk, in Archeologie, Monumenten en Landschappen in Vlaanderen, 1, 2006 (ter
EINDNOTEN
perse). (11) SCHENKLUHN W., Ordines studentes. Aspekte zur Kirchen-
(1)
De geschiedenis van het klooster moet nog geschreven worden. Het werk van Bernardus de Jonghe uit 1719 blijft een waardevolle bron: DE J O N G H E B., Belgium dominkanum sive historia
(2)
(3)
architektur der Dominikaner und Franziskaner im 13. Jahrhun«/frt, Berlin, 1985, p. 185-230. (12) COOMANS Th., Assise and Cologne on the Banks of the Meuse:
provinciae Germaniae Inferioris sacri ordinis ff. praedicatorum...,
The Two Mediaeval Churches of the Franciscans at Maastricht, in
Brussel, 1719, p. 126-159. Voor het Leuvense klooster is het
Kunst & Region. Architektur und Kunst im Mittelalter. Beitrdge
archiefmateriaal schaars: BOGAERTS A.M. en CRESENS E.,
einer Forschungsgruppe I Art & Region. Architecture and Art in the
Inventaris van het Dominikaans archief, 2. Kloosterarchieven van
Middle Ages. Contributions of a Research Group (Clavis Kunsthisto-
Lier, Leuven en Gent {Archief- en bibliotheekwezen in België. Inven-
rische Monografieën, 20), dir. BRAUER U.M., KLINKENBERG
tarissen, 7), Brussel, 1977.
E.S. en WESTERMAN J., Utrecht, 2005, p. 96-116.
Een overzicht van de geschiedenis van de dominicanen in het
(13) COOMANS Th., Les églises des Dominicains et du Grand Béguin-
Nederlands kan men lezen in: SIMONS W., De dominicanen: een
age a Louvain: comparaisons typologiques, in Mulieres religiosae' et
orde van predikers, in SIMONS W., BRAL G.J., CAUDRON J.
leur univers. Aspects des établissements béguinaux au Moyen Age
en BOCKSTAELE J., Het Pand. Acht eeuwen geschiedenis van het
tardif. Actes de lajournée d'études du 27 octobre 2001 a TUniversité
oude dominicanenklooster te Grat, Tielt, 1991, p. 11-36.
Paris X-Nanterre (Histoire Médiévale et Archéologie, 15), ed. VOL-
Chronologisch; Rijsel (1224), Gent (1228), Leuven (1228),
TI P., Lille-Amiens, p. 25-41.
(14) MEERSSEMAN G., L'architecture dominicame au XIIF stede.
eeuwse architectuur van de bedelorden (franciscanen, dominicanen,
Legislation et pratique, in Archtvum Fratrum Praedtcatorum, 16,
augustijnen en karmelieten) in Nederland, in Bulletin van de
1946, p. 139-190.
Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond (KNOB), 101/6,
(15) SCHAYES A.G.B., Histotre de l'archtteeture en Belgtque deputs les temps les plus reculés jusqua l'époque actuelle, 2, Brussel. 1853, p. 155 : "Le sanctuaire ou rond-point du choeur est évidemment
2002, p. 173-200. (24) COOMANS Th. De oudste dakconstructie in de Leuvense binnenstad: bouwhistorisch onderzoek in depredikherenkerk (prov. Vlaams-
la partie la moins ancienne de l'cglise et ne peut remonter qu'au
Brabant), in Archeologie, Monumenten en Landschappen in Vlaan-
XV siècle...".
deren, 1, 2006 (ter perse).
(16) VAN EVEN E., Louvain dans le passé et dans le présent, Leuven, 1895, p. 412-422.
(25) HOUBRECHTS D. en EECKHOUT J., Analyse dendmehronologique de Téglise des dominicains h Leuven, onuitgegeven verslag,
(17) LENERTZ V., Documents dart monumental du Moyen Age. Archi-
Université de Liège, Laboratoire de dendrochronologie, juni
tecture, sculpture et ferronnene. Relevés & croqms, Brussel, 1903-
2000. Met bijzondere dank aan Patrick Hoffsummer. Over den-
1904, pi. 17 en 20-23. Ook, pro memoria: LEMAIRE R., De
drochronologie, zie: NUYTTEN D., Middeleeuwse dakkappen in
kerk van O.-L.-V. ter Predikheren te Leuven, in Parochieblad
het voormalige hertogdom Brabant, in M&L, 24/4, 2005, p. 22-
Leuven, januari 1933, 6 p.
36.
(18) LEMAIRE R.M., Les origines du style gothique en Brabant, 2. La
(26) Het onderzoek wordt in extenso gepubliceerd in: BERGMANS
formation du style gothique brabanijon. Les églises de l'ancien
A., Fundatio et memoria. Verdwenen gedenktekens van de Brabant-
quartier de Louvain, Antwetpen, 1949, p. 37-45. Hethaald in:
se hertogen (ID'
LEMAIRE R.M. en GODTS H., De gotische houwkunst, in Leu-
Vlaams-Brabant), in Archeologie, Monumenten en Landschappen in
eeuw) in de Leuvense predikherenkerk (prov.
ven "de beste stad van Brabant" (Area Lovaniensts. Artes atque his-
Vlaanderen, 1, 2006 (ter perse). Zie ook BERGMANS A., Le
toriae reserans documenta, 7), red. VAN UYTVEN R., deel 1,
memorialdynastique du due Henri lil de Brabant et d'Alix de Bour-
Leuven, 1980, p. 293-298.
gogne dans l'église des dominicains a Louvain, in 12 Congres inter-
(19) Katholieke Universiteit Leuven, Universiteitsarchief,
Plannen
Lemaire, 1275/23/20-30. Sommige plannen zijn gedateerd 1942. (20) LEURS S., Zoutleeuw en O.L.Vr. der Domtmkanen te Leuven (enkele nota's) (Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen,
national d'études sur les Danses macabres et I 'art macabre en general, Gand du 21 au 24 septembre 2005, Meslay-le-Grenet, 2005, p. 13-30. (27) Onderzoek door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatri-
Letteren en Schone Kunsten van België, 15, Mededelingen. Klasse
monium. Zie DE VALKENEER A., Inventaire des tombeaux et
der Schone Kunsten, 5), Brussel, 1951; VAN MOLLE Fr., Een
dalles cl gisants en relief en Belgique. Epoques romane et gothique, in
gewelfsleutel uit de abdijkerk van Vrouwenpark bij Leuven, in Bul-
Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Land-
letin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Land-
schappen, 14, 1963, p. 178.
schappen, 6, 1955, p. 71-84; VERBEKE K., Het maaswerk in de
(28) Zo wordt vermeld in het document waarbij Aleidis haar nabijge-
ramen van de gotische kerken te Leuven, in Mededelingen van de
legen huisje legeert aan het klooster. DE J O N G H E B., Belgium
Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 31,
dominicanum...,
1991, p. 141-166.
door DE RAM P.-F.-X., Recherches sur les sepultures des dues de
(21) REEKMANS P., Inventaris van de kerk van Onze-Lieve-Vrouwter-L'redikheren te Leuven, in Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 5, 1965, p. 3-26;
Brussel, 1719, p. 129; document gepubliceerd
Brabant a Louvain, Brussel, 1845, p. 20-21. (29) DE J O N G H E B., Belgium dominicanum...,
Brussel, 1719,
p. 135.
SPAEY E, Het "Godshuis"der L'redtkheren binnen Leuven, Leuven,
(30) BRUSSEL, KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, Hss 22483, DE
1961; Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit
RIETWIJCK C , Sigtllographica Belgtca, [begin 17 ' eeuw],
in België. Architectuut, 1, Provincie Brabant, Arrondissement Leu-
f67v-68.
ven, Luik, 1971, p. 228-230; MELLAERTS D., De Dominika-
(31) BUTKENSCh., Trophées tant sacrés que profanes du duché de Bra-
nenkerk O.L.V.-ten-Predikheren te Leuven, Leuven, Cultureel
bant, 1, Den Haag, 1724. Door Dallemagne werd aangetoond
Centrum Romaanse Poort, 1994.
dat zowel de gravures in her wapenboek van Butkens (1724) als
(22) ROORYCK M., Een betere datering voor de kerk van O.-L.-
de 19 c-eeuwse afbeeldingen bij de Ram op dit manuscript van de
Vrouw-ter-Predikheren op 's Hertogeneiland te Leuven, in Medede-
Rietwyck teruggaan. DALLEMAGNE C.-G., Le Manuscrit de
lingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en
l'Ecuyer Charles van Riedwijck, source commune des travaux sigil-
omgeving, 20, 1980, p. 3-36; ROORYCK M,, De geschiedenis van
lographiques et archéologiques de Christophre Butkens et de Mgr
de kerk van O.-L.-Vrouw-ter-Predikheren te Leuven vanaf de 15de
P.F.X. de Ram, in Annates de la Société royale d'archéologie de
eeuw tot vandaag, in Mededelingen van de Geschied- en Oudheid-
Bruxelles. Mémoires, rapports et documents, Brussel, 1942-1943,
kundige Kring voor Leuven en omgeving, 21, 1981, p. 173-203.
p. 27-97. De gravures die de graftombe voorstellen bij Cornelius
(23) COOMANS Th., ^architecture médiévale des ordres mendiants
Van Gesrei (1725) en bij baron Jacques Le Roy (1734) zijn nage-
(Franciscains, Domimcains, Carmes et Augustins) en Belgtque et
noeg identiek aan de afbeelding bij Butkens. VAN GESTEL C ,
aux Pays-Bas, in Belgisch Tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunst-
Historia sacra et profana archiepiscopatus Mechlimensis sive Des-
geschiedenis, 70, 2001, p. 3-111; COOMANS Th., De middel-
ertptio Archi-Diocesis illius. Item urbium, oppidorum, pagorum.
domimorum, momsteriorum, castellorumque sub ea, inXl.decanatus
de Nederduitse provincie (Bouwstoffen voor de geschiedenis der
divisa, deel 1, Den Haag, 1725, pi. rechts van p. 162; LE ROYJ.,
Dominikanen in de Nederlanden, 6-8), 3 delen, Brussel, 1968-
Le grand theatre sacré du duché de Brabant, deel 1, Den Haag, 1734, p, 112. (32) BRUSSEL, KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, Hss II 1862,
1970. (45) REUSENS E., Documents relatifs a l'histoire de TUniverstté de Louvain (1425-1797), 5/3, Colleges et pedagogies, Leuven, 1889-
gepubliceerd door: COMBLEN-SONKES M. en VAN DEN
1892, p. 182-227 (met een lijst van de dominicanenprofessoren).
BERGEN-PANTENS C , Memorie'én van Anthonio de Succa
DE J O N G H H., L'ancienne faculté de théologie de Louvain au
(tent. cat.), (Bijdragen tot de studie van de Vlaamse Primitieven, 7),
premier siècle de son existence (1432-1540): ses débuts, son organi-
2 dln., Brussel, 1977. Deel 1 bevat inleidingen en catalogus, deel
sation, son enseignement, sa lutte contre Erasme et Luther, Leuven,
2 geeft de ttanscripties en de platen.
1911, p. 47-49.
(33) Zie hierover MCGEE MORGANSTERN A., Gothic Tombs of
(46) ANDREA V, Fasti Academici studii generalis Lovaniensis..., Leu-
Kinship in France, the Low Countries, and England, Pennsylvania,
ven, 1650, p. 29-35. Met dank aan Prof. Jan Roegiers voor deze
2000, p. 36-37, 159-160.
referentie.
(34) Zie recenr SLEIDERINCK R., De stem van de meester. De hertogen van Brabant en hun rol in het literaire leven (1106-1430), [Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen, 25, red. VAN OOSTROM EP. en VAN ANROOIJ W.), Amsterdam, 2003, p. 57-73.
(47) Broederschappen van de Rozenkrans (1474), de H. Naam van Jezus (1474), de H. Drievuldigheid (1478). (48) DE J O N G H H., L'ancienne faculté de théologie..., Leuven, 1911, p. 48, en documenten, p. 7. (49) VAN EVEN E., Louvain dans le passé et dans le présent, Leuven,
(35) Zie uitgebreid in het aangekondigde artikel (noot 26).
1895, p. 417; Het laatgotisch beeldsnijcentrum Leuven (tent. cat.),
(36) DE J O N G H E B., o.c, p. 135; BUTKENS C , Trophies tant
Leuven, 1979, p. 312-313; VERSPAANDONK J.A.J.M., Een
sacrés que profanes du duché de Brabant, 1, Den Haag, 1724,
beeldhouwer op de vingers gekeken: grafische voorbeelden voor de
p. 267. Laatstgenoemde interpreteert de schildering onterecht als
zittertjes van het koorgestoelte in de Leuvense kerk van Onze-Lieve-
een Laatste Oordeel.
Vrouw-ter-Predikheren, in Area Lovaniensis artes atque historiae
(37) KIRSCHBAUM E., Lextkon der christlichen ftonographie, 8, Rome-Wenen, 1976, k. 333-335. (38) Bijvoorbeeld het dominikanessenklooster Unterlinden in Colmar. HAMBURGER J. E, La biblwthèque d'Unterlinden et Tart
reserans documenta. Jaarboek, 15-16, 1986-1987, p. 145-221. (50) VAN EVEN E., Louvain dans le passé et dans le présent, Leuven, 1895, p. 414. (51) BOGAERTS A.M., Historische beschryvinghe der cloosters van het
de la formation spirituelle, in Les dominicaines d'Unterlinden (tent.
Order van den H. Dominicus, geschreven in 'tjaer 1715 door pater
cat.), Parijs-Colmar, 2000, deel l , p . 110-166. Zie ook Aronc M W
Bernardus dejonghe. Predikheer (Bouwstoffen voor de geschiedenis
Schleier. Kunst aus mittelalterlichen Frauenklöstern (tent. cat.),
der Dominikanen in de Nederlanden, 1), Brussel: Dominikaans
München-Bonn-Essen, 2005, p. 477-478.
archief, 1965.
(39) KIRSCHBAUM E., Lexikon der christlichen Lkonographk, 8, Rome-Wenen, 1976, k. 185-189. (40) KIRSCHBAUM E., Lexikon der christlichen Ikonographie, 5, Rome-Wenen, 1976, k. 31-32. (41) Aan de glasramen werd in de literatuur aandacht besteed door VAN EVEN E., Louvain monumental ou description historique et
(52) Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, inventaris 239: Triptiek met de passie. Open, middenpaneel: De calvarie; linkerluik: Christus in de Hof van Olijven; rechterluik: De graflegging. Gesloten, linkerluik: De heilige Petrus; rechterluik: De heilige Paulus. Hout, 285,5 x 265 cm (middenpaneel); 2 8 7 x 1 1 8 (luik).
artistique de tous les edifices civils et religieux de la dite ville, Leu-
(53) ROORYCK M., De geschiedenis van de kerk van O.-L.-Vrouw-ter-
ven, 1860, p. 2 3 0 ; VAN EVEN E., L'ancienne écoledepeinturede
Predikheren te Leuven..., in Mededelingen van de Geschied- en
Louvain, Leuven, 1870, p. 12-13; VAN EVEN E. Louvain dans
Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 21, 1981,
le passé et dans le présent, Leuven, 1895, p. 419; HELBIG J., De
p. 175-177.
glasschilderkunst in België. Repertorium en documenten, deel 1, Antwerpen, 1943, p. 138; MAES P.V, Leuvens brandglas van de Ij" tot de lo' eeuw (Area Lovaniensis atque historiae reserans documenta, 13), Leuven, 1987, p. 22-24. (42) DE MEYER A., La Congregation de Hollande ou la réforme dominicaine en territoire bourguignon, 1465-1515, Luik, 1946. (43) Nieuwe dominicanenkloosters in Westroijen (1399), Den Haag
(54) Zie de bijdrage van Th. Coomans en D. Van Eenhooge in deze aflevering van M&L. (55)ROORYCKM.,o. c.,p. 177. (56) ROORYCK M., o. c, p. 179-184. (57) Noordmuur, van het oosten naar het westen: de heiligen Dominicus, Pettus van Verona, Vincentius Ferrer, Antonius, Pius V, de zaligen Gundislavus van Amarante, Ambrosius van Sansedoni en
(1403), Rotterdam (1444), Kalkar (1455), Brussel (1459) en
Hendrik Suso. Zuidmuur, van het oosten naar het westen: de
Zwolle (1465). Na 1515 maakten zij ook deel uit van de
heiligen Thomas van Aquino, Raymundus van Penaforte,
Nederduitse provincie. (44) Andere provinciale kapittels namen in 1563, 1606, 1649, 1668, 1692, 1702, 1719, 1735, 1751, 1766 en 1786 in Leuven plaats. BOGAERTS A.M., De provinciale kapittels der dominikanen van
Hyacinthus, Albertus Magnus, de zaligen Benedictus XI, Alvarus van Cordoba, de heilige Ludovicus Berrrandus en de zalige Gonzales. (58) REEKMANS P., Inventaris van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-
ter-Predikheren te Leuven, in Mededelingen van de Geschied- en
kloostergebouwen werden in 1971 gesloopt en vervangen door
Oudheidkundige KringvoorLeuven en omgeving, 5, 1965, p. 1-26;
een modern klooster aan de Ravenstraat. BOGAERTS A.M.,
SPAEY R, Het 'Godshuis der predikheren binnen Leuven", Leuven,
Dominikanen in België 1835-1958 {Bouwstoffen voor de geschiede-
1961, p. 121-159; DE BORCHGRAVE D'ALTENAJ., Notes
nis der Dominikanen in de Nederlanden, 1), Brussel: Dominikaans
pour servir a l'inventaire des ceuvres d'art du Brabant. Arrondisse-
archief, 1969, p. 100-107; VAN EVEN E., Louvain dans Ie passé
ment de Louvain, in Annates de la Société royale d'archéologte de
et dans Ie présent, Leuven, 1895, p. 422-423.
Bruxelles, 1940, p. 297-301. (59) LEKOY ]., Le grand theatre sacré du duché de Brabant..., dee\ 1, Den Haag, 1729, p. 112-114. (60) ROORYCK M., De geschiedenis van de kerk van O.-L.-Vrouw-ter-
(68) Gedetailleerd in: ROORYCK M., De geschiedenis van de kerk van O. -L. - Vrouw-ter-Predikheren te Leuven..., in Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 21, 1981, p. 188-189.
Predikheren te Leuven..., in Mededelingen van de Geschied- en
(69) DE RAM P.-F.-X., o.c, p. 30-34.
Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 21, 1981,
(70) CRAB J., Het Brabants beeldsnijcentrum Leuven. Leuven, 1977,
p. 184.
p. 108-109.
(61) LEMAIRE R., La restauratwn des monuments anciens, Antwerpen, 1938, p. 26-28.
(71) UYTTERHOEVEN R., 750 jaar Leuvense parochies, Leuven, 2002, passim.
(62) Andere schitterende voorbeelden in België zijn o.m. de abdijker-
(72) ROORYCK M., De geschiedenis van de kerk van O.-L.-Vrouw-ter-
ken van Fioreffe en Park, de Saint-Deniskerk in Luik en de
Predikheren te Leuven..., in Mededelingen van de Geschied- en
begijnhofkerken in Tongeren, Leuven en Diest.
Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 21, 1981,
(63) In detail verteld in: VAN EVEN E., Louvain dans Ie passé et dans
p. 193-202.
Ie présent, Leuven, 1895, p. 415-416; ROORYCK M., De
(73) COCKX E. en HUYBENS G. (ed.), De Leuvense prentatlas.
geschiedenis van de kerk van O.-L.-Vrouw-ter-Predikheren te Leu-
Zeventiende-eeuwse tekeningen uit de Koninklijke Bibliotheek te
ven...,^
Brussel. Deel 1: Prentenatlas (Jaarboek van de Geschied- en Oud-
Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring
voor Leuven en omgeving, 1\, 1981, p. 185-188. (64) Zie de bijdrage van Th. Coomans en D. Van Eenhooge in deze aflevering van M&L.
heidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 41), Leuven, 2003, p. 243-244. Zie de bijdrage van W. Slock in deze aflevering van M&L.
(65) Een gelijkaardig scenario werd voor de Parkabdij in Heverlee
(74) DE OLIVEIRA MASCARENHAS MATEUS J.C., La mesure
gebruikt: de kanunniken slaagden erin om hun klooster terug te
des deformations et Ie diagnostic structurel des anciens bailments
kopen en de kerk in 1803 als parochie te laten oprichten. In 1829
n ma(onnerie. Application a Péglise O.L.V. ter Predikheren a
werd ook de abdijkerk van Vlierbeek een parochiekerk.
Leuven, onuitgegeven verhandeling. Masters in Conservation,
(66) De eerste pastoor was prof. Jacobus Matheus De Moor (18031810), afkomstig uit een invloedrijke Antwerpse familie. (67) In 1872 kochten de dominicanen gronden aan de Justus Lipsiusstraat en bouwden er een neogotisch klooster (1874-1876) en kerk naar plannen van Auguste Van Assche. Deze werd in 1885 geconsacreerd ter gelegenheid van het 247ste generaal kapittel van de orde die in Leuven plaatsnam. De neogotische kerk en
KU.Leuven: Centre for the Conservation of Historie Towns and Buildings, 1992. (75) Over de schilderingen zie de bijdrage van Marjan Buyle in deze aflevering van M&L. (76) Zie hierover het artikel van Patrick Roose in een volgend M&Lnummer.
Thomas Coomans en Dirk Van Eenhooge
DE 13DE-EEUWSE OOSTVLEUGEL VAN HET PREDIKHERENKLOOSTER TE LEUVEN De Leuïense predlkherenkerk gezien vanuit het zuiden ( © THOC. mei 2001)
Aan het predikherenklooster in de univer-
De verdieping is een deel van het dormito-
siteitsstad was een studium generale ver-
rium van de broeders dat zijn oorspronke-
bonden, met andere woorden het studie-
lijke ziende kap bewaart.
centrum voor de broeders van de provincie.
Dendrochronologische analyse heeft deze
Daarom was het gebouwencomplex van het
fraaie kapconstructie uit de jaren 1253-
Leuvense klooster omvangrijker dan in de
1263 kunnen dateren, wat betekent dat
andere steden. Behalve de kerk en de tradi-
het gebouw gelijktijdig met de oostpartij
tionele monastieke gebouwen rond het
van de kerk werd opgetrokken. Na de
kloosterpand, waren er specifieke vleugels
hoofdlijnen van het kloostercomplex te
voor de filosofie- en theologiestudenten en
hebben geschetst, focust dit artikel op de
-meesters, evenals een bibliotheek en een
oostvleugel. Tijdens de onlangs voltooide
lusttuin. Van dit complex blijven hoofd-
restauratie van de muur- en gewelfschilde-
zakelijk de kerk en de noordelijke traveeën
ringen in de sacristie werd archeologisch
de
van de 13 -eeuwse oostvleugel over.
en bouwhistorisch onderzoek verricht,
Op het gelijkvloers bevindt zich de sacristie
zodat het gebouw nu in een architectuur-
met haar merkwaardige polychromie.
historisch perspectief kan geplaatst worden.
• Het Leuvense predikherenklooster, vogelperspectief vanuit het westen. Ets van J. Harrewijn naar een tekening van B. de Jonghe.
1715 (K.U.Leuven, Bibliotheek Godgeleerdheid)
DE KLOQSTERGFBfUJWEN In 1715 bezocht de Gentse dominicaan Bernardus de Jonghe het predikherenklooster te Leuven en tekende het ter plekke {delineavit in loco). Jacobus Harrewijn maakte er een ets van (1), die samen met een reeks zichten op andere dominicanenkloosters het boek Belgium dominicanum, een historisch werk van de Jonghe, illustreert (2). Deze tekening in vogelperspectief vanuit het westen is de enige iconografische bron die de kloostergebouwen op een deskundige manier weergeeft. Bij de ets is een legende die de functie van achttien gebouwen en de naam van zes tuinen specificeert. Uiteraard is dit een momentopname waarbij de bouwchronologie van het complex evenals de vroegere en latere functies van de gebouwen ontbreken. Hier is het klooster voorgesteld zoals het was in de bloeiperiode van het studium generale en de universiteit na de Contrareformatie. Hoe het klooster er driehonderd jaar vroeger uitzag is grotendeels onbekend. Aangezien er vóór 1425 geen universiteit in Leuven bestond en de predikheren hun opleiding in Keulen of Parijs genoten, was het klooster zeker minder uitgebreid.
Toch had het Leuvense predikherenklooster een aanzienlijke positie binnen de orde omdat het zich in een hoofdstad bevond en de kerk een hertogelijke grafkerk was. Het is belangrijk te beseffen dat de dominicanen hun klooster niet op een ongerept erf hebben gebouwd. Ze hebben rekening moeten houden met de bestaande gebouwen van het hertogelijke kasteel {castrurn) en neerhof ( ^ « ^ curtis). O p het moment van de schenking in 1256, was de hertog Hendrik III reeds naar de burcht van Keizersberg verhuisd (3). In de 13 e en 14 c eeuw zag het kloostercomplex er dus zeker heel anders uit dan op de ets van 1715. Omwille van het totaal gebrek aan archeologisch onderzoek in de wijk, is over de hertogelijke nederzetting op 's-Hertogeneiland niets gekend. Behalve de kerk en een deel van de oostvleugel, is het middeleeuwse klooster evenmin gekend. Het staat buiten kijf dat systematisch bouwhistorisch huizenonderzoek veel andere architecturale onderdelen van de kloostergebouwen zou kunnen identificeren. De kern van de huizen aan de Onze-Lieve-Vrouwstraat nummers 25-29 is oud
5
6
\
P (
V^!Ü ^ \
\
/ ^V^\
jTv
\
\
#
\
\
\ \
w mc\
4
V
^^J
' mS
Y
\\
Vj
--^^s
\\
\\
\\
y
/
'
2 _^/
\
^-^^^
\
Reconstructie van
studenten.
H. keuken.
R kapel van de
I.Dijle,
het Leuvense
E. theologieschool.
N. linnenkamer van
hertogin van
2. Aa,
9. tuin van de min
predlkherenklooster
F. kamers van de
de studenten.
Brabant,
3. sluis.
derbroeders.
straat,
rond 1715:
moderatoren.
0. linnenkamer van
S. infirmerie.
4. Prcdikherenstraat,
10. beugelbaan
A. kerk,
G. tuin van de
de kloosterlingen.
T. farmacie.
S.Wieringstraat en
( © THOC, 2004)
6. dormitorlum van
regent.
P. bibliotheek.
V. tuin van de infir-
Drinkwater,
de filosofiestudenten. H. gastenkwartier,
Q. kamer van het
merie,
ii. Sinl-Barabara-
C. dormitorium van
1. houtstapelplaats.
lid van het bestuurs- W. kleine tuin.
de kloosterlingen.
K. brouweri|,
college van de
Y. grote tuin,
D. dormitorium van
L kwartier van de
faculteit godgeleerd-
Z. voorplein, S.
minderbroeders.
de theologie-
prior,
heid.
poortgebouw.
8. Minderbroeders-
Na de afschaffing in 1796 werd het kloosterterrein verkaveld en werden er twee straten aangelegd, met name de Grande rue de Notre Dame (huidige OnzeLieve-Vrouwstraat) en de Petite rue de Notre Dame (huidige Sint-Annastraat). Waarschijnlijk werd puin gebruikt om het grondniveau te verhogen en zo een meerwaarde te geven aan percelen die regelmatig van de overstromingen van de Dijle hadden te lijden (4). Het oudste stadskadaster uit 1813 laat zien hoe op een vijftiental jaren tijd de kloostersite een wijk met huizen was geworden (5). In de loop van de 20''te eeuw kwamen bij de afbraak van enkele
/
——'-y
^ — ^ ^
en het achterhuis van nummer 27 bevat de zuidwestelijke hoek en een boog van de kloostergang.
\
m\ ^^^^
x
y^\
8
\
godshuis, 7. klooster van de
huizen oude muren te voorschijn zonder dat er rekening mee gehouden werd (6). In 1965 werd een fragment van een middeleeuwse muurschildering gevonden die de H. Veronica met het zweetdoek van Christus voorstelt (7). De confrontatie van de ets van 1715 met het oudste kadasterplan uit 1813 bewijst dat er, als gevolg van een geforceerde perspectief, enkele onnauwkeurigheden op de afbeelding zijn. De kern van het klooster werd gevormd door het kloosterhof (X. Hortus ambitus) dat omringd was door vier pandgangen met figuratieve glasramen (ongeveer 40 x 40 m, gangen inbegrepen). Boven de noordelijke pandgang, die parallel met de zuidelijke zijbeuk van de
Op het stadskadaster van 1813 is het kloosterterrem reeds verkaveld (Stadsarchief Leuven, Atlas cadastral parcellaire. f 28)
kerk liep, bevond zich in 1715 het dormitorium van de filosofiestudenten (B. Dormitorium philosophorum). De kloostergemeenschap vertoefde in de oostvleugel ( C Dormitorium conventualium en O. Vestiaria conventualium), terwijl de theologiestudenten hun kamers hadden op de verdiepingen van de zuid- en westvleugels rond het hof {D. Dormitorium theologorum). De theologieschool {E. Schola theologorum) bevond zich in de westvleugel, waar nu de huizen 25-29 van de Onze-LieveVrouwstraat staan, en genoot van een prachtig uitzicht op de grote lusttuin (Y. Hortus major). Bernardus de Jonghe, die als jonge predikheer zijn opleiding in het Leuvense klooster had gekregen, wist precies de kamers van de moderatoren {F. Camerae modreatorum studij) en de linnenkamers van de studenten (TV. Vestiaria studiosoruni) te situeren. Opvallend is dat hij de refter vergeten is te vermelden. De refter was een van de belangrijkste gebouwen in een mendicantenklooster en werd vaak gebruikt als vergaderzaal. In Leuven waren er zeker gescheiden refters voor de communauteit en de studenten, beide in de onmiddellijke nabijheid van de keuken (Af. Culind). Aan de zuidkant van het kloostercomplex, bevond zich een binnenplein met het gastenkwartier (//. Camerae hospitum), het logies van de prior {L. Prioratus) en de werkplaatsen, onder meer een brouwerij {K. Braxatorium) en een houtstapelplaats (/. Custodia lignorum). Ten oosten van de oostvleu-
M&L
gel ontwikkelden zich de kleine tuinen {W. Horti minores) die waarschijnlijk de rustigste plek van het complex waren. Aan de zuidkant van de tuin bevond zich de grote bibliotheekvleugel (/? Bibliothecd). Omwille van de overstromingen en de ligging aan de Dijle, was de bibliotheek op de eerste verdieping van de vleugel gelegen, boven een open galerij (8). O p een tekening uit de 17 ^eeuwse Leuvense prentenatlas is de bibliotheek vanuit het noorden afgebeeld, evenals de infirmerie langs de Dijle. Delen van dit gebouw zijn nog binnen het huizenblok bewaard (9). De infirmerie {S. Infirmarid) van het klooster had een eigen gesloten tuin (V. Hortus inftrmarie) en een apotheek (T. Pharmacopea). Tussen de infirmerie en de bibliotheek, aan de bocht van de Dijle, situeert de ets van 1715 de kapel van hertogin Aleidis {R. Sacellum Ducissae Brabantiae). Dit gebouw zal een deel zijn van het huis dat de weduwe van Hendrik III in de tuin van het klooster voor zichzelf had laten bouwen en dat zij in 1265 aan de dominicanen schonk (10). Naast deze kapel vermeldt de ets de kamer van het lid van het bestuurscollege van de faculteit godgeleerdheid (Q. Camera Regentis strictae facultatis).
In de noordoostelijke hoek van het kloosterterrein bevonden zich de twee poorten van het klooster {& Portae conventus). De hoofdingang met poortgebouw votmde het einde van de Predikherenstraat die rechtstreeks tot de Brusselsestraat leidde. Een tweede poort opende via een brugje op de Dijle op de Wieringstraat en op de wed waar paarden konden drinken, "Drinkwater" genoemd (11). De twee deuren gaven toegang tot het voorplein voor de kerk (Z. Area ante Ecclesiani) dat overeen stemt met het stuk van de huidige Onze-Lieve-Vrouwstraat aan de noordkant van de kerk. Dit door muren omheinde areaal was toegankelijk voor de leken die zich naar de kerk begaven om de prediking in het schip te volgen. Door de deur aan de westkant kwam men in de lusttuin terecht, en verder, in het klooster en op de binnenplaats van het gastenkwartier. De lusttuin, die door de Aa was afgebakend, was geconcipieerd op basis van een lange noordzuidas, doorkruist door drie oost-westassen. O p de ets zien we dat er langs de wegen hagen zijn geplant, terwijl de tuinbedden met groenten blijken gevuld te zijn. Twee paviljoentjes onder een piramidedak evenals een beugelbaan voor de ontspanning van studenten en docenten (12) zijn de enige fantasie onderdelen in deze nogal strenge tuin waar geen enkele fruit- of sierboom is geplant (13). Aan de aftakking van de Aa is een houten hok, klaarblijkelijk boven een sluis, gebouwd. Van een verbinding
Nr. 135 Bijlage bij MEtL 24/5 sept.-okt. 2005
Klooster Kolen in Borgloon, winnaar van de Vlaamse monumentenprijs
B I N N E N K R A N T
Literatuur
Wattjes en de Nieuwe Bouwkunst Prof.ir. J.G. Wattjes (1879-1944), publicist en architect Tineke Lodders Zutphen, Walburg Pers, 2005, 128 p., ISBN 90-5730-340-X
HF KF117F VAN MFR
Robert Mallet-Stevens L'oeuvre complete Olivier Cinqualbre (red.) Parijs, Centre Pompidou, 2005, 240 p., ISBN 2-84426-270-8 Catalogus van de prachtige overzichtstentoonstelling (Centre Georges Pompidou 2005) gewijd aan architect en designer Robert Mallet-Stevens (1886-1945), één van de protagonisten van het modernisme in Frankrijk. De amper 20-jarige loopbaan van Mallet-Stevens, die zelf opdracht gaf zijn archieven te vernietigen, wordt hier voor het eerst gereconstrueerd op basis van een minutieuze speurtocht naar alle mogelijke bronnen, bewaarde tekeningen en documenten. Aanvankelijk sterk beïnvloed door het Palais Stoclet van Josef Hoffmann, maakte hij vooral naam met opulente villa's voor de 'haute bourgeoisie' zoals de Villa des Noailles in Hyères, de Villa Cavroix in Croix, of stadswoningen voor de artistieke elite zoals de rue Mallet-Stevens in Parijs, naast bijdragen aan de wereldtentoonstellingen van 1925 en 1937, en tal van avant-garde filmdecors. Het boek omvat een reeks korte essays, gelardeerd met eigen geschriften, en een ruim geïllustreerde oeuvrecatalogus.
Monografie over prof.ir. J.G. Wattjes (1879-1944), architect en hoogleraar aan de toenmalige Technische Hoogeschool Delft, die vooral internationale bekendheid kreeg als publicist. In de jaren 1920-30 liet hij het buitenland via prachtig verzorgde plaatwerken kennismaken met de recente Nederlandse architectuurontwikkelingen, waarbij alle stromingen, van de Amsterdamse School tot het Nieuwe Bouwen evenredig aan bod kwamen. Op dezelfde wijze maakte hij de internationale moderne bouwkunst toegankelijk voor een groot publiek zowel in Nederland als in België. Daarnaast tekende hij voor het indrukwekkende Constructie van Gebouwen, een tiendelig handboek voor bouwkunde, begonnen in 1920 en herdrukt tot 1944. Het boek volgt een chronologische opbouw waarbij op basis van nieuw onderzoek Wattjes' leven en loopbaan wordt gereconstrueerd, zijn opleiding bij E.H. Gugel, zijn praktijk als architect, hoogleraar en publicist. Daarnaast wordt uitvoerig aandacht besteed aan zijn rol en plaats in het toenmalige kunst- en architectuurdebat, met name zijn relatie tot het modernisme, en aan de samenhang tussen zijn architectonisch werk en zijn filosofische opvattingen.
r
Wattjes en de Nieuwe Bouv/kunst
kflKUWNEOKKLANU
] N S ( HK H O U W K U N S T
SSSïaiBSB
MALLET-STEVENS l'oeuvre complet-
1V1&L
SsBKvaaJ
^HfH.Ual
Modern The Modem Movement in Britain Alan Powers en Morley von Sternberg Londen, Merrell, 2005, 240 p., ISBN 1-85894-255-1 Verzorgd naslagwerk over de Britse bijdrage aan de architectuur van de Moderne Beweging, een nieuw en gedetailleerd overzicht van het gebouwde erfgoed uit de jaren 1930, de periode waarin het Verenigd Koninkrijk, mede dankzij immigranten uit Duitsland en Oost-Europa, een eigen rol begon te spelen in de geschiedenis van het modernisme. Het hoofdaandeel van het boek behandelt in alfabetische volgorde de loopbaan van een zestigtal van de belangrijkste architecten of partnerschappen die actief waren tijdens het interbellum, internationaal bekende namen als Walter Gropius, Marcel Breueren Erich Mendelsohn, naast Britse protagonisten als Berthold Lubetkin, Wells Coates, Serge Chermayeff, Connell, Ward Et Lucas, Edwin Maxwell Fry, Oliver Hill, Sir Owen Williams en vele andere. Een kort biografisch overzicht wordt telkens geïllustreerd met één of meerdere belangrijke werken, die waar mogelijk recent werden gefotografeerd. Een breed gamma van bouwtypes, van woningen en appartementsgebouwen, tot scholen, kantoorgebouwen en ziekenhuizen, komt hierbij aan bod. Een boeiend inleidend essay belicht de wijze waarop Moderne Beweging in het Verenigd Koninkrijk werd geassimileerd, binnen de context van de ontwikkelingen in Europa en Amerika.
Bl^NENKRANT
Villas 50 en France Raphaëlle Saint-Pierre Parijs, Editions Norma, 2005, 224 p., ISBN 2-909283-94-1
Louis I Kahn Robert McCarter Londen, Phaidon, 2005, 512 p., ISBN 0-7148-4045-9
Opmerkelijke typologische studie over één van de iconen van de jaren '50 in Frankrijk, de villa, de leefwereld van de modern denkende burgerij die zo meesterlijk werd gepersifleerd door Jacques Tati in Mon Oncle, en het proefterrein van een jonge generatie architecten op zoek naar vernieuwing op het ritme van de vitaliteit, het optimisme en de geest van provocatie van die tijd. Deze architectuur van het wonen, even experimenteel als materialistisch, consumptief als utopisch, vond een stimulans in de Salons des arts ménagers en in de talrijke wedstrijden die met groeiende inventiviteit door de gespecialiseerde bladen werden georganiseerd. In het eerste deel van het boek wordt het Franse architecturale vocabularium van de jaren '50 geanalyseerd, met zijn invloeden uit de Verenigde Staten, Scandinavië, Japan en Brazilië, balancerend tussen het organische en het rationele, het brutalisme en de totaalkunst, zonder af te dingen op de functionaliteit van het plan, de noden van het moderne comfort en de noodzakelijke band met de natuur. Het tweede deel presenteert in detail 25 typische villa's door gevestigde namen als Le Corbusier, André Lurgat, Alvar Aalto of Philip Johnson, naast jonge architecten als Claude Parent of André Wogenscky, ingenieurs en kunstenaars als Jean Prouvé, André Bloc of Pierre Soulages.
Lijvige monografie over de in Estland geboren architect Louis I Kahn (19011974), die in zijn goed twintigjarige loopbaan een rijk en gevarieerd oeuvre naliet dat telkens opnieuw basisbegrippen als licht, massa, structuur, monumentaliteit en materiaal in vraag durfde te stellen. Kahn geldt als één van de belangrijkste architecten van de tweede helft van de 205te eeuw, die een alternatief bood voor de steriele anonimiteit van de 'Internationale Stijl' en via zijn langdurig architectuuronderwijs aan Yale grote invloed uitoefende op de jongere generatie. Tot zijn alombekende sleutelwerken behoren de Yale University Art Gallery, de University of Pennsylvania Medical Research Towers, het Salk Institute, het Bangladesh National Capital, het Kimbell Art Museum. Het boek biedt een bevattelijk en kritisch overzicht van Kahn's architectuur, waarbij zijn belangrijkste projecten en sleutelthema's in chronologische volgorde worden geanalyseerd, te beginnen met het ontwerpproces en de onderliggende ideeën, gevolgd door de bouwmethodes en -materialen en eindigend met een overvloedig gedocumenteerde, virtuele exploratie van het ruimtelijk concept, primair in het denken van de architect. Een compilatie van geschriften en een oeuvrelijst sluiten het boek af.
Frei Otto Complete Works Lightweight Construction Natural Design Winfried Nerdinger (red.) Basel, Birkhauser, 2005, 392 p., ISBN 3-7643-7231-1 Monografie over de Duitse architect, onderzoeker en designer Frei Otto (1925), een pionier inzake lichtgewicht constructiemethodes en een voorloper van het ecologische denken in de architectuur, die een belangrijke internationale reputatie opbouwde in de tweede helft van de 205te eeuw. Met baanbrekende studies als 'Dos hangende Dach' uit 1954, gaf hij belangrijke aanzetten tot een eigentijdse bouwtechnologie met een minimum aan materiaal en energie, geïnspireerd door en in harmonie met de natuur. Zijn ideaal zijn vederlichte, tentachtige membranen die als een tweede huid pleinen, steden en landschappen overspannen, of mobiele structuren die eenvoudig kunnen worden ontmanteld. Hij bracht deze toekomstgerichte idealen in praktijk met opzienbarende realisaties als het Duits paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1967 in Montreal en het dak van het Olympisch Stadium in München uit 1972. Een tiental essays belicht de hoogtepunten van zijn loopbaan en diverse aspecten van zijn werk en theoretisch discours, met bijzondere aandacht voor de invloed van de biologie. Een becommentarieerde oeuvrecatalogus met een kleine 200 projecten, en overvloedig illustratiemateriaal, met name schetsen, maquettes en archieffoto's vormen de hoofdmoot van het boek.
B 1 ^ N E 1 \ K R A N T
Exit Utopia Architectural Provocations 1956-76 Martin van Schalk en Otakar Macel (red.) Delft, IHAAU-TU Delft, Munchen, Prestel, 2005, 320 p., ISBN 3-7913-2973-1
The Ocean at Home An Illustrated History of the Aquarium Bernd Brunner New York, Princeton Architectural Press, 2005, 144 p., ISBN 1-56898-502-9
Kijkparadijzen voor het volk Panorama's en diorama's in Antwerpen Stefaan Grieten en Evelien Verniers Antwerpen, Provinciebestuur Antwerpen, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 2005, 72 p., ISBN 90-7609-962-6
Fraai uitgegeven studie met een verbluffende iconografie, gewijd aan de radicale, utopische visies op architectuur en stedenbouw, die in de jaren 1960 en '70, als reactie op het steriele, consumptieve functionalisme van de naoorlogse wederopbouw, de toekomst van de discipline in vraag stelden. Aanleiding tot het boek is een symposium (Delft, 2000) gewijd aan New Babyion, de megastructuur van Cobra-kunstenaar en 'situationist' Constant Nieuwenhuys, naar eigen zeggen zowel een sociaal utopia, een stedenbouwkundig ontwerp, een artistieke visie, een culturele revolutie, een technologische overwinning als een oplossing voor de praktische problemen van het industriële tijdperk. Centraal staat een driedelig essay, dat het project situeert zowel in de tijdsgeest als in de artistieke loopbaan en het theoretisch discours van Constant. Zeven andere toekomstvisies, architecturale meesterwerken op papier, worden integraal gereproduceerd: Paris Spatial Man Yona Friedman, Plug-in C/t/van Archigram, The Continuous Monument en The Fundamental /Acts van Superstudio, No-Stop City van Archizoom, Exodus wan Rem Koolhaas en Elia Zenghelis, en La Vilette van Léon Krier, en in kortere essays becommentarieerd.
Verrassende studie over een ongewoon thema: de geschiedenis van het aquarium, bescheiden maar aantrekkelijk uitgegeven, met een verbazingwekkende iconografie. De mysterieuze wereld onder het oceaanoppervlak heeft de mens altijd al gefascineerd, maar pas met de uitvinding van het 'aquarium' in het midden van de 19de eeuw, kon het publiek ook daadwerkelijk kennis maken met tot dan ongekende, exotische wezens uit het diepste van de zee. Een voorbijgaande 'aquarium-mania' in het Victoriaanse burgersalon, maakte al snel plaats voor een nieuwe attractie: de grote openbare aquaria in de grootsteden, waar het zeeleven ook wetenschappelijk werd bestudeerd. Het boekje schets de evolutie van dit fenomeen, binnen de socio-culturele context van de 19de eeuw, en probeert te achterhalen waarom wetenschappers, uitvinders en obsessieve liefhebbers en verzamelaars de oceaan op huiskamerformaat wensten te herscheppen. Ruime aandacht gaat daarbij naar de ontwikkeling van de typologie en de techniek van het aquarium, zowel voor thuisgebruik als op openbare schaal.
Derde in een reeks erfgoedgidsen voor de provincie Antwerpen, waarin ditmaal een onbekend en boeiend stukje Antwerps verleden wordt belicht: panorama's en diorama's, in de 19dc eeuw adembenemende, illusionistische kijkspektakels voor de massa, heden helaas verdwenen en vergeten. Vanaf 1836 deed dit rondreizende fenomeen regelmatig Antwerpen aan. In 1881 openden niet minder dan drie panorama's, hetzij in een tent hetzij in een permanente rotonde hun deuren, en ook op de wereldtentoonstelling van 1894 behoorden zij tot de veel bezochte attracties. Populaire thema's waren Antwerpen in deXVIde eeuw, de veldslagen van Waterloo en Wörth, en het natuurschoon van Congo. Het boekje gaat in op het ontstaan, de evolutie en de techniek van zowel panorama als diorama, hun vroegste aanwezigheid in Antwerpen, de gloriejaren in de late 19^ eeuw, met bijzondere aandacht voor de permanente panorama's en de wereldtentoonstelling 1894.
KIJKPARADIJZEN VOOR HET VOLK
'ffilf Voor alle reacties: Jozef.Braeken (5) lin.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
M&L
B1N1ME1SJKRA1\T
Publicaties Anna
esthetische draagvlak vormt voor alle restauratie-ingrepen. Een restauratie van muurschilderingen (Sint-Pauluskerk Vossem) die door Walter Schudel zelf werd uitgevoerd en waar de tactiele waarden wel in rekening zijn gebracht wordt tot besluit nader toegelicht.
Bergmans
MUURSCHILDERINGEN TACTIFI
BEKFKFN
Dit boek van kunsthistoricus en restaurateur Walter Schudel reflecteert kritisch op de theorie en de praktijk van de restauratie van muurschilderingen zoals die zich de jongste vijftig jaren heeft ontwikkeld en dit vanuit een zekere onvrede met de algemeen gangbare benadering. Op het domein van de restauratie van muurschilderingen was er in België en in WestEuropa in het algemeen, tijdens de laatste decennia weinig reflectie; de in Italië vastgelegde methodes in de tweede helft van de 19de eeuw werden systematisch en bij wijze van spreken blindelings toegepast en worden vandaag nog woordelijk geproclameerd. Enerzijds wordt er volgens de auteur te weinig rekening gehouden met de tactiliteit van de muurschilderingen en wel met de concrete tactiele waarden (dingen die men zou kunnen voelen indien men het schilderwerk zou mogen betasten: texturen, micromodelé, oppervlakken, gewicht, richting, buiging). Anderzijds is er in het restauratieconcept een overheersende keuze voor de voorstelling, voor hetgeen afgebeeld wordt, en wel voor het aspect «leesbaarheid»: kan de toeschouwer «lezen» wat er wordt voorgesteld? Muurschilderingen worden volgens Walter Schudel dan ook te eenzijdig «visueel» gelezen. Herstel van de leesbaarheid komt neer op het vervolledigen van het voorgestelde of het herstel van de unita potenziale - de eenheid van het voorgestelde - zoals Cesare Brandi het formuleerde in zijn Feorio del restaura (1963). Indien de restaurateur het kunstwerk minder eenzijdig visueel zou lezen, maar het ook tactiel zouden waarnemen, dan zou dit leiden tot een andere benadering van de restauratie, namelijk niet uitsluitend camoufleren van wat stoort, wat niet functioneert
De studie getuigt van een grote kritische zin, die de omgang met het kunstwerk in vraag heeft gesteld; het kunstwerk werd op esthetisch en artistiek vlak onderzocht om te komen tot een nieuwe restauratiepraktijk die de tactiele waarden in rekening brengt. Het uitstekende fotomateriaal illustreert de stellingen op treffende wijze. dus (nl. hetgeen in de voorstelling ontbreekt), maar uitgaan van de sterkte van de schildering, van hetgeen wel functioneert. Juist die sterke punten zijn dikwijls in hoge mate tactiel gekleurd - en met het verouderen hoe langer hoe meer. De gangbare benadering van muurschilderingen en de hieruit voortvloeiende restauratie, zoals die in de tweede helft van de 20ste eeuw naar voren komt, wortelt in de 19de-eeuwse opvattingen zoals duidelijk aan de hand van literatuur wordt aangetoond. Na Wereldoorlog II onderging België een sterke invloed van de restauratiefilosofie zoals die in Italië ontwikkeld werd, waar de muurschilderkunst pregnant aanwezig is, weliswaar in een andere techniek (o/fresco), maar met een identieke vraagstelling naar de restauratie toe. De daar ontwikkelde methode van de systeemretouche en de tot in de perfectie ontwikkelde techniek van het afnemen van muurschilderingen worden in het proefschrift kritisch doorgelicht wegens hun duidelijk gebrek aan in rekening brengen van de tactiele waarden. Het boek is een pleidooi voor méér aandacht voor het zuiver plastische, voor de beeldmiddelen in het algemeen en de materie in het bijzonder. De auteur toont aan dat de concrete tactiliteit, die de voornaamste factor is van de vitaliteit van het oppervlak zowel in de restauratietheorie als in de praktijk niet de aandacht krijgt die ze verdient hoewel ze het fysische en
Walter Schudel, Muurschilderingen tactiel bekeken, Brusse\: VUBPress, 2005. € 19,95 ISBN 9054873752
Marjan Buy Ie
DE MUSEÜMGIDS Zopas verscheen de Museumgids Vlaanderen Et Brussel, uitgegeven door Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. De vorige gids dateerde ondertussen al van 1997 en was dus enigszins achterhaald. In deze nieuwe gids met een handig formaat worden meer dan vierhonderd musea overzichtelijk voorgesteld, met alle praktische gegevens (adres, openingsuren, prijzen, reducties, bereikbaarheid met openbaar vervoer enz.), een foto en een korte inleiding tot de collectie. Dit vrij ambitieus opzet kon gerealiseerd worden dank zij de steun van diverse partners, o.a. Culturele Biografie Vlaanderen en de provinciale museumconsulenten.
De Museumgids. Vlaanderen en Brussel is verkrijgbaar in de boekhandel en kost 15 € . Info: OKV, Hofstraat 15, 2000 Antwerpen en www.tento.be
M&L
B l l M l ^ E N K R A N T
1
DE ANDERE RUBENS Een bijzonder boeiend boek van Rutger Tljs over de persoon van Rubens. De auteur stelt zich de fascinerende vraag hoe het in die tijd werkelijk zou geweest zijn, en hoe bijvoorbeeld de architectuur van die tijd er werkelijk uitzag. Architecturale authenticiteit kan, eenmaal verloren, nu eenmaal niet teruggehaald worden. Het Rubenshuis bijvoorbeeld is na zijn dood voor zoveel uiteenlopende doeleinden gebruikt, dat het moeilijk is om nog enig inzicht te verwerven in de originele bouwsubstantie. Tijs probeert ook door te dringen tot wie Rubens eigenlijk was, wat hij allemaal wist, wat hij las, welke reizen hij maakte en welke indruk die op hem maakten, wat hij daar zag en wie hij ontmoette. De auteur neemt ons mee op een uiterst intrigerende reis doorheen Rubens' tijd. Het boek is uitvoerig geïllustreerd met ongewone en ongekende beelden, prenten, schetsen. tekeningen, architecturen en personages Een verfrissende kijk op de Antwerpse meester, waarvan de vroegere publicaties zich meestal uitsluitend focusten op Rubens' schilderijen.
Rutger Tijs, De andere Rubens. Activiteiten, interesses, leefwereld werd uitgegeven door Davidsfonds Leuven.
HFT VIFESHDIS Het Vleeshuis in Antwerpen is een opvallend middeleeuws bouwwerk vlakbij de Grote Markt. Het weerspiegelt de vroegere macht en aanzien van het slagersambacht en was vorig jaar juist 500 jaar oud. Als vleeshal en gildenhuis van de slagers speelde het Vleeshuis een belangrijke rol in het economische en sociale leven van de Scheldestad, en het werd opgetrokken in de Gouden Eeuw. Op het einde van de 19de eeuw werd het omgebouwd tot museum voor toegepaste kunst. Jan Lampo schetst de geschiedenis van het gebouw en zijn gebruikers vanaf de stichting van het slagersam-
1VI&L
m
bacht in 1250. Elke stad die zichzelf respecteerde beschikte toen immers over een lakenhal, een broodhuis, een graanhuis en een vleeshuis. Het Vleeshuis was oorspronkelijk een overdekte markt met kramen. Jan Lampo, Het Vleeshuis. Slagerspaleis van Antwerpen werd uitgegeven door Davidsfonds Leuven
BRUSSELS. A VIEW FROM THE SKY Het is vreemd hoe anders een stad er uitziet vanuit de lucht: meer geordend. kleurrijker, stiller, mooier. Toch kan een luchtfoto soms schrijnende toestanden blootleggen, waarvan de gewone wandelaar verstoken blijft. zoals de lege gevels van het Martelaarsplein met alleen maar een grote bouwput op de plaats van de vroegere herenhuizen, of de compleet ingekapselde overblijfselen van wat eens Brussels' trotse omwalling was. Een heerlijk boek voor elke Brusselaar om er alles in te herkennen en voor de niet-Brusselaar om zijn hoofdstad te ontdekken op een ongewone manier.
Wim Robberechts, Brussels. A view from the sky werd uitgegeven door Davidsfonds Leuven. De onderschriften onder de foto's zijn viertalig.
Tentoonstellingen
Marjan
Buyle
PELGRIMSSCHATTEN BYZANTIUM - JERUZALEM De collecties van de Hermitage, het beroemde Winterpaleis van SintPetersburg, zijn bijzonder rijk. Zo rijk zelfs dat de idee opkwam om een satellietmuseum op te richten in Nederland, met als naam Hermitage Amsterdam, prachtig gehuisvest in het voormalige Amstelhof aan de Nieuwe Herengracht. In deze nieuwe stichting worden thematische tentoonstellingen georganiseerd. Deze vierde tentoonstelling toont 200 unieke kunstwerken, die door de toenmalige pelgrims naar het Heilig Land als aandenken werden meegenomen. Vanaf 313 na het Edict van Milaan, uitgevaardigd door keizer Constantijn, mochten de christenen hun geloof praktiseren en wat later werd Constantinopel, het oude Byzantium, uitgeroepen tot nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk. In die periode vond ook Helena, de moeder van Constantijn, de restanten van het Ware Kruis van Christus. Helena werd sindsdien als eerste pelgrim naar Jeruzalem beschouwd. Van dit ware kruis werden talloze relieken opgeborgen in rijk versierde reliekhouders, waarvan er enkele op de tentoonstelling te zien zijn. De stemmig opgestelde werken in mooie kijkkasten bevatten een aantal zeer ongewone en merkwaardige stukken: een tot in de details uitgewerkt model van de Grafkerk van Jeruzalem bijvoorbeeld, vervaardigd uit ebbenhout, palmhout, ivoor en parelmoer; schitterende objecten gesneden in parelmoer zoals kruisen en schelpen: een fijn geborduurd liturgisch doek met de Graflegging van Christus en nog veel meer. Ook kleine gebruiks- of liturgische voorwerpen zijn er te zien: borstkruisen, olielampjes, schalen, versierde lepels.
B 1 N N E N K R A 1 \ T
Zilveren reliekkistje, rond 550, ® Hermitage Sint-Petersburg
ringen en stempels. De tentoonstelling zou niet af zijn zonder de obligate icoonschilderingen, waarvan de Madre di Consoiazione, de Palestijnse madonna die de affiche siert veruit de mooiste is. Een rijke bron voor oosterse iconografie zijn de zogenaamde topografieën van Palestina: doeken waarop centraal de Grafkerk is afgebeeld en daarrond talloze scènes met historische of religieuze gebeurtenissen. Deze topografieën werden op doek geschilderd, omdat ze opgerold in een koker gemakkelijk konden vervoerd worden. Zeer vreemde voorwerpen zijn de bij pelgrims populaire iconen geschilderd op vissenschedels! De vissen waren afkomstig uit het meer van Galilea of het meer van Tiberius. Vaak heeft de geschilderde voorstelling trouwens iets met vissen te maken, zoals de wonderbare visvangst in het meer van Galilea en het voeden van de 5000 mensen met twee broden en vijf vissen.
De tentoonstelling loopt van 1 oktober 2005 tot 26 maart 2006 in het Hermitage Amsterdam aan de Nieuwe Herengracht 14 (vlakbij Waterlooplein). Info on www.hermitaae.nl Gemakkelijk bereikbaar met de trein. Info www.nmbs.be. Dagelijks van 10u tot 17u. Mooie catalogus in de vorm van een aantrekkelijk en vlot leesbaar boekje (22.50 € ) , verkrijgbaar in het Nederlands en het Engels.
Kruisridder achtervolgt vijand, replica van een muurschildering (® Musée National des monuments Frangais, Parijs]
DF KRIJISTOPHTFN In het vernieuwde Museum Catharijneconvent in Utrecht wordt een tentoonstelling gewijd aan het fenomeen van de kruistochten, en ditmaal niet zoals we het in onze geschiedenisboeken geleerd hebben, maar gezien vanuit christelijk, islamitisch en joods standpunt. Niet alleen bloedige taferelen en heldendaden worden er geïllustreerd, maar ook al die zaken die de westerlingen er van de 'vijanden' geleerd en meegebracht hebben.
Het is een combinatie geworden van een honderdtal historische objecten, die het verhaal vertellen van de middeleeuwse kruistochten naar het Heilig Land, waaronder de niet onbelangrijke uitwisseling van kennis tussen die verschillende culturen. Zo is bijvoorbeeld te zien hoe uitgebreid de deskundigheid van de Arabieren was op het gebied van de heelkunde en de chirurgie.
De tentoonstelling De Kruistochten is nog te zien tot en met 5 maart 2006 in het Museum Catharijneconvent aan de Lange Nieuwstraat 38 in Utrecht, van dinsdag tot vrijdag van 10-17u, zaterdag, zon- en feestdagen van 1117u en gesloten op maandagen en op 1 januari 2006. Bij de tentoonstelling verschijnt een catalogus in kleurendruk van de hand van Jonathan RileySmith. Info: www.cathariineconvent.nl
Maquette van de H. Grafkerk in Jeruzalem I®Museum Catharijneconvent, Utrecht)
IVI&L
h
:\; f' K* B 1 N N E N K R A N T
ADQLPHF PRFSPIN. A A N DF O O R S P R O N G V A N DF ART N O U V F A U
Adolphe Crespin (1859-1944), als schilder-'decorateur', ontwerper van affiches, sgraffitokunstenaar en theoreticus één der meest vooraanstaande vertegenwoordigers van de art nouveau in België, verleende zijn medewerking aan de belangrijkste architecten van zijn tijdperk, waaronder Paul Hankar, Léon Sneyers, Victor Horta, Henri Jacobs, Jules Barbier, Paul Saintenoy, Louis Ernest S'Jonghers, Frits Seeldraeyers e.a. Men beschouwt hem als de vader van de geïllustreerde affiches in België: in 1895 ontwierp hij ondermeer de sindsdien beroemde affiche voor Paul Hankar, die de architect aan zijn werktafel toont. Hij werkte tevens een ophefmakende leermethode uit voor sierpatronen, op basis van een interpretatie van de flora en geometrische lijnvoeringen. Crespin was ook één van de vroegste verzamelaars van Japanse voorwerpen in België en schilderde verschillende 'Japanse reeksen' die op alle belangrijke tentoonstellingen van die tijd aanwezig waren.
1V1&L
Zijn merkwaardigste, in België nog bewaard gebleven bijdragen tot de decoratieve schilderkunst betreffen: de decoratie van de Solvay bibliotheek en de 'Janlet'vleugel van het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen van België (met de Provinciewapens), in het Leopoldspark, in Brussel; de 78 meter lange Congo fries voor de Koloniale Tentoonstelling van 1897 in Tervuren; de voormalige hemdenwinkel Niguetaan de Koningsstraat 13, in Brussel; het Vredegerecht van Anderlecht, de binnendecoratie van de kerk van Everberg, de kleine zaal van het Ravenstein te Brussel, de raadzaal van het gemeentehuis van Zoutleeuw, onverminderd de talrijke sgraffiti die op de fraaiste art nouveaugevels van de hoofdstad. Art nouveau van het zuiverste soort straalt tot slot uit zijn talloze ontwerpen voor tapijten, behangpapier, glasin-loodramen, borduurwerken en gemaroufleerde doeken. Van deze kunstenaar duivel-doet-al worden een honderdtal - vaak nooit getoonde - werken exclusief tentoon-
RV
gesteld in het Horta Museum, Amerikaansestraat 23-25, Sint-Gillis (Brussel), vanaf 14 oktober 2005 tot en met 9 januari 2006. De fraaie catalogus, uitgegeven bij Pandora maar helaas slechts in het Frans verkrijgbaar, is het werk van BenoTt Schoonbroodt, tevens wetenschappelijk adviseur van de tentoonstelling. Niet te missen!
Adolphe Crespin, aan de oorsprong van de art nouveau, in het Horta Museum, Amerikaanse straat 23-25, Sint-Gillis (Brussel), nog tot 9 januari 2006. Dagelijks, behalve op maandag, van 14u tot 17.30u. Geleide bezoeken dagelijks, behalve op maandag, van 9 u tot 12.00 u. Meer info: Frangoise Aubry, conservator van het Horta museum, 02/543.04.90 Benoït Schoonbroodt, 0476/20.21.24.
B 1 N N E N K R A N T
Archeologie Peter Van den Hove Raf Van Laere
GROTF MUNTSCHAT ONTDFKT IN LIMBURG Enkele weken geleden ontdekten detectoramateurs in het zuiden van de provincie Limburg één van de grootste muntschatten die ooit in Vlaanderen is gevonden. De schat dateert uit de 18dt' eeuw, weegt ongeveer 25 kg en omvat minstens 5000 tot 6000 koperen munten. De schat werd ontdekt door zes leden van de vereniging Prospector Vlaanderen. Hun zoektocht gebeurde op vraag van de eigenaar nadat in het verleden al meerdere vondsten op het terrein werden gedaan. Wetenschappelijk belang Wetenschappelijk is de muntschat erg belangrijk omdat er geen enkele vondst is gekend die een groot aantal koperen munten uit deze tijd bevat. Koperen munten werden in de 18dc eeuw immers uitsluitend als wisselgeld gebruikt. Het opsparen van grote sommen kopergeld was dan ook zinloos. Wetenschappers staan momenteel dan ook voor vraagstuk en heel wat bijkomend onderzoek zal nodig zijn
om een verklaring te vinden voor deze enorme schatvondst. Bovendien wordt met de vondst een onverwacht nieuw venster geopend op het gebruik van pasmunt tijdens de tweede helft van de 18dc en het eerste kwart van de 19de eeuw. Vlotte samenwerking tussen overheid en detectoramateurs De vondst is door Prospector Vlaanderen gemeld bij de cel archeologie van de Afdeling Monumenten en Landschappen (AML). Deze correcte en vlotte melding is te danken aan een recente positieve dialoog die is opgestart tussen verenigingen van detectoramateurs en Vlaamse archeologen. Een werkgroep bereidt momenteel een toekomstige wettelijk geregulariseerde samenwerking voor tussen hobbyisten en professionele archeologen. De vindplaats van de schat zal worden opgenomen in de Centrale Archeologische Inventaris van Vlaanderen. De locatiegegevens van dergelijke vondsten zijn immers erg belangrijk voor archeologen en worden systematisch gebruikt voor verdere opvolging en archeologische advisering van toekomstige werken in de omgeving. Toekomst van de schat In samenwerking met de verschillende betrokken besturen en de eigenaar zal naar een bestemming voor de schatvondst worden gezocht.
Peter Van den Hove
OPMFRKFIIIKF VONDSTFN IN DE ST.TRUDO ABDI1 TE SINT-TRUIDEN Recent noodonderzoek in de abdij van Sint-Truiden heeft een aantal interessante vondsten aan het licht gebracht. Het onderzoek had plaats in het kader van renovatiewerken en het leggen van nutsleidingen en was pas mogelijk na een vondstmelding door een alerte amateur archeoloog én door een snelle tussenkomst van de Afdeling Monumenten en Landschappen. De archeologische opvolging werd uitgevoerd door het projectbureau ARON, onder toezicht van de Afdeling Monumenten en Landschappen. Tot de meest opmerkelijke vondsten behoren twee opmerkelijke figuratieve kraagstenen vervaardigd in een witte kalksteen. De eerste steen stelt mogelijk de heilige Trudo voor, de tweede draagt een afbeelding van Johannes de Doper. Beide kraagstenen worden in de eerste helft van de 16de eeuw gedateerd. Mogelijk zijn de fragmenten te linken aan de ingrijpende bouwcampagnes die abt Willem van Brussel rond deze periode liet uitvoeren. Op het terrein werden ook talrijke andere belangrijke vaststellingen gedaan. Zo zijn er ondermeer fundamenten van Romaanse muren aangesne-
•
B I N N E N K R A N T
den. Enkele sporen zouden zelfs In de volle of vroege middeleeuwen kunnen gedateerd worden. Het uitgevoerde onderzoek toont aan dat er op de abdijsite nog heel wat belangrijke archeologische resten schuil gaan en een archeologische opvolging van bodemwerkzaamheden steeds noodzakelijk is. ARON maakte een summier rapport op van het onderzoek. Dit verslag is raadpleegbaar in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed.
Heraldiek Patrick van
Waterschoot
J A A R I I I K S F UITREIKING VAN WAPENBRIEVEN IN HET HOTEL ERRERA Op 4 juli 2005 vond in de prachtig gerestaureerde ambtswoning van de Vlaamse minister-president voor de vierde maal de jaarlijkse uitreiking plaats van de officiële wapendiploma's. Zestien medeburgers, behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, mochten er hun officiële wapenbrief in ontvangst nemen uit handen van Vlaams minister Dirk Van Mechelen. Sinds het bestaan van het decreet van 3 februari 1998 is het immers voor privé-personen en instellingen mogelijk om officieel een oud of een nieuw wapen toegekend te krijgen. De Vlaamse regering verleent dit recht op advies van de Vlaamse Heraldische Raad (VHR, de 5de afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.) Mevrouw Lieve Viaene-Awouters, voorzitter van de Raad schetste in haar toespraak de (opnieuw) groeiende belangstelling voor heraldiek bij het grote publiek. Heraldiek is dan ook een stuk immaterieel erfgoed dat
eeuwenlang in Vlaanderen leefde en nu heropleeft. Door het voeren van een wapen benadrukt de drager op een symbolische wijze zijn identiteit, maar ook zijn verbondenheid met familie en leefwereld. De voorzitter lichtte kort de rol toe die de VHR in deze toekenningsprocedure speelt en herinnerde tevens aan de succesvolle organisatie van het 26ste Internationaal Congres voor genealogische en heraldische wetenschappen door de VHR vorig jaar in Brugge. De heer Dirk Van Mechelen, Vlaams ministervan Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening nam hierop het woord. Hij dankte de voorzitter en de leden van de VHR voor hun onafhankelijke en kritische benadering van de aanvragen voor privé-wapens. De minister verklaarde ook met veel genoegen deel te nemen aan deze jaarlijkse plechtigheid. Het trof hem dat er, meer nog dan de vorige jaren, een zeer verscheiden beroepswereld vertegenwoordigd was. Zowel medici, juristen, vertegenwoordigers uit de wereld van kunsten en letteren, als ondernemers en vakmensen uit alle sectoren hebben, elk met hun eigen motivering, een aanvraag ingediend. De eerste wapenbrief was voor de heer Daniël Ostyn, erelid van de
Vlaamse Heraldische Raad. De minister loofde zijn deskundigheid en jarenlange inzet voor de Raad. Daarna kregen ook de vijftien andere aanvragers hun officieel wapendiploma door de minister overhandigd. Ook de heren August Jan Belles, Jan Pieter Bogaert, Guido Daver, Raoul Depuydt, Alfredo Guillaume, Jozef Haerens, Philippe Jean Simon Hermanns, Evrard Michael Simon Hulot de Collart Sainte Marthe, Rik Leppens, Gunnar Riebs, Henri Joseph Vandebroek, Gerard Van Driessche, Geert Van Steen, Henri Vivier, Marcel Wouters en hun naamdragende afstammelingen voeren voortaan een door de Vlaamse regering erkend wapen. Na het poseren voor de groepsfoto werd een receptie aangeboden in de indrukwekkende spiegelzaal van het hotel Errera.
B I N N E N K R A N T
Vlaamse IVIonumeTitenprijs
rxon Hubert Bats & Christine Vanthillo
^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ m an S n lp f / H , un
R-mm
En de winnaar is
BORGLOON, HET KLOOSTER
JHhM
VAN KOLEN De Vlaamse Monumentenprijs gaat dit jaar naar Limburg, met name naar het klooster van Kolen te Borgloon. Klooster Kolen verdient de Vlaamse Monumentenprijs omdat dit een schoolvoorbeeld is van zorgzaam, behoedzaam en respectvol omgaan met het erfgoed zowel bouwkundig als landschappelijk. Dank zij permanent onderhoud zijn de zusters erin geslaagd de gaafheid van het monument met zijn omringend landschap te bewaren en hebben zij dure en ingrijpende restauraties en landschapsherstel werkzaamheden kunnen vermijden, waardoor de authenticiteit vaak aangetast en zelfs vernield wordt. Bovendien voeren de zusters een publieksvriendelijk en publiekgericht onthaalbeleid zonder toe te geven aan de drukvan commercialisering en overconsumptie door het toerisme. Het monument Het klooster van Kolen, Mariënlof genoemd, wordt bewoond door een communauteit van Cisterciënzerinnen. Het klooster ligt op een valleirand nabij Borgloon in de deelgemeente Kerniel, in het heuvelende Haspengouw met uitzicht op boomgaarden, weilanden en velden. Het klooster werd in 1431 gesticht door de Kruisheren van Hoei met de financiële steun van Maria van Kolen, die zich als weduwe in het begijnhof van Sint-Truiden had teruggetrokken. Na de franse Revolutie werd het klooster opgeheven en door de Kruisheren verlaten. In 1822 werd het verkocht aan de Cisterciënzerinnen van Wauthier-Braine, die er tijdelijk een
!
^%.
1
J
Hr : ; ^^
1
meisjeskostschool in onderbrachten. Het complex bestaat uit een vierkantig kloosterpand, omringd door de kerk en drie woonvleugels, en een neerhof omsloten door hoevegebouwen. Het kloosterpand en het neerhof dateren in kern uit de 16 de eeuw met wijzigingen in de 18de eeuw. De gebouwen zijn in baksteen opgetrokken en wit gekalkt. Men betreedt het klooster via een poortgebouw dat toegang geeft tot het erf waarrond de boerderijgebouwen en het woongedeelte geordend zijn zoals gebruikelijk bij de Haspengouwse vierkanthoeven. De huidige toestand verschilt weinig van degene die op de Ferrariskaart is weergegeven en het geheel vormt een
..uit
i
1
1
unieke combinatie van kloostergebouw en boerderij. De kloosterkerk dateert in oorsprong uit 1505 maar werd na een brand in 1750 heropgebouwd. In het kader van een globaal wederopbouwproject werd het interieur in de tweede helft van de 18de eeuw door de Kruisheren op een verfijnde manier versierd met rococostucwerk en houtsnijwerk. Het eikenhouten koorgestoelte en de lambrisering zijn van een bijzondere kwaliteit. De Luikse schilder Martin Aubé (17291806) kreeg opdracht in het koorgestoelte een cyclus schilderijen te integreren met taferelen over het leven van Odilia, patrones van de Kruisheren.
1V1&L
•
B I N N E N K R A N T
In de sacristie staat het beroemde Odilia-schrijn opgesteld, bestemd om de relieken van deze heilige, die eigendom waren van de Kruisheren, te bewaren. Vervaardigd in 1292, luidens de schedula, behoort dit schrijn met zijn beschilderde houten panelen tot de oudste voorbeelden van de paneelschilderkunst in België. De taferelen, geschilderd in felle rode en groene tinten, illustreren de legende van de 11.000 maagden, waartoe Odilia behoorde, de vinding van haar relieken en overbrenging ervan naar Hoei. Toen in 1797 het klooster werd opgeheven, verhuisde het schrijn naar het Kruisherenklooster van Kolen. Aubé versierde de muren van de sacristie met een wandbespanning van beschilderde doeken die scènes uit het leven van Christus uitbeelden o.a. de opwekking van Lazarus, de intrede in Jeruzalem en episodes uit het passieverhaal. Enkele jaren later werden onderaan de wandbespanning sacristiekasten geplaatst, die een schitterend voorbeeld van laat-18 de eeuws Luiks rococo-snijwerk zijn Het bureel van de priorin, de spreekkamers, de ontvangstzaal en de refter van de zusters zijn in hun originele toestand bewaard met de eikenhouten vloeren en vloeren in blauwe kalksteen, het rococo-stucwerk, de marmeren schouwen, het rijke houtsnijwerk, de schilderijen en de wandbespanning. Het kloostercomplex wordt momenteel bewoond door tien zusters, waarvan de meeste op hoge leeftijd. Zij beheren de site met de grootste zorg en respect en trachten de authenticiteit van de gebouwen en de landschappelijke omgeving optimaal te bewaren. In het verleden hebben zij vaak de kerk en de gebouwen met eigen middelen trachten in stand te houden. Het complex is wettelijk beschermd als monument sinds 12 mei 1947 en als landschap sinds 26 juni 2001. De kloostergemeenschap heeft steeds in nauw overleg met de Afdeling Monumenten en Landschappen samengewerkt. Voor de restauratie van de kerk en het interieur deden de zusters beroep op het premiestel-
sel. In 2002-2003 werd het dak hersteld en het voegwerk en de goten vernieuwd. De muren werden behandeld tegen opstijgend vocht en stabiliteitsproblemen werden opgelost met een versterkende muurwapening. In 2001 schreef de Monumentenwacht Interieur een alarmerend inspectierapport over de toestand van het roerend kunstbezit, bewaard in de kerk, de sacristie en de kapittelzaal. De schilderijen waren er zeer erg aan toe: de doeken waren aangetast door zwammen en schimmels veroorzaakt door opstijgend vocht en gebrekkige ventilatie; zij hadden hun spankracht verloren met zware deformaties tot
gevolg. De picturale laag vertoonde slijtage, lacunes, afschilferingen en verkleuringen. Bovendien was de schade veroorzaakt door een bominslag in WO II nog niet hersteld. De zusters besloten een materieeltechnisch vooronderzoek, gekoppeld aan een volledige restauratie, te laten uitvoeren. Het globale dossier werd opgesplitst in verschillende loten enerzijds om per discipline een gespecialiseerde restaurateur aan te trekken en anderzijds om kleine restauratieateliers de kans te geven om mee te dingen. De restauratie van de schilderijen, beelden en het antependium werd tot grote tevredenheid van de zusters uitgevoerd. Om de schadelijke
B 1 M N E N K R A N T
patroon alsook het bodemgebruik in dit landschap grotendeels ongewijzigd gebleven zijn gedurende meer dan 200 jaar. Vooral in de omgeving van het klooster en op de valleirand van deVilsterbeekzijn nog vrij gave restanten van hoogstamboomgaarden omhaagd door meidoornhagen en voorzien van barriers aanwezig. Een historische holle weg verbindt de vallei van de Vilsterbeek met het plateau en het klooster. De meest ingrijpende gebeurtenissen zijn de aanleg van de spoorweg in 1879, de recente vervanging van hoogstamboomgaarden door laagstamfruitteelt, gepaard met de schaalvergroting in de landbouw en de uitbreiding van de veiling.
Sterk landschapsbepalend is de noordwest-zuidoost georiënteerde asymmetrische vallei van de Kleine Herk met een steilere, van graften voorziene zuidwest gerichte- en een zwakkere noordoost gerichte helling. Plaatselijk drassige graslanden en populierenaanplantingen kenmerken de vegetatie. Samen met enkele graften op de steile Z.W. gerichte helling van de vallei van de Kleine Herk, enkele hagen of restanten ervan als perceelsbegrenzing, begroeide beekranden en populierenrijen zijn het de enige lineaire vegetatie-elementen. Ter hoogte van het klooster komt langs de Kleine Herk een unieke vegetatie voor met dominantie van kalkminnende soorten.
invloed van direct zonlicht te vermijden werd op de glasramen van de kapel een UV-werende film aangebracht. Sinds begin 2005 kunnen de gerestaureerde kunstwerken weer op hun oorspronkelijke bestemming in klooster Kolen door de geïnteresseerde bezoeker bezichtigd worden. Het landschap Behalve monument is klooster Kolen ook de structurerende beelddrager in een beschermd landschap met een oppervlakte van ongeveer 35 hectaren. Het landschap maakt deel uit van het zachtglooiend vruchtbare landbouwgebied op de grens van droog en vochtig Haspengouw. Het is een
onderdeel van het massief van Borgloon, dat zich ruim 30 meter boven de ten zuiden van de lijn Heks, Bommershoven, Jesseren en Piringen gelegen schiervlakte, verheft. Dit massief vertoont door continue erosie sterke denivellaties. Geografisch bevindt het landschap zich m.a.w. op het talud tussen Laag- en Midden- België. Deze steilrand valt hier samen met de grens tussen Droog- en Vochtig Haspengouw en met de overgang van de Zand- naar de Leemstreek Uit de vergelijking van het historisch kaartmateriaal met de huidige topografische kaarten en terreingegevens blijkt dat het wegen- en percelerings-
Het plateau ten noorden van het klooster, de zogenaamde Kolenberg, is nagenoeg volledig in gebruik als akkerland; het plateau ten zuiden van de verlaten spoorwegbedding als akkerland en voor de laagstamfruitteelt. Zowel op het plateau als op de zachthellende vallei van de Vilsterbeek zijn hagen - hoofdzakelijk meidoornhagen -, hoogstamboomgaarden wegbermen en taluds vegetatiekundig het belangrijkst; op een aantal wegbermen, taluds en langs de holle wegen komt een vrij zeldzaam wordende kalkminnende vegetatie voor. Hogervermelde lineaire landschapselementen op een voedselarm substraat herbergen eveneens plaatselijk
B 1 N N E N K R A N T
percelen, afgeboord met een buxushaagje. In het verlengde van de hoofdas is in de tuinmuur een kapel ter ere van Sint-Jozef gebouwd. De gaafheid en de authenticiteit van het omgevende landschap is grotendeels te danken aan de niet aflatende inzet met beperkte financiële middelen van een steeds kleiner aantal zusters.
een droge graslandvegetatie met kalkindicatoren. Voor deze relict vegetatie is er namelijk een belangrijk ruimteprobleem ontstaan. Het toepassen van kunstmest en herbiciden op droge graslandpercelen met kalkrijke bodem zijn de oorzaken van hun botanische kwaliteitsvermindering gedurende de laatste decennia. Bermen zijn vaak hun nog enig mogelijke groeiplaats. Ter hoogte van het klooster komt op de oude spoorwegbedding een kruidvlierruigte voor. Kruidvlier (Sambucus ebulus) is een vrij zeldzame soort kenmerkend voor kalkrijke bodems. De voormalige noordelijke hoogstamboomgaard t.o.v. de abdij is hoofdza-
1VI&L
kelijk een siertuin. Het gazon wordt doorkruist door een regelmatig wegenpatroon. In het gazon zijn willekeurig bomen en sierstruiken aangeplant. Een meidoornhaag omtuint nog steeds dit tuingedeelte. De bomen van de oostelijke boomgaard werden tussen 1923 en 1979 gerooid. De weidefunctie bleef behouden. De zuidelijke hoogstamboomgaard is ommuurd. Het bomenbestand is nog voor ongeveer 50% intact. Op de muren rond de boomgaard komt een waardevolle muurvegetatie voor. De nutstuin ten westen van de abdijgebouwen is nog aldus in gebruik. Het kruisvormig wegenpatroon verdeelt de tuin in vier rechthoekige
Dit Cisterciënzerinnenklooster is geen gesloten gemeenschap. Integendeel, bezoekers worden er steeds gastvrij ontvangen. De zondagsmis is voor iedereen toegankelijk. Toeristen worden er deskundig rondgeleid in de kerk en de sacristie met het reliekschrijn. Tot in de zomer van 2004 hebben de zusters op kleinschalige en bescheiden wijze aan de bezoekers een koffietafel met zelf gebakken taart aangeboden. Nooit hebben zij zich laten verleiden tot commercialisering van de site ondanks de druk van de bezoekers. De inkomsten werden besteed aan het onderhoud van de gebouwen. Wegens de hoge leeftijd van de zusters hebben zij deze activiteit helaas moeten stopzetten. Nog steeds bestaat de mogelijkheid voor de individuele bezoeker om enkele dagen in het klooster te logeren op voorwaarde dat de regels van het kloosterleven worden gerespecteerd. Klooster Kolen neemt ook elk jaar deel aan de Haspengouwdag en de Open monumentendag. In de kerk worden geregeld kooroptredens en concerten in het kader van het Festival van Vlaanderen georganiseerd.
Bl^NENKRANT
•
Regelgeving • Els Hofkens & Ellen Leroy 1
ARRFST A R B I T R A G E H O F V A N fi JULI ? 0 0 5 ERFnOEDLANDSCHAPPEN Op 14 september 2004 stelde de v.z.w. Vlaams Overleg voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting (koepelvereniging met als doel de behartiging van gemeenschappelijke en specifieke belangen inzake patrimonium t.a.v. ruimtelijke ordening, natuur en milieu alsmede inzake huisvesting) en de v.z.w. Landelijk Vlaanderen, vereniging van Bos-, Land- en Natuureigenaars een beroep tot vernietiging in bij het Arbitragehof van artikel 6 van het decreet van 13 februari 2004 houdende maatregelen tot behoud van erfgoedlandschappen. Dit artikel - dat het principe van de ankerplaatsen en erfgoedlandschappen introduceerde in het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg - zou volgens de twee verzoekende partijen immers de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het rechtszekerheidsprincipe schenden. In een eerste onderdeel (1 e middel) klagen de verzoekers het verschil in behandeling aan tussen eigenaars van onroerende goederen, naargelang deze gelegen zijn in een beschermd landschap, dan wel in een ankerplaats. Betoogd wordt dat eigenaars in het eerste geval - in tegenstelling tot eigenaars van gronden gelegen in een (voorlopig) aangeduide ankerplaats in de mogelijkheid verkeren hun opmerkingen en bezwaren in een openbaar onderzoek te laten gelden. In een tweede onderdeel (1 c middel) voeren de verzoekende partijen aan dat er geen tijdsbeperking voor de definitieve aanduiding van ankerplaatsen werd ingebouwd, waardoor eigenaars voor onbepaalde tijd in het
ongewisse gelaten worden over de aan hun eigendom verbonden lasten. Daarnaast merken ze op dat de bepalingen inzake de erfgoedlandschappen (2e middel) niet voorzien in een aangepaste vergoedingsregeling waardoor het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel eveneens geschonden zouden zijn. Het Arbitragehof nuanceert en weerlegt deze bezwaren in zijn arrest (arrest nr. 120/2005 van 6 juli 2005). Zo stelt het Hof dat de definitieve aanduiding van ankerplaatsen uitsluitend rechtsgevolgen creëert voor administratieve overheden en niet voor de burger. Immers, pas als de definitief aangeduide ankerplaatsen opgenomen worden in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg kan gesproken worden van erfgoedlandschappen én worden er voor natuurlijke personen en private rechtspersonen rechtsgevolgen gegenereerd. In de wetgeving ruimtelijke ordening is in deze fase bovendien een openbaar onderzoek georganiseerd naar aanleiding van de afbakening van erfgoedlandschappen. Rekening houdende met het verschil in rechtsgevolgen tussen de voorlopige bescherming als landschap - dat onmiddellijk gepaard gaat met rechtsgevolgen voor de eigenaar en burger en de aanduiding als ankerplaats, is het aangeklaagde verschil in behandeling volgens het Hof dan ook niet zonder redelijke verantwoording. Aangezien de besluiten tot definitieve aanduiding van ankerplaatsen enkel rechtsgevolgen hebben voor administratieve overheden, leidt de omstandigheid dat niet voorzien is in een tijdsbeperking voor de definitieve aanduiding van ankerplaatsen dan ook niet tot lasten die groter zijn dan die welke een particulier in het algemeen belang kan worden geacht te dragen.
In navolging van constante rechtspraak weerlegt het Hof ook het tweede middel van de verzoekende partijen. Het Hof acht noch het eigendomsrecht noch het gelijkheidsbeginsel geschonden indien niet voorzien is in een aangepaste vergoedingsrege-
ling. Het bepalen van de gevallen waarin een beperking van het eigendomsrecht tot een vergoeding kan worden toegekend, is een keuze die aan de bevoegde wetgever toekomt mits respectering van de redelijkheid en evenredigheid. Bovendien geldt voor de als erfgoedlandschappen aangeduide ankerplaatsen de planschadevergoeding zoals uitgewerkt in de decreten betreffende de ruimtelijke ordening. Het belang van het arrest mag niet onderschat worden. Enerzijds verschaft het duidelijkheid en kan het gezien worden als een bijkomend legitimatie omtrent twee vormen van landschapsbescherming en -zorg: de 'traditionele' bescherming als landschap en de nieuwe optie van de erfgoedlandschappen. Anderzijds maakt het nogmaals duidelijk dat de overheid in het algemeen belang bepaalde beperkingen van het eigendomsrecht kan opleggen die niet automatisch tot gevolg hebben dat hieraan een schadeloosstelling gekoppeld dient te worden, zolang redelijkerwijze niet op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de betrokken eigenaars. Dit wordt bevestigd in een eveneens onlangs geveld arrest van het Arbitragehof (arrest nr. 32/2005 van 9 februari 2005) in een ander beleidsdomein, waarbij een beroep tot vernietiging, - trouwens ingesteld door dezelfde verzoekers als het hierboven reeds besproken arrest -, van een aantal artikels uit het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid verworpen werd op basis van een gelijklopende motivering.
•
Achtergevels van de
van het klooster-
huizen aan de
pand
Onze-Lieve-Vrouw-
( © THOC,
straat en voormalige
maart 2000)
zuid-westelijke hoek
met de tuin van de minderbroeders op de linkeroever mag men zeker niet spreken. Merkwaardig is ook dat Bernardus de Jonghe het kerkhof niet vermeldt; waarschijnlijk bevond het zich achter de koorapsis en is het niet zichtbaar op de tekening in vogelperspectief.
DE QOSTVLEUGEL
*
Haaks tegen de twee oostelijke traveeën van de zuidelijke zijbeuk van de kerk bevindt zich een deel van de 13 e -eeuwse oostvleugel van het klooster. Dit langwerpig gebouw, twee niveaus hoog onder een zadeldak, strekte zich oorspronkelijk uit tot aan de Dijle. Met een lengte van ongeveer 65 m, was het langer dan de kerk zelf. Slechts de vier noordelijke traveeën zijn bewaard en vertonen een ingekorte rechthoekige plattegrond, 16,25 m lang op 11 m breed. Het muurwerk is opgetrokken in zandsteen, met zeer sporadisch gebruik van ijzerzandsteen uit de Demerstreek, behalve de 19 c -eeuwse bakstenen gevel die de zuidkant van de vleugel afsluit (14). Alle oorspronkelijke deur- of vensteropeningen zijn veranderd of dichtgemetseld. Samen met de kerk is de oostvleugel eigendom van de stad Leuven en dient hij als repetitiezaal en coulissen voor de culturele manifestaties in de kerk. In de eerste travee naast de kerk, die nu als gang gebruikt wordt, stond oorspronkelijk de trap naar het dormitorium. Een houten wenteltrap werd in de 18 e (?) eeuw aan de oostkant aangebouwd. De tweede en derde travee zijn door de sacristie ingenomen. Van de vierde travee blijft weinig te her-
Koorapsis, oostvleu-
Sint-Annastraat
gel en ingang van
(foto 0. Pauwels,
de sacristie aan de
2005)
kennen: de twee westelijke delen werden in de jaren 1990 met douches ingericht, terwijl de twee oostelijke delen als bergruimte van het buurhuis dienen. Deze zijn nu nog overkluisd met twee gedrukte gewelven die verrijkt zijn met een stervormige stucversiering uit de tweede helft van de 17 e eeuw (15). Ze vormen een deel van een gang die door de oostvleugel liep en naar een haakse vleugel aan de oostkant leidde. Dit gebouw, dat in de ets van 1715 is afgebeeld met de verklaring dormitorium conventualium, werd vermoedelijk in de tweede helft van de 17 e eeuw opgericht. Het bestaat nog maar werd in de 19 ^eeuw door de Sint-Annastraat doorkruist (16). O p de bovenverdieping van de oostvleugel bevond zich het dormitorium van de dominicanen, waarover verder meer. Merkwaardig in deze ingekorte zaal is de heel mooie sporenkap die, zoals we zullen zien, uit de jaren 1253-1263 dateert. Van de binnenindeling met cellen aan weerskanten van een centrale gang is niets meer bewaard gebleven. Aan de noordzijde, tegen de kerk, verspringt de steunbeer van de tweede luchtboog in de zaal. In 1806, na de afbraak van de traptoren aan de westgevel van de kerk, werd tegen deze luchtboog een trap gebouwd om boven de gewelven van het koor te
• Kerk, oostvleugel en site van het kloosterpand, ca 1900 ( © KIK, Brussel)
m#k
geraken (17). Door twee kleine binnenvensters heeft men vanuit de verdieping zicht op de zijbeuk en op het hoogaltaar. Tegen de westmuur van het gebouw bevond zich de oostgang van het kloosterpand. Het muurparement bevat nog sporen van deze gang, onder meer de korbelen en de waterlijst die de hoogte van het lessenaardak van de pandgang aangeven. Bouwhistorisch onderzoek van deze belangrijke gevel kon niet uitgevoerd worden omwille van de aanwezigheid van klimop en de bereikbaarheid enkel vanuit een privé-tuin (18). O p basis van oude foto's blijkt dat de aansluiting met de thans verdwenen noordelijke pandgang meermaals veranderd werd. De ets van 1715 toont dat de slaapzaal van de filosofiestudenten {B. Dormitorium philosophorum) zich boven de noordelijke pandgang bevond. Een nu dichtgemetselde deur in het dormitorium van de westvleugel gaf toegang tot deze slaapzaal. In de eerste afgebroken traveeën van de oostvleugel bevond zich de kapittelzaal van het klooster. Bij de ontmanteling werd een aantal percelen gedefinieerd op basis van bestaande muren en funderingen, waardoor de hoofdlijnen van het kloostercomplex
op het kadaster nog herkenbaar zijn. Daarom kan de stelling geponeerd worden dat de tuin van het huis in de Sint-Annastraat 2 niet precies overeen zou stemmen met de kapittelzaal. Aan de oostkant zijn de aanzet van de buitenmuur en de eerste stenen van de boog van een venster zichtbaar. Aan de noordkant is de tuin afgebakend door de bakstenen gevel van het dormitorium, terwijl de westelijke en zuidelijke limieten van de tuin door muren zijn aangegeven. In de westmuur is een stijl van een opening van de kapittelzaal geïntegreerd met een 13 e -eeuwse kapiteeltje (19). O p basis van deze hypothese zou de kapittelzaal een oppervlakte van ongeveer 100 m 2 (8,80 m x 11,25 m) hebben gehad. In vergelijking met de verhouding van de sacristie die uit twee traveeën van 4,40 m bestaat, was de kapittelzaal vermoedelijk drie traveeën breed en met zes gewelven, door twee zuilen gedragen, overkluisd. De bestemming van de overige vertrekken is onbekend. De ets van 1715 vermeldt de linnenkamers van de kloosterlingen (O. Vestiaria conventualium) bij het zuidelijke einde van de oostvleugel. Aan de Dijle heeft zeker een latrineblok gestaan dat van op de begane grond én vanuit het dormitorium bereikbaar was.
A De site van de
huidige tuin van
Binnenzicht van de
kapittelzaal van de
het huis in de Sint-
sacristie
predikheren stemt
Annastraat 2
( © VIOE, foto
overeen met de
( © THOC, juli 2004)
Oswald Pauwcis 2005)
DF SACRISTIF Deze vierkante zaal van 77,5 m (8,80 m op 8,80 m) bevindt zich ten zuiden van het koor van de kerk, waarvan zij gescheiden is door een 1,50 m brede gang. Het vertrek is overkluisd met vier kruisribgewelven op een centrale zuil. Het kapiteel en de acht consoles zijn voorzien van grote bladmotieven. Ter gelegenheid van de in 1993 aan de gang zijnde restauratiewerken in de predikherenkerk en -klooster, werd er door de Afdeling Monumenten en Landschappen een beperkt archeologisch en bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd (20). Daaruit is gebleken dat de oorspronkelijke vloer, enkel nog vertegenwoordigd door een kalkmortelbed, zich 1,20 m onder het huidige vloerniveau bevond. Dat betekent dat de sacristie onder de kruin van de gewelven nagenoeg 6 m hoog was. In de noordelijke muur bevindt zich, naast de toegangsdeur vanuit de gang, een 3,40 m brede en
2,95 m hoge spaarnis die met een rondboog is afgesloten. Een even hoge maar iets smallere (2,80 m) spaarnis is aanwezig in de zuidelijke muur. Hier bevindt zich ook een later aangepaste doorgang naar het belendende vertrek, die in een tweede spaarnis is opgenomen, nu echter overdekt met een segmentboog. In de westelijke muur zijn twee kleinere spaarnissen met rondboog zichtbaar, waarvan één waarschijnlijk te interpreteren is als een doorgang naar de aanpalende oostelijke pandgang. Rechts hiervan, en dus vlakbij de ingang tot de sacristie, is een 1,50 m brede en 1,35 m hoge muurkast of spinde, die door een kruismoneel in vier vakken is verdeeld, bewaard gebleven. Elk vak was afgesloten met een houten deurtje waarvan slechts de smeedijzeren duimpjes overblijven. In de muurkast zijn horizontale gleuven zichtbaar waarin houten legplanken waren aangebracht. Hieruit kan afgeleid worden dat de muurkast werd gebruikt voor het opbergen van kostbaar vaatwerk en liturgische boeken.
1V1&L
een 1,60 m brede en 80 cm diepe bakstenen constructie die tegen de centrale muurdam van de oostelijke muur was aangebouwd, en bewaard bleef tot een hoogte van 70 cm. In de aarden vulling binnenin deze constructie werd geen archeologisch materiaal gevonden, evenmin als in die onder de tegelvloer. Voor een datering zijn we dus aangewezen op het baksteenformaat (23) dat de constructie waarschijnlijk in de late I4 d e eeuw situeert en bevestigt dat de indeling van de sacristie niet oorspronkelijk is (24). Het ophogingpakket bovenop deze 14 e -eeuwse tegelvloer bestaat achtereenvolgens uit een aarden vulling, een laagje leien en kleine leifragmenten (een afdichtinglaag?), opnieuw een aarden vulling en tenslotte een zandlaag waarop resten van een kalkmortelbed werden aangetroffen. Uit de afdrukken in dit mortelbed kon afgeleid worden dat de vloer, gelegen op 76 cm onder de huidige vloer, uit grote rode en zwarte tegels bestond (25).
Sacristie en dormitonum: opmeting en reconstructie van de oorspronkelgke toestand, doorsneden ( © DÏE, 2004)
In de oostelijke muur bleven door latere verbouwingen veel minder volledige sporen van de oorspronkelijke aanleg bewaard: in het linker gedeelte zijn er uitbraaksporen van twee kleine vensteropeningen of nissen met spitsboog, in het rechter gedeelte fragmentarische resten én uitbraaksporen van een 3,20 m brede muurnis met spitsboog. Uit het parement in de buitengevel blijkt duidelijk dat het hier zeker niet gaat om een groot spitsboogvenster, maar inderdaad om een spaarnis. Opvallend is wel dat deze niet zoals de andere spaarnissen in dit vertrek tot op vloerniveau is doorgetrokken, maar aanzet op 1,5 m boven het oorspronkelijke vloerniveau. Van de oorspronkelijke vensters die aan oostelijke kant stonden blijft niets meer over. Ze waren zeker kleiner dan de huidige vensters en met diefijzers beveiligd. Boven op de oudste vloer bevinden zich achtereenvolgens een laag groene leem, een dunne mortellaag, een gemengde ophoginglaag en een goed bewaard gebleven rode tegelvloer op 98 cm onder de huidige vloer. De vloer bestaat uit een 60 cm brede boord van grote vierkante tegels (21), en een centraal gedeelte van overhoeks geplaatste kleinere tegels (22). Duidelijk gelijktijdig met deze vloer is
M&L
Boven op dit vloerniveau bevindt zich een 60 cm dikke aarden vulling waarin talrijke brokstukken van tegels, bakstenen en zandsteen, evenals aardewerk- en steengoedscherven die de vloerverhoging dateren in de vroege 16 c eeuw. Dit op 10 cm onder de huidige vloer gelegen nieuwe vloerniveau is opnieuw enkel bewaard als een kalkmortelbed, waarin afdrukken van kleinere rode en zwarte tegels (26). Het talrijke puin dat onder deze vloer aangetroffen werd is duidelijk afkomstig van een ingrijpende verbouwing van de sacristie en het bovenliggend dormitorium, toen in beide ruimten onder meer het inbrengen van nieuwe grote vensteropeningen de oorspronkelijke aanleg grotendeels teniet deed.
HET DORMITORIUM Het oorspronkelijke dormitorium strekte zich uit op de volledige eerste verdieping en was onder meer bereikbaar via een trap die tegen de oostelijke muur was aangebouwd. Het onderste gedeelte bevond zich in de gang tussen de kerk en de sacristie, maar verdween toen hier een doorgang werd gecreëerd en er buiten het gebouw een trappenhuis werd aangebouwd. De oorspronkelijke trap eindigde op een bordes dat verlicht werd door een gedeeltelijk bewaard gebleven spitsboogvenster dat in de gelijktijdige steunbeer van het kerkkoor werd uitgespaard. Het tweede deel van de trap bevindt zich nog altijd boven op het gewelf van de sacristie, zij het iets aangepast aan de nieuwe configuratie.
• Bmnenzicht op het dormitonum ( © THOC, juni 1999)
Rechts van deze trap was er een kleine kamer waarvan het vloerniveau ongeveer 60 cm lager lag dan in de slaapzaal zelf, en dus enkel via deze trap kon betreden worden. Het enige spoor dat nog naar deze kamer verwijst zijn de resten van een spitsboogvenster in het buitenparement (27); inwendig verdwenen alle sporen.
*
De slaapzaal zelf is een onvolledig bewaarde langwerpige zaal van 163 m 2 (9,30 m breed en minstens 17,50 m lang). Net als de sacristie is het muurwerk opgetrokken in zandsteen, met zeer sporadisch gebruik van ijzerzandsteen. De langsmuren van dit dormitorium waren geleed door smalle hoge vensternissen, telkens circa 84 cm breed en 2,60 m hoog, terwijl de muurdammen tussenin ongeveer 1,12 m breed zijn. Geen enkele vensternis bleef volledig bewaard (28), maar uit de samengevoegde gegevens kan wel een reconstructie van de vensteropeningen worden gepuurd. De nissen zijn 36 cm diep en overdekt met een scherpe spitsboog. Achter in de nis bevindt zich een 90 cm hoge borstwering, waarboven een spitsboogvenster met tussenlatei en een omlijsting met velling. Het bovenste driehoekige gedeelte was duidelijk met glas ingevuld, terwijl het onderste rechthoekige gedeelte waarschijn-
lijk met een binnenluik was afgesloten en beveiligd met twee diefijzers waarvan de sporen werden aangetroffen. De noordkant van het dormitorium sluit aan bij de twee eerste oostelijke traveeën van de zuidelijke zijbeuk. De steunbeer van de eerste luchtboog is in de oostmuur van het dormitorium verwerkt, terwijl de steunbeer van de tweede luchtboog binnen het dormitorium verspringt. Twee rechthoekige venstertjes in vensternissen openen vanuit het dormitorium naar de zijbeuk en geven zicht op het koor. Vermoedelijk gaat het om bidplaatsen, waarover verder meer. De kapconstructie die grotendeels in haar oorspronkelijke toestand bewaard wordt, is een "ziende" kap waardoor de hoogte van het dormitorium onder de nok 10,50 m bedraagt. Typologisch gaat het hier om een enkelvoudige sporenkap met dubbele muurplaat. Per sporenpaar ligt er telkens een blokkeel op de dubbele muurplaat waarin zowel het spoor als de standzoon met een pen-en-gatverbinding zijn vastgezet. De standzonen zijn bovenaan met een houten toognagel op het spoor bevestigd. De hanenbalken zijn opnieuw met een pen-en-eat-
M&L
verbinding in het sporenpaar vastgemaakt, terwijl de korbelen eronder zowel boven- als onderaan met houten toognagels én smeedijzeren nagels zijn bevestigd. Door de gebogen vorm van de standzonen en de korbelen ontstaat per sporenpaar de illusie van een rondboog, zodat we hier mogen spreken van een onbetimmerd tongewelf. O m de zes sporenparen zijn de blokkelen vervangen door een trekbalk die, getuige de inkepingen onder aan de balk, en de gaten voor toognagels, voorzien was van een korbeelstel. Gezien de afwezigheid van (sporen van) consoles kunnen we veronderstellen dat de muurstijlen hiervan tot op het vloerniveau doorliepen.
Bidplaats aan de noordkant van hel dormitorium met venster naar het koor (foto Oswald Pauwels 2005)
Detail van de kap van het dormitorium, uit I2I>3-I263 ( © THOC, juni I
In het midden van elke hanenbalk zitten nu nog twee toognagels of gaten voor toognagels die er op wijzen dat de sporenparen ooit in de lengterichting verbonden waren door brede planken. Een nagenoeg identieke situatie is terug te vinden in een aantal soortgelijke kappen. Zo is er de oorspronkelijk eveneens "ziende" kap van de ziekenzaal van de Potterie in Brugge, die dendrochronologisch tussen 1276 en 1296 is te dateren, maar waar de planken boven op de hanenbalken bewaard bleven. Verder
bevindt zich boven het schip en dwatsschip van de Janskerk te Utrecht een zeer vergelijkbare kapconstructie, gebouwd omstreeks 1280, en waar "de gaten kunnen gediend hebben om een rib midden over de gespannen te bevestigen... voordat het dakbeschot en de gewelfbeschieting waren aangebracht. Zo konden de vele tientallen gespannen overeind blijven staan" (29). Het lijkt er dus op dat hiet geen sprake is van een klassieke hanenbalkfliering, maar eerder van een tijdelijke langsverbinding die na het voltooien van de dakkap al dan niet behouden kon blijven. In de kapconstructie zijn duidelijk twee bouwfazen te onderscheiden. In het waarschijnlijk iets oudere maar onvolledig bewaard gebleven zuidelijk gedeelte ligt de binnenste muutplaat gedeeltelijk op zandstenen consoles en verloopt de nummering van de vier gespannen van noord naar zuid (30). In het noordelijk gedeelte zijn beide muurplaten op de muur gelegd en zijn de telmerken op vijftien gespannen van zuid naar noord aangebracht (31). Bovendien is in dit gedeelte de onderlinge afstand tussen de sporenparen iets kleiner dan in het zuidelijk gedeelte (32). Typerend voor 13 e -eeuwse constructies is dat de trekbalken zijn meegenomen in de nummering van de sporen, en dus geen eigen nummering hebben gekregen. De oostelijke reeks gespannen stemt overeen met het deel dat zich boven de sacristie bevindt. Tussen het vijftiende gespan van deze reeks en de zuidmuur van de kerk, boven de gang tussen de sacristie en de ketk, zijn drie ongenummerde gespannen. Men mag veronderstellen dat zij als laatste werden geplaatst, na de voltooiing van de zijbeuk en de luchtbogen. O m deze enkelvoudige sporenkap met dubbele muurplaat te dateren werden vijf monsters uit de sporen geboord. De dendrochronologische analyse leidde tot een nauwkeurige datering: de eiken werden tussen 1253 en 1263 geveld (33). Dat wil zeggen dat de bouw van de oostvleugel van het kloostercomplex en die van het koor (1251-1261 en 1260-1265) ongeveer gelijktijdig verliepen.
DE OOSTVLEUGEL VAN HET PREDIKHERENKLOOSTER IN VERGELIJKEND PERSPECTIEF In de oostvleugel van een middeleeuws mannenklooster of-abdij bevinden de sacristie en de kapittelzaal zich altijd op het gelijkvloers en de slaapzaal of kamers op de verdieping (34). Een doorgang,
Oostvleugel van het domimkanenklooster in Gent, thans bekend als de Leievleugel van het Pand ( © THOC, maart 2002)
een trap, latrines en andere minder systematisch identificeerbare zalen maken meestal deel uit van het gebouw. Alle vertrekken zijn bereikbaar vanuit de pandgang die tegen het gebouw aanleunt. In sommige gevallen is de oostvleugel bijzonder lang en vindt de eetzaal of refectorium er ook een onderdak. In tegenstelling tot de kloosters van de andere stedelijke orden in de Nederlanden zijn nog heel wat delen van middeleeuwse oostvleugels van dominicanenkloosters bewaard gebleven (35). De meest complete en best bestudeerde gehelen zijn het Pand in Gent (36) en de Jacobijnen in Haarlem (37). De oostvleugels van de Jacobijnen in Brugge, het Predikherenklooster in Zutphen en het Broerenklooster in Zwolle zijn ingrijpend verbouwd, terwijl van de oostvleugel naast de Kloosterkerk in Den Haag slechts enkele muurresten overblijven. De ruïne van het tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerde Broederenklooster in Nijmegen werd in 1951 opgeruimd, maar is gedocumenteerd. De laatmiddeleeuwse oostvleugel van het Dominicanenklooster naast de Sint-Pauluskerk in Antwerpen werd door een brand in 1968 zwaar beschadigd. Voor enkele verdwenen predikherenkloosters is oud iconografisch materiaal bruikbaar (38).
• Gewelven van de sacristie van de dommicanenkerk in Antwerpen, thans Smt-Pauluskerk ( © THOC, september 2002)
In abdijkerken met een dwarsbeuk kan de zogenoemde nachttrap die het dormitorium met het koor verbindt zich in de transeptarm ontwikkelen. Aangezien de kerken van de dominicanen meestal geen dwarsbeuk hadden, moest een andere oplossing gevonden worden. Soms neemt de trap de eerste travee tussen de kerk en de sacristie in beslag, zoals in Leuven (39). Een eigenschap van de dominicanenkerken was de aanwezigheid van een "klein koor" of chorino, aanpalend aan en gelijkvloers met het dormitorium. In deze kleine koren zullen banken en een altaar hebben gestaan. Als de kloostergemeenschap onderbezet was, kon zij voor het officie geen gebruik maken van het liturgische koor in de kerk en gebruikte dan het kleine koor. Vanwege de ligging op de verdieping zal dit kleine koor ook zijn gebruikt voor nachtgetijde. Niet overal komt men kleine koren tegen (40). Duidelijk bezat het Leuvense klooster niets gelijkaardigs, waarschijnlijk omdat een klooster met een studium generale nooit onderbemand was. Daarentegen zijn in Leuven wel twee venstertjes op de verdieping aanwezig, waardoor men zicht had op het koor en altaar. Waarschijnlijk waren achter die vensters kleine bidvertrekken voor privé-devotie (41). Met haar vierkante plattegrond en een centrale zuil lijkt de Leuvense sacristie op die van de dominica-
nenkloosters in Brugge en Antwerpen. Ze hebben dezelfde opzet en afmetingen (42). De laatgotische sacristie van de Sint-Pauluskerk in Antwerpen is ook vierkant met een centrale zuil en kruisribgewelven. Ze maakt deel uit van de bouw van de nieuwe kerk en van het klooster die in 1517 aangevangen werd en is dus veel jonger is dan de Leuvense sacristie. In Brugge wordt de sacristie verkeerdelijk als de "kapittelzaal" beschouwd. De reden hiervoor is dat de verder gelegen middeleeuwse kapittelzaal tijdens de beeldenstorm vernield werd, en dat de sacristie vanaf dat moment als kapittelzaal gebruikt werd (43). De middenzuil in Doornikse kalksteen steunt op een typisch 13 c -eeuwse basis met hoekklauwen, maar het oorspronkelijke kapiteel werd weggehakt toen in de late 15 e of vroege 16 c eeuw nieuwe kruisribgewelven werden aangebracht. De figuratieve kraagstenen dateren uit die periode. Bouwhistorische steekproeven hebben geen polychromie op de muren aan het licht gebracht (44). De huidige toestand van de sacristie van het Gentse predikherenklooster vertoont ook sporen ven verschillende bouwfasen (45). Ze heeft een trapeziumvormige plattegrond en is met twee kruisribgewelven overkluisd. De kraagstenen dateren uit het midden van de 13 c eeuw maar nieuwe gewelven werden in het laatste kwart van de 14 c eeuw aangebracht om de sacristie te verhogen. De
Leuvense stadssilhouet vanuit de dakruiter van de predikherenkerk (foto 0. Pauwels, 2001)
fraaie laatgotische gewelfschilderingen die enkele jaren geleden werden blootgelegd en gerestaureerd dateren uit de 15 e eeuw. De sacristie van het klooster in Haarlem is ook een eenbeukige zaal die met drie gewelven is overkluisd. In Haarlem en Brugge, net als in Leuven, vormt de travee na de sacristie een dwarsgelegen gang die het kloosterhof verbond met de gebouwen ten oosten van de oostvleugel. Pas dan volgt de kapittelzaal die altijd veel groter is dan de sacristie en centraal staat ten opzichte van het kloosterpand. Ongetwijfeld is de mooiste kapittelzaal van dominicanen in de Nederlanden die van het Pand in Gent uit het laatste kwart van de 14 c eeuw. De drie traveeën zijn ruim geopend op de pandgang en zijn overkluisd met zes kruisribgewelven die door twee noord-zuid gerichte samengestelde geprofileerde kolommen gedragen worden. Aan de oostkant waren twee grote spitsboogvensters aan weerskanten van een kleine rechthoekige uitgebouwde kapel. De andere bewaarde kapittelzaal is die van het Haarlemse klooster. Deze uit de bouwcampagne van i 4 8 6 daterende kapittelzaal is twee traveeën breed, maar is drie vakken diep zodat de zes kruisgewelven op twee oost-west gerichte zuilen vallen. Dit opzet is minder gebruikelijk maar is te verklaren door het gebrek aan plaats om de zaal in de breedte te ontwikkelen. Gezien haar vermoedelijke vorm en afmetingen blijkt de Leuvense
kapittelzaal conform te zijn geweest met de traditionele plattegrond, zoals in Gent. Het Leuvense dormitorium en zijn gave kapconstructie zijn heel uitzonderlijk. Ondanks een complexe bouwgeschiedenis biedt de oostvleugel van het Pand in Gent de mooiste vergelijking. O p de verdieping zijn niet minder dan 28 grotendeels gerestaureerde spitsboogvenstertjes aan beide kanten aanwezig. In andere gevallen zijn delen van dichtgemetselde vensters nog zichtbaar (46). De vensters van de infirmerie in de cisterciënzerabdij van Villeis zijn van hetzelfde type als die van het dormitorium in Leuven, met een houten tussenlatei, een beglaasde spitsboog en twee binnenluiken (47). In de 13 e eeuw waren kloosterslaapzalen en -infirmerieën doorgaans met een houten tongewelf overkluisd en verlicht met spitsboogvenstertjes, maar meestal werden ze in de loop der eeuwen in kamers en verdiepingen ingedeeld. In tegenstelling tot de cisterciënzers die tot in de 14 e eeuw in gemeenschappelijke dormitoria moesten slapen, hadden dominicanen vanaf het begin van de 13 ^ eeuw recht op meer privacy. Die maatregel was bedoeld om de studie en het intellectuele leven te bevorderen. Het gaat hier niet om individuele kamers, maar om alkoven die afgesloten waren met een deur (48). Meestal hadden deze kleine cellen (4,5 a 5 m 2 ) geen
plafond en waren dus open op de kap. Men moet
de geschiedenis van Gent in de 16 c eeuw. DE JONGHE B.,
zich dus het Leuvense dormitorium voorstellen met
Belgium dominicanum sive historia provinciae Germaniae Inferioris
een centrale gang en aan beide kanten rijen deuren
sacri ordinisff.praedicatorum..., Btussel, 1719. Over het Leu-
van de cellen. Deze waren klein en elk verlicht door
vense klooster: p. 126-159 (130-136). Ovet het werk van De
één spitsboogvenstertje. Waarschijnlijk waren som-
Jonghe: BOGAERTS A.M., Historische beschryvinghe der cloosters
mige cellen groter, o.m. die van de prior of van de
van het Order van den H. Dominicus, geschreven in 'tjaer 1715
meesters. In Gent is de kapconstructie van de
door pater Bernardus de Jonghe, Predikheer (Bouwstoffen voor de
oostvleugel in de jaren 1368-1369 te dateren. Oor-
geschiedenis der Dominikanen in de Nederlanden, 1), Brussel:
spronkelijk een ziende kap, werd zij aan het oog
Dominicaans archief. 1965.
onttrokken bij de herinrichting van het dormito-
(3) Zie hierover het inleidende hoofdstuk in deze aflevering van
rium in 1682-1684, toen 33 nieuwe slaap- en stu-
M&L. Over de aangroei van het kloostererf van de predikheren
deercellen werden gebouwd (49). Voor was Leuven
te Leuven: SPAEY E, Het "Godshuis der predikheren binnen
betreft is enkel geweten dat prior Jordanus Preingué de oude slaapzalen in 1751 deed afbreken en door
Leuven". Leuven, 1961, p. 49-60. (4) Belangrijke overstromingen in 1464, 1500, 1571, 1572, 1573.
nieuwe verving. Het gaat hier waarschijnlijk o m de
1657, 1716 en 1789. Zie o.m.: DE JONGHE B., fi^/Km^m;-
vernieuwing van de cellen van de verschillende dor-
nicanum..., Brussel. 1719. p. 141-142: De inundationibus aqua-
mitoria die in 1745 en 1748 door de Franse troepen als militair hospitaal gebruikt werden. Deze beknopte informatie hebben we te danken aan de biografie van de prior, die tijdens een werfbezoek een zware kou vatte en enkele weken later ervan stierf (50). Omwille van het studium generale wzrtn er in Leuven meerdere dormitoria voor de gemeenschap, de filosofie- en theologiestudenten (51). In de Nieuwe Tijd had de prior een eigen appartement, terwijl de filosofie- en theologiemeesters aparte vertrekken bezaten.
rum Lovanii. (5) Stadsarchief Leuven: Atlas Cadastral Parcellaire du Territoire de la Villede Louvain...,Terminé sur Ie Terrain en 1818, Dessinéen 1825. ... Levée par Mr. Bastendorff, Sablon, Van Cazeele, Boonaerts et Haccart, Géomètres de 1" Classe en 1813, f 28 : sectie D, blad 1. (6) Het huis O.-L.-Vrouwstraat 23, dat tegen de zuidelijke zijbeuk van de kerk leunde en een van de weinig overblijvende kloostergebouwen was, werd in 1938 afgebroken; in 1964, kreeg de Belgische Boerenbond de toelating van de stad om de twee woningen aan de Sint-Annastraat 25-27 te slopen; ROORYCK M.. De geschiedenis van de kerk van O.-L. Vrouw-ter-Predikheren te Leuven vanafde 15 eeuw tot vandaag, in Mededelingen van de Geschieden Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 21, 1981,
Thomas Coomans is architectuur- en houwhistoricus, en doceert de vakgebieden
Architectuur-
geschiedenis en Monumentenzorg
aan de Vrije
Universiteit Brussel, Vakgroep Kunstwetenschap-
p. 192-193 en 202. (7) Circa 1500, thans bewaard in het Stedelijk Museum te Leuven. Zie: Aspecten van de laatgotiek in Brabant (tent. cat.). Leuven: Stedelijk Museum, 1971, p. 222-223, nr LS/16. De schildering werd hier in een profane context geduid; rechtzetting in BERG-
pen en Archeologie.
MANS A.. Mittelalterliche Wandmalereien in Leuven, in Kunst & Dirk van Eenhooge is archeoloog en erfgoed-
Region. Architektur und Kunst im Mittelalter. Beitrdge einer For-
consulent bij AROHM,
schungsgruppe I Art & Region. Architecture and Art in the Middle
Cel Monumenten
en
Landschappen West- Vlaanderen.
Ages. Contributions of a Research Group (Clavis Kunsthistorische Monografieën, 20), ed. BRAUER U.M., KLINKENBERG E.S. en WESTERMAN J., Utrecht, 2005, p. 236 noot 1. (8) Tekening f 50 van de 17 '-eeuwse Leuvense prentenatlas (Brussel.
EINDNOTEN
KBR, 11.2123). Het gezicht is getekend vanaf het brugje op de
(1)
leidt.
Dijle dat van de Wieringstraat naar het predikherenkloostet Ets op papier: 23.1 x 29,2 cm; titel: CONVENTUS FF. PRAEDICATORLM BEIJGARUM in quo STUDIUM GENERALE LOVANi 1715. Onder de
(9) De bakstenen zuidgevel vertoont muurvlechtingen die bewijzen
cartouche met de opdracht aan prior Hieronymo t'Seraets, staat
dat het huidige neoclacissiserend gebouw verhoogd werd en een
vermeld: F. Bernardus de jonghe Conv : Gand : qui et delineavit in loco. 1715. Onderaan rechts staat de signatuur van de kunstenaar: Harrewyn fecit. Het gaat hier om Jacobus Harrewijn (16601727). die op twee andere etsen in hetzelfde boek de initiaal van zijn voornaam vermeldt. (2) Bernatdus de Jonghe (1676-1749) schteef verscheidene boeken over de geschiedenis van de dominicanen in de Lage Landen en
oudere structuur heeft. (10) Zie in dit themanummer van M&L: COOMANSTh. en BERGMANS A., Van hertogelijke grafkapel tot studium generale: de Onze-Lieve- Vrouw-ter-Predikherenkerk in Leuven. (11) Deze ingang en het "Drinkwater" zijn mooi afgebeeld op de tekening in de 17 e-eeuwse Leuvense prentenatlas. Brussel. KBR. 11.2123, f48.
gebouwd in de 13 c eeuw en tot op heden onbeschoten in de
(12) Linksonder op de ets is duidelijk een beugeibaan afgebeeld. Het
abdij van Clunv.
beugelen is een oude volkssport die op biljart lijkt. Met behulp van een slaghout moeten de spelers zware houten bollen door een
(30) De vier zuidelijke gespannen van de kap dragen gesneden telmer-
ronde beugel op baan doen rollen en op de zijwanden van de baan
ken aan de oostkant, van oost naar west: I, II, III, UIL Er blijken
doen kaatsen. In het boek van PLEMPIUS V.P., De togatorum
geen telmerken noch richtingstekens aan de westkant van het dak
valetudine tuenda commentatio [studie over de gezondheidszorg
te zijn.
voor professoren], Leuven, 1670, werden naast het maliespel ook
(31) De vijftien gespannen dtagen gesneden telmerken aan de oost-
het kaats-, bol-, en beugelspel gepromoot. Zie: RENSON en
kant, van west naat oost: I, II, III, IIII, V, IV, IIV, IIIV, IIIIV, X,
DELHEYE P., Universiteit, gezondheid en sport, in LeuvenlLou-
[IX, beschadigd door een schouw],[IIX, idem], IIIX, IIIIX, VX.
vain-k-Neuve. Kennis maken, red. ROEGIERS J. en VANDE-
Er blijken geen telmerken noch richtingstekens aan de westkant
V1VERE L, Leuven, 2001, p. 175-183 (at. p. 175-176).
van het dak te zijn.
(13) Op de ets is maar één boom afgebeeld: in het midden van het
(32) De afstand tussen de gespannen is 49/50 cm (noordkant) en 61 cm (zuidkant); de balken van de spoten zijn 15 cm (zuidkant) en
binnenplein.
13,5/14 cm (noordkant) dik.
(14) In augustus 1960 verstevigd omdat het geleidelijk aan meer en meer naar binnen verzakte en gevaar vertoonde voor instorting:
(33) HOUBRECHTS D. en EECKHOUT J., Analyse dendrochrono-
ROORYCK M., De geschiedenis van de kerk van O.-L. Vrouw-ter-
logique de iéglise des DominicainsiïLeuven, onuitgegeven verslag.
Predikheren te Leuven vanafde 15 ' eeuw tot vandaag, in Medede-
Luik, Laboratoire de dendrochronologie de l'Université de Liège,
lingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en 23 juni 2000. omgeving, 21, 1981,p.200.
(34) De kapittelzaal komt voor het eerst in de 9 c eeuw in abdijen te
(15) Zelfde type stucgewelven als b.v. in de kloostergang van het
voorschijn en is vanaf circa 1000 een verplichte onderdeel van
abdissenhuis van Maagdendale in Oudenaarde (1663-1664) en
alle kloosters en abdijen. De kapittelrituelen werden in die tijd vastgelegd.
de pandgangen van de Bijlokeabdij in Gent (1662). (16) Vandaag draagt dit huis het nummer 2 in de Sint-Annastraat.
(35) Zie bibliografie in: COOMANS Th., L'architecture médiévale des
Met dank aan Hugo Cammaer voor zijn belangstelling voor dit
ordres mendiants (Franciscains, Dominicains, Carmes etAugustins)
onderzoek (augustus-september 2004).
en Belgique et aux Pays-Bas, in Belgisch Tijdschrift voor Oudheid-
(17) ROORYCK M., De geschiedenis van de kerk van O.-L. Vrouw-terPredikheren te Leuven vanafde 15' eeuw tot vandaag, in Medede-
kunde en Kunstgeschiedenis, 70, 2001, p. 3-111; COOMANS Th., De middeleeuwse bedelordearchitectuur in Nederland, in Bul-
lingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en letin KNOB, 101/6, 2002, p. 173-200. omgeving, 1\, 1981, p. 188. (18) Deze gevel evenals de buitenmuur van de zuidelijke zijbeuk zijn enkel te bereiken vanuit de tuin van het huis aan de Onze-LieveVrouwstraat 23. (19) Zichtbaar vanuit de tuin van het huis aan de Onze-Lieve-Vrouwstraat 25.
(36) SIMONS W., BRAL G.J., CAUDRON J. en BOCKSTAELEJ., Het Pand. Acht eeuwen geschiedenis van het oude dominicanenklooster te Gent, Tieh, 1991. (37) Thans deel van het stadhuiscomplex (vm. Prinsenhof): CERUTT! W.G.M., Het stadhuis van Haarlem. Hart van de stad, Haarlem, 2001, p. 162-193.
(20) Opgravingen door Dirk Van Eenhooge in 1993 bleven beperkt
(38) In het bijzonder voor de kloosters van 's-Hertogenbosch, Gronin-
tot een kleine sleuf tegen de oostelijke muur. Er werd toen ook
gen, Maastricht en Leeuwarden. Over de oostvleugels van de
muurarcheologisch onderzoek uitgevoerd in de sacristie én het
predikherenkloosters in leper, Brussel, Winsum, Utrecht, Rot-
dormitorium. (21) Afmetingen: 18,5 x 18,5 x 3 cm. (22) Afmetingen: 11,5 x II,5 x 2,5 cm. (23) Baksteenformaat: 26 x 12,5 x 6 cm. (24) Men treft geen baksteen in de 13 ''-eeuwse delen van de kerk, maar wel in die van de 14 ' eeuw (b.v. de scheimuren).
terdam, Westroijen en Luik is weinig bekend. (39) Gave trappartijen zijn in Maastricht en Zutphen bewaard. Die in Leeuwarden en Haarlem zijn duidelijk te herkennen. (40) Mooie voorbeelden in Maastricht, Leeuwarden en Nijmegen (thans verdwenen). (41) In de Broederenkerk in Zutphen zijn ook twee venstertjes en
(25) Afmetingen: 19,5 x 19,5 cm.
kleine vertrekken aan de noordkant van het koor aanwezig. In de
(26) Afmetingen: 13x13 cm.
17 c eeuw gaan de Jezuïeten de praktijk van aanbidding van het
(27) Dit venster is met bakstenen dichtgemetseld en bevindt zich lager
Hl. Sacrament in bidvertrekken rond het koor bevorderen.
dan de andere spitsboogvenstertjes van het dormitorium. (28) Aan de westkant zijn delen van 7 dichtgemetselde vensters be-
(42) Leuven: 8,80 x 8,80 m; Brugge: 8,80 x 8,20 m. (43) M. ÖEWULF, De kerkelijke architectuur van de Domintkanen te
waard; aan de oostkant zijn 2 vensters vanop de straat zichtbaar,
Brugge, in Gentse Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis en de Oudheid-
terwijl 3 vensters (waarvan één de gaafste van de reeks) op de
kunde, 18, 1959-1960, p. 107-157 (p. 124 en 141-142; ill. XI-
eerste verdieping van het haaks aanpalende huis zichtbaar zijn.
XV).
(29) JANSE H., Houten kappen in Nederland 1000-1940 (Bouwtech- (44) Onderzoek uitgevoerd in 2002 door Anne Botte in opdracht van niek in Nederland. 2), Delft, 1989, p. 154-155, aft. 261. De
de Regie van de Gebouwen in het kader van de voorstudie naar
auteur vermeldt eveneens een soortgelijke kap met "stelrib".
herbestemming en restauratie van deze gebouwen.
(45) G.J. BRAL, 15 '-eeuwse gewelfschilderingen in de sacristie van het
(48) W. SCHENKLUHN, Architektur der Bettelorden. Die Baukunst der
oud-dominicanenklooster 'het Pand' te Genu in M&U 13/3, 1994,
Dominikaner
p. 6-25 (10).
p. 233-234; P. VOLTI, Les convents des ordres mendiants et leur environnement a la fin du Moyen Age. Le nord de la France et les
(46) B.v. in Zutphen. Andere vergelijkbare gevallen uit de 13 ^ eeuw
anciens Pays-Bas méridionaux, Parijs, 2003, p. 169-170.
in België zijn o.m. het dormitorium van de abdij van Val-SaintLambert in Seraing (grotendeels uitgebrand), de vensters van de dormitoriumvleugel van de Bijloke in Gent, enkele vensters van de slaapzalen van de lekenbroeders en monniken in Villers. (47) Th. GOOMANS, Villers-en-Brabant. Construction, configuration et signification d'une abbaye cistercienne gothique (Studia et docutnenta, 11), Brussel-Brecht, 2000, p. 437.
und Fransiskaner in Europa, Darmstadt, 2000,
(49)
W. SIMONS, G.J.
BRAL, J. CAUDRON en J. BOCKSTAELE, Het Pand.
Acht eeuwen geschiedenis van het oude dominicanenklooster te Gent, Tielt, 1991, p. 70-71 en 82-83. (50) F. SPAEY, Het "Godshuis der predikheren binnen Leuven', Leuven, 1961, p. 54. (51) Ze zijn vermeld op de ets van dejongheen Hatrewijn uit 1715.
Marjan Buy Ie
EEM UM1EKE 13DE-EEUAA/SE ARCHITECTUURPOLYCHROIVIIE ll\l DE SACRISTIE VAN DE PRED1KHERE1MKERK IN LEUVEN De sacristie van de Predikherenkerk tijdens de behandeling
_
(foto M. Buyle)
De vroege gotiek van de 13^ eeuw wordt in
in de sacristie van de Predikherenkerk in
heel West-Europa gekenmerkt door een typi-
Leuven, waar na sonderingen bleek dat twee
sche afwerking van het
originele polychromielagen verborgen waren
bouwmateriaal:
de archltectuurpolychromle.
Deze wordt
onder niet minder dan 29 monochrome kalk
gekenmerkt door een niet figuratief decoratie-
lagen. Deze bijdrage schetst het verhaal van
systeem, dat zich over het hele interieur uit-
de ontdekking, de vooronderzoeken, het bloot-
strekt. Gekend uit onderzoek en schaarse
leggen en de
resten, is het in de Zuidelijke Nederlanden vrij
ling, uitgevoerd door de conserveringsploeg van
uitzonderlijk zoniet uniek om nog een bijna
de Afdeling Monumenten en Landschappen (1)
volledige beschildering uit de tweede helft van
en gaat op zoek naar vergelijkbare voorbeel-
de 13'le eeuw aan te treffen. Dit was het geval
den in binnen- en buitenlandse
conservatie-restauratiebehande-
monumenten.
w
X
1 1
il IIII r
HOE HET BEGON De Predikherenkerk, die voor een welbepaalde periode door de stad in erfpacht gegeven was aan de toenmalige Stichting Monumenten- en Landschapszorg, werd volledig gerestaureerd naar ontwerp van de cel Architectuur van de afdeling Monumenten en Landschappen (zie kadertekst Walter Slock). De sacristie van deze kerk, die een tijdlang verkeerdelijk als kapittelzaal werd aangeduid, bevindt zich in de bewaarde oostvleugel van het abdijencomplex en is van de kerk gescheiden door een gang. Het vertrek heeft een vierkante plattegrond en bestaat uit twee traveeën, elk overkluisd met twee vierdelige kruisribgewelven. De ribben worden in het midden van de ruimte opgevangen op een centrale zuil, waarvan het kapiteel zwaar beschadigd werd en de basis niet meer zichtbaar door het later ophogen van het vloerniveau. De sacristie beschikte, in tegenstelling tot de kerk zelf met haar fraaie 18 e -eeuwse aankleding, nog over haar volledig oude kalklagenpakket en op talrijke plaatsen waren kleurige fragmenten zichtbaar.
De ervaring leert dat een originele middeleeuwse ^ pleisterlaag zeer vaak drager is van muurschilderin- ^ sa<:ristie na de i j j i r j T' \ i behandeling van de een en daarom werd door de ardelme0 Monumenten 0 arcnilectuur-
en Landschappen een beperkt vooronderzoek be- polychromie steld bij het Koninklijk Instituut voor het Kunst- ('o» 0. Pauwels) patrimonium (2). In het rapport van 1993 vermeldde de onderzoeker dat het blootleggen van deze beschildering, waarbij oorspronkelijk het percentage aan verfverlies problematisch leek, de gemiddelde moeilijkheidsgraad toch niet oversteeg. Elke restauratie houdt een zeker 'verlies' in, hetgeen uiteraard moet afgewogen worden tegen de 'positieve' kanten van de restauratie. De onderzoeker besloot het verslag met een " voorzichtig ja voor het blootleggen". Ondertussen werd in verschillende publicaties belangstelling gewekt voor deze merkwaardige vondst (3). Omdat de schilderingen niet zichtbaar waren en daarom steeds maar verder beschadigd werden door allerlei werkzaamheden (4), werd beslist tot een tweede stap: een verder doorgedreven vooronderzoek ter voorbereiding van de restauratie, uitgevoerd door Linda Van Dijck en Louis Dekoninck T Linkerhelft van de
Linkerhelft van de
noordmuur met
zuidmuur. vóór de
ingangsdeur,
behandeling
vóór de behandeling
(foto LVan Dqd)
(foto LVan Dijck)
Sonderingsproeven
Linda Van Dijck en
op de noordmuur
Louis Dekoninck
tijdens het voor-
(foto L ï a n Dijck)
onderzoek van
drie jaar later (5). Deze resultaten werden neergelegd in een driedelig onderzoeksverslag: tekst, figuren en sonderingen, en tenslotte de opstanden met het schadebeeld en de aanduiding van de steekproeven. Opdracht was om na te gaan in hoeverre de schilderingen over de totaliteit van de ruimte bewaard zijn, in welke toestand ze zich bevonden en welke de mogelijkheden tot restauratie waren, vooral vertaald naar de geschatte arbeidsduur van mogelijke ingrepen.
hun bouw met dit euvel af te rekenen. Tijdens de restauratie van het complex werden muurinjecties uitgevoerd, maar het vochtprobleem werd hierdoor nog niet opgelost. O p de nieuw bepleisterde gedeeltes onder aan de muren zijn opnieuw vochtvlekken en zoutvorming aanwezig. Ook de aanwezigheid van klimplanten op de westmuur is een schadeveroorzakende factor in de vochthuishouding.
Het onderzoek besloot dat het blootleggen en de restauratie kon overwogen worden wegens "de ouderdom, de zeldzaamheid en de grote kunsthistorische waarde van deze 13 '-eeuwse beschildering". Voorafgaandelijk moest uiteraard de bovenliggende ruimte gesaneerd worden, om verdere waterschade door vochtinsijpelingen te vermijden. Het capillair opstijgend vocht was nog een ander probleem. Het waterpeil onder deze constructies ligt enorm hoog (zie bijdrage Thomas Coomans en Dirk van Eenhooge elders in dit nummer). Hierdoor en mede door de enorme dikte van de muren bleken de gangbare droogleggingtechnieken ontoereikend. De kloostergebouwen hadden trouwens van bij
DF CONSERVERING VAN DE BESCHILDERING In 1998 startte de conserveringsploeg van de Afdeling Monumenten en Landschappen met de behandeling. De werken werden beëindigd in 2004. De restauratieopties hielden uiteraard rekening met de resultaten van voornoemde vooronderzoeken. Onder de 29 monochrome kalklagen (6) werden twee opeenvolgende beschilderingen aangetroffen. De oudste laag was slechts zeer fragmentarisch bewaard: een stukje steenimitatie op de noordmuur, de eerste beschildering van de grijze ribben van het eerste gewelf vlakbij de deur, en een restant van een
Detail van de
om de opdeling
uitsparingen in de
van de ruimte
ribben en de
te realiseren
metalen klemmen
(foto L. Van Dijck)
andere voegenimitatie op de dagkant van de ingangsdeur. De tweede beschilderingslaag daarentegen was bijna intact bewaard, en de optie om deze laag bloot te leggen lag voor de hand. In een derde periode werd de beschildering plaatselijk verfraaid met een horizontale decoratieve fries, die uiteraard ook geconserveerd werd. Een bijkomende optie was het behoud van de diverse later aangebrachte elementen: de sporen van gleuven en balkgaten in de middenzuil en in drie van de muren, die wijzen op een latere opdeling van de sacristie. O p welke manier en in welke periode de ruimte werd ingedeeld blijven vooralsnog open vragen. Het vooronderzoek uit 1996 wijst er al op dat deze sleuven met veel zorg zijn uitgevoerd en dat ze geen spoor van bepleistering en beschildering vertonen, zodat ze lijken te behoren tot een oorspronkelijk opzet. De sacristie zou dan vanaf het begin zijn opgedeeld in twee kleine en een grotere ruimte. De afwijkende beschildering van het eerste gewelf met de grijze ribben zou deze stelling kunnen bevestigen. In een later tijdstip zouden de vroegere, wellicht houten schermen vervangen zijn door bakstenen tussenmuren — die thans verdwenen zijn - en toen werden waarschijnlijk ook het kapiteel van de middenzuil en sommige consoles beschadigd en gedeeltelijk weggekapt. Vreemd is wel dat de sleuven in de muren en de middenzuil netjes ophouden een tiental centimeter boven het huidige vloerniveau, dat sinds het ontstaan van het gebouw niet minder dan 1,20 m is opgehoogd. Ook de houten gaten voor de klokkenkoorden werden bewaard, evenals de later vergrote vensters en de 18 e -eeuwse tegels onder een vensterbank aan de straatzij de.
Het opgehoogde vloerniveau moest willens nillens bewaard worden, omdat de vloerverwarming van de kerk en de sacristie in een vorige fase al beslist en uitgevoerd was. Deze ophoging heeft uiteraard consequenties voor de perceptie van de architecturale ruimte en van de schilderingen, met andere woorden de toeschouwer staat nu veel te hoog in de ruimte en dus te dicht bij de gewelven en de beschildering. Het blootleggen en het fixeren waren veruit de moeilijkste en meest tijdrovende operaties van de hele behandeling. O p sommige plaatsen op de binnenmuren ging het nog vrij vlot, maar op de ribben, gewelfvlakken en buitenmuren vorderde het werk uiterst langzaam. O m d a t de verflaag zeer fragiel was door het vrijwel vergaan zijn van het oorspronkelijke bindmiddel, diende elke vrijgekomen cm 2 onmiddellijk gefixeerd te worden. Blootleggen en fixeren gebeurden dus in een onlosmakelijke, gelijktijdig uitgevoerde behandeling. Als fixeermiddel werd gekozen voor een methylhydroxyethylcelluloselijm (tylose M H 300 a 1% in water), dat het matte uitzicht van de verflaag respecteert en voldoende hechting geeft aan de losse afschilferingen
De noordmuur tijdens het bloot-
Het reinigen werd bewust beperkt, omdat een doorgedreven reiniging noch vanuit technisch noch vanuit esthetisch standpunt verantwoord leek. Dikke lagen geïncrusteerd vuil werden met dremelboortjes (kleinste formaat van rolborsteltjes) afgedund. De wortels van de muurbegroeiing langs de tuinzijde, die door de voegen tot in de pleisterlaag waren gedrongen, werden mechanisch zoveel mogelijk verwijderd. Voor de goede conservering van de beschildering in de toekomst zouden deze
Bij de aanvang van onze werkzaamheden waren de onderste gedeeltes van de bepleistering al niet meer aanwezig. Ze werden wellicht verwijderd tijdens het installeren van de sacristiekasten (19 t -20 s t c eeuw?). Deze grote lacunes werden opnieuw bepleisterd met een traditionele kalkmortel tot op dezelfde dikte als het origineel. Gladschuren werd niet gedaan omdat de oorspronkelijke mortellaag ook de grillige contouren van het gediversifieerde bouwmateriaal volgde. De pleisterlaag werd licht aangestreken met de borstel, en na droging geschilderd met een kalkverf die op de werf werd aangemaakt in kleine hoeveelheden en waarvan de tint de gemiddelde kleur van de gele beschildering benaderde. O p plaatsen waar later pleisterwerk aanwezig was door het vergroten van de vensters bijvoorbeeld, werd deze gele kalkverf niet aangebracht, maar gewoon witgekalkt, om visueel het verschil aan te duiden. Na overleg werd beslist om de imitatiesteenschildering niet te reconstrueren op de nieuwe stukken bepleistering onder aan de muren. Deze ontbrekende delen waren namelijk erg groot en de zeggingskracht van de nog aanwezige schildering volstond om deze lacunes te 'compenseren'. Bovendien was er geen 100% zekerheid of de steenimitatieschildering doorliep tot aan het vloerniveau. Dit gedeelte is nu verborgen door de belangrijke vloerophoging en er zijn hierover geen gegevens voorhanden. Mogelijk was het onderste gedeelte anders afgewerkt: wellicht met een gordijnschildering, of met een lage houten lambrisering, met meubilair of met zitbanken? De beschildering van de middenzuil werd ook niet geretoucheerd, wegens te weinig concrete gegevens. De zuil lijkt in een eerste fase beschilderd te zijn met een hardsteenimitatie: donkergrijs met witte voegen. De tweede fase is polychroom: er zijn restanten van geel en rood, maar de tekening kon niet gereconstrueerd worden. Wat betreft het integreren van lacunes, gold voor de schilderingen op de gewelfribben een ander discours. De sterkte en de zin van een architectuurpolychromie ligt in het structureren van de ruimtelijke elementen en het — althans visueel — doorlopen van de motieven. O m d a t het om eenvoudige repetitiemotieven ging en er nog voldoende gegevens aanwezig waren, stelde zich geen probleem van interpretatie (de restauratie eindigt waar de fantasie begint). De lacunes in de schilderlaag werden uitgevoerd in aquarel, een reversibel verfsysteem.
waarbij praktisch geen verfmaterie wordt toegevoegd. De retouches zijn herkenbaar door het gebruik van de tratteggiotechniek, waarbij fijne streepjes de illusie geven dat de motieven doorlopen. Van dichtbij zijn de geretoucheerde delen moeiteloos te traceren.
Ook tot deze oudste periode behoort een ander steenimitatiesysteem, waarvan een klein fragment bewaard is op de dagkant van de deur: een witte ondergrond met dubbel rode voeg, versierd met een rood bolletje. Deze "stenen" zijn heel klein: amper 10 cm hoog. Men kan veronderstellen dat dit voegensysteem doorliep op de muren in de gang.
RFSrHRIIVING VAN DE PniYCHROMIE
Tweede polychromie
Eerste polychromie Restanten van de oudste beschildering zijn nog zichtbaar op de noordmuur van de sacristie. Dit is de binnenmuur die aansluit op de gang tussen de kerk en de oostvleugel. Deze eerste steenimitatie bestond uit bruinachtige okeren stenen met dubbele witte voegen. De ribben waren in deze periode eenvoudig witgekalkt, behalve de ribben van het gewelf aan de deur, die toen al grijs waren, met een zwarte keperachtige schildering er op.
üi
f
i i m—-
n
De thans zichtbare beschildering komt overeen met de tweede beschilderingsfase, die zich stilistisch situeert in de tweede helft van de 13 e eeuw. Deze architectuurpolychromie volgde vrij snel op de eerste, maar de redenen hiervan zijn ons onbekend. Wellicht waren er technische problemen met de hechting van de eerste laag, waarvan maar zeer weinig restanten bewaard zijn. De vlakke muurgedeeltes en de gewelfvelden zijn op gelijkaardige manier afgewerkt: een heldere okerkleurige ondergrond met daarop dubbele witte lijn en een zwarte middenlijn als voegenimitatie. Voor het schilderen van deze steenimitaties werd geen enkel technisch hulpmiddel (passer, lat, sjabloon) gebruikt. Zoals meestal bij dit soort beschildering volgen de geschilderde voegen niet de contouren van de echte voegen. De steenschildering oogt op het eerste gezicht zeer regelmatig, maar na opmeting bleek dat de afmetingen van de 'stenen' variëren tussen 14 a 15 cm
PP^iff
Onder de tweede
schildering met
De steenimitatie op
schildering met gele
brulnokeren stenen
de gewelfvlakken is
stenen en zwartwit-
en dubbele witte
vrij onregelmatig
te omli|ning is
omlijning te zien
plaatselijk de eerste
(foto M Buyle)
Voegenschildermg op de binnenkant van
lijn en rode bolletjes op witte
de deuromlijsting
achtergrond
met dubbele rode
(foto L.Van Dijck)
geschilderd en plaatselijk hernomen (foto 0. Pauwels)
Detail van de gewellschildermgen na behandeling (foto 0. Pauwels)
hoogte en 37 a 39 cm breedte. O p bepaalde stukken is er een opvallende afwijking van de horizontale lijnen, die schuin naar beneden beginnen te lopen. De steenimitatie op de gewelfvlakken is beduidend slechter bewaard dan deze van de muren en lijkt op veel plaatsen gedeeltelijk hernomen. Wellicht lagen vochtproblemen en waterinsijpeling aan de grondslag van deze oude degradatie.
A/I&L
De beschildering van de ribben is opvallend fantasierijk: elk vlak van elke rib heeft haar eigen decoratief motief. Er werd geen gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen, zoals passers of sjablonen, maar alles werd uit de vrije hand geschilderd. Het ganse gamma van de toenmalige beeldentaal, die teruggaat tot de romaanse decoratieve traditie, is aanwezig.
Overblijvende witte stukjes worden met zwart rankwerk ingevuld (foto 0. Pauwels)
Detail van de gewelfschilderingen na behandeling (foto 0. Pauwels)
Er zijn grosso modo twee soorten motieven te onderscheiden: de geometrische en de florale. De eenvoudigste geometrische motieven zijn de ribonderdelen die gewoon zijn afgelijnd met een zwarte of rode lijn. Vervolgens is er de afwisseling van rode en witte 'stenen', al dan niet geaccentueerd met een bijkomend lijntje. Soms zijn deze stenen afgewisseld aan beide zijde van de rib, hetgeen een soort dambordpatroon geeft. Een opvallend motief is de muizetand, uitgevoerd in verschillende kleurencombinaties: zwart en wit, rood en geel, zwart en geel. Ook een zwarte boord met witte stippen komt voor. De motieven waarin drie kleuren gebruikt worden, zijn ingewikkelder: met zwart, wit en rood en al dan niet onderbroken schuine kleurblokjes wordt gevarieerd. Een illusionistische zigzagboord met afwisselend een rood en een rood-geel gestreept vlak ontplooit zich tegen een zwarte achtergrond. Twee andere meer ingewikkelde versieringen maken gebruik van een grafisch uitgewerkt blokje in rood, geel en zwart, afgewisseld met een effen zwart enerzijds en een combinatie van kleine blokjes in wit-rood en geel-rood, ook op een zwarte achtergrond.
Blokjesmotief in de sacristie van de Predikherenkerk (foto H. Buyle)
• Blokjesmotief uit
Leuvense begijnhof-
I'" helft I4 d ' eeuw
kerk Smt-Jan-de-
op het buitenportaal van de
Doper (foto M. Buyle)
Naast deze puur geometrische versieringen zijn er ook florale boorden. Enkele of dubbele twijgen verlopen in golvende vorm, onderbroken door een
M&L
Aquarelkopieèn van de verschillende
J__
motieven (P. Schurmans)
M^H
1
X
'! lilll llïli
^
m I
M&L
•
7l|fc
I
bladmotief afwisselend links en rechts. Deze versiering komt voor in drie variaties: een enkele lijn met een groot blad, een dubbele lijn met een meer plastisch uitgewerkt blad en een dubbele lijn met zwierig getekende bladeren en kleine blaadjes ertussen. Het lijkt alsof het laatstgenoemde motief door een meer ervaren schilder aangebracht werd, en de twee overige versies lijken wat stroevere kopieën van en minder begaafd vakman of schildershulpje. Waar de bogen samenkomen op de consoles, was er soms een reststukje zonder motief. Dat werd met een duidelijke horror vacui opgevuld met enkele takken en blaadjes in rood op witte ondergrond op één plaats en met kleine zwarte rankmotieven op onbeschilderde witte grond op de andere plaatsen. O p de boog tussen beide gewelven aan de straatzijde bevindt zich een blokjesmotief in geel, rood en zwart. Een vergelijkbaar motief werd destijds teruggevonden bij het vooronderzoek van de buitenpolychromie op het noorderportaal van de Leuvense begijnhofkerk. Deze beschildering, die teruggaat tot de 14 e eeuw, werd toen gedocumenteerd en de portaalpolychromie werd volledig gereconstrueerd (7). Het kleurenpalet in de sacristie is beperkt tot zwart en een beperkt gamma van aardekleuren: gele oker, rode oker. Ondanks dit bescheiden palet wordt een grote variatie aan motieven en afwisseling geproduceerd. Deze beschildering dient in hoofdzaak om de architecturale structuur van de muren en gewelven te ondersteunen en te benadrukken: de okerkleurige muurvlakken met een dubbel omlijnde steenimitatie en de deels puur geometrische motieven en deels gestileerde rankwerkschilderingen op de gewelfribben. Het rankwerkmotief komt in drie varianten voor. Het lijkt waarschijnlijk dat er verschillende handen aan het werk waren, omdat de uitwerking soms vrijer en fantasierijker is dan op andere plaatsen die eerder slaafs en vrij rigide één of ander motief nabootsen.
• De ribben zijn beschilderd met een imitatie blauwe
grijze ribben met hun witte voegen moeten hier de illusie geven van een rijkere afwerking, namelijk een imitatie van de kostbare blauwe hardsteen. Deze afwijkende beschildering wijst waarschijnlijk op een specifiek gebruik van deze ruimte vanaf een bepaalde periode die, zoals de inkepingen op de scheibogen doen vermoeden, tot op het niveau van
hardsteen met zwarte lijntjes in een eerste fase en duidelijke witte voegen in de tweede fase
Volledig dichtgekalkte console (foto I Van Di|ck)
Al deze versierde boorden werden tijdens de conservatiebehandeling gekopieerd in aquarel (8) en verzameld in een documentatiemap. Deze oefening had naast haar documentatietaak ook als resultaat dat hieruit bleek dat schijnbaar identieke motieven toch licht verschilden. Het noordwestelijk gewelf, waarlangs men binnenkomt vanuit de kerk en waarin zich de boekennissen bevinden, valt op door een volkomen andere versiering in de vorm van imitatie hardsteen. De
1VI&L
• Dezelfde console na blootlegging en retouchering (foto M. Buyle'
Bloemmotief van de derde fase in rood en groen met zwarte omlijning (foto LVan Mjck)
De consoles werden in een vroegere periode al eens van hun kalklagenpakket verlost, waarbij hun polychromie beschadigd werd. O p sommige consoles zijn nog restanten te vinden van twee boven elkaar liggende beschilderingen. Andere werden geheel of gedeeltelijk weggekapt tijdens het bouwen van bakstenen scheimuren.
Derde polychromie het gewelf afgesloten was van de andere drie overwelfde ruimtes met tussenmuren (hout?). Het zuidwestelijk gewelf werd ook van een afscherming voorzien, die in dit geval maar tot op de hoogte van de consoles kwam. Voor de vier gewelfstenen, uitgewerkt als florale bloemmotieven, is de beschildering aangepast aan de polychromie van de ribben: de veelkleurige ribben komen samen in een polychrome sleutel, de 'hardstenen' ribben komen uit op een grijs met wit geschilderde gewelfsleutel. De ribben worden opgevangen op de centrale zuil in het midden en op muurconsoles aan de buitenzijde, die op hun beurt zeer fantasierijk gekapt werden met motieven uit de planten- en bloemenwereld. Ze zijn naturalistisch uitgewerkt en bijgevolg gemakkelijk te identificeren: klimop, eikenblad, campanula en andere. De oorspronkelijke polychromie ervan is anderzijds verre van naturalistisch en volledig ideëel: rode aarde, gele oker, grijs en zwart, dus zeker niet het realistische natuurlijke kleurenpalet. Zou de kostprijs van de natuurtinten, zoals het dure malachietgroen bijvoorbeeld, hier mede een rol gespeeld hebben?
In deze derde fase werd alleen plaatselijk een gedeelte van de zuidmuur herbepleisterd en geschilderd met een okeren achtergrond met slordige zwarte voegen en een zwart omlijnde decoratieve fries in rode en groene kleuren.
DE GOTISCHE ARCHITECTUURPOLYCHRQMIE Een architectuurpolychromie is een niet-figuratieve totaalbeschildering van een architecturale ruimte, waarbij het bouwmateriaal aan het oog wordt onttrokken en afgewerkt met een pleister- en/of verflaag met een gelijkmatig patroon van imitatievoegen en andere geometrische versieringsmotieven. Aan de grondslag van deze traditie liggen zowel ideële als esthetische motieven: de architectuurschildering unificeert het bouwmateriaal en zijn verwerking en verheft het gebouw naar een hoger plan, waardig om te kunnen functioneren, tenminste in het geval van een gotisch kerkinterieur, als een afspiegeling van het Hemels Jeruzalem. Dieter Kimpel en Robert Suckale, die in hun Gotische Architektur in Frankreich 1130-1270 al in 1985 aandacht vroegen voor de oorspronkelijke verschijningsvorm van de gotische kerkgebouwen, noem-
De architectuurpolychromie op de ribben van de bovenkerk van de San Francescokerk in Assise aquarel van E.VIolIct-le-Duc (Parijs C.R.H.H. inv. nr. 52)
Zelfs burgerlijke
rende voegen-
Masson 92, Ecole
gebouwen, zoals dit
beschildering
nationale supérieure
schrijnwerkersatelier,
(Bourdichon, £tót de
des Beaux-Arts
waren afgewerkt
(asodété.'l'étotde
Paris)
met een egalise-
travoil, miniatuur
den deze polychromie een betonter Architekturdidaktik, een 'nadrukkelijke architectuurdidactiek' (9). Architectuurpolychromie dient dus een dubbel doel: het sublimeren van het bouwmateriaal door het egaliseren en idealiseren van het metselverband en het hoger waarderen van het materiaal om de architecturale ruimte waardig te maken als cultusgebouw. Vermits natuursteen hoger gewaardeerd werd dan de goedkopere baksteen, zal men wel natuursteenimitatieschildering aantreffen op een bakstenen drager maar nooit andersom. In dezelfde gedachtegang zal men bijvoorbeeld in de barok hout gaan beschilderen met een marmerimitatie, maar nooit marmer met een houtimitatie! Glanzende, lumineuze materialen, zoals marmer, albast en ivoor, werden hoog ingeschat en daarom werd hierop slechts een partiële polychromie toegepast, die grote delen van het materiaal zichtbaar liet. Boorden van beelden in deze materialen werden bijvoorbeeld opgehoogd met verguldsel en gezichten werden ingetekend. De gotische architectuurpolychromie bedekt de parementen en de dragende onderdelen van het
gebouw met een gelijkmatig patroon van imitatievoegen. Deze volgen hun eigen logica, die bijna nooit overeenkomt met de echte voegen (10). Soms is de verwerking van het bouwmateriaal vrij ruw en zijn er verschillende steensoorten gebruikt, in andere gevallen is het muurparement spiegelglad en perfect afgewerkt. In het eerste geval zal de pleisterlaag dikker zijn om een min of meer effen oppervlak te bekomen, in het tweede geval zit de architectuurpolychromie op een flinterdun, nauwelijks zichtbaar pleister- of kalklaagje. Het is dus niet zo dat pleister- en verflagen alleen gebruikt werden in het geval van ruw bewerkt of disparaat bouwmateriaal. In de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen werden onder de muurschildering met de Kruisdraging (11), achteraan in de kerk, kleine fragmenten teruggevonden van de oorspronkelijke afwerkingslaag. Deze resten bestonden uit een extreem dunne pleisterlaag in dezelfde kleur als de natuursteen. De fragmenten waren echter te klein om te kunnen onderzoeken of hier ook een steenimitatie aanwezig was. O p plaatsen waar het parement minder perfect was afgewerkt, bijvoorbeeld op baksteenparementen, was de pleisterlaag in de Antwerpse kathedraal beduidend dikker, om de oneffenheden te egaliseren. In het concrete geval
van de sacristie van de Predikherenkerk ging het over muurparement met vrij disparaat bouwmateriaal kalksteen, ijzerzandsteen, baksteen. De bepleistering hier is op sommige plaatsen vrij dik. Veel van dit soort niet figuratieve beschildering ging in de loop van de geschiedenis verloren. Toen
men bij de vroegste ontdekkingen tijdens kerkrestauraties vanaf de tweede helft van de 19 eeuw schilderingen ontdekte, werden vaak alleen de figuratieve ensembles bewaard, voor zover men daarvoor toen de restauratietechnische kennis bezat (12). O m die reden werd overigens vaak geoordeeld dat de toestand van de schilderingen geen restaura-
• Aquarel van C. Tulpinck met de thans verdwenen
Ifc^r*^ \ I / ^ d i r ^
architectuurpolychromic in de kerk van Lissewege, bewaard in de Koninklijke Musea voor schone kunsten in Brussel
_ i
•*•"-
-IK-
-'fi
••^_
. Mff
i r * 'ir * ir => ir~^i —»JEI
rit,
»lt,«
.,.fy-
ffi?
tie meer toeliet en werden ze na documentatie op calques, aquarellen of tekeningen of beschrijvingen in publicaties, gewoon overschilderd, al dan niet naar oorspronkelijk model. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de Brusselse Onze-Lieve-Vrouw ten Zavelkerk (13) of in de Sint-Lambertuskerk van Neeroeteren (14).
Voormalige cisterciênzerabdij van ïillers, restanten van architectuurpoychromie van circa 1280 in de kerk (foto T. Coomans)
Toch waren sommige 'verlichte' geesten al vroeg in deze abstracte architectuurpolychromie geïnteresseerd. Zo aquarelleert Eugène Viollet-le-Duc tijdens zijn Italiëteis in 1836-1837 ijverig de architectuurpolychromie van ribben en pilasters in de bovenkerk van San Francesco in Assisi (15). Zijn Dictionnaire d'architecturektnde een ruime belangstelling en verspreiding in de 19 c eeuw (16). O o k hier ten lande kopieert de Brugse schilder en archeoloog Camille Tulpinck, in opdracht van de Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, de toen zichtbare muurschilderingen van België, en had hierbij ook reeds aandacht voor de puur geometrische vormen van architectuurpolychromie (17). De aanzet tot wetenschappelijk onderzoek van de architectuurpolychromie kwam in 1977 vanuit Duitse hoek. Het artikel van Jürgen Michler, Uber die Farbfassung bochgotischer Sakralraume (18), zette de toon voor een gespecialiseerde aandacht voor het onderwerp. Deze onderzoeker toonde aan dat de hooggotische kathedralen zoals Amiens en Chartres (19) van boven tot onder beschilderd waren met een totaalpolychromie, die zich vanuit Frankrijk over heel West-Europa verspreidde. Pas na 1300 zou de figuratieve muurschilderkunst opnieuw haar plaats opeisen in het kerkinterieur. Dank zij de vernieuwde aandacht voor muurafwerking, en ook voor de 'eenvoudige' architectuurpolychromieën, werden er de laatste decennia hoopvolle vondsten gedaan, die gedocumenteerd werden en zo mogelijk bewaard. Soms waren dit toevallige vondsten op bijvoorbeeld lang dichtgemetselde vensters, niet meer zichtbare muren of door latere verbouwingen verborgen onderdelen. Ook in secundaire vertrekken, zoals we deze predikherensacristie een beetje oneerbiedig kunnen noemen, is er vaak nog origineel pleisterwerk te vinden, dat vaak beschilderd is. Dit soort vertrekken werd niet zo vaak herschilderd, geactualiseerd of gewijzigd als de kerkgebouwen zelf, die meestal in de vorige twee eeuwen grondig werden gerestaureerd. In studies, die de restauraties van kerkelijke en burgerlijke interieurs voorafgaan, wordt thans veel
aandacht besteed aan dit onderdeel van de monumentenzorg: het onderzoeken van de originele en latere afwerkingslagen van historische interieurs. O p recente congressen en in publicaties heeft de architectuurpolychromie thans haar terechte plaats veroverd (20). Onderzoekers en restaurateurs hebben meer en meer aandacht voor dit soort muurafwerking en de restauratiepraktijk evolueerde eveneens in deze richting. Gedocumenteerde en al dan bewaarde getuigen van architectuurpolychromieën op het Belgisch grondgebied werden door Anna Bergmans in een systematische inventaris (21). We beperken ons dan ook tot de vermelding van enkele gelijkaardige of recente vondsten van architectuurpolychromie. In de begijnhofkerk Sint-Jan-de-Doper in Leuven zijn tijdens de restauratie van het gebouw in de tachtiger jaren helder witte voegen op een lichtgrijze pleisterlaag aangetroffen in de kerk en de sacristie (22). Thomas Coomans signaleerde in diverse publicaties de aanwezigheid van steenimitatieschilderingen in 13 e -eeuwse cisrerciënzerarchitectuur, zoals in de kapittelzaal van de voormalige abdij van Val-SaintLambert, met fragmenten van een dunne bruinoke-
Slnt-Niklaas- en
chromic in de toren
Idem; detail ïan de
grond
Laurennuskerk in
van circa 1300
boog met dubbele
(foto P. Schurmans)
Aaigen (Erpe-Here):
(foto P. Schurmans)
rode voegen op
architectuurpoly-
witte kalkonder-
•
IVI&L
Idem: de stenen
Idem; detail van de
wit met rode stenen
zijn ongeveer
console en de
op de boog
12 cm hoog
profielen met rode
(foto P Schurmans)
(foto P. Schurmans)
beschildering en de
Detail van de rode voegenschilderlng In het Landshuls van Veurne (foto C. Hetdepennmghen)
A Zolder van het
rode voegen-
Landshuis van de
schildering
kasselrij Veurne uit
(foto C. Metdepen-
de 13''' eeuw met
nmghen)
ren pleisterlaag met dubbele witte voegen (23) uit de eerste helft van de 13 c eeuw en in de voormalige abdijkerk van Villers met twee opeenvolgende arch itectuurpolychromieën met steenimitatie uit respectievelijk de eerste en de tweede helft van de 13 e eeuw (24). Deze laatste vertoont grote overeenkomst met deze van de Predikherenkerk: een okeren grond met dubbele witte voegen en een rode tussenstreep (in Leuven is de tussenstreep zwart). Als we mogen betrouwen op de nauwkeurige tekeningen die architect Charles Licot op het einde van de 19 e eeuw van het abdijcomplex maakte, was er trouwens een gelijkaardige muurafwerking aanwezig in het refectorium van Villers (25). In de Sint-Niklaas- en Laurentiuskerk van Aaigem (Erpe-Mere), die nog een vroeggotische toren van circa 1300 bewaart, werd onlangs door de conserveringsploeg een bijna intacte voegenimitatie blootgelegd: een regelmatige dubbele rode voeg op helder witte kalkondergrond. De stenen zijn ongeveer 12 cm hoog en de lijnen zijn onregelmatig van dikte, maar vrij recht geschilderd. Wellicht werd voor de horizontale lijnen een lat gebruikt. De verticale
daarentegen zijn duidelijk uit de losse hand geschilderd. De rode kleur (rode aarde?) werd ook gebruikt om de muurconsoles met gestileerde bladmotieven op te hogen, evenals de profiellijsten daarboven. In de binnenkant van de boog zijn afwisselend witte en rode 'natuurstenen' geschilderd (26). Tijdens restauratiewerken aan de reftervleugel van de Sint-Pietersabdij in Gent werden bij het uitbreken van de vloeren van de zestiger jaren interessante vondsten gedaan: beschilderde middenmuur, scheibogen en vensternissen van een grote zaalruimte. O p een geelwitte ondergrond zijn vrij lange stenen -32 op 9 cm- geschilderd in een bruinrode kleur. Een fries met floraal motief en een boord met afgeronde motiefjes verlevendigen het strakke systeem. Een datering in de 13 c of begin 14 e eeuw wordt vooropgesteld (27). Een vooronderzoek door de Afdeling Monumenten en Landschappen in het Landshuis of het gebouw van de kasselrij Veurne leverde vergelijkbare resultaten op. De 13 e -eeuwse zware tussenmuur, die de hoofdvleugel in twee verdeelt, toont sporen van een imitatieschildering met rode voegen op witgekalkte ondergrond. De 'stenen' zijn hier 41 tot 43 cm breed en 12,8 tot 14,5 cm hoog. De onderzoekers wijzen er op dat de 19 c -eeuwse restaurateurs zich wellicht op deze beschildering inspireerden voor de nieuwe aankleding van de bovenzalen, de kapel en inkomhal, waar ze ook een voegenimitatieschildering aanbrachten (28).
1VI&L
A Beschilderde steen
van Tongeren met
uit de opgraving
dubbele rode
onder de Ome-
imitatievoegen
Lieve-Vrouwebaslllek
(foto M. Buyle)
Het lopende vooronderzoek voor de binnenrestauratie van de Brugse Onze-Lieve-Vrouwkerk, uitgevoerd door Johan Grootaers in samenwerking met Lode Declercq, bracht op de vroeg-13 e -eeuwse noordwestelijke partijen een vliesdunne asgrijze kalkmortellaag aan het licht, waarop nog aanzetten zichtbaar zijn van een grijswitte voegenschildering (29). Het zou hier gaan om een afwerkingslaag op het bouwmateriaal van Doornikse kalksteen en de vondsten wijzen op een imitatie van Doorniks kalksteenparement. Tijdens de huidige opgravingscampagne onder de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek in Tongeren werd eveneens op een aantal stenen (uit de gotische periode?) een strakke voegenimitatie met dubbele rode voeg op onbeschilderde witte pleisterlaag gevonden (30). Ook het onderzoek in de Sint-Niklaaskerk van Gent leverde getuigen op van gotische architectuurpolychromie.
grauwschildering ascetisch en dus typisch voor een bedelorde, ware het niet dat exact dezelfde kleurenschema's ook werden teruggevonden in de Franse kathedralen zoals die van Amiens! Hij concludeert op het einde van zijn artikel dat de denkpiste van een typische polychromie voor de bedelordes niet wordt bevestigd door de vondsten en dat de bedelordes zich bij de binnenafwerking van hun gebouwen gewoon aansluiten bij de heersende tradities en stijlkenmerken die voor alle kerken gelden. De grondkleur voor de muurafwerking is trouwens niet altijd grijs, maar ook oker en rood komen vaak voor in kerken van bedelordes, zoals in de voormalige dominicanenkerk van Krems in Oostenrijk (33). In de sacristie van de Leuvense predikherenkerk is uiteraard zwart, wit en grijs aanwezig, maar daarnaast ook veel okergeel en rood. Het witzwarte muizentandmotief, in de kleuren van het habijt en het wapenschild van de dominicanen, is inderdaad prominent aanwezig, maar op een andere rib komt ditzelfde motief voor in andere kleurencombinaties. Uit confrontatie met andere gelijktijdige polychromieën in binnen- en buitenland blijkt dat dit hele gamma aan motieven ook voorkomt in gebouwen die niet tot de bedelordes behoren, en dat dezelfde versieringen en kleurstellingen trouwens ook teruggevonden worden in profane binnenafwerkingen. Voorlopig kunnen we concluderen dat de beschildering van de Leuvense sacristie zich naadloos inpast in een algemeen gebruikt systeem van 13 e -eeuwse interieurbeschildering.
ENKELE VERGELIIKINGFN MET HET BUITENLAND
EEN TYPISCHF ,BFDFLORDEPOLYCHROMIE1 OF EEN ALGEMEEN FENOMEEN?
Dat de beschildering van de sacristie van de Predikherenkerk zich naadloos inpast in een vroeggotische West-Europese traditie, mag blijken uit deze enkele, vrij lukraak gekozen voorbeelden van vergelijkbare systemen van muurafwerking uit het buitenland.
In een artikel van 1990 (31) onderzoekt Jürgen Michler of er zoiets bestaat als een 'bedelordepolychromie'. Dit zou dan een sobere polychromie moeten zijn die vooral gebruik maakt van grauwe kleuren: wit, zwart, grijs. Wit en zwart waren de kleuren van de dominicanenorde. Michler citeert verschillende voorbeelden van grauwschilderingen, zoals de grijze wandvlakken met witte voegen en rode details in de Clarissenkerk van Pfullingen (32). O p het eerste gezicht leek een dergelijke
In Bourgondië werd in 1992 een grondige studie naar muurschilderingen afgerond met een seminarie en de tentoonstelling D'ocre et d'azur. Peintures murales en Bourgogne (34), elf jaar later gevolgd door een nieuw congres met tentoonstelling: Couleur du temps, fragments d'histoire. Deze systematische studies leverden een schat aan gegevens op, waarbij ook veel aandacht werd besteed aan eenvoudige systemen van muurafwerking zoals de voegenschilderingen. Vaak bleek uit sonderingen dat
de oudste (of de oudste twee) voegenschilderingen in een latere periode met figuratieve voorstellingen overschilderd waren. Dat deze situatie problemen geeft bij restauratie en presentatie van de beschildering hoeft geen betoog. Dit was bijvoorbeeld het geval in de Sint-Jan de Doperkapel in Saint-Père/ Villemoison. Het koor van deze kapel is het enige restant van een vroegere vestiging van de Orde van de Ridders van Malta en gaat terug tot 1180. Drie verschillende verflagen volgen er mekaar op: de oudste is een systeem van witte voegen op roze achtergrond, nog terug te vinden in de schuine verwijding van de vensteropening, en gaat terug tot de tijd van de bouw; de tweede, wellicht uit begin 13 eeuw, is een rankenschildering met bloemen in de vensteromlijsting, gecombineerd met dubbele rode voegen; de derde is een steenimitatieschildering met enkele horizontale en dubbele verticale strepen (35). In Normandië zijn niet minder dan 4 8 % van de gevonden muurschilderingen uit de 13 c eeuw steenimitaties (36). Ze zijn meestal rood, vaak met een dubbele lijn, en op een witte achtergrond. Soms zijn de 'stenen' versierd met een centraal bloemmotief, dat men ook terugvindt in gelijktijdige grafschilderingen in Brugge (37). Een steekproef op de bundelpijlers van de majestueuze laat-13 e -eeuwse benedictijnenkerk SaintAntoine- l'Abbaye in de Rhóne-Alpes, een stichting
van 1088 door de monniken van Montmajour, bracht een gevarieerd en fantasierijk systeem van verschillende eenvoudige tot meer gecompliceerde versieringen aan het licht (38). Voor elk in- of uitspringende gedeelte werd een nieuw motief gekozen, hetgeen vergelijkbaar is met de ribbenversieringen in de Predikherensacristie. Ook hier blijkt dat de middeleeuwse ambachtsman weliswaar gebruik maakt van de eenvoudige geometrische basisvormen ais driehoeken, vierkantjes, bollen, kepers, streepjes en andere en hiermee een bijzonder attractief en gevarieerde versiering mee opbouwt. In de voormalige bisschoppelijke zalen van Meaux (Seine-et-Marne) is een 12 c -eeuwse muurafwerking bewaard, die volledig identiek is aan deze van de Leuvense sacristie: een okeren ondergrond met witte voegen en een zwart tussenlijntje (39). In Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland komt voegenbeschildering voor vanaf de 12 e eeuw. In de kathedraal Saint-Pierre van Genève trof men een binnenafwerking aan uit het einde van de 13 c eeuw met witte voegen op een okeren ondergrond. Merkwaardig is dat het oker lichter van kleur wordt naar het koor toe, hetgeen in de cisterciënzerfilosofie wellicht de opgang naar het licht symboliseert. Overigens werd nog in de tweede helft van de 15 e eeuw op de muren een gelijkaardige beschildering aangebracht. In die periode wordt de binnenschildering
T
T Architectuurpoly-
het Bourgondische
Sondering naar de
chromip in de kapel
Villemoison
architectuurpoly-
Rhöne-Alpes
Sint-Jan-de-Doper in
(uit D'ocre et d'azur.
chrome in de kerk
(foto P. Schurmans)
de Samt-Pèrekerk in tenUat., p. 184)
van Saint-Antome-
l'Abbaye in de
dens de werkzaamheden stuitte men op belangrijke restanten van vroeg-14 ^eeuwse muurafwerking. In een vertrek dat wellicht een huiskapel was, al is de figuratie er zowel religieus als profaan (symbolen van de vier seizoenen), schilderde de Siënese schilder Ambrogio Lorenzetti een voegenschildering op de muurvlakken, die veel gelijkenis vertoont met deze van de Predikherenkerk. Eens te meer een bewijs dat deze traditie van afwerkingen en imitatieschilderingen een veralgemeend Europees fenomeen was. Als slot willen we nog even opmerken dat de bestudering van het fenomeen van de middeleeuwse architectuurpolychromie niet los mag worden gezien van het totaalsysteem van interieur- en exterieurpolychromie. Dat gesculpteerde portalen gepolychromeerd waren, is nu wel genoegzaam bekend, al zijn hiervan weinig voorbeelden bewaard: het Driekoningenportaal van de Martinusbasiliek van Halle en het Betlehemportaal van Hoei zijn de gelukkige uitzonderingen. O o k andere architectuuronderdelen zoals baldakijnen en hogels werden gepolychromeerd of partieel met verf of verguldsel opgehoogd. Architectuurpoly-
voegenimltalie en
chromic in het
ribbenversieringen
Casa Corboli in
(foto M. Buyle)
BFSLUITEN
Asciano met
Voorbeeld van een
Cuevas in Sevilla,
bewaarde buiten-
gesticht
polychromie In de
in de I2 d ' eeuw
kartulzerkerk van
(foto M. Buyle)
Santa Maria de las
De sacristie van de Predikherenkerk in Leuven bewaart een nagenoeg volledige 13 e -eeuwse architectuurpolychromie. Naast de zeldzaamheidswaarde, die niet kan onderschat worden, zelfs op Europees niveau, is dit geheel ook historisch en kunsthistorisch een te koesteren monument. Een evolutie van de oorspronkelijke bestemming als kleedruimte voor de priesters tot kleedkamer voor optredende kunstenaars in de tot cultureel centrum herbestemde Predikherenkerk zou zonder al te veel aanpassingen mogelijk moeten zijn. Een respectvol omgaan met de muurbeschildering is hierbij uiteraard een voorwaarde sine qua non. De middeleeuwse schilder heeft hier met eenvoudige middelen (goedkope pigmenten, geen technische hulpmiddelen zoals sjablonen of passers) een gevarieerd en gestructureerd geheel gerealiseerd, waarbij de ruwe bouwmaterialen worden gesublimeerd tot een geïdealiseerd geheel. De bedoeling van de architectuurpolychromie is immers het hoger waarderen van het materiaal en het egaliseren, structureren en idealiseren van het metselwerk. Als kleuren werden hier in de Predikherenkerk uitsluitend eenvoudige pigmenten zoals aardekleuren
gebruikt: oker, rode aarde, grijs en zwart, aangebracht in een matte temperatechniek op reeds droog pleisterwerk. Het verschil tussen het gewelf met de hardsteenimitatie op de ribben en de andere, meer kleurige traveeën, wijst tezamen met de aanwezige bouwsporen (inkepingen in de steen) op een specifieke functie voor dit afgescheiden gedeelte binnen de grotere sacristieruimte. De muurkast, die oorspronkelijk met houten deuren afgesloten werd, werd wellicht als bergruimte voor kostbare boeken gebruikt. De restauratie werd uitgevoerd met respect voor het origineel concept, voor de natuurlijke veroudering (verkleuring van de pigmenten, slijtage, latere ingrepen, lacunes in de bepleistering) en voor de geschiedenis van de ruimte (het vervangen van de gotische ramen door grotere vensters en het toevoegen van tegels als vensterbank). Ook de latere ophoging van de vloer met niet minder dan 1,20 m en de muurinkepingen en talrijke gaten in het gewelf werden zichtbaar behouden. Deze behandeling maakte deel uit van de volledige restauratie van de kerk en haar herbestemming tot culturele ruimte voor de stad Leuven. Wij kunnen allen maar hopen dat ook deze nieuwe functie het respect voor de waarde en de uniciteit van deze beschilderde 13 e -eeuwse ruimte zal bewaren.
Marjan Buyle is thematisch onderzoeker conservatie bij het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed VIOE, en verantwoordelijke voor de conserveringsploeg.
• Spielerei van een middeleeuwse schilder, die zichzelf afbeeldt terwijl hi{ architectuurpolychromie schildert (met geïdentificeerde kaftfoto van R. GATZ, Emjaktousend Maler und Lackierer, Stuttgart. 1994)
M&L
FINDNQTEN
(15) Le voyage dltalie dEugène Viollet-le-Duc (tent.cat.), Parijs, 1980,
(1)
(16) VIOLLET-LE-DUC E., art. Peinture, in Dictionnaire raisonné de
p. 219. De conserveringsploeg (Marjan Buyle, Els Jacobs en Philippe Schurmans) was van 1976 tot 2004 verbonden aan de Afdeling
l'architecture fran^aise du Xie au XVIe siècle, dl. 7, parijs, 1864,
Monumenten en Landschappen en is sinds 2004 ingedeeld bij het
p. 56-109.
Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE). We dan-
(17) De volledige reeks van deze aquarellen wordt bewaard in
ken Edgard Goedleven, toenmalig afdelingshoofd, voor zijn steun
de Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis in Brussel.
om deze werkzaamheden uit te voeren en tot een goed einde te
H. ROUSSEAU, Catalogue des relevés executes par M. C. Tulpinck
brengen. Verder dank ik mijn collega's voor hun opmerkingen en
de peintures murales anciennes décorant divers monuments de la
aanvullingen: Anna Bergmans, Thomas Coomans, Catheline Metdepenninghen, Paul Van den Bremt en Linda Wylleman. (2)
(3)
UherdieFarbfassunghochgotischerSakralrdume,'m
Niet gepubliceerd rapport van Waker Schudel (KIK) van
Wallraf-Richartz-Jahrbuch, 29, 1977, p. 29-64; een synthese van
25.10.1993
al zijn studies over het onderwerp: ID., Grundlagen zurgotischen
BERGMANS A., Leuven, Onze-Lieve-Vrouw-ter-Predikherenkerk,
Wandmalerei, in Jahrbuch der Berliner Museen, 32, 1990, p. 85-
in Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen (M&L Cahier,
136.
2), Brussel, 1994, p. 152-153. Nota: de sacristie wordt in deze
(19) ID., La cathédrale Notre-Dame de Chartres: reconstitution de la
publicatie nog verkeerdelijk als kapittelzaal aangeduid. Later
polychromie onginale de /' intérieur, in Bulletin
bouwhistorisch onderzoek wees uit dat het hier om een sacristie
1989, p. 117-131.
Monumental,
(20) Congressen die focusten op de gekleurde architectuur: o.a. Een
g' n g(4)
Belgique, Brussel, 1926. (18) M1CHLERJ.,
BERGMANS A. en SCHUDEL W., La polychromie de la sacristie
kleurrijk verleden. Het gebruik van kleur, versieringen en materiaal-
de l'église des dominicains a Louvain. Première approche, in DE
imitaties tn historische binnenruimtes in Nederland en elders, Am-
JONGE K. en VAN BALEN K. (ed.), Preparatory Architectural
sterdam 1996; D'ocre et d'azur. Peintures murales en Bourgogne,
Lnvestigation in the Restoration of Historical Buildings. Papers of the
Dijon 1992; La couleur et la pierre, Amiens 2000; Peintures mu-
international updating course held at the Raymond Lemaire Inter-
rales. Quel avenirpour la conservation et la recherche, Toul, 2002;
national Centre for Conservation, Leuven, May 25-]une 1 19%,
Couleur du temps, fragments d'histoire, Dijon 2003. Zie ook:
Leuven, 2002, p. 167-170.
BUYLE IA., De kleurige afwerking van de gotische architectuur, in
(5) VAN DIJCK L. en DEKONINCK L , Leuven. Onze Lieve- Vrouwter-Predikherenkerk. Vooronderzoek naar muurschilderingen in de sacristie (mn gepubliceerd verslag), 1996.
BUYLE M., COOMANS T , ESTHER J. en GENICOT L.F., Gotische architectuur tn Belgié, Tielt, 1997, p. 205-233 (21) BERGMANS A., op.cit. (zie voetnoot 12); ID., La peinture mu-
(6)
Niet overal was het volledige kalklagenpakket bewaard.
rale gothique au Xllle et au XLVe siècle dans le diocese de Liège, in
(7)
BUYLE M., De polychromie van het noorderportaal van de Sint-
VAN DEN BOSSCHE B. (ed.). La cathédrale gothique Saint-
Jan-de-Doperkerk in Leuven, in M&L, jg. 4, nr. 4, 1985, p. 33-
Lambert a Liège. Une église et son contexte (Actes du colloque inter-
34.
national du 16-18 avril 2002), Luik, 2005, p. 157-167.
(8)
De documentatie op aquarellen werd uitgevoerd door Philippe Schurmans.
(9)
BERGMANS A., Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen
K1MPEL D. en SUCKALE R., Die gotische Architektur in Frankreich 1130-1270, München, 1985, p. 17-19.
(10) THIRION J., La polychromie dans les monuments du Moyen-Age, in Architecture et decors peints, Amiens, 1989, p. 54-59. (11) BUYLE M., Een middeleeuws stripverhaal. De conservering van een IT-eeuwse
(22) BERGMANS A., Waardering en onbegrip, in BUYLE M. en
kruisdraging in de Antwerpse kathedraal in M&L,
jg.7,nr. 1, 1988, p. 26-32.
(M&L Cahier ï), Brussel, 1994, p. 45 (met illustratie). (23) COOMANS T , Le batiment des moines de l'ancienne abbaye cistercienne du Val-Saint-Lambert (1233-1234): analyse archéologique et typologique, in DE JONGE K. en VAN BALEN K. (ed.), Preparatory Architectural lnvestigation in the Restoration of Historical Buildings, Leuven, 2002, p. 143-162 (schema met reconstructie fig.9 op p. 151).
(12) Voor de problematiek van de 19 c-eeuwse omgang met middel-
(24) ID., L'ahbaye de Villers-en-Brabant. Construction, configuration et
eeuwse muurschilderingen, zie: BERGMANS A., Middeleeuwse
signification d'une abbaye cistercienne gothique (Studia et Docu-
muurschilderingen in de ly
eeuw. Studie en inventaris van de mid-
mentaXl), Brussel, 2000, p.242-243.
deleeuwse muurschilderingen in Belgische kerken (Kadoc Artes, 2),
(25) Ibidem, p. 387.
Leuven, 1998.
(26) JACOBS E., ongepubliceerd VIOE onderzoeksrapport conserve-
(13) DE BRUYN H., Anciennes et nouvellespeintures murales de l'église Notre-Dame au Sablon a Bruxelles et quelques considerations géné-
ringsploeg, 2004. (27) LALEMAN M. C. en STOOPS G., Vondstmeldingen. Sint-Pie-
rales sur l'art de la peinture murale en Belgique, Gent, 1868.
tersplein, Sint-Pietersabdij, in Stadsarcheologie. Bodem en monu-
(14) VANDENBORRE H., Een restauratie van een restauratie. De
ment in Gent, jg. 19, nr. 2, 1995, p. 33-37. Met dank aan Linda
behandeling van de muur- en gewelfschilderingen in de Sint-Lamhertuskerk van Neeroeteren, in M&L, jg. 17, nr. 2, 1998, p. 4467.
Wylleman voor het signalement. (28) TERMOTE J. en VAN EENHOOGE D., Het Landshuis of het gebouw van de kasselrij Veurne. Nieuwe elementen omtrent de
bouwgeschiedenis, in Archikmnt. Vrienden van het Veurns Archief,
(36) JUHELV., La peinture murale du Xllle au XVIe siècle en Norman-
jg. 9, nr. 1, 1999, p. 22-28. Met dank aan Catheline Metdepen-
die, in La peinture murale de la fin du Moyen Age: enquêtes régio-
ninghen voor het signalement.
nales (Actes du 9i'eme séminaire international, Satnt-Savin,
(29) GROOTAERS J., Vooronderzoek binnenrestauratie Brugge OnzeLieve-Vrouwkerk (ongepubliceerd onderzoek).
10-12
mars 1999), Cahiers 5, Saint-Savin, 2000, p. 80-81. (37) DEVLIEGHER L , Middeleeuwse beschilderde graven, in BUYLE
(30) Met dank aan archeologe Vanessa Van der Ginst. Het onderzoek en de conservatie van de beschildering op deze stenen is nog aan de gang.
M. en BERGMANS A., Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen (M&L Cahier. 2), Brussel, 1994, p. 66-73 (38) Met dank aan Philippe Schurmans
(31) MICHLERJ., Die Domtnikanerkirchezu Konstanz unddie Farbe
(39) ROCHETTE J.C., Les probl'emes de la peau des edifices anciens.
in der Bettelordensarchitektur urn 1300, in Zeitschrtfi für Kumtge-
Mortiers, enduits, badigeons, decors peints, in Architecture et decors
schichte, 3, WO,?.
peints, Amiens, 1989, p. 45-46.
253-276.
(32) ID., Gotische Ausmalungssysteme am Bodensee, in Jahrbuch der
(40) PANCELLA R., HERMANES T. en FURLAN V, Lespolychro-
Staatlichen Kunstsammlungen in Baden-Württemberg, 23, 1986,
mies de la cathédrale Saint-Pierre de Genève, in Chantiers, nr.12,
p. 32-57.
1982, p. 5-11; FURLAN V, HERMANES T. en PANCELLA R.,
(33) ZYKAN J., Die ehem. Dominikanerkirche in Krems undihre ürsp-
Contributo allo studio della policromia di dementi decorativi medi-
rungliche Polychromierung, in Osterreichische Zeitschrift für Kunst
oevali, in Bolletino d'Arte del Ministero per i Beni Culturali e Am-
und Denkmalpflege, 21, 1967, p. 89-99.
bientali, supl. bij nr. 35-36, 1986; HERMANES T , Analyses
(34) D'ocre et d'azur. Peintures murales en Bourgogne(lem.c-u),
Dijon,
1992. (35) CAFF1N M.-G., Saint P'ere, Villemoison, in D'ocre et d'azur. Peintures murales en Bourgogne (teni.czt.), Dijon, 1992, p. 184-185.
visuelles, diagnostic et documentation graphique, in Analyses et conservation d' oeuvres d' art monumentales, Lausanne, 1995, p. 37-49.
SUMIVIARY FROM BURIAL CHURCH OF THE DUKES OF BRABANT TO i i STUDIUM GENERALE: THE LADY CHURCH OF THE DOMINICAN CONVENT AT LOUVAIN The Dominican church of Louvain, one of the finest medieval buildings in the capital of Brabant, is worth to be examined not only for its architectural interest but also for its cultural and historical meaning. It is the oldest gothic building in Louvain and was built in the second half of the thirteenth century as the burial church of Henry III duke of Brabant and his wife duchess Alice of Burgundy. Thanks to the support of the ducal family, the Dominicans (Friar Preachers or Blackfriars) succeeded in building an important urban monastery, in the heart of the city, on the place of the former ducal residence. Like all the important friaries, that of Louvain included a stu-
THE THIRTEENTH-CENTURY EAST RANGE OF THE DOMINICAN FRIARY AT LOUVAIN
dium and a library where the friars studied theology and philosophy. Shortly after the foundation of the university
Because it was settled in a university town, the Dominican
of Louvain (1425), the Dominican convent was incorpo-
friary of Louvain hosted the study centre for the friars of
rated in 1447 in the university and received the status of
the province, called the studium generale. For that reason,
studium generale. Until its suppression in 1796, the friary
the building complex of the Dominicans was more
of Louvain was the main education centre for the Black-
important in Louvain than in other towns of the Low
friars of the Flemish province. In the nineteenth century
Countries. Besides the church and the other traditional
the church became a parish. Today it is desacralised and is
monastic buildings around the cloister, there were specific
used by the city for cultural events such as concerts and
wings for philosophy and theology students and masters,
exhibitions.
as well as a library and gardens. T h e main remains of this
This article relates the foundation and installation process
building complex are the church and the northern bays of
of the Dominicans in Louvain and the two main building
the east range. T h e latter superposes a rich polychrome
phases of the church (around 1251-1276, and first half of
sacristy on the ground floor and a part of the friars' dormi-
the 14' century). T h e architectural concept of the choir,
tory on the upper floor. In a neighbour garden, the loca-
which is a pure gothic shrine, is a reception of the Sainte-
tion of the chapter house could be identified. Thanks to
Chapelle of Paris and has both a funerary and a royal
dendrochronological analysis it was possible to date the
meaning. It was also possible to reconstruct the tomb of
timber of the barrel-vaulted ceiling of the dormitory from
kinship of Henry III (t 1261) and Alice (t 1274) with its
the years 1253-1263, that is to say from the same time as
wall painting in the choir of the church and the stained-
the building works of the apse and the choir of the
glass windows of the remarkable funerary chapel. T h e
church.
article also relates the relations between the university and
This article first reconstructs the outlines of the friary
the friary, the changing and refurbishing of the church in
according to a combination of old iconography, modern
rococo style in the eighteenth century, and the adventures
parcel structure and physical remains. T h e next part
of the church building since the dissolution of the
focuses on the remaining bays of the east range, which
Dominicans in 1796.
were archaeologically analysed during the recent restora-
_J1
IJ'
tion works. Finally, the east range is placed in an architecture historical perspective and compared with other Dominican medieval monastic buildings in the Low Countries.
M&L
stone imitation of white joints with a black line in between on an ochre background, combined with geometrical and floral decoration on the ribs of the three vaults and a grey freestone imitation on the ribs of the fourth vault. T h e choice for the exposure and conservation of the second layer was quite obvious. The sacristy of the Predikheren church will keep its nearly complete preserved 13th century architectural polychromy. T h e value of this rarity cannot be underestimated, even on a European scale, but apart from that this monument should also be cherished because of its historical and artistic value. Changing its original destination as a dressing-room for priests into one for performing artists should be possible with only limited modifications in this church with a new destination as a cultural centre. Respecting the
A UNIQUE 13TH CENTURY ARCHITECTURAL POLYCHROMY IN THE SACRISTY OF THE PREDIKHEREN (Friar Preachers) CHURCH IN LOUVAIN
mural painting is of course a sine qua non in this matter. With only very basic ingredients (cheap pigments, no technical means like stencils or compasses), the mediaeval painter managed to create a varied and structured unity, elevating the raw building materials to an idealized work. T h e goal of architectural polychromy is indeed the refining of the material and the smoothening, structuring and idealization of the masonry.
T h e most typical feature in the finishing of the building
Only cheap pigments like earth colours were used in the
material of the 13th century early Gothic throughout
Predikheren church: ochre, red earth, grey and black,
Western Europe is the architectural polychromy. It is
applied in a matt tempera technique on already dry white-
characterized by a non-figurative decoration of the com-
wash. T h e difference between the vault with the freestone
plete interior. This is knowledge gathered from research
imitation on the ribs and the other, more colourful bays,
and some scarce remnants, it is rather exceptional if not
is, together with preserved building traces (notches in the
unique, to find an almost complete painting in the South-
stones) proof of a specific function for this separate part
ern Netherlands from the second half of the 13th century.
within the larger sacristy. T h e wall closet, originally sealed
This was exactly what was discovered in the sacristy of the
off with wooden doors, was probably used as a storage for
Predikheren church. Following probings it appeared that
precious books.
two original layers of polychromy were hidden under no
T h e restoration was carried out with respect for the origi-
less than 29 monochrome layers of whitewash. This arti-
nal concept, the ageing (discoloration of pigments, wear
cle tells the story of the discovery, the preliminary research,
and tear, alterations, gaps in the plasterwork) and for the
the exposure and the conservation and restoration treatment, carried out by the conservation team of the Monuments & Landscapes division, and tries to find comparable examples on a national as well as an international level.
dows by larger windows and the tiles which were added as window-sills). Also the raising of the floor with no less than 1,20 meters and the notches and numerous holes in the vaults, were kept visible. This treatment is part of the
T h e works started in 1998 to be finished in 2004. It goes
complete restoration of te church and its new destination
without saying that the restoration options took the results
as cultural centre for the city of Louvain. We can only
of the preliminary research into account. Two consecutive
hope that this new function will continue to respect the
paintings were discovered underneath these 29 layers of
value and uniqueness of the painted 13th century walls. T ^ "^ A A ^
whitewash. T h e first layer had only been preserved fragmentarily: it concerned an ochre brown layer with double white joints. T h e finishing layer on the walls was combined with whitewashed ribs without further decoration. The second layer has been preserved almost completely: a
1VI&L
history of the location (the replacement of the gothic win-