Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/143
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/143
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 29 mei 2020 diende xxx een verzoek in bij de gemeente Kampenhout om een afschrift te verlenen van het PV van de hoorzitting van 28 mei 2020 waarbij xxx werd gehoord. Op 4 juni 2020 weigerde de gemeente Kampenhout het gevraagde document. Op 4 juni 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen voormelde beslissing van de gemeente Kampenhout. Dit beroep werd geregistreerd op 8 juni 2020. In toepassing van artikel II.50, ยง1, tweede lid van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, verlengde de beroepsinstantie bij beslissing van 7 juli 2020 haar beslissingstermijn van dertig kalenderdagen tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevochten beslissing van 4 juni 2020 maakt melding van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, ยง1, derde lid van het Bestuursdecreet. Het beroepschrift van 4 juni 2020 is tijdig en ontvankelijk.
www.vlaanderen.be
Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Het oorspronkelijk verzoek
In zijn oorspronkelijk verzoek van 29 mei 2020 vroeg xxx een afschrift van het PV van de hoorzitting van 28 mei 2020 waarbij xxx werd gehoord.
2. Inhoud van de bestreden beslissing Op 4 juni 2020 weigerde de gemeente Kampenhout het gevraagde PV van hoorzitting op grond van artikel II.35, 4° van het Bestuursdecreet aangezien inmiddels verschillende rechtsgedingen aanhangig zijn namelijk een strafrechtelijke procedure door wooninspectie (herstelvordering HV.xxxd.d. 5 november 2019) en een burgerlijke procedure bij het vredegerecht tussen de eigenaar en de huurder. Tevens verwijst de gemeente naar artikel II. 34, 2° van het Bestuursdecreet vermits de openbaarmaking van het proces-verbaal van de hoorzitting op 28 mei 2020 van de bewoonster afbreuk zou doen aan de bescherming van haar persoonlijke levenssfeer.
3. Inhoud van het beroepschrift Volgens xxx houden de weigeringsmotieven van de gemeente Kampenhout geen steek aangezien de beslissing over de herhuisvesting op grond van artikel 17bis van de Vlaamse Wooncode op zichzelf staat en geen uitstaans heeft met de gerechtelijke procedure die door de Vlaamse wooninspectie kan worden geïnitieerd (t.t.z., er is nog geen gerechtelijke procedure, noch strafrechtelijk, noch burgerrechtelijk. Cliënte is niet gedagvaard, ook niet voor de correctionele rechtbank. Er is enkel een PV en een herstelvordering van de wooninspecteur. De bewering dat er een strafprocedure aanhangig zou zijn, is dus onjuist). Het weigeringsmotief ontleend aan artikel II. 34, 2° van het Bestuursdecreet is eveneens onwettig. Bewoonster werd niet gehoord over persoonlijke aangelegenheden, wel over de intentie van de burgemeester om een besluit tot herhuisvesting te nemen ten laste van mijn cliënte. Kortom, het PV van de hoorzitting van 28/5/2020 15u00 waarbij xxx werd gehoord, raakt de rechtstoestand van mijn cliënte en zij heeft derhalve recht op een afschrift hiervan.
4. Toelichting door de gemeente
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/143
pagina 2 van 6
Nadat de beroepsinstantie de gemeente Kampenhout had gecontacteerd, liet zij op 19 juni 2020 weten dat zij haar standpunt in deze zaak handhaaft. Artikel 17bis, § 1 van de Vlaamse Wooncode schrijft geen procedure voor volgens dewelke de burgemeester tot herhuisvesting moet overgaan. In het kader van de motiveringsplicht en om ook rekening te houden met de belangen van de verhuurder en de bewoners moet de burgemeester de hoorplicht uitoefenen. De burgemeester moet de belanghebbenden horen over zijn voornemen om tot herhuisvesting over te gaan en moet hen de mogelijkheid geven hierover hun argumenten te kennen te geven. Dit houdt niet in dat de belanghebbenden tegenspraak moeten kunnen voeren over wat in de verschillende hoorzittingen medegedeeld wordt door de partijen, maar is enkel dienstig voor de herhuisvestingsbeslissing die de burgemeester dient te nemen. De beslissing tot herhuisvesting ligt bij de burgemeester, waarna eventueel een beroep bij de Raad van State ingesteld kan worden. De beroepsindiener vermeldt in zijn beroepschrift niet de aanhangige burgerlijke procedure tussen verhuurder en huurder bij het vredegerecht die op 25 juni 2020 zal behandeld worden. Vanuit dit gegeven blijft volgens de gemeente het oordeel dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding. Het is niet onredelijk dat de inhoud van de hoorzitting van de huurder in deze procedure zou kunnen aangehaald worden.
5. Standpunt van de beroepsinstantie De gemeente steunt haar weigering op artikel II. 35, 4° van het Bestuursdecreet aangezien inmiddels verschillende rechtsgedingen aanhangig zijn. Naar verluidt een door Wooninspectie ingeleide strafrechtelijke procedure en een burgerlijke procedure tussen de eigenaar en de huurder. Op basis van artikel II.35, 4° van het Bestuursdecreet moet een aanvraag tot openbaarmaking worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen. Deze uitzonderingsgrond beoogt het eerlijk verloop van de rechtspleging te vrijwaren. Een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces is het beginsel van de “gelijkheid der wapens in een proces”. Dit beginsel van de wapengelijkheid houdt in dat elke partij het recht heeft haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet benadelen ten opzichte van de tegenpartij. De bestaansreden van voormelde uitzonderingsgrond ligt vooral bij het verhinderen dat de openbaarheid van bestuur waaraan één partij onderworpen is, afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid. Zonder deze uitzonderingsgrond zou één partij op grond van de openbaarheid van bestuur kunnen worden verplicht stukken in het gerechtelijk debat te brengen die tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) zouden kunnen pleiten, daar waar de andere partij enkel die elementen die haar eis ondersteunen, kenbaar mag maken om het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Deze uitzonderingsgrond is een correctief op de openbaarheid om te beletten dat een instantie zou worden verplicht in een rechtsgeding de tegenpartij
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/143
pagina 3 van 6
informatie ter beschikking te stellen die vervolgens tegen haar (of een andere aan openbaarheid onderworpen bestuursinstantie) wordt uitgespeeld. De bedoelde uitzonderingsgrond mag evenwel niet op een abstracte manier worden ingeroepen zodat concreet moet worden aangetoond dat het gevraagde bestuursdocument verband houdt met een bestaand rechtsgeding en tegen een bestuursinstantie kan worden aangewend. In casu heeft de beroepsinstantie de stand van zaken van de procedure betreffende de door Wooninspectie ingestelde herstelvordering opgevraagd op het moment van haar beslissing. Uit een tweede toelichting van de gemeente op 16 juli 2020 blijkt dat in de loop van de beroepsprocedure inzake openbaarheid van bestuur de door Wooninspectie ingeleide procedure werd afgesloten. In het kader van de herstelvordering werd immers op 17 juni 2020 een proces-verbaal van uitvoering opgesteld zodat het dossier werd afgesloten. Gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep dient de aanvraag in beroep volledig opnieuw te worden beoordeeld. De beroepsinstantie moet op basis van de op 16 juli 2020 door de gemeente bijkomend verstrekte informatie vaststellen dat in het kader van de opgestelde herstelvordering het dossier inmiddels werd afgesloten en er dus op dit moment geen strafrechtelijke procedure hangende is. Bovendien blijkt de gemeente geen betrokken partij in de burgerlijke procedure tussen de eigenaar en de huurder zodat de openbaarmaking van het gevraagde PV van de hoorzitting van 28/05/2020 de belangen van de gemeente dan ook niet kan schaden. De beroepsinstantie kan dan ook niet anders dan concluderen dat artikel II.35, 4° van het Bestuursdecreet door de gemeente onterecht werd ingeroepen om een afschrift van het gevraagde PV te weigeren. De beroepsinstantie dient daarnaast de ingeroepen uitzonderingsgrond van artikel II.34.2° van het Bestuursdecreet te onderzoeken. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. In dit dossier vraagt de verhuurder het PV van de hoorzitting van haar huurder op zodat in casu alle betrokken partijen elkaar kennen en er geen derde partijen bij betrokken zijn. De beroepsinstantie heeft kunnen vaststellen dat in het proces-verbaal van de hoorzitting na een korte algemene inleiding waarin de ontstaansgeschiedenis van het dossier wordt beschreven, een opsomming volgt van de uitvoerde werken in de woning alsook van de vastgestelde gebreken en of ze al dan niet werden verholpen. De beroepsinstantie is van oordeel dat deze beschrijvingen betreffende de staat van de woning geen gegevens bevatten die de persoonlijke levenssfeer raken. Daarbij is het vooreerst duidelijk dat het openbaar maken van de betrokken gegevens niet gelijkgesteld kan worden met het openbaar maken van bijvoorbeeld namen, geboortedata, telefoonnummers etc. De beroepsinstantie is van oordeel dat in dit concrete geval het openbaar maken van de betrokken (voormelde) gegevens over de woning op zich geen afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken partijen. Deze conclusie kan de toets aan de vijf niveaus die binnen het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ kunnen worden onderscheiden (SCHRAM, F, “Tussen openbaarheid en privacy”, Brussel, Politeia, 2006, p. 20 en volgende), immers met succes doorstaan.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/143
pagina 4 van 6
Op de eerste plaats wordt geen afbreuk gedaan aan de bescherming van de privacy of het privÊleven in de strikte en klassieke betekenis van het begrip. De identificatie van de gebreken aan een woning betekent niet dat binnengedrongen wordt in het deel van iemands leefwereld dat hij afgeschermd wil houden van de buitenwereld, zoals de persoonlijke of professionele integriteit van de betrokken partijen. Op de tweede plaats worden, door het vrijgeven van de betrokken gegevens, evenmin gegevens openbaar gemaakt die verband houden met, of een aantasting zouden inhouden van, de vrije omgang van de betrokken partijen met de medemens. Dit aspect van de persoonlijke levenssfeer is niet aan de orde, aangezien de betrokken partijen elkaar reeds kennen en een contractuele relatie hebben, zodat de zogenaamde relationele privacy in casu niet wordt geschonden. Op de derde plaats kan, aangezien de betrokken omschrijvingen enkel betrekking hebben op de staat van de woning, de vrijgave van deze gegevens niet worden geacht een inbreuk te vormen op het recht op zelfbeschikking van het individu van de betrokken partijen. Op de vierde plaats is de beroepsinstantie van oordeel dat het vrijgeven van de betrokken gegevens geen afbreuk doet aan de zogenaamde informationele privacy, zijnde het recht dat elk individu heeft om te beschikken over alle gegevens die over hem handelen. In het voorliggende geval wordt met de vrijgave van de betrokken gegevens enkel zakelijke informatie vrijgegeven die ontkoppeld is van de persoonlijke levenssfeer. Het niveau van de informationele privacy is in voorliggend geval niet aan de orde. Op de vijfde plaats stelt de beroepsinstantie vast dat de vrijgave van de betrokken gegevens evenmin afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de mate dat deze begrepen kan worden als deel uitmakend van de virtuele werkelijkheid (elektronisch handelen, geautomatiseerde besluitvorming,‌). Dit niveau van persoonlijke levenssfeer is in casu evenmin aan de orde. Uit het voorgaande onderzoek van de beroepsinstantie volgt dat de vrijgave van het gevraagde PV van de hoorzitting van de huurder op 28/05/2020 geen afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken partijen. Overigens is het niet omdat iets een link kan hebben met de persoonlijke levenssfeer, dat de vrijgave ervan noodzakelijkerwijze afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Vanuit deze overwegingen dient de beroepsinstantie te besluiten dat het beroep als gegrond dient te worden beschouwd. Na beraadslaging,
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/143
pagina 5 van 6
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 4 juni 2020 tegen de beslissing van de gemeente Kampenhout van 4 juni 2020 betreffende het verzoek van 29 mei 2020 wordt als ontvankelijk en gegrond beschouwd. Bijgevolg dient de gemeente Kampenhout aan verzoeker een afschrift te bezorgen van het PV van de hoorzitting van de huurder op 28/05/2020.
Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om het/de gevraagde bestuursdocument(en) te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
Brussel, 17 juli 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, voor de voorzitter, afwezig, An Van Acker Lid van de beroepsinstantie
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/143
pagina 6 van 6