Jaarverslag 2019: In het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg nv en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek inzake ecologische advisering en ecologisch onderzoek Andy Van Kerckvoorde
Auteur: Andy Van Kerckvoorde Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Daniel De Charleroy (INBO) en Jeroen Van Waeyenberge (DVW) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: INBO Brussel Herman Teirlinckgebouw, Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: andy.vankerckvoorde@inbo.be Wijze van citeren: Van Kerckvoorde A.(redactie)(2020). Jaarverslag 2019. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg nv en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek inzake ecologische advisering en ecologisch onderzoek. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (36). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18834486 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (36) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: De Vlaamse Waterweg nv, Havenstraat 44, 3500 Hasselt
© 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
JAARVERSLAG 2019 In het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg nv en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek inzake ecologische advisering en ecologisch onderzoek Andy Van Kerckvoorde (redactie)
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Inhoudstafel 1
Inleiding
7
2
Thema vismigratie
9
2.1
Algemene situering
9
2.2
Sanering vismigratieknelpunten
9
2.2.1
Evaluatie vispassage en waterkrachtturbine Harelbeke (Leie)
9
2.2.2
Evaluatie vispassages Sint-Baafs-Vijve en Menen (Leie)
11
2.2.3
Evaluatie vispassage Kerkhove (Bovenschelde)
13
2.2.4
Evaluatie vismigratie in- en uitlaten KBR en Bergenmeersen
14
2.2.5
Onderzoek vismigratievoorziening Merelbeke (Ringvaart – Bovenschelde)
17
2.2.6
Onderzoek vismigratievoorziening 's Hertogenmolens (Demer)
18
2.2.7 Onderzoek vismigratie overige knelpunten Dender (Idegem, Pollare, Dendermonde, Denderbelle, Denderleeuw) (Dender) 19 2.2.8 Optimalisatie werking nevengeulen door afstemming waterbeheer - Asper en Oudenaarde (Bovenschelde)
21
2.2.9
21
2.3
Studie plastiekvangers
Vismigratie zoet-zout
22
2.3.1 Onderzoek glasaalintrek t.h.v. Heist (Leopoldkanaal (LK) en Afleidingskanaal van de Leie (AKL)) 22 2.3.2 Opvolging beheerprotocol glasaalintrek IJzer, Kanaal Gent-Oostende (KGO) en Heist (zoutintrusie) 24
3
2.4
Ad hoc-opdrachten
26
2.5
Overlegvergaderingen
26
2.6
Deelname aan studiedagen, congressen en cursussen
27
2.7
Adviesverlening
28
2.8
Rapporten en publicaties
28
2.9
Aansluitende en ondersteunende projecten
29
Thema waterweg
30
3.1
Algemene situering
30
3.2
Projectadvies & -monitoring SIGMA-plan
30
3.2.1
Ecologisch inrichtingsadvies Sigmagebieden
30
3.2.2
Case studies GOG-wetlands (KBR – veentranslocatie)
32
3.2.3
Case studies estuarien herstel
33
3.2.4
Case studies dijkvegetaties
33
3.2.5
Bijdrage van de Sigmagebieden aan de vispopulaties in de Zeeschelde
36
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 2 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.3
Beheervoorstellen Zeeschelde - effectgericht klimaat adaptieve maatregelen
38
3.3.1
Opmaak en opvolging slik - en schorrandbeheer
38
3.3.2
Opmaak en opvolging schorbeheerplan
40
3.3.3
Opmaak en opvolging dijkbeheerplannen Afdeling Regio Centraal
40
3.4
Monitoring effecten ontwikkelingsschets Zeeschelde - MONEOS
42
3.4.1
Hogere planten MONEOS
42
3.4.2
Vegetatiekartering MONEOS
44
3.4.3
Hyperbenthos MONEOS
45
3.4.4
Macrozoöbenthos MONEOS
46
3.4.5
Sedimentsamenstelling MONEOS
47
3.4.6
Watervogels MONEOS
49
3.4.7
MONEOS evaluatie en integratie
51
Ondersteuning kennis- en projectgroepen
51
3.5
3.5.1
Ondersteuning projectgroepen Vlaams Nederlandse Scheldecommissie (VNSC)
51
3.5.2
Kennisnetwerk dijken - Zeeschelde
52
3.6
Natuurvriendelijke oeverinrichting in niet-getijgebonden waterwegen
53
3.6.1
Ecologische opvolging, evaluatie en advisering (voor)oeverzones Seine-Schelde
53
3.6.2
Abiotische en biotische kennisopbouw in plasbermen langs waterwegen
54
3.7
Beveronderzoek
3.7.1 3.8
55
Onderzoek naar verplaatsingen en reacties op beheeringrepen van Bever
Bomenonderzoek
57
3.8.1 Herstel van zachthout-ooibos met de Europese zwarte populier langs de Gemeenschappelijke Maas 3.9
55
Maasonderzoek
57 59
3.9.1 Natuurontwikkeling ifv veiligheid en klimaatadaptief beheer langs de Gemeenschappelijke Maas
59
3.10
Ad hoc-opdrachten
60
3.11
Overlegvergaderingen
60
3.12
Deelname aan studiedagen, congressen en cursussen
61
3.13
Adviesverlening
62
3.14
Rapporten en publicaties
62
3.15
Aansluitende en ondersteunende projecten
63
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 3 van 93
4
Thema vallei
65
4.1
Algemene situering
65
4.2
Verontreiniging baggergronden
65
4.2.1
Opvolging en evaluatie Noordkaai Menen
65
4.2.2
Opvolging en evaluatie Meigem en Nevele
68
4.2.3
EU Prioritaire stoffen in baggergronden
68
4.2.4
DredGis databank
70
4.3
Verontreiniging overstromingsgebieden
4.3.1 4.4
Focusgebied procesmonitoring
Bermbeheer
71 71 74
4.4.1
Opvolging invasieve duizendknoop
74
4.4.2
Sinusmaaibeheer
78
4.4.3 Ecologische inventarisatie en opvolging van berm- en oevervegetaties langs het Afleidingskanaal van de Leie 78 4.4.4 Ecologische inventarisatie en opvolging van berm- en oevervegetaties langs het Kanaal Gent-Brugge 80 4.5
Waterbeheer en vegetatie-ontwikkeling
4.5.1 Waterpeilverlaging van de Dender, regio Aalst: opvolging van vegetatie en hydrologie
80 81
4.5.2 Waterpeilverlaging van de Dender, regio Teralfene: opvolging van vegetatie en hydrologie 81 4.5.3 Opvolging vegetatie en grondwater Dendervallei stroomopwaarts Geraardsbergen in het kader van vernieuwing van de sluis en uitdieping Dender 4.6
Natuurinrichting
4.6.1
5
6
82 82
Natuurinrichting Kallemoeie
82
4.7
Ad hoc-opdrachten
87
4.8
Overlegvergaderingen
87
4.9
Deelname aan studiedagen, congressen en cursussen
88
4.10
Adviesverlening
88
4.11
Rapporten en publicaties
88
4.12
Aansluitende en ondersteunende projecten
89
Algemene coördinatie
90
5.1
Verslagen
90
5.2
Overleggroep DVW-INBO
90
5.3
Managementgroep DVW-INBO
91
5.4
Projectfiches
91
Personeel
92
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 4 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Lijst van figuren Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5.
Figuur 6.
Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.
Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.
Figuur 16. Figuur 17.
Figuur 18.
Figuur 19.
Figuur 20.
Vier varianten voor het ontwerp van de stroomafwaartse monding van de vispassage ter hoogte van de stuwgeul van Sint-Baafs-Vijve. 12 Verschil tussen het aantal individuen dat bij doodtij en springtij in beide gebieden bemonsterd werd (p<0.01). 16 Verschil tussen het aantal individuen dat in de verschillende seizoenen voor beide gebieden bemonsterd werd (n.s.). 16 Verschil tussen het aantal individuen die voor iedere vangstmethode in beide gebieden bemonsterd werd (n.s.). 17 Lengtedoorsnede van het stroomopwaartse deel van de vispassage in Merelbeke met aanduiding van de sponningen voor fuikbemonsteringen en dimensies voor een krabbenvanginstallatie. 18 Lengtedoorsnede van het stroomafwaartse deel van de vispassage in Denderleeuw, inclusief de afwaartse regelconstructie voor toepassing van het toegevoegd debiet. 20 Lengteklasseverdeling van de gevangen palingen in de 4 onderzochte sectoren van het LK in de zomer van 2019. 23 Verloop van de conductiviteit in de IJzer ter hoogte van de Tervatebrug en debiet ter hoogte van Keiem in 2017. 25 Verloop van de conductiviteit in de IJzer ter hoogte van de Tervatebrug en debiet ter hoogte van Keiem in 2018. 25 Totale tijd van aangepast spuibeheer in 2017 (groene balken) en de gemiddelde duur van een alternatief spuimoment (zwarte bollen) per locatie. 26 De gemiddelde bedekking per behandeling (treatment) op de sulfaatdijk (Treat 1 en 2 zijn behandeld met groencompost in nov. '17, Treat 3 en 4 in april '18, Treat 5 en 6 zijn niet behandeld). De rode lijn heeft het doel aan, met name een bedekking van 70%). 35 Gemiddelde worteldichtheid (aantal/volume-eenheid) in functie van de diepte ten opzichte van het maaiveld van de verschillende behandelingen of treatments. 35 Het bemonsterde gebied aan het sluizencomplex in Kruibeke (2019). 37 Locatie van de bemonsterde plas (ZG3), de Ringgracht (ZG4) en gracht (ZG5) in het GGG aan het Zennegat. 38 Voorbeeld van een kaartblad (kaart nr. 6) uit de oeververdedigingsatlas van de Zeeschelde. De atlas is een ondersteunend instrument om na te gaan welke ingreep ecologisch en qua stabiliteit mogelijk is op een bepaalde locatie indien er erosie is aan de schorrand. 39 Situering van de 25 populaties driekantige bies. 44 Illustratie van de resultaten van de monitoring van de sedimentsamenstelling. % slib in de datapunten opgesplitst in 3 hoogteklassen in het intertidaal van de Zeeschelde (2008-2017). 48 Patronen van de watervogelaantallen in het Schelde-estuarium. A. Gemiddeld aantal watervogels in de Zeeschelde (wintergegevens). B. Gemiddeld aantal watervogels in de Sigmagebieden (wintergegevens). C. Aantal wintertalingen in de deelgebieden. D. Het aandeel van de sigmagebieden in het gehele Zeescheldegebied. 50 Locaties van Japanse duizendknoop langs het Afleidingskanaal van de Leie te Nevele in het voorjaar van 2017, 2018 en 2019. In een traject wordt Japanse duizendknoop manueel uitgespit; in het aanliggend controletraject niet. 76 Overzicht van de locaties waar de oppervlakte-uitbreiding van Japanse duizendknoop wordt opgevolgd. 77
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 5 van 93
Figuur 21. Figuur 22. Figuur 23. Figuur 24.
Overzicht van de locaties waar de bestrijding van Japanse duizendknoop wordt opgevolgd door het bevorderen van de competitie met riet. 77 Bloemabundanties in de twee proefpercelen te Westbekesluis. 79 Vergelijking oevertypes 2003, 2015, 2018. 85 Een vergelijking van het aantal broedparen tussen 2014 en 2018 in de KallemoeiePapelenvijver. 86
Lijst van foto’s Foto 1.
Foto 2. Foto 3. Foto 4. Foto 5. Foto 6. Foto 7. Foto 8. Foto 9.
Aandachtspunten voor optimalisatie van het ontwerp van de vispassage op de Leie in Harelbeke: aanstorten van de meest stroomafwaartse betonnen drempel (links) en verhogen van de damwandplanken van de stroomafwaartse geul naar de vispassage (rechts). 10 Fixatie van een stortsteendrempel in de vispassage op de Bovenschelde in Kerkhove. 14 Driekantige bies langs de Zeeschelde tussen Uitbergenbrug en Schoonaardebrug (LO). 32 Vegetatie van melkkruid (Glaux maritima) in PQ244 op Ketenisseschor (17/10/2019). 43 Jonge zaailingen van populier op de grindbanken van de Grensmaas. 58 De bodemstaalname voor de Biolog EcoPlates gebeurde op de baggergrond te Meigem. 67 De bodemoplossing wordt overgebracht op een Biolog EcoPlate. 67 De vier teelten van de proefaanplanting in het focusgebied te Tielrodebroek, namelijk permanent grasland, mais, Miscanthus en wilg. 74 Begroeiing schiereiland in september 2015 (links) en 2018 (rechts), de pioniervegetatie is geëvolueerd naar een ruigte met wilgenopslag. 84
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 6 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
1 INLEIDING De Vlaamse Waterweg nv (DVW) beheert en exploiteert de waterwegen als een krachtig netwerk dat bijdraagt aan de economie, de welvaart en de leefbaarheid van Vlaanderen. DVW zet volop in op de multifunctionaliteit van hun waterwegen (www.vlaamsewaterweg.be). Een belangrijk aspect van deze multifunctionaliteit van de waterwegen betreft het streven naar een harmonie tussen diverse gebruiksfuncties van de waterweg (transport, waterbeheersing, recreatie, industrie, landbouw, waterwinning) en de ecologische functie. Waterbouwkundige projecten uitgevoerd door DVW kunnen een belangrijke invloed hebben op het ecologische systeem van deze rivieren, riviervalleien, waterlopen en kanalen, inclusief de eraan verbonden flora en fauna. Het kan aangewezen zijn om tijdens de ontwikkelingsfase van deze projecten reeds maatregelen te voorzien om nadelige ecologische gevolgen op te vangen, te remediëren of te voorkomen. Ook tijdens de uitvoering van een project kan het aangewezen zijn om, gedurende een bepaalde tijd, de gevolgen van het project op het milieu door monitoring in te schatten en dienovereenkomstig maatregelen te treffen. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) heeft een ruime ervaring met de toepassing van kennis van ecosystemen en soorten in het integraal waterbeheer. De beschikbare kennis bestrijkt een reeks disciplines die er invulling aan kunnen geven: gaande van hydrologie, bodemkunde en ecohydrologie, over aquatische en terrestrische ecologie, tot soortenkennis en voedselketens. Sinds 1996 lopen er op het INBO onderzoeksprojecten rond waterwegen. De projecten hebben betrekking op de waterweg zelf, oevers, bermen of de aansluitende valleigebieden. De samenwerking tussen DVW en INBO wordt formeel bevestigd in het protocol ‘Samenwerkingsovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek inzake ecologische advisering en onderzoek’. De overeenkomst werd afgesloten tussen ir. Chris Danckaerts, Gedelegeerd Bestuurder van DVW, Mevr. Frieda Brepoels, Voorzitter van de Raad van Bestuur van DVW en Dr. Maurice Hoffmann, waarnemend Administrateur Generaal van het INBO, en ging in op 1 januari 2019 en is van onbepaalde duur. Binnen DVW gebeurt de globale coördinatie door Jeroen Van Waeyenberge. Binnen het INBO gebeurt deze coördinatie door Daniel De Charleroy en Andy Van Kerckvoorde. Een managementgroep is opgericht samengesteld uit vertegenwoordigers met beslissingsbevoegdheid van het management van enerzijds DVW en anderzijds het INBO, aangevuld met de algemene coördinatoren van zowel DVW als het INBO. De managementgroep vergadert twee maal per jaar en staat in voor de financiële en boekhoudkundige controle. Een overleggroep is opgericht samengesteld uit enerzijds de algemene coördinatoren en door DVW en INBO aangeduide verantwoordelijken van de kennisthema’s. De overleggroep vergadert minimaal één maal per jaar. De overleggroep staat in voor de kwaliteitsbewaking en inhoudelijke planning van de onderzoeksprojecten. De planning, onderzoeksconcepten en de uitvoering van de taken worden uitgewerkt in nauw overleg met verschillende territoriale afdelingen van DVW.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 7 van 93
Voor elk onderzoeksitem wordt een projectfiche uitgewerkt dat de doelstellingen, de te hanteren methodologie, de tijdsraming, het benodigde aantal mensdagen per niveau (A, B, C, D), het benodigd aantal werkingsmiddelen incl. budget per jaar en de eindproducten opgemaakt. Qua planning wordt gewerkt met een rollend meerjarenprogramma dat de middellange termijndoelstellingen over een periode van 5 jaar omschrijft. Het rollend meerjarenprogramma wordt door de overleggroep opgesteld, en minimaal jaarlijks geactualiseerd en jaarlijks goedgekeurd door de managementgroep. Binnen de samenwerkingsovereenkomst wordt gewerkt binnen 3 onderzoeksthema’s: ● thema vismigratie. Het effect van het beheer van de waterloop met inbegrip van onderzoek in het kader van het saneren en voorkomen van vismigratieknelpunten in bevaarbare waterlopen. Dit thema omvat ruwweg alles met betrekking tot visonderzoek en dan in het bijzonder vismigratie; ● thema waterweg. Wetenschappelijk onderzoek, monitoring en advisering inzake ecologische aspecten in en rond de waterwegen. Het onderzoek dat geschiedt in getijdengebieden valt integraal onder dit thema, net als het onderzoek naar natuurvriendelijke oeverinrichtingen, het bomen-, bever- en Maasonderzoek; ● thema vallei. Ecologie en beheer van de vallei met inbegrip van het onderzoek van baggergronden en overstromingsgebieden beheerd door DVW. Naast het onderzoek op baggergronden en overstromingsgebieden omvat dit thema eveneens ecohydrologisch en pedologisch onderzoek in valleien, alsook dijk- en berm gerelateerd onderzoek. In dit jaarverslag 2019 wordt gerapporteerd over de 3 onderzoeksthema’s en de daaronder ressorterende projecten en onderzoeksitems. Per onderzoeksitem worden de doelstellingen, de stand van zaken en enkele onderzoeksresultaten belicht. Per thema wordt de output (zoals rapporten, adviezen, gegevensverstrekkingen, nota’s of A1-publicaties), de overlegvergaderingen, de deelname aan studiedagen of congressen en de ad-hoc taken opgelijst. In het hoofdstuk personeel wordt een overzicht gegeven van alle INBO-medewerkers die hebben bijgedragen aan de realisatie van de verschillende projecten.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 8 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2 THEMA VISMIGRATIE 2.1 ALGEMENE SITUERING Onder impuls van internationale en Vlaamse wetgeving, zoals de Palingverordening, de Europese Kaderrichtlijn Water, de Benelux beschikking met betrekking tot vrije vismigratie en het decreet integraal waterbeleid, gaat DVW de uitdaging aan om de ecologische kwaliteit van onze waterlopen te herstellen.
2.2 SANERING VISMIGRATIEKNELPUNTEN In het kader van het integraal beheer van de waterwegen ondersteunt het INBO via dit project DVW met betrekking tot de ecologische aspecten van het saneren en voorkomen van vismigratieknelpunten. Omwille van de specifieke expertise die gepaard gaat met het ecologisch onderzoek inzake het beheer van vispopulaties worden in het kader van dit project ook andere aspecten van het beheer van vispopulaties behandeld. Om dit te bereiken wordt in het kader van de DVW-INBO samenwerkingsovereenkomst o.a. volgende hypothese getest: de geëvalueerde visdoorgangen of andere kunstwerken bieden voldoende migratiemogelijkheden om het migratieknelpunt passeerbaar te maken.
2.2.1 Evaluatie vispassage en waterkrachtturbine Harelbeke (Leie) 2.2.1.1
Doelstellingen
Een duurzame oplossing voor de sanering van het vismigratieknelpunt op de Leie in Harelbeke is nodig in functie van het herstel van de longitudinale connectiviteit in de Leie. INBO screende in nauwe samenwerking met het WL en op vraag van DVW de uitvoeringsplannen van de vispassage van de aannemer (THV – SBE). DVW werkt hier met een DFBM-opdracht (design, finance, build, maintain). Evalueren of de vispassage op de Leie in Harelbeke voldoende migratiemogelijkheden biedt voor stroomopwaarts migrerende vissen langsheen het sluis-stuwcomplex met waterkrachtturbine en evalueren of de turbine veilig is voor de visgemeenschap dient in de nabije toekomst door de aannemer onderzocht te worden. Mogelijks is hier ondersteuning van INBO bij nodig. 2.2.1.2
Stand van zaken
In uitgebreide adviesmails van INBO en het WL (29/3; 20/5 & 17/6/2019) werden vragen beantwoord, suggesties gedaan en werd er zoveel als mogelijk bijgestuurd (zoals hydraulische randvoorwaarden, bochten en toepassing van bufferdrempels en toegevoegd debiet). Op 28 augustus werd een werfvergadering bijgewoond in Harelbeke en werd de ‘vispassage in aanbouw’ geïnspecteerd. Na het werfbezoek stelde het WL samen met INBO een adviesmail op ter verdere optimalisatie van het ontwerp van de vispassage Harelbeke, inclusief opvolging drempelhoogtes, monitoringsnoden, etc.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 9 van 93
Deelonderzoeken
Voorziene planning Maart oktober
Status
Opm.
Optimalisatie en bijsturen van de DFBMAfgerond (1) opdracht Opmerkingen bij tabel: (1): Optimalisatie en bijsturen van de DFBM-opdracht is een deelonderzoek dat niet werd opgenomen in de projectfiches maar dat werd uitgevoerd als een ad-hoc vraag. De evaluatie van de vispassage staat in principe ingepland in 2020 (indien dit niet door de aannemer zelf zou worden uitgevoerd). 2.2.1.3
Onderzoeksresultaten
Aandachtspunten voor optimalisatie van het ontwerp van de vispassage en voorstellen geformuleerd door het INBO en het WL waren de volgende: ● inkorten buis toegevoegd debiet; ● toevoegen talud na laatste meest afwaartse drempel: van groot belang voor passeerbaarheid (Foto 1); ● begeleidende wand buitenbocht + meer centraal houden diepste punt V op laatste drempels; ● drempelhoogtes; ● monitoringsvoorzieningen.
Foto 1.
Aandachtspunten voor optimalisatie van het ontwerp van de vispassage op de Leie in Harelbeke: aanstorten van de meest stroomafwaartse betonnen drempel (links) en verhogen van de damwandplanken van de stroomafwaartse geul naar de vispassage (rechts).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 10 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2.2.2 Evaluatie vispassages Sint-Baafs-Vijve en Menen (Leie) 2.2.2.1
Doelstellingen
Een duurzame oplossing uitwerken, in overleg met DVW en het Waterbouwkundig Laboratorium (WL), voor de sanering van het vismigratieknelpunt op de Leie in Sint-Baafs-Vijve in functie van het herstel van de longitudinale connectiviteit in de Leie. In de volgende jaren (na bouw van de vispassages) zal onderzocht worden of de vispassages op de Leie, respectievelijk in Sint-Baafs-Vijve en Menen, voldoende migratiemogelijkheden bieden voor stroomopwaarts migrerende vissen langsheen de sluis-stuwcomplexen. 2.2.2.2
Stand van zaken
Op 13/06/2019 stelde INBO een mail op betreffende voorzieningen voor een monitoringsconstructie in de vertical-slot vispassage op de Leie in Sint-Baafs-Vijve. Op latere datum werd ook het ontwerp van de vispassage-monding met het WL besproken. In december werd een nagenoeg definitieve versie van het hydraulisch ontwerp voor de vergunningsaanvraag aangeleverd en werden de bouwplannen van het studiebureau voor de de vispassage in Sint-Baafs-Vijve in samenwerking met het WL op de hoofdlijnen doorgenomen. Een aantal aandachtspunten en antwoorden op vragen van DVW werden gecommuniceerd. Deelonderzoeken
Voorziene planning Juni december
Status
Opm.
Bespreking en uitwerking van het Afgerond (1) hydraulisch ontwerp van de vispassage in Sint-Baafs-Vijfe i.s.m. het WL, aandachtspunten voor monitoring, nazicht bouwplannen studiebureau Opmerkingen bij tabel: (1): De taken en verwezenlijkingen omschreven bij de stand van zaken werden niet opgenomen in de projectfiches maar maken deel uit van adviesverlening inzake de sanering van vismigratieknelpunten. De effectieve evaluatie van de vispassage staat ingepland in 2023. 2.2.2.3
Onderzoeksresultaten
Een van de aandachtspunten in het ontwerp van de vispassage betrof de stroomafwaartse uitmonding van de lokstroom van de vispassage in de stuwgeul. In het rapport worden vier varianten besproken door het WL i.s.m. het INBO. Figuur 1 toont de varianten.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 11 van 93
Figuur 1.
Vier varianten voor het ontwerp van de stroomafwaartse monding van de vispassage ter hoogte van de stuwgeul van Sint-Baafs-Vijve.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 12 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2.2.3 Evaluatie vispassage Kerkhove (Bovenschelde) 2.2.3.1
Doelstellingen
Evalueren of de V-vormige bekkenvistrap in de nevengeul in Kerkhove voldoende migratiemogelijkheden biedt om het migratieknelpunt passeerbaar te maken. 2.2.3.2
Stand van zaken
In het najaar werd er een overlegvergadering ingepland bij het WL (28/08/2019) i.v.m. het uitvoeren van een testrun (i.e. openstellen van de vispassage) i.f.v. het opmeten van drempelhoogtes en het nagaan van de noodzaak van het al of niet fixeren van de stortstenen. Deelonderzoeken Overlegvergadering
Voorziene planning Augustus
Status
Opm.
Lopend
(1)
Opmerkingen bij tabel: (1): De taak omschreven bij de stand van zaken werd niet opgenomen in de projectfiche maar maakt deel uit van adviesverlening inzake de sanering van vismigratieknelpunten. De effectieve evaluatie van de vispassage staat ingepland in 2021. 2.2.3.3
Onderzoeksresultaten
Op basis van de visuele inspectie en evaluatie van de uitvoering van de fixatiewerken van de stortsteendrempels van de vispassage op de Leie in Harelbeke (Foto 2) kon het INBO en het WL groen licht geven voor het fixeren van de drempels in de vispassage in Kerkhove, door dezelfde aannemer en volgens dezelfde werkwijze.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 13 van 93
Foto 2.
Fixatie van een stortsteendrempel in de vispassage op de Bovenschelde in Kerkhove.
2.2.4 Evaluatie vismigratie in- en uitlaten KBR en Bergenmeersen1 2.2.4.1
Doelstellingen
De metingen in beide GGG’s hebben tot doel de inzichten te vergroten met betrekking tot de passeerbaarheid van de GGG sluizen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen passieve en actieve migratie: passieve emigratie bij uitstroom via de uitwateringssluizen, actieve immigratie bij uitstroom via de uitwateringssluizen en passieve immigratie bij instroom via de inwateringssluizen. Eventuele aanpassingen aan de structuur worden ook gesimuleerd. Zo simuleert het kortstondig openhouden van de uitwateringssluis bij stijgend rivierwater, de aanwezigheid van een hondenluik (pet door) (actieve immigratie via de uitwateringssluizen). Dit wordt in de mate van het mogelijke gespiegeld aan de vangsten van doelsoorten in functie van het habitattype: opgroeihabitat (bot, spiering, zeebaars), paaihabitat (blankvoorn, driedoornige stekelbaars), foerageerhabitat (paling, karper). De studie van de pet doors wordt meegenomen als mogelijkheid voor het optimaliseren van de sluizen. De invloed van het getij wordt in rekening gebracht door een vergelijking van de vangsten bij doodtij en springtij. Er wordt eveneens rekening gehouden met seizoenale variaties door de 4 meetcampagnes die over het jaar gespreid werden.
1
Dit item heeft geen projectfiche vermits dit een onderzoek is uit de vorige raamovereenkomst W&Z -INBO (20142018). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 14 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2.2.4.2
Stand van zaken
Bijkomende opmerkingen van DVW betreffende het eindrapport werden aangepast of weerlegd en gemotiveerd. Bijkomende herwerking werd uitgevoerd in het kader van de 24-uursmeting van het WL in Bazel en Bergenmeersen. Deelonderzoeken Herwerken van het rapport
Herwerken van het rapport na opmerkingen van juli 2019 met intern kwaliteitscontrole en nazicht door WL 2.2.4.3
Voorziene planning Januari februari
Status
Opm.
Nog niet opgeleverd
het rapport is nog niet klaar om opgeleverd te worden aangezien er een meningsverschil aanwezig is bij de interpretatie van de resultaten
September december
Afgerond
Onderzoeksresultaten
Een vergelijking tussen de twee gebieden geven verschillen aan op niveau van getij (Figuur 2), seizoenen (Figuur 3), vangstmethode (Figuur 4). Zoals te verwachten is er een significant verschil tussen het aantal individuen dat bemonsterd werd bij doodtij en springtij. Het verschil tussen het aantal individuen dat bemonsterd werd bij doodtij tussen Bergenmeersen en KBR is ook significant verschillend van elkaar (p<0.05). Het verschil tussen de twee gebieden bij springtij is dat niet. Het extreem laag aantal individuen dat bemonsterd werd in KBR bij doodtij wordt bepaald door de aanwezigheid van de schotbalken die aanwezig zijn ter hoogte van de inwateringssluizen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 15 van 93
Figuur 2.
Verschil tussen het aantal individuen dat bij doodtij en springtij in beide gebieden bemonsterd werd (p<0.01).
De grootste migratie trad in Bergenmeersen op in het najaar (september/oktober 2016). Voor KBR was de winter de periode met de grootste migratie (maart 2017).
Figuur 3.
Verschil tussen het aantal individuen dat in de verschillende seizoenen voor beide gebieden bemonsterd werd (n.s.).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 16 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Ondanks dat de groepen (seizoenen) niet significant verschillend zijn, kan op niveau van de verschillende vangstmethoden opgemerkt worden dat voor Bergenmeersen een vergelijkbaar aantal individuen gevangen werd via de verschillende migratiemogelijkheden. In KBR migreert het grootste aantal individuen door passieve intrek via de inwateringssluizen. In Bergenmeersen daarentegen is het aandeel actieve migratie groter dan de passieve intrek, zowel via de uitwateringssluizen als via de pet doors.
Figuur 4.
Verschil tussen het aantal individuen die voor iedere vangstmethode in beide gebieden bemonsterd werd (n.s.).
2.2.5 Onderzoek vismigratievoorziening Merelbeke (Ringvaart – Bovenschelde) 2.2.5.1
Doelstellingen
Een duurzame oplossing uitwerken, in overleg met DVW en het WL, voor de sanering van het vismigratieknelpunt tussen de Beneden-Schelde (Zuivervak Ringvaart), de Boven-Schelde (Westervak Ringvaart) en de Leie ter hoogte van de stuwsluis B2 in Merelbeke in functie van het herstel van de longitudinale connectiviteit in de Schelde en de Leie. 2.2.5.2
Stand van zaken
In april stelde INBO een uitgebreide adviesmail op voor DVW naar aanleiding van vragen van de afdeling Regio Centraal aan de afdeling Regio West over het ontwerp van de vispassage in Merelbeke. In de mail worden doelsoorten, hydraulische randvoorwaarden, ontwerpcriteria, etc. behandeld. INBO nam deel aan een hierna volgende overleg op 10/05/2019 rond de vispassage aan de stuwsluis van Merelbeke. INBO organiseerde een excursie naar de vertical-slot-vispassage met monitoringsconstructie op de Roer in Roermond waarbij we ontvangen werden door het Waterschap Limburg. Op de excursie was ook het WL en het ANB vertegenwoordigd. DVW was verontschuldigd. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 17 van 93
INBO stelde samen met het WL een memo op: ‘Schetsontwerp monitoringslocatie vispassage Merelbeke’. INBO bracht via email (19/11/2019) uitgebreid advies over een ‘krabbenvangsysteem’ in de vispassage in Merelbeke. Deelonderzoeken 1) Overlegvergaderingen 2) Voorontwerp 3) Hydraulisch voorontwerp 4) Opvolging
Voorziene planning Januari december Januari december Januari december Januari december
Status
Opm.
Lopend Lopend
(1)
Lopend
(2)
Lopend
Opmerkingen bij tabel: (1): Verschillende memo’s opgemaakt door het WL i.s.m. het INBO; (2): INBO was aanwezig op het overleg op 20 augustus 2019 waarin de memo “Hydraulisch ontwerp vispassage Merelbeke (v3-0) ten behoeve van overleg op 20 augustus 2019” van het WL werd besproken. 2.2.5.3
Onderzoeksresultaten
In memo’s en adviesmails van het INBO en het WL werden aanbevelingen en voorstellen gedaan voor het ontwerp van een monitoringszone voor fuikbemonsteringen en een sleuf voor het wegvangen van de exotische Chinese Wolhandkrab (Figuur 5).
Figuur 5.
Lengtedoorsnede van het stroomopwaartse deel van de vispassage in Merelbeke met aanduiding van de sponningen voor fuikbemonsteringen en dimensies voor een krabbenvanginstallatie.
2.2.6 Onderzoek vismigratievoorziening 's Hertogenmolens (Demer) 2.2.6.1
Doelstellingen
In het kader van het integraal beheer van de waterwegen en het herstel van de longitudinale connectiviteit (vismigratie) ondersteunt het INBO via dit project DVW met betrekking tot de ecologische aspecten van het vispasseerbaar maken van de ’s Hertogensmolen op de Demer in Aarschot. Er wordt aan een duurzame oplossing gewerkt, in overleg met DVW, het WL, het studiebureau die de vispassage ontwerpt en andere belanghebbenden (o.a. kayaksport), voor de sanering van het vismigratieknelpunt aan de ‘s Hertogensmolens op de Demer in Aarschot.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 18 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2.2.6.2
Stand van zaken
Er was geen actie vereist in 2019. Deelonderzoeken 1) Overlegvergaderingen
Voorziene planning Januari december Januari december
Status
Opm.
Lopend
(1)
2) Bestuderen van de respectievelijke Lopend voorontwerpen van het studiebureau/het WL 3) Bespreking van de respectievelijke Januari Lopend voorontwerpen van het december studiebureau/het WL 4) Hydraulisch ontwerpen van het Januari Lopend studiebureau/het WL december Opmerkingen bij tabel: (1): Een eerstvolgend overleg staat reeds ingepland voor begin 2020. 2.2.6.3
(1)
(1)
(1)
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
2.2.7 Onderzoek vismigratie overige knelpunten Dender (Idegem, Pollare, Dendermonde, Denderbelle, Denderleeuw) (Dender) 2.2.7.1
Doelstellingen
Duurzame oplossingen uitwerken, in overleg met DVW, het WL en/of studiebureaus die de vispassages ontwerpen, voor de sanering van de opeenvolgende vismigratieknelpunten in de Dender, respectievelijk in Idegem, Pollare, Dendermonde, Denderbelle en Denderleeuw. M.a.w. welk type vispassage is ter hoogte van de verschillende vismigratieknelpunten in de Dender, rekening houdende met alle randvoorwaarden, het meest aangewezen om vrije vismigratie te realiseren. 2.2.7.2
Stand van zaken
Denderleeuw Schetsen van de monding van de vispassage in Denderleeuw werden besproken met het WL. Op 21 mei werd een memo opgemaakt en doorgestuurd door het WL/INBO met een voorstel voor het hydraulisch ontwerp van de opwaartse afsluitconstructie van de vispassage en de regelconstructie en inlaat voor het toegevoegd debiet. Daarnaast werden er ook nog enkele aandachtspunten en/of vragen opgenomen ten aanzien van het huidige ontwerp van de vispassage. Ook de vraag van de projectingenieur of de langse wanden van de vispassage als damwanden mogen voorzien worden tot bovenaan, dit in plaats van het voorzien van een effen betonnen wand over het ontwerp van de vertical slot vispassage werd besproken met het WL.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 19 van 93
Geraardsbergen De locatie Geraardsbergen staat niet in de titel van het onderzoeksitem vermeld maar wordt onder dit item besproken omdat het net zoals alle andere locaties ook een migratieknelpunt betreft op de Dender. Een definitieve memo van het WL i.s.m. INBO met daarin de verkenning van varianten voor revisie van de vispassage in Geraardsbergen werd in februari opgemaakt en doorgestuurd (19/02/2019). In december werden varianten bedacht en besproken met het WL. Dit resulteerde in uitwerking van een vijfde variant 5 omtrent het inlaten van het toegevoegd debiet. Voor de onderzoekslocaties in Dendermonde, Denderbelle, Idegem & Pollare waren er geen acties vereist in 2019. Deelonderzoeken
Voorziene planning Januari december Januari december Januari december
Status
Opm.
1) Overlegvergaderingen met DVW en Lopend het WL 2) Opmaken van memo(‘s) door het WL Lopend i.s.m. het INBO 3) Bespreking van de respectievelijke Lopend (1) voorontwerpen van het studiebureau/het WL 4) Hydraulische ontwerpen van het Januari Lopend (2) studiebureau/het WL december Opmerkingen bij tabel: (1): Voorontwerpen: memo’s opgemaakt door het WL i.s.m. het INBO omtrent de sites Denderleeuw en Geraardsbergen. (2): Hydraulische ontwerpen van de respectievelijke vismigratievoorzieningen in de Dender. 2.2.7.3
Onderzoeksresultaten
Onderstaand lengteprofiel (Figuur 6) toont het huidige schetsontwerp voor de regelconstructie en inlaat van het toegevoegd debiet voor de vispassage in Denderleeuw. Bij dit alternatief wordt het toegevoegd debiet ingelaten via twee buizen die uitmonden in een dissipatiebak die zich binnen het afwaartse deel van de vistrap bevindt en opwaarts van de stuwen. Het toegevoegd debiet stroomt vervolgens zijdelings uit deze dissipatiebak richting de vispassagemonding.
Figuur 6.
Lengtedoorsnede van het stroomafwaartse deel van de vispassage in Denderleeuw, inclusief de afwaartse regelconstructie voor toepassing van het toegevoegd debiet.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 20 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2.2.8 Optimalisatie werking nevengeulen door afstemming waterbeheer - Asper en Oudenaarde (Bovenschelde) 2.2.8.1
Doelstellingen
Optimalisatie van de werking van de visnevengeulen in de Bovenschelde in Asper en Oudenaarde. Dit gebeurt in overleg met DVW en het Waterbouwkundig Laboratorium (WL). 2.2.8.2
Stand van zaken
Er was geen actie vereist in 2019. Deelonderzoeken 1) Overlegvergaderingen met DVW en het WL 2) Opmaken van memo(‘s) door het WL i.s.m. het INBO 2.2.8.3
Voorziene planning Januari december Januari december
Status
Opm.
Lopend Lopend
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
2.2.9 Studie plastiekvangers 2.2.9.1
Doelstellingen
Analyse en rapportage naar de impact van de plasticvangers op de aquatische fauna in twee bevaarbare waterlopen: de Zeeschelde en het Zeekanaal Brussel-Schelde. In het kader van het integraal beheer van de waterwegen en het herstel van de longitudinale connectiviteit (vismigratie) ondersteunt het INBO via dit project DVW met betrekking tot de impact van de plasticvangers op de aquatische fauna in bevaarbare waterlopen, met name op de Zeeschelde ter hoogte van de brug in Temse en in het dok van het Zeekanaal Brussel-Schelde in Vilvoorde. Om dit te bereiken wordt o.a. volgende hypotheses getest. Voor de site Temse: ● De plasticvanger op de Zeeschelde aan de brug van Temse realiseert geen noemenswaardige (bij)vangst van aquatische fauna (vb. vissen, garnalen, …). ● De plasticvanger op de Zeeschelde aan de brug van Temse belemmert de gerichte stroomafwaartse vismigratie en stroomafwaartse passieve faunadrift niet (vb. zilverpaling, fint, larvale en juveniele levensstadia van bepaalde fauna, …). Voor de site Vilvoorde: ● De plasticvanger in het dok van het Zeekanaal Brussel-Schelde in Vilvoorde realiseert geen noemenswaardige (bij-)vangst van aquatische fauna.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 21 van 93
2.2.9.2
Stand van zaken
Een voorlopige fiche voor de monitoring van de plastiekvangers werd opgesteld. In januari werd overlegd met Afdeling Regio Centraal en Universiteit Antwerpen om de plannen van aanpak (pva) zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. INBO organiseerde een intern overlegmoment over het concretiseren van het pva. Aan DVW werd gemeld dat het moeilijk is om een concreet pva op te stellen omdat de plasticvangers op dat moment nog niet gegund konden worden en INBO bijgevolg geen contact mocht opnemen met de indieners. Heel wat praktische informatie over hoe de vangers er concreet zullen uitzien (zoals afmetingen, materiaal en maaswijdte) zijn onontbeerlijk om er een goed pva op te enten. In de loop van 2019 werd beslist om dit onderzoek uit te stellen naar 2020. In december werd de projectvergadering met DEME en DVW voor de site Temsebrug bijgewoond. Deelonderzoeken
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Overleg- en projectvergaderingen met Lopend (1) DVW en/of projectverantwoordelijken Opmerkingen bij tabel: (1): De taken omschreven bij de stand van zaken werden niet opgenomen in de projectfiches maar maken deel uit van adviesverlening inzake de sanering van vismigratieknelpunten. De effectieve evaluatie van de plastiekvangers staat ingepland vanaf 2020. 2.2.9.3
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
2.3 VISMIGRATIE ZOET-ZOUT 2.3.1 Onderzoek glasaalintrek t.h.v. Heist (Leopoldkanaal (LK) en Afleidingskanaal van de Leie (AKL)) 2.3.1.1
Doelstellingen
In het kader van de palingverordening (EG/1100/2007) en het herstel van de longitudinale connectiviteit (glasaalmigratie) ondersteunt het INBO via dit project DVW met betrekking tot de ecologische aspecten van het herstel van palingpopulaties in Vlaamse waterwegen. Dit onderzoek moet de evolutie van de palingstand in het LK beschrijven ter evaluatie van het gevoerde sluisbeheer in functie van een verbeterde glasaalintrek. Het palingbestand wordt bepaald en opgevolgd met behulp van de vangst‐merk-hervangst methode. De resultaten moeten waterbeheerders inzichten verlenen hoe estuariene migratiebarrières efficiënt en glasaalvriendelijk kunnen worden beheerd. Om dit te bereiken wordt o.a. volgende hypothese getest: de palingstand in het LK neemt toe als gevolg van het aangepaste sluisbeheer in Zeebrugge in functie van een verbeterde glasaalintrek. 2.3.1.2
Stand van zaken
Vanaf 2016 t.e.m. 2021 wordt de palingstand in het LK opgevolgd. Om de twee jaar wordt een rapport afgewerkt. Metingen van de palingdensiteiten in het Leopoldkanaal i.f.v. evaluatie van het aangepast spuibeheer werden uitgevoerd in juli en augustus 2019. De resultaten van de metingen in 2018 en 2019 werden in de tweede helft van 2019 gerapporteerd.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 22 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Deelonderzoeken 1) Veldonderzoek 2) Rapportage
2.3.1.3
Voorziene planning Juli augustus Oktober December
Status
Opm.
Afgerond Afgerond
Onderzoeksresultaten
In totaal werden in 2019 in vier bemonsterde sectoren van het LK 320 palingen gevangen (exclusief hervangsten). Hiervan bevonden er zich 90 (28 %) in een welbepaald zilverpalingstadium (Figuur 7) respectievelijk 63 FIII, 23 FV en 4 MII exemplaren) op basis van de gemeten morfologische kenmerken. Van de 320 gemerkte palingen werden er tijdens de 3 opeenvolgende dagelijkse bemonsteringen 37 (12 %) terug gevangen. Naast paling werd ook blankvoorn (103), brasem (37), kolblei (94), baars (105), bittervoorn (1), pos (8), snoekbaars (25), rietvoorn (3), snoek (3), bot (18), dunlipharder (2), zeelt (2) en steurgarnaal (8) gevangen. Er werd tevens Chinese wolhandkrab (4), rode Amerikaanse rivierkreeft (108) en één roodwangschildpad in de fuiken aangetroffen.
Figuur 7.
Lengteklasseverdeling van de gevangen palingen in de 4 onderzochte sectoren van het LK in de zomer van 2019.
Ten opzichte van de 2014-nulmeting, blijkt de gemiddelde palingdensiteit in het LK in 2016, 2017 en 2018 alsook de palingdensiteit in de meest stroomafwaartse sectoren te zijn toegenomen (m.u.v. een lichte daling in 2019). De verschillende resultaten uit dit onderzoek, ook de totaalvangst en de verschuiving richting kleinere lengteklasses, tonen dat het aangepast sluisbeheer zijn vruchten begint af te werpen en dat er een verjonging van de palingpopulatie in het LK lijkt op te treden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 23 van 93
2.3.2 Opvolging beheerprotocol glasaalintrek IJzer, Kanaal Gent-Oostende (KGO) en Heist (zoutintrusie) 2.3.2.1
Doelstellingen
Jaarlijkse analyse en rapportage naar de impact van het aangepast spuibeheer op de zoutconcentraties in vier waterlopen: de IJzer, het KGO, het AKL en het LK. Via de zoutmetingen kan verzilting van de polders door de instroom van zeewater tijdig voorkomen worden. Om dit te bereiken wordt o.a. volgende hypothese getest: het aangepast spuibeheer leidt niet tot een significante stijging van het zoutgehalte in de IJzer, het KGO, het AKL en het LK. 2.3.2.2
Stand van zaken
Opmaken van werkinstructies voor de binnenvaartbegeleiders voor uitvoeren van aangepast spuibeheer in het KGO, LK, AKL, IJzer en het perskanaal (afvoerkanaal van Veurne-Ambacht) tussen de Ganzepoot en het pompgemaal Veurne-Ambacht. Stroomopwaarts van de spuisluizen van de Ganzepoot, het Sas Slijkens en Heist (AKL en LK) worden op drie verschillende locaties in respectievelijk de IJzer, het Kanaal Gent-Oostende, het AKL en het LK continue conductiviteitsmetingen uitgevoerd. In het kader van de droogte en verziltingsproblematiek in de Ijzer was INBO samen met vertegenwoordigers van de polders, DVW en VMM AOW aanwezig op een vergadering van het bekkensecretariaat (9/05/2019 - VMM - buitendienst Oostende). De interne rapporten rond de opvolging van het alternatief spuibeheer en de zoutintrusie in 2017 en 2018 werden in 2019 afgewerkt. Deelonderzoeken 1) Werkinstructies 2) Veldonderzoek 3) Rapportage
Voorziene planning Januari februari Januari december September december
Status
Opm.
Afgerond
(1)
Afgerond Afgerond
(2)
Opmerkingen bij tabel: (1): werkinstructies voor binnenvaartbegeleiders van DVW; (2): In het jaarverslag van 2018 werd vermeld dat het rapport rond de opvolging van het alternatief spuibeheer en de zoutintrusie in 2017 vertraging had opgelopen en begin 2019 zou worden afgewerkt (Baeyens et al. 2018). In 2019 werd ook het rapport, volgens planning, over het alternatief spuibeheer en de zoutintrusie in 2018 afgerond (Steendam et al. 2019). Aldus zitten zoutintrusie-rapportages terug op schema. 2.3.2.3
Onderzoeksresultaten
In de Ijzer in Tervate stijgt de conductiviteit de volledige periode van het alternatief spuibeheer (tussen 11 maart en 11 april 2017) van 0,57 naar 2,11 mS/cm (Figuur 8). Gelijkaardig aan de locatie van de Uniebrug stijgt achteraf de geleidbaarheid terug bij verlaagde afvoer tot ruim 8 mS/cm.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 24 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Figuur 8.
Verloop van de conductiviteit in de IJzer ter hoogte van de Tervatebrug en debiet ter hoogte van Keiem in 2017.
In de Ijzer in Tervate is er in 2018 een minimale stijging in de conductiviteit waar te nemen tijdens de toepassing van het alternatief spuibeheer (1 maart tot 15 mei 2018; Figuur 9). In overeenstemming met de locatie van de Uniebrug stijgt achteraf de geleidbaarheid terug bij verlaagde afvoer tot ruim 6 mS/cm.
Figuur 9.
Verloop van de conductiviteit in de IJzer ter hoogte van de Tervatebrug en debiet ter hoogte van Keiem in 2018.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 25 van 93
Figuur 10 toont dat het alternatief sluisbeheer in 2018 het langst werd toegepast in de IJzermonding (540 uur in totaal) en het minst in het AKL (48 uur), alhoewel in het Afleidingskanaal van de Leie de gemiddelde duur van een alternatief spuimoment groter is dan de gemiddelde uur in de Ijzer. Het beheer werd het vaakst toegepast in de Ijzermonding (71) en het minst in het Afleidingskanaal van de Leie (10).
Figuur 10. Totale tijd van aangepast spuibeheer in 2017 (groene balken) en de gemiddelde duur van een alternatief spuimoment (zwarte bollen) per locatie.
2.4 AD HOC-OPDRACHTEN Er waren geen ad hoc-vragen kaderend binnen het thema vismigratie in 2019.
2.5 OVERLEGVERGADERINGEN 22/01/2019 en 28/11/2019: Projectvergadering vuilvangers Afdeling Regio Centraal. Overleg met DVW, UA, DEME en INBO in VAC Antwerpen (David Buysse). 04/02/2019 en 6/02/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Sint-Baafs-Vijve (David Buysse). 28/02/2019: Overlegvergadering over de vispassage in Aalst met het WL en DVW en aansluitend overleg tussen INBO en WL over de vispassage in Sint-Baafs-Vijve bij DVW in Merelbeke (David Buysse). 15/03/2019: Startvergadering vispassage in Merelbeke bij DVW in Merelbeke (David Buysse). 28/03/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Merelbeke (David Buysse). 03/04/2019 & 25/10/2019: Expertenoverleg rivierherstel Leie (Sophie Vermeersch). 04/04/2019 en 6/04/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Harelbeke (David Buysse). 06/05/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de toepassing van het toegevoegd debiet in Denderleeuw (David Buysse). 10/05/2019: Overlegvergadering over de vispassage in Merelbeke bij DVW in Merelbeke (David Buysse). 10/05/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL (David Buysse).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 26 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
07/06/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Merelbeke en andere lopende projecten (David Buysse). 27/06/2019: Overlegvergadering timing en aanpak vispassage in Merelbeke bij DVW in Merelbeke (David Buysse). 20/08/2019: Vervolgoverleg over de vispassage in Merelbeke en aansluitend overleg tussen INBO en WL bij DVW in Merelbeke (David Buysse). 22/08/2019: Overleg verziltingsproblematiek van de Ijzer met DVW, VMM, INBO en Bekkensecretariaat in VAC in Gent (David Buysse). 28/08/2019 (vm): Vergadering INBO/WL op het WL in Borgerhout (David Buysse). 28/08/2019 (nm): Werfvergadering over de vispassage in Harelbeke in de werfkeet (David Buysse). 17/09/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Merelbeke (David Buysse). 11/10/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Merelbeke en Denderleeuw (David Buysse). 30/10/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassage in Sint-Baafs-Vijve (David Buysse). 05/11/2019: Overlegvergadering over de vispassage in Merelbeke met Tractebel, Seco, WL bij DVW in Merelbeke (David Buysse). 07/11/2019: Werfvergadering over de vispassage in Sint-Baafs-Vijve in de werfkeet (David Buysse). 06/12/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassages in Merelbeke en Sint-Baafs-Vijve (David Buysse). 13/12/2019: Skype-overleg in Brussel met het WL over de vispassages in Geraardsbergen en Sint-BaafsVijve (David Buysse).
2.6 DEELNAME AAN STUDIEDAGEN, CONGRESSEN EN CURSUSSEN 19/02/2019: Interne workshop Water en Ecohydrologie, INBO, Brussel (David Buysse). 21/02/2019: Studiedag hydromorfologisch functioneren van beken, Sint-Oedenrode, Nederland (David Buysse). 01/03/2019: Vissennetwerk, Salmonids in the Meuse Basin, ’s-Gravenvoeren (David Buysse, Johan Coeck, Raf Baeyens). 13/03/2019: CIW Netwerkmoment, Brussel (David Buysse, Johan Coeck). 04/04/2019: Excursie vispassage op de Roer, Roermond, Nederland (David Buysse, Johan Coeck, Nico De Maerteleire). 12/09/2019: Excursie vispassage op de Maas, Lixhe (David Buysse, Raf Baeyens, Nico De Maerteleire). 24/10/2019: De IPKC netwerkdag ‘water’, (lezing David Buysse). 29/11/2019: Vissennetwerk, Klimaatverandering (o.a. droogte) en vis, Utrecht, Nederland (David Buysse, Johan Coeck, Sophie Vermeersch). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 27 van 93
Meerdere dagen: CIW Ecologisch waterbeheer, VAC, Brussel (David Buysse, Jeroen Van Wichelen). Meerdere dagen: Horizontale werkgroep integraal waterbeheer, INBO, Brussel (David Buysse).
2.7 ADVIESVERLENING Er waren geen adviezen kaderend binnen het thema vismigratie in 2019.
2.8 RAPPORTEN EN PUBLICATIES Baeyens R., Buysse D., Steendam C., Gelaude E., Demaerteleire N., Robberechts K., Pieters S. & Coeck J. (2018). Opvolging van de zoutintrusie in de Ijzer, het Kanaal Gent-Oostende, het Leopoldkanaal en het Afleidingskanaal van de Leie. Aangepast spuibeheer in 2017 in functie van glasaalmigratie. Intern rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Steendam C., Buysse D., Baeyens R., Gelaude E., Demaerteleire N., Robberechts K., Pieters S. & Van Wichelen J. & Coeck J. (2019). Opvolging van de zoutintrusie in de Ijzer, het Kanaal Gent-Oostende, het Leopoldkanaal en het Afleidingskanaal van de Leie. Aangepast spuibeheer in 2018 in functie van glasaalmigratie. Intern rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Steendam S., Buysse D., Van Wichelen J., Verschelde P., De Maerteleire N., Gelaude E., Robberechts K., Baeyens R., Pieters S., Verhelst P., Pauwels I., Vermeersch S. & Coeck J. (2020). Opvolging van de palingstand in het Leopoldkanaal als evaluatie van het aangepast sluisbeheer in functie van een verbeterde glasaalmigratie (2018-2019). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020, Brussel, 41 p. (Noot: niettegenstaande dit als een 2020 output wordt weergegeven werd het effectief in 2019 afgewerkt, doch de lay-out van het rapport en de toekenning van het rapportnummer zal gebeuren in januari 2020). Visser K.P., Buysse D. & Viaene P. (2018). Voorstel revisie ontwerp vispassage Geraardsbergen. WL Memo’s, WL2018M18_090_1. Waterbouwkundig Laboratorium, Antwerpen. (Noot: niettegenstaande dit als een 2018 output wordt weergegeven werd het effectief in 2019 overgemaakt aan DVW als resultaat van een samenwerking tussen het WL en INBO). Visser K.P., Buysse D. & Viaene P. (2019). Hydraulisch ontwerp afsluit- en regelconstructies vispassage Denderleeuw. WL Memo’s, WL2019M14_128_8. Waterbouwkundig Laboratorium, Antwerpen. Visser K.P., Viaene P., Verelst K. & Buysse D. (2019). Voorstel optimalisatie ontwerp vispassage Harelbeke. WL Memo’s, WL2018M18_097_1. Waterbouwkundig Laboratorium, Antwerpen. Visser K.P., Vercruysse J., Buysse D., Vanderkimpen P., Viaene P. & Mostaert F. (2019). Vispassage SintBaafs-Vijve: Hydraulisch ontwerp voor vergunningsaanvraag. Versie 3.1. WL Rapporten, 15_036_2. Waterbouwkundig Laboratorium: Antwerpen. Visser K.P., Buysse D., Baeyens R., De Maerteleire N. & Viaene P. (2019). Schetsontwerp monitoringslocatie vispassage Merelbeke. WL Memo’s, WL2019M18_144_2. Versie 2.0. Waterbouwkundig Laboratorium, Antwerpen & Instituut voor Natuur- en & Bosonderzoek, Brussel. Visser K.P., Viaene P., Verelst K. & Buysse D. (2019). Voorstel mogelijke uitwerking variant 5 inlaat toegevoegd debiet vispassage Geraardsbergen. WL Memo’s, WL2019M19_035_2. Waterbouwkundig Laboratorium, Antwerpen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 28 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
2.9 AANSLUITENDE EN ONDERSTEUNENDE PROJECTEN Er waren in 2019 geen aansluitende en ondersteunende projecten kaderend binnen het thema vismigratie.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 29 van 93
3 THEMA WATERWEG 3.1 ALGEMENE SITUERING De algemene doelstelling is om vanuit een ecologische invalshoek een bijdrage te leveren aan het beheer en beleid dat door DVW wordt voorbereid voor waterwegen. Er wordt gestreefd naar een maximale integratie van veilig waterbeheer enerzijds en de ontwikkeling van een duurzaam ecosysteem in en rond de waterwegen.
3.2 PROJECTADVIES & -MONITORING SIGMA-PLAN Dit project omvat alle onderzoeksitems die betrekking hebben op beleidsondersteunend onderzoek, projectmonitoring en advisering die het INBO uitvoert ter ondersteuning van het geactualiseerd SIGMAplan.
3.2.1 Ecologisch inrichtingsadvies Sigmagebieden 3.2.1.1
Doelstellingen
INBO levert ondersteuning in de planvorming, uitvoering en opvolging van GOG-wetland en estuariene Sigmaprojecten. De vraagstelling wordt jaarlijks geïnventariseerd tijdens het bilateraal overleg DVW (Afdeling Regio Centraal) – INBO (team Estuaria). Het betreft concrete probleemstellingen die gezamenlijk minder dan 20 werkdagen omvatten per jaar. 3.2.1.2
Stand van zaken
In 2019 is er veel ondersteunend advies geleverd voor de inrichting van Sigmagebieden: ● Advies over de inrichting van de Sigmazone ‘stort van Burchtse Weel’ (Vandevoorde et al., 2019a). Naar aanleiding van de geplande dijkwerken ter hoogte van de Burchtse Weel zou ook het Sigmagebied ‘stort van Burchtse Weel’ hersteld worden. Het INBO gaf advies over de inrichtingsmodaliteiten. Op dit advies volgde nog een aanvulling met name de bepaling van de grens tussen de opgehoogde zone en de niet-opgehoogde, estuariene zone. ● Bunt expertopvolging GGG-inrichting: de planvorming van de sluis is in een eindfase. Hiertoe werd een expertenoverleg (projectbureau, DVW, WL, INBO, UA) in het leven geroepen. Hiertoe werd input geleverd op rapport en er werd deelgenomen aan twee overlegmomenten. Deze ondersteuning loopt door in 2020. ● Herwerkingen van GGG-basisnota richtlijnen (aanvang). In samenwerking met UA werd de richtlijnennota herwerkt. Een vorige versie dateerde al van 2006 en heel wat bijkomende informatie was ondertussen beschikbaar. ● Advisering Fiets- en voetgangersbrug Antwerpen. INBO inventariseerde de ecologische waarde van de plaat ter hoogte van de Kennedytunnel en over de mogelijke gevolgen van de bouw van een fietsen voetgangersbrug en naam deel aan één van de "werkbanken Over de Ring” over de Scheldefietsbrug en het Scheldebalkon ● Tussentijdsbeheerplan Wal-Zwijn. Een beheeradvies werd opgesteld voor Wal. Hoe het gebied optimaal tussentijds beheren in de periode na de bouw van de ringdijk en het bouwen van de in- en uitwateringssluizen. Deze expertondersteuning blijft doorlopen in 2020. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 30 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
● ●
●
Tussentijdsbeheerplan Bunt. Opvolging van de implementatie van het tussentijdsbeheerplan in de Bunt. Deze expertondersteuning blijft doorlopen in 2020 (1 à 2 overlegmomenten) Advies i.v.m. de aanleg van een vloedschaar in de ontpoldering Wijmeers (Uitbergen). De knijtenproblematiek en het uitvoeren van een pilootproject door de aanleg van een vloedschaar in het kader van IMMERSe werd bestudeerd door het INBO en resulteerde in een adviesnota. Advies driekantige bies. De geplande dijkwerken ter hoogte van Wichelen vernietigen potentieel een belangrijk deel van de driekantige biespopulatie in de Zeeschelde. Het INBO formuleerde een advies hieromtrent en onderzocht de mogelijkheden van een transplantatie. De biezenpopulaties werden gedetailleerd ingemeten en locaties waar de transplantatie kan doorgaan, werden gezocht in de nabijheid (metingen en locatieonderzoek werd uitgevoerd onder project ‘Diversiteit hogere planten – MONEOS’). In 2020 zal er een transplantatie-actie plaatsvinden.
Op deze post werd behoorlijk wat meerwerk gepresteerd in 2019. Dit was vooral mogelijk door het minwerk gepresteerd op de post van de VNSC ondersteuning. Deelonderzoeken Advisering en expertinbreng
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Afgerond
(1)
Opmerkingen bij tabel: (1) Specifieke item output gerealiseerd: -
-
-
Vandevoorde B., Mertens W., Van Braeckel A., Van Ryckegem G. & Van den Bergh E. (2019a). Advies over de inrichting van de Sigmazone ‘stort van Burchtse Weel’. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3786. Vandevoorde B., Elsen R., Mertens W., Van Ryckegem G., Vanoverbeke J., Van Braeckel A. & Van den Bergh E. (2019b). Advies over de populatie driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) langs de Schelde. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3723. Van Ryckegem G., Mertens W. & Vandevoorde B. (2019). Tussentijdse beheervisie Grote Wal – Kastel. INBO.I.2019.196. Van Ryckegem G. (2019). Tussentijdse beheervisie Bunt. INBO.A.3781. 28/06/2019 opvolgingsvergadering beheer Bunt (NP, DVW, INBO) Van Ryckegem G. & Van Braeckel A. (2019). Oplossingsscenario’s en uitvoeringsvarianten van de vloedschaar in de Wijmeers (Uitbergen/Wichelen). INBO.I.2019.139. Overleg fietsbrug Antwerpen: 28/02/2019: presentatie van de ecologische waarde van de zone ter hoogte van de geplande fiets- en voetgangersbrug Antwerpen. (Gunther Van Ryckegem) Maris T., Van Ryckegem G., Mertens W. & Meire P. (2019). Richtlijnennota voor gebieden met een gecontroleerd gereduceerd getij (GGG). ECOBE 019-R246.
3.2.1.3
Onderzoeksresultaten
Eén van de ondersteunende adviezen betrof de studie van de aanwezige driekantige bies ter hoogte van de geplande dijkinrichtingswerken te Wichelen. Op de rechteroever van de Zeeschelde ter hoogte van Wichelen komt een belangrijk aandeel van de metapopulatie van driekantige bies (Schoenoplectus triqueter; Foto 3) voor. Dit is een uiterst zeldzame en met verdwijning bedreigde plantensoort. Het advies onderzoekt verschillende scenario’s om de biezenpopulaties te redden. Het advies zal in 2020 resulteren in een gecoördineerde actie van DVW, INBO, ANB, het regionaal landschap Schelde-Durme en Natuurpunt om de populaties te transplanteren. Het INBO zal deze actie uitvoeren in 2020.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 31 van 93
Foto 3.
Driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) langs de Zeeschelde tussen Uitbergenbrug en Schoonaardebrug (LO) (vegetatieopname BV15/035; 05/10/2015).
3.2.2 Case studies GOG-wetlands (KBR – veentranslocatie) 3.2.2.1
Doelstellingen
Bij het veentranslocatie-experiment wordt een antwoord gezocht op twee vragen: kunnen elzenbroekbossen (Alnion glutinosae) kwalitatief hersteld worden door middel van veentranslocaties en speelt de dikte van het veen hierbij een rol. 3.2.2.2
Stand van zaken
In overleg met de opdrachtgever werd de analyse en rapportage met een jaar uitgesteld. INBO kon onvoldoende tijd inplannen om binnen de expertisepool de taak uit te voeren. De monitoring van de vegetatie gepland in 2021 is verschoven naar het reserveprogramma. Op basis van de analyse, gepland in 2020, zal in overleg beslist worden om nog een bijkomende monitoringsronde uit te voeren of niet.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 32 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Deelonderzoeken
Voorziene planning Januari december
Analyse veentranslocatie 3.2.2.3
Status
Opm.
Uitgesteld
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
3.2.3 Case studies estuarien herstel 3.2.3.1
Doelstellingen
Voor de periode 2019-2021 loopt enkel deelonderzoek 1: projectmonitoring casus Wijmeers, Fasseit, Lillo in het prioritair programma. De voornaamste vragen die beantwoordt worden zijn: ● Hoe verloopt de gebiedsontwikkeling en hoe verhoudt de ecologische kwaliteit zich tav de aanpalende Scheldezone (Wijmeers, Fasseit, Lillo)? ● Wat is effect op gebiedsontwikkeling door het realiseren van een verschillende bresaanleg en kreekaanzet (vooral Lillo, ook monitoringsaspect in Wijmeers en Fasseit)? 3.2.3.2
Stand van zaken
In 2019 startte deelonderzoek 1: projectmonitoring Wijmeers. Een basismonitoring werd reeds uitgevoerd in Lillo en een tussentijdse rapportage is voorzien over de ontwikkelingen sinds aanleg. Deze rapportage is opgestart in samenwerking met ANB en deels gebaseerd op gegevens verzameld door vrijwilligers (Natuurpunt). In Wijmeers wordt er een meetnet opgezet dat ook de effecten van de aanleg van de geplande vloedschaar kan beoordelen. Hiervoor is overleg lopende met UA, ANB, WL en DVW. Een basismonitoring van hoogteontwikkelingen is uitgevoerd en een basismonitoring van bodemdieren is uitgevoerd (september). Deelonderzoeken
Status
Rapportage projectmonitoring & evaluatie brestypes: Jaar 1 - Lillo
Voorziene planning Januari december
Projectmonitoring Wijmeers, Lillo en Fasseit
Januari december
Afgerond
3.2.3.3
Opm.
Lopende
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
3.2.4 Case studies dijkvegetaties 3.2.4.1
Doelstellingen
● Evaluatie en toepasbaarheid van alternatieve dijkinrichtingen. Via een experimentele proefopzet wordt nagegaan of en hoe de doelvegetaties zich ontwikkelen op een cementdijk en op een kalkdijk zodat ze voldoen aan de specifieke kwaliteitsdoelstellingen. Het doel is om enerzijds hun waarde als alternatief in te schatten, anderzijds advies m.b.t. tot inrichting en beheer te formuleren. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 33 van 93
● Remediëring van een sulfaatdijk. Gelijkaardige doelen worden gesteld bij het experiment waar de sulfaatdijk behandeld wordt met groencompost en dit op korte en lange termijn (het lange termijndoel is afhankelijk van de resultaten van de korte termijndoelen). Bovendien wordt opgevolgd hoe de bodemsamenstelling, in het bijzonder het sulfaatgehalte en pH, wijzigen in de tijd. 3.2.4.2
Stand van zaken
In Vlassenbroek is een dijk aangelegd die integraal bestaat uit gecementeerd materiaal (i.e. cementdijk). Ook wordt geëxperimenteerd door ongeschikte klei te behandelen met kalk zodat de klei wel voldoet aan de civieltechnische vereisten en gebruikt kan worden bij de aanleg van een dijklichaam (i.e. kalkdijk). Een experiment zal worden opgezet om te testen of de doelvegetatie (Type 1 Soortenrijk grasland of Type 2 Soortenrijk glanshavergrasland) zich ontwikkelt bij deze inrichtingsalternatieven. De uitvoering van het experiment heeft evenwel vertraging opgelopen. Gezien de kalkdijk pas is aangelegd op het einde van het jaar was opvolging nog niet mogelijk. De locaties waar de dijk enkel uit gecementeerd materiaal bestaat zijn moeilijk te achterhalen waardoor dit onderzoek geheroriënteerd zal moeten worden. Langs de Zeeschelde tussen het Noordkasteel en Fort Filip (rechteroever) ontwikkelt zich op de dijk geen grasmat. Het kale dijktalud is hierdoor onderhevig aan erosie. Uit bodemanalyses bleken de gehaltes aan sulfaat bijzonder hoog met een navenant lage pH tot gevolg. Uit een ex situ zaai-experiment bleek dat toevoeging van groencompost de ontwikkeling van een grasmat mogelijk kan maken. Een in situveldexperiment is opgezet, waarbij de behandeling op iets grotere schaal is toegepast met verschillende types groencompost (4 verschillende behandelingen, 2 toegepast in nov. ’17 (behandeling 1 en 2) en 2 toegepast in april ’18 (behandeling 3 en 4)). Dit experiment is gedocumenteerd door voor elke behandeling 3 proefvlakken (replica’s) af te bakenen. Ook zijn 2 referentiesites geselecteerd waar ook telkens 3 proefvlakken zijn uitgezet maar waar geen groencompost is toegevoegd (behandeling 5 en 6). Van elk proefvlak is een vegetatieopname gemaakt en is de bedekking als proxy voor de erosiebestendigheid ingemeten aan de hand van de raammethode. Ook de worteldichtheid is gemeten middels de handmethode. Deze methode is iets aangepast omdat het door de te losse bodem niet lukte om ongestoorde bodemcores te nemen. In elk van de 18 proefvlakken (6 treatments x 3 replica’s) is ook de biomassa bepaald en zijn bodemstalen geanalyseerd. Deelonderzoeken Vegetatieopvolging sulfaatdijk Wortelonderzoek sulfaatdijk Opvolging cement- en kalkdijk
Voorziene planning Juni - juli Juni - juli Januari december
Status
Opm.
Afgerond Afgerond Gepland
(1)
Opmerkingen bij tabel: (1): proefopzet is vertraagd. Grondwerken zijn pas in het najaar uitgevoerd. 3.2.4.3
Onderzoeksresultaten
Op de kalkdijk is nog geen onderzoek gebeurd omdat de werken nog niet waren uitgevoerd. In 2019 lag de focus vooral op de sulfaatdijk.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 34 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Op de sulfaatdijk zijn de hoogste bedekkingen gemeten in behandeling 2 en in mindere mate in behandeling 1. Bij behandeling 2 is zelfs de doelstelling van 70% gehaald. Veel lagere bedekkingen zijn gemeten in behandeling 3 en 4 (ca. 20%) en zeker bij behandeling 5 en 6 (ca. 6%, Figuur 11). Hetzelfde patroon van de bedekkingen is herkenbaar in de metingen van de worteldichtheid (= aantal wortels per volume-eenheid). De hoogste dichtheden zijn geteld bij behandeling 1 en 2, de laagste bij behandeling 5 en 6. Behandeling 3 en 4 nemen een tussenpositie in. Logischerwijs neemt het aantal wortels af in de diepte maar toch blijven behandeling 1 en 2 hoger scoren dan behandeling 3 en 4 en zeker hoger dan behandeling 5 en 6 (Figuur 12).
Figuur 11. De gemiddelde bedekking per behandeling (treatment) op de sulfaatdijk (Treat 1 en 2 zijn behandeld met groencompost in nov. '17, Treat 3 en 4 in april '18, Treat 5 en 6 zijn niet behandeld). De rode lijn heeft het doel aan, met name een bedekking van 70%).
Figuur 12. Gemiddelde worteldichtheid (aantal/volume-eenheid) in functie van de diepte ten opzichte van het maaiveld van de verschillende behandelingen of treatments.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 35 van 93
Op basis van deze voorlopige resultaten die evenwel nog verder moeten geanalyseerd worden, kunnen we onder voorbehoud besluiten dat het toevoegen van groencompost een remedie kan zijn om een grasbekleding te ontwikkelen op de sulfaatdijk. Het moment van toepassen speelt mogelijks een rol. Behandeling 3 en 4 zijn namelijk toegepast in het voorjaar en scoren slechter in vergelijking met behandeling 1 en 2 dat in het najaar is uitgevoerd. Bij behandelen in het voorjaar is de kans namelijk groter dat er blootstelling is aan klimatologisch ongunstiger omstandigheden om een grasbekleding te ontwikkelen (droger, warmer). Anderzijds moeten we er ook rekening mee houden dat sulfaatgehaltes aan rivierzijde van de dijk waar behandeling 3 en 4 zijn toegepast, hoger zijn dan aan landzijde waar behandeling 1 en 2 zijn toegepast.
3.2.5 Bijdrage van de Sigmagebieden aan de vispopulaties in de Zeeschelde 3.2.5.1
Doelstellingen
DVW wenst te evalueren of en hoe de reeds ingerichte Sigmagebieden bijdragen tot het verbeteren van habitatstructuurkwaliteit voor vissen, de KRW visindex en de realisatie van de IHD-z instandhoudingsdoelstellingen mbt visgemeenschappen in het Zeeschelde bekken, en of eventuele bijsturing van inrichting deze bijdrage zou kunnen vergroten. Concreet zal worden nagegaan of en hoe de Sigmamaatregelen voor elk van de visgilden bijdragen tot de doelstellingen en of eventuele bijsturing van de inrichting hierin verbetering kan brengen. Het betreft GOG -GGG’s, ontpolderingen en aantakkingen. Onder dit project is ook reeds lopende monitoring van gebieden onder een gecontroleerd gereduceerd getij (GGG’s) geschoven. Deze gebieden staan in permanente verbinding met het estuarium en zijn potentieel luw leefgebied voor de visgemeenschappen in de Zeeschelde. Om de functie van de GGG’s voor de vispopulaties van de Zeeschelde te evalueren worden in opdracht van De Vlaamse Waterweg nv trends en veranderingen in de visgemeenschappen in GGG’s opgevolgd. 3.2.5.2
Stand van zaken
Twee overstromingsvlakten met gecontroleerd gereduceerd getij werden opgevolgd KBR en Zennegat. Trends in de visgemeenschappen werden bestudeerd aan de hand van elektrische en fuiknet staalnames alsook met kieuwnetten en bongonet. Deelonderzoeken Monitoring GGG’s (KBR & Zennegat)
3.2.5.3 ●
Voorziene planning Voorjaar najaar
Status
Opm.
Afgerond
Onderzoeksresultaten
Systeemmonitoring KBR
In 2019 voerden we twee viscampagnes, een in het voorjaar en een in het najaar, uit aan de uitlaatsluis in Kruibeke (Figuur 13).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 36 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Figuur 13. Het bemonsterde gebied aan het sluizencomplex in Kruibeke (2019).
De voorjaarscampagne werd in maart 2019 uitgevoerd. We plaatsten fuiken op 11 maart en haalden ze op na enkele uren. Dezelfde oefening werd herhaald op 12 maart en dan plaatsten we 4 fuiken voor enkele uren. Er was heel veel wind en kieuwnetten konden niet worden gebruikt. De geleidbaarheid was te hoog om elektrisch te vissen. In het najaar werd dezelfde methode toegepast op 2 en 3 september. Alle gevangen vissen werden gemeten en gewogen en opnieuw teruggezet. In het voorjaar van 2019 vingen we blankvoorn, brasem, giebel, karper, rietvoorn, snoekbaars, winde, brakwatergrondel, dunlipharder en zeebaars. We vingen ook steurgarnalen en Chinese wolhandkrabben. In het najaar vingen we baars, blankvoorn, brasem, giebel, karper, kolblei, paling, rietvoorn, roofblei, snoekbaars, spiering, winde, bot, dunlipharder en zeebaars. Opnieuw werden steurgarnalen en Chinese wolhandkrabben gevangen. ●
Systeemmonitoring Zennegat
In het GGG aan het Zennegat wordt de visfauna op verschillende locaties uitgevoerd (Figuur 14). We visten elektrisch in de vijver ZG3 (nieuwe locatie), in de Ringgracht (ZG4) en we plaatsen twee fuiken in een gracht nabij de Oude Dijle arm (ZG5). ZG2 en ZG3 waren of droog of ontoegankelijk. De voorjaarscampagne werd uitgevoerd op 21 en 22 maart 2019. De najaarcampagnes op 2 en 3 september werden op dezelfde locaties uitgevoerd. Resultaten voorjaar: In de vijver (ZG3) vingen we baars, bittervoorn, blankvoorn, blauwbandgrondel, giebel, kopvoorn, bot, brakwatergrondel en enkele Chinese wolhandkrabben. In de Ringgracht vingen we tiendoornige stekelbaars, blankvoorn, blauwbandgrondel, bot, brakwatergrondel en een Chinese wolhandkrab. In de gracht vingen we volgende soorten: tiendoornige stekelbaars, driedoornige stekelbaars, baars, bittervoorn, blankvoorn, blauwbandgrondel, brasem, giebel, karper, paling, rietvoorn, winde en 25 Chinese wolhandkrabben.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 37 van 93
Resultaten najaar: We vingen in de vijver (ZG3) driedoornige stekelbaars, blauwbandgrondel en giebel. In de ringgracht vingen we enkel Chinese wolhandkrabben. In de gracht ZG5 vingen we met de fuiken volgende soorten: driedoornige stekelbaars, bittervoorn, baars, blauwbandgrondel, giebel, karper, paling, rietvoorn, spiering en zonnebaars. De grachten in het gebeid van het Zennegat herbergen een gevarieerder visbestand dan de poelen en de ringgracht. Het systeem is minder dynamisch en er is steeds voldoende water aanwezig.
Figuur 14. Locatie van de bemonsterde plas (ZG3), de Ringgracht (ZG4) en gracht (ZG5) in het GGG aan het Zennegat.
3.3 BEHEERVOORSTELLEN ZEESCHELDE - EFFECTGERICHT KLIMAAT ADAPTIEVE MAATREGELEN 3.3.1 Opmaak en opvolging slik - en schorrandbeheer 3.3.1.1
Doelstellingen
DVW overweegt om de huidige strategie van breuksteenbestortingen te herzien. Ze wensen af te stappen van de huidige vaste volumes breuksteenbestortingen per beheerdistricten en enkel nieuwe bestortingen aan te brengen na afwegingskader (beslissingsboom) op basis van criteria die de gevoeligheid van de oever weergeven en de impact van golf en waterkracht op de oevers in rekening brengen. Hiertoe stelt INBO een erosierisico-index op die gecombineerd met monitoring van de breuksteenzones en de dijktoestand (districten DVW) het onderhoud van de zones, de aanleg van nieuwe breuksteenzones en het beslissingstraject tot de eventuele aanleg van alternatieve oevers of onverdedigde zones kan ondersteunen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 38 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
De doelstelling van dit item is een antwoord bieden op volgende vragen: ● Welke oeververdediging wordt het best toegepast in de Zeeschelde op een bepaalde locatie indien er erosie van de slikken of schorrand wordt vastgesteld? ● Breidt het oeverbeheerplan op gemaakt voor de Boven-Zeeschelde uit naar de Beneden-Zeeschelde en verfijn de resolutie in de Boven-Zeeschelde. ● Monitoring van de onderhoudsnood – inspectie en up-to-date houden van het kaartmateriaal 3.3.1.2
Stand van zaken
Een conceptrapportage werd opgeleverd aan DVW in november en van commentaar voorzien in december door DVW en er liep een interne kwaliteitscontrole. Begin 2020 wordt het rapport afgerond. Deelonderzoeken
Voorziene planning Januari - Juni oktober
Status
Opm.
Aanpassingen beslisboom Afgerond Rapportage Lopend (1) Opmerkingen bij tabel: (1): Rapport opgeleverd in concept en kwaliteitsborging doorlopen eind 2019, afronding volgt in 2020. 3.3.1.3
Onderzoeksresultaten
Een kaartatlas werd gemaakt met een ruimtelijke resolutie van 50 m. De atlas geeft op basis van de beslisboom weer welk type oeververdediging kan toegepast worden en waar geen verdediging nodig is. In zones zonder verdediging verwachten we dat zich een nieuw slik-schor evenwicht kan instellen met natuurlijke gradiënten. Figuur 15 toont een voorbeeld uit de oeververdedigingsatlas.
Figuur 15. Voorbeeld van een kaartblad (kaart nr. 6) uit de oeververdedigingsatlas van de Zeeschelde. De atlas is een ondersteunend instrument om na te gaan welke ingreep ecologisch en qua stabiliteit mogelijk is op een bepaalde locatie indien er erosie is aan de schorrand.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 39 van 93
3.3.2 Opmaak en opvolging schorbeheerplan 3.3.2.1
Doelstellingen
Naar aanleiding van de vraag vanuit terreinbeherende verenigingen om ook in de schorgebieden van DVW beheerwerken uit te voeren, wenst DVW te weten welk schorbeheer nodig/gewenst is om optimaal bij te dragen aan het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen. Waar en hoe is actief beheer van schorvegetatie wenselijk om te evolueren naar een goede staat van instandhouding? Dit vergt een optimalisatie van beheerdoelstellingen van schorvegetaties in functie van de opmaak van managementplannen en de vigerende toetskaders. Een afwegingsmatrix op basis van vegetatiestandplaats (vegetatieresponsen), omgevingsanalyse (ifv omliggende Sigmagebieden), schormorfologie,… 3.3.2.2
Stand van zaken
Een concept rapport is nog in opmaak en wordt eind maart aan DVW opgeleverd ter commentaar. Deelonderzoeken Rapportage schorbeheerplan
3.3.2.3
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Lopend
Onderzoeksresultaten
Het schorbeheerplan vertrekt vanuit een ecosysteemvisie en stelt enkele algemene principes voorop, rekening houdend met de habitatkenmerken en typische componenten langsheen de estuariene gradiënten. Het studiegebied omvat de schorren langs de Zeeschelde, Durme en Rupel. Er worden twee grote zones onderscheiden: brakke en zoete schorren. Vervolgens worden binnen deze zones operationele beheereenheden gedefinieerd. Beheervoorstellen zijn gespecificeerd naar deze operationele beheereenheden. Het schorbeheerplan beoogt niet alleen optimale bijdrage aan de instandhoudings-doelstellingen in de zin van Natura 2000, maar houdt ook rekening met de Kaderrichtlijn water, de Vlaamse natuurwetgeving en tracht de ecosysteemdiensten van de schorren van de Zeeschelde te optimaliseren. Tevens wordt aandacht besteed aan het beheer van exotische plantensoorten. Per beheereenheid worden de evolutie van de vegetatie (1992-2013), de beheergeschiedenis, de kansen en bedreigingen en de aandachtspunten die volgen uit de wettelijke verplichtingen en ecosysteemdiensten toegelicht. Op basis daarvan worden suggesties voor beheer geformuleerd.
3.3.3 Opmaak en opvolging dijkbeheerplannen Afdeling Regio Centraal 3.3.3.1
Doelstellingen
Het beheer van dijkvegetaties is gestoeld op de beheervoorstellen die in eerste instantie voor elk district worden opgemaakt. Deze beheervoorstellen moeten het oppervlakte doelvegetatie maximaliseren omdat deze doelvegetatie de hoogste erosiebestendigheid kent, de laagste onderhoudskost en de hoogste ecologische waarde. In tweede instantie heeft de opvolging als doel na te gaan of er een toestandsverandering is opgetreden in het aandeel of oppervlakte van de doelvegetaties en niet-doelvegetaties. Ook het aandeel bomen en struiken wordt opgevolgd. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 40 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Specifieke kwaliteitsvariabelen zoals bedekking van de vegetatie, biomassaproductie en ecologische kwaliteitsindices van de vegetatie worden gemeten en geven een indicatie van de impact van het gevoerde beheer en worden getoetst aan de gestelde doelen. Vervolgens wordt een update van het beheervoorstel gegeven, gestoeld op de geactualiseerde vegetatiekaart. Aan invasieve plantenexoten die opgenomen zijn op de Unielijst, wordt speciale aandacht geschonken. 3.3.3.2
Stand van zaken
Voor het opstellen van een beheervoorstel voor de vegetatie op de dijken is de huidige toestand van de dijkvegetaties in kaart gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de begroeiing op land- en rivierzijde van de dijk, op de teen en kruin van de dijk. Naast de vijf onderscheiden vegetatietypes (soortenrijk grasland, soortenrijk glanshavergrasland, soortenarm glanshavergrasland, verruigd glanshavergrasland en brandnetelruigte) is ook aandacht besteed aan aanwezige bomen en struiken, net als aan rietvegetaties en exoten (bv. Japanse duizendknoop Fallopia japonica). Als doelvegetaties worden soortenrijk grasland en soortenrijk glanshavergrasland naar voor geschoven. Indien deze doelvegetaties reeds aanwezig zijn, wordt een onderhoudsbeheer geadviseerd. Dit kan bestaan uit maaiof begrazingsbeheer. Als ze nog niet aanwezig zijn, wordt een omvormingsbeheer voorgesteld, wat maaibeheer inhoudt. In eerste instantie is een beheervoorstel opgemaakt voor de dijken van district 1 en 2. In dit rapport is de alternatieve toetsingsmethode 2.0 voor bomen en struiken op dijken opgenomen nadat de opmerkingen van DVW hierin verwerkt zijn. Dit beoordelingssysteem resulteert in een score en is een hulpmiddel voor de waterbeheerder bij het beslissen of een boom of struik al dan niet gekapt of omgevormd moet worden. Het beoordelingssysteem brengt zowel de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de boom in rekening. Het rapport voor district 1 en 2 is definitief gepubliceerd. Bovendien is input geleverd aan DVW bij het omzetten van deze beheervoorstellen naar concrete beheerplannen. Ook is een opleiding gegeven aan de medewerkers van district 1 en 2. De dijkvegetaties van district 3 (Grote Nete, Kleine Nete) en district 4 (Zenne, Dijle, Demer) zijn geïnventariseerd in 2015, 2016 en 2017. De GIS-bestanden zijn opgemaakt en de rapportage is lopende. Een overleg met de districtshoofden moet belegd worden, zodat kan overgegaan worden tot het rapporteren van het beheervoorstel voor district 3 en 4. Ook het beheervoorstel voor de ringrijken van de gecontroleerde overstromingsgebieden langs het Schelde-estuarium zal gerapporteerd worden. Speciale aandacht is geschonken aan de invasieve duizendknopen (Fallopia spp.) door een opleiding op het terrein te organiseren voor DVW Afdeling Regio Centraal, zowel voor de dienst Beheer als voor de dienst Investeringen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 41 van 93
Deelonderzoeken Eindrapportage (district 1 en 2) Verwerking en rapportage (district 3) Verwerking en rapportage (district 4)
Voorziene planning Januari - juni Januari december Januari december
Status
Opm.
Afgerond Lopend Lopend
3.4 MONITORING EFFECTEN ONTWIKKELINGSSCHETS ZEESCHELDE MONEOS 3.4.1 Hogere planten MONEOS 3.4.1.1
Doelstellingen
Monitoring van de schorvegetaties heeft als doelstellingen het opvolgen van de ruimtelijke spreiding van schorvegetaties in het Schelde-estuarium en de temporele verandering ervan, alsook de opvolging van de veranderingen van de kwaliteit van de schorvegetaties in het Schelde-estuarium. Ook wordt nagegaan welke omgevingsvariabelen de variatie in de vegetatie bepalen en hoe hun wijzigingen gekoppeld zijn aan veranderingen in de vegetatie. De vegetatieopnames van de permanente kwadraten, aangevuld met losse vegetatieopnames dienen als input om invulling te geven aan verschillende regionale en internationale evaluatiekaders (KRW, Natura 2000, T-rapportages Schelde-estuarium). Op basis van de ingezamelde gegevens zal getracht worden om een antwoord te geven op volgende vragen: ● Welke veranderingen treden op in de schorvegetaties? ● Treden er verschuivingen op in de zoet-zout-gradiënt die zich vertalen in areaalverschuivingen van indicatorsoort(en)? ● Treden verdroging en bijhorende verruiging van de schorren op, in de hand gewerkt door toenemende hydrodynamiek en sedimentatie? 3.4.1.2
Stand van zaken
De permanente kwadraten langs de Zeeschelde en Durme zijn uitgezet in 1995. Sindsdien worden ze 3jaarlijks opgevolgd, al is deze frequentie laatst gewijzigd naar 6-jaarlijks. In de nazomer van 2019 zijn opnieuw vegetatieopnames gemaakt van de permanente kwadraten (PQ) in het zoet- en brakwatergetijdengebied. In de winter en vroeg voorjaar zijn alle PQ’s topografisch opgemeten om veranderingen in de hoogte te linken aan overstromingskarakteristieken en vegetatieveranderingen. Bovendien zijn op een drietal schorren (Kijkverdriet, Schor Vlassenbroek, Schor aan de Durmemonding) raaien van peilbuizen uitgezet om het hydrologisch functioneren van een schor-geulsysteem te doorgronden. Dit is een eerste stap in het verdrogingsonderzoek op de schorren. Telkens is een raai van peilbuizen uitgezet loodrecht op de schorrand op 1-2-4-8-16-32 meter van deze schorrand en een tweede raai loodrecht op een schorgeul. In elke peilbuis is een automatische druksensor opgehangen waaruit de grond- en oppervlaktewaterstanden kunnen berekend worden. De metingen lopen continu door.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 42 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Ter hoogte van de geplande dijkwerken in Wichelen zijn de populaties van driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) ingemeten met RTK-GPS; dit ter voorbereiding van de transplantatie. Ook is gestart met het zoeken naar geschikte locaties waar deze transplantatie kan gerealiseerd worden. Deelonderzoeken Topografisch opmeten PQ Vegetatieopnames PQ Schorhydrologie Transplantatie driekantige bies 3.4.1.3
Voorziene planning Januari maart Augustus oktober Maart december Mei december
Status
Opm.
Afgerond Afgerond Lopend Lopend
Onderzoeksresultaten
Op de zoetwaterschorren zijn in augustus en september vegetatieopnames gemaakt van 147 permanente kwadraten (Foto 4). Aansluitend zijn in september en oktober vegetatieopnames gemaakt van 96 permanente kwadraten op de brakwaterschorren.
Foto 4.
Vegetatie van melkkruid (Glaux maritima) in PQ244 op Ketenisseschor (17/10/2019).
In totaal zijn langs de projectzone 25 populaties van driekantige bies gevonden met een totaal oppervlakte van 216 m² (Figuur 16). De grootste populatie kent een oppervlakte van 64,2 m², de kleinste 0,1 m². Gemiddeld hebben de populaties een oppervlakte van 8,6 m² maar de mediaan bedraagt slechts 2,2 m² omdat er vooral veel kleine populaties zijn. Het merendeel (80%) van de populaties groeit op gestapelde breuksteen, wat overeenkomt met een oppervlakte-aandeel van 60,4%. 85,4 m² of 39,6% van het oppervlakte aan driekantige bies heeft zich ontwikkeld op losse breukstenen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 43 van 93
Figuur 16. Situering van de 25 populaties driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) die geconcentreerd voorkomen in de projectzone, aangeduid als Zone1 en Zone2.
3.4.2 Vegetatiekartering MONEOS 3.4.2.1
Doelstellingen
Monitoring van de schorvegetaties heeft als doelstellingen het opvolgen van de ruimtelijke spreiding van schorvegetaties in het Schelde-estuarium en hun temporele verandering, alsook de opvolging van de kwaliteit en de temporele verandering van de schorvegetaties in het Schelde-estuarium (zie Hogere planten). De data verzameld binnen de monitoring van de schorvegetatie wordt aangewend ter implementatie en evaluatie van regionale doelstellingen en Europese richtlijnen (Natura 2000, KRW) in estuaria en dient als input voor de T-rapportages Schelde-estuarium. 3.4.2.2
Stand van zaken
Voor de vegetatiekaart van 2013 van het Schelde-estuarium is dezelfde methode gehanteerd als voor de vegetatiekaart van 2003 waardoor deze een-op-een vergelijkbaar zijn. Op basis van de orthofoto’s (FCIR) worden fotografische eenheden afgebakend die in het veld worden gecontroleerd en benoemd. Aldus wordt aan elke homogene vegetatie-eenheid een formatie (bos, struweel, ruigte, rietland, grasland, pioniers, biezen) toegewezen en worden de aspectbepalende soorten genoteerd met hun bedekkingsklasse. Met behulp van een conversietabel wordt deze kaart omgezet in een vegetatiekaart met de verschillende vegetatietypes als eenheden. Bovendien kan deze vegetatiekaart worden omgezet naar een habitatkaart welke een beeld geeft van het voorkomen en de verspreiding van de Europees beschermde habitattypes in het Schelde-estuarium.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 44 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
De definitieve vegetatiekaart van de Beneden-Zeeschelde is gepubliceerd in het datarapport van 2016; deze van de Boven-Zeeschelde, Durme, Rupel en Tijarm in het datarapport van 2018. De definitieve vegetatiekaart van de getijdenafhankelijke Grote Nete, Kleine Nete, Dijle en Zenne kon nog niet gepubliceerd worden omdat nog enige aanpassingen moeten gebeuren. Een deel van deze aanpassingen zijn doorgevoerd in de eerste helft van het jaar. De definitieve afwerking laat nog even op zich wachten omdat prioriteit diende gegeven te worden aan andere projecten. In de zomer van 2019 zijn nieuwe luchtbeelden gemaakt van het Schelde-estuarium (Zeeschelde, Durme, Rupel, functionele GGG’s) die als basis dient voor de opmaak van een nieuwe vegetatiekaart (toestand 2019). Input voor het bestek van de luchtbeelden is aangeleverd. Ook is input gegeven bij de vluchtschema’s. Deelonderzoeken Vegetatiekaart Zenne, Nete, Dijle Verwerking en rapportage
Voorziene planning Januari december Januari december
Status
Opm.
Lopend Gepland
3.4.3 Hyperbenthos MONEOS 3.4.3.1
Doelstellingen
Dit luik omvat onderzoek naar bodem-geassocieerde fauna (hyper- en epibenthos) aan de hand van systeemmonitoring (april-okt). De monitoring wordt aangevuld met methode-ontwikkelend onderzoek naar de relatief nieuwe functionele rol van deze fauna binnen het ecosysteem. De verspreiding en temporele evolutie van het epi- en hyperbenthos wordt opgevolgd door het bepalen van dichtheden, biomassa, soortenrijkdom en soortensamenstelling. De gegevens dienen als input voor de T-rapportages Schelde-estuarium. 3.4.3.2
Stand van zaken
De jaarlijkse datalevering aan het VLIZ-Scheldemonitor werd uitgevoerd in mei. De monitoring loopt volgens planning. Een integrerende rapportage in de vorm van een samenvattend artikel en een oplegnotitie (rapportage binnen de VNSC) werd gemaakt. Deelonderzoeken Data rapportage campagne 2018 Bemonstering campagne 2019 Laboverwerking campagne 2019
Voorziene planning Juni April oktober oktober – april December
Status
Opm.
Afgerond Afgerond
(1)
Lopend
Integrerende rapportage (artikel) Lopend (2) Opmerkingen bij tabel: (1): In 2019 was er enkel datalevering aan het VLIZ. (2): Er werden twee outputs gerealiseerd: ● Een wetenschappelijk artikel. De Neve L., Van Ryckegem G., Vanoverbeke J., Van de Meutter F., Van Braeckel A., Van den Bergh E., Speybroeck J. (submitted). Hyperbenthos in the upper reaches of the Scheldt estuary (Belgium): an indispensable trophic link re-established. Estuarine Coastal & Shelf Science. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 45 van 93
●
Van het desbetreffende artikel werd een begeleidende Nederlandstalige nota geschreven. Deze wordt begin 2020 ingediend. Van de Meutter et al. (2020). Hyperbenthos in de Zeeschelde: toestand, verspreiding, seizoenale variatie en belangrijke sturende factoren van een nieuwe belangrijke schakel in het voedselweb. Nota van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
3.4.3.3
Onderzoeksresultaten
Voor het eerst werd een analyse gemaakt van de meerjarige hyperbenthos monitoring van het INBO. Hyperbenthos is een grotendeels nieuwe organismengroep in de Zeeschelde die verscheen nadat het Scheldewater weer zuurstofrijk werd. De huidige samenstelling, densiteiten en seizoenaal gebruik van het Zeeschelde deel van het estuarium is vergelijkbaar met andere Europese estuaria wat wijst op een goed herstel van de gemeenschap. Het seizoenaal verloop van soorten en het veranderen van de grootte en het gewicht van de soorten wijst er duidelijk op dat de Zeeschelde een belangrijk opgroeigebied is voor hyperbenthos. Dit is zeer belangrijk omdat hyperbenthos op een efficiënte manier de geproduceerde algen en het zwevend organisch materiaal kan opnemen en de energie doorgeven aan hogere trofische niveaus (vissen, vogels) waarvoor zij een belangrijk prooi-item geworden zijn. Dit geldt met name voor het zoete deel van de Zeeschelde waar ’s winters nauwelijks hyperbenthos aanwezig is, maar waar tijdens de zomermaanden de bulk van het hyperbenthos opgroeit. In de brakke zone stroomafwaarts van Antwerpen is er jaarrond hyperbenthos aanwezig waardoor deze zone als opgroeigebied en ook als overwinteringsgebied fungeert. In de nota wordt verder ingegaan op het belang van bovenafvoer en hoeveelheid zwevende organische stof voor het voorkomen van hyperbenthos.
3.4.4 Macrozoöbenthos MONEOS 3.4.4.1
Doelstellingen
Dit luik omvat onderzoek naar ongewervelde bodemfauna (macrozoöbenthos). De systeemmonitoring zorgt voor een jaarlijkse vinger aan de pols van de voornaamste voedselbron aanwezig in de slikken voor vis en vogels. De data verzameld binnen de monitoring van de bodemdieren wordt aangewend ter implementatie en evaluatie van regionale doelstellingen en Europese richtlijnen (KRW) en dient als input voor de T-rapportages Schelde-estuarium. 3.4.4.2
Stand van zaken
Alle staalnames zijn zonder problemen kunnen doorgaan. De voorgaande campagne van 2018 werd volledig verwerkt. Deelonderzoeken Data rapportage campagne 2017 Bemonstering campagne 2019 Laboverwerking campagne 2018
Voorziene planning mei - juni September oktober Januari september
Status
Opm.
Afgerond Afgerond
(1)
Afgerond
Opmerkingen bij tabel: (1): In 2019 was er enkel datalevering aan het VLIZ. 3.4.4.3
Onderzoeksresultaten
Er werd in 2018 enkel een datalevering voorzien. Een gedetailleerde verwerking van de gegevens is voorzien voor 2020 (sediment, zie verder) en 2021 (macrobenthos). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 46 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.4.5 Sedimentsamenstelling MONEOS 3.4.5.1
Doelstellingen
Sediment samenstelling is een verklarende parameter voor de beschrijving van de toestand en trend van bodemdieren. Bovendien dient de stratified random staalname als lithologische basisdata om de sedimentbalans van het estuarium op te stellen. De sediment data verzamelt door het INBO is het enige systematische bodemmeetnet van korrelgrootte. In het licht van de huidige interesse in de sedimenthuishouding is deze dataset bijzonder relevant en een verklarende parameter voor waargenomen trends. Vanaf 2018 worden naast het gerandomiseerde monitoringsnet (zie macrozoöbenthos) vaste staalnamelocaties langsheen intertidale raaien toegevoegd. Deze zullen toelaten een hogere graad van detail te verwerven over de geselecteerde slikgebieden en zullen beter zicht bieden op lokale trends en evoluties. Daartoe zal koppeling gemaakt worden met sedimentatieerosieprocessen via koppeling met de eveneens door INBO opgemeten hoogteprofielen (io aMT – MONEOS Habitats). De voornaamste vraag die we adresseren is welke trends/evoluties zijn waarneembaar in de sedimentkorrelgrootte en sedimentparameter ‘organisch materiaal’ temporeel (jaarlijks) en ruimtelijk longitudinaal langsheen de saliniteitsgradiënt en lateraal langs de hoogtegradiënt in de Zeeschelde? 3.4.5.2
Stand van zaken
Deelonderzoeken Data rapportage campagne 2017 Bemonstering campagne 2019
Voorziene planning mei - juni September oktober Januari
Laboverwerking campagne 2018 Opmerkingen bij tabel: (1): In 2019 was er enkel datalevering aan het VLIZ. 3.4.5.3
Status
Opm.
Afgerond Afgerond
(1)
Afgerond
Onderzoeksresultaten
Algemeen valt een grote spreiding op in de korrelgrootte en slibpercentages gemeten in de verschillende fysiotopen. Op basis van de boxplots geproduceerd als datacontrole en voor de eerstelijnsinterpretatie is er een toename te zien in het percentage slib in de intertidale bodems in de midden en hoge zone (Figuur 17).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 47 van 93
Figuur 17. Illustratie van de resultaten van de monitoring van de sedimentsamenstelling. % slib in de datapunten opgesplitst in 3 hoogteklassen in het intertidaal van de Zeeschelde (2008 -2017).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 48 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.4.6 Watervogels MONEOS 3.4.6.1
Doelstellingen
Opvolging van de toestand van de watervogels in het Schelde-estuarium. Het onderzoek legt de focus op het ontwikkelen van beleidsondersteunende instrumenten met watervogels als respons. Dit dient om de draagkracht van het systeem in de vingers te krijgen. De monitoring dient tot het evalueren van de toestand en trends in het Scheldesysteem en de natuurdoelstellingen geformuleerd in de instandhoudingsdoelstellingen Schelde-estuarium. De specifieke vragen die we onderzoeken zijn: ● Wat is de toestand en trend van de watervogels in de tijd en ruimtelijke in het estuarium? ● Wat is de bijdrage van natuurontwikkelingen? 3.4.6.2
Stand van zaken
De monitoring en de datalevering werd volgens planning uitgevoerd. De monitoringsresultaten werden uitgedragen door het geven van een presentatie op een themadag van de Grenzeloze Schelde (15/12), door de actualisatie van de natuurindicator – watervogels in de Zeeschelde en door vergelijking te maken van de trends in Sigmagebieden versus de trends in de Zeeschelde (presentatie – Wim Mertens; gepresenteerd als kennisdeling op bilateraal overleg DVW-INBO – Gunther Van Ryckegem). Deze drie rapportages zijn extra uitgevoerd. Deelonderzoeken Monitoring Datalevering Rapportages
Voorziene planning Januari december Mei Juli december
Status
Opm.
Afgerond
(1)
Afgerond Afgerond
(2)
Opmerkingen bij tabel: (1): In 2019 was er enkel datalevering aan het VLIZ. (2): rapportages: ● Van Ryckegem G. (2019). Natuurindicator Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Wintervogelpopulaties van internationaal belang (Zeeschelde) INBO.I.2019.369. https://www.inbo.be/nl/natuurindicator/wintervogelpopulaties-van-internationaal-belangzeeschelde ● Mertens W. (2019). Belang van Sigmagebieden voor overwinterende watervogels. Projectgroep Natuur en Landschap Sigma (presentatie). ● Van Ryckegem G. (2019). De Schelde – een overwinteringshotel voor watervogels. Boottocht Grenzeloze Schelde – 15 december 2019. (presentatie). 3.4.6.3
Onderzoeksresultaten
In 2019 werden de resultaten samengevat over de trends van de watervogels in de Sigmagebieden versus de trends in de Zeeschelde (Figuur 18). Deze werden gepresenteerd op de projectgroep Natuur en Landschap Sigma. En zeer bondig samengevat hieronder.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 49 van 93
De aantallen watervogels in de Zeeschelde (inclusief de Sigmagebieden) tonen een sterke toename tot 2001-2002 en nadien een even sterke afname tot in 2010, waarna er min of meer een stabilisatie optreedt. De aantallen in 2017 verschillen niet significant van deze begin jaren 90 van vorige eeuw. Ook in Vlaanderen pieken de aantallen watervogels in 2001-2002, maar de daaropvolgende daling is veel minder uitgesproken, mogelijk is deze geheel te verklaren door de daling in het Zeescheldegebied. Het totaal aantal watervogels in de Sigmagebieden stijgt in de periode 1990 – 2000 geleidelijk, de stijging versnelt aanzienlijk na 2005. Het aantal wintertalingen stijgt sterk in de Sigmagebieden de laatste jaren, het aandeel van de Sigmagebieden in de Zeescheldepopulatie stijgt nog sterker. Dit is te verklaren dat de aantallen in het estuarium de laatste 10 jaar sterk dalen terwijl ze in de Sigmagebieden toenemen. In seizoen 2017/2018 zaten er even veel wintertalingen in de Sigmagebieden als in de rest van het volledige estuarium, ongeveer 35% van de Zeescheldepopulatie of 15% van de Vlaamse populatie. In welke Sigmagebieden zitten die wintertalingen dan? Sinds ca. 2010 toename in Noordelijk gebied (haven) en in mindere mate ook KBR, sinds 2013 ook sterke toename in cluster KM (Bergenmeersen), in Burchtse Weel (piek in 20142015, 3 jaar na instellen van getij) en in 2017/2018 ook in Dijlemonding.
A
C
B
D
Figuur 18. Patronen van de watervogelaantallen in het Schelde-estuarium. A. Gemiddeld aantal watervogels in de Zeeschelde (wintergegevens). B. Gemiddeld aantal watervogels in de Sigmagebieden (wintergegevens). C. Aantal wintertalingen in de deelgebieden. D. Het aandeel van de sigmagebieden in het gehele Zeescheldegebied.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 50 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.4.7 MONEOS evaluatie en integratie 3.4.7.1
Doelstellingen
Binnen dit luik wordt gewerkt aan 2de lijnsanalyse van de MONEOS-resultaten. Deze analyses zullen trachten de onderlinge correlaties en verbanden te leggen met biotische en abiotische veranderingen in het systeem. Hierbij zal de focus liggen op het toepassen en verbeteren van de systeemevaluatie (EMSEcriteria). 3.4.7.2
Stand van zaken
In 2019 werd door een personeelsverschuiving (Jeroen Speybroeck verandert van thematische klemtoon) nauwelijks inzet gepresteerd op dit project. Er werd gestart met het herwerken van de factual datarapportage volgens de filosofie besproken in de fiche van dit item. Het zal de doelstelling zijn van de komende factual datarapportage om maximaal de evaluatie toe te passen zoals deze voorzien is volgens de Evaluatiemethodiek Schelde-estuarium. In 2019 werd een eerste aanzet gemaakt van een R-script om dit te realiseren. Deelonderzoeken Rapport met toepassing en aanbeveling voor de Evaluatiemethodiek Scheldeestuarium
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Lopende
3.5 ONDERSTEUNING KENNIS- EN PROJECTGROEPEN 3.5.1 Ondersteuning projectgroepen Vlaams Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) 3.5.1.1
Doelstellingen
Onder de auspiciën van de Vlaams Nederlandse Scheldecommissie is een internationale werkgroep opgericht, werkgroep Onderzoek en Monitoring (O&M). De werkgroep zorgt voor een gecoördineerde onderzoeks- en monitoringsstrategie voor het volledige Schelde-estuarium (NL-VL). Onder deze structuur werden verschillende projectgroepen opgericht. Vanuit de expertise van de onderzoeksmedewerkers levert INBO input in verschillende projectgroepen (Gunther Van Ryckegem). We leveren onze data aan de Scheldemonitor, bouwen mee aan een goed functioneerde MONEOS-monitoring door regelmatige afstemming van lopende monitoring en onderzoek. We leveren input bij lopende rapportages en treden op als kwaliteitsborgers (revisie). 3.5.1.2
Stand van zaken
In 2019 werd door het INBO expertondersteuning geboden voor de herwerking van de evaluatiemethodiek Schelde-estuarium meer bepaald werd input gegeven op verschillende workshops tot de uitwerking van de verhaallijnen. De ondersteuning op dit item was minder in 2019 dan begroot door de herstructuring van de VNSC en het traag op gang komen van een nieuw aangesteld consortium om de herwerking van de evaluatiemethodiek uit te werken. Het minwerk gepresteerd op deze post werd geïnvesteerd in het meerwerk op het item van de Sigma-ondersteuning.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 51 van 93
Deelonderzoeken Advisering en expertinbreng
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Afgerond
(1)
Opmerkingen bij tabel: (1): Voorbereiding workshops, input in verslaggeving, deelnames aan verscheidene vergaderingen (zie onder). 3.5.1.3
Onderzoeksresultaten
Geen specifieke onderzoeksresultaten in 2019.
3.5.2 Kennisnetwerk dijken - Zeeschelde 3.5.2.1
Doelstellingen
De samenwerkingsovereenkomst tussen verschillende waterbeheerders en onderzoeksinstellingen beoogt volgende hoofddoelstellingen waaraan het INBO in meer of mindere mate bijdraagt in functie van de expertise: ● uitbouwen van een gemeenschappelijk kennisnetwerk voor dijk- en oeverbeheer in Vlaanderen; ● ondersteunen bij de zorgplicht van de beheerders, door het ontwikkelen van algemene richtlijnen en beheerstrategieën; ● opzetten en onderhouden van optimale communicatielijnen tussen de betrokken partners; ● opbouwen van een kenniscentrum dijkenbeheer met GEO, WL en INBO als kennisbeheerders en – schakelaars, AGIV (of diens rechtsopvolger) als technisch ondersteunende dienst en DVW, MDK en VMM als dataleveranciers en kennisgebruikers; ● methodologisch onderzoek naar het faalgedrag van dijken en het beproeven van innovatieve dijkmonitoringstechnieken; ● professionaliseren, uniformeren en afstemmen van het dijk(data)beheer door het uitwerken van een geïntegreerd IT-project. 3.5.2.2
Stand van zaken
Binnen het Kennis Netwerk Dijken Vlaanderen is input gegeven tijdens de stuurgroepvergadering en tijdens de enige werkgroepvergadering Waterrand van 2019. Ook is expertise geleverd bij de dijkdoorbraak tussen het Schipdonkkanaal en Leopoldkanaal in Damme. Deelonderzoeken Kennisnetwerk Dijken Vlaanderen
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Afgerond
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 52 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.6 NATUURVRIENDELIJKE OEVERINRICHTING IN NIET-GETIJGEBONDEN WATERWEGEN De doelstellingen voor dit project vormen ecologische advisering en onderzoek rond oeverinrichting van bevaarbare waterwegen ter ondersteuning van strategische totaalprojecten en ten behoeve van inrichting en beheer. Het onderzoek gaat de ecologische performantie van bestaande oeverinrichtingen langs bevaarbare waterwegen na. Hiervoor worden oeverinrichtingen opgevolgd en geëvalueerd waarbij mogelijke aanpassingen in ontwerp of uitvoering kunnen worden voorgesteld. De focus omvat verschillende soorten oeverinrichtingen waaronder vooroevers, plasbermen of fauna-uitstapplaatsen.
3.6.1 Ecologische opvolging, evaluatie en advisering (voor)oeverzones Seine-Schelde 3.6.1.1
Doelstellingen
Doel is het in kaart brengen van de natuurwaarden in het pand 140 (Deinze-Sint-Baafs-Vijve) voor de uitvoering van de kalibratiewerken (T0 meting). In concreet wordt gefocust op volgende vragen: ● Wat is soortensamenstelling van de visgemeenschap? Welke abundantie en/of lengteverdeling komt voor bij verschillende types oeververstevigingen? Zijn er verschillen in abundantie en/of lengteverdeling waarneembaar tussen de verschillende types oeververstevigingen? ● Welke bermvegetaties komen voor? ● Komen rietvogels tot broeden? Zo ja, welke soorten en op welke locaties? ● Komt oeverzwaluw tot broeden? Zo ja, op welke locaties en met welke aantallen? ● Welke soorten graslandvlinders komen voor? ● Wat is het belang van de Leie(bermen) als foerageerroute of trekroute voor vleermuizen? Welke soorten maken gebruik van de Leie(bermen)? Welke trajecten zijn belangrijk? 3.6.1.2
Stand van zaken
In 2018 zijn in het pand 140 veldinventarisaties verricht van vissen, vleermuizen, rietbroeders, oeverzwaluw, graslandvlinders en bermvegetaties. In 2019 zijn de veldgegevens gedigitaliseerd, verwerkt en gerapporteerd (Van Kerckvoorde, Vermeersch & Everaert, 2020). Het ontwerprapport is bezorgd aan DVW, via mail op 18 december 2019 gericht aan Jeroen Van Waeyenberge. Voor de opmaak van het project-MER vroeg DVW om ruwe data en tussentijdse verwerking door te geven. Deze gegevens zijn aangeleverd per mail naar Jeroen Van Waeyenberge op 30 juni 2019. Op 3 april en 25 oktober vond het expertenoverleg plaats in functie van het Rivierherstel Leie waaraan INBO (Sophie Vermeersch en Andy Van Kerckvoorde) deelnam.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 53 van 93
Deelonderzoeken Deelonderzoek bermvegetatie Deelonderzoek vis Deelonderzoek broedende rietvogels Deelonderzoek oeverzwaluw Deelonderzoek vleermuizen
3.6.1.3
Voorziene planning Januari december Januari december Januari december Januari december Januari december
Status
Opm.
Afgerond Afgerond Afgerond Afgerond Afgerond
Onderzoeksresultaten
Aan de linkeroever bestaat 45% van de lengte van de berm aan de waterzijde en 78% van de lengte van de berm aan de landzijde uit doelvegetaties. Op de rechteroever bedraagt dit respectievelijk 32% en 85%. Doelvegetaties omvatten: gras-kruidenmix, glanshavergrasland en een mozaïek van graskruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel. In totaal werd in het pand 140 van de Leie 17 vissoorten gevangen. Betonoevers en oevers met asfaltmastiek vertonen lage lengtescores van vissen. Bij oevers met houtige, riet- en moerasvegetaties worden verschillende leeftijdsklassen van vissen waargenomen. Enkel kleine karekiet is als rietbroeder geïnventariseerd in het pand 140. In totaal zijn er 34 territoria vastgesteld. De territoria komen overeen met de gekende locaties van rietkragen. Er is één nestlocatie gevonden van oeverzwaluw, op de rechteroever zo’n 700 m stroomafwaarts Machelenbrug. De locatie telde 86 nestholtes, waarvan 45 bewoond. De bermen van pand 140 hebben een waarde voor graslanddagvlinders, want in alle 6 geïnventariseerde transecten werd bruin blauwtje, icarusblauwtje, oranje zandoogje en bruin zandoogje gevonden. In 4 transecten is zwartsprietdikkopje, een soort met Rode-Lijst categorie ‘kwetsbaar’, gevonden. Algemeen kan gesteld worden dat beide oevers over het volledige pand 140 een aanzienlijke waarde hebben voor vleermuizen. Met 10 waargenomen soorten, waaronder enkele zeldzame op niveau Vlaanderen (kleine dwergvleermuis, meervleermuis, bosvleermuis) scoort het pand 140 zeer goed. De hoge vleermuisactiviteit is het gevolg van het feit dat langs quasi het volledige traject van pand 140 op beide oevers bomen en/of struiken aanwezig zijn langs de waterkant (zowel spontane struiken als laanaanplantingen).
3.6.2 Abiotische en biotische kennisopbouw in plasbermen langs waterwegen 3.6.2.1
Doelstellingen
Uit afgelopen INBO-studies blijkt dat het ecologisch functioneren van plasbermen niet evident is. Om oorzaken te achterhalen zijn kennisintegratie en structurele dataverzameling van biotische en abiotische gegevens in plasbermen doelen. 3.6.2.2
Stand van zaken
Een eerste verkennend overleg met het Waterbouwkundig Laboratorium vond plaats in 7 juni 2019. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 54 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
In november en december is er werk gemaakt voor de oprichting van een kennisgroep natuurvriendelijke oevers. Samen met DVW zijn leden voorgesteld, bestaande uit mensen van DVW, VMM, WL, provincies, universiteiten, INBO en enkele Nederlandse experten. Eind december zijn de leden aangeschreven om te polsen naar hun bereidheid voor deelname. Deelonderzoeken Oprichten kennisgroep natuurvriendelijke oevers 3.6.2.3
Voorziene planning Januari december
Status
Opm.
Lopend
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
3.7 BEVERONDERZOEK 3.7.1 Onderzoek naar verplaatsingen en reacties op beheeringrepen van Bever Gezien het belang van het Dijlebekken voor bevers in Vlaanderen en de recente sterke toename van de soort in dit gebied, wordt al sinds enkele jaren hoge activiteit van bevers in het Dijlebekken vastgesteld. Waar de situatie langs de grens met Wallonië weinig risico’s inhoudt, zorgt de aanwezigheid van waterkerende dijken verder stroomafwaarts ten noorden van Leuven wel voor een hogere kans op schade door bevers. Door het graven van holen en gangenstelsels bestaat immers het risico op schade aan deze dijken, met eventuele overstromingen van de achterliggende gebieden tot gevolg. Hierbij rijst de vraag hoe groot deze risico’s zijn en in welke mate ze beheersbaar kunnen worden gemaakt. In de regio tussen Werchter en Muizen (Vlaams-Brabant), een traject van ongeveer 15 km, vraagt de situatie in de laatste jaren stilaan om ingrepen om verdere schade te voorkomen en bestaande schade te herstellen. Deze regio werd daarom door De Vlaamse Waterweg nv aangeduid als een zone waarin deze situatie moest worden onderzocht en geëvalueerd. Om meer inzicht te krijgen op de omvang van deze aantastingen, de aanwezigheid van bevers in het gebied en de manier waarop de bevers van dit gebied gebruik maken werd in 2017 een project in samenwerking met INBO opgestart. Doorheen het project werd het studiegebied verder uitgebreid op de Demer tot Betekom, goed voor een studiegebied met een rivierlengte van ongeveer 20 km. Dit onderzoek werd in 2019 afgerond en de bevindingen ervan vormen de inhoud van een rapport waarvan een eerste draftversie begin 2020 aan de Vlaamse Waterweg nv werd opgeleverd. 3.7.1.1
Doelstellingen
De concrete vragen die in dit onderzoek werden behandeld zijn: ● In welke mate is VHF-telemetrie een goed, haalbaar en efficiënt onderzoeksinstrument voor het beantwoorden van deze vragen? ● Hoeveel beverfamilies en individuele bevers zijn er naar schatting aanwezig? ● Hoe groot zijn de verschillende territoria en in welke mate is er overlap? ● Afgaande op aantallen en territoriumgrootte, wat is de draagkracht het systeem met inbegrip van aanpalende vijvers en meanders? ● Wat is de rol van de aanpalende meanders en in welke mate bepalen de karakteristieken ervan het gebruik door bevers? ● In welke mate kunnen preventieve maatregelen en/of strategisch beheer (bevers op geschikte locaties tolereren om erger te vermijden) bijdragen tot het beheersbaar maken van de risico’s?
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 55 van 93
Aanvankelijk zou in een tweede fase ook worden nagegaan hoe bevers reageren op preventieve maatregelen die genomen worden tegen schade aan de waterkerende dijken of op andere geplande maatregelen in het gebied zoals herstelwerken of het heraansluiten van oude meanders op de hoofdwaterloop. Omdat deze werken echter pas op het einde van de onderzoeksperiode werden uitgevoerd, op een moment waarop nog weinig bevers met een actieve zender in het gebied aanwezig waren, kon dit onderdeel niet rechtstreeks worden onderzocht. Het rapport geeft daarom in zijn conclusies enkel weer wat, op basis van de gedane observaties, de te verwachten reacties zouden zijn en doet vanuit die context aanbevelingen voor het verder beheer. 3.7.1.2
Stand van zaken
In 2019 werden aanvullend nog zeven bevers gevangen en gezenderd (tot 18/02/2019). Het veldwerk werd daarop voortgezet tot oktober 2019. In november en december werd de definitieve dataverwerking uitgevoerd en het eindrapport opgesteld. Van dit rapport werd in januari 2020 een eerste versie opgeleverd. Deelonderzoeken Veldwerk – verder opvolgen gezenderde dieren Veldwerk – bijkomend vangen en opvolgen dieren in zones met concrete maatregelen
Status Afgerond
Opmerking
Geannuleerd
Er werden voldoende dieren in het gebied gevangen om lokale verschillen te beschrijven en de bevindingen daaruit bieden al veel informatie en aanbevelingen. Bijkomend zenderen in functie van concrete maatregelen werd voorlopig geannuleerd maar kan later in functie van zeer concrete vragen nog opnieuw worden opgestart.
Labo-analyses – autopsies Rapportage – basistoestand + literatuurgegevens Rapportage – impact beheer
Afgerond
Bijkomende rapportage
Deels afgerond
3.7.1.3
Afgerond
Afgerond
Bevindingen rond beheerimpact werden, op basis van het algemeen veldonderzoek, opgenomen in het basisrapport en niet afzonderlijk gerapporteerd Bevindingen uit het basisrapport zijn voor een breder publiek verder verwerkt in een publicatie in het tijdschrift Zoogdier. Na oplevering van het basisrapport zal dit rapport aanvullend als webpagina worden gepubliceerd (waarbij bijvoorbeeld het kaartmateriaal interactief kan worden geraadpleegd).
Onderzoeksresultaten
Voor een bespreking van de onderzoeksresultaten verwijzen we naar het rapport dat, na goedkeuring en interne kwaliteitscontrole, in het voorjaar 2020 zal worden opgeleverd.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 56 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.8 BOMENONDERZOEK 3.8.1 Herstel van zachthout-ooibos met de Europese zwarte populier langs de Gemeenschappelijke Maas In 2001 en de jaren daar opvolgend, werd door INBO (toen IBW), in samenwerking met ir. Herman Gielen van De Vlaamse Waterweg nv. (toen nv De Scheepvaart), aanplantingen uitgevoerd van Europese zwarte populier (Populus nigra L.) langs de Gemeenschappelijke Maas. Dit had tot doel een bronpopulatie te creëren voor spontaan herstel van zachthout-ooibos met zwarte populier als sleutelsoort langsheen de Maas. Deze bomen hebben nu een leeftijd bereikt waarop ze zaden kunnen produceren. Deze zaden kunnen soort-zuiver zijn, of ze kunnen ook tot stand gekomen zijn door kruising met de Canadapopulier (P. x canadensis) of andere exotische populieren (P. x generosa), de in Vlaanderen frequent aangeplante, niet-inheemse soorten. 3.8.1.1
Doelstellingen
Met dit project wil men inzicht krijgen in de genetische herkomst van de zaailingen van populier met als finaal doel, na herstel van het habitat, opnieuw de Europees beschermde, waardevolle zachthout ooibossen (vochtige alluviale bossen, code H91E0) tot ontwikkeling te laten komen. Concrete vragen die beantwoord dienen te worden: ● Produceren de aanplantingen van Europese inheemse zwarte populier soort-zuivere, leefbare zaden? ● Van welke oorsprong zijn de kiemplanten van populier op de grindbanken? M.a.w. zijn de meeste zaailingen nog steeds afkomstig van exotische populieren zoals in de periode van vòòr de aanplantingen (vòòr 2001) van de inheemse zwarte populier? ● Welke beheeracties zijn aan te bevelen om de ontwikkeling van zachthout-ooibos met inheemse Europese zwarte populier als sleutelsoort te bevorderen langs de Gemeenschappelijke Maas? 3.8.1.2
Stand van zaken
Het voortgang van het project loopt zoals gepland. In Juni 2019 werden opnieuw zaden verzameld op 9 moederbomen en werden kiemexperimenten uitgevoerd. De grindbanken van de Maas in de buurt van de aanplant van zwarte populier werden onderzocht op zaailingen van populier. De labo-analysen werden opgestart. Er werd een infopaneel over het project geplaatst op locatie ‘De Groeskens’. Deelonderzoeken Veldwerk – verzamelen zaden op aanplantingen zwarte populier (Percelen Groeskens en Bichterweerd) / Kiemexperiment in serre
Voorziene planning Juni 2019 Juni 2019
Status
Opm.
Afgerond
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 57 van 93
Veldwerk - prospectie naar zaailingen populier op grindbanken en staalname van ongeveer 50-tal zaailingen (nemen bladstalen) Labo-analyse: identificatie van zaden en zaailingen op soortniveau (zuivere soort zwarte populier (Populus nigra), hybride soort (P. x canadensis of P. x generosa) of exotische soort (P. trichocarpa, P.deltoides). Raming totaal aantal stalen te analyseren: 200 + referentiemateriaal van de zuivere soorten (25 stalen) Methode: microsatellieten Data-analyse en rapportage
3.8.1.3
September 2019
Afgerond
1/10/2019 29/2/2020
Lopend
01/03/2020 30/03/2020
Gepland
Onderzoeksresultaten
Het kiempercentage van de zaden geoogst op de moederbomen was doorgaans wel laag (gemiddeld 2,9% op een totaal van 1492 zaden). Op de grindbanken werden honderden zaailingen gevonden (Foto 5), die op eerste zicht en op basis van de morfologie, afkomstig lijken te zijn van de zwarte populier. De eerste resultaten van de labo-analysen wijzen inderdaad in die richting. Dit wil zeggen dat de Europese zwarte populier met succes langs de Grensmaas werd geherintroduceerd. De soort plant zich voort in het gebied en genetische vervuiling door de exotische Canadapopulier lijkt minimaal of afwezig. Dit werd ook via een persbericht gecommuniceerd.
Foto 5.
Jonge zaailingen van populier op de grindbanken van de Grensmaas.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 58 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
3.9 MAASONDERZOEK 3.9.1 Natuurontwikkeling in functie van veiligheid en klimaatadaptief beheer langs de Gemeenschappelijke Maas 3.9.1.1
Doelstellingen
Het samengaan van beschermde natuur, zoals hardhoutooibos, zachthoutooibos en struweel, en hoogwaterveiligheid onder de scenario’s van klimaatverandering vormt een grote uitdaging langs de Grensmaas. Om de benodigde doorstroomcapaciteit in de vallei behouden mag de ‘ruwheid’ van de vegetatie een zekere drempel niet overschrijden. Deze ruwheid wordt sterk verhoogd door opgaande begroeiing zoals bos en struweel. De ontwikkeling hiervan wordt gestuurd door natuurlijke processen zoals overstroming en begrazing door grote grazers. Waar en in welke mate ooibos en struweel zal ontwikkelen is moeilijk te voorspellen, maar kan bijgestuurd worden via het gevoerde beheer. De opvolging van deze ontwikkeling in tijd en ruimte is dus van cruciaal belang voor zowel veiligheid als vanuit biodiversiteitsoogpunt. Voor het onderzoeksitem zijn er volgende onderzoeksvragen: ● Wat leveren de inrichting en het beheer op voor natuur en het functioneren van gebieden als overstomingsgebied (zelfstandig en als geheel). Hoe kan de biodiversiteit geoptimaliseerd worden (rekening houdend met de natuurdoelen) en tegelijkertijd de doorstroomcapaciteit gegarandeerd worden, welke toekomstige ontwikkelingen zijn te verwachten en hoe kan beheer en inrichting dit sturen? ● Inzicht in het procesgestuurd beheer langsheen de Grensmaas ontwikkelt kennis over de temporele en ruimtelijke ontwikkeling van structuurrijke gradiënten, gevarieerde microhabitats en hun kenmerkende microklimaten. Structuurrijke gradiënten dragen immers bij aan het weerbaarder maken van gebieden voor de effecten van klimaatverandering. 3.9.1.2
Stand van zaken
In de eerste helft van 2019 is de methodiek scherpgesteld. Zo zijn de te karteren ecotopen opgelijst en afgebakend op basis kenmerkende soorten, zijn de zeldzame ‘aandachtssoorten’ geselecteerd op basis van literatuuronderzoek, werd de methodieken voor veldwerk vastgelegd en zijn de deelgebieden voor het onderzoek afgebakend. In de zomer is veldwerk (kartering van ecotopen) uitgevoerd in HochterBampt en Kerkeweerd. Deelonderzoeken Scherp stellen van de methodiek Veldwerk ecotopenkartering
3.9.1.3
Voorziene planning Januari - juli Juli september
Status
Opm.
Afgerond Afgerond
Onderzoeksresultaten
De digitalisatie van de veldkartering te Hochter-Bampt en Kerkeweerd is in opmaak.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 59 van 93
3.10 AD HOC-OPDRACHTEN Er is gevraagd om de groeiplaatsen van invasieve plantensoorten en riet na te gaan langs het Afleidingskanaal van de Leie (te Deinze), op de weg te halen grond, aan de waterzijde van de nieuw aangebrachte oeververdediging (Van Kerckvoorde, 2019). Er is advies gevraagd omtrent de natuurwaarden ter hoogte van de oevers aan twee steigers langsheen de Damse Vaart (Van Kerckvoorde, 2019).
3.11 OVERLEGVERGADERINGEN 21/01/2019 Stuurgroep Kennisnetwerk dijken, Berchem (Bart Vandevoorde). 05/02; 05/03; 02/04; 07/05; 04/06; 17/09/2019 Werksessies projectgroep Evaluatie & Rapportage (1013u) – ondersteuning VNSC (Gunther Van Ryckegem). 05/02/2019 Kerngroep (14-17u) Onderzoek en Monitoring VNSC (Gunther Van Ryckegem). 25/02/2019: Waterrand-overleg, Antwerpen (Bart Vandevoorde). 27/02/2019: Voortgangsvergadering kalkdijk, Vlassenbroek (Bart Vandevoorde). 28/02; 15/03/2019 Overleg fietsersbrug Antwerpen: advisering met betrekking tot de ecologische waarde van de zone ter hoogte van de geplande fiets- en voetgangersbrug Antwerpen. (Gunther Van Ryckegem). Werkbank Over de Ring, Scheldebrug en balkon 25/6/2019 (Erika Van den Bergh). 30/03; 20/05; 24/06/2019 Expertoverleg GGG-Bunt, Hamme (Gunther Van Ryckegem). 03/04/2019 & 25/10/2019: Expertenoverleg rivierherstel Leie (Andy Van Kerckvoorde). 25/04/2019: Excursie langs de Schelde studenten Ba3 UGent (Bart Vandevoorde, Ralf Gyselings). 13/05/2019. Bilateraal overleg: bespreking itemfiches en verschuivingen naar reserveprogramma. Team Estuaria – Zeeschelde (Gunther Van Ryckegem, Erika Van den Bergh). 07/06/2019: overleg kennisgroep natuurvriendelijke oevers met Sieglien De Roo van WL (Sophie Vermeersch, Andy Van Kerckvoorde). 25/06/2019 Kennisdelingsmoment VNSC, Bergen op Zoom (Gunther Van Ryckegem, Alexander Van Braeckel, Erika Van den Bergh). 28/06/2019 Overleg tussentijds beheer Bunt ism DVW en Natuurpunt VZW, Hamme (Gunther Van Ryckegem). 05/07/2019: Overleg toekomstige dijkwerken Antwerpen L.O, Antwerpen (Bart Vandevoorde). 21/08/2019 Workshop verhaallijnen Evaluatiemethodiek – thema Primaire productie & zwevende stof, Bergen op Zoom (Gunther Van Ryckegem). 22/08/2019 Overleg ontwerp en monitoring Vloedschaar Wijmeers (Gunther Van Ryckegem, Frank Van de Meutter). 17/09/2019 Projectgroep Natuur en Landschap – Sigmaplan, 14u VAC Gent (Gunther Van Ryckegem; Jan Breine; Frank Van de Meutter). 20/09/2019 Terreinbezoek met DVW – Tussentijdsbeheer in Wal-Zwijn (Gunther Van Ryckegem). 18/10/2019: Bomen op dijken en Hedwige-Prosperpolder, Antwerpen (Bart Vandevoorde). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 60 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
25/10/2019: Inrichting Burchtse Weel, Antwerpen (Bart Vandevoorde). 08/11/2019: Startvergadering dijkwerken Wichelen, Wichelen (Bart Vandevoorde). 3/12/2019 Overleg in het kader van compensatiedossier inname estuariene natuur ter hoogte van Fort Filip Lillo (ANB, INBO, DVW, Antea) (Gunther Van Ryckegem). 4/12/2019 Workshop verhaallijnen Evaluatiemethodiek – thema vissen, Bergen op Zoom (Jan Breine, Gunther Van Ryckegem (niet ter plaatse geraakt door storing openbaar vervoer)).
3.12 DEELNAME AAN STUDIEDAGEN, CONGRESSEN EN CURSUSSEN 06/03/2019: Symposium Centre for Wetland Ecology: Future of rivers and streams: ecology and restoration under global change, Antwerpen (Bart Vandevoorde). 23/04/2019: Workshop Inspiration Day BIS(!) Living Lab HedwigeProsperpolder, Berchem (Bart Vandevoorde). 27/05/2019: Beheervoorstel duizendknoop (Fallopia spp.) op dijken De Vlaamse Waterweg nv. Opleiding aanpak van Japanse duizendknoop op het terrein, Kruibeke (Bart Vandevoorde). 18/06/2019: Climate change in the Scheldt estuary: sensitivity analysis and adaption strategies for biodiversity. Alternet Gent. 'The EU Biodiversity strategy beyond 2020' (Gunther Van Ryckegem, Erika Van den Bergh, Alexander Van Braeckel, Wim Mertens, Joost Vanoverbeke, Frank Van de Meutter & Veerle Campens). 18/06/2019: Hyperbenthos in the upper reaches of the Scheldt estuary (Belgium): an indispensable trophic link re-established. Alternet Gent. 'The EU Biodiversity strategy beyond 2020' (Liesbeth De Neve, Jeroen Speybroeck, Alexander Van Braeckel, Joost Vanoverbeke, Jan Soors, Joram De Beukelaer, Dimitri Buerms, Nico De Regge, Thomas Terrie, Olja Bezdenjesnji, Frank Van de Meutter, Erika Van den Bergh, Gunther van Ryckegem). 20/06/2019: Beheervoorstel duizendknoop (Fallopia spp.) op dijken De Vlaamse Waterweg nv. Opleiding aanpak van Japanse duizendknoop op het terrein op celvergadering Investeren - De Vlaamse Waterweg, Antwerpen (Bart Vandevoorde). 28/06/2019 opvolgingsvergadering beheer Bunt (Gunther Van Ryckegem). 26/08/2019: Beheervoorstel dijken district 1 (Zeeschelde – Durme). Overleg visie dijkbeheer district 1, Dendermonde (Bart Vandevoorde). 05/09/2019: Beheervoorstel dijken district 2 (Zeeschelde – Rupel). Overleg visie dijkbeheer district 2, Bazel (Bart Vandevoorde). 17/09/2019: Presentatie Projectgroep Natuur en Landschap Sigma: Wat is de rol van macrozoöbenthos in het Zeeschelde voedselweb. (Frank Van de Meutter, Jeroen Speybroeck, Joost Vanoverbeke, Bart Vandevoorde, Nico De Regge, Olja Bezdenjesnji, Alexander Van Braeckel, Erika Van den Bergh, Gunther Van Ryckegem). 4/11 – 8/11/2019: CHEERS Bordeaux, Global changes in estuarine and coastal systems: innovative approaches and assessment tools (Gunther Van Ryckegem, Erika Van den Bergh, Alexander Van Braeckel, Wim Mertens, Joost Vanoverbeke, Frank Van de Meutter & Veerle Campens). 12/11/2019: Infosessie ‘De bever als buur’, Dendermonde (Frank Huysentruyt & Axel Neukermans). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 61 van 93
21/11/2019 Scheldesymposium, Antwerpen Zoo (Gunther Van Ryckegem, Frank Van de Meutter, Bart Vandevoorde, Joost Vanoverbeke, Jan Soors, Dimitri Buerms, Olja Bezdenjesnji).
3.13 ADVIESVERLENING Vandevoorde B., Elsen R., Mertens W., Van Ryckegem G., Vanoverbeke J., Van Braeckel A. & Van den Bergh E. (2019b). Advies over de populatie driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) langs de Schelde. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3723. Vandevoorde B., Mertens W., Van Braeckel A., Van Ryckegem G. & Van den Bergh E. (2019a). Advies over de inrichting van de Sigmazone ‘stort van Burchtse Weel’. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3786. Van Kerckvoorde A. (2019). Advies betreffende de aanwezigheid van zeer invasieve plantensoorten en riet in het Afleidingskanaal van de Leie te Deinze. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3821. Van Kerckvoorde A. (2019). Advies betreffende de natuurwaarden ter hoogte van twee steigers langsheen de Damse Vaart. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3836. Van Ryckegem G. (2019). Tussentijdse beheervisie Bunt. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3781. Van Ryckegem G. (2019). Advies over de ontwikkeling van slikken en schorren ter hoogte van Fort Filip. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3827.
3.14 RAPPORTEN EN PUBLICATIES Breine J. et al. (2019) Smelt in the Sea Scheldt: from complete absence to overwhelming dominance. CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. Elsen R. et al. (2019). Characterization of current and future habitat suitability for 4 club rush species within the Belgian Sea Scheldt Estuary. CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. Huysentruyt F., Baert K., Casaer J., Van Ballaert S., Vernaillen J., Van Der Beeck D. & Vercammen J. (2020). Onderzoek naar het habitatgebruik van bever (Castor fiber) in relatie tot schadebeheer Verkenning van het ruimtegebruik voorafgaand aan mogelijke beheermaatregelen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (17). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Huysentruyt F., Baert K., Casaer J., Van Ballaert S., Vernaillen J., Van Der Beeck D. & Vercammen J. (in press). Wat leren we uit telemetrieonderzoek op bever in Vlaanderen? Zoogdier 30(1). Maris T., Van Ryckegem G., Mertens W. & Meire P. (2019). Richtlijnennota voor gebieden met een gecontroleerd gereduceerd getij (GGG). ECOBE 019-R246. 32pp. Van Braeckel A et al. (2019). Benthic habitat tool to evaluate management and/or climate scenarios in the Sea Scheldt estuary. CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. Van de Meutter F. et al. (2019). From a bentho-terrestrial link towards a bentho-pelagic link: a changing food web in a changing estuary. CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. Van den Bergh E. et al. (2019). Hyperbenthos in the upper reaches of the Scheldt estuary (Belgium): reestablishment of an indispensable trophic link. CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 62 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Vandevoorde B., Dhaluin P., Van Lierop F., Elsen R. & Van den Bergh E. (2019). Beheervoorstel voor de dijkvegetaties van de Zeeschelde, Durme en Rupel (district 1 & 2). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (45). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Vandevoorde B., Van Lierop F., Van Ryckegem G. & Elsen R. (2019). Inventarisatie driekantige bies (Schoenoplectus triqueter) langs de Zeeschelde te Wichelen (RO) i.k.v. geplande dijkwerken. Intern rapport. INBO.I.2019. Versie 19/07/2019. Van Kerckvoorde A., Vermeersch S., Everaert J. (2020). Ecologische inventarisatie langs de Leie tussen Sint-Baafs-Vijve en Deinze in functie van het project Seine-Schelde. Bermkartering en inventarisatie van vissen, graslandvlinders, rietbroeders, oeverzwaluwen en vleermuizen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (15). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Vanoverbeke J. et al. (2019). Habitat suitability for Twaite shad in the Sea Scheldt. CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. Van Ryckegem G. (2019). De Schelde – een overwinteringshotel voor watervogels. Boottocht Grenzeloze Schelde – 15 december 2019. Presentatie. Van Ryckegem G. et al. (2019). Climate change in estuaries: sensitivity analysis and adaptation strategies for biodiversity in the Scheldt estuary (Belgium). CHEERS conferentie Bordeaux. 4-8/11/2019. Presentatie. Van Ryckegem G., Mertens W. & Vandevoorde B. (2019). Tussentijdse beheervisie Grote Wal – Kastel. INBO.I.2019.196. Van Ryckegem G. & Van Braeckel A. (2019). Oplossingsscenario’s en uitvoeringsvarianten van de vloedschaar in de Wijmeers (Uitbergen/Wichelen). INBO.I.2019.139.
3.15 AANSLUITENDE EN ONDERSTEUNENDE PROJECTEN ●
Van Ryckegem G. (2019). Klimaatadaptatieplan voor de estuariene natuur in de Zeeschelde. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (40). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.16943295. Opdracht uitgevoerd voor het LifeSPARC project (opdrachtgever ANB, ism DVW).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 63 van 93
●
Op 5 november werd door het INBO als ‘lead partner’ een BIODIVERSA-voorstel ingediend. Hiertoe werd een consortium gevormd met volgende onderzoekspartners: - Partner 1 - Dr. Enrique Gonzales Ortegon - Spanish Council for Scientific Research (CSIC), Instituto Ciencias Marinas de Andalucia, Spain. - Partner 2 - Dr. Henrique Cabral - Irstea - The Institut national de recherche en sciences et technologies pour l'environnement et l'ag, France. - Partner 3 - Prof. Dr. P. Meire - Universiteit Antwerpen, ECOBE,Belgium. - Partner 4 - Dr. U. Janas University of Gdansk, Institute of Oceanography, Poland. - Partner 5 - Dr. N. Niquil - Normandie Université, BOREA - Biologie des ORganismes et Ecosystèmes Aquatiques, France. Biodiversity and energy fluxes in estuaries as drivers of ecosystem services in a changing Europe (BIODRIVES) Preproposal BIODIVERSA - 5 november 2019. 5pp. Merlijn Jocque, Frank Van de Meutter, Joost Van Overbeke, Erika Van den Bergh, Alexander Van Braeckel & Gunther Van Ryckegem. ● Kwaliteitscontrole monitoringsmethodiek soortbeschermingsprogramma bever (2018-2019). Deze studie, uitgevoerd in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos, evalueerde de gegevens rond populatie-ontwikkeling van bever in Vlaanderen in het kader van de evaluatie van de instandhoudingsdoelstellingen die voor de soort werden geformuleerd. Op deze manier wordt een wetenschappelijk onderbouwd kader gecreëerd waarbinnen beheerbeslissingen kunnen worden genomen die zowel de toekomst van de bever in Vlaanderen als het draagvlak voor zijn aanwezigheid ten goede zullen komen. Huysentruyt F., Van Daele T., Verschelde P., Boone N., Devisscher S., Vernaillen J. (2019). Evaluatie van de monitoring van bever (Castor fiber) in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (28). ● Onderzoek naar de populatiegenetica van bever in Vlaanderen (2020-2024). Dit project heeft als doel om via genetische staalnames heel gerichte informatie op te leveren om het beheer van de soort in Vlaanderen op af te stellen. Door de combinatie van genetische gegevens met visuele merkers, die ook vangst/hervangst-analyses toelaten, zal bijkomend zeer waardevolle informatie worden verzameld over de samenstelling van en connectiviteit tussen populaties van deze soort in een sterk verstedelijkt landschap als Vlaanderen. ● Ecodyn modelleringen Gemeenschappelijke Maas. Op vraag van werkgroep Natuur van de Gemeenschappelijke Maas (DVW, ANB, NLprov. Limburg, RWS) en in opdracht van ANB zal het EVINBO Ecodyn modelleringen uitvoeren van verschillende toekomstscenario’s met als doel na te gaan waar mogelijke conflicten kunnen optreden tussen potentieel ontwikkelde Natura2000 boshabitats (o.a. zachthoutooibossen- en struwelen) in rivier-, zomer- en winterbed en hoogwaterveiligheid.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 64 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
4 THEMA VALLEI 4.1 ALGEMENE SITUERING Het thema vallei omvat alle advies-, kennis- en onderzoeksvragen van DVW die betrekking hebben op de ecologische randvoorwaarden en de ecologische impact buiten het rivier- of kanaalbed van waterloopgebonden inrichtings- en beheermaatregelen.
4.2 VERONTREINIGING BAGGERGRONDEN Het uitvoeren van ecotoxicologische risicobeoordeling voor bos en natuur op verontreinigde terrestrische sedimentbodems. Aan de basis hiervan ligt de chemische en fysische karakterisering van sedimenten en bodems en de chemische karakterisering van planten en dierlijke organismen (evaluatie biobeschikbaarheid). Er worden ook aanbevelingen geformuleerd voor het beheer van bos en natuur op verontreinigde sedimentbodems in functie van het beperken van de ecologische risico’s. De verzamelde gegevens worden opgeslagen in de beheerondersteunende databank DredGis.
4.2.1 Opvolging en evaluatie Noordkaai Menen 4.2.1.1
Doelstellingen
De proefsite in Menen werd begin jaren ’90 ingericht voor onderzoek naar de mogelijkheden van bebossen op baggergronden zo snel mogelijk na het opspuiten. De Bestendige Deputatie stond voor de proefsite een afwijking toe met betrekking tot de afwerking. Concreet betekent dit dat geen afdichtlaag en eindafdek boven het terrein werd aangebracht. Aan deze afwijking werd de voorwaarde verbo nden dat de situatie en de ecologische risico’s nauwgezet opgevolgd moesten worden. Ten laatste in juni 2023 moet verslag worden uitgebracht over de situatie in het gebied aan de bevoegde minister. In het Bodemdecreet en Vlarebo worden richtwaarden en streefwaarden voor de concentratie van polluenten in de bodem gedefinieerd. De richtwaarden beantwoorden aan het gehalte aan verontreinigende stoffen in de bodem dat toelaat dat de bodem al zijn functies kan vervullen. De gehaltes die worden vastgesteld in de baggergronden liggen hier echter vaak boven, en dus bestaat het risico dat deze stoffen schade aanrichten aan biota en zich verder verspreiden in de voedselketen. Een aangepast beheer kan deze risico’s beperken. De proefsite in Menen vormt samen met de proefsites te Meigem en Tielrodebroek de basis van het onderzoek door INBO naar het beheer van verontreinigde gronden. Op basis van de resultaten uit dit onderzoek wil INBO De Vlaamse Waterweg ondersteunen om hun gronden te beheren op een manier die zo weinig mogelijk ecotoxicologische risico’s met zich meebrengt. De proefsite bestaat uit 6 afzonderlijke depots, die via verschillende technieken beplant werden, hoofdzakelijk met wilg en populier, maar er komen ook verschillende loofboomsoorten voor. Een lange termijn monitoring moet uitwijzen of er een aantoonbaar risico bestaat voor mens en/of milieu en of dit risico verandert met de tijd. Op basis van de onderzoeksresultaten moeten ook maatregelen voor nazorg of afwerking geformuleerd worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 65 van 93
De concrete doelstellingen zijn: ● Ecotoxicologische risico-evaluatie van een baggergrond zonder klassieke afwerking. ● Aanbevelingen naar veilig beheer van dergelijke gronden 4.2.1.2
Stand van zaken
●
Ecotoxicologische opvolging van het terrein - Invertebratenstaalname (regenwormen en pissebedden) werd uitgevoerd in oktobernovember - Het determineren werd uitgevoerd in december en de labo-analyses zijn momenteel lopende in het INBO labo.
●
Rapportering - Biolog rapport werd afgewerkt.
Deelonderzoeken
Voorziene planning Oktober
Ecotoxicologische opvolging van het terrein Rapportering Juni - juli Opmerkingen bij tabel: (1) Enkel de labo-analyses zijn nog lopende. 4.2.1.3
Status
Opm.
Afgerond
(1)
Afgerond
Onderzoeksresultaten
Microbiële diversiteit van baggergronden aan de hand van Biolog EcoPlates Tussen 2012 en 2018 werden bodemstalen verzameld in gebieden die sediment bevatten dat verontreinigd is met zware metalen (Foto 6), met als doel te onderzoeken of de microbiële diversiteit van deze bodems een negatief effect ondervindt van de aanwezige verontreiniging (Lettens & De Vos, 2019b). De onderzochte gebieden hadden een functie als (historische) baggerstortplaats, infrastructuurgrond of gecontroleerd overstromingsgebied (sigmagebied). Het onderzoek gebeurde aan de hand van Biolog EcoPlates (Foto 7), plastic platen die een vaste set van C bronnen bevatten die uitgerust zijn met een redox kleurstof. De te onderzoeken bodem wordt in contact gebracht met de C bronnen en indien de aanwezige microbiële gemeenschap in staat is om de C bron te assimileren, treedt er een verkleuring op. De mate van verkleuring in de volledige Biolog plaat is op die manier een maatstaf voor de microbiële diversiteit van de bodem. Door de resultaten voor verontreinigde bodems te vergelijken met niet verontreinigde bodems wordt meer inzicht verkregen in de impact van de verontreiniging. Er werden ook een aantal methodologische aspecten van de Biolog platen onderzocht. Door telkens twee bodemstalen te nemen op dezelfde locatie werd de robuustheid (herhaalbaarheid) van de proef onderzocht. Er werd ook getest indien de bodemstalen gedroogd mogen worden voorafgaand aan de Biolog proef. De proef wordt normaal gezien uitgevoerd op verse bodemstalen, maar de stalen vooraf drogen zou het analyseprotocol vereenvoudigen, vermits staalname en proef dan niet vlak na elkaar ingepland moeten worden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 66 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
De resultaten tonen aan dat vooral de korrelgrootte verdeling van de bodems de microbiële diversiteit beïnvloedt. Rijke bodems met een hoog kleigehalte beschikken over een rijke microbiële diversiteit. Het feit dat de hoge kleigehaltes samengaan met hoge gehaltes aan zware metalen, lijkt geen negatief effect te hebben. Voorts wordt aangetoond dat de proef robuust is, aangezien bodemstalen afkomstig van eenzelfde locaties gelijkaardige resultaten geven. Tenslotte blijkt dat het drogen van stalen af te raden is, aangezien de robuustheid, de variabiliteit en de omvang van de meetwaarden sterk beïnvloed wordt. We kunnen besluiten dat de microbiële diversiteit van de onderzochte verontreinigde bodems hoog is, ondanks de aanwezige verontreiniging. De methode zelf beschouwen we als robuust, al is het wel van belang dat het analyseprotocol rigoureus wordt toegepast om de vergelijkbaarheid van de resultaten te waarborgen.
Foto 6.
De bodemstaalname voor de Biolog EcoPlates gebeurde op de baggergrond te Meigem.
Foto 7.
De bodemoplossing wordt overgebracht op een Biolog EcoPlate.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 67 van 93
4.2.2 Opvolging en evaluatie Meigem en Nevele 4.2.2.1
Doelstellingen
De Vlaamse Waterweg is verantwoordelijk voor het beheer van een aantal verontreinigde baggergronden. De condities voor de vegetatie zijn hier specifiek: meestal is het een vochtige bodem die rijk is aan klei en nutriënten, maar vaak ook verontreinigd met zware metalen. Hoe kunnen deze gronden optimaal beheerd worden? In Meigem wordt onderzocht wat de potenties zijn van een gemengd loofbos. Er wordt gekeken in welke mate de polluenten worden opgenomen in de loofbomen en in invertebraten en of er een negatief effect is op het microbieel leven (ecotoxicologische risico-evaluatie). Daarnaast wordt de houtopbrengst begroot en de inspanning die nodig is om het bos te beheren. Via dit onderzoek willen we beheeropties aanreiken voor loofbos op de specifieke standplaatscondities van een verontreinigde baggergrond. De baggergrond te Meigem werd begin jaren ’90 bebost met loofboomsoorten die aangeplant werden in een regelmatig blokkenpatroon (eik, esdoorn, es). Sinds de bebossing werd het terrein opgevolgd als wetenschappelijke onderzoeks‐ en testsite teneinde de bosontwikkeling op baggergrond te monitoren, ecotoxicologisch onderzoek uit te voeren en bos‐ en natuurbeheermaatregelen uit te testen en te documenteren. Begin jaren 2000 werd op de aangrenzende baggergrond te Nevele eveneens een aanplanting met eik, linde, zwarte els en es gerealiseerd. Deze site wordt samen met Meigem opgevolgd. De doelstellingen van dit item zijn: ● Langetermijn opvolging van de veranderingen in bodem- en bladconcentraties bij het bebossen van baggergronden. ● Opvolgen van de groei van de onderzochte boomsoorten op de specifieke standplaats van een baggergrond en dit onder verschillend dunningsregime. ● Evalueren van de concentraties zware metalen in invertebraten. ● Opvolgen van de natuurlijke verjonging 4.2.2.2
Stand van zaken
● Opstellen natuurbeheerplan Meigembos Verkenning beschikbare data en te volgen methodologie. Voorlopig weinig vooruitgang geboekt. Dit item is sterk gereduceerd in de planning. Er zal wel verder gewerkt worden aan deel 1 (verkenning) van het natuurbeheerplan. Deelonderzoeken Ecotoxicologische opvolging van het terrein Opstellen natuurbeheerplan Meigembos
4.2.2.3
Voorziene planning /
Status
Januari december
Lopend
Opm.
/
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 68 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
4.2.3 EU Prioritaire stoffen in baggergronden 4.2.3.1
Doelstellingen
Er is op heden nog weinig gekend omtrent het voorkomen en risico van prioritaire gevaarlijke stoffen uit de Europese richtlijn Prioritaire Gevaarlijke stoffen. Eerste onderzoeken wijzen uit dat verhoogde concentraties teruggevonden worden in sediment en biota van Vlaamse waterwegen. Het gaat hier onder meer over de gebromeerde vlamvertragers, PFOS,…. De Afdeling Regio West heeft het initiatief genomen om met OVAM en VMM een overleg op te starten rond het voorkomen van gebromeerde vlamvertragers, alsook wordt ikv USAR project gewerkt rond hergebruik van sedimenten met PFOS verontreiniging. In dit kader is het ook belangrijk dat De Vlaamse Waterweg meer zicht krijgt op de aanwezigheid en het risico van deze stoffen in de baggergronden. De Europese Kaderrichtlijn is bedoeld om de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De Europese Commissie heeft een lijst van stoffen opgesteld die in heel Europa met voorrang moeten worden aangepakt (Dochterrichtlijn Prioritaire Stoffen). Deze richtlijn bevat in bijlage een lijst met prioritaire gevaarlijke stoffen waarvoor ook milieukwaliteitsnormen (in water en soms in biota) zijn opgesteld. Ondersteuning bieden bij het overleg met OVAM en andere partijen over deze problematiek. Kennis verzamelen over het gedrag en het ecologisch risico van deze stoffen in de baggergronden van de Vlaamse Waterweg. Concreet te beantwoorden vragen zijn: ● Hoe gedragen gebromeerde vlamvertragers zich in (geoxideerd) sediment? ● Wat is het ecologisch risico? ● Wat is hun verspreiding? 4.2.3.2 ●
●
Stand van zaken
Deelnemen aan overleg met externe partijen - Voor dit item werd geen input geleverd in 2019, aangezien er geen vraag was om overleg bij te wonen. Opbouw expertise rond gebromeerde vlamvertragers in baggergronden - Er werd een literatuurstudie uitgevoerd. De opbouw van kennis loopt over de volledige periode van de samenwerkingsovereenkomst. - INBO beantwoordde op vraag van ANB een adviesvraag omtrent de inrichting van de Putten van Ham (INBO.A.3854, deze zal in 2020 verschijnen). Deze expertise sluit hier nauw bij aan. - Er was geen vraag naar het uitvoeren van analyses op bodemstalen
Opmerking: dit item werd gereduceerd in de projectfiches en gedeeltelijk naar het reserveprogramma verplaatst. Deelonderzoeken Deelnemen aan overleg met externe partijen Opbouw expertise rond gebromeerde vlamvertragers in baggergronden Rapportering
Voorziene planning Januari december Januari maart /
Status
Opm.
/ Afgerond /
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 69 van 93
4.2.3.3
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
4.2.4 DredGis databank 4.2.4.1
Doelstellingen
In de loop van 2012 - 2013 ontwikkelde INBO de databank DredGis, die alle gegevens bevat die tot 2012 in opdracht van De Vlaamse Waterweg verzameld werden in sedimentgronden en overstromingsgebieden. Deze databank brengt dus de oude DredGis databank die de gegevens van de baggergronden bevatte en de FloodGis databank met de gegevens van overstromingsgebieden samen. De databank bevat echter nog geen functionaliteit om nieuwe analyseresultaten in te lezen. Er is gewacht met de implementatie hiervan tot de ingebruikname van het INBO-LIMS, zodat DredGis automatisch de data kan inlezen uit dit systeem. Binnen dit item zal de beheerondersteunende databank DredGis verder ontwikkeld worden en zullen nieuw verworven gegevens toegevoegd worden in de databank. Daarnaast zal INBO ondersteuning bieden indien de Vlaamse Waterweg nv vragen krijgt van studiebureaus, gemeenten en andere instanties omtrent verontreinigde baggergronden, zoals grenzen, overschrijdingen van de Vlarebo normen, analyseresultaten, voorgeschiedenis,… Ook bij overleg met overheden (ANB, OVAM, etc.) omtrent het beheer van deze gronden kan INBO ondersteuning bieden (bv. Bolveerput). Er kunnen ook aanbevelingen gedaan worden omtrent het beheer van gronden die de Vlaamse Waterweg in eigen beheer heeft (bv. keuze boomsoorten, gezondheid bomen). De gegevens uit de DredGis databank zijn hierbij een onmisbare steun. Concrete doelstellingen zijn: ● Onderhoud aan de databank: - bouw van een functionaliteit om data in te lezen in de databank, - invoer analyseresultaten en veldobservaties in de databank ● Informatievoorziening op basis van DredGis: - bijwonen van overleg en stuurgroepen, - het herbekijken van baggergronden waar vroeger reeds stalen genomen zijn, - het in kaart brengen van verontreiniging van terreinen die voorheen nog niet bemonsterd werden, - jaarlijks kunnen er een (beperkt) aantal stalen genomen en geanalyseerd worden, - er kan ook opvolging van stijghoogtes in peilbuizen gebeuren. 4.2.4.2 ●
●
●
Stand van zaken
Data invoeren van baggergronden en overstrominsgebieden: - De informatie met betrekking de staalname (veldinformatie) werd ingevoerd in DredGis. Zolang de invoermodule niet gebouwd is, kunnen er geen nieuwe labodata in DredGis komen. Bouw invoermodule: - Er is gestart met de bouw van de invoermodule: mapping van variabelen tussen DredGis en LIMS. Dit gebeurt door collega’s van het INBO IT team. Ondersteuning bieden bij het beantwoorden van vragen mbt baggergronden uit de DredGis databank van studiebureaus, gemeenten, etc.: - Er werd ondersteuning geboden bij ad hoc vragen: Drongen, Mariakerke, Ringvaart en Deinze. - Er werden geen bodem- of bladstalen geanalyseerd in 2019 voor dit item. Het voorzien budget hiervoor werd dus niet besteed. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// ////////////
Pagina 70 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
●
Ondersteuning bieden bij overleg met externe partijen: - vergadering met betrokken partijen op 7 juni 2019. Gevraagde data aangaande invertebraten werden aangeleverd, - Bolveerput Gavere: nalezen documenten.
Deelonderzoeken Data invoeren van baggergronden en overstrominsgebieden Bouw invoermodule
Voorziene planning Januari december Januari december Januari december
Status
Opm.
Deels afgerond
(1)
Deels afgerond
(2)
Ondersteuning bieden bij het Afgerond beantwoorden van vragen mbt baggergronden uit de DredGis databank van studiebureaus, gemeenten, etc. Ondersteuning bieden bij overleg met Januari Afgerond externe partijen december Opmerkingen bij tabel: (1) Enkel de velddata kunnen op dit moment ingevoerd worden. (2) De invoermodule wordt verder afgewerkt in 2020. 4.2.4.3
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
4.3 VERONTREINIGING OVERSTROMINGSGEBIEDEN De algemene doelstelling van het project “Verontreiniging overstromingsgebieden” is het uitvoeren van ecotoxicologische risicobeoordeling voor bos, natuur en alternatieve landbouwgewassen in overstromingsgebieden. Aan de basis hiervan ligt de chemische en fysische karakterisering van sedimenten en bodems en de chemische karakterisering van planten en dierlijke organismen (evaluatie biobeschikbaarheid). Er worden ook aanbevelingen geformuleerd voor het beheer van bos, natuur en landbouwteelten binnen overstromingsgebieden in functie van het beperken van de ecologische risico’s. De verzamelde gegevens worden opgeslagen in de beheerondersteunende databank DredGis.
4.3.1 Focusgebied procesmonitoring 4.3.1.1
Doelstellingen
De Vlaamse Waterweg stippelt mee het beheer uit van de gecontroleerde overstromingsgebieden binnen het Sigmaplan. Vaak wordt er nog aan landbouw gedaan binnen deze gebieden. De standplaatscondities zijn heel specifiek: het gaat om natte, kleirijke gronden die veel nutriënten bevatten, maar ook verontreinigd met zware metalen, en die bovendien tijdens de wintermaanden overstroomd kunnen worden. Omwille van de problematiek van de verontreiniging is er meer kennis nodig over teelten die niet bestemd zijn voor de voedselproductie en die aangepast zijn aan de standplaatscondities. In Tielrodebroek wordt voor dergelijke teelten onderzocht welke inspanning vereist is voor de aanleg en het onderhoud, wat hun opbrengst is en wat de ecotoxicologische risico’s zijn.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 71 van 93
Binnen het Geactualiseerd Sigmaplan werden de gecontroleerde overstromingsgebieden aangeduid om te zorgen voor waterveiligheid en ook kansen voor natuurontwikkeling te creëren. Een deel van deze gebieden wordt ingericht met sterke nadruk op natuurontwikkeling, maar de overige gebieden behouden hun landbouwkundige functie. Echter door de aanwezigheid van vaak historische verontreiniging, bestaat het risico dat de concentraties zware metalen in de geproduceerde voedergewassen niet voldoen aan de Europese richtlijnen betreffende diervoeders. Daarom kan het interessant zijn om in de zwaarst verontreinigde gebieden over te schakelen op teelten die niet bestemd zijn voor dierlijke consumptie, maar wel voor de productie van vezels, biobrandstoffen, etc. Concrete vragen die we willen beantwoorden zijn: ● Welke teelten kennen een hoge productie op deze bodems met specifieke eigenschappen van textuur, vocht en verontreiniging? ● Evoluties opvolgen van de zware metaal gehaltes in verschillende compartimenten, namelijk - bodem (tot 1 m diep), - vegetatie (blad, hout, schors), - invertebraten (regenwormen, pissebedden)? ● ●
Hoe evolueert de microbiële diversiteit, zijn er verschillen tussen de teelten? Hoeveel sediment wordt afgezet wanneer het gebied in werking treedt? Wat is de kwaliteit van dit sediment?
4.3.1.2
Stand van zaken
●
Ecotoxicologische monitoring (bodem, blad, hout, schors, hydrologie, sediment, invertebraten) focusgebied 1 - Bodemstaalname werd uitgevoerd in januari, de bladstaalname in augustus-september - GOG werking op 8 januari 2019: sedimentvallen werden geplaatst, maar GOG is niet in werking getreden; er werden dan ook geen sedimentstalen geanalyseerd en dit budget werd niet besteed. - Invertebraten staalname werd uitgevoerd in oktober - Peilbuizen werden opgevolgd
●
Teeltopbrengst bepalen focusgebied 1 - Teelten werden aangelegd (mais) en onderhouden (mais, gras) - Oogst van de Miscanthus (april), oogst van het gras (heel het jaar door, 5 oogsten in totaal) en oogst van de mais (okt) werden uitgevoerd en de opbrengst droge stof werd bepaald in het labo.
● ● ●
Finale versie van het eerste tussentijds rapport ivm focusgebied werd bezorgd aan DVW De finale versie rapport T0 situatie GOG’s werd in juli aan DVW overgemaakt. Proefopzet bepalen voor een tweede focusgebied - Dit item werd geschrapt van het programma en op het reserveprogramma geplaatst
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 72 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Deelonderzoeken Ecotoxicologische monitoring (bodem, blad, hout, schors, hydrologie, sediment, invertebraten) van focusgebied 1 Teeltopbrengst bepalen van focusgebied 1 Rapportering van de staalnames van de afgelopen 3 jaar Afwerken rapport T0 situatie GOG’s 4.3.1.3
Voorziene planning September december
Status
September december Mei
Afgerond
Juli
Afgerond
Opm.
Afgerond
Afgerond
Onderzoeksresultaten
Landbouwkundige en ecologische performantie van alternatieve gewassen in het gecontroleerd overstromingsgebied Tielrodebroek (Foto 8). In 2015 werd in het gecontroleerd overstromingsgebied (GOG) Tielrodebroek een proef aangelegd om de potenties van landbouwteelten na te gaan die een alternatief bieden voor de klassieke voedergewassen. Het eerste tussentijds rapport bevat de resultaten voor de periode 2015-2017 (Lettens et al., 2018). Gedurende de eerste 3 jaar veranderden de bodemeigenschappen weinig. De bladconcentraties waren verhoogd in de bladeren van de wilgenklonen, terwijl de concentraties in de voedergewassen onder de voedernormen bleven. De bladconcentraties van alle elementen, inclusief de zware metalen, waren laag voor Miscanthus. De productie van de mais was conform de waarden die in de literatuur terug te vinden zijn. De productie van gras was eerder laag. Mogelijk is dit te verklaren door de ongunstige weersomstandigheden in 2016 en 2017. De totale droge stof productie van Miscanthus is vooralsnog aan de lage kant, maar dit is te verwachten in de eerste jaren na aanleg. We verwachten dat deze cijfers gestaag zullen toenemen in de komende jaren. Het GOG trad begin 2017 gedeeltelijk in werking. Het kwam niet volledig onder water te staan, maar verschillende grachten traden buiten hun oevers en dit veroorzaakte sedimentafzet binnen het perceel. De concentratie zware metalen in het afgezette sediment is gelijkaardig tot lager dan de concentraties in de bodem. Het is zeer rijk aan organisch materiaal.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 73 van 93
Foto 8.
De vier teelten van de proefaanplanting in het focusgebied te Tielrodebroek, namelijk permanent grasland, mais, Miscanthus en wilg.
4.4 BERMBEHEER 4.4.1 Opvolging invasieve duizendknoop 4.4.1.1
Doelstellingen
Doel is evaluatie van de beheer- en controlemaatregelen van invasieve duizendknoop langs waterwegen. De concrete vragen in dit onderzoek zijn: ● Treedt er bij bestaande populaties al dan niet laterale uitbreiding op? Is deze uitbreiding beheerafhankelijk? ● Kunnen de besmettingen met Japanse duizendknoop langs het Afleidingskanaal van de Leie worden bestreden door manueel uitspitten? ● Welke tijd, mensen en middelen zijn nodig voor de bestrijding van watergebonden invasieve exoten? 4.4.1.2
Stand van zaken
Langs het Afleidingskanaal van de Leie te Nevele (Deinze) werden de groeiplaatsen van Japanse duizendknoop gedetailleerd geïnventariseerd eind april/begin mei 2019. Sinds 2017 loopt hier een proefopzet om de effecten van manueel uitspitten van Japanse duizendknoop te kunnen evalueren. Eind mei 2019 werd Japanse duizendknoop manueel uitgespit volgens deze proefopzet. Op een 40-tal locaties is de oppervlakte-uitbreiding van Japanse duizendknoop opgevolgd in de zomer 2019 aan de hand van GPS-metingen. Op 4 proeflocaties wordt de competitie van riet op Japanse duizendknoop opgevolgd.. In de zomer van 2019 is de omtrek en stengeldichtheid voor de eerste keer bemeten.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 74 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Deelonderzoeken nagaan manueel uitspitten nagaan laterale uitbreiding nagaan competitie met riet
4.4.1.3
Voorziene planning April september April september April september
Status
Opm.
Afgerond Afgerond Afgerond
Onderzoeksresultaten
In trajecten waar manueel wordt uitgespit worden minder groeilocaties aangetroffen van Japanse duizendknoop (Figuur 19). In 2019 doken nog steeds groeiplaatsen op van invasieve duizendknoop in de uitgespitte trajecten. Nazorg is dus heel belangrijk bij bestrijdingsmaatregelen. Op een 40-tal locaties o.a. langsheen de Schelde wordt de oppervlakte-uitbreiding van Japanse duizendknoop als gevolg van het beheer opgevolgd (Figuur 20). Via jaarlijkse, gedetailleerde GPSmetingen van de contouren in combinatie met een inventarisatie van het beheer en de standplaatscondities wordt een beeld verkregen van het uitbreidingsrisico. Een eerste visuele inspectie van de contouren toont dat onder nulbeheer van de volledige haard, de uitbreiding beperkt is. Analyse van de data, die pas wordt uitgevoerd nadat data voor meer dan drie jaar ingezameld werden, moet een wetenschappelijk onderbouwde eindconclusies opleveren.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 75 van 93
Figuur 19. Locaties van Japanse duizendknoop langs het Afleidingskanaal van de Leie te Nevele in het voorjaar van 2017, 2018 en 2019. In een traject wordt Japanse duizendknoop manueel uitgespit; in het aanliggend controletraject niet.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 76 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Figuur 20. Overzicht van de locaties waar de oppervlakte-uitbreiding van Japanse duizendknoop wordt opgevolgd.
Bij 4 proeflocaties, 3 langsheen het Kempens Kanaal en 1 langsheen de Bankloop in Sint-Jozef-Olen langsheen de Lichtaartse steensweg (Figuur 21), wordt de bestrijding van Japanse duizendknoop door het bevorderen van de competitie met riet opgevolgd. Er wordt nagegaan of duizendknoop minder zal uitbreiden (of zelfs inkrimpen) in oppervlakte en minder stengels zal tellen als gevolg van de competitie met riet, dan wanneer riet en duizendknoop samen worden gemaaid tijdens het vegetatieseizoen. In 2019 is de omtrek en stengeldichtheid voor de eerste keer bemeten.
Figuur 21. Overzicht van de locaties waar de bestrijding van Japanse duizendknoop wordt opgevolgd door het bevorderen van de competitie met riet. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 77 van 93
4.4.2 Sinusmaaibeheer 4.4.2.1
Doelstellingen
Het doel is het opzetten van een pilootstudie waarbij sinusmaaibeheer wordt vergeleken met gefaseerd blokmaaibeheer. Concrete vragen zijn: Zorgt sinusmaaibeheer, t.o.v. gefaseerd blokmaaibeheer, voor: ● een diverse vegetatie? ● een wijziging in vegetatiesamenstelling? ● een hogere bloemabundantie (en dus een hoger nectar- en stuifmeelaanbod) tijdens het hele zomerhalfjaar? ● meer soorten dagvlinders/wilde bijen? ● hogere aantallen dagvlinders/wilde bijen? ● meer verschillen in vegetatiestructuur en microklimaat? ● meer of minder maaikosten (werkuren, beheerresten)? 4.4.2.2
Stand van zaken
Voor het project sinusbeheer loopt in 2019 de gegevensverzameling voor het tweede jaar. De proefopzet wordt uitgevoerd op zes locaties. Voor DVW is de locatie te Westbekesluis (Evergem) weerhouden. Op iedere locatie worden twee gelijkaardige onderzoekspercelen afgebakend met verschillend maaibeheer: bij het ene onderzoeksperceel sinusmaaibeheer en bij het ander onderzoeksperceel blokmaaibeheer. In totaal zijn dus 12 onderzoekspercelen betrokken bij de proefopzet. Per onderzoeksperceel gebeurt de monitoring in twee 50 m transecten. In april zijn bodemstalen genomen van de verschillende percelen. Tussen april en september 2019 is gedurende 6 periodes de bloemabundantie in kaart gebracht en tijdens 2 momenten de vegetatiestructuur. In het najaar 2019 zijn de veldgegevens gedigitaliseerd. In het voorjaar zijn de velddata van 2018 verwerkt. Deelonderzoeken verzamelen vegetatiedata digitalisatie veldgegevens en tussentijdse gegevensverkenning
4.4.2.3
Voorziene planning April september Januari december
Status
Opm.
Afgerond Lopend
Onderzoeksresultaten
De bloemabundantie van de twee percelen te Westbekesluis is weergegeven in Figuur 22. De bloei situeert zich vooral voor juli 2019. De hoogste bloemabundanties komen voor bij vijfvingerkruid, kleine klaver, kleine veldkers, veldereprijs, knoopkruid, margriet en kleine leeuwentand. De bodems van de percelen te Westbekesluis kennen een hoge kationenomwisselings-capaciteit (20 cmol/kg) in vergelijking met de andere onderzoekspercelen. Dit door een hoge concentratie aan uitwisselbare Ca 2+ kationen (18 cmol/kg). Ook het gloeiverlies ligt hoger (70 en 71 g/kg) in vergelijking met de andere percelen. In het perceel met blokmaaibeheer wordt een lage waarde voor biobeschikbare fosfor (P Olsen) gemeten, namelijk 7 mg/kg. In het perceel met sinusmaaibeheer bedraagt de biobeschikbare fosfor 33 mg/kg.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 78 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Figuur 22. Bloemabundanties in de twee proefpercelen te Westbekesluis. Ronde 1: 24/04/2019, ronde 2: 6/06/2019, ronde 3: 28/06/2019, ronde 4: 23/07/2019, ronde 5: 21/08/2019 en ronde 6: 19/09/2019
4.4.3 Ecologische inventarisatie en opvolging van berm- en oevervegetaties langs het Afleidingskanaal van de Leie 4.4.3.1
Doelstellingen
Doelen van dit onderzoeksproject vormen (binnen de transportfunctie van de waterweg): ● het opstellen van groenbeheerplan of natuurbeheerplan voor bermen/dijken en oevers ● het nagaan indien doelvegetaties standhouden of ontwikkelen. Concrete vragen omvatten: ● Welke vegetatietypes komen voor? ● Welke beheermaatregelen zijn nodig om het huidig beheer te optimaliseren of bij te sturen? ● Hoe evolueert het aandeel van de doelvegetaties op bermen, dijken of restgronden?
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 79 van 93
De goedkeuring van Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) om te maaien langs het Afleidingskanaal van de Leie buiten de richtdata van het Bermbesluit loopt in 2020 af. In 2019 vroeg DVW aan het INBO een voorstel van maaibeheer voor de bermen uit te werken. Dit voorstel kan worden voorgelegd aan het ANB om terug een goedkeuring aan te vragen om te maaien buiten de richtdata van het Bermbesluit. 4.4.3.2
Stand van zaken
INBO werkte een advies uit met maaivoorstellen (Van Kerckvoorde, 2020). De voorstellen bouwen verder op de vroegere rapportages (Van Kerckvoorde, 2010 & Van Kerckvoorde & De Geest, 2017). Bovendien zijn praktische aspecten betrokken bij de opmaak van het maaiadvies. Zo is het wenselijk om herkenbare locaties aan te geven (bv. van brug tot brug) om duidelijke en praktische afspraken te kunnen geven aan de aannemers of derden. Tevens is het wenselijk om voldoende lange trajecten met éénzelfde beheervorm aan te geven. Deelonderzoeken aanvraag voor afwijkende maaidata naar ANB 4.4.3.3
Voorziene planning November december
Status
Opm.
Lopend
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
4.4.4 Ecologische inventarisatie en opvolging van berm- en oevervegetaties langs het Kanaal Gent-Brugge 4.4.4.1
Doelstellingen
Doelen van dit onderzoeksproject vormen (binnen de transportfunctie van de waterweg): ● het opstellen van groenbeheerplan of natuurbeheerplan voor bermen/dijken en oevers ● het nagaan indien doelvegetaties standhouden of ontwikkelen. 4.4.4.2
Stand van zaken
In 2019 een liep een interne kwaliteitscontrole waarna het rapport definitief werd afgewerkt. Deelonderzoeken rapportage 4.4.4.3
Voorziene planning Januarifebruari
Status
Opm.
Afgerond
Onderzoeksresultaten
De resultaten kwamen aan bod in het jaarrapport van 2018.
4.5 WATERBEHEER EN VEGETATIE-ONTWIKKELING In het kader van de samenwerkingsovereenkomst vraagt DVW om de impact van wijzigingen in hydrologisch regime van de waterloop op de waterhuishouding en de vegetatieontwikkeling in de aangrenzende vallei in de tijd op te volgen en te evalueren. Het gaat hierbij zowel om studiewerk op basis van door derden verzamelde gegevens, als om zelf opgezette inventarisatie of monitoring, analyse en evaluatie. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 80 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
4.5.1 Waterpeilverlaging van de Dender, regio Aalst: opvolging van vegetatie en hydrologie 4.5.1.1
Doelstellingen
In de ecohydrologische studie worden mogelijke effecten nagegaan van de ingrepen in de Dender voor, tijdens en na de werken op het valleigebied ter hoogte van Aalst (studiegebied) en dit voor: ● grondwaterafhankelijke of overstromingsgevoelige vegetatie; ● het grondwaterregime. 4.5.1.2
Stand van zaken
De uitgangssituatie is reeds uitvoerig opgemeten en beschreven. De komende jaren zal gedeeltelijk de verdere opvolging van de vegetatie en hydrologie in het valleigebied kunnen worden uitgevoerd. Jaarlijks worden grondwatergegevens in WATINA geïmporteerd en worden de grondwaterstanden vergeleken met de uitgangssituatie en referentiecondities van de daar aanwezige grondwaterafhankelijke vegetatie. In 2023 is er een nieuwe inventarisatie van de vegetatie ingepland. Deelonderzoeken Import grondwaterstanden in WATINA Analyse grondwaterstanden
4.5.1.3
Voorziene planning September december September december
Status
Opm.
Afgerond afgerond
Onderzoeksresultaten
Door voorlopig beperkte data is een voorstelling van onderzoeksresultaten hier niet van toepassing.
4.5.2 Waterpeilverlaging van de Dender, regio Teralfene: opvolging van vegetatie en hydrologie 4.5.2.1
Doelstellingen
In de ecohydrologische studie worden mogelijke effecten nagegaan van de ingrepen in de Dender voor, tijdens en na de werken op het valleigebied ter hoogte van Teralfene (studiegebied) en dit voor: ● grondwaterafhankelijke of overstromingsgevoelige vegetatie; ● het grondwaterregime. 4.5.2.2
Stand van zaken
De uitgangssituatie is reeds uitvoerig opgemeten en beschreven. De komende jaren zal gedeeltelijk de verdere opvolging van de vegetatie en hydrologie in het valleigebied kunnen worden uitgevoerd. Er kan pas gestart worden met de ecohydrologische opvolging na de verwijdering van de sluis te Teralfene. Op jaarlijkse basis worden de grondwatergegevens in WATINA gebracht. We plannen een laatste update van de uitgangssituatie van de vegetatie voordat de sluis te Teralfene wordt verwijderd. Deze update is op dit moment niet ingepland in de planperiode 2019-2024.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 81 van 93
Deelonderzoeken Import grondwaterstanden in WATINA
4.5.2.3
Voorziene planning September december
Status
Opm.
Afgerond
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
4.5.3 Opvolging vegetatie en grondwater Dendervallei stroomopwaarts Geraardsbergen in het kader van vernieuwing van de sluis en uitdieping Dender 4.5.3.1
Doelstellingen
In de ecohydrologische studie worden de vegetatie en grondwaterstanden in de alluviale vlakte van de Dender stroomopwaarts Geraardsbergen in de tijd opgevolgd: ● grondwaterafhankelijke of overstromingsgevoelige vegetatie; ● het grondwaterregime. 4.5.3.2
Stand van zaken
Er is reeds een uitvoerige vegetatiekundige inventarisatie van het studiegebied gebeurd. Voor het plaatsen van piëzometers en de ecohydrologische opvolging werd reeds een plan opgemaakt dat op het terrein verder is bijgesteld. DVW volgt de plaatsing van de piëzometers op dat door de Bodemkundige Dienst van België wordt uitgevoerd. De timing van de verdere afwerking van het stuwcomplex te Geraardsbergen is afhankelijk van het verkrijgen van een nieuwe omgevingsvergunning. Van zodra het hydrologisch meetnet operationeel is, kunnen de grondwaterstanden jaarlijks in WATINA worden gebracht en kunnen de grondwaterpeilen telkens worden vergeleken met de uitgangssituatie en referentiecondities van de daar aanwezige grondwaterafhankelijke vegetatie. 4.5.3.3
Onderzoeksresultaten
Niet van toepassing.
4.6 NATUURINRICHTING 4.6.1 Natuurinrichting Kallemoeie 4.6.1.1
Doelstellingen
Dit onderzoeksitem legt de focus op wetenschappelijke advisering en onderzoek gerelateerd aan natuurinrichting, -ontwikkeling en -herstel in (vallei)gebieden in eigendom of beheer van DVW. Er wordt wetenschappelijke ondersteuning geboden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van specifieke projecten in de verschillende districten.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 82 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Voor de Kallemoeie-Papelenvijver te Nazareth is een lange termijn monitoringplan natuur opgesteld voor de volledige duur van de exploitatiefase, zijnde 20 jaar. De Kallemoeie-Papelenvijver wordt momenteel ingericht als monostortplaats voor baggerspecie. De berging van baggerspecie, de afwerking en de latere inrichting als natuurgebied volgens het herinrichtingsplan opgemaakt door Simoens et al. (2004) zal gefaseerd gebeuren. Bedoeling van het monitoringplan is om na te gaan hoe de natuurwaarden op de site evolueren gedurende een periode van 20 jaar. Van het INBO wordt verwacht dat de monitoringsgegevens ingezameld door Natuurpunt systematisch bijgehouden en verwerkt worden. Voor de metingen die niet uitgevoerd worden door Natuurpunt wordt van het INBO verwacht dat zij acties ondernemen voor invulling van het monitoringplan. Er dient jaarlijks een stand van zaken gegeven te worden ten behoeve van de jaarlijkse rapportage m.b.t. de verkregen milieuvergunning. 4.6.1.2
Stand van zaken
In 2019 waren volgende taken voorzien: ● wintertellingen watervogels (Natuurpunt); ● finalisering van een nieuwe overzichtsrapportage met monitoringsresultaten. Deelonderzoeken
Voorziene planning Januari maart Januari april
Opvolging watervogels Gebiedsevaluatie
4.6.1.3
Status
Opm.
Afgerond Afgerond
Onderzoeksresultaten
Watertype en fysisch-chemische beoordeling Er is vooralsnog geen duidelijke trend in de fysisch-chemische waterkwaliteit t.o.v. 2003 vast te stellen: de gebruikelijke variatie is daartoe onvoldoende bekend. De resultaten voor het biologisch niet-reactieve chloride in 2018 en 2015 zijn quasi identiek, geleidend vermogen, pH en de concentraties van basische kationen, sulfaat en zwevende stof zijn vergelijkbaar. Ammonium is toegenomen, totaalfosfor en chlorofyl veeleer gedaald. De zuurstoftoestand is verslechterd. Vergelijkbaarheid met 2003 is beperkt door de lagere meetfrequentie in dat jaar (vijf bepalingen mei-november), maar tussen 2003 en 2015 werd enkel een beperkte stijging van calcium, magnesium en bicarbonaat vermoed (Denys et al. 2016). De Kallemoeievijver was het best vergelijkbaar met een diep, alkalisch meer met een van nature meer voedselrijk karakter (Aw-e). De diepte is wellicht nog niet in die mate afgenomen dat zomerstratificatie volledig achterwege blijft (zie echter 1.9). Actueel wordt niet voldaan aan de richtwaarden voor totaalfosfor, totaalstikstof, zuurstof en pH voor dit type. Voor het ondiepe type Ami-e is vooral TP te hoog. Of de minder sterke waterbloei in 2018 al dan niet een uitzondering vormt is niet uit de warnemingen af te leiden.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 83 van 93
Terrein De huidige hoeveelheid gestort slib in de Kallemoeie-Papelenvijver is laag in vergelijking met de totaal te storten hoeveelheid. In totaal werd er tot nu toe 126.620 ton ontwaterde specie geborgen tijdens drie bergingscampagnes: 2010 (86.520 ton) 2012 (29.292 ton) en 2016 (10.808 ton). Momenteel is enkel de landtong in het oosten van de vijver gerealiseerd tijdens de campagne in 2012 en is er een beperkte verondieping gebeurd tijdens de andere twee campagnes. Het diepste punt werd, vermoedelijk als gevolg van een combinatie van slibberging en verplaatsing van sediment door natuurlijke processen zoals golfslag en windwerking, verondiept van 10 tot 7 meter. In 2017 werd een klein deel van de oever nabij de ingang in het zuidoosten deels terug vrijgemaakt en werd de wilgenopslag hier verwijderd. Daarnaast wordt het grasland langs de noordwestelijke en zuidwestelijke oever jaarlijks gemaaid om de zichtbaarheid op de plas zo veel mogelijk te waarborgen. In Figuur 23 is er tussen 2015 en 2018 een verschil zichtbaar in de omvang van de ondiepere zone (0-2m). Dit is echter te wijten aan de lage waterstand in 2018 ten gevolge van aanhoudende droogte en niet het gevolg van bergingswerkzaamheden. Flora We kunnen stellen dat de watervegetatie van de Kallemoeie-Papelenvijver een sterk negatieve evolutie kent. De maximale diepte waarop submerse vegetatie werd aangetroffen in 2018 was slechts 3,9 m, waar deze in zowel 2003 als 2015 nog 7 m bedroeg. Het aantal in het water groeiende macrofyten is na 2015 nog verder afgenomen. Waar dit aantal tussen 2003 en 2015 al daalde van 28 naar 21 soorten, werden nu slechts 17 soorten aangetroffen. Het aantal submerse taxa (inclusief draad- en darmwieren), dat bij de voorgaande karteringen in 2003 en 2015 resp. 17 en 15 soorten bedroeg, is nu verder gedaald tot 11 en het aantal kranswiertaxa van 5 naar 1. Voor de submerse vegetatie kunnen we concluderen dat deze over de hele lijn een gestage afname kent. Dit zowel in de maximale groeidiepte, totale bedekking als in de soortenrijkdom. Daarbovenop zijn gedurende de monitoringperiode de soorten van het Europees beschermd habitattype 3140 (kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties) verdwenen en behoord deze plas dus niet langer tot een Europees beschermd habitattype. Op de oevers van de Kallemoeie-Papelenvijver is er successie naar wilgenstruweel waarneembaar ten koste van de ruigte- en rietvegetaties (Foto 9, Figuur 23). De aangroei van het waterriet wordt op vele plaatsen nog bemoeilijkt door de steile oevers en de foerageerdruk van watervogels, daarbij lijkt het waterriet plaatselijk te zijn teruggedrongen naar ondiepere zones al is de reden hiervoor vooralsnog onbekend.
Foto 9.
Begroeiing schiereiland in september 2015 (links) en 2018 (rechts), de pioniervegetatie is geëvolueerd naar een ruigte met wilgenopslag.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 84 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Figuur 23. Vergelijking oevertypes 2003, 2015, 2018.
De achteruitgang van de submerse vegetatie is een zelfversterkend proces en het resultaat van verregaande eutrofiering in de voorbije decennia. Watervegetatie kan, met name in eutrofe wateren, sterk variëren tussen de verschillende jaren. Hoewel er een duidelijke negatieve trend is in zowel de bedekking als de soortenrijkdom van de submerse vegetatie, is het moeilijk om op basis van een driejaarlijkse kartering een relatie te leggen met de bergingswerkzaamheden. Andere factoren zoals klimatologische omstandigheden (zoals de zeer droge zomer in 2018) kunnen een grote invloed hebben op de vegetatieontwikkeling. Een driejaarlijkse vegetatiekartering lijkt te beperkt om conclusies uit te trekken. Het uitzetten van minimaal een vijftal PQ’s (permanente plots) die jaarlijks worden gemonitord voor de submerse vegetatie zou een goede aanvulling vormen die relatief weinig inspanning vereist. Fauna In totaal zijn er 56 verschillende soorten watervogels waargenomen tijdens de gestandaardiseerde watervogeltellingen. De watervogeltellingen volgen de trends op Vlaams niveau. Zo is de tafeleend overal in Vlaanderen afgenomen. Ook voor Canadese gans, dodaars, meerkoet, tafeleend en waterhoen nemen we eerder een afname in aantal individuen waar. Meerkoet en waterhoen hebben minder foerageermogelijkheden in aangrenzend gebied. We zien op de plas Kallemoeie wel een toename in aantal ten opzichte van 2001 voor grauwe gans, krakeend, nijlgans, slobeend en wintertaling. Vooral kleine karekieten, meerkoet, fuut, winterkoning en tjiftjaf vinden nestgelegenheid te Kallemoeie. In mindere mate ook Canadese gans, houtduif, koolmees, krakeend, merel, kuifeend, roodborst, slobeend, zwartkop, wilde eend, waterhoen en zwarte kraai. Soorten als winterkoning profiteren van de verdergaande verstruweling en ook Canadese gans doet het goed. Voor soorten als de tuinfluiter, houtduif, merel en pimpelmees zijn er minder territoria aangetroffen dan in 2014 (Figuur 24).
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 85 van 93
Figuur 24. Een vergelijking van het aantal broedparen tussen 2014 en 2018 in de Kallemoeie-Papelenvijver.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 86 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Algemeen besluit De Kallemoeie-vijver is een hypertrofe plas die een gestage achteruitgang van de ondergedoken vegetatie kent. De berging van slib zal hier wellicht niet veel ten goede aan veranderen, ook al wordt het slib afgedekt met zand. Voorts zal afwezigheid van beheer zorgen voor een verdergaande successie van ruigten naar wilgenstruweel. De afname van graslanden en ruigten nabij de plas zorgt voor een daling van soorten als de meerkoet of waterhoentjes, die deze vegetatietypes prefereren om op te foerageren. Ook de rietkragen zullen afnemen door een verdere verstruweling. Slikrandjes zijn nagenoeg verdwenen, waardoor we in de nabije toekomst op de oeverzones nauwelijks steltlopers hoeven te verwachten. Voor watervogels verwachten we ook in de toekomst eerder een weerspiegeling van Vlaamse trends. Steltlopers, koeten en waterhoentjes zullen wellicht verder afnemen en we verwachten een verdere toename voor soorten die broeden in wilgenstruwelen als winterkoning en tjiftjaf. Aanbevelingen voor DVW Rietkragen zullen afnemen en struwelen zullen toenemen. De wilgen zullen forser worden met bredere stammen. Dit maakt dat op het eind van de rit moeilijker om deze wilgen te verwijderen, rietkragen te herstellen en het gewenste eindbeeld op te leveren. Ter hoogte van de rietkragen en ten zuiden van de plas kunnen de bomen nu reeds gekapt worden. Dit zou gefaseerd kunnen gebeuren. Zo wordt de successie naar gelang de inspanning vertraagd of tegengegaan en kunnen de rietkragen verder uitbreiden ten gunste van vogels met rietkragen als (broed)habitat. Bijkomend kunnen de rietkragen worden afgezet tegen ganzenvraat.
4.7 AD HOC-OPDRACHTEN Er is advies gevraagd indien de ruiming van de grachten en het verwijderen van de hinderlijke vegetatie langs de Damse Vaart (rechteroever) tussen de Hoekebrug en de Nederlandse grens een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Vogelrichtlijngebied ‘Poldercomplex’ veroorzaken (Vriens, 2019). Er is gevraagd om een inschatting te maken voor de heraanleg van jaagpaden en het verjongen van de lijnbeplanting in twee trajecten langs het Afleidingskanaal van de Leie te Damme op het Vogelrichtlijngebied ‘Poldercomplex’ (Van Kerckvoorde & Devos, 2019). Advisering is gevraagd om mogelijke ecologische invloeden in kaart te brengen voor het habitatrichtlijngebied BE2300006 “Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent” door de aanleg van een jaagpad en oeverherstel langsheen de Durme tussen de Veerstraat en de Daknambrug (Van Kerckvoorde & Huysentruyt, 2019).
4.8 OVERLEGVERGADERINGEN 06/02/2019 overleg projectfiches bermbeheer met Jeroen Van Waeyenberge (Andy Van Kerckvoorde). 07/03/2019 & 09/05/2019 & 22/05: overleg met UGent rond onderzoek sinusmaaibeheer (Andy Van Kerckvoorde). 07/06/2019: overleg met Afdeling Regio West, ANB, Natuurpunt, gemeente Gavere, Talboom en BOVA ivm de afwerking van het baggerdepot Bolveerput (Suzanna Lettens). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 87 van 93
11/09/2019: overleg rond groenbeheer IJzerdistrict met Henk Gryffroy en Nathalie Devaere (Andy Van Kerckvoorde). 12/09/2019 & 12/11/2019: stuurgroep Groenbeheerplannen voor het Kanaal Gent – Brugge, het Kanaal Plassendaele – Nieuwpoort en de Zuidervaart (Andy Van Kerckvoorde). 23/09/2019: overleg met de partners van het onderzoek sinusmaaibeheer (Andy Van Kerckvoorde).
4.9 DEELNAME AAN STUDIEDAGEN, CONGRESSEN EN CURSUSSEN 05/12/2019: Colloquium GOOD SOIL - naar een duurzaam beheer van de Brusselse bodems, Brussel, België (Suzanna Lettens).
4.10 ADVIESVERLENING Van Kerckvoorde A. & Devos K. (2019). Voortoets voor de heraanleg van het jaagpad en de vervanging van lijnaanplantingen langs het Afleidingskanaal van de Leie te Damme. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3764. Vriens L. (2019). Voortoets voor ruiming van de grachten langs de Damse Vaart tussen Hoeke en Sluis. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3842. Van Kerckvoorde A. & Huysentruyt F. (2019). Actualisatie van de voortoets bij de aanleg van een jaagpad en oeverherstel langsheen de Durme tussen de Veerstraat en de Daknambrug te Lokeren. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3850. Van Kerckvoorde A. (2020) Advies betreffende maaibeheer voor dijken langs het Afleidingskanaal van de Leie. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3862.
4.11 RAPPORTEN EN PUBLICATIES Lettens S. & De Vos B. (2019a). Verontreiniging in bodem en blad van 23 gecontroleerde overstromingsgebieden langs Schelde, Rupel, Dijle, Grote Nete en Kleine Nete. Interne rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Lettens S. & De Vos B. (2019b). Microbiële diversiteit van baggergronden aan de hand van Biolog EcoPlates. Tussentijds rapport. Intern rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Lettens S., De Vos B., Louette G. (2018). Landbouwkundige en ecologische performantie van alternatieve gewassen in het gecontroleerd overstromingsgebied Tielrodebroek. Tussentijds rapport. Intern rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 88 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Scheers K., Packet J., Dhaluin P., Raman M. en Denys L. (2019). Monitoring van de waterkwaliteit, flora en fauna in de Kallemoeie-Papelenvijver (Nazareth). Periode 2001-2019. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2019.50. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Kerckvoorde A. & De Geest L. (2018). Ecologische opvolging van bermen en natuurvriendelijke oevers langs het Kanaal Gent-Brugge: Resultaten vegetatieopnames 4de ronde en voorstel van beheermaatregelen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2018 (89). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. (Noot: het rapport heeft een 2018-nummer maar werd definitief afgewerkt na interne kwaliteitscontrole begin 2019).
4.12 AANSLUITENDE EN ONDERSTEUNENDE PROJECTEN Er waren in 2019 geen aansluitende en ondersteunende projecten kaderend binnen het thema vallei.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 89 van 93
5 ALGEMENE COÖRDINATIE 5.1 VERSLAGEN In maart 2019 is het ontwerp jaarverslag 2018 bezorgd aan DVW. De definitieve versie met verwerking en aanvullingen gevraagd door DVW is bezorgd in september 2019. In september 2019 is het tussentijds verslag van de activiteiten voor de periode januari-juni 2019 overgemaakt aan DVW. In november 2019 is de definitieve versie met verwerking van de opmerkingen van DVW afgerond. Van Kerckvoorde A. (redactie) (2019). Jaarverslag 2018. In het kader van de raamovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg nv en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek inzake ecologische advisering en ecologisch onderzoek. Interne rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Van Kerckvoorde A. (redactie) (2019). Tussentijds verslag 2019. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg nv en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek inzake ecologische advisering en ecologisch onderzoek. Interne rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
5.2 OVERLEGGROEP DVW-INBO De overleggroep DVW-INBO kwam 3 keer samen in 2019. Tijdens de overlegmomenten werden vooral volgende zaken besproken: ● projectfiches en onderzoeksprogramma, ● budgettering, ● voorstel van verschuiving om de begrote kost van projecten op het prioritair programma in evenwicht te krijgen met het beschikbaar budget voor het werkjaar 2020. 08/01/2019: DVW: Sofie Derous, Jannie Dhondt, Piet Thys, Valerie Vandeurzen, Jeroen Van Waeyenberge, Joke Verstraelen; INBO: Johan Coeck, Suzanna Lettens, Gerald Louette, Andy Van Kerckvoorde, Gunther Van Ryckegem 27/06/2019: DVW: Jannie Dhondt, Jeroen Van Waeyenberge; INBO: Daniel De Charleroy, Andy Van Kerckvoorde, Gunther Van Ryckegem. 14/11/2019: DVW: Sofie Derous, Thierry Gaethofs, Jeroen Van Waeyenberge, Piet Thys, Valerie Vandeurzen; INBO: David Buysse, Daniel De Charleroy, Andy Van Kerckvoorde, Gunther Van Ryckegem.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 90 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
5.3 MANAGEMENTGROEP DVW-INBO In het kader van de samenwerkingsovereenkomst is een managementgroep DVW-INBO opgericht. De managementgroep is een eerste keer samengekomen in december 2019 waarbij volgende zaken werden besproken: ● goedkeuring van het beschikbare budget voor het komende werkjaar 2020, ● vastlegging van de generieke dagprijzen, variërend per niveau, voor het komende werkjaar 2020, ● goedkeuring van het rollend meerjarenprogramma 2020-2023, met focus op aanpassingen voor 2020, ● bespreking van financiële balans van rollend meerjarenprogramma 2020-2023. 19/12/2019: DVW: Chris Danckaerts, Jeroen Van Waeyenberge; INBO: Maurice Hoffmann, Daniel De Charleroy, Andy Van Kerckvoorde.
5.4 PROJECTFICHES Voor ieder onderzoeksitem zijn projectfiches uitgewerkt. De eerste versie van deze fiches is aan DVW bezorgd in december 2018. In de loop van 2019 gebeurde verdere afstemming van de projectfiches in bilateraal overleg tussen verantwoordelijken van territoriale afdelingen van DVW en verantwoordelijken binnen INBO. Aangezien er meer taken zijn dan het beschikbaar budget worden (deel)taken van sommige projectfiches op een reserveprogramma geplaatst. Zo’n reserveprogramma is handig om te weten wat leeft aan ideeën. Bovendien kunnen projecten uit een reserveprogramma makkelijker worden opgepikt voor uitwerking. Vooral voor het thema vismigratie zijn er verschillende items in het reserveprogramma ondergebracht. Dit omdat een concrete planning dikwijls nog niet mogelijk is vermits de uitvoering van de items afhankelijk is van de voortgang van verschillende infrastructuurwerken. Binnen het thema vismigratie zullen de onderzoeksitems van het reserveprogramma op termijn op het prioritair programma komen.
///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 91 van 93
6 PERSONEEL Coördinatie vanuit DVW: Jeroen Van Waeyenberge, Afdeling Regio West (algemene coördinatie SWO, thema vallei, thema waterweg) Bart De Heyder, Afdeling Regio West (thema vallei) Sofie Derous, Afdeling Regio West (thema vismigratie) Nathalie Devaere, Afdeling Regio West (thema vallei) Vera De Vlieger, Afdeling Regio West (thema vallei, thema vismigratie) Thierry Gaethofs, Afdeling Regio West (thema vismigratie) Piet Thys, Afdeling Regio Centraal (thema vismigratie, thema vallei, thema waterweg) Patrick Van Bockstal, Afdeling Regio Centraal (thema vismigratie, thema vallei, thema waterweg) Valerie Vandeurzen, Afdeling Regio Oost (thema vallei, thema waterweg) Lien Vanhoutte, Afdeling Regio West (thema vallei) Jeroen Verbelen, Afdeling Regio West (thema vallei) Bram Verschoren, Afdeling Regio Centraal (thema vallei) Joke Verstraelen, Afdeling Regio Oost (thema waterweg) Coördinatie vanuit INBO: Daniel De Charleroy, onderzoeksmanager (algemene coördinatie SWO) Andy Van Kerckvoorde, wetenschappelijk attaché (algemene coördinatie SWO) Johan Coeck, wetenschappelijk attaché (thema vismigratie) David Buysse, wetenschappelijk attaché (thema vismigratie) Suzanna Lettens, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Gunther Van Ryckegem, wetenschappelijk attaché (thema vallei, thema waterweg) Inbreng INBO-personeel: Raf Baeyens, deskundige (thema vismigratie) Kristof Baert, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Olja Bezdenjesnji, technicus (thema waterweg) Jan Breine, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Dimitri Buerms, technicus (thema waterweg) David Buysse, wetenschappelijk attaché (thema vismigratie) Jim Casaer, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Bart Christiaens, deskundige (thema vallei) Johan Coeck, wetenschappelijk attaché (thema vismigratie) Lode de Beck, wetenschappelijk attaché (thema waterweg, thema vallei) Joram De Beukelaer, technicus (thema waterweg) Adinda De Bruyn, technicus (thema waterweg) Wim De Clercq, deskundige (thema vallei, thema vismigratie) Luc De Geest, deskundige (thema vallei, thema waterweg) Nico De Maerteleire, technicus (thema vismigratie) Liesbeth De Neve, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Franky Dens, arbeider (thema waterweg) Luc Denys, wetenschappelijk attaché (thema vallei) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// Pagina 92 van 93
doi.org/10.21436/inbor.18834486
www.inbo.be
Nico De Regge, deskundige (thema vallei, thema waterweg) Koen Devos, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Bruno De Vos, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Marc Dewit, arbeider (thema waterweg) Pieter Dhaluin, technicus (thema vallei) Ruben Elsen, deskundige (thema waterweg) Joris Everaert, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Linde Galle, deskundige (thema waterweg) Emilie Gelaude, deskundige (thema vismigratie) Ralf Gyselings, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Frank Huysentruyt, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Merlijn Joqué, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Isabel Lambeens, deskundige (thema waterweg) Suzanna Lettens, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Jo Loos, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Yves Maes, deskundige (thema waterweg) Axel Neukermans, deskundige (thema waterweg) Sabrina Neyrinck , deskundige (thema vallei) Jo Packet, deskundige (thema vallei) Mathieu Pieters, deskundige (thema vallei) Sebastien Pieters, technicus (thema vismigratie) Sam Provoost, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Maud Raman, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Karen Robberechts, technicus (thema vismigratie) Kevin Scheers, deskundige (thema vallei) Jan Soors, deskundige (thema waterweg) Jeroen Speybroeck, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Thomas Terrie, deskundige (thema waterweg) Marijke Thoonen, wetenschappelijk attaché (thema vallei, thema waterweg) Alexander Van Braeckel, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Lore Van Damme, wetenschappelijk attaché (thema vismigratie) Frank Van de Meutter, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Erika Van den Bergh, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) An Vanden Broeck, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Bart Vandevoorde, wetenschappelijk attaché (thema vallei, thema waterweg) Wouter Van Gompel, technicus (thema vallei) Andy Van Kerckvoorde, wetenschappelijk attaché (thema vallei, thema waterweg) Frederic Van Lierop, technicus (thema vallei, thema waterweg) Joost Vanoverbeke, wetenschappelijk attaché (thema waterweg) Gunther Van Ryckegem, wetenschappelijk attaché (thema vallei, thema waterweg) Jan Van Uytvanck, wetenschappelijk attaché (thema vallei, thema waterweg) Jeroen Van Wichelen, wetenschappelijk attaché (thema vismigratie) Jan Vercammen, deskundige (thema waterweg) Edward Vercruysse, technicus (thema vallei, thema waterweg) Sophie Vermeersch, wetenschappelijke attaché (thema vismigratie, thema waterweg) Joris Vernaillen, technicus (thema waterweg) Koen Vervaet, deskundige (thema vallei) Lieve Vriens, wetenschappelijk attaché (thema vallei) Mathias Wackenier, deskundige (thema vallei) Koen Willems, technicus (thema vallei) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be
doi.org/10.21436/inbor.18834486
Pagina 93 van 93