Historische tuinen en parken laanderen
'Ü >
O
P-
VLAAMSE OVERHEID Agentschap Onroerend Erfgoed
^:
u ai
'jl o +-*
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris
Vlaams-Brabant
Noordwestelijk Vlaams-Brabant
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris
Vlaams-Brabant
Moordwestelijk Vlaams-Brabant Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmei
Résumés frangais - English summaries
Roger Deneef.jo Wijnant, Stefan Vidts, Wilfried Verleyen, José Anne de Molina, Hilde Kennes, Marjolijn Van Domme, Raymond De/voux, Th/erry de Clippele, Henry van der Hoegen, Peter Soens, Herlinde De jaeck, Leonard Quintelier, Dirk De Meyere, Georges Jacobs de Hagen, Greta Paesmans, André Cresens & Steven Von den Borne
Eindredactie & synthese: Roger Dene e f
Vlaamse Overheid - Onroerend Erfgoed Brussel 2011
Dit boek verscheen in 2012 en werd uitgegeven door de Vlaamse Overheid - Onroerend Erfgoed
Auteurs Roger Deneef, Jo Wijnant, Stefan Vidts, Wilfried Verleyen, José Anne de Molina, Hilde Kennes, Marjolijn Van Damme, Raymond Delvaux, Thierry de Clippele, Henry van der Haegen, Peter Soens, Herlinde De Jaeck, Leonard Quintelier, Dirk De Meyere, Georges Jacobs de Hagen, Greta Paesmans, André Cresens & Steven Van den Borne Met medewerking van Hugo de Jonghe, Jef De Cuyper, Jef Heyvaert & Celia Viérin
Lay-out Bart Delva (drukkerij-uitgeverij 'die Keure', Brugge)
Coördinatie & concept Luc Tack
Eindredactie & synthese Roger Deneef
Fotografie Oswald Pauwels (onder meer de coverfoto), Roger Deneef, Olga Filenko, Jo Wijnant, Marjolijn Van Damme, Stefan Vidts, Martin Schacht, Hilde Kennes, Greta Paesmans, Christel Dardenne & Chris De Maegd
Correctie Marijke Hoflack
Verantwoordelijke uitgever: Luc Tack Vlaamse Overheid - Onroerend Erfgoed Koning Albert Il-laan 19 bus 3, 1210 Brussel - tel. (02) 553 16 11 - fax (02) 553 16 05 Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd cn/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uiteever.
D/2OI1/3241/3II ISBN 978-90-403-0321-0
INHOUD
Voorwoord Inleiding DEFINITIES
I I
BRONNEN, INTERNE VERWIJZINGEN EN AFKORTINGEN
I I
WAT ZIJN MERKWAARDIGE BOMEN?
12
INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE
12
BEVINDINGEN
I3
AFFL1GEM (Hekelgem) BENEDICTIJNENABDIJ VAN AFFLIGEM DOMEIN VERBRUGGHEN
I6 28
'T KASTEELTJE - IL PALAZZETTO
30
D E NIEUWE MOLEN
33
AFFLIGEM (Teralfene) VILLA HUYGENS
34
GROT VAN ONZE-LIEVE-VROUW VAN LOURDES & OMMEGANG VAN DE ROZENKRANS
36
ASSE (Asse) DOMEIN WAALBORRE
38
KONINKLIJK ATHENEUM - DOMEIN VIJVERBEEK
42
KASTEEL VAN RAMPELBERG
45
KASTEEL BELVÉDÈRE - SINT-MARTINUSSCHOOL
47
MORETTE
49
KASTEEL VAN HOOGPOORT
55
KASTEEL VAN DE PUTBERG
60
KASTEEL D E BERGEN
64
BORCHSTAD
68
LANDHUIS HUSEGHEM - KASTEEL VAN WALFERGEM
70
ASSE (Bekkerzeel) H O F TE ZITTERT
79
GRIMBEKGEN (Beigem) H O F VAN BENTINCK - O U D KASTEEL
85
T E N DOORN
88
KASTEEL TEN BERG
90
GRIMBERGEN (Grimbergen) ABDIJ DER NORBERTIJNEN PRINSENKASTEEL
93 97
SINT-SERVAASHOF
I 02
KASTEEL D'OVERSCHIE - D E VORST
l 04
DOMEIN VAN BORCHT
109
KASTEEL GROENEVELD
I 17
PSYCHIATRISCHE KLINIEK SINT-ALEXIUS
I 22
VILLA GOOSSENS
I 27
GRIMBERGEN (Humbeek) GRAVENKASTEEL
I 29
LOURDESGROT, KRUISWEG EN CALVARIE
I 38
KASTEEL D E EIKEN
140
KASTEEL TER WILDER
144
VILLA D E DONDER
148
GRIMBERGEN (Strombeek-Bever) KASTEEL VAN BEVER
I 50
KAPELLE-OP-DEN-BOS (Kapelle-op-den-Bos) KONINGSTEEN
I 56
XAPELLE-OP-DEN-BOS (Ramsdonk) KASTEEL VAN HOUTEM
I 59
PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK & MARIAPARK
I 65
LONDERZEEL (Londerzeel) KASTEEL DRIE TORENS
I6 8
LONDERZEEL (Malderen) GROENHOF
176
LONDERZEEL (Steenhuffel) KASTEEL DIEPENSTEYN
I8 3
KAASHOF
I 87
ME1SE (Meise) DOMEIN BOUCHOUT - NATIONALE PLANTENTUIN VAN BELGIË
I 90
VOORMALIGE PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK
2 l5
KASTEEL TER HASSELT
2 l9
DOMEIN TERASSEL
223
MEISE (Wolvertem) KASTEEL VAN IMPDE IMPDENHOF
225 23 l
NEEROMHOF
235
KASTEEL VAN LEEFDAAL - HUIZE TEN BOSSCHE
239
VILLA CRICK
242
MERCHTEM (Brussegem) KASTEEL VAN OSSEL HAGENKASTEEL
243 25 3
PASTORIE VAN DE SINT-JAN-DE-DOPERKERK VAN OSSEL KASTEEL VAN WOLVENDAAL
MERCHTEM
258 260
(Merchtem)
BORCHT & KASTEEL VAN MERCHTEM HOF TER SPELT - APPELKOT
266 270
OPWIJK (Opwijk) VILLA WIJNANTS - 'T KASTEELTJE PASTORIE VAN DE SINT-PAULUSKERK TEMMERSHOF CHATEAU D'HULST
273 275 277 278
WEMMEL KASTEEL VAN WEMMEL - GEMEENTEHUIS PASTORIE VAN DE SINT-SERVATIUSKERK
279 287
Résumés
290
Summaries
296
K a a r t e n m e t s i t u e r i n g van de b e s p r o k e n t u i n e n en p a r k e n
302
O v e r z i c h t v a n k e n m e r k e n en k w a l i t e i t e n
307
Personenregister
3 io
Dankwoord
31 6
Op het bordes van het kasteel d'Overschie e Grimbergen (foto Olga Filenko, 2009)
vnnRwnnRD
Met dit tiende M&L cahier gewijd aan historische tuinen en parken van Vlaanderen Is na zestien jaar van intensieve arbeid bijna met 66 van de 308 Vlaamse gemeenten iets meer dan één vijfde van het grondgebied van het Vlaams gewest geïnventariseerd en te boek gesteld. De inventaris van tuinen en parken van Vlaanderen Is tot op heden tijdelijk en deeltijds uitgevoerd door 5 ambtenaren van het agentschap Onroerend Erfgoed. Niet zelden werden zij bijgestaan door enthousiaste eigenaars en gedreven lokale historici. Dit inventarlsdeel meegerekend zijn circa 1500 verkenningen uitgevoerd, wat resulteerde in de uiteindelijke redactie van 856 beschrijvingen. De provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen en een klein deel van Vlaams Brabant en Limburg moeten nog geïnventariseerd worden. Uit de reeks "Bouwen door de eeuwen heen" valt af te lelden dat de grote stedelijke agglomeraties Antwerpen, Cent, en de overige kernsteden Brugge, Oostende, Kortrijk, Mechelen, Aalst en Sint-NIklaas en hun wijde omgeving een hoog aantal te inventariseren objecten tellen. In sterk geürbaniseerde gebieden en binnensteden wordt terecht gepleit voor 'inbreiding' om de druk van verstedelijking op het buitengebied te temperen. De inventaris van tuinen en parken van Vlaanderen toont echter aan dat hierdoor tuinen en parken met hoge erfgoedwaarde in het gedrang komen. Hier moeten correcte afwegingen gemaakt worden. Uit de plaatsbeschrijvingen blijkt ook dat uitheemse plantensoorten een onverbrekelijk onderdeel van onze historische tuinen en parken zijn en dat zij volwaardig deel uitmaken van ons 'groene' erfgoed. Ze vervangen door streekeigen soorten doet derhalve afbreuk aan het wezen zelf van onze historische tuinen en parken. Historische tuinen en parken maken volwaardig deel uit van ons erfgoed. Zij vormen één geheel met het gebouwde erfgoed waar ze bij horen. De Inventaris Is de eerste en noodzakelijke stap op weg naar erkenning en bescherming.
Geert BOURGEOIS Vlceminlster-presldent van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand
INIFIDIMfi
Definities Voor ons is "tuin: omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden" (eerste betekenis in: http://www.vandale.nl/current). In eerdere edities van het 'Croof Woordenboek der Nederlandse taal' (bijvoorbeeld die van 1984) werd ook het behoren "bij een huis en daaraan sluitende, of het omgevende" als essentieel onderdeel van de definitie gegeven. In dat geval zouden volkstuintjes, kerkhoven, begraafplaatsen... ten onrechte buiten de definitie vallen. Voor de definities van park en plantsoen verlaten we ons echter op de oude uitgaven: "Park: terrein bij of om een kasteel of landhuis, bestaande uit bos en weiland, meestal door vijvers en kunstmatige aanleg verfraaid." (tweede betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). "Plantsoen: aanleg met bomen en planten als openbare tuin, publieke wandelplaats" (3de betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). Deze definities van tuin en park sluiten nauw bij elkaar aan en we vinden ze niet alleen in Franse en Engelse taaiwoordenboeken terug, maar ook in de vakliteratuur, zowel in de oudere, bijvoorbeeld bij j . Vacherot (Les pares et jardins au commencement du XXe siècle, 1908.) als in recente, bijvoorbeeld in de Glossary of Garden history van M. Symes (1993), in de Dictionnaire historique de l'art des jardins van M. Conan (z.d., 1997?) en in jardln - Vocabulaire typologique et technique van M.-H. Bénetière (2000). Wij zullen 'tuin' en 'park' zo consequent mogelijk gebruiken om een verschil in schaal en intensiteit (of intensiviteit) aan te geven: intensief, min of meer kleinschalig (tuin) versus extensief, grootschalig (park). Voor 'h/stor/sd?'verkiezen we de derde definitie van de 'Petit Robert' (uitgave 1983): "Qui est ou mérite d'etre conserve par l'histoire" - een pseudodefinitie die niets afbakent, maar in de teksten hopen wij duidelijk te maken waarom het de moeite waard was om een bepaalde tuin of een bepaald park in de inventaris op te nemen.
Bronnen, interne verwijzingen en afkortingen Alle vermelde kadastrale documenten werden geraadpleegd in het archief van het Kadaster- Directie Brabant te Brussel. Andere bronnen en vindplaatsen van archiefmateriaal worden bij name genoemd. Soms wordt verwezen naar de beschrijving van een ander domein dat aan bod komt in dit inventarisdeel: in dat geval wordt de naam van het domein gevolgd door een asterisk (*). - Ferrariskaart = 'Carte de cabinet des Pays-Bas autrichiens' of 'Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden' opgemaakt op initiatief van graaf de Ferraris in 1 771 -1 775. - DLG = Dépöt de la Guerre et de la Topographie, opgericht in 1831, in 1878 opgevolgd door het ICM. - ICM = Institut Cartographique Militaire, in 1976 opgevolgd door het huidige NGI. - NGI = Nationaal Geografisch Instituut. Met het woord 'stafkaart' bedoelen we de topografische kaarten, uitgegeven door één van de drie laatstgenoemde instellingen.
Wat zijn merkwaardige bomen? Onder de hoofding 'Merkwaardige bomen' worden voor diverse domeinen namen van bomen opgesomd gevolgd door hun stamomtrek. Deze bomen worden merkwaardig geacht wegens hun afmetingen, ouderdom en/of de zeldzaamheid van de soort of variëteit - vaak cultuurvariëtelt ('cultivar'). Het meetgetal wordt In het vet afgedrukt. In België wordt de stamomtrek doorgaans gemeten op 150 cm boven het maaiveld. Door de aanwezigheid van gesteltakken, knobbels, aanwassen... moet hij soms op een andere, meestal lagere hoogte worden gemeten. In dat geval wordt het vet gedrukte stamomtrekgetal gevolgd door een tweede getal tussen haakjes, dat de afwijkende meethoogte weergeeft. De regels die gevolgd werden bij het meten van bomen - ook op hellingen of bij scheefgezakte, vanaf de grond vertakte of zelfs liggende exemplaren... - worden uiteengezet In: R. DENEEF & A. DE HAECK, Borsthoogten en stamomtrekken door de eeuwen heen, p. 26-48 in: jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 1996. Het nummer voor de naam van de boom Is het nummer dat we binnen elke tuin of park aan elke geregistreerde boom hebben toegekend en dat ook voorkomt op de plattegrond die we voor elk domein hebben uitgetekend. Deze plattegronden kunnen geraadpleegd worden In het archief van de Inventaris te Leuven (Agentschap RO-Vlaanderen, Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Waalstraat 1, 3000 Leuven). Bij de determinatie van bomen en struiken werd meestal gebruikgemaakt van: - BOOM B.K., Nederlandse dendrologie (12de druk), Wageningen, Veenman & zonen, 1982. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (3 delen), Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1976-1978. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze, Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1972. Soms van: - REHDERA., Manual of cultivated trees and shrubs (2nci ed.), New-York, MacMIIIan Publishing Co, 1974. - MITCHELL A., A field guide to the trees of Britain and northern Europe, London, Collins, 1992.
invalshoeken en werkwijze Cultuurhistorische, artistieke, architecturale, esthetische, sociaal-economische, dendrologische, tuinbouwkundige en zelfs ecologische aspecten (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) kregen in deze inventaris een belangrijke rol toebedeeld. Potentieel interessante objecten werden opgespoord aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, oude kaarten (bijvoorbeeld de Ferrariskaart, oude stafkaarten) en terreinonderzoek. Ook relicten van grotendeels verdwenen tuinen en parken werden besproken, met name Ten Doorn te Grimbergen (Beigem) en het Temmershof te Opwijk. De schaal en de functie van de objecten kunnen zeer uiteenlopend zijn. Het terreinonderzoek omvat een gedetailleerde Inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen zoals zichtassen en panorama's, parkmeubilair In de ruimste zin van het woord, paviljoens, kunstmatige heuveltjes en ander architecturaal microreliëf. Ook de spontane plantengroei (flora, vegetatie) kreeg aandacht. Aan het opmeten en beschrijven van bomen werd relatief veel tijd besteed. Stamomtrekken kunnen tot op zekere hoogte als dateringsmiddel worden aangewend. Niet zelden kon een verband worden gelegd tussen de diverse generaties van aanplantingen en de opeenvolgende aanleg- en bouwcampagnes. Het belang van dit soort 'dendrochronologle' bij park- en tuinInventarlsaties werd al eerder benadrukt door Tom Williamson (Gorden history and systematic survey, p. 59-78 in: Garden history. Issues, approaches, methods. Washington D.C., 1992). Archiefonderzoek is onontbeerlijk. Het archief van het kadaster bleek de voornaamste en vaak de enige beschikbare bron van historische gegevens. Bij de datering van gebouwen, landschapselementen, afbraak en heropbouw zijn de kadastrale opmetlngs- of mutatleschetsen (beschikbaar vanaf 1833)
onmisbaar. Normaliter worden die opgemaakt binnen het jaar na de wijziging in de toestand van een perceel, maar soms gebeurt het dat er veel meer dan één jaar verloopt tussen een belangrijke verbouwing en de registratie ervan. Bovendien stelden we vast dat bepaalde wijzigingen in het landschap, bijvoorbeeld van contouren van vijvers of padentracés, in het geheel niet of pas veel later tot het kadastrale beeld zijn doorgedrongen. De datering bij middel van kadastrale gegevens werd dus zoveel mogelijk gecontroleerd en gecorrigeerd aan de hand van andere bronnen, zoals jaarstenen in de gevel, militaire topografische kaarten, getuigenissen van de eigenaars, notariële akten en andere historische bronnen. Met 'primitieve' kadasterkaart wordt de eerste kadasterkaart met de hedendaagse nummering (zonder exponenten) bedoeld, doorgaans opgesteld tussen 1815 en 1830, maar er werden ook enkele kadasterkaarten uit de Franse periode (1812, 181 3) teruggevonden, meestal zonder perceelsnummering ( de 'plans géometriques' van vóór 1810) of met een perceelsnummering die afwijkt van de huidige. Het gaat dus niet noodzakelijk om de oudste kadasterkaarten. De 'primitieve legger' en 'primitieve eigenaar' refereren aan de eigendomstoestand en de perceelsbeschrijving, die in 1831 het uitgangspunt vormden voor het nog steeds vigerende systeem. Om 'primitief' in kadastrale zin te onderscheiden van de meer gangbare betekenissen, zullen we het woord met een hoofdletter schrijven: Primitieve kadasterkaart. Onderzoek van oud beeldmateriaal zoals prentbriefkaarten, familiekiekjes, etsen, litho's... bleek bijzonder vruchtbaar, omdat zij een inkijk geven in het dagelijkse leven tijdens de hoogdagen van tuinen en parken. In enkele gevallen, onder meer de abdij van Affligem en het kasteel van Ossel te Brussegem, was er een archief met ontwerpen, of aanlegplannen voorhanden en werd de naam van de ontwerpers achterhaald.
Bevindingen Dit inventarisdeel beslaat negen Vlaams-Brabantse gemeenten ten noordoosten van Brussel met een totale oppervlakte van 257 vierkante kilometer en circa 160.000 inwoners. In dit gebied werden 62 objecten geselecteerd van zeer uiteenlopende aard, functie, historische achtergrond en schaal - van kleine villatuinen zoals die van Villa Coosens te Grimbergen en Villa Huygens te Teralfene, tot uitgestrekte landgoederen zoals het Gravenkasteel te Humbeek. De graad van verstedelijking en de verstedelijkingsdruk binnen dit gebied - vooral in de gemeenten grenzend aan de Brusselse agglomeratie (Asse, Grimbergen, Wemmei), maar ook in zogenaamd landelijke gemeenten zoals Opwijk - zijn in vergelijking met de rest van het Vlaamse gewest bijzonder hoog. Dit heeft uiteraard gevolgen voor het behoud en de houdbaarheid van de parken en tuinen, die in dit boek aan bod komen. Bij de vaststelling van de gewestplannen in de jaren 1970 werden ettelijke landgoederen geheel of gedeeltelijk - vaak de met hoogstammige bomen beplante randzone - ingekleurd als 'woongebied', al dan niet met een 'landelijk karakter'. Dat leidde en leidt nog steeds tot de opdeling van tuinen en parken in dure bouwpercelen en de vernietiging van een groot deel van hun historische beplanting. Slachtoffers zijn vooral de typische, eclectische villa's uit de belle époque, omringd door relatief bescheiden parkjes, maar waarvan het volume en de kleur van de boomkruinen beeldbepalend zijn voor de straat of de wijk. Met hen verdwijnen ook de getuigen van een woonvorm die typisch was voor de bourgeoisie in de steden en voor de notabelen in het dorp. De vastgoedprijzen zijn tijdens het voorbije decennium nagenoeg verdubbeld - een trend die door de nabijheid van Brussel nog wordt versterkt. De astronomische schadeclaims die bij een eventuele bescherming (als monument, dorps- of stadsgezicht of landschap) kunnen worden opgeworpen, verijdelen elke poging tot behoud. Alleen al op grond van de vigerende gewestplannen verkeren ongeveer één vierde van de tot nog toe geïnventariseerde objecten in VlaamsBrabant in een stedenbouwkundig precaire situatie; voor dit inventarisdeel gaat het om 26 van de 62 geselecteerde parken en tuinen.
Recente aanleg rond het kasteel Groenhof te Malderen (foto 0. Pauwels, 2010)
Maar het is ook juist dankzij de nabijheid van Brussel en - in mindere mate - Mechelen dat het hier besproken gebied vanaf 1600 bezaaid werd met 'speelhuizen' en buitenplaatsen, waarin de adel en later ook de stedelijke bourgoisie rust en ontspanning zocht - oorsponkelijk als zomerverblijf, vanaf het midden van de 19de eeuw in toenemende mate als hoofdresidentie dankzij de uitbouw van het (spoor) wegennet. Nog steeds zijn wij ervan overtuigd dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken - zelfs na een ingrijpende landschappelijke, 19de-eeuwse fase - in hoge mate schatplichtig zijn aan de primitieve vorm of de functie van het object waaromheen ze aangelegd werden of gegroeid zijn. Landschapsgenetische aspecten wogen minstens even sterk door als stijl- of modetrends. Een tabel met een rudimentaire 'genetische' typologie en classificatie bevindt zich achteraan in het boek. De 'landschappelijke' heraanleg in de loop van de 19de eeuw is vaak niet veel meer dan recyclage van oude elementen: een beek wordt verbreed en opgestuwd zoals in het park rond het kasteel Drie Torens te Londerzeel (één van de oudste 'Engelse' parken van België) of - maar dan een halve eeuw later - de ringgracht rond het kasteel van Impde te Wolvertem. De dubbelstructuur met de ringgrachten van de feodale motte blijft niet zelden nog duidelijk zichtbaar, zoals bij het Cravenkasteel te Humbeek en het kasteel van Houtem te Ramsdonk. Op het relatieve belang van brede cultuurstromingen, literaire teksten zoals de 'Georgica' van Vergilius, handboeken en essays over tuinaanleg om veranderingen in de tuin- en parkaanleg te verklaren, werd - in een Engelse context - al gewezen door Tom Williamson. In parken en tuinen wordt
in de eerste plaats geleefd; financiële overwegingen, kostenafwegingen, recreatiebehoeften, landbouwstructuren en de economische en sociale structuur van de plaatselijke gemeenschap waren belangrijke vormdeterminanten. Geldgebrek, overlijden of veranderingen in de ruimere omgeving zoals de aanleg van een nieuwe steenweg, konden lang gekoesterde ambities en plannen doen verzanden of ombuigen. Toch mag de invloed van intellectuele, filosofische of esoterische stromingen niet geminimaliseerd worden. In dit inventarisdeel trekken enkele vroege landschapsparken - 'jardins a l'anglaise' - wat dit betreft de aandacht, omdat zij op een bijna tastbare, programmatische manier de vooruitgangsidealen van de Verlichting belichamen. Stefan Vidts, auteur van het lange artikel over de Nationale Plantentuin te Meise, gebruikt het woord 'emblematisch' wanneer hij de gebouwen en 'follies' analyseert die aan het begin van de 19de eeuw door de toenmalige eigenaars werden opgetrokken. Ook de revival van de regelmatig-geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw en aanlegpatronen die verwijzen naar een bij uitstek Belgische tuinstijl die vooral tijdens het interbellum opbloeide - de 'Nouveau jardin pittoresque' - hebben in dit inventarisgebied veelvuldige sporen nagelaten. Van het tuinmeubilair, tuinvazen, beelden, paviljoenen... is in de meeste parken en tuinen weinig overgebleven en veel van wat werd aangetroffen werd aangevoerd door de huidige, recente eigenaars. Dat is uiteraard niet alleen een gevolg van verwaarlozing. Antieke tuinornamenten liggen goed in de markt. Bij de situering, beschrijving en evaluatie van deze 'roerende' voorwerpen werd daarom enige discretie aan de dag gelegd. Het is niet eenvoudig om zich een beeld te vormen van de veranderingen en verwoestingen die de opeenvolgende uitbarstingen van de iepenziekte sinds de Eerste Wereldoorlog in onze parken en in het landschap in het algemeen hebben aangericht. De laatste ons bekende iependreef in Vlaams-Brabant - bij het kasteel van Meerbeek te Meisbroek, de huidige 'Brabantse Golf' - is afgestorven in 1983 (zie M&L Cahier nr. 19, p. 63-67). De enige min of meer dikke iepen - i.e. steeliepen (Ulmus laevis) binnen het hier beschouwde gebied werden aangetroffen in de Nationale Plantentuin, in het domein Terassel te Meise en naast de portierswoning van het Neromhof te Wolvertem, maar de wortelopslag van ruwe iep (Ulmus glabra) in diverse parken getuigt van zijn voormalig belang als park- en laanboom. Het onderzoek van historische tuinen en parken is tot op zekere hoogte een vorm van archeologie: de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaal-economisch bestel dat sinds de Tweede Wereldoorlog tot het verleden behoort. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals hagen en prielen - zijn dan ook de regel. De naoorlogse 'superette' heeft bovendien een fatale slag toegebracht aan de groente- en fruittuinen, die een belangrijk onderdeel vormden van nagenoeg alle tuinen en parken. Dit inventarisdeel bevat enkele gelukkige uitzonderingen.
Roger Deneef
Roger Deneef, Wilfried Verleyen & Jo Wijnant
AFFLIGEM (HEKELGF1VI): BENEDICTUNENABD1J VAN AFFLIGEM ABDIJSTRAAT 6, 1790 HEKELCEM (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
De lindedrecf tussen de gewezen boerde-
" • * » • ' . * .
•
*
ri| en het klooster
• -^ 4*. v
• .
(foto R. Deneef,
2007)
":n ^ -c-v
• - pi^ >^
n.
'.
•
~
&
*
^
Relicten van een rond 1800 grotendeels gesloopte benedictijnenabdij, in de 17de en 18de eeuw omringd met siertuinen, moestuinen, boomgaarden en vijvers, een ommuurd ensemble vormend van circa 18 hectare; heropgebouwd in neogotische stijl na de terugkeer van de benedictijnen in 1869; verbouwingen en nieuwbouw naar ontwerp van onder meer Dom P. Bellot en A. Kropholler tijdens het interbellum; lindedreven en 'groene' evocatie van het koor van de verdwenen abdijkerk.
Voor talrijke abdijen en kloosters, zoals de cisterciënzerinnenabdij van Vrouwenpark te Rotselaar en deze van de benedictinessen te Kortenberg (1), betekende de Franse Revolutie het definitieve einde, maar voor sommige was ze niet meer dan een profaan intermezzo. De norbertijnenabdijen van Grimbergen, Park-Heverlee, Averbode en Tongerlo werden reeds in de jaren 1830 door dezelfde orde opnieuw in gebruik genomen. In andere abdijen en kloosters liet de 'herkerstening' langer op zich wachten. Ze werd gedragen door de katholieke revival tijdens de tweede helft van de 19de eeuw en - wat de architectuur betreft - de neogotische beweging; ze was bovendien vaak het werk van andere, meestal op missiewerk, onderwijs of ziekenof gehandicaptenzorg gerichte congregaties zoals
de Broeders van de Christelijke Scholen (abdij van Groot-Bijgaarden). Ook nieuwe sites werden aangesproken, zoals de benedictijnenabdij op de Keizersberg te Leuven (1890). De abdij van Affligem is de enige Vlaamse benedictijnenabdij die bijna duizend jaar na haar stichting nog steeds door benedictijnen wordt bewoond. Ontstaan en ontwikkeling De abdij dankt haar ontstaan aan zes ridders, die door de prediking van Wedericus, een monnik van de Gentse Sint-Pietersabij, tot inkeer kwamen. Door toedoen van de heilige Anno, aartsbisschop van Keulen, vestigden zij zich, wellicht in 1062, in het gehucht Affligem, op een eigendom van de Duitse paltsgraaf Herman II, die langs moederskant verwant was met de graven van Leuven. In 1085 nam de monnikengemeenschap de regel van Sint-Benedictus aan. Bij de wijding van de eerste kerk in 1086 schonk graaf Hendrik III van Leuven hun ter plaatse ongeveer 200 hectare grond. Hij handelde daarbij niet alleen uit godsvrucht, maar had ook geopolitieke oogmerken: de pacificatie en ontwikkeling van het grensgebied tussen Vlaanderen en Brabant. Affligem groeide snel uit tot de belangrijkste abdij van het hertogdom Brabant, met een vruchtbaar 'scriptorium', het patronaatsrecht over 46 kerken en tienden in 65 dorpen. Haar grondbezit besloeg circa 10.000 hectare. Nog vóór het einde van de 13de eeuw werden vanuit Affligem acht kloosters en abdijen opgericht of geïncorporeerd, onder meer Vlierbeek bij Leuven en Maria Laach in Rijnland. De 'geest van Cluny' - naar de in 909 opgerichte benedictijnenabdij die tot in de 13de eeuw model stond voor talrijke abdijen en kloosters - speelde een belangrijke rol in de spirituele en materiële organisatie van de abdij tijdens de beginjaren. Niettemin zullen politieke inmenging en bevoogding minstens tot in de 16de eeuw haar geschiedenis bepalen. Leden van de hertogelijke familie lieten zich in de 12de en 13de eeuw bij voorkeur in Affligem begraven en in vredestijd werd de banier van het hertogdom in de abdij bewaard. Bij het herstel van de abdij na de woelige oorlogsperiode 1333-1356 (oorlog tussen Brabant en Vlaanderen) kregen de voortaan gemijterde abten het primaat in de Staten van Brabant. De bevoogding bereikte haar hoogtepunt in 1518 en 1521, toen keizer Karel achtereenvolgens zijn gunstelingen Willem van Croy en diens broer Karel tot abt aanstelde. Van dan af zal het dagelijkse bestuur door een proost waargenomen worden. Bij de hervorming van de kerkelijke instellingen in 1559
werd Affligem aan het aartsbisdom Mechelen geschonken, zodat de aartsbisschoppen ook seculier abt werden, een toestand die, ondanks het sporadisch oplaaiend verzet van de monniken, tot het einde van het Ancien Régime zal aanslepen (2). In 1580 werd de abdij door de geuzen verwoest (3). De monniken konden pas in 1601 de restauratie aanvatten en in 1605 terugkeren. In het zog van de wederopbouw verschenen ook de eerste rechtlijnige dreven: in 1637 naar de Faluintjes, een weidegebied van de abdij op de grens van Meldert en Moorsel, en in 1646 naar Aalst. De eerste werd afgeboord met eiken die men in 1754 door beuken verving; de tweede werd in 1720 herbeplant en geëffend (4). De abdij aan het einde van de 17de eeuw Rond 1660, wanneer Sanderus (die in 1664 in de abdij zou sterven en er begraven zou worden) een eerste betrouwbare en gedetailleerde afbeelding van het abdijdomein publiceert in zijn 'Chorographia sacra Bmbantiae' (5), is het herstelproces min of meer afgerond. Het gaat om een gravure van Lucas Vorstermans jr., een gezicht in vogelvlucht vanuit het zuiden. Aan de 12de-eeuwse, romaanse abdijkerk herinneren alleen nog twee van de oorspronkelijk vijf torens langs weerszijden van de westgevel met de ingang. Het schip, het transept en het koor hebben hun gotische karakter grotendeels behouden en het is vooral in de torendaken, de westgevel en de omlijsting van het portaal dat de invloed van de vroegbarok merkbaar is. De kloosterhof wordt omringd door de kerk, de conventsvleugels met het dormitorium en de refter, en het kwartier voor hoge gasten. Dat laatste wordt in de toelichting als 'Aedes vetusta Aleidis omschreven, naar Aleidis, dochter van Godfried I van Leuven en koningin van Engeland, die rond 1160 in de abdij werd begraven. Te oordelen naar het aantal schoorstenen en het monumentale trappenbordes, is dit het voornaamste gebouw na de kerk. Niettemin zal dit later als graanmagazijn {'granarium) dienstdoen. De kloosterhof en de gotische kloostergang worden door de kerktorens grotendeels aan het oog onttrokken. Het abtskwartier {'Aedes Abbatis) met zijn torentje en trapgevel vormt met het kwartier voor gasten van lagere rang {'Domus hospitum) de meest noordelijke vleugel en neemt een ongebruikelijk bescheiden plaats in. Nochtans zou het aartsbisdom Mechelen in 1569, na de overname van de abdij, precies in deze vleugel een appartement reserveren voor de aartsbisschop bij de jaarlijkse visitatie. De grote, noordoostelijke vleugel haaks hierop herbergt de infirmerie op de
De abdij van
in de heruitgave
Affligem volgens de
van Oiorograp/na
door J. Harrewijn
soera B r a t a t o van
aangepaste gravure, 1726
De abdij van
1VI&L
Vorstermans jr.
Affligem In vogel-
In A. Sanderus,
vlucht vanuit het
Chorographia soera
zuiden, volgens een
Brabontioe,
ets van Lucas
I6S9-I669
begane grond en de bibliotheek op de verdieping. Los van het complex, tegen de noordmuur van het domein, bevinden zich de paardenstal (met trapgevel), een schuur, een smidse (het gebouwtje met het lessenaarsdak rechts van de poort), een overdekte stalplaats en het'stookhuys'(het vierkant gebouwtje met een tentdak en schoorsteen).
vormd tot een boomgaard en een oefenterrein voor het boogschieten en werd het als het oude kerkhof omschreven. De doden werden toen begraven in de ruimte tussen het kerkschip, de Koningspoort en het washuis - op de ets van Vorstermans afgebeeld als twee kale, ommuurde pleintjes, want vanaf 1635 werden alle kloosterlingen in de kerk begraven. Toen keizer Jozef II in 1784 deze praktijk verbood, werd het kerkhof opnieuw in gebruik genomen (6).
Het abdijdomein is gedeeltelijk ommuurd en aan de westzijde, aan de voet van de helling naar de Weimeersbeek, omgracht. De hoofdingang of Eerste Poort {'Prima Porta') aan de zuidrand van het domein (ter hoogte van de huidige Langestraat) en geflankeerd door een kapel, is alleen zichtbaar op de figuratieve plattegrond in de linkerbenedenhoek van de gravure. De al in 1615 bestrate toegangsweg loopt tussen een boomgaard — ook 'park' of ' warande' genoemd - en iets wat op een hopveldje lijkt naar de Koningspoort {'Porta Regis') toe, een poortgebouw van twee bouwlagen met trapgevels waarin ook het vrouwenlogies was gevestigd. Het lage gebouw, dat er via een ommuurd koertje mee verbonden is, was het washuis {'lavatorium). Links achter de Koningspoort, op een uitstulping in de valleiflank, staat een houten windmolen. Het kerkhof omringde oorspronkelijk het koor van de abdijkerk, maar in 1620 was dit gedeelte al omge-
De oprit mondt tenslotte uit op het plein voor de kerk en bij het bordes van het hoge-gastenkwartier (later graanmagazijn). De Porta silvarum'o( Bospoort aan de noordzijde van het domein, naast het karrenhuis, gaf zoals de naam laat vermoeden uit op de ' Conventshouw', het bosgebied ten noorden van de abdij. In de verte toont Vorstermans de kerktorens van Moorsel (links), Baardegem (midden) en Meldert (rechts). In de naar de Weimeersbeek afbellende boomgaard, die de zuidwesthoek van het domein inneemt, liggen enkele kleine waterpartijen waarin vis wordt gekweekt. Daar bevindt zich ook het 'Vissershuis' {'Piscatorum domus') met de 'Visserspoort', die over de Kamgracht naar de grote visvijvers extra muros ten westen van de abdij leidt. In de 18de eeuw waren er nog vijf vijvers: de Weimeersvijver, de Rietvijver, de Grauwvijver, de Paddevijver en, palend aan de dreef naar Aalst, de O u d e Vijver. Men kweekte vooral kar-
pers, maar ook snoeken, baarzen en witvissen. De grootste vijver kon 7000 karpers bevatten (7). D e oostelijke helft van het domein — buiten de muren maar nog binnen de ringgracht ('Rochting op de Primitieve kadasterkaart) — bestaat volgens de ets van Vorstermans uit velden, maar halfweg de 17de eeuw bevond zich hier een circa elf bunder grote, omwalde boomgaard. De bijna volledig ommuurde kleine boomgaard, die men ook de 'warande' of het 'park' noemde, lag intra muros in het zuidwestelijke gedeelte van het abdijdomein en een monumentale rondboogpoort vormde er de toegang. Deze poort waaide om tijdens een storm in januari 1901. Tegen de gebouwen aan liggen verschillende tuinen, die duidelijk een sierfunctie hebben en — vergeleken met andere abdijtuinen uit de ' Chorographia' - het buitengewone prestige van de abdij uitstralen. Meest in het oog springend is het tuinencomplex ten oosten van de abdijgebouwen (rechts in beeld) en vooral de imposante, door een padenkruis gescheiden loofwerkparterres ('parterres de broderie'). De oost-westas van deze tuin loopt uit op een korte looftunnel of 'bersauw'. De monumentale pomp met een bekken in het midden van deze tuin, die in 1738 door een nieuwe werd vervangen, komt eigenaardig genoeg niet voor op de ets. De door Vorstermans afgebeelde boompjes zijn wellicht laurierbomen, de roem van de Affligemse tuinen, waarmee men in 1678 de gunst van Lodewijk XIV trachtte te winnen. Toen werden zestien in piramide gesnoeide, tot 25 voet hoge exemplaren naar Versailles overgebracht. Tussen deze grote parterretuin en de met leifruit bespannen oostelijke omheiningsmuur, door de 'bersauw' middendoor gesneden, ligt een lang, in tien of elf bedden verdeeld tuincompartiment. Gezien de nabijheid van de infirmerie bevatte dit gedeelte misschien ook (of zelfs uitsluitend) medicinale planten, maar het is evenmin uitgesloten dat het om de eigen tuintjes van de monniken ging. Het gebouwtje met het steile schilddak tegen de rechterrand van de gravure is mogelijk de 'officina' waarin de kruiden werden bewerkt en opgeslagen. Via een barokke poortconstructie, waarschijnlijk in latwerk, betreedt men een volgend deel, opgebouwd uit met haagjes afgelijnde en met enkele bomen beplante compartimenten. Rechts op de voorgrond zien we een door hagen gevormd labyrint, waarin ook de veertien statiën van de kruisweg zijn verwerkt, met een boom als oriëntatiepunt in het centrum. Men kan ook een glimp opvangen van het pleintje tussen de refter en het gewone-gastenkwartier - ommuurd, toegankelijk via de Sint-Benedictuspoort,
De voormalige abdijgebouwen op de Primitieve
formeel aangelegd, met een boom op één van de perken. De tuin in de noordoosthoek van het ommuurde gedeelte hoort bij het abtskwartier; hij is opgesmukt met een kleine, door hagen omgeven rotonde op één van de kruispunten, maar de afbeelding toont geen loofwerk. De abtstuin wordt door een muur gescheiden van de boomgaard achter de bibliotheek-infirmerievleugel.
kadasterkaart opgemaakt door JlVoncken in 1823 - noorden links (archief Kadaster Brabant, Brussel)
De abdij in de 18de eeuw In de heruitgave van de 'Chorographia' van 1726 wordt de gravure van Vorstermans opnieuw afgedrukt. Aan de gebouwen is blijkbaar niets veranderd, maar de tuinen werden door etser Jacob Harrewijn aangepast aan de toenmalige situatie. De 'bersauw' in de (vermoedelijk) medicinale tuin is verdwenen en het labyrint heeft plaats geruimd voor een tweede compartiment met loofwerkpar-
Sloop van de abdijgebouwen, toestand omstreeks 1800 getekend en geelst door Roucel (archief Abdij Affligem)
RUÏNE D ' A F Ü C H E M ,' A B B A Y E EN BRABANT.
1VI&L
steenweg. Deze 'vote triomphale' werd aangelegd in 1758-1759 (8) en de huidige Nieuwe Kassei is daar een relict van (9).
De abdij van H K R v Affligem op de Ferrarlskaart,
1771-1775
mm
-.-^ zTyür-ijr
•
-
'•••
&?.
\.
terres, die eveneens door een padenkruis gescheiden worden. In het abdijbos op de achtergrond zijn nu ook de Aalstersedreef en de pal op het noorden toelopende Affligemdreef, die het bos in tweeën verdeelt, zichtbaar. Het door Harrewijn geëtste beeld vinden we - weliswaar zonder de details van het loofwerk - terug op de Ferrariskaart (17711775). We zien ook dat de oude oprijlaan tussen de monumentale buitenpoort ('Prima Porta) en de 'Porta Regis'ten zuiden van het abdij domein werd verlengd tot aan de in 1705 aangelegde steenweg Brussel-Aalst, 12 m breed en 990 m lang, met bomen afgezoomd, gekasseid en even breed als de
De aanleg van deze weg kondigde een veel ingrijpender, op classicistische leest geschoeid project aan. Bestaande gebouwen worden op de Ferrariskaart vol rood gekleurd, maar ten zuidoosten van het bestaande complex zien we — zeer uitzonderlijk voor deze kaart — een door rode lijnen aangegeven plattegrond van gebouwen, die op het ogenblik van de kartering nog niet voltooid waren. In 1768 werden de plannen van Laurent-Benoït Dewez voor nieuwe conventsgebouwen goedgekeurd, een nieuwbouwproject waarvoor een groot gedeelte van het oude complex zou worden opgeofferd (10). De eerste steen werd gelegd in 1770, maar toen de abdij in 1796 als 'nationaal goed' te koop werd gesteld, waren de werken nog lang niet voltooid. De verkoop werd gevolgd door systematische afbraak, zoals bij vele andere abdijen en kloosters (Groot-Bijgaarden, Vrouwenpark te Rotselaar...). De kern van de abdij — de Sint-Benedictuspoort en het zogenaamde Bisschoppenhuis, een gebouw dat circa 1720 tegen het vroegere gastenkwartier werd opgetrokken - werd in 1799 aangekocht door de jonge Waalse architect Olivier Lesprit, een neef van Dewez. Dit zijn de enige gebouwen die niet werden gesloopt (11). Een litho van Ambroise Jobard uit de ' Voyage pittoresque dans Ie Royaume des Pays Bas van De Cloet, gepubliceerd in 1825 (12), toont de zuidelijke zijgevel als enig overblijfsel van de abdijkerk. Links in beeld zien we de Sint-Benedictuspoort en - stilistisch op de grens van barok (met voluten omlijste ingangstravee) en classicisme (kroonlijst met siervazen, geblokte hoekpilasters) het voormelde Bisschoppenhuis. De ruïnes op de
-, ^
De overblijfselen van de abdi| van Affligem op een litho van A. Jobard in % o j e pittoresque dons Ie Royaume des Po/s Bas van De Cloet, 1825
M&L
1
achtergrond zijn de overblijfsels van de voormalige bibliotheek-infirmerievleugel en de noordgevel van het dormitorium. Rond 1830 is de familie Lesprit nog steeds eigenaar van het Bisschoppenhuis, de Sint-Benedictuspoort en het gedeelte van het abdijdomein intra muros ten westen van de Abdijstraat, die vroeger de Eerste Poort met de Bospoort verbond en ondertussen een openbare weg is geworden (13). De heropbouw De terugkeer van de benedictijnen in 1869 leidt een zoveelste periode van heropbouw in (14). Het abdijdomein is aan de westzijde gevoelig ingekrompen. De Abdijstraat vormt voortaan de westgrens van het abdijdomein. O p de stafkaart van 1864 is
van de westelijke omheiningsmuur met de Visserpoort nog slechts het tracé zichtbaar en de vijvers extra muros zijn vervaagd tot taluds in het reliëf, die nog altijd waargenomen kunnen worden. Het vroegere 'lavatorium' vormde de aanzet van de nieuwe abdijboerderij. Arthur Verhaegen - katholiek politicus en als architect een belangrijke figuur in de katholieke neogotische beweging (15) - ontwierp de nieuwe, neogotische abdijkerk en de bij het Bisschoppenhuis aanleunende kloostervleugel, uiteraard met Brugse traveeën. Tijdens het interbellum volgden de naar art deco zwemende bijgebouwen naar ontwerp van de Franse benedictijn Paul Bellot (16), de voornaamste gangmaker van eigentijdse kerkelijke bouwkunst tijdens het interbellum, zijn Belgische geestesgenoot Eugène Stassin (17) en de Nederlandse traditionalist Alexander Kropholler, ontwerper van sobere bakstenen kerken en raadhuizen (18). Na de Tweede Wereldoorlog werd de neogotische kerk gesloopt, zodat het kloosterpand langs de noordzijde werd opengelegd. In 1954 werd de losstaande toren opgetrokken naar het model van één van de vier torens, die Kropholler in zijn ontwerp had voorzien, maar niet zo hoog. De door hem ontworpen kerk, in feite een aanpassing en vergroting van de neogotische vleugel, is er nooit gekomen. In 1972 werd naar ontwerp van André Van den Broecke de huidige zaalkerk gebouwd.
3
2 I. Monumentale notelaar nabij de Sint-Benedictuspoort (foto R. Deneef, 2007)
2. Het 'Bisschoppenhuis' met de door Verhaegen ontworpen neogotische kloostervleugel en een relict van de Sint-Benedictuspoort met classicistische rondbogen (foto R. Deneef, 2007)
3 De 'Boomgaardpoort' in 1894, enkele jaren later vernield tijdens een storm; op de achtergrond het dal van de Weimeersbeek (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
De parterretuinen met hun loofwerk en snoeiboompjes behoorden tot het verleden, een verleden dat misschien nog alleen vertegenwoordigd wordt door de monumentale notelaar (Juglans regia) achter de Sint-Benedictuspoort, één van de dikste van België (19). Een ontwerp van 1886 voor een langgerekte romantische siertuin in de omgeving van de ruïnes, werd opgemaakt door een zekere Victor Renders,
1VI&L
Het abdijdomein van Affligem op de stafkaarten van 1864, 1892 en, min of meer in zijn huidige vorm, 1930 (DLG, I873,ICM 1895 en 1936)
De neogotische kloostervleugel en abdijkerk vanuit het dal van de Weimeersbeck op een oude ansichtkaart (archief Abdij Affligem)
M&L
'hofbouwkundige' uit Aalst, ons verder onbekend. Het plan van deze ' Lusthof der Abdy van Affligem (20) is typisch voor de late 19de eeuw. De boompjes worden figuratief en mèt schaduw weergegeven en het concept zou ook uit een modellenboek of ontwerpcursus uit die periode kunnen komen: een langwerpige open ruimte met enkele ronde massieven (rododendrons?) o f - minder waarschijnlijk - bloemperken of 'corbeilles', door hoogstammig plantsoen omgeven, ontsloten door een opeenvolging van lussen en cirkels. Het resultaat zien we op de stafkaart van 1892 in de vorm van het 120 m lange en 30 m brede plantsoen, dat zich uitstrekt in
De zuidgevel van
sneeuwklokjes en
het 'Bisschoppenhuis'
mogelijk ook een
en een fragment
lindepalissade in
van de I6de-eeuwse
aanbouw
proosdij, die door
(foto van 18
Kropholler zal
archief Onroerend
worden gesloopt; op
Erfgoed Vlaams-
de voorgrond
Brabant, Leuven)
het verlengde van de kerkruïne ten zuidoosten van het abdijcomplex. O p een foto van 1894 is het nog prille plantsoen zichtbaar. Van de kegelvormige coniferen — misschien schijncipressen {Chamaecyparis sp.) of taxussen (Taxus baccata) - die zowel op het ontwerp als op de foto een prominente plaats innemen, valt niets meer te bespeuren. In het huidige plantsoen is er op deze plek - nu helemaal verbost met gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en gewone es (Fraxinus excelsior) - nog een gedeelte van de door Renders ontworpen wandelpaden terug te vinden, soms langs één zijde afgezoomd met bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV- Het oostelij-
i 2
4 5
3
6
I. Plan voor de aanleg van een in landschappelijke stijl aangelegd plantsoen bij de ruïne van de abdijkerk, opgemaakt in 1886 door Victor Renders
Sn
uit Aalst (archief Abdij Affligem)
Snoeien van leifruit, monnikenwerk (archief Abdij Affligem)
Geometrische aanleg met de SintBcnedictuspoort op de achtergrond en
i ftbdij ntfligem De oude SI. Bencdittus F'oort
links de enorme kruin van een oude notelaar (archief Abdij Affligem)
il
ill
4. De herrezen abdij in 1894 met de neogotische nieuwbouw van Verhaegen, het 'Bisschoppenhuis', de met leifruit bespannen zuidge-
~y-
velruïne van de voormalige abdijkerk, de pas aangeplante lindebomen en, rechts, het nog prille, door Renders ontworpen plantsoen (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
5. De moestuin naast de gevelruïne van de voormalige abdijkerk in 1894 (archief Onroerend Erfgoed ïlaamsBrabant, Leuven)
De gevelruïne na de restauratie van 1975 (foto R. Deneef, 2007)
A/l&L
Het ontwerp van Kropholler (archief Abdij Affligem)
ke uiteinde (rechts op het ontwerp) bestaat uit een ronde heuvel, die niet op het ontwerp voorkomt. Het door Renders ontworpen ovaal aan het westelijke uiteinde (links op het ontwerp) werd niet uitgevoerd. Deze plek valt min of meer samen met het koor van de gesloopte kerk en dit moest in de nieuwe lay-out tot uiting komen. In Affligem werd geen poging tot 'groene gotiek' ondernomen zoals in het Sint-Wivinaklooster van Groot-Bijgaarden, waar het schip van de verdwenen abdijkerk door de Broeders van de Christelijke Scholen rond 1900 geëvoceerd werd aan de hand van zilveresdoorns, die op 10 m hoogte werden afgetopt en waarvan de naar binnen gebogen gesteltakken als het ware de ribben van een gotisch gewelf vormen (21). In Affligem wordt het kerkkoor in herinnering gebracht door een halfronde, lichtjes oplopende parterre, de
IVl&L
Calvarie genoemd, met kronkelige buxushaagjes en een kruisbeeld. Deze Calvarie is zichtbaar op de stafkaart van 1892, maar de parterre werd vermoedelijk pas na de Eerste Wereldoorlog aangelegd (22). Aan de Calvarie paalt een in kalksteenklompen uitgevoerde spelonk met een neogotische piëta, die uit het interbellum dateert en uit puin van de oude abdij werd opgetrokken. In 1892 werden twee lindedreven aangeplant: een dreef van geknotte Hollandse linden (Tilia x europaea) tussen het kloostercomplex en de boerderij en - haaks hierop - een tweede lindedreef in oostelijke richting. De haakse dreef loopt langs de noordzijde van het Rendersplantsoen en mondt uit bij een in 1923 geplaatst Heilig-Hartbeeld, ongeveer op de plaats van de voormelde 'bersauw' op de prent van Sanderus. Misschien was het oorspronkelijk de bedoeling om van de rijen linden palissaden te maken, want op een foto van 1894 is een raster van rijshout te zien, die een rij jonge bomen begeleidt. De moestuinen ten noorden van het klooster werden beschut door een nieuwe bakstenen muur, ditmaal zonder Bospoort. Bij de nu verdwenen 'Mariazaal' tussen de Abdijstraat en de neogotische vleugel legde de monnik-botanicus Romaricus Dooreman vóór de Eerste Wereldoorlog een collectie van
in de bijbel vermelde planten aan. Hij ontwierp ook de binnenhof van het abdijcomplex met brede, met buxus afgezoomde paden in een geometrisch patroon, eveneens verdwenen. In 1912 tekende ene Paul Cumps, geen monnik, plannen (23) voor de aanleg van een 'groentuin', een 'kwekerij' met ' broedbakken' (broeikassen), een 'groenten fruittuin'en een 'proeftuin'. Aan de abdij was toen een tuinbouwschool verbonden, waarin de jeugd uit de omringende dorpen hoofdzakelijk praktische kennis kon opdoen over land- en tuinbouw. De Mariazaal werd gebruikt als klaslokaal. Van deze aanleg is weinig overgebleven, evenmin als van de door Cumps ontworpen rozenhof voor het Bisschoppenhuis — een plantsoen met een sint-andrieskruis en een centrale rotonde met een bloemencorbeille en een vaas in het midden. De aanleg van een begraafplaats voor de monniken aan de zuidoostelijke rand van het domein mag beschouwd worden als het laatste tuinbouwkundig belangrijke feit. Het ontwerp op naam van Dom Paul Bellot en Eugène Stassin dateert van mei 1929 en toont een bijna vierkante ruimte (26 op 28,90 m), door uitstralende paden in zes gelijke sectoren verdeeld. In een vogelperspectief wordt de stoffering gesuggereerd. Een manshoge haag (momenteel bruine beuk) omgeeft de begraafplaats langs drie zijden - de vierde zijde is de omheiningsmuur van de abdij. De toegang aan de westzijde wordt gevormd door een art-decoachtig poorthek tussen bakstenen pijlers, die door piramidetjes worden bekroond. De graven met sobere kruisen liggen in drie concentrische zeshoeken netjes op rij. De uitstralende wegen worden door geschoren massieven en bomen afgezoomd, waarvan de soort moeilijk te achterhalen is (alleszins geen treurwilgen of cipresachtigen) maar die aan opgerolde worsten doen denken. De hoeken van het kerkhof worden gevuld met een architectonische compositie: een 'worstboom', waar langs beide zijden een struikenborder op aansluit die door een lage haag wordt afgezoomd. De geelachtige kleur van dit haagje laat weinig mogelijkheden open, waarschijnlijk gele of geel gevlekte haagliguster (Ligustrum ovalifolium 'AureumV, een bij modernistische (tuin)architecten geliefde plant. Een manshoge, eveneens geelachtige haag en zuilvormige bomen — wij vermoeden Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV — omgeven de centrale zeshoek. Dit roept onvermijdelijk het 'ile des peupliers' op met het 'graf' van Rousseau in Ermenonville (Noord-Frankrijk). Het grondvlak van een eveneens zeshoekige constructie, die het sacrosancte middelpunt vormt van het
De begraafplaats met het mausoleum met de 'vuurtoren' in de jaren 1930, nu verdwenen (archief Abdij Affligemj
kerkhof, wordt op het ontwerp met stippellijn aangegeven, maar het gaat om een mausoleumachtige graftombe, waarin de abten zullen worden bijgezet — een lage zeshoekige piramide bekroond door een lantaarn, die aan een vuurtoren doet denken. Oorspronkelijk was dit mausoleum van baksteen; bij een latere renovatie werd de piramide afgeplat en met beton bekleed en werd de 'vuurtoren' vervangen door een houten kruis.
De neogotische vleugel en één van de door Kropholler ontworpen torens, maar dan één derde lager, opgetrokken in I9S4 (foto R. Deneef, 2007)
M&L
-m VUR DU clMC-nÈRC .
li \ V'
ftCH'.l/IOO
[
a.asr
COP.
W^QUB/./AAI 1 ^ . ^ r ^ . * " " ' .
Ontwerpperspectief voor het kerkhof van de abdij door dom Paul Bellet en Eugène Stassin (archief Abdij Affligcm)
Merkwaardige bomen (opname 12 juli 2007) 3. zoete kers (Prunus avium) 2 6 0 4. okkernoot (Juglans regia) 3 6 3
Monasticon belge{W), Luik, 1964. OCKELEYJ., Kaartboek van de abdij Affligem 1717-1752, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2003. VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (V), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1966, p. 6798. VERLEYEN W., Benedictijnenabdij Affligem (Schnell gids
NÜIOJ (1) Zie: DENEEF R. e.a., Historische tuinen en parken van Vlaande-
nr. 2499), Regensburg, Verlag Schnell & Steiner GMBH, 2002, 18 pp.
ren: Hageland - noordoosten van Vlaams-Brahant (M&L Cahier (3) Over de toestand van de abdij aan het einde van de 16de eeuw zie: VERLEYEN W., Een bezoek aan de abdij van Affligem in nr. 14), Brussel, Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erf-
1VI&L
goed, 2007, p. 250-260.
1597. Plan van de ruïnes, in Eigen Schoon en De Brabander 86
DENEEF R., PAESMANS G. & CRESENS EA. / DE NEEF
(3), 2003.
R., De tuinen van de abdij van Kortenberg / Berichten van bomen. (4) VERLEYEN W., Negen eeuwen Affligem. Aalst, Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis, 1983, p. 153. Gemeentelijke Bibliotheek Kortenberg, 2007. (5) SANDERUS A., Chorographia sacra Brabantiae. sive Celebrium (2) Historisch overzicht samengesprokkeld uit DESPY-DE MEYER aliquot in ea provincia ecclesiarum et coenobiorum descriptio. ima& GERARD C , Abbaye d'Affligem a Hekelgem, p. 17-80 in
ginibus aeneis illustmta ad Philippum IV. Bmbantiae ducem ..., Brussel, 1659-1669. (6) VERLEYEN W., op. cit., p. 153. (7) VERLEYEN W., op. cit., p. 153. (8)
DE SCHRIJVER R., De dreef naar de oude Abdij Affligem, p. 5-19 in De Brabantse Folklore nr. 149, 1961.
(9) Volgens de Atlas van de Buurtwegen' was de wegbreedte rond 1840 al gereduceerd tot 5 m. (10) Beschrijving in DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 253-257.
(15) DE MAEYER J., Arthur Verhaegen (1847-1917): de rode baron (Kadoc studies 18), Leuven, Universitaire Pers, 1994. (16) Paul Louis Denis Bellot (1876-1944), Frans benedictijn en architect. (17) Stassin was ook lid van de Pelgrimbeweging, cf. VAN REMOORTERE J., Historiek van de Pelgrim-Beweging, p. 137-
147 in Vlaanderen \\l(i),W(S. (18) DERKS A., KUYT ].-]. & RODING ]., A.J. Kropholler (18811973). Terugkeer tot de Hollandse architectuurtraditie, Rotterdam, Bonas, 2002. (19) BAUDOUIN J.C., DE SPOELBERCH Ph. & VAN MEUL-
(11) OCKELEY J., Het AfBigems kloosterdomein in de 18e en
DER J., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992,
19e eeuw. II. De 19e eeuw, p. 38-49 in Ascania, 14e jg, 1971.
Stichting Spoclberch Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische
SCHOON E., De ontmanteling van de oude abdij Affligem, p. 13-34 in Jaarboek 2007 van de Heemkundige Kring Belledaal, Affligem. (12) DE CLOET JJ., Voyagepittoresque dans Ie royaume des Pays Bas, tome II, Bruxelles, J.B.A. Jobard, 1825. (13) Oudste kadastrale legger 212 Hekelgem, respectievelijk arts. 538 en 240.
Vereniging, 1992, p. 362. (20) Gedateerd 18 september 1886 en ondertekend door Victor Renders, hofbouwkundige (archief Abdij Affligem). (21) DENEEF R. e.a.. Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Pajottenland - zuidwesten van Vlaams-Brabant (Cahier M&L nr. 11), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2005, p. 68-76.
(14) CUPPENS C. (red.). Honderd jaar Affligem. Bijdragen tot de ge-
(22) Op foto's van 1924 ziet de buxusaanplanting er nog zeer pril uit.
schiedents van de abdij (1870-1970), Hekelgem, Abdij Affligem,
(23) In potlood getekend, gedateerd 16 december 1912 en onderte-
p. 104 pp.
kend door 'Cumps Paul (archief Abdij Affligem).
Roger Deneef & Jo
Wijnant
AFELIGEM (HEKELGEM): ÜOMEIM VERBRUGGHEN BRUSSELBAAN
2, 1 7 9 0 HEKELGEM
De villa van Eugene De Smet op een ansichtkaart van rond de Eerste
.
Wereldoorlog
I
(met dank aan Dom
i j
W.Verleyen O.S.B.)
a
B u
Relict van een park in landschappelijke stijl van bijna 6 hectare, aangelegd rond een in 1836-1846
gebouwd landhuis,
dat in 1942 werd gesloopt en vervangen door een jeugdhuis.
In 1836 kocht Eugène De Smet een akkerperceel op de Galgenberg in het gehucht Boechout, op de grens tussen Hekelgem en Erembodegem, en liet er een buitenverblijf bouwen dat hij een tiental jaar later aanzienlijk vergrootte (1). De Smet (1787-1872) was achtereenvolgens burgemeester van Dikkelvenne, vrederechter, in 1830 lid van het Nationaal Congres voor Aalst, arrondissementscommissaris, katholiek volksvertegenwoordiger en vanaf 1854 ook katoennijveraar (2). Het landgoed wordt op een ansichtkaart van rond de Eerste Wereldoorlog als 'Kasteel Bouchout' omschreven, maar het is nu vooral bekend als het domein Verbrugghen, naar De Smets schoonzoon, de Aalsterse
handelaar Louis Verbrugghen, die het van 1879 tot 1893 bewoonde. Zijn zoon Henri volgde hem op als eigenaar en bewoner en vermaakte het bij zijn dood in 1936 aan de abdij van Affligem. De voormelde ansichtkaart toont een sober, gepleisterd en witgeverfd landhuis met een lage benedenverdieping, een hoge bel-etage met een grote erker die steunt op de vooruitspringende inkompartij, en een lage bovenverdieping onder een afgeknot tentdak. Het gebouw werd op verdiepingsniveau door een glazen galerij verbonden met een tweede bouwblok, dat de dienstruimten herbergde. Het gebouw was duidelijk ontworpen om zijn bewoners zoveel mogelijk van het omgevende landschap te laten genieten, want het dak werd bekroond met een belvedèreplatform, dat door een balustrade werd omgeven. In 1942 werd de villa gesloopt. De abdij liet op dezelfde plek en gedeeltelijk ook op dezelfde funderingen een jeugdhuis optrekken (3), dat later ettelijke keren werd verbouwd. Een eigenaardig, losstaand, zeshoekig torentje met een leien tentdak en een geprofileerd kordon van gesinterde baksteen,
gK3j
J^^HHffiS ^ ^ 4
1
Is
^
Ë) "jf^
^^
I "é
«!_
•" t f t
* '
""ƒ
ifeü^f. • '
i
^^^^^WHBBjiPHB \
.
w
A-
^.^^
Het torentje naast
aan de 19de eeuw
De grote vijver in
Het beukenprieel
het huidige jeugd-
herinnert
het brongebied aan
aan de noordrand
heem, het enige
(foto R. Deneef,
de zuidrand van het
van het domein
gebouw dat nog
2007)
domein Verbrugghen
Verbrugghen
(foto R. Deneef,
(foto R. Deneef,
2007)
2007)
momenteel een kapelletje of heiligenhuisje, is het enige gebouw dat aan de 19de eeuw herinnert. Alleen de stafkaart van 1930 laat vermoeden dat de villa omgeven werd door een landschappelijk park, een lusthof van oorspronkelijk 1 hectare 13 are, later met 30 are uitgebreid (4). Het westelijke gedeelte werd genivelleerd om sportvelden aan te leggen, maar fragmenten van door groene of bruine beuken (Fagus sylvatica, F.s. AtropuniceaV afgeboorde laantjes beantwoorden nog min of meer aan het op de kaart afgebeelde wegenpatroon. Het domein ligt op een kleiige heuveltop. In het brongebied aan de zuidrand, tegen de Romeinse Weg aan en aan de voet van de helling, werd door De Smet of zijn opvolger een dubbele vijver aangelegd — een kleine waterpartij die in een lager gelegen grote waterpartij overloopt. Van de sierbeplantingen rond de vijvers resteren enkele grote rododendronmassieven (Rhododendron ponticum). De oudste bomen - diverse tamme kastanjes (Castanea sativa) en bruine beuken (Fagus sylvatica Atropunicea'J (5) met stamomtrekken tot bijna 4 m - behoren tot de oorspronkelijke beplanting. Nog andere sierbomen staan verspreid over het terrein, onder meer mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), reuzenlevensboom (Thuja plicata), een 'clump' Oostenrijkse dennen (Pinus nigrasxxhsp. nigra)..., vermoedelijk aangeplant aan het einde van de 19de eeuw. Aan de noordrand van het domein vormen negen bruine beuken een halfcirkelvorm ig prieel met als 'dak' een treures (Fraxinus excelsior 'PendulaV. De opening bevindt zich aan de noordoostelijke zijde, zodat vanuit het prieel, over de Brusselbaan
De villa van
(ooit zonder lintbebouwing) heen, de vallei van de Meersbeek en in de verte de abdij van Affligem kan worden bewonderd.
De Smet of het domein Verbrugghen (A). de windmolen van Devis (B)
NOTEN
en het 'Kasteeltje' van Roseletti (C)
(1) Oudste kadastrale legger 212 Hekelgem, art. 164 nr. 2 en art.
in 1930
514 nrs. 3 en 10. Kadastrale opmetingsschetsen Hekelgem 1836
(ICM, 1936)
nr. 58enl850nr. 81. (2) SCHRANS G., Vrijmetselaars in Gent in de XVIIIde eeuw. Gent, Liberaal Archief, 1997, p. 529. (3) Kadastrale opmetingsschets Hekelgem 1951 nr. 71. (4) Oude kadastrale legger 212A Hekelgem, art. 514 nr. 19. (5) De laatste van deze beuken, stamomtrek 399 cm, is enkele jaren geleden gestorven, maar staat er nog sreeds.
1VI&L
Roger Deneef, & Jo
Wilfried
Verleyen
Wijnant
AFFL1GE1VI (HEKELGEM): 'T KASTEELTJE - IL PALAZZETTO BRUSSELBAAN 3 4 , 1 7 9 0
HEKELGEM
( p r i v é b e z i t , niet toegankelijk voor het
publiek)
Het 'Kasteeltje' of II Palazzetto' langs de Brusselbaan (foto R. Deoeef,
2008)
Landgoed rond een in 1871 gebouwde neoclassicistische villa; oorspronkelijk circa 96 are, de gedeeltelijk ommuurde moestuin inbegrepen; siertuin met opmerkelijke dikke tamme kastanjes en bruine beuken. Volgens de jaarsteen in de achtergevel werd de villa in de spie tussen de Brusselbaan en de Grobbestraat opgetrokken in 1871. De opdrachtgever was Joannes Egidius Van Lierde, gewezen burgemeester van Hekelgem (1), In 1877 werd zijn broer Franciscus eigenaar van de villa en van de 31 hectare familie-eigendommen op het grondgebied Hekelgem. Franciscus Van Lierde (2) was als pastoor werkzaam op het eilandje Nordstrand, één van de noordelijke Waddeneilanden (Sleeswijk-Holstein, toen nog Deens), waar hij zijn apostolaat combineerde met een lucratief landbouwbedrijf.
De sobere, neoclassicistische villa beantwoordt aan een model dat bijzonder populair was rond 1850, maar dat in een periode waarin het eclecticisme opbloeit, al een beetje retro overkomt. Het sobere, witgepleisterde gebouw is typisch voor de landhuizen uit het midden van de 19de eeuw: symmetrisch, vijf traveeën met de voordeur in het midden, en twee bouwlagen en daar bovenop een mezzanine met spleetvormige venstertjes, dit alles onder een leien schilddak. De versiering is beperkt tot geprofileerde arduinen venster- en deurlijsten en, uitsluitend in de straatgevel, dito kordonlijsten, voluutconsolen onder de vensterbanken en een lichtjes vooruitspringend middenrisaliet met een balkon. De dienstvertrekken werden ondergebracht in een lage dwarsvleugel achter de villa, eveneens met een schilddak. De naar de villa oplopende voortuin werd van de straat gescheiden door een fraai smeedijzeren lanspuntenhek. In 1884 werd parallel met de dienstvleugel een losstaand koetshuisje toegevoegd (3).
tó^v . / -V*
; • * % : .
>•->
ék ^P^^P3?^^, ^5.
^^n **-
"VffCB^
De gedeeltelijk ommuurde voormalige moestuin (foto R. Deneef,
Van 1877 tot 1884 was in het 'Kasteeltje', zoals de villa in de omgeving genoemd werd, een onderwijsinstelling gevestigd, het 'College Saint Benoit'. Bij zijn dood in 1884 liet Van Lierde zijn bezittingen in België na aan monseigneur Jordanus Ballsieper, benedictijn en missiebisschop in Oost-Bengalen (het huidige Bangladesh), die voor de villa aan de Brusselbaan voor het eerst het woord 'palazzetto' gebruikte (4). Het legaat zou in de eerste plaats gebruikt worden om in Hekelgem een ouderlingentehuis op te richten. Het overige werd, na aftrek van een eeuwigdurende missenfundatie in de abdij van Affligem, verdeeld onder de voornoemde abdij en Van Lierdes twee halfzusters (5). Bij een verdeling tien jaar later werd het 'Kasteeltje' alias 'Il Palazzetto' exclusief eigendom van Petrus Roseleth, toenmalig schepen en waarnemend burgemeester van Hekelgem (6). Zijn zoon Henri erfde het tenslotte in 1900 en bewoonde het tot aan zijn dood in 1939. Henri Roseleth heeft enige bekend-
heid verworven als heemkundige (7), onder meer als secretaris van het tijdschrift 'Eigen Schoon' (later met 'De Brabander' gefuseerd tot het nog bestaande tijdschrift) en was van 1890 tot 1911 burgemeester van Hekelgem. In de kadastrale legger wordt in 1885 voor het eerst van een 'lusttuin' gesproken, een perceel van bijna 91 are (8) met de villa als middelpunt. Een gedeelte van de huidige beplanting is ongetwijfeld ouder dan 1871, met name de tamme kastanjes (Castanea sativa) op de grens tussen de lusttuin en de voormalige moestuin, bomen met stamomtrekken tot meer dan 3,50 m, en wellicht ook de tweestammige haagbeuk (Carpinus betulus) op de hoek van de Brusselbaan en de Grobbestraat. De feitelijke siertuin besloeg maar 65,5 are, want het oostelijke gedeelte van het perceel werd in beslag genomen door een gedeeltelijk ommuurde, momenteel braakliggende moestuin. De bakstenen, met een
M&L
ezelsrug afgewerkte omheiningsmuur bevindt zich eigenaardig genoeg aan de zuid- en zuidoostzijde van de moestuin, een oriëntatie die niet zo gunstig is voor het kweken van leifruit. Het plantsoen langs de westzijde van de villa wordt overschaduwd door twee monumentale bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV die vermoedelijk even oud zijn als het gebouw, maar met verbazende stamomtrekken (meer dan 4 m). In de onmiddellijke nabijheid staat een magnolia met een gelobd blad (Magnolia officinalis var. biloba), gehavend maar vermoedelijk een van de oudste in België bekende exemplaren van deze zeldzame soort, die rond 1900 uit China werd geïntroduceerd (9). Het zuidelijke derde deel van de tuin bestaat uit bosplantsoen - voornamelijk beuken (Fagus sylvatica) met stamomtrekken tot circa 3,5 m - dat mogelijk van rond 1900 dateert. Het door iepen (Ulmus s p j gevormde prieel aan de zuidrand van dit plantsoen, tegen de Grobbestraat aan, vervangt een soortgelijke formatie, die door een opstoot van de iepenziekte in 1980 sneuvelde (10). O p het talud dat het bosplantsoen scheidt van het open middengedeelte van de siertuin en pal in de as van de villa en de tuin, bevindt zich een zeshoekige 'gloriette', een open paviljoen dat later tot volière werd omgevormd. De uit zandsteenknollen vervaardigde onderbouw herbergt een naar de villa toegekeerde 'Lourdesgrot'. Het verzonken, door lage muurtjes en strookvormige rozenperken afgebakende tegelpad tussen het paviljoen en het huis verdeelt het open middengedeelte van de siertuin in twee ongeveer gelijke delen.
Merkwaardige bomen (opname 2 juni 2008) 7. 17. 18. 19.
tamme kastanje (Castanea sativa) 389 bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 4 2 4 bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 429 magnolia (Magnolia officinalis vzx. Biloba) 50 (omtrek van de afgestorven hoofdstam)
NOTEN (1) Maar de eigenares was volgens de kadastrale legger op dat ogenblik zijn zuster Joanna Van Lierde, cf. oudste kadastrale legger 212 Hekelgem, art. 164 nr. 2 en art. 514 nrs. 3 en 10. Kadastrale opmetingsschets Hekelgem 1872 nr. 12. (2) In feite Joannes Franciscus Van Lierde. Voor details over Norstrand zie; HÖTING B., Geschiedenis en rechtspositie van het Oratotium op Nordstrand (vert. W. Bceckman), in Jaarboek 2000 Heemkundige Kring Belkdaal, Affligem. (3) Kadastrale opmetingsschets Hekelgem 1885 nr. 18. (4) In zijn correspondentie met de abt-generaal van Subiaco. Biografische gegevens in Biographisch- Bihliographisches Kirchenlexikon, XXIX, 2008, 111-113. (5) Een enigszins afwijkend relaas in STASSIJNS S., Ontstaan van varkens en smeerders, in Politiek Forum Affligem, cf. stijnstassijns. orglstijnforum/index.phphopic=33.0. (6) Oudste kadastrale legger 212 Hekelgem, art. 1277 nrs. 81 en 82; art. 1158 nrs. 4 en 5. (7) DE LEYN W., Henri Roseleth, bekende Hekelgemnaar van vele markten thuis..., Eigen Schoon en De Brabander 90(1), 2007, p. 59-80. (8) Oudste kadastrale legger 212 Hekelgem, art. 1724 nr. 5. (9) Niet vermeld in BAUDOUIN J.C., DE SPOELBERCH Ph. & VAN MEULDER J., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 365. KRÜSSMANN G., Handbuch der Laubgehölze (II), Berlin/Hamburg, Paul Parey, 1977, p. 283. (10) Mondelinge mededeling door de eigenares, mevrouw Agnès Van Ransbeeck, waarvoor onze dank.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
AFFLIGEM (HEKELGE1VI) DE NIEUWE MOLEM HOEK M O L E N B E R C / B R U S S E L B A A N , 1 7 9 0 ( p r i v é b e z i t , niet toegankelijk voor het
HEKELGEM
publiek)
Het woonhuis bij de Nieuwe Molen vanuit de door bomen overschaduwde voortuin (foto R. Deneef, 2007)
Door sierbomen overschaduwde voortuin van 25 are bij een molenaarswoning van 1835.
De 'Molen De Vis', naar de familie die hem in 1827-1828 liet optrekken, ook 'Nieuwe Molen' genoemd in tegenstelling tot de in 1785 gebouwde 'Oude Molen', is één van de twee stenen windmolens van Hekelgem. Hij werd gebouwd door Jan-Baptist De Vis. De molen troont op de top van de Galgenberg op de grens van Hekelgem en Erembodegem en paalt aan het domein Verbrugghen*. Het was een graanmolen, die rond 1870 een tijdlang als oliemolen dienstdeed en uiteindelijk in 1952 werd stillgelegd (1). Van de molen blijft niet veel meer over dan de bakstenen romp (2). Aan de voet van de romp werd met afbraakmateriaal van witte zandsteen een grotje gestapeld met een nis voor een Mariabeeld. Bij de molen sluit een gesloten hoeve aan met een gekasseide binnenplaats. De woonvleugel, een 'dubbelhuis' van vijf traveeën en twee bouwlagen, witgeschilderd onder een kunstleien zadeldak met een dakruitertje, zou volgens de
jaarankers in één van de zijgevels dateren uit 1835. Bezoekers zullen het complex nog steeds ervaren als een " mooi ingeplant en fraai geheel met prettig geschilderd houtwerk", zoals het in een inventaris uit het begin van de jaren 1970 werd omschreven (3), zeker als ze het vanuit de Brusselbaan doorheen de door hoge bomen overschaduwde voortuin benaderen. De bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J links van de ingang is vermoedelijk even oud als de gebouwen. De andere bomen - reuzenlevensboom (Thuja plicata), treures (Fraxinus excelsior 'PendulaV, kleinbladige linde (Tilia cordata) — zijn ongetwijfeld jonger. Het woonhuis, eindpunt van een bescheiden, grazige 'vista', baadt in het licht want in de nabijheid staan hoogstens nog enkele fruitbomen.
NOTFN (1) Zie: nl.wikipedia.org/wiki/De_Nieuwe_Molen. (2) DE LEYN W., Bloei en teloorgang van de Nieuwe Molen, p. 81-83 in Jaarboek 1995 van de Heemkundtge Kring Belledaal, Affligem. (3) DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 262-263.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
AFFLIGEM (TERALFENE) VILLA HUYGENS ).B. CALLEBAUTSTRAAT 1 2 & 1 4 , 1 7 9 0 TERALFENE ( p r i v é b e z i t , niet t o e g a n k e l i j k voor het publiek)
De verzonken tuin bij de Villa Huygens, geïnspireerd door de 'Nouveau Jardin Pittoresque' (foto R. Deneef, 2007)
Tuin rond twee villa's, circa 80 are, met een mooi verzonken compartiment,
aan-
gelegd In 1939 door Albert Dervaes en geïnspireerd door voorbeelden van de 'Nouveau Jardin Pittoresque'. In 1931 bouwde Jules Van Daele uit Aalst een groot huis op een perceel weiland langs de Callebautstraat. Het gebouw had een L-vormige plattegrond en werd in de kadastrale legger omschreven als 'sanatorium' (1), uiteraard niet zo imposant als de talrijke sanatoria die rond 1930 als paddestoelen uit de grond rezen. Dit sanatorium was geen lang leven beschoren. Het gebouw werd in 1939 samen met 44 are van het omringende perceel aangekocht door een handelaar uit Denderleeuw, Jan Huygens. Hij vormde het om tot de huidige villa:
hij kortte de zijvleugel in tot een halfronde uitbouw en voegde een terras toe. Aan de rand van de tuin (44 are groot) verscheen een serre. In 1948 liet Huygens op een aanpalend perceel een breigoedatelier optrekken en in 1954 aan de noordzijde van het eigendom een tweede villa (2). De bij de twee villa's horende tuin, circa 80 are, bestaat voor een groot gedeelte uit gazon, aan de noordzijde afgezoomd door een struikenborder en met een grote witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) in het midden. Het L-vormige bekken ten noorden van de tweede villa werd aangelegd gelijktijdig met de bouw van de villa in 1954 en het zwembadje naast het voormalige breigoedatelier is van recente makelij. Onze aandacht gaat vooral uit naar de bijzonder fraaie verzonken tuin tussen de twee villa's. Deze
werd naar verluidt (3) in 1939 ontworpen en aangelegd door Albert Dervaes uit Wetteren (4). Het is een licht uitgediept, rechthoekig gazon van circa 15 bij 20 m, met een omlopend pad van flagstones, geflankeerd door keermuurtjes van ruwe kalksteenklompen, die een bloemen- en struikenborder schoren. Aan de noordzijde lopen de keermuurtjes uit op een vierkante fonteinbak met een gladde, lichtblauwgeverfde bodem en een fonteinmond in de vorm van een leeuwenkop. De fonteinbak wordt omringd door een overloopzone, eveneens met een gladde, lichtblauwgeverfde bodem, lichtjes verzonken ten opzichte van de met flagstones geplaveide rand van het gazon. De achtergrond van de hele constructie wordt gevormd door een boogvormige, met Chinese blauweregen (Wisteria sinensis) begroeide pergola, gestut door vierkante zuilen, eveneens van ruwe kalksteenklompen. De witgeverfde beelden en de klassieke tuinvaas boven de fontein werden later toegevoegd en de huidige begroeiing (Hydrangea, Sedum spectabile, geschoren Chamacyparis en Taxus, Miscanthus...) is ook niet meer dezelfde als de oorspronkelijke, waarin rots-
tuinplanten (Sedum acre, Sedum rupestre, Alyssum saxatile...) waarschijnlijk prominent aanwezig waren en waarin ook de voegen van de muurtjes als plantenhabitat een rol speelden. Maar de inspiratie is nog steeds duidelijk: modellen uit de publicaties van de Nouveau Jardin Pittoresque', de dominerende stroming in de Belgische tuinaanleg tijdens het interbellum. Aan de andere zijde van de 'sanatoriumvilla', voor de ingang van het voormalige breigoedatelier, ligt er nog een tweede verzonken compartiment, kleiner, in de vorm van een halve cirkel en zonder fontein of bekken.
NOTFN (1) Oude kadastrale legger 212A Tcralfene, art. 1087 en 1875. Kadastrale opmetingsschets Tcralfene 1931 nr. 1. (2) Kadastrale opmetingsschetsen Teralfene 1939 nr. 1, 1948 nr. 6 en 1955 nr. 6. (3) Mondelinge mededeling van de eigenares, mevrouw A. HuygensBosmans, op 15 oktober 2007. (4) Volgens KRÜSSMANN G., Handhuch der Nadelgehöke, Berlin/ Hamburg, Paul Parey, 1972, p. 309, ontstond in 1910 in het bedrijf Dervaes de dwergcultivar Taxus baccata 'Nutans'.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
AFFL1GEM (TERALFENE): GROT VAM OIMZE-LIEVE-VROUW VAM LOURDES Ö OMVIEGAMG VAM DE ROZEMKRAMS BALLEISTRAAT 3 5 , 1 7 9 0 TERALFENE
De Lourdesgrot van Frans Temmerman (foto R. Deneef, 2007)
Bedevaartsoord (22 are) met een pittoreske, op een bron gebouwde Lourdesgrot van 1885, en een circuit van 15 kapelletjes ('Mysteries van de Rozenkrans') uit het interbellum. De grot van Onze-Lieve-Vrouw-van Lourdes langs de Balleistraat aan de noordrand van de dorpskern werd in 1885 eigenhandig gebouwd door Frans Temmerman, als dank voor de genezing van zijn moeder. Landbouwer Temmerman was één van de dorpsnotabelen: hij was penningmeester en voornaamste geldschieter van de plaatselijke fanfare, stichter van de ziekenkas 'Hulp in Nood' en eige-
naar van een melkerij (1). Het materiaal - baksteen en zandsteenknollen — werd ter plaatse gewonnen. De grot, een circa 20 m brede, naar de straat toe concave rotswand, beantwoordt min of meer aan de stereotiepe voorstelling van de Massabiellegrot, waar de Heilige Maagd 27 jaar eerder aan Bernadette Soubirous was verschenen. Een grote centrale holte biedt plaats aan diverse cultusvoorwerpen, heiligenbeelden, ex-voto's, votieftabletten... en uiteraard een altaartje. Rechts boven de centrale holte is er een tweede, kleine nis, waarin traditioneel het beeld van Onze-Lieve-Vrouw staat, gehuld in blauwe en witte gewaden — een combinatie die ook het metalen hek kleurt dat de hoofdholte afsluit - en nu met een TL-aureool. Bernadette die voor de grot
knielt behoort eveneens tot de traditionele lay-out van de duizenden Lourdesgrotten die in de loop van de jaren het licht zagen. Eerder uitzonderlijk is de derde holte, rechts onderaan, waaruit water opborrelt. Temmerman had een bronsite uitgekozen, want ook in Lourdes is er een bron die miraculeus water spuit, een configuratie die teruggrijpt naar de voorchristelijke verering van natuurelementen zoals bomen en bronnen. Als imitatie van een rotslandschap stelt Temmermans werk niet zoveel voor. De ontlastingsboog boven de grote holte laat er geen twijfel over bestaan dat het om metselwerk gaat. De pieken van het grotfront zijn in de loop van de jaren afgevlakt, maar als compositie zou de grot niet misstaan in het Park Güell... De omkadering bestaat momenteel vooral uit struiken - Pontische rododendron (Rhododendron ponticum), hazelaar (Corylus avellana), laurierkers (Prunus laurocemsus), hulst (Ilex aquifolium), taxus (Taxus baccata), sneeuwbes (Symphoricarpos albus) - en opslag van gewone esdoorn {Acer pseudoplatanus) en gladde iep (Ulmus minor). O p oude ansichtkaarten ziet men dat hoogstammige bomen oorspronkelijk een grotere rol speelden. Tijdens het interbellum - mogelijk in 1935 toen het echtpaar Temmerman zijn briljanten bruiloft vierde - werd het devotioneel programma aanzienlijk uitgebreid op het achterliggende, vlakke per-
ceel, dat via twee brede, naar boven buigende trappen bereikbaar is. Het 16 are grote grasveld wordt afgezoomd met vijftien bakstenen kapelletjes onder zadeldakjes. In spitboograampjes gevatte kleurenprenten geven de vijftien 'mysteries' van de rozenkrans weer - eerst de vijf blijde mysteries (boodschap aan Maria, bezoek van Maria aan aan haar nicht Elisabeth, geboorte van Jezus, opdracht in de tempel, het terugvinden van Jezus), vervolgens de vijf droevige mysteries (doodstrijd in de Hof van Olijven, geseling, doornenkroning, kruisdraging, kruisdood) en ten slotte de vijf glorierijke mysteries (verrijzenis, hemelvaart, neerdaling van de Heilige Geest over de apostelen, tenhemelopneming en kroning van Maria). Een pad in betontegels loopt langs de kapelletjes, die langs de lange zijden schuilgaan achter een manshoge haag van haagbeuk (Carpinus betulus). Oorspronkelijk werd het perceel omlijnd door canadapopulieren; de hulststruiken werden recentelijk vervangen door haagliguster (Ligustrum ovalifolium). Dit grasveld met de 'ommegang van de rozenkrans' wordt door een opgehoogd gedeelte gescheiden van het grotgedeelte. Deze hoogte fungeert als podium bij massaplechtigheden en godvruchtige toneelopvoeringen.
NQTFN (1) VAN LIEDEKERKE P., Terdfene, tussen Alfaam en Affltgem, Affligem, uitgave P. Van Liedekerke, 1985, p. 231-233.
Leonard Herlinde
Quintelier,
De Jaeck,
Roger
Jo Wijnant
Deneef,
& Dirk
De
Meyere
ASSE (ASSE): DOMEIN WAALBORRE PARKLAAN 20, 1730 ASSE
De 'cottage' van Karel Oe Vis in het Waalborrepark te Asse (foto R. Deneef, 1997)
Park in landschappelijke stijl van 4,5 hectare met een ongewoon groot aantal zeldzame bomen, aangelegd omstreeks 1910 naast een grote cottage. Het domein Waalborre (1) ligt aan de zuidrand van de dorpskern van Asse en kan model staan voor tal van buitenplaatsen die rond de Eerste Wereldoorlog werden aangelegd, meestal in voorstedelijk gebied of, zoals hier, aan de rand van een grote dorpsagglomeratie. Ondanks de beperkte oppervlakte van deze nieuwe landgoederen zijn alle componenten van de traditionele buitenplaats aanwezig: een villa met kasteelallures, een remise (vaak al op maat van de auto), een relatief grote 'lusttuin' en eigen voedselvoorziening (moestuin, serres), dit laatste in erg gereduceerde vorm. Nieuwe tuinstijlen zoals de 'nouveau jardin pittoresque', de Belgische variant van de 'Arts & Crafts garden', komen in dit kader tot ontwikkeling.
Rond 1910 bouwde Karel-Alexander De Vis op een perceel van 4,5 hectare in het Waalborreveld (of volgens het kadaster 'Waerborreveld') een grote villa in cottagestijl (met o.a. karakteristiek pseudovakwerk). Aan de oostrand van het perceel verschenen bovendien een portiersloge en een hovenierswoning met garages, ditmaal nog in de eclectische stijl die typisch is voor de late 19de eeuw (mansardedak, oeils-de-boeuf en dakvensters met rondbogen) (2). De 'lusthof', die het grootste gedeelte van het perceel in beslag neemt, werd aangelegd ten zuiden van de villa: een grote open vlakte - het gazon op de helling ten zuiden van de villa - omringd door een gordel van dichte beplantingen en ontsloten door een perifeer kronkelpad met aftakkingen. De gedeeltelijk ommuurde moestuin met serres, op een topografische kaart uit 1957 nog herkenbaar als een kruisvormig ingedeelde rechthoek, verdween bij de aanleg van de Parklaan en de bebouwing van de aanpalende percelen in het begin van de jaren 1970. Ten noorden van de Parklaan,
Het Waalborrepark
kasteel Belvédère
ten zuidoosten van
(Ministerie van
Asse in 1957; ten
Openbare Werken,
noorden ervan het
Dienst Topografie i
park van het
Fotogrammetrie)
buiten het huidige park, is echter nog een fragment zichtbaar van de bakstenen tuinmuur, waartegen de serres waren gebouwd. Het ere-erf naast de villa is een grindvlakte geworden. Het gros van het domein, met name het siergedeelte, was al in 1966 door de gemeente aangekocht. Het landgoed dat De Vis tot stand bracht, is tekenend voor de smaak en de levenswijze van de beter gesitueerde bourgeoisie uit het begin van de 20ste eeuw. Minder typisch is de uitzinnige manier waarop met planten werd omgesprongen. In een excursieverslag van de Vereniging Belgische Dendrologie uit 1997 lezen we: "Wie het park in zijn geheel overschouwt, krijgt de indruk dat hier twee, misschien drie generaties collectioneurs aan het werk zijn geweest" en "Met zoveel moois en zeldzaams hij mekaar, kan Waalborre uitgeroepen worden tot de ontdekking van de dag"{'S). In de inventaris 'Bomen in België' [1992, hierna afgekort tot BiB (4)] wordt het Waalborrepark als dusdanig niet vermeld, wèl één boom uit het park als 'geïsoleerd' exemplaar. Bij een gedetailleerde inventarisatie in 1993 werden 123 soorten en/of variëteiten van bomen en struiken opgetekend. Ongetwijfeld was de collectie ooit uitgebreider. Zo werd in 1998 'stommelings'
Crataegus laewgoto 'Hutabilis' aan de noordrand van het
een 27 m hoge wierrookcipres (Calocedrus decurrens) en een zeldzame groene es met geelgevlekte bladeren (Fraxinuspennsylvanica 'Aucubifolia'J omgezaagd.
Waalborrepark te Asse (foto R. Deneef, 1997)
O p 8 december 2000 werd het domein beschermd als 'dorpsgezicht' en de 24 merkwaardigste bomen als 'monument'. De meetcijfers in de hiernavolgende bespreking dateren van 7 november 1999, tenzij anders aangegeven; de besproken bomen worden gesitueerd op onderstaande kadasterkaart.
M&L
kadMlrale silutnng ; Aise 2de afdeling secllc E
Situering van de merkwaardige bomen in het Waalborrepark (21e opsomming)
Nr. 1 - Hongaarse eik (Quercus frainetto) met 416 cm stamomtrek; dik exemplaar van een zeldzame eikensoort, individueel vermeld in BiB, voor België op de derde plaats qua stamomtrek (5). Deze soort is in staat tot verbazingwekkende aanwassnelheden; bij de villa 'Les Conifères' te Leuven (voorheen Korbeek-Lo), die bijna gelijktijdig met Waalborre werd aangelegd, staat een Hongaarse eik met 483 m stamomtrek, vermoedelijk te verklaren door de uitstulpingen boven de lage ent, die als het ware over de lage onderstam zijn 'uitgezakt' en zelfs de wortelaanzetten verbergen. Nr. 2 — Kaukasische spar, compacte vorm (Picea orientalis 'Gracilis'^ met 86 cm stamomtrek (in 1993 gemeten met 76 cm), traaggroeiende cultivar die in 1903 door boomkweker Van Geert uit Kalmthout op de markt werd gebracht (6). Nr. 3 - tweestijlige meidoorn met gevulde bleekroze bloemen (Crataegus laevigata 'Mutabilis'j met 219 cm stamomtrek op 1 m hoogte, ongewoon kaliber voor om het even welke meidoornsoort (dikste Crataegus in BiB: 252 cm); spectaculaire,
M&L
pittoreske stam; deze rond 1800 geïntroduceerde cultivar wordt niet in BiB vermeld. Nrs. 4, 5, 6 - groep bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV met respectieve stamomtrekken van 361 cm, 330 cm en 312 cm; ongewone stamomtrekken voor bomen die vermoedelijk nog geen 90 jaar oud zijn; zij nemen in het park een visueel-strategische positie in. Nr. 7 — Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV met 262 cm stamomtrek (248 cm in 1993), niet vermeld in BiB, dikste van België voor deze zeldzame, in 1866 geintroduceerde cultivar (7). Nr. 8 - zilverlinde (Tilia tomentosa) met 466 cm op 70 cm hoogte, laag vertakt exemplaar met brede kroon, behoort tot de 10 dikste van België. Nr. 9 - Noorse esdoorn met bruinrood blad (Acer platanoides 'SchwedleriV met 287 cm stamomtrek, prachtig uitgegroeid exemplaar, volgens BiB op de derde plaats qua stamomtrek. Nr. 10 - mispelbladige wintereik (Quercus petraea 'MespilifoliaV met 245 cm stamomtrek, zeld-
zame cultivar, op de zevende plaats in de kampioenenlijst van BiB. Nr. 11 - J a p a n s e esdoorn (Acer palmatum) met 118 cm stamomtrek, met 17 m onwaarschijnlijk hoog voor een Japanse esdoorn. Nr. 12 - eikbiadige beuk (Fagus sylvatica 'QuercifoliaV met 418 cm stamomtrek op 50 cm hoogte, zeldzame cultivar met ingesneden blad, vermoedelijk de dikste van België. Nr. 13 - witbonte beuk (Fagus sylvatica 'AlbovariegataV met 381 cm stamomtrek, uiterst zeldzame cultivar, veruit de dikste van België; de vermoedelijke ouderdom in acht genomen, onwaarschijnlijke afmetingen voor om het even welke beukensoort. Nr. 14 — groep van drie Parrotia persica met respectieve stamomtrekken van 147 cm, 145 cm en 129 cm op 50 cm hoogte, horend bij de dikste van België; prachtige groep met knoestige, pittoreske stammen, mogelijk op één wortelgestel. Nr. 15 - Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV met 235 cm stamomtrek; derde dikste van België. Nr. 16 - gewone haagbeuk (Carpinus betulus) met 312 cm stamomtrek op 1 m hoogte; ongewoon dik en laagvertakt exemplaar, mogelijk restant van oude haag van vóór de aanleg van het park. Nr. 17 - gewone haagbeuk (Carpinus betulus) met 403 cm stamomtrek op 30 cm hoogte, mogelijk restant van een vroegere beplanting. Nr. 18 - witte esdoorn met 156 cm stamomtrek, geënt exemplaar met eigenaardige, atypische habitus, schubbige schors en klein blad (Acer saccharinum cv. onbekend^). Nr. 19 - J a p a n s e zelkova (Zelkova serrata) met 184 cm stamomtrek op de dertiende plaats in de BiB-Vi)st. Nr. 20 - mispelbladige wintereik (Quercus petraea 'Mespilifolia'J met 250 cm stamomtrek, op de zesde plaats in de 5/fi-lijst. Nr. 21 - tataarse esdoorn (Acer tataricum) — 135 cm stamomtrek op 1 m hoogte, op de tweede plaats in de ifrö-lijst; bijna liggend, pittoresk exemplaar aan de rand van het grote gazon. Nr. 22 - Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) met 236 cm stamomtrek; mooi ontwikkeld, uitzonderlijk hoog exemplaar met rechte stam. Nr. 23 - eikbiadige beuk (Fagus sylvatica QuercifoliaV - 304 cm stamomtrek, zeldzame cultivar met ingesneden blad, behoort tot de tien dikste van België. Nr. 24 - Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV met 236 cm stamomtrek, tweede dikste van België.
Daarnaast zijn er nog tal van curiosa, maar met kleinere afmetingen: gele pavia (Aesculus flava), witte paardekastanje met wit-geel bestoven blad (Aesculus hippocastanum 'MemmingeriV, smalbladige es (Fraxinus angustifolia), éénbladige es (Fraxinus excelsior 'DiversifoliaV, geelhout (Cladrastis lutea), Kaukasische zelkova (Zelkova carpinifolia), moseik (Quercus cerris), zwepenboom (Celtis occidentalis), zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV, een zachte berk (Betuia pubescens) met 190 cm stamomtrek, zwarte berk (Betuia nigra), zuilvormige ruwe berk (Betuiapendula'Pastigizta ), ruwe berk met diep ingesneden bladeren (Betuia pendula 'LaciniataV, ruwe berk met bruinrode bladeren (Betuiapendula'Y'wpme.2L),A\'ptniie:n (Pinus cembra), Amerikaanse kornoelje (Cornus florida), diverse cultivars van buxus (Buxus semperiverens 'Angustifolia', B.s. 'rotundifoliaV. Nagenoeg alle bomen die hierboven werden opgesomd, behalve twee haagbeuken (nrs. 16 en 17), werden ongetwijfeld aangeplant na 1910. Tot 1912 werd het perceel door het kadaster gewoon als "bouwland' geregistreerd. De stamomtrekken die sommige bomen hebben bereikt, zijn dan ook verbazend. Een gewone beuk (Fagus sylvatica) met 502 cm stamomtrek, waarvan moeilijk kan worden aangenomen dat hij niet ouder is dan 1910, werd niet op de lijst van de als monument te beschermen bomen geplaatst omdat er reuzenzwam op de stamvoet voorkomt, een op termijn veroordeeld exemplaar.
NOTFN (1) Deze tekst werd gepubliceerd in het Jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 2000, p. 25-29. (2) Kadastrale opmetingsschets 212 Asse, 1913, nr. 29 (archief Kadaster Brabant, Brussel). (3) CREYF R. & DE JAECK H., Asse en Meise, in: Jaarboek Vereniging Belgische Dendrologie, 1997. (4) BAUDOUIN J.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992. Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992. (5) Vermeld met een stamomtrek van 4 m, 25 m kroondiameter en 26 m hoogte in: DECUYPERE Y. (red.), Merkwaardige bomen in Vlaanderen, Ministerie Vlaamse Gemeenschap, Dienst Groen, 1989, p. 68. (6) KRÜSSMANN G., Handhuch der Nadelgehöke. Berlin/Hamburg, Paul Parey, 1972, p.216. (7) KRÜSSMANN G., Handbuch der Laubgehölze (I), Berlin/Hamburg, Paul Parey, 1976, p. 97.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
ASSE (ASSE): X0M1MKL1JK ATHEMEU1VI DOMEIN VIJVERBEEK N I E U W S T R A A T 1 2 2 , 1 7 3 0 ASSE (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
Het kasteel Vijverbeek van burgemeester Leon Decoster, gebouwd rond 1884 en ongewijzigd bewaard (foto R. Deneef, 2004)
Schoolcomplex met gebouwen uit 1950 en 1960, omringd door een 'Nouveau fardin Pittoresque achtige aanleg, en met als oudste kern een eclectisch kasteel uit 1885 omringd door sporen (oude bomen) van een park in landschappelijke stijl, oorspronkelijk 95 are, na 1905 uitgebreid tot 3 hectare 62 are.
Het atheneum van Asse nam in 1947 zijn intrek in het domein Vijverbeek aan de zuidrand van Asse. Het kasteel (1), een bakstenen gebouw met een vierkante plattegrond, een souterrain, twee hoge bouwlagen en een lage bovenverdieping, werd
in 1884-1885 door brouwer Emile Goossens gebouwd en vormt de kern van dit landgoed. De drie middelste van de zeven traveeën van de voorgevel zijn verenigd in een risaliet in de vorm van een trapgevel, de drie middelste van de achtergevel in een erker met balkon. Het baksteenmetselwerk wordt opgesmukt met arduin voor de hoekkettingen, de ontlastingsbogen, de banden en de omlopende en de door steigergaten geritmeerde kordonlijst tussen de eerste en de tweede verdieping. Met zijn torentje, trapgevel en getrapte dakventers verwijst ook het bijgebouw (stallen, koetshuis, portierswoning) rechts van het kasteel naar de traditionele bouwtrant (2). Het kasteel werd omringd door een 'lusthof' van 95 are, die op de stafkaart van 1891 wordt afgebeeld als een trapeziumvormig perceel met het
Centraal in beeld het landgoed Vijverbeek in 1891,
kasteel op het knooppunt van twee ronde lussen; een kleine lus als verkeersrotonde en ereplein tussen de straat en het kasteel, een grote lus achter het kasteel. In de kadastrale legger wordt geen gewag gemaakt van een moestuin en op de stafkaart is er evenmin iets te zien wat op het bestaan ervan zou kunnen duiden. Vijf bomen in de omgeving van het kasteel - witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), gewone en bruine beuk (Fagus sylvatica, F.s. 'AtropuniceaV, tamme kastanje (Castanea sativa), haagbeuk (Carpinus betulus) — herinneren aan deze vroegste landschappelijke tuin. In 1904 werd Vijverbeek verkocht aan burggraaf en volksvertegenwoordiger Théophile de Lantsheere, die het landgoed onmiddellijk ruilde voor het domein Putberg* (3). Aldus kwam Vijverbeek in handen van Leon De Coster, katholiek volksvertegenwoordiger en van 1895 tot 1921 burgemeester van Asse (4). Hij liet het park in noordwestelijke richting uitbreiden tot op de helling naar Vijverbeek-Broekebeek, zodat de oppervlakte toenam tot 3 hectare 62 are (5). Een groot gedeelte van het huidige bomenbestand dateert uit het interbellum - naast witte paardenkastanje, beuk en plataan (Platanus x hispanica), diverse cultivars met afwijkende bladvormen of -kleuren: zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'LaciniatumV, Noorse esdoorn met bruinrood blad (Acer platanoides 'SchwedleriV, bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV en — als curiosum — een zomereik met witgemarmerd blad (Quercus robur AlbomarmorataV- De structuur van het park wordt afgebeeld op de stafkaart van 1930. Een ereplein met de nog bestaande boogvormige op- en afritten vormt de toegang tot het kasteel dat 30 m van de straat verwijderd ligt. Het centrale rozenperk, zichtbaar op ansichtkaarten uit de tijd van De
Coster, is sinds lang verdwenen. Het parkgedeelte achter het kasteel bestond uit twee concave, door hoogstammig groen omzoomde ruimten: de ruimte aansluitend bij het kasteel, die samenvalt met de oude 'lusttuin', werd ontsloten door een kleine, niervormige lus, de uitbreiding door een grote cirkelvormige lus. Na de dood van Leon De Coster in 1928 werd Vijverbeek bewoond door zijn weduwe, zijn zusters Léocadie en Céline en zijn kinderen. Tijdens de oorlog werd het kasteel gebruikt als 'Kommandantur'. In 1946 werd het domein voor 1,3 miljoen frank verkocht aan een zekere Berthe de Bidlot uit Luik, die het — na een poging om er een luxerusthuis van te maken - een jaar later voor 3,5 miljoen frank doorverkocht aan de Belgische Staat (6). De 'lusthof' (perceel 68h) besloeg op dat moment 2 hectare 88 are. In het schooljaar 1949-1950 telde de rijksschool, die in het kasteelcomplex werd on-
met uitgebreid park in 1930, met de eerste schoolgebouwen In 1953 en met het huidige gebouwencomplex in 1979 (ICM, 1894, 1936 en 1953; NGI, 198!)
Ambtelijke tuinarchitectuur in de jaren 1950, nabloei van de 'Nouveau Jardin Pittoresque' (foto R. Denecf, 2004)
1VI&L
het bouwdossier een belangrijke rol speelde, maar ook van de inspiratie van de ambtenaar-ontwerper, die ongetwijfeld zijn voorbeelden gezocht heeft in de 'Nouveau Jardin Pittoresque', de belangrijkste beweging op het gebied van tuinaanleg tijdens het interbellum (opgericht in 1913), een Belgisch uitvloeisel van de 'Arts and Cra/tt-beweging. Bij een volgende bouwcampagne in 1959-1960 in het afbellende noordwestelijke gedeelte van het domein was de 'Expoarchitectuur' troef- losse paviljoenen, betonskeletten, grote glasvlakken en gekleurde panelen, platte daken of zwak hellende lessenaarsdaken, een overvloed aan prefabelementen. Het aanzienlijke reliëfverschil werd opgevangen door trappenpartijen en terrassen met keermuren en paden in breukstenen.
Paviljoenen in 'Expostijl', paden in 'flagstones'
M&L
en terrassen gestut door muurtjes van breuksteen (foto R. Denecf,
d e r g e b r a c h t , al 7 5 0 leerlingen - ongetwijfeld veel v o o r d e b e s t a a n d e g e b o u w e n .
te
20(14)
De eerste steen van het nieuwe gebouwencomplex van het Koninklijk Atheneum werd gelegd op 20 mei 1950. Het werd een robuuste baksteenbouw met vage verwijzingen naar de cottagearchitectuur en ook het modernisme: grote, betegelde schilddaken, breukstenen plinten, erkerachtige uitsprongen, boogramen en -deuren, een puntgevel versus grote ramen met metalen schrijnwerk. Deze gebouwen werden opgetrokken op het vlakke gedeelte achter het kasteel, dat zelf werd gereserveerd voor het internaat. De boomgordel werd als het ware vervangen door een gordel van gebouwen en het centrale, concave gazon maakte plaats voor een voetbalveld en een betegelde speelplaats. De ligusterhagen, de breukstenen muurtjes en het dito waterbekken (met een mailloleske 'baigneuse') voor het huidige gebouw van de kinderopvang (oorspronkelijk administratie en ziekenboeg), getuigen niet alleen van het feit dat de landschappelijke omkadering in
Merkwaardige bomen (opname 14 juli 2004) 4. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 350 5. zomereik met witgemarmerd blad (Quercus ra^«r'AlbomarmorataV 199 26. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 452 27. tamme kastanje (Castanea sativa) 4 0 7 NDTFN (1) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 3578 nrs. 1-6. Kadastrale opmetingsschets Asse 1885 nr. 13. (2) Beschreven in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 77-78. (3) OCKELEY]., Het staatsdomein "Vijverbeek", p. 76-97 in Ascania, 1971. (4) Voluit: Leon-Eugène-lsidore De Coster (1854-1928). Over de figuur van De Coster in de gemeentepolitiek, zie VAN DEN BERGHE P., Rond de veroordeling van Pieter Daens te Asse, in Ascania, 1983 nr. 4. (5) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 3120 nrs. 22 en 31. Kadastrale opmetingsschets Asse 1905 nr. 17. (6) Oude kadastrale legger 212A Asse, art. 8219. Zie ook OCKELEY J., op. cit., p. 94.
Roger Deneef & Jo
Wijnant
ASSE (ASSE): KASTEEL VAM RAMPELBERG N I E U W S T R A A T 9 9 , 1 7 3 0 ASSE (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
Het kasteel van Rampelberg. in 1874 gebouwd aan de zuidrand van Asse, met een mammoetboom op de voorgrond (foto R. Deneef, 1004)
Tuin in landschappelijke stijl van 34 are, oorspronkelijk 70 are, rond een eclectische villa van 1874. Het 'kasteel van Rampelberg', zoals het soms op oude ansichtkaarten wordt genoemd, werd in 1874 aan de zuidrand van Asse gebouwd door de Brusselse wisselagent Joseph-Théodore Speller. Het was omringd door een tuin van 70 are (1). De kasteelallures van de villa — twee bouwlagen met souterrain onder een leien schilddak - manifesteren zich vooral langs de straatzijde in een op de renaissance geïnspireerd eclecticisme (2). Het baksteenmetselwerk wordt uitbundig opgesierd met witte Franse zandsteen (hoekkettingen, geprofileerde vensteren kordonlijsten, de voordeur met boogfronton en hoekblokken, de driehoekige frontons en schijn-
balustrades boven en onder de ramen van de beletage). De achtergevel munt daarentegen uit door soberheid. Een lanspuntenhek tussen bakstenen pijlers met blokken in witte steen vormt de toegang tot het voorplein (momenteel gekasseid). In 1899 werd nog een bakhuis toegevoegd. De verbouwing die het 'kasteel' zijn huidige uitzicht gaf, werd uitgevoerd rond 1912 (3). Ze beperkte zich tot een verruiming van de bel-etage en het souterrain in de vorm van een aanbouw tegen de achtergevel. In het oostelijke gedeelte van de tuin verrees ook nog een constructie die door het kadaster als 'broeikas' werd opgetekend (perceel nr. 322a3), sinds lang verdwenen. Bij de aanleg van de Hofveldstraat in de jaren I960 werd de tuin met meer dan de helft verkleind. In een recent verleden werden in het noordelijke ge-
deelte garageboxen geplaatst en ten zuiden van de villa werd rond een nieuwe kiosk een rozentuin aangelegd. Twee mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum), een tamme kastanje (Castanea sativa), een ginkgo (Ginkgo biloba), een Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) zijn relicten van de oorspronkelijke beplanting.
NOTEN (1) Oudste kadastrale leggger 212 Asse, art. 2825 nrs. 2-4. Kadastrale opmetingsschets Asse 1874 nr. 30 en 1899 nr. 42 (voor het bakhuis). Zie ook BERCKMANS G., Het kasteel van Rampelberg, p. 57-64 in Asciam, 1989 nr. 2. (2) Beschreven in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Land-
Merkwaardige bomen (opname 14 juli 2004) 1. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 492 2. tamme kastanje (Castanea sativa) 378 6. Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) 390(50) 7. ginkgo (Ginkgo biloba) 340 8. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 487
schappen, 2005, p. 76. (3) Kadastrale opmetingsschets Asse 1912 nr. 77. Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 2382 nrs. 12 en 27.
Roger Deneef, 0" Jo
Hilde
Kennes
Wijnant
ASSE (ASSE): KASTEEL BELVEDERE SIMT-MARTIMUSSCHOOL STATIONSSTRAAT 4, 1 730 ASSE (privébezit, niet toegankelijk voor h e t publiek)
Het kasteel Belvédère vanuit het resterende gedeelte van het park (foto R. Denecf, 2007)
Neoclassicistische vilia van 1861-1862 met een tuin in landschappelijke stijl van circa 1,5 hectare, waarvan alleen de noordelijke helft bewaard bleef. Jan Delannoy, de eerste chef van het Brusselse noordstation, bouwde de kasteelvilla 'Belvédère' in 1861-1862 als buitenverblijf (1). Al in 1866 verkocht hij ze aan de vroegere eigenaar van het perceel, zijn oom Jan Frans De Deken. In 1928 werd het landgoed met het kasteel na een periode van verwaarlozing aangekocht door een kloosterorde, de zusters van Sint-Vincentius a Paolo van Gijzegem, die er een school in onderbrachten. Deze 'Ecole Notre Dame', waar in het Frans les-
sen in vooral huishoudelijke vorming en 'snit en naad' werden gegeven (2), is de voorloper van de huidige Sint-Martinusschool voor middelbaar en technisch onderwijs. Het thans bepleisterde en witgeschilderde gebouw was oorspronkelijk onbepleisterd (3), met uitzondering van de geblokte lisenen op de hoeken en langs weerszijden van het middenrisaliet in de straatgevel. Het heeft een bijna vierkante plattegrond van drie bij drie traveeën, een souterrain en twee bouwlagen. Het afgeknotte leien schilddak wordt bekroond door een belvedèreplatformpje met een omlopende balustrade, waaraan het gebouw zijn naam ontleent. De lisenen, het driehoekige fronton boven het middenrisaliet, de door een balkon overluifelde voordeur en de door sfinxen geflankeerde bordestrap vormen
De parkaanleg in het gedeelte ten zuiden van het kasteel, dat op de kaart als bebost wordt weergegeven, zal in de jaren I960 en 1970 plaats ruimen voor klaslokalen en een grote betegelde speelplaats. In afwachting van een aangevraagde uitbreiding van het gebouwencomplex werd in 2003 de rij bruine beuken (Fagus sylvatica AtropuniceaV gerooid, die ooit de zuidrand van het park markeerde. Enkel een monumentale maar zwaar mishandelde plataan (Platanus x hispanica) heeft in dit gedeelte het onderwijs overleefd. De noordelijke helft van het park bleef daarentegen grotendeels behouden. De oprijlaan naar het kasteel, dat op een hoogte staat, en de paden die ervan aftakken zijn nog aanwezig. Een dikke tamme kastanje (Castanea sativa), een paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), enkele oude hulstbomen (Ilex aquifolium) en een massief van Pontische rododendrons (Rhododendron ponticum cv. \) zijn hoogstwaarschijnlijk relicten van de oorspronkelijke beplanting.
Het kasteel Belvédère met park centraal in beeld in 1957; ten zuiden een stukje van het Waalborrepark (Ministerie van
zowat de enige versiering (4). Aan de westrand van het landgoed, tegen de Pastinakenstraat aan, zijn nog de sterk verbouwde resten herkenbaar van wat ooit het koetshuis en de stal is geweest.
Openbare Werken, Dienst Topografie S Fotogrammetrie)
M&L
Een min of meer gedetailleerde weergave van het goed is vastgelegd op een topografische kaart van 1953, bijgewerkt in 1957, uitgegeven door het toenmalige ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw. Aan het domein was nog niet veel veranderd; de schoolgebouwen, die nu een groot deel van het domein innemen, moesten nog worden gebouwd en de Parklaan moest nog worden aangelegd. Het goed beslaat dan circa 1,5 hectare.
Merkwaardige bomen (opname 15 oktober 2007) 4. gewone plataan (Platanus x hispanica) A\9 8. tamme kastanje (Castanea sativa) 535 NOTFN (1)
Kadastrale opmetingsschers Asse 1861 nr. 1.
(2)
BERCKMANS G., Kastelen, herenhuizen en landhuizen te Asse in de tweede helft van de 19de eeuw: kunsthistorische analyse en beschrijving, R.U. Gent, eindverhandeling, 1986, p. 40-62.
(3) Cf. de ansichtkaart onder afbeelding 8 in: Asse in oudeprentkaarten, samengesteld door de heemkundige kring Ascania, Zaltbommel, 1973.
(4) Uitvoerig beschreven in BERCKMANS G., op. cit. en KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 76.
Roger Deneef, & Jo
Hilde
Kennes
Wijnant
ASSE (ASSE): MORETTE E D I N G S E S T E E N W E G 2 0 6 , 1 7 3 0 ASSE (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
De met zomereiken afgezoomde oprijlaan (foto R. Deneef, 2007)
Gedeeltelijk ommuurd landgoed van 19,5 hectare rond een stenen windmolen en een hoeve met een distilleerderij, gebouwd rond 1830 en 'gecastelliseerd' rond 1900; circa 13 hectare boomgaard en een parkje in landschappelijke stijl van 1 hectare rond een voormalige 'steenpoel' aan de zuidrand van het domein, rond 1900 uitgebreid tot de omgeving van de molen.
De Steenmorette Dankzij zijn visueel-strategische ligging op een zuidelijke uitloper van de 'cuesta' Baardegem-Asse was de Morette van oudsher een belangrijke plek. De
rechte Romeinse heirbaan Edingen-Asse buigt er noordoostwaarts af naar het centrum van Asse. O p die plaats werd op het einde van de 3de eeuw een versterkte observadepost gebouwd (1), waaraan de Morette - een Romaans toponiem dat misschien gewoon 'muurtje' betekent - mogelijk zijn naam ontleent. H e t is evenmin uitgesloten dat het eigenlijk om 'marette' gaat, wat poeltje betekent (2). De naam 'Steenmorette', een toponiem dat in 1369 opduikt (3), duidt wellicht op een ontginning van Balegemse witte zandsteen, want aan de zuidrand van het huidige Morettedomein ligt een vijvertje dat waarschijnlijk ontstaan is als 'steenpoel'. Het "Maretten Bosch" wordt voor het eerst afgebeeld door Joos De Deken op een figuratieve kaart van 1717 in een kaartboek van de goederen van de abdij van Affligem (4). O p de Ferrariskaart (1771-1775) wordt het getoond in zijn ruime con-
De windmolen en de hoeve Toen in 1823 de Primitieve kadasterkaart werd uitgetekend, zag het gebied er helemaal anders uit. Langs de weg Asse-Edingen was meer dan 4 hectare bos omgezet in landbouwgrond; in het midden van het ontgonnen perceel was een imposante stenen windmolen ('graenmolen') verschenen en 30 m naar het noorden een grote gesloten hoeve. De cilindrische, tot 30 m hoge windmolen was oorspronkelijk voorzien van een omlopend houten platform van waarop de molen naar de wind werd gezet of gekruid. Het bakstenen metselwerk, vooral het indrukwekkende 'paddenstoelgewelf' van de kelder, doet onwillekeurig denken aan de fortenarchitectuur van het midden van 19de eeuw. De karren met graan werden via een poort in de zuidzijde de kelder binnengereden. Een rechte, 8 m brede, met zomereiken (Quercus robur) beplante dreef takte af van de heirbaan en mondde uit bij de hoeve. Deze beplanting, nu met stamomtrekken tot bijna 3,40 m, bleef grotendeels bewaard. Mogelijk werden hoeve, molen en dreef later op de Primitieve kadasterkaart bijgetekend, want de jaarankers op de molen geven 1831 als bouwjaar aan.
Het Horcttebos en (door ons rood aangestipt) de site van de latere hoeve en windmolen langs de slingerende weg van Asse naar Edingen op de Ferranskaart, 1771-1775
De Horettehocve en de windmolen, vermoedelijk later bijgetekend op de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Meyers in 1823 (archief Kadaster
text, als deel van een bosgebied dat de hellingen ten zuidwesten van Asse grotendeels bedekte. De Gallo-Romeinse heirbaan had in de loop van de eeuwen zijn oorspronkelijk kaarsrecht tracé verloren en maakte in het Morettebos een kronkel.
Brabant, Brussel)
1879
De Horette op de
poel, wordt alleen
stafkaarten van
op de kaart van
I879. I89I, I930
I979 exact weer-
en I979;
gegeven
het vijvertje, een
( KM, I88I, I894
voormalige steen-
en I937;NGI, I98I)
1891
Tussen het opmaken van de kadasterkaart en de heropstart van het kadaster na de Belgische onafhankelijkheid is het landgoed blijkbaar ook van eigenaar veranderd. De eerste eigenaar volgens de Primitieve kadastrale legger (5) was een zekere 'Vanbartensteen', 'minister' van beroep en woonachtig in Oostenrijk, vermoedelijk één van de barons von Bartenstein, die tijdens de nadagen van het Oostenrijks bewind en ook tijdens de Restauratie een politieke rol van betekenis hebben gespeeld. Later werd zijn naam doorgestreept en vervangen door Guillaume Horis, een Brusselse handelaar en industrieel die in het nabijgelegen Sint-Ulriks-Kapelle woonde (6). Horis gedroeg zich te Asse min of meer als een projectontwikkelaar. In de hoeve bracht hij een distilleerderij (7) onder; hij rooide
1930
1979
Het 'kasteel' en de
ansichtkaart
De dienstgebouwen
(collectie A. De Ryck,
windmolen van de
(collectie A. De Ryck,
rond de binnen-
Asse)
Morene op een In
Asse)
plaats omstreeks
1906 verstuurde
1910
de resterende 30 hectare bos en verdeelde ze in grote rechthoekige kavels, waardoor de Louwijnstraat ontstond, die nu de zuidwestelijke grens van het landgoed vormt. De kronkel in de heirbaan was ondertussen weggewerkt; de Edingsesteenweg herkreeg zijn huidige, kaarsrecht tracé (8). In 1838 verkocht Horis zijn bezit in Asse aan ene Luc Maillard, die het in 1857 als erfenis zal nalaten aan zijn dochter, echtgenote van Henri Van Hoorde (9) . Het kasteel en het park De zuidoostelijke vleugel van de Morettehoeve zou volgens het kadaster pas rond 1910 van de rest van het gebouw zijn losgemaakt en tot 'kasteel' herbouwd (10), maar een in 1903 verstuurde ansichtkaart geeft het kasteel al in zijn huidige vorm weer: een massief neoclassicistisch gebouw van negen traveeën en twee bouwlagen onder een mansardedak. De op de straat gerichte oostgevel is opgebouwd uit zware zandsteenblokken, de achtergevel uit bepleisterd baksteenmetselwerk met schijnvoegen.
Talrijke spijkers en
getuigen van
krammen op de
verdwenen leifrult
naar het zuiden
(foto ft Deneef,
gekeerde muren
2007)
De omlopende steigergaten vormen zowat de enige versiering (11). De lage zuidoostelijke dienstvleugel - nu grotendeels witgeschilderd en ingrijpend gerenoveerd - wordt langs de binnenplaatszijde onderbroken door een pittoresk uitgewerkte puntgevel (gesinterde bakstenen omlijsten een tweelichtvenster en een uurwerk). Het stalgedeelte met zijn bakstenen troggewelven op gietijzeren zuiltjes beslaat bijna de helft van deze vleugel. De andere vleugels die de binnenplaats omgaven, zijn verdwenen. O p oude foto's steekt boven de puntgevel een industrieel aandoende schoorsteen uit, die ongetwijfeld de distilleerderij signaleert — eigenaardig want na 1850 komt het woord 'distillerie' of'stokerij' niet meer in de kadastrale legger voor (12). De 'castellisering' van de hoeve ging gepaard met de bouw van een kasteelachtige villa met vierkante toren langs de Louwijnstraat, die op oude ansichtkaarten als 'habitation du jardinier'wordt omschreven.
De boomgaard en de stokerij Direct na de aankoop van het domein in 1838 legde Maillard ten noorden van de hoeve een boomgaard aan van bijna 5,5 hectare (13). Bij latere vermeldingen in de leggers zal dit perceel (nr. 200n) opnieuw als bouwland worden omschreven, maar de opeenvolgende stafkaarten (1879, 1891, 1930,
•
Oud beukenplant-
(foto R. Deneef,
De tamme kastanje
eeuwse Morettebos
soen langs de
2007)
in de boomgaard,
(foto R. Deneef,
noordoostzijde van
mogelijk een relict
2007)
het domein
van het 18de-
1952-1953, 1969 en 1979) zullen het steevast als boomgaard blijven weergeven. Dit boomgaardperceel is langs twee zijden ommuurd en op de naar het zuiden gekeerde muren getuigen talrijke spijkers en krammen van het leifruit waarmee ze ooit bespannen zijn geweest. Het is duidelijk dat de fruitproductie de consumptiebehoeften van de familie Van Hoorde ver te boven ging en dat, naast de distilleerderij (zo die nog bestond, cf. supra), het fruit een belangrijke bron van inkomsten was. Dat het hun blijkbaar voor de wind ging, kan worden afgeleid uit de gestage toename van het grondbezit van de familie - rond 1900 tot 145 hectare alleen op het grondgebied Asse. Van Hoordes zoon, Joseph, zal aan het einde van de jaren 1890 de molen stilleggen en ontmantelen (14). Dit werd waarschijnlijk gecompenseerd door een intensifiëring van de fruitproductie en een aanzienlijke uitbreiding van het boomgaardareaal. De stafkaart van 1930 beeldt circa 13 hectare aaneengesloten boom• gaard af. Zelfs de spie tussen de Edingsesteenweg Met wolkachtige buxussen omzoomde en de oprijlaan was met fruitbomen beplant. O p parterres bij een foto's van rond 1900 is te zien dat zelfs de molenvoormalige aanromp was begroeid met leifruit in de vorm van een horigheid aan de grote, uitstralende palmet. De molenkelder werd noordrand van het Morettedomein in twee aparte ruimtes opgedeeld en als fruitkel(foto R. Deneef, der gebruikt; de inrijpoort van de kelder werd met 2007)
A/I&L
behulp van twee muurtjes tot een luchtsas omgebouwd. Het Morettebos, tijdens het Ancien Régime uitgebaat door de abdij van Affligem*, werd in het begin van de 19de eeuw niet helemaal gerooid. O p het hoogste gedeelte langs de noordoostzijde van het domein bleef een brede strook bos behouden, het huidige, sterk uitgedunde plantsoen, waarin nog enkele uitzonderlijk dikke beuken (Fagus sylvatica) voorkomen die misschien nog in de 18de eeuw werden aangeplant. Deze bosstrook bleef waarschijnlijk bewaard als bescherming van de boomgaard tegen de noordoostenwind. De monumentale tamme kastanje (Castanea sadva) in de boomgaard is eveneens een relict van het 18de-eeuwse bos. Het park in landschappelijke stijl Aan de zuidrand van het domein, langs de Louwijn(straat), ligt een parkje in landschappelijke stijl, niet veel groter dan één hectare. De oude 'steenpoel', waarvan sprake in het begin van deze tekst, vormde de kern van deze aanleg. De put werd omgevormd tot een niervormige waterpartij, uiteraard met een brugje, waarvan alleen de bruggenhoofden bewaard bleven. De steile oevers werden verstevigd met het ter plekke gevonden materiaal:
m
•mmmm
mmmm
&-.
lil
**&*&&***&:
onregelmatige zandsteenbrokken. Het omringend plantsoen bestaat vooral uit beuken. De meeste beuken werden vermoedelijk nog door Henri Van Hoorde tijdens het derde kwart van de 19de eeuw aangeplant en later aangevuld met platanen (Platanus x hispanica) en Hollandse linde (Tilia x europaea). O m de windvang van de molen niet in het gedrang te brengen was de oorspronkelijke beplanting eromheen beperkt tot struiken en kleine bomen zoals buxus (Buxus sempervirens) en ongestekelde hulst (Ilex aquifolium 'Heterophylla'j. Nadat de molen uit bedrijf was genomen, werd de landschappelijke aanleg langs de Edingsesteenweg tot aan de voet van de molenromp uitgebreid met soorten als witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), gewone beuk en treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV, bruine beuk (F. s. 'AtropuniceaV en Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia). De samenstelling en het uitzicht van de oorspronkelijke beplanting valt nog moeilijk te achterhalen, want tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het Morettekasteel samen met het kasteel Putberg* door de Duitsers in beslag genomen en op de molenromp werd een observatiepost geïnstalleerd. De bomen die het uitzicht konden hinderen, werden gekortwiekt. Dit verklaart de gevorkte stam van de bomen rond de molen. Waarschijnlijk werd er tijdens of vlak na de oorlog ook uitbundig gekapt, zoals blijkt uit een verzoekschrift van de 'Vlaamse Toeristenbond' (VTB) aan de toenmalige 'Nationale Raad voor Urbanisatie' van 4 mei 1945 (15).
Merkwaardige bomen (opname 24 oktober 2007) 1. tamme kastanje (Castanea sativa) 560 23. gewone beuk (Fagus sylvatica) 4 5 9 NOTFN (1) VERBESSELT ]., Het ontstaan en de ontwikkeling van Asse, Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1966, p. 74-87. (2) Uitgesloten volgens LINDEMANS J., Toponymie van Asse, Brussel, Standaard Boekhandel, 1952, p. 164, want hij meende ten onrechte dat in het gebied geen vijvertje voorkomr. (3) LINDEMANS J., op. cit., p. 187. (4) Gereproduceerd in OCKELEY J., Kaartboek van de abdij van Affligem 1717-1752, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2003, p. 46-47. (5) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 707. (6) Guillaume Horis (1788-1856), gehuwd met Jeanne Marie Parijs, in de Primitieve kadastrale legger 212 Asse, art. 707, vermeld als "Horis Parys". Hij woonde op het landgoed, waaruit het huidige rusthuis De Verlosser is gegroeid, Cf. VAN LIEDEKERKE M., Het rust- en verzorgingstehuis De Verlosser in Sint-Ulriks-Kapelle. Een relaas van het kasteel, het domein en zijn bewoners in de 19de en de 20ste eeuw, Dilbeek, Open Monumentendag, 2004, en DENEEF R. e.a., Historische tuinen en parken van Vlaanderen: zuidwesten van Vlaams-Brabant - het Pajottenland (MlkL Cahier nr. 11), Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2005, p. 110-114, (7) Op de topografische kaart van Ph. Vandermaelen (1845-1850) wordt de 'Ferme Morette' ook aangeduid als 'brasserie'. (8) Kadastrale opmetingsschetsen Asse 1835 nr. 8 en 1838 nr. 41. (9) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 1379. (10) Kadastrale opmetingsschets Asse 1910 nr. 93.
Een plan om in het domein grootschalige toeristische infrastructuur in de vorm van een reusachtige glazen kooi ('tropische piramide') onder te brengen en de aanvraag voor het rooien van 90 beuken, de 26 eiken van de oprijlaan en 30 berken, leidden in 1987 tot de bescherming als 'landschap' van het domein, dat ondertussen onder twee eigenaars verdeeld was. In 1990 werden de twee delen herenigd onder dezelfde eigenaar, die vanaf 1970 het boomgaardgedeelte van het Morettedomein in bezit had en rond een voormalige aanhorigheid aan de noordrand een mooie tuin had aangelegd (parterres omzoomd met wolkachtig gesnoeide buxussen). Het kasteelcomplex werd in 2007 gerestaureerd.
(11) Beschrijving in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 18-19. (12) Laatste vermelding in de oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 1379 nr. 14. (13) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 1379 nrs. 6 en 25. (14) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 3611 nr. 94. (15) In het dossier ASSE (Asse): "de boomen van het domein Putgerg" ./i¥ö (archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven).
Roger Deneef, Hilde & Jo
Kennes
Wijnant
ASSE (ASSE): KASTEEL VAM HOOGPOORT H O O C P O O R T 6, 1 7 3 0 ASSE ( p r i v é b e z i t , niet toegankelijk voor het publiek)
Het neoclassicistische kasteel van 1908 vanuit het oosten (foto Jo Wijnant, 2000)
Park in landschappelijke stijl van bijna 14 hectare met oude kern, aangelegd rond een in 1908 gebouwd neoclassicistisch kasteel en heraangelegde molenvijver, voor de helft bebost.
Broderies en blokken De oudste afbeelding van Hoogpoort op een figuratieve kaart in het kaartboek van de abdij van Affligem, opgemaakt door Joos De Deken in 1717 (1), wijkt wat de gebouwen betreft af van de bijna gelijktijdige "Kaerte Figuratieve van de goederen van 't hoffte Vrythout ende de hooge Poorte "(1718) van J.-B. Van Rossem (2). Tekent De Deken een hofstee van drie losse gebouwen rond een neerhof, dan wordt op de kaart van Van Rossem duidelijk dat het niet zomaar om een keuterboerderij gaat. Een
vierkante toren met spits tentdak en windvaan leunt aan tegen de grootste, zuidelijke vleugel - een gebouw van één bouwlaag met grote ramen en dakkapellen, ongetwijfeld een 'huis van plaisantie'. De twee andere vleugels - de woning van de pachter, de stallen en schuren - ogen veel bescheidener. Het neerhof met een centrale waterput wordt langs de westzijde afgesloten door een omheinde siertuin. Deze configuratie is nog min of meer herkenbaar op een figuratieve kaart in 1749 opgemaakt door C.J. Everaert in opdracht van de toenmalige eigenares, Barbara Leyniers, een lid van de befaamde Brusselse familie van wandtapijtwevers, nazaat van Urbain en Daniël Leyniers, maar de toren komt er niet op voor (3). Ook de 'Cense de Vrijthout' op de Ferrariskaart (1771-1775) en zelfs het gebouwencomplex dat onder de perceelnummers 327 en 328 op de Primitieve kadasterkaart van 1823 wordt afgebeeld, vertonen nog grote gelijkenis met Van Rossems kaart.
1875-1877
1891
1930
1979
Het domein Hoogpoort op de stafkaarten van
Het aanlegpatroon rond Hoogpoort onderging tussen 1718 en 1749 opmerkelijke wijzigingen. In 1718 was de aanleg beperkt tot circa 1,5 hectare in de onmiddellijke omgeving ten noorden van het hof. Meer dan de helft daarvan bestond uit boomgaard, maar tegen de westzijde van het landhuis lag een met loofwerk ('broderies') opgesmukte parterretuin van bijna een halve hectare. Dertig jaar later is op die plek nog een in bedden opgedeelde siertuin aanwezig, kleiner dan die van 1718, want meer dan de helft van de oude parterretuin werd omgezet in een boomgaard. Het oude boomgaardperceei wordt door Everaert voorgesteld als weiland met een ronde waterpartij. De aflopende helling ten noorden van het landhuis - in 1718 nog akkerland - is een groot bosplantsoen geworden, dat door een dambordpatroon van dreven in tien gelijke blokken wordt opgedeeld. Het valleitje dat de westrand van dit plantsoen vormt, herbergt een 'watertrap', een opeenvolging van drie vijvers, en onderaan de helling, aan de noordrand van het plantsoen en in het alluvium van de Waalborrebeek-IJsenbeek, liggen nog zes kleinere vijvers. Die sluiten qua vorm (rechthoek) en ligging aan bij het blokkenpatroon van het plantsoen. De voorstelling van het plantsoen suggereert een regelmatige quincunx-aanplanting; naar de boomsoort(en) heeft men te raden. Zowel de bedden van het parterretuintje als de vijvers en de blokken van het plantsoen zijn met hagen of palissaden (weergegeven met puntjes) afgezoomd. De hele compositie volgt de oriëntatie van de gebouwen en wordt als het ware afgerond door een halfronde, circa één hectare grote, met hoogstammige bomen omzoomde vijver bij de Waalborrebeek-IJsenbeek. Het blokkenplantsoen met de vijvers, dat circa 4,5 hectare beslaat, wordt door een dreef gescheiden van de ruimte met het landhuis en de parterretuin. Dit landschap vinden we in grote lijnen terug op de Ferrariskaart (17711775). De aanleg met zijn assen en regelmatige
blokken beantwoordt aan het ideaal van rationaliteit en overzichtelijkheid, dat rond 1750 hoogtij , • l i i j • \ viert en waarin nut (viskweek, houtproductie) en
I87S-I877, 1891, 1930 en 1979 v(ICM, 1882, 1894 en
I9J7; Nul, 1981)
sier elkaar in evenwicht houden. In de Primitieve kadastrale legger (1831) staat Hoogpoort, samen met 34 hectare omliggende landerijen, op naam van Joseph Leyniers (4). Als de waterput van 1718 beantwoordt aan het blauwe rondje op de grens tussen de percelen 528 en 529, dan lijkt het niet onmogelijk dat de vleugel tussen 526 en 528 overeenstemt met het oude 'huis van plaisantie', maar met zekerheid valt dit niet uit te maken. Van de omheinde tuin met de broderieparterres en van de vijvers valt niets meer te bespeuren. Hoogpoort ademt onopgesmukte landelijke eenvoud, maar het dambordpatroon van wegen in het bosplantsoen (nr. 523) wordt nog in stippellijn weergegeven. Twee percelen tuin (nrs. 525 en 526, samen ongeveer 30 are) en een hopakkertje (nr. 530) - de hopteelt was en is nog steeds belangrijk in de streek van Asse - zijn de enige tekenen van horticulturele activiteit; voor de rest: weiden en bossen. De grote vijver (perceel 536) in het dal van de Waalborrebeek-IJsenbeek noch de bijhorende watermolen waren eigendom van Leyniers. Twee van de gebouwen werden rond 1835 gesloopt (5). In 1840 verkocht de weduwe Leyniers het landgoed aan haar schoonzoon, notaris Joseph Crick.
Rustieke eenvoud De nieuwe eigenaar, die zich als één van de grootste grondeigenaars van Asse zal ontpoppen (177 hectare bij zijn overlijden in 1876), slaagde erin om ook de IJzenbeekmolen en de molenvijver (perceel 536) te verwerven. Rond 1860 liet hij het merendeel van de gebouwen van Hoogpoort afbreken (6). Er bleef slechts een gedeelte bewaard van wat (naar wij veronderstellen) het oude 'huis van plaisantie' was. Dit werd in het begin van de jaren 1890 door
1VI&L
Het domein van Hoogpoort op een verkoopsaffiche van I90S
ankerde, torenvormige travee van twee bouwlagen in de zuidwestelijke hoek. De hoekkettingen, steigergaten, muurbanden en kwarthol geprofileerde dagkanten — alle van zandsteen — verwijzen naar de oude kern. Dit wordt bevestigd door de cartouche met het jaartal 1650 of 1659 in de zuidoostelijke gevel, waar trouwens ook sporen zijn van een gedichte poort (8).
Conunuite a'Assche. Propriété u'ffoo'lJMarf-'/senheek.
(archief P. de Clippele, Asse)
Ui-u,!/«•/'''''•'••
•Jiiif.
Voroy
S E A N C E S
IDJUOIUIIOI MflKIIIVl
MATO 13 * •
"
u.* * LullMin ulllciH dr la itilr «"Ur * • imlrfc ml. I»_I Vnaifv i m H UU n ^ . b m j i j ' ^ ^ ^ ^ "n- * - Ü m W l V i ' -
• « » * - - " - — - —• •
B H
Prosper Crick vergroot (7) en ook nadien nog verbouwd en aangepast, onder meer voorzien van een bakstenen parement. De huidige constructie omvat één bouwlaag onder een leien zadeldak en een ver-
De strakke, rechthoekige molenvijver in het westelijke gedeelte van het domein Hoogpoort werd in 1908 omgevormd tot een landschappelijke vi|ver (foto J. Wijnant, 2000)
De term 'lusttuin' of'lustgrond' blijft afwezig in de kadastrale legger. O p de stafkaart van 1875 wordt een groot gedeelte van de helling naar de Ijzenbeek - het Primitieve bosperceel 523 (4,5 hectare) - nog als bos afgebeeld, volgens de kaartlegende: hakhout met enkele eilandjes van hoogstammige bomen. Bovendien werd het niet beboste gedeelte van de helling naar de molenvijver met fruitbomen beplant - een boomgaard van bijna 6 hectare die op de volgende stafkaarteditie (1891) in beeld komt. In 1891 heeft de molenvijver nog altijd zijn Primitieve, bijna rechthoekige vorm. Pas in 1894 wordt in de onmiddellijke omgeving van het landhuis door het kadaster een 'lusthof' afgebakend van 1 hectare 85 are. In 1905 wordt het domein Hoogpoort verkocht aan een zekere René Florin. De weergave van het landgoed met watermolen, molenvijver, bebost park en boomgaard op een verkoopsaffiche van 1905 sluit bijna naadloos aan bij het stafkaartbeeld van 1891. De molenvijver maakt
geen deel uit van het park. De affiche voegt echter nog enkele interessante details toe: de acht eilandjes in de molenvijver, daarbij nog twee kleine onregelmatige vijvers en twee nog bestaande heuveltjes, respectievelijk 6 en 8 m hoog.
opvolgende eigenaars (11) lieten de door Florin aangebrachte ordening grotendeels intact. Het zwembad aan de rand van het ereplein ten zuidoosten van het kasteel is van recente datum.
Merkwaardige bomen Neoclassicistisch kasteel in een park in landschappelijke stijl Florin liet 40 m ten westen van het oude landhuis het huidige neoclassicistische kasteel optrekken (9) - een beraapt en beschilderd gebouw van twee bouwlagen met sobere lijstgevels onder gecombineerde leien schilddaken. Voor de geprofileerde omlijstingen, de geblokte hoekpilasters en het parement van het souterrain werd blauwe hardsteen gebruikt. Het middenrisaliet van de zuidoostgevel met een driehoekig fronton en de erkerachtige, door driekwartzuiltjes geflankeerde ingang benadrukken het kasteelkarakter. De boomgaard tussen de vijver en het nieuwe kasteel werd opgeruimd. In de kadastrale legger verschijnt als decor voor het nieuwe kasteel een 'lusthof' van bijna 14 hectare, die zich ook op de stafkaarten aftekent. De vijver zelf kreeg landschappelijke, vloeiende contouren, een versmallende appendix langs de oostzijde (uiteraard met een brugje over de versmalling) en drie, met moerascipres (Taxodium distichum) en treurwilg (Salix alha ' Tristis') getooide eilandjes.
(opname 18 juli 2000) 3. gewone es (Fraxinus excelsior) 361 8. zomereik (Quercus robur) 3 3 4 13. gewone beuk (Fagus sylvatica) 4 8 1 15. gewone beuk (Fagus sylvatica) 4 7 5 16. gewone beuk (Fagus sylvatica) 475 33. gewone beuk (Fagus sylvatica) 455
NOTEN (1) Caerten Boeck van de goederen derAhdye vanAfflighem [...], Rijksarchief Leuven, Kerkelijk Archief Brabanr, nr. 4652a, fol. 5 gereproduceerd op p. 58-59 in OCKELEY ]., Kaarthoek van de abdij van Affligem 1717-1752, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2003. (2)
"Kaerte Figuratieve van de goederen van 't hoff te Vrythout ende de hooge Poorte competerende Sr. Plattebone Gestaen ende Geleghen onder de Vryheyt van Assche, Capelle ende Ter Nath", getekend door J.-B. Van Rossem, 12 oktober 1718 (verzameling De Clippele-Crick, Asse).
(3) Over de wandtapijtweversfamilie Leyniers zie: DELMARCEL G., Het Vlaamse wandtapijt, Tielt, Lannoo, 1999. WAUTERS A., Les tapisseries bruxelloises, Essai historique sur les tapisseries et les tapissiers de haute et de basse-lice de Bruxelles, Bruxelles, veuve J.
Het bos van 4,5 hectare ten noorden van het kasteel bleef grotendeels behouden; de naar het kasteel gekeerde zuidrand kreeg wat golving en de rechte wegen maakten plaats voor een net van slingerpaden. Diverse beuken (Fagus sylvatica) met stamomtrekken van meer dan 4,5 m in dit gedeelte herinneren nog aan het vroeg-19de-eeuwse bos. Bosbingelkruid (Mercurialis perenne), daslook (Allium ursinum) en boswederik (Lysimachia nemorum), veelal beschouwd als indicatoren van 'oud bos' (10), komen hier veelvuldig voor. De 'vista' tussen de vijver en het nieuwe kasteel werd aan de zuidzijde door een smalle strook van hoogstammig groen afgezoomd. O p het 8 m hoge heuveltje langs deze vista heeft mogelijk ooit een paviljoen gestaan. De aanplantingen die in het kader van deze heraanleg werden uitgevoerd, bleven beperkt tot courante soorten: beuk, soms bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, gewone plataan (Platanus x hispanica), zilverlinde (Tilia tomentosa), rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x carnea) en een enkele gleditsia (Gleditsia triacanthos).
Florin overleed in 1909, toen de bouw- en aanlegwerken nauwelijks voltooid waren. De snel elkaar
Baertsoen, 1878 (herdruk Editions Culture et Civilisation 1973). (4) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 503 nrs. 51-60, 64 en 71-72. (5) Kadastrale opmetingsschets Asse 1835 nr. 42. (6) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 1047 nrs. 39-49, 245248, 262-263, 287-292 en 297-298. Kadastrale opmetingsschets Asse 1862 nr. 11. (7) Kadastrale opmetingsschets Asse 1894 nr. 70. (8) KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 34-35. (9) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 4890. Kadastrale opmetingsschets Asse 1909 nr. 1. Beschreven in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., op. cit., p. 34. (10) TACKG. e.a.. Bossen in Vlaanderen, Leuven, Davidsfonds, 1993, p. 267. (11) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 4460 (wisselagent Jean De Lantsheere) en oude kadastrale legger 212A Asse, art. 5687 (Jan Van de Putte, rechter Joseph Van den Berghe).
Roger Deneef, Haegen
Henry
& Jo
van
der
Wijnant
ASSE (ASSE): KASTEEL VAM DE PUTBERG PUTBERG 8 1 , 1730 ASSE {privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
Het kasteel van de Putberg en het koetshuis vanuit het zuidwesten
(foto R. Oeneef, 2004)
Park in landschappelijke stijl, oorspronkelijk 1 hectare 90 are (exclusief de ommuurde moestuin), aan de rand van een oude steengroeve en bij een eclectisch kasteel van 1878; rond 1910 uitgebreid tot circa 7 hectare en verrijkt met een landschappelijke vijver. In 1878 liet Leon De Coster, later katholiek volksvertegenwoordiger en van 1895 tot 1921 burgemeester van Asse, een kasteelvilla bouwen op een stuk bouwland aan de zuidrand van de Putberg (1), een complex van oude steengroeven, waaruit tijdens de middeleeuwen Lediaanse zandsteen werd ontgonnen. Het gaat om een vrij imposant, bakstenen gebouw met een bijna vierkante plattegrond,
,*#*t\
twee bouwlagen en een souterrain onder een mansardedak, horizontaal geaccentueerd door arduinen muurbanden en speklagen in de witte steen, die ook gebruikt werd voor de omlijstingen van de steekboogvensters. De erkerachtige uitbouw op de verdieping werd in 1946 toegevoegd (2). Het kasteelaspect wordt geëvoceerd door het ronde torentje met een klokdak, lantaarn en kegelspits tegen de noordgevel en vooral door het torenachtige volume van drie bouwlagen in de zuidoosthoek. Deze 'toren' wordt bekroond met een terras, dat tot 1992 met een smeedijzeren balustrade omringd was (3) en een weids uitzicht bood over het omringende landschap — de vrij abrupte, sterk ingesneden zuidrand van de zogenaamde cuesta van Asse en de vallei van de Bellebeek. Het kasteel is toegankelijk via een bordestrap en een overluifeld terras aan de oostzijde. Het had een voor die tijd technisch
hoogstandje: centrale verwarming op steenkool, die de zalen en trappenhuizen in het midden van het gebouw en zelfs de ruimte tussen het dak en de plafonds van de zolderkamers met warme lucht vulde; deze installatie bestaat nog maar is niet meer in werking. Het koetshuisje - rustiek met gefiguurzaagde houten windborden - omvat stallingsruimte voor één koets en een zijvleugeltje met de paardenstallen. Enkele jaren later werd er een kleine woning voor de huisbewaarder-tuinier tegenaan gebouwd. Het koetshuiscomplex vormt samen met het kasteel een soort van ere-erf aan het uiteinde van een 60 m lange, afbuigende oprijlaan. De toegang tot het domein aan de Putbergstraat wordt gevormd door een fraai, smeedijzeren lanspuntenhek tussen geblokte pijlers. Het kasteel van De Coster wordt al weergegeven als "maison de campagne" op de stafkaart van 1879 samen met de 'lusttuin' in landschappelijke stijl, die zich op de hellingen ten zuiden ervan uitstrekte en volgens de kadastrale opgave aanvankelijk 1 hectare 90 are besloeg. De stafkaart toont twee, elkaar grotendeels overlappende lussen, die tot de valleibodem van de Broekebeek reiken. De solitaire bomen De Borchstadt
1930 en 1979 en
(rechtsboven) en de
De Bergen (rechts)
bsteeldomemen van
in 1930 en 1979
de Putberg (links)
(ICM, 1882, 1894 en
in 1879,1891,
1937; NGI, 1981)
M
Het kasteel van de Putberg omkaderd door bruine beuken en, links, een tamme kastanje met zilverwit gerand blad; op de voorgrond de stronk van een in 2006 gestorven bruine beuk (foto R. Deneef, 2007)
IVI&L
en boomgroepjes, die de oorspronkelijke beplanting vormden, zijn nog talrijk aanwezig: bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J met soms verbazende stamomtrekken — tot meer dan 5 m —, platanen (Platanus x hispanica), witte en rode paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum, A. x carnea), zomereik (Quercus robur), tamme kastanje (Castanea sativa) en — erg zeldzaam en kampioenboom voor België — de zilverwit gerande cultivar van tamme kastanje (Castanea sativa 'Argenteovariegata'j. Het architecturale reliëf is beperkt tot het heuveltje met een groep van acht bruine beuken halverwege de helling, mogelijk opgeworpen met aarde afkomstig van een poel aan de voet van de helling. Het gebied ten noordwesten van het kasteel, een complex van tot 15 m hoge heuveltjes, deel van de oude steenwinning, wordt door de stafkaart als bosplantsoen weergegeven en is op dat ogenblik nog niet in de aanleg geïntegreerd. Ten westen van het park, op circa 150 m van het kasteel, bevindt zich een ommuurde moestuin van bijna een halve hectare met serres en een kippenren; één van de muren is recentelijk ingestort.
In 1904 ruilde De Coster Putberg tegen het domein Vijverbeek*, dat toen pas was aangekocht door burggraaf Théophile de Lantsheere, ooit minister van Justitie en pas benoemd tot gouverneur van de Nationale Bank (4). De Coster zou als devoot katholiek, die in het kasteel van de Putberg zelfs een kapel had laten inrichten, dichter bij de kerk hebben willen wonen (en als burgemeester wellicht ook dichter bij het gemeentehuis). De Lantsheere breidde het park in westelijke richting uit, voorbij de moestuin, en integreerde ook het steengroevegedeelte. In de kadastrale legger wordt een perceel lusttuin van bijna 5,5 hectare geregistreerd en aansluitend hierbij, aan de overzijde van de Kleine Wijtsbeek, nog een lusttuinperceel van 1,5 hectare (5). De stafkaart van 1930 toont het resultaat van deze uitbreiding, met als voornaamste element de grote landschappelijke vijver met een boothuisje en een eilandje nabij de Asbeekstraat, aan de westgrens van het domein, buiten het zicht van het kasteel. De vijver werd omringd met een gevarieerde beplanting: groene en bruine beuken, Amerikaanse eiken (Quercus rubra), moeraseiken (Quercus palustris), zilveresdoorns met ingesneden blad (Acer saccharinum 'Laciniatum'j, bontbladige cultivar van gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV, vederesdoorn (Acer negundo), Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV. Califomische schijncipressen (Chamaecyparis lawsoniana), moerascipres (Taxodium distichum), libanonceder (Cedrus libani), douglasspar (Pseudotsuga menziesii), taxus met geel jong blad (Taxus baccata Aurea'J...
Théophile de Lantsheere stierfin 1918 en werd als eigenaar opgevolgd door zijn jongste zoon Auguste, die zich weinig aan het Putbergdomein gelegen liet en het enkele jaren later verkocht aan de naamloze vennootschap 'Immobilière' (6). Auguste de Lantsheere, gouverneur van de Société Générale en burgemeester van Meldert (Hoegaarden), woonde sinds 1905 in het kasteel van Meldert, dat hij huurde van de familie d'Oultremont. Hij was het die in 1910 aan de bekende stedenbouwkundige en tuinarchitect Louis Van der Swaelmen de opdracht gaf om het kasteel van Meldert te omringen met een 'straklijnig' kader en aldus mee aan de basis lag van één van de eerste, naar het modernisme zwemende tuinen van Europa (7). Onder het eigenaarschap van de 'Immobilière' — waarachter een zekere De Ruyter schuilging — werd het domein intensief onderhouden. In de moestuin werkten voltijds drie hoveniers en om de vier jaar werd de vijver geleegd en schoongemaakt (8). De Immobilière-periode eindigde nochtans in mineur. In de herfst van 1940
Heuvel!|ei en kuilen, het domein van
Het beuveltje met
De 'nieuwe vijver'
Wereldoorlog
Boothuisje aan de
deel van de oude
de Putberg
bruine beuken
op een ansichtkaart
(collectie H. van der
'nieuwe vijver'
steengroeven, in bet
(foto R. Deneef,
halfweg de helling
van vóór de Eerste
Haegen, Asse)
(foto R. Deneef,
beboste noordweste-
2004)
(foto R. Deneef,
lijkc gedeelte van
2007)
2004)
achtte de voorzitter van de 'Vlaamsche Toeristenbond' (VTB), milieuactivist avant-la-lettre, het nodig om de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te attenderen op de dreigende kaaikap van een beukenbos in het domein van de Putberg (9), ongetwijfeld het bosplantsoen op het steengroevegedeelte. De Commissie antwoordde dat de kapping om economische redenen gerechtvaardigd was " met het oog op de bevoorrading der koolmijnen en 's lands herstel', te meer omdat de aanvoer van buitenlands hout was stopgezet. In 1941 werd Putberg verkocht aan de maatschappij 'Auxiliaire du Commerce et de L'Industrie' uit Aalst, die de vermelde kapping uitvoerde en het domein in 1943 doorverkocht aan Eugène Van der Haegen, wiens familie het nog steeds in bezit heeft. Van der Haegen, de eerste naoorlogse burgemeester van Asse, liet het kasteel - dat door het verblijf van Duitse, Engelse en Canadese soldaten ernstige schade had opgelopen - volledig restaureren en renoveren, legde ten oosten ervan een tennisveld aan en liet het gerooide steengroevegedeelte herbeplanten met beuken (aanvankelijk met berken en fijnsparren ertussen om de vorming van rechte opgaande stammen te bevorderen). Vanaf 1992 werd het domein opnieuw grondig onder handen genomen. De sterk verlande vijvers werden opnieuw uitgegraven en de oevers met azobé verstevigd. De moestuin werd een boomgaard met allerlei fruibomen (appel, peer, kweepeer, pruim, kers, notelaar, abrikoos, witte perzik, mirabel, vijg) en frambozen en verspreid over het domein werden talrijke bomen aangeplant, onder meer ginkgo (Ginkgo biloba), Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), mammoetboom (Sequoiadendron giganteum).
Merkwaardige bomen (opname 14 juli 2004) 10. bruine beuk (Fagus syivatica Atropunicea'j 453 13. bruine beuk (Fagus syivatica AtropuniceaV 508 14. tamme kastanje met zilverwit blad (Castanea sativa ArgenteovariegataV 279 19. bruine beuk (Fagus syivatica AtropuniceaV 4 7 7 - gestorven en geveld in 2007 29. tamme kastanje (Castanea sativa) A0\ 31. eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) 196 (140) 35. libanonceder (Cedrus libani) 289 NOTEN (l) Kadastrale opmetingsschets Asse 1879 nr. 22. Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 3120 nrs. 14, 20-22 en 25-28. In 1882 gebouwd volgens DE GRAVE D., Geschiedenis der gemeente Assche, Gent, drukkerij I. Vanderpoorten, 1900, p. 534. (2) Zie beschrijving in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 128.
(3) In 1992 werd de door temperatuurschommelingen vervormde balustrade gedemonteerd en in het koetshuis opgeslagen in afwachting van een restaurarie.
(4) LINDEMANS J., Het geslacht de Lamsheere, p. 1-8 in Eigen Schoon 4(1), 1914. Zie ook de oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 4115 nrs. 108-112 en 115-116. (5) Kadastrale opmetingsschets Asse 1923-1924 nr. 55. (6) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 5413 nrs. 13-21 (A. de Lantsheere) en oudste kadastrale legger 212A Asse, art. 6245 (n.v. Immobilière).
(7) DENEEF R. e.a., Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw (M&L Cahier 16), Brussel Onroerend Erfgoed, 2008, p. 72-87.
(8) Mondelinge mededeling van mevrouw Gillon, dochrer van De Ruytcr, opgetekend door H. van der Haegen. (9) Brief van 25 oktober 1940 in het dossier ASSE (Asse): "de boomen van het domein Putgerg" 1940 (archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven).
M&L
Roger Deneef, Jo & Peter
Wijnant
Soens
ASSE (ASSE): KASTEEL DE BERGEM PUTBERG 6 9 EN 7 1 , 1 7 3 0 ASSE ( p r i v é b e z i t , niet t o e g a n k e l i j k v o o r h e t p u b l i e k )
Het kasteel De Bergen vanuit het zuiden, over het dal van de Broekebeek heen (foto H. Kennes, 2003)
pr
•H Al ••-•
^^^^^^p^^»*^^
NP % k
^ ' •'"• **'•#. 't^m
mWmhiimitii
n
Park in landschappelijke stijl, oorspronkelijk bijna 10 hectare, aangelegd rond een eclectisch kasteel van 1910; opgesplitst in 1929; in de jaren 1990 heraangelegd en verrijkt met een landschappelijke vijver. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog liet de Brusselse wisselagent Léon Vin op een stuk bouwland van bijna 10 hectare in de omgeving van de Putberg een monumentaal landhuis optrekken - voor de inspecteur van het kadaster imposant genoeg om als 'kasteel' te worden geregistreerd. Het werd ontworpen door architect Alfred Knein uit Etterbeek in een op het Franse classicisme geïnspireerde stijl: een bakstenen gebouw van twee hoge bouwlagen en een souterrain, dat doorloopt onder de terrassen langs de zuid- en westzijden. Het kasteel heeft een hoog mansardedak en er werd royaal gebruikgemaakt van vaalwitte natuursteen voor de
Itaitr
^
hoekpilasters, de geprofileerde venstet- en deuromlijstingen, de sierpaneeltjes tussen de vensters, de muurvakken tussen de op de terrassen uitgevende deurvensters (1). O p de oostrand van het perceel, parallel aan de straat, was al in 1910 een dienstgebouw verschenen, dat volgens het kadaster in 1914 werd uitgebreid met een dwarsvleugel, die onder meer een 'automobielbergplaats' bevatte (te herkennen aan de rondboogpoorten), en aangebouwde serres. Dit complex ontsproot vermoedelijk ook aan het brein van Alfred Knein, die hier uit een traditionalistisch vaatje tapte: een langgerekt, geleed volume met trapgevels, de naar het kasteel gekeerde kopgevel als een bijna monumentale klokgevel met een 'oeil-de-boeuf' (2). Van nutstuinen (moestuin, boomgaard) was volgens de kadastrale legger geen sprake. Het niet bebouwde gedeelte van de eigendom, dat achter het kasteel naar de dalbodem van de Broekbeek (het
Het landgoed
Borchstadtbroek) afhelt, werd door het kadaster als 'lusttuin' (9 hectare 73 are) omschreven, maar op de stafkaart van 1930 wordt de zuidelijke helft ervan als bebost weergegeven en het net van parkwegen met de op- en afritten zou volgens die kaart tot de noordelijke helft rond het kasteel beperkt gebleven zijn. De aanwezigheid in het zuidelijke gedeelte van Amerikaanse eiken (Quercus rubra), platanen (Platanus x hispanica), witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) en bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV met stamomtrekken van meer dan 3 m, duidt er echter op dat het niet om een productiebos ging. De open ruimte rond het kasteel liep vermoedelijk van meet af aan versmallend door in het beboste zuidelijke gedeelte, zoals het op de latere stafkaarten wordt aangegeven. In het noordelijke gedeelte - de omgeving van het kasteel — is nog een groot deel van de oorspronkelijke beplanting aanwezig, onder meer opmerkelijk dikke bruine beuken, Amerikaanse en moeraseiken (Quercus rubra, Q. palustris), zilveresdoorns met ingesneden blad (Acer saccharinum 'Laciniatum'J, haagbeuken (Carpinus betulus), gewone esdoorns (Acer pseudoplatanus), Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra), een mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), oude struiken schijnhulst (Osmanthus heterophyllus) en harde Genste azalea's (Azalea pontica hybriden^ - meestal in 'clumps'. Zeldzaam is een ruwe iep met opgaande twijgen (Ulmus glabra 'Exoniensis'j en vrijwel uniek de zwaar vertakte en geknotte treurhazelaar (Corylus avellana 'PendulaV ten zuidwesten van het kasteel. De her en der overvloedige opslag van ruwe iep (Ulmus glabra) is vermoedelijk een relict van opgaande bomen die in de loop van de jaren door de iepenziekte werden geveld. De in kring opgestelde taxussen op een heuveltje langs de straat ten noorden van het kasteel laten een verdwenen prieel of
...
i
T
T
/
j
i
öe Bergen in 1930,
paviljoen v e r m o e d e n . H e t trace v a n d e o o r s p r o n k e lijke p a r k w e g e n - in h e t z u i d w e s t e n o p g e h o o g d - is
° . (ICM, 1937; MGI,
nog grotendeels aanwezig.
1'^; NGI, 1981)
Bij h e t u i t b r e k e n van d e Eerste W e r e l d o o r l o g s t o n d h e t kasteel juist o n d e r dak; v a n e n i g e binnenafw e r k i n g was n o g geen s p r a k e . L é o n V i n verbleef in de a a n h o r i g h e i d die, zoals blijkt u i t diverse ans i c h t k a a r t e n , uiterst z o r g v u l d i g was afgewerkt. D e vleugel m e t d e m o n u m e n t a l e klokgevel h e r b e r g d e
het residentiële gedeelte met de onvangstruimten, en was ingekleed met luifels en zonnetenten en omringd door representatief groen in de vorm van onder meer rozenbogen, palmbomen en een grote 'corbeille' met rozen, afgezoomd door 'platebandes' met inlegplanten. Door de oorlogsomstan-
j.
kastee|
d i g h e d e n en d e e n o r m e financiële verliezen (ten
De Bergen in zijn
gevolge v a n d e Russische r e v o l u t i e v a n 1 9 1 7 ) bleef
f"6"" omkadering (foto R. Deneef, 2004)
IVI&L
Lagae breidde zijn deel uit in oostelijke richting door de aankoop van een aanpalend perceel landbouwgrond van 4,5 hectare, dat - voortgaande op de stafkaart van 1953 - volledig met fruitbomen werd beplant. Bij de Duitse inval in mei 1940 werd het hele landgoed 'De Bergen' door de Duitsers opgeëist. In 1944 verkocht Lagae het deel met de aanhorigheid op zijn beurt aan de vennootschap 'Immobilière Steynhoeve' (5), die nog steeds eigenaar is.
De aanhorlghcld van op het dak van het kasteel De Bergen, vóór 1929, want het park is nog niet opgesplitst (collectie P. Soens, Asse)
Sculpturale treurhazelaar bij het
M&L
het kasteel in ruwbouw. In 1923 verkocht Léon Vin het onvoltooide kasteel met de bijgebouwen en het omgevende landgoed aan kunstschilder Paul Artót (3). Artót had van 1902 tot 1914 les gegeven aan de 'Glasgow School of Art' en dat is ook een beetje af te lezen in de uiteindelijke afwerking en aankleding van de aanhorigheid, vooral aan de oostzijde (de garagekant) waar het cottageaspect doorschemert. Maar ook Artót zou niet lang van 'De Bergen' genieten. Al in 1929 splitste hij het landgoed op in twee delen (4). Het kasteel met het grootste gedeelte van de lusttuin (7 hectare 73 are, circa drie vierde van het oorspronkelijke landgoed, verkocht hij aan wisselagent Jean Bernaerts, de bijgebouwen met het oostelijke gedeelte van het goed (2 hectare) aan de Brusselse verffabrikant Pierre Lagae.
In de jaren 1990 werd het park rond het kasteel in opdracht van de huidige eigenaars (de opvolgers van Bernaerts) heraangelegd door landschapsarchitect Benoit Fondu, die een moestuin en halverwege de helling een spoelvormige landschappelijke vijver toevoegde. Jacques Wirtz gaf met taxushagen en 'mixed borders' een nieuwe omkadering aan het kasteel. Het park werd met talrijke, minder courante bomen en struiken verrijkt, onder meer vaantjesboom (Davidia involucrata var. vilmoriniana), kaki (Diospyros kaki), smalbladige es (Fraxinus angustifolia), Lavalléemeidoorn (Crataegus x lavallei), papierschorsesdoorn (Acer griseum), Shantungesdoorn (Acer mono). O p het 'Steynhoeve'-eigendom hadden de fruitbomen al in de jaren 1970 de plaats geruimd voor een landschappelijke beplanting met verspreide bomengroepjes. In 1997 en 2002 werd het sieraspect nog geaccentueerd. De met taxus of haagbeuk
De in de jaren 1990 aangelegde vijver ten zuiden
kasteel De Bergen
van het kasteel
(foto R Deneef,
(foto R. Deneef,
2004)
2004)
Lindelaantje tussen
&&Ï*
hagen, ontworpen door J.Wirtz (foto R. Oeneef, 2004)
•
•
•
'
-
*
S>r-
^^
*
^ M ' * f'ffi *#•*•«. »i»-
.Tl
..^ • «•'
i
omhaagde parterres, lindedreef en groene kamers
NOTFN
(onder meer de ronde parking) in het voormalige
(1) Beschreven in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M., Bouwen
eigendom Lagae werden eveneens door Wirtz ontworpen.
door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 126-127.
Merkwaardige bomen
(2) Oudste kadastrale legger 212 Asse, art. 3263 nrs. 4 en 7-14;
(opname 14 juli 2004)
art. 6124. De kadastrale opmeringsschets van het kasteel zelf ontbreekt. De aanhorigheid wordt geregistreerd in de kadastrale
11.
moseik (Quercus cerris) 2 7 6
15.
ruwe iep met opgaande twijgen
19.
treurvorm van gewone hazelaar (Corylus avel-
schappij 'Steynhoeve' d.d. 25 januari 1944 worden de vorige
W P e n d u l a V 144(100)
eigenaars en verkoopdata vermeld.
(Ulmusgla-
bra 'ExoniensisV 145
106. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 454
opmetingsschets Asse 1912 nr. 45, de uitbreiding ervan in 1914 nr. 38. In de aankoopakte van De Bergen door de vastgoedmaat-
(3) Oude kadastrale legger 212A Asse, art. 6124. Over Paul Artot (1875-1958) - soms geschreven als Arrot - zie; POURIER P., Notice Biographique sur Paul Artót (Peintre) membre de TAcadémie Royale de Belgique, Annuaire de lAcadémie Royale de Belgique, CXX1X, 1963. (4) Kadastrale opmetingsschets Asse 1929, 2de semester, nr. 37. (5) Eigendom van Pierre Soens.
M&L
Roger Deneef, Clippele
Thierry
de
& Jo Wij nan t
ASSE (ASSE): BORCHSTAD PUTBERG 80, 1 730 ASSE (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
De villa van Marcel de Clippele (foto R. Deneef, 2007)
Aanleg in landschappelijke stijl van circa 2 hectare naar ontwerp van L.j. Breydel rond een neotraditionele villa van 1935.
Borchstad, één van de belangrijkste archeologische sites van Asse, in de volksmond 'Romeins kamp' genoemd, is een heuvelplateau op 72 m hoogte ten westen van het centrum van Asse, waarop ook het landgoed De Bergen* ligt. De site wordt al in 1314 vermeld onder de naam ' O r t u m Caesaris' en heel de 19de eeuw lang wordt er druk gespeculeerd over de vraag of Borchstad een Romeins legerkamp is misschien wel het winterkamp van Quintus Tullius Cicero uit de Commentarii de bello Gallico - of een latere nederzetting. Opgravingen in 1964 en 1971 wezen uit dat het gaat om een 'oppidum' van het type éperon harre, een hoefijzervormige, versterkte
nederzetting op een uitloper van een plateau, van het plateau gescheiden door een gracht en een wal. Gezien de oppervlakte - 42 hectare, 13 hectare binnen de binnenwal - gaat het om de grootste nederzetting van dit type in België. Ceramiekfragmenten laten een brede datering toe: Ijzertijd, meer bepaald La Tène I (450-250 BC) en zelfs misschien teruggaand tot de Hallstatperiode (700-450 BC). Het is niet uitgesloten dat de site ook bewoond was in de Gallo-Romeinse periode. Onder de aardewerklaag werd ook een silexlaag aangetroffen, die aantoont dat er al menselijke aanwezigheid was van in het neolithicum (1). De huidige Putbergstraat snijdt de Borchstad doormidden van west naar oost. O p de zuidelijke helft werd in 1914 het landgoed De Bergen* aangelegd. In 1935 liet bankier Marcel de Clippele aan de
overzijde van de straat een neotraditioneel landhuis optrekken naar ontwerp van Charles Van der Beken: bak- en zandsteenbouw onder leien zadel- en schilddaken, met trapgevels en - in imitatie van witte zandsteen - kruis- en kloosterkozijnen, negblokken en hoekkettingen (2). Tuin- en landschaparchitect Louis-Julien Breydel, die in 1915 het stadspark van Aalst ontwierp (3), zorgde voor de omkadering: een aanleg in landschappelijke stijl van circa 2 hectare met het huis in het middelpunt. Het oorspronkelijke beplantingspatroon kan als volgt worden samengevat. De oprijlaan begint met een schuine insteek in het talud langs de Putbergstraat, buigt vervolgens naar rechts en loopt, geflankeerd door tamme kastanjes (Castanea sativa), rode paardenkastanjes (Aesculus x carnea) en zomerlinden (Tilia platyphyllos), vanuit het zuiden recht op het landhuis toe. Aan de noordzijde van het gebouw is er nog een min of meer lineaire aanplanting, ditmaal met Amerikaanse eik (Quercus rubra), zomerlinde, Noorse esdoorn met bruinrood blad (Acerplatanoides 'Schwedleri'J en tranenden (Pinus wallichiana) en ten westen een zesstammige sawaraschijncipres met stijf vertakte twijgen (Chamaecyparis pisifera 'Squarrosa'J. De rest van de beplanting vormt een gordel van bomen - zilverlinde (Tilia tomentosa), bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV, tulpenboom (Liriodendron tulipifera), sawaraschijncipres met pluimvormig vertakte twijgen (Chamaecyparispisifera 'PlumosaV, een liggende gele trompetboom (Catalpa ovata); struikmassieven van gele kornoelje (Cornus mas), duivelswandelstok (Aralia elata), Japanse hulst met geelgevlekt blad (Ilex crenata AureovariegataV. Ten westen van het park, achter het garagegebouw en een nu verdwenen serre, lag de moestuin.
De Borchstad, winterkamp van
ging gepaard met de aanleg van een door gleditsia's (Gleditsia triacanthos 'InermisV overschaduwd kanaal met stapstenen naar ontwerp van tuinarchitect Frederick Charlier.
D. DE GRAVE, Gesdiiedenis der gemeente Assche,
1900
NOTFN (1)
DE CLIPPELE Th., Borgstad, een oppidium uit de Ijzertijd? Feniks 1, Jaarboek van de archeologische verenigingAgiks
Na de Tweede Wereldoorlog werd een orchideeënkwekerij opgestart. Daartoe werd op een stuk bouwland ten oosten van het park een grote verwarmde serre opgetrokken. Na de eerste petroleumcrisis in 1973 waren de energiekosten in die mate gestegen dat het bedrijf niet meer rendabel was. Verscholen in het kreupelhout herinnert de ruïne van de serre aan deze episode. De recente aanbouw van een tweede wooneenheid aan de oostzijde van het huis
Cicero volgens
v.z.w.,
2006, p. 7-13. (2)
Kadastrale opmetingsschets Asse 1936 nr. 52. Oude kadastrale legger 212A Asse, art. 6795. Beschreven in KENNES H. m.m.v. VAN DAMME M , Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 127.
(3)
VAN DEN BREMT P., In de marge van de stad: geschiedenis en ecologie van het Osbroek te Aalst. Monumenten & Landschappen 8(6), 1989, p. 25-40.
TVI&L
Roger Deneef, Raymond Delvaux (1) & Jo Wijnant
ASSE (ASSE): LAMDHU1S HUSEGHEM KASTEEL VAN WALEERGEM W O L F R O T 2 2 / 1 , 1 7 3 0 ASSE (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
Hel landhuis Huseghem en de resterende arm van de gracht rond de voormalige eilandtuin, aangelegd als landschappelijke vi)ver in de jaren I860 (foto R. Deneef, 2007)
Landgoed
van circa 15 hectare
van plaisantie'
van omstreeks
een gedeeltelijk een oranjerie geometrisch
ommuurde en oorspronkelijk
aangelegde
39 are, in de jaren geïntegreerd
1710,
ook een
1860 omgevormd
in een park in
niet helemaal
heeft
met
moestuin,
eilandtuin
lijke stijl van bijna 6 hectare, structuur
rond 'huis
van en
landschappedat de oude uitgewist.
Arnoult, Joos, Steven en Jacques t'Kint, van pachthoeve tot 'speelhuys' De voorloper van het huidige landhuis Huseghem, alias kasteel van Walfergem, ook wel kasteel Del-
vaux genoemd, is het hof te Huseghem, dat vanaf de 15de eeuw in diverse administratieve stukken wordt vermeld. In 1654 werd Huseghem - in de akte omschreven als "pachthojfmetten huijse schuere stallingen ende andere edificien daerop staende rontsomme in sijne grachten" — verkocht aan landmeter Arnoult t'Kint, die het twee jaar later afstond aan zijn zoon Joos. In 1661 duikt een eerste plattegrond op - twee schetsmatig afgebeelde gebouwen en genummerde percelen, die naar een beschrijving verwijzen (2). Arnoults kleinzoon Steven, lakenwever, schepen van de Brusselse 'caemer van commercie' en burgemeester van Brussel, kreeg het goed toegewezen in 1699, breidde het uit door diverse aankopen en reserveerde een gedeelte voor zichzelf en zijn familie als buitenverblijf ('speel-
Het hof te Huseghem met eilandtum
ï
L
'H .*
op een plattegrond door Joos De Deken, 1735 (archief R. Delvaux, Asse)
Het hof te Huseghem op de Ferraris-
goed'). Het 'speelhuys' dat bij dit gedeelte hoorde - een bakstenen dubbelhuis van vijf traveeën en twee bouwlagen op een plint van witte Balegemse zandsteen en onder een schilddak - werd rond 1710 gebouwd. De vier gevelstenen onder de kroonlijst, die het jaartal 1729 vormen, verwijzen naar de omvorming van de middentravee tot een centraal ingangsrisaliet. Vermoedelijk werden toen ook de oorspronkelijke zandstenen kruiskozijnen en de bijbehorende ontlastingsboogjes vervangen door de huidige hardstenen omlijstingen (3). In de middentravee werd een kapel ingericht. Deze verbouwing werd uitgevoerd door Jacques t'Kint, zoon van Steven. Een plattegrond opgemaakt door landmeter Joos De Deken in 1735 geeft een vrij gedetailleerd beeld van de site. Het landhuis stond dwars ten opzichte van de oude hoevegebouwen en evenwijdig met de straat. In de vierkante aanbouw tegen de noordgevel waren de dienstvertrekken (keuken, wasplaats, bergruimte) ondergebracht. Het vierkante gebouwtje tussen de aanbouw en de ringgracht was een paviljoen, tevens boothuisje. De hoofdtoegang tot het landgoed werd gevormd door een brug over de zuidoostelijke arm van de ringgracht en een 5 m brede laan die loodrecht op het landhuis toeliep. De brugconstructie was gecombineerd met een ijskelder, zodat het water van de kwelrijke ringgracht ook als koelelement fungeerde. Parallel met de oprit stond de dienstvleugel die — van noord naar zuid - het koetshuis, de paardenstal, een schuur en de hovenierswoning omvatte. Een tweede ingang werd gevormd door de poorttoren, die de noordwestelijke grachtarm overbrugde en ook een duiventil omvatte. Het langgerekte gebouwtje tegen
kaart, 1771-1775
de westelijke grachtarm was een hondenren met bergruimte voor klein gerief. De site van het landhuis valt samen met de dalbodem van de Bollebeekvliet, dat het brongebied is van de Grote Molenbeek, één van de belangrijkste waterlopen tussen Dender en Zenne - natte leembodems die alleen door intensieve drainage aanvaardbaar weiland kunnen opleveren (4). Zoals niet ongebruikelijk in moerassige sites, werd een eilandtuin aangelegd: een vierkant eiland met een padenkruis en vier parterres die mogelijk met loofwerk ('broderies) waren versierd. Het bekken met de opspuitende fontein op het kruispunt van de paden werd gevoed met bronwater vanuit een zestal gemetselde, circa 4 m diepe waterputten in de boomgaard ten westen van het landhuis. De lijnen op het plan geven het tracé van de gemetselde goten aan, waarlangs het water naar de fontein werd geleid. In de kelder van het landhuis werd
1V1&L
. jd^^^H^M
^L jjfl "^
"-**** ' *'
l ^ •"
,| „a.
II E
ï tJ&xét***- s* ózu^s/tvt * tta^tyu—^y* wtó^ Het kasteel van Walfergem vanuit het noorden op een foto van 1887 (archief R. Delvaux, Asse) Het kasteel van Walfergcm, alias hof te Huseghem, de eilandtuin nog met padenkruis, op de Primitieve kadasterkaart door Bastendorff, 1823 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
Het kasteel van Walfergem ten tijde van JacquesDomimque t'Rint op een plan van Judocus (|oos) De Deken van 1822 (archief R. Delvaux,
toe)
M&L
en passant een gedeelte van dit water afgetapt en in een reservoir opgeslagen. Dit water kon naar de benedenverdieping worden opgepompt. Voor het regenwater, dat eveneens in een vergaarbak in de kelder werd opgevangen, was er nog een tweede pomp die het water opstuwde naar een reservoir op de zolderverdieping, van waaruit het via een net van leidingen met kraantjes over de lagergelegen verdiepingen werd verdeeld. Een ingenieuze combinatie van 'nut en sier', voor die tijd een niet alledaags comfort. Op afzonderlijke compartimenten in het voorste gedeelte van de eilandtuin heeft De Deken niet helemaal symmetrisch ten opzichte van het padenkruis twee gebouwtjes afgebeeld - paviljoentjes die mogelijk gebouwd zijn op de fundering van de oude hoevegebouwen. De huisvijver, een bijna-rechthoek van 120 bij 70 m, omsloot via daarvan aftakkende
ringgrachten de eilandtuin én het eiland met de gebouwen. De zuidwestelijke grachtarm liep schuin ten opzichte van de dwarsas van de aanleg en gaf het eiland rond het landhuis de vorm van een trapezium. Het siergedeelte van het goed eindigde met een dijk, die tevens de oostelijke oever van de huisvijver was. Stroomafwaarts en lager dan de huisvijver lag een tweede vijver, kleiner (31 are) en trapeziumvormig. De oevers van de vijvers waren met dubbele rijen bomen afgeboord.
Josse-Laurent en Jacques t'Kint, tussen Verlichting en bankroet In 1765 kocht Jacques t'Kint, zoon van de gelijknamige, het landgoed van zijn oudere broer JosseLaurent die het zeven jaar voordien geërfd had, maar er weinig interesse voor had omdat hij de voorkeur gaf aan het speelgoed Inkendaal te Vlezenbeek (5) van zijn schoonouders. Uit een inventaris van 1774 kan worden opgemaakt dat Jacques grote belangstelling had voor alles wat met tuin- en landbouw te maken had. Dit blijkt uit de titels in zijn bibliotheek — één van de heruitgaven van de "De verstandigen hovenier" (oorspronkelijk 1661) en "L'agriculture et maison rustique" (oorspronkelijk 1564), "La theorie et la pratique du jardinage" van Dezallier d'Argenville (1709)... Als welgesteld wijnhandelaar beschikte hij ook over de middelen om zijn tuin volgens de regels van de kunst in te richten en te versieren. Oranjebomen, laurierstruiken en oleanders (opgesomd in de inventaris) versierden de parterres en vonden tijdens de wintermaanden onderdak in een oranjerie en drie serres. De voornoemde inventaris vermeldt een twintigtal beelden en vazen op voet en een piëdestal met een zonnewijzer die in de 'serrehoff' stond opgesteld.
Er wordt ook gewag gemaakt van latwerkconstructies, wellicht in de vorm van bogen of paviljoenen, en van boeken als "Candide"vzn Voltaire (1759) en "Le secret des Franc-Ma fons" van abbé Perau (1742), waaruit blijkt dat de eigenaar de ideeën van de verlichting was toegedaan en misschien zelfs lid was van de vrijmetselarij. De door De Deken in 1735 uitgebeelde situatie vinden we enigszins vertekend terug op de Ferrariskaart (1771-1775): de eilandtuin wordt te lang en te smal weergegeven, de ringgracht die rond het landhuis een trapezium beschrijft, werd over het hoofd gezien. O p het ogenblik dat de Ferrariskaart wordt opgemaakt, verkeerde jonker Jacques t'Kint in slechte papieren. Na de dood van zijn echtgenote in het kraambed in 1773, ging het met zijn gemoedstoestand en, als gevolg hiervan, met zijn wijnhandel steil bergaf. De voormelde inventaris van 1774 werd opgesteld als aanloop tot zijn faillissement, dat zou uitmonden in de openbare verkoop van het landgoed op 16 november 1775. Eerder waren al het vee, de graan-, hooi- en strovoorraden, de inboedel van het landhuis, het landen tuinbouwgerei, de tuinbeelden, tot en met de boordstenen van de binnenplaats en een groot aantal bomen — 6 abelen, 4 beuken, 96 eiken, 2 elzen, 144 essen, 101 iepen, 24 populieren, 133 wilgen - geveild. O p 20 november 1775 werd een zekere Egide van Puyvelde voor 13.625 gulden eigenaar van het het landgoed. In de verkoopakte wordt het omschreven als "een schoon kasteel ofte speelgoedt met sijne capelle, met schoone stallingen ende groote schuere, hebbende twee verscheyde plaetsen ofte bassecours met twee uyttreden, hovingen, broeybacken, latwerck, wallen, fonteynen ende alle andere ap- ende dependentiën", samen 3 dagwanden 60 roeden, met bovendien de 10 bunder vijvers, bossen, weiden en dreven, die eraan paalden. Drie jaar later zal van Puyvelde het landgoed voor 18.000 gulden doorverkopen aan Jean-Baptiste Ghiselin de Vliege, die er tot 1804 woonde. Na een snelle opeenvolging van drie eigenaars werd het landhuis te Huseghem alias kasteel van Walfergem in 1820 opnieuw eigendom van een lid van de familie t'Kint.
Jacques-Dominique t'Kint, van Jurist tot kanthandelaar en grootgrondbezitter Jacques-Dominique t'Kint, een familielid van de tragische wijnhandelaar (6), was jurist, advocaat, in 1789 als medestander van Hendrik vander Noot en de 'statisten' één van de spilfiguren in het verzet tegen de hervormingen van 'keizer-koster' Jozef II. Tijdens de kortstondige Brabantse Omwenteling
Eén van de drie lindepriélen, vermoedelijk uit de tijd van LaurentJoseph Delvaux, 2de kwart van de 19de eeuw (foto R. Deneef, 2007)
was hij procureur-generaal van de 'Republiek der Verenigde Belgische Staten' (1790), wat niet belette dat hij in 1793 door keizer Frans tot raadsheer bij de Raad van Brabant werd benoemd. Tijdens de Revolutiejaren en het Frans bewind hield hij zich politiek gedeisd, maar bleef trouw aan zijn visie van een staatsbestel met grote stedelijke autonomie. Dit blijkt uit zijn portret door Navez in 1813, waarop hij staat afgebeeld met de 'Blyde Inkomste' in de hand. Vanaf 1803, na één van de grootste vastgoedtransacties uit de geschiedenis, de uitverkoop van kerkelijke goederen in 1796-1801, wist hij zijn kennis en contacten, opgedaan als vertrouwensman van diverse abdijen en kloosters tijdens de nadagen van het Ancien Régime, te benutten door talrijke aankopen van landerijen en pachthoeves. Bij zijn dood in 1827 was zijn grondbezit aangegroeid tot 395 hectare, waaronder het landgoed Ravenstein te Tervuren. Tijdens het Franse Consulaat stortte hij zich vol enthousiasme op het kantatelier van zijn vrouw Anne-Marie vander Borcht en werd één van de hofleveranciers van Napoleon voor Brusselse kant. Na 1815 profileerde hij zich als 'orangist'.
Jacques-Dominique t'Kint en zijn vrouw woonden in Brussel. Als buitenverblijf gebruikten zij twintig jaar lang het speelgoed 'de Blijdenkeer' te Laken en later het kasteel Ravenstein te Tervuren, dat zij in 1823 aankochten. Het kasteel van Walfergem, dat ze in 1820 hadden gekocht, was voor hen en hun
M&L
Aanlegplan in landschappelijk stijl opgemaakt door Louis Delvaux in 1862 (archief R. Delvaux. Assel
1877 Het kasteel van 'I /
1891
1924
A'S
Walfergem en het j ^ j f / ^ f c hof van 'tWolfrot
^ / y \
op de stafkaarten van 1877, 1891 en 1924 (ICM, 1882, 1894 en 1933)
\
familie bijkomstig. Het landhuis was in 1818 voor een termijn van dertig jaar verhuurd aan de pastoor van het gasthuis te Asse en een apart contract regelde de verpachting van de dienstgebouwen en de omgevende landerijen. Aan deze contracten kon in 1822, na een geschil dat bijna twee jaar aansleepte, een einde worden gemaakt. Het 'pachthof' kreeg een nieuwe huurder. Voor het 'speelgoed' met het landhuis werd een ontwerp van huurovereenkomst opgemaakt op naam van Felix Bosquet, die er een tijd zou verbleven hebben. In een eigenhandig opgestelde beschrijving — "Consistance de la maison de
M&L
campagne de Walferghem"- leidt t'Kint de denkbeeldige bezoeker vanuit de met bomen afgezoomde dreef (de huidige Wolfrotstraat), die langs de zuidoostelijke rand van het domein loopt, via het poortgebouw, de brug en de grote binnenplaats tot voor het landhuis, dat zoals het poortgebouw uit baksteenmetselwerk bestaat en een leien dak heeft. De verdere beschrijving van het gebouw beantwoordt min of meer aan wat we eerder hebben gezegd. De aanbouwen aan de achterzijde omsluiten een kleine tuin met een spuitende fontein. Ten zuidwesten van het landhuis ligt er een tweede binnenplaats, die
aansluit bij een tweede koetspoort, eveneens van baksteen en met een leien dak. Een moestuin met bloemen {"potager a fleurs') van iets meer dan een dagwand sluit aan bij de grote vijver; het gaat uiteraard om de eilandtuin waarin 'nut en sier' verenigd zijn. De akker ten noordwesten van de vijver is omzoomd door een met bomen beplante promenade. t'Kints beschrijving wordt geïllustreerd met een figuratieve kaart van 1822 door landmeter Joos De Deken (7). O p enkele details na is deze kaart identiek aan de kaart van 1735- De aanbouwen achter het landhuis hebben een andere vorm, de paviljoentjes op de eilandtuin zijn verdwenen en de akkers ten noordwesten worden door dreven omkaderd. Deze dreven komen trouwens al op de Ferrariskaart (1771-1775) voor. De putten en de leidingen naar de fontein in de eilandtuin worden eveneens afgebeeld, maar de leidingen volgen gedeeltelijk andere tracés. De Primitieve kadasterkaart opgemaakt door J.P. Bastendorff stemt bijna in alle details overeen met de kaart van De Deken, maar geeft het landhuis ("casteel') weer in de vorm van twee L-vormige blokken, een fout die in 1835 wordt rechtgezet (8).
Laurent-Joseph Delvaux en een forse uitbreiding van het landgoed In 1822 trouwde Marie-Louise t'Kint, één van de dochters van Jacques-Dominique, op 21-jarige leeftijd met de bijna 50-jarige weduwenaar Laurent-Joseph Delvaux (ook Delvaux de Saive genoemd naar de familienaam van zijn eerste vrouw), een kleinzoon van de befaamde, neoclassicistische beeldhouwer Laurent Delvaux. Bij de verdeling van de nalatenschap van Marie-Louises ouders in 1829 viel haar onder andere het landgoed van Walfergem te beurt. Delvaux was handelaar in 'koloniale waren' (koffie, specerijen...) en daarenboven schepen van Brussel en voorzitter van de Brusselse kamer van koophandel. In 1822 was hij één van de notabelen die aan de wieg stonden van de Algemeene Nederlandse he Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt-, na 1830 de Societe générale de Belgique. Mogelijk was hij ook vrijmetselaar; hij werkte namelijk mee aan de oprichting van een vrije universiteit te Brussel, waartoe de Brusselse advocaat Theodore Verhaegen vanuit de loge Les Amis Philantropes het initiatief had genomen, en zetelde in de eerste beheerraad van de universiteit (9). Als orangist en vriend van prins Frederik van Oranje, leed hij onder de repressie die volgde op de Belgische omwenteling, maar zijn orangistisch etiket vormde geen beletsel om ook na 1830 een mandaat als beheerder van de Societe générale uit te oefenen (10).
n een nis m de noordwestelijke
Laurent-Joseph Delvaux voerde een actief aankoopbeleid in en om Walfergem. In 1851 kon hij ook het aanpalende hof van 't Wolfrot afkopen van een nazaat van Jacques t'Kint senior, want sedert 1758 waren het landgoed Huseghem en het Wolfrothof over twee verschillende erven verdeeld. Verbouwings- en aanlegwerken slorpten grote sommen geld op. Begin 1831, toen het echtpaar Delvaux-t'Kint zijn intrek nam in Walfergem, liepen de kosten van verbouwingen, nieuwbouw, grondverplaatsingen, aanplantingen en verfraaiingswerken op tot 8.155 gulden, dit is meer dan de helft van de geraamde totale waarde van het landgoed. In 1834-1835 werd een koestal gebouwd en langs de noordwestelijke flank van de moestuin - ooit de boomgaard met de waterputten — werd een muur opgetrokken, waarop leifruit werd gekweekt. Deze 'fruitmuur' wordt weergegeven op de stafkaart van 1877. O o k na de voortijdige dood van Marie-Louise t'Kint in 1836 werd er verder gerenoveerd en gebouwd. In 1850 werden de buizen van de fonteinen vervangen en er kwam een verwarmde serre. In 1852 werd tegen de voormelde fruitmuur een oranjerie gebouwd (11). De oudste bomen in het huidige domein werden vermoedelijk onder LaurentJoseph aangeplant. Intrigerend is de opstelling ten noorden van de voormalige eilandtuin van drie nog bestaande, cirkelvormige prielen van zomerlinden (Tilia platyphyllos) (12). De prielen vormen samen een driehoek, één van de belangrijkste symbolen van de vrijmetselarij.
zijgevel van het koetshuis een fontein met een badende Venus van
1866 (collectie R. Delvaux, Asse)
Louis Delvaux, aanpassingen in landschappelijke stijl Na de dood van Laurent-Joseph Delvaux in 1861 erfde zijn tweede zoon Louis alle goederen te Asse en omgeving, inclusief het vroegere Huseghem en het Wolfrothof, in totaal 141 hectare. De nieuwe eigenaar woonde zoals zijn vader in zijn stadswo-
M&L
Het landhuis Huseghem, alias kasteel van Walfergem, vanuit het noorden (foto R. Dcneef, 2007)
ning in de Lakensestraat te Brussel, maar bracht relatief veel tijd door in Walfergem en wijdde zich ook intensief aan de verfraaiing van het landgoed. In een nis in de noordwestelijke zijgevel van het koetshuis liet hij een fontein aanbrengen met de badende Venus, kopie van een 'Vénus sortant du bain' uit het Louvre. In het midden van de moestuin werd een volière voor siervogels en fazanten gebouwd. De plannen die hij in 1862 opmaakte (of liet opmaken), werpen een interessant licht op de omvorming van een strakke, traditionele tuin tot een park in landschappelijke stijl - een proces dat zich tijdens de 19de eeuw in talloze landgoederen heeft voltrokken. De plattegrond voor de moestuin toont het traditionele padenkruis met een centrale rotonde, de compartimenten afgeboord met brede plate-bandes, op het plan 'cordons' genoemd, die met fruitbomen of bessenstruiken zijn beplant. Minder traditioneel zijn echter de uitgesproken asymmetrie, de gul afgeronde hoeken van de perken en de golvende randen van de plate-bandes. Evenwijdig met de oranjerie, de serre en de fruitmuur loopt een lange, smalle parterre, eveneens met een padenkruis, een centrale rotonde en met plate-bandes afgezoomde perken. Het net van waterputten en -leidingen wordt op het plan weergegeven. Een open bekken, waaruit het water werd geschept om de moestuin te begieten, was niet ongebruikelijk (zie het Impdenhof* en het Nero m h o P te Meise-Wolvertem) en mogelijk stelt de zwarte cirkel op de rotonde van de grote parterre iets dergelijks voor. De talrijke nummers verwijzen
ongetwijfeld naar een beplantingsplan en stemmen overeen met genummerde zinken plaatjes, waarvan een gedeelte bewaard bleef. Het koetshuis en de koestal worden door een onregelmatige, landschappelijk aangelegde, met struiken beplante zone van de moestuin gescheiden. Een tweede plan [zie p. 74] vertoont het grafische idioom dat door de landschapsarchitecten uit die periode gebruikt werd: een combinatie van plattegrond en figuratieve kaart, waarin de bomen in opstand en in stippellijn ook de wVtói of zichtlijnen worden weergegeven. Louis Delvaux was niet van teken- en schildertalent gespeend en heeft dit plan waarschijnlijk zelf getekend. De huisvijver is gereduceerd tot een onregelmatige waterpartij, waarvan het silhouet aan een kiemende boon doet denken. Twee met struiken begroeide eilandjes breken de eentonigheid. De boogvormige uitloper van de vijver naar het kasteel herinnert aan de noordwestelijke gracht van de voormalige eilandtuin. Het boothuis aan het uiteinde van deze arm is niet meer hetzelfde als dat van 1735. Dit gebouwtje, dat rond 1930 werd gesloopt, was een paalwoning - een paviljoentje in de vorm van een mansardedak met een sierlijk opengewerkt torentje (lantaarn), die als belvedère fungeerde, steunend op vier robuuste palen. De aanlegplaats bevond zich onder het paviljoen. De zuidoostelijke arm van de voormalige gracht rond de eilandtuin, omkaderd door een gevarieerde beplanting, behoudt zijn rechte tracé, evenwijdig met de Wolfrotstraat. De grachtarm tussen het kas-
teeleiland en het voormalige tuineiland is verdwenen, samen met de andere grachten. Het dempen van grachten werd vermoedelijk niet alleen bepaald door esthetische of stilistische overwegingen. Het wantrouwen ten opzichte van stilstaand water, bron van "ongezonde uitwasemingen en funeste epidemieën' zoals gesteld wordt in een ambtelijk stuk van 1810 (13), was bijzonder levendig in de 19de eeuw, waarin de meeste waterkastelen worden 'drooggelegd'. De voormalige eilandtuin, voortaan grotendeels gazon en zonder fontein, wordt doorkruist met slingerende wandelwegen. De gelige cirkels en ovalen die, samen met enkele struikmassieven, de bochten accentueren, zijn perken met bloeiende inlegplanten of rozen. Oude struiken gele kornoelje (Cornus mas), herfstpaardenkastanje (Aesculusparviflora) en Kaukasische pimpernoot (Staphylea colchica) herinneren nog aan de oorspronkelijke stoffering. Globaal gezien houden loofbomen en coniferen elkaar min of meer in evenwicht. De 'cour d'honneur', die vroeger grotendeels door een brede, rechte oprijlaan in beslag werd genomen, wordt in het patroon van lussen en kronkels opgenomen, maar blijft functioneel: een groot ovaal kanaliseert het af- en aanrijdende verkeer. Het poortgebouw aan de Wolfrotstraat werd gesloopt en vervangen door een lunetvormige trechter. Een metalen hek tussen twee, door siervazen bekroonde pijlers van bak- en zandsteen, vormt nog steeds de aanzet tot de oprijlaan. Het landschappelijk patroon van de vijver en de voormalige eilandtuin loopt bijna naadloos over in de zone ten noordwesten van het kasteel, de voormalige landbouwgronden die rond 1750 met rechte, beboomde dreven werden omkaderd. Van rechte dreven is geen sprake meer. Dit gedeelte wordt ontsloten door een slingerende rondweg, die een weidse bocht beschrijft en onderweg een kleine, met rotswerk versierde waterpartij snijdt. De stoffering van deze open ruimte bestaat uit struikmassieven, solitaire bomen en kleine groepjes van bomen (clumps'). De kleine vijver in het oosten van het domein wordt omgevormd tot een brede, zachtjes slingerende, met rotswerk opgesierde 'rivier', die op twee plaatsen door wandelwegen wordt gekruist. O p het plan worden twee prielen afgebeeld - kegelvormige strodaken op een paal - respectievelijk in de oost- en westhoeken van het domein. Deze strodakpriëlen worden verbonden door een stippellijn, de langste 'vista' in het park. Het boothuispaviljoen vormt het uitgangspunt van drie 'vistalijnen', waarvan er twee op de prielen gericht zijn.
De resterende arm van de gracht rond
Dit plan heeft slechts voor een deel de concrete aanleg en de beplantingen bepaald (14). Van de vijver bestaat alleen nog de smalle gebogen uitloper die Louis Delvaux had ontworpen, maar in het microreliëf zijn de omtrekken van de oude huisvijver nog grotendeels zichtbaar. De rechte zuidelijke grachtarm, die in het plan van 1862 werd behouden, is verland of werd gedempt. De rechte dreef, die van aan het kasteel in noordwestelijke richting loopt en die oorspronkelijk met tamme kastanjes (Castanea sativa) — mogeW]k uit de tijd van JacquesDominique t'Kint (eerste kwart van de 19de eeuw) - beplant was, bestaat nog steeds. De generatie bomen die verbonden kan worden met de periode 1860-1880, is momenteel beperkt tot welgeteld één bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j, een hangende zilverlinde (Tilia petiolaris) en misschien een paar canadapopulieren (Populus x canadensis 'Bleu d'Exaerde'j. Een verband tussen de huidige beplanting en het schema op de kaart van 1862 is moeilijk te leggen.
de voormalige eilandtuin, heraangelegd als
landschappeli|ke vijver in de jaren I860 (foto R. Denecf, 2007)
Hubert en Louis Delvaux, de wereldoorlogen en financiële crisisperiode De door Louis Delvaux vastgelegde structuur onderging geen fundamentele wijzigingen meer. Louis en zijn vrouw Fanny Lauwers hadden vijf kinderen. H u n oudste zoon Hubert kreeg het landhuis toegewezen en kwam er wonen in 1886. Als rentenier kon hij toch de kern van het landgoed gevoelig uitbreiden door de erven van zijn broers en zuster in te kopen met de te gelde gemaakte goe-
1VI&L
Merkwaardige bomen (opname 8 oktober 2007) 9. canadapopulier (Populus x canadensis 'Bleu de'ExaerdeV 3 7 6 13. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropuniceaj 353(100) 23. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipi-
fera) 393 NOTFN (1) Hoofdauteur van DELVAUX R., DE SMEDT E, MEURISSE F. & VAN DROOGENBROECK F.J., Het kasteel van Walfergem, van Hof te Huseghem over Speelgoed van de familie t'Kint tot landhuis van defamilie Delvaux, Asse, Ascania, 2007, p. 110-112. Dit werk bevat ook de bronvermeldingen voor de meeste feiten die in ons historisch overzicht worden vermeld. De moestuin, een belangrijke bron van inkomsten tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog (archief R. Delvaux, Asse)
deren die zijn vrouw Zoé de Carrier de Marchienne had geërfd. Hubert hertrouwde op hoge leeftijd en ging in Asse-dorp wonen. Van 1921 tot 1929 werd het landhuis verhuurd en slecht onderhouden. Louis Delvaux, zoon van Hubert en kleinzoon van de vorige Louis, bewoonde toen de oranjerie. In 1929 werd hij effectief eigenaar van het domein, maar de herstellings- en renovatiekosten voor het landhuis liepen zo hoog op dat hij zich in 1937 verplicht zag om de oude dienstvleugel (paardenstal-koetshuis-hovenierswoning) te laten slopen en zijn kas bij te spijkeren met de verkoop van het afbraakmateriaal. Louis Delvaux was de laatste van drie generaties renteniers en, zoals zijn voorgangers, een verwoed jager. Zijn belangstelling voor tuinbouw richtte zich in eerste plaats op de moestuin en de boomgaard, die commercieel werden uitgebaat. Het onderhoud van het 19de-eeuwse landschapspark was geen prioriteit meer. Van bloemencorbeilles, rozenperken, onderhoudsintensieve structuren... kon nauwelijks nog sprake zijn. In de bossen werden alleen nog beplantingen gedaan met het oog op de houtopbrengst.
Na de Tweede Wereldoorlog werd links van de ingang, niet ver van de gesloopte dienstvleugel, een villa gebouwd voor de schoonzuster van Louis en haar man. Met de dood van Louis Delvaux in 1957 en de mindere beschikbaarheid van de studerende en werkende volgende generatie, kwam er ook een einde aan de intensieve uitbating van de moestuin, die tijdens het interbellum en de oorlogsjaren zorgde voor de nodige inkomsten om te overleven zonder het onroerend patrimonium te moeten aantasten.
M&L
(2) Idem, p. 701-702. (3) Beschreven in RENNES H. m.m.v, VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Asse, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005. (4)
"Sterk tot zeer sterk gleyige gronden op lemig materiaal met reductiehorizont" (Aep, Afp) volgens de bodemkaart, cf. LOUIS A., Bodemkaart van België; kaarthlad Anderlecht 87E, Centrum voor Bodemkartering, 1957, toelichting p. 50-51-
(5) Cf. DENEEF R. e.a.. Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Pajottenland- zuidwesten van Vlaams-Brabant {Cahkr M&L nr. 11), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2005, p. 256-258. (6) Genealogie van de familie t'Kint zie: DELVAUX R. e.a., op. cit., p. 877-879. (7) Voluit: Judocus-Josephus De Deken (1770-1838), een kleinzoon van de genoemde Joos De Deken, cf. OCKELEYJ., De landmetersfamilie De Deken, o. 11-16 in Ascania, 25, 1982; IDEM, De Westbrabantse landmeters en hun bijdragen tot de meting- en kaartboeken van gemeenten en abdijen in de streek tussen Zenne en Dender (einde 16de eeuw - 18de eeuw), p. 51-74 in Oude kaarten en plattegronden. Bronnen voor de historische geografie van de Zuidelijke Nederlanden (16de eeuw - 18de eeuw). Handelingen van een studiedag 20 september 1985, Brussel, 1986. (8) Oudste kadastrale legger 212, art. 476 nr. 16. Kadastrale opmetingsschets Asse 1835 nr. 24. (9) VANDERK1NDERE L, 1834-1884. L'université de Bruxelles. Notice historique, Bruxelles, P. Weissenbruch, 1884, p. 16 en L. (10) FRANCOIS L., De reacties van de aandeelhouders van de Société Générale op de revoluriegolf van 1830, p. 458 in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, XII, 1981, p. 423-478. (11) Door het kadaster pas opgetekend in de kadastrale opmetingsschets Asse 1865 nr. 7. (12) De paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) in één van de groepen werd waarschijnlijk later ingebracht. (13) "miasmes insalubres" en "epidemics funestes»; cf. de omzendbrief van 10-8-1810 weergegeven in: DEL MARMOL J.-A.-L, Dictionnaire de legislation, de jurisprudence et de doctrine en matiere de mines, minieres, carrières, forges, haut-fourneaux, tourhières [...], Liège.Renard, 1857, p. 668. (14) De stafkaarten blijven overigens tot in 1924 halsstarrig de oude lay-out met de eilandtuin weergeven.