L E F A T S D U O H N I
5. Trekvogels en overwinterende vogels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . KOEN DEVOS, ECKHART KUIJKEN,TOM YSEBAERT & PATRICK MEIRE - Soortenaantal en veranderingen in status – Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Soortenaantal en veranderingen in status – Ecoregio’s . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Wettelijke soortbescherming en internationaal belang . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Soortgeriche bescherming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Internationaal belangrijke watervogelgebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
52 52 54 56 56 58
5. Trekvogels en overwinterende vogels
5. Trekvogels en overwinterende vogels KOEN DEVOS, ECKHART KUIJKEN, TOM YSEBAERT & PATRICK MEIRE
Vlaanderen vervult voor diverse vogelsoorten een belangrijke functie als overwinteringsgebied of als tijdelijke stopplaats tijdens de trekperioden. De aanwezigheid van voldoende voedsel en rust is hierbij meestal bepalend. In Vlaanderen lopen diverse monitoringprojecten die de aantalsevolutie en verspreiding van wintergasten en doortrekkers registeren. De beschikbare informatie is evenwel niet bij alle soorten even groot. De aard van de verzamelde gegevens is onder meer afhankelijk van de talrijkheid, de biotoopkeuze en de waarnemingskans van de betreffende soorten. De meest volledige gegevens komen van de watervogels. Door middel van integrale, gecoördineerde tellingen worden elke winter betrouwbare gegevens verzameld over de absolute populatiegrootte van de verschillende soorten in Vlaanderen, numerieke trends en seizoenale verschuivingen in de verspreiding. Systematische watervogeltellingen gebeuren in Vlaanderen sinds 1967 en vormen daarmee het langstlopende vogelmonitoringproject. Aanvankelijk ging het om één enkele telling in januari die onderdeel uitmaakte van de "International Waterfowl Census" . Deze jaarlijkse internationale watervogeltelling werd georganiseerd door het toenmalige "International Waterfowl Research Bureau" (nu "Wetlands International"). Vanaf 1979/80 worden in Vlaanderen zes tellingen per winter georganiseerd (periode oktober-maart). Daarbij worden de laatste jaren ongeveer 400 tot 450 gebieden geteld, hoofdzakelijk door amateur-veldornithologen. De coördinatie van de tellingen en het beheer van de gegevensbank is sinds 1986 in handen van het Instituut voor Natuurbehoud. Voor dit rapport werd vooral gebruik gemaakt van de maandelijkse tellingen uit de periode 1979/80 t.e.m. 1996/97. Voor de beschrijving van de actuele toestand wordt rekening gehouden met de winters 1993/94 t.e.m. 1996/97. Van bepaalde soorten werden soms ook aanvullende gegevens gebruikt (bv. uitzonderlijke maxima) die buiten de mid-maandelijkse tellingen vielen. Een tweede project werd in 1989 opgestart door de Vlaamse Avifauna Commissie vzw: Punt-Transect-Tellingen van (algemene) wintergasten en doortrekkers. Het gaat om een relatieve methode die geen informatie oplevert over de populatiegrootte van de betreffende soorten maar die wel een trendberekening toelaat. Een analyse van deze gegevens is in voorbereiding en kon nog niet in dit rapport worden opgenomen.
In de hiernavolgende bijdrage wordt dieper ingegaan op het belang van Vlaanderen als overwinterings- en/of doortrekgebied voor watervogels. Ondanks het grotendeels ontbreken van grootschalige waterrijke gebieden heeft Vlaanderen voor bepaalde soorten een zeer belangrijke - tot zelfs internationale - betekenis. Gunstige factoren zijn onder meer de geografische ligging in de Europese laaglandvlakte, het overwegend milde winterklimaat en de vrij strenge jachtwetgeving. Tot de watervogels worden alle soorten van de volgende groepen gerekend: duikers (Gaviidae), futen (Podicipedidae), aalscholvers (Phalacrocoracidae), reigers (Ardeidae), ooievaars (Ciconiidae), ibissen en lepelaars (Threskiornithidae), zwanen, ganzen en eenden (Anatidae) en rallen (Rallidae). De steltlopers (Charadrii), meeuwen en sterns (Laridae) worden ook tot de groep van de watervogels gerekend, maar worden hier buiten beschouwing gelaten wegens het ontbreken van gestandardiseerde telgegevens op het niveau Vlaanderen.
Soortenaantal en veranderingen in status - Vlaanderen Er zijn 67 soorten watervogels die in Vlaanderen als een jaarlijkse wintergast en/of doortrekker kunnen worden beschouwd (exclusief niet-Europese soorten/exoten).Voor 47 van deze soorten heeft Vlaanderen echter een eerder marginale betekenis, meestal omdat deze hier de rand van hun Europees verspreidingsareaal bereiken of omdat geschikte habitats ontbreken. Die soorten waarvan regelmatig minstens 1 % van de totale Noord-West-Europese populatie in Vlaanderen verblijft, worden verder besproken. Het gaat om 17 soorten: Dodaars, Fuut, Aalscholver, Kleine zwaan, Kleine rietgans, Kolgans, Grauwe gans, Bergeend, Smient, Krakeend, Wintertaling, Wilde eend, Pijlstaart, Slobeend, Tafeleend, Kuifeend en Meerkoet. Daarnaast zijn er nog drie soorten die deze 1 %-norm occassioneel overschrijden, meestal in strenge winters (Rietgans, Brandgans en Nonnetje). In Tabel 5.1 wordt voor elk van deze soorten een overzicht gegeven van de getelde wintermaxima in de winters 1993/94 t.e.m. 1996/97 (afgeronde getallen). Gezien nooit alle watervogelgebieden in Vlaanderen worden geteld, moeten deze aantallen worden gezien als minimumaantallen, zeker bij zeer wijd verspreide soorten met een brede habitatkeuze zoals Wilde Eend en Meerkoet. Bij de overige soorten echter zullen de getelde aantallen de werkelijke populatiegrootte in Vlaanderen zeer goed benaderen. Het aantal overwinterende watervogels in Vlaanderen is de laatste decennia sterk toegenomen. In Figuur 5.1 wordt de evolutie van het totale aantal watervogels tijdens de internationale midwintertelling (januari) sinds 1979/80 weergegeven. Tot het begin van de jaren '90 is een fluctuerend verloop zonder een duidelijke trend merkbaar. De grootste verschillen tussen winters kunnen grotendeels
Instituut voor Natuurbehoud 52
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
5. Trekvogels en overwinterende vogels Tabel 5.1: Wintermaxima (afgeronde getallen) van de belangrijkste soorten watervogels in Vlaanderen tijdens de periode 1993/94 tot en met 1996/97.
Dodaars (Tachybaptus ruficollis) Fuut (Podiceps cristatus) Aalscholver (Phalacrocorax carbo) Kleine zwaan (Cygnus columbianus) Rietgans (Anser fabalis rossicus) Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) Kolgans (Anser albifrons) Grauwe gans (Anser anser) Brandgans (Branta leucopsis) Bergeend (Tadorna tadorna) Smient (Anas penelope) Krakeend (Anas strepera) Wintertaling (Anas crecca) Wilde eend (Anas platyrhynchos) Pijlstaart (Anas acuta) Slobeend (Anas clypeata) Tafeleend (Aythya ferina) Kuifeend (Aythya fuligula) Nonnetje (Mergus albellus) Meerkoet (Fulica atra) door de heersende weersomstandigheden worden verklaard. In overwegend zachte winters werden gemiddeld ca. 113.500 watervogels geteld in Vlaanderen; in strenge winters liep dit op tot gemiddeld 172.500. Zo was er een opvallende piek in januari 1986 die werd veroorzaakt door de grote influx van ganzen vanuit noordelijke gebieden tijdens perioden met vorst. Vanaf het begin van de jaren '90 deed zich vervolgens een continue stijging voor: van bijna 140.000 watervogels in 1992 tot ruim 300.000 in 1997. Ook hier speelden weersomstandigheden een belangrijke rol. De winters 1993/94 en 1994/95 waren zeer natte winters waarbij overstromingen in valleigebieden grote concentraties watervogels aantrokken. De twee daaropvolgende winters waren streng waardoor er een aanvoer van noordelijke vogels naar Vlaanderen was. Opmerkelijk is wel dat in recente strenge winters opvallend grotere aantallen watervogels voorkomen dan in de reeks koude winters in de jaren '80. De recente algemene toename van watervogels in Vlaanderen is geen fenomeen dat wordt bepaald door een sterke toename van slechts enkele soorten. Zowat alle soorten vertonen immers een stijgende tendens (Tabel 5.2).Van de 17 belangrijkste soorten vertonen er niet minder dan 14 een duidelijke toename tussen 1979 en 1997. Alleen bij Dodaars, Wilde eend en Slobeend is er een eerder stabiele of fluctuerende populatiegrootte. Een negatieve trend is bij geen enkele soort aanwezig, tenzij tijdelijk bij
93/94
94/95
95/96
96/97
410 1900 2.700 > 100 580 20.500 34.200 4.800 420 4.500 57.200 3.000 20.100 59.400 1.100 2.700 9.600 11.000 70 23.300
530 2.300 2.900 390 370 17.400 22.700 3.900 30 6.500 58.100 3.300 28.500 58.000 2.600 3.200 10.900 12.000 60 24.400
790 3.300 2.700 450 2.800 20.100 29.900 5.800 1.500 5.500 73.400 3.800 25.300 59.200 1.900 2.800 26.700 20.000 470 30.700
520 2.500 3.100 430 970 22.400 31.800 8.300 200 5.100 107.100 4.200 25.200 68.700 2.000 3.000 24.800 22.600 370 33.400
de Tafeleend in de tweede helft van de jaren '80. De factoren die aan de grondslag liggen van de beschreven aantalsveranderingen zijn niet bij alle soorten gelijk.Vaak is het ook een combinatie van verschillende factoren die uiteindelijk de trend van de Vlaamse winterpopulaties bepaalt. Bij bepaalde soorten volgt de aantalstrend in Vlaanderen in hoofdzaak de aantalsontwikkeling van de totale Noord-West-Europese populatie (bv. Kleine Rietgans, Krakeend).Wisselende weersomstandigheden zijn vaak verantwoordelijk voor fluctuaties op kortere termijn. Bij strenge vorst vertonen verschillende soorten een toename doordat vogels uit noordelijker gelegen gebieden uitwijken naar Vlaanderen (bv. Smient, Tafeleend). Ook factoren in Vlaanderen zelf kunnen uiteraard een rol spelen in de aantalsontwikkeling van watervogelpopulaties. Zo heeft een verbetering van de waterkwaliteit van de Vlaamse rivieren en kanalen in het voorbije decennium ongetwijfeld bijgedragen tot de populatietoename van bepaalde soorten watervogels.Viseters zoals Fuut en Aalscholver hebben wellicht geprofiteerd van een groeiend visbestand. De verbeterende waterkwaliteit van de Zeeschelde ligt hoogstwaarschijnlijk aan de grondslag van de sterke aantalsstijging van de aantallen aldaar overwinterende watervogels (verhoging van het voedselaanbod -in hoofdzaak invertebraten).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
53
5. Trekvogels en overwinterende vogels Tabel 5.2: Weergave van de aantalstrend van de belangrijkste soorten watervogels in Vlaanderen tijdens de periode 1979 1997. +: toename, -: afname, *: fluctuerend, o: stabiel. Trend 79/80-84/85
Trend 85/86-90/91
Trend 91/92-96/97
Globale trend 1979-1997
* * * * + + o * * + + * * * * + *
* + + * * * + * * * * * * * * *
+ + + + + * + + + + + o + * + + *
* + + + + + + + + + + o + * + + +
Dodaars (Tachybaptus ruficollis) Fuut (Podiceps cristatus) Aalscholver (Phalacrocorax carbo) Kleine zwaan (Cygnus columbianus) Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) Kolgans (Anser albifrons) Grauwe gans (Anser anser) Bergeend (Tadorna tadorna) Smient (Anas penelope) Krakeend (Anas strepera) Wintertaling (Anas crecca) Wilde eend (Anas platyrhynchos) Pijlstaart (Anas acuta) Slobeend (Anas clypeata) Tafeleend (Aythya ferina) Kuifeend (Aythya fuligula) Meerkoet (Fulica atra)
Soortenaantal en veranderingen in status - Ecoregio's Voor watervogels worden zes verschillende regio's onderscheiden. De Duinen werden ondergebracht bij de Polders omdat deze regio slechts een zeer klein aantal belangrijke watervogelgebieden herbergt. Deze hebben bovendien meestal een sterke binding met de achterliggende poldergebieden. Figuur 5.2 toont de totale aantallen watervogels per ecoregio. Weergegeven zijn het gemiddeld wintermaximum voor de periode 1993/94-1996/97, samen met het gemiddelde over alle maanden waarin geteld werd. Hieruit blijkt duidelijk dat de polders de grootste aantallen watervogels herbergen, op enige afstand gevolgd door de Vlaamse zand- en zandleemstreek en de Schelde. De Kempen en vooral de Leemstreek hebben een eerder geringe betekenis voor overwinterende watervogelpopulaties. De relatief kleine aantallen watervogels in het Grensmaasgebied zijn vooral te verklaren door de geringe oppervlakte van deze regio. Het grensoverschrijdende Maasgebied in zijn geheel is evenwel van veel groter en zelfs internationaal belang voor watervogels. In Tabel 5.3 wordt voor alle belangrijke watervogelsoorten het aandeel van de Vlaamse populatie in de verschillende regio's weergegeven. Voor elke soort werd per regio het gemiddeld aantal berekend voor alle winter-
maanden in de periode 1993/94 - 1996/97. Op één uitzondering na komt elke soort verspreid over alle ecoregio's voor. Van slechts enkele soorten wordt minstens 50 % van de Vlaamse populatie in één ecoregio aangetroffen. Dodaars, Kleine zwaan, Kolgans, Kleine rietgans en Smient kunnen als karakteristieke soorten voor de Polders worden beschouwd. De Dodaars heeft een sterke voorkeur voor kustwateren met brakke invloeden. De andere soorten zijn typisch herbivore soorten die in de winterperiode overwegend foerageren op vochtige graslanden. De Wintertaling is een typische soort van het Zeescheldeestuarium, waar de belangrijkste concentraties voorkomen op de slikken in het zoetwatergetijdegebied. De cijfers in Tabel 5.3 geven een globaal en veralgemeend beeld van het belang van de verschillende ecoregio's voor de betreffende soorten. Seizoenale verschuivingen kunnen er immers niet uit worden afgeleid. Zo neemt het belang van de Schelde sterk toe tijdens strenge vorstperioden. Dit wordt duidelijk geillustreerd bij de Krakeend tijdens de winter 1995/96. In het najaar (oktober-november) werden in de Polders en de Schelde respectievelijk 51 % en 27 % van de Vlaamse populatie geteld. In de winterperiode (december-februari) lagen de verhoudingen net omgekeerd: slechts 17 % in de Polders tegenover 42 % in de Schelde.
Instituut voor Natuurbehoud 54
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
5. Trekvogels en overwinterende vogels
Figuur 5.1: Evolutie van het aantal watervogels in Vlaanderen tijdens de mid januari-tellingen tussen 1979 en 1997.
Figuur 5.2:Totaal aantal watervogels in de verschillende Vlaamse ecoregio's. Voor de periode 1993/94 t.e.m. 1996/97 zijn berekend: (1) het gemiddeld wintermaximum per ecoregio en (2) het gemiddeld aantal over alle maanden van het winterhalfjaar per ecoregio.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
55
5. Trekvogels en overwinterende vogels Tabel 5.3. Procentueel aandeel van de verschillende ecoregio's in de totale Vlaamse populatiegrootte van de belangrijkste watervogelsoorten, gebaseerd op de maandelijks wintertellingen in de periode 1993/94 - 1996/97 (wanneer cijfers in kleur staan, betekent dit dat meer dan de helft van de populatie van een bepaalde soort in de regio aanwezig is).
Dodaars (Tachybaptus ruficollis) Fuut (Podiceps cristatus) Aalscholver (Phalacrocorax carbo) Kleine zwaan (Cygnus columbianus) Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) Kolgans (Anser albifrons) Grauwe gans (Anser anser) Bergeend (Tadorna tadorna) Smient (Anas penelope) Krakeend (Anas strepera) Wintertaling (Anas crecca) Wilde eend (Anas platyrhynchos) Pijlstaart (Anas acuta) Slobeend (Anas clypeata) Tafeleend (Aythya ferina) Kuifeend (Aythya fuligula) Meerkoet (Fulica atra)
Polders
Zandleem
Leemstreek
Kempen
55 46 19 80 100 96 44 31 74 28 13 29 37 46 11 33 37
17 16 13 9 1 2 31 14 14 8 24 22 31 21 31 26
13 11 13 2 <1 5 3 10 2 4 20 14 12
10 12 18 2 1 <1 <1 16 5 17 2 12 11 11 10
Wettelijke bescherming en soorten van internationaal belang Een Koninklijk Besluit van 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest voorziet in de bescherming van de in de Europese Unie in het wild levende vogels. Het gaat hier zowel om broedvogels, doortrekkers, wintergasten als dwaalgasten. Het is te allen tijde verboden de beschermde soorten te vangen, te doden of te verdelgen, te vervoeren en in of uit te voeren. De bescherming geldt trouwens niet alleen voor de vogels zelf maar ook voor hun eieren, nesten en pluimen.
Soortgerichte bescherming Voor enkele soorten worden echter uitzonderingen op deze strikte bescherming voorzien. Het gaat om schadelijke vogels, kooivogels en jachtwild. Zoals voorzien in het jachtdecreet van juli 1991 zijn met name in de categorie jachtwild een groot aantal watervogelsoorten opgenomen: Wilde eend, Krakeend, Slobeend, Kuifeend, Tafeleend, Pijlstaart, Wintertaling, Zomertaling, Smient, Toppereend, Grauwe gans, Rietgans, Kolgans, Kleine rietgans, Canadese gans, Meerkoet, Waterhoen, Watersnip, Bokje, Kievit en Goudplevier. De jacht op deze soorten wordt geregeld door openingsbesluiten die vijfjaarlijks door de Vlaamse Regering worden herzien. De openingsbesluiten voor de periode 1 juli 1998 tot 30 juni 2003 bepalen de opening van de jacht op volgende watervogelsoorten: Grauwe gans,
Schelde Maasvallei 3 6 23 5 <1 48 35 10 36 71 18 37 6 26 7 11
Canadese Gans,Wilde Eend, Smient en Meerkoet.Voor elke van deze soorten wordt gespecifieerd wanneer, waar en hoe er mag op worden gejaagd. De andere soorten die onder categorie jachtwild vallen, mochten niet worden bejaagd. In enkele Vogelrichtlijngebieden en in Ramsargebieden gelden enkele specifieke beperkingen ten aanzien van de jacht op watervogels. Ook op internationaal vlak leggen Conventies en Europese Richtlijnen een strikte bescherming op voor enkele vogelsoorten. De Bern-Conventie bepaalt dat soorten van de Annex II lijst een strikte bescherming genieten binnen Europa. In Vlaanderen worden alle Annex II-soorten al beschermd door het KB van 1981. Onder de Bonn Conventie van 1996 werd de 'Agreement on the Conservation of African-Eurasian Migratory Waterbirds' opgesteld die beschermingsmaatregelen oplegt voor een reeks trekvogelsoorten. Deze werd echter nog niet bekrachtigd door BelgiĂŤ (is in voorbereiding).
Soorten en populaties van internationaal belang In Tabel 5.4 wordt de gemiddelde Vlaamse populatiegrootte van de belangrijkste watervogelsoorten in zachte winters (93/94 en 94/95) en strenge winters (95/96 en 96/97) vergeleken met de omvang van de Noord-WestEuropese populatie (ROSE & SCOTT 1997).Van Dodaars is geen schatting van de totale populatie voorhanden.
Instituut voor Natuurbehoud 56
2 9 27 4 2 3 <1 1 1 1 2 <1 <1 11 4 4
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
5. Trekvogels en overwinterende vogels Tabel 5.4: Gemiddelde maxima van de belangrijkste watervogelsoorten in Vlaanderen tijdens recente zachte winters (1993/94 94/95) en strenge winters (1995/96 - 96/97) en hun aandeel in de totale Noord-West-Europese populatie. Cijfers in kleur duiden op de aanwezigheid van meer dan 5 % van de Noordwest-Europese populatie in Vlaanderen. 93/94-94/95 (1) Dodaars (Tachybaptus ruficollis) Fuut (Podiceps cristatus) Aalscholver (Phalacrocorax carbo) Kleine zwaan (Cygnus columbianus) Rietgans (Anser fabalis rossicus) Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) Kolgans (Anser albifrons) Grauwe gans (Anser anser) Brandgans (Branta leucopsis) Bergeend (Tadorna tadorna) Smient (Anas penelope) Krakeend (Anas strepera) Wintertaling (Anas crecca) Wilde eend (Anas platyrhynchos) Pijlstaart (Anas acuta) Slobeend (Anas clypeata) Tafeleend (Aythya ferina) Kuifeend (Aythya fuligula) Nonnetje (Mergus albellus) Meerkoet (Fulica atra)
470 2.100 2.800 250 480 18.900 28.400 4.300 230 5.500 57.600 3.100 24.300 58.600 1.800 2.900 10.200 11.500 60 23.800
95/96-96/97 (2) 660 2.900 2.900 440 1.900 21.300 30.800 7.100 900 5.300 90.200 4.000 25.200 63.900 1.900 2.900 25.700 21.300 410 32.100
NW-Europa
? 150.000 120.000 17.000 300.000 34.000 600.000 200.000 180.000 300.000 1.250.000 30.000 400.000 5.000.000 60.000 40.000 350.000 1.000.000 25-30.000 1.500.000
Vlaanderen %(1) ? 1 2 2 <1 56 <5 2 <1 2 <5 10 6 1 3 7 3 1 <1 2
Vlaanderen %(2) ? 2 2 3 <1 63 5 4 <1 2 7 13 6 1 3 7 7 2 2 2
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
57
5. Trekvogels en overwinterende vogels Van zeven soorten werd in Vlaanderen tot meer dan 5 % van de volledige populatie geteld: Kleine rietgans, Kolgans, Smient, Krakeend, Wintertaling, Slobeend en Tafeleend. Zeker voor deze soorten heeft Vlaanderen een zeer grote internationale betekenis. Aangezien de Vlaamse kustpolders elke winter tot meer dan de helft van de volledige Spitsbergen-populatie van de Kleine rietgans herbergen, zijn ze van bijzonder groot internationaal belang. Van Rietgans en Brandgans werd in recente jaren geen internationaal belangrijke aantallen meer genoteerd, in tegenstelling tot enkele strenge winters in de jaren '70 en '80 (zie ook KUIJKEN & MEIRE 1996). Uit de Tabel blijkt tevens dat de internationale betekenis van Vlaanderen voor verschillende soorten toeneemt tijdens strenge winters (o.a. Smient en Wintertaling). Vlaamse waterrijke gebieden vervullen bij strenge vorst vaak een belangrijke opvangfunctie voor watervogels die in normale omstandigheden meer noordelijk overwinteren (zie ook DEVOS et al. 1997b).
Internationaal belangrijke watervogelgebieden Voor het bepalen van het internationaal belang van een gebied voor watervogels werden in het kader van de Ramsar-Conventie enkele criteria vastgelegd. Twee van de belangrijkste criteria zijn specifiek gebaseerd op het aantal aanwezige watervogels. Het eerste criterium vereist dat in een wetland regelmatig 1 % voorkomt van de individuen van een populatie van een watervogelsoort of -ondersoort (het zogenaamde 1 %-criterium). Het tweede crite-
rium vereist dat in een gebied geregeld 20.000 of meer watervogels voorkomen. In SCOTT & ROSE (1996) wordt - op basis van gegevens van het Instituut voor Natuurbehoud - een overzicht gegeven van alle gebieden in Vlaanderen waar het 1 %-criterium voor één of meerdere soorten werd overschreden in de periode 1991/92 tot en met 1995/96. Deze gebieden zijn terug te vinden in Tabel 5.5 (hierin werden enkele aanvullingen t.o.v. SCOTT & ROSE (1996) opgenomen). Voor elk gebied wordt per soort het hoogste getelde aantal sinds 1980 vermeld, evenals het gemiddelde wintermaximum voor de periode 1991/92 t.e.m. 1995/96. Daarbij werden de vastgestelde wintermaxima van de verschillende soorten getoetst aan de meest recente 1 %-normen (naar ROSE & SCOTT 1997 en MEININGER et al. 1995). De vermelde gebieden zijn gesitueerd in Figuur 5.3. Vlaanderen kent weinig waterrijke gebieden die geregeld meer dan 20.000 watervogels herbergen. In Tabel 5.6 wordt een overzicht gegeven van waterrijke gebieden die in de periode 1993/94 t.e.m. 1996/97 minstens één keer dit criterium hebben overschreden. De vermelde maxima zijn opnieuw exclusief steltlopers en meeuwen. Bij drie gebieden werden elke winter meer dan 20.000 watervogels geteld: het Blankaartgebied en de IJzerbroeken, de Oostkustpolders en het Zeeschelde-estuarium. Bij twee gebieden werd dit niveau alleen in bepaalde strenge winters gehaald: het havencomplex te Zeebrugge en de Gentse Kanaalzone. Ook het Antwerpse havengebied (Linker- en Rechteroever samen) haalt in zijn totaliteit uitzonderlijk de kaap van 20.000 watervogels (bv. 20.700 ex. begin februari 1996).
Figuur 5.3: Situering van de internationaal belangrijke watervogelgebieden in Vlaanderen. 1 = Blankaartgebied Woumen-Merkem, 2 = Achterhaven en polders Zeebrugge, 3 = Oostkustpolders, 4 = Krekengebied Noord-Oost-Vlaanderen, 5 = Zeeschelde GentZandvliet, 6 = Bourgoyen-Ossemeersen Drongen, 7 = Gentse Kanaalzone, 8 = Rivierengebied Willebroek-Mechelen-Lier, 9 = Blokkersdijk / havengebied Antwerpen LO, 10 = De Kuifeend / havengebied Antwerpen RO, 11 = Schorren Beneden-Zeeschelde / polders Kallo-Doel, 12 = Vijvergebied Midden-Limburg, 13 = Vallei Grensmaas.
Instituut voor Natuurbehoud 58
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
5. Trekvogels en overwinterende vogels Tabel 5.5: Overzicht van de gebieden in Vlaanderen waar voor minstens ĂŠĂŠn soort de internationale 1 %-norm werd overschreden in de periode 1993/94 - 1996/97. Soorten waarvan de 1 %-norm in deze periode jaarlijks werd overschreden zijn aangeduid in kleur. Gebied
Soort
Maximum
(winter)
Gemiddeld
1 %norm
Kolgans Smient Wintertaling Pijlstaart Slobeend
8.810 46.430 4.870 894 856
(85/86) (93/94) (91/92) (94/95) (91/92)
350 24.356 2.693 397 438
61.000 12.500 4.000 600 400
Fuut Smient Slobeend Nonnetje
1.745 20.515 450 845
(95/96) (95/96) (94/95) (84/85)
491 11.065 311 <5
1.000 12.500 400 250-300
Oostkustpolders
Kolgans Kleine rietgans
54.925 20.412
(85/86) (93/94)
19.023 15.975
6.000 350
Krekengebied Noord-Oost-Vlaanderen
Kleine zwaan Kolgans Rietgans
384 18.000 5.000
(94/95) (95/96) (85/86)
247 4.886 252
170 6.000 3.000
Zeeschelde Gent - Zandvliet
Krakeend Wintertaling Pijlstaart Tafeleend
1.675 16.399 1.040 9.870
(95/96) (95/96) (94/95) (95/96)
1.045 11.496 443 3.065
300 4.000 600 3.500
Blankaartgebied Woumen-Merkem
Achterhaven en polders Zeebrugge
Bourgoyen-Ossemeersen Drongen
Slobeend
531
(95/96)
296
400
Gentse Kanaalzone
Pijlstaart Slobeend Tafeleend Kuifeend
615 801 6.350 10.000
(95/96) (95/96) (84/85) (95/96)
230 226 1.003 2.922
600 400 3.500 10.000
Rivierengebied WillebroekMechelen-Lier
Krakeend Tafeleend
690 5.545
(95/86) (95/96)
433 2.057
300 3.500
Blokkersdijk + havengebied Antwerpen LO
Smient Krakeend Slobeend
15.190 1.256 2.348
(95/96) (84/85) (89/90)
5.414 429 540
12.500 300 400
De Kuifeend + havengebied Antwerpen Rechteroever
Krakeend Slobeend
1.762 1.466
(95/96) (91/92)
837 444
300 400
Schorren Beneden-Zeeschelde + polders Antwerpen LO
Grauwe gans
4.210
(89/90)
3.190
2.000
Vijvergebied Midden-Limburg
Krakeend
705
(91/92)
479
300
1.791
(95/96)
1.090
1.200
Vlaamse Grensmaasvallei
Aalscholver
Tabel 5.6: Gebieden in Vlaanderen waar regelmatig meer dan 20.000 watervogels verblijven. Weergegeven is het maximaal aantal getelde watervogels (exclusief steltlopers en meeuwen) voor de winters 1993/94 - 1996/97 (afgeronde getallen). Voor de Oostkustpolders zijn alleen de ganzen in beschouwing genomen.
Blankaartgebied Oostkustpolders (ganzen) Zeeschelde Havencomplex Zeebrugge Gentse Kanaalzone
1993/94
1994/95
1995/96
1996/97
50.900 41.700 28.200 15.700 6.000
37.600 38.600 30.700 15.500 4.500
28.300 35.800 40.200 29.700 16.800
33.900 44.900 32.800 37.700 25.600
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
59