Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2003_5_de_houding_tegenover_migranten.pdf

Page 1

Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

De houding van Vlamingen D E

H O U D I N G

VA N

V L A M I N GE N

tegenover ‘oude’ en ‘nieuwe’ migranten: T E GE N OVE R ‘O U D E ’ E N ‘ N I E UWE ’ M I G RA NT E N :

diffuus of specifiek? D I FF U U S

O F

S P E C I F I E K ?

Bart Meuleman • Jaak Billiet K.U.Leuven

1

| Inleiding

In de nasleep van de moord op Islam-leraar Mohammed Achrak en de politieke rel rond Dyab Abou Jahjah laait het migrantendebat opnieuw bijzonder hoog op. Migrantenstemrecht en inburgeringsplicht zijn hot topics, zowel aan de keukentafel als op het hoogste politieke niveau. Voor het eerst in de Belgische naoorlogse geschiedenis ziet het er naar uit dat de migrantengemeenschap een kans(je) krijgt om haar eigen stemgeluid te laten horen. In het recente verleden hebben diverse stromen migranten uit verschillende regio’s zich in België gevestigd, elk met hun eigen (letterlijke) beweegreden. Ook vandaag nog kloppen velen aan op de poorten van het Koninkrijk België, in de hoop hier onderdak te vinden. Een aantal onder hen slagen erin de nodige papieren te verkrijgen via de asielprocedure. De meerderheid echter, wordt aan de grens tegengehouden of wendt zich tot illegale achterpoortjes. Het bestaan van deze verschillende migratiestromen heeft als consequentie dat de migrantengemeenschap in België helemaal geen monolithisch geheel is, maar integendeel heel wat schakeringen bevat. Migranten van de tweede generatie, gastarbeiders, asielzoekers, vluchtelingen, illegale immigranten: maar al te vaak worden deze groepen op één conceptuele hoop geworpen, terwijl ze in feite totaal verschillende realiteiten uitmaken. Op basis van het tijdstip van, en het motief voor de migratie, kan de omvattende term ‘migranten’ ruwweg in twee subcategorieën opgedeeld worden. De zgn. ‘oude migranten’ zijn vooral afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Het zijn de Turken, Marokkanen, maar ook Zuid-Europeanen die in de jaren zestig en zeventig hierheen gehaald werden om het tekort aan arbeidskrachten op te vullen. Met de term ‘nieuwe migranten’ wordt verwezen naar de groepen die zich hier – zoals de naam al laat vermoeden – meer recent gevestigd hebben. Velen zijn hier om de economische malaise in hun

137


Vlaanderen gepeild ! geboorteland te ontvluchten. Anderen proberen te ontkomen aan politieke of religieuze vervolging en komen bijgevolg in aanmerking voor de asielprocedure (De Gryse en Poppe, 1999). Een latent en ongewenst neveneffect van het restrictieve immigratiebeleid dat door België gevoerd wordt, is dat een groot deel van de nieuwe economische vluchtelingen in de illegaliteit gedreven wordt. In deze bijdrage proberen we niet de schakeringen binnen de migrantengemeenschap in kaart te brengen. Onze focus zal daarentegen liggen op houdingen van Vlamingen met betrekking tot (verschillende groepen) migranten. Uit de rijke onderzoekstraditie omtrent attitudes tegenover etnische minderheden, is herhaaldelijk gebleken dat etnocentrische denkbeelden relatief wijd verspreid zijn onder de Vlaamse bevolking. In het verleden werd echter enkel de houding ten opzichte van oude migranten bevraagd. Deze attitude werd dan naar voor geschoven als de houding van Vlamingen tegenover ‘de migrant’ in het algemeen. Bij deze generalisatie wensen we enkele kritische vraagtekens te plaatsen. Het opzet van deze bijdrage is tweeërlei. Ten eerste wensen we na te gaan of de houdingen van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten positief, of eerder negatief gekleurd zijn. Daarnaast stellen we ons de vraag in hoever Vlamingen er differentiële attitudes tegenover oude migranten enerzijds, en tegenover nieuwe migranten anderzijds, op nahouden. Maken de Vlamingen een conceptueel onderscheid tussen verschillende groepen migranten, of is de attitude tegenover de respectievelijke categorieën migranten niet meer dan een aspect van een algemene houding ten opzichte van etnische minderheden?

2

| Theoretische uitgangspunten

2.1

| ‘Oude’ vs. ‘nieuwe’ migranten: een conceptuele verduidelijking

In de inleiding werden haast lapidair twee categorieën geïntroduceerd: oude en nieuwe migranten. Alvorens de houdingen van de Vlamingen ten opzichte van deze twee groepen te analyseren, moeten deze concepten inhoudelijk scherp worden gesteld. Om aan te tonen dat deze distinctie wel degelijk gerechtvaardigd én betekenisvol is, wordt hieronder een kort overzicht gegeven van de migratiegolven die zich de laatste vijftig jaar richting België voorgedaan hebben. Volgens Paul White kunnen sinds de Tweede Wereldoorlog in de meeste West-Europese landen drie migratiegolven onderscheiden worden (Wets, 2001, pp. 18-19). In het naoorlogse Europa stond migratie aanvankelijk gelijk met arbeidsmigratie. De regeringen van een aantal landen – waaronder ook de Belgische – trokken gastarbeiders aan om zo aan de schaarste op de arbeidsmarkt tegemoet te komen. Toen de economische hoogconjunctuur begin jaren zeventig omsloeg in een heuse crisis, viel de vraag naar extra arbeidskrachten volledig weg. In 1974 voerde de Bel-

138


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

gische regering dan ook een migratiestop door, waardoor de stroom arbeidsmigranten van de ene dag op de andere droog werd gelegd (Van de Putte, 1999, pp. 32-33). Op dat moment was een tweede migratiegolf al volop in ontwikkeling, nl. de familiehereniging. Aan de familie van de arbeidsmigranten werd immers – ook na de migratiestop van 1974 – de mogelijkheid geboden om zich definitief bij de kostwinner te vestigen. Met het begrip ‘oude migranten’ doelen we voornamelijk op de migranten die hier gekomen zijn met deze twee migratiegolven: de arbeidsmigranten en hun families. De instroom van de oude migranten in België kan duidelijk afgelezen worden uit grafiek 1. Deze grafiek geeft de omvang van de vreemde bevolking in België naar nationaliteit weer op een aantal verschillende tijdstippen.1 Bijna direct na de Tweede Wereldoorlog kende het aantal Zuid-Europese immigranten (voornamelijk afkomstig uit Italië en Spanje) een heuse explosie. Vanaf de jaren zestig begon ook het aantal immigranten uit de Maghreb-landen2 en Turkije enorm toe te nemen. De golf van migranten in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog is bijna exclusief afkomstig uit het Middellandse Zee-gebied: de netto-instroom van ca. 327.000 migranten in België tussen 1947 en 1970 bestaat voor maar liefst 99% uit personen afkomstig uit Zuid-Europa, de Maghreb-landen of Turkije. Ondanks het feit dat de Belgische regering in 1974 de arbeidsimmigratie een halt toeriep (Van de Putte, 1999, pp. 32-33), bleef de instroom uit Zuid-Europa, de Maghreb-landen en Turkije nog een aantal jaar voortduren via de procedure van familiehereniging. In grafiek 1 sluit deze tweede migratiegolf dan ook bijna naadloos aan op de arbeidsimmigratie. In de jaren tachtig raakten de mogelijkheden voor familiehereniging stilaan uitgeput, en begon de toename van Mediterrane migranten te stagneren. Abstractie makend van het bestaan van een aantal etnische subgroepen (zoals Berbers, Arabieren, Koerden en Turken), vormen de oude migranten een relatief homogene groep: ze zijn allen afkomstig uit de landen rond de Middellandse Zee. De oude migranten delen ook éénzelfde motivatie voor hun verhuis. Ze zijn – met garantie op werk – hierheen gekomen om zichzelf en hun gezin een leven in betere levensomstandigheden, en met meer mogelijkheden tot ontplooiing te bieden.

1.

Voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van deze gegevens. In deze bijdrage worden houdingen tegenover verschillende etnische groepen onderzocht, terwijl deze gegevens betrekking hebben op de personen van vreemde nationaliteit. Wegens de mogelijkheid tot naturalisatie vallen etnische afkomst en nationaliteit echter niet altijd samen. Bijgevolg kan de omvang van een etnische gemeenschap sensu stricto niet afgelezen worden uit deze grafiek. Zo daalt de laatste jaren het aantal personen met de Marokkaanse nationaliteit in België, terwijl deze etnische gemeenschap in aantal eerder toeneemt. 2. Met de term Maghreb-landen wordt gedoeld op Marokko, Algerije en Tunesië.

139


Vlaanderen gepeild ! GRAFIEK 1

Aantal vreemdelingen in België naar nationaliteit3

400.000 350.000 300.000 250.000 200.000 150.000 100.000 50.000 0 1920

1947

1961

1970

1981

1991

2000

Noord- en West-Europa

Zuid-Europa

Oost-Europa

Maghreb en Turkije

Afrika (zonder Maghreb)

Oceanië, Amerika en Azië

Bron: NIS, eigen berekeningen

Naast de arbeidsmigratie en de familiehereniging kan meer recent ook gewag gemaakt worden van een derde migratiegolf, de postindustriële migratie. White onderscheidt drie types postindustriële migranten: hooggeschoolde kaders, asielzoekers en illegale immigranten (Wets, 1999, pp. 98-99). De term ‘nieuwe migranten’ omvat deze drie groepen postindustriële migranten. In tegenstelling tot de twee vorige is deze migratiegolf van veel diffusere aard. De nieuwe migranten komen immers werkelijk uit alle hoeken van de wereld. Ook wat het motief voor migratie betreft, is deze groep enorm divers. De categorie hooggeschoolde kaders laat zich leiden door een aantrekkelijke jobaanbieding; de asielzoekers en de mensen zonder papieren ontvluchten – vaak hals over kop en zonder enige garantie op een welkome ontvangst – politieke en economische noodsituaties in het thuisland (Coene, 2001, p. 58). Grafiek 1 liet toe het profiel van ‘de oude migranten’ wat duidelijker af te tekenen. Van de zgn. postindustriële migratie is er in de grafiek daarentegen geen

3. Noord- en West-Europa: Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, Verenigd Koninkrijk, Ierland, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland. Oost-Europa: Polen, Hongarije, Bulgarije, Roemenië, Tsjechië, Slowakije, de landen van Ex-Joegoslavië, de ex-USSR-staten gelegen in Europa. Zuid-Europa: Portugal, Spanje, Italië, Griekenland. Maghreb: Marokko, Algerije, Tunesië.

140


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

spoor terug te vinden. Het waarom hiervan wordt duidelijk wanneer we kijken naar de lading die door vlag postindustriële migratie gedekt wordt. Ten eerste omvat de derde migratiegolf de hooggeschoolde kaders, aldus White. De instroom van hooggeschoolde werkkrachten is in verhouding tot de totale bevolking zo gering dat ze in louter kwantitatief opzicht weinig impact heeft. Vanwege het restrictieve Belgische immigratiebeleid – dat eerder in het teken van afremming en ontrading van immigratie staat (Coene, 2001, p. 35; De Gryse en Poppe, 1999, p. 53) – is ook het aantal erkende asielzoekers eerder gering. De derde categorie nieuwe migranten, de illegale vluchtelingen, zijn per definitie niet in officiële statistieken terug te vinden aangezien het om mensen gaat wiens verblijf in België niet geregistreerd is. Om zicht te krijgen op de groep nieuwe migranten zullen we ons bijgevolg tot andere bronnen moeten wenden. GRAFIEK 2

Aantal asielaanvragen per jaar in België – periode ’81 – ‘014

50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 00 01

totaal

goedgekeurd ('88-'01)

Bron: http://www.petitchateau.be/nl/belgie/belgie.htm

Grafiek 2 toont aan dat het aantal asielaanvragen in België vrij recent een hoge vlucht genomen heeft. Het eerder gering aantal asielaanvragen per jaar begin jaren tachtig staat in schril contrast met de piek van 1998-2001. In die zin bevestigen deze gegevens de categorisering van asielzoekers als ‘nieuwe’ migranten. Een forse stijging van het aantal asielaanvragen leidt echter niet automatisch tot een toename van het aantal erkende asielzoekers. Zelfs in de piekjaren waarin het aantal asielaanvragen 25.000 overstijgt, blijft het aantal erkenningen tussen 1000 en 1500 schom-

4. Gegevens over het aantal goedgekeurde asielaanvragen voor 1988 zijn bijzonder schaars. Uit vergelijking met gegevens van enkele buurlanden mogen we met relatieve zekerheid aannemen dat dit aantal zeker niet hoger zal geweest zijn dan het aantal erkenningen na 1988.

141


Vlaanderen gepeild ! melen. Het herkomstland van de asielzoekers verschilt sterk van jaar tot jaar. Aangezien de asielprocedure bedoeld is voor personen die vervolging in hun thuisland ontvluchten, is het herkomstland van de asielzoekers deels gedetermineerd door crisissituaties die zich in bepaalde delen van de wereld voordoen. Zo ontvluchtten vele Roemenen – voornamelijk Roma-zigeuners – de chaos na de val van Ceaucescu in 1989 (De Stoop, 1996, pp. 254-256). Sinds de genocide in Rwanda van 1994 vroegen duizenden Rwandese vluchtelingen in België politiek asiel aan. Nu er meer hoop op stabiliteit bestaat, begint de vluchtelingenstroom uit Rwanda echter wat te luwen. Dat crisissituaties vaak de motoren zijn achter de asielaanvragen, blijkt ook overduidelijk uit de stroom asielzoekers uit ex-Joegoslavië. In 1999 – toen de Kosovocrisis in volle hevigheid woedde – vroegen niet minder dan 12.880 Kosovaren in België politiek asiel aan. Naast het deel van de asielaanvragen dat varieert volgens de conflicthaarden in de wereld, is er een constante factor in herkomst van de asielzoekers terug te vinden. Het grootste deel van de asielzoekers is afkomstig uit Oost-Europa. Albanië, Bulgarije, Bosnië, Roemenië, Rusland, Slovakije, Servië en Oekraïne behoren reeds enkele jaren tot de bedenkelijke top-twintig van nationaliteitslanden van asielzoekers. Op veel van deze asielzoekers rust van staatswege echter de verdenking economisch vluchteling te zijn. Weinigen worden dan ook als asielzoeker erkend. Dit brengt ons direct bij een volgende categorie nieuwe migranten, nl. de illegale immigranten. Het restrictieve immigratiebeleid dat door België en de andere EU-lidstaten gevoerd wordt, heeft als neveneffect dat vele kandidaat-immigranten zich tot illegale achterpoorten wenden. Ondanks de reputatie van Europa als een moeilijk te infiltreren fort, zijn er toch een aantal plaatsen waar men als vluchteling relatief gemakkelijk – al dan niet met de hulp van mensensmokkelaars – kan binnendringen. De grensovergangen Albanië-Italië, Polen-Duitsland en Marokko-Spanje vormen voor vluchtelingen de voornaamste toegangspoorten tot het welvarende Europa (Coene, 2001, p. 39; Vidal, 1999, p. 27). Bovendien is van veel uitgeprocedeerde asielzoekers niet geweten of ze het land effectief verlaten. Voor België bestaan tot op heden weinig tot geen gesystematiseerde gegevens over het aantal mensen zonder papieren. De schattingen lopen nogal uiteen: sommigen schatten de omvang van de niet-legale populatie op 40.000, anderen spreken over 100.000 mensen zonder papieren (Coene, 2001, p. 51). Zeker is dat het om een vrij omvangrijke groep mensen gaat, die zich – haast onzichtbaar en in vaak mensonwaardige omstandigheden – in de Belgische steden schuilhouden (De Stoop, 1996). Eén en ander kan als volgt schematisch voorgesteld worden:

142


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

FIGUUR 1

Schematische voorstelling van de Belgische migrantenpopulatie

‘Oude’ migranten

‘Nieuwe’ migranten

Migratiegolf?

1ste en 2de migratiegolf (arbeidsmigratie en familieherenigning)

3de migratiegolf (hogere kaders, asielzoekers en illegale vluchtelingen)

Afkomst?

Middellandse Zeegebied: Zuid-Europa, Maghreb en Turkije

Diffuus: afkomstig uit alle hoeken van de wereld

2.2

| Attitudes tegenover etnische minderheden

Het is een understatement dat het samenleven tussen de autochtone bevolking en de hierboven beschreven groepen migranten niet altijd even vlekkeloos verloopt. In onderzoek is reeds aangetoond dat Vlamingen – net zoals de overige Europeanen (Thalhammer e.a., 2001) – vaak negatieve houdingen hebben ten opzichte van etnische minderheden. Alvorens na te gaan welke houdingen bij de Vlamingen leven tegenover zowel oude als nieuwe migranten, geven we een tour d’horizon van enkele klassieke werken omtrent attitudes ten opzichte van etnische minderheden.

2.2.1

| Theoretische verklaringen voor etnocentrisme

Sumner legde in zijn werk Folkways de grondslag voor het concept etnocentrisme. Etnocentrisme bestaat uit twee componenten, nl. een positieve houding tegenover de eigen sociale groep, gekoppeld aan een negatieve houding tegenover andere etnische groepen (Billiet e.a., 1992, p 301; Eisinga en Scheepers, 1989, p. 12). Later hebben een hele resem andere auteurs dit concept verder uitgewerkt en proberen te verklaren. Heel wat verklaringen putten uit sociaal-psychologische processen. Ongetwijfeld de meest befaamde bijdrage is die van Adorno, Frenkel-Brunswik, Levinson en Sanford (1950), waarin etnocentrisme geplaatst wordt in een complex van attitudes zoals autoritarisme, politiek en economisch conservatisme. Frustratie die door het kind bij een autoritaire opvoeding opgelopen wordt en niet onmiddellijk op de disciplinerende opvoeders afgereageerd kan worden, zou verplaatst worden naar weerloze outgroups (Meloen, 1997). Deze verklaring sluit naadloos aan bij het ‘zondebokmechanisme’ van Dollard (Billiet e.a., 1990, pp. 6-7). Volgens de CIC-theorie (social categorisation, identification, comparison) van Tajfel moet de oorsprong van etnocentrisme gezocht worden in de fundamentele menselijke behoefte aan een sociale

143


Vlaanderen gepeild ! identiteit. Mensen construeren deze identiteit door zich te identificeren met bepaalde groepen en zich te distingeren van andere. Deze sociale (contra-)identificatie zou resulteren in een positieve attitude ten opzichte van ingroups en een negatieve houding ten opzichte van outgroups (Eisinga en Scheepers, 1989, pp. 5-6; Scheepers e.a., 1989, pp. 32-34). De sociale identificatie theorie kan onmiddellijk gelinkt worden met Durkheims klassieke anomie-begrip. De subjectieve ervaring van onzekerheid met betrekking tot de snel evoluerende maatschappelijke realiteit brengt voor bepaalde sociale categorieën immers statusangst en statusfrustratie met zich mee. Deze zouden op hun beurt de behoefte aan een positieve sociale identiteit, en bijgevolg de drang om de eigen ingroup af te zetten tegen outgroups, nog vergroten (Billiet e.a., 1990, pp.6-8). Ook de inkleuring die Srole aan het concept anomie geeft – nl. het individueel gevoel niet meer bij de maatschappij te behoren en het gebrek aan identificatiemogelijkheden met de anderen – laat de theoretische overstap naar sociale (contra-)identificatie toe (Billiet en Loosveldt, 1998, p. 107). Naast de sociale psychologie hebben een aantal verklaringen zich op de sociologie geënt. De etnische competitie theorie voorspelt dat etnocentrisme zal ontstaan wanneer autochtonen en allochtonen met elkaar concurreren om bepaalde schaarse goederen, zoals woningen of jobs. Aangezien het vooral de lagere klassen zijn die met allochtone bevolkingsgroepen in competitie treden, zou etnocentrisme voornamelijk in de onderste lagen van de maatschappij voet aan de grond krijgen (Jacobs e.a., 2001, pp. 10-12). Socialisatietheorieën benadrukken de rol van gedeelde betekenisschema’s (met de daaraan gekoppelde waardeoordelen) die kenmerkend zijn voor een cultuur (Billiet e.a., 1990, p. 8). Etnocentrisme zou behoren tot de dominante ideologie in onze samenleving (Blommaert en Verschueren, 1992), en zou dan ook door allerlei socialisatie-instanties verspreid worden. De meeste van deze theorieën hebben een belangrijk punt gemeenschappelijk: ze bevatten weinig tot geen argumenten om attitudes ten opzichte van verschillende etnische minderheden te onderscheiden. In de theorievorming totnogtoe werd voornamelijk een diffuus etnocentrismeconcept gehanteerd.

2.2.2

| Predictoren voor etnocentrisme

De hierboven gepresenteerde theorieën zijn reeds vele malen uitvoerig getest op verschillende populaties (zie onder meer: Billiet e.a., 1990; Eisinga en Scheepers, 1989; Billiet e.a., 1996; Billiet en Loosveldt, 1998; Jacobs e.a., 2001; Coffé, 2002). Uit deze onderzoeken zijn een aantal belangrijke predictoren van etnocentrisme komen bovendrijven. De verklaringsmodellen die in veel onderzoek gehanteerd worden, zijn opgebouwd rond een cluster van relevante waardeoriëntaties. De doorslaggevende invloed van autoritarisme in veel onderzoek (Eisinga en Scheepers, 1989; Billiet e.a., 1990; Billiet en Loosveldt, 1998) bevestigt de relatie tussen de autoritaire persoonlijkheid en etnocentrisme die door Adorno et alii gepostuleerd werd. De autoritaire houding is een centrale indicator van het zgn. cultureel conservatisme of conformisme

144


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

aan geldende normen. Anomie – geoperationaliseerd als gevoelens van politieke en maatschappelijke machteloosheid – bleek eveneens een goede voorspeller te zijn voor etnocentrisme, wat steun verleent aan de sociale (contra-)identificatie theorie (Eisinga en Scheepers, 1989; Billiet e.a., 1990; Billiet en Loosveldt; 1998). De theoretische bruikbaarheid van anomie in een verklaringsmodel is echter meer recent onder vuur komen te liggen. De vraag kan immers gesteld worden of anomie niet tot een diffuus catch-all concept verworden is, en net door deze vaagheid alle betekenis verloren heeft (Waege, 1997, pp. 26-30). Verscheidene onderzoeken toonden ook aan dat ook utilitair individualisme – in de betekenis van het ongeremd nastreven van persoonlijke belangen en succes zonder al te veel rekening te houden met anderen (Elchardus en Heyvaert, 1990, pp. 155-156) – een negatieve houding tegenover etnische minderheden sterk bevordert (Billiet e.a., 1990; Billiet en Loosveldt, 1998). Deze drie etnocentrismebevorderende attitudes blijken bovendien niet onafhankelijk te zijn van bepaalde sociaal-structurele variabelen, zoals opleiding, inkomen en leeftijd. Attitudes vervullen als het ware een intermediaire rol waarlangs achtergrondkenmerken invloed uitoefenen op de houding ten opzichte van etnische minderheden. Naast een indirect effect via de interveniërende attitudes zou onderwijs ook rechtstreeks een negatieve houding tegenover outgroups temperen. Onderwijs houdt immers de overdracht van informatie, het vergroten van de cognitieve capaciteiten en de socialisatie van waarden en normen in. Deze processen plaatsen een rem op etnocentrische denkbeelden (Cambré, 2002, p. 23). Naast autoritarisme, anomie en individualisme zijn er nog een aantal predictoren ontdekt die minder makkelijk terug te koppelen zijn aan de klassieke etnocentrismetheorieën. Uit godsdienstsociologische hoek is veel aandacht gebleken voor de relatie tussen (christelijk) geloof en etnocentrisme. Deze samenhang bleek herhaaldelijk curve-lineair te zijn: niet-christenen en kerkse christenen zouden er minder etnocentrische opvattingen op nahouden dan christenen die weinig bij hun geloof betrokken zijn (de zgn. randkerkelijken) (Cambré, 2002). Het non-conformisme en cultuurrelativisme van de niet-christenen en de sterke oriëntatie op christelijke en algemeen-menselijke waarden van de kerksen zouden aan de oorsprong hiervan liggen (Billiet en Carton, 1991). Vrij recent hebben Elchardus en Siongers in een conferentiepaper (2002) etnocentrisme benaderd vanuit een cultuursociologisch perspectief. Verschillende subculturele smaakdimensies – opgebouwd uit muziekvoorkeur, mediagebruik en smaak in verband met kledij – bleken een al dan niet etnocentrische attitude van jongeren in sterke mate te voorspellen. Een voorkeur voor commercieel-populaire radiostations, televisiezenders en weekbladen hangt samen met een negatieve houding tegenover outgroups, terwijl andere patronen van culturele consumptie etnocentrisme eerder temperen. In het onderzoek “Onbekend of onbemind?” (1990, p. 213) hadden wij in de Belgische bevolking tussen 18 en 75 jaar eveneens vastgesteld dat negatieve beelden over migranten ruimer verspreid waren onder Vlamingen en Fran-

145


Vlaanderen gepeild ! staligen die het nieuws volgden op de zgn. commerciële televisie. Het is bijgevolg aangewezen om deze variabele opnieuw op te nemen in zover deze aanwezig is.

3

| Gebruikte data en methodologie

3.1

| Data

In deze bijdrage wensen we te onderzoeken welke attitudes Vlamingen er tegenover oude en nieuwe migranten op na houden. De voornaamste aandacht zal uitgaan naar de vraag of er van gedifferentieerde houdingen tegenover oude en nieuwe migranten sprake is. Scherper gesteld: onderscheiden Vlamingen in hun attitudes verschillende groepen migranten, of is de houding tegenover de respectievelijke categorieën louter een aspect van een algemene houding ten opzichte van etnische minderheden, nl. etnocentrisme? De APS-surveys van 2001 en 2002 laten de toetsing van hypotheses hieromtrent toe. Beide surveys bevatten een schaal met bijna exact dezelfde items die naar de attitude tegenover oude migranten peilt. De items hebben voornamelijk betrekking op Turkse en Marokkaanse immigranten, en niet op de Zuid-Europese gastarbeiders. De aanwezigheid van deze laatste groep wordt door de bevolking immers als veel minder opvallend – en daarmee samenhangend: minder problematisch – gepercipieerd dan de aanwezigheid van deze eersten. In het verleden is deze schaal vaak vooruitgeschoven als een meetinstrument voor etnocentrisme in het algemeen. Deze generalisatie maken we in deze bijdrage echter niet. Naast de oude migranten-schaal bevatten beide surveys een batterij items over specifieke groepen nieuwe migranten.5 In 2001 werd naar de houding ten opzichte van asielzoekers gepeild; in 2002 werden items opgenomen die de attitude tegenover Oost-Europese immigranten – die een niet onbelangrijk deel uitmaken van de nieuwe migranten – bevragen. Het feit dat zowel het survey van 2001 als dat van 2002 een schaal met betrekking tot oude én (een bepaalde categorie) nieuwe migranten bevat, laat ons toe te testen in hoever beide attitudes verschillen. De onderzoekspopulatie van beide surveys omvat de Nederlandstalige bevolking tussen 18 en 85 jaar in het Vlaamse Gewest en Brussel. In beide gevallen werden ca. 1450 gestandaardiseerde face-to-face interviews gerealiseerd op basis van een tweetrapssteekproef met gelijke kansen voor de elementaire steekproefeenheden (Devacht en Loosveldt, 2001).

5. Bijlage 1 bevat items van zowel de oude migrantenschaal als de items van de nieuwe migrantenschalen van 2001 en 2002.

146


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

3.2

| Methodologie

De vraag of er een onderscheid bestaat tussen twee attitudes brengt ons bij de volgende netelige kwestie: wanneer zijn twee houdingen volledig equivalent, en wanneer is het zinvol ze van elkaar te onderscheiden? Is een sterke samenhang tussen twee attitudes genoeg om ze te reduceren tot één concept? Zo ja, hoe sterk moet deze samenhang dan precies zijn? Op deze wetenschapsfilosofische vragen bestaat geen pasklaar antwoord. Bij de analyses zullen we echter van de volgende grondhouding vertrekken: een samenhang tussen twee houdingen – hoe sterk die ook moge zijn – is op zich geen voldoende argument voor de reductie tot één enkel concept. Minstens twee noodzakelijke voorwaarden moeten voldaan zijn. Ten eerste moet de samenhang tussen beide concepten even sterk zijn bij de verschillende bevolkingscategorieën die volgens relevante kenmerken kunnen onderscheiden worden. Zodra één enkele sociale groep differentiële houdingen tegenover de verschillende groepen migranten vertoont, is het immers al zinvol om twee verschillende concepten te hanteren. Ten tweede moet éénzelfde verklaring aan de basis liggen van twee houdingen om ze tot een algemene attitude te herleiden. We zullen het idee van deze twee noodzakelijke6 voorwaarden toepassen in de data-analyse. Eerst en vooral zullen we proberen na te gaan of een model met één enkele, diffuse houdingsvariabele (nl. etnocentrisme), dan wel een model met twee specifieke attitudevariabelen (nl. de houding tegenover oude migranten enerzijds, de houding tegenover nieuwe migranten anderzijds) het best bij de data past. In een tweede moment wordt de eerste noodzakelijke voorwaarde van dichterbij bekeken – zij het eerder beperkt. Er wordt nagegaan of de houding ten opzichte van oude en nieuwe migranten even sterk samenhangt bij hoog- als bij laagopgeleiden. Meer aandacht wordt geschonken aan verklaringsmodellen voor de houding tegenover oude en nieuwe migranten: we zullen op een statistisch-formele wijze testen of de houdingen tegenover de respectieve groepen migranten op éénzelfde wijze verklaard kunnen worden.

6. We laten hier in het midden of deze twee voorwaarden, eens ze vervuld zijn, ook voldoende voorwaarden zijn.

147


Vlaanderen gepeild ! 4

| Onderzoeksresultaten7

4.1

| Vlamingen over asielzoekers, Oost-Europese immigranten en oude migranten

Alvorens tot de meer technische analyses over te gaan, geven we een korte beschrijving van de gemeten houdingen van Vlamingen tegenover de verschillende groepen migranten. De vraagverwoording en een overzicht van de frequentieverdelingen kunnen teruggevonden worden in bijlage 1. De vragenlijst van 2001 bevat een achttal items met betrekking tot asielzoekers. Daaruit blijkt dat Vlamingen worden gekenmerkt door ambivalente gevoelens met betrekking tot asielzoekers. Enerzijds is een meerderheid (58%)8 het eens met het principe van politiek asiel: aan mensen die vluchten voor politiek geweld moet onderdak geboden worden. De beaming van het asielprincipe leidt echter niet automatisch tot een positieve houding tegenover asielzoekers, verre van. Maar liefst 61% van de Vlamingen is er immers van overtuigd dat asielzoekers naar België gekomen zijn ‘om van de sociale zekerheid te profiteren’. Blijkbaar leeft bij de Vlaamse bevolking het vermoeden dat nogal wat asielzoekers zich uitgeven voor vluchtelingen volgens de Conventie van Genève9, terwijl ze vanwege economische motieven gevlucht zijn. Dit laatste kan slechts op weinig begrip rekenen: amper een kwart van de Vlamingen heeft géén bezwaar tegen de vestiging van economische vluchtelingen in ons land. Een meerderheid is de mening toegedaan dat genoeg inspanningen geleverd worden voor de opvang van asielzoekers (58%) en dat asielzoekers voldoende menselijk behandeld worden (56%). Slechts een kleine minderheid meent dat asielzoekers geen overlast veroorzaken voor de buurt waarin het asielcentrum gelegen is (23% – middenalternatief 35%). Samenvattend kunnen we stellen dat Vlamingen gematigd posi-

7.

De oude migrantenschaal (2001 en 2002) en de schaal met betrekking tot asielzoekers (2001) zijn gebalanceerde schalen. De items – die door de respondent beantwoord moeten worden aan de hand van een vijfpuntenschaal (helemaal eens- helemaal oneens) – zijn nu eens in de ene, dan weer in de andere richting geformuleerd. Dergelijke gebalanceerde schalen laten toe ‘acquiescence’ of volgzaamheidsbias te meten, zo blijkt uit de methodologische literatuur. De door dit methode-effect veroorzaakte vertekening kan onder controle gehouden worden door een stijlfactor in het meetmodel op te nemen, die op alle items die onderhevig zijn aan volgzaamheidsbias even sterk laadt. Items waarbij een andere vraagmethodologie gehanteerd wordt (zoals forced choice-items) correleren vanzelfsprekend niet met deze stijlfactor (Billiet en McClendon, 2000). Aangezien de specificatie van een dergelijke stijlfactor leidt tot modellen die duidelijk beter bij de data passen, wordt in elk hieronder beschreven meetmodel een dergelijke stijlfactor gebruikt. 8. Deze percentages moeten met zorg geïnterpreteerd worden. Wanneer er 58% van de Vlamingen een bepaalde uitspraak beaamt, mag niet geconcludeerd worden dat de overige 42% het hiermee oneens is. Bij de meeste vragen opteerden immers 20 à 25% van de respondenten voor het middenalternatief (noch eens, noch oneens). In dit geval betekent dit dat slechts 22% tegen het asielprincipe is. Tenzij anders vermeld moet ook bij de andere vragen met een middencategorie van dezelfde grootte-orde rekening gehouden worden. 9. De Conventie van Genève (1951) definieert een vluchteling als de persoon, die een gegronde vrees heeft voor vervolging om reden van ras, religie, nationaliteit, behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, die zich buiten zijn of haar land van herkomst bevindt en die wegens die vrees de bescherming van dat land niet kan of wil inroepen (De Gryse en Poppe, 1999, p. 44).

148


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

tief staan tegenover het asielprincipe, maar er tegenover de asielzoekers en -centra eerder negatief gekleurde opinies op na houden. Voorlopig kan moeilijk onderscheiden worden of Vlamingen eerder bezwaar hebben tegenover de asielzoekers zelf, of tegenover asielcentra die in hun buurt geïmplementeerd worden (het Not-In-My-BackYard-syndroom). Vervolgonderzoek zal hieromtrent meer duidelijkheid moeten scheppen. Niet enkel tegenover asielzoekers, maar ook tegenover andere nieuwe immigranten bestaat er weerstand bij de Vlaamse bevolking. In 2001 gaf 65% van de Vlamingen aan gekant te zijn tegen de vestiging van Oost-Europese immigranten in België; 30% koos het middenalternatief. De survey van 2002 wijst in dezelfde richting. Toen werden zeven regio’s – voornamelijk Oost-Europese landen – voorgelegd aan de respondenten met de vraag zich te situeren op een zevenpuntenschaal, gaande van ‘immigratie uit deze regio helemaal stoppen’ tot ‘alle immigratie toelaten’.10 Tegenover immigratie uit EU-landen staan Vlamingen gematigd: de voorstanders (40%) zijn iets talrijker dan de tegenstander (32%). Nieuwe immigratie van Oost- en nietEuropeanen wekt daarentegen heel wat weerstand op: tussen 54% (Polen) en 68% (Albanië) van de Vlamingen uit zich expliciet tegen verdere immigratie uit de desbetreffende gebieden. Wanneer we daarenboven rekening houden met ruim 20% die voor het middenalternatief opteert, is duidelijk dat de voorstanders van verdere immigratie dun gezaaid zijn. Wat betreft de oude migranten bevestigen de gegevens uit 2001 en 2002 wat al uit vorig onderzoek geweten is: bij een niet onbelangrijke minderheid van de Vlamingen leven heel wat etnocentrische denkbeelden, en dit bleef relatief stabiel tussen 1991 en 1999 (Coffé e.a., 2002). Zo beaamt in 2001 28% van de Vlamingen de stelling dat België nooit gastarbeiders had mogen binnenlaten. Ongeveer even omvangrijk (27% in zowel 2001 als 2002) is de groep die van mening is dat ‘migranten over het algemeen niet te vertrouwen zijn’. Deze negatieve attitudes tegenover oude migranten hangen sterk samen met een perceptie van de oude migranten als een bedreiging: een deel van de Vlamingen meent dat zowel de werkgelegenheid (27% in 2001) als de culturele eigenheid (34% in 2001; 36% in 2002) bedreigd wordt door migranten. Een nipte meerderheid van de Vlamingen is het eens met de stelling dat migranten profiteren van de sociale zekerheid. Meer hoopgevend voor het samenleven van de verschillende etnische groepen in België is dat minstens even veel Vlamingen zich expliciet positief uitlaten over oude migranten: 47% (2001) respectievelijk 44% (2002) vindt moslimgezinnen gastvrij; 52% (2001)/ 53% (2002) noemt Turken en Marokkanen ‘vriendelijk als men ze beter leert kennen’. Opvallend is evenwel de consensus die bestaat omtrent de inburgering van migranten: 83% (86% in 2002) van de Vlamingen is ervan overtuigd dat migranten zich moeten aanpassen ‘aan onze cultuur en gebruiken’. Brandend actueel is het item met betrekking tot stemrecht voor (oude) migranten. Zowel in 2001 als in 2002 spreekt de meerderheid van de Vlamin-

10. Achtereenvolgens: Europese Unie, Polen, Rusland, Albanië, Roemenië, Kosovo en buiten Europa.

149


Vlaanderen gepeild ! gen zich uit tegen gemeentelijk stemrecht voor migranten die langer dan 5 jaar op legale wijze in ons land verblijven. Bovendien is het aantal tegenstanders van migrantenstemrecht licht maar significant gestegen van 51% naar 56%.11

4.2

| Houding tegenover migranten: één of twee latente variabelen?12

Zowel de aanwezigheid van oude als nieuwe migranten roept gemengde gevoelens op, zo blijkt uit de beschrijving hierboven. Zijn de houdingen van de Vlamingen tegenover de verschillende groepen migranten echter gedifferentieerd of niet? Verschillen de evaluatieve predisposities (alluderend op de attitude-definitie van Fishbein en Ajzen, 1975) aanwezig in de psyche van Vlamingen werkelijk naargelang de desbetreffende groep migranten, of kan de attitude van Vlamingen tegenover de verschillende migrantengroepen daarentegen volledig begrepen worden vanuit één enkele algemene houding tegenover outgroups? Deze tweede onderzoeksvraag kan in eerste instantie methodologisch vertaald worden op het niveau van latente variabelen in een meetmodel. Hieronder zullen we nagaan of de antwoorden van de respondenten op de items met betrekking tot de verschillende migranten het best door één enkele, of door twee verschillende achterliggende variabelen verklaard kunnen worden.13 Indien één enkele achterliggende variabele genoeg blijkt te zijn, dan betekent dit dat we empirische steun gevonden hebben voor de stelling dat de houding van Vlamingen tegenover verschillende etnische minderheden volledig bepaald wordt door één algemene attitude, nl. diffuus etnocentrisme. Wanneer een model met twee (of meer) latente variabelen beter past, mogen we dit interpreteren als een indicatie van het bestaan van differentiële attitudes tegenover verschillende migrantengroepen. De data van 2001 bevatten 14 items over oude migranten en negen items over nieuwe migranten (waarvan acht met betrekking tot asielzoekers en één met betrekking tot Oost-Europese immigranten). Een model met één enkele inhoudelijke latente variabele, nl. diffuus etnocentrisme, kan niet verworpen worden op basis van de geobserveerde data. Alle passingsmaten wijzen er immers op dat het model de data op een aanvaardbare wijze kan beschrijven.14 Een model waarin de distinctie tussen de attitude ten opzichte van oude en ten opzichte van nieuwe migranten – in dit geval voornamelijk asielzoekers – wel gemaakt wordt, levert geen substantiële

11. De hypothese die stelt dat er geen verschil is in de populatie, moet verworpen worden op α-niveau 0,05. 12. Om de leesbaarheid te bevorderen zijn de tabellen met betrekking tot deze sectie niet in de tekst zelf, maar in bijlage 2 opgenomen. 13. Hiervoor maken we gebruik van confirmatorische factoranalyse m.b.v. LISREL 8.50 (Jöreskog en Sörbom, 1993). 14. Vuistregels suggereren dat een model passend is wanneer de root mean square error of approximation (RMSEA) lager is dan 0.05 en de normed fit index (NFI) zo dicht mogelijk bij 1 aansluit (minstens >.90) (Byrne, 1998, pp. 109-119).

150


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

verbetering op. Bovendien is de samenhang tussen de twee latente variabelen letterlijk bijna perfect (de correlatie bedraagt 0.97). Wanneer we dus specifieke attitudes tegenover etnische minderheden proberen te onderscheiden, komt toch tweemaal dezelfde, diffuse houding bovendrijven. In dit geval is het model met algemeen etnocentrisme als enige achterliggende factor duidelijk theoretisch zinvoller, want spaarzamer dan het model met de twee specifieke houdingen. Opvallend is dat het item met betrekking tot de Oost-Europese nieuwe immigranten perfect thuishoort tussen de vragenbatterijen over oude migranten en asielzoekers. Dit scherpt het vermoeden dat Vlamingen weinig attitudinaal onderscheid maken tussen de verschillende groepen migranten. Naast de klassieke oude migrantenschaal – die uit bijna exact dezelfde items opgebouwd is als in 2001 – bevat de survey van 2002 een bijkomende vraag die peilt naar de weerstand die bij de respondent bestaat om een Turks of Marokkaans gezin als buur te hebben.15 Dit item dat peilt naar de sociale afstand tussen autochtonen en allochtonen, hoort in de set items over oude migranten thuis, zo blijkt uit de analyses. De vragenbatterij met betrekking tot de nieuwe migranten heeft deze keer hoofdzakelijk betrekking op Oost-Europese immigranten in plaats van asielzoekers. Het plaatje ziet er dan ook helemaal anders uit. Het model met diffuus etnocentrisme als enige latente variabele wordt door de gegevens weerlegd. Een model met twee specifieke vormen van etnocentrisme levert daarentegen een spectaculaire verbetering op, en is dan ook heel wat plausibeler. De attitudes tegenover oude en nieuwe migranten hangen sterk samen, maar de correlatie (0,72) is beduidend minder sterk dan in 2001. Dit zijn duidelijke argumenten voor het bestaan van een (licht) gedifferentieerde houding ten opzichte van Oost-Europese immigranten enerzijds, en Turkse en Marokkaanse migranten anderzijds. De attitudes tegenover de respectievelijke migranten vallen niet volledig samen. Het meetmodel voor de nieuwe migranten levert enkele bijkomende en bovendien interessante conclusies op. De latente variabele kan de items met betrekking tot de Oost-Europese immigranten van verschillende nationaliteiten bijna perfect verklaren.16 Vragen over Russische, Roemeense, Kosovaarse of andere Oost-Europese immigranten roepen blijkbaar dezelfde connotaties op en brengen bijna exact dezelfde respons teweeg. Op basis van deze analyses met betrekking tot de totale populatie, zijn we geneigd te concluderen dat de attitudes tegenover asielzoekers en oude migranten deel uitmaken van één globale houding tegenover etnische minderheden. Vlamingen zouden daarentegen wel gedifferentieerde attitudes hebben tegenover oude migranten en nieuwe Oost-Europese immigranten. Over de verklaring hiervoor kunnen we voorlopig enkel veronderstellingen maken. Er mag echter niet uit het oog verloren worden dat in de tijd tussen de twee surveys heel wat media-effecten invloed kunnen 15. De respondenten werden verzocht acht potentiële buren – waaronder een Turks of Marokkaans gezin – te rangschikken volgens voorkeur. De andere potentiële buren en de exacte vraagverwoording kunnen teruggevonden worden in bijlage 1. 16. De squared multiple correlation schommelt voor de items met betrekking tot Oost-Europese landen tussen 0.96 en 0.99.

151


Vlaanderen gepeild ! gehad hebben op de beeldvorming over oude migranten. Naar aanleiding van de aanslagen van 11 september en de Palestijnse kwestie werd in de media een bijzonder negatief en agressief beeld van de Islam opgehangen. Hierdoor zijn Vlamingen de oude migranten in 2002 mogelijks meer bedreigend gaan percipiëren dan andere, nieuwe migranten.

4.3

| Meetmodellen in de deelpopulaties17

Zoals in het methodologisch intermezzo reeds gesteld werd, kunnen we ons niet tevreden stellen met deze voorlopige resultaten op niveau van de totale steekproef. Alvorens te kunnen concluderen dat twee attitudes tot één enkel concept gereduceerd kunnen worden, moeten minstens twee bijkomende tests uitgevoerd worden. In wat nu volgt krijgen de specifieke vormen van etnocentrisme het spreekwoordelijke voordeel van de twijfel: zolang geen verdere aanduidingen gevonden zijn voor reductie tot één globale attitude, blijven we een distinctie maken tussen de houding tegenover oude en nieuwe migranten. Een eerste test bestaat erin de samenhang tussen de gedifferentieerde attitudes te bekijken binnen verschillende deelpopulaties. Van zodra één enkele deelpopulatie er gedifferentieerde houdingen op na houdt, is het immers theoretisch zinvol twee verschillende concepten te hanteren. Het addertje dat zich bij deze test onder het gras schuilhoudt, is de keuze van de relevante variabelen om de populatie op te delen. Het lijkt een redelijke assumptie dat personen er meer gedifferentieerde attitudes op na houden naarmate ze beter op de hoogte zijn van de maatschappelijke en politieke realiteit en dus meer bij het maatschappelijke debat betrokken zijn. Aangezien maatschappelijke kennis in 2001 noch in 2002 bevraagd werd, moeten we ons tevreden stellen met de opdeling in deelpopulaties volgens de proxy-variabele opleidingsniveau. Natuurlijk zijn vele andere distincties – zoals naar gender of generatiemogelijk, die niet in deze bijdrage aan bod komen. In die zin bezit deze test slechts een precair karakter. Hieronder bekijken we de meetmodellen met twee gedifferentieerde attitudefactoren binnen twee deelpopulaties, nl. de hooggeschoolden (minstens hoger secundair ASO) en de laaggeschoolden. De modellen voor de hoog- en de laaggeschoolden worden vergeleken door zoveel mogelijk parameters aan elkaar gelijk te stellen.18 Op die manier kan nagegaan worden of de houdingen tegenover oude en nieuwe migranten even sterk samenhangen bij hoog- als laaggeschoolden. Het meetmodel met betrekking tot de houding tegenover asielzoekers en oude migranten (2001) is voor de laaggeschoolden volledig gelijk te stellen aan dat van de hooggeschoolden. Onze interesse wordt vooral opgewekt door het feit dat de

17. De tabellen met betrekking tot deze sectie zijn terug te vinden in bijlage 3. 18. Dit kan door een multi-group model te specificeren m.b.v. LISREL 8.50. Hierbij vertrekken we van een model dat volledig invariant is tussen beide groepen. Vervolgens wordt nagegaan welke theoretisch zinvolle parameters gelost moeten worden om het model te verbeteren.

152


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

samenhang tussen de beide houdingsvariabelen equivalent is in beide groepen. De hooggeschoolden maken – wat hun attitudes betreft – evenmin als de laaggeschoolden onderscheid tussen oude migranten en asielzoekers: de correlatiecoëfficiënt bedraagt in beide groepen 0.97. Een hogere scholing zet blijkbaar niet aan tot meer genuanceerde denkpatronen met betrekking tot deze aspecten van de migratieproblematiek. De gegevens met betrekking tot Oost-Europese immigranten en oude migranten uit de survey van 2002 werden aan exact dezelfde test onderworpen. Deze keer zijn de meetmodellen voor de opleidingsgroepen echter niet volledig invariant. Ten eerste vertoont de latente variabele ‘houding tegenover oude migranten’ meer spreiding bij de hoog- dan bij de laaggeschoolden. Concreet betekent dit dat de lager geschoolden als groep homogener zijn wat betreft de attitude tegenover oude migranten. De hooggeschoolden zijn relatief verdeeld tussen culturele openheid en geslotenheid, terwijl bij laaggeschoolden een negatievere houding ten opzichte van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders meer algemeen verspreid is. Ten tweede is er ook een verschil tussen hoog- en laaggeschoolden wat betreft de samenhang tussen beide attitudes. Tegen de verwachtingen in blijkt de correlatie bij hooggeschoolden (0.83) significant sterker dan die bij de laaggeschoolden (0.67). Dit wijst erop dat laaggeschoolden een meer gedifferentieerde houding hebben ten opzichte van oude migranten en nieuwe Oost-Europese migranten dan hooggeschoolden. Naar de reden hiervoor kunnen we voorlopig enkel gissen. Mogelijk moet een verklaring op het contextueel niveau gezocht worden. Laaggeschoolden wonen en werken immers vaker in de nabijheid van zowel oude als nieuwe migranten. Dit contact met de verschillende groepen migranten kan een meer genuanceerde perceptie als consequentie hebben. Deze tweede test suggereert dezelfde conclusies als de analyses uit sectie 4.2. Het lijkt weinig zinvol een onderscheid tussen de attitude ten opzichte van oude migranten enerzijds, en de houding tegenover asielzoekers anderzijds, te hanteren. Zowel bij laag- als hooggeschoolden is de samenhang tussen beide houdingen nagenoeg perfect. Vlamingen – vooral de laaggeschoolden – zouden daarentegen wel een gedifferentieerde attitude hebben ten opzichte van oude migranten en nieuwe OostEuropese migranten.

4.4

| Naar een verklaring van de houding tegenover migranten

De vraag naar het al dan niet bestaan van gedifferentieerde etnocentrische attitudes ten opzichte van verschillende groepen migranten kan niet beantwoord worden zonder de focus te verleggen naar de factoren die aan de basis van deze houdingen liggen. Wanneer de particuliere vormen van etnocentrisme immers door verschillende covariaten verklaard worden, kunnen ze onmogelijk tot één diffuus etno-

153


Vlaanderen gepeild ! centrismeconcept gereduceerd worden. Hieronder wordt achtereenvolgens voor de data van 2001 en 2002 gezocht naar een verklaring voor de houdingen tegenover oude en nieuwe migranten. Beide houdingen worden in één enkel integraal verklaringsmodel opgenomen, wat toelaat om op een formele wijze na te gaan op welke punten de verklaringen verschillen.

4.4.1

| Operationalisering van de predictoren

Bij de formulering van de verklaringsmodellen wordt grotendeels in de voetsporen van vorig onderzoek getreden (Billiet e.a., 1990; Billiet en Loosveldt, 1998). Concreet betekent dit dat we de specifieke vormen van etnocentrisme voornamelijk vanuit een aantal sociaal-structurele kenmerken en vanuit een cluster van relevante attitudes – die de relatie tussen de achtergrondkenmerken en etnocentrisme mediëren – zullen pogen te verklaren. Aan de hand van een zestal sociaal-structurele kenmerken wordt de sociale context waarin de respondent zich bevindt geïndiceerd. Sekse en leeftijd zijn objectieve achtergrondkenmerken die in het verleden hun relevantie al bewezen hebben. Leeftijd wordt geoperationaliseerd als een variabele met een negental klassen. Op basis van de generatiethese van Becker (1992) kan verondersteld worden dat het theoretisch superieur is om leeftijd op te delen in een vijftal generaties, en die vervolgens op nominaal niveau te beschouwen. Omwille van de lineaire model-benadering die hier gehanteerd wordt, is dit praktisch echter moeilijk haalbaar. Zowel onderwijs als inkomen kunnen als indicator van de sociaal-economische status van de respondent gezien worden. Deze eerste variabele bevat informatie omtrent het hoogst behaalde diploma van de respondent, opgedeeld in zes categorieën. Het verdient de voorkeur ook deze variabele als categorisch te beschouwen. In deze context blijkt het effect van onderwijs echter lineair te zijn, zodat de keuze voor de lineare model-benadering verantwoord is. De variabele inkomen heeft betrekking op het netto maandelijks gezinsinkomen. Ontbrekende waarden voor de variabele ‘inkomen’ werden geïmputeerd met behulp van een regressiefunctie met onafhankelijke variabelen leeftijd, opleiding, en het al dan niet betaald werken. Het vijfde sociaal-structurele achtergrondkenmerk heeft betrekking op de inbedding in het verenigingsleven. De variabele lidmaatschap meet het aantal verenigingen waar de respondent bij aangesloten is. Tenslotte is er het laatste achtergrondkenmerk, nl. levensbeschouwing. Uit vorig onderzoek is gebleken dat het effect van levensbeschouwing in combinatie met kerkelijke betrokkenheid op etnocentrisme curve-lineair is (Cambré, 2002). Randkerkelijken en mensen zonder levensbeschouwelijke overtuiging bleken immers meer afkeer ten opzichte van outgroups te vertonen, terwijl vrijzinnigen, kerksen en kerkelijken minder etnocentrisch ingesteld zouden zijn. Daarom moet met zowel de levensbeschouwelijke oriëntatie als de kerkelijke betrokkenheid rekening gehouden worden. Wat betreft de levensbeschouwelijke oriëntatie wordt een onderscheid gemaakt tussen vrijzinnigen/ andersgelovigen, niet gelovigen en (de referentiecategorie) christenen. De mate waarin personen deelnemen aan religieuze erediensten gebruiken we

154


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

als indicator voor de kerkelijke betrokkenheid. Al deze achtergrondvariabelen zijn zowel in het verklaringsmodel van 2001 als 2002 opgenomen, zodat de analyses op dit vlak volledig vergelijkbaar zijn. Op basis van de hiervoor gepresenteerde theorieën kan verwacht worden dat de effecten van deze achtergrondkenmerken op de houding ten opzichte van etnische minderheden voornamelijk indirect zullen verlopen. Uit vorig onderzoek bleek inderdaad dat er bepaalde attitudes interveniëren in de relatie tussen achtergrondkenmerken en etnocentrisme. De vragenlijst van 2001 bevat een batterij items aan de hand waarvan utilitair individualisme (INDIV) gemeten wordt. In 2002 werd daarenboven naar politieke machteloosheid (POLMA) – één van vijf componenten van Srole’s anomiebegrip (Billiet en Loosveldt, 1998, p. 107) – en onveiligheidsgevoelens (ONVEIL) gepeild.19 Het ontbreken van een autoritarismeschaal in dit onderzoek is een belangrijk theoretisch deficit, zoals mag blijken uit de centrale rol die door dit begrip bekleed wordt in de theorievorming omtrent etnocentrisme. Naast deze haast klassieke covariaten van etnocentrisme nemen we, in navolging van Elchardus en Siongers (2002), en aansluitend bij ons vroeger onderzoek (Billiet e.a. 1990, p. 213), ook een aspect van mediagebruik op in de analyses, nl. kijkgedrag. De dataset van 2001 bevat immers informatie over de voorkeurstelevisiezender van de respondent. Wanneer de respondent aangeeft voornamelijk naar een Vlaamse commerciële zender (VTM, Kanaal2 of VT4) te kijken, wordt hij als een ‘amusementskijker’ beschouwd; draagt de openbare zender (TV1, Canvas) een regionale, Waalse of buitenlandse zender zijn voorkeur weg, dan betitelen we hem – bij gebrek aan een betere term – als ‘informatiekijker’.20

4.4.2 | Oude migranten vs. asielzoekers (2001) Alle in 2001 gemeten predictoren en de twee te verklaren variabelen, namelijk de houding ten opzichte van oude migranten (OUDMIG) en asielzoekers (ASIEL), worden samen opgenomen in één enkel padmodel. Om de gelijkheid van de verklaringen van beide attitudes te testen, vertrekken we van een volledig invariant model, dit wil zeggen een model waarin de onafhankelijke variabelen de twee te verklaren attitudes op exact dezelfde wijze beïnvloeden. Daarna gaan we na of het model verbeterd kan worden door de gelijkheid van verklaring op bepaalde punten op te geven. Er wordt met andere woorden getest of de verklaringen voor beide specifieke vormen van etnocentrisme significant verschillend zijn. Het feit dat het model met volledig invariante verklaringen redelijk goed bij de data past, geeft aan dat de verklaringen van de houding tegenover asielzoekers en oude migranten dicht tegen elkaar aanliggen. Op één punt kan een verbetering in

19. Al deze schalen werden op validiteit en betrouwbaarheid getest d.m.v. confirmatorische factoranalyse. Informatie over de schaalconstructies is terug te vinden in bijlage 4. 20. Naast de hierboven beschreven covariaten werden ook nog een aantal andere verklarende variabelen – zoals subjectieve tevredenheid met de werksituatie – getest. Aangezien ze niet konden bijdragen ter verklaring van de houding t.o.v. etnische minderheden, worden ze niet in verdere analyses opgenomen.

155


Vlaanderen gepeild ! het model aangebracht worden. Sekse blijkt een differentiële invloed op de houding tegenover oude migranten en asielzoekers te hebben. Vrouwen hebben – onder controle van alle andere variabelen in het verklaringsmodel – een sterkere weerstand tegenover Turkse en Marokkaanse migranten, maar verschillen niet van de mannen wat hun attitude ten opzichte van asielzoekers betreft. Dit kan toe te schrijven zijn aan het vrouwonvriendelijke beeld dat vaak in de media opgehangen wordt van de Islam. Een misschien meer plausibele verklaring is de associatie tussen criminaliteit en oude migranten die vaak door media (Blommaert en Verschueren, 1992, pp. 31-91) en politici wordt gemaakt, terwijl – naast negatieve berichtgeving – asielzoekers vaak ook een slachtofferrol toebedeeld krijgen. Vrouwen zijn wellicht meer ontvankelijk voor de criminalisering van Turkse en Marokkaanse immigranten omdat ze zich – zoals verder nog zal blijken – vaker bedreigd voelen. De wijze waarop de achtergrondvariabelen en de waardeoriëntaties met de attitudes ten opzichte van de respectieve groepen migranten samenhangen, wordt samengevat in tabel 1. De afhankelijke variabele OUDMIG (ASIEL) is zo gecodeerd dat een hogere score een meer negatieve houding tegenover oude migranten (asielzoekers) uitdrukt. Behalve het differentiële sekse-effect, zijn de verklaringen van OUDMIG en ASIEL volledig gelijklopend. Consistent met vorige studies (Billiet en Loosveldt, 1998) heeft utilitair individualisme het grootste effect op de houding tegenover outgroups. Het ongeremd nastreven van persoonlijke belangen bevordert een negatieve attitude ten opzichte van etnische minderheden, vermoedelijk omdat deze laatsten als een obstakel voor de eigen materiële welstand gepercipieerd worden. Via deze interveniërende waardeoriëntatie hebben een aantal achtergrondkenmerken een negatief indirect effect op de particuliere vormen van etnocentrisme. Omdat vrouwen, hooggeschoolden, grootverdieners, verenigingsleden en informatiekijkers weinig individualistisch ingesteld zijn, staan ze minder afwijzend tegenover de aanwezigheid van migranten. In tegenstelling tot vorige onderzoeken moeten we concluderen dat heel wat sociaal-structurele variabelen de particuliere vormen van etnocentrisme rechtsreeks beïnvloeden. Hoogstwaarschijnlijk is dit te wijten aan de afwezigheid van enkele theoretisch cruciale waardeoriëntaties in deze analyse, nl. autoritarisme en (een aantal componenten van) anomie. Een hogere leeftijd gaat gepaard met een grotere terughoudendheid ten opzichte van zowel oude migranten als asielzoekers. Boven op het etnocentrismeremmend effect via individualisme, tempert een hogere opleiding ook rechtsreeks de negatieve gevoelens tegenover de verschillende outgroups. Het curve-lineaire effect van levensbeschouwing wordt hier volledig bevestigd. Personen die niet op het christelijk geloof georiënteerd zijn, nl. vrijzinnigen, andersgelovigen en niet-gelovigen, vertonen minder etnocentrische attitudes dan christenen (in Vlaanderen overwegend katholieken). Echter, christenen die sterk bij hun geloof betrokken zijn, staan eveneens positiever tegenover outgroups. Etnocentrisme gedijt dus vooral onder de randkerkelijken. Deze groep wordt immers noch door het cultuurrelativisme van de vrijzinnigen, noch door de oriëntatie op algemeen-menselijke

156


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

waarden van de kerkse christenen, gekenmerkt. Bijzonder interessant is het feit dat er net géén differentieel effect bestaat van levensbeschouwing op de attitude tegenover oude migranten en asielzoekers. Een onderscheid zou immers kunnen verwacht worden omdat oude migranten veeleer met Islam (en dus met een andere levensbeschouwelijke oriëntatie dan het christendom) worden geassocieerd dan asielzoekers. Bovendien zijn vanuit christelijke, meer in het bijzonder katholieke, hoek in de jaren negentig een aantal initiatieven ontsprongen om het humane deficit in het Belgische asielbeleid op te vangen. Het kerkasiel is hier een voorbeeld van (Kennes, 1999). De specifieke aandacht die van de Kerk uitgaat naar de asielproblematiek weerspiegelt zich niet in de houdingen van de christenen: ze staan niet opener voor asielzoekers dan voor oude migranten. Mensen die bij voorkeur naar commerciële televisiestations kijken hebben een negatievere houding tegenover etnische minderheden, zo leert de analyse van de variabele kijkgedrag ons. Op zich is dat niet zo verwonderlijk, ware het niet dat deze relatie overeind blijft onder controle van alle achtergrondvariabelen. Mogelijke verklaringen zijn voorlopig giswerk. Het is alleszins voorbarig om van een causale relatie te gewagen. Het is dus zeker niet bewezen dat de programmatie van de commerciële zenders etnocentrisme veroorzaakt. Waarschijnlijker is dat het hier gaat om het schijnverband: elke televisiezender heeft haar eigen kijkerspubliek die op het vlak van maatschappelijke houdingen en culturele smaken sterk van elkaar verschillen.

157


Vlaanderen gepeild ! TABEL 1

Structureel verklaringsmodel voor de houding tegenover oude migranten en asielzoekers (2001) – gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (β’s) – N = 1357 Direct effect op INDIV

Sekse Vrouw (referentie: man) Leeftijd Onderwijs Inkomen Lidmaatschap Levensbeschouwing Vrijzinnig/ander Ongelovig (referentie: christen/kath.) Kerkelijke betrokkenheid Kijkgedrag Amusement (referentie: Informatie) Individualisme R2

-0,1***

-0,15*** -0,29*** -0,09***

Effect op OUDMIG Direct

0,21

Direct

Totaal

0,06***

0,02

0,09*** -0,19***

0,09*** -0,24*** -0,11*** -0,04***

0,09*** -0,19***

0,09*** -0,24*** -0,11*** -0,04***

-0,06*** -0,05***

-0,06*** -0,05***

-0,06*** -0,05***

-0,06*** -0,05***

-0,06*** 0,11***

Totaal

Effect op ASIEL

-0,04***

-0,03*** 0,26***

0,31***

0,39*** 0,39*** 0,48

-0,03** 0,26***

0,31***

0,39*** 0,39*** 0,46

Passingsmaten volledig model: Chi2 =1746,46 Df=457 RMSEA=0,047 p(close fit)=0,99 NFI=0,96 * p<.05 ** p<.01 *** p<.001

Met behulp van bovenstaand padmodel hebben we heel wat verklaringen voor de attitudes ten opzichte van oude migranten en asielzoekers kunnen ontsluieren. Als voornaamste punt onthouden we dat de verklaringen van beide houdingen – behoudens een differentieel effect van sekse – bijna volledig parallel zijn. Het is echter onmogelijk de empirische gegevens terug te koppelen aan de theorieën omtrent attitudes tegenover etnische minderheden. De consequentie van het ontbreken van een aantal relevante waardeoriëntaties (zoals anomie en autoritarisme) is dat niet tussen de verschillende theoretische invalshoeken gediscrimineerd kan worden. Achtergrondvariabelen zoals sociaal-economische status spelen immers een sleutelrol in zowel de etnische competitie theorie, de sociale identificatie theorie als in Adorno’s autoritarismeraamwerk.

158


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

4.4.3 | Oude migranten vs. Oost-Europese immigranten (2002) Volgens exact dezelfde procedure als hierboven kan met behulp van de gegevens van 2002 getest worden waar de verschilpunten zich bevinden in de verklaring van de houding tegenover oude migranten (OUDMIG) en Oost-Europese nieuwe immigranten (OOSTEUROP). Ondanks het feit dat de samenhang tussen deze twee variabelen gevoelig minder sterk is dan tussen ASIEL en OUDMIG, kan het invariant model op geen enkel punt verbeterd worden. Weerstand tegenover de aanwezigheid van oude migranten kan dus door identiek dezelfde factoren verklaard worden als een negatieve attitude ten opzichte van Oost-Europese nieuwe migranten. TABEL 2

Structureel verklaringsmodel voor de houding tegenover oude migranten en OostEuropese nieuwe migranten (2002) – gestandaardiseerde regressiecoëfficiënten (β’s) – N= 1370 Effect op Direct effect op INDIV

Sekse Vrouw (referentie: man) Leeftijd Onderwijs Inkomen Lidmaatschap Levensbeschouwing Vrijzinnig/ander Ongelovig (referentie: christen/kath.) Kerkelijke betrokkenheid Individualisme Politieke machteloosheid Onveiligheidsgevoelens R2

POLMA

-0,09***

ONVEIL

OUDMIG

Direct

Totaal

Effect op OOSTEUROP

Direct

Totaal

0,13*** 0,15***

0,01*** 0,01*** 0,05*** 0,05*** -0,35*** -0,27*** -0,32*** -0,47*** -0,32*** -0,47*** -0,47*** 0,14*** -0,02*** 0,14*** -0,02*** -0,16*** -0,07*** -0,06*** -0,13*** -0,06*** -0,13***

-0,03*** -0,03*** -0,03*** -0,03***

-0,02*** -0,02*** -0,02*** -0,02*** -0,04*** 0,34***

0,17***

0,26***

0,34***

0,29***

-0.01*** 0,33***

0,29***

-0.01*** 0,33***

0,11***

0,11***

0,11***

0,11***

0,33*** 0,49***

0,33***

0,33*** 0,47***

0,33***

Passingsmaten volledig model: Chi2 =1746,46 Df=457 RMSEA=0,047 p(close fit)=0,99 NFI=0,96 * p<.05 ** p<.01 *** p<.001

159


Vlaanderen gepeild ! Opnieuw staan waardeoriëntaties – ditmaal een cluster van drie om precies te zijn – centraal in het verklaringsmodel. De rol van utilitair individualisme (INDIV) als katalysator van een negatieve houding tegenover oude migranten wordt hier volledig bevestigd. Nieuw is dat individualisme ook weerstand ten opzichte van OostEuropese immigranten in de hand werkt. De relatie tussen utilitair individualisme en een negatieve houding tegenover outgroups verloopt niet enkel rechtsreeks, maar ook indirect via politieke machteloosheid (POLMA). Individualisme gaat gepaard met een groter wantrouwen van het politieke systeem – één van de vijf componenten van Srole’s anomiebegrip. Deze politieke machteloosheid bevordert op haar beurt weerstand tegen de aanwezigheid van zowel oude als nieuwe Oost-Europese migranten. Deze bevinding is consistent met de sociale identificatie theorie: een tekort aan subjectieve identificatiemogelijkheden met het politiek bestel doet de nood aan andere wijzen om een sociale identiteit op te bouwen ontstaan. Dit kan resulteren in contraidentificatie tegenover outgroups. Ook mensen die zich in hun veiligheid bedreigd voelen (ONVEIL) staan vaker afkerig tegenover migranten. Minstens een deel van de Vlamingen associeert oude migranten en Oost-Europese migranten met onveiligheid en criminaliteit. Het feit dat etnische minderheden door de media, het Vlaams Blok maar ook door andere politieke partijen vaak in een crimineel hoekje geduwd worden, is hier ongetwijfeld medeverantwoordelijk voor. Vooral ouderen, vrouwen en laagverdieners zijn vatbaar voor dergelijke onveiligheidsgevoelens. De rol van de achtergrondkenmerken in de attitudes tegenover etnische minderheden is grosso modo dezelfde als in de analyse van de gegevens van 2001. Een hoge opleiding en actieve deelname aan het verenigingsleven werpen een dam op tegen etnocentrisme. Het valt op dat het effect vanwege de genoten opleiding op de houding tegenover oude migranten een stuk kleiner is dan in de analyse van 2001. Vermoedelijk is dit toe te schrijven aan de omstandigheid dat het TV-kijken nu niet is opgenomen, een variabele die samenhangt met zowel de genoten opleiding als de houding tegenover migranten.21 Er bestaat een direct verband tussen een hoger inkomen en negatieve attitudes tegenover outgroups. Mensen uit de hogere inkomensklassen vertonen echter minder subjectieve gevoelens van onveiligheid, waarschijnlijk omdat ze in objectief veiligere buurten wonen. Een hoger inkomen leidt dus onrechtstreeks tot een meer positieve houding tegenover migranten. Het direct negatieve en indirect positieve effect van inkomen op etnocentrisme heffen elkaar op: het totale effect van inkomen verschilt niet significant van nul. Wat levensbeschouwing betreft, vinden we opnieuw een curve-lineair effect terug. Ditmaal is het wel minder sterk dan in 2001: de invloed van de levensbeschouwing op de particuliere vormen van etnocentrisme is ternauwernood significant.

21. Dat het totaal effect van de opleiding in 2001 eveneens lager is, moet toegeschreven worden aan de gebruikte analyse waarin het TV-kijken op hetzelfde niveau is opgenomen als de opleiding. In een padmodel met TV-kijken als tussenliggende variabele zou het effect van de opleiding wellicht even hoog zijn. Het blijkt trouwens dat het effect van de opleiding zo hoog is indien ook in 2001 het TV-kijken niet aanwezig is.

160


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

Bovenstaande analyses hebben uitgewezen dat negatieve attitudes tegenover zowel oude migranten, asielzoekers als nieuwe Oost-Europese immigranten in één en dezelfde voedingsbodem gedijen. Deze conclusie sluit aan bij de bevinding van Coffé (2000) dat intolerantie ten aanzien van woonwagenbewoners en asielzoekers (meer bepaald een negatieve reactie tegen de implementatie van een woonwagenterrein of asielcentrum in de buurt) op dezelfde manier verklaard kan worden als een negatieve houding tegenover oude migranten. Een ongunstige situatie inzake onderwijs, een gebrek aan integratie in het verenigingsleven, een individualistische instelling, gevoelens van onveiligheid en het ervaren van politieke machteloosheid; deze factoren scheppen – onafhankelijk van het particuliere karakter van de outgroups – een ongunstig klimaat voor een positieve beeldvorming omtrent etnische minderheden.

5

| Besluit

In deze bijdrage hebben we gepoogd na te gaan of Vlamingen er gedifferentieerde houdingen op na houden tegenover verschillende groepen migranten. Meer bepaald werd op basis van de APS-survey van 2001 getest of er sprake is van differentiële attitudes ten opzichte van ‘oude’ migranten – mediterrane gastarbeiders en hun families die zich hier voornamelijk tussen 1960 en 1985 gevestigd hebben – enerzijds, en tegenover asielzoekers anderzijds. De survey van 2002 liet ons toe de houdingen tegenover diezelfde oude migranten te vergelijken met die tegenover Oost-Europese “nieuwe” immigranten. Tussen attitudes tegenover ‘oude’ migranten en tegenover asielzoekers bleek er bitter weinig verschil te bestaan. Personen die weerstand voelen tegen de aanwezigheid van asielzoekers, hebben meestal ook een negatieve houding tegenover Turkse en Marokkaanse ‘oude’ migranten en vice versa. Dergelijk parallellisme in attitudes vinden we zowel bij de laag- als hooggeschoolden terug. De houding ten opzichte van de respectievelijke groepen migranten kan ook op exact dezelfde wijze verklaard worden, behoudens één klein verschilpunt. Vrouwen staan iets positiever tegenover asielzoekers dan tegenover “oude” migranten, waarschijnlijk omdat ze zich meer bedreigd voelen door deze laatsten. Alles bij elkaar genomen leunen de twee onderzochte attitudes bijzonder dicht tegen elkaar aan. Wegens het kleine differentiële sekse-effect kunnen de attitudes tegenover ‘oude’ migranten en asielzoekers niet volledig aan elkaar gelijk gesteld worden. We kunnen echter gerust stellen dat de twee particuliere houdingen grotendeels bepaald worden door één achterliggende attitude, nl. de houding tegenover etnische minderheden in het algemeen, of diffuus etnocentrisme. De houding van Vlamingen tegenover Oost-Europese nieuwe immigranten kon wel onderscheiden worden van die tegenover ‘oude’ migranten uit Turkije en Noord-Afrika. Toch staan beide attitudes niet los van elkaar, verre van. De attitudes

161


Vlaanderen gepeild ! tegenover de respectievelijke groepen migranten hangen immers zeer sterk samen bij zowel de hoog- als laaggeschoolden – bij deze eersten nog iets sterker dan bij de laatsten. Dat beide attitudes dicht tegen elkaar aanleunen blijkt eveneens uit de verklaringsmodellen. Dezelfde achtergrondkenmerken en waardeoriëntaties liggen aan de basis van de attitude tegenover zowel ‘oude’ migranten als Oost-Europese migranten. Ook hier kan dus geconcludeerd worden dat de houding tegenover specifieke groepen migranten uitingen zijn van een diffuse houding tegenover outgroups in het algemeen. Deze onderzoeksresultaten moeten met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Strikt genomen hebben we gevonden dat respondenten in surveyonderzoek hun antwoorden op vragen met betrekking tot verschillende groepen migranten grotendeels laten bepalen door een algemene houding tegenover outgroups. Kortom, in survey-onderzoek meten items over asielzoekers, Oost-Europese immigranten en oude migranten bijna exact dezelfde houding. Hiervoor bestaan twee mogelijke verklaringen. Een eerste – nogal voor de hand liggende – mogelijkheid is dat de Vlamingen er werkelijk weinig gedifferentieerde houdingen op na houden tegenover de verschillende groepen migranten. Deze deductie is echter niet zo probleemloos als ze op het eerste gezicht lijkt. Een tweede verklaring voor de onderzoeksresultaten kan gezocht worden bij een beperkte validiteit. Het is immers mogelijk dat survey-onderzoek niet bijzonder geschikt is om specifieke houdingen te meten. De batterijen items die attitudes tegenover specifieke migranten bevragen, zouden dan de algemene houding tegenover outgroups meten – een variabele die in dit onderzoeksopzet té latent is – terwijl ze ontworpen zijn als meetinstrument voor particuliere vormen van etnocentrisme. Uitsluitsel over welke van de twee verklaringen de bovenhand haalt, kan pas verkregen worden door de houdingen tegenover de respectievelijke migrantengroepen ook vanuit een andere methodologie te benaderen waarin meer de nadruk ligt op observaties en diepgaande gesprekken. De bevinding van het bestaan van een eerder diffuse houding van het zich bedreigd voelen door diverse groepen van nieuwkomers die zich in verschillende statuten bevinden, is beleidsmatig van belang. In het politiek discours evenals in de media zou men moeten vermijden van steeds in algemene termen en ongedifferentieerd over migranten of over asielzoekers te spreken. Naargelang van de situatie gaat het om ‘oude’ migranten die zich hier sinds lang gevestigd hebben, die vaak de Belgische nationaliteit hebben verworven, en die hier altijd al gewoond hebben. Daarnaast zijn er de vluchtelingen volgens de definitie van de Conventie van Genève, die vervolging in het geboorteland ontvluchten, en die betrokken zijn bij een procedure tot het bekomen van asiel. Dezen worden het meest aanvaard door de Vlaamse autochtone bevolking. Er zijn ook heel wat seizoenarbeiders en contractuelen, veelal afkomstig uit Oost-Europa, die hier tijdelijk verblijven en werken. En nog eens daarnaast zijn er de zgn. illegale immigranten. Een kleine minderheid is betrokken bij criminele activiteiten, maar deze zijn in de publieke opinie overdreven zichtbaar aanwezig. In de ogen van nogal wat Vlamingen worden deze groepen voortdurend

162


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

vermengd en dit voedt een algemeen gevoel van zich onveilig voelen omdat dominante negatieve ervaringen of beelden worden overgedragen naar ganse groepen. Om een dergelijke stereotypering te vermijden, zou de bevolking meer concrete achtergrondinformatie moeten krijgen over de motieven van de verschillende groepen migranten, zonder die groepen daarom op een evaluatieve wijze te labellen. Het gaat ons met andere woorden om een meer genuanceerd en gecontextualiseerd discours over mensen van vreemde afkomst, zonder in negatieve specifieke stereotypering te vervallen. Op deze wijze kunnen we hopen dat de Vlamingen meer begrip kunnen opbrengen voor de vaak moeilijke situatie waarin verschillende groepen allochtonen zich bevinden. We hebben immers vroeger reeds gezien dat een globaal gevoel van angst voor al wat vreemd is, verdwijnt van zodra men met mensen in concrete situaties te maken heeft (Billiet e.a. 1990). Zowel in opvoeding als in de media oog hebben voor de verscheidenheid en het â&#x20AC;&#x2DC;gewoneâ&#x20AC;&#x2122; kan wellicht de dominantie van het diffuus, vaak negatief, beeld verzwakken.

163


Vlaanderen gepeild ! BIJLAGEN

BIJLAGE 1

Deze bijlage bevat de vraagverwoording van de items van de schaal met betrekking tot asielzoekers (2001), de items met betrekking tot nieuwe immigranten (het ĂŠne item uit 2001 en de batterij uit 2002), de oude migrantenschalen van zowel 2001 als 2002. De frequentieverdelingen van de antwoorden zijn eveneens opgenomen. Alle percentages zijn gewogen naar opleiding, leeftijd en sekse. De schaal met betrekking tot asielzoekers (2001) De item-respons van deze schaal schommelt tussen 1232 en 1426. Noch eens, noch Volledig oneens Oneens oneens v76_1 Mensen die vluchten voor politiek geweld in hun land moeten toelating krijgen om in BelgiĂŤ te verblijven. v76_2 Veel asielzoekers komen naar ons land om te profiteren van ons systeem van sociale zekerheid. v76_3 Wij doen lang niet genoeg om asielzoekers zich hier thuis te laten voelen. v76_4 Asielcentra bezorgen vaak overlast aan de buurtbewoners. v76_5 Asielzoekers worden onvoldoende menselijk behandeld door de autoriteiten van ons land. v76_6 Asielzoekers die naar ons land komen om het economisch beter te hebben, mogen geen toestemming krijgen om zich hier te vestigen.

164

Eens

Volledig eens

8,5

13,9

19,6

42,4

15,6

4,4

12,8

21,5

33,9

27,5

20,8

37,5

22,7

15,9

3,1

4,4

18,5

34,4

28,3

14,4

16,3

39,9

27,3

14,1

2,3

4

20

27

29,8

19,2


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

Noch eens, Volledig noch oneens Oneens oneens v76_7 De asielzoekers die zich vestigen zullen op termijn bijdragen tot onze welvaart. v76_8 Het is een goede zaak dat inwoners betogen tegen de opening van een opvangcentrum voor asielzoekers.

Eens

Volledig eens

11

22,2

32,2

29,1

5,4

8,6

26,3

28,8

22,5

13,8

Geen goede zaak

Helema al geen goede zaak

34,1

30,8

De items met betrekking tot nieuwe (Oost-Europese) immigranten Het éne item uit 2001 (N=1413):

Een heel goede zaak v80

Vindt u het al dan niet een goede zaak dat sinds een aantal jaren er meer en meer mensen uit Oost-Europa zich proberen te vestigen in België?

0,2

Noch het één, Een noch goede het zaak ander

3,3

31,6

In 2002 werd aan de hand van volgende schaal gepeild welk migratiebeleid de voorkeur wegdraagt met betrekking tot verschillende regio’s. Voor zeven landen/ regio’s werden de respondenten gevraagd zich te situeren op een zevenpuntenschaal (gaande van ‘alle migratie stoppen’ tot ‘alle migratie toelaten’). 1471 respondenten beantwoordden alle items.

165


Vlaanderen gepeild !

Alle immigratie stoppen 1 2 3 v88_1 v88_2 v88_3 v88_4 v88_5 v88_6 v88_7

Immigratie Europese Unie Immigratie Polen Immigratie Rusland Immigratie RoemeniĂŤ Immigratie AlbaniĂŤ Immigratie Kosovo Immigratie buiten Europa

Alle immigratie toelaten 5 6 7

4

14,8 23,7 26,8 28,4 32,8 29,4

5 13,3 15,2 15,9 18,7 16,5

11,9 17,1 18,1 18,7 16,6 17,1

27,9 26,8 25,2 23,4 19,8 21,3

16,1 10,6 7,6 6,6 5,8 8,5

7,2 3,3 2,9 2,8 2,5 2,8

17,1 5,3 4,3 4,2 3,9 4,4

29

16,4

17,2

23,3

7,7

2,2

4,2

De schaal met betrekking tot oude migranten (2001) Behoudens het derde item dat een hoge non-respons heeft (N=1077), schommelt het aantal respondenten dat deze items beantwoordde tussen 1266 en 1420. Noch eens, noch Volledig oneens Oneens oneens v79_1 BelgiĂŤ had eigenlijk nooit gastarbeiders binnen mogen laten. v79_2 Migranten zijn over het algemeen niet te vertrouwen. v79_3 Moslimgezinnen zijn over het algemeen heel gastvrij. v79_4 Gastarbeiders zijn een gevaar voor de tewerkstelling van de Belgen. v79_5 De migranten komen hier profiteren van onze sociale zekerheid. v79_6 De migranten dragen bij tot de welvaart van ons land.

166

Eens

Volledig eens

12,4

40,7

18,9

16,9

11,1

8,4

38,1

27,4

17,4

8,7

4,6

10

38,8

38

8,7

9,6

41,8

21,2

19,2

8,3

4

17,1

28

32,4

18,5

11,6

29,8

32,6

23,1

2,8


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

Noch eens, Volledig noch oneens Oneens oneens v79_7 Moslims zijn een bedreiging van onze cultuur en gebruiken. v79_8 De aanwezigheid van verschillende culturen is een verrijking van onze samenleving. v79_9 Als het aantal arbeidsplaatsen vermindert moet men de migranten naar hun land terugsturen. v79_10 Wij zouden de buitenlanders die zich in BelgiĂŤ willen vestigen hartelijk welkom moeten heten. v79_11 Vreemdelingen die meer dan vijf jaar legaal in BelgiĂŤ wonen moeten gemeentelijk stemrecht krijgen. v79_12 Mensen die tot etnische minderheden behoren, moeten onder elkaar huwen. v79_13 Als men de Turken en Marokkanen beter leert kennen, dan blijken dat over het algemeen vriendelijke mensen. v79_14 Vreemdelingen die zich hier vestigen moeten zich aanpassen aan de cultuur en de gebruiken van ons land.

Eens

Volledig eens

7,3

35,2

23,6

22,7

11,2

7,1

17,9

23,7

41,6

9,7

7,5

35,8

21,4

21,4

13,9

12,6

31,1

37,3

15,9

3,1

20,1

30,9

17,7

26,1

5,2

15,7

43,7

20

13,7

6,9

5,6

7,7

34,7

43,5

8,5

1,7

4

11,1

37,2

46,1

167


Vlaanderen gepeild ! De schaal met betrekking tot oude migranten (2002) Naast de klassieke oude migrantenschaal bevat de survey van 2002 eveneens een item dat betrekking heeft op de sociale afstand tussen de autochtone en allochtone bevolking. Dit item bleek in de set klassieke items thuis te horen, en werd dan ook als indicator voor de houding tegenover oude migranten gebruikt. (N=1427) v106: “Wat zou u doen als het huis naast het uwe vrijkomt en u mocht kiezen in volgorde van voorkeur – met 1 als eerste keuze; 8 als laatste keuze – uit de volgende mogelijke nieuwe buren?” (de mogelijke antwoorden zijn achtereen volgens: een Marokkaans of Turks gezin – een bejaard echtpaar – een jong gehuwd koppel – een gezin dat van het OCMW leeft – een koppel mentaal gehandicapten – een alleenstaande vrouw met kinderen – een lesbisch of homokoppel – een gezin met veel kinderen) V 106-1 een Marrokaans of Turks gezin? Eerste keuze 1,5 Tweede keuze 1,6 Derde keuze 3,2 Vierde keuze 4.3 Vijfde keuze 7,4 Zesde keuze 9,7 Zevende keuze 11,5 Achtste keuze 60,7

De klassieke migrantenschaal in 2002 (N schommelt tussen 1163 en 1438): Noch eens, noch Volledig oneens Oneens oneens v80_1 De migranten dragen bij tot de welvaart van ons land. v80_2 Migranten zijn over het algemeen niet te vertrouwen. v80_3 Moslimgezinnen zijn over het algemeen heel gastvrij. v80_4 De migranten komen hier profiteren van onze sociale zekerheid.

168

Eens

Volledig eens

15,8

30,8

31,6

18,9

2,9

7,4

31,9

34,1

17,4

9,2

3,6

8,3

44,1

37

7

4,6

16,6

32,1

28,4

18,4


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

Noch eens, Volledig noch oneens Oneens oneens v80_5 Moslims zijn een bedreiging van onze cultuur en gebruiken. v80_6 De aanwezigheid van verschillende culturen is een verrijking van onze samenleving. v80_7 Als het aantal arbeidsplaatsen vermindert dan moet men de migranten naar hun land terugsturen. v80_8 Wij zouden de buitenlanders die zich in BelgiĂŤ willen vestigen hartelijk welkom moeten heten. v80_9 Vreemdelingen die meer dan vijf jaar legaal in BelgiĂŤ wonen moeten gemeentelijk stemrecht krijgen. v80_10 Mensen die tot etnische minderheden behoren, moeten onder elkaar huwen. v80_11 Als men de Turken en Marokkanen beter leert kennen, dan blijken dat over het algemeen vriendelijke mensen. v80_12 Vreemdelingen die zich hier vestigen moeten zich aanpassen aan de cultuur en de gebruiken van ons land.

Eens

Volledig eens

8,0

29,8

26,6

24

11,5

6,9

20,4

24,5

40,2

8,1

8,1

31,4

23,8

21,6

15,2

11,2

31,7

38,8

16

2,3

22,7

32,8

15,6

23,6

5,2

15,5

43

23,4

14,6

3,6

4,3

8

34,4

45,4

7,9

1,2

2,3

10,7

37,4

48,5

169


Vlaanderen gepeild ! BIJLAGE 2

Deze bijlage bevat de tabellen bij sectie 4.2. In deze sectie werd getest of een meetmodel met één algemene, of met twee specifieke vormen van etnocentrisme de beste verklaring biedt voor de antwoorden van de respondenten. Volgende tabellen bevatten de passingsmaten voor de geteste modellen. Meetmodellen oude migranten – asielzoekers (2001) – N= 1446 Model Chi2 Eén attitudefactor, 1 stijlfactor 1038,1 Twee attitudefactoren, 1 stijlfactor 1023,04

Df

RMSEA

p (close fit)

NFI

229

0,049

0,61

0,91

228

0,049

0,68

0,91

Meetmodellen oude migranten – Oost-Europese immigranten (2002) – N=1477 Model Chi2 Eén attitudefactor, 1 stijlfactor 1005,88 Twee attitudefactoren, 1 stijlfactor 586,27

170

Df

RMSEA

p (close fit)

NFI

169

0,058

0

0,97

167

0,041

1

0,98


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

BIJLAGE 3

Deze bijlage bevat de tabellen bij sectie 4.3. In deze sectie werd getest of de meetmodellen voor de attitudes tegenover migranten invariant zijn over de twee opleidingsgroepen. Hierbij werd vertrokken van een volledig invariant model. Daarna werd nagegaan of het model verbeterd kon worden door theoretisch zinvolle verschillen tussen de groepen toe te laten.

Multi-group meetmodel (naar opleidingsniveau) oude migranten – asielzoekers (2001) – N= 1446

Stap Model 1 Volledig invariant model

Chi2 1711,01

DF 504

RMSEA 0,059

P (close fit) 1

NFI 0,9

Multi-group meetmodel (naar opleidingsniveau) oude migranten – Oost-Europese immigranten (2002) – N=1477

Stap Model 1 Volledig invariant model Correlatie 2 OUDMIG OOSTEUROP vrij 3 Variantie OUDMIG vrij

979,89

DF 381

RMSEA 0,048

P (close fit) 1

942,22 907,98

380 379

0,046 0,045

1 1

Chi2

171

NFI 0,99 0,99 0,99


Vlaanderen gepeild ! BIJLAGE 4

Deze bijlage bevat de informatie over de schaalconstructie van de interveniĂŤrende waardeoriĂŤntaties die opgenomen werden in de verklaringsmodellen (sectie 4.4). De tabellen hieronder bevatten de gestandaardiseerde factorladingen, geschat in een confirmatorische factoranalyse met behulp van LISREL 8.50. Individualisme (2001)

v77_3 Wat telt zijn geld en macht, als de rest zijn praatjes. v77_7 Het nastreven van persoonlijk succes is belangrijker dan te zorgen voor een goede verstandhouding met anderen. v77_8 In de samenleving kan men maar beter eerst voor zichzelf zorgen. v77_9 Het is belangrijk om in de eerste plaats te streven naar een vooraanstaande positie voor zichzelf. v77_10 Wie veel kan, mag die hoofdzakelijk gebruiken om er zelf beter van te worden. v77_11 In de samenleving komt het erop aan om te vechten voor uw eigen positie, de rest volgt wel. Cronbachâ&#x20AC;&#x2122;s alpha: RMSEA

indiv 0.65 0.59 0.79 0.84 0.70 0.83 0.84 0.045

Individualisme, politieke machteloosheid en onveiligheidsgevoelens (2002) Individualisme v86_1 De mensheid, onze naasten, solidariteit.. wat een onzin allemaal, iedereen moet eerst voor zichzelf zorgen en zijn belangen verdedigen. v86_2 Men moet steeds zijn eigenbelang nastreven, en zich niet te veel van anderen aantrekken. v86_3 Wat telt zijn geld en macht, de rest zijn praatjes. v86_7 Het nastreven van persoonlijk succes is belangrijker dan te zorgen voor een goede verstandhouding met anderen. v86_8 In de samenleving kan men maar beter eerst voor zich zelf zorgen. v86_9 Het is belangrijk om in de eerste plaats te streven naar een vooraanstaande positie voor zichzelf. v86_10 Wie veel kan, mag dit hoofdzakelijk gebruiken om er zelf beter van te worden.

172

indiv

0.83 0.88 0.77

0.66 0.84 0.86 0.62

polma onveil


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

Politieke machteloosheid v89_1 Gaan stemmen heeft geen zin, de partijen doen toch wat ze willen. v89_3 Bij de verkiezingen belooft de enen partij al meer dan de andere, maar uiteindelijk komt er weinig van terecht. v89_4 De politieke partijen zijn alleen maar geïnteresseerd in mijn stem en niet in mijn mening. v89_8 De politici hebben nooit geleerd om te luisteren naar gewone mensen zoals ik. v89_9 Als het parlement een onrechtvaardige wet heeft gestemd, dan kan je daar als burger nog weinig aan doen.

indiv

Onveiligheidsgevoelens v116_1 Het is vandaag de dag onveilig om kinderen alleen op straat te sturen. v116_2 Uit angst dat ik word overvallen sluit ik altijd onmiddellijk mijn wagen als ik instap. v116_3 ’s Avonds moet je op straat extra voorzichtig zijn. v116_4 De laatste tien jaar zijn de straten onveiliger geworden. v116_7 In deze tijd is een alarmsysteem geen overbodige luxe. v116_8 Als ik op vakantie ga, durf ik mijn huis niet onbewaakt achter te laten.

indiv

Cronbach’s alpha RMSEA

polma onveil 0.73

0.82

0.87 0.66

0.64 polma onveil 0.61 0.71 0.87 0.83 0.68 0.64 0.85 0.042

0.78

0.79

173


Vlaanderen gepeild ! BIBLIOGRAFIE

Adorno T.W., Frenkel-Brunswick E., Levinson D.K. en Sanford R.N. (1950) The authoritarian personality. New York: Harper. Becker H.A. (red.) (1992) Dynamics of Cohort and Generations Research. Proceedings of a Symposium held on 12, 13 and 14 december at the University of Utrecht, The Netherlands. Amsterdam: Thesis Publishers. Billiet J. (1993) Ondanks beperkt zicht. Studies over waarden, ontzuiling en politieke verandering in Vlaanderen. Brussel/Leuven: VUBPress/Sociologisch Onderzoeksinstituut. Billiet J. (1993) Stabiliteit en verandering in de attitude tegenover ‘vreemdelingen’. Pp. 147-162 in: M. Swyngedouw, J. Billiet, A. Carton, en R. Beerten (red.) Kiezen in verliezen. Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen. Leuven: Acco. Billiet J. en Carton A. (1991) Etnocentrisme en kerkelijke betrokkenheid bij Vlamingen en Franstalige Belgen. Leuven: KULeuven, departement Sociologie. Billiet J. en De Witte H. (1991) Naar racisme neigende houdingen in Vlaanderen: typologie en maatschappelijke achtergronden. Leuven: KULeuven, departement Sociologie. Billiet J. en Loosveldt G. (1998) De houding tegenover migranten en het stemgedrag in Vlaanderen. Evolutie tussen 1989 en 1995 en een verklaringsmodel. Pp. 95-118 in: M. Swyngedouw, J. Billiet, A. Carton en R. Beerten (Red.) (1998) De (on)redelijke kiezer. Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1994. Leuven: Acco. Billiet J. en McClendon M.J. (2000) Modeling Acquiescence in Measurement Models for Two Bananced Sets of Items. Structural Equation Modeling, 7 (4), pp. 608-628. Billiet J., Carton A. en Huys R. (1990) Onbekend of onbemind ? Een sociologisch onderzoek naar de houding van de Belgen tegenover migranten. Leuven: KULeuven, Sociologisch Onderzoeksinstituut. Billiet J., Eisinga R. en Scheepers P. (1992) Etnocentrisme in de lage landen. Sociologische Gids, 39 (5-6), pp. 300-323. Billiet J., Eisinga R. en Scheepers P. (1996) Ethnocentrism in the Low Countries. A Comparative Pertspective. New Community, 22 (3), pp. 401-417. Blommaert J. en Verschueren J. (1992) Het Belgische migrantendebat. De pragmatiek van de abnormalisering. Antwerpen: IprA. Byrne B. (1998) Structural equation modeling with LISREL, PRELIS and SIMPLIS: basic concepts, applications and programming. Mahwah (NJ): Lawrence Erlbaum. Cambré B. (2002) De relatie tussen religiositeit en etnocentrisme. Een contextuele benadering met cross-culturele data [Doctoraatsthesis]. Leuven: KULeuven, departement Sociologie. Coene G. (2001) Asiel en illegale immigratie. Pp. 34-72 in: R. Commers en J. Blommaert (red.) Het Belgische asielbeleid. Kritische perspectieven. Berchem/Brussel: EPO/11.11.11. Coffé, H. (2000). Bange blanke man. Over de invloed van levensbeschouwelijke en maatschappelijke betrokkenheid op de houding tegenover etnisch-culturele minderheden en extreem rechts. [Onuitgegeven eindverhandeling]. Brussel: VUB.

174


Houding van Vlamingen tegenover oude en nieuwe migranten

Coffé, H. (2002) De invloed van levensbeschouwelijke en maatschappelijke betrokkenheid op een positieve beoordeling van het Vlaamse Blok. Tijdschrift voor Sociologie, 23(2), pp. 161192. Coffé, H., Billiet, J. en Cambré, B. (2002), Etnocentrisme en stemgedrag. Evolutie tussen 1991 en 1999. Pp. 95-110 in: M. Swyngedouw en J. Billiet (red.) De kiezer heeft zijn redenen. 13 juni 1999 en de politieke opvattingen van Vlamingen. Leuven: Acco. De Gryse P. en Poppe I. (1999) Het Belgische asielbeleid anno 1999. Noord-Zuid-Cahier, 24 (2), pp. 43-56. De Stoop C. (1996) Haal de was maar binnen. Aziza of een verhaal van deportatie in Europa. Amsterdam: De Bezige Bij. Devacht S. en Loosveldt G. (2001) Basisdocumentatie: Culturele verschuivingen in Vlaanderen 2001. Leuven: KULeuven, Departement Sociologie, Afdeling Dataverzameling en Analyse. Eisinga R.N. en Scheepers P.L.H. (1989) Etnocentrisme in Nederland: theoretische en empirische modellen. Nijmegen: Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen. Elchardus M. en Heyvaert P. (1990) Soepel, flexibel, ongebonden. Brussel: VUBPress. Elchardus M. en Siongers J. (2002) Racisme, een kwestie van smaak. Een onderzoek bij jongeren uit het 4de en 6de jaar secundair onderwijs in Vlaanderen. Paper voor de sociaal wetenschappelijke studiedagen, Amsterdam 29-30 mei. Brussel: TOR2002/25 (voorlopige versie), 36 pp. Fishbein M. en Ajzen I. (1975) Belief, Attitude, Intention, Behavior: An Introduction to Theory and Research. Reading (Mass.): Addison Wesley. Jacobs D., Abts K., Phalet K. en Swyngedouw M. (2001) Verklaringen voor etnocentrisme. De rol van sociaal kapitaal, sociaal-economische onzekerheid, sociale integratie en gevoelens van discriminatie. Een verkenning. Brussel: IPSoM. Jöreskog K.G. en Sörbom D. (1993) LISREL 8 user’s reference guide. Mooresville: Scientific Software. Kennes W. (1999) Kerksasiel in België. Van recht naar rechtvaardigheid. Noord-Zuid-Cahier, 24 (2), pp. 67-82. Meloen J. (1997) De geschiedenis van de autoritaire persoonlijkheid als voedingsbodem van rechts-extremisme. Consequenties voor de bestrijding van politiek racisme. Pp. 119-132 in: H. De Witte (red.) Bestijding van racisme en rechts-extremisme. Wetenschappelijke bijdragen aan het maatschappelijk debat. Leuven: Acco. Scheepers P., Felling A. en Peters J. (1989) Etnocentrisme in Nederland: theoretische bijdragen empirisch getoetst. Sociologische Gids, 36 (1), pp. 31-47. Thalhammer E., Zucha V., Enzenhofer E., Salfinger B. en Ogris G. (2001) Attitudes towards minority groups in the European Union. Vienna: European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia. Van De Putte M. (1999) Het Belgische migratiebeleid. Hoe kan een vreemdeling wettelijk in ons land verblijven? Noord-Zuid-Cahier, 24 (2), pp. 31-42. Vidal K. (1999) Mensensmokkel. Ongelukkige mensen, gelukkige smokkelaars. Noord-ZuidCahier, 24 (2), pp. 23-30.

175


Vlaanderen gepeild ! Wets J. (1999) Waarom onderweg? Een analyse van grootschalige migratie- en vluchtelingenstromen [Doctoraatsthesis]. Leuven: KULeuven, departement Politieke Wetenschappen. Wets J. (red.) (2001) Migratie en Asiel: vluchten kan niet meer. Syntheserapport van een onderzoeksproject inzake het migratie- en asielbeleid in BelgiĂŤ. Brussel: Koning Boudewijnstichting. Waege H. (1997) Vertogen over de relatie tussen individu en gemeenschap. Ontwikkeling en validering van meetinstrumenten in het kader van survey-onderzoek [Doctoraatsthesis]. Leuven: Acco.

176


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2003_5_de_houding_tegenover_migranten.pdf by Vlaanderen-be - Issuu