Skip to main content

Algemene_omgevingsanalyse_Vlaanderen_2004_deel_4.pdf

Page 1

MACRO–ECONOMISCHE ONTWIKKELINGEN

77


78


7 MACRO-ECONOMISCHE ONTWIKKELINGEN

BENADERING Een eerste invalshoek is de gevoeligheid van de Vlaamse economie voor externe ontwikkelingen. Hoe gevoelig is de open Vlaamse economie voor de mondialisering en dichterbij voor de uitbreiding van de Europese Unie met 10 of meer lidstaten? Vervolgens onderzoeken we of de ups en downs in de economie in Vlaanderen uniek zijn of mee bepaald worden door de situatie in de grote muntblokken? Heeft de Vlaamse economie ten slotte voldoende troeven voor de toekomst: welke structuurkenmerken zijn hierbij belangrijk om op te volgen? SAMENVATTING THESE 1 NAAST DE INTERNATIONALE VERWEVENHEID IS DE LOKALE MARKT NOG BELANGRIJK VOOR DE VLAAMSE ECONOMIE De internationale relaties zijn de voorbije decennia belangrijker geworden voor onze economie. De buitenlandse handel groeit en steeds meer internationale bedrijven investeren in België. De bedrijven moeten zich daardoor concurrentiëler opstellen en worden productiever. Dit neemt niet weg dat een belangrijk deel van onze economie gericht blijft op de interne markt. Bijna twee derde van de werknemers werkt niet rechtstreeks voor de externe markt. Naar verwachting zal enkel in de bouw en de dienstensector een groei van werkgelegenheid optreden tegen 2008. De bezoldigde tewerkstelling in exportgerichte sectoren zal dalen. THESE 2 VLAANDEREN DRIJFT MEE OP DE GOLVEN VAN DE INTERNATIONALE CONJUNCTUURBEWEGINGEN In het verleden vonden ook op- en neergaande conjunctuurfasen plaats in de drie grote muntblokken, de laatste tijd veelal zelfs synchroon. We bevinden ons nu in een conjunctuurzwakte, te zien aan de dalende investeringen. De depressies zijn recent echter minder scherp dan in de dertiger jaren en vroeger. Het ondersteunend beleid heeft ook in Vlaanderen een positieve impact. Vlaanderen heeft geen vooruitlopend conjunctuurprofiel, Wallonië wel. Dit betekent dat wanneer het minder goed gaat in de VS, Europa of Japan, het bijna gelijktijdig hier in dezelfde richting evolueert. Een grotere volatiliteit van de conjunctuur is niet uitgesloten in de toekomst. Dit is van belang voor Vlaanderen daar grotere schommelingen het beslissingsproces bemoeilijken (denk maar aan investeringen, maar ook aan grotere schommelingen op de arbeidsmarkt). De inkomsten van de Vlaamse overheid zullen tenslotte eveneens de invloed van conjunctuurschommelingen ondergaan.

79


THESE 3 WIN-WINSITUATIE BIJ UITBREIDING VAN EU NAAR 25 LIDSTATEN In 2004 breidt de EU uit met 10 lidstaten, in 2007 nog eens met 2. Nu reeds is er een positieve handelsbalans met de Oost-Europese kandidaat-lidstaten. De impact van de groeiende handel met de kandidaat-lidstaten blijft echter beperkt (3,4% van totale uitvoer van Vlaanderen). De aard van de uitgevoerde producten verschilt per land. Technologisch en kapitaalintensieve producten naar Bulgarije en Litouwen en chemie, elektronica, transport en textiel naar Polen, Hongarije, Tsjechië, Estland en Slovenië (zelfde producten als in Vlaanderen). Steeds meer Belgische bedrijven investeren in de kandidaat-lidstaten. THESE 4 HET EFFECT VAN DE EENHEIDSMUNT IS NOG MAAR BEPERKT ZICHTBAAR De omschakeling naar de euro vanaf 1 januari 2001 heeft maar in beperkte mate geleid tot prijsstijgingen. De effecten zijn nog niet echt zichtbaar. Er dient wel gesteld te worden dat de landen die tot de eenheidsmuntzone behoren vooraf heel wat inspanningen hebben moeten doen, onder meer om hun overheidsschuld af te bouwen en hun begroting in evenwicht te krijgen en te houden, ook Vlaanderen. THESE 5 DE VLAAMSE ECONOMIE MAG NIET OP HAAR LAUWEREN BLIJVEN RUSTEN Vlaanderen is een welvarende regio. Het BBP per capita is er relatief hoog. Doch een aantal specifieke groeiregio’s in Europa weet Vlaanderen bij te benen. Onze raditioneel hoge arbeidsproductiviteit is geen verworvenheid meer. In het verleden werd de Vlaamse welvaart immers in belangrijke mate gerealiseerd door een grote kapitaalinzet per werknemer. Dit werd mede ingegeven door arbeidsbesparende motieven omwille van onze hoge loonkost en zorgde ook voor een relatief grotere arbeidsuitstoot in de industrie dan in andere landen. Dit proces kan niet blijven doorgaan. Schaal- en kapitaalintensieve sectoren zijn goed vertegenwoordigd in het Vlaamse Gewest. Nijverheidstakken met een hoge kennisinhoud komen relatief minder aan bod in Vlaanderen. THESE 6 ICT IS VAN BELANG VOOR VLAAMSE ECONOMIE Het aandeel van tewerkstelling in ICT stijgt sneller dan de algemene trend inzake werkgelegenheid maar het aandeel ligt in Vlaanderen nog onder het EU-gemiddelde. Het aanvankelijke overoptimisme maakt plaats voor een realistische inschatting van de mogelijkheden die deze technologieën te bieden hebben. Deze zijn vandaag niet altijd even gemakkelijk te voorspellen. Na een periode van sanering en het bijstellen van de verwachtingen omtrent de toekomstmogelijkheden, zal ICT verder opgang blijven maken niet alleen in bedrijven uit de sector zelf die de concurrentie kunnen aangaan, maar ook in de zogenaamde ‘oude’ economieën, waar dikwijls een grotere kapitaalsbasis voorhanden is (gereserveerde winsten) die de geleidelijke incorporatie van deze technologieën in hun productieproces mogelijk maken.

80


THESE 1: NAAST DE INTERNATIONALE VERWEVENHEID IS DE LOKALE MARKT NOG BELANGRIJK VOOR DE VLAAMSE ECONOMIE

PROBLEEMSTELLING Impact van de globalisatie op buitenlandse handel in investeringen Onze economie is verre van gesloten. De Vlaamse bedrijven zijn gerenommeerde exporteurs. Onze havens en luchthavens en onze vervoersinfrastructuur zorgen dat dagelijks vele goederen over ons grondgebied passeren. Het internet maakt dat we geïnformeerd zijn over wat er zich elders ook afspeelt, e-commerce en e-business hebben hun intrede gedaan. Bedrijven brengen activiteiten onder in andere delen van de wereld. Kunnen we stellen dat het vervagen van de landgrenzen onze Vlaamse economie grondig doet veranderen?

Figuur 7.1-1

Gemiddelde van export en import in verhouding tot het BBP (in %) Evolutie voor België van 1970 tot 2003

90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 1970

1980

1990

2000

Bron: FOD Financiën.

81


Figuur 7.1-2

Verhouding van de uitvoer van goederen tot het BBP (in %) Vlaamse Gewest

120%

100%

80%

60%

40%

20%

0% 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

Bron: INR.

Figuur 7.1-1 illustreert dat de buitenlandse handel relatief belangrijker geworden is voor ons land. Waar in 1970 het gemiddelde van de uitvoer- en invoerwaarde nog 44% bedroeg in verhouding tot het BBP, is dit in 2003 opgelopen tot 81%. Voor het Vlaamse Gewest kan enkel de uitvoer van goederen afgezet worden tegen het BBP (figuur 7.1-2). Waar de ratio nog een niveau haalde van 70% in 1993 loopt deze anno 2003 op tot 108%1. Onze belangrijkste exporterende sectoren zijn de chemie2, de vervaardiging en assemblage van auto’s, de voedingssector, de vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen en de vervaardiging van meubels, edelstenen, juwelen, en diverse instrumenten. Samen waren deze reeds goed voor 61,3% van de Vlaamse uitvoer in 2002. De buitenlandse handel is een belangrijke maatstaf voor de internationale betrekkingen die een land onderhoudt. De internationalisatie van de economie uit zich daarnaast ook in grotere investeringen van bedrijven in het buitenland, in de grotere samenhang van de internationale financiële markten en meer en meer ook in de verwachtingen van consumenten en producenten. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de verkopen van Duitse filialen in het buitenland in 1999 tweemaal zo hoog waren dan de totale Duitse export van goederen en diensten3. Het belang van de buitenlandse directe investeringen nam een hoge vlucht gedurende de laatste jaren. Tabel 7.1-1 illustreert dat de directe investeringen van Belgische bedrijven in het buitenland op twaalf jaar tijd 19 maal belangrijker geworden zijn. De directe investeringen uit het buitenland in België zijn 12 maal belangrijker geworden. 1

2

3

82

Let wel: de belangrijke haven en luchthavens liggen in het Vlaamse Gewest. Goederen die een (douane)behandeling krijgen net vóór hun vervoer, worden aldus geregistreerd als Vlaamse export, ongeacht of ze uit een verder hinterland komen. Sedert december 2001 is een nieuw distributiecentrum actief dat voor een merkbare verhoging van de uitvoer van farmaceutische producten zorgt. Het aandeel van de sector ‘chemie’ in de totale uitvoer neemt daardoor toe van 22% in 2001 tot 29% in 2002. BMWI, 2002, blz. 2 en 4.


Tabel 7.1-1

1988 2000

Buitenlandse directe investeringen in verhouding tot het BBP in België, jaren 1988 en 2000 Uitwaarts 2,36% 44,30%

Inwaarts 3,20% 37,80%

Bron: IMD.

Ons land bekleedde anno 2000 een koppositie wat het belang van de directe investeringen in het buitenland betreft in verhouding tot het BBP. Voor de directe investeringen uit het buitenland laten we enkel Hong Kong voorgaan. De internationale verwevenheid van de Belgische en de Vlaamse economie is dus groot. Dit is niet nieuw. Reeds in het begin van de twintigste eeuw onderhielden landen onderling internationale relaties en de handel was toen ook belangrijk. Multinationale ondernemingen waren aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog van even groot belang voor de wereldeconomie als vandaag. Het verschil is dat buitenlandse filialen van ondernemingen toen meer autonoom waren. Hedendaagse multinationals karakteriseren zich door een globale organisatie van het productieproces waarbij productieprocessen soms over diverse locaties verspreid zijn4. Dit noemt men globalisatie.

Lokalisatie Ondanks de toename van de internationale economische betrekkingen werkt het grootste deel van de tewerkgestelden nog steeds rechtstreeks voor de lokale markt. Dit is het fenomeen van de lokalisatie5. Tabel 7.1-2 geeft voor de vijf belangrijkste exporterende (alle industriële) sectoren weer wat hun uitvoerwaarde was in 2002 evenals de bezoldigde tewerkstelling. Deze vijf sectoren zijn samen goed voor meer dan de helft van de totale Vlaamse export (61,3%). Zij maken samen echter 10,2% van de totale bezoldigde tewerkstelling uit. De overige tewerkstelling situeert zich in belangrijke mate in de tertiaire en quartaire sectoren. Deze zijn minder gevoelig voor de internationale concurrentie. De toegenomen vraag naar persoonsgerichte diensten gedurende de laatste decennia vergt inderdaad heel wat arbeid.

4 5

The Economist, 2001, “The next society”. De beide fenomenen, globalisatie en lokalisatie worden samen ook aangeduid als glokalisatie.

83


Tabel 7.1-2 De vijf belangrijkste sectoren in het Vlaamse Gewest naar waarde van de uitvoer, evenals het aantal jobs en het cumulatief % van uitvoer en jobs in 2002

Chemische nijverheid Vervaardiging en assemblage van auto’s Vervaardiging van voedings- en genotsmiddelen Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen Vervaardiging van meubels, edelstenen, juwelen, muziekinstrumenten, sportartikelen, speelgoed

Uitvoerwaarde (in miljoen euro) Jaar 2002

Totale bezoldigde tewerkstelling 30 juni 2002

Cumulatief % uitvoerwaarde

Cumulatief % aantal jobs

51.014

47.729

28,8%

2,4%

26.502

44.866

43,7%

4,7%

12.262

62.629

50,6%

7,8%

9.624

26.280

56,0%

9,1%

9.401

20.342

61,3%

10,2%

Bron: RSZ, INR; bewerking APS.

Bij tabel 7.1.2 horen twee belangrijke opmerkingen: in de eerste plaats wordt de statistiek van de uitvoer naar sector zo opgesteld dat de uitgevoerde goederen toegerekend worden naar de sector die ze produceert. Dit verklaart waarom de handel niet in de lijst voorkomt. Vervolgens wordt abstractie gemaakt van indirecte effecten. Een sector die sterk uitvoergericht is, onderhoudt ongetwijfeld contacten met andere, toeleverende sectoren of dienstensectoren die niet rechtstreeks exporteren.

TOEKOMSTVERWACHTINGEN De prognoses van het Federaal Planbureau (FPB) voor de periode 2003-20086 geven resultaten voor het verloop van de werkgelegenheid in België. De hypothesen van het FPB worden in dit scenario toegepast om het verdere verloop van de bezoldigde werkgelegenheid te kennen in de Vlaamse sectoren die sterk op de uitvoer georiënteerd zijn. Het FPB schat dat enkel in de bouw en in de dienstensectoren er een groei van de werkgelegenheid zou zijn. Deze sectoren ondergaan niet de invloed van buitenlandse concurrentie zoals wel het geval is voor de uitvoergerichte industriële sectoren. De toename van de informatie- en communicatietechnologie, de grotere mondigheid van de burgerconsument en de toenemende invloed van moderne managementtechnieken zal sectoren zoals de non-profit, de overheid en het onderwijs er meer en meer toe dwingen een zo goed mogelijke service te leveren. E-governmenttoepassingen illustreren dit.

6

84

FPB, mei 2003.


Onderstaande tabel 7.1-3 laat zien dat het aandeel van de ‘uitvoersectoren’ in de totale bezoldigde tewerkstelling met de tijd afneemt. Volgens de prognose van het Federaal Planbureau zouden de sterkst uitvoergerichte sectoren die cumulatief reeds instaan voor 50% van de Vlaamse uitvoer van goederen, in 2008 nog rechtstreeks 7,1% van de bezoldigde tewerkstelling uitmaken. Voor die sectoren die samen 95% van de uitvoer van goederen neerzetten zou dit 18,3% bedragen. Dit is telkenmale minder dan vandaag het geval is.

Tabel 7.1-3

Aandeel in de bezoldigde tewerkstelling van die sectoren die sterk uitvoergericht zijn (in %)

Scenario op basis van de hypothesen van het Federaal Planbureau Totaal van de belangrijkste sectoren die samen reeds 50% van de uitvoer uitmaken 30 juni 2002 30 juni 2003 30 juni 2008 7,8 7,7 7,1 Totaal van de belangrijkste sectoren die samen reeds 95% van de uitvoer uitmaken 30 juni 2002 30 juni 2003 30 juni 2008 20,1 19,8 18,3

Bron: RSZ, FPB, bewerking APS.

Een alternatief scenario gaat uit van een eenvoudige doortrekking van de evolutie van de bezoldigde tewerkstelling zoals die gedurende 1995-2002 waargenomen werd. Het aandeel van de ‘uitvoergerichte sectoren’ in deze berekening neemt eveneens af. De daling is zelfs meer uitgesproken voor de som van de sectoren die reeds 95% van de totale uitvoer uitmaken. Ook hier winnen die sectoren die rechtstreeks op de binnenlandse markt georiënteerd zijn aan belang.

Tabel 7.1-4

Aandeel in de bezoldigde tewerkstelling van die sectoren die sterk uitvoergericht zijn (in %)

Scenario van doortrekking waargenomen groei over 1995-2002 Totaal van de belangrijkste sectoren die samen reeds 50% van de uitvoer uitmaken 30 juni 2002 30 juni 2003 30 juni 2008 7,8 7,7 7,1 Totaal van de belangrijkste sectoren die samen reeds 95% van de uitvoer uitmaken 30 juni 2002 30 juni 2003 30 juni 2008 20,1 19,5 17,0

Bron: RSZ, bewerking APS.

85


BRONNEN § Blanpain R. Vlaanderen en de ‘glokalisatie’ van de werkgelegenheid. De Morgen, 26 juli 2002. § BMWI (German Federal Ministry of Economics and Technology); Germany’s integration in global economic processes: the increasing significance of “new" transmission mechanisms. Economic Analyses n° 1/2002. § Drucker P. The near future. The Economist Survey; 1 november 2001. § Federaal Planbureau. Economische vooruitzichten 2003-2008. April 2003. § IMD. Global competitiveness Report. Diverse jaargangen. § Krugman, P. (1996). Pop internationalism. § SERV. Bijdrage van de SERV voor de Vlaamse Commissie voor de sociale dimensie van de globalisering. 9 oktober 2002.

86


THESE 2: VLAANDEREN DRIJFT MEE OP DE GOLVEN VAN DE INTERNATIONALE CONJUNCTUURBEWEGINGEN

PROBLEEMSTELLING Conjunctuurschommelingen in economische activiteit is normale zaak Het verloop van de economische activiteit kent geen eenduidige regelmaat en is aan schommelingen onderhevig. Er zijn inderdaad periodes tijdens dewelke de economische activiteit van een land of regio sterker dan anders floreert. Op andere tijdstippen is er dan weer sprake van een tragere ontwikkeling of zelfs een inkrimping. Het begrip ‘conjunctuurcyclus’ is hiermee geïntroduceerd. De klassieke benaderingen onderscheiden een trendmatig verloop van de economische ontwikkeling en een conjuncturele component als fluctuaties rond die trend. Ten slotte zijn er nog variaties te wijten aan seizoenschommelingen, kalenderverschillen en toevallige factoren. Sommige recente theorieën7 zien af van het ontbinden van de economische beweging in diverse factoren: structurele bewegingen en conjunctuurgolven worden als een samenhangend geheel beschouwd. Wijzigingen in de economische ontwikkeling zijn dan het gevolg van schokken zoals technologische veranderingen, wijzigingen in de voorkeuren van de consumenten, veranderingen in het overheidsbeleid e.d. Deze schokken kunnen tijdelijk of permanent doorwerken in de economie. Conjunctuurbewegingen zijn belangrijk voor het overheidsbeleid en het is daarom ook aangewezen om ze goed op te volgen: men kan hierbij denken aan de invloed van de conjuncturele situatie op de werkloosheid, de inkomsten van de overheid, de investeringen van de bedrijven, het vertrouwen in de instellingen en zo meer.

Synchroon verloop met drie muntblokken De economische groeimotor in de drie grote eenentwintigste eeuw af te zwakken. Een belangrijkste economieën zich gezamenlijk bevonden. Dit zou een zelfversterkend effect ontstaan voor een recessie.

muntblokken begon bij de aanvang van de aantal commentatoren merkte op dat de in een fase van neergaande conjunctuur hebben waardoor er een groter gevaar zou

Het samen voorkomen van pieken en dalen in de economische conjunctuur in de drie grote muntblokken (euro, dollar en yen) is niet nieuw. Over een langere tijdsspanne beschouwd waren er meerdere periodes waarin de grotere economieën het samen minder goed deden. Het IMF wijst volgende momenten aan: de vroege jaren 1890, het begin van de twintigste eeuw (1907-1908, 1920-1921, 1929-1933), het midden van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig. Bij de aanvang van de jaren negentig kenden de VS, de EU en Japan ook een conjunctuurinzinking, doch het tijdstip waarop dit gebeurde was enigszins verschillend, zodat de totale wereldoutput er niet zozeer onder leed. De conjunctuurcyclus die zich sedertdien inzette, verliep voornamelijk in de VS op een spectaculaire wijze. Het land kende de langste onafgebroken periode van economische groei sedert de Tweede Wereldoorlog. Deze periode van conjunctuurhausse met onder andere belangrijke investeringen in ICT en productiviteitswinsten in vele sectoren, deed menigeen vermoeden dat een tijdperk van de ‘nieuwe economie’ zijn intrede had gedaan. Ook de EU kende op het einde van vorige eeuw een economische opleving. In 2001 werd echter duidelijk dat het optimisme omtrent de groeicapaciteit van de VS en Europa niet langer kon worden 7

De reële evenwichtsleer (real business cycle theory).

87


aangehouden. Samen met Japan (dat nu vrijwel een decennium lang lijdt onder structurele problemen, een zwakke of negatieve groei en deflatie) kennen de Westerse landen een fase van neergaande conjunctuur na 2000 tot de zomer van 2003. Twee punten zijn kenmerkend voor de recentste conjunctuurcyclus in de drie grote muntblokken: het achterwege blijven van ernstige inflatoire spanningen en de forse opgang van de beurzen (voornamelijk in de VS en Europa), gevolgd door een neerwaartse correctie. De relatief lage inflatieomgeving kwam tot stand door de productiviteitstoename van de Amerikaanse en Europese economieën en door een meer flexibele werking van de markten. Japan is een aparte casus: de overinvesteringen van een aantal jaren terug samen met de moeizame herstructurering van de Japanse economie, zorgen ervoor dat het land met een globale overcapaciteit kampt. Dit heeft er deflatie tot gevolg. In de loop van 2003 is echter ook in Japan beterschap merkbaar: het BBP trekt er aan en de deflatie wordt minder groot.

Mildere fluctuaties dan voorheen Over een lange periode beschouwd zijn de conjunctuurbewegingen wel milder geworden. Dat wil zeggen dat de verschillen tussen de pieken en de dalen afgezwakt zijn. Dit is te danken aan de toegenomen rol van de overheid en de dienstensector in het algemeen die een minder volatiel outputpatroon vertoont. Het IMF analyseerde het verloop van conjunctuurbewegingen in 16 geïndustrialiseerde landen over de periode 1881-2000.

Tabel 7.2-1

Gemiddelde reële daling van de output tijdens een recessie Gemiddelde reële groei economie Aandeel van de recessies tijdens dewelke ook de investeringen daalden Aandeel van de periode met een recessie Aandeel van de periode met een expansie

Indicatoren over het verloop van recessies en expansies over 1881-2000 in 16 geïndustrialiseerde landen Jaren 1881-1913

Jaren 1919-1938

Jaren 1950-1972

Jaren 1973-2000

-4,3%

-8,1%

-2,1%

-2,5%

+2,8%

+3,8%

+5,3%

+2,6%

58,9%

77,4%

63,6%

96,2%

24,7%

29,4%

5,2%

13,4%

75,3%

70,6%

94,8%

86,6%

Bron: IMF.

Het Instituut vond dat de gemiddelde teruggang van het BBP tussen piek en dal voor de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum groter was dan tijdens de periodes nadien. Vanaf 1973 waren de recessies iets harder dan tijdens de jaren vijftig en zestig. Dit heeft te maken met de oliecrisissen en de gevolgen daarvan op de economie. Slechts gedurende 5,2% van de jaren 1950-1972 daarentegen verkeerden de beschouwde economieën in een recessie. Belangrijk is echter dat recessies tijdens de laatste jaren (1973-2000) minder diep waren en minder frequent voorkwamen dan een eeuw eerder.

88


Figuur 7.2-1

Verloop van de reële economische groei in het Vlaamse Gewest

10%

Evolutie t.o.v. een jaar eerder

8%

6%

4%

2%

0% 1956 1959 1962 1965 1968 1971 1974 1977 1980 1983 1986 1989 1992 1995 1998 2001 -2%

-4%

Bron: KBC, NIS, INR, APS.

Figuur 7.2-1 toont het verloop van de economische groei in het Vlaamse Gewest. De gemiddelde groei lag tijdens de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig hoger dan nadien. Er is geen beduidend verschil in de variantie van de groeicijfers voor 1974 en voor de jaren vanaf 19758.

Belang van de investeringen Een opvallend kenmerk van de huidige conjunctuurcycli is het toenemend belang van de investeringen. Dit hoeft niet te verwonderen omdat de bruto vaste kapitaalvorming nu een relatief groter deel uitmaakt van het BBP. Tabel 7.2.1 toont dat vóór de Eerste Wereldoorlog bijna 60% van de recessies in de geïndustrialiseerde landen gepaard ging met een afname van het investeringspeil. In de jaren na 1973 was dit in 96,2% van de gevallen zo! De economische depressie van de jaren dertig volgend op de beurscrash ging eveneens gepaard met een aanzienlijke terugloop van de investeringsbereidheid. De conjunctuurinzinking na 2000 nam ook een aanvang door de terugval van de investeringen (i.h.b. in ICT). Toch mogen beide periodes niet zomaar met elkaar vergeleken worden. Voornamelijk op het vlak van de bescherming van het financiële systeem en van een gecoördineerd optreden van de grotere landen zijn, achteraf gebleken, belangrijke fouten gebeurd tijdens de jaren dertig. Voorts heeft de private consumptie wel een deuk gekregen tijdens de recentste conjunctuurzwakte, maar was van een inzinking geen sprake.

8

F-toets op het verschil tussen twee varianties van economische groeicijfers (periode 1: 1956-1974, periode 2: 1975-2002) leverde geen significante verschillen op bij α = 5%.

89


Voorlopend karakter van Vlaamse conjunctuur? Een aantal economische analisten merken op dat de conjunctuurcurve voor de Belgische industrie een voorlopend karakter zou dragen op deze van de eurozone. Dat zou te wijten zijn aan de specifieke structuur van de Belgische industrie met een vrij groot gewicht aan halffabrikaten. Dit zijn grondstoffen die in de verdere stadia van het productieproces gebruikt worden. Een omslag in de economische activiteit zou zich als eerste laten voelen in deze hoofdindustriegroep. De Nationale Bank van België (NBB) testte deze veronderstelling en concludeerde dat de keerpunten van de conjunctuurcurve van de Belgische industrie wel degelijk beduidend voorlopen op deze van de eurozone9. Wel kon de NBB geen beduidende verklaring vinden in de specialisatie inzake intermediaire goederen (noch in de mate van openheid van de economie of het voorkomen van KMO’s). De instelling concludeert dan ook dat het een algemeen kenmerk zou zijn van de Belgische economie. Indien de berekeningen uitgevoerd worden voor het Vlaamse Gewest dan blijken de keerpunten in de industrie niet significant voor te lopen op deze van de eurozone10. Dit is wel het geval voor het Waalse Gewest.

Figuur 7.2-2

Vertrouwensindicator in de industrie, Vlaamse Gewest en eurozone

15 10 5 0 1985 -5

1998

-10 -15 -20 -25 -30 -35 Eurozone

Vlaamse Gew est

Bron: Europese Commissie, NBB; bewerking APS.

9 10

90

NBB, november 2000. Zie methodologische nota.


Figuur 7.2-3

Vertrouwensindicator in de industrie, Waalse Gewest en eurozone

15 10 5 0 1985 -5

1998

-10 -15 -20 -25 -30 -35 Eurozone

Waalse Gew est

Bron: Europese Commissie, NBB; bewerking APS.

TOEKOMSTVERWACHTINGEN De economische groei trekt moeizaam aan Er zijn nog steeds bronnen van instabiliteit aanwezig in de huidige economische omgeving. - De Verenigde Staten kampen met een omvangrijk tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans, vele bedrijven hebben schuldposities opgebouwd omwille van de investeringsgolf van een paar jaar terug , de spaarquote blijft laag. Deze pijnpunten zijn een hypotheek op de Amerikaanse groei. Tot op heden konden de autoriteiten de gevolgen ervan binnen de perken houden: de gestage koersdaling van de dollar t.o.v. de euro brengt overigens soelaas. - In Europa staat het werkloosheidsprobleem volop in de belangstelling. Dit is een rechtstreeks gevolg van de slappe economische groei van de laatste jaren. Een ander gevolg van de zwakke conjunctuur is dat een aantal Europese landen een begrotingstekort van meer dan 3% boeken en daarmee zondigen tegen een voorwaarde voor lidmaatschap van de eurozone. De geloofwaardigheid van de munt krijgt daardoor klappen. - De structurele problemen waarmee Japan kampt (noodzakelijke sanering van het financieel systeem en van onrendabele bedrijven) zijn nog steeds niet helemaal van de baan. Dit alles doet vragen rijzen bij de mogelijkheid van de belangrijkste economieën om op korte termijn opnieuw een fase van hoge economische groei te realiseren die een poos aanhoudt.

91


Globalisatie verhoogt impact van conjunctuurschommelingen elders in de wereld Daarnaast zijn er andere redenen waarom conjunctuurschommelingen ook in de toekomst tot de gangbare economische fenomenen zullen behoren, en dit ook in onze regio. De globalisatie van het economische leven uit zich immers door een meer intense afstemming van de economische bewegingen tussen landen.

Figuur 7.2-4

Lead profile industrie Vlaamse Gewest - eurozone

100 90 80 70

%

60 50 40 30 20 10 0 >0

>1

maanden

>2

>3

Bron: NBB, APS.

Het BBP van het Vlaamse Gewest evolueert uiteraard sterk gelijklopend met dit van België (Vlaanderen maakt het grootste deel uit van het Belgische BBP), doch over de laatste jaren zijn de parallellen met de EU en zelfs met de VS toegenomen. De toegenomen handelsstromen zijn één verklaring. Daarnaast zorgen ook de directe buitenlandse investeringen, internationale fusies en overnames en de sterkere internationale verwevenheid van de financiële markten voor een grotere afstemming tussen de Vlaamse economie en deze van andere geïndustrialiseerde landen. Zelfs eerder subjectieve invloeden zoals het ondernemersvertrouwen worden steeds meer internationaal bepaald. Deze sterkere interdependentie van de economieën zorgt voor een versterkend effect van recessies en van conjunctuurhausses.

Invloed van kapitaalmarkten vergroot Een ander gegeven is de toegenomen financiële liberalisatie: nieuwe financiële instrumenten en een nichevervaging met grotere concurrentie tussen de banken als gevolg, zorgen ervoor dat de toegang tot krediet groter wordt. Op zich is dit goed daar het een efficiënte doorstroming van liquide middelen naar potentiële investeerders bespoedigt. Het kan echter ook overinvesteringen in de hand werken met alle kwalijke gevolgen bij de afwikkeling achteraf (overcapaciteit, te hoge schuldposities,…). De toegenomen interesse voor diverse beleggingsproducten zorgde voor een grotere invloed van de beursevoluties op het

92


vermogen van gezinnen (meer nog in de VS). De recente beursperikelen hebben tot gevolg dat de vermogenspositie van deze gezinnen aangetast wordt. Meer en meer zal de (grillige) evolutie van beurswaarden ook van belang zijn voor de mogelijkheid om te consumeren. Deze volatiliteit op de kapitaalmarkten zal ook in de toekomst een feit zijn. Dit is een belangrijk gegeven gezien de verwachte sterkere afhankelijkheid van de volgende generaties gepensioneerden van aanvullende vermogens. De Europese Centrale Bank (ECB) voerde van bij haar creatie de beteugeling van de inflatie hoog in het vaandel. Daarom streeft de ECB naar een inflatie van maximaal 2%. Voornamelijk vanuit Angelsaksische hoek komt er kritiek op deze beleidsoptie. Een lage inflatie is immers geen garantie voor een stabiele economische omgeving. De reële rente is in een lage inflatieomgeving immers groter. Als lage renteniveaus niet de verhoopte zuurstof kunnen toedienen aan de economie, dan blijft er op de duur geen ruimte meer over om de rente nog meer te verlagen, daar de rente nooit negatief kan worden. Als een land geen negatieve reële rente meer kan bekomen om de economie te doen herleven, dan verkeert het in een zogenaamde ‘liquiditeitsval’. De monetaire overheid beschikt m.a.w. niet meer over een instrument om aan conjunctuurbeleid te doen. Op de duur kan de economische activiteit dermate terugvallen dat er zich prijsdalingen voordoen (deflatie). Dit is nefast voor een economie, daar consumenten geplande bestedingen zullen uitstellen totdat de producten of diensten nog goedkoper geworden zijn en omdat de reële schuld van bedrijven en gezinnen toeneemt. Dit is het geval in Japan. Gedurende de recentste maanden heeft er zich in onze regio geen deflatie voorgedaan. Toch mag het beleid niet voorbijgaan aan de noodzaak om de economie een stimulans te geven door renteverlagingen (te meer daar het psychologisch effect ervan ook niet onbelangrijk is).

93


BIJLAGE 1

HEEFT DE VLAAMSE CONJUNCTUURCURVE IN DE INDUSTRIE EEN VOORLOPEND KARAKTER?

De methodologie die de NBB hanteerde voor het testen van de hypothese of de Belgische conjunctuurcurve in de industrie een voorlopend karakter draagt op deze van de eurozone, kan ook toegepast worden op de gegevens van de Vlaamse conjunctuurcurve in de industrie (bron: NBBenquêtes). Om een vergelijking met de curve voor de eurozone zinvol te maken diende de Vlaamse conjunctuurcurve in de industrie in eerste instantie herrekend te worden: • enkel drie basisreeksen werden opgenomen (totale orderpositie, peil voorraden afgewerkte producten en vooruitzichten voor de vraag); • het rekenkundig gemiddelde van deze drie reeksen vormt de seizoengezuiverde synthetische curve voor de industrie; • de seizoengezuiverde bruto gegevens werden vervolgens elk afgevlakt volgens de methode van de NBB (gecentreerde vijfmaands glijdende mediaan, vervolgens gecentreerd vijfmaands gemiddelde met als gewichten 1/8, ¼, ¼, ¼ en 1/8). Zo bekomt men de seizoengezuiverde en afgevlakte synthetische curve voor de industrie; • vervolgens werden de pieken en de dalen (= keerpunten) van de conjunctuurcurve bepaald met als voorwaarden om als dusdanig erkend te worden: o afwisseling van pieken en dalen; o minimum 5 maanden tussen twee opeenvolgende keerpunten; o minimum 15 maanden tussen twee opeenvolgende pieken of twee opeenvolgende dalen. • in een volgende stap gaat men na of de keerpunten van de herrekende curve daadwerkelijk 11 voorlopen op deze van de eurozone. Dit gebeurt met de randomisatietest van Banerji . Het is een niet-parametrische test die nagaat of het aantal ‘leads’ (= totaal aantal maanden dat alle keerpunten voorlopen) significant verschillend is van een toevallige verdeling van de ‘leads’ of ‘lags’ (= aantal maanden dat een keerpunt achterloopt). Op basis daarvan kan een zogenaamde ‘lead profile’ opgezet worden. Dit schema geeft weer of de keerpunten van de conjunctuurcurve in kwestie meer dan 0 maanden significant voorlopen, meer dan 1 maand significant voorlopen, meer dan 2 maanden significant voorlopen enz. • de berekeningen werden uitgevoerd voor: o herrekende conjunctuurcurve Vlaamse industrie – industrie eurozone (figuur 7.2.4); o herrekende conjunctuurcurve Vlaamse industrie – industrie EU15 (figuur 7.2.5); o herrekende conjunctuurcurve Waalse industrie – industrie eurozone; o herrekende conjunctuurcurve Waalse industrie – industrie EU15.

11

94

Banerji, 1999.


Figuur 7.2-5

Lead profile industrie Vlaamse Gewest – EU-15

100 90 80 70

%

60 50 40 30 20 10 0 >0

>1

>2

>3

maanden

Bron: NBB, APS.

De resultaten tonen dat in 96,88% van de gevallen het niet-voorlopend karakter van het Waalse Gewest op de eurozone kan verworpen worden. Dat wil zeggen dat de hypothese dat de curve van het Waalse Gewest meer dan 0 maanden voorloopt, aanvaard wordt. Dit zwakt wel vrij vlug af. Zo kan in 89,06% van de gevallen de nulhypothese dat de Waalse curve niet langer dan 1 maand voorloopt, nog verworpen worden. Voor een voorlopend karakter van meer dan 2 maanden en van meer dan 3 maanden is de betrouwbaarheid niet meer te aanvaarden. De overige figuren tonen dat noch in de relatie Waalse Gewest – EU of Vlaamse Gewest – eurozone en Vlaamse Gewest – EU een significant voorlopend karakter kan verondersteld worden bij een aanvaardbare foutenmarge.

BRONNEN § Banerji, A. The lead profile and other non-parametric tools to evaluate survey series as leading indicators. 24th CIRET Conference New Zealand, maart 1999. § IMF. Recessions and recoveries. World Economic Outlook. April 2002. § OESO. Ongoing changes in the business cycle. OEXD Economic Outlook n° 71, juni 2002. § Vanhaelen, J.-J. e.a. The Belgian industrial confidence indicator: leading indicator of economic activity in the euro area? NBB Working Papers n° 12, november 2000. § Woodall P. The world economy. The Economist Survey; 28 september 2002.

95


THESE 3: WIN-WINSITUATIE BIJ UITBREIDING VAN EU NAAR 25 LIDSTATEN

PROBLEEMSTELLING Uitbreiding naar 25, 27 of 28? We staan aan de vooravond van een grote uitbreiding van de Europese Unie. Na een geslaagde groei van 6 naar 15 leden, maakt de EU zich op voor de aanzienlijkste uitbreiding ooit wat omvang en diversiteit betreft: het aantal kandidaten (13), de oppervlakte (toename met 34%), de bevolking (toename met 105 miljoen), de rijkdom, de verschillen in geschiedenis en cultuur. De Europese Unie zal er anno 2004 reeds 10 nieuwe lidstaten (‘toetredingslanden’) bij krijgen. Op 16 april 2003 werd het toetredingsverdrag in Athene ondertekend. Dat legt vast onder welke voorwaarden Polen, Estland, Letland, Litouwen, Tsjechië, Slovakije, Slovenië, Hongarije, Cyprus en Malta op 1 mei 2004 tot de Unie toetreden. Bulgarije en Roemenië moeten mogelijks tot 2007 wachten op het EU-lidmaatschap. Met de 13de kandidaat-lidstaat, Turkije, worden vooralsnog geen onderhandelingen gestart.

Tabel 7.3-1

Vlaams Gewest België EU15 Bulgarije*** Cyprus Tsjechië Estland Hongarije Letland Litouwen Malta Polen Roemenië*** Slovakije Slovenië en Turkije** ***

Bevolking, oppervlakte en BBP van kandidaat-lidstaten en EU-15 Bevolking (x 1.000)

Oppervlakte 2) (in km

BBP per capita (in KKP*)

BBP per capita (EU15=100)

1 januari 2003

1 januari 2002

2001

2001

5.995,6 10.355,8 379.482,5

13.522 30.528 3.191.000

24.649 24.967 23.354

106 107 100

7.845,8 715,1 10.203,3 1.356,0 10.142,4 2.331,5 3.462,6 397,3 38.218,5 21.772,8 5.379,2 1.995,0 69.180,0

110.911 9.241 78.860 43.431 93.029 64.589 65.300 316 312.685 238.391 49.035 20.273 779.452

5.783 18.177 14.156 8.996 12.017 7.790 8.690 16.221 9.546 5.265 10.433 15.843 10.433

26 78 61 39 52 33 37 70 41 23 45 68 25

*Koopkrachtpariteit: is een artificiële munteenheid die variaties tussen de nationale prijsniveaus toelaat die niet in rekening worden gebracht door de wisselkoersen. **Raming bevolking en oppervlakte voor 2002. ***BBP per capita voor 2000. Bron: Eurostat, NIS.

96


De uiteindelijke toetreding wordt vooraf gegaan door een lang proces van zowel politieke als economische aanpassingen. Om daadwerkelijk lid te kunnen worden van de EU dienen de kandidaat-lidstaten immers te voldoen aan de economische en de politieke voorwaarden die bekend staan als de criteria van Kopenhagen (1993)12: - een stabiele democratie hebben die de rechtstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en de bescherming van de minderheden waarborgt; - over een functionerende markteconomie beschikken; - de gemeenschappelijke regels, normen en beleidsmaatregelen aanvaarden die het corpus van de EU-wetgeving vormen. Alhoewel de kandidaat-lidstaten de grootste inspanningen zullen moeten leveren om het integratieproces tot een goed einde te brengen, zal ook de EU een aantal institutionele hervormingen moeten doorvoeren. Het Verdrag van Nice (2000) bevat belangrijke wijzigingen om de besluitvorming in een uitgebreide unie te stroomlijnen13: - herverdeling van het aantal EU-parlementsleden per land; - herverdeling van het stemmenaantal in de Ministerraad; - mogelijkheid tot stemmen bij meerderheid en zo defacto afzwakking vetorecht; - toekennen van aantal parlementsleden en stemmenaantal aan kandidaat-lidstaten; - maximum 27 EU-commissarissen, rotatie tussen landen mogelijk.

Voordelen op korte termijn reeds zichtbaar Enkele voordelen op economisch vlak, zowel voor de huidige leden als de kandidaat-leden, zijn nu reeds zichtbaar. Het verdwijnen van de handelsbelemmeringen tussen de EU en de voormalige Oostbloklanden begin jaren negentig, zette reeds het licht op groen voor een verdere verdieping van de handelsrelaties tussen beide. De val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989 effende het pad voor intense samenwerking en economische integratie tussen de EU en een aantal landen uit Centraalen Oost-Europa. Snel na de transformatie van de politieke systemen en de omschakeling van plan- naar markteconomie, opteerden velen onder hen uitdrukkelijk voor een verregaande integratie met de Europese Unie. Sinds het begin van de jaren negentig verloopt het (economische) integratieproces aan een hoog tempo, met buitenlandse handel en directe buitenlandse investeringen als de twee belangrijkste kanalen. Om het integratieproces in goede banen te leiden en de uiteindelijke toetreding van de kandidaat-lidstaten voor te bereiden, sloot de EU de Europe Agreements af. Deze bilaterale akkoorden tussen de EU en elke kandidaat-lidstaat afzonderlijk, bieden een institutioneel kader voor de liberalisering van de handel in industriële producten, bevat stappen voor het vrij verkeer van diensten en kapitaal, evenals de verplichtingen van de kandidaat-lidstaten om hun economische wetgeving dichter bij deze van de EU te brengen. Deze akkoorden maken eigenlijk de weg vrij voor effectief lidmaatschap van de EU.

12 13

Europese Commissie, Enlargement, Frequently Asked Questions, punt 2. F. Abraham, e/a., De nieuwe EU: de doodsteek voor de Vlaamse economie?, p. 19.

97


Buitenlandse handel vooral met de buurlanden Tabel 7.3-2

Belang van de EU in export en import van de 13 kandidaat-lidstaten in 2002, in %

Bulgarije Cyprus Tsjechië Estland Hongarije Letland Litouwen Malta Polen Roemenië Slovakije Slovenië* Turkije

Aandeel EU in de import 50,2 55,8 60,2 57,9 56,3 53,0 44,5 67,0 61,7 58,4 50,3 68,0 45,5

Aandeel EU in export 55,6 48,0 68,4 68,0 75,1 60,4 48,4 46,6 68,7 67,1 60,5 59,4 51,5

Bron: Eurostat uit nationale bronnen.

Voor de kandidaat-lidstaten zijn de huidige EU-leden bevoorrechte handelspartners, zowel wat de import als de export betreft. Voor de EU vormen de kandidaat-lidstaten een snelgroeiende afzetmarkt. De kandidaat-leden voeren buitenlandse goederen in, nodig om de overgang naar een moderne markteconomie goed te laten verlopen. De optimale geografische ligging maakt van Duitsland de belangrijkste handelspartner. In 2000 was 38,2% van alle invoer van de kandidaat-lidstaten afkomstig uit Duitsland en exporteerden deze landen samen op hun beurt 43,2% naar Duitsland. Op een tweede en derde plaats komen respectievelijk Italië en Frankrijk. Ook de andere EU-landen, met uitzondering van Portugal, hebben een positieve handelsbalans met de kandidaat-lidstaten in 2000. België situeert zich bij de middenmoot. Anno 2002 is Hongarije de grootste exporteur naar de EU en is Slovenië de grootste importeur van de EU. De intensifiëring van de handelsrelaties tussen Oost- en West-Europa heeft ook impact op het Belgische, en meer bepaald het Vlaamse handelspatroon. Zowel langs de import- als exportzijde heeft zich een heroriëntering oostwaarts voorgedaan. Een studie over de Vlaamse export naar een groep van 5 kandidaat-lidstaten (Polen, Hongarije, Tsjechië, Estland en Slovenië) in de periode 1995-1998, uitgevoerd door de KU Leuven in opdracht van de Vlaamse overheid, kwam toen reeds tot gelijkaardige bevindingen. De Vlaamse cijfers (INR) voor de exportgroei richting alle 13 kandidaat-lidstaten, hangen een gemengd beeld op met grote schokken voor de periode 1993-2002. Dit is wellicht grotendeels te verklaren door de ingrijpende wijzigingen die gepaard gaan met het politieke en economische transitieproces dat plaatsgrijpt in de kandidaat-lidstaten. Ondanks de sterke handelsexpansie met de 13 nieuwe kandidaat-lidstaten, mag de impact van deze landen op de Vlaamse en Belgische economie niet overroepen worden. Niettegenstaande hun belang sterk gegroeid is, bedraagt hun aandeel in de totale Vlaamse uitvoer in 2002 ongeveer 3,3%.

98


Aard van de handel verschilt naargelang het land De studie van de KU Leuven kwam tot de bevinding dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen verschillende groepen van kandidaat-lidstaten. Het handelspatroon tussen landen zoals bijvoorbeeld Bulgarije en Litouwen beantwoordt aan het klassieke beeld dat het Vlaamse Gewest technologische en kapitaalintensieve producten uitvoert in ruil voor arbeidsintensieve goederen of landbouwproducten. Dit is typisch een illustratie van een interindustrieel handelspatroon. Bij analyse van de handel tussen de groep van Polen, Hongarije, Tsjechië, Estland en Slovenië valt dan weer de evolutie van een interindustrieel naar een intra-industrieel handelspatroon op. De aanwezigheid van hooggekwalificeerde arbeidskrachten en de snelle invoer van technologische kennis en kapitaal in deze landen, zorgen ervoor dat hun productie en export zich in dezelfde sectoren als in het Vlaamse Gewest beginnen te specialiseren. De belangrijkste Vlaamse exportsectoren naar deze 5 landen in de periode 1995-1998 zijn chemie, elektronica, transport en textiel. Aan de importkant domineren elektronica en transport, wat dus wijst op de eerste tekenen van intra-industriële handel. Recentere exportcijfers (1993-2002) schijnen deze tendens te bevestigen.

Directe buitenlandse investeringen stijgen Niet alleen via buitenlandse handel maar ook via (directe) buitenlandse investeringen (DBI) wordt de economische integratie tussen de EU en de kandidaat-lidstaten bevorderd. Sinds 1996 namen de directe buitenlandse investeringen vanuit de EU-15 naar de kandidaatlidstaten14 een hoge vlucht: van 6,5 miljard ECU in 1996 naar 19 miljard euro in 2000. Deze investeringen zijn vooral geconcentreerd in Polen, Tsjechië en Hongarije: 82% vloeide naar hen in 1996 en in 2000 was dit nog 69%. Belangrijkste investeerders zijn Duitsland, Nederland en Frankrijk. Een studie van het Federaal Planbureau toont aan dat de Belgische ondernemingen de laatste 10 jaar hun blik steeds meer oostwaarts richten. Waar er in 1991 2,1% van de Belgische dochterondernemingen in de EU kandidaat-lidstaten15 gevestigd waren, zijn er dat in 1999 reeds 7%. Vooral Hongarije, Polen en Tsjechië trekken Belgische investeerders aan. Opvallend is dat dit ook de landen zijn waar Vlaanderen het meest naar exporteert in oostwaartse richting. Er is dus blijkbaar een belangrijke samenhang tussen handels- en investeringsstromen. Ook de geografische nabijheid speelt een belangrijke rol. Het belang van Duitsland als één van de belangrijkste investeerders in de kandidaatlidstaten illustreert dit.

Tabel 7.3-3

Oorsprong DBI-stromen naar kandidaat-lidstaten* door EU15-leden in 1996 en 2000, in %

Duitsland Frankrijk Nederland Oostenrijk Andere EU15-leden

1996 41 9 23 8 19

2000 19 24 21 10 26

*Zonder Malta. Bron: Statistics in Focus, theme 2, 24/2002.

14 15

Hier zonder cijfers voor Malta. In studie van Federaal Planbureau wordt onder de EU-kandidaten uit Oost- en Centraal-Europa verstaan: Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovakije, Slovenië en Tsjechië.

99


TOEKOMSTVERWACHTINGEN Voorziene voordelen van EU+ op langere termijn De voordelen van een uitgebreide unie zullen zowel van politieke, culturele als economische aard zijn16. Zo breidt de zone van vrede, stabiliteit en welvaart in Europa uit en zal de veiligheid voor de Europese bevolking toenemen. Het bijkomen van meer dan 100 miljoen mensen in snel groeiende economieën bij de reeds eengemaakte EU-markt met een bevolking van 370 miljoen, zal de economische groei en werkgelegenheid aanzwengelen in zowel de nieuwe als de oude lidstaten. De 10 kandidaat-lidstaten die in 2004 verwacht worden te zullen toetreden, laten jaarlijks gemiddelde groeicijfers van 4,5% optekenen voor de periode 1995-2003. Ter vergelijking: voor het Vlaamse Gewest en de EU-15 bedroeg dit cijfer respectievelijk 2,3% en 2,2%. De economische situatie in de huidige en de nieuwe lidstaten verschilt aanzienlijk. Verwacht wordt dat het zwaartepunt op de gevolgen van de toetreding van de landen uit Centraal- en Oost-Europa zal komen te liggen, aangezien Malta en Cyprus veel kleiner zijn en geen overgang vanuit een planeconomie hebben meegemaakt. Aangenomen wordt dat de uitbreiding de grootste economische invloed zal hebben op de huidige lidstaten die grenzen aan de nieuwe leden, in dit geval Oostenrijk en Duitsland. De levenskwaliteit voor de bevolking in gans Europa zal toenemen wanneer de nieuwe lidstaten het EU-beleid overnemen om de misdaad te bestrijden en het milieu te beschermen. De uitbreiding zal de rol die de EU op wereldvlak wil spelen, meer kracht bijzetten. Tot slot zal de toenemende culturele diversiteit en de uitwisseling van verschillende ideeën er toe bijdragen dat verschillende volkeren elkaar beter begrijpen.

De handelsrelaties blijven het meest intensief met de buurlanden Aangezien de handel in goederen met de EU sinds begin jaren negentig al grotendeels geliberaliseerd werd, kan verwacht worden dat er maar een beperkt direct effect zal zijn en dat verdere winst pas op langere termijn kan geboekt worden als gevolg van meer investeringen en verdergaande specialisatie van de productie. Ramingen geven aan dat het effect van de uitbreiding voor de huidige leden van de EU eerder beperkt zal zijn, gegeven de grotere omvang van haar economie. Sommige studies17 maken gewag van een winst van ongeveer 10 miljard euro waardoor het BNI eenmalig met 0,2% zou toenemen. Deze winst is echter niet gelijk verdeeld over de bestaande lidstaten; ongeveer 1/3 zou aan Duitsland toekomen. Analisten verwachten dat de handelsvoordelen voor de nieuwe lidstaten relatief groter zullen zijn, gezien de kleinere economieën en het feit dat meer dan de helft van hun uitvoer, en voor sommige landen zoals Estland en Hongarije zelfs ¾ in 2000, naar de huidige Europese Unie gaat. Schattingen spreken van een toename van 1,5% tot zelfs 10% van het BNI van de toetredende landen als geheel genomen.

16 17

Europese Commissie, Enlargement, Frequently Asked Questions, punt 1. W., Kok, Uitbreiding van de Europese Unie; Wat is bereikt en wat is nu nodig?, p. 41.

100


Impact op de tewerkstelling blijft nog onduidelijk De uitbreiding van de EU zal niet alleen gevolgen voor het Vlaamse buitenlandse handelspatroon hebben, maar ook voor de werkgelegenheid. Momenteel is er geen enkele actuele studie voorhanden die een raming geeft van de EU-uitbreiding op de Vlaamse arbeidsmarkt18. Het effect van vrij verkeer van werknemers op de Vlaamse arbeidsmarkt is tot nu toe onvoldoende onderzocht. Er is wel een projectvoorstel (KU Leuven en Idea Consult) in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 2003 toegewezen. Eerder onderzoek aan de KU Leuven toonde aan dat de netto tewerkstellingseffecten bij handel met 5 kandidaat-lidstaten19 op macro-economisch niveau voor de periode 1995-1998 weliswaar klein zijn (er wordt gewag gemaakt van 1.570 extra jobs voor deze periode), maar stipt eveneens aan dat er duidelijke verschillen zijn tussen sectoren. Hierbij blijkt er een parallel te zijn tussen het handelspatroon en de netto tewerkstellingseffecten. Er treden zowel sterke jobcreatie- als jobdestructie-effecten op in sectoren zoals textiel, machinebouw, kantoormachines, telecom, en automobielnijverheid. Dit komt overeen met een patroon van intra-industriële handel, waarin veel jobrotatie plaatsvindt binnen de sector, maar de sector in zijn geheel daarom nog geen jobdestructie kent. Een aantal sectoren slaagt er wel in om voordeel te halen uit het uitbreidingsproces: de chemische nijverheid, de voedingssector, kunststoffen en metaalproducten. Sommige, voornamelijk arbeidsintensieve sectoren zoals bijvoorbeeld de schoen-, leder- en houtindustrie, ondervinden dan wel weer hinder door toetreding van kandidaat-lidstaten. Het grootste deel van de sectoren heeft echter te maken met zeer zwakke effecten op vlak van destructie en creatie van jobs naar aanleiding van de toenemende economische integratie van de kandidaat-lidstaten. Studies in opdracht van de Europese Commissie ramen dat er in 2002 reeds 1.159.804 arbeidskrachten uit de 10 kandidaat-lidstaten van Centraal- en Oost-Europa wonen in een EU-land, wat neerkomt op 0,31% van de EU15-bevolking. De migratie, meestal in de vorm van seizoensarbeid, concentreert zich in hoofdzaak in de buurlanden Duitsland (65%) en Oostenrijk (12,1%). Dezelfde studie geeft aan dat er zich in België anno 2002 14.646 burgers uit de kandidaat-lidstaten bevinden en schatten dat er dat in 2005 25.100 zullen zijn. De uiteindelijke effecten van de uitbreiding op de arbeidsmarkt hangt grotendeels af van welke werknemers migreren en welke sectoren van de arbeidsmarkt hierbij betrokken zijn. Een andere studie van de European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions, eveneens in opdracht van de Europese Commissie, peilde in elk van de 13 toekomstige lidstaten (lente 2002) bij minstens 1.000 inwoners naar hun migratiewil. De belangrijkste conclusie uit die studie is dat er van de Oost-Europeanen (ouder dan 15 jaar) de komende 5 jaar ongeveer 1% naar West-Europa zou komen. Uit dit onderzoek blijkt dat het voornamelijk zou gaan over jonge en hoogopgeleide vrouwen uit Hongarije, Tsjechië en Slovakije. Tal van de huidige lidstaten van de EU, waaronder ook België, zijn niettemin van plan om de komende jaren een migratiestop te handhaven teneinde de arbeidsmarkt af te schermen tegen een eventuele massale toevloed van nieuwkomers uit de kandidaat-lidstaten.

18

19

KU Leuven en Idea Consult, Gevolgen van de EU-uitbreiding voor de Vlaamse arbeidsmarkt, projectvoorstel in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 2003, p. 16. De 5 kandidaat-lidstaten hier zijn: Polen, Hongarije, Tsjechië, Estland en Slovenië.

101


Tabel 7.3-4

Projectie aantal residenten uit 10 kandidaat-lidstaten* in de EU-15, in personen

1998

2002

2005

2010

2015

2020

2025

2030

België Denemarken Duitsland Finland Frankrijk Griekenland Ierland Italië Luxemburg Nederland Oostenrijk Portugal Spanje Verenigd Koninkrijk Zweden

10.773 8.863 554.869 11.985 22.000 20.131 200 34.490 700 9.606 103.000 781 10.539 39.000 26.191

EU-15

853.128 1.159.804 1.987.719 2.907.369 3.437.145 3.721.610 3.853.542 3.892.345

in % van bevolking in 10 kandidaatlidstaten in % van bevolking in de EU-15

14.646 25.100 36.713 43.403 46.995 48.661 49.151 12.049 20.650 30.204 35.708 38.663 40.034 40.437 754.329 1.292.799 1.890.933 2.235.498 2.420.513 2.506.319 2.531.556 16.293 27.924 40.844 48.286 52.282 54.136 54.681 29.908 51.258 74.974 88.635 95.971 99.373 100.374 27.368 46.904 68.604 81.105 87.818 90.931 91.846 272 466 682 806 872 903 912 46.888 80.359 117.538 138.956 150.456 155.790 157.359 952 1.631 2.386 2.820 3.054 3.162 3.194 13.059 22.381 32.736 38.701 41.904 43.390 43.827 140.026 239.982 351.013 414.974 449.318 465.246 469.931 1.062 1.820 2.662 3.147 3.407 3.528 3.563 14.327 24.555 35.916 42.460 45.974 47.604 48.084 53.019 90.867 132.908 157.126 170.130 176.161 177.935 35.606 61.023 89.256 105.520 114.253 118.304 119.495

0,82

1,12

1,93

2,83

3,37

3,67

3,84

3,93

0,23

0,31

0,53

0,78

0,93

1,01

1,06

1,08

*Zonder Malta, Cyprus en Turkije. Bron: Boeri, T., Brücker, H., The Impact of Eastern Enlargement on Employment and Labour Markets in the EU Member States; European Integration Consortium, Berlin and Milano, 2000.

Groei van buitenlandse investeringen blijft onduidelijk Gezien het feit dat er reeds in hoge mate vrijhandel is tussen de huidige en nieuwe leden van de EU, zijn de verwachtingen hooggespannen wat de buitenlandse investeringen betreft als sleutel tot toekomstige economische groei in de nieuwe lidstaten. De toekomstige ontwikkelingen zijn moeilijk in te schatten. Of de buitenlandse investeringen zullen toenemen in de nieuwe lidstaten zal zeker afhangen van de kwaliteit van hun beleid zowel op nationaal als lokaal niveau. Toch mag verwacht worden dat het lange tijd zal duren eer de nieuwe lidstaten economisch gezien naar de huidige leden toegegroeid zullen zijn. Sommige studies spreken van ‘enkele decennia’, andere spreken van ‘generaties’20.

20

EIU, Europe Enlarged: Understanding the Impact, juni 2003.

102


Figuur 7.3-1

Aantal jaren* om gemiddeld inkomen per hoofd Europese Unie te bereiken

Roemenië

80 63

Bulgarije 59

Polen

58

Letland 53

land

Litouw en 39

Tsjechië

38

Slovakije 34

Hongarije Slovenië

31

Estland

31 29

Malta 21

Cyprus 0

10

20

30

40

jaren

50

60

70

80

90

*In het gunstigste scenario met een toekomstige groei van het inkomen per hoofd in Centraal- en Oost-Europa van gemiddeld 3,8% per jaar. Bron: EIU.

Zijn er grenzen aan de uitbreiding van de Europese Unie? Op 1 mei 2004 treden er 10 nieuwe landen toe tot de Europese Unie die dan 25 lidstaten zal tellen. Daarmee is de Europese expansie alvast nog niet afgerond. Roemenië en Bulgarije, die sinds 1999 onderhandelen, hopen in 2007 te kunnen toetreden. Voor Turkije, dat nog een aantal hervormingen moet doorvoeren, is het minder duidelijk wanneer de toetredingsonderhandelingen van start kunnen gaan. Met de uitbreiding in de richting van Oost- en Centraal-Europa komen de ‘nieuwe buren’ verder in het oosten (Wit-Rusland, Oekraïne, …) en in de Balkan (Kroatië, Albanië, …) alvast meer in beeld. Kroatië heeft reeds het voortouw genomen en een aanvraag tot EU-toetreding ingediend. Andere landen zoals Noorwegen en Zwitserland, die in feite voldoen aan de nodige criteria voor toetreding tot de EU, hebben vooralsnog geen aanvraag tot lidmaatschap klaar en lijken voorlopig ook niet echt gehaast om dit te doen.

103


1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002

104

36,9 42,3 75,2 103,4 122,6 167,1 158,4 220,4 293,2 323,6

Roemenië

363,3 284,1 544,3 721,8 918,6 952,4 904,0 1.562,9 991,4 1.249,5

8,3 19,9 28,0 28,9 46,3 54,9 49,3 63,2 70,9 85,0

10,2 25,2 35,6 38,8 54,3 54,3 54,4 54,6 69,6 75,2

9,7 15,2 27,2 44,1 70,5 88,3 78,7 97,6 128,6 140,1

Turkije Estland Letland Litouwen 345,6 388,1 500,0 652,8 896,2 1.045,7 1.153,7 1.250,2 1.384,8 1.534,8

Polen 175,4 270,2 317,0 400,1 427,3 447,4 476,6 668,8 852,4 925,6

23,3 51,0 65,8 74,9 105,6 129,2 135,4 191,8 230,2 269,3

178,5 227,2 232,5 252,7 435,3 645,5 772,4 849,2 820,0 833,2

52,4 75,1 82,2 108,7 90,2 105,3 112,9 147,1 156,3 147,7

33,3 33,4 34,3 31,5 51,8 54,9 51,1 82,5 79,4 74,1

Tsjechië Slovakije Hongarije Slovenië Cyprus

WAARDE UITVOER VLAAMSE GEWEST NAAR LAND VAN BESTEMMING, IN MILJOEN EURO

Bron: NBB, Belgostat Online, 24 maart 2004.

31,3 34,5 54,1 40,2 53,0 80,2 79,8 93,9 126,3 116,9

Bulgarije

BIJLAGE 1

16,6 20,4 21,4 23,2 25,6 38,0 55,6 59,9 61,1 51,5

Malta

Totaal 10 Totaal Vlaamse toetredingslanden Gewest 73.715,5 853,2 81.921,2 1.125,8 90.383,9 1.344,0 96.671,2 1.655,7 110.357,0 2.203,1 122.733,7 2.663,5 128.740,6 2.940,1 154.423,1 3.464,8 160.317,9 3.853,3 177.325,9 4.186,0

Totaal 13 kandidaatlidstaten 1.284,8 1.486,6 2.017,6 2.521,0 3.297,3 3.863,1 4.082,4 5.342,1 5.264,2 5.876,0


105

2,9 6,5 nb 4,3 1,5 -1,6 6,2 nb nb nb 5,8 4,1 7,2 nb

Bulgarije Cyprus Tsjechië Estland Hongarije Letland Litouwen Malta Polen Roemenië Slovakije Slovenië Turkije Toetredingslanden**

-9,4 1,9 nb 3,9 1,3 3,7 4,7 nb 6,0 nb 6,1 3,8 7,0 nb

1996 0,7 1,2 1,6 1,4 -5,4 2,3 nb 9,8 4,6 8,4 7,0 nb 6,8 nb 4,4 4,6 7,5 nb

1997 3,8 3,5 2,5 2,3 3,90 4,8 nb 4,6 4,9 4,8 7,3 nb 4,8 nb 4,2 3,7 3,1 nb

1998 1,9 2,0 2,9 2,9

*Voorspelling. **10 van de kandidaat-lidstaten die in 2004 verwacht worden te zullen toetreden. Bron: Eurostat, INR, APS.

1995 3,1 2,4 2,4 2,2 2,3 4,7 nb -0,6 4,2 2,8 -1,8 4,1 4,1 -1,2 1,5 5,9 -4,7 nb

1999 3,2 3,2 2,9 2,8 5,4 5,0 3,3 7,3 5,2 6,8 4,0 6,4 4,0 2,1 2,0 4,1 7,4 4,1

2000 4,1 3,8 3,5 3,5 4,1 4,0 3,1 6,5 3,8 7,9 6,5 -1,2 1,0 5,7 3,8 2,9 -7,5 2,4

2001 1,0 0,6 1,6 1,6 4,8 2,0 2,0 6,0 3,5 6,1 6,8 1,7 1,4 4,9 4,4 2,9 7,8 2,4

2002 0,7 0,7 1,0 0,9

GROEIVOET BBP TEGEN CONSTANTE PRIJZEN (1995=100), WIJZIGING T.O.V. VOORGAAND JAAR, IN %

Vlaamse Gewest België EU15 Eurozone

BIJLAGE 2

4,5 2,0 2,9 4,4 2,9 7,4 6,6 0,7 3,3 4,7 4,2 2,1 5,1 3,2

2003* 1,0 1,1 0,7 0,4

5,0 3,4 2,6 5,6 3,2 5,2 5,7 2,8 4,2 4,9 4,1 3,1 4,5 3,8

2004* 2,0 2,0 1,9 1,8


BRONNEN § Abraham, F., Konings, J., Veugelers, R., Van Hove, J., Vansteenkiste, I. De nieuwe EU: de doodsteek voor de Vlaamse economie? Acco, 2002. § Boeri, T., Brücker, H., The Impact of Eastern Enlargement on Employment and Labour Markets in the EU Member States. European Integration Consortium: Berlin and Milano, 2000. § Economist Intelligence Unit (EIU). Europe Enlarged: Understanding the Impact. Brussel, juni 2003. § Europese Commissie, Directorate General for Economic and Financial Affairs (2001). The Economic Impact of Enlargement. § Europese Commissie (2003). Enlargement, Basic Arguments. §

European Foundation for the Improving of Living and Working Conditions, Migration trends in an enlarged Europe, draft, 26/2/2004.

§ Europese Commissie (2003). Enlargement, Frequently Asked Questions. § Eurostat. Annuaire Eurostat 2002 – données 1990-2000. § Federaal Planbureau. Quarterly Newsletter Some implications for Belgium of the Eastern EU enlargement. July 2001. § INR. Statistieken van de Belgische uitvoer - gewestelijke resultaten. Kwartaalbericht, 2002 III. § Kok, W. Uitbreiding van de Europese Unie; wat is bereikt en wat is nu nodig? Rapport aan de Europese Commissie, 26 maart 2003. § KU Leuven & Idea Consult. Gevolgen van de EU-uitbreiding voor de Vlaamse arbeidsmark, Projectvoorstel in het kader van het VIONAarbeidsmarktonderzoeksprogramma 2003. Brussel, 6 mei 2003. § Nationale Bank van België. Belgostat Online. Maart 2004. § Spinnewyn, H. Vestigingen van Belgische ondernemingen in Centraal- en Oost-Europa op basis van gegevens van de Balanscentrale. Federaal Planbureau. Brussel, 17 april 2001. § Statistics in focus. EU Member States largest Foreign Direct Investors in Candidate Countries. Theme 2, 24/2002.

106


THESE 4: HET EFFECT VAN DE EENHEIDSMUNT IS NOG MAAR BEPERKT ZICHTBAAR

PROBLEEMSTELLING Reeds inspanningen gevraagd vóór de toetreding tot de Economische en Monetaire Unie Op 1 januari 1999 ging de laatste voorbereidende fase in van de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Toen werd een Europese Centrale Bank (ECB) opgericht, de wisselkoersen werden definitief vastgesteld en er werd één munt (euro) ingevoerd. De eenheidsmunt kwam fysiek in omloop op 1 januari 2002 en dit in 12 van de 15 EU-lidstaten (Eurozone21) waaronder ook in België. Met de voltooiing van de EMU is een economisch blok ontstaan dat qua gewicht vergelijkbaar is met de Verenigde Staten.

Tabel 7.4-1 Aandeel in de wereld op gebied van bevolking, BBP, export van goederen en diensten, in 2002, in % Bevolking

BBP

Export van goederen en diensten

EU-15 Eurozone*

6,2 5,0

19,7 15,7

38,8 31,2

Verenigde Staten Japan

4,7 2,1

21,1 7,1

12,4 5,8

*Eurozone = EU-15 zonder Verenigd Koninkrijk, Zweden, Denemarken. Bron: IMF, World Economic Outlook, september 2003.

Landen die de euro ingevoerd hebben, genieten voordelen zoals: het verdwijnen van transactiekosten bij intra-EU-handel, de opheffing van het wisselkoersrisico in de handel met andere deelnemers aan de eurozone, een betere werking van geld- en kapitaalmarkten, de concurrentiebevorderende transparantie van de prijzen van goederen en diensten, het kracht bijzetten van het proces van verdere economische integratie. Mogelijk nadeel van de muntunie is dat de nationale overheid een instrument van beleid verliest. Zij kunnen geen eigen geldbeleid meer voeren en ook de wisselkoers niet meer aanpassen. De ervaring leert echter dat de geregelde devaluatie van een munt geen blijvende voordelen oplevert. De loonpolitiek is een mogelijk alternatief beleidsinstrument; maar in België is dit minder van toepassing aangezien er hier wettelijke afspraken in voege zijn. In de EMU blijven de lidstaten verantwoordelijk voor hun eigen economisch beleid, alhoewel ze niet langer een onafhankelijk monetair beleid kunnen voeren. Het fiscaal beleid wordt mede bepaald door het Stabiliteits- en Groeipact dat grenzen stelt aan begrotingstekorten en overheidsschulden. Op grond van dit pact moeten de lidstaten op middellangetermijn komen tot een vrijwel sluitende begroting of begrotingsoverschot. 21

Eurozone omvat België, Griekenland, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland.

107


Enkele voordelen van de EMU beginnen reeds voelbaar te worden. De EMU is immers gebaseerd op een evenwichtig macro-economisch beleid, hetgeen een nieuwe cultuur van economische stabiliteit in Europa creëerde. Met het oog op een stabiel en betrouwbaar muntstelsel, hadden de deelnemende EMU-landen zich strenge economische toetredingseisen opgelegd, de zogenaamde convergentiecriteria van het Verdrag van Maastricht (juni 1992)22: - begrotingstekort: maximum 3% van het BBP, of een percentage in de buurt daarvan na een voortdurende verminderingsinspanning, of net boven dit niveau ingevolge een tijdelijke en uitzonderlijke ontsporing; - overheidsschuld: maximum 60% van het BBP of het bewijs leveren van een voortdurende en voldoende vermindering om dit referentieniveau te bereiken; - inflatie: mag niet meer dan 1,5% boven het gemiddelde van de 3 landen met de laagste inflatie gedurende minimum 1 jaar voor het toelatingsexamen (mei 1998); - gemiddelde nominale langetermijnrente: maximum 2% boven de gemiddelde rentevoet van de 3 landen met de laagste inflatie gedurende minimum 1 jaar voor het toelatingsexamen; - wisselkoers: de nationale munt moet ten minste twee jaar binnen de normale fluctuatiemarges van het Europees Monetair Stelsel (EMS) zijn gebleven. Op basis van deze criteria werden in mei 1998 11 landen voor toetreding tot de EMU geschikt bevonden, waaronder ook België. Op 1 januari 2001 trad ook Griekenland toe.

Begrotingstekort en overheidsschuld onder controle Toen België in 1992 zijn eerste convergentieprogramma voorstelde, bleek dat het begrotingstekort rond de 8% was en dat de overheidsschuld opliep tot 130%. Het fiscale beleid diende aangepast teneinde tijdig de 3%-norm te behalen en de overheidsschuld systematisch af te bouwen. België slaagde in deze opdracht en kan ook vandaag nog bogen op evenwichtige overheidsfinanciën.

22

Europese Commissie, Europa in beweging. Wanneer zullen wij de euro op zak hebben?

108


Figuur 7.4-1

Begrotingstekort, in % van het BBP aan marktprijzen

2,0 1,0 0,0 -1,0 -2,0 -3,0 -4,0 -5,0 -6,0 -7,0 -8,0 -9,0

België

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

-8,1

-7,3

-5,0

-4,3

-3,8

-2,0

-0,7

-0,4

0,2

0,6

0,1

0,2

-0,4

-0,4

-5,1

-4,3

-2,6

-2,3

-1,3

0,2

-1,6

-2,2

-2,8

-2,7

-2,7

Eurozone

2002 *2003 **2004 **2005

*Raming. **Voorspelling. Bron: Europese Commissie, Statistical Annex of European Economy, spring 2003 en Economic Forecasts (autumn 2003).

Figuur 7.4-2

Overheidsschuld, in % van het BBP tegen marktprijzen

160,0 140,0 120,0 100,0 80,0 60,0 40,0 20,0 0,0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002 *2003 **2004 **2005

België

132,5 138,2 135,9 134,0 130,2 124,8 119,6 114,8 109,5 108,7 106,1 103,5 101,0

97,8

Eurozone

61,9

70,7

67,2

69,5

73,0

75,4

75,4

73,7

72,7

70,2

69,2

69,0

70,4

70,7

*Raming. **Voorspelling. Bron: Europese Commissie, Statistical Annex of European Economy, spring 2003 en Economic Forecasts (autumn 2003).

109


Prijsstabiliteit Prijsstabiliteit wordt via het monetaire beleid van de ECB ondersteund. In 2000 stonden de inflatoire ontwikkelingen in het teken van forse stijgingen van de olieprijzen, waarvan het effect nog werd versterkt door een aanzienlijke depreciatie van de euro, en daarnaast een toename van de prijzen voor onbewerkte levensmiddelen veroorzaakt door slechte weersomstandigheden en crisissen in de vleessector. De NBB raamt dat de omschakeling naar in euro uitgedrukte prijzen in 2002 al bij al een geringe invloed heeft gehad op de inflatie (+0,2 procentpunt). Voor een beperkt aantal, soms veelgebruikte producten, werden scherpe prijsstijgingen genoteerd. Dit heeft bij de consumenten de kloof tussen de gevoelsinflatie en de werkelijke inflatie aangewakkerd. De NBB heeft in januari 2002 een euro-enquête bij 2.605 ondernemingen gehouden. Voor 86% van de bedrijven ging de invoering van euro niet gepaard met een stijging van de verkoopprijzen. De ondernemingen ramen dat de kosten verbonden aan de overgang naar de eenheidsmunt op ongeveer 0,29% van de omzet komen. Van die kosten werd reeds 50% in 2001 gedragen en 32% in de periode voordien. De baten, die moeilijker te becijferen zijn, zouden volgens de deelnemers aan de enquête ongeveer 0,03% van de omzet bedragen.

Tabel 7.4-2

Geharmoniseerd indexcijfer consumptie (HICP), % wijziging t.o.v. vorig jaar 1998

1999

2000

2001

2002

2003*

2004**

2005**

België

1991-1995*** 1996-2000*** 2,4

1,6

0,8

1,1

2,7

2,4

1,6

1,5

1,6

1,9

Eurozone

3,9

1,7

1,2

1,1

2,1

2,4

2,3

2,1

2,0

1,7

*Raming. **Voorspelling. ***5-jarig gemiddelde. Bron: Europese Commissie, Economic Forecasts, Autumn 2003; Europese Commissie, Statistical Annex of European Economy, spring 2003; OECD, Economic Outlook no 72, december 2002.

TOEKOMSTVERWACHTINGEN De Economische Monetaire Unie onder druk ingevolge de conjuncturele zwakte Een blik in de geschiedenis leert dat de meeste monetaire unies een lang leven beschoren zijn. Zolang de leden, en zeker de zwaargewichten, ervan overtuigd zijn dat de baten de kosten overtreffen, zal er politieke steun voor het EMU-project blijven. Vier jaar na de lancering van de euro komt de ECB voor haar eerste serieuze vuurproef te staan. De stagnerende economie in de eurozone heeft nood aan stimuli. Een expansief begrotingsbeleid zoals in de Verenigde Staten is niet echt aangewezen, gezien het feit dat de lidstaten het stabiliteits- en groeipact dienen te respecteren. Landen als Italië, Duitsland en Frankrijk kampen momenteel met tekorten die de toegelaten 3% van het BBP overschrijden. Sinds juli 2002 is er bovendien nog een opmars van de euro en die half mei 2003 een introductiekoers rond de 1,17 dollar heeft. Voordeel van een sterke euro is dat de inflatie in toom kan gehouden worden en dat de koopkracht van de binnenlandse vraag verstevigd wordt. Nadeel van een sterke euro is dat dit een handicap betekent voor de Europese export en aldus een bijkomende belasting voor de economische groei die momenteel zeer fragiel is. Vlaanderen, dat ongeveer 70% van zijn export bij andere eurolanden afzet, is direct meer gevoelig voor wat zich afspeelt in andere

110


eurolanden en is enkel indirect onderhevig aan de ontwikkelingen die zich afspelen in de Amerikaanse economie. Daarnaast dient opgemerkt dat de olie-intensiteit van onze economie in vergelijking met de jaren zeventig verminderd is. Aangezien het objectief van prijsstabiliteit zo goed als de facto bereikt is, heeft de ECB ruimte om de rente te verlagen en alzo de Europese economie te stimuleren. Zeker Duitsland, de grootste economie van de eurozone, zou hier baat bij hebben en op die manier ook indirect België die intense economische vervlechtingen heeft met dit buurland. Het is nog zeer de vraag of het Verenigd Koninkrijk snel zal overgaan tot toetreding van de eurozone. Zoals het er nu naar uitziet kan dit nog een tijdje duren. De huidige Labourregering stelt dat de Britten pas overschakelen op de euro na een referendum. Dit laatste komt er pas na een positieve evaluatie van de euro op basis van testen die in feite 5 grote vragen omvatten. Aangezien er in juni 2003 nog maar één vraag volmondig positief beantwoord werd, wordt het euroreferendum naar een niet nader gedefinieerde datum verschoven. Peilingen geven trouwens aan dat 68% van de Britten momenteel nog tegen de euro is. Van de 15 EU-lidstaten zijn naast Groot-Brittannië ook Zweden en Denemarken nog geen eurolanden. Een studie uit 200123 toont nochtans aan dat zowel Zweden als Denemarken hun welvaart zouden zien toenemen; dit in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk. In september 2003 vond in Zweden een referendum plaats. De huidige 12 leden van de eurozone zouden ook een weliswaar lichte stijging van de welvaart ervaren bij toetreding van de overige leden uit de EU-15.

Toetreding van de nieuwe lidstaten tot de EMU op latere datum De 10 nieuwe kandidaat-lidstaten kunnen eveneens overschakelen op de euro, maar hiervoor is geen tijdspad uitgestippeld. Zij worden geacht de euro in te voeren wanneer zij er klaar voor zijn. De invoering van de euro zal de handelsintegratie van de nieuwe lidstaten met de economieën uit de eurozone verder doen toenemen en de wisselkoersrisico’s voor investeringen doen verdwijnen. De nieuwe EU-leden zullen aan dezelfde strenge toetredingsvoorwaarden (Maastricht-criteria) moeten voldoen als de huidige 12 landen van de eurozone. Voor een aantal van de nieuwkomers wordt dan ook 2007 naar voor geschoven als datum van toetreden tot de eurozone.

23

Correia, Filipa, Monetary Policies in an Enlarged Euroland, juni 2001.

111


BRONNEN § Correia, F. Monetary Policies in an Enlarged Euroland; June 2001. § De Grauwe, P. Lessen voor de eenentwintigste eeuw. Denken voor morgen, Europa en de muntunie. P. 208-218, 1997-1998. § Duisenberg, W. ECB, European Economic and Monetary Union (2001). A success story, speech at the annual conference of the Ifo Institute. § Europese Commissie, DG for Economic and Financial Affairs. The European Economy, no 2. Spring 2003. § Europese Commissie, DG for Economic and Financial Affairs. EMU and the euro – the first 10 years. Challenges to the sustainability and price stability of the euro area – what does history tell us? Economic papers no 165, February 2002. § Europese Commissie, DG for Economic and Financial Affairs. Enlargement argumentaire, enlargement papers no 5. September 2001. § Europese Commissie, DG for Economic and Financial Affairs. The European Economy, no 4. Spring 2003. § Europese Commissie, DG for Economic and Financial Affairs. The European Economy, no 5. Autumn 2003. § Europese Commissie (1996). Europa in beweging. Wanneer zullen wij de euro op zak hebben? § Europese Commissie (2003). QU€ST. Vragen en antwoorden over de euro en de EMU. § Europese Commissie.( 2002). The euro area in the world economy - developments in the first three years. § Hämäläinen, S., ECB (2000). The euro–experiences and prospects, speech at Eurozone Factor: Mind the Gap – The euro capital markets forum. § IMF. World Economic Outlook, september 2003. § Issing, O., ECB (2000). The euro area – first experience and perspectives. Speech at the Morgan Stanly Dean Witter Conference. § Kok, W. Uitbreiding van de Europese Unie; wat is bereikt en wat is nu nodig? Rapport aan de Europese Commissie, 26 maart 2003. § NBB. Economisch Tijdschrift. Jaargang 8, I-2002. § NBB. Economisch Tijdschrift. Jaargang 8, IV-2002. § NBB, Economisch Tijdschrift. Jaargang 9, I-2003. § NBB. Press release; January 2002 survey on the introduction of the euro. 6 March 2002. § The Economist. The perils of convergence. April 5th 2003.

112


THESE 5: DE VLAAMSE ECONOMIE MAG NIET OP HAAR LAUWEREN BLIJVEN RUSTEN

PROBLEEMSTELLING Vlaanderen, is een welvarende regio Vlaanderen is een welvarende regio. Onze huidige welvaart is in belangrijke mate te danken aan de snelle economische vooruitgang in wat de gouden jaren zestig genoemd werden. De groei van de Vlaamse economie nam toen een hoge vlucht. Belangrijke buitenlandse multinationals kozen voor het Vlaamse Gewest als locatie om een productievestiging neer te zetten. De centrale ligging binnen Europa, de aanwezigheid van belangrijke havens, de weginfrastructuur die uitgebouwd werd en een degelijk geschoolde beroepsbevolking waren immers belangrijke troeven. Vlaanderen mag echter niet berusten in de opgebouwde welvaart. Ook andere landen en regio’s zijn in opgang. Hierna komt aan bod wat onze welvaart bepaalt en welke de sterke en zwakke punten zijn in de totstandkoming ervan.

Het bruto binnenlands product Het bruto binnenlands product (BBP) is een veel gebruikte financiële maat voor de voortgebrachte goederen en diensten in een land of regio. Het BBP van het Vlaamse Gewest bedroeg 24.649 euro koopkrachtpariteiten (kkp)24 per inwoner in 2001. Daarmee bevond onze regio zich op een 22ste plaats op een rangschikking in dalende volgorde van 72 Europese regio’s. Het BBP meet de activiteiten die op het grondgebied van een land of regio worden verricht, ongeacht waar de productiefactoren arbeid en kapitaal vandaan komen. De situatie voor het Vlaamse Gewest is bijzonder omdat Brussel-Hoofdstad er geen deel van uitmaakt en er een aanzienlijke pendel is van arbeidskrachten die wonen in het Vlaamse Gewest, maar werken in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Zij dragen dus bij tot het BBP van het Brusselse Gewest, maar nemen hun inkomen mee naar huis. Dit verklaart ook waarom het Gewest Brussel-Hoofdstad de koppositie inneemt in deze rangschikking. Het is daarom aangewezen om ook de statistiek van het netto beschikbare inkomen te beschouwen. Het netto beschikbare inkomen in het Vlaamse Gewest bedroeg 14.820 euro kkp (gebaseerd op de finale consumptie) in 2000. Dit is goed voor een 21ste plaats op 82 Europese regio’s25. Het Brusselse Gewest prijkt op de 26ste plaats wat haar afhankelijkheid van arbeidskrachten uit de andere gewesten illustreert. Het is ook belangrijk om onze regio te vergelijken met een aantal referentiegebieden. Naast het totaal van de EU-15 dienen daarvoor de drie buurlanden: Duitsland, Frankrijk en Nederland en ook Ierland omdat dit land gedurende de laatste 10 jaar een uitzonderlijke groeiprestatie neerzette. Verder wordt het Vlaamse Gewest ook vergeleken met vier regio’s die binnen Europa een sterke economische dynamiek neertekenen. Deze zijn BadenWürttemberg (Duitsland), Rhône-Alpes (Frankrijk), Lombardije (Italië) en Catalonië (Spanje). Het BBP per hoofd kan ontbonden worden als het aandeel van de bevolking op beroepsactieve leeftijd26 maal de werkzaamheidgraad27 maal de arbeidsproductiviteit28.

24

25 26 27 28

Koopkrachtpariteiten zijn ruimtelijke deflatoren van het BBP waarmee tussen landen of regio’s gecorrigeerd wordt voor prijsverschillen van goederen en diensten. Voor Luxemburg en de Oostenrijkse regio’s zijn geen gegevens beschikbaar. Bevolking van 15 à 64 jaar / totale bevolking. Werkende bevolking / bevolking van 15 à 64 jaar. BBP / werkende bevolking.

113


Een meer zinvolle vergelijking met de referentiegebieden vereist dat het Vlaamse BBP gecorrigeerd wordt voor pendelaars die buiten het gewest werken. Deze bijschatting levert een BBP per hoofd van 26.298 euro kkp in 2001. Dit is weliswaar beter dan de drie buurlanden of het Europese gemiddelde, maar de vier groeilanden hebben gemiddeld een groter BBP per hoofd. Ook Ierland scoort hoger. In 1995 bekleedde het Vlaamse Gewest nog een koppositie in vergelijking met deze referentielanden of –regio’s. Vooral de forse toename van het Ierse BBP springt in het oog.

Figuur 7.5-1

BBP per inwoner in 1995 en 2000

30.000

25.000

20.000

15.000

10.000

5.000

0 Europese Unie

Drie buurlanden

Ierland 1995

Vlaamse Gewest*

Vier groeiregio's

2000

*De gegevens voor het Vlaamse Gewest werden gecorrigeerd voor pendelstromen. Bron: Steunpunt Ondernemerschap, Eurostat.

Het aandeel van de leeftijdsgroep van 15 à 64 jaar in de totale bevolking beloopt 66,2% in het Vlaamse Gewest. In de hele EU en in de andere benchmarkgebieden zijn er naar verhouding meer personen op beroepsactieve leeftijd. Deze factor is overal gedaald sedert 1995, met uitzondering van Ierland. Deze indicator verandert slechts geleidelijk in de tijd en moet eerder als een gegeven beschouwd worden, ook voor de volgende jaren.

114


Figuur 7.5-2

Bevolkingsprofiel in 1995 en 2000

70%

69%

68%

67%

66%

65%

64%

63%

62%

61% Europese Unie

Drie buurlanden

Ierland 1995

Vlaamse Gewest

Vier groeiregio's

2000

Bron: Steunpunt Ondernemerschap, Eurostat.

Volgens de Eurostat-gegevens was de werkzaamheidgraad in het Vlaamse Gewest in 2000 nauwelijks hoger dan globaal in de ons omringende buurlanden29 of de vier groeiregio’s. Ierland presteert echter merkbaar beter. Voornamelijk de jongere en oudere leeftijdsklassen kunnen nog een inhaalbeweging doorvoeren in Vlaanderen. Het is vooral het aandeel van de beroepsbevolking in de bevolking tussen 15 en 64 jaar of de participatiegraad die laag scoort in het Vlaamse Gewest. Het aandeel van de werkenden in de beroepsbevolking daarentegen is vrij hoog, wat een gevolg is van de relatief lage werkloosheidstoestand in Vlaanderen. De werkzaamheidgraad is overal toegenomen in vergelijking met 1995. Opnieuw valt de sterke stijging in Ierland op, te wijten aan de groeidynamiek van dit land.

29

Dit is te wijten aan Frankrijk. Duitsland en vooral Nederland hebben een hogere werkzaamheidgraad. Dit is i.h.b. ook het geval voor Baden-Württemberg.

115


Figuur 7.5-3

Werkzaamheidgraad in 1995 en 2000

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0% Europese Unie

Drie buurlanden

Ierland 1995

Vlaamse Gewest

Vier groeiregio's

2000

Bron: Steunpunt Ondernemerschap, Eurostat.

De arbeidsproductiviteit kan met circa 58.900 euro kkp in 2000 hoog genoemd worden in het Vlaamse Gewest. Toch is onze positie over de jaren verslechterd. In 1995 stond het Vlaamse Gewest bovenaan deze rangschikking. Vijf jaar later gaan de vier groeiregio’s Vlaanderen globaal voorbij en komt Ierland duidelijk in de buurt. Dit betekent dat onze traditioneel hoge arbeidsproductiviteit geen verworvenheid meer is. In het verleden werd de Vlaamse welvaart immers in belangrijke mate gerealiseerd door een grote kapitaalinzet per werknemer. Dit werd mede ingegeven door arbeidsbesparende motieven omwille van onze hoge loonkost.

116


Figuur 7.5-4

Arbeidsproductiviteit in 1995 en 2000

70.000

60.000

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

0 Europese Unie

Drie buurlanden

Ierland 1995

Vlaamse Gewest*

Vier groeiregio's

2000

*De gegevens voor het Vlaamse Gewest werden gecorrigeerd voor pendelstromen. Bron: Steunpunt Ondernemerschap, Eurostat.

In vergelijking met onze drie buurlanden blijkt dat niet de economische structuur aan de basis ligt van de Vlaamse productiviteit. Het is eerder de gemiddelde productiviteit in alle individuele sectoren die het verschil maakt. Ten opzichte van Ierland zijn de verschillen miniem. De vier groeiregio’s halen gemiddeld voordeel uit hun economische structuur, wat gedeeltelijk teniet gedaan wordt door een lagere gemiddelde productiviteit in de individuele sectoren dan in het Vlaamse Gewest. Het Vlaamse BBP zou circa 40% hoger kunnen zijn, mochten de beschikbare productiefactoren meer efficiënt benut worden. Ierland en Lombardije weten hun productiemiddelen effectiever in te zetten. Ook Nederland en Duitsland kampen met een zeker efficiëntieverlies. Hiervoor werd reeds duidelijk dat de arbeidsproductiviteit in het Vlaamse Gewest relatief hoog is. De inefficiëntie is dus te wijten aan andere factoren. Dit is des te belangrijk daar de groei van de arbeidsproductiviteit in het Vlaamse Gewest vooral tot stand kwam door de substitutie van arbeid door kapitaal. Dit proces is vandaag dermate gevorderd dat er nog weinig ruimte overblijft om op deze wijze productiviteitswinsten te realiseren. Andere groeiregio’s en Ierland wisten over de afgelopen jaren trouwens hun arbeidsproductiviteit op te drijven in de buurt van of zelfs hoger dan Vlaanderen. Het is dan ook noodzakelijk om alle productiefactoren efficiënt in te zetten.

Productiefactoren - Een belangrijke troef voor Vlaanderen is de centrale ligging in West-Europa. Ook vandaag nog is deze gunstige ligging een voordeel voor Vlaanderen, zij het dat met de verdere uitbreiding van de Europese Unie het zwaartepunt meer (zuid)oostwaarts verschuift. - De bruto-investeringen bedroegen 20,9% van het BBP in 2002. Dit is hoger dan in België als geheel en onze drie buurlanden met uitzondering van Nederland. De subcategorie van

117


-

-

-

-

-

de private investeringen zijn relatief hoog in het Vlaamse Gewest. In vergelijking met onze buurlanden, Ierland of de vier groeiregio’s scoort enkel Rhône-Alpes hoger. De transportinfrastructuur is in Vlaanderen goed ontwikkeld. Dit neemt niet weg dat ons infrastructuurwerk met problemen kampt. In eerste instantie is er de stijgende congestie van voornamelijk het autowegennet. Dit doet zich echter ook voor in een aantal andere Europese landen. Daarnaast blijven een aantal noodzakelijke onderhoudswerken uit als gevolg van de dalende overheidsinvesteringen. De langere leerplicht en het bestaan van het systeem van brugpensionering verklaren de lage Vlaamse werkzaamheidgraad. Indien echter gecorrigeerd wordt voor de werkduur en deeltijdarbeid dan scoren Vlaanderen en België beter. In Europees perspectief behoort de scholingsgraad van de Vlaamse bevolking niet tot de hoogste: de laaggeschoolden nemen een relatief groot aandeel in en de universitair opgeleiden zijn minder sterk vertegenwoordigd. Wel bevindt de scholingsgraad van de jongste leeftijdscategorieën zich op een relatief hoog niveau. Naast de initiële opleiding die mensen in hun jeugdjaren genieten, mag ook permanente vorming niet uit het oog worden verloren. Hier scoort het Vlaamse Gewest eerder matig (7,4% van de bevolking op actieve leeftijd nam deel aan een opleiding in 2001). Dit is lager dan gemiddeld in Europa. Vooral het goede resultaat van Nederland valt op (16,3%). De O&O-bestedingen van de Vlaamse ondernemingen (1,96% van het BBP in 2002) zijn hoger dan gemiddeld in Europa. In vergelijking met de buurlanden presteert enkel Duitsland beter. Dit is ook het geval voor het Duitse Baden-Württemberg. De O&Obestedingen voor de publieke sector liggen in het Vlaamse Gewest op een lager peil dan in de buurlanden.

Productieprocessen - Vlaanderen is een sterk uitvoergerichte regio. De uitvoer van goederen bedroeg circa 107% van het BBP in 2003. De buitenlandse investeringen vormen een ander kenmerk van de internationale oriëntatie van de Belgische en Vlaamse economie. Zowel de inkomende als de uitgaande buitenlandse directe investeringen zijn heel hoog in vergelijking met andere landen. Toch valt een belangrijk deel van deze middelenstroom te verklaren door de aanwezigheid van een groot aantal coördinatiecentra in ons land die geldbedragen aantrekken en direct doorschuiven naar andere afdelingen of vestigingen van een groep in binnen- of buitenland. - In termen van werkgelegenheid en toegevoegde waarde zijn buitenlandse ondernemingen belangrijk voor de Vlaamse economie. Toch neemt de buitenlandse aanwezigheid in de Vlaamse economie stelselmatig af. - Vlaanderen zou meer nieuw ondernemerschap moeten ontplooien. Het aantrekken van risicokapitaal, de administratieve complexiteit en de houding van de bevolking ten opzichte van ondernemen zijn belemmerende factoren. - Er werden in het Vlaamse Gewest in 2000 167,3 patenten aangevraagd per miljoen inwoners. Dit is lichtjes beter dan gemiddeld in Europa. Duitsland, Nederland en de regio’s Baden-Württemberg en Rhône-Alpes doen het evenwel beter. Daarenboven doet Vlaanderen het relatief minder goed voor wat de categorie high-tech patenten betreft. Bovendien blijken innovatie-inspanningen in verhouding te staan met de omvang van een onderneming. De relatief grote aanwezigheid van KMO’s in ons economisch weefsel is in dat opzicht een handicap. - In het algemeen heeft te veel regelgeving een negatief effect op de economische groei en werkgelegenheid omdat het de marktwerking verstoort. De OESO becijferde dat de marktwerking in België relatief sterker gehinderd wordt dan in andere landen.

118


Concluderend blijkt dat de positie van Vlaanderen vooral op het vlak van productieve processen voor verbetering vatbaar is. Dit heeft te maken met de reeds aangehaalde graad van inefficiëntie waarmee het Vlaamse economisch weefsel kampt.

Onze welvaart verzekerd? Door het benutten van de comparatieve voordelen30 kan elk land of regio de beschikbare productiefactoren optimaal inzetten voor het bereiken van een zo groot mogelijke welvaart. Het zijn vooral de kapitaal- en schaalintensieve sectoren die goed vertegenwoordigd zijn in Vlaanderen. De chemie en automobielsector bekleden een belangrijke plaats. Een reeks andere sectoren waarin Vlaanderen gespecialiseerd is, zijn minder sterke groeiers op wereldvlak. Omgekeerd komen sectoren die audio-, video- en telecommunicatieapparatuur vervaardigen of kantoormachines en computers relatief minder aan bod in het Vlaamse Gewest. Nochtans betreft het nijverheidstakken met een hoge kennisinhoud die in andere EU-lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk of Ierland beter vertegenwoordigd zijn. Hiertegen kan opgeworpen worden dat kennis niet louter terug te vinden is in high-tech sectoren, doch dat ook apparatuur en productiewijzen in meer traditionele sectoren een zekere kennis vergen. Een kanttekening is dat deze laatste kennisopbouw in belangrijke mate imiteerbaar is door andere (ontluikende) regio’s, waardoor het voordeel van Vlaanderen snel kan verdwijnen. Daar onze Vlaamse bedrijven dikwijls prijsnemers (en geen prijszetters) zijn op de internationale markt, moet elke kostenstijging gepaard gaan met een toename van de productiviteit. Dit laatste werd, zeker in het verleden, voornamelijk bewerkstelligd door besparingen op arbeid en door een grotere kapitaalsinzet. Eén en ander zorgde voor een relatief grotere uitstoot van arbeid in de Vlaamse industrie dan in andere landen. De blootstelling aan de internationale concurrentie is in de dienstensector globaal minder hevig dan in de industrie. Dat wil niet zeggen dat Vlaanderen mag berusten. De marktdiensten zijn er verhoudingsgewijze minder sterk vertegenwoordigd dan in andere Europese landen zoals bijvoorbeeld Nederland. Daarenboven blijkt dat de productiviteit in de tertiaire subsectoren met de grootste dynamiek (transport, post- en telecommunicatie, financiële sector) in België als geheel minder sterk toeneemt dan in andere landen zoals Duitsland en Nederland.

TOEKOMSTVERWACHTINGEN Op basis van het voorgaande worden de volgende sectoren omlijnd als belangrijk voor de toekomstige positionering van Vlaanderen: de industriële sectoren met een high-tech karakter (zoals bepaald door de OESO) en de marktdiensten. Hier wordt verder ingegaan op de vraag hoe deze cluster van sectoren zich in de toekomst zal ontwikkelen. Dit gebeurt op basis van het aandeel in de bruto toegevoegde waarde en het aandeel in de bezoldigde werkgelegenheid. Voor het basisscenario (constant beleid) werden de hypothesen van het Federaal Planbureau (FPB) inzake de evolutie van de tewerkstelling en de output per sector gehanteerd31 en toegepast op de Vlaamse situatie. Voor de werkgelegenheid voorziet het FPB enkel in de bouw en de dienstensectoren een groei. In de industrie is de 30

31

Wanneer zowel land A als land B dezelfde types van goederen voortbrengen en land B slaagt erin om alle types efficiënter te produceren dan heeft land A toch een comparatief voordeel bij de productie van die goederen waarin het het minst inefficiënt is ten opzichte van land B. Land B heeft een comparatief voordeel in dat type goed waarin het de meeste efficiëntie aan de dag legt, relatief ten opzichte van land A. FPB, mei 2003.

119


werkgelegenheid dalende. Dit heeft als resultaat dat het aandeel van de high-tech industriële sectoren en marktdiensten in de totale bezoldigde werkgelegenheid in het Vlaamse Gewest quasi stagneert in de tijd: tussen 2003 en 2008 is er een daling met 0,1 procentpunt. Voor de bruto toegevoegde waarde merkt het FPB op dat ook hier de marktdiensten aan belang zullen winnen de komende vijf jaren. Dit komt doordat ondernemingen taken die niet tot hun kernactiviteiten behoren, blijven uitbesteden. Toch zou deze sector niet zo sterk meer groeien als de voorbije jaren omdat de groei van informaticadiensten niet meer zo sterk lijkt. Ook de industrie zou minder dynamiek aan de dag leggen in vergelijking met de afgelopen jaren. Het eerder zwakke investeringsklimaat speelt de vraag naar uitrustingsgoederen parten. Al bij al zou het aandeel van de toekomstsectoren in de bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (in lopende prijzen) met 0,3 procentpunt groeien op vijf jaar tijd.

Tabel 7.5-1 Aandeel van de cluster van ‘high-tech industriële sectoren en marktdiensten’ in de totale tewerkstelling en in de totale output van het Vlaamse Gewest in 2003 en 2008 (in %) Bezoldigde werkgelegenheid - basisscenario - alternatief scenario

Jaar 2003

Jaar 2008

46,0 46,8

45,9 49,0

Bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (in lopende prijzen) - basisscenario 56,9 - alternatief scenario 57,8

57,2 59,8

Bron: RSZ, INR, Federaal Planbureau, bewerkingen APS.

In een alternatief scenario worden de waargenomen evoluties voor wat de werkgelegenheid en de output vanaf 1995 betreft, gewoon doorgetrokken naar 2008. Dit is niet gebaseerd op een theoretische onderbouw, maar is indicatief t.o.v. de huidige trend. Het valt meteen op dat de cluster van high-tech industriële sectoren en marktdiensten in dit scenario sterker aan belang zal winnen dan hiervoor, en dit voor zowel de tewerkstelling als de output. De grotere toename van het aandeel in de bezoldigde tewerkstelling komt doordat de waargenomen groei van de voorbije jaren voor de marktdiensten hier doorgaat. Een zelfde verhaal geldt voor de output. Daarenboven komt dat de industriële activiteit tijdens de afgelopen hoogconjunctuur, resulterend in een sterkere toegevoegde waarde, ook hier doorgetrokken wordt. Het alternatieve scenario houdt m.a.w. onvoldoende rekening met de periode van zwakkere conjunctuur na 2000. Wij leren daaruit wel dat de geduide sectoren met een toekomstpotentieel relatief beter aarden in een bloeiende economische omgeving.

120


BRONNEN § Eurostat, ‘Statistisch Jaarboek van de regio’s’, 2003. § Federaal Planbureau, ‘Economische vooruitzichten 2003-2008’, mei 2003. § Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie, concurrentievermogen van de Vlaamse economie’, augustus 2003.

‘Rapport

over

het

§ Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie, ‘De industrieel economische structuur en competitiviteit van de Vlaamse economie. De groeisectoren in kaart gebracht’, november 2003.

121


THESE 6: ICT IS VAN BELANG VOOR VLAAMSE ECONOMIE

PROBLEEMSTELLING Tewerkstelling in ICT sector stijgt snel De ontwikkeling van de ICT-sector en de toepassingen ervan hebben een hoge vlucht genomen in de tweede helft van de jaren negentig. Vooral in de Verenigde Staten kende de ICT opgang en werd dit samen met productiviteitswinsten en een aanhoudende periode van economische groei aangeduid als het fenomeen van de ‘nieuwe economie’. Hier staan we stil bij wat ICT betekent voor de Vlaamse economie. De ontwikkeling van de ICT-sector kan in België en in het Vlaamse Gewest aangetoond worden aan de hand van cijfers over de bezoldigde tewerkstelling. De ICT-sector werd gedefinieerd volgens de OESO32.

Tabel 7.6-1

Bezoldigde werkgelegenheid in de ICT-sector en voor het totaal van alle sectoren in het Vlaamse Gewest en België ICT

Vlaamse Gewest Totaal Aandeel ICT

ICT

België Totaal

Aandeel ICT

30 juni 1993

48.800

1.762.300

2,8%

89.000

3.156.200

2,8%

30 juni 2002

64.800

1.988.100

3,3%

110.900

3.493.200

3,3%

Groei

+33%

+13%

+25%

+11%

Bron: RSZ, bewerking: APS.

Om een Europese vergelijking te maken zijn enkel cijfers beschikbaar over de totale werkgelegenheid (bezoldigden + zelfstandigen) en voor het jaar 1999. België heeft een aandeel van 3,7% ICT-tewerkstelling in de totale werkgelegenheid. Dit is iets onder het Europese gemiddelde (3,9%). De Scandinavische en Angelsaksische landen scoren opvallend beter dan de Zuid-Europese landen. Niettegenstaande de ICT-sector in 2002 slechts rechtstreeks instond voor 64.800 arbeidsplaatsen of 3,3% van het totaal, kende de sector in Vlaanderen toch een duidelijk snellere groei over de laatste jaren: tussen 1993 en 2002 was er een aangroei met bijna 33%. Dit is ruim meer dan de toename van de totale bezoldigde werkgelegenheid (+13%). Het Federaal Planbureau (FPB) merkt verder op dat de ICT-sector in België ongeveer 5,5% van het BBP vertegenwoordigt33.

32 33

De ICT-sector omvat aldus volgende NACE-rubrieken: 30, 31.3, 32, 33.2, 33.3, 51.64, 64.2 en 72. FPB, 2001, blz. 16.

122


Boom and bust van ICT Bij de aanvang van de eenentwintigste eeuw werd duidelijk dat de snelle opgang van de nieuwe technologieën aan een adempauze toe was. Dit kwam tot uiting in dalende investeringen in deze categorie van producten. Parallel daarmee begonnen de hoge beursnoteringen van bedrijven uit de ICT-sector af te kalven (het moet dan ook gezegd dat er in de jaren voorheen soms onrealistische verwachtingen geschapen werden en dat de aandelenkoersen dan ook te hoge toppen bereikten). Deze trend was internationaal waarneembaar. Dit had nadelige gevolgen daar heel wat van deze nieuwe bedrijven sterk afhankelijk zijn van extern kapitaal om hun groei mogelijk te maken. Het wegvallen van deze financieringsbron samen met de tanende verkoopmogelijkheden zorgden voor het verdwijnen van heel wat dot.com-bedrijven. Ook bij de aanvang van 2003 was de toestand in vele IT-bedrijven nog weinig rooskleurig. Dat neemt niet weg dat sommige toepassingen het vandaag wel vrij goed doen, zoals breedband, draadloze netwerken en integratie van software en applicaties. Ook voor de halfgeleiders lijkt de situatie iets op te klaren. De IT-sector is voor haar herstel echter ook afhankelijk van de vraag van de gezinnen. Het FPB onderscheidt drie wijzen waarop ICT invloed uitoefent op de economie. - De sterke technologische ontwikkeling maakt het in de ICT-sector zelf mogelijk dat steeds productiever geproduceerd wordt en dat heeft een invloed op de hele economie. Dit effect is in België moeilijk meetbaar gezien de relatief geringe aanwezigheid van ICTproducenten. - De kapitaalintensiteit34 neemt toe, doordat de arbeidskrachten meer en betere computers en andere informatieapparatuur ter beschikking krijgen. In de tweede helft van de jaren negentig droegen ICT-investeringen in Europa wel degelijk bij tot het opvoeren van de kapitaalintensiteit. - Ten slotte is het ook mogelijk dat de bedrijfstakken die ICT gebruiken een versnelde groei zien van hun totale factorproductiviteit. België kende dergelijk effect in de tweede helft van de jaren negentig. Toch is het niet helemaal duidelijk of dit uitsluitend aan ICT te danken is, daar de algemene conjunctuur aantrok (waardoor een grotere output geproduceerd wordt met de ingezette productiemiddelen) en er ook aanwijzingen zijn dat de diffusie van ICT in onze economie nog te gering is. Zo gebeuren bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk – dat in Europa bij de landen behoort waar het internet het meest ingang heeft – nog maar 0,36% van de totale verkopen (financiële diensten incluis) via het internet. In Europa wordt het internet hoofdzakelijk voor marketing gebruikt en niet voor de verkoop.

TOEKOMSTVERWACHTINGEN De ICT-sector zal zich verder integreren in de productieprocessen en in het dagelijks leven De laatste jaren onderging de ICT-sector een economisch moeilijke periode, gekenmerkt door afkalvende investeringen in informatica en telecommunicatie. Toch valt de opgang van ICT niet stil. Er is sprake van een meer geleidelijke diffusie van de toepassingen ervan in het economische leven. Voor de nabije toekomst mag men verwachten dat computers en communicatieapparatuur verder zullen inburgeren in het economische en maatschappelijke leven. Belangrijk is dat zij meer geïntegreerd zullen geraken in dagelijkse toepassingen (bvb. digitale televisie, huishoudelijke toestellen die interactief kunnen communiceren,…).

34

De kapitaalintensiteit is de hoeveelheid kapitaal in verhouding tot de arbeidskrachten.

123


Nieuwe technologische verfijningen zijn in ontwikkeling Computerapparatuur zal meer en meer in netwerking met elkaar verbonden geraken. De aansluiting op dergelijke netwerken is technisch geen groot probleem meer. Men spreekt van ‘grid computing’. Een andere belangrijke ontwikkeling die zich aandient, is het op de markt komen van allerhande software om de steeds groter wordende gegevensstromen te beheren: toepassingen als datacaptatie, datamining en datawarehousing gaan een mooie toekomst tegemoet. Een verdere verspreiding van het breedbandinternet ten slotte is een ontwikkeling waarover weinig twijfel kan bestaan. Doch niet alleen technologische ontwikkelingen zijn richtinggevend. Het vergaat de ICTrevolutie net zoals eerdere belangrijke uitvindingen in de negentiende en twintigste eeuw. Tot voor kort hebben wij de zogenaamde ‘gilded age’ gekend of de periode van sterke technologische ontwikkelingen op het vlak van ICT en een (overdreven) geloof in de toekomst ervan. Momenteel staan we aan de avond van de ‘golden age’. Dit is de fase waar de ongebreidelde toename van de technologische mogelijkheden begint af te zwakken (bvb. beëindigen internetboom). Belangrijk is dat gebruikers van dan af beter het nut van allerhande toepassingen wensen in te calculeren vooraleer daadwerkelijk belangrijke investeringen aan te gaan. Een onderzoek waarbij Amerikaanse bedrijven gerangschikt werden in functie van stijgende investeringen in IT in verhouding tot de inkomsten, toonde aan dat niet het hoogste kwart de beste financiële resultaten haalde. Die eer kwam de middengroep te beurt35. Overigens blijkt de overheidssector in vele landen een belangrijker investeerder in ICT geworden dan enige jaren terug. De roep om e-government is daar niet vreemd aan. B2B-toepassingen zijn tot dusver zeker geen garantie voor (financieel) succes van een onderneming gebleken. Toch hebben dergelijke nieuwe vormen van handeldrijven de vinger gelegd op inefficiënties in bestaande productie- en verkoopketens en het is daar dat kan aan gesleuteld worden, veeleer dan aan de technologie. Dit toont aan dat er in de verdere toekomst geen sprake meer zal zijn van een hype, maar van een sector die meer maturiteit vertoont. Deze veranderende houding aan de gebruikerskant zal ook meer de ontwikkeling van de ICT bepalen: wat juist de toepassingen van uitvindingen zijn, zal primeren op hun technologische vernieuwing (bvb. komt er een einde aan de race om steeds kleinere microchips te bouwen?). De voortschrijdende communicatie van diverse toepassingen zorgt voor nood aan aangepaste software om de onderlinge communicatie te verzekeren. Ook hier zullen de ontwikkelingen veeleer van de gebruikerskant gestuurd worden dan dat standaarden van bovenaf door producenten opgelegd worden. Meer en meer zullen toepassingen ontwikkeld worden zoals contextgevoelige systemen binnen artificiële intelligentie waarbij systemen leren van het gedrag van gebruikers en zullen smart software agents voorzien in een automatisch zoek- en ontwikkelingsgedrag. Software zal ook steeds meer beschouwd worden als een dienst die aangekocht kan worden op het ogenblik dat zij nodig is. De diverse branches van de ICT-sector zullen op deze ontwikkelingen reageren door meer service te leveren aan de gebruikers. Het zwaartepunt van de sector zal verschuiven van productie naar dienstverlening. De meerwaarde die gebruikers kunnen realiseren via ICTtoepassingen zal centraal komen te staan. In dit opzicht verschilt de ICT-revolutie niet van voorgaande ‘general purpose’ uitvindingen.

35

Manasion D., 2003, blz. 22.

124


De beroepsfederatie Agoria stelt dat de ontwikkeling en productie van ICT te lijden heeft onder de fors mindere investeringen van operatoren. Voor de IT-services en software is het wachten op investeringen die zullen gebeuren om informatica te integreren in netwerken en het hertekenen van internetgebonden bedrijfsprocessen. Voor de telecomoperatoren biedt de toename van breedbandaansluitingen voor het ogenblik perspectieven. Invloed van ICT-ontwikkelingen op de tewerkstelling groeit verder aan Deze evoluties kondigden zich reeds aan in het recente verloop van de tewerkstelling in de ICT-sector, zoals volgende tabel illustreert:

Tabel 7.6-2

Evolutie van de bezoldigde tewerkstelling in de ICT-sector naar subgroep in het Vlaamse Gewest tussen 1993 en 2002 Aandeel in Bezoldigde Aandeel in Bezoldigde werkgelegenheid totaal ICT werkgelegenheid totaal ICT 2002 30 juni 2002 1993 30 juni 1993

Ontwikkeling en productie van ICTmateriaal Telecomoperatoren Handel & diensten waarvan: 1. Handel in informatica en telecommunicatiematerieel 2. IT-services, software en consulting TOTAAL

Groei bezoldigde werkgelegenheid 1993-2002

21.600

44%

18.200

28%

-16%

11.400

23%

10.400

16%

-8%

15.800

33%

36.200

56%

+129%

7.100

15%

10.000

16%

+41%

8.700

18%

26.200

40%

+201%

48.800

100%

64.800

100%

+33%

Bron: RSZ, bewerking: APS.

Er zijn merkbare verschillen in de groei van de bezoldigde tewerkstelling per subsector. De grootste toename werd opgetekend in de ‘IT-services, software en consulting’. Dit maakt dat deze tak anno 2002 zelfs de belangrijkste is geworden (40% van de totale ICT-sector). In 1993 was de productie van ICT-materiaal nog het belangrijkst (44%). Dit is tekenend voor de hierboven geschetste ontwikkeling in de richting van productie naar dienstverlening. Een Fins onderzoek36 berekende groeicijfers voor de Belgische totale ICT-tewerkstelling in een scenario van sterke economische groei tijdens het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. De hypothesen over de economische groei werden echter veel te rooskleurig ingeschat zodat dit optimistische scenario niet meer plausibel is. Indien de groeicijfers toegepast zouden worden op de Vlaamse bezoldigde tewerkstelling, dan zou tegen 2010 het personeelseffectief in de ICT verdubbeld zijn, en dit ook per deelsector.

36

Federation of Finnish Electrical and Electronics Industry, 2001, blz. 23.

125


Een alternatief scenario gaat uit van een aanhoudende zwakke vraag naar ICT-producten en diensten, als gevolg van de economische slapte die nog een tijd voortduurt, en waarbij ook in de toekomst geen beterschap te bespeuren valt. In dit scenario blijft de economie hinder ondervinden van de overinvesteringen in ICT omstreeks de eeuwwisseling. Deze zorgden immers voor een forse uitbreiding van de productiviteit en een uitbreiding van de productiecapaciteit. Zodoende blijven (vervangings)investeringen uit. De blijvende zwakke vraag van binnen- en buitenland drukt op het economische herstel en dit van de ICT-sector in het bijzonder. Deze economische omgeving is tenslotte ook geen stimulans om nieuwe toepassingen te ontwikkelen. Volgens voormeld Fins onderzoek zou dit pessimistisch scenario in 2010 resulteren in een quasi stagnatie van de bezoldigde tewerkstelling in het Vlaamse Gewest op het niveau van 2002. Dit blijkt uit volgende tabel:

Tabel 7.6-3 Prognose van de bezoldigde tewerkstelling in de Vlaamse ICT naar subsector in 2010 in de hypothese van een aanhoudende zwakke economische conjunctuur (a) Toestand 30 juni 1997, RSZ Toestand 2010, hypothesen pessimistisch scenario Fins onderzoek Reeds gerealiseerd: Toestand 30 juni 2002, RSZ

ICT-productie

Telecommunicatie

Handel & diensten

Totaal

20.200

11.200

22.500

53.900

19.100

13.200

28.800

64.600

18.200

10.400

36.200

64.800

Bron: RSZ, Finse Federatie van de Elektrische en Elektronische Industrie, bewerking: APS. (a) De hypothesen uit het Finse onderzoek betreffen België voor de periode 1997-2010.

In dit scenario zou het aantal bezoldigden in de ICT met 19,8% aangroeien over de periode 1997-2010. Deze toename werd anno 2002 reeds gerealiseerd. Het pessimistische scenario zet een lichte achteruitgang voor de subsector van de productie van ICT-apparatuur voorop (-6% voor de periode 1997-2010). Inmiddels, in juni 2002, blijkt dat de bezoldigde tewerkstelling in deze tak inderdaad lichtjes teruggelopen is, en zelfs tot onder het niveau dat vooropgesteld werd voor 2010. De telecommunicatiesector zou met 17% groeien over de prognoseperiode; ondertussen zijn er echter jobs verloren gegaan. De handel en de dienstverlening in ICT zou met +28% ook in het pessimistische scenario de sterkste groeier zijn. Dit is in lijn met de oriëntering van de ICT-activiteiten naar meer tertiaire bezigheden (zie supra). Deze prognoses zijn in 2002 ruim overtroffen. Het lijkt met andere woorden of de tendensen uit de Finse studie zich in sterkere mate voordoen.

126


BRONNEN § Bogaert, H. e.a. Informatie- en communicatietechnologie in België; Studievoormiddag Federaal Planbureau. 17 mei 2002. § Federation of Finnish Electrical and Electronics Industry (2001). ICT employment scenarios 2010: The future scenarios of the employment in the European ICT-sector. § ILO. Life at Work in the Information Economy. World Employment Report, 28 maart 2001. § Manasion, D. The internet society. The Economist Survey, 25 januari 2003. § OECD. IT age: beyond the myth. OECD Observer, 27 januari 2003. § Van De Vel, A. & De Pril, W. Technologies for the future: looking a decade ahead. Executive summary. Agoria, 26 november 2001. § Visterin, W. Ook in de ICT-sector maakt één zwaluw de lente niet. FET-website – ondernemen – technologie – ICT, 2003.

127


128


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Algemene_omgevingsanalyse_Vlaanderen_2004_deel_4.pdf by Vlaanderen-be - Issuu