Skip to main content

Vlaams_eurydice_rapport_2006.pdf

Page 1

Vlaams Eurydice rapport 2006 Overzicht van het onderwijsbeleid en de onderwijsorganisatie in Vlaanderen

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Departement Onderwijs Afdeling Secundair Onderwijs Eurydice Vlaanderen Brussel, 2006

Rob De Vries


Verantwoordelijke uitgever: Gaby Hostens Afdeling Internationale Projecten Onderwijs Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tekst: Rob De Vries Coördinatie: Ilse Scheirlinckx Drukwerk: Ministerie Onderwijs en Vorming Drukkerij Naast deze brochure geeft het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming tal van andere publicaties uit. Voor een overzicht kunt u terecht op de website www.ond.vlaanderen.be/publicaties Een papieren versie van de catalogus kunt u bekomen bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Agentschap voor Onderwijscommunicatie, Cel Publicaties Onderwijs, Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel, tel: 02-553.66.53 – fax: 02-553.66.54 – e-mail: onderwijspublicaties@vlaanderen.be D/2008/3241/050

ii


KORTE INHOUD

1

De politieke, sociale en economische achtergrond

15

2

Algemene organisatie van het onderwijssysteem

31

3

Kleuteronderwijs

73

4

Lager onderwijs

81

5

Secundair onderwijs

97

6

Hoger onderwijs

123

7

Permanente vorming en opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen

143

8

Onderwijzend personeel

193

9

Evaluatie binnen het onderwijssysteem

225

10 Onderwijs voor leeringen met specifieke onderwijsbehoeften

243

11 De europese en internationale dimensie in het onderwijs

263

Van dit rapport bestaat tevens een Engelstalige versie. De volledige rapporten met bijlagen zijn te raadplegen op de website van Eurydice: http://www.eurydice.org > Browse by country > Belgium – Flemish Community > Eurybase > Belgium – Dutch speaking Deze bijlagen omvatten lijsten van relevante: wetgeving instellingen bibliografie begrippen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

Korte inhoud / 3


DANKWOORD

Tal van deskundigen zorgden voor correcte informatie en controleerden de teksten, of bemiddelden bij het inschakelen van deze deskundigen. Dank aan VĂŠronique Adriaens, Frank Baert, Lou Bontens, Wilfried Boomgaert, Toon Boon, Bea Buysse, Michel Clerincx, Aron De Hondt, Geertrui De Ruytter, Chris Deloof, Annemie Dewael, Chris Dockx, Els Exter, Frederic Geers, Fernand Koekelberg, Ruth Lamotte, Fons Leroy, Hilde Lesage, Erwin Malfroy, Nina Mares, Sabine Meuwis, Bart Meysmans, Peter Michielsens, Mark Pattyn, Willy Sleurs, Roger Standaert, Jean Steenbergen, Carine Steverlynck, Jos Thys, Sonja Van Craeymeersch, Jan Van Damme, Ria Van Herck, Annemie Vercruysse, Hugo Verdurmen, Roland Voet. De websites van tal van instellingen vormden een rijke informatiebron, maar vooral de website van het departement onderwijs was van essentieel belang voor de actualisatie van dit rapport. Voor de statistieken vormde vooral het "Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs" een rijke bron van gegevens. Voor de vertalingen van de teksten was Lieve Cuypers een cruciale medewerkster. De input in de databank stelde heel wat problemen, voor het oplossen ervan was Brigitte Gendebien onmisbaar. Horst Kucharczyk bezorgde mij nuttige technische tips. Dank ook voor de sterk stimulerende en ondersteunende sturing door Ilse Scheirlinckx en Gaby Hostens.

Vlaams Eurydice rapport 2006

Dankwoord / 4


INHOUD

1. DE POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND 1.1. HISTORISCH OVERZICHT 1.1.1. Naar een federale staat met communautarisering van het onderwijs 1.1.2. Niveaus van besluitvorming 1.1.3. Politieke partijen in Vlaanderen 1.1.4. Grondwettelijke waarborgen voor onderwijs 1.2. WETGEVENDE EN UITVOERENDE MACHTEN 1.2.1 Federaal 1.2.2 Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest 1.2.2.1 Onderwijs 1.2.2.2 Beroepsopleiding en ondernemersvorming 1.2.2.3 Landbouwvorming 1.2.2.4 Sociaalcultureel werk met volwassenen 1.2.2.5 Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk 1.2.2.5.1 Beleidsbepaling: het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk 1.2.2.5.2 Beleidsvoorbereiding en –planning: de interdepartementale stuurgroep 1.2.2.5.3 Beleidsuitvoerende entiteiten

1.2.3 Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1.2.4 Provincies, steden en gemeenten 1.3. GODSDIENST EN ONDERWIJS 1.4. TALEN 1.5. DEMOGRAFISCHE INDICATOREN 1.6. ECONOMISCHE INDICATOREN 1.6.1. Economische toestand van Vlaanderen 1.6.2. De Vlaamse actieve bevolking 1.7. STATISTIEKEN 2. ALGEMENE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM

15 15 15 16 17 18 18 18 19 20 21 21 22 22 22 22 23

23 24 25 25 25 26 26 28 29 31

2.1. HISTORISCH OVERZICHT 2.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 2.3. FUNDAMENTELE PRINCIPES EN WETGEVING 2.3.1. Vrijheid van onderwijs

31 31 32 32

2.3.1.1. Vrijheid van inrichting van onderwijs 2.3.1.2. Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht

32 33

2.3.2. Onderwijsnetten en onderwijskoepelorganisaties 2.3.3. Wettelijke voorzieningen voor gesubsidieerde scholen 2.3.4. Onderwijsmethoden en 'pedagogisch project' 2.3.5. Eindtermen en leerplannen 2.4. ALGEMENE STRUCTUUR VAN EN BESLISSINGSMOMENTEN IN HET ONDERWIJS 2.5. LEERPLICHT 2.5.1. Historisch overzicht 2.5.2. Actuele wetgeving 2.5.3. Controle op de leerplicht 2.6. ALGEMEEN BEHEER 2.6.1. Algemeen beheer op centraal vlak 2.6.2. Algemeen beheer op intermediair vlak 2.6.3. Algemeen beheer op het lokale niveau

34 35 35 36 37 37 37 37 38 39 39 39 41

2.6.3.1. De school en de directie 2.6.3.2. Inrichtende machten en schoolbesturen 2.6.3.3. Scholengemeenschappen 2.6.3.3.1. Secundair onderwijs 2.6.3.3.2. Basisonderwijs

41 41 42 42 42

2.6.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer

44

2.6.4.1. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in het kleuter-, lager en secundair onderwijs 2.6.4.1.1. Bestuursorganen en -ambten 2.6.4.1.2. Bevoegdheden 2.6.4.1.3. Benoeming en rekrutering

Vlaams Eurydice rapport 2006

44 44 44 45

Inhoud / 5


2.6.4.1.4. Organisatie en planning 2.6.4.2. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de hogescholen 2.6.4.2.1. Algemene beheersstructuren en administratieve ambten 2.6.4.2.2. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau 2.6.4.3. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer op het niveau van de universiteiten 2.6.4.3.1. Algemene beheersstructuren en administratieve ambten 2.6.4.3.2. Belangrijke ambten aan de top: de rector 2.6.4.3.3. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau 2.6.4.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer op het niveau van de associaties

46 46 47 48 48 48 49 49 50

2.7. INTERNE EN EXTERNE PARTICIPATIE- EN OVERLEGSTRUCTUREN 2.7.1. Participatie en overleg binnen de school in het basis- en secundair onderwijs

50 50

2.7.1.1. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad in elke basis- en secundaire school 2.7.1.2. De schoolraad in elke gesubsidieerde basis- en secundaire school 2.7.1.3. Het medezeggenschapscollege op het niveau van de scholengemeenschap 2.7.1.4. Klassenraden 2.7.1.5. Informele overlegorganen : vakgroepen en personeelsvergaderingen

2.7.2. Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld 2.7.2.1. Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) 2.7.2.2. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA 2.7.2.3. Ouderverenigingen 2.7.2.4. Onderwijsvakbonden 2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen 2.7.2.6. Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden 2.7.2.6.1. Op centraal niveau 2.7.2.6.2. Op lokaal niveau 2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers

2.8. FINANCIERING EN ONDERWIJSBUDGET 2.8.1. Herkomst van de middelen voor onderwijs 2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs 2.8.3. Relevante thema's inzake onderwijsfinanciering 2.8.4. Belangrijkste posten in de financiering 2.8.5. Financiering en financieel beheer 2.8.5.1. Financiering en financieel beheer in de verschillende netten 2.8.5.2. Financiering van de hogescholen 2.8.5.3. Financiering van de universiteiten

2.9 STATISTIEKEN 3. KLEUTERONDERWIJS 3.1. HISTORISCH OVERZICHT 3.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 3.3. Wettelijk kader 3.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN 3.5. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID 3.6. TOELATINGSVOORWAARDEN EN SCHOOLKEUZE 3.7. FINANCIËLE ONDERSTEUNING VAN HET GEZIN 3.8. LEEFTIJDSNIVEAUS EN LEEFTIJDSGROEPEN 3.9. ORGANISATIE VAN DE SCHOOLTIJD 3.10. CURRICULUM EN ACTIVITEITEN 3.11. ONDERWIJSMETHODEN EN DIDACTISCH MATERIAAL 3.12. EVALUATIE VAN LEERLINGEN 3.13. BIJZONDERE BEGELEIDING VAN LEERLINGEN 3.14. PRIVÉ-ONDERWIJS 3.15. ANDERE ORGANISATIEVORMEN 3.16. STATISTIEKEN 4. LAGER ONDERWIJS 4.1. HISTORISCH OVERZICHT 4.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 4.3. WETTELIJK KADER 4.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN 4.5. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID 4.6. TOELATINGSVOORWAARDEN EN SCHOOLKEUZE 4.7. FINANCIËLE ONDERSTEUNING VAN HET GEZIN

Vlaams Eurydice rapport 2006

51 51 52 52 52

53 53 53 54 54 54 55 55 55 56

56 57 57 58 60 60 60 61 62

63 73 73 73 73 74 74 74 74 75 75 75 76 76 76 77 77 80 81 81 81 82 82 83 83 84

Inhoud / 6


4.8. LEEFTIJDSNIVEAUS EN LEEFTIJDSGROEPEN 4.9. ORGANISATIE VAN DE SCHOOLTIJD 4.9.1. Organisatie van het schooljaar 4.9.2. Organisatie van de schoolweek en de schooldag 4.10. CURRICULUM, LEERVAKKEN, AANTAL LESUREN 4.11. ONDERWIJSMETHODEN EN DIDACTISCH MATERIAAL 4.12. EVALUATIE VAN LEERLINGEN 4.13. VOORTGANG VAN LEERLINGEN 4.14. DIPLOMERING 4.15. BIJZONDERE BEGELEIDING VAN LEERLINGEN 4.15.1. Het nieuwe geïntegreerd gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) 4.15.1.1. Inschrijvingsrecht 4.15.1.2. Lokale overlegplatforms (LOP's) en Commissie inzake leerlingenrechten 4.15.1.3. Ondersteuning 4.15.1.4. Extra zorguren 4.15.1.5. Tijdelijke projecten kunstinitiatie 4.15.1.6. Steunpunt GOK

4.15.2. De rol van centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) 4.16. PRIVÉ-ONDERWIJS 4.17. ANDERE ORGANISATIEVORMEN 4.17.1. Type 5-onderwijs (ziekenhuisscholen en preventoria) 4.17.2. Permanent Onderwijs Aan Huis (POAH) 4.17.3. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis (TOAH) 4.17.4. K-diensten (jeugdpsychiatrische diensten) 4.18. STATISTIEKEN 5. SECUNDAIR ONDERWIJS 5.1. HISTORISCH OVERZICHT 5.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 5.3. WETTELIJK KADER 5.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN 5.5. SOORTEN INSTELLINGEN 5.6. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID 5.7. TOELATINGSVOORWAARDEN EN SCHOOLKEUZE 5.8. INSCHRIJVING EN/OF INSCHRIJVINGSGELD 5.9. FINANCIËLE STEUN VOOR LEERLINGEN 5.10. LEEFTIJDSNIVEAUS EN LEEFTIJDSGROEPEN 5.11. STUDIERICHTINGEN EN SPECIALISATIE 5.12. ORGANISATIE VAN DE SCHOOLTIJD 5.12.1. Organisatie van het schooljaar 5.12.2. Organisatie van schoolweek en schooldag 5.13. Curriculum, leervakken, aantal lesuren 5.13.1 Eindtermen en ontwikkelingsdoelen 5.13.2 Leerplannen 5.13.3 Lessenroosters 5.13.3.1 Basisvorming 5.13.3.2 Het optionele vakkenpakket (fundamenteel en complementair gedeelte) 5.13.3.2.1. Eerste graad 5.13.3.2.2. Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) 5.13.3.2.3. Technisch Secundair Onderwijs (TSO) 5.13.3.2.4. Kunstsecundair Onderwijs (KSO) 5.13.3.2.5. Beroepssecundair Onderwijs (BSO) 5.13.3.2.6. Deeltijdse leerplicht 5.13.3.2.7. Vierde graad beroepssecundair onderwijs

5.14. ONDERWIJSMETHODEN EN DIDACTISCH MATERIAAL 5.15. EVALUATIE VAN LEERLINGEN 5.16. VOORTGANG VAN LEERLINGEN 5.17. DIPLOMERING 5.18. BEGELEIDING EN BAND MET VERDERE STUDIES/ARBEIDSMARKT 5.19. PRIVÉ-ONDERWIJS 5.20. ANDERE ORGANISATIEVORMEN 5.21. STATISTIEKEN

Vlaams Eurydice rapport 2006

84 85 85 85 85 86 87 87 87 87 88 88 88 89 89 90 90

91 92 92 92 92 93 93 93 97 97 98 99 100 100 102 102 103 103 104 104 105 105 105 106 106 107 107 107 109 109 110 111 111 112 113 115

115 115 116 116 117 119 119 120

Inhoud / 7


6. HOGER ONDERWIJS 6.1. HISTORISCH OVERZICHT 6.1.1. Geschiedenis van het hogescholenonderwijs 6.1.2. Geschiedenis van het universitair onderwijs 6.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 6.3. WETTELIJK KADER 6.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN 6.5. INSTELLINGEN VOOR HOGER ONDERWIJS 6.6. TOELATINGSVOORWAARDEN 6.7. INSCHRIJVING EN/OF INSCHRIJVINGSGELD 6.8. FINANCIËLE STEUN VOOR STUDENTEN 6.9. ORGANISATIE VAN HET ACADEMIEJAAR 6.10. STUDIEGEBIEDEN 6.11. CURRICULUM 6.12. ONDERWIJSMETHODEN 6.13. EVALUATIE VAN STUDENTEN 6.14. VOORTGANG VAN STUDENTEN 6.15. DIPLOMERING 6.16. BEGELEIDING EN BAND MET VERDERE STUDIES/ARBEIDSMARKT 6.17. PRIVÉ-ONDERWIJS 6.18. VERSCHILLEN IN ORGANISATIE EN ANDERE STRUCTUREN 6.19. STATISTIEKEN 7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN

123 123 123 124 125 126 126 127 128 129 130 131 131 132 132 133 133 134 134 134 135 135 143

7.1 HISTORIEK 143 7.1.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - historiek 144 7.1.2. BIS - historiek 144 7.1.3. Basiseducatie – historiek 144 7.1.4. VDAB – historiek 145 7.1.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - Historiek 145 7.1.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - historiek 146 7.1.7. Landbouwvorming - Historiek 146 7.1.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk Historiek 146 7.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen 147 7.2.1. OSP – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen 151 7.2.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen 151 7.2.3. Basiseducatie – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen 151 7.2.4. Beroepsopleiding VDAB - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen 152 7.2.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen 152 7.2.6. DKO - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen 152 7.2.7. Landbouwvorming - actuele tendensen 153 7.2.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - actuele tendensen 153 7.3. WETTELIJK KADER 153 7.3.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - wettelijk kader 153 7.3.2. BIS - wettelijk kader 154 7.3.3. Basiseducatie – wettelijk kader 154 7.3.4. Beroepsopleiding VDAB - wettelijk kader 154 7.3.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - wettelijk kader 154 7.3.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO – wettelijk kader 155 7.3.7. Landbouwvorming – wettelijk kader 155 7.3.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - wettelijk kader 155 7.4. ALGEMENE DOELSTELLINGEN 155 7.4.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – algemene doelstellingen 155 7.4.2. Begeleid Individueel Studeren - algemene doelstellingen 156 7.4.3. Basiseducatie – algemene doelstellingen 156 7.4.4. Beroepsopleiding VDAB - algemene doelstellingen 156 7.4.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - algemene doelstellingen 157 7.4.6. Deeltijds kunstonderwijs – algemene doelstellingen 157

Vlaams Eurydice rapport 2006

Inhoud / 8


7.4.7 Landbouwvorming - algemene doelstellingen 7.4.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk- algemene doelstellingen 7.5. SOORTEN INSTELLINGEN 7.5.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – soorten instellingen 7.5.2. Begeleid Indidvidueel Studeren (BIS) – soorten instellingen 7.5.3. Basiseducatie – soorten instellingen 7.5.4. Beroepsopleiding VDAB - soorten instellingen 7.5.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - soorten instellingen 7.5.6. Deeltijds Kunstonderwijs – soorten instellingen 7.5.7. Landbouwvorming - soorten instellingen 7.5.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - soorten instellingen 7.6. GEOGRAFISCHE TOEGANKELIJKHEID 7.6.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - geografische toegankelijkheid 7.6.2. Begeleid Indidvidueel Studeren (BIS) – geografische toegankelijkheid 7.6.3. Basiseducatie – geografische toegankelijkheid 7.6.4. Beroepsopleidng VDAB - geografische toegankelijkheid 7.6.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - geografische toegankelijkheid 7.6.6. Deeltijds kunstonderwijs – geografische toegankelijkheid 7.6.7. Landbouwvorming - geografische toegankelijkheid 7.6.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - geografische toegankelijkheid 7.7. TOELATINGSVOORWAARDEN 7.7.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - toelatingsvoorwaarden 7.7.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - toelatingsvoorwaarden 7.7.3. Basiseducatie - toelatingsvoorwaarden 7.7.4. Beroepsopleiding VDAB - toelatingsvoorwaarden 7.7.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlanderen - toelatingsvoorwaarden 7.7.6. Deeltijds Kunstonderwijs DKO - toelatingsvoorwaarden 7.7.7 Landbouwvorming - toelatingsvoorwaarden 7.7.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - toelatingsvoorwaarden 7.8. INSCHRIJVING(SGELD) 7.8.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – inschrijving(sgeld) 7.8.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – inschrijving(sgeld) 7.8.3. Basiseducatie – inschrijving(sgeld) 7.8.4. Beroepsopleiding VDAB - inschrijving(sgeld) 7.8.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlanderen - inschrijving(sgeld) 7.8.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO – inschrijving(sgeld) 7.8.7. Landbouwvorming – inschrijving(sgeld) 7.8.8 Sociaalcultureel volwassenenwerk – inschrijving(sgeld) 7.9. FINANCIËLE STEUN VOOR CURSISTEN 7.9.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – financiële steun voor cursisten 7.9.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – financiële steun voor cursisten 7.9.3. Basiseducatie – financiële steun voor cursisten 7.9.4. Beroepsopleiding VDAB - financiële steun voor cursisten 7.9.5. ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen – financiële steun voor cursisten 7.9.6. Deeltijds Kunstonderwijs – financiële steun voor cursisten 7.9.7. Landbouwvorming - financiële steun voor cursisten 7.9.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - financiële steun voor cursisten 7.10 STUDIEAANBOD 7.10.1. Onderwijs voor Sociale promotie (OSP) - studieaanbod 7.10.1.1. Het secundair onderwijs voor sociale promotie 7.10.1.2 Het hoger onderwijs voor sociale promotie

7.10.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - studieaanbod 7.10.3. Basiseducatie - studieaanbod 7.10.4. Beroepsopleiding VDAB - studieaanbod 7.10.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - studieaanbod 7.10.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO – studieaanbod 7.10.7. Landbouwvorming - studie aanbod 7.10.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - studieaanbod 7.11 ONDERWIJSMETHODEN 7.11.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - onderwijsmethoden

Vlaams Eurydice rapport 2006

158 158 158 159 159 159 159 160 160 160 160 162 162 162 162 162 162 162 162 162 163 163 163 163 164 164 164 164 164 165 165 165 165 165 165 166 166 166 166 166 167 167 167 168 168 168 169 169 169 169 170

171 171 172 172 174 175 175 176 176

Inhoud / 9


7.11.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - onderwijsmethoden 7.11.3. Basiseducatie - onderwijsmethoden 7.11.4. Beroepsopleiding VDAB - onderwijsmethoden 7.11.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - onderwijsmethoden 7.11.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - onderwijsmethoden 7.11.7. Landbouwvorming - onderwijsmethoden 7.11.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - onderwijsmethoden 7.12 Lesgevers 7.12.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - lesgevers 7.12.2. Begeleid Individueel Studeren - lesgevers 7.12.3. Basiseducatie - lesgevers 7.12.4. Beroepsopleiding VDAB - lesgevers 7.12.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - lesgevers 7.12.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - leraars 7.12.7 Landbouwvorming - lesgevers 7.12.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - lesgevers 7.13 EVALUATIE EN VOORTGANG 7.13.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – evaluatie en voortgang 7.13.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – evaluatie en voortgang 7.13.3. Basiseducatie – evaluatie en voortgang 7.13.4. Beroepsopleiding VDAB - evaluatie en voortgang 7.13.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - evaluatie en voortgang 7.13.6. Deeltijds Kunstonderwijs DKO – evaluatie en voortgang 7.13.7. Landbouwvorming - evaluatie en voortgang 7.13.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - evaluatie en voortgang 7.14 DIPLOMERING 7.14.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - diplomering 7.14.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - diplomering 7.14.3. Basiseducatie - diplomering 7.14.4. Beroepsopleiding VDAB - diplomering 7.14.5. Ondernersvorming SYNTRA-Vlaanderen - diplomering 7.14.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - diplomering 7.14.7. Landbouwvorming - diplomering 7.14.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - diplomering 7.15. BEGELEIDING EN BAND MET VERDERE STUDIES/ARBEIDSMARKT 7.15.1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.2 Begeleid Individueel Studeren (BIS) - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.3 Basiseducatie - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.4 Beroepsopleiding VDAB - Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.5 Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.6 Deeltijds kunstonderwijs DKO - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.7 Landbouwvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.15.8 Sociaalcultureel volwassenenvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 7.16. PRIVÉ-ONDERWIJS 7.17. STATISTIEKEN

176 176 176 177 177 177 177 178 178 178 178 179 179 179 179 179 179 180 180 180 180 180 180 181 181 181 181 182 182 182 183 183 183 183 184 184 184 184 185 185 185 186 186 186 186

8. ONDERWIJZEND PERSONEEL, MANAGEMENTPERSONEEL EN EDUCATIEVE STAFLEDEN 193 8.1. INITIËLE LERARENOPLEIDING 8.1.1. Historisch overzicht 8.1.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen 8.1.3. Wettelijk kader 8.1.4. Instellingen, niveau en opleidingsmodellen 8.1.4.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 8.1.4.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 8.1.4.3 Leraar dans

Vlaams Eurydice rapport 2006

193 193 194 195 195 195 195 196

Inhoud / 10


8.1.5. Toelatingsvoorwaarden 8.1.6. Curriculum, Speciale vaardigheden, Specialisatie 8.1.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 8.1.6.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

8.1.7. Evaluatie, diploma's 8.1.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 8.1.7.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

8.1.8. Opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB) 8.2. ARBEIDSVOORWAARDEN VOOR HET ONDERWIJZEND PERSONEEL 8.2.1. Historisch overzicht 8.2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen 8.2.3. Wettelijk kader 8.2.3.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.3.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.3.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.4. Planningsbeleid 8.2.5. Toegang tot het beroep 8.2.5.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.5.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.5.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.6. Statuut 8.2.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.6.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.6.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.7. Vervangingsmaatregelen 8.2.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.8. Ondersteunende maatregelen 8.2.9. Evaluatie 8.2.9.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.9.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.9.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.10. Nascholing 8.2.11. Wedde 8.2.11.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.12. Arbeidstijd en vakantie 8.2.12.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.13. Bevordering 8.2.13.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.14. Beroepsmobiliteit 8.2.14.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.15. Ontslag 8.2.15.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs 8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen 8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten

8.2.16. Pensioenregeling 8.3. MANAGEMENTPERSONEEL 8.3.1. Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt 8.3.2. Arbeidsvoorwaarden 8.4. INSPECTIE EN DIENST VOOR ONDERWIJSONTWIKKELING 8.4.1. Aanstellingsvoorwaarden inzake het inspecteursambt 8.4.2. Arbeidsvoorwaarden 8.5. PERSONEEL VERANTWOORDELIJK VOOR BEGELEIDING 8.6. ANDER ONDERWIJSPERSONEEL 8.7. STATISTIEKEN

Vlaams Eurydice rapport 2006

196 196 197 197

198 198 199

199 199 200 201 201 201 201 201

202 202 202 203 204

204 205 206 206

206 206 206 206

206 207 207 207 208

208 209 209 210 210

211 211 212 212

212 212 213 213

214 214 214 214

214 214 216 216

216 216 216 218 218 218 220 220 221 222

Inhoud / 11


9. EVALUATIE BINNEN HET ONDERWIJSSYSTEEM 9.1. HISTORISCH OVERZICHT 9.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 9.3. ADMINISTRATIEF EN WETTELIJK KADER 9.3.1. De onderwijsinspectie 9.3.1.1. Organisatie van de inspectie 9.3.1.2. Taken van de inspectie 9.3.1.3. Werkwijze 9.3.1.4. Evaluatie van de inspectie

9.3.2. Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) 9.3.3. Pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) 9.3.4. Speciale regelingen 9.3.4.1. Controle en ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken 9.3.4.2. Inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies

9.4. EVALUATIE VAN ONDERWIJSINSTELLINGEN 9.4.1. Interne evaluatie 9.4.1.1. Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs 9.4.1.2. Interne evaluatie in het hoger onderwijs 9.4.1.2.1. Interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen 9.4.1.2.2. Interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten

9.4.2. Externe evaluatie 9.4.2.1. Basisonderwijs 9.4.2.1.1. Instrumentarium 9.4.2.1.2. Procedure 9.4.2.1.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag 9.4.2.2. Secundair onderwijs 9.4.2.2.1. Instrumentarium 9.4.2.2.2. Procedure 9.4.2.2.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag 9.4.2.3 Volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs 9.4.2.4. Hoger onderwijs

225 225 226 226 227 227 227 228 229

229 230 230 231 231

231 232 232 232 232 233

233 233 234 234 234 235 235 235 236 236 236

9.4.3 De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs 9.5. EVALUATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM 9.5.1. Het jaarverslag van de onderwijsinspectie 9.5.2. Periodiek peilingsonderzoek 9.5.3. Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek 9.6. ONDERWIJSKUNDIG WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK BETREFFENDE DE EVALUATIE VAN HET

237 237 237 237 238

ONDERWIJSSYSTEEM 9.7. STATISTIEKEN

239 241

10. ONDERWIJS VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN 10.1. HISTORISCH OVERZICHT 10.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 10.3. DEFINIËRING EN DIAGNOSE VAN DOELGROEPEN 10.4. FINANCIËLE ONDERSTEUNING VAN HET GEZIN 10.5. SPECIFIEKE VOORZIENINGEN BINNEN HET GEWOON ONDERWIJS 10.5.1. Geïntegreerd onderwijs (GON) 10.5.1.1. Wettelijk kader 10.5.1.2. Algemene doelstellingen 10.5.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen

10.5.2. Inclusief onderwijs (ION) 10.5.2.1 Wettelijk kader 10.5.2.2 Algemene doelstellingen 10.5.2.3 Specifieke ondersteunende maatregelen

10.6. BUITENGEWOON ONDERWIJS (BUO) 10.6.1. Wettelijk kader 10.6.2. Algemene doelstellingen 10.6.3. Geografische toegankelijkheid 10.6.4. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze 10.6.5. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen 10.6.6. Organisatie van het schooljaar 10.6.7. Curriculum en vakken

Vlaams Eurydice rapport 2006

243 243 243 245 246 246 247 247 247 247

248 248 248 248

249 249 250 250 250 252 252 253

Inhoud / 12


10.6.8. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal 10.6.9. Voortgang van leerlingen 10.6.10. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt 10.6.11. Diplomering 10.6.12. Privé-onderwijs 10.7. SPECIFIEKE MAATREGELEN VOOR MIGRANTENLEERLINGEN 10.7.1. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) in het buitengewoon onderwijs 10.7.1.1. Wettelijk kader 10.7.1.2. Doelgroep 10.7.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen 10.7.1.4 Actieterreinen 10.7.1.5 Looptijd

254 254 254 255 255 255 255 255 256 256 256 256

10.7.2 Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs 256 10.7.2.1. Wettelijk kader 10.7.2.2. Doelgroep 10.7.2.3. Specifieke ondersteunende maatregelen 10.7.2.4. Actieterrein 10.7.2.5. Statistieken OKAN

10.8. STATISTIEKEN 11. DE EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET ONDERWIJS 11.1. HISTORISCH OVERZICHT 11.2. ACTUELE DISCUSSIES EN TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN 11.2.1. Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem 11.2.2. Europese samenwerkingen

256 257 257 257 258

258 263 263 263 263 264

11.2.2.1. Het Bolognaproces 11.2.2.2. Het Europees Doelstellingenproces 11.2.2.3. Het Kopenhagenproces

264 264 265

11.3. VLAAMSE BELEIDSLIJNEN EN WETTELIJK KADER 11.4. VLAAMSE PROGRAMMA'S EN INITIATIEVEN 11.4.1. Bilaterale programma's en initiatieven

265 266 266

11.4.1.1. Culturele akkoorden 11.4.1.2. Vlaamse verdragen 11.4.1.3. Onderwijsakkoorden 11.4.1.3.1. Samenwerking met Nederland 11.4.1.3.2. Akkoord met Rusland 11.4.1.3.3. Samenwerking met Marokko 11.4.1.4. Samenwerking met buurlanden

266 266 266 266 268 268 269

11.4.2. Multilaterale programma's en initiatieven 11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa 11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO 11.4.2.3. Samenwerking in het kader van de UNESCO 11.4.2.4. EU-programma's en initiatieven

11.5. EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET VLAAMSE CURRICULUM 11.6. MOBILITEIT EN UITWISSELING 11.6.1. Mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten 11.6.1.1. Programma's voor het basisonderwijs 11.6.1.2. Programma's voor het secundair onderwijs 11.6.1.3. Programma's voor het hoger onderwijs

11.6.2. Mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten en academisch personeel 11.6.2.1. Basisonderwijs 11.6.2.2. Secundair onderwijs

11.7. STATISTIEKEN

Vlaams Eurydice rapport 2006

269 269 270 271 272

272 272 273 273 274 274

275 275 275

276

Inhoud / 13


1. DE POLITIEKE, SOCIALE EN ECONOMISCHE ACHTERGROND In België heeft de ontwikkeling naar een federale staat belangrijke implicaties gehad voor het onderwijs. Vanaf 1989 is de bevoegdheid voor onderwijs bijna volledig overgeheveld naar de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap. Deze zijn sindsdien op het vlak van de onderwijsstructuur en het onderwijsbeleid hun eigen weg gegaan. Dit rapport beschrijft het onderwijssysteem van de Vlaamse Gemeenschap.

1.1. Historisch overzicht We behandelen hier : • • • •

De creatie van een federale staat en communautarisering van het onderwijs via vijf staatshervormingen, zie [1.1.1.] De verschillende niveaus van besluitvorming, zie [1.1.2.] Het partijpolitieke landschap, zie [1.1.3.] De grondwettelijke waarborgen voor onderwijs, zie [1.1.5.]

1.1.1. Naar een federale staat met communautarisering van het onderwijs Bij de oprichting van de Belgische staat (1830) legde de Grondwet, afgekondigd in februari 1831, de structuren van een gecentraliseerde staat vast, gebaseerd op het principe van een éénvormige wetgeving en bestuur voor het hele land. De Grondwet huldigt het principe van de scheiding der machten: de wetgevende (bestaande uit de Koning, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat), de uitvoerende (bestaande uit de Koning en de Regering) en de rechterlijke macht. Twee instellingen die voor het onderwijs belangrijk zijn: de provincies en de gemeenten. Aan provincies en gemeenten werd een tamelijk grote autonomie toegekend, waarbij hun machten echter zijn ingeperkt; hun beslissingen vallen onder de controle van de gewestelijke en de nationale wetgevende en uitvoerende macht. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam een taalstrijd op gang, ter erkenning van het Nederlands als volwaardige taal naast het Frans, tot dan de enige officiële taal van België. • • • • •

Pas in 1930 werd de Gentse universiteit als eerste officieel Nederlandstalig. Vanaf 1936 werden de meeste colleges aan de Leuvense universiteit zowel in het Nederlands als het Frans gegeven. De definitieve splitsing van de universiteit zou eerst in 1970 wettelijk worden vastgelegd. Eerst in 1959 werd het Nederlands een volwaardige rechtstaal in België. In 1960 werd het unitaire omroepinstituut gesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige omroep. In 1962 werd de ministerportefeuille voor Cultuur gesplitst, in 1968 deze van Nationale Opvoeding. In 1962 werd ook de taalgrens definitief territoriaal vastgelegd en in 1963 werd België ingedeeld in 4 taalgebieden. o Het Nederlandse: Vlaanderen (de provincies Antwerpen, Limburg, Vlaams-Brabant, Oost- en WestVlaanderen) o Het Franse: Wallonië (de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant) o Het Duitse (de 9 gemeenten van de Oostkantons) o Het tweetalig gebied Brussel-hoofdstad (de 19 Brusselse gemeenten) Elke Gemeenschap behoort tot een taalgebied waarbij een wijziging of aanpassing van de grenzen een speciale meerderheid in het nationale parlement vraagt. Tweetaligheid is van toepassing op de 19 gemeenten van de hoofdstad Brussel, waar de Franstaligen een duidelijke meerderheid uitmaken. Rond dit tweetalig gebied liggen er een aantal Nederlandstalige gemeenten met administratieve taalfaciliteiten voor de Franstalige inwoners.

De taalstrijd in de jaren '60 leidde tot een reeks staatshervormingen en wijzigingen van de grondwet die gestalte gaven aan een federale staat, samengesteld uit gewesten en gemeenschappen. • •

e De 1 staatshervorming (1970) creëerde 3 cultuurgemeenschappen als antwoord op het streven van de Vlamingen naar culturele autonomie. Tevens werd de basis gelegd voor de oprichting van 3 gewesten, als antwoord op het streven van de Franstaligen naar economische autonomie. De 2e staatshervorming (1980) verruimde de cultuurgemeenschappen tot 3 gemeenschappen (de Vlaamse -, de Franse - en de Duitstalige Gemeenschap) die naast culturele aangelegenheden ook persoongebonden aangelegenheden, met name gezondheid en sociale bijstand onder hun bevoegdheid kregen. Deze gemeenschappen kregen elk een raad (hun parlement) en een regering. Tevens werden ook twee gewesten opgericht: het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. Ook zij kregen een raad en

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 15


•

•

•

een regering. In Vlaanderen werden de instellingen van Gemeenschap en Gewest meteen samengesmolten tot één raad en één regering. De Franstaligen hebben de instellingen van de Franse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest niet samengevoegd. Er zijn immers veel meer Franstalige Brusselaars t.o.v. Franstalige Walen dan dat er Nederlandstalige Brusselaars zijn t.o.v. Vlamimngen. e De 3 staatshervoming (1988) gaf vorm aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat eveneens een raad en een regering kreeg en breidde de bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten verder uit. Zo werd de bevoegdheid voor onderwijs overgeheveld naar de Gemeenschappen en ingeschreven in de Grondwet (art. 127 § 1.2). Ook de garanties die vroeger reeds waren gewaarborgd door de zogenaamde Schoolpactwet van 29 mei 1959 (art. 24), werden nu ingeschreven in de Grondwet. Artikel 142 van de herziene Grondwet (17 februari 1994) geeft elke belanghebbende burger het recht een beroep te doen op het Arbitragehof wanneer hij van oordeel is dat er sprake is van een schending van de principes en de waarborgen die zijn vastgelegd in onder andere artikel 24 van de Grondwet omtrent onderwijs. De 4e staatshervorming (1993) maakte van België een volwaardige federale staat. De voormalig tweetalige provincie Brabant werd opgesplitst in twee provincies: Vlaams Brabant (Nederlandstalig) en Waals Brabant (Franstalig). Brussel, de hoofdstad van België én tevens geografisch gezien in het centrum van de voormalige provincie Brabant gelegen, behoorde niet langer tot een provincie. Haar speciaal statuut als tweetalig gebied werd versterkt. De 5e staatshervorming (de zgn. Lambermontakkoorden) (2001) gaf de de verschillende deelstaten zowel meer financiële middelen als meer bevoegdheden. Zo was er voor het eerst echt sprake van fiscale autonomie en kregen de gewesten de nagenoeg volledige bevoegdheid over een aantal belastingen waaronder de verkeersbelasting en de registratie- en successierechten. Daarnaast werden bevoegdheden over landbouw, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking naar de deelstaten overgeheveld. Verder verwierven de gewesten door de overheveling van de Gemeente- en Proviciewet de bevoegdheid en het toezicht over de ondergeschikte besturen (provincies, gemeenten, ocmw's) binnen hun territorium. De samenstelling en werking van de instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden nogmaals gewijzigd.

Referenties • • • •

www.belgium.be www.vlaamsparlement.be Clair, Ysebaert, Politiek zakboekje (structuren), Kluwer, jaarlijks Res Publica

1.1.2. Niveaus van besluitvorming We behandelen eerst de relatie tussen gemeenschappen, gewesten en taalgebieden (voor de taalgebieden zie [1.1.1.]. België telt 3 gemeenschappen (zie [1.1.1.]) •

• •

De Vlaamse Gemeenschap: dit is het Vlaamse Gewest, maar ook de Nederlandstalige instellingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (In tweetalig Brussel gelden de beslissingen van de Gemeenschappen enkel voor de instellingen van Brussel-Hoofdstad die worden beschouwd op basis van hun organisatorische kenmerken exclusief te behoren tot de éne dan wel tot de andere Gemeenschap (b.v. de Vlaamse scholen in Brussel)). De Franse Gemeenschap: dit is het Waalse Gewest, zonder het Duitse taalgebied, maar met de Franstalige instellingen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest De Duitstalige Gemeenschap: dit is het Duitse taalgebied.

België telt 3 gewesten (zie [1.1.1.]) • • •

Het Vlaamse Gewest: het Nederlandse taalgebied Het Waalse Gewest: het Franse taalgebied en het Duitse taalgebied Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

België bestaat ook uit 10 provincies en 589 gemeenten (waarvan 19 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 308 in Vlaanderen).

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 16


Referenties •

Res Publica 2000:1 de consequenties van multi-level governance

1.1.3. Politieke partijen in Vlaanderen Het partijpolitieke landschap in Vlaanderen werd de laatste jaren herverkaveld door •

•

•

herpositionering (en naamsverandering): o van CVP (Christelijke Volkspartij) naar CD&V (Christen-Democratisch en Vlaams) ° 2001 o van SP (Socialistische Partij) naar SP.A (SP Anders - met als ondertitel "sociaal progressief alternatief") ° 2002 o van PVV (Partij voor Vrijheid en Vooruitgang) naar VLD (Vlaamse Liberalen en Democraten) ° 1992 o van Agalev (Anders Gaan Leven) naar Groen! ° 2003 o van (het extreem-rechtse) Vlaams Blok naar Vlaams Belang ° 2004 (wegens juridische veroordeling voor racisme) het ontstaan van nieuwe partijen als gevolg van het uiteenvallen in 2001 van de Vlaams-nationalistische Volksunie (VU): o NVA (Nieuw-Vlaamse Alliantie) ° 2001 o spirit (met als ondertitel De Vlaamse Links-liberalen) ° 2001 (ontstaan uit VU en het linksliberale iD21) kartelvorming (mede vanwege de invoering van een kiesdrempel van 5%) als aanloop tot de verkiezingen voor het Vlaams Parlement op 13 juni 2004. o CD&V + NVA o SP.A + spirit (reeds een kartel in 2002 ter voorbereiding van de federale verkiezingen) o VLD + Vivant (° 1997)

In Vlaams-Brabant is tevens een Franstalige partij, UF (Union des Francophones) actief. Politieke samenstelling van het Vlaams Parlement 2004 - 2009 CD&V + NVA Vlaams Belang SP.A / spirit VLD / Vivant Groen! UF totaal

1999 - 2004 ministers 4 (3+1)

zetels 29+6 32

waarvan in BHG 1 3

3 (2+1) 3 (3+0)

25 25 6 1

1 1 0 0

124

6

CVP Vlaams Blok SP VLD Agalev UF VU&ID

zetels 30 22

Waarvan in BHG 2 2

20 27 12 1 12 124

1

1 6

Sinds de federale verkiezingen van 2003 maken de VLD en SP.A / spirit ook deel uit van de Federale regering. Op gemeentelijk vlak zijn er heel wat lokale partijen. Met betrekking tot het thema onderwijs is hun relevantie eerder beperkt; zij zijn enkel op lokaal vlak van belang. Dikwijls hebben dergelijke lokale partijen banden met één van de grote partijen. Referenties • • • • • • • • •

www.cdenv.be www.n-va.be www.s-p-a.be www.meerspirit.be www.vld.be www.vivant.org www.groen.be www.vlaamsbelang.org www.uniondesfrancophones.be

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 17


1.1.4. Grondwettelijke waarborgen voor onderwijs Na de grondwetsherziening van 15 juli 1988, hevelde de grondwet (17 februari 1994) alle verantwoordelijkheden (art. 127 § 1.2) in verband met het onderwijssysteem over naar de Gemeenschappen met uitzondering van drie punten: • • •

de vastlegging van het begin en het einde van de leerplicht; de minimumvoorwaarden voor het verlenen van diploma's; het pensioenstelsel.

De eerste twee uitzonderingen zijn gemaakt om een minimum aan coherentie tussen de onderwijssystemen van de Gemeenschappen veilig te stellen. Wat betreft het pensioenstelsel is het zo dat de pensioenregeling nog steeds deel uitmaakt van het nationale sociale zekerheidssysteem waarvoor nog een nationaal financieringssysteem in voege is, gebaseerd op solidariteit tussen Gemeenschappen en Gewesten. Als een gevolg van vermelde veranderingen behoort de verantwoordelijkheid voor onderwijsmateries vanaf 1989 toe aan de Vlaamse Gemeenschap die bijgevolg instaat voor het bestuur van het onderwijs in haar taalgebied (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1991a, 1991c, 1992; Platel, 1993).

1.2. Wetgevende en uitvoerende machten We behandelen achtereenvolgens: • • • •

federaal, zie [1.2.1.] Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest, zie [1.2.2.] Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zie [1.2.3.] Provincies, steden en gemeenten, zie [1.2.4.]

1.2.1 Federaal Vanaf 1989 is de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk voor onderwijsmateries en staat bijgevolg in voor het bestuur van het onderwijs in haar taalgebied. Immers, na de grondwetsherziening van 15 juli 1988, hevelde de grondwet (17 februari 1994) alle verantwoordelijkheden (art. 127 § 1.2) in verband met het onderwijssysteem over naar de Gemeenschappen met uitzondering van drie punten: • • •

de vastlegging van het begin en het einde van de leerplicht; de minimumvoorwaarden voor het verlenen van diploma's; het pensioenstelsel.

De eerste twee uitzonderingen zijn nodig om een minimum aan coherentie tussen de onderwijssystemen van de Gemeenschappen veilig te stellen. De pensioenregeling maakt nog steeds deel uit van het nationale sociale zekerheidssysteem waarvoor nog een nationaal financieringssysteem in voege is, gebaseerd op solidariteit tussen Gemeenschappen en Gewesten. De federale wetgevende macht wordt uitgeoefend door middel van wetten. De regering vaardigt koninklijke besluiten uit. Voor enkele materies blijft de bevoegdheid op het federale niveau: pensioenen en betaald educatief verlof •

•

Pensioenen o Bevoegd minister: Minister van Pensioenen (Bruno Tobback) o Bevoegde administratie: Administratie der pensioenen (AP) (vanaf 1/1/2006 autonome instelling – voorheen onderdeel van het Ministerie van financiën), voor toekenning, berekening en beheer pensioenen personeelsleden openbare sector Federale overheidsdienst Financiën > Administratie der Thesaurie > Centrale dienst der vast uitgaven – pensioenen; http://www.ap.fgov.be; voor uitbetalingen Betaald educatief verlof o Bevoegd minister: Minister van werk en informatisering Peter Vanvelthoven

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 18


Bevoegde administratie: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en sociaal overleg > Algemene directie werkgelegenheid en arbeidsmarkt > Afdeling van het werkgelegenheidsbeleid > Directie van het BEV; http://meta.fgov.be. Zie [7.3.] o

•

Ook enkele beroepsopleidingen blijven federaal: de militaire opleiding en de politieopleiding •

•

Militaire opleiding o Bevoegd minister: Minister van Landsverdediging André Flahaut o Bevoegde administratie: Federale overheidsdienst (FOD) Defensie > Algemene directie vorming (DG FMN) Politieopleiding o Bevoegde ministers: Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael, en de Minister van justitie, Laurette Onkelinx. Overeenkomstig het KB van 30 maart 2001, tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol), wordt de opleidingspolitiek voor de politiediensten bepaald door de minister van Binnenlandse zaken en de minister van Justitie. Het initiatief en het dagelijks beheer van de vorming behoren feitelijk tot de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse zaken die de minister van Justitie betrekt bij de algemene maatregelen betreffende de opleiding van het politiepersoneel. De minister van Justitie oefent een eigen rol uit voor de opleidingen van het personeel van de Algemene Directie van de gerechtelijke politie (opsporings- en recherchedienst). Het RPPol bepaalt daarvoor dat de minister van Justitie binnen de federale politie een nationale rechercheschool opricht die de gerechtelijke opleidingen verstrekt. o Bevoegde administratie: Commissariaat-generaal federale politie > Algemene directie personeel > Directie van de opleiding van de Belgische politie (DPF); www.police.ac.be. Gezien de directie van de opleiding open staat voor externe opleidingen, werkt ze ook samen met het Opleidingsinstituut voor de Federale Overheid (OFO). Deze opleidingsinstelling van de federale overheid is een entiteit van de federale overheidsdienst «personeel en organisatie ». Zij beheert volledige opleidingsprogramma's voor de administratie van de federale openbare diensten, waaronder ook de politie. De personeelsleden van de politie kunnen zich inschrijven bij de opleidingsinstelling van de federale overheid. o Onderwijsinstellingen Politiescholen De nationale school voor officieren (DPEO) De nationale rechercheschool (DPER) De federale school (DPEF)

1.2.2 Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest Naast de Minister van Onderwijs zijn nog andere ministers bevoegd voor specifieke vormen van opleiding en onderwijs. • • • •

Onderwijs, zie [1.2.2.1.] Beroepsopleiding en ondernemersvoming, zie [1.2.2.2.] Landbouwvorming, zie [1.2.2.3.] Sociaalcultureel volwassenenwerk, zie [1.2.2.4.]

Zie www2.vlaanderen.be/ned/sites/dagvlaanderen/wegwijs.html Het Vlaams Parlement Het wetgevende orgaan voor Vlaanderen is het Vlaams parlement, het parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. Het nieuwe Vlaams parlement bestaat thans uit 124 leden: 118 direct verkozen door de inwoners van het Vlaamse Gewest en 6 verkozen onder de Nederlandstalige vertegenwoordigers van de Brusselse Gewestraad . Het Vlaams parlement heeft de drie klassieke functies van een parlement: een wetgevende functie, de vorming van regeringen en een controlefunctie. Het Vlaams parlement oefent haar wetgevende macht uit door middel van decreten, die dezelfde rechtskracht hebben als de wetten van het nationale parlement. Deze decreten zijn van toepassing in het Nederlandse taalgebied en ten aanzien van de instellingen in het tweetalig gebied BrusselHoofdstad, die zich uitsluitend richten tot de Vlaamse gemeenschap. Voor gewestaangelegenheden zijn de decreten enkel in het Nederlandse taalgebied van toepassing en niet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De Vlaamse regering vaardigt besluiten uit, de federale regering koninklijke besluiten.

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 19


De verkiezingen voor het Vlaams Parlement worden gehouden om de 5 jaar (sinds 1995 los van de federale verkiezingen die om de 4 jaar worden gehouden). De meest recente verkiezing werd gehouden in 2004. De Vlaamse regering De uitvoerende macht is in handen van de Vlaamse regering, die bij decreet maximum elf leden telt, waarvan minstens één woonplaats heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (en bijgevolg niet bevoegd is voor Vlaamse gewestaangelegenheden; de andere ministers zijn bevoegd voor zowel gewest- als gemeenschapsaangelegenheden). . De ministers worden aangesteld door het Vlaams parlement. De Vlaamse regering beslist 'collegiaal': elke beslissing wordt genomen door de ganse regering, tenzij een bevoegdheid expliciet wordt 'gedelegeerd' aan een individuele minister. De Vlaamse regering is een zogenaamde legislatuurregering. Het Vlaamse Parlement kan haar vertrouwen in de regering opzeggen, maar de regering pas naar huis sturen als tegelijk een andere regering wordt voorgesteld. De Vlaamse Administratie Als gevolg van de 5 staatshervormingen met telkens nieuwe Vlaamse bevoegdheden was de Vlaamse administratie uitgegroeid tot één ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met 7 departementen, met daarnaast 58 Vlaamse openbare instellingen (VOI's), 7 Vlaamse wetenschappelijke instellingen (VWI's), 23 diensten met afzonderlijk beheer (DAB's) en tientallen andere rechtspersonen met elk hun eigen statuten, structuren en taakverdelingen. Met het oog op een Beter Bestuurlijk Beleid werden een nieuwe structuur en nieuwe werkingsprincipes verankerd in nieuwe decreten en besluiten. • •

Het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid (18 juli 2003) legt het nieuw organisatorisch-administratief kader van de Vlaamse overheid vast. Het Organisatiebesluit van 3 juni 2005 concretiseert verder de organisatiestructuur. Het trad in werking op 1 januari 2006.

Voor elk beleidsdomein is er een departement voor het beleidsondersteunend werk en verzelfstandigde agentschappen voor de beleidsuitvoerende taken. Departementen worden rechtstreeks door de minister aangestuurd, voor de agentschappen wordt de opdracht vastgelegd in een beheersovereenkomst. Er zijn verschillende graden van verzelfstandiging: zo zijn er interne (IVA's) en externe (EVA's) verzelfstandigde agentschappen. Elk beleidsdomein krijgt een strategische adviesraad (zoals de Vlaamse Onderwijsraad VLOR Zie [2.7.2.1.] en de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen SERV), met specialisten en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Elk beleidsdomein krijgt tevens een beleidsraad, die zorgt voor strategisch overleg tussen de minister en de leidende ambtenaren. Met elk agentschap moet tegen 2007 een beheersovereenkomst zijn afgesloten. De begrotingsstructuur wordt daaraan aangepast. Onder een Vlaams ministerie wordt voortaan verstaan: het departement en de IVA's zonder rechtspersoonlijkheid van een beleidsdomein. Er worden 13 beleidsdomeinen afgebakend. Daarbinnen worden opgericht: • • •

13 departementen, interne verzelfstandigde agentschappen (IVA's): o 29 zonder rechtspersoonlijkheid o 9 mét rechtspersoonlijkheid (IVA RP) externe verzelfstandigde agentschappen (EVA's): o 11 publiekrechtelijk vormgegeven EVA's o 7 privaatrechtelijk vormgegeven EVA's.

Binnen de vernieuwingsoperatie Beter Bestuurlijk Beleid wordt ook gewerkt aan een nieuwe cultuur gericht op kennisdeling, coaching, permanente vorming en innovatie, grotere interne mobiliteit en verbeterde interne en externe kwaliteitszorg. 1.2.2.1 Onderwijs Binnen het beleidsdomein onderwijs en vorming zijn vanaf 1 april 2006 operationeel •

het Departement Onderwijs en Vorming

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 20


• • • •

het Onderwijsdienstencentrum Leerplichtonderwijs (een IVA) het Onderwijsdienstencentrum Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs (IVA) het Agentschap voor Onderwijscommunicatie (IVA) het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn) (een IVA RP), zie [2.8.3.]

De voor onderwijs bevoegde minister is Frank Vandenbroucke, vice-minister-president van de Vlaamse regering, "Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming" bevoegd voor: • • •

het tewerkstellingsbeleid; beroepsomscholing en bijscholing; het onderwijs, de voorschoolse vorming in de peutertuinen, de post- en parascolaire vorming, de sociale promotie en basiseducatie; de coördinatie van het beleid met betrekking tot de Vlaamse Rand rond Brussel.

http://www.ministerfrankvandenbroucke.be Scholen worden opgericht en georganiseerd door 'inrichtende machten'. •

• • • • • •

Tot 1989 was de minister van onderwijs de inrichtende macht van het Rijksonderwijs (nu gemeenschapsonderwijs), dat volledig en rechtstreeks gefinancierd wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Nu zijn de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de inrichtende machten. Als koepelorganisatie fungeert het Gemeenschapsonderwijs, zie [2.6.2.2.]. Het katholiek onderwijs kent een groot aantal inrichtende machten. Als koepelorganisatie fungeert het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO), zie [2.6.2.3.]. Ook steden en gemeenten treden op als inrichtende machten, zie [1.2.4.] en [2.6.2.4.]. Daarnaast organiseren tal van inrichtende machten methodenscholen, vrijzinnige, protestantse en joodse scholen, zie [2.3.2.] en [2.6.2.1.]. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest fungeert de Vlaamse Gemeenschapscommissie als inrichtende macht van de Hoofdstedelijke Vlaamse scholen, zie [1.2.3.]. In het Decreet Basisonderwijs (25 februari 1997) werd het begrip 'schoolbestuur' geïntroduceerd als een synoniem voor 'inrichtende macht'. Zie ook [2.3.1.1.].

1.2.2.2 Beroepsopleiding en ondernemersvorming Binnen het nieuwe beleidsdomein Werk en Sociale Economie zijn voor onderwijs van belang: • •

De VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) die beroepsopleidingen organiseert ten behoeve van werkzoekenden en werknemers (een EVA), zie [7.3.4.]. Het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen (een EVA) dat instaat voor de opleiding van zelfstandigen en KMO's (de vroegere 'middenstandsopleiding') middels het SYNTRA-opleidingsnetwerk. Het neemt de taken van het VIZO over, zie [7.3.5.].

Zowel de VDAB als het Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming staan onder toezicht van de Vlaamse minister die werkgelegenheid in zijn bevoegdheid heeft, sinds 2004 Frank Vandenbroucke, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming. (Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering. 1.2.2.3 Landbouwvorming Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, dat vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw was, is overgeheveld naar de Gemeenschappen door de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980. Landbouw en visserij werd eerst na de 5e staatshervorming in 2002 een volledig Vlaamse bevoegdheid. Bevoegde minister: Het beleidsdomein Landbouw en Visserij valt in de huidige regering onder de bevoegdheid van Yves Leterme, Minister-President van de Vlaamse Regering, tevens Vlaams Minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid. Bevoegde administratie : Administratie Land- en Tuinbouw > Afdeling Duurzame landbouw. Deze staat in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra), de registratie van de lesgevers, de subsidiëring van de

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 21


vormingsactiviteiten , de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie van de deelnemers, zie [7.3.7.]. 1.2.2.4 Sociaalcultureel werk met volwassenen Het Sociaalcultureel werk met volwassenen valt binnen het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media Bevoegde minister: Bert Anciaux, Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel. Bevoegde administratie: Administratie cultuur > Afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk. In de nieuwe structuur van de administratie zal dat het agentschap Sociaalcultureel werk voor jeugd en volwassenen (een IVA) worden. Steunpunt: SoCiuS, zie [7.1.8.] 1.2.2.5 Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk Bij de vorming van de nieuwe Vlaamse Regering in 2004 werden voor het eerst de bevoegdheden voor onderwijs en werk samengebracht. De nieuwe Vlaamse minister van onderwijs en vorming was overigens voorheen (20032004) federaal minister van werk en pensioenen. Hierdoor wordt een meer geïntegreerde beleidsvisie onderwijs en beroepsopleiding en ondernemersvorming mogelijk. Bovendien willen de Vlaamse ministers Frank Vandenbroucke en Bert Anciaux vanuit hun bevoegdheden (zie [1.2.2.1.], [1.2.2.2.] en [1.2.2.4.]) de structurele basis versterken voor het uitbouwen van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid. Dat beleid is gericht op: • •

Het stimuleren van levenslang en levensbreed leren. Dit vangt aan in het leerplichtonderwijs, omspant het leren tijdens de hele levensloop en omvat alle vormen van leren zowel informeel als formeel leren, zowel algemeen vormend als beroepsgericht. Het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. Dit omvat alle aangelegenheden die onder de verschillende bevoegdheden ressorteren zoals de afstemming tussen de veranderende vraag naar competenties in de beroepswereld en het onderwijs-, vormings- en opleidingsaanbod, de mogelijkheden tot werkervaring, de valorisatie van competenties, de waardering van het beroepsgericht leren, de onderlinge afstemming van het onderwijs, vormings- en opleidingsaanbod met het oog op een grotere efficiëntie en effectiviteit en een adequatere mobiliteit op de arbeidsmarkt.

Het geïntegreerde beleid krijgt vorm via een integrerende structuur. Conform de principes van Beter Bestuurlijk Beleid wordt die structuur op drie onderscheiden niveaus uitgewerkt: beleidsbepaling, beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering. 1.2.2.5.1 Beleidsbepaling: het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk De hoofdbevoegdheid voor het geïntegreerde beleid ligt bij de minister van Werk, Onderwijs en Vorming. De minister van Cultuur heeft eveneens een bevoegdheid op het vlak van vorming, meer bepaald in zake sociaalcultureel werk. Op 25 februari 2005 besliste de Vlaamse regering het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk op te richten. Dit comité bestaat uit de minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de minister van Cultuur. De rol van het Ministerieel Comité beperkt zich tot de coördinatie van de beslissingen die beide bevoegdheidsdomeinen omvatten. De beide ministers en hun respectieve departementen behouden hun bevoegdheden. Eveneens op 25 februari 2005 machtigde de regering de betrokken ministers tot het oprichten : • •

voor de beleidsvoorbereiding, een interdepartementale stuurgroep O, V en W; voor de beleidsuitvoering, een uitvoerende entiteit, de vzw Dienst Informatie, Vorming en Afstemming (DIVA).

1.2.2.5.2 Beleidsvoorbereiding en –planning: de interdepartementale stuurgroep

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 22


Het departement Onderwijs, de administratie Werkgelegenheid en de administratie Cultuur vormen een interdepartementale stuurgroep O, V en W. Het betreft een tussenstructuur of interface tussen de verticaal georganiseerde departementen en administraties. De organisatie en bevoegdheden van de betrokken departementen veranderen niet, maar voor de aangelegenheden op het snijvlak van onderwijs, vorming en werk worden de beleidsvoorbereiding en -planning interdepartementaal overlegd, aangestuurd, uitgewerkt en opgevolgd. 1.2.2.5.3 Beleidsuitvoerende entiteiten Het ministerieel comité kan -op advies van de stuurgroep O, V en W en in functie van de beleidsoptiesbeleidsuitvoerende entiteiten oprichten. Het managementcomité staat in voor de taakafbakening van de onderscheiden uitvoerende entiteiten en de aansturing, opvolging en bijsturing van hun werkzaamheden. Er is alvast één uitvoerende entiteit opgericht, de vzw. Dienst Informatie, Vorming en Afstemming (DIVA) (zie [7.2.1.]). Die vzw. verschilt zowel in opdracht als in samenstelling van de vroegere DIVA. Op korte termijn zal bekeken worden of er nog andere uitvoerende entiteiten moeten worden opgericht. Zo zal nagegaan worden waar het agentschap dat vanaf 2007 zal instaan voor de uitvoering van het Europese programma levenslang leren en de bestaande programma's Socrates en Leonardo da Vinci zal integreren, een plaats moet krijgen. Er zal ook uitgeklaard worden hoe het ESF-agentschap zich ten opzichte van de integrerende structuur zal verhouden. Eveneens op korte termijn zullen de relaties tussen de DIVA en de RTC verduidelijkt worden. Meer gedetailleerde info vindt men in het beleidsdocument "Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk: organisatie en acties" op http://diva.vlaanderen.be.

1.2.3 Brussels Hoofdstedelijk Gewest Zoals vermeld in [1.1.1.] gaf de 3e staatshervorming van 1988 (Bijzondere Wet van 12/1/1989) een eigen statuut aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat door de 5e staatshervorming van 2001 bijkomende bevoegdheden kreeg met dezelfde fiscale autonomie als Vlaanderen en Wallonië. Voor de ingewikkelde bestuursstructuur verwijzen we naar het schema hierbij. Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement oefent zijn gewestelijke macht uit door middel van ordonnanties (i.p.v. wetten en decreten), die 'kracht van wet' hebben; de Brusselse Hoofdstedelijke regering d.m.v. besluiten.. Voor onderwijsaangelegenheden is de Vlaamse Gemeenschapscommissie van belang. Ze heeft voor deze en andere gemeenschapsaangelegenheden de bevoegdheid van inrichtende macht. De Vlaamse Gemeenschapscommissie heeft als organen: • •

een Raad bestaande uit de leden van de Nederlandse taalgroep van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement; een College bestaande uit de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de gewestelijke staatssecretarissen die tot de Nederlandse taalgroep behoren.

Ze staat onder toezicht van de Vlaamse Gemeenschap. Het Collegelid bevoegd voor onderwijs, beroepsopleiding en begroting is Guy Vanhengel. Bevoegde administratie

Onderwijsinstellingen Voor directies en leerkrachten heeft de VGC een informatiepunt en website uitgebouwd

Vlaams Eurydice rapport 2006

Vlaamse Gemeenschapscommissie > Directie onderwijs Brussels OnderwijsPunt (BOP)

www.vgc.be/administratie/dir_onderwijs/index.asp

http://www.vgc.be/organisaties/onderwijs.asp http://bop.vgc.be/index.html

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 23


Ouders die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen kunnen – volgens het principe van de vrijheid van het gezinshoofd – kiezen of ze hun kinderen naar het Nederlandstalig of het Franstalig onderwijs sturen.

1.2.4 Provincies, steden en gemeenten Vlaanderen bestaat uit 5 provincies en 308 gemeenten; Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat 19 gemeenten.(Wallonië omvat 5 provincies en telt 262 gemeenten, waarvan 9 Duitstalige; daarnaast is ook een administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad opgericht, eveneens geleid door een gouverneur). De scholen ingericht door provincies, steden en gemeenten behoren tot het 'officieel gesubsieerd onderwijs', zie onderwijsnetten [2.3.2.]. Provincies Een provincie wordt geleid door een gouverneur, de vertegenwoordiger van het algemeen bestuur. Deze functie oefent hij uit zowel voor de federale regering als deze van gemeenschap en gewest. De wetgevende macht berust bij de provincieraad waarvan de leden voor 6 jaar zijn verkozen. De uitvoerende macht berust bij de bestendige deputatie, bestaande uit 6 leden verkozen onder de raadsleden, onder voorzitterschap van de gouverneur (die niet stemgerechtigd is). Voor de belangenbehartiging van het provinciaal onderwijs zorgt de representatieve vereniging van de inrichtende machten van het provinciaal onderwijs, 'Provinciaal Onderwijs Vlaanderen' (POV), http://www.pov.be Administraties & eventuele onderwijsinspectie: Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

Provinciale directie > Departement welzijn, onderwijs, veiligheid > Dienst onderwijs 1e directie onderwijs > Onderwijsinspectie 7° Directie/Onderwijs > PIBO pedagogische begeleiding en inspectie onderwijs Directie cultuur en onderwijs Provinciale administratie Boeverbos

http://www.provant.be http://www.limburg.be http://www.oost-vlaanderen.be http://www.vl-brabant.be http://www.west-vlaanderen.be

Steden en gemeenten Een gemeente staat onder leiding van een burgemeester. De wetgevende macht berust bij de gemeenteraad, de uitvoerende bij het college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraadsleden zijn verkozen voor een periode van 6 jaar. Voor de belangenbehartiging van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs zorgt de representatieve koepelorganisatie 'Onderwijssecretariaat van de steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap' (OVSG), http://www.ovsg.be Steden en gemeenten waren traditioneel vooral aktief in het organiseren van kleuter- en lager onderwijs. Twee steden, Antwerpen en Gent, organiseren een ruim onderwijsaanbod, onder bevoegdheid van een aparte schepen voor onderwijs en vorming, ondersteund door een specifiek departement voor onderwijs en opvoeding binnen hun administratie (in Antwerpen de bedrijfseenheid 'lerende stad') en een eigen pedagogische begeleidingsdienst. De stad Antwerpen heeft bovendien een netoverstijgende 'Onderwijsraad Antwerpen' geïnstalleerd, een officieel overleg- en adviesorgaan over onderwijs in de stad (met vertegenwoordigers van verschillende onderwijsnetten,vakbonden, gebruikers, hoger onderwijs…). Bovendien werd i.s.m. de 'Associatie van universiteit en hogescholen Antwerpen' een leerstoel 'onderwijsvernieuwing en samenwerking' gecreëerd gericht op onderwijsvernieuwing in een grootstedelijke context. Antwerpen, administratie + pedagogische begeleidingsdienst + inspectie Gent, administratie + inspectie Gent, pedagogische begeleidingsdienst

Vlaams Eurydice rapport 2006

http://onderwijs.antwerpen.be http://www.gent.be/gent/onderwijs/onderwijs/index.html http://www.pbdgent.be/

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 24


1.3. Godsdienst en onderwijs De Belgische grondwet (17 februari 1994) garandeert de scheiding van Kerk en Staat. In deze context zijn er vele sociale, culturele en onderwijsaangelegenheden georganiseerd volgens het subsidiariteitsprincipe. Dit verklaart waarom de regering in Vlaanderen geen directe invloed heeft op de opstelling van de leerplannen zelf. De regering heeft enkel een duidelijk gedefinieerd recht om deze leerplannen te controleren (zie [5.13.2.] en [9.3.4.1.]). Verder is er ook geen sprake van een 'officiële' godsdienst, ofschoon de overheid bij wet verschillende godsdiensten erkent. De 'erkende' godsdiensten zijn de katholieke, protestantse, joodse, anglicaanse, islamitische en orthodoxe godsdienst. De grondwet garandeert (art. 24) dat alle kinderen in het lager en het secundair onderwijs het recht hebben een filosofisch of godsdienstig vak (2 lesuren per week) te volgen op kosten van de overheid. De instellingen van het officieel onderwijs (gemeenschapsscholen en gesubsidieerde officiële scholen) moeten de filosofische keuze van alle ouders respecteren en bieden de keuze tussen een godsdienstig vak en een vak niet-confessionele ethiek. Er is geen overheidscontrole op de vakinhoud voor deze lessen (zolang ze de democratische principes van de samenleving niet in het gedrang brengen) (zie [9.4.7.2.]). In gesubsidieerde vrije scholen bestaat dergelijke keuze niet. De meerderheid van deze scholen zijn katholiek geïnspireerd. Protestantse en joodse scholen vormen een minderheid. Een speciale regeling is voorzien voor scholen georganiseerd op basis van 'alternatieve' onderwijsbenaderingen zoals deze ontwikkeld door Steiner en Freinet (zie [2.3.2]).

1.4. Talen De enige officiële taal van de Vlaamse Gemeenschap is het Nederlands, dat dus ook de onderwijstaal is. Veel Vlamingen hebben een goede communicatieve kennis van ten minste één of twee andere Europese talen (Engels, Frans, Duits,...). Officieel zijn er geen wettelijk erkende minderheidstalen in Vlaanderen met uitzondering van het Frans in sommige gemeenten langs de taalgrens met taalfaciliteiten. Frans wordt aangeleerd als tweede taal vanaf het vijfde jaar van het lager onderwijs (in de Brusselse regio gebeurt dit vanaf het derde jaar van het lager onderwijs). Engels wordt aangeleerd vanaf het secundair onderwijs. Afhankelijk van de genomen onderwijskundige opties kunnen andere talen op school worden aangeleerd. Zie Wet houdende taalregeling in het onderwijs van 30 juli 1963. De talen gesproken door migranten zijn wettelijk niet erkend als minderheidstalen. Niettemin heeft men een speciaal beleid ontwikkeld binnen het onderwijssysteem om gelijke leermogelijkheden te bieden, vooral voor migrantenkinderen die onder de leerplicht vallen. In paragraaf [10.5.] wordt het gelijke onderwijskansendecreet (GOK-I) dat op 28 juni 2002 werd goedgekeurd door de Vlaamse regering toegelicht en in paragraaf [10.7.] wordt ingegaan op de opvang van anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse onderwijs.

1.5. Demografische indicatoren Vlaanderen is een bijzonder dichtbevolkte regio, waarvan het aantal inwoners over de laatste 100 jaar verdubbeld is. De geürbaniseerde zones overwegen duidelijk in Vlaanderen, waarbij de dichtste bevolkingsconcentraties zich in het centrum bevinden, binnen de ruit gevormd door Antwerpen, Leuven, Brussel en Gent.

VLAAMSE GEWEST

WAALSE GEWEST (incl. Duits. Gem.)

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

RIJK

6.043.161 1352225

3.395.942 1684428

1.006.749 16138

10.445.852 3052791

Telling 1/12005 aantal inwoners oppervlakte bevolkingsdichtheid

447

202

6.253

342

aantal vreemdelingen

297.289

308.362

265.211

870.862

% vreemdelingen t.o.v. bevolkingstotaal

4,92

9,08

26,34

8,34

(APS, 2005)

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 25


In het Vlaamse Gewest maken niet-Belgen 4,9% (in 2005) van de populatie uit. Daarvan is 30,5 % Nederlander, 9,2% Marokkaan, 8% Italiaan, 6,8% Turk (APS, 2005). De laatste jaren werd Vlaanderen, net als de rest van Europa, geconfronteerd met het probleem van de toenemende veroudering van haar bevolking. evolutie bevolkingsstructuur 1990-2050 Bevolking op 1 januari van het jaar Leeftijdsgroep

1990

2000

2001

2002

Vooruitzichten op 31/12 van het jaar 2003

2004

2009

2015

0-19

1.413.368

1.369.264

1.359.547

1.351.286

1.345.685

1.338.871

1.309.387

1.256.249

20-39

1.782.520

1.676.627

1.659.164

1.643.421

1.627.796

1.583.375

1.508.318

1.493.678

40-59

1.412.454

1.577.593

1.607.213

1.646.413

1.681.446

1.727.703

1.770.575

1.738.859

60-79

941.637

1.114.883

1.114.353

1.108.289

1.107.464

1.116.283

1.180.634

1.271.404

80+

189.757

201.884

212.275

223.372

233.162

255.541

302.437

352.442

5.739.736

5.940.251

5.952.552

5.972.781

5.995.553

6.021.773

6.071.351

6.112.632

TOTAAL

2004 geboortecijfer % sterftecijfer %

Vlaamse Gewest

Waalse BrusselsHoofdstedelijk Gewest Gewest

10,3

11,2

15,1

9,3

10,6

9,8

Er zijn drie Vlaamse steden met meer dan 100.000 inwoners: Antwerpen (457.749 inwoners), Gent (230.951 inwoners) en Brugge (117.327 inwoners). Gemiddeld is er een dorp om de vijf kilometer, en een stad elke twintig kilometer. Ongeveer de helft van de bevolking leeft in urbane of sub-urbane zones. Bijna 25% van de totale oppervlakte van Vlaanderen zijn bebouwde gronden en terreinen, waarvan 10,5% woongebied (APS 2005). Cijfers afkomstig van de Administratie Planning en Statistiek (APS), zie: http://aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/stat_cijfers_demografie.htm

1.6. Economische indicatoren In onderstaande paragrafen komt de economische toestand in Vlaanderen en actieve bevolking op de arbeidsmarkt aan bod.

1.6.1. Economische toestand van Vlaanderen Een groeiende en beter presterende economie is één van de beleidseffecten die de Vlaamse regering wil bereiken. Een indicator hiervoor is het Bruto Binnenlands Product of BBP. De drijvende kracht achter het Vlaamse economische gebeuren zijn voor een groot stuk de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (KMO's), die vaak in de toeleveringssector actief zijn en verantwoordelijk zijn voor minstens 40% van de werkgelegenheid in die sector. Slechts 1,3% van het Vlaamse BBP wordt geleverd door de landbouwsector. Dit aandeel vermindert voortdurend, net zoals in andere geïndustrialiseerde landen. De belangrijkste sectoren zijn de staalproductie, die bijna 10% bijdraagt tot het BBP, de chemische sector (ongeveer 5%) en de textielsector. De handels- en dienstensector vertegenwoordigen samen ongeveer 60% van het BBP.

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 26


Evolutie van het Bruto Binnenlands Product tegen marktprijzen (constante prijzen van 1995) 160.000.000

140.000.000

120.000.000

duizend euro

100.000.000

80.000.000

60.000.000

40.000.000

20.000.000

0 1975 1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 tijd Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Gewest

De Vlaamse economie is zeer 'open'.

Evolutie van de uitvoer van goederen per gewest, 1993-2002 180.000 166.634,4 160.000

160.317,9 154.423,1

140.000 128.740,4 122.733,7

120.000

miljoen euro

110.357,0 100.000 96.671,2 90.383,9 80.000

81.921,2 73.715,5

60.000

40.000

20.000

29.089,6 15.359,7

17.497,0

18.162,5

20.142,3

24.008,1

30.652,1

18.077,3 19.741,5

8.722,2

12.964,5

11.252,0

10.412,7

9.693,6

30.527,3

23.906,2

13.768,5

20.525,1

18.826,3

15.000,1

0 1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002*

tijd Vlaams Gewest**

Vlaams Eurydice rapport 2006

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 27


1.6.2. De Vlaamse actieve bevolking Werkzaamheidsgraad van de bevolking van 15 tot 64 jaar (Belgische nationaliteit) in 2003

Vlaamse Gewest Brussels Hoofdst. Gewest BelgiĂŤ EU15

mannen vrouwen totaal 71,2 56,0 63,7 60,2 51,0 55,6 68,1 53,2 60,7 73,7 59,2 66,5

(APS 2005, NIS, bewerking Steunpunt WAV, jaarboek 2004)

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 28


Evolutie werkloosheid in Vlaanderen (bron: VDAB 2006)

1.7. Statistieken 1.7.1 Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-64 jaar), in % hoogst behaalde diploma

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1996

1994

1992

1990

maximaal lager secundair

37,5

37,8

39,0

40,4

42,3

42,3

45,0

49,5

54,2

60,6

hoger secundair

34,1

34,3

33,4

33,0

32,5

33,1

31,0

28,9

26,5

22,4

hoger niet-universitair

16,7

15,9

15,4

15,3

14,0

13,5

14,0

12,4

11,3

9,0

universitair niveau

11,7

12,0

12,2

11,3

11,2

11,2

9,0

9,2

8,0

8,0

1.7.2 Scholingsgraad van de bevolking van het Vlaamse Gewest (25-34 jaar), in % hoogst behaalde diploma

2003

2002

2000

1999

1998

1996

1994

1992

1990

maximaal lager secundair

19,6

19,4

21,0

24,0

23,4

26,5

31,4

37,7

45,0

hoger secundair

41,1

42,1

42,0

41,7

42,0

40,3

38,2

35,0

30,5

hoger niet-universitair

21,7

21,1

20,0

18,7

18,2

19,9

17,7

16,2

13,0

universitair niveau

17,6

17,5

17,0

15,6

16,4

13,3

12,8

11,1

11,5

bron : http://aps.vlaanderen.be

Vlaams Eurydice rapport 2006

1 Pol. , soc., econ. achtergrond / 29


2. ALGEMENE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJSSYSTEEM Na een bondig historisch overzicht (zie [2.1.]) dat hier beperkt wordt tot de vrijheid van onderwijs en actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen (zie [2.2.]) behandelen we: • • • • • •

de fundamentele principes, zie [2.3.] de algemene structuur en beslissingsmomenten in het onderwijs, zie [2.4.] de leerplicht, zie [2.5.] het beheer, zie [2.6.] de participatie- en overlegstructuren, zie [2.7.] de financiering, zie [2.8.]

2.1. Historisch overzicht Een historisch perspectief op het Vlaamse onderwijsbeleid leert dat de vrijheid van onderwijs voortdurend één van de meest centrale thema's geweest is. De vrijheid van onderwijs is opgenomen in de grondwet sinds het prille begin van de Belgische Staat en is het voorwerp geweest van vele conflicten en strijd, de zogenaamde 'schoolstrijd'. Dit vormt een niet onbeduidend deel van de culturele en politieke geschiedenis van België, zowel in de 19de eeuw, met grote opwellingen rond 1850 en 1879, als in de 20ste eeuw, vooral vanaf 1951. Deze honderdjarige periode van confrontatie eindigde bij het ondertekenen van het zogenaamde Schoolpact op 6 november 1958. Krachtens het principe van de vrije schoolkeuze mag de organisatie van onderwijsinrichtingen niet onderworpen worden aan enige beperkende maatregel. Nochtans moeten scholen die wensen erkende diploma's uit te reiken en overheidssubsidies te ontvangen, voldoen aan de wettelijke en statutaire voorschriften. Sinds het sluiten van het Schoolpact vormt de Schoolpactwet van 29 mei 1959 het fundament voor de organisatie van alle onderwijsinrichtingen (met uitzondering van de universiteiten) in een onderwijssysteem, gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid. Om de uitvoering van het pact te volgen werd een Permanente (politieke) Commissie opgericht. Deze periode van een nationaal Schoolpact werd definitief afgesloten bij de communautarisering van het onderwijs door de basisprincipes in te schrijven in artikel 24 van de grondwet, gewijzigd op 15 Juli 1988. Andere artikels (art. 127 § 1.2 en art. 142) kennen de verantwoordelijkheid voor het doen eerbiedigen van die onderwijsvrijheid voortaan toe aan de Gemeenschappen en niet meer de federale overheid en geven alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen de waarborg dat ze op een gelijke behandeling kunnen rekenen.. Referenties • • •

Jan De Groof, De schoolpactwet: coördinatie en annotatie. Kluwer, 1996 Jan De Groof, De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs: de schoolvrede en zijn toepassing. Story Scientia, 1989 Els Witte, Jan De Groof, Jeffrey Tyssens, Het schoolpact van 1958: ontstaan, grondlijnen en toepassing van een Belgisch compromis, Garant, 1999

Meer specifieke historieken vindt men in: • • • • • • • • • •

Kleuteronderwijs, zie [3.1.] Lager onderwijs, zie [4.1.] Secundair onderwijs, zie [5.1.] Hoger onderwijs, zie [6.1.] Permanente vorming, zie [7.1.] Lerarenopleiding, zie [8.1.1.] Arbeidsvoorwaarden personeel, zie [8.2.1.] Evaluatie, zie [9.1.] Onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsproblemen, zie [10.1.] Europese en internationale dimensie, zie [11.1.]

2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Een goed zicht op de actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen krijgt men in de beleidsnota's van de minister en het jaarverslag van de VLOR, Vlaamse Onderwijsraad. Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/ http://www.vlor.be/

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 31


Op de agenda staan inz. volgende thema's. • Gelijkeonderwijskansenbeleid, o Lokaal onderwijsbeleid in de centrumsteden o Uitvoering strategisch plan geletterdheid o Netoverschrijdend leerlingenvervoer o Tegengaan schoolmoeheid, spijbelen en schoolverzuim o Onderwijskansen voor jongeren met gedrags- en emotionele problemen • Verbeteren aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt o Overkoepelende opleidingstructuur beroepsgericht onderwijs – centra voor leren en werken o Stimulering werkplekleren • Inzake financiering onderwijs o Kosteloosheid basisonderwijs; verlaging kostprijs onderwijs voor ouders o Nieuw financieringssysteem leerplichtonderwijs, volwassenenonderwijs, hoger onderwijs o Inhaaloperatie investering in schoolinfrastructuur • Beleidsvoerend vermogen verhogen o Verdere professionalisering schoolleiding en leerkrachten o Vermindering planlast en vereenvoudiging regelgeving o Gebruik van zelfevaluatiesystemen • Onderwijsverbreding en verdieping o Ondersteuning onderwijsvernieuwing door proeftuinen o Herziening eindtermen en ontwikkelingsdoelen o Overgang van HOSP naar hogescholen o Verdere ontwikkeling kwalificaties, valorisatie competenties o Implementatie van flexibilisering leertrajecten o Voorrangsbeleid Brussel • Geplande decreten o Nieuw basisdecreet hoger onderwijs o Decreet volwassenenonderwijs o Decreet lerarenopleiding o Decreet buitengewoon onderwijs en opvang jongeren met speciale behoeften in gewoon onderwijs – onderwijszorgcontinuüm

2.3. Fundamentele principes en wetgeving We behandelen hier: • • • • •

De vrijheid van onderwijs, zie [2.3.1.] De onderwijsnetten en onderwijskoepelorganisaties, zie [2.3.2.] De wettelijke voorschriften voor gesubsidieerde scholen, zie [2.3.3.] De vrijheid van onderwijsmethoden en pedagogisch project, zie [2.3.4.] De eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen, zie [2.3.5.]

2.3.1. Vrijheid van onderwijs De vrijheid van onderwijs omvat een dubbele vrijheid: • •

de zgn. pedagogische vrijheid tot het organiseren van onderwijs en daarvoor instellingen op te richten (vandaar ook de belangrijke begrippen 'inrichtende machten' (zie [2.3.1.1.]), 'onderwijsnetten' (zie [2.3.2.]) en pedagogisch project (zie [2.3.4.]); de vrijheid van schoolkeuze voor leerlingenen hun ouders (zie [2.3.1.2.])

2.3.1.1. Vrijheid van inrichting van onderwijs Centraal in de Belgische onderwijswetgeving staat de Belgische grondwet (herziening 17 februari 1994) waarin de 'vrijheid van onderwijs' gegarandeerd wordt (art. 24). Deze houdt onder meer de zogenaamde 'pedagogische vrijheid' in. Dat betekent dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht heeft onderwijs te organiseren en daarvoor instellingen op te richten. De schoolpactwet van 29 mei 1959 gaf de overheid niet alleen de bevoegdheid om kleuter-, lager-, secundair en hoger onderwijs in te richten en te organiseren. De Staat (nu de Gemeenschap) moet ook onderwijsinstellingen subsidiëren die niet door de Gemeenschap zelf ingericht worden. Tenminste indien deze voldoen aan de wettelijke en statutaire normen met betrekking tot de organisatie van onderwijs en de toepassing van de taalwetgeving. Dit alles vooral met de bedoeling om de vrije schoolkeuze van de ouders te garanderen. Het

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 32


principe van 'pedagogische vrijheid' in het Vlaamse (en Belgische) onderwijsbeleid regelt in zeer grote mate de relaties tussen en de verantwoordelijkheden van de verschillende partners in het onderwijsbeleid (het ministerie, de inrichtende machten, de officiële en niet-officiële scholen,....). Inzake 'pedagogische vrijheid' is 'inrichtende macht' een fundamenteel basisbegrip in het Belgisch onderwijssysteem; inrichtende macht wordt op de volgende wijze gedefinieerd (wet van 29 mei 1959. art. 2): ''De inrichtende macht van een onderwijsinrichting zijn de overheid, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon of personen, die er verantwoordelijkheid voor op zich nemen''. In het Decreet Basisonderwijs (25 februari 1997) werd het begrip 'schoolbestuur' geïntroduceerd als een synoniem voor 'inrichtende macht'. De afspraken van het Schoolpact beoogden in essentie dat het onderwijs dat niet werd georganiseerd door de Staat - dus hoofdzakelijk het vrije (katholiek) onderwijs - een zekere vorm van overheidscontrole zou aanvaarden in ruil voor een gedeeltelijke subsidiëring, maar dat elke inrichtende macht het recht zou hebben om in complete autonomie datgene uit te oefenen wat de 'pedagogische vrijheid' wordt genoemd. Deze vrijheid werd gedefinieerd en geregeld door artikel 6 van de wet van 29 mei 1959 op het Schoolpact: ''Op voorwaarde dat een wettelijk bepaald minimumleerplan en minimumlessenrooster in acht worden genomen, beschikt elke inrichtende macht over de vrijheid voor haar onderwijsnet en zelfs voor elke onderwijsinrichting de lesroosters vast te stellen en, onder voorbehoud, van goedkeuring door de minister, met het oog op het waarborgen van het studiepeil, haar leerplannen op te stellen. Elke inrichtende macht kiest vrij haar pedagogische methodes'' (zie [2.3.4.]). De inrichtende machten beschikken dus over een ruime autonomie. 2.3.1.2. Vrijheid van schoolkeuze en inschrijvingsrecht Naast de 'pedagogische vrijheid' (zie paragraaf [2.3.1.1.] ) is er de vrije schoolkeuze. Ook deze wordt door de grondwet gegarandeerd. Ouders en hun kinderen moeten over een school van hun keuze kunnen beschikken op een redelijke afstand van de woonplaats. Het recht van de leerling of zijn ouders op een inschrijving in de school van eigen keuze wordt in het decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I (decreet van 28 juni 2002) decretaal sterk verankerd. Met dit principieel inschrijvingsrecht gaat een aanvaardingsplicht van de school gepaard. Dit betekent dat elke leerling die voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden (inzake leeftijd en bekwaamheid) recht heeft op inschrijving in de door de ouders (in samenspraak met de leerling als die leerling 12 jaar of ouder is) gekozen school. Dit recht moet toelaten dat alle leerlingen en ouders in deze pluralistische maatschappij onbelemmerd onderwijs kunnen kiezen binnen een waaier van pedagogische projecten. De ouders en leerling worden geïnformeerd over het pedagogisch project en het schoolreglement (die de internationaalrechtelijke en grondwettelijkebeginselen inzake de rechten van de mens en van het kind eerbiedigen). Indien de ouders niet instemmen met dit project of het schoolreglement dan zal de inschrijving niet worden aanvaard. Een school kan slechts 2 redenen tot weigering inroepen:

• •

wanneer een bijkomende inschrijving omwille van materiële omstandigheden de veiligheid van de leerlingen in het gedrang brengt; wanneer de betrokken leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten in de school.

Indien de ouders niet akkoord zijn met de motivatie tot weigering van de school kunnen zij klacht indienen bij de 'Commissie inzake leerlingenrechten' (opgericht door het Besluit van 27/09/02). Indien een weigering niet of niet afdoende (b.v. indien er later wel nog bijkomende inschrijvingen worden genomen) werd gemotiveerd, dan kunnen er maatregelen worden genomen tegen de school. De Commissie behandelt ook alle doorverwijzingen waarvoor er binnen het lokale overlegplatform geen oplossing werd gevonden. Een inrichtende macht kan ook bij inschrijving elke bijkomende leerling waarvan de thuistaal niet of – afhankelijk van het geval – wél het Nederlands is, doorverwijzen om de vooropgestelde verhouding tussen beide leerlingengroepen te waarborgen. Er worden wel verschillende voorwaarden gesteld voor de doorverwijzing in verband met het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands binnen de school en de relatieve aanwezigheid van de doelgroep die ten minste 20% moet bedragen en hoger moet zijn dan de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied waarin de school ligt. Daarnaast kan de school ook oordelen dat de draagkracht onvoldoende is om een leerling met een zware handicap optimaal te kunnen ondersteunen. In dergelijk geval kan de leerling worden doorverwezen. Alle doorverwijzingen worden behandeld door de 'lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen' (zie hoofdstuk [10.] )

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 33


2.3.2. Onderwijsnetten en onderwijskoepelorganisaties De strijd voor de vrijheid van inrichting van onderwijs werd bepaald door de verzuilde uitbouw van het onderwijs. Voor de groepering van scholen wordt vaak het begrip onderwijsnet gebruikt. Traditioneel denkt men dan aan drie grote netten, met name • • •

het katholiek onderwijs, georganiseerd door een groot aantal katholieke inrichtende machten (bisdom, kloosterorde, e.a.) het gemeenschapsonderwijs (het vroegere rijksonderwijs), georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap (vroeger het 'rijk' of de Belgische Staat); het gemeentelijk en provinciaal onderwijs, georganiseerd door steden, gemeenten en provincies.

Het begrip wordt echter niet eenduidig omschreven in de wetgeving en dekt soms verschillende groeperingen. Op basis van het Schoolpact en de schoolpactwetgeving worden daarnaast andere indelingen gehanteerd. Naar soort inrichtende macht onderscheidt men: • •

officiële scholen opgericht door openbare besturen (gemeenschap, provincies, steden, gemeenten of andere publiekrechtelijke personen) vrije scholen niet opgericht door openbare besturen of publiekrechtelijke personen.

Naar wijze van financiering onderscheidt men: • •

het gemeenschapsonderwijs dat rechtstreeks en volledig gefinancierd wordt door de Vlaamse Gemeenschap; het gesubsidieerd onderwijs dat subsidies ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap (weddentoelagen, werkings- en uitrustingstoelagen, en toelagen voor gebouwen) (zie [2.8.4.]) mits het voldoet aan programmatie-en rationalisatienormen (zie [2.8.5.]) en bepaalde erkenningsvoorwaarden.

De combinatie van beide criteria levert dan de gebruikelijke 3-deling op: • • •

gemeenschapsonderwijs gesubsidieerd vrij onderwijs (katholiek onderwijs, protestants onderwijs, joods onderwijs, nietconfessioneel onderwijs, onafhankelijke methodescholen) gesubsidieerd officieel onderwijs (voornamelijk georganiseerd door steden, gemeenten en provincies)

Naar karakter levensbeschouwelijke vorming onderscheidt men: • • • •

confessionele scholen die een vorming op godsdienstige basis aanbieden (katholiek onderwijs, protestants onderwijs, joods onderwijs); neutrale scholen die middels een vak levensbeschouwelijke vorming de keuze aanbieden tussen onderricht in één van de erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer; niet-confessionele (vrijzinnige) scholen die enkel niet-confessionele zedenleer aanbieden; methodescholen die verschillen volgens hun pedagogisch project.

Een zeer kleine minderheid van scholen is niet gemachtigd om officieel erkende bekwaamheidsbewijzen of diploma's uit te reiken, daar zij de hierboven bedoelde wettelijke voorschriften niet aanvaarden. Zij worden 'vrije scholen' genoemd en kunnen niet gefinancierd of gesubsidieerd worden door de overheid. Met het oog op belangenbehartiging, ondersteuning en participatie in overlegstructuren werden representatieve verenigingen of koepelorganisaties gecreëerd. Zie [2.6.2.]. Net Gemeenschapsonderwijs Vrij gesubsidieerd onderwijs Provinciaal onderwijs Gemeentelijk onderwijs

Vlaams Eurydice rapport 2006

Aantal leerlingen in basis- en secundair onderwijs in schooljaar 2004-2005 (Bron: Statistisch jaarboek) 168.136 757.258 15.011 166.136

2 Algemene organisatie / 34


2.3.3. Wettelijke voorzieningen voor gesubsidieerde scholen De intenties uitgedrukt in artikel 6 van de Schoolpactwet (29 mei 1959), zoals gewijzigd (Decreet van 24 juli 1996 (b)), zijn gespecificeerd in artikel 24 § 2. Dit artikel stipuleert dat "Een school of een deel van een onderwijsinstelling voor kleuter-, lager-, secundair en hoger onderwijs wordt gesubsidieerd wanneer voldaan wordt aan de wettelijke en statutaire voorschriften met betrekking tot de organisatie van onderwijs en de toepassing van de taalwetgeving". Meer bepaald moet, volgens art. 24 § 2 van de Schoolpactwet van 29 mei 1959 (zoals gewijzigd), aan 10 criteria worden voldaan: • • • • • • • • • • •

•

een structuur aannemen vastgelegd door of krachtens een wet of decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen; een leerplan eerbiedigen, dat overeenstemt met de wettelijke voorschriften of dat door de Minister van Onderwijs is goedgekeurd; zich aan controle en inspectie door de overheid onderwerpen. Deze inspectie heeft in het bijzonder betrekking op de onderwezen vakken, het peil der studiën en de toepassing van taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes; ingericht zijn door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die de gehele verantwoordelijkheid ervoor op zich neemt; per klas, afdeling, graad of andere onderverdeling het minimum aantal leerlingen tellen, bepaald bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, behoudens een door de Minister van Openbaar Onderwijs verleende vrijstelling met het oog op bijzondere en exceptionele omstandigheden; gevestigd zijn in lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen; beschikken over didactisch materieel en een schooluitrusting die beantwoorden aan de pedagogische vereisten; beschikken over een personeel waarvan de gezondheidstoestand die van de leerlingen niet in gevaar brengt en onderworpen is aan controle; zich onderwerpen aan de wettelijk vastgelegde verlofregeling; deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door de inrichtende macht gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden; voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren.

2.3.4. Onderwijsmethoden en 'pedagogisch project' Inzake onderwijsmethoden of het pedagogisch project zijn de verschillende onderwijsnetten en de scholen in grote mate autonoom. Elk schoolbestuur inrichtende macht definieert autonoom zijn pedagogisch project of opdrachtverklaring. Overheidscontrole is dus uitgesloten zolang de projecten niet in contradictie zijn met de democratische principes die de Belgische staat schragen. Dit is de reden waarom de verschillende onderwijsnetten en scholen hun pedagogische projecten gedetailleerd hebben uitgewerkt, uitgeschreven en gepubliceerd. • •

Het gemeenschapsonderwijs heeft het 'Pedagogisch project van het Gemeenschapsonderwijs' gepubliceerd op 1 september 1989. Het Katholieke Onderwijs publiceert op zijn beurt regelmatig gedetailleerde documenten waarin het eigen pedagogisch project wordt uitgelegd.

Met respect voor de wettelijke en statutaire voorschriften mag elke inrichtende macht zijn eigen programma's, onderwijsmethoden (de beoordeling van leerlingen inbegrepen) en zijn eigen organisatie bepalen, onder het toezicht van een team van inspecteurs en verificateurs. Tegenwoordig hebben de meeste scholen hun eigen pedagogisch project.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 35


Methodescholen kunnen ingedeeld worden volgens hun specifieke pedagogisch project.

Ervaringsgericht onderwijs Freinet Jenaplan Leefschool Montessori Steiner Ervaringsgericht onderwijs Freinet Jenaplan Leefschool Montesori Steiner basis- en secundaire methodescholen van het Gemeenschapsonderwijs FOPEM, Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen

Aantal vestigingsplaatsen Totaal Gemeentelijk ond 13 2 49 15 2 2 24 0 3 0 18 0

gemeenschapsond 1 23 0 22 0 0

Vrij ond 10 11 0 2 3 18

http://www.debuurt.be http://www.freinetbewegingvlaanderen.be en http://www.freinetherentals.be/deschool/schoolcultuur_invarianten.html http://www.jenaplan.be en http://www.bsdejenaplaneet.be/schoolfilosofie/pijlersWerk.htm http://schoolweb.rago.be/bs/kruibeke/woll/leef.html http://www.schooltjevanoppem.be http://www.steinerscholen.be http://www.andereschool.be.

http://users.skynet.be/fopem

2.3.5. Eindtermen en leerplannen Een belangrijk principe in het Vlaamse onderwijs is het gebruik van eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Eindtermen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie (decreet 4 februari 2003). In eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt omschreven welke kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes de samenleving noodzakelijk of wenselijk acht voor leerlingen op verscheiden onderwijsniveaus. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden aldus door de overheid gehanteerd als middel om aan kwaliteitsbewaking te doen. Ze zullen duidelijk aanwezig zijn in de leerplannen, de werkplannen en de leerboeken die de scholen gebruiken. Zie [3.10.], [4.10.], [5.13.], [9.3.2.]. Het kleuteronderwijs is geen verplicht onderwijs. Niet alle kleuters stappen de school binnen op dezelfde leeftijd. Ze ontwikkelen zich ieder op hun eigen tempo. In het kleuteronderwijs wordt daarom gesproken over ontwikkelingsdoelen en niet over eindtermen. Kleuters krijgen alle ontwikkelingsdoelen aangeboden, maar het is niet strikt vereist dat ze die bij het instappen in de lagere school ook allemaal bereikt hebben. Ontwikkelingsdoelen worden dus nagestreefd. In het lager onderwijs begint de leerplicht. Voor de eindtermen hier en in het secundair onderwijs, zie resp. [4.10.] en [5.13.]. De ontwikkelingsdoelen en eindtermen zeggen wel wat de leerlingen minimaal moeten kennen en kunnen, maar geven niet aan hoe dit moet gebeuren. De scholen zijn hierin volledig vrij. Er kunnen dus verschillen zijn in aanpak. Zo is er ruimte voor verscheidenheid. Dat blijkt uit de verscheidenheid van leerplannen die in Vlaamse scholen gehanteerd worden. De vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen moeten herkenbaar in de leerplannen worden verwerkt. Een leerplan is een document dat de essentiële gegevens bevat voor de concrete onderwijspraktijk. Het is afgestemd op een welomschreven leerlingengroep en het somt de algemene en specifieke doelstellingen en aansluitende leerinhouden op voor één of meer vakken of vakgebieden. Bovendien geeft het wenken voor de didactische aanpak en verschaft het gegevens die nuttig zijn voor de realisatie van het leerplan. De onderwijsinspectie beoordeelt het leerplan op basis van vastgelegde criteria en adviseert de minister van onderwijs met betrekking tot de goedkeuring. Voor zover er reeds eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het niveau in kwestie zijn opgesteld, gaat de inspectie na of de leerplannen daaraan beantwoorden.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 36


Het leerplan wordt ontwikkeld door de inrichtende macht of door de overkoepelende onderwijsorganisatie van de school (zie [2.3.2.]). De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over.

2.4. Algemene structuur van en beslissingsmomenten in het onderwijs Het Vlaamse onderwijssysteem bevat basisonderwijs BaO, secundair onderwijs (SO) en hoger onderwijs (HO). • • •

Het basisonderwijs BaO omvat het kleuteronderwijs (2,5 tot 6 jaar) en het lager onderwijs (6 tot 12 jaar). Hoewel beide structureel gezien los van elkaar staan, tracht men tussen beide een vloeiende overgang te realiseren. Het secundair onderwijs is bedoeld voor jongeren van 12 tot 18 jaar. Er wordt vanaf het tweede jaar een onderscheid gemaakt tussen het algemeen secundair onderwijs (ASO), technisch secundair onderwijs (TSO), beroepssecundair onderwijs (BSO) en kunstsecundair onderwijs (KSO). Het hoger onderwijs wordt verzorgd door enerzijds de hogescholen en anderzijds door universiteiten.

In het algemeen kan worden gezegd dat er sprake is van drie beslissende momenten in de onderwijscarrière van leerlingen. •

• •

Na de lagere school (12 jaar) moeten de leerlingen een secundaire school kiezen. Ofschoon in theorie de eerste graad van het secundair onderwijs gericht is op een gemeenschappelijke basisvorming, weerspiegelen de aangeboden optiemogelijkheden al de keuzes die moeten worden gemaakt na de eerste graad. Na het tweede jaar van het secundair onderwijs moeten ze kiezen tussen algemeen vormend, kunst-, technisch of beroepssecundair onderwijs. Het derde moment ligt natuurlijk in de overgang van secundair naar hoger onderwijs.

2.5. Leerplicht We geven hier achtereenvolgens: • • •

historiek, zie [2.5.1.] actuele toestand, zie [2.5.2.] controle, zie [2.5.3.]

2.5.1. Historisch overzicht Officieel is er in België sprake van een 'leerplicht' en niet van een 'schoolplicht'. De wet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou worden verhoogd tot 13 en vervolgens tot 14 jaar. Deze wet, goedgekeurd na een 'gepassioneerd debat', is echter niet toegepast tot na de Eerste Wereldoorlog, in het jaar 1919. In 1953 werd er door de regering een wetsvoorstel geïntroduceerd dat de leerplicht verlengde tot de leeftijd van 15 jaar. Vervolgens zijn tijdens de jaren '70 verscheidene andere wetsvoorstellen geïntroduceerd met de bedoeling de leerplicht tot 16 jaar te verlengen. De aanleiding hiertoe waren studies die een verband tussen onderwijsniveau en werkloosheid aantoonden. In 1983 werd de verlenging wettelijk vastgelegd. De wet op de leerplicht heeft echter geen einde gemaakt aan het debat in het Vlaamse onderwijsbeleid omtrent de wettelijk aanvaarde leeftijd van schoolverlaten. Zie: Dirk De Ceulaer, De verlenging van de leerplicht: veertig jaar Belgische onderwijspolitiek. Studia paedagogica 10, Universitaire Pers Leuven, 1990

2.5.2. Actuele wetgeving De wet van 29 juni 1983 schrijft voor dat minderjarigen, zowel Belgen als allochtonen, onderworpen zijn aan de leerplicht voor een periode van 12 jaar, startend vanaf het schooljaar waarin het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt en eindigend op het einde van het schooljaar waarin de jongere 18 jaar wordt (Dewaele, e.a., 1985; TORB, 1995). Een omzendbrief in 2002 heeft duidelijk gemaakt dat de leerplicht stopt op de 18e verjaardag. Wie 18 jaar en dus burgerlijk meerderjarig is, kan niet worden verplicht tot het einde van het schooljaar de lessen te volgen. In het kalenderjaar waarin een leerling de leeftijd van 18 jaar bereikt, eindigt de leerplicht hetzij op 30 juni (einde schooljaar) voor leerlingen die reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, hetzij op de dag van

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 37


de 18e verjaardag zelf. (dep. Ond. omzendbrief SO 68 – 1/3/2000). Wel vraagt de omzendbrief dat de scholen hun uiterste best doen om de leerlingen te overtuigen het schooljaar te vervolmaken, ook al zijn ze reeds 18 jaar geworden. De leerplicht is voltijds tot de leeftijd van 15 of 16 jaar, afhankelijk van het individuele geval; de periode van leerplicht beslaat het lager onderwijs (6 of 7 jaren, afhankelijk van de nood van het kind of zelfs 8 jaren in uitzonderlijke gevallen) en tenminste de eerste twee jaren van het voltijds secundair onderwijs. De voltijdse leerplicht gaat nooit verder dan de leeftijd van 16 jaar.. Voor het schooljaar 2005-2006 bijvoorbeeld, moeten leerlingen die na 1 januari 1988 geboren zijn, ten minste de eerste twee jaren van het voltijds secundair onderwijs hebben gevolgd en met succes hebben afgesloten. • • •

Indien zij de eerste twee jaren hebben gevolgd en geslaagd zijn dan kunnen zij, indien ze dat willen, het voltijds onderwijs verlaten wanneer ze de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt. Hebben ze de eerste twee jaren niet met succes afgesloten, dan mogen ze enkel het voltijds onderwijs verlaten wanneer ze 16 jaar worden. In beide gevallen moeten ze deeltijds onderwijs volgen dat bestaat uit minstens 360 uren per jaar tot 30 juni van het jaar van hun 16de verjaardag, en tenminste 240 uren per jaar tot 30 juni van het jaar van hun 18de verjaardag.

Aan de vereisten van de deeltijdse leerplicht kan ook worden voldaan door verder voltijds onderwijs te blijven volgen of door een deeltijds programma te volgen in een centrum dat daarvoor is opgericht, of door een erkende opleidingscursus te volgen die voldoet aan de vereisten van de leerplicht. 'Erkende opleidingscursussen' zijn deze die in artikel 2 van de leerplichtwet worden gedefinieerd. Dit zijn bijvoorbeeld de opleidingscursussen die gegeven worden door SYNTRA-Vlaanderen. Jongeren kunnen ook aan de vereiste van de leerplicht voldoen via huisonderwijs (zie [4.17.1.]). Hieronder wordt zowel het onderwijs verstrekt in particulier verband als het onderwijs in een privé-school verstaan. Ook zelfstudie komt voor huisonderwijs in aanmerking. Het 'huisonderwijs' (niet te verwarren met 'onderwijs aan huis', zie [4.17.2.2.] en [4.17.2.3.]) is vastgelegd in het Decreet betreffende het onderwijs-XIV van 14 februari 2003. Ouders die kiezen voor huisonderwijs, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan volgende minimumeisen : • •

het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene; het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen. (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, art. 26 bis)

De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen zoals beschreven. Huisonderwijs geeft echter nooit recht op erkende studiebewijzen. Men dient examen af te leggen voor de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, wil men een erkend diploma behalen. Het volgen van huisonderwijs is eerder uitzonderlijk in Vlaanderen. De meeste jongeren gaan naar school. Zie ook 'Rapport leerplicht 2004-2005': http://www.ond.vlaanderen.be/secundair/rapportleerplicht.htm

2.5.3. Controle op de leerplicht Bij Besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997, is er een controlesysteem opgezet met een speciale verantwoordelijkheid voor de schooldirecteur. Het maakt gebruik van de dossiernummers die worden toegewezen aan elke burger vanaf zijn geboorte. Het dossiernummer van ingeschreven leerlingen kan makkelijk worden vergeleken met dat van alle jonge Belgen in het Rijksregister. Met het koninklijk besluit van 7 juli 2002 kan het departement Onderwijs voortaan ook het rijksregisternummer gebruiken om controle uit te oefenen op inschrijvingen en geregeld schoolbezoek, rationalisatie van bestaande gegevensopvragingen en follow-up van studie- en schoolloopbaan van een leerling uitvoeren (B.S. 17/09/2002). Ouders van leerlingen zijn verantwoordelijk voor de inschrijving van hun kinderen. Wanneer de administratie heeft opgemerkt dat een kind niet is ingeschreven, moeten de ouders zich daarvoor verantwoorden en worden zij aan hun verantwoordelijkheid herinnerd. Gerechtelijke stappen zijn mogelijk wanneer zij hun verantwoordelijkheid niet nemen (Decreet van 25 februari 1997).

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 38


De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's) hebben van de overheid de taak gekregen om jongeren die problemen hebben in verband met de leerplicht, te begeleiden. Het doel van de centra is om deze jongeren te herintegreren in het onderwijsproces (Decreet van 1 december 1998). In 2002 werd er een beleid uitgetekend waardoor pro-actiever wordt omgegaan met problematische afwezigheden. Een school moet voor een problematische afwezigheid geen bewijsstukken voorleggen, maar moet de leerling actief begeleiden in samenwerking met het begeleidend CLB. Indien de school niet kan aantonen dat ze ernstige inspanningen heeft geleverd om de vastgelopen situatie van de leerling te deblokkeren, kan er wel een probleem ontstaan met de wettiging van de afwezigheid. Zie omzendbrieven SO/2002/05/BuSO (buitengewoon secundair onderwijs) en SO/2005/04 (voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs).

2.6. Algemeen beheer In een klein land als BelgiĂŤ zijn termen als 'nationaal niveau' en 'lokaal niveau' altijd wat relatief. Het onderwijsbeleid is hoofdzakelijk een interactie tussen beheersorganen op het 'nationaal' of 'gemeenschaps'niveau enerzijds en de lokale scholen, vertegenwoordigd door hun inrichtende machten anderzijds.

2.6.1. Algemeen beheer op centraal vlak Binnen de Vlaamse regering is de minister van Onderwijs en Vorming verantwoordelijk voor bijna alle aspecten van het onderwijsbeleid van het kleuter- tot en met het universitair onderwijs. Enkel de pensioenen van het onderwijspersoneel, het vastleggen van de leerplicht en het bepalen van de minimumvoorwaarden voor het behalen van een diploma behoren tot de federale Belgische materie. De minister van Onderwijs en Vorming bepaalt het beleid inzake onderwijs en vorming. Dit beleid laat hij mee voorbereiden, uitvoeren en evalueren door de administratie (= departement Onderwijs). Het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap functioneert onder de leiding van de Secretarisgeneraal. Voor de ministeriĂŤle bevoegdheden, zie [1.2.2.].

2.6.2. Algemeen beheer op intermediair vlak Organisatiestructuren tussen het centrale en lokale niveau vallen in Vlaanderen niet samen met geografische grenzen. Tussen beide niveaus situeert zich evenwel wel een intermediair beleidsniveau dat zeer kenmerkend is voor het algemeen beheer van het Vlaamse onderwijs, namelijk de onderwijsnetten (zie [2.3.2.]). Voor ondersteuning, representatie in beleidsorganen en belangenbehartiging van de aangesloten scholen werden verschillende koepelorganisaties opgericht. Onderwijskoepel Vlaams Secretariaat vanhet Katholiek Onderwijs (VSKO) Onderwijs van Vlaamse Steden en Gemeenten (OVSG) Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) Gemeenschapsonderwijs Vlaamse GemeenschapsCommissie (VGC) Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen (FOPEM) Federatie van Rudolf Steinerscholen Vlaams Onderwijs Overlegplatform (VOOP) Inrichtende machten van vrije protestants-christelijke onderwijsinstellingen (IPCO) Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers (OKO)

Vlaams Eurydice rapport 2006

Onderwijsnet Katholiek onderwijs

URL http://ond.vsko.be

Onderwijs van Steden en gemeenten Provinciaal onderwijs

http://www.ovsg.be

Gemeenschapsonderwijs Vlaamstalig onderwijs in BHG

http://www.gemeenschapsonderwijs.be http://www.vgc.be

Groepering van Freinetscholen, evaringsgerichte scholen, projectscholen uit het nietconfessioneel onderwijs Steinerscholen

http://users.skynet.be/fopem

Vrijzinnige scholen

http://www.voop.be

Vrije protestants-christelijke scholen

http://www.ipco.be

http://www.pov.be

http://www.steinerscholen.be

Overlegplatform van FOPEM, VOOP, Federatie Steinerscholen, IPCO

2 Algemene organisatie / 39


We behandelen in deze editie voorlopig enkel het gemeenschapsonderwijs. 2.6.2.1. Gemeenschapsonderwijs De verwevenheid van het intermediaire (cf. regionale) beheersniveau met de andere beheersniveaus wordt hieronder geïllustreerd aan de hand van een beschrijving van de organisatie van het gemeenschapsonderwijs. Tot de eerste januari van 1989 was de minister van Onderwijs de inrichtende macht van het Rijksonderwijs in elk van de drie Belgische Gemeenschappen. Na 1989 werd deze structuur in de Vlaamse Gemeenschap gewijzigd. In het Vlaamse deel van het land werd het gemeenschapsonderwijs nu georganiseerd door de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO), opgericht door het Bijzonder Decreet van 19 december 1988. De inrichtende macht was daarbij niet langer de gemeenschapsminister maar de ARGO. Om o.m. het gemeenschapsonderwijs in staat te stellen zich aan te passen aan het vernieuwde concept van scholengemeenschappen in het secundair onderwijs werd het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs gestemd. Een gevolg van dit decreet is de vervanging van de ARGO door een nieuw publiek orgaan, namelijk het Gemeenschapsonderwijs. Dit bijzonder decreet stipuleert een belangrijke overgang van een structuur met twee niveaus naar een structuur met drie niveaus: de school (lokaal niveau), de scholengroep (mesoniveau) en de Vlaamse Gemeenschap (centraal niveau). De inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs zijn voortaan de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en niet langer uitsluitend een centraal orgaan. 2.6.2.1.1. Lokaal niveau : de school Spilfiguur op het schoolniveau zijn de directeur en de schoolraad die per school georganiseerd wordt. Een schoolraad telt 8 leden (3 leden rechtstreeks verkozen door en uit ouders, 3 leden rechtstreeks verkozen door en uit het personeel en 2 leden gecoöpteerd uit sociale, economische en culturele milieus). De directeur is geen lid van de schoolraad, maar woont de vergaderingen bij en heeft een adviserende stem. De schoolraad heeft adviesen overlegbevoegdheid en informatierecht over de beslissingen die het schoolleven beïnvloeden. De directeur en de schoolraad zijn tezamen bevoegd voor de algemene en pedagogische organisatie en voor personeelszaken (zoals aanwending van lestijden, veiligheid op school en het schoolreglement). Schoolraden binnen hetzelfde onderwijsniveau en gevestigd in eenzelfde omgeving kunnen vrijwillig samensmelten. De schoolraden worden verkozen voor een periode van vier jaar, met uitzondering van het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs, waar de schoolraad voor een periode van twee jaar wordt gekozen. Naast de schoolraden is er in elke gemeenschapsschool ook een Pedagogisch College, de voorloper van de door het participatiedecreet van 2 april 2004 gecreëerde pedagogische raad (zie [2.7.1.1.]). 2.6.2.1.2. Mesoniveau : de scholengroep Beslissingsbevoegdheden liggen grotendeels bij het mesoniveau, bij de scholengroep. Een scholengroep is een geografisch samenhangende entiteit waarin onderwijsinstellingen van alle niveaus en een centrum voor leerlingenbegeleiding kunnen vertegenwoordigd zijn, en die tenminste basisonderwijs BaO en secundair onderwijs aanbiedt,eventueel aangevuld met een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Op dit niveau wordt het onderwijsbeleid concreet gestalte gegeven. De scholengroep heeft de bevoegdheid van inrichtende macht en wordt bestuurd door een algemene vergadering, een raad van bestuur en een algemeen directeur. De algemeen directeur voert het dagelijkse beheer van de scholengroep. Hij wordt gekozen uit de directeurs van de scholen van de scholengroep door de raad van bestuur. Het is een mandaatfunctie die kan beëindigd worden door de algemene vergadering mits 2/3 meerderheid. Ook vanuit het niveau van de Vlaamse Gemeenschap kan de Raad van het gemeenschapsonderwijs op voorstel van de afgevaardigd bestuurder en binnen de lijnen van het beleidsmatig toezicht, het mandaat van de algemene directeur beëindigen. De algemeen directeur heeft beslissings- en managementbevoegdheid op vlak van de scholengroep en beslist bij spoedeisende omstandigheden. Deze beslissingen moeten achteraf wel door de raad van bestuur bekrachtigd worden. De raad van bestuur telt 10 leden. • • •

6 leden worden rechtstreeks verkozen door de leden van de schoolraden, voor een periode van 4 jaar. Deze leden coöpteren 3 leden op voorstel van het college van directeurs. Daarnaast is er de algemeen directeur met raadgevende stem.

Lidmaatschap van een raad van bestuur is niet verenigbaar met lidmaatschap van een schoolraad en kan ook niet voor personeelsleden met uitzondering van de algemeen directeur. Algemeen beleid, pedagogisch beleid, personeelsbeleid en materieel en financieel beleid op het niveau van de scholengroep behoren tot de

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 40


bevoegdheid van de raad van bestuur. Daarenboven heeft de raad van bestuur alle bevoegdheden die niet zijn toevertrouwd aan andere administratieve organen. In de algemene vergadering zetelen per schoolraad 2 afgevaardigden (1 afgevaardigde aangeduid door en uit de ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraad en 1 afgevaardigde aangeduid door en uit de personeelsleden). De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur. De bevoegdheid van de algemene vergadering ligt op het vlak van het bekrachtigen van de begroting, de jaarrekening en de aanstelling van de algemeen directeur door de raad van bestuur. Het college van directeurs, bestaande uit alle directeurs van de scholen en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vormt de brug tussen de scholen en de scholengroep, en zorgt voor het beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend werk. De algemeen directeur is voorzitter van het college. Hij staat tevens in voor het dagelijks bestuur van de scholengroep. 2.6.2.1.3. Centraal niveau: de Vlaamse Gemeenschap Op het centrale niveau situeren zich het bewaken van de grondwettelijke waarborgen, o.m. inzake de vrije keuze, het bewaken van de taken van de openbare dienst, de algemene kwaliteitszorg, de ondersteuning van de scholen en de scholengroepen en de toewijzing van de middelen voor de investeringen en de grote infrastructuurwerken. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de afgevaardigdbestuurder die het dagelijkse beheer en beleid voert en de centrale administratie leidt. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bestaat uit 15 niet-bezoldigde mandaatfuncties, voor een periode van 4 jaar: • • • •

5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de rechtstreeks verkozen ouders en gecoöpteerde leden van de schoolraden 5 leden verkozen door een kiescollege bestaande uit de directeurs en de door het personeel verkozen leden van de schoolraden 3 leden aangeduid door de drie Vlaamse universiteiten met een pedagogische faculteit, op gezamenlijke voordracht van de faculteiten pedagogie, economie en rechten 2 leden gezamenlijk aangeduid door de Vlaamse Autonome Hogescholen.

De Afgevaardigd-Bestuurder heeft een raadgevende stem in de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. Hij is namens de Raad belast met het dagelijkse beheer en beleid. Binnen het kader van de bevoegdheden van de Raad heeft hij beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende bevoegdheden. De Afgevaardigd-Bestuurder treedt op in spoedeisende gevallen, maar moet zijn beslissing laten bekrachtigen op de eerstkomende vergadering van de Raad. Tevens ressorteert de centrale administratie onder zijn bevoegdheid.

2.6.3. Algemeen beheer op het lokale niveau De belangrijkste beheersorganen op lokaal vlak zijn individuele scholen, hun inrichtende machten en scholengemeenschappen. 2.6.3.1. De school en de directie De school is een pedagogisch geheel dat bestaat uit één of meerdere vestigingsplaatsen. Ze staat onder leiding van een directie die de leidinggevende is van de personeelsleden in de school. Zowel de directeur als de leraars zijn echter onderworpen aan de autoriteit van de inrichtende macht van de school. Op het vlak van personeelszaken houdt de directeur zich voornamelijk bezig met het selecteren en aanwerven van tijdelijk personeel, het voorbereiden van vaste benoemingen, het invullen van de concrete taakinvulling van elk personeelslid met de daaraan gekoppelde functieomschrijving, begeleiding en evaluatie, het in kaart brengen van de nascholingsbehoeften bij zijn personeel en dergelijke. 2.6.3.2. Inrichtende machten en schoolbesturen De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van één of meerdere scholen. Ze kunnen de vorm aannemen van een overheid, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. De inrichtende macht werft de directie en leraren aan en ontvangt de werkingsmiddelen voor de school van het departement Onderwijs. Ze huurt of bezit de schoolgebouwen. De inrichtende macht werkt voor de school/scholen die zij onder haar bevoegdheid heeft een pedagogisch project uit. Een inrichtende macht van een basisschool wordt een schoolbestuur genoemd.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 41


2.6.3.3. Scholengemeenschappen Een scholengemeenschap is een verzameling van verschillende scholen van een zelfde onderwijsniveau (basisof secundair onderwijs) die samenwerken op diverse vlakken (logistiek, studieaanbod, …). Dat kunnen scholen zijn met eenzelfde of verschillende inrichtende machten en ze behoren tot eenzelfde of verschillend onderwijsnet. 2.6.3.3.1. Secundair onderwijs Het Decreet van 14 juli 1998 bepaalt een opdeling in 44 geografische onderwijszones, waarbinnen de scholengemeenschappen kunnen georganiseerd worden. Een scholengemeenschap valt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken inrichtende macht(en) en wordt beheerd op de wijze waartoe, naargelang, van het geval, de enige betrokken inrichtende macht heeft beslist dan wel de diverse betrokken inrichtende machten zich bij schriftelijke overeenkomst hebben verbonden (art. 65). Scholengemeenschappen werden door de overheid in de eerste plaats in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat leerlingen gemakkelijker doorstromen van de ene school naar de andere en studiekeuzes kunnen maken die aanleunen bij hun wérkelijke interesses. In het kader hiervan wordt er nauw samengewerkt met de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's). Rond een aantal themata heeft de decreetgever uitdrukkelijke bevoegdheden aan de scholengemeenschappen toevertrouwd. Deze bevoegdheden nemen de vorm aan van verplichte afspraken, een verplichte adviesformulering of een optie op een samenwerkingsakkoord (Omzendbrief : Scholengemeenschappen secundair onderwijs. SO 62, 30/04/1999): • • • •

personeelsbeleid (criteria voor het rekruteren, functioneren en evalueren van personeelsleden) investeringen in schoolaccommodatie en infrastructuur overdracht van lestijden tussen de scholen onderling samenwerking met scholen uit andere onderwijssectoren of onderwijsnetten.

De administratieve voordelen voor scholen die participeren aan een scholengemeenschap zijn o.a. bijkomende financiële stimuli, de mogelijkheid om uren over te dragen tussen de scholen onderling, de toewijzing van specifieke taken naar het niveau van de scholengemeenschap en het gezamenlijk inzetten van administratief personeel op het niveau van de scholengemeenschap (Decreet van 14 juli 1998). Referenties • • •

Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen m.b.t. het secundair onderwijs Decreet van 14 februari 2003 Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV (hoofdstuk III)

2.6.3.3.2. Basisonderwijs In het basisonderwijs BaO werden scholengemeenschappen ingevoerd vanaf het schooljaar 2003-2004, door het decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs. Dit met het oog op een bestuurlijke schaalvergroting en een efficiënter beheer en gebruik van de beschikbare middelen. Een scholengemeenschap dient te bestaan uit meerdere basisscholen, minstens 900 leerlingen te tellen en zowel kleuter- als lager onderwijs te omvatten. De samenstellende basisscholen kunnen al dan niet behoren tot eenzelfde schoolbestuur inrichtende macht en/of eenzelfde onderwijsnet. Scholen voor buitengewoon onderwijs worden er maximaal bij betrokken. De aansluiting van een basisschool bij een scholengemeenschap, door het schoolbestuur inrichtende macht, gebeurt op vrijwillige basis, dient schriftelijk vastgelegd en geldt voor perioden van telkens 6 schooljaren. Voor de vorming van scholengemeenschappen gelden dezelfde 44 geografische zones als voor het secundair onderwijs. Als algemeen principe (met twee uitzonderingen) geldt dat elke scholengemeenschap binnen maximaal 5 aangrenzende zones moet gelegen zijn. Tevens is het aantal scholengemeenschappen gecontingenteerd.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 42


Vanaf 1 september 2006 gelden volgende contingenten. Gemeenschapsonderwijs Gesubsidieerd officieel onderwijs Gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs Gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs

Maximum 44 Maximum 95 Maximum 248 Maximum 5

Netoverschijdende scholengemeenschappen worden op basis van het aantal scholen van elk net tot een van deze contingenten gerekend. Schoolbesturen kunnen een aantal bevoegdheden overdragen aan de scholengemeenschap: • • • • •

aanwending van de puntenenveloppe stimulus aanwending van de punten beleids- en ondersteunend personeel aanwending van de puntenenveloppe voor ICT wijze waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs haar deskundigheid ter beschikking stelt sluiten van samenwerkingsakkoorden met andere basisscholen buiten de scholengemeenschap, andere scholengemeenschappen basis- of secundair onderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, deeltijdskunstonderwijs en/of wolvassenenonderwijs.

Niet overdraagbare bevoegdheden waarvoor de scholengemeenschap wel het initiatief tot het maken van afspraken kan nemen zijn: • • • • •

overdracht van lestijden zorgbeleid overdracht van punten zorg naar andere scholengemeenschappen binnen dezelfde of aangrenzende zones i.f.v. speciale projecten personeelsbeleid gebruik infrastructuur.

Afhankelijk van het aantal leerlingen krijgt een scholengemeenschap als stimulus een extra puntenenveloppe (waarmee b.v. een managementsfunctie kan worden uitgebouwd). Vanaf het schooljaar 2003-2004 ontvangt elke basisschool op basis van haar leerlingenaantal 3 puntenenveloppen: voor administratieve ondersteuning, ICT en zorg. Met de punten worden betrekkingen ingericht, in een bepaalde instelling, in een bepaald ambt, in een bepaald opleidingsniveau en voor een bepaald aantal uren. Ter ondersteuning van de scholengemeenchap werden de functies van directeur-coördinatie scholengemeenschap en van stafmedewerker-scholengemeenschap gecreëerd. Binnen het beleids- en ondersteunend personeel van een school zijn er voortaan drie ambten: • • •

administratief medewerker IT-coördinator Zorgcoördinator.

Referenties : • • • • •

Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs, Besluit van de Vlaamse regering van 5/03/2004 (puntenenveloppen) Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV (hoofdstuk II basisonderwijs) Omzendbrief BaO/2005/11, (scholengemeenschappen basisonderwijs) Omzendbrief BaO/2005/12 (puntenenveloppen)

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 43


2.6.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer We behandelen hier de voornaamste administratieve ambten en bestuursorganen van de onderwijsinstellingen op de verschillende niveaus: • • • •

Basis- en secundaire scholen Hogescholen Universiteiten Associaties

2.6.4.1. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in het kleuter-, lager en secundair onderwijs Hier bespreken we verschillende aspecten van schoolmanagement: • • • •

Bestuurorganen en –ambten, zie [2.6.4.1.1.] Bevoegdheden, zie [2.6.4.1.2.] Benoeming en rekrutering van personeel, zie [2.6.4.1.3.] Organisatie en planning, zie [2.6.4.1.4.]

2.6.4.1.1. Bestuursorganen en -ambten De Schoolpactwet geeft de inrichtende machten de verantwoordelijkheid voor de organisatie van onderwijs, ofschoon hun functie niet in meer specifieke termen is beschreven door de wet. De beheersfunctie van de inrichtende macht wordt meestal gedeeld of zelfs in grote mate uitgeoefend door de schooldirecteur. Verder zijn er de participatieraden in het gesubsidieerd onderwijs en schoolraden in het gemeenschapsonderwijs (Heyvaert en Janssens). Het schoolhoofd wordt 'directeur' genoemd. De meeste kleuterschoolinrichtingen maken deel uit van een basisschool die eveneens lager onderwijs aanbiedt. Veel directeurs van dergelijke instellingen hebben nog steeds onderwijstaken. Enkel in scholen met minstens 180 leerlingen heeft de directeur geen onderwijstaken. In het secundair onderwijs heeft de directeur nooit onderwijstaken. Werkingsmiddelen voor bijkomende beleidsondersteuning zijn voorzien, afhankelijk van het aantal leerlingen op school. In het geval van een fusie tussen basisscholen wordt een adjunct-directeur aangesteld (Decreet van 25 februari 1997). Er is tevens in de mogelijkheid voorzien om van een directiefunctie een duobaan te maken (Onderwijsdecreet XIV). De ambten van directeur, beheerder en technisch adviseur-coördinator worden officieel bevorderingsambten genoemd. Daarnaast zijn er de ambten van directiesecretaris, opvoeder-huismeester, onderdirecteur, technisch adviseur en intern pedagogische begeleider die als selectieambten worden omschreven. Het ambt van leerkracht is een wervingsambt.(Heyvaert en Janssens). Algemene omschrijvingen van deze ambten zijn enkel voor het gemeenschapsonderwijs voorzien bij wet. Als resultaat van overleg zijn er algemene - maar nietbindende - omschrijvingen van dergelijke administratieve ambten opgesteld in het gesubsidieerd onderwijs (Devos, e.a., 1987). 2.6.4.1.2. Bevoegdheden De inrichtende macht wordt door de wet gezien als de initiatiefnemer van de school en is verantwoordelijk voor het functioneren van de school. Zij is tevens verantwoordelijk voor het opstellen van het pedagogische project van de school. Haar vrijheid inzake onderwijsmethoden en onderwijsconcept is wettelijk gegarandeerd. Op voorwaarde dat een minimaal lessenrooster wordt gerespecteerd en het leerplan is goedgekeurd kan de school worden gefinancierd of gesubsidieerd. De inrichtende machten zijn verantwoordelijk voor de rekrutering en benoeming van personeel en ontvangen financiële middelen van de overheid. Zij bezitten of huren de schoolinfrastructuur (Heyvaert en Janssens). Voor het gemeenschapsonderwijs, zie [2.6.2.1.]. De directeur is verantwoordelijk voor het bestuur van de school en staat aan het hoofd van de beperkte administratieve staf (indien voorhanden). Hij staat in voor de registratie van de leerlingen, hun administratieve dossiers en voor de dossiers van zijn personeelsleden. De directeur is bij delegatie medeverantwoordelijk voor de beslissingen over de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, minstens éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële situatie van de school en stelt hij het budget voor het volgend jaar voor. Hij is ook verantwoordelijk voor het materieel beheer van de school, voor het onderhoud en de herstellingen wanneer nodig en voor de aankoop van schooluitrusting, de opstelling van leraars- en leerlingenreglementen, de orde en tucht op school, enzovoort (Devos, e.a., 1987).

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 44


De directeur neemt de verantwoordelijkheid voor de coördinatie op het schoolniveau door onder andere: • • • • • • • •

persoonlijk contact met het personeel te (onder)houden;· klassen te bezoeken;· de organisatie van personeelsvergaderingen omtrent pedagogische kwesties, de keuze van didactisch materiaal en onderwijsmethoden;· deel te nemen aan de begeleiding van nieuwe leerkrachten of deze te organiseren;· de evaluatie van leerplannen en de voorbereiding van de lessen;· nascholingsactiviteiten te ontwikkelen en te stimuleren;· de participatieraad voor te zitten in het gesubsidieerd onderwijs en de vergaderingen van de schoolraad voor te bereiden in het gemeenschapsonderwijs;· het toezicht op het administratief personeel.

De directeur speelt een centrale rol bij de selectie van nieuw onderwijzend en ander personeel dat benoemd wordt door de inrichtende macht. Hij is ook verantwoordelijk voor alle contacten naar buiten toe (met de inspectie, pedagogische begeleidingsdiensten, ouders, de lokale gemeenschap,...) en voor de public relations van de school in het algemeen (Michielsens, 1998). De adjunct-directeur is de directe medewerker van de directeur en staat hem bij in overeenstemming met zijn kwalificatie, met betrekking tot o.a. de coördinatie van het onderwijs en de leerplannen, de dagroosters voor lessen en taken en andere activiteiten van het personeel. Hij vervangt de directeur bij diens afwezigheid, organiseert het toezicht op de leerlingen buiten de lesuren; hij kan verantwoordelijk zijn voor het goed functioneren van de schoolbibliotheek, enzoverder. De directiesecretaris is verantwoordelijk voor administratieve taken die de directeur hem toevertrouwt (KB van 15 juli 1969 en van 23 november 1970). De beheerder is verantwoordelijk voor het materieel en boekhoudkundig beheer in een onderwijsinstelling die een internaat heeft. De opvoeder-huismeester voert de taken met betrekking tot het materieel en boekhoudkundig beheer uit die de beheerder hem toevertrouwt of hij heeft de taken van de beheerder in de scholen waar het ambt van beheerder niet bestaat (KB van 15 juli 1969). In het beroeps- en technisch onderwijs coördineert de technisch adviseur (TA) (voorheen de werkmeester) de activiteiten van het onderwijzend personeel met betrekking tot de beroepspraktijken waar hij verantwoordelijk voor is. Hij houdt het toezicht op het beheer van de technische uitrusting. Een technisch adviseur-coördinator (TAC) (voorheen werkplaatsleider) coördineert de activiteiten van de technisch adviseurs in scholen waar er minstens drie technisch adviseurs zijn (Decreet van 14 juli 1998). De taken van de intern pedagogische begeleider vertrekken vanuit het pedagogisch project en het schoolwerkplan van de school. Zijn opdracht heeft betrekking op de pedagogische en opvoedkundige onderwijsmateries en de daarmee verbonden organisationele taken. Hij ziet toe op de realisatie van het pedagogisch project van de school en meer algemeen legt hij zich toe op de zorg voor de onderwijskwaliteit. Zo participeert hij in het pedagogisch beleid en het beheer van de school en bevordert hij de 'schoolcultuur' (bv. de bevordering van de interne en externe communicatie op schoolniveau). Elke school zal deze algemene taken specificeren. Hij kan alle vormen van leerlingenbegeleiding coördineren en een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de voorbereiding van en het verloop van de vergaderingen van de klassenraad - die bestaat uit de leden van het onderwijzend personeel van een klas en die alle beslissingen en verantwoordelijkheden neemt met betrekking tot de evaluatie van de leerlingen - en de nazorg ervan. Ook kan hij een belangrijke contactpersoon zijn voor ouders en leden van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's). Andere mogelijke taken zijn de begeleiding van nieuwe leerkrachten, de organisatie van werkgroepen van leerkrachten, de voorbereiding van diverse pedagogische activiteiten,... (VVKSO, 1994). Voor bevoegdheden van de participatieorganen: zie [2.7.1.1.] 2.6.4.1.3. Benoeming en rekrutering De wijze van rekrutering kan aanzienlijk verschillen, afhankelijk van het beleid van de inrichtende macht. Soms worden er formele examens georganiseerd (mondeling of schriftelijk). Wettelijk is een benoeming in het basisonderwijs BaO mogelijk wanneer aan twee voorwaarden is voldaan: de kandidaat moet een diploma van kleuterleid(st)er of onderwijzer, of een EU-diploma dat voldoet aan de EU-richtlijnen hebben en 10 jaar dienst (Devos, e.a., 1987). In het secundair onderwijs moet de kandidaat beschikken over een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs om les te geven en de laatste evaluatie mag niet 'onvoldoende' zijn. Sommige inrichtende machten stellen ook als eis (een bewijs van) de deelname aan bepaalde nascholingsprogramma's. Met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs zijn er geen bijkomende kwalificaties geformuleerd, zoals het gevolgd hebben van een voorbereidende cursus, houder zijn van een specifiek bekwaamheidsbewijs,... (Michielsens, 1998).

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 45


Voor de andere selectieambten en bevorderingsambten zijn er gelijkaardige vereisten vastgelegd: het vereiste diploma, de vereiste bekwaamheden en geen onvoldoende als eindconclusie van de beoordeling of evaluatie. Het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs brengt een wijziging aan in de wettelijke status van de directeur. Ook in de andere onderwijsnetten is dit het geval. Een nieuwe directeur zal namelijk niet langer permanent benoemd worden. In de plaats daarvan zullen zij benoemd worden bij mandaat voor een bepaalde duur. De modaliteiten zijn vastgelegd in het Decreet betreffende het onderwijs XI van 18 mei 1999. De startdatum was oorspronkelijk vastgelegd op 1 september 2000 maar is ondertussen uitgesteld, behalve voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding waar elke nieuwe directeur reeds vanaf 1 september 2000 bij mandaat benoemd wordt (Heyvaert en Janssens). 2.6.4.1.4. Organisatie en planning De directeur is verantwoordelijk voor het opstellen van een schoolwerkplan en een leerplan. In het buitengewoon onderwijs is ook een handelingsplan vereist. Een leerplan formuleert in het algemeen de doelen voor de leerlingen op basis van het pedagogische project en meer in het bijzonder de schoolvisie op de inhoud van de onderwezen vakken. Een handelingsplan bestaat uit een pedagogische en opvoedkundige planning voor één of meerdere leerlingen uit het buitengewoon onderwijs voor een welbepaalde periode. Het integreert de sociale, medische, psychologische en orthopedagogische begeleiding in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 25 februari 1997). In het schoolwerkplan wordt het pedagogisch project beschreven. In feite behandelt het alle aspecten die belangrijk zijn om de visie van de school op onderwijs te implementeren, zoals de organisatie van de school, de opdeling van de leerlingen, de manier van beoordelen en rapporteren, nascholing, het schoolreglement, enzovoort. Eventueel worden zowel voorzieningen voor leerlingen met een handicap of met leermoeilijkheden gedefinieerd als zaken zoals de vorm van samenwerking met andere scholen van het gewoon en buitengewoon onderwijs. Naast dit alles, bevat het schoolwerkplan een variabel deel dat bestaat uit een werkplanning voor een zekere tijdsperiode waarbij bepaalde prioriteiten worden vooropgesteld als iets 'waaraan moet gewerkt worden' (VSKO, 1998). In het basisonderwijs BaO bestaat geen verplichte indeling in jaren, vakken en graden meer; verplichte lessenroosters behoren tot het verleden. Behalve de verplichting om een schoolwerkplan op te stellen, geniet het schoolbestuur heel wat vrijheid in het organiseren van onderwijs. Het is bijvoorbeeld mogelijk om met een andere indeling te werken dan met het jaarklassensysteem, met als gevolg dat het onderwijsaanbod meer gedifferentieerd kan worden en worden aangepast aan de specifieke leerlingengroepen. In het hervormde secundair onderwijs wordt de lokale autonomie van de school bevorderd; de centraal opgelegde lessenroosters worden achterwege gelaten zodat er meer ruimte is voor een aanpassing aan de noden van de leerlingen. Er zijn ook mogelijkheden tot de integratie van vakken en leerplannen die een hele graad omvatten. Enkel de eindtermen en een minimale lessenrooster voor de basisvorming worden door de overheid vastgelegd. In het buitengewoon onderwijs zijn er meer mogelijkheden voor differentiatie omwille van de vervanging van het jaarklassensysteem door een flexibel systeem van leerlingengroepen waarbij er meer aandacht uitgaat naar de individuele noden van de leerlingen. In het buitengewoon onderwijs moet ook een groepswerkplan worden geïntegreerd in het schoolwerkplan; het plant het onderwijs voor een groep leerlingen met gelijkaardige handicaps. Ook wordt er een aantal uren voor paramedische, medische, sociale, psychologische en orthopedagogische begeleiding voorzien. Verder definieert elke school haar schoolreglement dat de relaties regelt tussen de school enerzijds en de leerlingen en ouders anderzijds. Dit reglement omvat bijvoorbeeld een tuchtreglement, regelingen i.v.m. huiswerk, agenda's, rapporten... 2.6.4.2. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer in de hogescholen Het Decreet van 13 juli 1994 met betrekking tot de hogescholen herdefinieerde de administratieve organisatie van de hogescholen en gaf hen een grotere autonomie. Het decreet maakt daarbij onderscheid tussen de Vlaamse Autonome hogescholen (publieke instellingen) en gesubsidieerde hogescholen (private en provinciale instellingen).

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 46


2.6.4.2.1. Algemene beheersstructuren en administratieve ambten De bestuursorganen van de Vlaamse Autonome Hogescholen zijn de raad van bestuur, het bestuurscollege, de algemeen directeur, de departementsraden, de departementshoofden en de andere door de raad van bestuur bepaalde organen. De Raad van Bestuur bestaat uit: • • •

8 vertegenwoordigers van de verschillende categorieën van het personeel, verkozen voor 4 jaar door het personeel, 3 vertegenwoordigers van de studenten, verkozen voor 2 jaar door de studenten, Maximum 12 vertegenwoordigers van de socio-economische en culturele milieus (ook voor een termijn van 4 jaar).

De algemeen directeur neemt deel aan de bestuursvergaderingen met adviserende stem. De Raad van Bestuur bepaalt het administratief reglement, het examen- en tuchtreglement, stelt het budget op, benoemt het personeel, stelt het kader op voor de organisatie en coördinatie van de taken van de onderwijsinstelling,... Het Bestuurscollege bestaat uit de voorzitter van de Raad van Bestuur, de algemeen directeur en 3 vertegenwoordigers van het personeel, allen voor 4 jaar door de raad van bestuur benoemd. Het Bestuurscollege is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur en de voorbereiding, het openbaar maken en de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Bestuur, voor het financieel beheer binnen de lijnen die door de Raad van Bestuur zijn uitgezet, de benoeming van het lager administratief en technisch personeel en vele andere materies die niet expliciet door de wet worden toegewezen aan andere administratieve organen of ambten. De algemeen directeur wordt benoemd (en eventueel ontslagen) door de Raad van Bestuur. Hij is verantwoordelijk voor het bestuur van de instelling en staat aan het hoofd van het administratief en ander personeel (bv. de ambtenaar voor internationale relaties). Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van ieder van zijn personeel. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent de aanwending van de financiële middelen. Regelmatig, tenminste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de school en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor. Verder is hij ook verantwoordelijk voor de materiële toestand van de school, voor onderhoud en herstellingen en voor de aankoop van schooluitrusting. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van het nieuwe onderwijzend en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd. Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten (met de inspectie, de lokale gemeenschap, de arbeidsmarkt...) en in het algemeen voor de public relations van de school. De onderwijsinstellingen moeten hun eigen aanwervingsprocedures voor het directeursambt organiseren. Het ambt mag worden ingevuld door een lid van het permanente onderwijzend personeel of door middel van externe rekrutering. De benoemingsvoorwaarden zijn gelijkaardig aan die van het onderwijzend personeel. In de gesubsidieerde hogescholen bestaat het hogeschoolbestuur uit leden die het zelf coöpteert. Het duidt per departement een departementshoofd aan, die wordt belast met de dagelijkse leiding. Het richt ook een Academische Raad op, die door het bestuur moet geïnformeerd worden over alle aangelegenheden omtrent de onderwijsinstelling. De Academische Raad bestaat uit de verkozen vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur (3/8) en het personeel (3/8) (voor 4 jaar), en de studenten (2/8) (voor 2 jaar). Deze raad heeft het informatierecht, de adviesbevoegdheid (op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden (ook bijvoorbeeld het onderzoeksbeleid,...). Daarnaast heeft de raad de overlegbevoegdheid (het nemen van een beslissing op eigen initiatief of op vraag van het Hogeschoolbestuur, die in geval van consensus zal worden uitgevoerd door het Hogeschoolbestuur) voor op zijn minst de onderwijskundige aspecten van bepaalde aangelegenheden als daar zijn: het financieel beleid, het beleid inzake onderwijs en examinering, de organisatie van studiebegeleiding,... Het decreet van 13 juli 1994 creëerde ook een studentenraad. Voortaan wordt echter de participatie van de studenten voor het hele hoger onderwijs (ook universiteiten en associaties) geregeld door het zgn. participatiedecreet van 19 maart 2004, dat ook de rechtspositie van de student regelt. Zie [2.6.4.3.1.]. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden beschikt elke hogeschool en elk departement van die instelling over een onderhandelingscomité, resp. hogeschoolonderhandelingscomité (HOC) en departementaal onderhandelingscomité (DOC), bedoeld om de relaties tussen de werkgever en de vakbonden van het personeel

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 47


te regelen. In een gefinancierde hogeschool bestaat het hogeschoolonderhandelingscomité (HOC) uit de vertegenwoordigers van de Raad van Bestuur en de vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel. In gesubsidieerde hogescholen bestaat deze raad uit de vertegenwoordigers van het Hogeschoolbestuur en die van het personeel (Decreet van 13 juli 1994). 2.6.4.2.2. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau Elke hogeschool, zowel een gefinancierde als een gesubsidieerde, is onderverdeeld in departementen. •

•

In de gefinancierde hogescholen bestaat er voor elk departement een departementsraad die dezelfde partijen bevat als de Raad van Bestuur (met dezelfde ambtstermijnen, maar met een andere proportionele samenstelling). Deze raad verkiest het hoofd van het departement die de raad voorzit voor 4 jaar. De departementsraad organiseert het aanbod van onderwijs, de projecten voor wetenschappelijke onderzoek en de dienstverlening aan de samenleving. Deze raad is o.a. verantwoordelijk voor de vaststelling van onderwijsprogramma's en examens, de organisatie van de onderzoeksprogramma's, de aanwending van de financiële middelen en het personeel, de aanwerving van tijdelijk personeel en de voorstelling van kandidaten voor een vaste benoeming, de interne organisatie van het departement, de jaarlijkse opstelling van voorstellen van budget, enzovoort (Decreet van 13 juli 1994). In een gesubsidieerde hogeschool moet er een departementale raad worden opgericht voor elk departement, bestaande uit het hoofd van het departement als de voorzitter van de raad, de verkozen vertegenwoordigers van het onderwijzend personeel, de vertegenwoordigers van de studenten en van de socio-economische en culturele milieus. Deze raad heeft het informatierecht voor alle aangelegenheden op het niveau van het departement en kan advies geven op vraag van het Hogeschoolbestuur of op eigen initiatief omtrent een hele waaier van materies op het niveau van het departement (Decreet van 13 juli 1994).

Het departementaal onderhandelingscomité (DOC) bestaat in gefinancierde hogescholen uit de vertegenwoordigers van de departementsraad en van het personeel; in gesubsidieerde hogescholen uit de vertegenwoordigers van het departementsbestuur en van het personeel (Decreet van 13 juli 1994). 2.6.4.3. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer op het niveau van de universiteiten Elke universiteit is in principe verantwoordelijk voor de oprichting van haar eigen interne organisatie. De beleidsstructuur van de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) zal hier als voorbeeld worden genomen (Info: vzw Associatie K.U.Leuven). We behandelen achtereenvolgens: • • •

De algemene beheersstructuren en administratieve ambten, zie [2.6.4.3.1.] De rector, zie [2.6.4.3.2.] De beheersstructuren en ambten op niveau van de faculteiten en departementen, zie [2.6.4.3.3.]

2.6.4.3.1. Algemene beheersstructuren en administratieve ambten Eerst en vooral heeft de Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven) een inrichtende macht die de opdrachtsverklaring van de universiteit goedkeurt en het organiek reglement van de universiteit vastlegt, beide na advies van de Academische Raad en de Raad van Bestuur. De Inrichtende overheid is ook verantwoordelijk voor de grootste beleidsopties (b.v. participatie in andere rechtspersonen, zoals onder meer de associatie). Verder is de inrichtende macht verantwoordelijk voor de oprichting, het statuut en het behoud van de faculteit theologie en godsdienstwetenschappen. De inrichtende macht benoemt en ontslaat naast de rector en de algemeen beheerder ook de leden van de Raad van Bestuur en van het Gemeenschappelijk bureau van de Raad van Bestuur en de Academische raad (K.U.Leuven, 2004). Sinds de oprichting van de Associatie K.U.Leuven op 10 juli 2002, zetelen in de Inrichtende overheid naast vertegenwoordigers van de universiteit ook vertegenwoordigers van elk van de instellingen voor hoger onderwijs die lid zijn van de Associatie K.U.Leuven vzw en en een derde leden die gecoöpteerd werden als lid van de Algemene vergadering van de Associatie K.U.Leuven vzw. Aan de Katholieke Universiteit Leuven bestuurt de Raad van Beheer de universiteit en vertegenwoordigt haar naar buiten toe. Deze raad is o.a. bevoegd om het budget en de rekeningen en het gewoon, personeels- en studentenreglement vast te leggen. Dit gebeurt na advies van de Academische Raad. De Raad van Beheer is verantwoordelijk voor het financieel beheer van de universiteit en het personeelsbeleid (benoemingen, aanwervingen,...) en kijkt toe op de vervulling van de opdrachtsverklaring van de universiteit. Hij bestaat uit de

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 48


rector, de algemeen beheerder, de leden van het Gemeenschappelijk Bureau en andere leden die verkozen worden voor 5 jaar. De Academische Raad bepaalt het beleid en coördineert inzake onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. Hij organiseert ook de verkiezing van de rector en benoemt de leden van het Gemeenschappelijk Bureau. De Academische Raad geeft advies aan de Raad van Beheer op eigen initiatief of op vraag van deze laatste, met betrekking tot aangelegenheden waarvoor de Raad van Beheer bevoegd is, zoals het personeels- en financieel beleid, reglementen, enzovoort. Naast de rector, de algemeen beheerder en de leden van het Gemeenschappelijk Bureau zijn de decanen van de faculteiten lid van de Academische Raad. Deze raad bevat ook vertegenwoordigers van het zelfstandig academisch personeel, assisterend academisch personeel, administratief en technisch personeel en de studenten (K.U.Leuven, 2004). Zowel de Raad van Beheer als de Academische Raad stimuleren de samenwerking met de Associatie K.U.Leuven vzw en met haar leden. Het Gemeenschappelijk Bureau bestaat uit de rector, de algemeen beheerder en andere leden. Dit orgaan is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de universiteit, bereidt de vergaderingen van de Academische Raad en de Raad van Beheer voor, dient voorstellen in en is verantwoordelijk voor de uitvoering van hun beslissingen (K.U.Leuven, 2004). Het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen bepaalt de oprichting van één studentenraad op het niveau van de associatie, respectievelijk de instelling. De instellingen voor hoger onderwijs moeten kiezen voor een model van studentenparticipatie dat kan bestaan uit : • •

het medebestuursmodel: in dat geval moeten in de organen die omtrent een aantal in het decreet opgelijste materies de eindbeslissingen nemen ten minste tien procent studenten zetelen; de K.U.Leuven en de Associatie K.U.Leuven kozen voor dit model; het inspraakmodel: in dat geval organiseert de instelling volgens bepaalde afspraken overlegprocedures, kunnen de studenten beleidsadviezen geven waarop de instelling een gemotiveerd antwoord moet bieden.

(Het 'participatiedecreet' van 19 maart 2004 regelt ook de rechtspositie van de student en zorgt voor rechtsbescherming bij studievoortgangsbeslissingen middels een interne beroepsprocedure en door oprichting van een administratief rechtscollege bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (ook de 'Raad voor examenbetwistingen' genoemd)). Wat betreft de arbeidsvoorwaarden hebben de gesubsidieerde universiteiten in overeenstemming met de nationale arbeidswetgeving een ondernemingsraad (bij minimum 100 werknemers) en/of een comité voor preventie en bescherming op het werk (bij minimum 50 werknemers), net zoals alle andere privé-instellingen. 2.6.4.3.2. Belangrijke ambten aan de top: de rector De rector is verantwoordelijk voor het beheer van de universiteit en staat aan het hoofd van het personeel. Hij is verantwoordelijk voor de inschrijving van studenten, hun administratieve gegevens, alsook de gegevens van elk personeelslid. Hij is door delegatie medeverantwoordelijk voor beslissingen omtrent het gebruik van de financiële middelen. Regelmatig, tenminste éénmaal per jaar, informeert hij de inrichtende macht over de financiële toestand van de universiteit en stelt hij het budget voor het volgende jaar voor. Hij speelt een centrale rol bij de selectie van nieuwe docenten en ander personeel dat door de inrichtende macht wordt benoemd. Hij is verantwoordelijk voor alle externe contacten en in het algemeen voor de public relations van de universiteit. De rector moet worden verkozen onder de gewoon hoogleraren. Aan de Katholieke Universiteit Leuven wordt hij verkozen door de leden van de faculteitsradenen een beperkte groep personeelsleden uit de centrale administratie, voor een periode van 4 jaar die bij positieve evaluatie automatisch wordt verlengd tot 8 jaar. Hernieuwbaarheid is uitgesloten. Hij wordt benoemd door de inrichtende macht (K.U.Leuven, 2004). 2.6.4.3.3. Beheersstructuren en ambten op een lager niveau De Katholieke Universiteit Leuven heeft in 2005 gekozen voor herorganisatie waarbij een belangrijk deel van de personeelsbeslissingen, financiële beslissingen binnen vooraf bepaalde beleidsplannen worden gedelegeerd aan de zogenaamde Groepsstructuren. Er zijn drie Groepen (Humane wetenschappen, Exacte Wetenschappen, Biomedische Wetenschappen), die elk een vorm van bestuurs- en parlementair controleorgaan hebben. Hoofdverantwoordelijke voor elke groep is één van de drie vice-rectoren. Binnen de groep Humane

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 49


wetenschappen is er enkel nog een substructuur van faculteiten die zowel onderwijs als onderzoek in een bepaald domein coördineren. Binnen de beide andere groepen kent men een opdeling in faculteiten die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs en departementen die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek. Personeelsleden behoren in die laatste gevallen dus zowel tot een faculteit als een departement van hun groep. Op het niveau van de faculteiten en waar relevant de departementen van de Katholieke Universiteit Leuven is er een Raad die bestaat uit het zelfstandig academisch personeel, de vertegenwoordigers van het assisterend academisch personeel en de vertegenwoordigers van de studenten. De Raad is bevoegd om onderwijsprogramma's op te stellen, het onderwijsaanbod te organiseren en te evalueren, om studiebegeleiding te organiseren en te evalueren, om examens te organiseren, te controleren en te evalueren (K.U.Leuven, 2004). Het faculteitsbureau staat in voor het dagelijkse bestuur van de faculteit. Het bestaat uit de decaan en enkele leden van de faculteitsraad. De faculteitsraad richt voor elke richting een permanente onderwijscommissie (POC) op die bestaat uit het academisch personeel en de vertegenwoordigers van de studenten. Zij geeft advies aan de faculteitsraad wat betreft onderwijsaangelegenheden (de evaluatie van de examens, programma's, onderwijsmethoden, examineringmethoden,...) (K.U.Leuven, 2004). 2.6.4.4. Onderwijsinstellingen, bestuur en beheer op het niveau van de associaties We geven opnieuw als voorbeeld de associatie K.U.Leuven. (Info: v.z.w. Associatie K.U.Leuven) De leden van de Associatie K.U.Leuven kozen van in het begin resoluut voor een sterke bestuurlijke structuur. Naast de decretaal verplichte oprichting van een associatie-vzw hebben ze geopteerd voor de vorming van een federatie en voor personele integratie op het niveau van de hoogste organen van de betrokken instellingen. Federatie via personele integratie De personele integratie betekent dat het hoogste orgaan van elk van de instellingen (i.e. de algemene vergadering/de inrichtende overheid) voor een groot deel (3/5) identiek is. De overige 2/5 wordt gevormd uit de eigen verkozen leden van elke instelling. De personele integratie verbindt de betrokken instellingen nauw met elkaar. De leden blijven als afzonderlijke instellingen bestaan, maar vormen samen een federatie. Omdat het grootste deel van de besluitvorming bij de afzonderlijke instellingen blijft liggen en om de identiteit van elke instelling te garanderen, is de samenstelling van de respectievelijke raden van bestuur niet gekoppeld aan de associatiestructuur. vzw Associatie K.U.Leuven De associatieleden hebben – conform het structuurdecreet van 4 april 2003 - een aparte associatie-vzw opgericht. De associatie-vzw heeft twee beleidsorganen: de Algemene vergadering en de Raad van bestuur. De Algemene vergadering bestaat uit vertegenwoordigers van de hogescholen, de universiteit en uit gecoöpteerde leden. De leden van de Algemene vergadering van de associatie-vzw vormen tevens het gemeenschappelijke deel van de algemene vergadering van de betrokken instellingen. In de Raad van bestuur zetelen de algemeen directeurs van de hogescholen, leden aangeduid door de universiteit en 3 studenten. De regeringscommissaris neemt deel aan de vergadering van de Algemene vergadering en van de Raad van bestuur.

2.7. Interne en externe participatie- en overlegstructuren De volgende paragrafen gaan respectievelijk dieper in op participatiestructuren en -organen binnen de school op niveau BaO en SO [2.7.1.], en op participatiestructuren en -organen die schooloverstijgend ingericht worden [2.7.2.]. De participatie- en overlegstructuren op lokaal en centraal niveau inzake de arbeidsvoorwaarden komen aan bod in [2.7.2.6.]. Voor de participatiestructuren op niveau hogescholen, zie [2.6.4.2.]; op niveau universiteiten, zie [2.6.4.3.].

2.7.1. Participatie en overleg binnen de school in het basis- en secundair onderwijs Een korte historiek. De participatie van ouders, leraars en de lokale gemeenschap was tot de jaren '90 zeer beperkt. Bij het autonoom worden van het gemeenschapsonderwijs en de creatie van een Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs ( ARGO) werd ook het medebeheer in lokale schoolraden geregeld (Bijzonder Decreet van 19 december 1988). In het gesubsidieerd onderwijs werden door het Decreet van 23 oktober 1991 betreffende medezeggenschap participatieraden met beperkter inspraakbevoegdheden gecreëerd en was sinds 1999 de oprichting van leerlingenraden geregeld.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 50


Een globale regeling van de lokale participatie in het basis- en secundair onderwijs kwam tot stand door het Decreet betreffende de participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, van 2 april 2004 (gewijzigd door het Onderwijsdecreet XV van 15 juli 2005). De nieuwe regeling is van toepassing op alle basis- en secundaire scholen (gewoon en buitengewoon, voltijds en deeltijds) met uitzondering van scholen buitengewoon onderwijs type 5. Zie Omzendbrief GD/2004/03 van 13 juli 2004. 2.7.1.1. De pedagogische raad, de ouderraad en de leerlingenraad in elke basis- en secundaire school In een basis- en secundaire school dienen vanaf 1 september 2004 een pedagogische raad, een ouderraad en een leerlingenraad te worden opgericht, als ten minste 10% (met een minimum van 3 personen) van respectievelijk de personeelsleden, de ouders en de leerlingen (in het basisonderwijs BaO uit de leeftijdsgroep van 11-13-jarigen) dit vragen. Ze worden samengesteld voor een periode van 4 jaar, via verkiezingen (de leerlingenraad in het lager onderwijs mogelijk ook op minder formele wijze). De bevoegdheden van deze raden (recht op informatie en recht op inzage van documenten en adviesrecht) worden uitgeoefend via hun vertegenwoordigers in de schoolraad. Daar ligt dan ook het zwaartepunt van de participatie. 2.7.1.2. De schoolraad in elke gesubsidieerde basis- en secundaire school In het gemeenschapsonderwijs blijven de bepalingen betreffende de schoolraad (vastgelegd in het bijzonder decreet van het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998) van toepassing (zie [2.6.2.1.1.]). In het gesubsidieerd onderwijs werden de bestaande participatieraden per 1 april 2005 vervangen door schoolraden. Met enkele uitzonderingen. • • •

Voor centra voor deeltijds onderwijs dient geen aparte schoolraad te worden opgericht. De participatierechten zullen worden uitgeoefend in de schoolraad van de school waarmee het centrum verbonden is. Ook scholen van het buitengewoon onderwijs type 5 moeten geen schoolraad hebben. Scholen met een participatief samengesteld schoolbestuur/inrichtende macht moeten evenmin een schoolraad hebben. Het bestuur dient dan wel voor minstens 2/3 te bestaan uit rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers van personeel en ouders, waarbij tussen beide groepen een billijk evenwicht dient te zijn. In het secundair onderwijs dienen bovendien de vertegenwoordigers van de leerlingen met raadgevende stem betrokken te worden bij het uitoefenen van de bevoegdheden tot overleg en verplicht advies.

Samenstelling • • • • • •

In het basisonderwijs BaO bestaat de schoolraad uit een gelijk aantal (minstens 2 hoogstens 5) vertegenwoordigers van ouders, personeel en lokale gemeenschap. In het secundair onderwijs daarenboven uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van leerlingen. In het buitengewoon onderwijs oordeelt de inrichtende macht in overleg met de pedagogische raad over de opname van een of meer leerlingen in de schoolraad. Wanneer echter opleidingsvorm 4 wordt aangeboden is die opname verplicht. De directeur is geen lid van de schoolraad, maar woont de vergaderingen bij met raadgevende stem. De vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap worden gecoöpteerd bij consensus door de andere geledingen. De andere vertegenwoordigers worden ofwel aangeduid door de respectievelijke ouder-, pedagogische of leerlingenraad, ofwel via verkiezingen door en uit de ouders, personeelsleden of leerlingen.

Bevoegdheden • •

•

De schoolraad heeft recht op informatie, op inzage van documenten en recht om (op eigen vraag of op verzoek) gehoord te worden. De schoolraad heeft zelf ook een communicatie- en informatieplicht over zijn werking. Het advies van de schoolraad is verplicht over: o de bepaling van het profiel van de directeur; o het studieaanbod; o het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere inrichtende machten en externe instanties; o de opstapplaatsen en de busbegeleiding van het leerlingenvervoer; o het nascholingsbeleid; o het beleid inzake experimenten en projecten. Het advies dient gemotiveerd te zijn en geleverd binnen de 21 dagen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 51


• •

De schoolraad kan ook op elk ogenblik op eigen initiatief advies uitbrengen. Voorafgaand overleg met de schoolraad is nodig bij beslissingen over: o het schoolreglement; o de lijst van bijdragen die aan de ouders kunnen worden gevraagd en de afwijkingen daarop; o het schoolwerkplan; o het beleidsplan of –contract met het CLB; o jaarplanning van extra-muros- en parascolaire activiteiten; o grote en niet-dringende infrastructuurwerken; o de criteria voor aanwending van lestijden, uren, uren-leraar en punten; o het welzijns- en veiligheidsbeleid op school (complementair aan de bevoegdheid van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk – zie [2.7.2.6.]); o duur en tijdstip van stageactiviteiten.

Bij problemen inzake participatie kan op vraag van de schoolraad of het schoolbestuur/inrichtende macht een bemiddelingscommissie worden ingeschakeld. Bestaande uit één persoon aangeduid door de schoolraad, één aangeduid door het schoolbestuur, één in overleg door de andere twee personen. Bij ernstige klachten over het besluitvormingsproces, de bevoegdheden of de niet-gevolgde-procedure, kan een klacht ingediend worden bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur (http://www.ond.vlaanderen.be/zorgvuldigbestuur). 2.7.1.3. Het medezeggenschapscollege op het niveau van de scholengemeenschap Alle basis- en secundaire scholen uit het gesubsidieerd onderwijs en het gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van de scholen van het buitengewoon onderwijs type 5, moeten op het niveau van de scholengemeenschap de inspraak van ouders, personeelsleden en leerlingen organiseren. Daartoe moeten alle schoolraden van de scholen behorend tot een scholengemeenschap vertegenwoordigd worden in een medezeggenschapscollege. Dit medezeggenschapscollege moet geraadpleegd worden door de scholengemeenschap telkens deze scholengemeenschap beslissingen op het niveau van de scholengemeenschap voorbereidt over aangelegenheden die de vertegenwoordigde geledingen aanbelangen. Bij beslissingen inzake de ordening van een rationeel onderwijsaanbod en beslissingen inzake leerlingenoriëntering - begeleiding moet deze raadpleging onder de vorm van overleg verlopen. 2.7.1.4. Klassenraden Van een klassenraad maken doorgaans alle leerkrachten deel uit die in een bepaalde klas lesgeven. De vergaderingen vinden plaats na de gewone lesuren. De klassenraad kan met drie functies worden belast en wordt dienvolgens, naargelang van het geval, aangeduid als respectievelijk ''toelatingsklassenraad'', 'begeleidende klassenraad' en 'delibererende klassenraad' (omzendbrief, S.O. 64). De twee laatste functies zijn het meest belangrijk. In het secundair onderwijs komt 'begeleidende klassenraad' doorgaans samen na een examenreeks of wanneer er een bepaald probleem gesitueerd wordt in de klasgroep of met een bepaalde leerling. De begeleidende klassenraad houdt zich voornamelijk bezig met het bespreken van het klasklimaat (verhoudingen binnen de klas, interesse en medewerking van leerlingen) met het opvolgen, evalueren en begeleiden van de studievordering en met het gedrag van de leerlingen (bvb. door middel van remediëringstaken bij gedrags- of studieproblemen). De 'delibererende klassenraad vindt plaats na de examens van juni en is bevoegd om te beslissen over het al dan niet slagen van een leerling. Deze klassenraad kent attesten, diploma's en getuigschriften toe en geeft advies over de verdere studie van leerlingen. 2.7.1.5. Informele overlegorganen : vakgroepen en personeelsvergaderingen In vele secundaire scholen wordt structureel overleg gevoerd tussen leerkrachten die verantwoordelijk zijn voor eenzelfde vak(kencluster). De invulling van deze vakgroepen (bvb. naar frequentie van vergaderen en aangaande de nagestreefde doelen) behoort tot de autonomie van de individuele school. Een sleutelfiguur in dit verband wordt de vakverantwoordelijke. Deze heeft doorgaans de supervisie over een vakgroep of vakkencluster (hij leidt de vakvergaderingen) en begeleidt beginnende leerkrachten.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 52


Een belangrijk overlegorgaan binnen scholen is de personeelsvergadering. Er zijn daaromtrent geen strikte voorschriften en de invulling ervan is dan ook sterk schoolafhankelijk. Bij wijze van voorbeeld verwijzen we naar de volgende beschrijving van de functie van personeelsvergadering op de website van een secundaire school. ''Eén maal per maand is er, afwisselend op maandag, dinsdag en donderdag, na de schooluren een personeelsvergadering. Alle leraren en secretariaatsmedewerkers dienen daarop aanwezig te zijn. De directeur overloopt daarin de tijdens de schoolraad besproken punten en informeert naar de reactie van de groep. Ook individuele personeelsleden kunnen punten op de agenda laten plaatsen. Eventuele op- of aanmerkingen worden tijdens de vergadering besproken. Na de vergadering wordt er door het secretariaat een verslag verspreid, met een overzicht van de besproken thema's en de genomen beslissingen'' (PSS, 2004).

2.7.2. Participatie en overleg tussen de verschillende actoren in het onderwijsveld De volgende paragrafen inventariseren de belangrijkste Vlaamse participatie- en overlegstructuren die schooloverstijgend ingericht worden. 2.7.2.1. Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) Voor de federalisering van het onderwijs werd zowel het overleg op alle onderwijsniveaus als het overleg met de socio-economische wereld georganiseerd in een aantal Hoge Raden. Al deze raden zijn momenteel door het Decreet van 31 juli 1990 samengebracht in de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). De VLOR heeft binnen de Vlaamse overheid het statuut van een strategische adviesraad (SA). Vertegenwoordigers uit het hele onderwijslandschap overleggen in de VLOR over het onderwijsbeleid. Op basis daarvan geeft de VLOR adviezen aan de Vlaamse minister van Onderwijs en het Vlaamse Parlement. De Vlaamse Onderwijsraad bestaat uit een Algemene Raad en aparte raden voor de verschillende onderwijsniveaus met deelcommissies : een Raad Basisonderwijs; een Raad Secundair Onderwijs; een Raad Hoger Onderwijs en een Raad Levenslang en Levensbreed Leren. Daarnaast zijn er nog speciale overlegplatforms, themacommissies en sectorcommissies voor het overleg met de vertegenwoordigers van de verschillende socio-economische sectoren. In de raden zitten vertegenwoordigers van de inrichtende machten (de koepelorganen GO, OVSG, POV, VSKO, OKO), het personeel (de onderwijsvakbonden ACOD, COV, COC, VSOA), de ouders (de ouderverenigingenkoepels VCOV, KOOGO, ROGO), de studenten (VSK, VVS, cursisten permanente vorming), instellingen hoger onderwijs (VLIR, VLHORA) de permanente vorming (VDAB, SYNTRA, SOCIUS) de socioeconomische wereld (Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen,SERV), sociaal-culturele organisaties (Statengeneraal van het middenveld); alsook ervaringsdeskundigen. Door het participatiedecreet werden ook rechtstreeks verkozen vertegenwoordigers van directeurs (BaO, SO, (DKO), CVO, VCLB) opgenomen. De samenstelling van de raden en afdelingen voor elk onderwijsniveau worden per decreet vastgesteld door de Vlaamse regering. De Vlaamse Onderwijsraad heeft bij decreet de algemene bevoegdheid gekregen voor studie, gezamenlijke actie en overleg, op eigen initiatief of op vraag van de minister van Onderwijs en Vorming, omtrent alle onderwijsaangelegenheden waarvoor de Vlaamse Gemeenschap verantwoordelijk is. Meer in het bijzonder moet de minister van Onderwijs, alvorens ermee naar het Vlaams parlement te gaan, een voorafgaand advies van de Vlaamse Onderwijsraad vragen voor alle voorontwerpen van decreet omtrent onderwijsaangelegenheden (met uitzondering van het budget voor onderwijs) en voor rapporten en documenten omtrent het te voeren beleid bestemd voor het Vlaams parlement. De Vlor stimuleerde ook de oprichting en het neemt het secretariaat waar van de EUNEC (European Network of Education Councils), zie http://www.eunec.org. Zie http://www.vlor.be 2.7.2.2. Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA In 1976 is de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) opgericht als een autonoom publiek orgaan met een eigen institutioneel statuut. De raad bestaat uit leden die de Vlaamse universiteiten vertegenwoordigen. Het verdedigt de belangen van de universiteiten en geeft advies aan de Vlaamse regering met betrekking tot aangelegenheden die de universiteiten aangaan (overleg, advies en aanbevelingen). Daarenboven organiseert de raad overleg onder de universitaire instellingen. Sedert enkele jaren functioneert er een gelijkaardig orgaan voor de hogescholen na de fusieoperatie van 1995, met name de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA). • •

http://www.vlir.be http://www.vlhora.be

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 53


2.7.2.3. Ouderverenigingen Veel scholen hebben hun eigen schoolgebonden oudervereniging. Deze verenigingen mengen zich doorgaans niet met het klas- en schoolgebeuren maar hebben enkel tot doel het contact en samenwerking tussen ouders en school, en tussen ouders onderling te bevorderen. Schooloverstijgend zijn er de ouderverenigingen die ressorteren onder de koepelorganisaties. •

• •

gemeenschapsonderwijs o ROGO, ouderverenigingen van het gemeenschapsonderwijs (een samengaan van het vroegere NVO – Nederlandstalig Verbond van ouderverenigingen en EVO – educatieve vereniging voor ouderwerking o www.rogovzw.be Katholiek onderwijs o VCOV, Vlaamse confederatie van ouders en ouderverenigingen o www.vcov.be gesubsidieerd officieel onderwijs o KOOGO, koepelvereniging van ouderwerkingen in het gesubsidieerd officieel onderwijs o www.sip.be/bo/gbs/oudervereniging/koogo.html

Het Decreet van 5 juni 1996 voorziet in een financiële ondersteuning van de ouderverenigingen, op voorwaarde dat de verenigingen binnen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd officiële onderwijsnet enerzijds en die binnen het vrije onderwijsnet anderzijds beslissen om samen te werken. Het decreet voorziet: een financiële basisvergoeding voor administratieve taken, projectgebonden financiële ondersteuning op jaarbasis en een maximum van 5 leerkrachten toegewezen aan de organisaties voor de bevordering van de ouders-schoolrelatie. Het doel van de ouderverenigingen is het vormen van een centrum dat ouders en de lokale ouderverenigingen helpt wegwijs te geraken in de onderwijswereld. Bovendien vertegenwoordigen en verdedigen ze de ideeën en belangen van de ouders naar de overheid en de buitenwereld. Op dit moment vertegenwoordigen ROGO, KOOGO en VCOV de ouders in de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). 2.7.2.4. Onderwijsvakbonden De onderwijsvakbonden zijn gestructureerd volgens de traditionele politieke strekkingen in de Vlaamse samenleving. De Algemene Centrale der Openbare Diensten – Sector Onderwijs (ACOD) behoort tot de sociaaldemocratische beweging. Het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt – Sector Onderwijs (VSOA) steunt op het liberale gedachtegoed binnen de Vlaamse samenleving. Twee vakbonden zijn christen-democratisch geïnspireerd. De eerste vakbond vertegenwoordigt leerkrachten uit het basisonderwijs BaO, namelijk het Christelijk Onderwijzersverbond (COV). De Christelijke Onderwijscentrale (COC) brengt de leerkrachten en docenten uit de secundaire scholen en de hogescholen samen. Deze vier vakbonden vertegenwoordigen de leerkrachten in de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). Er is ook een vereniging voor directeurs van het basisonderwijs in Vlaanderen, namelijk de Organisatie Directeurs Vlaams Basisonderwijs (ODVB). Ofschoon dit geen echte vakbond is, behartigen zij ook de belangen van hun leden. 2.7.2.5. Studenten- en leerlingenkoepelverenigingen Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen studenten- en leerlingenkoepelverenigingen. Deze koepelverenigingen komen in aanmerking voor subsidies van de Vlaamse regering, indien ze erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap en dus voldoen aan bepaalde statutaire voorwaarden. De subsidies dienen aangewend te worden voor werkingsuitgaven, personeelsuitgaven en voor uitgaven inzake projecten. De koepelvereniging brengt op verzoek van de Vlaamse regering advies uit en staat onder controle van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs (Decreet van 30 maart 1999). De studentenbeweging is structureel georganiseerd aan elke hogeschool en elke universiteit afzonderlijk. Op gemeenschapsniveau bestaat er één koepelorganisatie die de belangen van de studenten op pluralistische basis vertegenwoordigt, met name de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS). Dit orgaan bestaat uit twee centrales: één voor de hogescholen en één voor de universiteiten. De VVS sluit associatieakkoorden met de verschillende studentenorganisaties die de belangen van de studenten vertegenwoordigen aan de verschillende instellingen voor hoger onderwijs. Er zijn ook andere studentenorganisaties op gemeenschapsniveau, maar deze vertegenwoordigen de studenten niet als geheel. Zie http://www.vvs.ac

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 54


In 1997-1998 werd de eerste leerlingenkoepelvereniging opgericht door het VVS, met name de ''Vlaamse Scholierenkoepel'' (VSK). Deze heeft als doel op te komen voor de belangen van de scholieren in het secundair onderwijs. De basisdoelstellingen zijn leerlingeninspraak en participatie op klas-, school- en beleidsniveau, democratisering van het onderwijs en kinderrechten op school. VSK werkt ook netoverschrijdend: de leden komen uit alle netten (vrij, stedelijk en gemeentelijk, provinciaal en gemeenschapsonderwijs). De leden komen ook uit alle onderwijsvormen (KSO, ASO, BSO, TSO) en uit alle hoeken van het Vlaamse land. Zie http://www.vsknet.be 2.7.2.6. Participatie omtrent arbeidsvoorwaarden Voor de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden werden op centraal en lokaal niveau specifieke overlegorganen gecreëerd, die verschillen naargelang het onderwijsnet. 2.7.2.6.1. Op centraal niveau In het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs hebben dergelijke onderhandelingen altijd plaats gevonden in de zogenaamde paritaire organen voor de publieke sector. Op centraal niveau in het Sectorcomité X Onderwijs (voor het gemeenschapsonderwijs) en het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten – Afdeling 2 – Onderafdeling Vlaamse Gemeenschap (voor het gesubsidieerd officieel onderwijs). Op dit niveau zijn enkel de Vlaamse regering en de representatieve vakbonden vertegenwoordigd. Tevens werden een tussenoverlegcomité en basisoverlegcomités opgericht. De wet van 19 december 1974 en het Koninklijk Besluit van 28 februari 1984 organiseert de onderhandelingen tussen de vakbonden van de ambtenaren uit de publieke sector en de overheid. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs werd door het Decreet van 5 april 1995 een gelijkaardige structuur opgericht, met name het Overkoepelend Onderhandelingscomité. Dit comité bestaat uit drie delegaties: de Vlaamse regering, de representatieve onderwijsvakbonden en de inrichtende machten. Voorstellen zijn gedaan om ook de inrichtende machten te laten zetelen in het comité voor het gesubsidieerd officieel onderwijs. Voor het hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten en associaties) is, bij het departement onderwijs, een Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs opgericht. Dit door het Decreet van 19 maart 2004 (betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs enz.) en het Besluit van de Vlaamse regering van 21 januari 2005. Het is samengesteld uit een delegatie van de Vlaamse regering en vertegenwoordigers van de erkende vakorganisaties en van de besturen (paritair aangeduid door de VLIR en de VLHORA). Het behandelt de rechtspositieregeling van het personeel en de onderwijsorganisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsduur en/of de organisatie van het werk. 2.7.2.6.2. Op lokaal niveau In het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs zijn de paritair samengestelde organen voor het overleg over de arbeidsvoorwaarden op lokaal niveau de Basisonderhandelingscomités (BOC's), voorheen de basisoverlegcomités, (Wet van 15 december 1998). Voor het gemeenschapsonderwijs heeft het Besluit van de Vlaamse regering van 28 augustus 2000 de structuur ervan aangepast aan de nieuwe bestuursorganen zoals bepaald in het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs. Zo werden basiscomités opgericht op niveau van: • • • •

een school een centrum voor leerlingenbegeleiding een scholengroep de pedagogische begeleidingsdienst.

Tevens werden tussencomités opgericht op niveau van een scholengroep en op het centrale niveau. In het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn in 1995 bij Decreet van 5 april 1995 Lokale Onderhandelingscomités (LOC's) opgericht op schoolniveau, bestaande uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van het personeel en van de inrichtende macht. Daardoor is de lerarenparticipatie op schoolniveau gegarandeerd, ongeacht de grootte van de school (voorheen waren ondernemingsraden enkel verplicht in scholen met minstens 100 werknemers). Onderhandelingen in deze lokale overlegorganen zijn gericht op vijf domeinen: de administratieve reglementering van de arbeidsvoorwaarden van leraars en ander personeel (vakanties inbegrepen), de weddenschalen, de pensioenregeling, de verhouding met de vakbonden en de verschaffing van sociale voorzieningen. Sinds 15 mei 1999 kan er één Lokaal Onderhandelingscomité opgericht worden voor elke scholengemeenschap van het vrij gesubsidieerd onderwijs, bestaande uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van het personeel en van de

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 55


inrichtende machten. De LOC's hebben informatierecht, onderhandelingsbevoegdheid, toezichtsbevoegdheid en bemiddelingsbevoegdheid. De participatie van de werknemers in het welzijnsbeleid gebeurt in het vrij onderwijs via de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk (comité PBW). Deze moeten enkel verplicht worden ingericht in scholen met ten minste 50 werknemers. In het gemeenschaps- en gesubsidieerd officieel onderwijs worden die bevoegdheden opgenomen door de BOC's. Het Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV regelt de begeleiding van de lokale comités door de representatieve vakorganisaties. In de hogescholen functioneren hogeschoolonderhandelingscomités en departementale onderhandelingscomités (zie [2.6.4.2.1.] en [2.6.4.2.2.]. 2.7.2.7. Band met de arbeidsmarkt en met de andere opleidingsverstrekkers Voor het technisch en beroepsonderwijs zijn er de zogenaamde sectorcommissies opgericht voor alle grote segmenten van de arbeidsmarkt (metaalindustrie, textiel, voeding,…) (Wet van 20 september 1948; Geers en Van Weydeveldt, 1994). Binnen het kader van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) verkennen zij de nieuwe tendensen op de arbeidsmarkt en geven advies over nieuwe geplande initiatieven daaromtrent. In het bijzonder voor het volwassenenonderwijs zijn er permanente werkgroepen opgericht binnen de Subregionale Tewerkstellingscommissies (STC's). Deze werkgroepen hebben een overlegfunctie en doelen op een intense samenwerking tussen industrie, onderwijs en de werkgelegenheidscentra. Zij hebben daarenboven een formele adviesbevoegdheid met betrekking tot de planning van nieuwe opleidingsprogramma's in het volwassenenonderwijs. De Regionale Technologische Centra moeten de terbeschikkingstelling van hoogtechnologische apparatuur aan het onderwijs vergemakkelijken en de samenwerking met VDAB, Syntra en de sectorfondsen bevorderen. Zie verder [5.2.] en [5.18.]. Onderwijs is niet de enige verstrekker van onderwijs en vorming in Vlaanderen. Er zijn heel veel andere opleidingsverstrekkers actief. De lerenden kunnen kiezen tussen het aanbod van de diverse opleidingsverstrekkers. Om de lerenden een homogeen vormingsaanbod te kunnen aanbieden werd op 31 maart 2003 de Dienst Informatie Vorming en Afstemming (DIVA) opgericht (voorheen INTERFACE). DIVA is het instrument van de Vlaamse Regering voor de stimulering van het levenslang en levensbreed leren en de afstemming tussen de institutionele opleidingsverstrekkers. Het is een samenwerking tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, Werkgelegenheid, Cultuur en Economie, vertegenwoordigd door het volwassenenonderwijs (OSP, BIS en basiseducatie), de VDAB, SYNTRA-Vlaanderen en het Steunpunt voor Sociaalcultureel Volwassenenwerk (SoCiuS). Zie [1.2.2.5.3.] en [7.2.(- 0.2)]. Binnen het departement onderwijs en vorming houdt de DBO, Dienst Beroepsopleiding zich bezig met de beroepsopleiding in de breedst mogelijke context. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/nl/dbo_algemeen_wat.htm Zie ook secundair onderwijs [5.18.], volwassenenonderwijs en beroepsopleiding [7.15.], buitengewoon secundair onderwijs [10.6.10.].

2.8. Financiering en onderwijsbudget Dit deel behandelt enkel de openbare onderwijsuitgaven van de federale en gemeenschapsoverheid. Voor de totale kost moet men daarnaast rekening houden met de (beperkte) financiering door provincies en gemeenten in het gesubsidieerd officieel onderwijs en kerkautoriteiten en private personen in het gesubsidieerd vrij onderwijs. Voor de voorwaarden tot financiering zie [2.3.3.]. Over de overheidsfinanciering van het onderwijs bestaat er een veelheid aan informatie, maar gedetailleerde informatie over de andere financieringsbronnen is schaars, waardoor het onmogelijk is om een allesomvattend beeld over de reële kost van het onderwijs te geven.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 56


2.8.1. Herkomst van de middelen voor onderwijs In 1989 werd het onderwijs in België gecommunautariseerd. Sindsdien zijn het de Vlaamse, de Franse en de Duitse Gemeenschap die het onderwijs financieren. Daartoe kregen deze dotaties van de federale staat,volgens een verdeelsleutel die in 1999 diende aangepast te worden aan het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde criteria. Deze aanpassing vormde lang een politiek probleem dat geregeld werd door de wet van 23 mei 2000. Enkel het aantal leerlingen van 6 tot 17 jaar oud, die ingeschreven zijn als regelmatige leerling in het lager of secundair onderwijs in een onderwijsinstelling georganiseerd of gesteund door de Vlaamse of de Franse Gemeenschap, worden geteld. De telling heeft plaats op 1 februari en de data worden bekend gemaakt aan het Rekenhof voor 15 de mei van elk jaar. Het Rekenhof controleert de data nauwkeurig. Het Lambermont akkoord (2001) herzag de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 en zorgde o.m. voor meer financiële middelen. De financiering van het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap wordt geregeld door een aparte wet en gegeven de kleine omvang van deze onderwijssector wordt er rekening gehouden met de specifieke behoeften die in 1990 zijn vastgesteld.

2.8.2. De omvang van de middelen voor onderwijs Voor de evolutie van het onderwijsbudget, de verdeling van de middelen over onderwijsnetten, niveaus en iutgavencategories, zie de statistieken. Hier behandelen we kort de specifieke financiering van de permanente vorming. OSP Het volwassenenonderwijs (OSP) kent alleen een overheidsfinanciering van de personeelsleden. De centra ontvangen geen werkingsbudgetten. Ze ontvangen wel voor de cursisten vrijgesteld van inschrijvingsgeld een minimale compensatie van de overheid voor het gederfde inschrijvingsgeld. BIS BIS wordt gefinancierd door de Vlaamse overheid. Een deel van de werkingskosten worden gerecupereerd via het inschrijvingsgeld voor cursisten. Basiseducatie De basiseducatie is gefinancierd via een stelsel van enveloppenfinanciering. Het werk in de Centra voor Basiseducatie (CBE's) wordt gefinancierd op basis van een globaal bedrag (enveloppe) per deelnemersuur. Het bedrag dekt de volledige loonkost en de organisatiekosten van de centra voor het volume van erkende deelnemersuren. Het VOCB ontvangt jaarlijks een globale toelage. Deze toelage is berekend op basis van de personeelskosten, werkingskosten en een bedrag voor de financiering van experimentele of tijdelijke projecten. De Vlaamse regering legt ook het aantal deelnemersuren vast waarop de Centra voor Basiseducatie (CBE's) in een kalenderjaar voor subsidiëring aanspraak kunnen maken. Beroepsopleiding VDAB De VDAB is een Extern Verzelfstandigd Agentschap (zie [1.2.2.]). De werking van de VDAB wordt grotendeels gefinancierd door de Vlaamse overheid. In dit kader sluit de VDAB met de Vlaamse Regering een Beheersovereenkomst af. Naast de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap zijn er ook inkomsten van de Europese Unie en uit facturatie aan werkgevers. Ondernermersvorming SYNTRA-Vlaanderen Het agentschap SYNTRA-Vlaanderen wordt gesubsidieerd en beschikt over eigen inkomsten. Het erkent en subsidieert de regionale centra. Deeltijds kunstonderwijs DKO De academies voor deeltijds kunstonderwijs ontvangen een lesurenpakket op basis van het leerlingenaantal geteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Daarnaast betaalt de Vlaamse Gemeenschap ook werkingsmiddelen uit.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 57


Sociaalcultureel volwassenenwerk Enveloppenfinanciering De overheid stuurt de sociaal-culturele organisaties in de door haar gewenste richting door ze financieel te ondersteunen. Het decreet vormt de wettelijke basis voor de structurele subsidie die zij krijgen indien ze aan de voorwaarden voldoen. Het nieuwe decreet maakt niet langer strikt onderscheid tussen de subsidies voor personeelskosten, werkingskosten en basiskosten. De organisaties krijgen een enveloppe. Indexaanpassingen en eventuele sancties niet te na gesproken, gaat het jaarlijks om hetzelfde bedrag gedurende een beleidsperiode. Vermits het decreet bepaalt dat elke organisatie over een minimum aan personeel moet beschikken - dit minimum varieert naargelang de werksoort - is de besteding van de enveloppe niet geheel vrij. Voor de verenigingen en sommige vormingsinstellingen geldt bovendien dat ze minstens 2/3 van het subsidiebedrag aan personeelskosten moeten besteden. Anders dan vroeger moet het subsidiebedrag niet volledig worden uitgegeven in het jaar waarvoor het werd toegekend. Organisaties mogen een reserve aanleggen, mits ze het geld in de lopende beleidsperiode effectief uitgeven en ze deze werkwijze in hun beleidsplan hebben verantwoord. Basis en variabel bedrag De enveloppe die verenigingen en gespecialiseerde vormingsinstellingen krijgen, bestaat uit een basisbedrag en een variabel bedrag. Het basisbedrag houdt rekening met de grootte van de organisaties (aantal afdelingen voor de verenigingen, aantal cursusuren over het thema voor de gespecialiseerde vormingsinstellingen) vóór het decreet 2003. Op basis van de beoordeling van het beleidsplan van deze organisaties door de administratie en door een adviescommissie kan dit bedrag vermeerderen of verminderen. De bewegingen krijgen een bedrag op basis van de beoordeling van hun beleidsplan. In het decreet staan minimum- en maximumbedragen per organisatie en het totale bedrag dat voor de bewegingen wordt gereserveerd, ingeschreven. De volkshogescholen krijgen vanaf 2005 1,5 euro per inwoner in hun werkgebied, onafhankelijk van hun realisaties of de kwaliteit van hun beleidsplan.. Andere subsidies Geen enkele organisatie komt rond met het subsidiebedrag dat ze als sociaal-culturele volwassenenorganisatie van de minister van Cultuur krijgt. Organisaties vullen dit bedrag aan met eigen inkomsten (zoals bijdragen van deelnemers en giften) én met andere subsidies. Het gaat om provinciale subsidies (elke provincie heeft een eigen reglement), subsidies van andere Vlaamse of federale ministers (als het thema of de doelgroep van de organisatie aansluit bij een ander beleidsdomein) en Europese projectsubsidies.

2.8.3. Relevante thema's inzake onderwijsfinanciering Het probleem van de verdeling van de middelen over de onderwijsnetten heeft continu op de politieke agenda gestaan en is verbonden met twee basisprincipes in de onderwijswetgeving: de vrije schoolkeuze en de leerplicht. Algemeen wordt aangenomen dat het gemeenschapsonderwijs een relatief hogere financiering vereist om zo in staat te zijn onderwijs te organiseren op dezelfde wijze als in de andere grote netten. Daarvoor worden verschillende argumenten ingeroepen: • • • •

omwille van historische redenen heeft het katholiek onderwijs grotere (eigen) activa tot haar beschikking en ontvangt het gesubsidieerd officieel onderwijs bijkomende middelen van de provincies en gemeenten; het officieel onderwijs is verplicht om alle leerlingen te aanvaarden, wat betekent dat dit net een relatief hoger aandeel kinderen opvangt van socio-economisch zwakke gezinnen en kinderen met leermoeilijkheden; de vereiste voor alle officiële scholen om zowel niet-confessionele zedenleer als godsdienstlessen in te lassen resulteert in hogere kosten dan de vrije scholen die enkel godsdienstonderricht geven; het netwerk van gemeenschapsscholen is minder sterk gespreid, waardoor de voordelen van schaalvergroting niet werken.

Bij Decreet van 25 februari 1997 is vastgelegd dat de hoogte van de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gesubsidieerd basisonderwijs tussen 75,8% en 76,2% moet liggen van het bedrag van de werkingsmiddelen voor elk leerling van het gemeenschapsbasisonderwijs (de financiering van het onderhoudspersoneel niet inbegrepen). De hervorming van het secundair onderwijs, zoals staat in het Decreet van 14 juli 1998 regelt de verdeling van de werkingsmiddelen tussen het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs op een gelijkaardige manier (artikel 100 van dit decreet). Het Decreet stelt dat de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gesubsidieerd vrij secundair onderwijs in 2007, 76% moet zijn van de werkingsmiddelen voor elke leerling in het gemeenschapssecundair onderwijs.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 58


Omwille van de bestaande meningsverschillen over de gegrondheid van de 'objectiveerbare verschillen' en omwille van de complexiteit van de materie, waardoor het niet mogelijk was om een objectieve kijk te verwerven, heeft de Vlaamse regering in 1997 beslist om een studie te laten uitvoeren die klaarheid moest brengen in deze materie. Ondertussen zijn de resultaten van deze studie ''Inkomsten en uitgaven van scholen in Vlaanderen. Kwantificering van de objectiveerbare verschillen.'', uitgevoerd door het studiebureau Deloitte en Touche, bekend. De voornaamste conclusie van het rapport is dat het onderwijsnet waartoe een school behoort, weinig verschil maakt in de behoeften aan werkingsmiddelen die ze heeft. Dit betekent dat de huidige grote verschillen in subsidiëring van de scholen naargelang het net waartoe ze behoren, niet gegrond zijn in 'objectiveerbare behoeften'. De studie suggereert dan ook de werkingsmiddelen van scholen gelijk te maken voor de scholen van alle netten en alleen verschillen toe te laten op basis van leerlingenkenmerken (kansarmoede bijvoorbeeld) (Deloitte en Touche, 2001). De schoolpactwetgeving stelt dat gesubsidieerde onderwijsinstellingen, internaten en CLB's die beantwoorden aan de criteria van rationalisatie en –programmatieplannen voor investeringen beroep kunnen doen op de overheid. Aanvankelijk het Nationale Garantiefonds voor schoolgebouwen, later de DIGO, Dienst infrastructuurwerken van het gesubsidieerd onderwijs, opgericht bij decreet betreffende het onderwijs, van 5 juli 1989. Vlaamse Autonome hogescholen (door de gemeenschap gefinancieerd) konden beroep doen op de IVAH, Investeringsdienst voor de Vlaamse Autonome Hogescholen, opgericht bij decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Voor basis- en secundaire scholen uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt samengewerkt met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (zie [1.2.3.]). Binnen het kader van de algemene reorganisatie van de Vlaamse overheid, het project Beter Bestuurlijk Beleid (zie [1.2.2.] en [1.2.2.1.]) werden beide organen DIGO en IVAH opgenomen in een nieuw Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, AGIOn, opgericht bij decreet van 7 mei 2004 en operationeel sinds 1 april 2006. Tot de taken van AGIOn behoren: •

• • • • •

het subsidiëren van de aankoop, de bouw, de verbouwing én de eerste uitrusting van gebouwen bestemd voor de gesubsidieerde onderwijsinstellingen, centra voor leerlingenbegeleiding en internaten. De toegekende subsidies bedragen 70% voor het basisonderwijs BaO en 60% voor andere onderwijsniveaus, CLB's en internaten; de financiering van de investeringen van de hogescholen; het stimuleren en uitvoeren van net- en beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking inzake onderwijsinfrastructuur; coördinatie, sturing en regie van publiek-publieke en publiek-private samenwerking inzake onderwijsinfrastructuur; het verlenen van een waarborg voor de terugbetaling van kapitaal, intresten en bijhorende onkosten van leningen die werden aangegaan met het oog op de financiering van het niet-gesubsidieerde gedeelte van de subsidiabele kostprijs (30% of 40%); de federale leningen beheren aangegaan voor 1 januari 1989, voor het gesubsidieerd vrij en officieel onderwijs.

Het hogescholendecreet voorziet in investeringsmiddelen voor hogescholen. Deze middelen worden volgens vastgestelde criteria toegekend. AGIOn beheert deze middelen. Het college van algemeen directeurs van de hogescholen (dat opnieuw werd samengesteld) beslist hierover. In 2005 beschikte de DIGO over volgende middelen. Vrij leerplichtonderwijs Officieel leerplichtonderwijs Vrije hogescholen Officiële hogescholen Totaal

87.092.343 € 20.740.299 € 12.222.000 € 1.315.000 € 121.369.642 €

Op 21 december 2005 werd het Vlaams begrotingsdecreet 2006 goedgekeurd. Het budget dat DIGO/AGIOn ter beschikking krijgt is 21.052.000 € voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en 88.399.000 € voor het gesubsidieerd vrij onderwijs (excl. middelen voor de hogescholen). Daarenboven voorziet de meerjarenbegroting in een bijkomend bedrag van 50 miljoen euro in 2006 en in 2007, 75 miljoen in 2008 en in 2009. Op 19 mei 2006 werd een decreet inhaaloperatie scholenbouw goedgekeurd. De investeringsnood voor schoolgebouwen is de afgelopen decennia zo opgelopen (volgens de laatste ramingen 1,9 miljard euro, waarvan ongeveer 1,4 miljard euro via subsidies van de Vlaamse overheid moeten komen), dat hij niet te lenigen is met de

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 59


reguliere budgetten. Minister Vandenbroucke zal daarom een beroep doen op alternatieve financiering. Hij wil een private vennootschap selecteren, die de bouw- en onderhoudsrisico's van de projecten op zich neemt. Dat wil zeggen dat elk project binnen een bepaalde termijn wordt afgewerkt, voor een vooraf bepaalde prijs. Ook de grotere herstellingen moeten door de vennootschap gebeuren. De formule is een nieuwe variant op het DBFMconcept (design, build, finance and maintain). De vennootschap zal 1 miljard euro investeren en moet ervoor zorgen dat alle projecten snel gerealiseerd worden, vermoedelijk tussen 2007 en 2011. In ruil krijgt ze gedurende 30 jaar een beschikbaarheidsvergoeding van de scholen, die wel onmiddellijk eigenaar worden. De vergoeding wordt gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, volgens de spelregels die vandaag gelden voor subsidiĂŤring of financiering van scholenbouw, d.w.z. voor 100%, 70% of 60%. De vennootschap kan alleen uit financiĂŤle partners bestaan. Voor het uitvoeren van de bouwprojecten zal concurrentie georganiseerd worden tussen aannemers. Het decreet bevat ondermeer de procedure om een vennootschap aan te duiden. Het geeft ook een wettelijke basis aan de commissie die de projecten moet selecteren. Ook de rol van de Vlaamse Bouwmeester wordt verduidelijkt. Hij zal samen met de vennootschap en de betrokken inrichtende macht de ontwerpen beoordelen. Bij gewone projecten moet de Bouwmeester een verplicht advies leveren, bij modelprojecten moeten de drie partijen unaniem beslissen. Hier heeft de Bouwmeester dus medebeslissingsbevoegdheid. Voor rationeel energiegebruik wordt van 2007 tot 2011 elk jaar 20 miljoen euro extra voorzien binnen het reguliere budget. Zie: http://www.agion.be

2.8.4. Belangrijkste posten in de financiering De belangrijkste posten in de begroting van het Vlaamse onderwijs zijn als volgt verdeeld. 2005 Salarissen (*) Werking Hoger Onderwijs Investeringen Andere Totaal

5.598.392 693.383 1.355.442 187.592 202.704 8.037.513

% 69,6 8,62 16,8 2,3 2,52 100

Voor details en de evolutie 2003-2005: zie [2.9.9.]. (*) Salarissen: alle directeurs, leden van het onderwijzend en paramedisch personeel van het basis en secundair onderwijs, ongeacht het onderwijsnet, worden direct door de Vlaamse Gemeenschap betaald. Elke school wordt een urenpakket (basis- en buitengewoon onderwijs), een aantal uren-leerkracht (secundair onderwijs) of een allesomvattend budget (hoger onderwijs) toegewezen, afhankelijk van het aantal studenten, dat kan worden aangewend en verdeeld in overeenstemming met de noden tussen de niveaus, onderwijsvormen, studierichtingen, enzovoort.

2.8.5. Financiering en financieel beheer We behandelen achtereenvolgens het beheer in o o o

de onderwijsnetten, zie [2.8.5.1.] de hogescholen, zie [2.8.5.2.] de universiteiten anderzijds, zie [2.8.5.3.]

Voor het hoger onderwijs wordt een nieuw financieringsmechanisme voorbereid, zie [6.2.]. 2.8.5.1. Financiering en financieel beheer in de verschillende netten De regels en procedures met betrekking tot het financieel beheer opgelegd aan de schoolbesturen verschillen grondig tussen de onderwijsnetten. In het gemeenschapsonderwijs zijn de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de inrichtende machten (Bijzonder Decreet van 14 juli 1998). De Raad van het Gemeenschapsonderwijs blijft bevoegd voor de definitie van de regels voor de toewijzing van de middelen tussen de scholengroepen. De

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 60


scholengroepen zelf zijn bevoegd voor het autonoom financieel en materieel beheer van de scholen die tot de scholengroep behoren. Een College van Accountants, aangesteld door de Vlaamse Regering, heeft een controlerende taak over het financieel beleid van de scholengroepen. Het College is tevens belast met het financieel toezicht op de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. Het College van Accountants bestaat uit 5 leden en is aangesteld voor 4 jaar. In het gesubsidieerd officieel onderwijs zijn de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor het financieel beheer van de scholen. Het budget moet worden goedgekeurd op een hoger niveau - de Bestendige Deputatie (het provinciebestuur) voor het gemeentelijk budget en de Vlaamse regering voor het provinciale budget. Financiële beslissingen op een lager niveau kunnen op hoger niveau worden geschorst wanneer de wetgeving niet wordt nageleefd (Devos, e.a., 1998). De schoolbesturen van het gesubsidieerd vrij onderwijs hebben een heel grote autonomie. Zij moeten niet aan regels gehoorzamen voor de opstelling van een budget en hun budget moet niet worden goedgekeurd door een hogere instantie. Ze moeten enkel voldoen aan een aantal basisvoorwaarden met betrekking tot de verkregen werkingsmiddelen. Dus de bekendmaking van alle inkomsten en uitgaven zijn niet vereist in het vrije onderwijsnet (Devos, e.a., 1998). 2.8.5.2. Financiering van de hogescholen Het Decreet op de hogescholen van 13 juli 1994 legt een totaalbedrag voor alle hogescholen vast, dat geïndexeerd wordt overeenkomstig de stijging van de loonkost en de prijzen. In het begotingsjaar 2005 was dat bedrag gelijk aan 536.011.719,26 euro verhoogd met aanvullende middelen (5.602.000 euro) voor de omvorming van hogeschoolopleidingen naar de bachelor-masterstructuur (en voor de wijze waarop ze bij die omvorming de innovatie en flexibilisering van het onderwijs gestalte geven) en met extra middelen (10,9 miljoen euro in 2005) voor de academisering van de opleidingen van twee cycli. Vooraleer er een verdeling tussen de hogescholen kan worden uitgevoerd, doet men een voorafname om bepaalde kosten te dekken. Het gaat om kosten waar de regering nog steeds direct in tegemoet komt, zoals de loonkosten voor een deel van het personeel. Na deze voorafname blijft er een globaal bedrag over voor de werkingsuitkeringen van de hogescholen. Het bedrag is per hogeschool bepaald op basis van de volgende criteria: • • •

het historisch forfait: de kost van de hogeschool in het verleden; de studentenaantallen (vijfjaarlijks gemiddelde); de onderwijsbelasting: een combinatie van studentenaantallen (driejaarlijks gemiddelde) en van de puntgewichten toegekend aan de opleidingen.Vier groepen worden onderscheiden waaraan de volgende gewichten worden toegekend: o 1 : handelswetenschappen en bedrijfskunde, opleidingen van twee cycli van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst en de opleiding van 1 cyclus van het studiegebied muziek en dramatische kunst, o 1,2 : toegepaste taalkunde en opleidingen van één cyclus in industriële wetenschappen en technologie en nautische wetenschappen, o 1,4 : architectuur, biotechnologie, sociaal-agogisch werk, opleidingen van twee cycli in de industriële wetenschappen en technologie en nautische wetenschappen en de opleidingen van één cyclus van het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst, o 1,6 : productontwikkeling, gezondheidszorg en onderwijs.

Binnen de werkingsuitkeringen vallen ook de kosten voor samenwerkingsakkoorden en associaties.(Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen). Met ingang van het academiejaar 2004-2005 zijn enkel de bachelors- en mastersopleidingen die voorkomen in het hoger onderwijsregister financieerbaar, alsook de basisopleidingen die in afbouw zijn. De Vlaamse Gemeenschap verstrekt ook investeringsuitkeringen. Investeringsuitkeringen begrotingsjaar 2005 in euro Vlaamse Autonome hogescholen Gesubsidieerde officiële hogescholen Gesubsidieerde vrije hogescholen

Vlaams Eurydice rapport 2006

7.561.000 1.315.000 12.222.000

2 Algemene organisatie / 61


Voor investeringen konden de Vlaamse Autonome Hogescholen beroep doen op de IVAH, investeringsdienst voor de Vlaamse Autonome Hogescholen, de gesubsidieerde hogescholen op de DIGO. Sinds 1 april 2006 zijn deze organen opgegaan in het nieuwe Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, AGIOn (zie [2.8.3.]). Bovendien subsidieert de Vlaamse regering jaarlijks het projectmatig wetenschappelijk onderzoek van het hoger professioneel onderwijs. Daarvoor waren in 2005 twee subsidie-enveloppes beschikbaar van 3 en 4,5 miljoen euro. In 2004 en 2005 werden tevens aan sommige hogescholen forfaitaire bedragen toegekend voor de overname van sommige afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie door de betreffende hogescholen. De regering draagt ook bij in de financiering van de sociale voorzieningen aan de hogescholen en de hogescholen zijn gerechtigd om inschrijvingsgeld te vragen. Het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap bepaalt dat de hogescholen een inschrijvingsgeld mogen vragen van minimum € 62 en maximum € 360 per jaar voor een student die geen recht heeft op een studiebeurs. In 2006 wordt een ingrijpend nieuw financieringssysteem voor het gehele hoger onderwijs (hogescholen, universiteiten, associaties) door de minister van onderwijs aan de regering voorgelegd. De hogescholen genieten een grote mate van autonomie omtrent het beleid dat zij willen volgen met het toegewezen geld. Zij zijn echter wel gebonden door een aantal decretale voorschriften, zoals inzake de aanwerving en benoeming van personeelsleden. De naleving van deze regels wordt gecontroleerd door een Commissaris van de Vlaamse regering en een inspecteur van financiën. De commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de hogeschool en dan moet de Vlaamse regering de beslissing beoordelen. Net zoals de universiteiten moeten de hogescholen regels opstellen voor de interne verdeling van de middelen. 2.8.5.3. Financiering van de universiteiten Het Decreet van 12 juni 1991 had o.m. als doel om meer autonomie en lokale financiële verantwoordelijkheid te geven aan de universiteiten. Vanaf dan werden universiteiten voor 50% gefinancierd in functie van het aantal studenten op 1 februari van het voorgaande academiejaar (waarbij verschillende gewichten werden toegekend naargelang de aard van het studieveld – 1 voor menswetenschappen, 2 voor kandidaturen toegepaste een biomedische wetenschappen en 3 voor de 2e cyclus daarvan). De andere 50% was vast en varieerde in functie van de index van consumptieprijzen en de loonkosten. Op die manier werden de uitgaven stabieler en werd langetermijnplanning mogelijk. Vanaf dan is het financieringssysteem regelmatig op kleine punten aangepast door verschillende decreten. Als gevolg van de ongelijke groei in het aantal onderwijsbelastingseenheden in de universiteiten, ontstond er in de verschillende universiteiten een ongelijke financiering per student. Artikel 96 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende Onderwijs IX poogde dit probleem te corrigeren door het verdelen van een extra bedrag. Dit decreet veranderde ook de financiële formule. Maar om een optimalisatie en rationalisatie van het universitair onderwijsaanbod te kunnen realiseren was een nieuwe financieringswijze nodig. Deze zal in 2006 worden vastgelegd. In afwachting daarvan is een overgangsperiode ingesteld van 2001 tot 2004 (Decreet van 7 december 2001), later tot 2006 (Decreet van 24 juni 2005) waarbinnen de financiering onafhankelijk is van fluctuaties in studentenaantallen. De werkingsuitkeringen van de universiteiten bestaan daarin uit de volgende onderdelen: • • • •

een forfaitair bedrag;· een extra bedrag ter aanvulling op het forfaitair bedrag;· een bedrag voor de voortgezette academische opleidingen; · aanvullende middelen die toegekend worden bij wijze van convenants tussen de Vlaamse regering en universiteitsbesturen.

Naast werkingsuitkeringen staat de regering ook in voor sociale faciliteiten. Elk jaar bepaalt het Vlaams parlement, op advies van de Vlaamse interuniversitaire Raad (VLIR), het minimum en maximum inschrijvingsgeld en het inschrijvingsgeld voor de examens van de academische cursussen en van voortgezette academische opleidingen. Het advies van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) met betrekking tot het inschrijvingsgeld voor het academisch jaar 2004-2005 was

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 62


Niet-beursstudent Bijna-beursstudent Beursstudent

Voltijds student 502 263 80

Deeltijds student 276 150 53

Bijkomende inschrijving 163 109 55

Aanvullend bepaalt het decreet van 18 mei 1999 dat het universiteitsbestuur, volgens bepaalde criteria, een hoger inschrijvingsgeld kan vragen voor specialisatiecursussen. De universiteiten genieten van een zekere mate van autonomie wat betreft het financieel beleid. Het naleven van de wet wordt evenwel opgevolgd door een Commissaris van de Vlaamse Regering en een financieel inspecteur. De Commissaris kan in beroep gaan tegen een beslissing van de universiteit, waarover de Vlaamse regering moet beslissen. De Vlaamse regering geeft sinds september 2002 (Besluit van 13/09/02) ondersteuning aan de Interfaceactiviteiten van de universiteiten. Interface-activiteiten zijn activiteiten ter bevordering van: • • •

de samenwerking tussen de universiteiten en bedrijven;· de economische valorisatie van het universitair onderzoek;· de oprichting van spin-off bedrijven door de universiteiten.

De Interfacediensten moeten om de 5 jaar een beleidsplan opstellen waarin de hoofdlijnen worden geschetst van het gevoerde valorisatiebeleid en van de aanwending van de financiële steun. Dit beleidsplan moeten ze voorleggen aan het IWT-Vlaanderen.

2.9 Statistieken 2.9.1 Schoolbevolking in het voltijds onderwijs naar inrichtende macht en geslacht, schooljaar 2004-2005 Gemeen-

Privaat-

Vlaamse

Intercom-

schaps-

rechtelijk

Provincie

Gemeente

Gemeen-

munale

onderwijs

rechts-

schaps-

persoon

commissie

Jongens

Meisjes

Totaal

114.455

233.172

BASISONDERWIJS Kleuteronderwijs Gewoon

32.306

Buitengewoon Totaal kleuteronderwijs

148.253

129

52.484

-

-

118.717

552

1.110

-

91

38

-

1.199

592

1.791

32.858

149.363

129

52.575

38

-

119.916

115.047

234.963

54.161

251.331

214

88.204

-

-

197.962

195.948

393.910

Lager onderwijs Gewoon Buitengewoon Totaal lager onderwijs TOTAAL BASISONDERWIJS

5.819

16.656

614

3.632

47

-

16.721

10.047

26.768

59.980

267.987

828

91.836

47

-

214.683

205.995

420.678

92.838

417.350

957

144.411

85

-

334.599

321.042

655.641

557

679

103

356

-

-

927

768

1.695

63.899

SECUNDAIR ONDERWIJS Anderstalige nieuwkomers 1ste graad 1ste leerjaar A

9.772

50.807

1.138

2.170

12

-

32.114

31.785

1ste leerjaar B

2.015

5.545

461

811

15

-

4.956

3.891

8.847

2de leerjaar

8.842

48.404

1.077

2.032

15

-

30.276

30.094

60.370

2de leerjaar BVJ Totaal 1ste graad

3.341

7.785

771

1.207

37

-

7.525

5.616

13.141

23.970

112.541

3.447

6.220

79

-

74.871

71.386

146.257

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 63


2de graad Algemeen

10.163

50.870

288

1.451

-

-

28.553

34.219

62.772

Technisch

5.064

35.210

2.135

2.304

45

-

25.872

18.886

44.758

Kunst Beroeps Totaal 2de graad

541

1.319

298

464

-

-

960

1.662

2.622

7.553

18.897

1.791

2.471

74

-

16.959

13.827

30.786

23.321

106.296

4.512

6.690

119

-

72.344

68.594

140.938

3de graad Algemeen

8.044

40.806

288

1.041

-

-

21.768

28.411

50.179

Technisch

5.600

35.587

2.257

2.206

44

-

26.050

19.644

45.694

Kunst Beroeps Totaal 3de graad

526

1.490

360

557

-

-

1.075

1.858

2.933

8.944

25.702

2.301

2.848

74

-

21.438

18.431

39.869

23.114

103.585

5.206

6.652

118

-

70.331

68.344

138.675

-

261

-

-

-

-

28

233

261

-

261

-

-

-

-

28

233

261

221

1.862

165

815

-

-

1.530

1.533

3.063

284

3.436

330

109

-

-

522

3.637

4.159

71.467

328.660

13.763

20.842

316

-

220.553

214.495

435.048

3.831

11.248

291

1.654

95

274

10.858

6.535

17.393

75.298

339.908

14.054

22.496

411

274

231.411

221.030

452.441

168.136

757.258

15.011

166.907

496

274

566.010

542.072

1.108.082

31.303

44.696

75.999

14.930

10.256

25.186

46.233

54.952

101.185

8.886

9.768

18.654

5.441

7.128

12.569

11.052

14.730

25.782

25.379

31.626

57.005

71.612

86.578

158.190

637.622

628.650

1.266.272

4de graad Totaal 4de graad modulair onderwijs op het niveau van de 2de en 3de graad modulair onderwijs op het niveau van de 4de graad Totaal gewoon secundair Totaal buitengewoon secundair TOTAAL SECUNDAIR ONDERWIJS TOTAAL BASIS- EN SECUNDAIR ONDERWIJS HOGER ONDERWIJS Hogescholenonderwijs Professioneel gerichte bachelorsopleidingen en basisopleidingen van één cyclus Academisch gerichte opleidingen en basisopleidingen van twee cycli en HOKT SP Totaal hogescholenonderwijs Universitair onderwijs Academisch gerichte bachelorsopleidingen Kandidaturen Licenties Totaal universitair onderwijs TOTAAL HOGER ONDERWIJS ALGEMEEN TOTAAL

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 64


2.9.2 Evolutie van de totale schoolbevolking in het voltijds onderwijs vanaf het schooljaar 1993-1994 Schooljaar

Kleuteronderwijs (1)

Lager onderwijs (1)

Secundair onderwijs (1)

Hogescholenonderwijs (2)(3)

Universitair onderwijs (4)

Totaal

1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999

249.139 254.731 255.477 253.043 247.515 242.621

414.528 412.589 412.723 417.369 424.110 429.956

448.988 451.917 450.793 447.775 441.867 436.025

90.651 90.155 91.046 93.976 97.574 99.933

50.887 52.777 55.298 56.416 56.902 57.170

1.254.193 1.262.169 1.265.337 1.268.579 1.267.968 1.265.705

1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

240.654 240.582 239.504 238.143 236.671 234.963

434.272 435.535 434.320 431.209 426.567 420.678

431.027 429.106 430.163 435.781 444.714 452.441

98.536 99.258 99.339 99.661 100.178 101.185

56.740 56.118 56.693 56.839 56.839 57.005

1.261.229 1.260.599 1.260.019 1.261.633 1.264.969 1.266.272

Schooljaar

Aandeel jongens

Aandeel meisjes

Absoluut

%

Absoluut

%

1993 - 1994

640.185

51,04

614.008

48,96

1994 - 1995

643.731

51,00

618.438

49,00

1995 - 1996

644.216

50,91

621.121

49,09

1996 - 1997

645.586

50,89

622.993

49,11

1997 - 1998

644.282

50,81

623.686

49,19

1998 - 1999

642.022

50,72

623.683

49,28

1999 - 2000

638.243

50,60

622.986

49,40

2000 - 2001

636.814

50,52

623.785

49,48

2001 - 2002

635.488

50,43

624.531

49,57

2002 - 2003

635.856

50,40

625.777

49,60

2003 - 2004

637.242

50,38

627.727

49,62

2004 - 2005

637.622

50,35

628.650

49,65

1.254.193 1.262.169 1.265.337 1.268.579 1.267.968 1.265.705 1.261.229 1.260.599

(1) Om dubbeltellingen te vermijden werden de leerlingen in het buitengewoon onderwijs van het type 5 niet meegeteld in deze tabel (zie toelichting). (2) Voor het hogescholenonderwijs zijn enkel de (hoofd-)inschrijvingen in de basisopleidingen meegeteld. De vrije studenten zijn niet opgenomen in de tabel. (3) Vanaf het academiejaar 1999-2000 worden de IAJ-studenten (Individueel Aangepast Jaarprogramma) slechts ĂŠĂŠnmaal geteld, in het laagste jaar waarin ze zijn ingeschreven. In de voorgaande academiejaren werden ze dubbel geteld. (4) Voor het universitair onderwijs zijn enkel de hoofdinschrijvingen in de academische basisopleidingen opgenomen. De studentenaantallen van de academiejaren 1993-1994 t.e.m. 1998-1999 zijn afkomstig van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (Vl.I.R.). De gegevens voor de academiejaren 1999-2000 tot en met 2004-2005 werden geregistreerd door het departement Onderwijs.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 65


2.9.3. Aantal onderwijsinstellingen per onderwijsniveau en per net; schooljaar 2005-2006

Kleuteronderwijs Lager onderwijs Basisscholen met zowel kleuter- als LO Secundair onderwijs Deeltijds beroepsSO Centra OSP (SO) Centra OSP (HO) Centra volwasenenonderwijs CVO Basiseducatie

Gemeenschaps onderwijs 376 389

Vrij onderwijs 1.375 1.440

Provinciaal onderwijs 2 4

Gemeentelijk onderwijs 464 503

Vlaamse Gemeenschaps commissie 1 1

Totaal 2.218 2.337

373 247 16 29 17

1.244 698 23 53 31

1 31 4 12 8

431 58 4 13 4

1 3 47 1 1

2.050 1.037 94 108 61

29

60

14

15

1

119 29

15

4

0

147

0

166

1

2

0

6

0

9 22 7

Academies deeltijds kunstonderwijs (DKO) Franstalige scholen onder bevoegdheid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Onderwijs (enkel bestaande in het basisonderwijs) Hogescholen Universiteiten Associaties van universiteiten en hogescholen

5

2.9.4. Huisonderwijs; schooljaar 2004-2005 2.9.4.1 Huisonderwijs binnen het basisonderwijs

4 jaar 5 jaar 6 jaar 7 jaar 8 jaar 9 jaar 10 jaar 11 jaar Totaal

2001-2002 J M T 2 2 4 1 5 4 10 14 11 6 17 5 7 12 6 7 13 3 3 6 7 8 15 40 44 84

Vlaams Eurydice rapport 2006

2002-2003 J M T 1 1 9 9 18 7 9 16 9 7 16 5 12 17 6 5 11 7 6 13 43 49 92

2003-2004 2004-2005 J M T J M T 2 1 3 2 2 3 1 4 13 6 19 21 17 38 14 10 24 12 17 29 10 8 18 19 12 31 10 11 21 19 9 28 4 11 15 17 18 35 10 10 20 10 27 37 63 59 122 101 101 202

2 Algemene organisatie / 66


2.9.4.2 Huisonderwijs binnen het secundair onderwijs 2001-2002 J M T 12 jaar 6 4 10 13 jaar 7 4 11 14 jaar 7 10 17 15 jaar 12 9 21 16 jaar 14 21 35 17 jaar 20 21 41 totaal 66 69 135

2002-2003 J M T 12 10 22 9 15 24 16 6 22 18 22 40 33 26 59 26 46 72 114 125 239

2003-2004 J M T 13 9 22 18 12 30 14 19 33 17 11 28 20 36 56 40 46 86 122 133 255

2004-2005 J M T 11 14 25 18 17 35 30 19 49 28 25 53 29 30 59 42 48 90 158 153 311

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

2.9.5. Leerkrachten-leerlingen ratio per onderwijsniveau; schooljaar 20042005 (Het aantal leerlingen per onderwijsniveau gedeeld door het aantal budgettaire fulltime-equivalenten bestuurs- en onderwijzend personeel)

Leerlingen/ studenten Kleuteronderwijs (gewoon) Kleuteronderwijs (buitengewoon) Lager onderwijs (gewoon) Lager onderwijs( buitengewoon) Secundair onderwijs (gewoon) Secundair onderwijs (buitengewoon) Hoger onderwijs Universitair onderwijs

233.172 1.791 393.910 26.768 435.048 17.393 101.185 57.005

Bestuurs- en onderwijzend personeel 15.354 478 31.500 4.987 55.973 4.935 7.474 8.244

Ratio 15,2 3,7 12,5 5,4 7,8 3,5 13,5 6,9

2.9.6. Kostprijs per leerling/student per onderwijsniveau (in ₏) , schooljaar 2004-2005 Onderwijsniveau 31.1 : Gewoon basisonderwijs 31.2 : Buitengewoon basisonderwijs 32.1 : Gewoon secundair onderwijs 32.2 : Buitengewoon secundair onderwijs 33.1 : Hogescholenonderwijs 33.2 : Universitair onderwijs (1) 34.1 : Deeltijds Kunstonderwijs 34.2 : Onderwijs voor Sociale Promotie (2)

2003 3.424,42 10.229,13 6.878,73 15.186,67 6.256,51 13.592,56 969,57 649,83

2004 3.619,33 10.695,22 7.022,16 14.562,36 6.384,15 13.841,32 1.001,92 692,13

2005 3.691,63 11.133,22 6.988,75 14.859,04 6.489,50 13.657,46 1.018,61 709,11

(1) Inclusief de kredieten voor wetenschappelijk onderzoek die op de onderwijsbegroting ingeschreven staan. Vanaf 2002 werden bijkomend de middelen van het bijzonder onderzoeksfonds op de onderwijsbegroting ingeschreven. (2) De kredieten bevatten overwegend loonkosten. De werking van het onderwijs voor sociale promotie wordt gefinancierd met de inschrijvingsgelden.

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 67


KOSTPRIJS PER LEERLING/STUDENT PER ONDERWIJSNIVEAU (in EUR) Evolutie 2003 - 2005

709,11 OSP

692,1269296 649,83

1.018,61 DKO

1.001,92 969,57

13.657,46 Universitair

13.841,32 13.592,56

6.489,50 Hogescholen

6.384,15 6.256,51

14.859,04 Buitengew oon secundair

14.562,36 15.186,67

6.988,75 Gew oon secundair

7.022,16 6.878,73

11.133,22 Buitengew oon basis

10.695,22 10.229,13

3.691,63 Gew oon basis

3.619,33 3.424,42 2.000

4.000

6.000

2003

8.000 2004

10.000

12.000

14.000

16.000

2005

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 68


2.9.7. Verhouding onderwijsbudget t.o.v. het budget van de Vlaamse Gemeenchap en het Bruto Regionaal Produkt (in duizend ₏) Algemene evolutiecijfers (in lopende prijzen) Onderwijsbudget Budget Vlaamse Gemeenschap

2000 6.554.332 15.570.557

2001

2002

2003

6.863.584 16.696.864

7.244.700 17.317.978

7.591.367 17.971.087

2001

2002

2003

6.698.140 16.294.393

6.956.025 16.627.919

7.174.527 16.984.299

2004

2005

7.862.181 8.037.513 18.924.053 18.888.535 niet Bruto Regionaal Produkt (1) 151.140.818 154.947.560 159.578.084 164.816.240 173.331.414 gekend (1) : Aan marktprijzen in werkelijke prijzen Algemene evolutiecijfers (in vaste prijzen van 2000) (1)

2000

Onderwijsbudget Budget Vlaamse Gemeenschap

6.554.332 15.570.557

2004

2005

7.277.776 7.286.956 17.517.405 17.124.692 niet Bruto Regionaal Produkt 151.140.818 151.212.609 153.219.476 155.766.222 160.447.481 gekend (1) : Bron inflatiepercentage : Federaal Planbureau Jaarlijkse procentuele evolutie (inflatievrij) Onderwijsbudget Budget Vlaamse Gemeenschap

2000

2001

2002

2003

2004

2005

-

+2,2% +4,6%

+3,9% +2,0%

+3,1% +2,1%

+1,4% +3,1%

-

+0,0%

+1,3%

+1,7%

+3,0%

+0,1% -2,2% niet gekend

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Onderw.budg./Budg. Vl. Gem.

42,1

41,1

41,8

42,2

41,5

Onderw.budg./Bruto Reg. Prod.

4,3

4,4

4,5

4,6

4,5

Budg. Vl. Gem./Bruto Reg. Prod.

10,3

10,8

10,9

10,9

10,9

42,6 niet gekend niet gekend

Bruto Regionaal Produkt Onderlinge verhouding (in %)

DE EVOLUTIE VAN HET ONDERWIJSBUDGET (in duizend EUR)

9.000.000 8.000.000 7.000.000

6.554.332

6.863.584

7.244.700

7.591.367

7.862.181 8.037.513

6.000.000 5.000.000 4.000.000 3.000.000 2.000.000 1.000.000 0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 69


2.9.8. Onderwijsbegroting per organisatieafdeling Evolutie 2003 - 2005 (in duizend euro) Niveaugebonden beleidskredieten (1) 2003 2004 2005 Gewoon basisonderwijs 2.130.000 2.235.316 2.258.034 Buitengewoon basisonderwijs 295.131 310.108 323.342 Gewoon secundair onderwijs (2) 2.887.899 2.984.286 3.032.784 Buitengewoon secundair onderwijs 247.816 242.376 253.495 Hogescholenonderwijs 603.587 613.919 626.389 Universitair onderwijs 735.439 751.293 774.624 Coรถrdinatie hoger onderwijsbeleid 3.358 3.572 3.760 Deeltijds kunstonderwijs 141.177 150.009 156.755 Onderwijs voor sociale promotie 178.574 202.933 210.349 Begeleid individueel studeren (B.I.S.) 3.982 4.239 3.507 Basiseducatie 18.032 18.280 18.736 Coรถrdinatie permanente vorming 8.889 8.268 12.989 Studietoelagen 69.752 77.671 79.197 Centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) 122.456 132.036 132.101 Leerlingenvervoer 18.400 18.328 18.688 Algemeen onderwijs en vorming 99.931 90.090 111.497 Aanwending teruggevorderde wedden 5.938 1.874 2.217 Provisionele kredieten 992 0 50 Coรถrdinatie beleids- en gegevensbeheer 20.014 17.583 18.999 Totaal 7.591.367 7.862.181 8.037.513 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 70


2.9.9. Onderwijsbegroting per uitgavecategorie, in duizend ₏ (evolutie 2003-2005)

Salarissen Werking

2003

2004

2005

5.249.628

5.502.825

5.598.392

684.991

674.234

693.383

1.292.220

1.323.951

1.355.442

Investeringen

184.485

160.734

187.592

Andere

180.043

200.437

202.704

7.591.367

7.862.181

8.037.513

Hoger onderwijs

Totaal Salarissen Onderwijspersoneel

4.900.017

5.143.957

5.231.340

AMVD-personeel gemeenschapsonderwijs

45.970

55.905

55.317

Allerhande salarissen (gesco's, peutertuinen, ped. centra,‌)

34.980

15.638

15.572

105.503

114.650

115.345

12.613

13.360

13.455

9.024

9.416

10.338

138.874

147.354

154.295

2.647

2.545

2.730

5.249.628

5.502.825

5.598.392

Gemeenschapsonderwijs

127.379

125.097

126.802

Gesubsidieerd onderwijs

523.224

514.472

533.085

14.083

14.252

14.218

1.466

1.385

1.457

13.264

13.289

11.927

Pedagogische begeleiding

1.955

2.000

2.071

Deeltijds kunstonderwijs

2.303

2.406

2.461

Personeel CLB's Onderwijsinspectie Personeel pedagogische begeleiding Personeel deeltijds kunstonderwijs Personeel zeevaartonderwijs Totaal Werking

CLB's Onderwijsinspectie Nascholing

Zeevisserij-onderwijs Totaal

1.317

1.333

1.362

684.991

674.234

693.383

Hoger onderwijs Werking universitair onderwijs

707.607

727.694

747.124

Werking hogescholenonderwijs

579.908

593.068

603.419

4.705

3.189

4.899

1.292.220

1.323.951

1.355.442

Algemene werking hoger onderwijs Totaal Investeringen Algemeen Basisonderwijs

9

9

9

72.358

58.332

68.712

Secundair onderwijs

62.509

59.696

70.370

Hogescholenonderwijs

21.887

19.172

21.098

Universitair onderwijs

27.722

23.525

27.403

184.485

160.734

187.592

Totaal Andere Internationale betrekkingen Leerlingenvervoer

6.224

4.833

5.463

18.400

18.328

18.688

3.982

4.239

3.507

Basiseducatie

18.032

18.280

18.736

Studietoelagen

69.752

77.671

79.197

Algemene werking VOI's onderwijs

27.893

30.276

29.167

Allerhande werkingskosten

35.760

46.810

47.946

180.043

200.437

202.704

Begeleid individueel studeren (B.I.S.)

Totaal Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 71


ONDERWIJSBEGROTING PER UITGAVENCATEGORIE (in duizend EUR) Evolutie 2003 - 2005

202.704 Andere

200.437 180.043 187.592

Investeringen

160.734 184.485 1.355.442

Hoger onderw ijs

1.323.951 1.292.220 693.383

Werking

674.234 684.991 5.598.392

Salarissen

5.502.825 5.249.628 0

2003

1.000.000 2004

2.000.000

3.000.000

4.000.000

5.000.000

6.000.000

2005

2.9.10. Schoolbevolking in het Nederlandstalig gewoon onderwijs, Brusselse Hoofdstedelijke gewest

totaal onderwijsniveau kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs

schooljaar 1995-1996 2003-2004 1995-1996 2003-2004 1995-1996 2003-2004

8.715 10.335 9.766 12.526 12.162 11.716

% % jongens meisjes 51,5 51,6 50,3 49,4 53,3 48,3

48,5 48,4 49,7 50,6 46,7 51,7

% westerse culturele achtergrond

% homogeen Nederlandstalig

66,7 55,1 77,2 60,2 92,2 81,3

21,5 12,1 33,9 16,2 70,7 41,4

% % % homogeen homogeen taalgemengd Franstalig anderstalig 26,0 20,8 29,6 25,7 17,3 28,1

30,3 35,1

22,2 32,0

21,9 29,4 8,0 14,7

14,5 28,7 4,0 15,7

Bron : http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/idnr.htm

Vlaams Eurydice rapport 2006

2 Algemene organisatie / 72


3. KLEUTERONDERWIJS In Vlaanderen maakt het kleuteronderwijs, samen met het lager onderwijs, deel uit van het basisonderwijs BaO. Vanaf 1 september 2003 zullen scholen die worden opgericht de structuur kleuter- én lager onderwijs moeten aannemen. Deze bepaling geldt niet voor bestaande scholen: autonome kleuter- en lagere scholen kunnen hun huidige structuur behouden (Decreet landschap basisonderwijs van 10 juli 2003). De gemeenschappelijke bepalingen voor het basisonderwijs BaO beschrijven we in het onderdeel 4 lager onderwijs. Voorschoolse en buitenschoolse kinderopvang is eveneens georganiseerd en gesubsidieerd. Deze behandelen we onder [3.15.].

3.1. Historisch overzicht In 1827 werd te Brussel de eerste bewaarschool voor kleuters van buitenhuiswerkende ouders geopend. In 1843 werd dit type van voorschools onderwijs erkend als een onderwijsinstelling die een basis vormde voor de volksschool. Deze nieuwe schoolvorm verspreidde zich snel: in 1845 bestonden er reeds een vierhonderdtal van deze bewaarscholen. Ze stonden in voor de verzorging en het morele welzijn van de kinderen, en bereidden de oudste kinderen voor op het lager onderwijs. In 1857 werd de eerste Fröbel-kindertuin geopend waar elk nuttigheidsonderricht werd geweerd. In navolging van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel werd aan creatief spel gedaan, waarbij de activiteit en spontaniteit van de kleuter centraal stonden. Het duurde echter een tijdje voor de Fröbel-methode in de gewone bewaarscholen ingang vond. Pas in 1880 werden ministeriële richtlijnen uitgevaardigd om de werking van het voorschools onderwijs te reguleren. Het eerste curriculum voor deze scholen, dat in 1890 werd opgelegd, was grotendeels gebaseerd op het werk van Fröbel. De inspecteurs voor het lager onderwijs stonden in voor het toezicht op de implementatie van de richtlijnen. Gedurende de daarop volgende periode, tot 1914, was voorschools onderwijs geen prioritair beleidsdomein meer. Tussen de twee wereldoorlogen zijn de bewaarscholen uitgegroeid tot opvangcentra waar kinderen sociale vaardigheden kregen aangeleerd en hun intellectuele capaciteiten en persoonlijkheid verder ontwikkelden. Verscheidene officiële programma's en activiteiten werden ingevoerd. De invloed van Fröbel, samen met die van de Italiaanse Maria Montessori en de Belgische Ovide Decroly, werden groter. Dit is onder meer te merken aan de curricula uitgevaardigd in 1936. Sindsdien kent voorschools onderwijs in België een expansieve groei. In 1997 werd het Decreet op het basisonderwijs van 25 februari 1997 van kracht. Dit nieuwe decreet beoogt een integratie van alle wetgeving met betrekking tot het kleuter- en basisonderwijs in één coherent kader. Verder bevat het ook belangrijke wijzigingen en vernieuwingen. Het decreet wil meer autonomie geven aan elke school, maar ook meer verantwoordelijkheid.

3.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Omdat een zo vroeg mogelijke deelname aan het onderwijs de kansen vergroot, wordt gewerkt aan een impulsplan om de deelname van kleuters aan het onderwijs zoveel mogelijk te vergroten. Zie ook [4.2.].

3.3. Wettelijk kader Aangezien het kleuteronderwijs samen met het lager onderwijs deel uitmaakt van het basisonderwijs BaO behandelen we de relevante wetgeving voor het basisonderwijs in [4.3.]. Hier geven we enkel de wetgeving betreffende de kinderopvang preschools en buitenschools. • • •

Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 houdende de algemene voorwaarden inzake het organiseren van buitenschoolse opvang. Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 houdende erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden en initiatieven voor buitenschoolse opvang. Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang (B.S.27.IV.2001). Gewijzigd bij: B.Vl.Reg.25.I.2002(B.S. 27.II.2002), B.Vl.Reg.10.X.2003(B.S.14.XI.2003).

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 73


• • • •

Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen (B.S.19.IV.2001). Besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van particuliere opvangvoorzieningen. Ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven (B.S. 29.VIII.2001). Ministerieel besluit van 19 februari 2003 houdende vaststelling van de algemene voorwaarden voor toezicht van Kind en Gezin voor de zelfstandige onthaalouders, de mini-crèchesen de zelfstandige kinderdagverblijven.

Een volledig overzicht van de regelgeving is te vinden in de bijlage van het jaarverslag Kinderopvang, zie www.kindengezin.be >professional >rapporten en verslagen >jaarverslagen en Kind in Vlaanderen Zie ook: • •

http://www.wvc.vlaanderen.be/juriwel/gezinopvang/org.htm#afk http://www.kindengezin.be/KG/Professioneel/Kinderopvang/Jevangtalkinderenop/Buitenschoolseopvang/ Regelgeving/default.jsp

3.4. Algemene doelstellingen Aangezien het kleuteronderwijs samen met het lager onderwijs deel uitmaakt van het basisonderwijs BaO behandelen we dit onderdeel in [4.4.].

3.5. Geografische toegankelijkheid Aangezien het kleuteronderwijs samen met het lager onderwijs deel uitmaakt van het basisonderwijs BaO behandelen we dit onderdeel in [4.5.].

3.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Een kleuter wordt toegelaten in het kleuteronderwijs en als regelmatige leerling beschouwd vanaf de instapdatum volgend op de datum waarop hij/zij de leeftijd van 2,5 jaar heeft bereikt. De instapdata zijn de eerste schooldag na : de zomervakantie, de herfstvakantie, de kerstvakantie, 31 januari, de krokusvakantie, de paasvakantie. Vóór de instapdatum mag een kleuter tussen 2,5 jaar en 3 jaar niet op school aanwezig zijn. Een kleuter die de leeftijd van 3 jaar bereikt heeft, kan elke dag worden ingeschreven en in de school worden toegelaten zonder rekening te moeten houden met de instapdata (Omzendbrief van 10 augustus 2001). Een schoolcarrière in het kleuteronderwijs eindigt meestal in de maand juni van het jaar waarin het kind 6 jaar wordt. De ouders kunnen beslissen dat hun kind een jaar langer in het kleuteronderwijs blijft of dat hun kind een jaar vroeger overstapt naar het lager onderwijs. De klassenraad van de betrokken kleuterschool en het hoofd van het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) brengen hierbij advies uit, maar de ouders nemen de eindbeslissing. In geval dat het kind een jaar langer in het kleuteronderwijs blijft, is het leerplichtig.. Zoals reeds is gezegd, is de vrijheid van schoolkeuze een fundamenteel principe dat het huidige onderwijssysteem schraagt (Wet van 29 mei 1959). In theorie is elke keuze van school en studierichting volledig vrij (zie [2.3.1.2.]). 2002 was een historisch jaar voor het principe van de vrijheid van schoolkeuze. Het decreet van 28 juni 2002 (gelijke onderwijskansen) verankert een principieel inschrijvingsrecht in de door de ouders gekozen school. Elke leerling heeft vanaf het schooljaar 2003-2004 een recht op inschrijving in de school gekozen door zijn ouders (in samenspraak met de leerling als die leerling 12 jaar of ouder is).

3.7. Financiële ondersteuning van het gezin Gezinnen worden op verschillende wijzen financieel gesteund bij de opvoeding van hun kinderen. •

Zo is er fiscale aftrekbaarheid voor de kosten voor kinderopvang van kinderen tot 12 jaar betaald aan opvangdiensten, zelfstandige onthaalouders of kinderdagverblijven mits deze onder toezicht staan van Kind en Gezin.

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 74


• •

Daarnaast genieten ouders van een kinderbijslag. Bovendien geven kinderen ten laste recht op belastingvermindering (zie [4.7.])

3.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen In de meeste gevallen worden jaren gegroepeerd volgens de leeftijd: • • • •

kinderen van 2,5 jaar tot 3 jaar;· kinderen van 3 tot 4 jaar;· kinderen van 4 tot 5 jaar;· kinderen van 5 tot 6 jaar.

Dergelijke indeling is echter niet van overheidswege vastgelegd. Officieel bestaan er immers geen leerjaren in het kleuteronderwijs. Meestal blijft de leerkracht niet bij de klasgroep als die overgaat naar een volgend jaar. Elke school is vrij om het onderwijs te organiseren zoals zij het wil. Sommige scholen hanteren kortstondig of continu het verticaal verdelingssysteem, waarbij verschillende leeftijdsgroepen in eenzelfde jaar samen zitten. Dit is vaak het geval in landelijke gebieden waar de lokale bevolking te klein is om aparte jaren in te richten. Het aantal leerlingen per klas valt onder de autonomie van het schoolbestuur.

3.9. Organisatie van de schooltijd Aangezien het kleuteronderwijs samen met het lager onderwijs deel uitmaakt van het basisonderwijs BaO behandelen we dit onderdeel in [4.9.].

3.10. Curriculum en activiteiten Er werden door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling ontwikkelingsdoelen geformuleerd en decretaal verankerd door het Vlaams parlement in het Decreet van 25 februari 1997. Ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Ze zijn vanaf 1 september 1998 verplicht voor alle scholen. De ontwikkelingsdoelen vormen het kerncurriculum. Zij worden geformuleerd voor vijf leergebieden: • • • • •

lichamelijke opvoeding (onderwerpen: motorische competenties, gezonde en veilige levensstijl, zelfconcept en sociaal functioneren), muzische vorming (onderwerpen: beeld, muziek, drama, beweging, media en attitudes), Nederlands (onderwerpen: luisteren, spreken, lezen, schrijven, taalbeschouwing), wereldoriëntatie (onderwerpen: natuur, mens, maatschappij, technologie, tijd en ruimte), wiskundige initiatie (onderwerpen: getallen, meten en ruimte).

Alle scholen moeten activiteiten in al deze leergebieden aan de leerlingen aanbieden. Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 maakt een afwijking van de vastgelegde ontwikkelingsdoelen mogelijk. Een schoolbestuur kan oordelen dat de vastgelegde ontwikkelingsdoelen te weinig ruimte geven om de eigen pedagogische en opvoedkundige visie te realiseren en/of dat ze onverenigbaar zijn met deze visie. In dat geval kan het schoolbestuur een afwijking (die moet worden gemotiveerd) aanvragen bij de Vlaamse regering, en moeten alternatieve ontwikkelingsdoelen worden voorgesteld. De Vlaamse regering beoordeelt dan de gelijkwaardigheid van de voorgestelde ontwikkelingsdoelen met de vastgelegde. De onderwijsinspectie controleert of de ontwikkelingsdoelen worden nagestreefd. Het lesrooster wordt door het schoolbestuur opgesteld. Op basis van de ontwikkelingsdoelen maken de schoolbesturen of de onderwijskoepels een ontwikkelingsplan (leerplan). Doelen en activiteiten worden uitgezet voor alle leeftijdsgroepen in een doorgaande leerlijn naar het lager onderwijs.

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 75


3.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De beslissing omtrent de gehanteerde onderwijsmethoden en de gebruikte didactische hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van het schoolbestuur (zie [2.3.1.1.]). Bijgevolg zijn er geen officiële richtlijnen. Er zijn kleuterscholen binnen het erkend en gesubsidieerd onderwijs die zich - wat betreft ideeën en methoden – laten inspireren door Steiner, Freinet, Montessori en andere belangrijke figuren uit de onderwijsgeschiedenis. De ideeën van ervaringsgericht kleuteronderwijs zijn relatief populair in Vlaanderen. Deze benadering legt de nadruk op de sociaalemotionele ontwikkeling en het welbevinden van het kind (Laevers, 1987). De activiteiten staan meestal in het teken van een bepaald thema of belangstellingspunt. Deze thema's hangen vak samen met de jaarkalender, maar kunnen ook onderwerpen zijn die door de kleuters zelf worden ingebracht. Hoekenwerk als organisatievorm vindt men in vrijwel elke kleuterschool. Kinderen krijgen de kans zelfstandig of met hulp van andere kinderen (en volwassenen) te experimenteren, ontdekken, overleggen,.... ICT wordt beschouwd in het basisonderwijs BaO als ondersteuning van het leerproces. Daarom werden de kleuters vanaf 4 jaar opgenomen bij de doelgroepen van het ICT-infrastructuurprogramma (opvolger van het project pc/kd, dat beëindigd is). 1 pc op 10 kleuters werd in 2001 als doel voorop gesteld en net niet gehaald in het gewoon kleuteronderwijs. Hiertoe zijn ook ICT-competenties voor de basisschool ontwikkeld. Elke school is echter vrij om te beslissen vanaf welke leeftijd zij hieraan begint te werken (zie [4.10.]). De aankoop van leermateriaal zoals schoolboeken, audiovisueel materiaal e.a. wordt niet opgelegd vanwege de overheid. Scholen kunnen hierover wel onderling afspraken maken (b.v. binnen de scholengemeenschappen).

3.12. Evaluatie van leerlingen De beoordeling in het kleuteronderwijs is hoofdzakelijk gebaseerd op observatie en vervult drie rollen: • • •

Een vooruitziende rol: biedt de graad van ontwikkeling die door de leerling bereikt is voldoende perspectieven voor een schoolcarrière in het lager onderwijs? Een peilende rol: wat heeft het kind geleerd, hoever staat de leerling in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten? Een diagnostische rol: waarom heeft de ontwikkeling van een leerling vertraging opgelopen of waarom is de kennis op bepaalde terreinen niet verworven?

Er is een rijke traditie wat betreft het werken met instrumenten zoals kind- of leerlingvolgsystemen bij de observatie en het opvolgen van de ontwikkeling van de leerlingen. De overgang van kleuter- naar lager onderwijs wordt opgevolgd door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) (zie [4.15.3.]), samen met het onderwijsteam van de school..

3.13. Bijzondere begeleiding van leerlingen Sinds het schooljaar 1991-1992 werden door de Vlaamse Regering projecten onderwijsvoorrang in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs aangeboden met extra lestijden voor begeleiding van (kansarme) allochtone leerlingen. In het schooljaar 1993-1994 en vervolgens schooljaar 1994-1995 werden door de Vlaamse regering projecten zorgverbreding in het lager onderwijs (zes- en zevenjarigen) en vervolgens in het kleuteronderwijs aangeboden, met extra lestijden voor begeleiding van autochtone leerbedreigde en kansarme leerlingen Vanaf het schooljaar 1995-1996 zijn de projecten zorgverbreding uitgebreid naar het volledige kleuteren lager onderwijs.. Sinds het schooljaar 2002-2003 wordt een nieuw gelijke kansenbeleid (GOK) geïmplementeerd. Dat behandelen we in [4.15.1.]. Vanaf het schooljaar 2001-2002 wordt er een afzonderlijk urenpakket voor kinderverzorgers gefinancierd of gesubsidieerd in het gewoon kleuteronderwijs. Deze maatregel is een stap in de richting van een betere begeleiding en van het optimaliseren van de opvang van de jongste kleuters. Het urenpakket wordt berekend op basis van het aantal regelmatige kleuters op de teldag en op basis van het aantal vestigingsplaatsen. Van zodra de school 35 kleuters telt, worden er 8 uren kinderverzorgers gesubsidieerd. Per volle schijf van 55 kleuters komt er één uur bij. Per bijkomende vestigingsplaats kleuteronderwijs die wordt ingericht, ontvangt de school 2 extra uren (Decreet van 13 juni 2001). In het kleuteronderwijs zijn er sinds 1 september 2002 aanvullende lestijden bewegingsopvoeding. Ook een deel van de middelen voor zorgcoördinatie gaat naar het kleuteronderwijs waardoor zij zorgcoördinatoren kunnen aanstellen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 76


Voor kinderen met een handicap zijn er de voorzieningen van het buitengewoon onderwijs (zie [10.]) en loopt een speciaal systeem van geïntegreerd onderwijs(GON) (zie [4.15.2.]).

3.14. Privé-onderwijs Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua de lesmodaliteiten en prijs (SIDIN 2004-2005, http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf). Er is geen financiering (subsidiëring) voor privé-onderwijs. Aangezien leerplicht geen schoolplicht impliceert is huisonderwijs mogelijk. Deze onderwijsvorm blijft echter een grote uitzondering (zie [2.5.2.]).

3.15. Andere organisatievormen Sterk uitgebouwd, georganiseerd en gesubsidieerd is de preschoolse en buitenschoolse kinderopvang. Wettelijk kader, zie [3.3.] Soorten kinderopvang Iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling kinderen onder de 12 jaar opvangt, moet deze opvangactiviteit melden aan Kind en Gezin. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en opvang die georganiseerd wordt in het thuismilieu van het kind zijn vrijgesteld van deze plicht tot melding. Ouders die hun kinderen buitenshuis laten opvangen, kunnen een beroep doen op een waaier van opvangmogelijkheden. In de formele opvang worden er zes types van opvangvoorzieningen onderscheiden. Kinderdagverblijven Het gaat om opvang in groepsverband, erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Ze voorzien in voorschoolse opvang van kinderen voor ze naar de basisschool gaan en in de overgangsperiode tussen kinderopvang en basisschool. Sommige kinderdagverblijven hebben een bijkomend aanbod van buitenschoolse kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool), ofwel in aparte lokalen (kinderen uit de lagere school). Kinderdagverblijven moeten minstens 220 dagen per jaar open zijn en moeten dagelijks minstens 11 uur opvang aanbieden tussen 6u30 en 18u30. In Vlaanderen zijn er zo'n 334 kinderdagverblijven, goed voor ongeveer 14.700 plaatsen. Diensten voor opvanggezinnen Het gaat om opvang in gezinsverband, georganiseerd vanuit een dienst die erkend en gesubsidieerd wordt door Kind en Gezin. Deze dienst groepeert minimaal 14 onthaalouders. Elke onthaalouder kan maximaal 8 kindjes gelijktijdig opvangen en gemiddeld 4 voltijds. Deze onthaalouders kunnen ook buitenschoolse opvang verzorgen voor kinderen uit de basisschool. Onthaalouders moeten aan een aantal minimale voorwaarden voldoen om te mogen aansluiten bij een dienst. In Vlaanderen zijn er iets minder dan 200 diensten voor opvanggezinnen, goed voor zo'n 30.500 plaatsen. Bij deze diensten zijn bijna 7500 onthaalouders aangesloten. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen zijn erkend door Kind en Gezin. Dit betekent dat ze aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid,… moeten voldoen. Daarnaast moeten deze voorzieningen ook aan 'kwaliteitszorg' doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop ze dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een dienst moet zijn werking ook

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 77


evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt hier deel van uit. De erkenning houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt door Kind en Gezin. In de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen betalen de ouders een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. De kinderopvangkosten zijn voor de ouders fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot 12 jaar. Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven Het gaat om opvang in groepsverband, waarbij het onderscheid tussen beide wordt gemaakt op basis van de capaciteit: mini-crèches hebben een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen en zelfstandige kinderdagverblijven hebben een capaciteit van minstens 23 plaatsen. Ze bieden zowel opvang voor niet-schoolgaande kinderen, als opvang voor schoolgaande kinderen uit het basisonderwijs BaO. De belangrijkste bron van inkomsten zijn de inkomsten uit de ouderbijdrage. Sinds 2001 kunnen mini-crèches een financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden. Ook zelfstandige kinderdagverblijven die uitsluitend buitenschoolse opvang aanbieden, kunnen een dergelijke financiële ondersteuning krijgen. In Vlaanderen zijn er zo'n 750 mini-crèches en ongeveer 125 zelfstandige kinderdagverblijven, samen goed voor meer dan 16.500 plaatsen. Zelfstandige onthaalouders Het gaat om opvang in gezinsverband. Een zelfstandige onthaalouder mag tot 7 kinderen gelijktijdig opvangen. Een zelfstandige onthaalouder kan zowel niet-schoolgaande als schoolgaande kinderen opvangen. In Vlaanderen zijn er 1.250 zelfstandige onthaalouders die een capaciteit van iets minder dan 7.000 plaatsen hebben. Wettelijk gezien moeten deze voorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin, maar de meeste kiezen ervoor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden inzake omgaan met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid, inrichting van de ruimtes. Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt door Kind en Gezin. Het is de opvangvoorziening zelf die bepaalt hoeveel de ouders moeten betalen. Indien de voorziening een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten fiscaal aftrekbaar voor kinderen jonger tot 12 jaar. Initiatieven voor Buitenschoolse Opvang Het gaat om opvang in groepsverband, specifiek en exclusief gericht op de buitenschoolse opvang van kinderen uit de basisschool. Ze kunnen opvang aanbieden voor en na schooltijd, op woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en gedurende de schoolvakanties. Ze hebben een minimumcapaciteit van 21 plaatsen en kunnen hun werking op verschillende vestigingsplaatsen organiseren. Deze vestigingsplaatsen hebben een minimumcapaciteit van 8 plaatsen. Een initiatief is 's ochtends uiterlijk om 7 uur open en 's avonds tot minstens 18 uur. In Vlaanderen zijn er ongeveer 230 van deze voorzieningen, die samen een capaciteit hebben van bijna 23.000 plaatsen. Initiatieven voor buitenschoolse opvang zijn erkend door Kind en Gezin. Dit betekent dat ze aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, infrastructuur, ouderparticipatie, personeel, veiligheid,… moeten voldoen. Daarnaast moeten deze voorzieningen ook aan 'kwaliteitszorg' doen. Het gaat hier over de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. Dit betekent concreet dat een initiatief zijn missie, visie en waarden formuleert en gaat nadenken over de wijze waarop het dit gaat realiseren en over de middelen die ingezet zullen worden. Een initiatief moet zijn werking ook evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een tevredenheidsonderzoek bij de ouders maakt hier deel van uit.

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 78


Om erkend te kunnen worden door Kind en Gezin is een positief advies nodig van het Lokaal Overleg. De erkenning houdt ook in dat de voorziening op regelmatige basis geïnspecteerd wordt door Kind en Gezin. Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden gedeeltelijk gesubsidieerd door Kind en Gezin of door het FCUD (werkingskosten en personeelskost van de coördinator). De personeelskost voor de begeleiders wordt gesubsidieerd door de administratie Werkgelegenheid (ministerie van de Vlaamse Gemeenschap). Daarnaast zijn er ook nog de inkomsten uit de ouderbijdrage. De ouderbijdrage is niet gerelateerd aan het inkomen, maar de minimum- en de maximumbijdragen zijn wel regelgevend vastgelegd. De opvangkosten die ouders hebben zijn fiscaal aftrekbaar voor kinderen tot 12 jaar. Opvang van zieke kinderen Wanneer een kind ziek is, worden ouders soms onverwacht met een opvangprobleem geconfronteerd. Het is niet altijd mogelijk om het kind in de informele kinderopvang te verzorgen. Georganiseerde vormen van kinderopvang kunnen het zieke kind dan aan huis opvangen. •

•

Formele opvangvoorzieningen. Wanneer een kind licht ziek is en er geen besmettingsgevaar dreigt voor de andere opgevangen kinderen, kan het meestal terecht in de opvangvoorziening waar het normaal wordt opgevangen. Daarnaast organiseren een aantal kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang thuisopvang voor zieke kinderen. Zij hebben een aantal personeelsleden in dienst die aan huis de opvang verzorgen wanneer het kind ziek is. Andere vormen van thuisopvang voor zieke kinderen. Sommige gemeenten en OCMW's organiseren ook thuisopvang van zieke kinderen. Voor aangesloten leden organiseren sommige ziekenfondsen eveneens thuisopvang voor zieke kinderen. Ten slotte zijn er ook werkgevers (profit en non-profit) die thuisopvang organiseren wanneer kinderen van werknemers ziek zijn.

Kind en Gezin Kind en Gezin is een Vlaamse overheidsinstelling, opgericht bij decreet van 29 mei 1984. Kind en Gezin wil samen met haar partners voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is en opgroeit, zoveel mogelijk kansen creëren. Om dit te realiseren heeft Kind en Gezin een ruime dienstverlening. Aan ouders met jonge kinderen bieden Kind en Gezin advies, medisch-preventieve begeleiding, vaccinaties, en ondersteuning bij opvoeding. Dit gebeurt via huisbezoeken, via consulten op de consultatiebureaus en via de permanenties in de regiohuizen van Kind en Gezin. Kind en Gezin heeft naast het basisaanbod ook een specifiek aanbod naar gezinnen die het moeilijk hebben. Kind en Gezin subsidieert ook centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning en de vertrouwenscentra kindermishandeling. Kinderopvang is één van de belangrijke opdrachten van Kind en Gezin. Kind en Gezin organiseert zelf geen kinderopvang, maar controleert of de opvang aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Statistieken • •

http://www.wvc.vlaanderen.be/welzijnengezondheid/cijfers/ http://www.kindengezin.be/KG/Algemeen/Over_Kind_En_Gezin/Jaarverslagen/default.jsp

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 79


3.16. Statistieken

3.16.1 Evolutie van het aantal leerlingen vanaf het schooljaar 1990-1991 in het kleuteronderwijs

Schooljaar

1990 - 1991 1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Gewoon Buitengewoon Totaal kleuteronderwijs kleuteronderwijs kleuteronderwijs Verhouding t.o.v. Verhouding t.o.v. Verhouding t.o.v. 1995-1996 1995-1996 1995-1996 Absoluut Procent Absoluut Procent Absoluut Procent 212.697 83,82 1.142 66,36 213.839 83,70 233.261 91,92 1.337 77,69 234.598 91,83 240.514 94,78 1.413 82,10 241.927 94,70 247.631 97,59 1.508 87,62 249.139 97,52 253.100 99,74 1.631 94,77 254.731 99,71 253.756 100,00 1.721 100,00 255.477 100,00 251.259 99,02 1.784 103,66 253.043 99,05 245.704 96,83 1.811 105,23 247.515 96,88 240.841 94,91 1.780 103,43 242.621 94,97 238.887 94,14 1.767 102,67 240.654 94,20 238.881 94,14 1.701 98,84 240.582 94,17 237.818 93,72 1.686 97,97 239.504 93,75 236.417 93,17 1.726 100,29 238.143 93,22 234.951 92,59 1.720 99,94 236.671 92,64 233.172 91,89 1.791 104,07 234.963 91,97

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

3 Kleuteronderwijs / 80


4. LAGER ONDERWIJS In Vlaanderen maakt het lager onderwijs, samen met het kleuteronderwijs (zie [3.]), deel uit van het basisonderwijs BaO (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997). Het lager onderwijs bestaat normaal gezien uit zes leerjaren (minimaal 4 en maximaal 8 jaren). Als de leerling deze succesvol doorloopt, gaat hij of zij daarna naar het secundair onderwijs. In dit onderdeel behandelen we het gewoon lager onderwijs. Sommige voorzieningen die van toepassing zijn op leerlingen in het lager onderwijs worden elders behandeld: • • • • • • •

Geïntegreerd onderwijs (GON), zie [10.5.1.] Inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen ION, zie [10.5.2.] Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN), zie [10.7.2.] Buitenschoolse kinderopvang, zie [3.15.] Onderwijs voor langdurig zieke kinderen behandelen we wel hier, zie [4.17.] Ook het Gelijke Onderwijskansen Beleid behandelen we uitsluitend hier, zie [4.15.1.] Deeltijds kunstonderwijs, zie [7.].

4.1. Historisch overzicht Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 werd de vrijheid van onderwijs ingevoerd: iedereen kon een school oprichten zonder daarvoor de toestemming van de overheid nodig te hebben. Dit leidde tot de oprichting van een groot aantal lagere scholen op initiatief van particulieren of geestelijken. In 1842 vaardigde het parlement de eerste wet op het lager onderwijs uit met de bedoeling de uitbreiding ervan in goede banen te leiden en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Deze wet verplichtte elk lokaal bestuur tot het oprichten van minstens één lagere school. In 1914 werd de leerplicht ingevoerd in België: iedereen van zes tot veertien jaar was verplicht onderwijs te volgen. Tot dan telde het lager onderwijs drie graden van elk twee jaar, maar met de wet van 1914 werd een vierde graad voor de kinderen van twaalf tot veertien jaar ingericht; een leerplan daarvoor werd in 1920 uitgewerkt. Het leerplan van 1936 beoogde meer dan het louter aanleren van lezen, schrijven en rekenen. Vanaf dan tot op heden is de invloed van Ovide Decroly op de leerplannen zeer belangrijk geweest, vooral zijn ideeën over de invloed van de interesses van het kind op de leerprocessen. In 1973 werden in de Vlaamse Gemeenschap in enkele scholen als experiment een aantal hervormingsinitiatieven opgestart. Uit deze experimenten groeide een grootschalig innovatieproject: het Vernieuwd Lager Onderwijs. De principes van deze nieuwe onderwijsbenadering werden vanaf 1980 in alle scholen toegepast. Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 integreerde alle wetgeving met betrekking tot het kleuter- en lageronderwijs in één coherent kader. Op 1 september 2003 werd er gestart met de uitvoering van het Decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs. Naar aanleiding van dit decreet hebben 9 op de 10 basisscholen zich verenigd tot scholengemeenschappen. Dit wordt gestimuleerd, doch niet verplicht.

4.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen • • • • •

Aandacht voor meer gelijke kansen blijft centraal staan in het onderwijsbeleid. De inschrijving van kansarme kinderen (GOK-leerlingen) zal vergemakkelijkt worden. De weigeringsgronden en doorverwijzingsmogelijkheden veranderen vanaf het schooljaar 2006-2007. Het budget voor GOK verhoogt trouwens sterk, in 2005 + 2 miljoen euro, in 2006 + 8 miljoen euro extra. Het is de intentie om de kosteloosheid in te voeren vanaf het 6e leerjaar en dan af te dalen tot in het 1e jaar kleuteronderwijs. Via proeftuinen worden vernieuwingen op beperkte schaal uitgeprobeerd, om ze later eventueel uitgebreider toe te passen. In 2005-2006 lopen al verschillende projecten die betrekking hebben op de overgang basis - secundair onderwijs, technologie in de basisschool en inclusief onderwijs voor type 4leerlingen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 81


• •

Vanaf 1 september 2005 hebben scholen die lager onderwijs inrichten recht op aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs. Hiervoor is een budget uitgetrokken van 8 miljoen euro De geplande hervorming van het buitengewoon onderwijs (zie [10.6.]) zal moeten leiden tot een onderwijscontinuüm waarvan ook het basisonderwijs deel uitmaakt.

4.3. Wettelijk kader Volgende onderwijswetgeving is van belang voor het lager onderwijs in Vlaanderen. • • •

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 + de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Decreet van 28 juni 2002 Gelijke onderwijskansen-I + de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Decreet van 15 juli 2005 Gelijke onderwijskansen.

Eindtermen en ontwikkelingsdoelen • • •

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd door het Decreet van 15 juli 1997 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, en zoals gewijzigd. Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8.

GOK • • • • • • • • •

Het gelijke onderwijskansenbeleid vindt haar wettelijke basis in het Decreet betreffende gelijke onderwijskansen – I van 28 juni 2002, zoals gewijzigd door het decreet van 15 juli 2005. Besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2002 creëerde lokale overlegplatforms. Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002 regelt de tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen. Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002 regelt het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 27 september 2002, richtte de Commissie inzake leerlingenrechten op. Omzendbrief BaO/2003/01 Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs (21/01/2003). Omzendbrief BaO/2005/13, Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (20/07/2005). Omzendbrief SO/2005/07, Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (15/08/2005.

4.4. Algemene doelstellingen De algemene doelstellingen van het kleuter- en het lager onderwijs liggen in elkaars verlengde.

•

•

• •

Brede vorming: in het kleuteronderwijs en in het lager onderwijs wordt de nadruk gelegd op een ruime basisvorming waarbij de persoonlijke ontwikkeling van het kind centraal staat. Bovendien wordt er de fundering gelegd voor de verdere studie en voor het goed functioneren in de maatschappij. De verstandelijke ontwikkeling, maar ook houdingen en waarden zijn belangrijk. Actief leren: de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen geven de kinderen de ruimte om tijdens het lesgebeuren samen met de leerkracht en de medeleerlingen op zoek te gaan naar oplossingen, ervaringen op te doen, vaardigheden te gebruiken, inzichten te verwerven,… Het gaat hier om 'basiscompetenties': de geformuleerde doelen zijn levensecht en kunnen worden toegepast in het dagelijks leven van de kinderen. Zorg voor elke leerling: de eerste zorg van de school is dat elk kind de nodige basisbekwaamheden verwerft. Alle kinderen hebben recht op dat minimum. Toch doet ze ook recht aan de verschillen tussen de kinderen. De persoonlijke ontwikkeling van ieder kind staat immers centraal. Samenhang: een vierde belangrijk kenmerk is de samenhang tussen de leergebieden onderling. Kinderen zien de werkelijkheid niet gescheiden in vakjes. Daarom zijn er slechts 5 leergebieden en 2 leergebiedoverschrijdende thema's. Dit noemt men de horizontale samenhang. Daarnaast spreekt men

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 82


van verticale samenhang. Er moet een vloeiende lijn zijn in het leerproces vanaf de kleuterschool tot het einde van de leerplicht. Het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 (art. 8.) vermeldt dat op grond van een pedagogisch project de school een opvoedings- en leeromgeving moet creëren waarin de leerlingen een ononderbroken leerproces kunnen doormaken. Die omgeving wordt aangepast aan de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Het basisonderwijs BaO is verantwoordelijk voor onderwijs aan alle leerlingen en moet door blijvende aandacht en verbreding van de zorg zoveel mogelijk leerlingen blijvend begeleiden.

4.5. Geografische toegankelijkheid De verspreiding van scholen in Vlaanderen en dus ook kleuterscholen is vrij gelijkmatig over het territorium. Grondwettelijk wordt gegarandeerd dat ouders het recht hebben om een school te kiezen van een filosofische of godsdienstige strekking waaraan zij de voorkeur geven (grondwet van 17 februari 1994). In overeenstemming met de grondwet hebben ouders van kinderen niet alleen de vrijheid van schoolkeuze, maar ook het recht om te kiezen tussen een neutrale officiële of een confessionele school (behorend tot het vrij gesubsidieerd onderwijs). Indien één van beide scholen niet beschikbaar is binnen een omtrek van 4 kilometer van de woonplaats voor het lager onderwijs en 8 kilometer voor het secundair onderwijs, dan is er een speciale transportregeling, gefinancierd door de overheid, van toepassing.

4.6. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Het lager onderwijs begint normaal in september van het jaar dat het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt. Deze datum markeert het begin van de leerplicht die twaalf jaar duurt. De ouder kan echter beslissen dat zijn/haar kind het eerste jaar lager onderwijs mag aanvangen op de leeftijd van vijf jaar of dat het kind het eerste jaar van de leerplicht in het kleuteronderwijs doorbrengt, steeds na een advies van de klassenraad en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB). Anderzijds is het in geval van een positief advies van de klassenraad en advies van het CLB mogelijk dat het kind acht jaar doorbrengt in het lager onderwijs (Decreet van 25 februari 1997). Dergelijke regeling laat het kind dat laattijdig (te wijten aan ziekte, handicap of immigratie) aanvangt in het onderwijs toe om in het lager onderwijs te blijven tot het einde van het schooljaar waarin het de leeftijd van 15 jaar bereikt (en onder voorwaarde dat hij/zij niet meer dan 8 jaar in dit onderwijsniveau heeft school gelopen). Het minimaal aantal jaren in het lager onderwijs is teruggebracht tot 4. De schoolkeuze gebeurt door de ouders. Bij de eerste inschrijving in het lager onderwijs stelt de inrichtende macht de ouders en de leerling in kennis van het pedagogisch project en het schoolreglement van de school. De ouders moeten zich hiermee akkoord verklaren. Het schoolreglement wordt bevat o.m. de bijdrageregeling voor de ouders – of de perso(o)n(en) die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben – alsook met informatie omtrent de wijze waarop de school omgaat met de geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning van buiten de Vlaamse Gemeenschap. Verder zijn er geen toelatingsvoorwaarden. Daarnaast is uiteraard ook hier het nieuwe decreet gelijke kansen (zie [4.15.1.]) relevant. Het onvoorwaardelijk recht op inschrijving in de school van keuze wordt vanaf 2003-2004 gegarandeerd (Omzendbrief 2002/01 Informatie bij eerste inschrijving en schoolreglement). Een inrichtende macht kan: • •

elke bijkomende inschrijving weigeren wanneer deze volgens de inrichtende macht omwille van materiële omstandigheden de veiligheid van de leerling in het gedrag brengt; de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd uitgesloten.

Als de ouders de school niet volgen in haar motivatie om het kind te weigeren, kunnen zij klacht indienen bij de Commissie inzake leerlingenrechten, binnen de 30 kalenderdagen na het ontvangen van de weigering. Na ontvangst van de klacht oordeelt de Commissie inzake leerlingenrechten binnen de vijf kalenderdagen over de grond van de klacht en stuurt een bericht per aangetekende brief. Oordeelt de commissie dat de school het recht had het kind te weigeren, dan wordt met de hulp van het lokaal overlegplatform gezocht naar een andere, geschikte school. Indien de commissie vindt dat de school geen enkele gegronde reden had om het kind te weigeren, kan de school een financiële sanctie krijgen, tenzij ze toch bereid is het kind in te schrijven.

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 83


4.7. Financiële ondersteuning van het gezin Het basisonderwijs BaO, waarvan het kleuteronderwijs deel uitmaakt, moet voor iedereen gratis toegankelijk zijn (Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 27). Er zijn geen beurzen of toelagen voorzien. Aan ouders die hun kind inschrijven in een basisschool mag geen direct (d.i. bij de inschrijving zelf) of indirect (door bv. hoge kosten aan te rekenen voor zaken waarvoor een bijdrage mag worden gevraagd aan de ouders) inschrijvingsgeld worden gevraagd zoals in het hoger onderwijs wel gebeurd. Activiteiten of schoolbenodigdheden die noodzakelijk zijn voor het bereiken van een eindterm of het nastreven van een ontwikkelingsdoel zijn gratis (bv. schriften, schoolagenda, schoolboeken, tijdschriften waarmee in de klas wordt gewerkt) . Er kan wel aan de ouders (= de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben) een bijdrage worden gevraagd voor bv. de kosten van maaltijden en vervoer in het kader van een schooluitstap en facultatieve (en aldus niet-verplichte) buitenschoolse activiteiten (zoals sneeuwklassen, sportklassen,…). Er moet worden overlegd binnen de schoolraad over de materialen en diensten waarvoor een bijdrage mag worden gevraagd aan de ouders. Sinds het schooljaar 2002-2003 moet de bijdrageregeling via het schoolreglement aan de ouders kenbaar worden gemaakt. Deze bijdragenlijst bij het schoolreglement bevat een opgave van de verschillende categorieën kosten waarvoor een tussenkomst kan worden gevraagd. Er wordt een raming gemaakt van het maximale bedrag per categorie zodat de ouders een inschatting kunnen maken van de grootte van de jaarlijkse bedragen en aldus niet in de loop van het schooljaar voor verrassingen komen te staan. Binnen het overleg in de schoolraad wordt een gedifferentieerde regeling uitgewerkt voor minder gegoede ouders, die ook in het schoolregelement wordt opgenomen (Omzendbrief BaO/2002/4). Studiekosten in het secundair onderwijs worden regelmatig onderzocht door het HIVA: zie Joost Bollens, 2005. Gezinnen worden nog op andere wijzen financieel gesteund bij de opvoeding van hun kinderen. •

•

Vanaf één maand na de geboorte wordt maandelijks voor de voorbije maand kinderbijslag uitbetaald voor elk kind dat tot het gezin behoort en ten laste is. Deze bijslag is een basisbedrag aangevuld met een leeftijdsbijslag. Het basisbedrag loopt trapsgewijs op van het eerste tot het derde kind. Voor zelfstandigen is het bedrag kleiner dan voor werknemers. De bijslag wordt uitbetaald voor alle kinderen tot 18 jaar die ten laste zijn. Voor 18 tot 25-jarigen wordt de kinderbijslag uitbetaald als ze nog ten laste zijn, hoger onderwijs volgen en/of geen eigen inkomen (boven een bepaalde grens hebben) hebben. Meer info : www.kindergeld.be of www.rkw.be (Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers) en www.rsvz-inasti.fgov.be (Rijksdienst voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen) Ouders krijgen ook een belastingvermindering voor de kinderen die ze ten laste hebben (gedomicilieerd zijn op het adres van de ouders en weinig of geen inkomen hebben en dit ongeacht hun leeftijd).

4.8. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen De structuur van het lager onderwijs, bestaande uit 6 jaren, is reeds verschillende decennia in voege. De indeling van de kinderen in groepen behoort tot de vrijheid van elke school. Het jaarklassensysteem is dus geen verplichting. Buiten de klassen waarin, in enkele uitzonderlijke gevallen, groepswerk tussen kinderen van verschillende leeftijd en geïndividualiseerde onderwijsmethoden worden gebruikt, gebeurt het lager onderwijs in grote mate ongedifferentieerd. Hetzelfde programma wordt meestal gehanteerd voor alle leerlingen uit eenzelfde klas. Nochtans zoekt het onderwijsbeleid vandaag naar manieren om differentiatie te vergroten. Feitelijk werken de meeste lagere scholen hard om de differentiatie te verbeteren door bv. speciale lesuren voor kinderen met leermoeilijkheden, 'hoekenwerk' waarbij kinderen uit dezelfde klas in kleine groepjes aan verschillende taken werken en 'contractwerk' waarbij de kinderen verantwoordelijk zijn voor de vorderingen van hun eigen werkjes (Inspectie Basisonderwijs, 2000). Normaal is er één leerkracht die alle vakken geeft. Soms worden er echter speciale leerkrachten aangesteld voor vakken als muziek, lichamelijke opvoeding, godsdienst,.… Het aantal leerlingen per klas valt onder de autonomie van het schoolbestuur.

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 84


4.9. Organisatie van de schooltijd De organisatie van de schooltijd wordt geregeld door het Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs van 17 april 1991. Binnen het kader dat door dit besluit wordt geschapen handelt het schoolbestuur autonoom wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het kleuteronderwijs (zie [4.9.1.] , [4.9.2.] en [4.10.]).

4.9.1. Organisatie van het schooljaar Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 31 augustus.

4.9.2. Organisatie van de schoolweek en de schooldag Het schoolbestuur is vrij om de organisatie van het onderwijs die wordt vastgelegd in een schoolwerkplan, te bepalen. Er bestaan niet langer vaste lesroosters in het basisonderwijs BaO. Met uitzondering van ziekenhuisscholen volgen de kinderen per schoolweek 28 of 29 lestijden van 50 minuten. Ze worden gelijkmatig verspreid over vijf dagen, van maandag tot en met vrijdag. De woensdagnamiddag is vrij (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991). De lessen beginnen op zijn vroegst om 8 uur en eindigen op zijn vroegst om 15 uur en uiterlijk om 17 uur. Er is een middagpauze van tenminste één uur. Vaak worden de lessen in de voor- en / of in de namiddag onderbroken voor een speeltijd. Aansluitend voor- en/of na de lunchpauze is er soms ook een speeltijd. Er is een wettelijk kader ontwikkeld voor kinderopvang voor en na de schooltijd, op woensdagnamiddag en tijdens de vakantie. Naast privé-initiatieven kan een school kinderopvang organiseren wanneer op gemeentelijk niveau blijkt dat omwille van organisatorische redenen de school best kan instaan voor de organisatie van kinderopvang, rekening houdend met het bestaand aanbod van voorzieningen in kinderopvang in de gemeente. Net zoals alle andere initiatieven moet de school beantwoorden aan specifieke kwaliteitsvereisten voor kinderopvang (Besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991De scholen zijn echter niet verplicht om deze dienst te voorzien. Lengte van de schooldag maandag Voorschoolse opvang mogelijk / voorziening buiten de lesuren Start lessen ten vroegste om 8 u, meestal 8u30 Lunchpauze Einde lessen ten vroegste om 15u, ten laatste 17u Naschoolse opvang mogelijk / voorziening buiten de lesuren

dinsdag

woensdag

donderdag

vrijdag

Namiddag vrij eventueel beperkte naschoolse opvang

Het Decreet Basisonderwijs (25 februari 1997) erkent het recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor kinderen die tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om naar de lagere school te gaan wegens ziekte of ongeval. Op vraag van de ouders – of de perso(o)n(en) die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring hebben - is de school verplicht om tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren (vier lesuren per week die gesubsidieerd of gefinancierd worden als aanvullende lesuren). Deze regeling geldt pas wanneer de afwezigheid minstens 21 dagen onafgebroken duurt (zie [4.15.1.]).

4.10. Curriculum, leervakken, aantal lesuren Voor het lager onderwijs zijn er door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) eindtermen geformuleerd en decretaal verankerd door het Vlaams parlement in het Decreet van 25 februari 1997. Ze zijn vanaf 1 september 1998 verplicht voor alle scholen. Eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingengroep. Met minimumdoelen wordt bedoeld: enerzijds een minimum aan kennis, inzicht en vaardigheden

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 85


die alle leerlingen van de leerlingengroep verwerven tijdens het leerproces en anderzijds een minimum aan attitudes die de school nastreeft bij de leerlingen. Er zijn verschillende soorten eindtermen. • •

Leergebiedgebonden eindtermen, met uitzondering van attitudinale eindtermen, zijn minimumdoelen die elk school met haar leerlingen moet bereiken op het einde van de lagere school. Leergebiedoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek tot één leergebied behoren, maar door meer leergebieden of onderwijsprojecten kunnen worden gerealiseerd.

Het kerncurriculum bestaat uit leergebieden en leergebiedoverschrijdende thema's. •

•

leergebieden: o lichamelijke opvoeding - onderwerpen: motorische competenties, gezonde en veilige levensstijl, zelfconcept en sociaal functioneren o muzische vorming - onderwerpen: beeld, muziek, drama, beweging, media en attitudes o Nederlands - onderwerpen: luisteren, spreken, lezen, schrijven, taalbeschouwing ,vaardigheden en strategieën Nederlands o Frans - onderwerpen: luisteren, lezen, spreken en schrijven o wereldoriëntatie - onderwerpen: natuur, mens, maatschappij, technologie, tijd en ruimte, brongebruik o wiskundige - onderwerpen: getallen, meten, meetkunde, strategieën en probleemoplossende vaardigheden, en attitudes. leergebiedoverschrijdende thema's: o leren leren o sociale vaardigheden

Specifieke ICT-competenties voor het basisonderwijs BaO werden door de DVO uitgewerkt en verspreid in 2004.(Maar nog niet decretaal bekrachtigd.) Ze werden nader toegelicht met praktijkvoorbeelden van schoolwerking door ENIS-scholen op een studiedag in 2005. ENIS (Europees Netwerk van Innovatieve Scholen) is een Europees initiatief om het gebruik van ICT in het onderwijs te stimuleren, zie www.enis.be Het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 maakt een afwijking van de vastgelegde eindtermen mogelijk voor schoolbesturen die verantwoordelijk zijn voor de inrichting van lager onderwijs. Een schoolbestuur kan oordelen dat de vastgelegde eindtermen te weinig ruimte bieden om de eigen pedagogische en opvoedkundige visie te realiseren en/of dat ze onverenigbaar zijn met deze visie. In dat geval kan het schoolbestuur een gemotiveerde vraag tot afwijking indienen samen met een eigen alternatieve definitie van de eindtermen, waarover de Vlaamse regering een beslissing zal nemen. Op basis van de eindtermen maken de schoolbesturen zelf hun leerplan. In praktijk gebeurt dit meestal door de koepels van de onderwijsnetten. Deze leerplannen worden met het oog op het waarborgen van het onderwijspeil op advies van de inspectie door de regering goedgekeurd (Verhoeven en Elchardus, 2000). Het lesrooster wordt door het schoolbestuur opgesteld. e Tot 2004 was het leergebied Frans mogelijk maar niet verplicht vanaf het 5 leerjaar lager onderwijs. De meeste scholen boden het ook in de praktijk aan. Vanaf het schooljaar 2004-2005 is dit voortaan verplicht. Voor de gemeenten met een speciaal statuut (Brussel, randgemeenten, taalgrensgemeenten) geldt sinds 1963 een speciale regeling, daar is Frans verplicht a rato van 3u/week vanaf het 3e jaar lager onderwijs en 5u/week vanaf het 5e jaar.

Bovendien is vanaf 1 september 2004 taalinitiatie in het Frans mogelijk vanaf het begin van het gewoon basisonderwijs (dus ook al in het gewoon kleuteronderwijs). Dit zowel in Vlaanderen als in de hogergenoemde gemeenten met een speciaal statuut. Daarnaast kan ook bijkomend taalinitiatie in een andere taal worden aangeboden, doch taalinitiatie in het Frans moet altijd eerst worden aangeboden (Omzendbrief BaO/2004/02 van 11/06/2004).

4.11. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal Volgens het principe van de pedagogische vrijheid behoort een beslissing omtrent de onderwijsmethoden en de gebruikte didactische hulpmiddelen tot de vrijheid van het schoolbestuur. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 86


Hoekenwerk en contractwerk zijn belangrijke hulpmiddelen in het verwerven van zelfstandigheid. •

•

Bij hoekenwerk worden elke week een paar uurtjes (autonomie van de school) uit getrokken om de kinderen in de verschillende hoeken van de klas ontdekkingen te laten doen, reeds gekende zaken in dagdagelijkse situaties toe te passen of een oplossing voor een probleem proberen te vinden. Die uurtjes kunnen de kinderen ook gebruiken om naar eigen keuze een opdracht uit hun contract uit te voeren. Ze moeten ervoor zorgen dat ze voor een afgesproken datum klaar zijn met hun werk (planning). Dit noemt men contractwerk. Contractwerk is een organisatievorm waarbij voor iedere leerling een activiteitenpakket voor een bepaalde periode wordt vastgelegd. Voor de afwerking van het pakket (bundeltje) krijgen de leerlingen een bepaald deel van de klastijd ter beschikking, waarbij ze relatief zelfstandig over de duur en de volgorde van de activiteiten kunnen beslissen.

De aankoop van leermateriaal zoals schoolboeken, audiovisueel materiaal e.a. wordt niet opgelegd vanwege de overheid. Scholen kunnen hierover wel onderling afspraken maken (bv. binnen de scholengemeenschappen).

4.12. Evaluatie van leerlingen Scholen zijn vrij in hun evaluatiebeleid. In het basisonderwijs BaO toetst de leerkracht zeer regelmatig kleine en grotere leerstofonderdelen met de bedoeling om te beoordelen in welke mate de vooropgestelde doelstellingen door de leerlingen bereikt zijn en om de doelmatigheid van zijn/haar lesgeven te evalueren. Een schoolrapport informeert elke leerling en zijn/haar ouders op regelmatige tijdstippen over de bereikte resultaten, de vooruitgang die is gemaakt, het leergedrag en de persoonlijke ontwikkeling van het kind. Op dit niveau (net zoals in het secundair onderwijs) wordt de leerkracht aangemoedigd om een pedagogie van succes en positieve stimulering te hanteren, die rekening houdt met de moeilijkheden die inherent zijn aan de vooropgestelde doelstellingen en de variërende bekwaamheden van de leerlingen. Samen met de formatieve toetsen kunnen de resultaten van de summatieve toetsen die in december of juni worden afgenomen hierbij worden gebruikt. Meer en meer maken leerkrachten gebruik van gestandaardiseerde toetsen, zoals bijvoorbeeld leerlingvolgsystemen. Dit laat hen toe de prestaties en de voortgang van de eigen leerlingen te vergelijken met een referentiegroep. Op het einde van het basisonderwijs BaO beslist de klassenraad over het al dan niet uitreiken van een getuigschrift basisonderwijs. De klassenraad baseert zich hiervoor op de schooleigen evaluatiegegevens.

4.13. Voortgang van leerlingen Over het met vrucht doorlopen van een schooljaar en het overgaan naar het volgende leerjaar wordt beslist door de klasleraar, vaak in overleg met de directeur en eventueel met andere leden van het onderwijsteam. Het zittenblijven is duidelijk een probleem in het lager onderwijs.

4.14. Diplomering Het Getuigschrift Basisonderwijs kan worden bekomen op het einde van het 6de leerjaar van het lager onderwijs, op het einde van het eerste jaar van het secundair onderwijs (1ste jaar A of B) of op het einde van het voorbereidende jaar beroepsonderwijs (d.i. het tweede jaar van de eerste graad secundair onderwijs voor zij die uit de het eerste jaar B komen) waar een evenwaardig certificaat wordt verstrekt.

4.15. Bijzondere begeleiding van leerlingen In 1984 werd het Koninklijk Besluit van 27 oktober 1966 gewijzigd om een grotere autonomie voor elke school te garanderen wat betreft de organisatie van haar onderwijsaanbod en dit door de school te financieren op basis van een pakket toegewezen lesuren. Een aantal lestijden werd ter beschikking gesteld van elke school, afhankelijk van het aantal leerlingen. Deze uren konden aangewend worden voor de verruiming van het onderwijsaanbod, voor het inschakelen van een taakleraar voor begeleiding van leerlingen, voor het coachen van leerkrachten en coördineren van zorginitiatieven, voor schoolmanagement …. Sinds 1991 werd in basis- en secundair onderwijs een onderwijsvoorrangsbeleid gevoerd om de integratie van kansarme migrantenleerlingen te bevorderen. Voor leerbedreigde en kansarme autochtone leerlingen startte in

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 87


1993 een project zorgverbreding in het basisonderwijs BaO. Scholen met een bepaald percentage doelgroepleerlingen kregen extra lestijden, die aangewend moesten worden op een aantal actieterreinen De scholen moesten daartoe ook een aanwendingsplan voorleggen. In 1993 ondertekenden de Vlaamse onderwijsminister en de koepelorganen van de inrichtende machten een nondiscriminatieverklaring. Als gevolg daarvan werden netoverschrijdende overeenkomsten afgesloten om segregatie en concentratiescholen tegen te gaan. Dit resulteerde eerder in een spreidingsbeleid dan een toelatingsbeleid. Rekening houdende met de Europese richtlijn inzake gelijke kansen werden deze maatregelen herbekeken en vanaf 2002 geïntegreerd in een gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK). Het project onderwijsvoorrangsbeleid blijft wel doorlopen in het buitengewoon onderwijs, zie [10.6.]. De ondersteunende maatregelen voor Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en voor scholen met anderstalige nieuwkomers blijven afzonderlijk behouden. De ondersteuning die voortvloeit uit het tijdelijk project 'Vlaamse rand' kan worden gecumuleerd met het geïntegreerd ondersteuningsaanbod.

4.15.1. Het nieuwe geïntegreerd gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) Het decreet van 28 juni 2002 verankerde het principieel recht van elke ouder op een inschrijving in de gekozen school en vestigingsplaats; vanaf 12 jaar is het de leerling die in samenspraak met de ouders de keuze bepaalt Ze dienen wel in te stemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement. Voor de coördinatie en de controle van dat inschrijvingsrecht werden Lokale Overlegplatforms (LOP's) ,en een Commissie inzake leerlingenrechten gecreëerd. Daarnaast werd een geïntegreerd ondersteuningsaanbod uitgewerkt. Het GOKbeleid is van toepassing op het gewoon basis- en secundair onderwijs. • • •

http://www.ond.vlaanderen.be/gok/ http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2004pers/0511_evaluatieGOK.htm http://www.grootgelijk.be (website van het Steunpunt GOK)

4.15.1.1. Inschrijvingsrecht Elke leerling die voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden (inzake onderwijsniveau, studierichting en leerjaar waarin de leerling zich wil inschrijven) heeft een principieel recht op inschrijving in de school van keuze. Voortaan zal een weigering tot inschrijving door de school enkel nog kunnen in 2 welbepaalde gevallen (indien de school of een onderdeel van de school volzet is, en indien de leerling het voorgaande of daaraan voorgaande schooljaar met een tuchtmaatregel uit de school is verwijderd.). Weigeringen op grond van huidskleur, nationale of etnische herkomst, afkomst, religie of geslacht zijn niet toelaatbaar. Vanaf het schooljaar 2005-2006 krijgen broers en zussen of leerlingen die onder hetzelfde dak wonen voorrang op alle andere leerlingen bij de inschrijvingen in dezelfde school. Vanaf het schooljaar 2006-2007 wordt de regelgeving terzake aangepast met het oog op het vergroten van de toepasbaarheid, het bevorderen van de diversiteit, verminderen van de planlast voor de scholen en vergroting van de lokale autonomie. 4.15.1.2. Lokale overlegplatforms (LOP's) en Commissie inzake leerlingenrechten Er werden lokale overlegplatforms (LOP's) opgericht die het gelijkeonderwijskansenbeleid op het lokale vlak mee implementeren. Daarin zetelen onderwijsverstrekkers en lokale actoren zoals vertegenwoordigers van allochtone en (kans)arme autochtone gemeenschappen, van de integratiesector, van socio-economische partners, etc.. De scholen en CLB's nemen verplicht deel aan dit overleg. Daarnaast bestaat er een autonome en niveauoverschrijdende Commissie inzake Leerlingenrechten, die -sinds 1 januari 2003- de opdracht heeft te waken over de rechtsbescherming van de leerlingen en die de dossiers inzake weigering behandelt op klacht van belanghebbende. • •

http://www.lop.be http://www.ond.vlaanderen.be/leerlingenrechtencommissie

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 88


4.15.1.3. Ondersteuning Scholen kunnen op grond van het gelijkeonderwijskansenbeleid voor een periode van drie opeenvolgende schooljaren bijkomende ondersteuning (aanvullende lestijden of extra uren/leraar) krijgen, indien de school in haar leerlingenpopulatie minimum 10 % doelgroepleerlingen (in het basisonderwijs en de 1ste graad secundair onderwijs) of 25 % doelgroepleerlingen (in de 2de en 3de graad secundair onderwijs) telt die beantwoorden aan één of meerdere gelijkekansenindicatoren. •

Voor het gewoon basisonderwijs BaO en de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs zijn deze: o het gezin leeft uitsluitend van een vervangingsinkomen; o de minderjarige is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het departement; o de ouders behoren tot de trekkende bevolking; o de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs; o de thuistaal is niet het Nederlands. Voor de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs zijn deze: o de leerling heeft een schoolse achterstand van ten minste twee jaar; o de leerling is een neveninstromer (leerling die in het betrokken schooljaar ingeschreven is in een leerjaar van de tweede of derde graad van het beroepssecundair onderwijs, respectievelijk het technisch onderwijs, en het voorafgaand schooljaar niet in de school ingeschreven was, en het voorafgaand schooljaar een oriënteringsattest B of C behaalde); o de leerling volgde het voorafgaande schooljaar onthaalonderwijs (onderwijs voor anderstalige nieuwkomers).

•

De school bepaalt, op basis van een analyse van de beginsituatie, welke concrete doelstellingen zij met de extra middelen wil nastreven, op welke wijze zij deze doelstellingen wil bereiken en op welke wijze zij zichzelf zal evalueren. De doelstellingen kunnen gekozen worden binnen de volgende themata: • • • • • •

preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden, taalvaardigheidsonderwijs, intercultureel onderwijs, doorstroming en oriëntering, socio-emotionele ontwikkeling, leerlingen- en ouderparticipatie.

Of binnen een cluster waarvan de doelstellingen op voorhand zijn vastgelegd. Deze clusters zijn: • • •

cluster 1: ontwikkelings- en leerachterstanden remediëren en leerwist realiseren; cluster 2: de taalvaardigheid bij leerlingen bevorderen; cluster 3: een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren.

In tegenstelling tot de vroegere tijdelijke projecten kunnen leraren benoemd worden in de uren gelijkeonderwijskansenbeleid van het basisonderwijs BaO en van de 1ste graad secundair onderwijs. 4.15.1.4. Extra zorguren Vanaf 1 september 2003 trad de tweede fase van het GOK in werking en kunnen alle gewone basisscholen rekenen op extra zorguren. Het aantal zorguren wordt toegekend via een puntenenveloppe, die wordt berekend naargelang het aantal ingeschreven leerlingen. Deze zorguren komen bovenop de bestaande GOK-lestijden. Het hoofddoel van het nieuwe zorgbeleid is dat kinderen met een leerprobleem zich in de eerste plaats goed voelen op school. Aangepaste zorg zal hun motivatie verhogen en leren leuker maken voor hen. Voor kinderen met leerproblemen betekent dit ook een kans om les te blijven volgen in een gewone school. De persoon die verantwoordelijk wordt voor de zorg binnen een school, is de zorgbegeleider of zorgcoördinator. De zorgbegeleider doet meer dan de zorg binnen een school coördineren en leerlingen begeleiden. Hij of zij kan ook leerkrachten begeleiden die met vragen zitten over hoe ze kinderen met een bepaald probleem moeten benaderen en kan daarnaast ook de link zijn tussen leerling, school, ouders, CLB, therapeut en alle andere instanties die bij een betere ondersteuning van het kind kunnen helpen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 89


4.15.1.5. Tijdelijke projecten kunstinitiatie In het kader van het decreet betreffende Gelijke onderwijskansen-I initieerde de Vlaamse regering ook, vanaf het schooljaar 2002-2003 projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone leerlingen in het basis- en secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse regering van 6 september 2002). De 3-jarige proefperiode is ondertussen verlengd door het Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV (hoofdstuk IX, afdeling III) De eerdere strategische doelstelling "toeleiding naar het deeltijds kunstonderwijs" wordt een langetermijndoelstelling die meer naar de achtergrond verschuift. In de plaats komt een drieledige doelstelling die in een werkperiode van 3 schooljaren gerealiseerd kan worden: • • •

het zelfbeeld bevorderen van leerlingen die risico lopen op schoolse achterstand; de cultuurcompetentie bij deze doelgroep bevorderen; de betrokkenheid van de buurt en ouders bij de school vergroten.

De projectwerking zelf is echter in handen van een samenwerkingsverband waaraan naast de initiatiefnemende basis- of secundaire school (en eventuele andere scholen) de volgende partners verplicht deelnemen: • • •

één of meer academies voor deeltijds kunstonderwijs; een culturele organisatie (bv. cultuurcentrum, kunsteducatieve organisatie) een buurtgerichte organisatie (bv wijkcomité, buurthuis, plaatselijke allochtone gemeenschap…).

Het Gelijkeonderwijskansendecreet geeft zelf drie mogelijke werkwijzen om de drieledige projectdoelstelling te verwezenlijken: • • •

een artistieke begeleiding van de betrokken minderjarigen door kunstenaars; de professionalisering van leerkrachten van een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs inzake de integratie van muzische vorming in een interculturele schoolomgeving; de organisatie van een kunstinitiatie die nauw aansluit bij de leefwereld van de betrokken minderjarigen.

De ondersteuning heeft de vorm van een puntenenveloppe die gradueel stijgt naarmate er meer basis- of secundaire scholen aan het project deelnemen. De school kan vrij kiezen hoe zij die punten besteedt: • •

extra uren voor onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend personeel, ondersteunend personeel, administratief personeel of opvoedend hulppersoneel; bijkomende middelen voor werkingskosten of voordrachtgevers.

Naar analogie van ICT-coördinatie komt elk uur-opdracht overeen met een puntenwaarde. Zowel leerkrachten van basis- en secundair onderwijs als deeltijds kunstonderwijs kunnen aan de projecten meewerken. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL502/KI_info.doc 4.15.1.6. Steunpunt GOK Het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen integreert het Steunpunt Intercultureel Onderwijs (ICO), het Steunpunt Nederlands Tweede Taal (NT2), het Expertisecentrum voor Ervaringsgericht Onderwijs (ECEGO). Het ondersteunt scholen bij de implementatie van het lokaal GOK-beleid. Steunpunt Gelijke Onderwijskansen

Steunpunt Intercultureel Onderwijs (ICO) Steunpunt Nederlands Tweede Taal (NT2) Expertisecentrum voor Ervaringsgericht Onderwijs (ECEGO)

Vlaams Eurydice rapport 2006

http://www.grootgelijk.be www.steunpuntgok.be http://www.steunpuntico.be http://millennium.arts.kuleuven.ac.be/steunpunt/Steunpunt.cf m?CFID=1346996&CFTOKEN=38721451tersqsdfqfdsdf http://www.cego.be

4 Lager onderwijs / 90


4.15.2. De rol van centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) Deze centra functioneren als geïntegreerde schoolbegeleidingsdiensten en zijn het resultaat van de samenvoeging van de vroegere Psycho-Medisch-Sociale (PMS) Centra die hoofdzakelijk verantwoordelijk waren voor de begeleiding van leerlingen en de centra voor Medisch Schooltoezicht (MTC) die de gezondheidscontrole uitvoerden. De nieuwe CLB's zijn bijgevolg verantwoordelijk zowel voor schoolbegeleiding als voor gezondheidscontrole. Ze werden effectief op 1 september 2000 als gevolg van het Decreet van 1 december 1998 betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding. De taken van de CLB's bestaan in het algemeen uit een aantal geïntegreerde, multidisciplinaire acties. Deze acties zijn gericht op de leerling en worden uitgevoerd vanuit 'preventief, remediërend of educatief oogpunt'. De acties behoren tot de zorg voor de ontwikkeling van de leerlingen van het gewoon en buitengewoon kleuter-, lager en secundair onderwijs en vinden plaats in samenwerking met de ouders en de school, die de eerste verantwoordelijken zijn. Waar nodig wordt eveneens samengewerkt met andere diensten, instellingen of voorzieningen. Het actieveld van de CLB's is ruim en is geconcentreerd op de volgende aspecten: • • • •

het leren en studeren de onderwijsloopbaan de preventieve gezondheidszorg het psychisch en sociaal functioneren.

De CLB's hebben als opdracht bij te dragen tot het welbevinden van de leerlingen nu en in de toekomst. Een belangrijke taak is het voorzien in informatie betreffende de structuur en de organisatie van het Vlaamse onderwijssysteem, de mogelijke studierichtingen, de relatie tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, de welzijnsvoorzieningen en de gezondheidsvoorzieningen. Een ander aandachtspunt is het verbeteren van de slaagcijfers en de vermindering en preventie van risicovol gedrag. De centra zijn ook verantwoordelijk voor spijbelende leerlingen en zullen trachten hen terug te integreren in het onderwijsproces. Het CLB-decreet stipuleert dat enkel de school de hoofdverantwoordelijkheid voor de studie- en beroepskeuzebegeleiding van de leerlingen bij de overgang van secundair naar hoger onderwijs draagt. Het decreet heeft dus de begeleiding van studiekeuze en leerlingenloopbaan verschoven naar de leraar in de school. Verschillende CLB's coachen de leraars bij die taak en spelen hun know-how door. Op medisch vlak zijn de centra verantwoordelijk voor de gezondheid, groei en ontwikkeling van de leerlingen. Daarvoor voeren zij verplichte medische consultaties uit bij alle leerlingen op bepaalde momenten van hun onderwijsloopbaan en houden zij bestanden bij van de medische vaccinaties van de leerlingen. Ze trachten ook zo vroeg mogelijk stoornissen te ontdekken en zijn bezig met de preventie en detectie van besmettelijke ziekten. Vanaf de kleuterschool tot aan de overgang naar het hoger onderwijs, verzamelen, analyseren en beoordelen de centra psychologische, medische en sociale data over de leerlingen, die worden bijgehouden in een multidisciplinair bestand voor elke leerling.

Departement onderwijs Inspectie CLB Netoverschrijdend platform voor informatisering CLB's Gemeenschapsonderwijs POC, Permanente ondersteuningscel (CLB's van het gemeenschapsonderwijs) Provinciaal onderwijs Stedelijk en gemeentelijk onderwijs Netoverschrijdende CLB-informatiedienst van de Gentse Centra voor Leerlingenbegeleiding en de stad Gent Vrij onderwijs Tijdschrift van de vrije CLB's Vrije CLB's van Vlaams-Brabant en Brussel

Vlaams Eurydice rapport 2006

http://www.ond.vlaanderen.be/clb/prof/overzicht.htm http://www.onderwijsinspectie.be/CLB/indexclb.htm http://portal.nico-clb.be http://www.go-clb.be http://pedago.rago.be/ http://www.pov.be http://www.ovsg.be/1scholen.htm http://www.destapgent.be/default.asp

http://www.vclb-koepel.be http://www.caleidoscoop.be/ http://www.digiclb.be

4 Lager onderwijs / 91


4.16. Privé-onderwijs Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua lesmodaliteiten en financiering (SIDIN 2004-2205, http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/wnhso/wnhso2004-2005.pdf). Aangezien leerplicht geen schoolplicht impliceert is huisonderwijs mogelijk. Deze onderwijsvorm blijft echter een grote uitzondering (zie [2.5.2.]).

4.17. Andere organisatievormen Het onderwijs aan langdurig zieke kinderen Hiervoor zijn verschillende voorzieningen uitgebouwd: ziekenhuisscholen, tijdelijke en permanent onderwijs aan huis, jeugdpsychiatrische diensten (gesubsidiëerd als Diensten met Onderwijsbehoeften).

4.17.1. Type 5-onderwijs (ziekenhuisscholen en preventoria) Ziekenhuisscholen en preventoria bestaan sinds vele jaren in Vlaanderen, maar zijn beperkt in aantal. •

•

De programmatie- en rationalisatienormen liggen in het basisonderwijs BaO relatief hoog zodat enkel zeer grote ziekenhuizen met een voldoende grote groep jongeren een ziekenhuisschool kunnen oprichten en/of in stand houden. Er zijn 7 basisscholen van het type 5, waar op één dag in het totaal zo'n 370 kinderen aanwezig zijn: o 3 verbonden aan universitaire ziekenhuizen (Antwerpen, Gent en Leuven), o 2 verbonden aan revalidatieklinieken (Pulderbos en Vlezenbeek), o 2 bij het preventorium in De Haan (1 Franstalig en 1 Nederlandstalig). In het secundair onderwijs wordt het aantal ziekenhuisscholen beperkt doordat zij enkel kunnen worden opgericht bij de universitaire ziekenhuizen. Er bestaan 3 van dergelijke scholen, in Antwerpen, Gent en Leuven. Dat secundair onderwijs bestaat eigenlijk uit een afdeling van de basisschool verbonden aan deze ziekenhuizen. Het was indertijd (1986) een keuze om geen onafhankelijke secundaire ziekenhuisscholen op te richten, maar om ze te integreren in de basisschool. De secundaire scholen van het type 5 bieden enkel opleidingsvorm 4 aan. Daarnaast bestaat nog het zeepreventorium in De Haan, maar dat valt onder een eigen regeling.

Sommige jongeren krijgen 1 lestijd per dag, anderen zijn in staat om meer onderwijs te ontvangen. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de arts en de ziekenhuisschool om te oordelen hoeveel onderwijs de zieke jongere aankan. Het feit dat een kind zich in een type 5-school bevindt, ontslaat de thuisschool niet van de verantwoordelijkheid voor dit kind. Het kind blijft immers ingeschreven in de thuisschool. Die wordt geacht de ziekenhuisschool ten minste informatie te geven over bv. de gebruikte handboeken, mogelijke aandachtspunten voor de leerlingen, het programma enz.

4.17.2. Permanent Onderwijs Aan Huis (POAH) Leerplichtige leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs maar door hun handicap (bv. zeer broze beenderen, vergroot risico bij infecties) niet over een langere periode (één of meerdere jaren) onderwijs kunnen volgen op school, hebben recht op Permanent Onderwijs Aan Huis. De school voor buitengewoon onderwijs die het Permanent Onderwijs Aan Huis zal verstrekken, krijgt voor de betrokken leerling vier bijkomende lestijden per week gefinancierd of gesubsidieerd. Ze wordt toegewezen door de Commissie van Advies voor Buitengewoon Onderwijs, rekening houdend met de vrije keuze van de ouders. In het buitengewoon basisonderwijs bestaat deze regeling al langer. Momenteel krijgen jaarlijks vier à vijf kinderen op deze manier onderwijs. Sinds 1 september 2005 bestaat deze regeling ook voor het buitengewoon secundair onderwijs. Zie • • •

Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 Besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 1999 Besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 92


•

Omzendbrief SO/2005/05 van 22 juli 2005

4.17.3. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis (TOAH) In 1997 werd het Tijdelijk Onderwijs Aan Huis in het basisonderwijs BaO geïntroduceerd en in 2005 uitgebreid naar het secundair onderwijs. Tijdelijk Onderwijs Aan Huis komt er op neer dat een leerplichtig kind, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte of ongeval van 21 kalenderdagen, onder bepaalde voorwaarden recht heeft op 4 lestijden of -uren onderwijs thuis of in het regionale ziekenhuis. De organisatie ervan is de verantwoordelijkheid van de thuisschool, die een leerkracht aanstelt. Hiertoe krijgt de school vier bijkomende lestijden of -uren per week en per zieke leerling gefinancierd of gesubsidieerd. Jaarlijks worden door deze maatregel in het basisonderwijs zo'n 150 leerlingen geholpen. Voor het secundair onderwijs zijn er nog geen cijfers omdat de maatregel zeer recent is. Tot voor kort konden veel chronisch zieke kinderen (nierpatiënten, astmapatiënten, herstellende kankerpatiënten...) niet genieten van dit Tijdelijk Onderwijs Aan Huis. Door de specificiteit van hun ziekte geraken deze leerlingen immers vaak niet aan 21 kalenderdagen ononderbroken afwezigheid. Niettemin missen deze leerlingen, bekeken over het hele jaar, veel lessen. Ze lopen door hun chronische afwezigheid ook leerachterstand op. Recent is er een rechtsgrond gecreëerd om voor deze categorie zieke kinderen een oplossing te vinden. Dit zal verder in een uitvoeringsbesluit worden uitgewerkt.

4.17.4. K-diensten (jeugdpsychiatrische diensten) In 2002 werd er gestart met het toekennen van subsidie-enveloppen aan de 12 kinderpsychiatrische diensten. Die zijn gebaseerd op het aantal dag- en dagen nachtbedden waarvoor de betrokken K-dienst erkend is. Zo zijn er in Vlaanderen momenteel 257 subsidieerbare plaatsen. Uiteraard wordt ook hier, net zoals in type 5, op jaarbasis een veelvoud aan jongeren geholpen. Deze groep stijgt. De subsidie-enveloppe wordt toegekend om de K-dienst in staat te stellen onderwijs te organiseren. Dit onderwijs is voor de betrokken jongeren geen verplichting maar een mogelijkheid. Net als bij type 5, blijft een kind dat zich in een K-dienst bevindt toch mee de verantwoordelijkheid van de thuisschool. (Discussienota 'Leerzorg in het onderwijs', december 2005, Minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke)

4.18. Statistieken 4.18.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het lager onderwijs vanaf het schooljaar 1990-1991

Schooljaar

1990 - 1991 1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Gewoon lager Buitengewoon lager onderwijs onderwijs Verhouding t.o.v. Verhouding t.o.v. 1995-1996 1995-1996 Absoluut Procent Absoluut Procent 412.140 105,62 18.088 80,29 404.773 103,74 19.783 87,82 398.229 102,06 20.462 90,83 393.474 100,84 21.054 93,46 390.837 100,16 21.752 96,56 390.195 100,00 22.528 100,00 394.248 101,04 23.121 102,63 400.038 102,52 24.072 106,85 405.021 103,80 24.935 110,68 408.545 104,70 25.727 114,20 409.323 104,90 26.212 116,35 407.526 104,44 26.794 118,94 404.308 103,62 26.901 119,41 399.615 102,41 26.952 119,64 393.910 100,95 26.768 118,82

Totaal lager onderwijs Verhouding t.o.v. 1995-1996 Absoluut Procent 430.228 104,24 424.556 102,87 418.691 101,45 414.528 100,44 412.589 99,97 412.723 100,00 417.369 101,13 424.110 102,76 429.956 104,18 434.272 105,22 435.535 105,53 434.320 105,23 431.209 104,48 426.567 103,35 420.678 101,93

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 93


4.18.2 Voortgang in de studies van de leerlingen met Belgische nationaliteit in het gewoon lager onderwijs; schooljaar 2004-2005 Aantal leerlingen met Leerjaar voorsprong

%

Aantal leerlingen normaal gevorderd

%

Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Totaal

217 257 366 368 371 329 1.908

0,66 0,83 1,20 1,22 1,22 1,08 1,03

28.674 26.569 25.747 25.153 25.225 25.866 157.234

87,34 85,50 84,34 83,70 83,23 84,91 84,87

Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Totaal

319 310 375 362 358 343 2.067

1,00 0,99 1,23 1,21 1,21 1,12 1,13

28.328 27.061 26.035 25.524 25.176 26.692 158.816

89,19 86,81 85,69 85,13 84,74 87,18 86,49

Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Totaal

536 567 741 730 729 672 3.975

0,83 0,91 1,22 1,22 1,21 1,10 1,08

57.002 53.630 51.782 50.677 50.401 52.558 316.050

88,25 86,15 85,02 84,41 83,98 86,05 85,68

Aantal Aantal Aantal lln. Totaal leerlingen leerlingen met meer aantal met 1 jaar met 2 jaar dan 2 jaar leerlingen achterstand % achterstand % achterstand % Jongens 3.732 11,37 157 0,48 51 0,16 32.831 4.016 12,92 229 0,74 4 0,01 31.075 4.116 13,48 274 0,90 23 0,08 30.526 4.138 13,77 376 1,25 18 0,06 30.053 4.370 14,42 323 1,07 18 0,06 30.307 4.072 13,37 189 0,62 6 0,02 30.462 24.444 13,19 1.548 0,84 120 0,06 185.254 Meisjes 2.930 9,23 136 0,43 48 0,15 31.761 3.615 11,60 180 0,58 8 0,03 31.174 3.703 12,19 253 0,83 17 0,06 30.383 3.746 12,49 328 1,09 21 0,07 29.981 3.840 12,93 328 1,10 6 0,02 29.708 3.388 11,07 194 0,63 1 0,00 30.618 21.222 11,56 1.419 0,77 101 0,06 183.625 Totaal 6.662 10,31 293 0,45 99 0,15 64.592 7.631 12,26 409 0,66 12 0,02 62.249 7.819 12,84 527 0,87 40 0,07 60.909 7.884 13,13 704 1,17 39 0,06 60.034 8.210 13,68 651 1,08 24 0,04 60.015 7.460 12,21 383 0,63 7 0,01 61.080 45.666 12,38 2.967 0,80 221 0,06 368.879

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 94


4.18.3 Voortgang in de studies van de leerlingen met vreemde nationaliteit in het gewoon lager onderwijs; schooljaar 2004-2005 Aantal leerlingen met Leerjaar voorsprong

%

Aantal leerlingen normaal gevorderd

%

Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Totaal

25 10 11 14 9 9 78

1,02 0,47 0,52 0,65 0,42 0,52 0,61

1.519 1.255 1.106 1.045 992 827 6.744

61,92 58,75 52,52 48,27 46,84 47,80 53,07

Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Totaal

9 12 20 7 10 12 70

0,38 0,55 0,97 0,34 0,53 0,70 0,57

1.612 1.359 1.128 1.017 922 816 6.854

68,42 61,86 54,57 48,71 48,65 47,44 55,62

Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde Zesde Totaal

34 22 31 21 19 21 148

0,71 0,51 0,74 0,49 0,47 0,61 0,59

3.131 2.614 2.234 2.062 1.914 1.643 13.598

65,11 60,33 53,53 48,48 47,69 47,62 54,32

Aantal Aantal Aantal lln. Totaal leerlingen leerlingen met meer aantal met 1 jaar met 2 jaar dan 2 jaar leerlingen achterstand % achterstand % achterstand % Jongens 2.453 743 30,29 127 5,18 39 1,59 676 31,65 168 7,87 27 1,26 2.136 724 34,38 215 10,21 50 2,37 2.106 783 36,17 282 13,03 41 1,89 2.165 805 38,01 277 13,08 35 1,65 2.118 703 40,64 183 10,58 8 0,46 1.730 4.434 34,89 1.252 9,85 200 1,57 12.708 Meisjes 2.356 580 24,62 124 5,26 31 1,32 619 28,17 175 7,97 32 1,46 2.197 685 33,14 193 9,34 41 1,98 2.067 755 36,16 253 12,12 56 2,68 2.088 719 37,94 222 11,72 22 1,16 1.895 703 40,87 178 10,35 11 0,64 1.720 4.061 32,95 1.145 9,29 193 1,57 12.323 Totaal 1.323 27,51 251 5,22 70 1,46 4.809 1.295 29,89 343 7,92 59 1,36 4.333 1.409 33,76 408 9,78 91 2,18 4.173 1.538 36,16 535 12,58 97 2,28 4.253 1.524 37,98 499 12,43 57 1,42 4.013 1.406 40,75 361 10,46 19 0,55 3.450 8.495 33,94 2.397 9,58 393 1,57 25.031

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

4 Lager onderwijs / 95


5. SECUNDAIR ONDERWIJS De organisatie van de vier graden-structuur van het voltijds secundair onderwijs is gebaseerd op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het secundair onderwijs-II, zoals gewijzigd. De tweede en derde graad biedt Algemeen Secundair Onderwijs (ASO), Technisch Secundair Onderwijs (TSO), Kunstsecundair Onderwijs (KSO) en Beroepssecundair Onderwijs (BSO). Er bestaat ook deeltijds beroepssecundair onderwijs DBSO. In dit onderdeel behandelen we het gewoon secundair onderwijs. Sommige voorzieningen die van toepassing zijn op leerlingen in het secundair onderwijs behandelen we elders: • • • • • • • •

Het gelijke kansen beleid (GOK), zie [4.15.1.] Het geïntegreerd onderwijs (GON), zie [10.5.1.] Het inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen, zie [10.5.2.] Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN), zie [10.7.2.] Deeltijds Kunstonderwijs, zie [7.] Onderwijs aan langdurig zieke kinderen, zie [4.17.] Ondernemersvorming, zie [7.] Methodenscholen, zie [2.3.4.]

Na het historisch overzicht [5.1.], actuele discussies [5.2.] en wettelijk kader [5.3.] behandelen we: • • • • • • • • • • • • • • • •

Algemene doelstellingen, zie [5.4.] Soorten instellingen, zie [5.5.] Geografische toegankelijkheid, zie [5.6.] Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze, zie [5.7.] Inschrijving en/of inschrijvingsgeld, zie [5.8.] Financiële steun voor leerlingen, zie [5.9.] Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen, zie [5.10.] Studierichtingen en specialisatie, zie [5.11.] Organisatie van de schooltijd, zie [5.12.] Curriculum, leervakken, aantal lesuren, zie [5.13.] Onderwijsmethoden en didactisch materiaal, zie [5.14.] Evaluatie van leerlingen, zie [5.15.] Voortgang van leerlingen, zie [5.16.] Diplomering, zie [5.17.] Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt, zie [5.18.] Privé-onderwijs, zie [5.19.]

5.1. Historisch overzicht Het duurde tot 1887 vooraleer een wet de structuur van het secundair onderwijs vastlegde. Die structuur werd behouden tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Naast de klassieke richtingen (Latijn-Grieks en Latijn) kreeg ook de moderne humaniora (met de klemtoon op moderne talen en wetenschappen) betekenis. Daarenboven werden secundaire scholen opgericht, die geen humaniora-onderwijs aanboden maar die bedoeld waren om jongeren voor te bereiden op een loopbaan in de handel, industrie, administratie en financiële wereld. Ook ontstond in de loop van de 19de eeuw, los van de bestaande secundaire scholen, het technisch onderwijs. Dit onderwijstype dat gericht was op de sectoren landbouw, tuinbouw, industrie en handel, voorzag lessen met een praktische en nuttige inslag, 's avonds en op zondag. De grote politieke, sociale en economische veranderingen uit de nadagen van de Eerste Wereldoorlog hadden een invloed op de toenmalige structuur van het secundair onderwijs; het aantal scholen en leerlingen nam sterk toe (De Keyser en D'Hoker, 1984-1985). Vanaf het interbellum spitste de discussie zich toe op de gelijkwaardigheid tussen de klassieke richtingen enerzijds en de moderne humaniora anderzijds. In 1924 kwam het leerplan van de middelbare scholen, dat een afdeling Latijn-Grieks kon bevatten in de rijksmiddelbare scholen, overeen met de eerste drie jaar van de moderne humaniora. Het technisch onderwijs, waarvan de ontwikkeling werd gekenmerkt door een gebrek aan coherentie en dat noch over een statuut noch over een unitaire structuur beschikte, kreeg door een koninklijk besluit in 1933 voor de eerste keer een samenhangende indeling voor technische scholen. Het bestuur van het technisch onderwijs, dat tot dan toe de verantwoordelijkheid was geweest van verschillende ministers (Landbouw, Handel en Arbeid) kwam onder de bevoegdheid van de minister van Openbaar Onderwijs. Op dat moment kwam, tenminste in bepaalde kringen, het idee naar voren om het secundair en technisch onderwijs dichter bij elkaar te brengen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 97


Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren 1950 en 1960, evolueerde het secundair onderwijs op een determinerende wijze. Eerst en vooral werden er nieuwe afdelingen en structuren opgericht (KB van 30 april 1957(b)). Op hetzelfde moment werd het technisch en beroepsonderwijs een structuur gegeven die gelijkaardig was aan die van het oudere algemeen vormend onderwijs (KB van 30 april 1957(a)). De 'Omnivalentiewet' van 8 juni 1964 liet een grotere toegang tot hoger onderwijs en bepaalde universiteitsfaculteiten in het bijzonder toe. Tijdens de decennia die het einde van de Tweede Wereldoorlog voorafgingen was het secundair onderwijs met zijn zeer hiërarchische, categoriale en piramidale structuur, immers enkel toegankelijk geweest voor een kleine groep jongeren. De democratiseringsbewegingen hebben in het secundair onderwijs na de Tweede Wereldoorlog een radicale hervorming teweeg gebracht in haar structuren en pedagogische methoden. Deze evolutie had zowel een kwalitatieve (structurele veranderingen) als een kwantitatieve dimensie (de 'school-boom'). Meer pogingen tot hervorming van het secundair onderwijs gaan terug tot het schooljaar 1969-1970. De Wet van 19 juli 1971 introduceert een nieuw type van secundair onderwijs, dat het Type 1 werd genoemd. Waar dit nieuwe (comprehensieve) type verplicht werd in het rijksonderwijs, werd het slechts gedeeltelijk toegepast in de gesubsidieerde scholen. Twee belangrijke hervormingen bepalen de actuele eenheidsstructuur van het secundair onderwijs. •

•

Ten eerste zijn de twee hoofdtypes (een comprehensief type en een type met verschillende richtingen) vervangen, door een nieuw algemeen kader. De vroegere nationale wetgeving (aangenomen vóór de bevoegdheidsoverdracht van federale overheid naar gemeenschap) van 1971 (type I) en 1957 (type II) is vervangen door het Decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990. Dit voerde een nieuwe algemene structuur voor het secundair onderwijs in. Vanaf 1 september 1989 namen alle Vlaamse scholen progressief deze organisatievorm aan, vertrekkend van het eerste jaar secundair onderwijs. Ten tweede is het secundair onderwijs over de laatste 30 jaren geëvolueerd naar een uniforme wetgeving voor het hele secundaire onderwijs (technisch en beroepsonderwijs inbegrepen) met betrekking tot de uitreiking van diploma's, leerplannen, leerlingenevaluatie,…. In Vlaanderen verwijzen de termen 'lager' en 'hoger' secundair onderwijs naar de voormalige structuur van het secundair onderwijs dat uit twee cycli van 3 jaar bestond (m.n. de lagere en de hogere cyclus). Vandaag heeft het secundair onderwijs een meer uniforme structuur en een onderverdeling in 3 graden.

In het Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs BaO wordt een nieuwe reorganisatie vastgelegd. Een belangrijke doelstelling van het Decreet van 14 juli 1998 is de optimalisering van de oriëntering van de leerlingen, met de bedoeling aan elke leerling het onderwijs te geven dat het best beantwoordt aan zijn interesses en capaciteiten. Dit betekende dat er komaf moest worden gemaakt met een aantal problemen die zich in het onderwijs voordoen, als daar zijn: het toenemende aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs, het groter aantal mislukkingen, het eliminatiemechanisme dat karakteristiek is voor het secundair onderwijssysteem, de ongekwalificeerde 'output' van leerlingen van het secundair onderwijs op de arbeidsmarkt, enzovoort. Op vijf vlakken werden hervormingen vastgelegd, zoals de rationalisering en herschikking van het onderwijsaanbod, de bevordering van de lokale autonomie van de scholen, bijkomende inspanningen voor leerlingen met leermoeilijkheden, de integratie van het gewoon en buitengewoon onderwijs en de modularisering van het beroepsgericht onderwijs (zie [5.13.5.]).

5.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Volgende aaandachtspunten zijn actueel. • • • •

• • • • •

Het voorkomen maar ook sanctioneren van spijbelen en schoolverzuim. Grotere selectiviteit bij nieuwe progammaties. De modularisering van het SO (wegwerken van de tekortkomingen van het experiment met modulair onderwijs, maar versterking van de positieve ervaringen), zie [5.13.3.2.5.]. Een betere voorbereiding op intrede in de arbeidsmarkt en ontwikkelen van ondernemerschap (brugprojecten, alternerend leren voor deeltijds leerplichtigen, ondersteuning voor micro-ondernemers in opleiding, het project ANKIE voor genderneutrale studiekeuze, equalproject JANUS e.a. projecten ondersteund door ESF-Vlaanderen en de dienst beroepsopleiding).. In 2006 zijn 27 centra voor deeltijdse vorming erkend, zie [5.13.3.2.6.]. Er zullen ook Centra voor leren en werk worden uitgebouwd. Trajectbegeleiding in het Deeltijds Beroepssceundair onderwijs (DBSO), in functie van alterende tewerkstelling waarbij werkplekleren essentieel is, zie [5.18.]. Er zal ook een algemeen kader voor werkplekleren worden uitgebouwd. Het leerlingenstages worden verder gestimuleerd. Daartoe werd ook een stagedatabank opgericht, zie [5.13.3.2.3.].

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 98


• • • • • •

• •

De alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon onderwijs, opleidingsvorm 3, geïntroduceerd in 2004, zie [10.6.10.]. De werking van de Regionale technologische centra werd in 2004 geherdefinieerd en meer gefocused op ter beschikking stellen van hoogtechnologische apparatuur aan het onderwijs, ze kunnen nu ook projectfinanciering aanvragen. Zie [5.18.] Er wordt ook gestreefd naar een integratie van onderwijconvenants in sectorconvenants, zie ook [7.2.]. De internationale samenwerkingsprojecten, mobiliteit en uitwisseling van leerlingen in het SO, zie [11.6.1.2.]. De uitbouw van een specifieke kwalificatiestructuur afgestemd op het European Qualification Framework Accent op Talent. In 2004 publiceerde de Koning Boudewijnstichting een tweede rapport. Op basis hiervan gingen 16 proeftuinen van start in 2005. Analoog hiermee namen 15 bedrijven met ESFsubsidies een voortrekkersrol op, vnl. in samenwerking met secundaire scholen. Die projecten lopen af eind 2006. De ervaring werd alvast gebundeld in een reeks publicaties en later via een nieuwe website verspreid worden. Tevens werd een vervolgopdracht door het ministerie van onderwijs toegewezen. Voor vernieuwingen werd een proeftuinendecreet geïntroduceerd. Kostenbeheersing voor ouders wordt zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs nagestreefd.

5.3. Wettelijk kader Onderstaande onderwijswetgeving is van belang in het secundair onderwijs. • • • • • • • • • • • • •

Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving van 29 mei 1959, bijgenaamd de 'Schoolpactwet'. Besluit van de Vlaamse Regering 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleiding. Decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II. Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Decreet van 18 mei 1999 betreffende het Onderwijs-XI. Decreet van 13 juli 2001 betreffende het Onderwijs-XIII. Besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 25 mei 2004 tot vaststelling van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs-XIV. Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs. Decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs-XV.

Gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) • • • •

Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Omzendbrief SO/2003/01 Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs (30.04.2004). Omzendbrief SO/2005/07 Het gelijkeonderwijskansenbeleid voor het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 2006-2007 (15/08/2005). Decreet van 15 juli 2005 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I.

Eindtermen en ontwikkelingsdoelen • • • •

Decreet van 24 juli 1996 tot bekrachtiging van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. Decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 20 september 2002 tot vaststelling van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs. Decreet van 20 december 2002 tot bekrachtiging van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het gewoon beroepssecundair onderwijs.

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 99


• • •

Besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2003 tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs . Decreet van 7 mei 2004 tot bekrachtiging van de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de decretale specifieke eindtermen voor het algemeen secundair onderwijs.

Deeltijdse leerplicht • •

Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 houdende de organisatie, de normering en de financiering van deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen. Omzendbrief SO/2005/09 - Deeltijdse vormingen die in aanmerking komen voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht.

5.4. Algemene doelstellingen Het algemeen secundair onderwijs (ASO) houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen. Het technisch secundair onderwijs (TSO) legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op doorstroming naar het hoger (technisch) onderwijs. Het kunstsecundair onderwijs (KSO) voorziet in een meer 'artistiek' aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen, uit te sluiten. Omwille van deze ruime doeleinden van het KSO, is het vormingsproces fundamenteel gebaseerd op de integratie van algemene vorming met artistieke componenten. In het KSO krijgen jongeren aldus een zeer volledige opleiding: handvaardigheidstraining, kunstopleiding en theoretische vorming. Daarnaast worden ze ook filosofisch gevormd (VLOR, 2001). Het beroepssecundair onderwijs (BSO) is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. In het voltijds beroepssecundair onderwijs vindt men evenwel niet enkel jongeren met een praktische aanleg terug die een beroep willen leren, maar ook leerlingen wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af - wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden.

5.5. Soorten instellingen Het voltijds secundair onderwijs wordt ingedeeld in vier graden van elk twee leerjaren (uitgezonderd de driejarige opleiding verpleegkunde van de vierde graad), eventueel aangevuld met een derde leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en met een derde leerjaar van de derde graad. Structuur secundair onderwijs De structuur ziet eruit als volgt (Omzendbrief over de structuur en de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, ref. SO 64). Eerste graad :

• •

•

eerste leerjaar A; eerste leerjaar B is bestemd voor leerlingen die een leerachterstand hebben opgelopen in het lager onderwijs of minder geschikt zijn voor overwegend theoretisch onderwijs; dit leerjaar fungeert als brugklas tussen LO en SO. Na het eerste leerjaar B kunnen de leerlingen ofwel naar het beroepsvoorbereidend leerjaar ofwel naar het eerste leerjaar A; tweede leerjaar van de eerste graad biedt de keuze uit verschillende opleidingen, die basisopties worden genoemd. Deze basisopties worden telkens aangevuld met een pakket vakken gemeenschappelijk voor

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 100


•

e alle leerlingen van dit leerjaar in eenzelfde school. Het leerjaar bereidt de leerling voor om in de 2 graad te kiezen voor een studierichting in één van de 4 onderwijsvormen die vanaf dan worden aangeboden. beroepsvoorbereidend leerjaar is eveneens een tweede leerjaar en biedt de keuze uit verschillende opleidingen die hier beroepenvelden worden genoemd. Het bereidt de leerling voor om bij de overstap naar de tweede graad te kiezen voor één van de studierichtingen in het beroepssecundair onderwijs.

Tweede graad :

• •

eerste en tweede leerjaar van de tweede graad bieden de keuze tussen 4 onderwijsvormen: ASO TSO, KSO, BSO (zie hierna onder 'onderwijsvormen'); derde leerjaar van de tweede graad van het BSO, ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar.

Derde graad :

• • • •

eerste en tweede leerjaar van de derde graad bieden de keuze tussen 4 onderwijsvormen: ASO, TSO, KSO, BSO (zie hierna onder 'onderwijsvormen'); derde leerjaar van de derde graad van het ASO en KSO ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs; derde leerjaar van de derde graad van het TSO, KSO en BSO, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar; derde leerjaar van de derde graad van het BSO, niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar.

Vierde graad :

• •

eerste en tweede leerjaar van de vierde graad van het BSO; derde leerjaar van de vierde graad van het BSO (enkel voor de verpleegkunde).

Zie schema sctructuur van het Vlaams onderwijs. Het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers wordt in geen enkele graad ondergebracht. Onderwijsvormen De eerste graad heeft een gemeenschappelijke onderwijsvorm voor alle leerlingen, behalve voor diegenen die zich voorbereiden op het beroepsonderwijs. De tweede, derde en vierde graad bieden vier onderwijsvormen aan, die verder zijn onderverdeeld in studiegebieden, waarbinnen de leerling kan kiezen voor een bepaalde studierichting:

• • • •

Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) beoogt een brede theoretische vorming en bereidt de leerling voor op hoger onderwijs;· Technisch Secundair Onderwijs (TSO) heeft vooral aandacht voor algemene en technischtheoretische vakken, met praktijklessen en bereidt de leerlingen voor op het beroepsleven of het hoger (technisch) onderwijs; Kunstsecundair Onderwijs (KSO) combineert een algemene en brede ontwikkeling met een actieve artistieke praktijk en bereidt de leerlingen voor op een professioneel leven of op hoger (kunst)onderwijs;· Beroepssecundair Onderwijs (BSO) laat de leerlingen specifieke beroepsvaardigheden opdoen in combinatie met een algemene opleiding. De overstap naar hoger onderwijs is mogelijk maar niet gebruikelijk.

Types onderwijsinstellingen Niet alle onderwijsinstellingen bieden alle graden en alle onderwijsvormen aan. Er zijn tal van verschillende combinaties en dus verschillende types van onderwijsinstellingen mogelijk. In het licht van de ontwikkelingen tot comprehensivering van het secundair onderwijs dient hier de organisatie van 'authentieke onafhankelijke middenscholen' vermeld. Deze ijveren ervoor om hun structuur, schoolwerkplan en schoolpraktijk te focussen op de opvang van alle basisschoolverlaters, basisvorming voor alle leerlingen, uitstel van studiekeuze en positieve oriëntering en begeleiding van alle leerlingen in de domeinen van 'leren leren', 'leren leven' en 'leren kiezen'. De vereniging St.A.M. is al sinds 1985 actief en groepeert een 60-tal middenscholen uit

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 101


het katholieke en provinciale net. VIGOM groepeert instellingshoofden middenscholen uit het gemeenschapsonderwijs. • •

http://www.stam-vlaanderen.be/ http://users.pandora.be/vigom/

5.6. Geografische toegankelijkheid Scholen in Vlaanderen, en dus ook scholen die secundair onderwijs verstrekken, zijn vrij gelijkmatig verspreid over het territorium. Grondwettelijk wordt gegarandeerd dat ouders het recht hebben om een school te kiezen van een filosofische of godsdienstige strekking waaraan zij de voorkeur geven.

5.7. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Over het algemeen hebben de leerlingen de leeftijd van twaalf jaar bereikt vooraleer zij tot het secundair onderwijs toetreden. Hieronder worden de toelatingsvoorwaarden beschreven voor leerlingen in de verschillende graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs. Zij kunnen het eerste leerjaar A aanvangen wanneer ze het getuigschrift basisonderwijs bezitten (Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002). Wanneer jongeren na het laatste jaar lager onderwijs dit getuigschrift niet bereiken, kunnen zij toch worden toegelaten tot het 1ste jaar A, dit in onderling akkoord met de ouders en op advies van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en op voorwaarde dat de toelatingsklassenraad van het 1ste jaar A een gunstig advies geeft. De rol van de centra voor leerlingenbegeleiding wordt beschreven in [4.15.2.]. In het eerste leerjaar B kunnen als regelmatige leerling worden toegelaten:

• • • •

de regelmatige leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs hebben beëindigd, doch niet met vrucht; · de leerlingen die het zesde leerjaar van het gewoon lager onderwijs niet hebben gevolgd of niet hebben beëindigd, op voorwaarde dat zij uiterlijk op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de 12 jaar worden; · de houders van het getuigschrift van basisonderwijs, behaald in het gewoon of buitengewoon onderwijs, op voorwaarde van akkoord van de betrokken personen die vooraf het advies van het CLB moeten hebben ontvangen; · de regelmatige leerlingen van het buitengewoon lager of secundair onderwijs die geen getuigschrift van basisonderwijs bezitten, op voorwaarde van a) gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad en b) akkoord van de betrokken personen, die vooraf het advies van het CLB-centrum moeten hebben ontvangen.

De overgang van het 1ste leerjaar B naar het 1ste leerjaar A is mogelijk tot de 15de november en van het 1ste leerjaar A naar het 1ste leerjaar B tot de 15de januari, indien de ouders van de leerling akkoord gaan en de klassenraad van 1A dit gunstig adviseert. Een overstap van de ene onderwijsvorm naar de andere is toegelaten doorheen het secundair onderwijs, op voorwaarde dat het advies van de toelatingsklassenraad en de overgangsvoorwaarden tussen de studierichtingen worden gerespecteerd. In de derde graad van het algemeen, technisch en kunstonderwijs zijn overgangen beperkter. Op de leeftijd van 16 jaar kan een leerling het derde jaar van het beroepsonderwijs aanvangen, wat ook zijn voorafgaande schoolcarrière mag zijn, indien de toelatingsklassenraad een gunstig advies geeft. Buitenlandse leerlingen die wensen hun secundaire studies in België verder te zetten, moeten bij de eerste inschrijving in het bezit zijn van een gelijkwaardigheidsverklaring voor hun gedane studies in het buitenland, verstrekt door de betrokken administratie. Bij de inschrijving van een leerling zonder wettig verblijfsstatuut kunnen, wanneer een buitenlands studiebewijs kan worden voorgelegd, de bestaande procedures voor het bekomen van de gelijkwaardigheid gehanteerd worden. Zoniet kan de gelijkwaardigheid ook worden verkregen, zoals dit voor het onthaalonderwijs reeds van toepassing is, op basis van een verklaring op eer door de ouder of de niet begeleide minderjarige zelf over de precieze opleiding die werd gevolgd.

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 102


In het secundair onderwijs wordt er een onderscheid gemaakt tussen drie soorten attesten:

• •

•

een A-attest (wanneer een leerling het jaar succesvol doorlopen heeft); een B-attest (de leerling wordt toegelaten tot het volgende jaar maar sommige onderwijsvormen en/of richtingen zijn uitgesloten); dit attest wordt echter niet uitgereikt aan het eind van: o het 1e jaar B o het 1e jaar van de 3e graad ASO, BSO en KSO o de 4e graad BSO een C-attest (de leerling moet zittenblijven).

Daarnaast is wat betreft schoolkeuze uiteraard ook hier het nieuwe decreet gelijke kansen relevant (zie [4.15.1.] ). Het recht op inschrijving in de school naar keuze wordt vanaf 2003-2004 gegarandeerd.

5.8. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld De wettelijke basis betreffende inschrijvingsgeld en schoolgeld wordt geregeld in het Onderwijsdecreet-XIII van 13 juli 2001. Internationale verdragen en de Belgische grondwet vertalen het beginsel van de kosteloosheid naar het secundair onderwijs door het verbieden van een direct of een indirect inschrijvingsgeld in de door de gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds of deeltijds onderwijs. • •

Directe inschrijvingsgelden kunnen enkel in het niet-leerplichtonderwijs (d.i. het onderwijs buiten het basis- en secundair onderwijs) worden gevraagd (zie [7.]). Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het jaar, door inrichtende machten of nevenorganisaties, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering vormen om zich in te schrijven.

Er mogen echter wel bepaalde kosten worden doorgerekend aan ouders en meerderjarige leerlingen, met name voor bepaalde onderwijsactiviteiten en voor didactisch materiaal mogen aan ouders en meerderjarige leerlingen bepaalde kosten worden doorgerekend. Het is evident dat het om effectieve, aantoonbare en verantwoordbare kosten moet gaan die in evenwichtige verhouding staan tot de eigenheid en de doelgroep van het secundair onderwijs. Tevens dient vanaf het schooljaar 2002-2003 aan twee bijkomende voorwaarden te worden voldaan, met name: •

•

de lijst van de bijdragen die aan ouders en meerderjarige leerlingen worden gevraagd, evenals de afwijkingen daarvan voor financieel minder gegoede gezinnen kunnen pas door de inrichtende macht worden vastgelegd na overleg binnen de schoolraad (gemeenschapsonderwijs) of de participatieraad (gesubsidieerd onderwijs); de bijdrageregeling moet uiterlijk bij het begin van het schooljaar schriftelijk aan de belanghebbenden worden meegedeeld. Het schoolreglement is hiervoor het meest aangewezen instrument.

5.9. Financiële steun voor leerlingen Het toekennen van studietoelagen wordt geregeld in de Wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen. Om een studietoelage van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap te kunnen ontvangen moet men voldoen aan een aantal voorwaarden: nationaliteitsvoorwaarden, financiële voorwaarden (betreffende inkomen, kadastraal inkomen, voorwaarden voor zelfstandig wonende of gehuwde leerlingen) en studievoorwaarden. De studievoorwaarden houden het volgende in: • •

zolang de leerling leerplichtig is, én voltijds onderwijs volgt, kan een studietoelage steeds worden ontvangen; als de leerling echter niet meer leerplichtig is, moet aan een aantal bijkomende voorwaarden worden voldaan, namelijk dat de leerling o het vorige jaar een A of B attest behaalde, o niet meer dan één schooljaar heeft gedubbeld tijdens de niet-leerplichtige periode; o een hoger leerjaar volgt dan vorig jaar. Als de leerling een zelfde leerjaar volgt, moet dat zijn omdat de schooldirectie dat heeft geadviseerd.

Het Studiefonds van de Gezinsbond vzw staat studieleningen toe aan studenten uit grote gezinnen (vanaf 3 kinderen). Het geld is bestemd om de studiekosten te financieren voor Nederlandstalig secundair en hoger onderwijs met volledig leerplan.

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 103


5.10. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen In theorie geldt voor het secundair onderwijs het jaarklassensysteem waar groepen leerlingen met een identieke leeftijd een klas vormen. Omwille van mislukkingen en zittenblijven hebben de klassen soms een heterogene samenstelling (in het bijzonder in het beroepsonderwijs). Elk vak wordt onderwezen door een leerkracht die zich daarin heeft gespecialiseerd. De onderwijsbevoegdheid van de leerkracht hangt af van zijn bekwaamheidsbewijs. Leerkrachten geven les in verschillende leerjaren en leerlingen krijgen les van verschillende leerkrachten. De leerplicht stopt op de 18e verjaardag. Wie 18 jaar en dus burgerlijk meerderjarig is, kan niet worden verplicht tot het einde van het schooljaar de lessen te volgen. In het kalenderjaar waarin een leerling de leeftijd van 18 jaar bereikt, eindigt de leerplicht hetzij op 30 juni (einde schooljaar) voor leerlingen die reeds 12 jaren lager en secundair onderwijs hebben gevolgd, hetzij op de dag van de 18e verjaardag zelf.

5.11. Studierichtingen en specialisatie Het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het secundair onderwijs bepaalt dat het aanbod van onderwijsvormen, studiedomeinen en studierichtingen meer transparant moet worden georganiseerd. • •

De eerste graad moet een brede vorming garanderen. Specifiek moet erop toegekeken worden dat een te sterke specialisatie in het tweede jaar van de eerste graad wordt vermeden. Het aantal optionele vakken wordt gereduceerd. In de tweede en derde graad worden een aantal studierichtingen gereduceerd of gehergroepeerd met het oog op een duidelijker aanbod van studierichtingen met een duidelijker herkenbaar profiel. Dit moet resulteren in een betere voorbereiding binnen de verschillende onderwijsvormen op het hoger onderwijs of het beroepsleven.

Vanaf de 2e graad worden 4 onderwijsvormen aangeboden (ASO, TSO, BSO, KSO) die verder zijn onderverdeeld in studiegebieden waarbinnen de leerling kan kiezen voor een bepaalde studierichting. Naast dit 'lineaire' stelsel (met graden en leerjaren) loopt in het BSO sinds september 2000 het experimenteel modulair onderwijs. In dat stelsel bestaan geen graden, leerjaren en studierichtingen. De studiegebieden zijn er opgebouwd uit verschillende modules.

Studiegebieden 2e en 3e graad SO ASO Algemeen SO

TSO Auto

BSO Auto

Modulair BSO Auto

KSO Ballet Beeldende kunsten

Bouw

Bouw

Chemie Decoratieve technieken Fotografie Grafische technieken Handel Hout Koeling en warmte Land- en tuinbouw Lichaamsverzorging Maritieme opleidingen Mechanica-electriciteit Mode Optiek Orthopedische technieken Personenzorg

Glastechnieken Grafische technieken Handel Hout Juwelen Koeling en warmte Land- en tuinbouw Lichaamsverzorging Maritieme opleidingen Mechanica-electriciteit Mode Muziekinstrumentenbouw

Personenzorg

Grafische technieken Handel Hout Koeling en warmte Lichaamsverzorging Mechanica-electriciteit

Personenzorg Podiumkunsten

Sport

Sport Tandtechnieken

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 104


Textiel Toerisme Voeding

Textiel

Textiel

Voeding

Voeding

5.12. Organisatie van de schooltijd Het schoolbestuur beschikt over een grote vrijheid wat betreft de organisatie van de schooldag, schoolweek en het schooljaar in het secundair onderwijs (zie ook omzendbrief SO 74 van 12 juni 2001 betreffende de organisatie van het schooljaar).

5.12.1. Organisatie van het schooljaar Net zoals voor het basisonderwijs, begint het schooljaar voor het secundair onderwijs op 1 september en eindigt het in theorie op 31 augustus. • •

•

•

Omwille van de zomervakantie (1 juli t.e.m. 31 augustus) eindigt het schooljaar in de praktijk echter op 30 juni. Na 31 augustus is geen enkele onderwijsactiviteit (ook geen leerlingenstage) meer mogelijk die betrekking heeft op het voorbije schooljaar; uitzondering hierop vormen laattijdige beslissingen van de delibererende klassenraad (uiterlijk 1 september) of beroepen tegen omstreden beslissingen van voornoemde klassenraad (uiterlijk 20 september). Gezien 31 augustus de theoretische einddatum van het schooljaar is, betekent dit dat regelmatige leerlingen ertoe gehouden zijn om aan alle onderwijsactiviteiten die de school in de zomerperiode organiseert, deel te nemen, bv. een leerlingenstage of een vakantietaak. In voorkomend geval geldt het principe van uitstel op 30 juni van de eindbeslissing van de delibererende klassenraad, aangezien het onderwijsprogramma nog niet volledig is afgewerkt of aangezien de klassenraad over onvoldoende gegevens beschikt om de beslissing te nemen over het al dan niet geslaagd zijn. De vakanties indachtig, is de school gedurende 182 dagen per schooljaar open.

5.12.2. Organisatie van schoolweek en schooldag Schoolweek De lessen zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs gespreid over 9 halve dagen van maandag tot en met vrijdag; leerlingenstages worden hierbij buiten beschouwing gelaten. De vrije halve dag (voormiddag of namiddag) kan naar keuze worden bepaald en valt in praktijk zeer vaak op woensdagnamiddag. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de lessen gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Het woord ''maximum'' slaat op het feit dat voor sommige leerlingen het deeltijds beroepssecundair onderwijs 15 uren omvat en voor anderen, die de algemene vakken in een erkende vormingsinstelling volgen, slechts 8 uren. De lesspreiding doet in elk geval geen afbreuk aan de mogelijkheid om, na toelating van het onderwijsdepartement, de lessen in een ander ''ritme'' te organiseren (cf. ministeriële omzendbrief SO 66 van 30 juni 1999 betreffende de organisatie van het DBSO). Binnen het ''voltijds secundair onderwijs'' geldt een lesweek van ten minste 28 lesuren (36 wekelijkse lesuren voor de verpleegkunde). Het maximum aantal wekelijkse lestijden, dat voor overheidsfinanciering of -subsidiëring in aanmerking komt (waarin de eventuele lesuren inhaallessen niet zijn begrepen) varieert tussen 32 en 36 u. Het is vastgelegd in het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978. Schooldag De lessen starten ten vroegste om 8u en eindigen tussen 15u en 17u. Er is een middagpauze van minimaal 50 minuten die moet worden voorzien op een voor het nuttigen van een middagmaal aanvaardbaar tijdstip. Bij afwezigheid van de leraar en de onmogelijkheid om in vervanging of een vervangende activiteit te voorzien, kan beslist worden dat de leerlingen de school mogen verlaten. Het gezond verstand en het belang van de leerlingen moeten hierbij vooropstaan; elementen zoals het akkoord van de ouders, de verzekeringsdekking, de mate van overmacht, het tijdstip, de leeftijd van de leerlingen e.d. zullen in overweging worden genomen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 105


5.13. Curriculum, leervakken, aantal lesuren •

•

1e graad SO e e o In het 1 leerjaar A en in het 1 leerjaar B onderscheidt men telkens basisvorming en een keuzegedeelte. e o In het 2 leerjaar A onderscheidt men naast de basisvorming de basisopties en een keuzegedeelte. o In het beroepsvoorbereidend leerjaar onderscheidt men naast de basisvorming de beroepenvelden en een keuzegedeelte. 2e en 3e graad SO o Hier onderscheidt men in de studierichtingen naast de basisvorming en het fundamenteel gedeelte, het complementaire gedeelte.

5.13.1 Eindtermen en ontwikkelingsdoelen De eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden door de overheid gehanteerd als middel tot kwaliteitsbewaking. Ze zijn verplicht opgenomen in de leerplannen. Voor de basisvorming zijn er vakgebonden eindtermen geformuleerd. Dit zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Voor het gewoon secundair onderwijs worden ze vastgelegd per graad en per onderwijsvorm. Attitudinale vakgebonden eindtermen, moeten niet bereikt worden, maar nagestreefd. Naast de vakgebonden eindtermen zijn er ook vakoverschrijdende eindtermen. Dat zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meedere vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. De vakgebonden eindtermen m.b.t. kennis, inzicht en vaardigheden houden voor de school een resultaatsverplichting in. Het bereiken ervan wordt bij een schooldoorlichting afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. De vakoverschrijdende eindtermen houden voor de school een inspanningsverplichting in. Ze hoeven dan ook niet in de leerplannen te worden opgenomen. Enkel voor de basisvorming van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad zijn er i.p.v. eindtermen ontwikkelingsdoelen. geformuleerd. Het zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. Ontwikkelingsdoelen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn. Voor het fundamenteel gedeelte van een opleiding worden specifieke eindtermen ontwikkeld. Dit zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten en/of als beginnend beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren. Er bestaan momenteel enkel specifieke eindtermen voor het ASO. De overheid formuleert geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen voor het keuzegedeelte, de basisopties en de beroepenvelden van de eerste graad secundair onderwijs en voor het complementaire gedeelte van de tweede en derde graad. Gewoon secundair onderwijs 1e graad A-stroom Vakgebonden eindtermen voor de X basisvorming Vakoverschrijdende X eindtermen Cesuurdoelen voor de specifieke eindtermen Specifieke eindtermen B-stroom Vakgebonden X ontwikkelingsdoelen Vakoverschrijdende X ontwikkelingsdoelen

Vlaams Eurydice rapport 2006

2e graad ASO TSO

KSO

BSO

3e graad ASO TSO

KSO

BSO

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X X

5 Secundair onderwijs / 106


Eindtermen en ontwikkelingsdoelen worden uitgewerkt door de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO). De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) adviseert zulke voorstellen steeds wanneer ze naar het Vlaams parlement gaan. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad secundair onderwijs zijn vastgelegd in het Decreet van 24 juli 1996 en werden in september 1997 ingevoerd. Er werden tevens vakoverschrijdende eindtermen geformuleerd inzake: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie en milieueducatie. De eindtermen voor de 2de en 3de graad van het secundair onderwijs werden met het Decreet van 18 januari 2002 officieel goedgekeurd door het Vlaams parlement. Eindtermen werden geformuleerd voor alle vakken binnen de basisvorming van de verschillende studierichtingen. Bijkomend werden er vakoverschrijdende eindtermen geformuleerd. Deze vakoverschrijdende eindtermen zijn geordend in thema's, die dezelfde zijn voor alle onderwijsvormen (ASO, TSO, KSO, BSO) zij het niet in aantal. In de 1e graad zijn er 5 thema's: leren leren, sociale vaardigheden, opvoeden tot burgerzin, gezondheidseducatie en milieueducatie. In de 2e en 3e graad komen daar nog 2 thema's bij: muzisch-creatieve vorming en technisch-technologische vorming. Dit laatste enkel voor het Algemeen Secundair Onderwijs. Deze vakoverschrijdende eindtermen, alsook de eindtermen voor de vakken van de basisvorming, zijn vanaf het schooljaar 2002-2003 progressief ingevoerd in de tweede en de derde graad. Net zoals voor het kleuter- en lager onderwijs, geldt voor het secundair onderwijs eveneens de mogelijkheid tot afwijking van de vastgelegde eindtermen en ontwikkelingsdoelen (http://www.ond.vlaanderen.be; Decreet van 15 juli 1997).

5.13.2 Leerplannen De ontwikkelingsdoelen en eindtermen zeggen wel wat de leerlingen minimaal moeten kennen en kunnen, maar geven niet aan hoe dit moet gebeuren. De scholen zijn hierin volledig vrij. Er is ruimte voor verscheidenheid en verschil in aanpak. Dat blijkt uit de verscheidenheid van leerplannen die de Vlaamse scholen hanteren. Leerplannen bevatten essentiële gegevens voor de concrete onderwijspraktijk en zijn afgestemd op een welomschreven leerlingengroep. Vertrekkend van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vermelden de leerplannen de algemene en specifieke doelstellingen en aansluitende leerinhouden voor één of meer vakken of vakgebieden. Bovendien geven ze wenken voor de didactische aanpak en de realisatie ervan. Ze kunnen in principe door elke school ontwikkeld worden, maar worden in praktijk ontwikkeld door de inrichtende macht of overkoepelende onderwijsorganisatie. De bij de koepels aangesloten scholen nemen gewoonlijk de goedgekeurde leerplannen over. De onderwijsinspectie beoordeelt het leerplan op basis van vastgelegde criteria en de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en adviseert de minister van onderwijs m.b.t. de goedkeuring. • • • •

Katholiek onderwijs, zie http://www.vvkso.be > secundair onderwijs > publicaties > leerplannen Gemeenschapsonderwijs, zie http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/so/index.htm Provinciaal onderwijs, zie http://www.pov.be > documenten> leerplannen Onderwijs van steden en gemeenten, zie http://www.ovsg.be > publicaties en documenten > leerplannen

5.13.3 Lessenroosters De lessentabellen in het secundair onderwijs bestaan telkens uit een gemeenschappelijk en een optioneel pakket. Het gemeenschappelijke deel bestaat uit een basisvorming die per graad en per onderwijsvorm gemeenschappelijk is; optionele vakken behoren ofwel tot het fundamenteel gedeelte (afhankelijk van verdere keuzes) ofwel tot het vrije keuzegedeelte dat door de school in te vullen is, binnen het voorziene wettelijke kader. Dit laatste wordt het 'complementair gedeelte' genoemd. 5.13.3.1 Basisvorming Wat de basisvorming (het kerncurriculum) betreft, worden aan de diverse limitatieve lijsten van verplicht te volgen vakken uitsluitend in de eerste graad - en dan nog globaal en geenszins per afzonderlijk vak – minimale lestijden gekoppeld. Overigens kan de Vlaamse regering, op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gewaarborgd, aan onderwijsinstellingen individuele afwijkingen verlenen van voornoemde minimale lestijden. In de tweede en derde graad kan de urentoekenning en -verdeling met betrekking tot de basisvorming op volledig autonome wijze worden uitgevoerd.

Vlaams Eurydice rapport 2006

5 Secundair onderwijs / 107


De respectieve verplichte vakkenreeksen van de basisvorming 1e graad 1e lj. A

1e lj. B

2e lj.

2e graad beroepsvoorbereidend lj.

1e en 2e lj. ASO

1e en 2e lj. TSO KSO

3e graad 1e en 2e lj. BSO

1e en 2e lj. ASO

1e en 2e lj. TSO KSO

1e en 2e lj. BSO

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

levensbesch.*

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Nederlands

Frans

ev. Frans

Frans

Ev. Frans

Frans

Frans of Engels

Frans

Frans of Engels

eventueel Engels

Engels

Engels of Duits

Engels

wiskunde

wiskunde

wiskunde

wiskunde

wiskunde

wiskunde

natuurwet. of [fysica en/of biologie]

natuurwet. of [fysica en/of biologie]

natuurwet. of [fysica en/of biologie] of wetenschap. werk

natuurwet. of [fysica en/of biologie] of wetenschap. werk

(toegepaste) natuurwet. of [fysica en/of biologie of en/of chemie] al dan niet geïntegreerd

(toegepaste) natuurwet. of fysica en/of biologie of en/of chemie al dan niet geïntegreerd

geschiedenis

maatschap. v. of geschiedenis en aardrijkskunde

geschiedenis

maatschap. v. of geschiedenis en aardrijkskunde

geschiedenis

geschiedenis

aardrijkskunde

aardrijkskunde

lich. opv.

lich. opv.

aardrijkskunde

aardrijkskunde

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

artistieke of plastische en/of muzikale opv.

lich. opv.

lich. opv.

lich. opv.

lich. opv.

technol. opv.

technol. opv.

technol. opv.

min. 27u/w

min. 27u/w

min. 24 u/w

Vlaams Eurydice rapport 2006

wiskunde en/of toegepaste [natuurwet. en/of fysica en/of biologie of en/of chemie] al dan niet geïntegreerd

wiskunde

maatschap. v. of geschiedenis en/of aardrijkskunde

geschiedenis

geschiedenis

aardrijkskunde

aardrijkskunde

lich. opv.

lich. opv.

lich. opv.

wiskunde

natuurwet. of [fysica en/of biologie en/of chemie]

min. 16 u/w

5 Secundair onderwijs / 108

maatschap. v. of geschiedenis en/of aardrijkskunde

lich. opv.


Nadere specificatie • • • • • •

•

•

Levensbeschouwing = de keuze godsdienst of niet-confessionele zedenleer in het officieel onderwijs; godsdienst of niet-confessionele zedenleer, of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie (uitsluitend voor het vrij onderwijs). In de 1e leerjaren A en B dient de basisvorming, die tenminste 27 u/w bedraagt, te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient gevolgd te worden. In het 2e lj. van de 1e graad bedraagt de basisvorming tenminste 24u/w, waarvan tenminste 14u/w dienen te worden georganiseerd op grond van minstens eenzelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde onderwijsinstelling dient te worden gevolgd. In het 1e leerjaar B, het beroepsvoorbereidend jaar van de 1e graad en in het 1e en 2e leerjaar van de 2e graad BSO en de 3e graad BSO kunnen twee of meer vakken worden geïntegreerd onder het project algemene vakken. Voor het 3e leerjaar van de 2e graad BSO, ingericht onder de vorm van een vervolmakingsjaar, wordt geen basisvorming opgelegd, aangezien de vervolmaking uitermate optie-gebonden is met bijgevolg bijzondere aandacht voor technische en zeker praktische vakken. Voor het 3e leerjaar van de 3e graad BSO al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar geldt een ietwat bijzondere regel : o de basisvorming moet worden samengesteld uit algemene vakken waarvan er twee of meer kunnen worden geïntegreerd onder het project algemene vakken; moet de vakken bevatten van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad BSO; moet tenminste 12 uren/week bedragen; o wanneer dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, moeten daarenboven tenminste 14 uren/week worden toegekend aan technische vakken en/of praktische vakken. Voor het 3e leerjaar van de 3e graad ASO, resp. KSO, ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, en voor het 3e leerjaar van de 3e graad KSO, resp. TSO, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar wordt geen basisvorming opgelegd, vermits de secundaire opleiding van de betrokken leerlingen reeds als voltooid mag worden beschouwd en het leerjaar in kwestie hetzij een zuiver specialiserend karakter draagt, hetzij een verdieping van de genoten studie met het oog op hoger onderwijs beoogt. Voor de leerjaren van de 4e graad BSO wordt omwille van de specificiteit ook geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief SO 64 van 25 juni 1999; Decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II).

De lesroosters worden door het schoolbestuur opgesteld. 5.13.3.2 Het optionele vakkenpakket (fundamenteel en complementair gedeelte) Aangezien de eigenlijke lessenroosters de verantwoordelijkheid zijn van de inrichtende macht, kunnen zij in dit kort bestek niet worden gegeven. Wij geven exemplarisch deze van het gemeenschapsonderwijs. We gaan achtereenvolgens dieper in op:

1) 2) 3) 4) 5) 6) 7)

de eerste graad het Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) het Technisch Secundair Onderwijs (TSO) het Kunstsecundair Onderwijs (KSO) het Beroepssecundair Onderwijs (BSO) het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO) de vierde graad Beroepssecundair Onderwijs

5.13.3.2.1. Eerste graad In het eerste jaar A volgen alle leerlingen een gelijkaardige basisvorming van maximum 28 lestijden per week (zie 5.13). Bijkomend moeten leerlingen in het gemeenschapsonderwijs per week 4 lestijden naar keuze volgen, dus maximum 32 uur les per week. Zij kunnen opteren voor het volgen van nieuwe vakken en/of voor aanvulling van de lestijd van de reeds gedoceerde vakken uit de basisvorming. De keuze bestaat tussen de algemene vakken Latijn, lichamelijke opvoeding, muzikale opvoeding, plastische opvoeding, wetenschappelijk werk en

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 109


Nederlands, en tussen de technische vakken technologische opvoeding en nautische technieken. Voorwaarde is dat de school deze keuzes aanbiedt en dat het totaal aantal keuzelestijden niet meer dan 4 bedraagt. Voor het 1ste leerjaar B geldt vrijwel een identieke indeling maar binnen de lijst van keuzevakken zijn de algemene vakken Frans en Wiskunde opgenomen. Latijn, wetenschappelijk werk en nautische technieken behoren niet tot de keuzemogelijkheden. In het tweede jaar volgen alle leerlingen uit de A-stroom een basisvorming van maximum 26 lestijden per week. Afhankelijk van de gekozen basisoptie, krijgen de leerlingen nog bijkomend 6 of 8 uur per week les binnen optiespecifieke vakken. Leerlingen hebben de keuze uit volgende basisopties: agro- en biotechnieken, artistieke vorming, ballet, bouw- en houttechnieken, Grieks-Latijn, grafische technieken, handel, hotel-voeding, industriĂŤle wetenschappen, Latijn, maritieme vorming, mechanica-elektriciteit, moderne wetenschappen, en sociale en technische vorming. In totaal geldt aldus een lesweek van maximum 32 of 34 uur. In het tweede leerjaar B, het zogenaamde beroepsvoorbereidende leerjaar (BVL) geldt een basisvorming van maximum 16 lesuren per week, aangevuld met een pakket van maximum 18 lestijden waarvan de inhoud verschilt naargelang het gekozen beroepenveld, wat het totaal aantal lesuren per week aldus op maximum 34 brengt. Er kan worden gekozen uit 48 beroepenvelden die worden gevormd door combinaties van bouw, decoratie, elektriciteit, haarzorg, hout, kantoor en verkoop, metaal, mode, Rijn- en binnenvaart en verzorgingvoeding. Enige uitzonderingen op deze ''combinatieregel'' zijn de beroepenvelden Land- en tuinbouw, en Nijverheid (gemeenschapsonderwijs, 2004). 5.13.3.2.2. Algemeen Secundair Onderwijs (ASO) Het ASO houdt in vergelijking met de andere onderwijsvormen een meer theoretische benadering van de vakken in en heeft duidelijk de rol om de overgang van de leerlingen naar het hoger onderwijs te bevorderen. Binnen het ASO zijn twee studiegebieden: ASO en sport. Daarbinnen zijn verschillende studierichtingen in de 2 en 3e graad mogelijk. We geven hierna als voorbeeld het gemeenschapsonderwijs. ASO studierichtingen (gemeenschapsonderwijs) Studiegebied ASO Bijzondere wetenschappelijke vorming Economie Economie-moderne talen Economie-wiskunde Grieks Grieks-Latijn Grieks-moderne talen Grieks-wetenschappen Grieks-wiskunde Humane wetenschappen Latijn Latijn-moderne talen Latijn-wetenschappen Latijn-wiskunde Moderne talen-wetenschappen Moderne talen-wiskunde Rudolf Steinerpedagogie Wetenschappen Wetenschappen-wiskunde Yeshiva Studiegebied sport Moderne talen-topsport Sport Wetenschappen-sport Wetenschappen-topsport Wiskunde-topsport

Eurybase 18/04/2008

2e graad ASO

e

3e graad ASO X (7de leerjaar )

X X X X X

X X

X X X

X X X X X X X X X X X X X X

X X

X X X

5 Secundair onderwijs / 110


e

In het 3 leerjaar van de 3e graad wordt een nog de speciale studierichting Bijzondere wetenschappelijk vorming aangeboden die een voorbereiding inhoudt op het hoger onderwijs. Onderwijsaanbod SO zie: http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/so/gewoon.htm

ASO

Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs)

Basisvorming Fundamenteel gedeelte Complementair gedeelte Totaal

studierichtingen 1e en 2e lj. 3e graad 18 - 20 8 - 14 4-0 32

bijzondere wetenschappelijke vorming 2 24 6 32

sport-wetenschappen 18 13 1 32

5.13.3.2.3. Technisch Secundair Onderwijs (TSO) Het TSO legt de nadruk op de praktische realisatie van theoretische kennis. De doelstelling van het TSO is tweeledig: enerzijds de voorbereiding op de uitoefening van een beroep en anderzijds de voorbereiding op doorstroming naar het hoger (technisch) onderwijs. Voor de studiegebieden binnen het TSO zie [5.11.]

TSO Basisvorming Fundamenteel gedeelte Complementair gedeelte Totaal

Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) 2e en 3e graad 3e lj. 3e graad 13 - 20 4 14 - 23 32 0-4 36 36

In het kader van de herwaardering van het TSO, en ook van het BSO nemen leerlingenstages een belangrijke plaats in omdat zij een hefboom vormen voor de noodzakelijke aansluiting tussen de onderwijs- en de beroepswereld. Om scholen te helpen in hun zoektocht naar stageplaatsen, heeft de overheid een stagedatabank opgericht: een elektronische markt waar vraag en aanbod inzake stages worden gekoppeld (Zie: http://www.stagedatabank.be/). In een omzendbrief van 16 september 2002 (ref. SO/2002/09) worden duidelijke richtlijnen gegeven met betrekking tot de eigenlijke organisatie van leerlingenstages. 5.13.3.2.4. Kunstsecundair Onderwijs (KSO) Deze kleine onderwijsvorm (ongeveer 2% van de leerlingen van het secundair onderwijs) voorziet in een meer 'artistiek' aanbod en heeft dan ook tot taak een basis aan te bieden voor doorstroming naar artistieke gebieden van het hoger onderwijs, zonder evenwel vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of beroepsuitoefening na het afstuderen, uit te sluiten. Omwille van deze ruime doeleinden van het KSO, is het vormingsproces fundamenteel gebaseerd op de integratie van algemene vorming met artistieke componenten. In het KSO krijgen jongeren aldus een zeer volledige opleiding: handvaardigheidstraining, kunstopleiding en theoretische vorming. Daarnaast worden ze ook filosofisch gevormd (VLOR, 2001). Het decreet van 14 juli 1998 bepaalt dat het KSO in drie studiegebieden wordt ingedeeld, met name ballet, podiumkunsten en beeldende kunsten. Elk van deze drie studiegebieden bevat ĂŠĂŠn of meerdere studierichtingen. Kenmerkend voor het studiegebied beeldende kunsten is de zogenaamde driepoligheid 'vorming', 'kunsten' en 'opleiding'. De polen verschillen van elkaar op vlak van doelstellingen, verhouding algemene en kunstvakken, en de uitstroommogelijkheden. Ongeacht de studierichting, moeten KSO-leerlingen volgens het decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990 verplicht een aantal algemene vakken volgen. Deze basisvorming is identiek aan deze van het TSO (gemeenschappelijke eindtermen ingaand op 1 september 2002) (zie inleidend deel van [5.13.] ). Naast de

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 111


algemene vakken dienen leerlingen een belangrijk pakket kunstvakken te volgen. Dit pakket verschilt naargelang de gekozen studierichting. In dit specifieke gedeelte komen geen technische en/of praktijkvakken voor. Binnen het studiegebied beeldende kunsten worden na het tweede leerjaar van de derde graad nog enkele 'specialisatiejaren' aangeboden, gericht op leerlingen met intrinsieke kwaliteiten en een specifieke motivatie voor bepaalde kunstgerichte beroepen: 'architecturale vormgeving', 'audiovisuele vormgeving', 'grafische vormgeving', 'industriële kunst', en 'ruimtelijke vormgeving'. In het derde leerjaar van de derde graad voorziet het KSO ook twee voorbereidende leerjaren. • • •

Een voorbereidend leerjaar richt zich tot leerlingen die geen KSO gevolgd hebben, geen of onvoldoende artistieke vooropleiding genoten hebben en toch wensen door te stromen naar het hoger kunstonderwijs. 'Bijzondere beeldende vorming' is het voorbereidend jaar voor het studiegebied beeldende kunsten. Mits een minimale vooropleiding, kan binnen het studiegebied podiumkunsten de opleiding 'bijzondere muzikale vorming' gevolgd worden (Decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990; decreet van 14 juli 1998; VLOR, 2001).

KSO

Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) Beeldende kunsten Podiumkunsten

Basisvorming

2e graad 17 - 21

3e graad 13 - 16

voorbereidend 3e leerjaar bijzondere beeldende vorming 4

2e graad 19 - 20

3e graad 15 16

voorbereidend 3e leerjaar bijzondere muzikale vorming 4

Fundamenteel gedeelte

15 - 19

18 - 23

28

13 - 17

21

20

25

Complementair gedeelte totaal

0-2 36

0-2 36

32

0-3 36

36

36

3 32

5.13.3.2.5. Beroepssecundair Onderwijs (BSO) Het beroepssecundair onderwijs is een praktijkgerichte onderwijsvorm waarin de jongere naast algemene vorming vooral een specifiek beroep aanleert. In het voltijds beroepssecundair onderwijs vindt men evenwel niet enkel jongeren met een praktische aanleg terug die een beroep willen leren, maar ook leerlingen wiens vroegere schoolcarrière - soms al van het lager onderwijs af - wordt gekenmerkt door een reeks mislukkingen of leermoeilijkheden. Zoals reeds vermeld (zie [5.11.] ), is het BSO-onderwijsaanbod van de tweede, derde en vierde graad gegroepeerd rond 18 studiegebieden die in grote lijnen overeenkomen met deze uit het TSO.

BSO Basisvorming Fundamenteel gedeelte Complementair gedeelte Totaal

Maximum aantal lestijden per week (gemeenschapsonderwijs) 2e en 3e graad 3e lj. 3e graad 8 - 13 4 - 12 21 - 26 20 - 32 1-4 0-4 36 36

Experimenteel beroepsgericht secundair onderwijs volgens een modulair stelsel ( modulair BSO) Het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het secundair onderwijs heeft belangrijke wijzigingen ingevoerd voor het beroepsgerichte onderwijs. Door de overheid wordt een structuur van opleidingsmodules ontwikkeld, met de bedoeling om o.a. de problemen van enerzijds de ongekwalificeerde uitstroom van leerlingen uit het beroepsgerichte onderwijs en van anderzijds de discrepantie tussen het beroepsopleidingsaanbod en de vraag op de arbeidsmarkt aan te pakken. Daarnaast is een modulaire opleidingenstructuur eveneens bedoeld om leerlingen te oriënteren op basis van hun capaciteiten in plaats van op basis van hun mislukkingen.

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 112


In het modulair onderwijs wordt elke opleiding naast de basisvorming opgedeeld in een aantal modules met beroepsgerichte vorming waarin algemeen vormende componenten zijn geïntegreerd en waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan sleutelvaardigheden. Hierdoor bereidt men de leerling beter voor op de beroepsuitoefening maar eveneens op het persoonlijk en maatschappelijk functioneren. Van belang hierbij zijn de beroepsprofielen die opgesteld worden door de sociale partners en de eindtermen door de overheid opgesteld per graad en per onderwijsvorm. Op basis van de beroepsprofielen wordt een nauwere band met de arbeidsmarkt verzekerd Modularisering is een belangrijk instrument om het aantal niet gekwalificeerden uit het leerplichtonderwijs te verminderen. Deelcertificaten geven immers toegang tot de arbeidsmarkt of tot vervolgonderwijs. Door de opleidingenstructuur en de verschillende onderdelen daarvan af te stemmen op de gevraagde kwalificaties, realiseert men bovendien een transparantie tussen het onderwijsaanbod en de arbeidswereld. Daarenboven heeft de organisatie van een schooljaar in modulair onderwijs een heel ander uitzicht dan in het niet-modulair onderwijs. Onder meer verdwijnt de indeling in vakken, wordt geen onderscheid naar graden of leerjaren gemaakt en is er op weekbasis een structurele ruimte voorzien voor differentiatie.Het project modularisering wordt eveneens gekoppeld aan de integratie van nieuwe onderwijsvisies en onderwijsmethodes zoals geïntegreerd werken, gedifferentieerd werken en team teaching. Het modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Een opleiding is een samenhangend geheel van modules dat wordt gesanctioneerd met een door de overheid erkend certificaat Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen. De opleidingen zijn identiek in het voltijds en deeltijds onderwijs. Elke opleiding bestaat uit één of meer modules (het kleinste deel van een opleiding dat wordt gesanctioneerd met een door de overheid erkend deelcertificaat). Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen en bijgevolg in verschillende studiegebieden voorkomen. De modules zijn identiek in het voltijds en deeltijds onderwijs. In het voltijds onderwijs kan binnen eenzelfde instelling een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden aangeboden, uitgezonderd tijdens het progressief opbouwproces. De invoering van het voltijds modulair onderwijs vindt progressief plaats vanaf het eerste leerjaar respectievelijk van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en van de vierde graad verpleegkunde van het beroepssecundair onderwijs. In het deeltijds onderwijs kan binnen eenzelfde instelling een studiegebied niet gelijktijdig modulair en nietmodulair worden aangeboden, tenzij het opleidingen betreft die nog niet modulair zijn uitgewerkt en derhalve niet in de bijgaande opleidingenstructuur voorkomen. Op 1 september 2000 is de invoering van de modulaire onderwijsstructuur experimenteel gestart met leerlingen in het voltijds gewoon en deeltijds beroepssecundair onderwijs en vanaf 1 september 2001 in het buitengewoon beroepssecundair onderwijs (opleidingsvormen 3 en 4) en dit tot 31 augustus 2007. De volgende studiegebieden zijn opgenomen in het modulair onderwijs: • •

vanaf 1 september 2000: auto, bouw, handel, mechanica-elektriciteit, personenzorg; vanaf 1 september 2001: grafische technieken, hout, kleding, koeling en warmte, lichaamsverzorging, textiel en voeding.

Zie Omzendbrief van 26 juli 2001 ref. SO 76 (aangepast op 27/9/2005). 5.13.3.2.6. Deeltijdse leerplicht De wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht bepaalt dat aan de deeltijdse leerplicht onder meer kan worden voldaan door het volgen van een erkende deeltijdse vorming. •

•

De deeltijdse leerplicht vangt aan : o hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar; o hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 15 jaar op voorwaarde dat de jongere reeds de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs heeft doorlopen (het eerste leerjaar A en B worden als één leerjaar beschouwd, de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers wordt buiten beschouwing gelaten). De (deeltijdse) leerplicht eindigt:

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 113


o o

hetzij bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, indien dit voor 30 juni gebeurt; hetzij op 30 juni, indien de leeftijd van 18 jaar wordt bereikt op 30 juni of later in het desbetreffend kalenderjaar.

Er zijn verschillende wegen om te voldoen aan de deeltijdse leerplicht. 1) Deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). Dit onderwijs wordt speciaal ingericht voor leerlingen die problemen hebben met het voltijds onderwijs en die vaak schoolmoe zijn. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) voorziet in een formule waarbij leerlingen deeltijds werken en deeltijds naar school gaan. Het curriculum en de lesmethodes zijn aangepast aan de specifieke noden van deze jongeren. De voorzieningen die voorgesteld werden in het Decreet van 14 juli 1998 betreffende de mogelijke introductie van een modulair systeem van beroepsopleidingen zijn ook bedoeld voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) (zie [5.13.3.2.5.]). Het deeltijds secundair onderwijs wordt 40 weken per jaar aangeboden met wekelijks 15 lesperioden van 50 minuten. De opleiding omvat daarnaast een deeltijdse tewerkstelling, die aansluit bij de opleiding in het centrum. Dit onderwijs wordt aangeboden door 47 Centra voor Deeltijds Beroepsonderwijs (CDO). Deze centra zijn verbonden met secundaire scholen die voltijds technisch en beroepsonderwijs aanbieden. 2) De zogenaamde' leertijd') die wordt georganiseerd door het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen (het vroegere VIZO) (zie [7.]) Via een leerovereenkomst kunnen meer dan 200 beroepen worden aangeleerd. De leerling volgt vier dagen per week een praktijkopleiding in een onderneming en volgt één dag per week aanvullende cursussen. Deze 'leertijd' is mogelijk voor jongeren vanaf 15 jaar die de eerste twee jaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben of vanaf 16 jaar. Vanaf 18 jaar kunnen zij een stageovereenkomst sluiten. Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk. 3) Deeltijds zeevisserijonderwijs Dit onderwijs omvat tenminste 240 lesuren en wordt gedurende ten minste zeven en ten hoogste tien weken per schooljaar gegeven. Het omvat zowel de algemene vakken, als de technische vakken en de praktische vakken. Ten minste 80 lesuren worden besteed aan algemene vakken (Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1991 houdende de organisatie van het secundair zeevisserijonderwijs). Het aantal leerlingen bedroeg in 1992-1993 nog 52, verminderde snel tot 20 in 1994-1995 en schommelt de laatste jaren rond 6. 4) Erkende deeltijdse vormingen Deze vormingsprogramma's worden georganiseerd door diverse v.z.w.'s die actief zijn in het vormings- en het jeugdwerk. Bij Besluit van 8 juli 2005 heeft de Vlaamse regering een nieuwe regelgeving uitgevaardigd rond organisatie, normering en financiering, die ingaat vanaf het schooljaar 2005-2006. Uitgangspunt hierbij is, in de mate van het haalbare, de regelgeving te stroomlijnen met deze die van toepassing is voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs. De omzendbrief SO/2005/09 - Deeltijdse vormingen die in aanmerking komen voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht (10/11/2005) licht de nieuwe regeling nader toe. Deeltijdse vormingen kunnen niet worden geassocieerd met studierichtingen en zijn als dusdanig niet opgebouwd uit afzonderlijke vakken. Toch zijn er enkele voorwaarden waaraan het programma moet beantwoorden : • •

ten minste 360 jaaruren omvatten indien gevolgd voor 30 juni van het kalenderjaar waarin de jongere 16 wordt ; in het overige geval : ten minste 240 jaaruren omvatten. voor ten minste 1/3 uit persoonlijke en maatschappelijke vorming en voor ten minste 1/3 uit arbeidsgerichte vorming bestaan; maar in afwijking hiervan kan het programma zich beperken tot persoonlijke en maatschappelijke vorming wanneer het zich richt tot jongeren die de technische en praktische vorming volgen in een centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarmee het centrum deeltijdse vorming een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Vermits de inschrijving van de jongere in het centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs plaats vindt, is het dit centrum dat bevoegd is op administratief vlak. De rol van het centrum deeltijdse vorming behelst louter de verstrekking van 7 wekelijkse uren algemene vorming, wat overeenstemt met 280 uren op jaarbasis.Indien deze

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 114


persoonlijke en maatschappelijke (= algemene) vorming door vormingswerkers wordt verstrekt binnen een centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs, dan wordt het in aanmerking genomen bij uitreiking aan de betrokken leerlingen van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, op voorwaarde dat in voldoende mate de doelstellingen van het door de overheid goedgekeurd leerplan worden bereikt. Het vormingsprogramma wordt, gelijkmatig over de duur van het schooljaar, gespreid over maximum 4 halve dagen van maandag tot en met vrijdag. Dit betekent dat in beginsel steeds eenzelfde aantal uren op weekbasis wordt aangehouden. Er zijn in 2006 27 Centra voor deeltijdse vorming erkend, georganiseerd door 6 vormingsorganisators: Groep Intro (17), Lejo (4), De Werf (1), Foyer (1), Arktos (3), Aura (1). 5.13.3.2.7. Vierde graad beroepssecundair onderwijs De vierde graad beroepssecundair onderwijs is ontstaan uit het ''Aanvullend Secundair Beroepsonderwijs (ASBO)'' dat lange tijd een verzameling van opleidingen was, zwevend tussen het secundair en het hoger onderwijs. Na de fusie-operatie van 1995 in het hoger onderwijs, werden deze opleidingen samengebracht en gegroepeerd onder de noemer 'vierde graad beroepssecundair onderwijs'. Er worden momenteel in totaal zes studierichtingen aangeboden, gegroepeerd in drie studiegebieden.

Studiegebied decoratieve technieken mode personenzorg

Studierichting plastische kunsten Modevormgeving Verpleegkunde

Met uitzondering van de opleiding verpleegkunde, die drie leerjaren omvat, telt de vierde graad telkens twee leerjaren. Zoals reeds vermeld, wordt omwille van de specificiteit geen basisvorming opgelegd. Daarenboven is in het officieel onderwijs de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer niet verplicht (Omzendbrief van 25 juni 1999; decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, zoals gewijzigd en het Besluit van de Vlaamse regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs).

5.14. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De keuze van onderwijsmethoden en -hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg is er geen sprake van officiële richtlijnen hieromtrent. In het algemeen kan worden gezegd dat het onderricht vakgebonden gebeurt. Door de vakoverschrijdende eindtermen is men echter verplicht ook vakoverschrijdend te werken. Een aantal zogenoemde methodescholen laten zich - wat betreft ideeën en methoden - inspireren door Steiner, Freinet, Montessori en andere belangrijke figuren uit de onderwijsgeschiedenis. Er bestaat geen wettelijke regeling inzake de duur en omvang van huistaken. De Vlaamse Gemeenschap laat dit over aan de scholen. In het modulair beroepssecundair onderwijs (zie paragraaf [5.13.3.2.5.] ) ligt de klemtoon op onderwijsmethodes zoals 'geïntegreerd werken', 'team teaching', 'permanente evaluatie' en 'step by step learning'.

5.15. Evaluatie van leerlingen De evaluatie van de leerlingen gebeurt door testen en examens, georganiseerd door de individuele leerkracht onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de inrichtende macht van de school (Besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002). Ook permanente evaluatie is mogelijk. In het secundair onderwijs vormt de klassenraad het centrale beoordelingsorgaan. De begeleidende en de delibererende klassenraad bestaan uit de directeur of zijn afgevaardigde en alle leden van het onderwijzend personeel die in een bepaald leerjaar aan de leerling onderwijs verstrekken (deze personen zijn stemgerechtigd). Zij kunnen worden bijgestaan door de adjunct-directeur, de technisch adviseur(-coördinator), ondersteunend

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 115


personeel en/of personeelsleden die in de betrokken onderwijsinstelling bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn (deze personen zijn raadgevend) (Omzendbrief SO 64). De klassenraad is verantwoordelijk voor het onderricht van een specifieke groep leerlingen, de beoordeling van hun vooruitgang op school, de beslissing over de overgang van elke leerling naar een hoger jaar en de uitreiking van attesten.

5.16. Voortgang van leerlingen Elke klassenraad heeft de delicate taak om op regelmatige tijdstippen een intellectuele en sociale evaluatie van elke leerling te maken en om de pedagogische conclusies te trekken die uit deze evaluatie voortkomen. Daarbij wordt mogelijke hulp gesuggereerd en, indien nodig, een (her)oriëntering. Verder heeft de klassenraad de taak om een gezamenlijke houding af te spreken voor elke leerling en aan het eind van het schooljaar de noodzakelijke beslissingen te nemen voor de overgang naar een hoger jaar en de uitreiking van een oriënteringsattest. De klassenraad kan zijn beslissingen baseren op onder meer de volgende factoren: • • • •

de vroegere schoolcarrière van elke leerling; de tussentijdse resultaten van het dagelijks werk, testen en examens; de informatie van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding; gesprekken met ouders en kinderen, indien nodig.

Er kunnen 3 soorten attesten worden uitgereikt: • • •

een A-attest wanneer de leerling het jaar succesvol heeft doorlopen; een B-attest als de leerling wordt toegelaten tot het volgend jaar, maar waarbij sommige onderwijsvormen en/of richtingen zijn uitgesloten; een C-attest waardoor de leerling moet blijven zitten.

De beslissing kan ook worden uitgesteld en afhankelijk gemaakt van slagen in een herexamen. De beslissing ligt bij de betrokken personen (b.v. bij B-attest kan/kunnen de leerling/ouders beslissen het leerjaar te herdoen). Een belangrijk probleem blijft dat van de mislukkingen. In te veel gevallen is het zittenblijven een te gemakkelijk alternatief voor een falend oriënteringsproces of het gevolg van een verkeerde studiekeuze. Verdere initiatieven omtrent het zittenblijven en mislukken op school zijn op til.

5.17. Diplomering Naast de adviserende rapporten (oriënteringsattesten) die aan het eind van elk jaar van het secundair onderwijs worden opgelegd, kan de klassenraad het diploma secundair onderwijs (volgens de voorwaarden bepaald door het Decreet van 31 juli 1990, zoals gewijzigd) uitreiken op het eind van: • • •

het 2e leerjaar van de 3e graad van het secundair onderwijs (ASO, TSO, KSO) het 3e leerjaar van de 3e graad BSO ingericht als specialisatiejaar 1e of laatste leerjaar van de vierde graad BSO.

Na het 1e leerjaar A en B kan ook een getuigschrift basisonderwijs verworven worden, voor leerlingen die dat nog niet zouden bezitten; na het beroepsvoorbereidend leerjaar, een gelijkwaardig getuigschrift. Er kunnen ook getuigschriften worden afgeleverd na: • • •

het beroepsvoorbereidend leerjaar 1e graad – 2e leerjaar 2e graad – 2e leerjaar ASO, TSO, KSO

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 116


In het beroepssecundair onderwijs kunnen leerlingen naast oriënteringsattesten getuigschriften verwerven na: • • •

2e graad: 2e leerjaar en 3e leerjaar (ingericht als vervolmakingsjaar) 3e graad: 2e leerjaar en 3e leerjaar (ingericht als specialisatiejaar) 4e graad: 2e leerjaar (Omzendbrief SO 64 Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs).

In een aantal leerjaren en onderwijsvormen moeten de leerlingen slagen in een geïntegreerde proef (GIP): • • • • •

2e graad BSO – 3e leerjaar ingericht als vervolmakingsjaar 3e graad TSO, KSO, BSO – 2e leerjaar 3e graad TSO, KSO, BSO – 3e leerjaar ingericht als specialisatiejaar 4e graad BSO – 2e leerjaar studierichtingen kleding en plastische kunsten 4e graad BSO – 3e leerjaar studierichting verpleegkunde (Omzendbrief SO 64)

De 3e graad – 3e leerjaar ASO, KSO, ingericht als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs levert een attest van regelmatige lesbijwoning op. In het 2e en 3e leerjaar van de 3e graad, alle onderwijsvormen, en leerjaren 4e graad BSO kan een getuigschrift over basiskennis van het bedrijfsbeheer worden behaald. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs zijn volgende studiebewijzen mogelijk: • • • •

e een getuigschrift van de 2 graad van het secundair onderwijs. Daartoe dient de leerling o.m. een deeltijdse alternerende werkplekervaring op contractuele basis te hebben verworven; een attest van verworven bekwaamheden, voor wie het getuigschrift niet haalt; een kwalificatiegetuigschrift van het deeltijds beroepssecundair onderwijs; een getuigschrift over basiskennis van het bedrijfsbeheer.(zie Omzendbrief SO 66 betreffende de organisatie van het deeltijds beroepssecundair onderwijs).

In het modulair beroepsonderwijs (zie [5.13.3.2.5.]) leidt elke module tot een deelcertificaat en alle modules van een leertraject samen leiden tot een certificaat. Een of meerdere certificaten gekoppeld aan eindtermen en een studieduur leiden tot een diploma.

5.18. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Er werden reeds heel wat maatregelen genomen wat betreft de begeleiding van jongeren om hun intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. In het technisch en beroepssecundair onderwijs vormt een praktijkopleiding (ook in levensechte omstandigheden) een essentieel onderdeel van de meeste programma's. Daarom is, uitgerekend in het technisch en beroepssecundair onderwijs, samenwerking tussen de scholen en het bedrijfsleven zeer belangrijk. In de eerste plaats kan deze samenwerking de kwaliteit van het onderwijs verbeteren door het actualiseren van het curriculum door praktische kennis. Ten tweede kan materiële en financiële samenwerking het imago van het technisch en beroepsonderwijs verbeteren door te voorzien in betere faciliteiten (Verhoeven en Elchardus, 2000). Recent werden er verschillende maatregelen getroffen om de leerlingenstage in het voltijds secundair onderwijs te vergemakkelijken (Besluit van de Vlaamse regering van 31 augustus 2001). Een aantal scholen heeft een lange traditie van samenwerking met de lokale bedrijfswereld. Zo bv. leveren directeurs van ondernemingen die lid zijn van inrichtende machten of examencomités technische uitrusting voor praktijklessen en krijgen leerlingen die stage volgden in een onderneming vaak voltijds werk wanneer ze de school verlaten. In 1993 organiseerde de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) voor het technisch secundair onderwijs de 'Staten Generaal' waar er samenwerkingsverbanden tot stand werden gebracht tussen het onderwijs en bepaalde sectoren zoals 'bouw', 'voeding' en 'kleding'. In 1995 formuleerde de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen samen met het onderwijzend personeel en met steun van de Europese Commissie een handleiding voor het organiseren van zulke samenwerkingsverbanden. Sinds de 'Staten Generaal', heeft de samenwerking tussen onderwijs en het bedrijfsleven meer structurele steun gekregen door middel van convenanten tussen de overheid, het bedrijfsleven en de onderwijssector. Deze convenanten zijn reeds vastgelegd voor een aantal studiegebieden. De convenanten maken het onderwijs meer 'levensecht' en resulteren in een meer intense opleiding-tewerkstellingsrelatie (Verhoeven en Elchardus, 2000). In dit verband dient ook het modulair systeem

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 117


vermeld te worden. Modulair onderwijs is expliciet geconcentreerd op de arbeidsmarkt en heeft een tweeledige doelstelling, namelijk enerzijds het verminderen van het aantal jongeren die het onderwijs ongekwalificeerd verlaten, en anderzijds het vergroten van de capaciteit van de jongeren om zich aan te passen aan de veranderende arbeidsmarkt (Verhoeven en Elchardus, 2000). Verder heeft de overheid een aantal tewerkstellingsinitiatieven genomen die geconcentreerd zijn op de begeleiding van jonge afgestudeerden op de arbeidsmarkt en die een lerend component bevatten. Voorbeelden hiervan zijn het Jeugdwerkgarantieplan in 1994, de Brugprojecten en de Startbaanovereenkomst. Deze Startbaanovereenkomst maakt deel uit van de Wet van 24 december 1999 voor tewerkstellingsbevordering. De overeenkomst is in de eerste plaats gericht op jonge afgestudeerden (minder dan 25 jaar oud). Het plan biedt hen een voltijdse tewerkstelling of een deeltijdse tewerkstelling samen met een opleiding van onbepaalde duur of van bepaalde duur voor tenminste één jaar. De werkgever wordt niet alleen door middel van financiële premies aangemoedigd om deze jongeren aan te nemen, maar is zelfs verplicht om 3% jongeren aan te nemen op voorwaarde dat de werkgever een privébedrijf is met meer dan 50 werknemers. In een samenwerkingsovereenkomst, goedgekeurd door de Vlaamse regering op 25 februari 2000, werden m.b.t. de startbanen afspraken gemaakt tot projectmatige invulling. Daarbij besliste de federale overheid in overleg met de Vlaamse overheid onder meer 315 startbanen te voorzien in de sector Onderwijs, volledig federaal te financieren. Binnen dit kader worden door de Vlaamse overheid twee projecten tot stand gebracht. Het eerste project, goed voor 150 startbaners, omvat ''preventie van antisociaal gedrag op school'', dat van start gegaan is onder de naam ''Scholen voor jongeren – Jongeren voor scholen'', ofwel ''Jo-Jo''. Het tweede project ''verkeersveiligheid'' kan 165 jongeren tewerkstellen. Bij de uitwerking van de projecten werd prioritair aandacht besteed aan de groepen die het laagst scoren op de werkzaamheidsgraad. Met het ''Jo-Jo project'' richt de Vlaamse Gemeenschap zich tot jongeren die de school voortijdig verlaten hebben of de studies na het secundair onderwijs hebben stopgezet, maar toch geïnteresseerd zijn om in scholen te werken. Jongeren van allochtone afkomst en jongeren uit kansarme gezinnen worden in het bijzonder aangemoedigd om zich in te schrijven voor deze startbanen omdat zij het in het algemeen vrij moeilijk hebben op de arbeidsmarkt. De doelstelling van het project is tweeërlei: 1) de doelgroepjongeren laten proeven van een job in het onderwijs, en hen aldus de smaak te pakken te laten krijgen voor eventuele verdere opleiding en tewerkstelling, en 2) scholen met een publiek van jongeren met schoolse problemen een bijkomende arbeidskracht bieden die mee kan worden ingezet bij het werken aan een positief schoolklimaat en aan een beter contact tussen de leraren en de allochtone of kansarme gezinnen. Het project ''verkeersveiligheid'' wil jongeren ertoe aansporen hun schoolse opleiding te voltooien met een beroepskwalificatie die noodzakelijk is voor hun duurzame inschakeling op de arbeidsmarkt. Hierbij wordt getracht aan de jongeren de nodige ervaring te geven, met verantwoordelijkheid t.o.v. de veiligheid van andere jongeren. Het project wil een verkeersveilige schoolomgeving creëren en het school-woonverkeer veiliger maken. Verder tracht het een samenwerking tot stand te brengen tussen scholen en gemeenten waarbij de startbaner taken op zich kan nemen die bijdragen tot een verbetering van de verkeersveiligheid in schoolomgevingen. Zoals reeds gezegd, wil de formule van het industrieel leercontract de toegang tot de arbeidsmarkt voor bepaalde werkzoekende schoolverlaters vergemakkelijken. Door het Onderwijsdecreet-XIII werden de regels m.b.t. reclame en sponsoring door bedrijven al aanzienlijk versoepeld. Deze maatregel moet scholen helpen om met behulp van de bedrijfswereld de noodzakelijke apparatuur aan te schaffen (Decreet van 13 juli 2001). Het Besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2003 voerde een 'trajectbegeleiding DBSO' in. Dit project beoogt enerzijds het brengen van de leerling naar een duurzame inschakeling in de arbeidsmarkt door middel van een geïndividualiseerde benadering, en anderzijds het bijbrengen van een startkwalificatie. Trajectbegeleiding moet voortijdig afhaken voorkomen. In november 2002 publiceerde de Koning Boudewijnstichting het rapport van haar commissie ''Een nieuw perspectief voor technische en technologische beroepen en opleidingen'', getiteld ''Accent op talent. Een geïntegreerde visie op leren en werken''. De commissie is voorstander van 'anders leren' (bv. afschaffing ASO/TSO/BSO, meer modulair onderwijs, levenslang leren), 'anders kiezen' (bv. betere studieoriëntering, aantrekkelijker aanbod van technische opleidingen) en 'anders besturen' (meer autonomie voor scholen). Ze opteerde expliciet voor een hervorming waarbij ook de sociaal-economische wereld wordt betrokken en pleitte daarom eveneens voor 'anders werken' (bv. organisatievernieuwing in bedrijven). Op basis hiervan zijn verschillende projecten gestart.

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 118


Door de DBO, Dienst beroepsopleiding worden ook tal van projecten gecoördineerd : zie http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten/projecten.htm De huidige regering is zeer bezorgd om de band tussen onderwijs en arbeidsmarkt en doet inspanningen om die band te versterken. Maatregelen in dit verband zijn de evaluatie van de bestaande convenanten, het geven van bijzondere aandacht aan de organisatie van voldoende goede leercontract (in het bijzonder voor bepaalde minderheidsgroepen), en het instellen van regionale technologische centra. Regionale Technologische Centra (RTC) •

• • •

•

Deze centra ondersteunen de samenwerking tussen onderwijsinstellingen (secundaire scholen en centra voor volwassenenonderwijs), de bedrijfswereld en organisaties met een socio-economisch of educatief oogmerk. Zij staan in voor het gezamenlijk gebruik van hoogtechnologische apparatuur, opleidingsinfrastructuur en technische en didactische know-how. Zij ontwikkelen ook leermateriaal voor gezamenlijk gebruik, richten nascholingsprojecten in op vlak van nieuwe technologieën, en spelen een rol bij het op mekaar afstemmen van de vraag naar stages en het aanbod van stageplaatsen. De RTC's werken netoverschrijdend. De decretale basis was aanvankelijk het Onderwijsdecreet-XIII, maar het decreet van 7 mei 2004 herdefinieerde hun werking. Het Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 2005 regelt de projectfinanciering. Ze worden aangestuurd door driejarige beheersovereenkomsten (2005-2007), ontvangen een vaste werkingsenveloppe en kunnen sinds september 2005 projectfinanciering voor kortlopende initiatieven aanvragen. De subsidie bedraagt maximaal 5000 € en wordt slechts toegekend als de partners eenzelfde bedrag inbrengen. (Persmededeling 17 juni 2005). Zie http://www.ond.vlaanderen.be/rtc/, met linken naar de verschillende RTC's.

Zie ook DIVA, STC's [2.7.2.7.], DIVA [7.2.], volwassenenonderwijs en beroepsopleiding [7.15.], buitengewoon secundair onderwijs [10.6.10.].

5.19. Privé-onderwijs Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua lesmodaliteiten en financiering. Aangezien leerplicht geen schoolplicht impliceert is huisonderwijs mogelijk. Deze onderwijsvorm blijft echter een grote uitzondering. Zie [2.5.2.].

5.20. Andere organisatievormen Onderwijs voor langdurig zieke leerlingen hebben we behandeld in [4.17.2.].

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 119


5.21. Statistieken 5.21.1. Evolutie van het aantal leerlingen in het secundair onderwijs vanaf het schooljaar 1990-1991

Schooljaar

1990 - 1991 1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Gewoon secundair Buitengewoon onderwijs secundair onderwijs Verhouding t.o.v. Verhouding t.o.v. 1995-1996 1995-1996 Absoluut Procent Absoluut Procent 426.325 97,91 13.700 89,21 427.380 98,15 13.909 90,57 428.227 98,34 14.222 92,61 434.430 99,77 14.558 94,80 436.956 100,35 14.961 97,42 435.436 100,00 15.357 100,00 432.227 99,26 15.548 101,24 426.220 97,88 15.647 101,89 420.366 96,54 15.659 101,97 415.253 95,36 15.774 102,72 413.343 94,93 15.763 102,64 414.079 95,10 16.084 104,73 419.379 96,31 16.402 106,80 427.922 98,27 16.792 109,34 435.048 99,91 17.393 113,26

Totaal secundair onderwijs Verhouding t.o.v. 1995-1996 Absoluut Procent 440.025 97,61 441.289 97,89 442.449 98,15 448.988 99,60 451.917 100,25 450.793 100,00 447.775 99,33 441.867 98,02 436.025 96,72 431.027 95,62 429.106 95,19 430.163 95,42 435.781 96,67 444.714 98,65 452.441 100,37

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

5.21.2. Evolutie leerlingenaantallen in het gewoon secundair onderwijs per onderwijsvorm; schooljaar 2004-2005

Schooljaar 1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

OKAN (*) 291 364 414 429 606 947 1.597 1.810 1.897 1.879 1.695

1e graad 146.889 146.919 147.894 145.281 141.347 137.489 133.870 133.332 134.725 136.051 138.101 141.606 144.970 146.257

ASO 113.550 113.708 115.703 116.932 117.276 117.154 115.593 112.626 109.821 108.307 107.243 107.519 109.896 112.951

TSO 84.934 85.305 87.348 89.921 91.696 91.833 91.506 90.301 88.826 88.131 87.890 88.343 89.127 90.452

KSO 3.646 3.997 4.636 5.114 5.239 5.223 5.117 5.093 4.816 4.663 4.782 5.018 5.446 5.555

BSO (**) 78.361 78.298 78.849 79.417 79.514 80.114 79.705 78.408 76.118 74.594 74.253 74.996 76.604 78.138

Totaal 427.380 428.227 434.430 436.956 435.436 432.227 426.220 420.366 415.253 413.343 414.079 419.379 427.922 435.048

(*) OKAN Onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (**) BSO incl. 4e graad en modulair onderwijs Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 120


5.21.3. Evolutie van het aantal leerlingen in het DBSO vanaf het schooljaar 1991-1992, naar leeftijd Schooljaar

1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

15-18 jarigen Verhouding t.o.v. 1992-1993 Absoluut Procent 4.461 100,00 4.378 98,14 4.531 101,57 4.717 105,74 4.814 107,91 5.117 114,71 5.155 115,56 5.276 118,27 5.468 122,57 5.665 126,99 5.655 126,77 5.693 127,62 5.759 129,10

Eurybase 18/04/2008

18-25 jarigen Verhouding t.o.v. 1992-1993 Absoluut Procent 325 100,00 406 124,92 526 161,85 528 162,46 535 164,62 584 179,69 517 159,08 449 138,15 482 148,31 564 173,54 624 192,00 649 199,69 621 191,08

5 Secundair onderwijs / 121


5.21.4 Studiebewijzen deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) uitgereikt op het einde van het schooljaar 2003-2004, naar geboortejaar Kwalificatiegetuigschrift DBSO 15-18-jarigen, ingestapt als deeltijds leerplichtige leerling

Gemeenschapsond. Privaatrechtelijk Provincie Gemeente Algemeen totaal

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1982

1981

1980

1979

Totaal

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

T

-

-

8 9 1 18

5 4 1 10

49 80 4 17 150

23 71 4 10 108

110 261 9 33 413

78 135 4 13 230

59 113 5 23 200

21 56 3 3 83

8 29 2 7 46

5 13 1 6 25

5 5

1 1 2

-

-

-

-

-

-

-

-

234 497 20 81 832

133 280 12 33 458

367 777 32 114 1.290

Kwalificatiegetuigschrift DBSO 18-25-jarigen, ingestapt als niet-leerplichtige leerling

Gemeenschapsond. Privaatrechtelijk Provincie Gemeente Algemeen totaal

1989

1988

1987

1986

1985

1984

1983

1982

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

J

M

T

-

-

-

-

-

-

-

-

2 27 1 9 39

3 5 3 11

5 20 2 11 38

4 8 5 17

8 15 2 14 39

2 9 4 15

1 10 2 16 29

5 6 11

1 6 2 12 21

1 8 9

2 3 6 11

1 6 7

1 1 9 11

1 1 2

18 80 13 77 188

9 29 1 33 72

27 109 14 110 260

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Eurybase 18/04/2008

5 Secundair onderwijs / 122

1981

1980

1979

Totaal


6. HOGER ONDERWIJS In Vlaanderen evolueerde het hoger onderwijs van een drieledig one-tier systeem naar het huidige binaire two-tier systeem. Het hoger onderwijs kende in het verleden drie soorten opleidingen: het korte hogescholenonderwijs, het lange(re) hogescholenonderwijs en het universitair onderwijs. Ondanks het bestaan van intermediaire diploma's (vb: het diploma van kandidaat) waren de opleidingen in het Vlaams hoger onderwijs één groot geheel (een onetier systeem), namelijk zonder een echte tweevoudige (bachelor-master) structuur. Door de herstructurering in 2003 onder invloed van het Bolognaproces kent Vlaanderen nu een binaire two-tier systeem. Met andere woorden, het hoger onderwijs houdt hoger professioneel onderwijs én academisch onderwijs in en alle opleidingen kennen een bachelor-master structuur.

6.1. Historisch overzicht Het hogescholenonderwijs en universitair onderwijs hebben een afzonderlijke ontwikkeling gekend.

6.1.1. Geschiedenis van het hogescholenonderwijs Het hogescholenonderwijs is hoofdzakelijk ontstaan uit hogere niveaus van het secundair onderwijs, vooral uit beroepsgerichte opleidingen verbonden aan technische scholen. Tot voor 1970 bestond het niet-universitair hoger onderwijs (NUHO) uit drie vormen met elk een aparte wetgeving. •

• •

Hoger technisch onderwijs georganiseerd in drie graden o Eerste graad: de graduaatsopleidingen) o Tweede graad: de opleidingen tot technisch ingenieur en architect o Derde graad: de opleidingen tot handelsingenieur, licentiaat in de handelswetenschappen en vertaler-tolk Hoger kunstonderwijs Pedagogisch hoger onderwijs: de regentaatopleidingen aan de middelbare normaalscholen

De groei van het hoger onderwijs door de democratisering in de jaren '60 stimuleerde een grondige reorganisatie. De wet van 7 juli 1970 deelde het NUHO op in: • • •

zeven onderwijsvormen: technisch, economisch, agrarisch, paramedisch, sociaal, artistiek, pedagogisch; in 1985 aangevuld met maritiem hoger onderwijs; twee onderwijstypes: het korte type (afgekort HOKT en doorgaans 2 of 3 jaar) en het lange type (afgekort HOLT en met een studieduur van 4 of 5 jaar). de term 'Hoger Onderwijs Buiten de Universiteit' (HOBU) duidde het hogescholenonderwijs aan.

Het decreet van 23 oktober 1991 betreffende het hoger onderwijs van het lange type (HOLT) • • • • •

stelde dat het HOLT onderwijs op 'academisch niveau' aanbood; onderwierp het aan dezelfde regels als het universitair onderwijs; gaf het HOLT een veel grotere autonomie, ondersteund door een forfaitaire financiering (voorheen viel het hoger onderwijs onder het Schoolpact); gaf de hogescholen de mogelijkheid om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren samen met andere hogescholen, universiteiten en derden; introduceerde een flexibeler systeem voor overgangen tussen de verschillende opleidingsniveaus.

Het decreet van 31 juli 1994 hervormde ten gronde het hoger onderwijs buiten de universiteit (HOBU) . •

Het korte (nieuwe benaming: 'hogescholenopleiding van één cyclus') en lange type (nieuwe benaming: 'hogescholenopleiding van twee cycli') zijn voortaan in één systeem, één institutioneel kader en één wetgeving geïntegreerd.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 123


• •

De hogescholen zijn ook meer autonoom geworden inzake de aanwending van het budget. Elke hogeschool ontvangt nu een enveloppe, een totaal bedrag waarmee ze kan werken. Het is echter wel zo dat de overheid nog direct de loonkost van de leden van het onderwijzende personeel betaalt. Het decreet leidde tot een fusie waarbij de 164 bestaande hogescholen zijn samengesmolten tot 25 hogescholen met over het algemeen minstens 2000 studenten, die alle voltijdse hogeschoolopleidingen van één cyclus of twee cycli aanbieden.

Het Bolognaproces (zie [11.2.2.1.]) zorgde voor een ingrijpende nieuwe reorganisatie, verwoordt in het decreet van 4 april 2003 (het 'structuurdecreet'), met de volgende principes: •

• • • •

een nieuwe opleidingen en diplomastructuur: o hogescholen organiseren: professioneel gerichte bacheloropleidingen academisch gerichte bacheloropleidingen in associatie met een universiteit; masteropleidingen in associatie met een universiteit (de opleidingen van twee cycli worden geacademiseerd); o universiteiten organiseren: academisch gerichte bacheloropleidingen; masteropleidingen; de promotie tot de graad van doctor; een versterking van het systeem van kwaliteitsbewaking. Door de accreditatie hebben de studenten en de werkgevers de garantie dat de afgestudeerden een internationaal herkenbaar competentieniveau bereikt hebben; het samenwerken van hogescholen en een universiteiten in de vorm van een associatie; het Nederlands blijft de onderwijstaal, maar er zijn vele uitzonderingen op deze regel mogelijk vooral voor masteropleidingen;· in de postinitiële masteropleidingen is de onderwijstaal volledig vrij; andere (private) aanbieders kunnen ook erkende opleidingen hoger onderwijs aanbieden en erkende diploma's uitreiken indien hun opleidingen geaccrediteerd worden.

6.1.2. Geschiedenis van het universitair onderwijs Tijdens het Hollands Bewind werden rijksuniversiteiten naar Nederlands model opgericht (° 1817 Rijksuniversiteit Gent) . Na de onafhankelijkheid in 1830 heropende de in 1425 gestichte Katholieke universiteit Leuven (°1834) en werd als vrijzinnige tegenhanger de Vrije Universiteit Brussel (° 1834) opgericht.. De wet van 1835 op het hoger onderwijs erkende twee staatsuniversiteiten (Gent en Liège), één katholieke universiteit (Leuven) en één vrijzinnige universiteit (Brussel). Van 1835 tot 1876 werden universiteitsexamens georganiseerd door een centrale examencommissie, samengesteld door de overheid, met het oog op het centraal controleren van de kwaliteit van het universitair onderwijs . Een wet van 20 mei 1876 veranderde dit beleid drastisch door het de universiteiten mogelijk te maken om hun eigen examencommissies samen te stellen en zelf diploma's uit te reiken. Noch externe experts, noch vertegenwoordigers van de minister moesten aan deze commissies worden toegevoegd. De centrale examencommissie bleef echter bestaan als bijkomende mogelijkheid om een academisch diploma te verwerven. De controle van de onderwijskwaliteit was echter nog niet helemaal afgeschaft, daar de wet 'wettelijke' graden vastlegde, waardoor het onderscheid ontstond met de 'wetenschappelijke' graden. De wettelijke graden omvatten de klassieke academische diploma's zoals die van Rechten, Geneeskunde en Letteren.. De uitoefening van de beroepen was voorbehouden aan de houders van de wettelijke graden (arts, advokaat en ook ingenieur in overheidsdienst). De leerplannen leidende tot de wettelijke graad werden in grote lijnen bij wet gedefinieerd. De verworven wettelijke diploma's werden bekrachtigd door de publieke homologatiecommissie, wat een formele controle betekende van de voorwaarden die moesten worden vervuld. De wetenschappelijke diploma's werden toegekend door de universiteiten zelf o.a. in de psychologie en de pedagogie.. Hun kwaliteit werd gegarandeerd door het wetenschappelijke prestige van de universiteiten. Dit onderscheid is opgeheven door het decreet van 12 juni 1991. Het universitair onderwijs werd na het Hollands Bewind Franstalig in overeenstemming met het publiek waarop ze zich richtten: de hogere burgerij en de adel. Pas in 1930 werd de universiteit van Gent volledig Nederlandstalig. Vanaf de jaren zestig werd het universitair onderwijs meer gedemocratiseerd. Er deed zich een sterke stijging van de studentenbevolking en het aantal universiteiten voor. •

Er werden nieuwe universiteiten opgericht ( ° 1971 Antwerpen (UIA,), °1971 Hasselt (LUC), een universitaire campus van de KULeuven in Kortrijk °1965 (KULAK)) en enkele hogescholen werden opgewaardeerd tot universiteiten (°1965 Antwerpen (UFSIA), °1969 Brussel (UFSAL, veranderde in 1974 in KUBrussel))

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 124


•

De unitaire instellingen werden gesplitst in autonome Nederlandstalige en Franstalige universiteiten: 1968 KULeuven - UCLouvain; VUB – ULB.

Het onderscheid tussen universitaire opleidingen en hogeschoolopleidingen van twee cycli was in sommige studiegebieden erg klein geworden (handelsingenieur, kinesitherapie en architectuur), maar in andere studiegebieden blijft dit verschil overeind naar de doelstellingen toe en naar de instroom (vb: industrieel ingenieur en burgerlijk ingenieur). e In de 21 eeuw zorgt de Bolognaverklaring (zie [11.2.2.1.]) en de daaruit voortvloeiende decreten voor een geïntegreerd hoger onderwijsbeleid.

6.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De afgelopen jaren werd het hoger onderwijs gedomineerd door het Bolognaproces en ingrijpend hertekend door de: • • • •

operationalisering van de associaties (het intens samenwerken tussen een universiteit en één of meerdere hogescholen) uitbouw van de Ba(chelor)-Ma(ster)-structuur flexibilisering van de leertrajecten accreditatie van de opleidingen

Accreditatie maakt deel uit van de kwaliteitszorg in het hoger onderwijs in Vlaanderen. Die kwaliteitszorg heeft de volgende doelstellingen: • • •

de constante verbetering van de kwaliteit van het onderwijs verantwoording afleggen aan de overheid voor het gebruik van publieke middelen informatie verstrekken aan studenten en ouders over de kwaliteit van het onderwijs.

Het Vlaamse kwaliteitszorgstelsel bestaat in feite uit: • • •

een intern gedeelte: de zelfevaluatie die de opleiding zelf uitvoert. Deze zelfevaluatie resulteert in een zelfevaluatierapport; zie ook [9.4.1.2.]; een extern gedeelte: de visitatie georganiseerd door de koepelorganisaties van de universiteiten en de hogescholen, respectievelijk de VLIR en de VLHORA. Het zelfevaluatierapport uit het eerste niveau vormt de basis waarop de visitatiecommissie zal werken. Zie ook [9.4.2.4.]; een gedeelte waarin de formele beslissing over de kwaliteit wordt genomen: de accreditatie. Daartoe werd door Nederland en Vlaanderen gezamenlijk de Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie (NVAO) opgericht. De beoordeling van de opleiding door de visitatiecommissie, het visitatierapport dus, vormt voor de NVAO de basis om tot een accreditatiebesluit te komen. Zie ook [9.4.3.].

Meer informatie op: • •

http://nvao.net http://www.hogeronderwijsregister.be (Engelse versie: www.highereducation.be)

Een geïntegreerd overzicht van alle opleidingen is voortaan te raadplegen in het Hogeronderwijsregister (HOR) zie http://www.hogeronderwijsregister.be/ Het Vlaams regeerakkoord kondigt een nieuw financieringssysteem voor het hoger onderwijs aan, dat in 2007 van start zou moeten gaan omdat het huidige bevroren financieringsmechanisme eind 2006 afloopt. • •

Het zal gelden voor het hele hoger onderwijs. Enkel de kunstopleidingen aan de hogescholen en de lerarenopleidingen (aan hogescholen en universiteiten) zullen een apart decreet krijgen. Per instelling zal de eerste geldstroom bestaan uit vier delen o een vaste forfaitaire sokkel, onafhankelijk van studentenaantallen; o een aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten, een vorm van 'incentive funding'; o een onderwijsgerelateerd variabel gedeelte; o een onderzoeksgerelateerd variabel gedeelte.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 125


•

De doelstellingen zijn: o het bevorderen van de participatie aan en succesvolle uitstroom uit het hoger onderwijs; o verhoging van het rendement van de studietrajecten en responsabilisering van de instellingen voor hun studievoortgangbeleid; o verhoogde democratisering en toegankelijkheid; o verhoging van de kansen op hoger onderwijs voor jongeren van allochtone afkomst; o een meer doelmatig en gerationaliseerd onderwijsaanbod o financiering van flexibeler trajecten, maar rekening houdende met studievoortgang en succesvolle uitstroom; o de academisering van de vroegere hogeschoolopleidingen van twee cycli doen slagen; o de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek stimuleren.

6.3. Wettelijk kader Onderstaande onderwijswetgeving is van belang voor het hoger onderwijs in Vlaanderen. • • • • • • • • •

•

Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 24 juli 1996 houdende wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Decreet van 14 juli 1998 betreffende Onderwijs IX. Decreet van 18 mei 1999 betreffende Onderwijs XI. Decreet van 20 oktober 2000 betreffende het Onderwijs XII. Decreet van 20 april 2001 houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs. Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (het structuurdecreet). Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (participatiedecreet). Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs en houdende dringende hogeronderwijsaangelegenheden (flexibiliseringsdecreet), gewijzigd bij decreet van 20 mei 2005. Het flexibiliseringsdecreet is vanaf 2005-2006 van toepassing voor alle opleidingen. Voor de opleidingen in afbouw is een afwijking mogelijk.

Een volledig overzicht vindt men op http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/regelgeving/

6.4. Algemene doelstellingen Professioneel gerichte bacheloropleidingen zijn in de eerste plaats gericht op de beroepspraktijk en hebben tot doel de studenten te brengen tot een niveau van algemene en specifieke kennis en van competenties nodig voor de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen. Een professioneel gerichte bacheloropleiding biedt als dusdanig een directe uitstroommogelijkheid naar de arbeidsmarkt. Voor academisch gerichte bacheloropleidingen vormt het doorstromen naar een masteropleiding de hoofddoelstelling. Zij hebben tot doel de studenten te brengen tot een niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder. Het uitstromen naar de arbeidsmarkt is voor deze opleidingen een secundaire doelstelling. De masteropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een gevorderd niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder, dat noodzakelijk is voor de autonome beoefening van de wetenschappen of de kunsten of voor de aanwending van deze wetenschappelijke of artistieke kennis in de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen. Sommige bacheloropleidingen volgen op een andere (professioneel gerichte) bacheloropleiding. Deze vervolgopleiding is gericht op de verdieping of specialisatie van de competenties verworven tijdens de initiële bacheloropleiding. Sommige masteropleidingen volgen op een andere masteropleiding.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 126


Bacheloropleidingen sluiten aan bij het secundair onderwijs. Masteropleidingen sluiten in de regel aan bij een (academische) bacheloropleiding. Masteropleidingen kunnen ook toegankelijk zijn voor professioneel gerichte bachelors na het succesvol afronden van een schakelprogramma. Een schakelprogramma is een programma dat wordt opgelegd aan een student die zich wenst in te schrijven voor een masteropleiding op grond van een in het professioneel hoger onderwijs uitgereikt bachelordiploma. Indien een student niet in het bezit is van een diploma dat hem op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wil inschrijven, kan hem een voorbereidingsprogramma worden opgelegd.

6.5. Instellingen voor hoger onderwijs De instellingen voor hoger onderwijs in Vlaanderen bestaan uit de ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. De ambtshalve geregistreerde instellingen zijn de hogeronderwijsinstellingen die reeds vóór 2004 door de overheid zijn erkend en die voor hun onderwijs en onderzoek op overheidsfinanciering kunnen rekenen. De lijst van deze instellingen is opgenomen in het Hogeronderwijsregister..Het gaat om: • • •

de hogescholen en de universiteiten, Vlerick Leuven Gent Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid Brussel en de Evangelische Theologische Faculteit Heverlee

Een bijzondere instelling is de transnationale Universiteit Limburg (tUL). Deze werd bij verdrag opgericht door Nederland en Vlaanderen en is dus een binationale instelling. In Vlaanderen is het een ambtshalve geregistreerde instelling en maakt, via de Universiteit Hasselt, deel uit van de groep van de Vlaamse universiteiten. De geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn alle niet-ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in Vlaanderen en door de Vlaamse Regering zijn geregistreerd. Hun geaccrediteerde bachelor- en masteropleidingen zijn opgenomen in het Hogeronderwijsregister. De registratie door de Vlaamse Regering is op basis van een dossier, waarin die instellingen hun financiële solvabiliteit moeten aantonen en een samenwerkingsakkoord met een hogeschool of een universiteit afsluiten, onder meer in verband met de garanties voor de studenten om hun studie te kunnen beëindigen indien de bedoelde instelling haar activiteiten zou stopzetten (bv. wanneer een commerciële instelling failliet zou gaan). Na deze registratie mogen deze instellingen gemachtigd bachelor- en masteropleidingen voor accreditatie aanbieden aan de Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie. Een associatie is een officiële samenwerking tussen een universiteit en één of meer hogescholen. Aan de associatie kunnen die instellingen bepaalde beslissingsbevoegdheden overdragen. Er zijn 5 associaties tot stand gekomen in Vlaanderen. • • • • •

Associatie KU Leuven met 12 hogescholen Associatie Universiteit-Hogescholen Limburg met 2 hogescholen en de Transnationale Universiteit Limburg Associatie Universiteit Gent met 3 hogescholen Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen met 4 hogescholen Universitaire Associatie Brussel VUB met één hogeschool

Enkel de kleine KU Brussel heeft geen associatie. In het Besluit van de Vlaamse regering houdende de vaststelling van de lijst van de controletaken van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de universiteiten van 05.09.03 (B.S.21/10/2003) wordt geregeld dat de Minister van Onderwijs vijfjaarlijks de commissarissen zal aanduiden die bevoegdheid hebben toezicht te houden op het wettelijkheid en het financieel evenwicht van de associaties. Vanwege deze beperkte bevoegdheid blijft de beleidsvrijheid van de associaties gegarandeerd. Een commissaris kan alle bestuursvergaderingen van een associatie bijwonen met raadgevende stem.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 127


6.6. Toelatingsvoorwaarden De volgende diploma's verlenen rechtstreeks toegang tot een bacheloropleiding: • •

een diploma van secundair onderwijs een buitenlands diploma dat door een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend.

Een 'numerus clausus' en andere bijzondere toelatingsvoorwaarden bestaan in Vlaanderen niet. Slechts voor enkele opleidingen dienen proeven vooraf te worden afgelegd. • • •

•

Een artistieke proef voor kandidaten voor opleidingen in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst. Een bekwaamheidsproef voor nautische wetenschappen. Een toelatingsproef voor de opleidingen in de studiegebieden geneeskunde en tandheelkunde. Sedert het academiejaar 1997-1998 (decreet van 24 juli 1996) organiseert het departement Onderwijs een toelatingsexamen dat is opgesplitst in twee delen: het testen van de reeds verworven kennis van fysica, biologie, chemie en wiskunde (op niveau van de derde graad van het ASO) en een test van de studiebekwaamheid van de kandidaat. Elk jaar worden er twee sessies van het examen georganiseerd (juli en september). Een examen om de kennis van de onderwijstaal te testen, kan tevens als voorwaarde gelden

Het instellingsbestuur heeft een reglement waarin de afwijkende toelatingsvoorwaarden op grond waarvan personen die niet aan algemene toelatingsvoorwaarden voldoen, toch ingeschreven kunnen worden voor een bacheloropleiding. Deze afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met volgende elementen: • • •

humanitaire redenen ; medische, psychische of sociale redenen ; het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op de door het instellingsbestuur bepaalde wijze.

Deze reglementen over de afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen bij de instelling worden opgevraagd. Een student die reeds een bachelordiploma heeft, kan instromen in een andere bacheloropleiding en dan studieduurverkorting of vermindering van de voorgeschreven studieomvang verkrijgen. De student moet dan wel nog ten minste voor 60 studiepunten opleidingsonderdelen van de andere bacheloropleiding volgen. De bachelor-na-bacheloropleidingen kunnen door de hogeronderwijsinstellingen enkel opengesteld worden voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een bacheloropleiding. De instellingen kunnen de rechtstreekse toelating tot een bachelor-na-bacheloropleiding beperken tot afgestudeerden van bacheloropleidingen met specifieke opleidingskenmerken. Voor afgestudeerden van andere bacheloropleidingen dan deze die rechtstreeks toegang geven tot de bachelor-na-bacheloropleiding, kan de instelling het volgen van een voorbereidingsprogramma als toelatingsvoorwaarde opleggen. De inhoud en studieomvang van deze voorbereidingsprogramma's wordt bepaald door de instelling en kan variëren naargelang de graad van inhoudelijke verwantschap tussen de vooropleiding en de betrokken bachelor-na-bacheloropleiding. Het bezit van de graad van bachelor, verworven in een academische gerichte bacheloropleiding, geeft recht op een rechtstreekse toegang tot een masteropleiding. Na een professioneel gerichte bacheloropleiding dient er een schakelprogramma te worden gevolgd. Een schakelprogramma omvat ten minste 45 en ten hoogste 90 studiepunten. Op basis van de resultaten van een bekwaamheidsonderzoek kan de minimumomvang worden teruggebracht tot 30 studiepunten. Indien het bekwaamheidsonderzoek ook betrekking had op de eerder verworven kwalificaties (EVK) kan de instelling het schakelprogramma nog verder terugbrengen of een volledige vrijstelling van het schakelprogramma verlenen. Een houder van een bacheloropleiding met een andere kwalificatie dient eventueel een voorbereidingsprogramma te volgen vooraleer hij toegang krijgt tot de masteropleiding.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 128


Een student die reeds een masterdiploma heeft, kan instromen in een andere masteropleiding en dan studieduurverkorting of vermindering van de voorgeschreven studieomvang verkrijgen. De student moet dan wel nog ten minste voor 45 studiepunten opleidingsonderdelen van die andere masteropleiding volgen. Master-na-masteropleidingen kunnen door de hogeronderwijsinstellingen enkel opengesteld worden voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van masteropleiding. De instellingen kunnen de rechtstreekse toelating tot een master-na-masteropleiding beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken. Voor afgestudeerden van andere masteropleidingen dan deze die rechtstreeks toegang geven tot de master-namasteropleiding, kan de instelling het volgen van een voorbereidingsprogramma als toelatingsvoorwaarde opleggen. De inhoud en studieomvang van deze voorbereidingsprogramma's wordt bepaald door de instelling en kan variëren naargelang de graad van inhoudelijke verwantschap tussen de vooropleiding en de betrokken master-na-masteropleiding. Als algemene toelatingsvoorwaarde tot het doctoraat op proefschrift geldt het bezit van een diploma van een masteropleiding. De universiteit kan echter een bijkomend onderzoek verlangen. Hierin kan dan gepeild worden naar "de geschiktheid van de student om in de betrokken discipline wetenschappelijk onderzoek uit te voeren en de resultaten ervan in een proefschrift neer te leggen". Ook een student die niet in het bezit is van een masterdiploma kan toegelaten worden tot een doctoraatsopleiding. De universiteit kan dan echter verlangen dat de student: • •

ofwel een bekwaamheidsonderzoek ondergaat waarin kan gepeild worden naar de geschiktheid voor het opstellen van een doctoraatsproefschrift, ofwel een examen aflegt over door de universiteit te bepalen onderdelen van het academisch onderwijs.

6.7. Inschrijving en/of inschrijvingsgeld Een student die zich inschrijft voor een aantal studiepunten sluit een studiecontract met een bepaalde instelling. Het flexibiliseringsdecreet creëert drie types van studiecontract. •

• •

Diplomacontract: de student schrijft zich in voor een aantal studiepunten met het oog op het behalen van een diploma van een opleiding of voor een volledig schakel- of voorbereidingsprogramma.. o Modeltraject van 60 studiepunten per academiejaar o Modeltraject van minder dan 54 studiepunten per academiejaar (deeltijdse opleiding) o Andere modeltrajecten uitgetekend door de instellingen o Geïndividualiseerde trajecten: inschrijving voor een bepaald aantal studiepunten op basis van een dossier Creditcontract: de student schrijft zich in voor een aantal studiepunten met het oog op het behalen van een creditattest voor een of meerdere opleidingsonderdelen. Examencontract: de student schrijft zich uitsluitend in voor het afleggen van examens, met het oog op het behalen van een diploma of met het oog op het behalen van een creditattest voor een of meerdere opleidingsonderdelen..

Het studiegeld wordt geregeld door het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs (gewijzigd door het decreet van 20 mei 2005). Het bedrag is verschillend naar gelang de student beursgerechtigd is of niet, naar gelang de opleiding (bachelor, master, schakelprogramma, …), naar gelang de student EU-onderdaan is of niet en naar gelang het aantal studiepunten. Ter indicatie enkele getallen (geïndexeerd voor 2006 - 2007): • •

inschrijving voor een bacheloropleiding: minimum 307,7 € en maximum 349,2 € Inschrijving voor een examencontract: een vast gedeelte van 50,7 € en een variabele gedeelte van 3 € per studiepunt.

Gedetailleerde informatie vindt men in de omzendbrieven voor resp. 2005-2006 en 2006-2007 op http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/download/omzendbrief-studiegeld.htm

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 129


6.8. Financiële steun voor studenten Met de herstructurering (bachelor-master) werd ook het stelsel van studietoelagen voor het hoger onderwijs omgevormd met ingang van academiejaar 2004-2005. (Decreet van 30 april 2004 en Besluit van de Vlaamse Regering 28 mei 2004). Voortaan spreekt men van studiefinanciering voor het hoger onderwijs. Het departement onderwijs heeft een specifieke website gewijd aan studiefinancieringen → http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/ De voorwaarden vindt men gedetailleerd op http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/destudietoelage/voorwaardenHo.htm Er zijn drie groepen van voorwaarden: • •

•

nationaliteitsvoorwaarden (specifieke voorwaarden voor niet-Belgen) pedagogische voorwaarden o de student moet ingeschreven zijn aan een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs; o de opleiding moet geaccrediteerd zijn, erkend als nieuwe opleiding of tijdelijk erkend (of een opleiding zijn uit de oude structuur). Daarnaast komen ook de volgende opleidingen in aanmerking: voorbereidingsprogramma's schakelprogramma's lerarenopleiding als vervolgopleiding o de opleiding moet gevolgd worden met een diplomacontract ; o het principe van studiefinancieringkrediet en studiepunten: studiefinanciering wordt uitgedrukt in 'kredieten'. In het kader van levenslang leren heeft iedereen recht op een studiefinancieringkrediet dat bestaat uit: • twee bachelorkredieten; • één masterkrediet; • één jokerkrediet; • één krediet voor het volgen van een voorbereidingsprogramma; • één krediet voor het volgen van een schakelprogramma; • één krediet voor het volgen van een lerarenopleiding als vervolgopleiding; opleidingen worden uitgedrukt in studiepunten; • een voltijds studietraject kan een studieprogramma bevatten tussen 54 en 66 studiepunten. Voor de berekening van de studiefinanciering worden hier 60 studiepunten aan toegekend; • een halftijds studietraject kan een studieprogramma bevatten tussen 27 en 33 studiepunten;.Voor de berekening van de studiefinanciering worden hier 30 studiepunten aan toegekend; • in een flexibel traject worden voor de berekening van de studiefinanciering zoveel studiepunten toegekend als waarvoor men effectief is ingeschreven; de student dient ingeschreven te zijn voor minstens 30 studiepunten en kan per academiejaar voor maximaal 60 studiepunten studiefinanciering krijgen; in geval men aan sommige pedagogische voorwaarden niet voldoet kan men een jokerkrediet van 60 studiepunten aanvragen; ingeval van studies in de Franse of Duitstalige Gemeenschap of in het buitenland bestaat onder bepaalde voorwaarden, meeneembaarheid van studiefinanciering; financiële voorwaarden o deze zijn afhankelijk van de 'leefeenheid' (een ruimer begrip dan 'gezin'), het referentieinkomen, de toegelaten inkomensgrenzen, de invloed van het kadastraal inkomen en het aantal punten in de leefeenheid.

Voor studenten met functiebeperkingen is financiering van speciale onderwijsleermiddelen voorzien. Studieleningen worden verstrekt door allerlei private organisaties en stichtingen. Studiebeurzen worden verder nog verstrekt door verscheidene instanties zoals de Provinciale Commissies voor Studiebeurzenstichtingen, studiebeurzen in het kader van Europese uitwisselingsprogramma's en ook door allerlei private organisaties en stichtingen..

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 130


Studiebeurzen voor het buitenland en voor wetenschappelijk onderzoek (o.a. doctoraatsbeurzen) bestaan eveneens. Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen/destudietoelage/Andere_studiebeurzen_leningen.pdf Doctoraatsstudenten kunnen worden gefinancierd door de universiteit als universitaire assistenten of als doctoraatsbursalen of door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en aanverwante fondsen. Het is ook mogelijk om het doctoraat zelf te financieren, maar dit gebeurt eerder uitzonderlijk..

6.9. Organisatie van het academiejaar De organisatie van het academiejaar - met inbegrip van de vakantieregeling voor de studenten - wordt opgenomen in de door het instellingsbestuur opgestelde onderwijsregeling. Een academiejaar wordt omschreven als een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar; van de vaste duur van één jaar kan uitzonderlijk afgeweken worden indien het instellingsbestuur beslist de start van het academiejaar ofwel te vervroegen, ofwel te verlaten. De meeste hogescholen en universiteiten werken met een semestersysteem, d.w.z. dat het academiejaar wordt ingedeeld in twee afzonderlijke lesperiodes of semesters. Na het 2de semester volgt een zomeronderbreking met daarna de tweede zittijd, die bestaat uit enkele weken examens.

6.10. Studiegebieden Hogescholen zijn vooral actief in het hoger professioneel onderwijs en kunnen ook opleidingen aanbieden in het academisch onderwijs in het kader van een associatie. De universiteiten zijn actief in het academisch onderwijs. Basisopleidingen omvatten de professioneel gerichte bacheloropleidingen (enkel aan hogescholen georganiseerd), de academisch gerichte bacheloropleidingen en de masteropleidingen. Hun studieomvang wordt uitgedrukt in studiepunten: • •

de professionele en academische bacheloropleidingen omvatten minstens 180 studiepunten (komt overeen met ongeveer 3 studiejaren); de masteropleidingen sluiten aan bij een academische bachelor en omvatten minstens 60 studiepunten.

Voortgezette opleidingen sluiten aan bij de basisopleidingen en omvatten minstens 60 studiepunten: • •

een bachelor-na-bachelor; een master-na-master.

De lerarenopleidingen omvatten: • • • •

de initiële lerarenopleidingen: dit zijn de bacheloropleidingen in onderwijs, namelijk de opleiding tot kleuteronderwijzer(es), onderwijzer(es) en geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1 de initiële lerarenopleiding van academisch niveau leidende tot geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2 voortgezette lerarenopleidingen leidende tot een graad van bachelor na bachelor de initiële lerarenopleiding dans leidende tot een graad van bachelor na bachelor

De hogescholen bieden alle lerarenopleidingen aan. De universiteiten bieden de initiële academische lerarenopleiding aan. Vanaf 1 september 2007 start de lerarenopleiding nieuwe stijl. In het kader van permanente vorming organiseren de universiteiten en hogescholen kortere opleidinsgtrajecten met het oog op de na- en bijscholingen. Zij bepalen zelf de kwalificaties en certificering.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 131


De universiteiten en hogescholen kunnen ook opleidingstrajecten met de studieomvang van ten minste 20 studiepunten organiseren in het kader van de verdere professionele vorming die bekrachtigd worden met een postgraduaat getuigschrift. De doctoraatsopleiding is gericht op de voorbereiding van een proefschrift.

Hogescholen kunnen in de volgende studiegebieden professioneel gerichte bacheloropleidingen aanbieden en binnen het kader van een associatie academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen: Architectuur Handelswetenschappen en bedrijfskunde Audiovisuele en beeldende kunst IndustriĂŤle wetenschappen, technologie en nautische wetenschappen Biotechniek Muziek en podiumkunsten Gezondheidszorg

Hogescholen kunnen in de volgende studiegebieden professioneel gerichte bacheloropleidingen aanbieden: Onderwijs Sociaal-agogisch werk Hogescholen kunnen in de volgende studiegebieden binnen het kader van een associatie academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen aanbieden: Productontwikkeling Toegepaste taalkunde Een overzicht van de opleidingen in afbouw in het hoger onderwijs vindt men op http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/ho/richtingen.asp Universiteiten kunnen academisch onderwijs (bachelor- en masteropleidingen) aanbieden in de volgende studiegebieden: Archeologie en kunstwetenschappen Psychologische en pedagogische wetenschappen Biomedische wetenschappen Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Diergeneeskunde Sociale gezondheidswetenschappen Economische en toegepaste economische Taal- en letterkunde wetenschappen Farmaceutische wetenschappen Tandheelkunde Geneeskunde Toegepaste biologische wetenschappen Geschiedenis Toegepaste wetenschappen Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie Politieke en sociale wetenschappen

Verkeerskunde Wetenschappen Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

6.11. Curriculum Hogescholen en universiteiten zijn vrij in het uitwerken van de curricula. Het instellingsbestuur bepaalt voor elke opleiding een opleidings-programma dat bestaat uit een samenhangend geheel van opleidingsonderdelen. Bij de vaststelling van het opleidingsprogramma houdt het instellingsbestuur rekening met de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese richtlijn vastgelegde voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen reguleren.

6.12. Onderwijsmethoden De beslissing omtrent onderwijsmethoden en –hulpmiddelen behoort tot de vrijheid van de instellingen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 132


Professioneel gerichte bacheloropleidingen omvatten doorgaans theorielessen, praktijklessen en een stageperiode. Bij academisch gerichte opleidingen ontbreekt doorgaans de stageperiode en ligt de klemtoon op het theoretische luik en onderzoek. Het gebruik van elektronische leerplatforms vindt meer en meer ingang.

6.13. Evaluatie van studenten Over het algemeen worden minstens één of twee weken voorzien waarin de student zich kan voorbereiden op de examens. Er zijn twee examenperiodes, met name in juni en september. In een semestersysteem worden er ook examens georganiseerd in januari (het einde van het eerste semester); deze worden beschouwd te behoren tot de eerste zittijd. Op het einde van de masteropleiding moet elke student een verhandeling (masterproef) indienen (en soms verdedigen).

6.14. Voortgang van studenten Het Participatiedecreet van 19 maart 2004 regelt o.m. de rechtsbescherming bij examens met de oprichting van een Raad voor examenbetwistingen, een administratief rechtscollege op Vlaams niveau. Het Flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004 wil meer flexibele studietrajecten mogelijk maken, met meer kansen op uitwisseling tussen opleidingen en instellingen, grotere differentiatie o.m. op vlak van aanbiedingsvormen en meer kansen tot levenslang leren. Het hanteert daarvoor volgende principes. • • •

• • • • •

•

•

De opleiding is en blijft de basis- en structurerende eenheid; Het volledige studieprogramma van een opleiding wordt uitgedrukt in ECTS studiepunten; Een opleiding wordt opgedeeld in opleidingsonderdelen. Een opleidingsonderdeel is een afgebakend geheel van onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten dat gericht is op het verwerven van welomschreven (deel)competenties inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes. Een opleidingsonderdeel kan flexibel ingevuld worden door de instelling. Een opleidingsonderdeel kan daardoor bestaan uit één vak (in de traditionele betekenis van het woord), maar kan net zo goed bestaan uit een clustering van vakken of van groepen leeractiviteiten. De omvang van een opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt in gehele ECTS studiepunten. Een opleidingsonderdeel omvat ten minste drie studiepunten. Een student heeft een opleidingsonderdeel voltooid wanneer evaluatie aantoont dat hij de relevante (deel)competenties in voldoende mate heeft verworven. Hij wordt daartoe beoordeeld op een schaal van 0 tot 20 (in gehele getallen), met 10 als slaaggrens. De student heeft per opleidingsonderdeel recht op ten minste twee inschrijvingen, met per inschrijving een recht op tenminste twee examenkansen. Het voltooien van een opleidingsonderdeel (slagen voor een opleidingsonderdeel) resulteert in een formele erkenning via een creditattest, onafhankelijk van de stand van zaken met betrekking tot andere opleidingsonderdelen die eventueel in zijn programma voorkomen.. De geldigheidsduur van een verworven creditattest is in principe onbeperkt, en hij bedraagt in elk geval ten minste 5 kalenderjaren na het behalen van het creditattest. Kennis evolueert echter zeer snel en een kwaliteitsvolle opleiding moet zich permanent actualiseren. De instellingen moeten daarom ook de mogelijkheid hebben om na 5 jaar een soort 'actualiseringprogramma' op te leggen, wanneer de student het vroeger behaalde creditattest wil valoriseren in het kader van het behalen van een diploma. Instellingen kunnen aan studenten vrijstellingen verlenen op basis van eerder verworven kwalificaties (EVK) en/of eerder verworven competenties (EVC). Meer details over EVK en EVC is te vinden in het onderwijs- en examenreglement van elke instelling voor hoger onderwijs en uitgebreide informatie over de algemene principes en procedures voor flexibele studievoortgang staat in de brochure 'Bewijs je bekwaamheid'. Deze brochure vertelt meer specifiek wat eerder verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK) inhouden en welke plaats ze innemen binnen het systeem van flexibele studievoortgang. Voor een elektronische versie: www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs. Studievoortgangbewaking. Het decreet omvat verschillende elementen die de studievoortgang op een reguliere manier bewaken en bouwt maatregelen in om dwingend op te treden in die gevallen waar het studietraject ontspoort. Die maatregelen kunnen volgende vormen aannnemen: o aan de student worden bindende voorwaarden voor de inschrijving opgelegd (vb: een tussenevaluatie of een minimaal te leveren relatieve studieprestatie) o een risicostudent kan na meerdere kansen geweigerd worden.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 133


6.15. Diplomering Het instellingsbestuur verleent de graad van bachelor of master als de student de bacheloropleiding of masteropleiding met succes voltooit. De graad van 'doctor' wordt behaald na de openbare verdediging van het proefschrift. Personen kunnen ook het diploma van bachelor en master behalen als het instellingsbestuur van mening is dat zij op basis van EVC en EVK beschikken over voldoende bekwaamheden. 'EVC' betekent een eerder verworven competentie, namelijk het geheel van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes verworven door middel van leerprocessen die niet met een studiebewijs werden bekrachtigd; 'EVK' betekent een eerder verworven kwalificatie, namelijk elk binnenlands of buitenlands studiebewijs dat aangeeft dat een persoon een formeel leertraject, al dan niet binnen onderwijs, met goed gevolg hebt doorlopen. Het instellingsbestuur verleent een creditbewijs als een persoon slaagt voor een opleidingsonderdeel. Meer details is te vinden in het onderwijs- en examenreglement van elke instelling voor hoger onderwijs. Uitgebreide informatie over de algemene principes en procedures voor flexibele studievoortgang staat in de brochure 'Bewijs je bekwaamheid'. Deze brochure vertelt meer specifiek wat eerder verworven competenties (EVC) en eerder verworven kwalificaties (EVK) inhouden en welke plaats ze innemen binnen het systeem van flexibele studievoortgang. Voor een elektronische versie : http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs.

6.16. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het hoger professioneel onderwijs legt de nadruk op praktische aspecten en is vanaf het begin georiënteerd op het toekomstige beroepsleven. Een praktische opleiding in echte werkomstandigheden (bedrijven, scholen, ziekenhuizen, ...) maakt een essentieel deel van elke opleiding uit. De begeleiding van de studenten om hun intrede op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, neemt verschillende vormen aan. De meerderheid van de hogescholen heeft plaatsingsdiensten, alhoewel de werking nogal kan verschillen. Hiervoor zijn geen officiële richtlijnen. Sommige hogescholen beperken zich tot het verzamelen van vacatures of het bijhouden van de tewerkstellingsstatistieken, terwijl andere uitgebreide tewerkstellingsdossiers van de individuele afgestudeerden bijhouden, sollicitatietrainingen geven en/of voorbereidingsseminaries op tewerkstelling organiseren, .... Regelmatig gebeurt het dat de stage-activiteiten van de student leiden tot de aanwerving van de student eens hij/zij is afgestudeerd. De interactie tussen de arbeidsmarkt en de onderwijsprogramma's is niet altijd even optimaal, maar dit varieert naargelang het studieveld of de opleiding . Net als de hogescholen hebben de universiteiten binnen de sociale sector een specifieke infrastructuur uitgebouwd ten behoeve van deze ruimere zorg en begeleiding. Het gaat hier onder andere om jobdiensten. Al naargelang de instelling worden er initiatieven genomen voor afstuderenden en oud-studenten door onder meer een eigen vacaturedatabank te creëren, het organiseren van informatiesessies over tewerkstelling in verschillende sectoren, enz.

6.17. Privé-onderwijs Instellingen die geen geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn behoren tot het privé-onderwijs dat in Vlaanderen niet wettelijk gereglementeerd is. Officiële gegevens hieromtrent zijn daarom onbestaande. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privéonderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua lesmodaliteiten en financiering Alleen diegene aan wie in overeenstemming met het Vlaamse structuurdecreet van 4 april 2003 de graad van bachelor, master of doctor is verleend, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor.

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 134


6.18. Verschillen in organisatie en andere structuren Binnen het actuele opleidingenaanbod kunnen vier varianten of alternatieven op de reguliere organisatie van het hoger onderwijs worden onderscheiden. • • • •

Sommige instellingen bieden een alternatieve lesindeling (avondonderwijs) aan voor studenten die al zijn tewerkgesteld. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid om enkel de examens af te leggen, dus zonder dat er lessen moeten worden bijgewoond. Deze examens moeten worden afgelegd in de onderwijsinstelling die het voltijdse programma aanbiedt (zie 6.7 Examencontract). Vele programma's worden ook (deeltijds) aangeboden onder de vorm Onderwijs voor Sociale Promotie. Deze leiden niet tot een Bachelor of Master. De Open Universiteit Heerlen in Nederland biedt academisch afstandsonderwijs aan. De Vlaamse universiteiten ondersteunen dit met eigen studiecentra o http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/studenten/ou.htm o http://www.ou.nl/

6.19. Statistieken 6.19.1. Evolutie van het aantal hoofdinschrijvingen aan hogescholen per soort opleiding en per geslacht

Academiejaar 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

BAMA en Basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen (1) Mannen Vrouwen Totaal Absoluut Procentueel Absoluut Procentueel Absoluut % t.o.v. 1999-2000 45.747 46,43 52.789 53,57 98.536 100,00 45.773 46,12 53.485 53,88 99.258 100,73 45.775 46,08 53.564 53,92 99.339 100,81 46.125 46,28 53.536 53,72 99.661 101,14 45.998 45,92 54.180 54,08 100.178 101,67 46.233

45,69

54.952

54,31

101.185

102,69

(1) Vanaf 2004-2005 worden in deze tabel de professioneel en academisch gerichte bachelorsopleidingen, de mastersopleidingen, en de basisopleidingen in afbouw, inclusief HOKT SP opgenomen

Academiejaar 2004 - 2005

Academiejaar 2004 - 2005

Academiejaar 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Academiejaar 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Bachelors-na-bachelorsopleidingen Mannen Vrouwen Absoluut Procentueel Absoluut Procentueel Absoluut 368 34,62 695 65,38 1.063 Masters-na-mastersopleidingen Mannen Vrouwen Absoluut Procentueel Absoluut Procentueel Absoluut 23 50,00 23 50,00 46 Initiële lerarenopleiding van academisch niveau Mannen Vrouwen Absoluut Procentueel Absoluut Procentueel Absoluut 167 40,83 242 59,17 409 145 34,04 281 65,96 426 166 36,48 289 63,52 455 183 38,36 294 61,64 477 244 37,31 410 62,69 654 230 36,68 397 63,32 627 Voortgezette lerarenopleidingen Mannen Vrouwen Absoluut Procentueel Absoluut Procentueel Absoluut 146 15,77 780 84,23 926 147 14,36 877 85,64 1.024 133 13,42 858 86,58 991 141 12,75 965 87,25 1.106 183 14,41 1.087 85,59 1.270 188 14,14 1.142 85,86 1.330

Vlaams Eurydice rapport 2006

Totaal 100,00 Totaal 100,00 Totaal % t.o.v. 1999-2000 100,00 104,16 111,25 116,63 159,90 153,30 Totaal % t.o.v. 1999-2000 100,00 110,58 107,02 119,44 137,15 143,63

6 Hoger onderwijs / 135


Academiejaar 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Voortgezette opleidingen Mannen Vrouwen Absoluut Procentueel Absoluut Procentueel 534 39,29 825 60,71 646 42,61 870 57,39 708 44,98 866 55,02 962 47,79 1.051 52,21 845 42,76 1.131 57,24 388 52,15 356 47,85

Absoluut 1.359 1.516 1.574 2.013 1.976 744

Totaal % t.o.v. 1999-2000 100,00 111,55 115,82 148,12 145,40 54,75

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005 6.19.2. Evolutie van het aantal hoofdinschrijvingen in het universitair onderwijs vanaf het academiejaar 1993-1994 Enkel academisch gerichte bachelorsopleidingen en kandidaturen en licenties

Academiejaar

1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999

Mannen Absoluut 26.173 27.032 27.934 28.174 27.929 27.408

Procent 51,43 51,22 50,52 49,94 49,08 47,94

Vrouwen Absoluut 24.714 25.745 27.364 28.242 28.973 29.762

Procent 48,57 48,78 49,48 50,06 50,92 52,06

Totaal Absoluut 50.887 52.777 55.298 56.416 56.902 57.170

1999 - 2000 (1) 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004

26.508 25.656 25.644 25.382 25.365

46,72 45,72 45,23 44,66 44,63

30.232 30.462 31.049 31.457 31.474

53,28 54,28 54,77 55,34 55,37

56.740 56.118 56.693 56.839 56.839

2004 - 2005 (2)

25.379

44,52

31.626

55,48

57.005

(1) Vanaf 2004-2005 zijn de academisch gerichte bachelorsopleidingen inbegrepen. Bron data 1993-1994 tot en met 1998-1999: Vlaamse Interuniversitaire Raad (Vl.I.R), Egmontstraat 5, 1000 Brussel. Bron data vanaf 1999-2000 en volgende: departement Onderwijs.

Academiejaar

1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999

Totaal van de academische gerichte bachelorsopleidingen, kandidaturen en licenties, voortgezette opleidingen GAS en GGS, academische initiĂŤle lerarenopleidingen Mannen Vrouwen Totaal Absoluut Procent Absoluut Procent Absoluut 30.354 52,33 27.650 47,67 58.004 30.748 51,71 28.710 48,29 59.458 31.357 50,99 30.142 49,01 61.499 31.551 50,43 31.013 49,57 62.564 31.267 49,59 31.779 50,41 63.046 30.697 48,41 32.719 51,59 63.416

1999 - 2000 (1) 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004

29.982 29.156 29.360 29.760 29.989

47,23 46,22 45,67 45,33 45,17

33.500 33.925 34.933 35.888 36.402

52,77 53,78 54,33 54,67 54,83

63.482 63.081 64.293 65.648 66.391

2004 - 2005 (2)

29.877

45,04

36.464

54,96

66.341

(2) Vanaf 2004-2005 zijn de academisch gerichte bachelorsopledingen en de masters-na-mastersopleidingen inbegrepen. Bron data 1995-1996 tot en met 1998-1999: Vlaamse Interuniversitaire Raad (Vl.I.R), Egmontstraat 5, 1000 Brussel. Bron data vanaf 1999-2000 en volgende: departement Onderwijs. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 136


6.19.3. Aantal hoofdinschrijvingen in de hogescholen academiejaar 2004-2005, per soort onderwijs, studiegebied en geslacht M BAMA- en Basisopleidingen (1) Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek Gecombineerde studiegebieden: ARCH, IWT, en NW Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen Muziek en podiumkunsten Onderwijs Productontwikkeling Sociaal-agogisch werk Toegepaste taalkunde

Totaal

1.761 2.194 1.833 2.014 982 825 74 115 1.949 9.055 15.381 13.697

3.955 3.847 1.807 189 11.004 29.078

14.905 2.134 17.039 845 907 1.752 5.281 14.079 19.360 357 242 115 9.821 2.257 7.564 2.976 723 2.253 Totaal 46.233 54.952 101.185

Bachelors- na-bachelorsopleidingen Architectuur Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Sociaal-agogisch werk

18 130 219 1 368

15 432 213 35 695

33 562 432 36 1.063

1

9

10

16 6 23

4 10 23

20 16 46

13 6 61 154

8 6 98 114

21 12 159 268

Totaal

64 8 6 25 51 388

11 6 18 48 47 356

75 14 24 73 98 744

Totaal

188 188

1.142 1.142

1.330 1.330

Totaal Masters- na-mastersopleidingen Gezondheidszorg Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen Muziek en podiumkunsten Totaal Voortgezette opleidingen Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie, en nautische wetenschappen Muziek en podiumkunsten Onderwijs Sociaal-agogisch werk Toegepaste taalkunde Voortgezette lerarenopleidingen Onderwijs Initiële lerarenopleiding van academisch niveau Onderwijs

V

230 397 627 Totaal 230 397 627 Algemeen totaal 47.430 57.565 104.995

(1) Staat voor: professioneel en academisch gerichte bachelorsopleidingen, mastersopleidingen en basisopleidingen in afbouw, inclusief HOKT SP. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 137


6.19.4 Evolutie van het aantal generatiestudenten aan hogescholen per soort opleiding en studiegebied (1) 200020012002200320042001 2002 2003 2004 2005 Professioneel gerichte bachelorsopleidingen en basisopleidingen van één cyclus Architectuur 421 534 546 580 533 Audiovisuele en beeldende kunst 29 39 40 25 52 Biotechniek 259 253 268 407 462 Gezondheidszorg 2.398 2.175 2.293 2.502 2.695 Handelswetenschappen en bedrijfskunde 7.332 7.026 6.436 6.073 6.170 Industriële wetenschappen en technologie, 2.946 en nautische wetenschappen 2.646 2.724 2.837 2.709 Muziek en podiumkunsten 15 20 12 9 10 Onderwijs 5.307 5.796 5.463 5.604 5.584 Sociaal-agogisch werk 2.185 2.284 2.358 2.691 2.747 Totaal 20.592 20.851 20.253 20.600 21.199 Academisch gerichte bachelorsopleidingen en basisopleidingen van twee cycli Architectuur 380 416 514 558 566 Audiovisuele en beeldende kunst 895 898 854 896 856 Biotechniek 56 56 60 56 84 Gezondheidszorg 312 262 119 166 211 Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1.294 1.179 1.066 952 1.006 Industriële wetenschappen en technologie, 2.061 1.781 1.660 1.577 1.425 en nautische wetenschappen Muziek en podiumkunsten 305 246 272 236 267 Productontwikkeling 113 82 77 80 64 Toegepaste taalkunde 758 781 752 739 760 Totaal 6.174 5.701 5.374 5.260 5.239 Totaal aantal generatiestudenten Architectuur 801 950 1.060 1.138 1.099 Audiovisuele en beeldende kunst 924 937 894 921 908 Biotechniek 315 309 328 463 546 Gezondheidszorg 2.710 2.437 2.412 2.668 2.906 Handelswetenschappen en bedrijfskunde 8.626 8.205 7.502 7.025 7.176 Industriële wetenschappen en technologie, 4.707 4.505 4.497 4.286 4.371 en nautische wetenschappen Muziek en podiumkunsten 320 266 284 245 277 Onderwijs 5.307 5.796 5.463 5.604 5.584 Productontwikkeling 113 82 77 80 64 Sociaal-agogisch werk 2.185 2.284 2.358 2.691 2.747 Toegepaste taalkunde 758 781 752 739 760 Algemeen totaal 26.766 26.552 25.627 25.860 26.438 (1) Generatiestudent: een student die voor het eerst ingeschreven is in het eerste jaar van een basisopleiding (professioneel of academisch gericht) in het Vlaams hoger onderwijs en op 1 februari 2005 nog is ingeschreven. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 138


6.19.5 Evolutie van het aantal generatiestudenten in het universitair onderwijs, per studiegebied (1) Studiegebieden M

1999-2000 V T

M

2000-2001 V T

M

2001-2002 V T

M

2002-2003 V T

M

2003-2004 V T

M

2004-2005 V T

Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

105

74

179

117

81

198

124

89

213

118

75

193

91

61

152

86

56

142

Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht Taal- en letterkunde Geschiedenis Archeologie en kunstwetenschappen

13 235 234 94

29 627 236 189

42 862 470 283

15 220 258 70

16 567 207 198

31 787 465 268

11 215 320 78

23 581 214 220

34 796 534 298

15 211 314 79

31 585 228 177

46 796 542 256

15 205 282 76

31 568 226 162

46 773 508 238

18 240 309 68

33 665 177 184

51 905 486 252

Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

757

880

1.637

646

984

1.630

702 1.017

1.719

744 1.054

1.798

752 1.061

1.813

760 1.081

1.841

Psychologie en pedagogische wetenschappen

268 1.091

1.359

258 1.153

1.411

246 1.186

1.432

246 1.239

1.485

233 1.174

1.407

260 1.179

1.439

Economische en toegepaste economische wetenschappen 1.062 806 1.868 979 732 1.711 1.045 687 1.732 927 660 1.587 927 572 1.499 931 623 1.554 Politieke en sociale wetenschappen 493 675 1.168 546 637 1.183 476 646 1.122 540 668 1.208 538 590 1.128 499 602 1.101 Sociale gezondheidswetenschappen 1 80 81 1 79 80 1 86 87 5 84 89 4 104 108 120 120 Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie 267 327 594 282 413 695 248 340 588 258 292 550 261 295 556 302 303 605 Wetenschappen 904 512 1.416 963 442 1.405 849 405 1.254 724 356 1.080 702 340 1.042 715 373 1.088 Toegepaste wetenschappen 581 160 741 523 164 687 807 229 1.036 662 198 860 649 172 821 729 235 964 Toegepaste biologische wetenschappen 284 257 541 280 243 523 236 215 451 232 207 439 239 177 416 232 176 408 Geneeskunde 149 194 343 144 214 358 133 212 345 151 253 404 197 334 531 225 387 612 Tandheelkunde 13 16 29 13 13 26 13 34 47 16 27 43 17 31 48 16 37 53 Diergeneeskunde 101 207 308 84 202 286 98 224 322 80 278 358 73 266 339 98 273 371 Farmaceutische wetenschappen 51 196 247 46 223 269 52 198 250 63 198 261 63 227 290 91 270 361 Biomedische wetenschappen 174 352 526 Verkeerskunde 36 12 48 Gecombineerde studiegebieden 159 444 603 153 436 589 187 506 693 238 568 806 226 482 708 99 149 248 Totaal 5.771 7.000 12.771 5.598 7.004 12.602 5.841 7.112 12.953 5.623 7.178 12.801 5.550 6.873 12.423 5.888 7.287 13.175 (1) Generatiestudent: een student die voor het eerst ingeschreven is in het eerste jaar van een basisopleiding in het Vlaams hoger onderwijs en op 1 februari nog is ingeschreven. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 139


6.19.6 Aantal diploma's uitgereikt in het hogescholenonderwijs op het einde van het academiejaar 2003-2004, per studiegebied en cyclus Basisopleidingen en initiële lerarenopleidingen Opleidingen van één cyclus

Studiegebieden

Architectuur Audiovisuele en beeldende kunst Biotechniek Gezondheidszorg Handelswetenschappen en bedrijfskunde Industriële wetenschappen en technologie Muziek en dramatische kunst Onderwijs Productontwikkeling Sociaal-agogisch werk Toegepaste taalkunde Totaal

M 169 22 150 356 2.946 1.747 2 914 353 6.659

V 230 35 71 2.205 3.272 281 4 3.360 1.608 11.066

T 399 57 221 2.561 6.218 2.028 6 4.274 1.961 17.725

Opleidingen van twee Opleidingen van twee cycli cycli Eerste cyclus van twee Tweede cyclus van twee (1) M V T M V T 122 173 295 136 204 340 255 323 578 287 372 659 51 39 90 35 27 62 71 139 210 66 84 150 643 579 1.222 589 518 1.107 300 1.783 1.417 225 1.642 1.483 140 141 281 115 138 253 57 25 82 49 14 63 85 360 445 120 430 550 2.814 2.012 4.826 2.907 2.079 4.986

(1) In deze tabel worden de kandidaatsdiploma's (cursief aangebracht) niet opgenomen in het algemeen totaal. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

6 Hoger onderwijs / 140

Totaal

M 291 277 201 427 3.589 3.230 142 914 57 353 85 9.566

V 403 358 110 2.344 3.851 581 145 3.360 25 1.608 360 13.145

T 694 635 311 2.771 7.440 3.811 287 4.274 82 1.961 445 22.711


6.19.7 Aantal diploma's uitgereikt in het universitair onderwijs op het einde van het academiejaar 2003-2004, per studiegebied en per soort opleiding

Studiegebied Wijsbegeerte en moraalwetenschappen Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht Taal- en letterkunde Geschiedenis Archeologie en kunstwetenschappen Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen Psychologie en pedagogische wetenschappen Economische en toegepaste econ. wetenschappen Politieke en sociale wetenschappen Sociale gezondheidswetenschappen Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie Wetenschappen Toegepaste wetenschappen Toegepaste biologische wetenschappen Geneeskunde Tandheelkunde Diergeneeskunde Farmaceutische wetenschappen Gecombineerde studiegebieden Totaal

Academische opleiding 1ste cyclus

Academische opleiding 2de cyclus

Aanvullende opleidingen

Academische initiĂŤle lerarenopleiding

Doctoraten

M 132

V 82

T 214

M 88

V 55

T 143

M 10

V 11

T 21

M 12

V 13

T 25

M 26

V 18

T 44

M 10

V 6

T 16

18 152 232 53

30 441 197 163

48 593 429 216

65 140 163 61

48 417 168 149

113 557 331 210

1 15 6 5

49 3 10

1 64 9 15

13 9 1

17 15 3

30 24 4

10 76 45 11

14 246 76 34

24 322 121 45

21 16 12 7

2 21 5 5

23 37 17 12

558 162

816 1.374 922 1.084

531 169

738 1.269 783 952

56 34

88 63

144 97

199 11

213 41

412 52

14 24

53 184

67 208

10 18

9 17

19 35

636 358 17

511 1.147 510 868 132 149

598 353 41

533 1.131 484 837 186 227

365 166 23

257 276 8

622 442 31

289 47 4

187 64 14

476 111 18

29 34 7

79 97 44

108 131 51

18 16 1

12 9 1

30 25 2

174 233 407 148 253 401 3 3 12 43 55 50 399 242 641 530 313 843 106 54 160 107 75 182 88 487 168 655 488 131 619 91 53 144 229 116 345 13 169 169 338 200 196 396 78 55 133 55 36 91 15 161 242 403 265 432 697 49 49 98 3 19 38 57 25 25 50 3 3 6 8 8 16 48 119 167 70 122 192 6 9 15 1 45 143 188 37 147 184 5 4 9 14 33 47 92 290 382 116 336 452 182 275 457 150 165 315 15 3.912 5.448 9.360 4.088 5.516 9.604 1.149 1.209 2.358 1.215 1.101 2.316 461

92 142 7 18 4 3 11 48 1.170

142 230 20 33 7 4 11 63 1.631

9 164 130 67 78 10 22 3 612

2 94 15 30 51 6 18 9 312

11 258 145 97 129 16 40 12 924

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

Specialisatieopleidingen

6 Hoger onderwijs / 141


7. PERMANENTE VORMING EN OPLEIDINGEN VOOR JONGE SCHOOLVERLATERS EN VOLWASSENEN In Vlaanderen vallen verschillende opleidingen onder de noemer 'permanente vorming'. Deze opleidingen richten zich tot zeer verschillende doelgroepen, van zeer uiteenlopende leeftijden (bij DKO van jong tot oud), bieden cursussen aan op zeer verschillende niveaus, omvat zowel formeel als niet-formeel onderwijs en training, en al dan niet beroepsgericht. Bovendien worden verschillende begrippen volwassenenonderwijs, volwassenenvorming en volwasseneneducatie in zeer verschillende betekenissen en door elkaar gebruikt. • •

•

In beperkte betekenis wordt het gebruikt voor Onderwijs voor Sociale Promotie (dat trouwens georganiseerd wordt in zogenaamde Centra voor Volwassenenonderwijs). Ruimer wordt het door het departement onderwijs ook gebruik om 3 onderwijsvormen, georganiseerd door dat departement, te groeperen: o het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) (inclusief het vroegere TKO), o de basiseducatie o het afstandsonderwijs Begeleid Individueel Studeren (BIS) Open Hoger Onderwijs (OHO) Open Universiteit (OU) Volwassenenonderwijs wordt echter ook gebruik voor volwassenenvorming, volwassenentraining en volwasseneneducatie (hetgeen bij vertaling soms verwarring oplevert omdat onderwijs doorgaans vertaald wordt als 'education' terwijl het impliciet over 'formal education' gaat). Volwasseneneducatie omvat dan ook de beroepsopleidingen (VDAB, SYNTRA, landbouw) en het niet-formele sociaalculturele volwassenenwerk.

Gedeeltelijk buiten de volwasseneneducatie valt het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO), waarin zowel jongeren als volwassenen onderwijs volgen. Ook het Begeleid Individueel Studeren richt zich tot elke geïnteresseerde zonder leeftijdsdrempel. Volwasseneneducatie Volwassenenonderwijs (formal)

Beroepsopleiding (vocational)

volwassenenwerk (non-formal) volwassenen en jongeren formal en non-formal

basiseducatie Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Beroepsopleiding werkzoekenden en werknemers (VDAB) Ondernemersvorming (SYNTRAVlaanderen) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk Deeltijds kunstonderwijs (DKO)

Bevoegd minister Onderwijs Onderwijs

Zie 7.*.3 7.*.1

Onderwijs

7.*.2

Werk

7.*.4

Werk

7.*.5

Landbouw Cultuur

7.*.7 7.*.8

Onderwijs

7.*.6

7.1 Historiek We behandelen achtereenvolgens: • • • • • •

1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) 2 Begeleid individueel studeren (BIS) 3 basiseducatie 4 Beroepsopleiding VDAB 5 Ondernemersvorming SYNTRA 6 Deeltijds kunstonderwijs (DKO)

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 143


• •

7 Landbouwvorming 8 Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.1.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - historiek De oorsprong van het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) ligt in twee soorten instellingen uit de 19de eeuw: de volwassenenscholen en de industriële scholen. Deze laatste werden opgericht in de grote steden en waren een vorm van volwassenenonderwijs dat een typisch technisch programma aanbood voor de 'elite' van het 'werkvolk'. Op zondagen en weekavonden werden lessen gegeven door onderwijzers. In het begin boden de initiatiefnemers van dit volwassenenonderwijs een bijzonder grote variëteit aan opleidingen aan, afhankelijk van de eisen en het niveau van ervaring en kennis van hen die zich wilden inschrijven. Reeds in 1933 werden er aanzienlijke inspanningen gedaan om het volwassenenonderwijs te standaardiseren binnen het kader van het technisch onderwijs. In 1957 standaardiseerden wettelijke regelingen de aangeboden opleidingen en kwalificaties. Met een herclassificatie van het aanbod en de categorieën in 1967 (met een 2-cycli structuur in SO en HO). Het hoger OSP werd opnieuw hervormd door de Wet van 7 juli 1970 op het HO. Dit is nu het hoger onderwijs voor sociale promotie dat opleidingen hoger onderwijs korte type en hogere technische leergangen 2de graad aanbiedt. In het kader van de BAMA-hervormingen zal dit hoger onderwijs in de toekomst nog aan wijzigingen onderhevig zijn. Door het decreet van 2 maart 1999 heeft het OSP de 3-graden structuur van het SO (met 4e graad voor BSO) overgenomen en is het actief in de 2e en de 3e graad, en een heel klein deel in de 4e graad. Het talenonderwijs heeft een eigen rangschikking.

7.1.2. BIS - historiek Het schriftelijk onderwijs, de voorganger van wat nu het 'Begeleid Individueel Studeren' (BIS) wordt genoemd, ging in België van start in 1959 en werd door de Wet van 5 maart 1965 officieel erkend. De staatshervorming van 1980 hevelde deze onderwijsvorm over naar de Gemeenschappen. Het decreet van 2 maart 1999 integreerde het BIS gedeeltelijk in het deeltijds volwassenenonderwijs. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2000 introduceerde de naam 'Begeleid Individueel Studeren'. (In het decreet van 2/3/1999 werd nog gesproken over 'zelfgestuurd leren'). De term 'Afstandsonderwijs' wordt echter ook nog steeds gebruikt. Maar tot het afstandsonderwijs horen naast het BIS ook het Open Hoger Onderwijs en de Open Universiteit. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2002 regelt o.m. vergoeding van de mentor, het inschrijvingsgeld, zowel voor het schriftelijk BIS als voor BIS Online, het afstandsonderwijs via internet.

7.1.3. Basiseducatie – historiek Bij het begin van de jaren '80 ontstonden in Vlaanderen tal van initiatieven met een educatief aanbod voor laaggeschoolde volwassenen. Op 12 juli 1990 werd het decreet voor de basiseducatie goedgekeurd dat op 1 september van datzelfde jaar operationeel werd. Dit decreet regelt onder meer de oprichting van 29 lokale centra, en 1 ondersteunings- en coördinatiecentrum (Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie – VOCB). Op 21 december 1994 keurde het Vlaams Parlement een eerste keer een aantal regelingen goed die het decreet van 12 juli 1990 wijzigden. De wijzigingen hadden betrekking op het scholingsniveau van de cursisten in de basiseducatie, de financieringstechniek en de functieomschrijvingen van het personeel in de centra. In 1996 werd een tweede decreetwijziging doorgevoerd (Besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1996) die als gevolg had dat de aanvankelijk opgerichte Raad voor Basiseducatie werd opgeheven en de opdrachten werden overgedragen aan de Raad voor Volwassenenonderwijs binnen de VLOR (Vlaamse Onderwijsraad). Op 2 maart 1999 werd een derde wijziging doorgevoerd, met als resultaat dat het administratief toezicht en de kwaliteitscontrole die aanvankelijk aan het VOCB waren toegewezen, nu worden opgenomen door het

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 144


departement Onderwijs zelf. Daartoe werden binnen de afdeling volwassenenonderwijs medewerkers belast met de beleidsvoorbereiding en –uitvoering voor de basiseducatie en werd de inspectieregeling van het volwassenenonderwijs ook uitgebreid tot de basiseducatie. Het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003 regelde de eindtermen/ontwikkelingsdoelen en de modulaire structuur van de opleidingen basiseducatie. Via de modulaire organisatie van het aanbod worden de opleidingen in de basiseducatie onderdeel van een algemene opleidingenstructuur en wordt de aansluiting op het volwassenenonderwijs beter gewaarborgd. Het eindniveau van de opleidingen basiseducatie is vergelijkbaar met de eerste graad van het secundair onderwijs.

7.1.4. VDAB – historiek In de context van de ontwikkeling van het sociale zekerheidssysteem sinds 1945 werd door de regering de vraag gelanceerd om beroepsopleidingsprogramma's te organiseren voor de werkloze bevolking. Als antwoord heeft er zich een omvangrijk netwerk van centra ontwikkeld dat opleidingscursussen voor de secundaire en de tertiaire sector aanbiedt. De wet van 14 februari 1961 betreffende de economische expansie introduceerde niet enkel een nieuwe benaming, namelijk de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), maar voerde bovenal veranderingen inzake doelstellingen, inhoud en doelgroepen in. De VDAB werd opgericht bij decreet in 1984, maar de uitvoering en bevoegdheidsoverdracht gebeurde eerst na de grondwetsherziening van 1988. De controle van de werkloosheid en de werkloosheidsuitkeringen bleven federale RVA-bevoegdheden. De arbeidsbemiddeling werd overgedragen aan de gewesten, de beroepsopleiding is een gemeenschapsbevoegdheid: VDAB (Vlaanderen), FOREM (Waalse Gewest) en BGDA (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie werd de VDAB door het decreet van 7 mei 2004 een extern verzelfstandigd agentschap EVA (zie [1.2.2.2.]). Het beheer wordt uitgemaakt door de representatieve Vlaamse werkgevers- en werknemersorganisaties.

7.1.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - Historiek De oudste vorm van buitenschoolse beroepsopleiding vormt het systeem van leercontracten in de sector van de zelfstandige beroepen. Reeds in de vroege middeleeuwen ontwikkelden coöperatieve verenigingen en handelsgilden in steden als Brugge, Gent, Brussel en Antwerpen een systeem dat voorzag in de opleiding van leerlingen op de werkvloer, met een hiërarchische indeling in leerjongens, gezellen en meesters, samen met een raad voor ambachten of gilden die toezicht hield op de toelatingsvoorwaarden tot het beroep. Het was echter pas in 1906 dat een Ministerieel Besluit officieel 'leercontracten' vastlegde en een vergoeding uitkeerde aan werkgevers die jonge leerlingen in hun zaak opnamen. In 1947 werd een officieel kader opgesteld voor de opleiding en nascholing voor ambachtslieden en zelfstandigen. In 1959 werd een begeleiding door pedagogische adviseurs georganiseerd. Het KB van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming van de middenstand, creëerde Instituten voor Voortdurende Vorming van de Middenstand (IVVM) en een Nationaal Coördinatie en Overlegcomité en legde de structuur van de opleiding vast. Na de staatshervoming van 1980 werd de middenstandvorming overgedragen aan de Gemeenschappen en werd de lijst van beroepen waarvoor in een leertijd en/of een opleiding tot ondernemingshoofd kan worden voorzien erkend door de minister van onderwijs. In Vlaanderen werd de bevoegdheid voor de vorming door het decreet van 23/1/1991 overgedragen aan een Vlaamse Openbare Instelling (VOI), nl. het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO), Het had drie werkingsterreinen: bedrijfsadvies, opleiding en vormgeving. In 2002 reorganiseerden de 16 bestaande vormingscentra (met 22 lesplaatsen) zich tot 5 grote SYNTRA-koepels. In het kader van de reorganisatie van de Vlaamse administratie – die per 1/1/2006 operationeel werd - werden nieuwe Agentschappen gecreëerd. Het Vlaams Agentschap Ondernemen neemt de taken bedrijfsadvies en vormgeving van het VIZO over. Voor de opleiding zorgt voortaan een Vlaams Agentschap voor ondernemersvorming – SYNTRA Vlaanderen. SYNTRA Vlaanderen valt sindsdien onder de bevoegdheid van de minister van Werk, Onderwijs en Vorming (zie [1.2.2.] en [1.2.2.2.]).

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 145


7.1.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - historiek In het gewone, voltijds onderwijs wordt kunstonderwijs gegeven op niveau van het secundair, hoger en universitair onderwijs. Daarnaast bestaat apart deeltijds kunstonderwijs, gegroeid uit de kunstacademies waarvan vele werden opgericht e e e e in de 17 , 18 en 19 eeuw. In de jaren '70 van de 20 eeuw zorgde de toegenomen vrije tijd, democratisering en maatschappelijke participatie voor een sterke toename van volwassenen aan dit onderwijs. Het is een onderwijsvorm die traditioneel overwegend als gemeentelijk onderwijs werd uitgebouwd. Het kunstonderwijs voor socio-culturele promotie kreeg een eerste duidelijke structuur door de Koninklijke Besluiten van 5 en 12 augustus 1971. Het eerste KB bepaalde de volledige structuur (in 4 cycli) en organisatie. Het tweede KB herhaalde die structuur maar dan in een lichter lestijdenregime (het normale stelsel), in principe afgestemd op algemene kunstzinnige persoonlijkheidsontwikkeling. Het decreet van 31 juli 1990 reorganiseerde de structuur van het DKO ten gronde. Zo werd de eigen structuur met graden en opties van elke studierichting in het DKO vastgelegd. Het werd echter nog gedefinieerd als complementair aan het leerplichtonderwijs. In 2001 werd de afstemming op de leerbehoeften van steeds meer uiteenlopende groepen van participanten in het licht van levenslang leren verbeterd, door het creëren van flexibelere leertrajecten en een meer gedifferentieerd en geactualiseerd studieaanbod. Tevens werd de autonomie voor directies, leerkrachten en schoolbestuur vergroot. Vanaf september 2000 heeft de inspectie het nieuwe doorlichtingsinstrument volgens het CIPO-model toegepast.

7.1.7. Landbouwvorming - Historiek Het beroepsonderwijs gericht op de landbouwsector, was vroeger de bevoegdheid van de federale minister van Landbouw. Door de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 is het overgeheveld naar de Gemeenschappen.

7.1.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk Historiek Het sociaalcultureel volwassenenwerk (vroeger: volksopvoeding, volksverheffing, volksontwikkeling, vormings- en ontwikkelingswerk) heeft zijn wortels in de periode van de Verlichting. Het (liberale) Willemsfonds (1851) en het (katholieke) Davidsfonds (1875) worden beschouwd als de eerste volksontwikkelingsinitiatieven, waarop ook andere sociale ontvoogdingsbewegingen inhaakten. Het kende een grote (maar levensbeschouwelijk en ideologisch verzuilde) expansie in de tweede helft van de 20ste eeuw. Daarom werd in 1967 een betere subsidieregeling voor nationale en regionale volksontwikkelingsorganisaties van kracht en werden in de periode '75- '85 bestaande en nieuwe werksoorten erkend en gesubsidiëerd door een hele reeks nieuwe afzonderlijke decreten. In 1995 werd een herordening van het terrein doorgevoerd door de verschillende werksoorten onder te brengen in drie nieuwe decreten, met name voor verenigingen, vormingsinstellingen en diensten. Om tenslotte te komen in 2003 tot één decreet met 3 luiken: voor sociaalculturele verenigingen, voor bewegingen en voor vormingsinstellingen (regionale volkshogescholen en landelijke vormingsinstellingen). Dit decreet van 4 april 2003 regelt ook de erkenning en subsidiëring van één steunpunt voor het sociaalcultureel volwassenenwerk (SoCiuS). Ondertussen was ook de ontzuiling van het werkveld een realiteit geworden. Eind 1999 werd beslist te zullen stoppen met subsidiëring van de koepels vanaf 1 januari 2001. In 2000 hebben de koepels samen de FOV, Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk opgerich die de belangenbehartigende taak van de koepels heeft overgenomen. Nagenoeg alle erkende organisaties zijn daar nu lid van. De FOV wordt daarvoor gesubsidieerd door de Vlaamse overheid, à rato van het aantal aangesloten leden. Een aantal koepelmedewerkers werd overgeheveld naar diverse steunpunten, o.m. het VCVO, dat voorjaar 2001 werd omgedoopt tot SoCiuS. Steunpunt Socius: http://www.socius.be FOV: http://www.fov.be/

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 146


7.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen Elke studietak heeft zijn eigen wetgevend kader (zie [7.3.]). Een meer geïntegreerde algemene structuur wordt al verschillende jaren in het vooruitzicht gesteld. Het doel blijft om tot één volledige overkoepelende opleidingsstructuur te komen voor voltijds en deeltijds onderwijs, toegankelijk voor leerplichtige en volwassen studenten. Ondertussen vallen verschillende initiatieven te vermelden. a) b) c) d) e)

De uitbouw van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid Naar een nieuw decreet op het volwassenenonderwijs e Huizen van het Nederlands als draaischijven voor Nederlands als 2 taal Strategisch plan geletterdheid Titels van beroepsbekwaamheid

Daarna behandelen we de specifieke ontwikkelingen per opleidingssoort: • • • • • • • •

1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) 2 Begeleid individueel studeren (BIS) 3 Basiseducatie 4 Beroepsopleiding VDAB 5 Ondernemersvorming SYNTRA 6 Deeltijds kunstonderwijs (DKO) 7 Landbouwvorming 8 Sociaalcultureel volwassenenwerk

a) De uitbouw van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid Vanuit de bevoegdheden werk, onderwijs en vorming willen de ministers Frank Vandenbroucke en Bert Anciaux de structurele basis versterken voor het uitbouwen van een geïntegreerd onderwijs- en vormingsbeleid, dat gericht is op het stimuleren van levenslang en levensbreed leren, en op het versterken van de aansluiting tussen enerzijds onderwijs, opleiding en vorming en anderzijds de arbeidsmarkt. Op 25 februari 2005 keurde de Vlaamse Regering op voorstel van vice-minister-president Frank Vandenbroucke en van Vlaams minister Bert Anciaux, een nieuwe drieledige structuur goed voor levenslang leren. •

• •

De beleidsbepaling gebeurt door het Ministerieel Comité Onderwijs, Vorming en Werk. Hierin zetelen de minister van Werk, Onderwijs en Vorming en de minister van Cultuur. De hoofdbevoegdheid voor het geïntegreerde beleid ligt bij de Minister van Werk, Onderwijs en Vorming. De minister van Cultuur heeft eveneens een bevoegdheid op het vlak van vorming, meer bepaald in zake sociaalcultureel werk. De beleidsondersteuning gebeurt door een, nieuw op te richten, interdepartementale structuur. De departementen Onderwijs en Vorming, Werk en Cultuur zijn daarbij betrokken. De beleidsuitvoering gebeurt in eerste instantie door DIVA, voor de volwasseneneducatie, en door de Regionale Technologische Centra (RTC), voor de lokale afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Prioritaire beleidsacties voor de interdepartementale stuurgroep zijn: •

•

Beleid ontwikkelen voor een eenduidige en vlotte certificering en kwalificatie o Opmaak en toepassen van een kwalificatiestructuur o Valorisatie van elders verworven competenties (EVC) uit zowel niet-formele als formele leeromgevingen: o.a. verdere uitvoering geven aan het decreet rond titel van Beroepsbekwaamheid en afstemming i.k.v. de werkprocedures die hiervoor worden ontwikkeld, mogelijkheden en knelpunten onderzoeken bij de afstemming tussen standaarden en beroepsgerichte specifieke eindtermen, stimuleringsbeleid EVC ontwikkelen (Europass, ECVET, …) o Regie en monitoring van de opleidingsmarkt: uitwerken van een kwaliteitswaarborgingssysteem voor de opleidings-en vormingsmarkt, bepalen van prioriteiten in instrumentontwikkeling (vb. uitbreiding van de wordwatjewil-databank naar de bredere opleidingsmarkt) Garanderen van werkervaring o Centra leren en werken: ontwikkeling van concept en structuur, opvolgen van het implementatieplan en van de effecten o Werkplekleren: vereenvoudigen van de systemen en ontwikkelen van een beleid voor kwaliteitsverbetering van de stages, stagedatabank, ontwikkelen van een faciliterend beleid rond de organisatie van leerkrachten- en opleidersstages in het beroepsgericht onderwijs en vorming

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 147


Het ontwikkelen van een gericht beleid rond de sectorconvenants en een nauwgezette opvolging ervan Realiseren van afstemming tussen de actoren betrokken bij de relatie tussen enerzijds onderwijs, vorming, opleiding en anderzijds arbeidsmarkt o Coördinatie en opvolging van het plan geletterdheid: stimuleren van geletterdheidtraining op de werkvloer, screeningsinstrument voor geletterdheid van werkzoekenden, sensibiliseringscampagne o Coördinatie en opvolging van het strategisch plan hulp- en dienstverlening gedetineerden (luik onderwijs en vorming) o Stimuleringsbeleid levenslang en levensbreed leren, inclusief marketing, lokale partnerschappen, leerwinkels (werkwinkels en bibliotheken), communicatie en sensibilisatiecampagnes (bepalen van accenten, doelgroepen, prioriteiten, prijszetting, budget), regionale partnerschappen o Bepaling van beleidsprioriteiten in de afstemming tussen de publieke opleidingsverstrekkers voor het uitwerken van een transparant en behoeftedekkend aanbod o Beleid ontwikkelen rond deskundigheidsbevordering van de opleiders (opvolgen van het experiment 'opleiding van opleiders') o Een beleid ontwikkelen rond contractonderwijs- en opleiding o Uitbouwen van een beleid voor vormings- en loopbaanbegeleiding o Een beleid voor de flexibilisering van de leertrajecten ontwikkelen: modulaire opleidingen, gecombineerde opleiding o

•

b) DIVA (Dienst informatie, vorming en afstemming) DIVA is opgericht op 31 maart 2003 en gegroeid uit de vroegere Edufora. In de nieuwe drieledige structuur voor levenslang leren, goedgekeurd op 25 februari 2005 (zie [7.2.1.], werd het takenpakket beperkt tot beleidsuitvoering. De nieuwe DIVA heeft het karakter gekregen van een vzw-structuur, waarin de VDAB, SYNTRA-Vlaanderen, SoCiuS en de netten (als verantwoordelijken voor het volwassenenonderwijs) zetelen. De opdracht van de nieuwe structuur DIVA vzw is: • • •

het realiseren van afstemming en samenwerking tussen de publieke opleidings-verstrekkers; met het oog op een verhoging van de participatie van volwassenen aan levenslang en levensbreed leren; door meer transparantie, efficiëntie en sensibilisatie.

Prioritaire acties zijn: • • •

• • • • • • • •

afwerken, opvolgen en optimaliseren van vormingsdatabank; afwerken en implementeren van stagedatabank; afwerken en evalueren van Edubell-behoeftenonderzoek; o EDUBELL is een methodologie (uitgewerkt door het Centrum voor Sociale en Beroepspedagogiek van de K.U.Leuven) voor de regionale detectie van educatieve behoeften aan levenslang en levensbreed leren, zie: o http://ppw.kuleuven.be/csbp/WatisEDUBELL.PDF o http://www.socius.be/modules/indexnews_article.php?rubriek=6&article=1230 beheren van het Nationaal Europass Centrum Vlaanderen; uittekenen en inzetten van samenwerking over e-leren; in kaart brengen van kostenstructuren van de partners; promotie en evaluatie van opleiding opleiders Volwassenen; ontwikkel- en ervaringsplatform voor beoordelingsinstanties EVC in functie van het uitreiken van de Titels van Beroepsbekwaamheid; becijferen van participatie van niet-werkende werkzoekenden; opvolgen van opportuniteiten tot deelname aan het plan geletterdheid; actualiseren van het sensibilisatieplan.

Voor de databanken wordwatjewil en Europass, zie • •

http://www5.vdab.be/vdab/online/europass/ http://www.wordwatjewil.be

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 148


Het beleidsdocument "Naar een geïntegreerd beleid voor onderwijs, vorming en werk: organisatie en acties" is te raadplegen op de website van DIVA, onder documenten, zie http://diva.vlaanderen.be c) Naar een nieuw decreet op het volwassenenonderwijs In de conceptnota 'Nieuw decreet op het volwassenenonderwijs' tekent de minister van Werk, Onderwijs en Vorming, Frank Vandenbroucke, een nieuwe structuur uit voor samenwerking tussen de centra voor volwassenenonderwijs (CVO's) en voor basiseducatie (CBE's). Meteen wordt ook de sterk uitgebreide missie van het volwassenenonderwijs geschetst. • • • • • • •

De mogelijkheid bieden een beroep te leren of er zich in te specialiseren, zich om te scholen, de algemene kennis te verbreden of vaardigheden te leren die gewoon nuttig zijn voor de zelfredzaamheid op diverse vlakken van het dagelijks leven (zowel op niveau secundair als tertiair onderwijs). De mogelijkheid creëren om een volwaardig diploma SO te behalen – tweedekansonderwijs (TKO) of diplomatrajecten op het niveau van het SO. Inrichten van basiseducatie i.f.v. het verhogen van geletterdheidsvaardigheden en het maatschappelijk functioneren. Intakeprocedures en trajectbegeleiding van de cursist. Fungeren als regionale examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, zodat cursisten vlotter een erkend studiebewijs kunnen behalen. Het voeren van een doelgroepenbeleid zowel op vlak van het aanbod als op vlak van didactische en pedagogische benadering. (inz. voor anderstaligen en gedetineerden). Validatie van elders verworven competenties (EVC) in functie van vrijstellingen en intake- en trajectbegeleiding.

Om het volwassenenonderwijs slagkrachtiger te maken acht de minister schaalvergroting noodzakelijk. Hij denkt hierbij aan een fusie tussen CBE's tot één CBE per regionaal consortium, en bij CVO's aan samenwerkingsverbanden per regio. Daarbij zouden 14 regionale consortia volwassenenonderwijs worden gecreëerd. Regionale vzw's waarin de besturen van de centra in de regio zich verenigen tot consortia. De centra zouden dan dezelfde basisfinanciering ontvangen voor onderwijzend, bestuurs- en administratief personeel. De werkzaamheden van het Vlaams ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) zouden worden geïntegreerd in een Vlaams ondersteunings- en kenniscentrum voor het volwassenenonderwijs (OKC) en beheerd worden door de consortia. De toekomstige opleidingenstructuur zou ook volledig modulair worden. De combinatie van meerdere modules binnen een goedgekeurd leertraject zou een opleiding vormen. Een module bevat een zinvol en coherent geheel van basiscompetenties en ontwikkelingsdoelen. Elke module wordt bekroond met een deelcertificaat die per opleiding kunnen gekapitaliseerd worden tot certificaten, die worden opgenomen in een overkoepelende kwalificatiestructuur. Binnen de beroepsopleidingen moet elk uitgereikt certificaat minstens toegang geven tot één beroep. d) 'Huizen van het Nederlands' als draaischijven voor Nederlands als 2e taal Sinds november 2002 brengen 7 experimentele 'Huizen van het Nederlands' het volledige aanbod Nederlands Tweede taal (NT2) in hun werkingsgebied in kaart, evenals de noden van anderstaligen op zoek naar een cursus. Na een professionele en eenvormige intakeprocedure, oriënteren zij de anderstaligen naar het meest geschikte cursusaanbod Nederlands. Analfabeten worden doorverwezen naar een CBE. Dankzij een speciaal hiertoe ontwikkeld cursistenregistratiesysteem informeren zij de overheid over de bestaande behoeften, eventuele wachtlijsten, doorstroming en uitval. Alle Centra voor Basiseducatie (CBE's), centra voor volwassenenonderwijs, VDAB-centra, Syntra, universitaire talencentra, provinciale overheden, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de stedelijke overheden van Antwerpen en Gent zetelen als partners in de Huizen van het Nederlands. In 2005 werd hun werking wettelijk verankerd en het aantal uitgebreid tot 8. In elke provincie is er nu een Huis, net als in de steden Antwerpen, Brussel en Gent. Daarmee zijn de huizen net zo verspreid als de onthaalbureaus (voor immigranten) waarmee ze nauw zullen samenwerken voor de inburgering van anderstalige nieuwkomers. Een Huis van het Nederlands kan slechts worden erkend en gesubsidieerd indien het wordt ingericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. Hun doelstelling is het optimaliseren van de dienstverlening t.a.v. anderstaligen die aan de voltijdse leerplicht voldaan hebben en die Nederlands willen leren gericht op sociale, professionele of educatieve redzaamheid.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 149


Relevente wetgeving • • •

Decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S.19/11/2004). Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 2005 (houdende inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S. 20/07/2005). Besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 2005 betreffende de Huizen van het Nederlands (B.S. 16/09/2005).

http://www.ond.vlaanderen.be/permanente_vorming/huizen.htm e) Strategisch Plan Geletterdheid Eind juni 2005 heeft de Vlaamse Regering een 'Strategisch Plan Geletterdheid' goedgekeurd. Het bevat 35 acties waarin heel wat partners betrokken worden: de opleidingsverstrekkers (VDAB, SYNTRA, Centra voor Basiseducatie (CBE's) en Centra voor Volwassenenonderwijs en het leerplichtonderwijs), de VDAB, de werkgevers en werknemers en welzijnsorganisaties. Er zijn 10 doelstellingen gesteld. •

• • • • •

•

• • •

Uitwerken van een operationele definitie van geletterdheid (taal, wiskunde en ICT) op basis van inzichten uit relevant internationaal onderzoek (IALS, Life Skills, referentiekader Nederlandse Taalunie, referentiekader Raad van Europa). Deze operationele definitie moet toelaten het gebruik van screeningsinstrumenten te richten naar de prioritaire groepen. Toepassen van een quickscaninstrument voor detectie van geletterdheidrisico bij werkzoekenden (ontwikkeld door het VOCB en de VDAB) en van een instrument voor plaatsing in leertrajecten in de Centra voor Basiseducatie (CBE's). Ontwikkelen van een instrument voor diepgaande screening van geletterdheid, te gebruiken voor plaatsing in onderwijs en vorming en in het lokaal of regionaal sociaal beleid. Meer optimaal aanwenden van bestaande instrumenten in het werkgelegenheidbeleid en van de financiële mogelijkheden in Europese programma's en acties voor kansengroepen. Geïntegreerde opleidingstrajecten uitbouwen rekening houdende met het geletterdheidniveau van de cursist. Met nog meer samenwerking tussen de Centra voor Basiseducatie (CBE's) en de beroepsopleidingen van o.m. OSP, ondernemersvorming (SYNTRA) en VDAB. Stimuleren op vlak van welzijn en sociaalcultureel werk. o Opname van doelstellingen en acties van het geletterdheidplan in het Vlaams actieplan armoedebestrijding, o Inschakeling in acties en projecten van ervaringsdeskundigen in armoede en sociale uitsluiting; o Stimulering van laagdrempelige initiatieven, o Sensibilisering van organisaties in het sociaalculturele werk voor geletterdheid en de mogelijkheden voor een geïntegreerde aanpak, o Integratie van geletterdheidtraining in nieuw uit te werken initiatieven voor kansengroepen in het sociaalcultureel werk. Flexibiliseren en optimaliseren van het onderwijsaanbod in de basiseducatie met verhoging van het rendement en verkleining van het cultuurverschil tussen de Centra voor Basiseducatie (CBE's) en de andere opleidingsverstrekkers. Grotere aandacht voor het geletterdheidprobleem in de lerarenopleiding. aanwending van de mogelijkheden van het alternerend leren en de bedrijfsstages voor geletterdheidtraining. Differentiatie van de acties naar de verschillende (risico)doelgroepen zoals de IALS studie aanwijst: jonge schoolverlaters, langdurig werklozen, senioren, kansarmen. Opzetten van schoolprojecten in gewone onderwijs en mogelijke inzet van lokale overlegplatforms (in het kader van het GOK-decreet) voor gecoördineerde acties. Communicatie- en sensibiliseringsacties naar het brede publiek en naar de verschillende actoren die met het geletterdheidprobleem geconfronteerd worden; gekoppeld aan de algemene sensibilisering in verband met levenslang leren. Momenteel loopt de campagne 'Word wat je wil'.

f) Titels van beroepsbekwaamheid De regering wil meer mensen 'titels van beroepsbekwaamheid' laten verwerven. Met deze titel kunnen mensen officieel bewijzen dat ze hun beroep helemaal onder de knie hebben. Ook al hebben ze het niet op de schoolbanken geleerd. •

De titel van beroepsbekwaamheid is het bewijs uitgereikt door een bevoegde instantie nadat een procedure van herkenning, beoordeling en erkenning heeft plaatsgevonden waarbij vastgesteld werd dat de betrokken persoon beschikt over de ten aanzien van een bepaald beroep of deelberoep vastgelegde competenties.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 150


• •

Wordt als een titel van beroepsbekwaamheid beschouwd : elk erkend studiebewijs dat de ten aanzien van een bepaald beroep of deelberoep vastgelegde competenties omvat. Diploma's, mede afgeleverd op grond van het voldoen aan de specifieke eindtermen die ontwikkeld werden uit een bepaald beroepsprofiel, worden te allen tijde geacht ten minste de ten aanzien van het betrokken beroep of deelberoep vastgelegde competenties te omvatten.

Onder de voorwaarden door de Vlaamse Regering bepaald wordt de titel van beroepsbekwaamheid in aanmerking genomen wanneer de betrokken persoon zich inschrijft voor een opleiding of vorming of als werkzoekende bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. In het jongste Vlaams Werkgelegenheidsakkoord hebben de sociale partners en de overheid afgesproken dat er in 2005 10 titels zouden uitgewerkt worden en vanaf 2006 elk jaar 15. Er worden extra financiële middelen vrijgemaakt voor het ontwikkelen van standaarden, die de basis vormen voor de titels, en voor de werking van de beoordelingsinstanties. Dit laat toe om de deelnamekost voor de kandidaten sterk te beperken. Voor werknemers zullen de kosten 100 euro bedragen (voor de helft betaalbaar met opleidingscheques). Voor zelfstandigen is het 50 euro. Werknemers en zelfstandigen uit kansengroepen betalen telkens de helft. Werkzoekenden en deeltijds leerplichtigen hoeven niets te betalen. Relevante wetgeving • • •

Besluit van de Vlaamse Regering van 25 november 2005 tot bepaling van de beroepen waarvoor een titel van beroepsbekwaamheid kan worden uitgereikt (B.S. 29/12/2005). Besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (B.S. 30/11/2005). Decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid (B.S. 26/11/2004).

Nu gaan we nader in op specifieke ontwikkelingen per opleidingssoort.

7.2.1. OSP – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Er is een nieuw decreet in voorbereiding dat alle opleidingen wil modulariseren. Nu reeds zijn heel wat opleidingen gemodulariseerd (zie ook [7.10.11.]). Op dit moment is de inspectie VWO druk doende (op vraag van het Kabinet) om het aantal afstudeerrichtingen in het secundair volwassenenonderwijs drastisch uit te breiden. Dat betekent dat wellicht met ingang volgend schooljaar de volwassen cursisten een ruim aanbod krijgen waarmee ze algemene vorming kunnen combineren om zo tot een volwaardig diploma secundair onderwijs te komen (zie ook [7.10.1.1.]).

7.2.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen BIS staat voor een aantal belangrijke uitdagingen. Om zijn rol als overheidsdienst en aanbieder van afstandsonderwijs binnen het Vlaamse onderwijslandschap beter te vervullen worden visie en missie opnieuw gedefinieerd. Uitgangspunten daarbij zijn een duidelijk doelgroepenbeleid en een betere samenwerking met andere onderwijsverstrekkers. Het nieuwe decreet op het volwassenenonderwijs, anno 2006 in de maak, zal de plaats van BIS de komende jaren bepalen.

7.2.3. Basiseducatie – actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Momenteel lopen verschillende ontwikkelingsprojecten. •

•

Een project van samenwerking met het sociaalcultureel vormingswerk, meer bepaald de volkshogescholen (Vormingplus-centra). Deze samenwerking tussen VOCB en Socius kadert binnen de doelstellingen van het Strategisch Plan Geletterdheid (van de Vlaamse regering) (zie 7.2.4), de beleidsopties van het departement Onderwijs, waarbij veel nadruk gelegd wordt op het levensbrede leren, en de beleidsopties van het departement Cultuur, waarbij volkshogescholen zich uitdrukkelijk ook tot kansengroepen moeten wenden, Een project rond het gebruik van eenvoudige taal (inz. kranten in een eenvoudige taal), binnen het kader van het Europees project Grundtvig Vlaanderen (GRU 2: European Learning Partnership on easy-toread and plain language)

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 151


• •

Een project rond sleutelcompetenties. Meer bepaald het evalueren van 'eigen leren en presteren verbeteren', 'omgaan met problemen' en 'omgaan met numerieke gegevens' Een project ter verbetering van de doorstroming van cursisten uit de basiseducatie naar de centra voor volwasseneneducatie.

De verdere implementering en evaluatie van de modulaire opleidingen is een belangrijk actueel aandachtspunt. Via de activiteiten van vakgroepen wordt de implementering van de modulaire opleidingen inhoudelijk ondersteund. De inspectie volwassenenonderwijs is in september 2004 gestart met een kwalitatief onderzoek naar de organisatie van de modulaire opleidingen in de Centra voor Basiseducatie (CBE's).

7.2.4. Beroepsopleiding VDAB - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen De beheersovereenkomst en het meerjarenondernemingsplan van VDAB voor de periode 2005-2009 omvat voor de beroepsopleiding onder meer de volgende ontwikkelingen. In uitvoering van het VDAB-decreet van 7 mei 2004 en de compartimentering van de VDAB zoals bepaald in het Vlaams Regeerakkoord 2004-2009 wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de regie- en de actoropdrachten van VDAB, en dit zowel beheersmatig, budgettair als managementmatig. Dit houdt in dat vanaf april 2006 het Beheerscomité van VDAB twee werkgroepen heeft waaronder een werkgroep Competentiecentra (bestaande uit afgevaardigden van de sectoren en anderen). In de loop van 2006 wordt tevens een nieuw management operationeel met een 3 directies : Competentiecentra, Arbeidsmarktregie, Functionele Ondersteuning. Na een experimentele start in 2002 en de omvorming van de VDAB-centra voor beroepsopleiding in competentiecentra in 2003 worden deze centra als belangrijke pijler van de VDAB-dienstverlening geconsolideerd. De uitbouw van de competentiecentra sluit aan bij de Vlaamse en Europese doelstellingen van een Leven Lang Leren om alle actieven op de arbeidsmarkt te begeleiden en hen kansen te geven om competenties te verwerven. De gekende vaktechnische opleiding (competentie-ontwikkeling) werd in deze competentiecentra aldus aangevuld met informatie over de arbeidsmarkt (infotheken), loopbaanbegeleiding, gespecialiseerde screening en certificering van competenties. Met zijn competentiebeleid wil VDAB werkzoekenden en werknemers laten 'evolueren' in functie van hun elders verworven competenties en hun competenties toetsen aan competenties die in een vacature worden gevraagd. De sectorale aansturing en inbedding van deze centra moet borg staan voor een nauwe aansluiting van het competentie- en opleidingsbeleid bij de sectorale ontwikkelingen. De verdere ontwikkeling van de VDAB-competentiecentra gebeurt volgens de volgende krachtlijnen: • • • • • •

nauwere en gestructureerde samenwerking met sectoren; gecoördineerde uitvoering van de afspraken voortvloeiende uit de sectorconvenanten; zich inschakelen in de uitvoering van het decreet " titels van beroepsbekwaamheid" en in de ruimere EVC-procedures; integratie van de opleiding basisvaardigheden ICT; afstemming met de andere publieke opleidingsactoren en onderwijsinstellingen via DIVA; uitbouw van virtuele dienstverlening en mengvormen van leren en leermethodes ter flexibilisering van de leerpaden in functie van talentontwikkeling in de professionele loopbaan.

Ingevolge de beheersovereenkomst moet de VDAB een oververtegenwoordiging van de volgende kansengroepen in zijn aanbod bereiken: allochtonen, arbeidsgehandicapten, ouderen, kortgeschoolden. Dit impliceert dat de competentiecentra hun processen op methodologisch vlak aan deze nieuwe klanten zullen aanpassen met focus op een gepaste kanalenmix. Nagestreefde innovaties houden o.a. in mulitculturele leeromgevingen creëren d.m.v. zelfcoachende cursistenteams, remediërende opleidingen voor volwassenen met leerproblemen, expertise-opbouw inzake cultuurneutraal test- en leermateriaal.

7.2.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Geen specifieke ontwikkelingen, zie [7.1.5.].

7.2.6. DKO - actuele discussies en nieuwe ontwikkelingen Geen specifieke ontwikkelingen, zie [7.1.5.].

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 152


7.2.7. Landbouwvorming - actuele tendensen De centra voor landbouwvorming worden gestimuleerd tot het ontwikkelen van innovatieve vormingsprojecten die nieuwe leermethoden toepassen die gebruik maken van Internet (e-learning). In 2005 werden e-learningprojecten opgestart over internet, virtuele vergaderingen, veiligheid en preventie, een interactieve ondernemerschapsacademie, online teeltregistratie en waarschuwingsberichten en gewasbescherming.

7.2.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - actuele tendensen Het decreet van 2003 voorziet in een evaluatie van de situatie van de verenigingen van migranten in 2008 (zie 7.5.8) en een globale evaluatie van de regelgeving tegen juni 2005. Op basis van deze globale evaluatie worden het decreet en het uitvoeringsbesluit (zie 7.3.8) in 2006 beperkt bijgestuurd. De belangrijkste aanpassingen zijn de verlenging van de duur van de beleidsperiodes tot 5 jaar en de verduidelijking van de wijze waarop de administratieve overheid en de organisaties zelf de realisatie van de beleidsplannen zullen evalueren. In het decreet wordt ook een nieuwe evaluatie in 2007 ingeschreven. Deze evaluatie kan leiden tot eventueel nieuwe aanpassingen, waarmee de organisaties rekening zullen moeten houden bij het opmaken van een beleidsplan voor de volgende beleidsperiode (2010-2014). In het kader van het project 'Beter Bestuurlijk Beleid' smelten de Afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk en de Afdeling Jeugd op 1 april 2006 samen tot het IVA (Intern Verzelfstandigd Agentschap) 'Sociaalcultureel werk voor Jeugd en Volwassenen'. Dit agentschap staat voortaan in voor de uitvoering van het beleid inzake sociaalcultureel volwassenenwerk, jeugdwerk, amateurskunsten en lokaal cultuurbeleid. Het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media staat in voor de voorbereiding, de opvolging en de evaluatie van het beleid. Op 20 februari 2006 maakte de bevoegde minister een 'Vlaams Actieplan Interculturaliseren van en voor Cultuur, Jeugdwerk en Sport ' bekend. Dit plan houdt onder meer in dat het steunpunt SoCiuS en de volkshogescholen hun besturen en personeelsbestanden etnisch-cultureel divers moeten samenstellen. De notie 'interculturaliteit' wordt ook als beoordelingscriterium ingeschreven voor alle werksoorten. Dit wil concreet zeggen dat de organisaties in hun beleidsplan moeten verduidelijken hoe ze zich positioneren ten opzichte van dit criterium en duidelijk maken dat ze op zijn minst hebben nagedacht over 'interculturaliteit'.

7.3. Wettelijk kader We behandelen achtereenvolgens: • • • • • • • •

1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) 2 Begeleid individueel studeren (BIS) 3 Basiseducatie 4 Beroepsopleiding VDAB 5 Ondernemersvorming SYNTRA 6 Deeltijds kunstonderwijs (DKO) 7 Landbouwvorming 8 Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.3.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - wettelijk kader • •

• • •

De Wet van 7 juli 1970 introduceerde het begrip Onderwijs voor Sociale Promotie. Het decreet van 2 maart 1999 regelt het Onderwijs voor Sociale Promotie met betrekking tot de opdracht van het onderwijs, de indeling van het onderwijs en de programmatieregels, het onderwijsaanbod, de toelatingsvoorwaarden, de examens en studiebekrachtiging, de financiering of subsidiëring, de benoemings- en bezoldigingsvoorwaarden van het personeel, en de terugvorderingen en sancties. Sinds het Decreet van 2 maart 1999 heten de instellingen voor het Onderwijs voor Sociale Promotie: Centra voor Volwassenenonderwijs, afgekort 'CVO's' Na dit decreet volgden er heel wat besluiten. Besluit van de Vlaamse regering van 10 januari 2003 wijzigt meer specifiek de vaststelling van de vakken en de indeling van de vakken in het secundair onderwijs voor sociale promotie. Besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 heeft betrekking op de programmatie in het secundair volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2003-2004. Besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2003 wijzigt de structuur in het hoger onderwijs voor sociale promotie.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 153


• • • • • • •

Besluit van de Vlaamse regering van 30 april 2004 betreffende structuurwijzigingen in het HO voor sociale promotie. Besluit van de Vlaamse regering van 16 april 2004 houdende de vaststelling van de modellen van de studiebewijzen in het OSP en de modaliteiten voor uitreiking van de studiebewijzen door de centra voor volwassenenonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 17 september 2004 betreffende de omvorming van sommige afdelingen van het HO voor sociale promotie naar de bachelor-masterstructuur van het HO in Vlaanderen. Besluit van de Vlaamse regering van 18 november 2005 betreffende de modulaire structuur van het OSP (een hele reeks verschillende besluiten). Omzendbrief PV/2004/03 organisatie van het OSP. Omzendbrief PV/2005/05 Personeelsaangelegenheden in het OSP. Omzendbrief PV/2005/04 de modulaire structuur van het SO voor sociale promotie.

7.3.2. BIS - wettelijk kader • • •

Decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de delegatie van sommige bevoegdheden inzake onderwijs aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 tot regeling van een aantal aangelegendheden van het Begeleid Individueel Studeren.

7.3.3. Basiseducatie – wettelijk kader • • • • •

Decreet van 12 juli 1990 houdende regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. Besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 1990 ter uitvoering van het decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2005 tot uitvoering van artikelen 3, 5, 6 en 6bis, van het decreet houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen. Omzendbrief PV/2005/03 Organisatie van het onderwijs in de centra voor basiseducatie.

7.3.4. Beroepsopleiding VDAB - wettelijk kader • • •

Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding. Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers. VDAB-decreet van 7 mei 2004.

7.3.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - wettelijk kader Het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen (een EVA, extern verzelfstandigd agentschap) werd: • • • •

gecreëerd door het Decreet van 7 mei 2004; in uitvoering van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003; geconcretiseerd door het Organisatiebesluit van 3 juni 2005; onder de bevoegdheid gebracht van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming door het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005.

Een gedetailleerd overzicht van de relevante wetgeving vindt men op de website van SYNTRA. Volgende besluiten hebben betrekking op de vorming: Leertijd - basisbesluit Ondernemersopleiding - basisbesluit Voortgezette vorming - basisbesluit

Vlaams Eurydice rapport 2006

Besluit Vlaamse regering 24 juli 1996 Besluit Vlaamse regering 23 februari 1999 Besluit Vlaamse regering 4 april 2003

7 Permanente vorming / 154


7.3.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO – wettelijk kader • • • • • • •

Decreet van 31 juli 1990 (Onderwijsdecreet II). Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende Kunst". Idem, voor "Muziek, Woordkunst en Dans". Het Besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1996 houdende de oprichting en samenstelling van de afdeling Deeltijds Kunstonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad. Het Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002, bepaalt het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar. Omzendbrief ond/13ea/SBT 2001/05 (flexibelere leertrajecten, actualisering studieaanbod, meer autonomie directies). Omzendbrief PV/2002/7 bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs.

7.3.7. Landbouwvorming – wettelijk kader • • •

Decreet van 3 maart 2004 inzake de subsidiëring van meer duurzame landbouwproductiemethoden en de erkenning van centra voor meer duurzame landbouw. Besluit van de Vlaamse regering van 4 juni 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector. Ministerieel besluit van 12 juli 2004 betreffende de toekenning van subsidies voor naschoolse opleidingsinitiatieven in de landbouwsector.

7.3.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - wettelijk kader • • •

Decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaalcultureel volwassenenwerk. Besluit van de Vlaamse regering van 13 juni 2003 houdende uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaalultureel volwassenenwerk. Decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkelingswerk (FOV-decreet).

Het decreet beperkt zich tot het sociaalcultureel werk voor volwassenen. Het nieuwe decreet regelt hoe de sector sociaalcultureel volwassenenwerk vanaf 2004 georganiseerd is, welke werksoorten erkend en gesubsidieerd kunnen worden en aan welke voorwaarden ze moeten voldoenHet ministrieel besluit van 16 mei 1999 bepaalt de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging in het bestaande studieaanbod in het deeltijds kunstonderwijs en de infrastructuurvereisten voor de studierichting dans in het deeltijds kunstonderwijs.

7.4. Algemene doelstellingen We behandelen achtereenvolgens: • • • • • • • •

1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) 2 Begeleid individueel studeren (BIS) 3 Basiseducatie 4 Beroepsopleiding VDAB 5 Ondernemersvorming SYNTRA 6 Deeltijds kunstonderwijs (DKO) 7 Landbouwvorming 8 Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.4.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – algemene doelstellingen Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten sociale promotie: • •

verticale promotie of het vervolmaken van secundair of hoger onderwijs, horizontale promotie, namelijk aanvullende opleidingen en/of herscholing voor personen die tewerkgesteld zijn in de industrie of andere sectoren van het beroepsleven.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 155


Het decreet van 2 maart 1999 bepaalt dat het Onderwijs voor Sociale Promotie tot opdracht heeft aan de cursisten kennis, vaardigheden en attitudes bij te brengen, nodig voor het maatschappelijk functioneren, het deelnemen aan verder onderwijs, de uitoefening van een beroep of het beheersen van een taal. Het Onderwijs voor Sociale Promotie heeft tevens de opdracht de cursist in staat te stellen een erkend studiebewijs te behalen. Het hoofddoel van het Onderwijs voor Sociale Promotie is in de eerste plaats het verschaffen van basisopleidingen en beroepsgerichte herscholing, en in de tweede plaats het bevorderen van sociale integratie. Meer concreet kunnen de doelstellingen van het Onderwijs voor Sociale Promotie als volgt samengevat worden:

• • • •

De kans bieden om een erkend studiebewijs te behalen. De kans bieden om je in je vak bij te scholen of te vervolmaken. De talenkennis van de bevolking vergroten. Kansen bieden voor persoonlijke ontplooiing en maatschappelijke integratie.

7.4.2. Begeleid Individueel Studeren - algemene doelstellingen BIS biedt cursisten de kans om kennis en vaardigheden te verwerven in een bepaald vakgebied. Dit kan gebeuren uit persoonlijke interesse of als voorbereiding op examens, georganiseerd door onderwijsinstellingen of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Een aantal cursussen bereiden voor op examens van het openbaar ambt. Cursussen worden schriftelijk en/ of online aan cursisten ter beschikking gesteld. BIS is gebaseerd op het principe van zelfstandig en individueel leren, los van plaats, tijd en tempo. Als een cursist dat wil wordt hij/ zij begeleid door een mentor.

7.4.3. Basiseducatie – algemene doelstellingen De basiseducatie is een educatieve voorziening voor laaggeschoolde en educatief achtergestelde volwassenen; het onderwijsaanbod is gericht op het aanleren en verbeteren van basiscompetenties die elementair zijn voor het functioneren in en het participeren aan de samenleving: • • • • •

Basisvaardigheden Nederlands Basisvaardigheden Wiskunde Basisvaardigheden ICT Maatschappijoriëntatie Initiatie (opstap) Frans en Engels – Richtgraad 1.1

Het decreet van 12 juli 1990 geeft aan de Centra voor Basiseducatie (CBE's) ook de mogelijkheid om activeringsen keuzebegeleidingsactiviteiten te organiseren. De basiseducatie heeft een dubbele functie. •

•

Enerzijds wordt een onderwijs- en vormingsaanbod ontwikkeld dat tegemoet komt aan de behoefte aan het verwerven van basisvaardigheden bij potentiële cursisten en dat een eigen finaliteit heeft. Er zijn cursussen die gericht zijn op sociale redzaamheid, op educatieve redzaamheid of op professionele redzaamheid. Anderzijds functioneert de basiseducatie als opstapvoorziening in functie van doorstroming naar andere vormings-, opleidings-, en onderwijsinitiatieven.

Bij het uitwerken van de opleidingen basiseducatie werden, naast de vakinhoudelijke doelen, ook sleutelcompetenties opgenomen. Dit zijn competenties die in alle handelingssituaties relevant kunnen zijn. Ze zijn binnen een schoolse context opleidingsoverschrijdend. We spreken dan concreet over communiceren, omgaan met numerieke gegevens, omgaan met informatietechnologie, samenwerken, keuzes uitvoeren, omgaan met problemen, eigen leren en presteren verbeteren.

7.4.4. Beroepsopleiding VDAB - algemene doelstellingen Het dienstenpakket van de VDAB omvat arbeidsbemiddeling, trajectbegeleiding, training en opleiding, loopbaanbegeleiding.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 156


Met betrekking tot competentie-ontwikkeling met het oog op de levenslange en duurzame inschakeling op de arbeidsmarkt staan drie belangrijke doelstellingen centraal: •

• •

het stimuleren, organiseren en bevorderen van de competentieontwikkeling en –erkenning van werkzoekenden inzonderheid door de inrichting van competentiecentra, de erkenning van de verworven competenties en de organisatie van opleidingen met als doel het verwerven van aangepaste competenties met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt; het verschaffen, organiseren en bevorderen van beroepsopleidingen en de bijhorende begeleiding van werkzoekenden en werknemers door, onder meer, het verzorgen van sollicitatietraining, van beroepsspecifieke opleiding, van persoonsgerichte vorming in opleidingscentra en/of op de werkvloer; het toekennen van tegemoetkomingen inzake opleiding met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt, inzonderheid het toekennen van opleidingscheques.

Krachtens een Besluit van de Vlaamse Regering van 21-12-1988 maken de opleidingen voor werknemers op vraag van de werkgever én de opleidingen voor individuele werknemers deel uit van het opleidingsaanbod van de VDAB . Sinds 2002 zijn de werknemersopleidingen op vraag van de werkgever betalend. De algemene doelstellingen, leerplannen en methoden hangen sterk samen en hangen af van het specifieke doel van een bepaalde opleiding of initiatief. Het opleidingsaanbod omvat: • • • •

opleidingen voor de secundaire sector, opleidingen voor de tertiaire economische sector, opleidingen voor de social profit, meer gespecialiseerde initiatieven voor werklozen.

7.4.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - algemene doelstellingen Het "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen" heeft als missie het waarborgen van een kwalitatief en specifiek vormingsaanbod aan jongeren en volwassenen die een professionele loopbaan ambiëren of verder willen uitbouwen in een zelfstandige onderneming of een kleine en middelgrote onderneming, teneinde meer en beter ondernemerschap mogelijk te maken als essentiële factor in de sociaaleconomische ontwikkeling in Vlaanderen. Het opleidingsaanbod van het SYNTRA-netwerk is gebaseerd op drie basisprincipes:

het aanbieden van permanente vorming met opeenvolgende niveaus en mogelijkheden; het systeem van alternerend leren, waarbij studeren afgewisseld wordt met werken; de modulaire organisatie van het aanbod, waarbij men zelf de opleiding samenstelt volgens het eigen niveau en de eigen opleidingsbehoeften.

Sinds eind 2005 is het VIZO door de Vlaamse Regering ook aangesteld als "Regisseur Leren Ondernemen". "SYNTRA Vlaanderen zal instaan voor een brede kennisvergaring rond het opleidings- en vormingsgebeuren m.b.t. ondernemerschap. Een gestructureerd overzicht van info moet leiden tot kwaliteitsverbetering en moet het mogelijk maken om lacunes op te sporen en aan te pakken, zowel voor het beleid als relevante spelers op het terrein." ("Samen voor meer banen": Een Vlaams Meerbanenplan, januari 2006, p. 14). Ook het uitwerken van een doelgroepenbeleid is onderdeel van de Regie Leren Ondernemen.

7.4.6. Deeltijds kunstonderwijs – algemene doelstellingen Het deeltijds kunstonderwijs komt tegemoet aan de algemene kunstzinnige belangstelling van de cursist, biedt de mogelijkheid tot voeding van zijn artistieke ambities of kan instaan voor een professionele vorming, met kansen in het beroepsleven. De doelstellingen zijn drieledig: kunst zelf beoefenen, kunst leren ontdekken en jongeren voorbereiden op het hoger kunstonderwijs.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 157


7.4.7 Landbouwvorming - algemene doelstellingen De vormingsactiviteiten zijn bestemd voor verschillende doelgroepen. Alle opleidingen (behalve vervolmaking): • • • • • •

de zelfstandige bedrijfshoofden (in hoofd- of nevenberoep) van een land- of tuinbouwbedrijf, hun medewerkende gezinsleden, zelfstandige helpers en landbouwwerknemers; de werknemers van bedrijfsverzorgingsdiensten in de landbouwsector; de loonwerkers, bloemisten, tuinaannemers en hun meewerkende gezinsleden en werknemers; de werknemers van groendiensten van openbare besturen; de erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en de erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouw; de imkers.

Startersopleidingen: • • •

alle voornoemde deelnemers; de personen die zich voorbereiden om in hoofd- of nevenberoep te gaan werken in de landbouwsector, of die zich voorbereiden op een bedrijfsaanpassing, een omschakeling of een diversifiëring binnen de landbouwsector; de personen die kandidaat zijn om erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouwsector te worden.

Korte vormingsactiviteiten bestemd voor hobbylandbouwers: •

personen die landbouwactiviteiten als hobby uitoefenen

Vervolmakingsdagen: •

de lesgevers die in de naschoolse landbouwvorming actief zijn.

7.4.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk- algemene doelstellingen Het sociaalcultureel volwassenenwerk heeft drie gemeenschappelijke algemene doelstellingen, namelijk bijdragen tot de evenwichtige ontplooiing van ieder individu als actieve participant in de samenleving; mensen via niet-formele educatie stimuleren in de ontwikkeling van competenties (bijv. op het vlak van maatschappelijke integratie, actief burgerschap, …); en ten slotte werken aan de zingeving en emancipatie van mensen en zo bijdragen tot cultuuropbouw, tot maatschappelijke integratie en tot de realisatie en de versteviging van een democratische samenleving.

7.5. Soorten instellingen We behandelen achtereenvolgens: • • • • • • • •

1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 158


7.5.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – soorten instellingen Het Onderwijs voor Sociale Promotie wordt verstrekt door erkende en gefinancierde of gesubsidieerde centra voor volwassenenonderwijs (CVO's). Aantal centra in Vlaanderen (schooljaar 2004-2005): - centra die SO aanbieden - centra die HO aanbieden Totaal aantal

108 62 120

7.5.2. Begeleid Indidvidueel Studeren (BIS) – soorten instellingen BIS valt onder het onderwijsdienstencentrum Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs van het Ministerie van onderwijs en vorming van de Vlaamse Gemeenschap. http://www.bis.vlaanderen.be/

7.5.3. Basiseducatie – soorten instellingen Op dit ogenblik worden er 29 centra voor basiseducatie (CBE's) erkend en betoelaagd. De centra zijn onafhankelijke pluralistische instellingen, gestructureerd als privaatrechtelijke organisaties. Een doorgedreven fusie van de centra naar grotere regionale entiteiten wordt voorbereid. Naast de Centra voor Basiseducatie (CBE's) werd door de Vlaamse Regering in 1990 het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Basiseducatie (VOCB) opgericht. Het centrum heeft een specifieke ondersteunings- en ontwikkelingsopdracht. De centra worden jaarlijks erkend voor een welbepaald aantal deelnemersuren (d.w.z. een bepaald volume van educatief werk met een aantal cursisten). De erkenningsdrempel voor Centra voor Basiseducatie (CBE's) werd decretaal vastgelegd op 12.000 deelnemersuren. Door de toegenomen belangstelling voor de basiseducatie beschikken de kleinere centra echter sinds januari 1996 feitelijk over een minimale erkenning van 15.000 deelnemersuren. Grote centra als Gent, Antwerpen en Brussel hebben een erkenning van 50.000 à 90.000 deelnemersuren (VOCB, http://www.vocb.be, 2004). Na de spectaculaire groei in het werkjaar 2001-2002 (+ 24,39 % t.o.v. 2000-2001) daalde het aantal cursisten in de basiseducatie in het werkjaar 2002-2003 (- 6,54 % t.o.v. 2001-2002) voor het eerst. De verschillende onderwijsnetten en de verschillende soorten organisaties (OSP, socio-culturele vorming,...) participeren in de beheersorganen van de lokale centra. • • •

Centra voor basiseducatie: http://www.basiseducatie.be/ Ondersteuningscentrum: VOCB : http://www.vocb.be/ Belangengroep centra: Federatie Centra Basiseducatie: http://www.basiseducatie.be/

7.5.4. Beroepsopleiding VDAB - soorten instellingen Het grootste deel van de VDAB-opleidingen vinden plaats in de eigen centra van de VDAB. De VDAB heeft 68 opleidingscentra, verspreid over Vlaanderen, met zo'n 700 instructeurs. Over het hele land zijn er ongeveer 400 afdelingen die een hele reeks beroepen beslaan in de bouwnijverheid, metaalnijverheid, transportindustrie, grafische industrie, houtindustrie, textielindustrie,... Voorts kunnen opleidingen ook plaatsvinden in de ondernemingen zelf die vragende partij zijn voor de opleiding. Met webleren gebeurt het leren thuis of op de werkplek en is het cursusmateriaal 24 uur op 24 online ter beschikking Van maandag tot en met vrijdag tussen 16.00u en 22.00u geeft een onlinecoach feedback. http://www.VDAB.be

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 159


7.5.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - soorten instellingen Het SYNTRA-netwerk bestaat uit 5 regionale centra met in het totaal 22 campussen in Vlaanderen en Brussel. Het wordt erkend en gesubsidieerd door SYNTRA-Vlaanderen. (Voorheen was dat het VIZO, Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen, zie [7.1.5.]) Met de VDAB heeft SYNTRA een overeenkomst afgesloten inzake de competentiecentra (zie [7.15.4.]). http://www.syntra.be/syntra/index.asp

7.5.6. Deeltijds Kunstonderwijs – soorten instellingen Het DKO biedt 4 studierichtingen aan in 2 soorten scholen: • •

academies voor Beeldende kunst, academies voor Muziek, Woordkunst en Dans.

Aantal academies in Vlaanderen Beeldende kunst Muziek, woordkunst, dans TOTAAL

Gemeenschaps ond 5 10 15

Vrij ond 4 1 5

Gemeentelijk ond 57 90 147

totaal 66 101 167

De schoolbevolking in het Deeltijds Kunstonderwijs is sinds het schooljaar 1994-1995 sterk toegenomen.

7.5.7. Landbouwvorming - soorten instellingen Het vormingsaanbod wordt georganiseerd door erkende centra gesubsidieerd door het Vlaamse Gewest → 1.2.2.3. De subsidie wordt deels gedragen door de Europese Unie in het kader van het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling. Het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (Administratie Land- en Tuinbouw, afdeling Duurzame Landbouw) staat in voor de erkenning van de organisatoren (de erkende centra), de registratie van de lesgevers, de subsidiëring van de vormingsactiviteiten , de inspecties ter plaatse, de visering van de getuigschriften en de betaling van de vergoeding voor sociale promotie van de deelnemers. Er zijn in Vlaanderen 64 erkende opleidingscentra: • • •

5 algemene centra, 36 gewestelijke, 9 centra voor hobbylandbouwvorming.

De Afdeling Duurzame Landbouw heeft in het kader van de nieuwe regelgeving van de landbouwvorming de mogelijkheid om jaarlijks een oproep tot het indienen van innovatieve vormingsprojecten in de landbouwsector te richten aan de erkende vormingscentra. Ze dienen de toepassing van nieuwe leermethoden die gebruik maken van Internet (e-learning) te stimuleren (zie [7.2.]).

7.5.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - soorten instellingen Het nieuwe decreet sociaalcultureel volwassenenwerk (4 april 2003) heeft geleid tot een grondige hertekening van het landschap, met sociaalculturele verenigingen, bewegingen en instellingen. Verenigingen Een vereniging is volgens het decreet, een netwerk van afdelingen of groepen, gericht op zingeving en emancipatie van leden en deelnemers, met het oog op persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing. Een vereniging vervult een gemeenschapsvormende functie, een culturele functie, een educatieve functie en een maatschappelijke activeringsfunctie. Een vereniging moet minstens 50 werkende (lokale) afdelingen of (thematische/bovenlokale) groepen tellen, gespreid over minstens 3 provincies, een vereniging met startsubsidies minstens 25 afdelingen. Verenigingen van migranten moeten pas tegen het einde van de lopende beleidsperiode (2010) voldoen aan de normen van het decreet (minstens 50 afdelingen of groepen, spreiding over 3 provincies)

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 160


en vanaf dan werken op basis van een beleidsplan. Het decreet voorziet wel in een evaluatie van de situatie van de verenigingen van migranten in 2008. Bewegingen Bewegingen zijn organisaties met landelijk karakter die gespecialiseerd zijn in een thema of cluster van nauw verwante thema's. Ze organiseren activiteiten op het vlak van sensiblisatie, educatie en sociale actie met het oog op maatschappelijke verandering en richten zich daartoe op een ruim publiek. Sedert 1 januari 2006 worden 32 organisaties gesubsidieerd als sociaalculturele beweging. Instellingen Het decreet onderscheidt 4 soorten instellingen. •

•

Regionale volkshogescholen, Sedert begin 2004 zijn 13 volkshogescholen (i.e. Vormingplus-centra) actief in evenveel regio's. Zij moeten zorgen voor een behoeftedekkend aanbod van niet-formele educatie in hun regio door het zelf te organiseren en door het aanbod van andere culturele aanbieders te coördineren. Dit aanbod moet breed en open zijn. Open wil zeggen dat het tijdig wordt aangekondigd en dat iedereen vrijwillig moet kunnen deelnemen. Een volkshogeschool mag daarvan afwijken voor doelgroepen met een educatieve achterstand die weinig of niet bereikt worden met een open aanbod in hun autonome levenssfeer. Bij de oprichting van deze volkshogescholen waren een 30-tal erkende vormingsinstellingen en deelorganisaties van erkende samenwerkingsverbanden betrokken. Landelijke instellingen die in minstens 4 provincies activiteiten moeten ontplooien of deelnemers uit minstens 4 provincies bereiken. Er zijn 3 soorten instellingen. o In een thema gespecialiseerde vormingsinstellingen: deze moeten een aanbod niet-formele educatie ontwikkelen en organiseren rond het thema of de cluster van thema's waarin ze gespecialiseerd zijn. Ook dit aanbod moet in principe open zijn. Een gespecialiseerde vormingsinstelling mag daarop een uitzondering maken met een gesloten aanbod voor kaders en multiplicatoren uit de culturele sector en in beperkte mate voor doelgroepen met een educatieve achterstand. Tot het einde van de lopende beleidsperiode (2006-2010) worden 19 (in een thema) gespecialiseerde vormingsinstellingen erkend en gesubsidieerd. o Syndicale vormingsinstellingen: deze richten zich binnen een syndicale beweging met een open aanbod tot personen in een arbeidssituatie en personen in een situatie van werkloosheid. Sedert het nieuwe decreet worden nog 3 (samenwerkingsverbanden van) syndicale vormingsinstellingen erkend. Er wordt immers nog slechts één syndicale vormingsinstelling per erkende vakbond gesubsidiëerd. o Vormingsinsstellingen met bijzondere doelgroep De vormingsinstellingen gespecialiseerd in de doelgroep personen met een handicap hebben zich, zoals de overheid voorschreef, gegroepeerd in 3 federaties. Ze moeten via een aanbod niet-formele educatie een sociaalculturele werking ontplooien voor personen met een handicap en hun omgeving. Een kwart van hun programma-aanbod mag zich richten tot begeleiders van hun doelgroep uit de non-profitsector. Sedert begin 2004 werd ook één vormingsinstelling gespecialiseerd in de doelgroep gedetineerden erkend door de Vlaamse overheid. Ze staat in voor het sociaalcultureel werk in gevangenissen.

Federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap Los van de 3 werksoorten (verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen) erkent en subsidieert de overheid op basis van het decreet ook één Federatie van vormingsdiensten voor personen met een handicap. Deze federatie groepeert 5 voormalige diensten voor sociaalcultureel werk. Zij ontwikkelen naast educatieve programma's, aanvullende activiteiten op het vlak van sensiblisatie, begeleiding en maatschappelijke activering.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 161


7.6. Geografische toegankelijkheid We behandelen achtereenvolgens: • • • • • • • •

1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.6.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - geografische toegankelijkheid De OSP-centra zijn verspreid over gans Vlaanderen.

7.6.2. Begeleid Indidvidueel Studeren (BIS) – geografische toegankelijkheid BIS is afstandsonderwijs. Er is dus geen geografische drempel.

7.6.3. Basiseducatie – geografische toegankelijkheid Er zijn 29 centra verspreid over gans Vlaanderen. Vrijwel alle centra hebben bijkomende vestigingsplaatsen verspreid over hun werkingsgebied.

7.6.4. Beroepsopleidng VDAB - geografische toegankelijkheid De VDAB heeft een wijdvertakt lokaal en regionaal netwerk van kantoren, lokale werkwinkels en competentiecentra. Bovendien maakt de VDAB gebruik van de nieuwste informaticatoepassingen. WIS-kiosken (elektronische vacaturedatabank) zijn raadpleegbaar in VDAB-kantoren, bibliotheken, supermarkten, gemeentehuizen,…. Webleren is sterk uitgebouwd.

7.6.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - geografische toegankelijkheid Het SYNTRA-netwerk bestaat uit 5 regionale centra met in het totaal 22 campussen in Vlaanderen en Brussel.

7.6.6. Deeltijds kunstonderwijs – geografische toegankelijkheid Het DKO is dank zij de gemeentelijke uitbouw sterk verspreid in Vlaanderen. De meeste grote en middelgrote steden hebben op hun grondgebied een academie voor beeldende kunst en een voor muziek, woordkunst en dans. Die academies hebben meestal filialen in kleinere gemeenten in de buurt, waar heel wat leerlingen dichter bij huis de lagere graad kunnen volgen.

7.6.7. Landbouwvorming - geografische toegankelijkheid De algemene centra zijn in gans Vlaanderen actief. Naast de 5 algemene centra zijn er ook 36 gewestelijke centra. Die werken meestal provinciaal of zijn gespecialiseerd in een sector. Recent wordt ook e-learning gepromoot (zie [7.2.]).

7.6.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - geografische toegankelijkheid De sociaalculturele verenigingen zijn doorgaans sterk lokaal ingebed. Zij tellen samen ongeveer 13.000 lokale afdelingen, dat is gemiddeld bijna 40 afdelingen per Vlaamse en Brusselse gemeente. De 13 volkshogescholen zijn actief in evenveel regio's . Zij vormen samen een netwerk dat het heel Vlaanderen en Brussel bestrijkt. Elke volkshogeschool afzonderlijk moet haar aanbod spreiden tot in de uithoeken van de regio. De landelijke vormingsinstellingen en de bewegingen moeten in minstens 4 provincies activiteiten ontplooien of deelnemers uit minstens 4 provincies bereiken.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 162


7.7. Toelatingsvoorwaarden We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.7.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - toelatingsvoorwaarden Om toegelaten te worden tot het secundair onderwijs voor sociale promotie • •

dient men ouder te zijn dan achttien jaar. minderjarigen kunnen dit onderwijs volgen indien zij aan de voltijdse leerplicht hebben voldaan; o ofwel zestien jaar zijn o ofwel vijftien jaar en de eerste twee jaren van voltijds secundair onderwijs hebben gevolgd.

Naargelang het moment waarop men in het leertraject stapt, kan een zekere voorkennis of vooropleiding vereist zijn. De toegang tot opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereisen steeds één van de volgende studiebewijzen:

• • • •

een diploma van het secundair onderwijs; een brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs (ASBO) of een diploma van het voltijds hoger onderwijs; een getuigschrift of diploma van de hogere secundair technische leergangen of een certificaat of getuigschrift van een OSP-opleiding gerangschikt als TSO3; een diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend.

Indien de cursist geen van deze studiebewijzen kan voorleggen, maar de leeftijd van 21 bereikt heeft, kan deze cursist toegelaten worden via een toelatingsproef.

7.7.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - toelatingsvoorwaarden Er zijn geen toelatingsvoorwaarden voor het Begeleid Individueel Studeren (geen leeftijdsgrenzen of diplomavereisten) en inschrijvingen zijn permanent toegelaten. Ook vanuit het buitenland kan een BIS-cursus gevolgd worden.

7.7.3. Basiseducatie - toelatingsvoorwaarden Tot september 2005 werden enkel personen die niet in het bezit zijn van een gehomologeerd getuigschrift van lager secundair of een getuigschrift van de tweede graad van het lager secundair onderwijs tot de opleidingen basiseducatie toegelaten; ook migranten die ten hoogste 10 jaar onderwijs hebben genoten in het land van herkomst worden toegelaten. Het besluit van 15 juni 2005 bepaalt nu het maximale competentieniveau bepaalt waarover de kandidaatcursisten mogen beschikken en de wijze waarop dit door de centra geëvalueerd kan worden. Het competentieniveau waarover de kandidaat-cursist beschikt wordt door de Centra voor Basiseducatie (CBE's) beoordeeld aan de hand van studievaardigheidstoetsen wanneer een opleiding van hetzelfde niveau wordt aangeboden in een Centrum voor Volwassenenonderwijs (Nederlands tweede taal). In alle andere gevallen (Nederlands, ICT, Wiskunde, Maatschappij-oriëntatie, opstap Frans en Engels) wordt een kandidaat-cursist toegelaten wanneer hij niet de ontwikkelingsdoelen beheerst die bereikt moeten worden aan het einde van de basiseducatie.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 163


Via plaatsingstoetsen worden de cursisten naar het meest geschikte niveau georiënteerd. Het onderscheiden van niveaus per leergebied betekent niet dat cursisten alle voorziene niveaus moeten doorlopen. Afhankelijk van hun instapniveau en hun leerwensen kunnen zij op elk niveau in- en uitstromen. Ook personen met een laag leerpotentieel behoren tot de doelgroep van de basiseducatie, mits aangetoond wordt dat er leerwinst mogelijk is.

7.7.4. Beroepsopleiding VDAB - toelatingsvoorwaarden De opleidingen van de VDAB staan open voor elke volwassene -zonder onderscheid van nationaliteit.. Door middel van voordelen en begeleiding worden bepaalde categorieën in het bijzonder aangespoord om de opleidingen te volgen. Voor bepaalde opleidingen stelt men hogere toelatingsvoorwaarden en moet men tevens slagen voor selectieproeven.

7.7.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlanderen - toelatingsvoorwaarden .Net zoals de VDAB, legt SYNTRA geen algemene toelatingsvoorwaarden op aan diegenen die zich wensen in te schrijven voor een opleiding. Voor bepaalde opleidingen worden wel hogere toelatingsvoorwaarden gesteld. • •

De algemene voorwaarden om te starten in de leertijd zijn: 15 jaar oud zijn, én het tweede jaar middelbaar onderwijs afgewerkt hebben, of minimaal 16 jaar oud zijn. Jonge mensen die de ondernemersvorming willen volgen moeten ofwel voldoende vooropleiding hebben (bv. in de leertijd) of voldoende beroepservaring in het beroep dat onderwerp is van hun ondernemersvorming. Indien hieraan niet voldaan is, kan praktijkervaring opgedaan worden door het volgen van een aanvullende praktijkopleiding of een praktijkstage via een stageovereenkomst.

7.7.6. Deeltijds Kunstonderwijs DKO - toelatingsvoorwaarden Het Deeltijds Kunstonderwijs kent een organisatiestructuur met verschillende niveaus die in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan; men kan bv. niet met een specialisatiecursus aanvangen zonder voldoende opleiding op een lager niveau te hebben gevolgd. Op voorwaarde dat de vereiste minimumleeftijd voor de studierichting bereikt is, start een leerling in principe in het eerste leerjaar van de gekozen optie. Om naar een volgend leerjaar over te gaan, moet de leerling geslaagd zijn voor de proeven van het gevolgde jaar. Op dit algemeen principe zijn er twee uitzonderingen. Enerzijds werd er vastgesteld dat leerlingen in volgende gevallen instromen volgens leeftijd: in de lagere en middelbare graad Beeldende kunst, in de lagere graad Woordkunst, en in de eerste drie leerjaren van de lagere graad Dans. Anderzijds werd beslist dat na een positieve toelatingsperiode een leerling een leerjaar kan/mag volgen waarvoor hij/zij volgens de 'gewone' toelatingsvoorwaarden niet in aanmerking komt. Dergelijke toelatingsperiode laat de leerkrachten toe om de leerling gedurende een korte of langere periode (max. tot 31 januari) grondig te observeren. Aangezien op deze manier het niveau en de leermoeilijkheden van de leerling veel beter kunnen worden ingeschat dan bij een toelatingsproef, wordt in het gewijzigde Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 2001 enkel nog een toelatingsperiode voorzien. Bovenop deze uitzonderingsregels, kan er in sommige gevallen nog worden afgeweken van de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden 'minimumleeftijd' en/of 'succesvol beëindigen van het gevolgde jaar'.

7.7.7 Landbouwvorming - toelatingsvoorwaarden De deelnemers mogen bij aanvang van de opleidingen niet meer leerplichtig zijn.

7.7.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - toelatingsvoorwaarden Met uitzondering van bepaalde activiteiten van verenigingen die zich specifiek tot de eigen leden richten en van de (kader)vormingsinitiatieven gericht op de vrijwillige en freelance medewerkers van organisaties gelden voor deelname aan de leeractiviteiten van sociaalculturele organisaties geen specifieke toelatingsvoorwaarden.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 164


7.8. Inschrijving(sgeld) We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.8.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – inschrijving(sgeld) Voor het volgen van een opleiding wordt van de cursist een minimale bijdrage gevraagd. De overheid heeft een inschrijvingsgeld vastgelegd dat afhankelijk is van het aantal uren van de opleiding. Het inschrijvingsgeld is niet lager dan 0.37 euro per lestijd en niet hoger dan 0.74 euro per lestijd. Deze bijdrage wordt voor het hele schooljaar of voor de ganse module betaald. Het Centrum voor Volwassenenonderwijs bepaalt vrij, binnen de vastgelegde grenzen, het inschrijvingsgeld. De inschrijvingsgelden worden volgend schooljaar geïndexeerd. Het centrumreglement bepaalt eveneens voor welke verbruiksmaterialen buiten het inschrijvingsgeld de reële kosten worden aangerekend. Daarbuiten kunnen geen bijdragen aan de cursisten gevraagd worden.

7.8.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – inschrijving(sgeld) Voor een schriftelijke cursus is het bedrag afhankelijk van het aantal lespaketten waaruit de cursus is opgebouwd. De prijs varieert van 5,25 tot 78,75 euro. Voor een online cursus hangt de prijs af van het aantal maanden dat men zich inschrijft. De prijs bedraagt 16,75 euro per maand en per cursus. Inschrijven gebeurt per periode van 3 maanden. De prijzen worden elk jaar op 1 augustus verhoogd met 0,75 euro voor de online cursussen, met 0,25 euro per lespakket voor de schriftelijke cursussen.

7.8.3. Basiseducatie – inschrijving(sgeld) In tegenstelling tot het Onderwijs voor Sociale Promotie en het Begeleid Individueel Studeren, worden de cursussen in de basiseducatie gratis aangeboden. Alleen kopiekosten of het cursusboek dienen betaald te worden.

7.8.4. Beroepsopleiding VDAB - inschrijving(sgeld) Voor niet-werkende werkzoekenden zijn alle opleidingen van de VDAB gratis. Dit geldt eveneens voor de webleercursussen, waarbij overigens ook andere werkloosheidscategorieën in aanmerking komen voor vrijstelling van de opleidingskost (zie [7.9.4.]). Een werknemer die op eigen verzoek een opleiding volgt, betaalt enkel een vergoeding voor didactisch cursusmateriaal. Deze vergoeding bedraagt -naargelang de opleidingscategorie- 25, 37 of 43 euro/dag met een maximum van 250 euro per opleiding. Voor webleercursussen varieert de totale opleidingsprijs van 30 tot 360 euro (afhankelijk van de opleiding). Voor werkgevers geldt dat de prijs van de opleiding afhankelijk is van de gekozen opleiding, de duurtijd, de opleidingsplaats (bedrijf of VDAB-centrum), het aantal deelnemers, enz.. De prijs wordt contractueel vastgelegd na onderhandeling met de opleidingsverantwoordelijke van het betrokken VDAB-centrum. In principe varieert een werknemersopleiding op vraag van de werkgever (afhankelijk van de opleiding) van 99 tot 161 euro per deelnemer per dag.

7.8.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlanderen - inschrijving(sgeld) De prijzen voor kortlopende opleidingen verschillen naargelang het aantal sessies. Ook de prijzen van langdurige opleiding verschillen naargelang de opleiding. In het kader van de leerplicht dient geen inschrijvingsgeld betaald te worden voor de leertijd.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 165


7.8.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO – inschrijving(sgeld) De opleidingen van het Deeltijds Kunstonderwijs vallen niet onder de leerplicht, bijgevolg moet een inschrijvingsgeld worden betaald. Het inschrijvingsgeld bedroeg op 1 oktober 2005 51 euro voor jongeren (verminderd tarief: 33 euro) en 166 euro voor volwassenen (verminderd tarief: 96 euro). Dit bedrag wordt doorgestort aan het departement Onderwijs (Omzendbrief OND/13EA/SBT 01/3).

7.8.7. Landbouwvorming – inschrijving(sgeld) Inschrijvingen gebeuren via de erkende centra. De centra bepalen zelf hoeveel inschrijvingsgeld zij vragen.

7.8.8 Sociaalcultureel volwassenenwerk – inschrijving(sgeld) Voor deelname aan het educatief aanbod van sociaalculturele volwassenenorganisaties wordt doorgaans een kleine bijdrage gevraagd. Het bedrag ervan wordt bepaald door de aanbieder zelf.

7.9. Financiële steun voor cursisten We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

Binnen Vlaanderen bestaan een aantal vormen van financiële toelage aan cursisten binnen het geheel van opleidingen voor jonge schoolverlaters en volwassenen. De overheid heeft dergelijke maatregelen in het leven geroepen om het "levenslang en levensbreed" leren bij volwassenen te stimuleren. De voornaamste zijn het systeem van betaald educatief verlof en het systeem van de ondernemerschapsportefeuile voor werkgevers enerzijds, en opleidings- en begeleidingscheques voor werknemers anderzijds (zie ook [7.9.4.] VDAB en [7.9.5.] SYNTRA). Het systeem van het betaald educatief verlof (BEV) wordt geregeld door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, het Koninklijk Besluit van 23 juli 1985 en 27 augustus 1993. Het betaald educatief verlof beoogt de sociale promotie van de werknemers uit de privé-sector. Hiertoe krijgen ze extra verlofuren voor de opleidingen die ze in hun vrije tijd volgen of wordt hen verlof toegekend om effectief de lessen bij te wonen, dit laatste als de lesuren met de werkuren samenvallen. Dit verlof wordt in eerste instantie door de werkgever met het normale maandloon en op het normale tijdstip van verloning uitbetaald. Deze kan echter terugbetaling bekomen bij het daartoe opgericht fonds. Het aantal terugbetaalbare uren verlof is gelijk aan het aantal aanwezigheidsuren op de cursus en is begrensd in functie van de aard van de gevolgde opleiding en het al of niet samenvallen van de lesuren met de werkuren. Er is ook een begrenzing vastgelegd voor het terugbetaalbaar loon. De gevolgde opleidingen kunnen een professionele finaliteit hebben, zonder dat er een verband moet bestaan met het actueel uitgeoefend beroep, maar ze kunnen ook algemeen vormend van aard zijn. Daarenboven bestaan er ook specifieke regelingen voor de werknemers die zich voorbereiden voor de examens van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, voor de werknemers van K.M.O's en voor bepaalde deeltijdse werknemers. Zie http://www.meta.fgov.be, met downloadbare brochure "Wegwijs in het BEV" van de Algemene Directie werkgelegenheid en arbeidsmarkt (november 2005).

7.9.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – financiële steun voor cursisten In bepaalde gevallen is er vrijstelling van inschrijvingsgeld mogelijk. Dit geldt voor • •

personen die aanspraak kunnen maken op het bestaansminimum, uitkeringsgerechtigde werklozen of niet-werkenden, verplicht ingeschreven werkzoekenden (uitgezonderd bruggepensioneerden),

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 166


• • • • • • • •

vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden ouder dan 25 jaar, mindervaliden, personen die een procedure hebben lopen tot erkenning als politiek vluchteling of als dusdanig zijn erkend, gedetineerden die in een Belgische strafinrichting verblijven, deeltijds of voltijds leerplichtigen, cursisten van het studiegebied Nederlands tweede taal, (richtgraad 1 en 2), cursisten van het studiegebied Algemene Vorming (voorheen 'tweedekansonderwijs), personen die ten minste twee jaar basiseducatie gevolgd hebben (vrijstelling voor een periode van vier opeenvolgende schooljaren).

Als student in het hoger onderwijs voor sociale promotie komt men niet in aanmerking voor een studietoelage.

7.9.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – financiële steun voor cursisten Vrijstelling van betaling is mogelijk voor gedetineerden en voor cursisten die zich voorbereiden op de examens ingericht door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Betaling met opleidingscheque is mogelijk.

7.9.3. Basiseducatie – financiële steun voor cursisten • •

Betaald educatief verlof is mogelijk. De centra zijn in het kader van de opleidingscheques erkend door de VDAB (zie [7.9.4.]).

7.9.4. Beroepsopleiding VDAB - financiële steun voor cursisten VDAB voorziet voor werkzoekende cursisten een aantal vergoedingen. Een greep uit de voornaamste: •

• • •

de opleidingspremie: cursisten die een beroepsopleiding volgen in een competentiecentrum van VDAB of een opleiding volgen georganiseerd door VDAB in samenwerking met derden hebben recht op een opleidingspremie van 1 € per effectief gevolgd uur beroepsopleiding op voorwaarde dat ze bij de aanvang van het opleidingstraject gedurende een termijn van één jaar voorafgaand aan de opleiding, niet-werkend werkzoekend zijn. Ook steuntrekkers van het OCMW die werkzoekend zijn hebben recht op deze premie; een reiskostenvergoeding; een kinderopvangvergoeding voor cursisten met kinderlast; een vergoeding voor communicatiekosten bij afstandsleren.

Verder zijn er tal van opleidingssubsidies zowel van de Vlaamse en federale als Europese overheid (inz. via Europees Sociaal Fonds) . Daarnaast zijn er nog heel wat maatregelen per beroepssector. Een overzicht daarvan vindt men op de website van de VDAB. Bovendien geeft de VDAB advies en begeleiding voor de aanwending van die subsidies. We vermelden enkele maatregelen. •

•

Opleidingscheques voor werknemers en voor werkgevers o Werknemers kunnen opleidingscheques aankopen ter waarde van maximum 250 € per kalenderjaar. Daarmee kunnen zij opleidingen betalen bij een erkend opleidingsverstrekker. De werknemer zelf dient slechts de helft van het gevraagde bedrag aan opleidingscheques te betalen. Zie http://www.vdab.be/opleidingscheques/werknemers.shtml o Ook ondernemingen konden gebruik maken van opleidingcheques. Maar vanaf 2006 wordt het systeem vervangen door een zgn. ondernemerschapsportefeuille, die een onderneming slechts om de 3 jaar kan aanvragen en die 4 diensten omvat: opleiding, advies, mentorschap, aankoop van kennis in Vlaamse kenniscentra. De overheidssteun bedraagt maximaal 5000 €, waarvan maximum 2500 € voor eenzelfde dienst. De ondernemer betaalt voortaan tweederde van de dienstverlening zelf. Zie http://opleidingscheques.vlaanderen.be/opchpubliek/oc_jsp/intro.jsp Premies voor knelpuntopleidingen o Voor werkzoekenden die een opleiding volgen voor een knelpuntberoep. o Voor werkzoekenden zonder diploma hoger secundair onderwijs die een opleiding volgen die leidt naar de uitoefening van een beroep op beginniveau.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 167


studiegebieden in het technisch en beroepssecundair onderwijs voor sociale promotie (dus geen algemene vorming), met uitzondering van de studiegebieden huishoudelijk onderwijs, kant, talen en Nederlands tweede taal. Stage overeenkomsten voor +18-jarigen georganiseerd door Syntra in het kader van de ondernemingsopleidingen. Industriële leerovereenkomst, voor zover de cursist aan de voorwaarden voldoet. Werkend leren voor 18 tot 25-jarigen bij de centra voor deeltijds onderwijs. Tegemoetkomingen bij Leren op de werkvloer : zowel de individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO), als de instapopleiding (zie [7.10.4.]) o Tijdens de opleiding betaalt de onderneming geen loon of RSZ, enkel een productiviteitsvergoeding. Bovendien krijgt de onderneming een extra korting voor de begeleiding wanneer de kandidaat laaggeschoold is (geen diploma HSO). o De werkzoekende kandidaat krijgt een extra premie bovenop zijn uitkering (het verschil tussen het normale loon en de uitkering).

•

7.9.5. ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen – financiële steun voor cursisten Starters kunnen genieten van startercheques. Werknemers kunnen (via de VDAB) opleidingscheques aankopen ter waarde van 250 € maximum per kalenderjaar. Daarmee kunnen zij opleidingen betalen. De werknemer zelf dient slechts de helft van het bedrag te betalen. http://www.vdab.be/opleidingscheques/werknemers.shtml Tot 2006 konden ook ondernemingen gebruik maken van opleidingcheques. Vanaf 2006 wordt het systeem vervangen door een zgn. ondernemerschapsportefeuille, die een onderneming slechts om de 3 jaar kan aanvragen en die 4 diensten omvat: opleiding, advies, mentorschap, aankoop van kennis in Vlaamse kenniscentra. De overheidssteun bedraagt maximaal 5000 €, waarvan maximum 2500 € voor eenzelfde dienst. De ondernemer betaalt voortaan tweederde van de dienstverlening zelf. Leerjongeren hebben recht op een leervergoeding. Deze is afhankelijk van hun leeftijd en hun ervaring in het beroep. Cursisten–stagiairs hebben recht op een stagevergoeding. http://opleidingscheques.vlaanderen.be/opch-publiek/oc_jsp/intro.jsp

7.9.6. Deeltijds Kunstonderwijs – financiële steun voor cursisten Zoals blijkt in paragraaf [7.8.5.] , bestaat er in het deeltijds kunstonderwijs een systeem van 'sociale reductie' of 'verminderd tarief'. Om voor het verminderd inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moet de leerling (Decreet van 31 juli 1990) een attest of bewijs kunnen voorleggen waaruit blijkt dat hij/zij: • • • • • •

uitkeringsgerechtigd volledig werkloos is, of ten laste van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze; of, verplicht ingeschreven is als werkzoekende, het bestaansminimum ontvangt, of ten laste is van één van deze twee categorieën; of, gehandicapt is met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %, recht heeft op een tegemoetkoming als gehandicapte, of ten laste is van één van deze twee categorieën; of, in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijft; of, het statuut van erkend politiek vluchteling heeft of ten laste is van een dergelijke persoon; of, steun krijgt uit het kinderbijslagfonds, indien hij ouder is dan 18 jaar.

Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt verminderd inschrijvingsgeld indien een ander lid van het gezin waartoe hij/zij behoort het inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in dezelfde of in een andere instelling; en/of voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in dezelfde of in een andere instelling.

7.9.7. Landbouwvorming - financiële steun voor cursisten Aan de deelnemers van de vorming wordt een premie (van 2 euro per lesuur) als vergoeding voor sociale promotie toegekend. Dit mits het voorleggen van getuigschriften (van erkende centra en stages) waarvan het totale aantal lesuren minstens 75 uur bedraagt

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 168


Wie komt in aanmerking voor het aanvragen van de premie? • • • • • •

de zelfstandige bedrijfshoofden (in hoofd- of nevenberoep) van een land- of tuinbouwbedrijf, hun medewerkende gezinsleden, zelfstandige helpers en landbouwwerknemers; de werknemers van bedrijfsverzorgingsdiensten in de landbouwsector; de loonwerkers, bloemisten, tuinaannemers en hun meewerkende gezinsleden en werknemers; de werknemers van groendiensten van openbare besturen; de erkende verkopers en gebruikers van fytoproducten en de erkende gebruikers van biociden voor gebruik in de landbouw; de imkers.

7.9.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - financiële steun voor cursisten Verenigingen hanteren meestal lagere tarieven voor eigen leden, vormingsinstellingen houden vaak rekening met het (gezins)inkomen en/of de gezins- of werksituatie van deelnemers bij het bepalen van deelnemersgelden.

7.10 Studieaanbod We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.10.1. Onderwijs voor Sociale promotie (OSP) - studieaanbod Het aanbod van het Onderwijs voor Sociale Promotie is zeer divers en ruim. Het wordt georganiseerd op het niveau secundair onderwijs (31 studiegebieden) en op het niveau van het hoger onderwijs van het korte type (7 categorieën). 7.10.1.1. Het secundair onderwijs voor sociale promotie Dit is ingedeeld in studiegebieden, die op hun beurt een aantal opleidingen ('afdelingen') groeperen. De studiegebieden in het secundair onderwijs voor sociale promotie zijn: Algemene vorming (M) = TKO Bedrijfsbeheer Boekbinden Chemie Diamantbewerking Grafische technieken Hout Juwelen Koeling en warmte Lederbewerking Maritieme opleidingen Meubelrestauratie en houtsnijden Nederlands tweede taal (M) Smeden Textiel (M) Voeding

Vlaams Eurydice rapport 2006

Auto (M) Bijzondere educatieve noden (M) Bouw Decoratieve technieken Fotografie Handel (M) Huishoudelijk onderwijs (M) Kant (M) Land-en tuinbouw Lichaamsverzorging Mechanica - elektriciteit (M) Muziekinstrumentenbouw Personenzorg Talen (M) Toerisme

7 Permanente vorming / 169


Bij de organisatie van het onderwijs voor sociale promotie (afgekort OSP) worden twee modellen gehanteerd: • •

De lineaire opleidingen: deze opleidingen omvatten een of meerdere leerjaren. De lessen zijn gespreid over 32 tot 40 weken in de periode begin september - einde juni. De modulaire opleidingen: bij een modulaire opleiding wordt de leerstof onderverdeeld in een aantal modules (die in gans Vlaanderen dezelfde zijn). Door deze opdeling kan de cursist zelf het studiepakket samenstellen en de duur van de studie bepalen. Het centrum voor volwassenenonderwijs is vrij om een modulaire opleiding over een gedeelte van het jaar of over een heel jaar te spreiden. Dit betekent ook dat de opleidingen op verschillende ogenblikken van het jaar kunnnen starten. o Voor sommige opleidingen zijn de modulaire schema's reeds meer dan tien jaar oud. Voor andere opleidingen zijn recentere schema's opgesteld. Voor sommige opleidingen (zoals TKO en GPB) bestaan enkel modulaire schema's en geen lineaire opleidingen. Voor andere opleidingen is er een lineair aanbod naast een modulair aanbod. Algemeen is het zo dat centra op dit moment volledig vrij worden gelaten, al dan niet te modulariseren. o 115 opleidingen behorende tot 10 studiegebieden (hierboven aangeduid met (M)) zullen ten laatste op 1/9/2006 modulair worden aangeboden. De overige opleidingen en studiegebieden worden de volgende jaren hertekend, samen met de opleidingen uit het hoger onderwijs voor sociale promotie. o Er is een nieuw decreet in voorbereiding dat alle opleidingen wil modulariseren. o De ontwikkeling van de modulaire structuur behoort tot de bevoegdheden van twee overheidsdiensten: De Dienst Beroepsopleiding Onderwijs (DBO) is verantwoordelijk voor het anologe beroepsgerichte aanbod; De Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) voor het analoge niet-beroepsgerichte aanbod en het niet-analoge aanbod. De coördinatie gebeurt door de DVO

Het studiegebied algemene vorming omvat het vroegere tweedekansonderwijs (TKO) Tweedekansonderwijs is er voor volwassenen die minimum achttien jaar zijn en alsnog een diploma van het secundair onderwijs (ASO/TSO/BSO) willen behalen. Het TKO volgt de algemene structuur van het voltijds circuit. In de feiten is er een algemeen vormend en een beroepsvormend gedeelte. Aan het eind van de opleiding behalen de deelnemers niet alleen hun diploma, maar verwerven ze tevens een bredere kijk op de maatschappij en leren ze zich daar beter in te bewegen (zie ook [7.2.1.]). Het tweedekansonderwijs biedt: • • •

•

• •

Een diploma: De lessen bereiden voor op de examens ASO/TSO/BSO. De centra reiken zelf het diploma secundair onderwijs uit. Systematische opbouw leerstof: De lessen worden systematisch opgebouwd over een langere termijn en zijn gericht op het behalen van het diploma. Maar, het Tweedekansonderwijs verwelkomt ook volwassenen die slechts één of meerdere vakken wensen te volgen, niet gericht op een diploma Laagdrempelige voorwaarden: o Voor de deelnemers tweede graad is de beginvoorwaarde kunnen lezen en schrijven. o Als toelatingsvoorwaarde voor de derde graad geldt dat al een diploma lager secundair onderwijs (algemeen vormend of technisch) of een getuigschrift van de tweede graad secundair onderwijs behaald werd. o Indien men niet over deze getuigschriften beschikt kan men deelnemen aan een intern toelatingsexamen. Een inloopperiode: Na jaren opnieuw de schoolbanken opzoeken is niet vanzelfsprekend. De cursisten worden dan ook begeleid door een professioneel vast leerkrachtenteam dat zich voortdurend zelf bijschoolt en voor wie deskundigheid belangrijk is. Tijdens de inloopperiode testen zij de nieuwe deelnemers op het vlak van inzicht en tempo, waarna zo nodig een heroriëntering plaatsvindt. Sociale vorming: Het algemeen vormend aspect van het onderwijs vertaalt zich in de leerinhouden en in de aanpak. Ook is er speciale aandacht voor de sociale vaardigheden en het opzetten van nevenactiviteiten. Soepelheid: De lessen worden overdag en/of 's avonds gegeven.

7.10.1.2 Het hoger onderwijs voor sociale promotie Dit is ingedeeld in 7 categorieën, die op hun beurt een aantal opleidingen ('afdelingen') groeperen. Deze categorieën zijn : • •

artistiek hoger onderwijs korte type, (2 opleidingen : Bouwkunde en Openbare werken) economisch hoger onderwijs korte type,

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 170


• • • • •

paramedisch hoger onderwijs korte type, pedagogisch hoger onderwijs korte type (= de GPB-opleiding), sociaal hoger onderwijs korte type, technisch hoger onderwijs korte type, hogere technische leergangen 2e graad.

Ondanks het ruime aanbod kunnen bepaalde opleidingen niet worden gevolgd in het Onderwijs voor Sociale Promotie (bv. paramedische basisopleidingen, opleiding voor kleuteronderwijzer(es) of onderwijzer(es), enz..). Anderzijds worden in het Onderwijs voor Sociale Promotie een aantal opleidingen georganiseerd die niet in het voltijds onderwijs voorkomen (bv. opleiding ''polyvalent verzorgende''). In 2004 werden sommige afdelingen van het hoger OSP omgevormd tot bachelor- en masteropleidingen van het HO en werden overgedragen van CVO's naar Hogescholen.

7.10.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - studieaanbod Het schriftelijke cursusaanbod omvat de categorieën • • • • • • • •

Vreemde Talen (Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans en Portugees), Nederlands (o.m. Nederlandstalige literatuur en Nederlands voor anderstaligen), Informatica, Economie, Menswetenschappen (psychologie, biologie, geschiedenis, ) Recht, Techniek, Andere (geheugentraining, wiskunde en basisvorming preventieadviseur).

BIS Online biedt cursussen aan op gebied van • • • •

Vreemde talen (Frans, Spaans, Engels, Duits, Italiaans) Nederlands voor anderstaligen Aardrijkskunde Preventie en bescherming.

Daarnaast worden ook cursussen aangeboden als voorbereiding op de examens secundair onderwijs van de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap: talen, informatica, economie, wetenschappen, humane vakken, wiskunde. Het overzicht van de cursussen vindt men op: • •

http://www.bis.vlaanderen.be/ http://www.bisonline.be/main/bisftp/bisonline/intro.htm

7.10.3. Basiseducatie - studieaanbod Basiseducatie biedt cursussen aan op niveau van het basisonderwijs BaO en de eerste graad van het secundair onderwijs. • • • • • •

Nederlands als moedertaal (NT1), Nederlands als tweede taal (NT2) met inbegrip van alfa NT2, ICT, maatschappij-oriëntatie, wiskunde, opstapcursussen Frans en Engels.

Daarnaast ook cursussen op maat voor organisaties, zowel overheden als bedrijven De organisatie van het aanbod van de basiseducatie is gesteund op door de overheid vastgelegde ontwikkelingsdoelen. De Centra voor Basiseducatie (CBE's) moeten deze ontwikkelingsdoelen nastreven met alle cursisten. Cursisten die in aanmerking willen komen voor deelcertificaten en/of certificaten, moeten de

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 171


ontwikkelingsdoelen bereiken. De DVO ontwikkelde ook opleidingsprofielen voor alle opleidingen in de basiseducatie. In 2000 ging het project modularisering van start. De eerste cursussen werden modulair aangeboden in 2003. Sinds februari 2006 worden alle opleidingen modulair aangeboden. De modulaire opleiding in de centra voor basisonderwijs sluiten aan op de opleidingen in de centra voor volwassenenonderwijs, zodat een vlotte overstap mogelijk is. De regelgeving voorziet een evaluatie van elke modulaire opleiding, uiterlijk twee jaar na implementatie. Deze evaluatie wordt tevens gerapporteerd aan het Vlaamse parlement. De onderwijsinspectie heeft tijdens het schooljaar 2004 - 2005 de modulaire opleidingen Nederlands als tweede taal, Wiskunde en Informatie- en communicatietechnologie (ICT) geëvalueerd.

7.10.4. Beroepsopleiding VDAB - studieaanbod De VDAB organiseert honderde praktijkgerichte beroepsopleidingen, in zowat alle mogelijke beroepsdomeinen , met daarnaast taalopleidingen, ICT-opleidingen en managementopleidingen. De opleidingen worden zowel tijdens werkuren als 's avonds of op zaterdagen gegeven en kunnen verschillende organisatievormen aannemen, zoals opleidingen in VDAB-opleidingscentra of bij derden, stages in ondernemingen, opleidingen in een erkend centrum, individuele beroepsopleiding in een onderneming of onderwijsinrichting, open leren, afstandsleren, en webleren. Leren op de werkvloer kan via volgende opleidingen: o o

Individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO). Dit is een opleiding waarbij de cursist door de onderneming op de werkplek wordt getraind en begeleid. Instapopleiding. Dit is een bedrijfsgerichte afwerking van een beroepsopleiding of studie (voor schoolverlaters). De opleiding duurt 2 maanden en moet starten binnen de 4 maanden na het einde van een gevolgde beroepsopleiding (georganiseerd of erkend door de VDAB) of studie (voor schoolverlaters met een diploma of studiebewijs van eerste graad ASO, tweede graad TSO, BSO, KSO, ondernemersvorming, het DBSO, alternerend beroepsonderwijs).

Na deze opleidingen is het bedrijf verplicht om de cursisten een contract voor onbepaalde duur te geven. o o

Voltooiingsstages (na de opleiding in het VDAB-competentiecentrum): maximum 6 weken. Alternerende opleidingsvormen: opleidingsperiodes in een beroepsspecifieke opleiding in een VDABcompetentiecentrum wordt afgewisseld met stages in een bedrijf.

7.10.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - studieaanbod De leertijd (+ 15 j.) • • •

• •

Dit is een initiële beroepsopleiding voor leerjongeren vanaf 15 jaar die de eerste twee jaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben, anders vanaf 16 jaar. De leerling verwerft daardoor een basis om als medewerker in een bedrijf te kunnen functioneren. De leertijd omvat: o Een leerovereenkomst voor praktijkvorming. Dit is een overeenkomst van bepaalde duur waarbij een ondernemingshoofd-opleider zich ertoe verbindt aan de leerling een beroep aan te leren, en waarbij de leerling zich ertoe verbindt deze praktijk aan te leren onder leiding van dit ondernemingshoofd-opleider, en daarnaast de nodige theoretische opleiding te volgen. o Een theoretische vorming met maatschappijgerichte (120 uren per jaar + 120 uren supplementair voor 15-jarigen) en beroepstechnische vorming (120 uren per jaar). o Tevens kunnen aanvullende taalcursussen gegeven worden, en kunnen zowel binnen de maatschappijgerichte als binnen de beroepstechnische vorming nog aanvullende cursussen worden georganiseerd De leerlingen worden hierbij begeleid door een leertrajectbegeleider. http://www.syntra.be/leertijdloket

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 172


De ondernemersopleiding (+ 18j.) Een ondernemersopleiding bereidt de deelnemers voor op het algemene, technische, commerciële, financiële en administratief beheer van een zelfstandig beroep of een kleine of middelgrote onderneming. De ondernemersopleiding omvat een theoretische vorming beroepskennis en bedrijfsbeheer. De ondernemersopleiding kan worden gecombineerd met een stageovereenkomst waarbij de cursist praktijkopleiding in een onderneming krijgt. De stageovereenkomst wordt begeleid door een leertrajectbegeleider. Bijscholings- en vervolmakingsprogramma's De bijscholings- en vervolmakingsprogramma's voor zelfstandige ondernemers, KMO's en naaste medewerkers omvatten: • • • • • •

programma's voor bepaalde beroepen omtrent zeer specifieke beroepstechnieken (nieuwe evoluties en technologie in het beroep); algemene programma's over actuele topics voor de KMO; thema's uit bedrijfsbeheer en KMOmanagement; seminaries over nieuwe reglementering in de KMO; specifieke taalcursussen voor de KMO waarin vooral bedrijfseconomische conversaties worden bijgebracht en geoefend; opfrissingscursussen voor gevestigde ondernemers die op de hoogte willen blijven van een bepaalde ontwikkeling in hun beroep of in het algemene ondernemen; gecertificeerde bijscholingen.

Opleidingen op maat Opleidingen op maat kunnen worden georganiseerd zowel in-company, als in een van de educatieve centra van SYNTRA, of elders. De opleidingsconsulenten van de SYNTRA-vestigingen werken een globaal opleidingsplan uit dat bijdraagt tot de verhoging van de competentie van de medewerkers en dus ook van de onderneming. http://www.syntra.be/

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 173


7.10.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO – studieaanbod

Lagere graad

Beeldende kunst jongeren volwassenen Vanaf 6 j. 6 leerjaren Min. 6 lesuren/w. 2 opties

Middelbare graad

Hogere graad

Specialisatiegraad

Vanaf 12 j. 6 leerjaren

Vanaf 18 j. 2 leerjaren (5 en 6)

Min. 4 lesuren/w. 5 opties 5 opties Vanaf 18 j. Resp. 4 of 5 studiejaren Min. Resp. 10 of 8 lesuren/w. 28 opties Na hogere graad 2 jaren min. 8 lesuren/w. 28 opties

Muziek jongeren volwassenen Vanaf 8 j. Vanaf 15 j. 4 leerjaren 3 leerjaren Min. 3,5 lesuren/w. 2 opties meteen 2 opties e vanaf 2 leerjaar Vanaf 12 j. 3 leerjaren Min. 2 of 3 lesuren/w. 8 opties Vanaf 15 j. 3 leerjaren Min. 2 lesuren/w. 12 opties

Woordkunst jongeren volwassenen Vanaf 8 j. 4 leerjaren Min. 1 lesuur/w. 1 optie Vanaf 12 j. 3 leerjaren

Dans jongeren Vanaf 6 j. 6 leerjaren

volwassenen Vanaf 15 j. 2 leerjaren

2 opties Vanaf 15 j. 3 leerjaren

Min 2 lesuren/w. Min 2 lesuren/w. 5 opties 5 opties Vanaf 15 j. 3 leerjaren Min. 2 lesuren/w. 4 opties

Vanaf 12 j. 3 leerjaren Min. 2 lesuren/w. 3 opties Vanaf 15 j. 3 leerjaren Min. 2 lesuren/w. 4 opties

Een academie kan ook, bij wijze van experiment een nieuwe opleiding inrichten, die gedurende 3 jaar door het departement onderwijs wordt gesubsidieerd. Er lopen een reeks experimentele opleidingen. Vanaf het schooljaar 2006-2007 heten deze experimenten 'tijdelijke projecten'.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 174


7.10.7. Landbouwvorming - studie aanbod De naschoolse vormingsactiviteiten, die gesubsidieerd worden door de afdeling Duurzame Landbouw, worden in 5 vormingstypes onderverdeeld. •

•

• •

•

Starterscursussen: o Type A : algemene starterscursussen (vroegere B1-cursus) Deze geven een vorming over de bedrijfsvoering in het algemeen en de wetgeving met betrekking tot de landbouwsector o Type B : bijzondere starterscursussen (vroegere B3-cursus) Deze geven een vorming over de bedrijfsvoering, de wetgeving en een aantal belangrijke technische aspecten met betrekking tot een of twee deelsectoren van de landbouw o Type C Deze geven specifieke technische kennis die nodig is bij een eerste vestiging op een landbouwbedrijf of voor de erkenning als verkoper of gebruiker van fytoproducten en biociden voor gebruik in de landbouwsector. Vormingscursussen (vroegere C-cursussen): opleidingen van minimum 20 uur bestemd voor land- en tuinbouwers. Het aanbod is zeer gevarieerd, zoals computercursussen, cursussen kunstmatige inseminatie bij rundvee, rundveepedicure, onderhoud van materieel,... Dit kunnen theoretische cursussen of praktijkcursussen zijn. Stages: praktische opleidingen op een landbouwbedrijf met het doel het bedrijfsbeleid ter plaatse te observeren of speciale kennis te verwerven. Korte vormingsactiviteiten: bijeenkomsten waarop een bepaald onderwerp in verband met de landbouwsector onder de leiding van een lesgever wordt uitgediept (studievergadering, demonstratie, geleid bezoek, panelgesprek, contactvergadering of voordracht). o Korte vormingsactiviteiten ingericht door een algemeen of gewestelijk centrum: vormingsactiviteiten van maximum 3 uur bestemd voor personen die een landbouwacvtiviteit uitoefenen. Zij kunnen een sociaal, juridisch, technisch, economisch, milieukundig of ethisch thema behandelen. De thema's sluiten dikwijls zeer dicht aan bij de actualiteit. o Korte vormingsactiviteiten ingericht door een centrum voor hobbylandbouwvorming: behandelen onderwerpen over landbouwactiviteiten die als hobby worden uitgeoefend. Vervolmakingsdagen: activiteiten van minimum 3 uur voor de bijscholing van de lesgevers in de landbouwvorming.

7.10.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - studieaanbod Het aanbod aan leeractiviteiten van sociaalculturele volwassenenorganisaties is zeer divers. De indeling naar thema van de meer dan 5.400 activiteiten die in 2004 in de databank Prettig Geleerd (een databank van sociaalculturele activiteiten) werden ingevoerd, geeft een concreet beeld van deze diversiteit. Persoonlijkheidsvorming Gezondheid, zorg en sport Kunsteducatie Zingeving en filosofie Maatschappij en politiek Creativiteit en expressie Computer, media en informatie Werk en loopbaan Populaire cultuur en hobby

13,5 % 11,8 % 10,2 % 6,8 % 6,2 % 6,1 % 5,2 % 5,1 % 4,3 %

Sociale en communicatieve vaardigheden Interculturele vorming Consumentenvorming Natuur en milieu Opvoeding en onderwijs Relationale vorming Toerisme Wetenschap en techniek Andere

4,1 % 3,7 % 2,8 % 2,8 % 2,5 % 2,1 % 1,9 % 1,2 % 7,8 %

Kanttekening bij dit beeld is dat het om (een deel van) het bovenlokaal aanbod van verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen gaat. Met name de lokale activiteiten van de afdelingen van verenigingen waren in deze databank niet opgenomen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 175


7.11 Onderwijsmethoden We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.11.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - onderwijsmethoden Onderwijsmethoden behoren tot de pedagogische vrijheid van de inrichtende machten, waardoor er geen sprake kan zijn van richtlijnen die van bovenaf worden opgelegd. Het decreet van 2 maart 1999 maakt een onderscheid tussen drie categorieën van onderwijsverstrekking, namelijk het contactonderwijs, het afstandsonderwijs en het gecombineerd onderwijs.

7.11.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - onderwijsmethoden De schriftelijke BIS-opleiding maakt gebruik van gedrukte cursussen aangevuld met het nodige didactische materiaal (cd,s, video, enz.). Een cursus bestaat uit een aantal lespaketten en huistaken. Deze huistaken kunnen naar de mentor worden gezonden, samen met vragen en verzoeken om bijkomende uitleg. Taken kunnen zowel schriftelijk als digitaal worden ingestuurd. In het tweede geval gebeurt dit via het postbussysteem van de 'Etaken'. Elke cursist kan op een website via een eigen login en wachtwoord de stand van zaken van zijn/ haar cursus bekijken. Om de spreekvaardigheid bij de talen te oefenen worden geluidscassettes gebruikt. BIS Online werkt met webgebaseerde cursussen. De honderden lessen zijn gegroepeerd rond thema's en vaardigheden. De lessen zelf zijn opgebouwd rond oefeningen met automatische feedback en extra info (glossarium, bronnen- en woordenboek, enz.). Ook hier kunnen cursisten huistaken maken; er is één taak per 5 à 10 lessen. De communicatie tussen cursist en mentor verloopt via de ingestuurde taken, via een e-mail – en chatfunctie (ook auditief) en via de discussiefora. (Bis Online, http://www.bisonline.be, 2004).

7.11.3. Basiseducatie - onderwijsmethoden De einddoelen van de opleidingen in de basiseducatie zijn analoog aan de doelen van het gewoon onderwijs,, maar de manier van aanbrengen gebeurt via een geëigende pedagogisch didactische aanpak. Hierbij gaat , naast het bijbrengen van kennis en vaardigheden, de aandacht vooral naar het aanbrengen van sleutelcompetenties, studievaardigheden en naar cursistenbegeleiding In de open leercentra kunnen cursisten op zelfstandige basis extra oefeningen maken of informatie opzoeken en verwerken. Ze werken er in een multimediale omgeving aan hun eigen leervraag, op hun eigen tempo.

7.11.4. Beroepsopleiding VDAB - onderwijsmethoden Er worden uiteenlopende onderwijsmethoden gehanteerd al naargelang de opleiding. • •

• • •

Opleiding in groep onder leiding van een instructeur, op vaste tijdstippen en met een gemeenschappelijk leertraject voor de deelnemers. Het betreft dus klassikaal onderwijs (in een VDABcentrum of in het bedrijf). Bij open leren neemt men individueel het totale leerpakket door in een VDAB-centrum of het bedrijf. Naast ondersteuning van een instructeur kan men er gebruik maken van een waaier aan leermiddelen (cd-rom, video, zelfstudiepakketten). Het betreft hier dus zelfstudie met onmiddellijke begeleiding, op afspraak, wanneer het de cursist past. Bij webleren kan de cursist rekenen op de steun en feedback van een onlinecoach.. Bij werkplekleren kan de cursist beroep doen op een coach binnen het bedrijf. De VDAB heeft daartoe trouwens een Vademecum werkplekleren samengesteld en online ter beschikking gesteld. Blended learning: een mix van verschillende aanbiedingsvormen. Voorbeeld: webleren in combinatie met groepsleren.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 176


7.11.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - onderwijsmethoden We bespreken achtereenvolgens de leertijd, de ondernemingsopleiding (incl. stageovereenkomst), de bijscholing, en de opleidingen op maat. De leertijd is uitgebouwd als een alternerende opleiding: de praktijkopleiding (4 dagen per week) bij een zelfstandige of in een kleine of middelgrote onderneming is gekoppeld aan een theoretische vorming (1 dag per week) in een SYNTRA-opleidingscentrum. •

•

•

In de beroepsgerichte vorming wordt de "betogende praktijk" gehanteerd: men combineert praktische demonstratie met een denk- en leerproces dat door de leerlingen met behulp van de lesgever luidop doorlopen en gedemonstreerd wordt. In de beroepstechnische vorming wordt door de lesgevers theoretische ondersteuning aangebracht m.b.t. het beroep dat de jongere aanleert op de werkvloer. In de cursus maatschappijgerichte vorming wordt via thematisch projectwerk en afzonderlijke trainingsmomenten voor taal- en rekenvaardigheden gewerkt aan de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerjongeren. Specifiek wordt gewerkt aan : een verantwoorde zelfontplooiing, een verantwoord familiaal en beroepsleven, burgerschap en wereldburgerschap. Zowel binnen de maatschappijgerichte, als binnen de beroepstechnische vorming kunnen aanvullende cursussen worden georganiseerd, zoals bijwerkingscursussen (''remediëring'') voor leerlingen met leerachterstand

De ondernemersopleiding omvat zowel een theoretische vorming (ook hier zowel beroepstechnisch als bedrijfsbeheer) als praktijkervaring, een praktijkstage of aanvullende praktijkopleiding. Voor het bedrijfsbeheer wordt gebruik gemaakt van een haalbaarheidsstudie als rode draad doorheen de opleiding. De bijscholings- en vervolmakingsprogramma's voor zelfstandige ondernemers, KMO en naaste medewerkers bestaan uit algemene en specifieke/thematische programma's, seminaries, specifieke taalcursussen, opfrissingscursussen; enz.. Bij de opleidingen-op-maat werken opleidingsconsulenten via een stappenplan een globaal opleidingsplan uit dat het dichtst bij de persoonlijke behoeften en ambities van (het hoofd van) de onderneming aanleunt.

7.11.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - onderwijsmethoden Beslissingen omtrent methoden behoren tot de vrijheid van de inrichtende machten. Bijgevolg zijn er geen officiële richtlijnen; onderwijs in kleine groepjes en zelfs individueel onderricht zijn alledaagse praktijk.

7.11.7. Landbouwvorming - onderwijsmethoden Een theoretische les is een theoretische uiteenzetting, gegeven door een lesgever en eventueel gevolgd door een bespreking of een demonstratie van de praktijk aan de deelnemer. Een praktijkles is een les waarbij alle deelnemers, na een eventuele korte theoretische inleiding, de praktijk van het vak beoefenen onder leiding van een lesgever. Een stagedag bestaat uit acht uur stageactiviteit. In de praktijk worden ook panelgesprekken, geleide bedrijfsbezoeken, discussiegroepen e.d. aanvaard, mits die geleid worden door een moderator, die de functie van 'lesgever' vervult.

7.11.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - onderwijsmethoden In het Sociaalcultureel Volwassenenwerk worden de methoden bepaald door de interventiestrategie die men aanwendt. De belangrijkste interventiestrategieën van het sociaalcultureel volwassenenwerk zijn: •

• •

Het opzetten van een context waarbinnen deelnemers informeel kunnen leren in interactie met anderen en/of via zelfreflectie, alsook het begeleiden van deelnemers op niet-formele wijze ( d.w.z. vormen van begeleiden van leerprocessen, die niet gebonden zijn aan vooraf door derden vastgestelde programma's en eindtermen); Het maatschappelijk activeren van mensen rond diverse kwesties en thema's van collectieve aard met het oog op integratie en/of participatie aan de samenleving. Het stimuleren van gemeenschapsvorming en ontmoeting tussen mensen en;

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 177


•

Het creëren van een context waarin cultuurbeleving, betekenisschepping en de creatie van symbolen, mogelijk is en aangemoedigd wordt.

In het sociaalcultureel volwassenenwerk is er onder meer sprake van een educatieve functie en met name van niet-formele educatie. Hierbij ligt in het aanbod de klemtoon op het informele en niet-formele leren. Het omvat zowel het stimuleren van incidenteel als het intentioneel leren. In het sociaalcultureel volwassenenwerk worden interventies en vormen van begeleiding niet als een overdracht opgevat van de begeleider naar het individu. De deelnemer is daarentegen een actieve partner die zowel de inhoud als de aanpak van de programma's, projecten en activiteiten, op een of andere wijze mee bepaalt.

7.12 Lesgevers We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.12.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - lesgevers Het onderwijzend personeel in het OSP valt onder de decreten rechtspositie (27 maart 1991). Hun wettelijk statuut en kwalificaties zijn gelijkaardig aan de vereisten die bestaan voor het gewoon secundair en hoger nietuniversitair onderwijs.

7.12.2. Begeleid Individueel Studeren - lesgevers De mentoren zijn meestal leerkrachten die ook in het contactonderwijs lesgeven. Voor de administratieve vakken zijn het ambtenaren of andere deskundigen. De Vlaamse regering stelt de mentor aan voor een (hernieuwbare) termijn van twee jaar. Leraren die mentor willen worden moeten minstens gedurende twee jaar halftijds les hebben gegeven. Bij gebrek aan kandidaten met ervaring in een onderwijs- of opleidingsinstelling, kunnen ook andere deskundigen worden aangesteld. (Decreet van 2 maart 1999).

7.12.3. Basiseducatie - lesgevers De Centra voor Basiseducatie (CBE's) zijn professionele organisaties, telkens met een team van educatieve medewerkers. De opdracht van educatieve werkers is toegespitst op het lesgeven zelf en de cursistenbegeleiding; er is eveneens een duidelijker taakafbakening tussen de functie van coördinator en de educatieve functie. Elk centrum beschikt ook over één of meer administratieve medewerkers. Ruim 700 professionals zijn in de centra tewerkgesteld hetzij als lesgever (educatief medewerker), hetzij in een coördinerende of administratieve functie. In de loop der tijd werden de taken van het personeel in de centra meer gespecificeerd. De personeelsleden hebben niet het statuut van onderwijzend personeel. Volgende functies worden momenteel onderscheiden: • • • • •

coördinator, educatief medewerker met lestaken, lesvrij educatief medewerker, administratief medewerker met beleidsverantwoordelijkheid, uitvoerend administratief medewerker.

Decretaal is voorzien in verplichte bijscholing van educatieve medewerkers; sedert 1996 georganiseerd als voortgezette lerarenopleiding (Decreet van 16 april 1996). De opleiding wordt aangeboden door twee Vlaamse hogescholen in Antwerpen. Deze opleiding bestaat uit contactmodules, begeleide praktijk en zelfstudie. Voor de evaluatie van medewerkers in de centra werden een procedure en instrumenten uitgewerkt.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 178


Sinds november 2004 stelt het VOCB een onlinedatabank met beschrijvingen van leermiddelen basiseducatie ter beschikking.

7.12.4. Beroepsopleiding VDAB - lesgevers Ofschoon de VDAB over een eigen opleidingsdienst beschikt die o.a. de initiële en voortgezette opleiding van de instructeurs (doorgaans gerekruteerd als vakmensen uit de bedrijfswereld) verzekert, werft de VDAB ook lesgevers aan die een lerarenopleiding hebben gevolgd.

7.12.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - lesgevers SYNTRA-Vlaanderen organiseert voor de lesgevers een initiële bijscholing van 120 uur, waarbij de klemtoon ligt op pedagogisch-didactische elementen. Verder worden regelmatig periodieke bijscholingen georganiseerd waarbij de klemtoon ligt op vaktechnische elementen, of specifieke aspecten van de pedagogisch-didactische aanpak. Voor de patroons (die de leerjongere 4 dagen per week opleiden) bestaan de Estafette-opleidingen. Hierin wordt voornamelijk gefocust rond instructies geven aan leerjongeren, coaching en conflicthantering.

7.12.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - leraars Leraars in het DKO dienen over een specifiek, vereist bekwaamheidsbewijs te beschikken. Voor bijna alle vakken in het DKO zijn deze vereiste bekwaamheidsbewijzen vastgelegd. Het betreft specifieke basisdiploma's van kunstopleidingen, aangevuld met een lerarenopleiding. Sinds 1 september 2002 worden er daarnaast ook voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen aanvaard: algemene basisdiploma's, meestal van het kunstonderwijs, aangevuld met een lerarenopleiding. De academies beoordelen zelf of een houder van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs de nodige competenties heeft om een vak te onderwijzen. In uitzonderlijke gevallen kan ervaring als bekwaamheidsbewijs in aanmerking genomen worden, en tot een volwaardige aanwerving leiden.

7.12.7 Landbouwvorming - lesgevers Het Vlaamse Gewest subsidieert via de vervolmakingsdagen ook de opleiding van de lesgevers. De centra doen eveneens beroep op lesgevers met een diploma van leerkracht. Meest doen zij beroep op specialisten in de onderwezen materie. Dit zijn lesgevers uit het dagonderwijs, personeelsleden van landbouworganisaties, voorlichters,… De cel Land- en Tuinbouwvorming van de Afdeling Duurzame landbouw (zie [1.2.2.3.]) zorgt voor inspecties ter plaatse.

7.12.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - lesgevers De educatieve medewerkers in sociaalculturele organisaties dienen niet over een specifiek diploma te beschikken. Geëigende opleidingen vormen de basisopleiding 'sociaal-agogisch werk' ingericht door de sociale hogescholen en de richtingen sociale (ped)agogiek en sociaal werk op universitair niveau. SoCiuS, het steunpunt voor sociaalcultureel vowassenenwerk, heeft een bijscholingsaanbod en plant collegagroepen evenals projecten rond praktijkvernieuwing. Speciale aandacht krijgt het thema van de nieuwe media. Samen met de cel voor kwaliteitszorg Kwasimodo begeleidt het Steunpunt de toepassing van kwaliteitszorg in de sector. De organisaties zorgen meestal zelf voor de vorming van hun vrijwillige en freelance lesgevers. Zowel verenigingen als vormingsinstellingen doen ook beroep op gespecialiseerde experts.

7.13 Evaluatie en voortgang We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO)

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 179


7. 8.

Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.13.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) – evaluatie en voortgang Een Centrum voor Volwassenenonderwijs dient in het modulair systeem ten minste één examen aan het einde van elke module te organiseren. In het lineair systeem moet het centrum ten minste één examen voor elk vak aan het einde van het schooljaar organiseren (Decreet van 2 maart 1999).

7.13.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) – evaluatie en voortgang Bij het begin van de cursus krijgt iedere cursist een persoonlijke mentor toegewezen. De mentor corrigeert de taken, evalueert de vorderingen van de cursist en geeft studieadvies. Cursisten van schriftelijke cursussen kunnen gedurende maximum 3 jaar een beroep doen op hun mentor. De begeleiding stopt op het ogenblik dat een cursus afgewerkt is. Bij de online cursussen krijgt een cursist gedurende een bepaalde periode (veelvouden van 3 maand) toegang tot de cursus en alle begeleidings- en communicatiemogelijkheden die daar bij horen.

7.13.3. Basiseducatie – evaluatie en voortgang Doorheen de opleiding worden cursisten intensief begeleid op hun niveau. Het cursusaanbod van de in paragraaf [7.10.3.] vermelde leerdomeinen omvat verschillende niveaus die aansluiten op de verschillende instapniveaus van cursisten. In algemene zin is er in de niveau-indeling een onderscheid tussen een elementaire basis (niveau 1 en 2) en een niveau van verbreden en verdiepen (niveau 3 en 4). Het onderscheiden van niveaus per leerdomein betekent niet dat cursisten alle vier de voorziene niveaus moeten doorlopen. Afhankelijk van hun instapniveau en hun leerwensen kunnen zij op elk niveau in- en uitstromen. Er zijn bovendien op verschillende tijdstippen van het jaar instapmogelijkheden (VOCB, http://www.vocb.be, 2004; Centra voor basiseducatie, http://www.basiseducatie.be, 2004).

7.13.4. Beroepsopleiding VDAB - evaluatie en voortgang Cursisten worden permanent opgevolgd en geëvalueerd in de loop van hun (modulaire) opleiding.

7.13.5. Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - evaluatie en voortgang Een opleiding in de leertijd duurt in principe 3 jaar. Afhankelijk van leeftijd en vooropleiding is een kortere opleiding mogelijk. Tijdens hun opleiding worden leerlingen permanent geëvalueerd. Dit houdt in dat de jongeren, naast het overgangsexamen en het eindexamen, tevens beoordeeld worden aan de hand van tussentijdse evaluaties met betrekking tot het functioneren bij de patroon (4 dagen / week). De tussentijdse evaluaties hebben niet alleen betrekking op het functioneren bij de patroon maar ook op de vorderingen in het centrum. Het overgangsexamen vindt plaats op het einde van het eerste en het tweede opleidingsjaar. Het eindexamen vindt plaats in het laatste jaar van de leertijd. Het eindexamen omvat een geïntegreerde praktijkproef (de zogenaamde C-proef) waarbij de leerling moet bewijzen zowel de beroepstechnische als de algemene vakken te beheersen. De leerling die niet slaagt voor de eindexamens van maatschappijgerichte en/of beroepstechnische vorming, krijgt de gelegenheid in hetzelfde jaar te herkansen. Een herkansing in de praktijkproef kan slechts tijdens het volgende cursusjaar.

7.13.6. Deeltijds Kunstonderwijs DKO – evaluatie en voortgang Tweemaal per schooljaar wordt er een schriftelijke evaluatie gemaakt van elke leerlingen en meegedeeld aan de leerling en/of ouders. Het schoolbestuur kan zelf de vorm van die evaluatie uittekenen. Binnen de academies voor Beeldende kunst worden aan het einde van de lagere graad, aan het einde van het vijfde en zesde leerjaar van de middelbare graad en aan het einde van ieder leerjaar van de andere graden tussen 1 juni en 30 juni overgangsproeven of eindproeven georganiseerd. De eindproeven worden georganiseerd in het laatste leerjaar van de middelbare graad, van de hogere graad en van de specialisatiegraad. Binnen de academies voor Muziek, Woordkunst en Dans vinden de overgangs- en eindproeven plaats tussen 15 mei en 30 juni. De eindproeven worden hier georganiseerd in het laatste leerjaar van elke graad; de overgangsproeven in de andere leerjaren. Verspreide of gedeeltelijke proeven kunnen georganiseerd worden mits kennisgeving aan de inspectie. Voor bepaalde vakken worden geen proeven georganiseerd, of geldt er geen verplichting tot het afnemen van overgangsproeven. Tussen 15 augustus en 15 september worden van alle vakken uitgestelde proeven afgenomen van de leerlingen die om een gewettigde reden niet hebben kunnen

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 180


deelnemen aan de proeven aan het einde van het schooljaar. De inrichtende macht kan beslissen om tijdens die periode ook herkansingsproeven te organiseren. De leerlingen zijn verplicht deel te nemen aan de proeven ingericht aan het einde van het leerjaar waarvoor zij zijn ingeschreven. De leerlingen die meer dan 1/3 van de lessen niet hebben bijgewoond zonder dat hun afwezigheid gewettigd was, worden niet toegelaten tot de proeven en zijn derhalve niet geslaagd.

7.13.7. Landbouwvorming - evaluatie en voortgang Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.13.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - evaluatie en voortgang Kenmerkend is het ontbreken van elke vorm van formele evaluatie van de deelnemers. De organisaties doen wel aan zelfevaluatie, zowel ten behoeve van de deelnemers, als ten behoeve van hun eigen werking.

7.14 Diplomering We behandelen achtereenvolgens: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Onderwijs voor sociale promotie (OSP) Begeleid individueel studeren (BIS) Basiseducatie Beroepsopleiding VDAB Ondernemersvorming SYNTRA Deeltijds kunstonderwijs (DKO) Landbouwvorming Sociaalcultureel volwassenenwerk

7.14.1. Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) - diplomering Er zijn verschillende types van studiebewijzen voor het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP). Een deelcertificaat bekrachtigt een module in het modulair georganiseerd onderwijs. Een certificaat bekrachtigt een modulaire opleiding of optie met uitzondering van de opleidingen algemene vorming ASO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming en een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs. Een getuigschrift bekrachtigt een opleiding van het pedagogisch hoger onderwijs en een lineaire opleiding of optie (uitz. de opties van de opleiding algemene vorming (ASO) van de derde graad van het studiegebied algemene vorming). Een diploma bekrachtigt: • •

• •

een optie van de opleiding algemene vorming (ASO) van de derde graad van het studiegebied algemene vorming; een opleiding algemene vorming, TSO of BSO van de derde graad van het studiegebied algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een getuigschrift van een opleiding of optie van de derde graad van een ander studiegebied voor zover dat diploma in het voltijds secundair onderwijs wordt uitgereikt; een opleiding TSO of BSO van de derde graad van een ander studiegebied dan het studiegebied algemene vorming, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van secundair onderwijs, voor zover dat nieuw verworven diploma in het voltijds secundair onderwijs kan worden uitgereikt; een opleiding van het hoger onderwijs met uitzondering van het pedagogisch hoger onderwijs.

Het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003 regelt de vereenvoudiging en een harmonisering van de terminologie van de studiebewijzen binnen het leerplicht- en volwassenenonderwijs. In een overgangsperiode kan er een supplement toegevoegd worden aan het studiebewijs waarop vermeld wordt hoe de vroegere benaming luidde en met de vermelding erbij dat dit hetzelfde civiele effect inhoudt (persmededeling Vlaamse regering 2003).

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 181


7.14.2. Begeleid Individueel Studeren (BIS) - diplomering Als men alle taken van een BIS-cursus maakt, wordt een attest verleend. Dit is geen erkend studiebewijs. BIS neemt echter zelf geen examens af. Er kunnen enkele opleidingen gevolgd worden ter voorbereiding van het bekomen van erkende certificaten. • •

het Europees Computer Rijbewijs (ECDL) een certificaat Preventie en Bescherming op het Werk.

Een aantal BIS-cursussen werd tevens ontwikkeld ter voorbereiding op: • •

selecties voor statutairen en bevorderingsexamens van Selor, het Selectiebureau van de Federale Overheid; examens van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, algemeen secundair onderwijs (ASO), de vroegere middenjury.

7.14.3. Basiseducatie - diplomering Cursisten kunnen vanaf 2006 officiële certificaten krijgen. Een module met door de overheid vastgestelde leerdoelen geeft recht op een deelcertificaat en een opleiding wordt afgesloten met een certificaat. Opleidingen kunnen worden aangeboden tot op het niveau van de eerste graad van het secundair onderwijs, rekening houdend met het specifieke doelpubliek. De cursist kan een eigen traject samenstellen uit verschillende modules.

7.14.4. Beroepsopleiding VDAB - diplomering Deelnemers kunnen een attest krijgen voor bepaalde opleidingen die ze hebben gevolgd. Bij webleercursussen bekomt de cursist, na positieve evaluatie door de coach,een getuigschrift. Dergelijke attesten hebben geen formele of wettelijke waarde; zij worden niet erkend als equivalent met de erkende studiebewijzen van de eigenlijke onderwijssector. Er bestaan verschillende vormen van certificering van werkzoekenden of werknemers binnen VDAB: • •

•

•

•

VDAB-certificaten – veelal "getuigschriften" genoemd: o vermelden de inhoud van de programmaonderdelen die de cursist met succes gevolgd heeft; VDAB-certificaten met certificaat van een sector: o het certificaat geeft aan dat de sector de opleiding promoot en co-financiert; o bovendien ondersteunt het certificaat van de sector het VDAB-getuigschrift als bewijs van verworven competenties; o voorbeelden: Europees lasdiploma EWF, opleidingen in de autosector ondersteund door EDUCAM, opleidingen in de electrosector ondersteund door VORMELEK, opleidingen in de bouwsector ondersteund door het Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid; VDAB-certificaten met certificaat van een bedrijf: o het certificaat geeft aan dat het bedrijf de opleiding promoot en co-financiert; o bovendien ondersteunt het certificaat het VDAB-getuigschrift als bewijs van verworven competenties; o voorbeelden: ECDL, VCA, Cysco; VDAB-certificaten met aanvullend wettelijk certificaat: o VDAB bereidt de cursist grondig voor op een examen buiten VDAB voor certificaten die wettelijk verplicht zijn voor de uitoefening van bepaalde beroepen; o voorbeelden: rijbewijs CE, ADR (zwaar goederenvervoer op de weg), CEDICOL (centrale verwarming), diploma's in de social profit; Een titel van beroepsbekwaamheid: o dit is een wettelijk certificaat uitgereikt door de Minister van Onderwijs, Vorming en Werk; o doelgroepen die in aanmerking komen: cursisten op het einde van hun opleiding die vermoedelijk voldoen aan de competenties vermeld in de standaard van de Sociaaleconomische Raad van Vlaanderen (SERV), werkzoekenden op eigen verzoek, werknemers op eigen verzoek.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 182


7.14.5. Ondernersvorming SYNTRA-Vlaanderen - diplomering •

• • •

Wanneer de leertijd door de leerling met succes wordt afgerond, ontvangt de leerling een erkend getuigschrift dat hem/haar recht geeft op toegang tot de ondernemersopleiding. Met dit getuigschrift voldoet hij/zij eveneens aan de vestigingseisen inzake beroepskennis voor het merendeel van de gereglementeerde beroepen. Dit certificaat is echter niet equivalent met een diploma van voltijds secundair onderwijs. Na het met succes beëindigen van een ondernemersopleiding krijg men een diploma dat beantwoordt aan de eisen van de vestigingswet. Daarnaast ontvangt men een getuigschrift van basiskennis van bedrijfsbeheer, waarmee men voldoet aan de Programmawet over de vereisten van bedrijfsbeheer. Gecertificeerde bijscholingen die aansluiten op een ondernemingsopleiding leiden tot een officieel getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap. Niet-gecertificeerde bijscholingen (actuele thema's, taalcursussen, thema's uit bedrijfsbeheer en management, nieuwe reglementering…) leveren een attest van SYNTRA op.

7.14.6. Deeltijds kunstonderwijs DKO - diplomering Bij het succesvol beëindigen van elke graad ontvangt de leerling een getuigschrift. Dit heeft geen 'civiel effect', maar toont enkel aan dat men een bepaald niveau aankan. De opleiding biedt natuurlijk wel een stevige basis aan jongeren die wensen aan te vangen met een opleiding binnen het hoger kunstonderwijs (b.v. muziekconservatorium, toneel- en kleinkunstopleidingen, dansopleidingen). Al naargelang de graad kan het getuigschrift beeldende kunst als complementaair aan het basis- of secundair kunstonderwijs worden beschouwd.

7.14.7. Landbouwvorming - diplomering De cursussen worden steeds afgesloten met een cursustest. De deelnemers die minstens 75 % van de uren aanwezig waren en geslaagd zijn voor de cursustest krijgen een namens de minister door de Afdeling Duurzame Landbouw geviseerd getuigschrift. Een succesvolle opleiding voor starter in land- en tuinbouw leidt tot een installatieattest. Het is nodig voor:

• • •

personen die zich wensen te vestigen op een land- of tuinbouwbouwbedrijf en hiervoor een tussenkomst wensen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) en geen diploma kunnen voorleggen van een volledige cyclus land- of tuinbouwgericht onderwijs van minstens het niveau hoger secundair onderwijs.

De Kamers van Ambachten en Neringen aanvaarden het installatieattest als voldoende bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer, voor het verkrijgen van een handelsregister. Het bekomen van een installatieattest verloopt in vier fasen:

• • • •

starterscursus type A van minimum 75 uren starterscursus type B van minimum 40 lesuren afgestemd op de landbouwsector waarin de kandidaatlandbouwer zich wenst te vestigen stages van 20 stagedagen van acht uur op een land- of tuinbouwbedrijf installatieproeven

De afdeling Duurzame Landbouw organiseert tweemaal per jaar in elke provincie een installatieproef, in samenwerking met de provinciale landbouwdiensten. De jury bestaat uit ambtenaren van de ALT (2) en de provincie (1), en vertegenwoordigers van de algemene centra.

7.14.8. Sociaalcultureel volwassenenwerk - diplomering Deelnemers kunnen op hun verzoek en/of op initiatief van de organisatie na afloop van een cursus of andere leeractiviteit een leerbewijs krijgen. Op dit leerbewijs worden de leerdoelstellingen van de activiteit vermeld. Bij een beperkt educatief aanbod wordt ook getest – theoretisch en/of door vaardigheidstesten – of bepaalde competenties verworven zijn door de deelnemers. In dit geval zal in de toekomst een competentiebewijs worden uitgereikt, dit in navolging van het 'Advies Erkenning Verworven Competenties' dat door de DIVA werd overgemaakt aan de Vlaamse Regering. In het sociaalcultureel volwassenenwerk worden vanaf 2006 ook functiebewijzen geïntroduceerd. Een functiebewijs geldt als bewijs voor competenties verworven door het uitvoeren van vrijwilligerstaken of het opnemen van andere vormen van engagement.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 183


7.15. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt • • •

• • • •

•

Het meest volledige overzicht van cursussen en opleidingen voor volwassenen in Vlaanderen, met gegevens geleverd door VDAB, VIZO en Socius, vindt men op : http://www.wordwatjewil.be Jaarlijks organiseert het departement onderwijs ook in elke provincie Studie-informatiedagen, SID-in's, zie http://www.ond.vlaanderen.be/sidin/ Er zijn ook regionale informatiepunten o De werkwinkels van de VDAB: verspreid over heel Vlaanderen o De Stap te Gent: met alle informatie over onderwijs en vorming uit de regio o Tracé te Brussel o Educatieve Wegwijzer te Hasselt o Ivo: regio Gent-Eeklo De Huizen van het Nederlands: oriënteren anderstaligen naar de meest gepaste cursus Nederlands tweede taal (zie [7.2.3.]) Europass vindt men op http://www5.vdab.be/vdab/online/europass/ Voor de DIVA, zie [7.2.] Binnen het departement onderwijs houdt de DBO, Dienst Beroepsopleiding zich bezig met de beroepsopleiding in de breedst mogelijke betekenis. De dienst zorgt voor o coördinatie tussen de verschillende administraties voor overkoepelende materies m.b.t. onderwijs en arbeidsmarkt o contactpersoon met andere beroepsverstrekkers: VIZO – VDAB – NGO's … o contactpersoon met werkgevers-, werknemers- en sectororganisaties o opvolgen van adviezen SERV - Vlor … o opvolgen convenanten onderwijs-arbeidswereld o opvolging Vlaamse en Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren o opvolgen bespreking rond invulling 2de luik deeltijdse leerplicht en trajectbegeleiding in DBSO o opvolging Europese structuurfondsen met het oog op de realisatie van projecten. o coördinatie ESF-projecten voor onderwijs. o http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten/proj_Onderwijs-arbeidsmarkt.htm Voor wetenschappelijke ondersteuning zie o Steunpunt WAV [9.6.] o Hoger instituut voor de Arbeid, HIVA, http://www.hiva.be/

7.15.1 Onderwijs voor sociale promotie (OSP) - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt De modulaire opleidingen worden uitgewerkt door een ontwikkelingscommissie - per (deelgebied van een) studiegebied – waarin gemandateerden van de verschillende onderwijsnetten en eventuele experten ( SERV, sector, inspectie enz.) zetelen.

7.15.2 Begeleid Individueel Studeren (BIS) - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Voor alle cursussen, ook de onlinecursussen, worden de cursisten begeleid door een mentor die een vakspecialist is.

7.15.3 Basiseducatie - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het VOCB heeft samen met de VDAB een test ontwikkeld om het niveau van basiskennis te meten (zie ook [7.2.4.]). Najaar 2004 hebben medewerkers van het Academisch Vormingsinstituut voor Leraren van de KU Leuven het project Ontwikkeling van een systeem van assessment ten behoeve van de centra voor basiseducatie afgerond – een opdracht van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, afdeling volwassenenonderwijs. Dit project omvatte de ontwikkeling van drie instrumenten: • • •

Een intaketoets voor de opleiding informatie- en communicatietechnologie (ICT); Een plaatsingstoets voor de opleiding wiskunde; Een gestandaardiseerde intakeprocedure.

Via de intake-procedure wordt de cursist naar de meest geschikte cursus en het aangepaste niveau doorverwezen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 184


Om haar doelen te realiseren werkt de basiseducatie samen met een breed maatschappelijk werkveld. Zo zijn er bijvoorbeeld samenwerkingen met de VDAB, voor opleidingen basisvaardigheden op de werkvloer of voor de remediëring van rekenen tijdens beroepsopleidingen. Maar ook met de centra voor volwassenenonderwijs, de ocmw's, de gemeentebesturen en andere diensten vormen de centra een netwerk. Een overzicht van het aanbod vindt men op: http://www.basiseducatie.be

7.15.4 Beroepsopleiding VDAB - Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Ingevolge de herstructurering van VDAB is er vanaf 2006 naast de Directie Competentiecentra, een Directie Arbeidmarktregie (regie-coördinatie en regie-uitvoering). De hoofdactiviteiten van de omgevormde bemiddelingsdiensten omvatten: de basisdienstverlening, de uitgebreide dienstverlening aan werkzoekenden, d.i. de trajectwerking, en de uitgebreide dienstverlening aan werkgevers. Daarnaast zijn er nog specifieke taken: haven, trajectbegeleiding gedetineerden, ervaringsdeskundigen, jobcoaching, Euroconsulenten (Eures), inburgering, sociaal interventie-advies, gespecialiseerde psychologische screening. Naast de klassieke media zijn vooral de WIS-kiosken en de uitgebreide toepassingen op het internet belangrijke hulpmiddelen, alsook het call centre. WIS is een jobcomputer met jaarlijks meer dan 120.000 werkaanbiedingen. Op het vlak van internettoepassingen dient de KISS-sollicitantenbank vermeld te worden, een gratis databank met cv's van meer dan 60.000 sollicitanten. Voorts zijn er ook nog 'Lokale Werkwinkels' die alle diensten samenbrengen die men kan raadplegen wanneer men op zoek is naar werk. Met het oog op het ondersteunen van mensen die hun eigen loopbaan in handen willen nemen, biedt de VDAB loopbaandiensten aan in competentiecentra. In deze centra helpen VDAB-loopbaanbegeleiders mensen om loopbaankeuzes te bepalen en een persoonlijk ontwikkelingsplan op te stellen. Dergelijk loopbaanadvies gebeurt vaak op vraag van de werkgever. In dat geval draagt het advies en de begeleiding van de VDAB bij tot de onderlinge optimale afstemming van de behoeften en competenties van de medewerkers en de noden van het betreffende bedrijf. Als werknemer kan men ook op eigen initiatief naar een competentiecentrum stappen. Voor diegenen die nog geen werk hebben, biedt de VDAB de mogelijkheid tot trajectbegeleiding, of ''jobbegeleiding op maat''. De 'trajectwerking' werd in 1999 geïntroduceerd. Deze methode impliceert diepgaande en persoonlijke begeleiding van de werkloze en bestaat uit verschillende stappen zoals diagnose en trajectbepaling ( kwalificerende intake, screening, oriëntatie, psychologisch en medisch onderzoek, profielbepaling, infosessies, vooropleiding), sollicitatietraining, opleiding, persoonsgerichte vorming, begeleiding naar de arbeidsmarkt, opleiding, hulp bij het begin van de tewerkstelling en begeleiding op de werkvloer. Naast trajectbegeleiding, kan een werkloze in zijn zoektocht naar een gepaste job via de VDAB-website ook een beroep doen op de CO.BR.A.-databank (COmpetentie- en BeroepenRepertorium voor de Arbeidsmarkt) die 550 beroepenfiches bevat. Uiteraard is deze databank ook voor niet-werkloze geïnteresseerden toegankelijk. Een ander instrument is de VDAB-beroepenoriëntatie die aan de hand van een vragenlijst duidelijk maakt welke beroepen bij een persoon passen. De commerciële diensten werden afgesplitst in 2002.

7.15.5 Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt De opleidingen van SYNTRA zijn sterk praktijk- en arbeidsmarkt gericht. Leertrajectbegeleiders begeleiden het traject van de leerlingen verbonden door een leerovereenkomst en cursisten-stagiairs verbonden door een stageovereenkomst. De leertrajectbegeleiders sluiten een overeenkomst af met de Praktijkcommissie en worden ook erkend en gecontroleerd door deze Praktijkcommissie. Zowel in de raad van beheer van SYNTRA-Vlaanderen als in de ondersteunende Praktijkcommissie zetelen vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, middenstand en landbouw die deel uitmaken van de SERV.

7.15.6 Deeltijds kunstonderwijs DKO - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 185


7.15.7 Landbouwvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.15.8 Sociaalcultureel volwassenenvorming - begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Het initiatief wordt aan de centra overgelaten.

7.16. Privé-onderwijs De privé onderwijssector heeft zich eveneens ingelaten met afstandsonderwijs (cf. BIS) –als vorm van volwassenenonderwijs- en heeft 'scholen' of centra opgezet in verschillende steden en gemeenten, vooral in de sector van talen en informatietechnologie. Dit privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land echter niet wettelijk gereglementeerd en bijgevolg ook niet van overheidswege gefinancierd of gesubsidieerd. De diploma's afgeleverd door deze instellingen hebben geen wettelijke waarde en het aanbod binnen dit privé-onderwijs is zeer verscheiden, zowel qua aard van de opleidingen, als qua de lesmodaliteiten en prijs zie de jaarlijkse Studie- en informatiedagen (SIDIN) http://www.ond.vlaanderen.be/sidin.

7.17. Statistieken 7.17.1 Onderwijs voor sociale promotie 7.17.1.1 Evolutie van het aantal cursisten in het secundair onderwijs voor sociale promotie Referteperiode 1/9/1999 - 31/1/2000 1/2/2000 - 31/1/2001 1/2/2001 - 31/1/2002 1/2/2002 - 31/1/2003 1/2/2003 - 31/1/2004 1/2/2004 - 31/1/2005

Lineair onderwijs Modulair onderwijs Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal 36.330 65.823 102.153 30.605 37.305 67.910 37.101 65.382 102.483 58.787 71.642 130.429 36.075 62.997 99.072 66.751 85.706 152.457 30.588 53.825 84.413 80.843 101.511 182.354 29.244 52.052 81.296 82.308 107.315 189.623 21.405 40.961 62.366 97.439 131.432 228.871

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

7.17.1.2 Evolutie van het aantal cursisten in het hoger onderwijs voor sociale promotie Referteperiode 1/9/1999 - 31/1/2000 1/2/2000 - 31/1/2001 1/2/2001 - 31/1/2002 1/2/2002 - 31/1/2003 1/2/2003 - 31/1/2004 1/2/2004 - 31/1/2005

Lineair onderwijs Mannen Vrouwen Totaal 6.109 5.299 11.408 6.643 5.513 12.156 6.334 5.433 11.767 5.494 5.180 10.674 4.328 4.487 8.815 3.226 3.424 6.650

Modulair onderwijs Mannen Vrouwen Totaal 2.465 3.034 5.499 3.846 5.050 8.896 4.906 6.600 11.506 6.731 9.030 15.761 8.184 10.689 18.873 8.724 11.975 20.699

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 186


7.17.1.3 Aantal cursisten in het hoger onderwijs voor sociale promotie, naargelang onderwijsvorm en type; (referteperiode 1/2/2004 - 31/1/2005) Lineair onderwijs M V Korte type Artistiek Economisch Paramedisch Pedagogisch Sociaal Technisch Totaal korte type

T

77 1548 34

47 1270 95

124 2818 129

532 1020 3211

1859 153 3424

2391 1173 6635

15

0

15

3226

3424

6650

Modulair onderwijs M V

2517 0 4538 1160 509 8724

1668 29 7006 3153 119 11975

T

4185 29 11544 4313 628 20699

H.T.O. 2de graad Technisch ingenieur Algemeen totaal

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

7.17.1.4 Aantal getuigschriften, certificaten en diploma's uitgereikt tijdens de referteperiode 1 februari 2004 - 31 januari 2005 Getuigschriften 21.919

Certificaten 12.964

Diploma's 572

7.17.1.5 Aantal diploma's uitgereikt in het OSP , per type en categorie tijdens de referteperiode 1 februari 2004 - 31 januari 2005

Lineair ond. Korte type Artistiek Economisch Paramedisch Sociaal Technisch

Modulair ond. 37 1011

Totaal korte type H.T.O. 2de graad Technisch ingenieur Algemeen totaal

60 615 312 2035

243 4 241 40 528

11

2046

7.17.1.6 Aantal getuigschriften pedagogische bekwaamheid (GPB) uitgereikt tijdens de referteperiode 1 februari 2004 - 31 januari 2005 Korte type 2967 Pedagogisch Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 187


7.17.1.7 Evolutie budget OSP (in 1000 ₏) 2000 125.997

2001 144.549

2002 158.522

2003 178.574

2004 202.933

2005 210.349

Bron: Vlaams onderwijs in cijfers (Departement onderwijs)

Het budget voor VWO tussen 1999 en 2004 steeg van 3,9 naar 4,7 % van het Vlaamse onderwijsbudget. Deze stijging heeft te maken met een stijging in de deelname aan volwassenenonderwijs en het verminderen van het aantal cumulbetrekkingen. Meer en meer centra trekken voltijdse medewerkers aan. Deze worden door de overheid beter verloond. (Toelichting inspectie OSP).

7.17.2 Begeleid individueel studeren 7.17.2.1 Evolutie aantal cursisten Jaar 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998

Ingeschreven cursisten 31.353 27.950 23.828 23.309 25.727 25.488 25.520 30.025 23.887

1999 2000 2001 2002 2003 2004

48.882 40.613 23.342 24.825 29.158 25.453

(1) In 1999 werd de naam 'afstandsonderwijs' vervangen door B.I.S. 'Begeleid Individueel Studeren'. (2) Sinds mei 2000 wordt een beperkt inschrijvingsgeld gevraagd voor de cursussen van B.I.S.. De heffing van deze vorm van remgeld leidde tot een vermindering van het aantal inschrijvingen. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005 7.17.2.2 Evolutie budget (in 1000 ₏) 2000 3.064

2001 3.676

2002 4.216

2003 3.982

2004 4.239

2005 3.507

Bron: Vlaams onderwijs in cijfers (Departement onderwijs)

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 188


7.17.2.3 Aantal inschrijvingen per studiegebied, in 2004

Cursusussen volgens studiegebied Talen Informatica Wetenschappen Administratie Wiskunde Economie Techniek Varia Totaal

Aantal cursisten 12.982 4.676 1.442 641 689 1.406 1.793 1.824 25.453 215

Aantal mentoren

Bron: Vlaams onderwijs in cijfers (Departement onderwijs)

7.17.3 Basiseducatie 7.17.3.1 Evolutie van het aantal cursisten in de basiseducatie vanaf het werkjaar 1990-1991 Werkjaar 1990 - 1991 1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Mannen 0 3633 4204 5058 5491 5421 5681 6006 6748 7788 8460 10462 10456 n.b. n.b.

Vrouwen 0 5030 5790 6767 7351 7867 7909 8773 10154 11684 12753 15925 14206 n.b. n.b.

Totaal 7085 8663 9994 11825 12842 13288 13590 14779 16902 19472 21213 26387 24662 n.b. 26188

Bron: VOCB

7.17.3.2 Evolutie van het budget basiseducatie (duizend ₏) 2000 2001 2002 2003 2004 14.995 15.345 17.730 18.032 18.280

2005 18.736

Bron: Vlaams onderwijs in cijfers (Departement onderwijs)

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 189


7.17.4. VDAB Aantal beĂŤindigde opleidingen, opgesplitst naar activiteit werknemers - werkzoekenden in 2004 Werknemers A. VDAB-centra Module 2: Trajectbepaling

Uren

Werkzoekenden

Uren

Totaal

Totaal uren

70

784

10.691

316.670

10.761

317.454

733

12.919

12.262

475.094

12.995

488.013

Module 3: Sollicitatietraining en begeleiding Module 4: Beroepsspecifieke opleiding Module 5: Persoonsgerichte vorming

38.310

1.014.062

51.432

9.799.933

89.742

10.813.996

11.229

70.604

9.034

925.237

20.263

995.840

Module 6: Begeleiding/opleiding op de werkvloer Totaal

50.342

568 1.098.937

88 83.507

1.859.448 88 13.376.382 133.849

1.860.016 14.475.319

B. Individuele opleidingen

12.273

12.273

C. Profielbepalingen

36.755

36.755

Bron: Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), Keizerslaan 11, 1000 Brussel.

Toelichting: A. VDAB-centra B. Individuele opleidingen: 1) Onderneming (IBO): de individuele beroepsopleidingen in de onderneming zijn 'on the job'-trainingen in een bedrijf. Enkel uitkeringsgerechtigde werkzoekenden komen hiervoor in aanmerking. Deze opleidingen zijn bedoeld als voorbereiding op vast werk en zijn een ideale formule voor sommige moeilijk in te vullen vacatures. De VDAB staat in voor de kwaliteitsbepaling van deze opleidingen. 2) Technische school (IBT): individuele beroepsopleiding in technische scholen. Het betreft studenten die nog naar school gaan en terzelfdertijd een BO-contract met de VDAB afsloten. C. Profielbepalingen: Voor de werkzoekende aan een bepaalde opleiding begint, wordt hij in veel gevallen eerst getest (gaande van intakegesprekken tot effectieve bekwaamheidstesten). Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 190


7.17.5 Ondernemersvorming SYNTRA-Vlaanderen 7.15.5.1 Leertijd - aantal cursussen, lesuren en cursisten; cursusjaar 2004-2005 Maatschappijgerichte vorming Cursussen Lesuren Cursisten 438 46.103 5.170

Beroepskennis Cursussen Lesuren Cursisten 1.085 67.202 5.322

7.15.5.2 Ondernemersopleiding - aantal cursussen, lesuren en cursisten; cursusjaar 2004-2005 Bedrijfsbeheer Cursussen Lesuren Cursisten 746 50.517 6.904

Beroepskennis Cursussen Lesuren Cursisten 4.203 250.628 20.913

7.15.5.3 Leerovereenkomsten en -verbintenissen onder toezicht op 31 december 2004 4.543 7.15.5.4 Stageovereenkomsten en -verbintenissen onder toezicht op 31 december 2004 1.004 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 191


7.15.6 Deeltijds kunstonderwijs (DKO) 7.15.6.1 Evolutie van het aantal leerlingen vanaf het schooljaar 1991-1992

Schooljaar

1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Schooljaar 1991 - 1992 1992 - 1993 1993 - 1994 1994 - 1995 1995 - 1996 1996 - 1997 1997 - 1998 1998 - 1999 1999 - 2000 2000 - 2001 2001 - 2002 2002 - 2003 2003 - 2004 2004 - 2005

Muziek, woordkunst, dans Beeldende kunst Totaal Verhouding t.o.v. 1991-1992 Verhouding t.o.v. 1991-1992 Verhouding t.o.v. 1991-1992 Absoluut Procent Absoluut Procent Absoluut Procent 39.910 100 91.207 100 131.117 100 40.446 101,34 90.587 99,32 131.033 99,94 41.190 103,21 86.950 95,33 128.140 97,73 43.553 109,13 88.407 96,93 131.960 100,64 44.534 111,59 90.036 98,72 134.570 102,63 45.456 113,90 89.851 98,51 135.307 103,20 46.233 115,84 89.108 97,70 135.341 103,22 48.205 120,78 90.059 98,74 138.264 105,45 49.901 125,03 89.586 98,22 139.487 106,38 50.989 127,76 89.961 98,63 140.950 107,50 52.380 131,25 93.228 102,22 145.608 111,05 54.132 135,64 95.589 104,80 149.721 114,19 54.994 137,80 98.557 108,06 153.551 117,11 55.511 139,09 102.201 112,05 157.712 120,28

Beeldende Kunst (BK) 39.910 40.446 41.190 43.553 44.534 45.456 46.233 48.205 49.901 50.989 52.380 54.132 54.994 55.511

Muziek, Woordkunst, Dans Totaal DKO Muziek (M) Woordkunst (W) Dans (D) Totaal MWD 67.787 18.373 5.047 91.207 131.117 67.886 18.185 4.516 90.587 131.033 66.033 16.917 4.000 86.950 128.140 66.983 17.512 3.912 88.407 131.960 68.130 17.920 3.986 90.036 134.570 67.974 18.167 3.710 89.851 135.307 67.280 18.198 3.630 89.108 135.341 67.348 19.104 3.607 90.059 138.264 66.527 19.381 3.678 89.586 139.487 66.927 19.354 3.680 89.961 140.950 68.558 19.623 5.047 93.228 145.608 70.058 19.646 5.885 95.589 149.721 72.098 20.013 6.446 98.557 153.551 74.350 20.600 7.251 102.201 157.712

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

7 Permanente vorming / 192


8. ONDERWIJZEND PERSONEEL, MANAGEMENTPERSONEEL EN EDUCATIEVE STAFLEDEN Algemeen kunnen er in het basis- en secundair onderwijs vier verschillende types van leerkrachten worden onderscheiden (Decreet van 16 april 1996): • • •

•

de 'leraar kleuteronderwijs' die algemeen en sociaalopvoedend onderwijs geeft aan kinderen van drie tot zes jaar; de 'leraar lager onderwijs' die algemeen en sociaalopvoedend onderwijs geeft aan kinderen van zes tot twaalf jaar; de 'leraar secundair onderwijs - groep 1' die opgeleid is om les te geven in de eerste en de tweede graad secundair onderwijs, in de derde graad technisch secundair onderwijs (voor de opleidingseenheden bio-esthetiek; haartooi en kleding; voeding en verzorging), en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs; de 'leraar secundair onderwijs - groep 2' die opgeleid is om les te geven in de tweede, derde en vierde graad van het secundair onderwijs.

We behandelen hier: • • • • • •

De initiële lerarenopleiding, zie [8.1.] De arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel, zie [8.2.] De aanstellings- en arbeidsvoorwaarden voor (adjunct)directeurs, zie [8.3.] De aanstellings- en arbeidsvoorwaarden voor inspecteurs en personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, zie [8.4.] Het personeel verantwoordelijk voor begeleiding en personeel van de Centra voor leerlingenbegeleiding, zie [8.5.] Andere personeelsleden, zie [8.6.]

8.1. Initiële lerarenopleiding De initiële lerarenopleidingen zijn gericht op het verwerven van de basiscompetenties voor een bepaald leraarstype. Er zijn verschillende soorten opleidingen. • • •

• •

Voor de leraren kleuter-, lager- en secundair onderwijs - groep 1 wordt een initiële lerarenopleiding georganiseerd door de hogescholen. De leraar secundair onderwijs - groep 2 volgt een academische initiële lerarenopleiding (AILO) aan de universiteiten Voor de leraren secundair onderwijs – groep 2 binnen de studiegebieden 'handelswetenschappen en bedrijfskunde', 'audiovisuele en beeldende kunst' en 'muziek en dramatische kunst' wordt door hogescholen met basisopleiding van twee cycli (in afbouw) en met academische bachelors en masters in die studiegebieden een initiële lerarenopleiding van academisch niveau georganiseerd Voor de mensen die intussen een ander beroep uitoefenden (de zogenaamde zij-instromers) bestaat een opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB-opleiding), zie [8.1.8.]. Voor leraren dans bestaat de initiële lerarenopleiding dans op hogeschoolniveau.

Voor het onderwijzend personeel aan hogescholen en het academisch personeel aan universiteiten bestaat geen specifieke initiële lerarenopleiding. De hogescholen en universiteiten organiseren daarnaast nog voortgezette lerarenopleidingen (gericht op het behalen van een bijkomende graad), doch die worden in dit overzicht niet behandeld.

8.1.1. Historisch overzicht Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

Vroeger werden de opleidingen van leerkracht voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs in aparte instellingen georganiseerd, nl. de normaalscholen. (Voor de leerkrachten secundair onderwijs – groep 1 het zgn. 'regentaat'). Oorspronkelijk ging het om een soort van hoger secundair onderwijs, om dan later tot het hoger onderwijs te gaan behoren. Vanaf 1970 zijn de normaalscholen geïntegreerd in het structurele kader van het hoger onderwijs. Na de fusieoperatie van 1995, zijn deze instellingen departementen voor lerarenopleiding geworden binnen de nieuwe gefusioneerde hogescholen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 193


Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

In 1929 werd bij wet een minimalistisch deeltijds schema voor de lerarenopleiding aan de universiteit vastgelegd dat complementair was met de gekozen studierichting, het zgn. 'aggregaat'. Veel pogingen zijn ondernomen om deze wet te wijzigen. Pas in 1996 gebeurde dit met succes. De actuele organisatie van de lerarenopleiding heeft vorm gekregen door het Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996.

8.1.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De lerarenopleidingen zullen ondergebracht moeten worden in de nieuwe bachelor-masterstructuur (BaMa) voor het hoger onderwijs. Onderwijsminister Frank Vandenbroucke wil daarbij een aantal vernieuwingen doorvoeren. •

•

•

Het regentaat is al omgevormd tot een professionele bacheloropleiding. Met dit bachelordiploma kan de leraar onmiddellijk in het onderwijs aan de slag. In het eerste jaar heeft hij of zij recht op aanvangsbegeleiding door een mentor. (Met een professionele bachelor kan je onmiddellijk naar de arbeidsmarkt, een academische bachelor is in principe de aanloop naar een masteropleiding.) Het "aggregaat" wordt grondig hervormd. o Het theoretische gedeelte krijgt een duidelijke plaats. Bij tweejarige masteropleidingen wordt de lerarenopleiding een afstudeerrichting in het tweede jaar met de waarde van 30 studiepunten (een half jaar). Bij een éénjarige masteropleiding moet het theoretische deel (ook 30 studiepunten) na het masterjaar (voor een bepaald vak of studiegebied of (basis)discipline) gevolgd worden. o Het praktisch gedeelte (de stages) volgt op de master. De stages kunnen uitgevoerd worden vóór de aanwerving (pre service) of na de aanwerving (in service) door de school. In het eerste geval doet de student een stage van 30 studiepunten. In het tweede geval heeft de stage de vorm van een ingroeibaan van 1 jaar, voor een opdracht van minimaal 70% van een fulltime. Tijdens deze periode wordt de aspirant-leerkracht begeleid door een mentor en door het opleidingsinstituut. Voor zijn opdracht verdient hij of zij 2/3 van het normaal loon. Wie een betrekking van 70% heeft (het minimum bij een ingroeibaan) verdient dus 2/3 van 70% van een voltijds loon. Pas na het afronden van de stage of de ingroeibaan krijgt de betrokkene het diploma van leraar. De belangrijkste aanpassing bij de GPB-opleiding is dat deze niet meer toegankelijk zal zijn voor pas afgestudeerden uit het hoger onderwijs. Ze is vooral gericht op mensen die al een ander (technisch) beroep uitoefenden (zij-instromers). De jongste jaren zijn er meer inschrijvingen voor een GPB-opleiding (zie [8.1.8.]). De hervorming van de lerarenopleiding die de verschillende lerarenopleidingen zo gelijkvormig mogelijk zal maken, zal de GPB-opleiding en de opleiding aan de universiteiten verzwaren.

Bovendien is bepaald dat: • • •

de academische bachelors geen toegang krijgen tot de lerarenopleiding; de aanvangsbegeleiding bij professionele bachelors, de stages en de ingroeibanen bij masters wordt begeleid door mentoren. Dat zijn ervaren leerkrachten die hiervoor ontheven worden van een deel van hun lesopdracht; in de professionele bachelor (het regentaat) het aantal vakken wordt teruggebracht van 3 naar 2. Minister Vandenbroucke wil zo ruimte scheppen om dieper in te gaan op de keuzevakken en meer aandacht te besteden aan informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en aan zorg voor leerlingen met speciale noden.

De hervorming zal ten vroegste voelbaar zijn in het academisch jaar 2006-2007. (Persmededeling kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, 16 december 2004) Tevens dienen ook de basiscompetenties voor de lerarenopleiding te worden geherformuleerd. Basiscompetenties van leerkrachten moeten tot op het startniveau ontwikkeld zijn. Ze worden onderscheiden in startcompetenties enerzijds en ontwikkelingscompetenties anderzijds. Dat startniveau garandeert dat de leraar-invorming de professionele praktijk kan betreden. Naast de klassieke pre-service stage komen er ingroeibanen met sterke begeleiding van mentoren, met een aangepast statuut en verloning. De beroepstitel van leraar zal men pas verwerven na de in-servicetraining en de aanvulling van de startcompetenties. Ook om te vermijden dat jonge leerkrachten vroegtijdig opstappen (zie 8.2.4) zullen deze vanaf 1 januari 2006 in het secundair onderwijs begeleid worden door mentoren. In de toekomst zal dat mentorschap worden uitgebreid naar alle onderwijsniveaus.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 194


Er zal ook een volwaardige opleiding komen voor islamleraars en imams binnen het Vlaams onderwijs. Twee jaar nadat de opleiding van start is gegaan, zullen conform de taalwetgeving, enkel mensen die middels een taalexamen bewezen hebben de Nederlandse taal te beheersen, in aanmerking komen voor de functie van leraar islamitische godsdienst. Voor de personen die thans als leraar islamitische godsdienst of imam fungeren is een overgangsperiode voorzien.

8.1.3. Wettelijk kader De volgende decreten en besluiten regelen de initiële lerarenopleiding voor de leraren kleuteronderwijs, lager onderwijs, en secundair onderwijs – groep 1. • • • • • •

Het Decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994. Het Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in Vlaanderen. Besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de basiscompetenties van leerkrachten. Het Decreet van 15 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren. Brief van 27 januari 2003: toegang tot de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren

Leraren secundair onderwijs - groep 2 krijgen een academische initiële lerarenopleiding aan een universiteit of hogeschool. Het wettelijk kader van die academische initiële lerarenopleiding bestaat uit de volgende decreten en besluiten. • • • • • •

Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de universiteit). Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de hogeschool). Decreet betreffende de lerarenopleiding en nascholing van 16 april 1996. Besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (enkel voor initiële academische lerarenopleiding aan de hogeschool). Decreet van 15 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren. Decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt.

8.1.4. Instellingen, niveau en opleidingsmodellen We behandelen achtereenvolgens de opleidingen voor leerkrachten • • •

kleuter- en lageronderwijs en secundair onderwijs-groep 1, zie [8.1.4.1.] secundair onderwijs-groep 2, zie [8.1.4.2.] dans, zie [8.1.4.3.]

8.1.4.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 De initiële lerarenopleiding voor leerkrachten kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs – groep 1 wordt georganiseerd door de inrichtende machten die verantwoordelijk zijn voor de hogescholen. Zij bieden dit in een basisopleiding van één cyclus aan (studiegebied 'onderwijs'). De opleiding duurt 3 jaar. 8.1.4.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 De academische initiële lerarenopleiding wordt georganiseerd door de faculteiten of departementen die eveneens instaan voor de organisatie van de betrokken basisopleiding aan de universiteiten. Hetzelfde is het geval voor de initiële lerarenopleiding van academisch niveau aan de hogescholen. De duur van de academische initiële lerarenopleiding omvat één studiejaar halftijds (30 studiepunten, 168 contacturen, 750u studietijd waarvan 270u praktijk) en een equivalent van 9 studiepunten (270u studietijd) te kiezen uit departementale en interdepartementale brugvakken uit de tweede cyclus. De opleiding kan worden

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 195


gevolgd in één jaar ofwel gespreid over twee jaren. Men kan de opleiding simultaan volgen met de tweede cyclus van de basisopleiding. Het diploma lerarenopleiding kan echter pas bekomen worden nadat het diploma van de tweede cyclus van de basisopleiding behaald werd. Men kan de opleiding ook volledig na de tweede cyclus volgen ofwel gedeeltelijk tijdens de tweede cyclus en gedeeltelijk erna. Hogescholen die basisopleidingen van twee cycli aanbieden in de studiegebieden handelswetenschappen en bedrijfskunde, audiovisuele en beeldende kunst of muziek en dramatische kunst, kunnen aansluitend bij deze basisopleidingen een initiële lerarenopleiding van academisch niveau organiseren , die wordt bekrachtigd met de graad van geaggregeerde voor het secundaironderwijs-groep 2 (Decreet van 13 juli 1994). De academische initiële lerarenopleiding aan de hogeschool kan tijdens of na de basisopleiding worden gevolgd. De concrete spreiding en duur van de opleiding verschilt echter naargelang studiegebied en de instelling. 8.1.4.3 Leraar dans De hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus aanbiedt, kan aansluitend bij deze basisopleiding een initiële lerarenopleiding organiseren, waarvoor het diploma van leraar dans wordt verleend. Deze lerarenopleiding bestaat uit één studiejaar en bedraagt ten minste 1.500 en ten hoogste 1.800 uren onderwijs- en andere studie-activiteiten. (Decr.18 mei 1999)

8.1.5. Toelatingsvoorwaarden Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1

De toelatingsvoorwaarden zijn identiek aan die van het hoger onderwijs in het algemeen (zie paragraaf [6.6.] ). Voor de inschrijving in een bacheloropleiding geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van secundair onderwijs, een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend (Decreet van 4 april 2003). Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2

Voor de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding aan de universiteit geldt het bezit van een diploma van de eerste cyclus van een academische opleiding als toelatingsvoorwaarde. Het universiteitsbestuur kan ook personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit in het buitenland – voor zover dit diploma een opleiding van ten minste vier jaar afrondt- toelating geven tot de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding. In dat geval kan het universiteitsbestuur de inschrijving afhankelijk maken van het volgen van sommige opleidingsonderdelen van een academische opleiding (Decreet van 12 juni 1991). Voor de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding aan de hogeschool geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van een basisopleiding van academisch niveau (Decreet van 13 juli 1994). Leerkrachten dans Tot de lerarenopleiding dans worden toegelaten : • •

de geslaagden van het tweede studiejaar van de basisopleiding dans van één cyclus. Om het diploma van leraar dans te behalen, moeten de studenten in kwestie het diploma van de basisopleiding dans van één cyclus behaald hebben; de kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van één cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus organiseert, en vijf jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen (Decreet van 18 mei 1999).

8.1.6. Curriculum, Speciale vaardigheden, Specialisatie We behandelen eerst de initiële opleiding voor leerkrachten BaO en SO-groep 1; vervolgens deze voor groep 2.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 196


8.1.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 Het is decretaal vastgelegd dat de lerarenopleiders op basis van de basiscompetenties het opleidingsprogramma van hun verschillende lerarenopleidingen bepalen. De opleidingsprogramma's van de lerarenopleidingen omvatten ten minste de twee onderscheiden componenten die ook in de basiscompetenties voorkomen. Voor de opleiding van de leerkrachten kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs - groep 1, bedraagt de minimumomvang van de gemeenschappelijke stam van de basiscompetenties 45 studiepunten (Decreet van 16 april 1996). In de opleidingen voor de leraar secundair onderwijs – groep 1 zijn verschillende opties of specialisaties mogelijk. Elke specialisatie bestaat uit: • •

een basiscluster van opleidingseenheden; één of meerdere opleidingseenheden voor uitdieping.

Elke basiscluster moet overeenkomen met een waarde van drie punten. Dergelijke basisclusters zijn in theorie een vrije combinatie van verschillende opleidingseenheden die samen tellen voor 3 punten (Decreet van 16 april 1996). In de realiteit hangen de keuzes af van wat het opleidingsprogramma van het departement aanbiedt. •

•

•

Opleidingseenheden met een waarde van één punt zijn: aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, fysica, Latijn, biologie, Frans, Nederlands, gebarentaal, godsdienst, niet-confessionele, economie, technischtechnologische opvoeding, informatica en burotica, kleding, bewegingsrecreatie, project algemene vakken (voor het beroepssecundair onderwijs). Opleidingseenheden met een waarde van twee punten zijn: o mechanica-electriciteit, voeding/ verzorging - kleding, bio-esthetiek - haartooi, hout-bouw, biotechnieken-land-tuinbouw, o muzikale opvoeding, plastische opvoeding en lichamelijke opvoeding De opleidingseenheid 'bewegingsrecreatie' kan enkel worden gekozen in combinatie met de opleidingseenheid 'lichamelijke opvoeding'.

Voor uitdieping kan men kiezen voor: • • • •

Één van de opleidingseenheden van de basiscluster, met uitzondering van Latijn en technischtechnologische opvoeding Duits Chemie (op voorwaarde dat zowel fysica als biologie deel uitmaken van de basiscluster) Twee opleidingseenheden mits deze bestaan uit: o de opleidingseenheid project algemene vakken o één van volgende opleidingseenheden: aardrijkskunde, geschiedenis, Engels, wiskunde, fysica, biologie, Frans, Nederlands, godsdienst, niet-confessionele zedenleer, economie.

Voor elk van de gekozen vakken wordt naast de theoretische kennis, eveneens de didactiek en de praktijk van het lesgeven aangeleerd en ingeoefend. 8.1.6.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 Ook met betrekking tot de academische initiële lerarenopleiding werd decretaal vastgelegd dat de lerarenopleiders op basis van de basiscompetenties het opleidingsprogramma van hun lerarenopleidingen bepalen (Decreet van 16 april 1996). Aan de hogeschool voor Wetenschap en Kunst (VLEKHO) bijvoorbeeld, bestaat de academische initiële lerarenopleiding in het academiejaar 2002-2003 uit contactonderwijs (algemene didactiek, didactiek van de handelswetenschappen, historische pedagogiek en onderwijswetgeving), begeleide onderwijspraktijk (simulatielessen, capita selecta didactiek en stage) en studie-activiteiten uit de basisopleiding (leidinggeven en personeelsbeleid, seminarie loopbaanperspectieven en –planning en bedrijfsethiek) (brochure academische initiële lerarenopleiding handelswetenschappen VLEKHO). Aan de Universiteit Antwerpen bestaat de academische initiële lerarenopleiding – naast de brugvakken – uit 7 specifieke modules, namelijk: Onderwijskunde–Oriëntatie, Onderwijskunde–Onderwijs en Psychologie, Onderwijskunde–Verbreding en Verdieping, Onderwijskunde–Onderwijs en Samenleving, Didactiek per discipline (deel 1), Didactiek per discipline (deel 2) en Stage (Uit: studiegids academische lerarenopleiding UA 2003-2004).

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 197


8.1.7. Evaluatie, diploma's Om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren dient iedere afgestudeerde over de relevante basiscompetenties (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes) te beschikken. Deze basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel (omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening). Elk profiel bevat op zijn minst zowel gemeenschappelijke competenties voor alle leerkrachten inzake kennis, vaardigheden en attitudes, als specifieke competenties die verbonden zijn met een bepaald onderwijsniveau. De competenties van het gemeenschappelijk gedeelte van de opleiding vertegenwoordigen een studielast van minstens 45 studiepunten. In het Decreet van 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing worden de volgende 10 functionele gehelen van competenties onderscheiden, de leraar als: • • • • • • • • • • •

begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen opvoeder inhoudelijk expert organisator innovator onderzoeker partner van de ouders/verzorgers lid van een schoolteam partner van externen lid van de onderwijsgemeenschap cultuurparticipant.

Elk profiel wijst op bepaalde vaardigheden die leraren moeten hebben. Daarenboven worden er tien attitudes vermeld die aan toekomstige leerkrachten moeten worden geleerd: • • • • • • • • • •

beslissingsvermogen openheid voor relaties met anderen kritische ingesteldheid leergierigheid organisatievermogen zin voor samenwerking verantwoordelijkheidszin creatieve gerichtheid flexibiliteit gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie.

In 2002 werd door de DVO i.s.m. het hoger onderwijsveld gestart met de actualisering van de basiscompetenties. De ontwerpbesluiten kregen echter een negatief advies van de VLOR. Daarom wordt het dossier opnieuw gekoppeld aan het geplande nieuwe decreet op de lerarenopleiding en de loopbaan van de leraar. Algemeen geldt aan Vlaamse hogescholen en universiteiten dat niemand door de examencommissie van een bepaald studiejaar geslaagd kan worden verklaard voor dat studiejaar tenzij hij/zij alle examens die horen bij het opleidingsprogramma van dat studiejaar, heeft afgelegd. De geëxamineerde kan zich in de loop van een zelfde academiejaar maximaal tweemaal voor dezelfde examens of examengedeelten aanmelden (Decreet van 4 april 2003) (zie paragraaf [6.1.4.]). 8.1.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs – groep 1 De initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs geeft uitzicht op het bachelordiploma 'initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs'. De initiële lerarenopleiding lager onderwijs wordt afgerond met het bachelordiploma 'initiële lerarenopleiding lager onderwijs'. De initiële lerarenopleiding secundair onderwijs – groep 1 leidt tot het bachelordiploma 'initiële lerarenopleiding secundair onderwijs – groep 1'.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 198


8.1.7.2. Leerkrachten secundair onderwijs – groep 2 De academische graad die men verkrijgt na het afmaken van de academische initiële lerarenopleiding is die van 'geaggregeerde van het secundair onderwijs - groep 2'. Oorspronkelijk wordt naar dit type van leerkracht gerefereerd door middel van zijn discipline-georiënteerde titel van licentiaat of meester (voor kunstrichtingen).

8.1.8. Opleiding tot het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB) Binnen het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) (zie hoofdstuk [7.] ) op het niveau van het hoger onderwijs van korte type wordt (door 23 centra) een opleiding georganiseerd tot het behalen van een Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB-opleiding). Deze opleiding (vroeger 'D-cursus' genoemd) is –als vorm van alternatieve initiële opleiding tot leerkracht- bedoeld voor alle personen die een leraarsambt wensen uit te oefenen en is trouwens een vereiste om vast benoemd te kunnen worden. Het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid geldt als bewijs van pedagogische bekwaamheid, en geeft in combinatie met een basisdiploma, onderwijsbevoegdheid in graden en onderwijsvormen van het secundair onderwijs, het buitengewoon onderwijs, het deeltijds beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs. De GPB- opleiding wordt modulair georganiseerd, de leerstof wordt onderverdeeld in een aantal modules. Door deze opdeling kan de cursist zelf het studiepakket samenstellen en de duur van de studie bepalen. Het centrum voor volwassenenonderwijs is vrij om een modulaire opleiding over een gedeelte van het jaar of over een heel jaar te spreiden. Dit betekent ook dat de opleidingen op verschillende ogenblikken van het jaar kunnen starten. De kandidaat-leerkrachten krijgen naast algemene vorming een grondige psychopedagogische en didactische opleiding. Om als regelmatig cursist toegelaten te worden tot de GPB-opleiding dient men houder te zijn van één van de hierna volgende studiebewijzen : diploma van secundair onderwijs; brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs; diploma van het voltijds hoger onderwijs; getuigschrift of diploma van een hogere secundaire technische leergang; of diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. Een kandidaat-cursist die niet over één van deze studiebewijzen beschikt kan toch toegelaten worden als hij/zij : ten minste 21 jaar wordt in het kalenderjaar waarin hij zich voor het eerst inschrijft, en slaagt voor een toelatingsexamen of een aanvullend programma volgt.

8.2. Arbeidsvoorwaarden voor het onderwijzend personeel Na historiek [8.2.1.], actuele tendensen [8.2.2.] en wetgeving [8.2.3.] behandelen we hier: • • • • • • • • • • • • •

Het planningsbeleid, zie [8.2.4.] Toegang tot het beroep, zie [8.2.5.] Het statuut, zie [8.2.6.] Vervangingsmaatregelen, zie [8.2.7.] Ondersteunende maatregelen inzonderheid de begeleiding van beginnende leerkrachten, zie [8.2.8.] Evaluatie, zie [8.2.9.] Nascholing, zie [8.2.10.] Wedde, zie [8.2.11.] Arbeidstijd en vakantie, zie [8.2.12.] Bevordering, zie [8.2.13.] Beroepsmobiliteit, zie [8.2.14.] Ontslag, zie [8.2.15.] Pensioenregeling, zie [8.2.16.]

Soorten ambten Voor de leden van het onderwijzend personeel in het (buiten)gewoon basis- en secundair onderwijs kunnen 3 soorten ambten onderscheiden worden: • • •

wervingsambt (bv. leerkracht, begeleider, …), selectieambt (bv. adjunct-directeur, technisch adviseur, …), bevorderingsambt (bv. directeur, technisch adviseur-coördinator.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 199


In het hoger onderwijs worden de ambten van het onderwijzend personeel ingedeeld in 3 groepen. Groep 1

Ambt • • • •

Praktijklector Hoofdpraktijklector Lector Hoofdlector

Type van H.O. waarin het ambt kan voorkomen H.O. van één cyclus

2 Assisterend personeel

• • •

Assistent Doctor-assistent Werkleider

H.O. van 2 cycli

3

• • • •

Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar

H.O. van één cyclus en H.O. van 2 cycli

De ambten van hoofdpraktijklector, hoofdlector en werkleider kunnen slechts door bevordering of ambtswijziging worden toegewezen. De andere kunnen ook door werving worden toegewezen. Sinds 1991 bestaat er aan de universiteiten geen onderwijzend personeel meer. Het academisch personeel moet zowel wetenschappelijk onderzoek verrichten als academisch onderwijs verschaffen. Het academisch personeel aan de universiteiten wordt in het Decreet van 12 juni 1991 ingedeeld als volgt. zelfstandig academisch personeel (ZAP)

• • • • •

Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar Buitengewoon hoogleraar

assisterend academisch personeel (AAP)

• • •

Assistent Doctor-assistent Praktijkassistent of –lector

Voor het academisch personeel aan de universiteiten en het onderwijzend personeel in de hogescholen bestaat geen initiële lerarenopleiding.

8.2.1. Historisch overzicht Zowel in het gemeenschapsonderwijs als in het gesubsidieerd onderwijs regelt een statuut dat bij decreet is uitgevaardigd in 1991, de loopbaan van het personeel. Voor het gemeenschapsonderwijs was het de vervanging van de statuten van de jaren '60. Voor het gesubsidieerd onderwijs betekende het de realisatie van een reeds sedert 1973 aangekondigd initiatief. Beide statuten zijn gekenmerkt door een streven om de regels op een minder rigide manier vast te leggen en door het verlenen van autonomie aan de plaatselijke inrichtende machten. Sedert hun ontstaan zijn de decreten van 1991 al herhaaldelijk gewijzigd en fundamenteel aangepast ingevolge structurele wijzigingen in enkele onderwijsniveaus:

• • • • •

de hervorming van het secundair onderwijs; de omvorming van de PMS-centra en het MST tot centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's); het decreet betreffende het volwassenenonderwijs; het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 (voor het gemeenschapsonderwijs); decreet van 10 juli 2003 betreffende het landschap basisonderwijs.

De opeenvolgende wijzigingen hebben vereenvoudiging en overeenstemming tussen de onderwijsniveaus nagestreefd. Toch blijven er enkele verschillen bestaan (Heyvaert en Janssens).

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 200


8.2.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen • • • • • • •

De aanvangsbegeleiding en nascholing van leerkrachten moeten structureel verankerd worden binnen een traject van levenslang leren. Er is een evolutie naar taakdifferentiatie binnen de school als organisatie, waarbij leerkrachten ook gewaardeerd en aangesproken worden op hun specifieke competenties en interesses. Via detacheringen en zelfs outplacement zal externe mobiliteit bij leerkrachten worden aangemoedigd. Ook zal de instap van zogenaamde zij-instromers (mensen met beroepservaring in andere sectoren) gestimuleerd worden. Verschillen tussen de huidige rechtsposities zullen worden weggewerkt, met meer autonomie, deregulering en responsabilisering voor scholen en scholengemeenschappen. Evaluaties op basis van functiebeschrijvingen worden geleidelijk ingevoerd (zie [8.2.9.1.]). Na de integratie van opleidingen in de bachelor/master-structuur zal ook het personeelsbeleid tussen hogescholen en universiteiten beter op elkaar moeten worden afgestemd en zal er een evolutie zijn naar een geïntegreerd personeelsstatuut. Zie discussienota 'onderwijs en vorming 2004-2009'.

8.2.3. Wettelijk kader We behandelen achtereenvolgens • • •

Basisonderwijs en secundair onderwijs Hogescholenonderwijs Universitair onderwijs

8.2.3.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs

• • • • • •

Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde Centra voor Leerlingenbegeleiding. Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs. Decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII. Decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. Decreet van 7 juli 2005 betreffende het onderwijs XV.

8.2.3.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Het Decreet van 13 juli 1994 vormt het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. Titel III van dat decreet gaat meer specifiek in op de rechtspositieregeling van het personeel van de hogescholen. De gemeenschappelijke bepalingen hebben betrekking op de administratieve standen (dienstactiviteit, non-activiteit en terbeschikkingstelling), de evaluatie, de tucht, de toegang tot de ambten, de einde aanstelling en de definitieve ambtsneerlegging; terwijl de bepalingen specifiek voor het onderwijzend personeel ingaan op de samenstelling, de taakomschrijving en de opdracht, de werving, bevordering en ambtswijziging, de toegang tot de ambten, de bezoldigingsregeling, en de cumulatieregeling. 8.2.3.3. Academisch personeel in universiteiten Het Decreet van 12 juni 1991 en het Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het academisch personeel bij de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap vormen het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de universiteiten. In het decreet wordt ondermeer dieper ingegaan op de samenstelling en opdrachten van het academisch personeel, de benoeming en aanstelling van het academisch personeel, de weddenschalen, vergoedingen en toelagen, en tenslotte ook de evaluatie.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 201


8.2.4. Planningsbeleid In een arbeidsmarktrapport (2005) analyseert het departement Onderwijs vraag en aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt en verwachte evolutie 2005-2008. • • • • •

Voor kleuteronderwijs verwacht men een overschot van meer dan 1100 voltijdsen. Voor lager onderwijs verwacht men een overschot van meer dan 2100 voltijdsen. Voor het secundair onderwijs verwacht men een overschot van meer dan 4300 voltijdsen. Voor sommige vakken blijft er echter een tekort : katholieke godsdienst, Nederlands, Frans, wiskunde, algemene verpleegkunde en mechanica. Scholen in verstedelijkte gebieden en aan de taalgrens vinden echter veel moeilijker vervangers. Vooral Brussel vormt een probleemzone. Jonge leraren verlaten vaak snel het onderwijs. In het basisonderwijs stapt 19,5% van de jonge leraren binnen de 5 jaar na hun indiensttreding uit het onderwijs, in het secundair onderwijs is dat zelfs 36%.

http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL503/arbeidsmarktrapport.pdf Om vraag en aanbod in het onderwijs vlotter samen te brengen heeft de VDAB i.s.m. het departement Onderwijs een leerkrachtendatabank uitgewerkt voor basis- en secundair onderwijs. Zie http://www.vdab.be/leerkrachtendatabank

8.2.5. Toegang tot het beroep We behandelen achtereenvolgens de reglementering voor: • • •

Basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.5.1.] Hoger onderwijs, zie [8.2.5.2.] Universiteiten, zie [8.2.5.3.]

8.2.5.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs De Vlaamse overheid legt de bekwaamheidsbewijzen vast per vak, graad, onderwijsvorm en onderwijsniveau. Een bekwaamheidsbewijs omvat een basisdiploma (bv. onderwijzer, licentiaat) en eventueel een bewijs van pedagogische bekwaamheid (cf. lerarenopleiding) en/of nuttige ervaring. Er zijn drie soorten bekwaamheidsbewijzen, namelijk: "vereiste", "voldoende geachte" en "andere". Men beschikt over een "vereist" bekwaamheidsbewijs, als men een specifieke vooropleiding gevolgd heeft in functie van dat te onderwijzen vak. De eisen die aan het diploma gesteld worden qua niveau, zijn afhankelijk van het soort vak, de graad en de onderwijsvorm. Men beschikt over een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs als men een basisdiploma van hetzelfde niveau heeft als het vereiste bekwaamheidsbewijs, maar niet in die specialiteit. In het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid (cf. lerarenopleiding) is een noodzakelijke voorwaarde voor een "vereist" en "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. De inrichtende macht kan bij de aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een "vereist" of een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. In principe moeten scholen steeds voorrang geven aan iemand met een "vereist" of "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs. Uitzon-derlijk kan de school afwijken van deze algemene regel en iemand aanstellen met een "ander bekwaamheidsbewijs" . In dit geval beschikt men over een basisdiploma van een bepaald (minimum)niveau, voor sommige vakken volstaat drie jaar "nuttige ervaring". Op www.ond.vlaanderen.be/ infolijn/faq/bekwaamheidsbewijzen/ staat een overzicht van welke bekwaamheidsbewijzen geldig zijn .

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 202


Andere vereisten zijn (Decreten van 27 maart 1991): • • • • •

burger zijn van de Europese Unie (uitzonderingen zijn mogelijk gezien de Vlaamse regering vrijstellingen verlenen kan); in het bezit zijn van zijn/haar burger- en politieke rechten (de Vlaamse regering kan ook hier vrijstellingen verlenen); voldoen aan de bepalingen van de taalwetten. Het Nederlands is de officiële onderwijstaal; van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een attest van goede zeden dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven; voldoen aan de dienstplichtwetten.

De onderwijsloopbaan van een leerkracht in het basisonderwijs BaO of het secundair onderwijs bestaat uit drie belangrijke stappen • • •

de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de vaste benoeming.

We lichten die nader toe. •

•

•

Bij het begin van de onderwijsloopbaan krijgt een leerkracht steeds een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dit is een aanstelling voor maximum één schooljaar in een vacante of niet-vacante betrekking. Het personeelslid moet voldoen aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden (zie hierboven). Verder worden geen bijkomende voorwaarden gesteld. Na tenminste drie schooljaren kan een tijdelijk personeelslid een tweede fase bereiken in de onderwijsloopbaan: de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) geldt vanaf 1 september 2003 als eenvormig voorrangssysteem voor leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en kan gebeuren in een vacante of niet vacante betrekking. De voorwaarden om het recht op TADD te kunnen inroepen zijn de volgende: o een dienstanciënniteit hebben van ten minste 720 dagen gespreid over ten minste drie schooljaren. Van deze 720 dagen moeten er 600 effectief gepresteerd zijn; o als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie "onvoldoende" gekregen hebben; o niet ontslagen zijn. Een derde stap in de onderwijsloopbaan is de vaste benoeming. Bij vaste benoeming is er een (hiërarchisch) onderscheid tussen de vaste benoeming in ene vacant wervingsambt en de vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt (zie [8.2.]). o Een vaste benoeming in een wervingsambt is zowel in het gemeenschapsonderwijs als in het gesubsidieerd onderwijs enkel mogelijk als het personeelslid een aantal persoonsgebonden voorwaarden (de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden) vervult, minstens 720 dagen dienstanciënniteit heeft geaccumuleerd, waarvan minstens 360 in het ambt waarin het personeelslid wordt benoemd, op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming aangesteld is voor doorlopende duur. o Voor vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt zijn naast een aantal persoonsgebonden voorwaarden (de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden), geen bijkomende voorwaarden inzake dienstanciënniteit vereist. Beslissingen betreffende carrièreperspectieven worden steeds genomen door de inrichtende macht van de school.

8.2.5.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Voor de toegang tot een ambt van het personeel van de hogescholen gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden: • • • • • • •

onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie; de burgerlijke en politieke rechten genieten; houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs; voldoen aan de bepalingen van de taalwetten ter zake; een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het beoogde ambt; voldoen aan de dienstplichtwetten; de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt (Decreet van 13 juli 1994).

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 203


De formele kwalificatievereisten zijn: • • •

het diploma van hogeschoolonderwijs van 1 cyclus voor de ambten van praktijklector en hoofdpraktijklector; een diploma universitair onderwijs of een diploma hoger onderwijs van twee cycli voor de ambten lector, hoofdlector, assistent en werkleider; de graad van doctor voor het ambt van doctor-assistent, docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.

Kandidaten voor het ambt van gewoon hoogleraar moeten aan de volgende criteria beantwoorden: • • •

de instelling die aanwerft moet betrokken zijn in een gezamenlijk onderzoeksakkoord met een universiteit binnen het betrokken onderzoeksveld; de kandidaat moet minstens zes jaren anciënniteit hebben in een ambt van groep 3 of equivalent daarmee; de wetenschappelijke bekwaamheden van de kandidaat moeten worden geëvalueerd door een commissie die bestaat uit drie gewone hoogleraren van drie verschillende Vlaamse universiteiten.

De hogescholen bepalen zelf de nadere specificaties waarover iemand moet beschikken om een bepaald ambt te kunnen uitoefenen. Vier soorten administratieve toestanden zijn mogelijk: tijdelijke benoemingen, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. De leden van het onderwijzend personeel die belast zijn met de opleidingsonderdelen godsdienst of nietconfessionele zedenleer worden aangesteld door het Hogeschoolbestuur, in consensus met de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare oproep, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (Decreet betreffende het Onderwijs X). 8.2.5.3. Academisch personeel in universiteiten Een belangrijke voorwaarde om tot lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) te worden benoemd, is een diploma van doctor op proefschrift of een diploma dat hiermee equivalent wordt geacht (in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord). In uitzonderlijke gevallen kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of een specifieke deskundigheid, tot deeltijds lid van het ZAP benoemen of aanstellen. Om lid van het assisterend academisch personeel (AAP) te worden moet men houder zijn van een universiteitsdiploma van licentiaat of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. Voor een aanstelling tot praktijkassistent volstaat een diploma van de tweede cyclus van het hoger onderwijs van het lange type of een diploma dat equivalent is volgens de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord. In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid één bedoelde, aanstellen tot assistent. In het belang van het onderwijs of het onderzoek kan het universiteitsbestuur ook personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen tot lid van het academisch personeel benoemen of aanstellen.

8.2.6. Statuut We behandelen achtereenvolgens het statuut voor: • • •

Basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.6.1.] Hoger onderwijs, zie [8.2.6.2.] Universiteiten, zie [8.2.6.3.]

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 204


8.2.6.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs Leerkrachten zijn een soort bedienden in de private onderwijsinstellingen en een soort van ambtenaren in de publieke onderwijsinstellingen. De Vlaamse regering heeft in de hoedanigheid van financier de modaliteiten voor recrutering, benoeming, evaluatie, bevordering, ontslag en dergelijke vastgelegd. Het statuut van de leerkrachten is geregeld door twee decreten van 27 maart 1991, zie [8.2.3.1.] die voorzien in een specifiek statuut voor de leerkrachten uit respectievelijk het gemeenschaps- en het gesubsidieerd onderwijs, verschillend van het normale statuut van het personeel uit de publieke en private sector, omwille van het specifieke karakter en de speciale noden van het onderwijsveld. Op grond van het soort contract, kan er een onderscheid worden gemaakt tussen contractuele aanstellingen, tijdelijke aanstellingen en vaste benoemingen. •

• •

Er bestaan verschillende soorten contractuele aanstellingen waarvoor specifieke regelingen zijn uitgewerkt, o.m. o contractuele personeelsleden ten laste van het departement onderwijs (CODO's); zij hebben een contract van onbepaalde duur en kunnen rechten opbouwen om vast benoemd te worden. Naargelang de functie waarvoor, het onderwijsnet of de onderwijsvorm waarin zij zijn tewerkgesteld worden verschillende categorieën van CODO's onderscheiden: gesubsidieerde contractuelen (GECO's) aangesteld op conventies, afgesloten tussen de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Tewerkstelling; GECO's in scholen aangesteld op basis van individuele conventies tussen een inrichtende macht en een minister bevoegd voor tewerkstelling; de contractuelen aangesteld op basis van werkingsmiddelen van de school (COWE's). → omzendbrief Pers/2003/06 (2/4/2004) o Zowel voor GECO's, CODO's als COWE's zijn bepalingen uitgewerkt waardoor zij op basis van hun vroegere prestaties dienst- en ambtsanciënniteit verwerven. Een tijdelijke aanstelling kan van bepaalde duur of van doorlopende duur zijn (zie [8.2.13.] ). Een aanstelling voor bepaalde duur geldt voor maximaal één jaar. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur (TADD) daarentegen loopt over de schooljaren heen. De voordelen van een vaste benoeming t.o.v. een tijdelijke aanstelling zijn de garantie op vastheid van betrekking en verloning, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking indien er geen betrekking is en vervolgens recht op reaffectatie en wedertewerkstelling, de toegang tot een aantal verlofstelstes, en het recht op een overheidspensioen.

Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling Vastbenoemde personeelsleden van wie de opdracht wegviel of verminderde buiten hun wil om, vallen onder het stelsel van de 'terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling'. Dit betekent dat zij 'ter beschikking worden gesteld' als hun betrekking wegvalt en op dat moment voorrang genieten bij vacatures; scholen moeten prioritair op hen beroep doen. Reaffectatie gebeurt binnen hetzelfde ambt. Indien dit niet mogelijk is, kan de inrichtende macht of de reaffectatiecommissie de betrokkene 'wedertewerkstellen'. Wedertewerkstelling gebeurt in een 'ander ambt', zoals een directeur in een leraarsambt en een leraar in het ambt van opvoeder of in het ambt van leraar maar dan voor vakken waar hij geen vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft (zie [8.2.5.1.]). Voor scholen die tot een scholengemeenschap behoren, situeren de reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen zich op het niveau van de scholengemeenschap. Tijdens de terbeschikkingstelling krijgen de personeelsleden een wachtgeld(toelage). Terbeschikkinggestelde personeelsleden zijn in bepaalde gevallen verplicht hun reaffectatie of wedertewerkstelling te aanvaarden. Zij kunnen ook in bepaalde gevallen beschikbaar zijn voor het uitoefenen van pedagogische taken. Voor de reaffectaties en wedertewerkstellingen werden per onderwijssector verschillende reaffectatiecommissies opgericht: per scholengroep en per scholengemeenschap. Zonale commissies zijn vanaf het schooljaar 2005 afgeschaft, interprovinciale voor onbepaalde tijd opgeschort. Bij het departement onderwijs fungeert een Vlaamse Reaffectatiecommissie die beslissingsbevoegdheid heeft maar ook fungeert als beroepsinstantie voor het behandelen van bezwaarschriften. Deze commissie bestaat uit een kamer voor het gemeenschapsonderwijs en een voor het gesubsidieerd onderwijs. Meer info : Heyvaert en Janssens & http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 205


8.2.6.2. Onderwijzend personeel in hogescholen De leden van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn contractueel gezien werknemers in de gesubsidieerde hogescholen of een soort van ambtenaren in de gefinancierde hogescholen. Het hogeschoolpersoneel wordt betaald door de Vlaamse regering. Ofschoon hun wettelijk statuut voor de gesubsidieerde en gefinancierde hogescholen niet geheel hetzelfde is, zijn de verschillen tussen de twee klein. Aan de hogescholen kan de raad van bestuur of het Hogeschoolbestuur vacante betrekkingen tijdelijk of permanent toewijzen aan kandidaten. Enkel de assistenten zijn steeds tijdelijk benoemd. De benoeming in een betrekking gebeurt door recrutering, promotie of verschuiving van betrekkingen. 8.2.6.3. Academisch personeel in universiteiten Contractueel gezien zijn academici werknemers in de private sector van hoger onderwijs en een soort van ambtenaren in de publieke sector van hoger onderwijs. Het academisch personeel wordt betaald door de universiteiten. De verschillen qua wettelijk statuut voor publiek en privaat universitair onderwijs zijn echter klein. De universiteitsbesturen zijn bevoegd om vacante voltijdse of deeltijdse betrekkingen aan kandidaten toe te wijzen. Het assisterend academisch personeel is tijdelijk benoemd, terwijl het zelfstandig academisch personeel vastbenoemd is, met uitzondering van de buitengewoon hoogleraren die een deeltijdse universitaire functie vervullen.

8.2.7. Vervangingsmaatregelen In deze paragraaf behandelen we de mogelijke manieren waarop onderwijzend personeel (tijdelijk) vervangen kan worden. Dergelijke 'vervangingsmaatregelen' kunnen ook opgevat worden als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van de leerkracht in Vlaanderen. 8.2.7.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs Van 2000 – 2005 was een vervangingspool in werking. Die pool bood beginnende leerkrachten een vast loon voor een heel schooljaar, en zette hen in voor korte vervangingen en alternatieve taken in hun "ankerkantoor". Het bleek een goed instrument in tijden van lerarentekort, maar een te duur instrument bij een lerarenoverschot, hetgeen nu het geval is. Daarom werd de pool vanaf het schooljaar 2005-2006 afgeschaft. 8.2.7.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Zoals gezegd in [8.2.3.2.] regelt het Decreet van 13 juli 1994 het wettelijk kader van de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel aan de hogescholen. In dit Decreet wordt echter niets vermeldt over maatregelen ter vervanging van (tijdelijk) afwezig onderwijzend personeel in de hogescholen. 8.2.7.3. Academisch personeel in universiteiten Het universiteitsbestuur stelt zelf een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het academisch personeel regelt. Een tijdelijke vervanging van een lid van het zelfstandig academisch personeel door een externe persoon is uitzonderlijk en kan nooit langer duren dan één academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze vervangingen in hoofde van de vervanger zijn maximaal vier maal hernieuwbaar. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan mag ten hoogste twee jaar bedragen (Decreet van 12 juni 1991 en Besluit van 1 december 1998).

8.2.8. Ondersteunende maatregelen Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 (B.S. 12/06/1996) stelt dat de school waar de beginnende leraar zijn opdracht vervult verantwoordelijk is voor de organisatie van de aanvangsbegeleiding. Bij de invulling van de opdracht van haar personeelsleden, houdt de school hiermee uitdrukkelijk rekening.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 206


In het basisonderwijs BaO kunnen de middelen voorzien voor de nascholing worden aangewend om de aanvangsbegeleiding te organiseren. Deze middelen kunnen met dat doel worden omgezet in bijkomende lestijden. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten van de omzetting.

8.2.9. Evaluatie We behandelen achtereenvolgens: • • •

basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.9.1.] hoger onderwijs, zie [8.2.9.2.] universiteiten, zie [8.2.9.3.]

8.2.9.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs De opdracht wordt vastgelegd in een functiebeschrijving die bestaat uit resultaatgebieden en competenties. Het Decreet basisonderwijs heeft echter geen datum bepaald voor de invoering van de functiebeschrijvingen en evenmin een evaluatie vastgelegd die daarop gebaseerd.(Heyvaert en Janssens). Voor het secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie en de centra voor leerlingenbegeleiding, voerden de decreten van 27 maart 1991 een evaluatiesysteem in dat nauw aansluit bij het systeem van de functiebeschrijving. Een functiebeschrijving omvat drie delen: • • •

de taken en instellinggebonden opdrachten en de wijze waarop het personeelslid deze moet uitvoeren, de instellingspecifieke doelstellingen en de persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen, de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing.

Voor het secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie gelden de functiebeschrijvingen voor alle personeelsleden vanaf 1 september 2004. Voor de centra voor leerlingenbegeleiding is dat vanaf 1 september 2005. Elk personeelslid moet minimaal om de drie jaar worden geëvalueerd. Indien voor het personeelslid geen functiebeschrijving werd opgemaakt is evaluatie niet mogelijk. De inrichtende macht of de scholengemeenschap (gesubsidieerd onderwijs) en het college van directeurs (gemeenschapsonderwijs) onderhandelt over de algemene afspraken inzake evaluatie bij het lokaal comité. Het evaluatieverslag dat opgesteld wordt beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de overeengekomen functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken specifieke doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. De evaluatie gebeurt in de school waar het personeelslid lesgeeft. Elk personeelslid heeft één of twee evaluatoren, waaronder een directeur en/of adjunct-directeur. Voor de godsdienstleraars en leraren niet-confessionele zedenleer treedt de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing op als evaluator voor de vakinhoudelijke en –technische aspecten. Voor de andere aspecten is het de gewone evaluator. Enkel bij een evaluatieverslag dat wordt besloten met de eindconclusie 'onvoldoende', kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Zolang het college van beroep echter niet functioneert, zijn evaluaties met de eindconclusie 'onvoldoende' niet mogelijk. Als het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur, een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie moet een periode van minimum acht en maximum twaalf maanden effectieve prestaties omvatten (Decreten van 27 maart 1991). Onvoldoendes kunnen ook leiden tot ontslag, zie [8.2.15.] In het secundair onderwijs worden alle personeelsleden geëvalueerd vanaf 1 september 2006. In het onderwijs voor sociale promotie moeten alle personeelsleden een eerste keer geëvalueerd worden in de periode van 1 september 2006 tot en met 30 juni 2009. Voor de centra voor leerlingenbegeleiding is dat vanaf 1 september 2007. (Heyvaert en Janssens) 8.2.9.2. Onderwijzend personeel in hogescholen De evaluatieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur (Decreet van 13 juli 1994). Deze evaluatie is verplicht voor elk personeelslid en wordt minstens elke vijf jaar uitgevoerd. Er zijn echter een aantal uitzonderingen

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 207


• •

wanneer het personeelslid de evaluatie ''onvoldoende'' toegewezen krijgt, dient een nieuwe evaluatie te gebeuren na één jaar; in afwijking van de termijn van vijf jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling, of na benoeming of bevordering na maximum drie jaar.

Indien een evaluatie ''onvoldoende'' wordt toegekend, kan het betrokken personeelslid binnen een termijn van vijftien kalenderdagen beroep aantekenen tegen deze beslissing bij het college van beroep inzake evaluatie. De evaluatie ''onvoldoende'' is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen. Op elke evaluatie die niet eindigt met een ''onvoldoende'' kan de betrokkene schriftelijk reageren. Deze schriftelijke reactie wordt aan het evaluatiedossier toegevoegd. 8.2.9.3. Academisch personeel in universiteiten In een academische carrière bestaan er enkele evaluatiemomenten: de tijdelijke benoeming, contractverlenging, vaste benoeming en promotie. In het kader van het systeem van kwaliteitsgarantie, zijn ook de individuele docenten onderworpen aan een evaluatie en kunnen de verkregen resultaten worden gehanteerd in de context van benoemingen en promotie. Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel (Decreet van 12 juni 1991). Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. Na elke nieuwe aanstelling en na elke benoeming of bevordering dient er een evaluatie na drie jaar plaats te vinden. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid bij onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd. Indien het eindoordeel van een evaluatie ''onvoldoende'' is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten. Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties ''onvoldoende'' is of driemaal ''onvoldoende'' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. De Vlaamse regering zal ten laatste in 2006 de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures evalueren (Decreet betreffende Onderwijs X). Het zelfstandig academisch personeel (ZAP) wordt ook geëvalueerd buiten de statutaire context van de universiteit, zoals bij het wedijveren naar onderzoeksfondsen op nationale en internationale niveaus.

8.2.10. Nascholing Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 (B.S. 12/06/1996) stelt dat de inrichtende macht van de school waar de leraar zijn opdracht vervult, er zorg voor moet dragen dat elke leraar ook voor verdere professionalisering ondersteuning krijgt. Dit decreet introduceerde een systeem van vraaggestuurde nascholing. De scholen krijgen de verantwoordelijkheid en de middelen voor hun eigen nascholingsbeleid. Naast de scholen krijgen het gemeenschapsonderwijs en de representatieve groeperingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs een budget voor de vorming van personeel dat geen deel uitmaakt van het eigenlijke domein van het nascholingsbeleid (personeel van de internaten, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) of de pedagogische begeleidingsdiensten) en voor nascholingsinitiatieven specifiek voor het eigen pedagogisch project. Om het gebruik van ICT optimale slaagkansen te geven werden in 2000 5 Regionale expertisenetwerken (REN) uitgebouwd en wordt jaarlijks op de onderwijsbegroting 1,8 miljoen euro voorzien voor de nodige nascholing. De Kerntaak van de REN's bestaat in het aanbieden van nascholing en het aanwenden van hun expertise voor technische en organisatorische ondersteuning. De netwerken bevorderen de samenwerking en bundelen en optimaliseren de aanwezige ICT-expertise, alsook de integratie van ICT in de lerarenopleiding. Vanaf 2004 zijn de

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 208


5 regionale expertisenetwerken geïntegreerd in één competentiecentrum REN-Vlaanderen. Het biedt zowel aanbod- als vraaggestuurde nascholing aan. Het volledige aanbod vindt men op http://www.renvlaanderen.be Zie ook http:// www.ond.vlaanderen.be/ict Door het departement Onderwijs creëerde ook een databank van het nascholingsrepertorium voor onderwijspersoneel http://www.ond.vlaanderen.be/nascholing/database/zoekscherm.asp. Het wettelijk kader dat de nascholing van personeelsleden onderwijs regelt bestaat uit de volgende decreten en besluiten. • • • •

Decreet van 16 april 1996 met betrekking tot de lerarenopleiding en nascholing. Besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van bijscholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse Gemeenschap. Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 1999 houdende regeling van de procedure en voorwaarden voor het verzekeren van een nascholingsaanbod in het kader van het beleid rond nieuwe media. Decreet van 20 oktober 2000 betreffende het Onderwijs XII.

Er bestaan geen vaste regels voor de structurele organisatie van nascholingsprogramma's; zij kunnen zowel op school als in opleidingscentra worden georganiseerd, voor één dag of meerdere dagen. De onderwijsmethoden behoren tot de verantwoordelijkheid van de inrichtende machten zodat er geen sprake is van officiële richtlijnen hieromtrent. Een school is verplicht om elk jaar een nascholingsplan op te maken. In het nascholingsplan worden de behoeften aan nascholing vastgesteld. De vaststelling van de noden kan resulteren in een prioriteitenplan op korte en lange termijn. Binnen de wetgeving wordt nascholing ruim opgevat, zolang kan worden aangetoond dat de gefinancierde initiatieven bijdragen tot de professionalisering van de leerkracht. Zowel de directie als alle personeelsleden van de school kunnen in principe beroep doen op het nascholingsgeld. Er moet wel kunnen worden aangetoond dat de nascholing nuttig is voor de taken van het personeelslid. Scholen kunnen vervoerskosten en inschrijvingsgelden van leerkrachten terugbetalen.

8.2.11. Wedde We behandelen achtereenvolgens: • • •

basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.11.1.] hoger onderwijs, zie [8.2.11.2.] universiteiten, zie [8.2.11.3.]

8.2.11.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs De personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs ontvangen een wedde, en de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs een weddentoelage, die rechtstreeks en maandelijks uitbetaald wordt door de Vlaamse Gemeenschap. De wedde hangt in de onderwijssector af van de volgende factoren (Heyvaert en Janssens): • • • • • • • •

het uitgeoefende ambt (soorten ambten en personeelscategorieën (zie paragraaf [8.4.]) de statutaire toestand (tijdelijk of vast benoemd); de administratieve toestand (actief, non-actief,…); de bekwaamheidsbewijzen en de eraan verbonden weddenschalen; de aard van de betrekking (hoofdbetrekking, bijkomende betrekking) en de omvang van de betrekking; de vroegere diensten (anciënniteit); de persoonlijke en familiale situatie (bijkomende financiële voordelen als vakantiegeld, kindergeld, vergoeding van transportkosten, eindejaarspremie,…); andere tegemoetkomingen, zoals de vergoeding voor kinderopvang voor en na de schooltijd en de vergoeding voor middagtoezicht.

De weddenschalen zijn verbonden met een welbepaald bekwaamheidsbewijs en bestaat uit een aanvangswedde (minimum), een aantal periodieke verhogingen (jaarlijks, tweejaarlijks en op het einde van de loopbaan) en een

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 209


maximumwedde, overeenkomstig de weddenanciënniteit. De weddenanciënniteit begint pas te lopen na het bereiken van de minimumleeftijd. De bedragen van de weddenschalen worden aangepast aan de stijging van de consumptieprijzen. De weddenschalen kunnen worden geraadpleegd op de website van het departement onderwijs. (http://www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm) Tijdelijke personeelsleden, in een selectie- of bevorderingsambt voor een periode waarin de zomervakantie begrepen is, worden tijdens de zomervakantie gewoon doorbetaald. Tijdelijke personeelsleden worden bezoldigd voor wettelijke feestdagen, weekends, herfst-, krokus- en paasvakantie als die (volledig of gedeeltelijk) in de periode van de aanstelling vallen. Dit is ook het geval als die vakanties aansluiten op de laatste dag van een tijdelijke aanstelling en op de eerste dag van een daaropvolgende tijdelijke aanstelling. Naast de eigenlijke wedde kan een personeelslid, in welbepaalde omstandigheden, aanspraak maken op volgende vergoedingen: • • • • • • • • • •

haard- en standplaatsvergoeding, vergoeding voor bijzondere getuigschriften en diploma's, vakantiegeld, eindejaarstoelage, kraamgeld, kinderbijslag, verplaatsingskosten, begrafenisvergoeding, vakbondspremie vergoeding voor middagtoezicht en voor- en naschoolse opvang.

Sinds 1 september 1983 worden overwerk en prestaties als bijbetrekking in het onderwijs niet meer vergoed, tenzij een afwijking wordt verleend(Heyvaert en Janssens). De uitgaven voor wedden beliepen in 2005, 69,65 % van de totale onderwijsuitgaven (het hoger onderwijs niet meegerekend). In feite hebben de leerkrachten een speciaal bezoldigingsstatuut in die zin dat zij worden betaald naargelang het aantal geleverde diensten (op basis van het aantal gegeven lesuren), maar het aantal lesuren dat ze willen geven niet vrij kunnen kiezen. De politieke maatregelen die zijn voorgesteld om inzake het aantal uren lesgeven (en dus de wedde) meer flexibiliteit in te voeren, zijn op verzet van de vakbonden gestoten. Een ander probleem is dat van de beroepsonkosten van de leerkrachten: in de meeste gevallen moeten zij zelf boeken en didactisch hulpmateriaal bekostigen. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat de toegekende werkingsmiddelen aan de scholen onvoldoende zijn. Bijgevolg kunnen de eisen voor meer loon ook gedeeltelijk worden geïnterpreteerd als een eis voor hogere werkingsmiddelen voor de school. 8.2.11.2. Onderwijzend personeel in hogescholen De wedden van het onderwijzend personeel in de hogescholen zijn bij decreet en besluit vastgelegd (zie tabel [8.7.7.]). De berekening van de wedden gebeurt volgens dezelfde principes als voor het onderwijzend personeel van de andere onderwijsniveaus. De hogescholen hebben het recht om personeelsleden die bijkomende administratieve taken zijn toevertrouwd, een bonus van maximum 20% van de normale wedde toe te kennen (Decreet van 13 juli 1994 en Besluit van 3 mei 1995). 8.2.11.3. Academisch personeel in universiteiten De wedden van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en de lectoren in de universiteiten zijn bij decreet en besluit vastgelegd (Decreet van 12 juni 1991, Besluit van 30 juni 1998, Besluit van 4 mei 2001, en Besluit van 31 januari 2003). De weddenschalen van het academisch personeel worden in tabel 8.7.7 gegeven. In principe kunnen de universiteiten aanvullend bepaalde personeelsleden vergoeden voor bijzondere prestaties. Universiteiten maken gebruik van de mogelijkheid om aanvullende vergoedingen uit te reiken voor wetenschappelijke diensten, postacademische opleidingen en professoren op emeritaat die jonger zijn dan 65 en hun activiteiten voortzetten.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 210


8.2.12. Arbeidstijd en vakantie Het volume van de opdracht van leerkrachten wordt in het basis- en secundair onderwijs uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, en niet in uren werk. In het hoger onderwijs van één cyclus wordt het volume van de opdracht doorgaans ook uitgedrukt in lestijden van 50 minuten, maar er is een tendens om naar 60 minuten over te stappen (Heyvaert en Janssens). We behandelen achtereenvolgens: • • •

basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.12.1.] hoger onderwijs, zie [8.2.12.2.] universiteiten, zie [8.2.12.3.]

8.2.12.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs Arbeidstijd Het Decreet Basisonderwijs heeft in het basisonderwijs 3 begrippen ingevoerd: de opdracht, de schoolopdracht en de hoofdopdracht. • •

•

De opdracht omvat alle taken die het personeelslid uitvoert, zowel in als buiten de school (bv. thuis). De schoolopdracht bestaat uit de taken die een leerkracht uitvoert in schoolverband, zijnde de hoofdopdracht (de lesopdracht) en een aantal andere taken. De overheid heeft daarbij vastgelegd (Besluit van 17 juni 1997) dat de wekelijkse schoolopdracht maximaal 26 klokuren bedraagt en dat het deelnemen aan oudervergaderingen of personeelsvergaderingen niet in de schoolopdracht is inbegrepen. De wekelijkse hoofdopdracht is bij besluit vastgelegd. Wekelijkse hoofdopdracht voltijds Onderwijzend personeel, gewoon basisonderwijs Onderwijzer, gewoon lager onderwijs Kleuteronderwijzer, gewoon kleuteronderwijs Onderwijzend personeel, buitengewoon basisonderwijs Kleuteronderwijzer ASV, buitengewoon basisonderwijs

Aantal lestijden minimum maximum 24 28 24 27 24 26 22 27 22 26

In het secundair onderwijs omvat een officiële werkweek in Vlaanderen 38,5 werkuren. De werkuren van leerkrachten worden nog steeds aangeduid als uren van effectief lesgeven. Er zijn voorstellen gedaan om dit systeem in de nabije toekomst te veranderen. • •

In het gewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden, afhankelijk van de graad waarin de leerkracht lesgeeft en het ambt (algemene vakken, technische vakken, kunstvakken of praktische vakken), minimaal 20 lestijden en maximaal 29 lestijden van 50 minuten. In het buitengewoon secundair onderwijs bedragen de wekelijkse lestijden minimaal 22 lestijden voor de leraar algemene en sociale vorming en 24 lestijden voor de leraar beroepsgerichte vorming, en maximaal 24 lestijden en 28 lestijden respectievelijk.

Vakantieregeling De jaarlijkse vakantie bestaat uit de officiële vakanties en vakantiedagen, en enkele dagen die elke onderwijsinstelling zelf moet kiezen. Het jaarlijks vakantieverlof bestaat uit de kerstvakantie (2 weken), de paasvakantie (2 weken), de zomervakantie (2 maanden), de herfstvakantie en de krokusvakantie (2 keer 1 week), en een aantal wettelijke en reglementaire verlofdagen (+/- 4 dagen). De instellingen voor secundair onderwijs kunnen bijkomend over een facultatieve vakantiedag beschikken; de instellingen voor basisonderwijs BaO en buitengewoon secundair onderwijs over twee facultatieve vakantiedagen. De vakanties worden vergoed en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdelijke leerkrachten worden evenwel per 30 juni uit dienst gemeld (Heyvaert en Janssens). Tijdelijke onderbrekingen Verder bestaat er de mogelijkheid van omstandigheidsverlof (maximum acht dagen per jaar, in geval van huwelijk, bevalling, overlijden van een familielid,…) en uitzonderlijk verlof wegens overmacht (ziekte of ongeval

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 211


van een gezinslid dat onder hetzelfde dak als de leerkracht woont). Een afwezigheid is ook gewettigd voor het vervullen van staatsburgerlijke plichten of burgerlijke opdrachten (rechtsgedingen, lokale verkiezingen,…), en voor de opvang van kinderen met het oog op adoptie of pleegvoogdij. Verder beschikken de vast benoemde leerkrachten nog over andere gronden voor gewettigde afwezigheid, zoals verlof voor verminderde prestaties omwille van sociale of familiale redenen of wegens persoonlijke aangelegenheden, verlof voor het uitoefenen van bepaalde publieke ambten, politiek verlof,… (Heyvaert en Janssens) . Net zoals in de andere sectoren is er ook de mogelijkheid van loopbaanonderbreking. Onder bepaalde voorwaarden kunnen tijdelijk en vast benoemde personeelsleden hun professionele activiteiten voor een bepaalde tijdsperiode onderbreken en een vergoeding ontvangen. Meer informatie op http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleraren/ 8.2.12.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Het hogeschoolbestuur bepaalt de opdracht en taakomschrijving van het onderwijzend personeel. Een voltijdse betrekking bedraagt 38,5 tot 40 uren per week (inclusief lesvoorbereiding). De voltijdse beschikbaarheid van een personeelslid impliceert echter geen voltijdse aanwezigheid; voor voltijdse personeelsleden is de aanwezigheid immers niet vereist voor twee halve dagen per week. De meeste hogescholen hebben een protocol gesloten met de personeelsafvaardiging omtrent de taakbelasting en uurregeling. Daarin staan richtlijnen omtrent het aantal lesuren en uren voor andere opdrachten (bv. begeleiden van eindwerk, uitvoeren van projectmatig wetenschappelijk onderzoek,…). Het hogeschoolbestuur kan ervoor opteren beginnend onderwijzend personeel minder lesuren te geven omdat hij/zij nog meer tijd nodig heeft voor lesvoorbereidingen. Het aantal lesuren kan dus verschillen van persoon tot persoon, en van hogeschool tot hogeschool. Voltijds personeel mag geen andere functie of job hebben. Zij kunnen een uitzondering vragen indien deze andere professionele verplichtingen in het voordeel zijn van de onderwijsinstelling en indien ze niet meer dan twee halve dagen per week in beslag nemen. De wetgeving voorziet het onderwijzend personeel van minstens negen vakantieweken. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het hogeschoolbestuur (Heyvaert en Janssens). Verder zegt het Decreet op de hogescholen van 13 juli 1994 dat de Vlaamse regering de voorwaarden voor verlof zal vastleggen. Ondertussen blijven de bestaande regelingen van kracht (zie [8.2.1.9.]). 8.2.12.3. Academisch personeel in universiteiten Elk lid van het personeel heeft een individuele functiebeschrijving die bestaat uit onderwijs-, onderzoeks- en beleidstaken. Voltijdse personeelsleden mogen bijkomend geen andere functie bekleden, tenzij de bijkomende professionele verplichtingen ook een voordeel voor de onderwijsinstellingen inhouden en niet meer dan twee halve dagen per week beslaan. De vakantieregeling wordt vastgelegd door het universiteitsbestuur.

8.2.13. Bevordering We behandelen achtereenvolgens: • • •

basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.13.1.] hoger onderwijs, zie [8.2.13.2.] universiteiten, zie [8.2.13.3.]

8.2.13.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs Het basis- en secundair onderwijs kennen slechts in beperkte mate bevorderingsmogelijkheden, zodat de loopbaan van een leerkracht hoofdzakelijk een vlakke loopbaan is.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 212


Bevordering is mogelijk via een aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt. • • •

Selectieambten zijn het ambt van adjunct-directeur, technisch adviseur en coördinator. Bevorderingsambten zijn het ambt van directeur basisonderwijs BaO, directeur secundair onderwijs en, technisch adviseur-coördinator in het secundair onderwijs. Daarnaast zijn er nog een aantal functies in beide onderwijsniveaus die als een bevordering kunnen worden beschouwd. Het gaat om de functies van directeur coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs, stafmedewerker scholengemeenschap basisonderwijs, coördinerend directeur van een scholengemeenschap secundair onderwijs en algemeen directeur van een scholengroep in het gemeenschapsonderwijs.

Om de vlakke loopbaan in enige mate te doorbreken wordt op dit ogenblik een discussie gevoerd over het invoeren van taakdifferentiatie in het ambt van leerkracht (mentorschap voor beginnende leerkrachten, graadcoördinatie, …). 8.2.13.2. Onderwijzend personeel in hogescholen De betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector en werkleider kunnen enkel worden ingenomen door promotie of verschuiving van betrekkingen. Anciënniteit vormt in combinatie met nuttige professionele ervaring het criterium voor de betrekkingen van hoofdpraktijklector, hoofdlector, werkleider, hoofddocent en hoogleraar. In het geval van interne promotie moeten kandidaten minstens twee jaar anciënniteit hebben als praktijklector om hoofdpraktlijklector te worden. In het geval van externe promotie tot hoofddocent moeten kandidaten minstens vier jaren van nuttige beroepservaring buiten de hogeschool of minstens twee jaar anciënniteit als docent aan een andere hogeschool of universiteit kunnen voorleggen. De promotie naar gewoon hoogleraar vereist het volgende: ten eerste moet de hogeschool actief betrokken zijn bij onderzoek in samenwerking met een universiteit in het onderzoeksveld van de vacante betrekking; ten tweede moeten de kandidaten docent, hoofddocent of hoogleraar zijn geweest voor zes jaren aan een hogeschool of een universiteit en tijdens die periode verantwoordelijk geweest zijn voor kwalitatief hoogstaand onderzoek. De bekwaamheid van de kandidaten binnen een bepaald onderzoeksveld wordt beoordeeld door een 'jury' of commissie van drie gewone hoogleraren van verschillende universiteiten. 8.2.13.3. Academisch personeel in universiteiten Het academisch vast benoemd personeel begint haast altijd zijn/haar universitaire loopbaan als docent. Inzake de promotie tot zelfstandig academisch personeel (ZAP) evalueren beoordelingscommissies op departementsen/of faculteitsniveau de kandidaturen voor promoties. Naast het diploma spelen andere criteria mee voor promotie. Zij die het mandaat van docent beogen, moeten op basis van voordien geleverde prestaties, beantwoorden aan de verwachting dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. De kandidaat voor hoofddocent moet bewezen hebben dat men degelijk wetenschappelijk onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt. Indicaties van het wetenschappelijk onderzoek vormen bv. publicaties, deelname aan congressen, het lidmaatschap van redactieraden,... Zij die promoveren naar het ambt van hoogleraar worden verondersteld een creatieve en productieve onderzoeker te zijn (ook leiding geven aan onderzoek en verwerven van onderzoeksgelden), alsook een lesgever met didactische kwaliteiten en een brede onderwijservaring. De kandidaat voor gewone of buitengewone hoogleraren moet een uitstekend onderzoeker zijn die nationale of internationale erkenning geniet in zijn vakgebied. Als pedagoog wordt van hem/haar verwacht over de nodige didactische vaardigheden te beschikken, alsook een brede onderwijservaring en leiderskwaliteiten. De Vlaamse regering heeft de verantwoordelijkheid voor het bepalen van de anciënniteitsvereisten voor de benoeming in een bepaalde ZAP-rang aan de universiteiten gelaten. Het Decreet op de universiteiten van 12 juni 1991 specificeert enkel een aantal minimumvereisten voor de promotie inzake anciënniteit. Een docent moet reeds minstens twee jaar benoemd zijn in deze betrekking voor de promotie naar het mandaat van hoofddocent. Een benoeming of rekrutering als hoogleraar vereist het ZAPlidmaatschap voor minstens vier jaar, alsook voor de mandaten van gewoon en buitengewoon hoogleraar.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 213


Met het Decreet betreffende het Onderwijs X worden de regels scherper. Bevordering is mogelijk na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure. Een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad kan daarentegen plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties. Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie. Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging (Decreet betreffende Onderwijs X). Het decreet van 18 mei 1999, betreffende Onderwijs X, schrijft verder ook voor dat bij de vaststelling van de personeelsformatie en de begrote jaarlijkse bezettingsgraad het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, ten hoogste 70 percent van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel mogen bedragen. Zo lang dit aantal is overschreden, mag geen enkele benoeming of aanstelling in de desbetreffende personeelscategorie worden gedaan.

8.2.14. Beroepsmobiliteit We behandelen achtereenvolgens: • • •

basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.14.1.] hoger onderwijs, zie [8.2.14.2.] universiteiten, zie [8.2.14.3.]

8.2.14.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs De mobiliteit tussen het onderwijs en de andere sectoren is traditioneel erg beperkt. Recent worden wel maatregelen genomen om de opleiding van de zgn. zij-instromers te verbeteren, maar deze zal daardoor ook zwaarder worden (zie [8.1.2.] en [8.1.8.]). Ook de mobiliteit tussen scholen is eerder beperkt. 8.2.14.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Horizontale beroepsmobiliteit in hogescholen is eerder beperkt, wat hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de individuele band tussen het personeelslid en de hogeschool. Gewoonlijk wordt het personeelslid benoemd aan één bepaalde hogeschool en die benoeming kan niet simpelweg worden overgedragen naar een andere hogeschool. Hoewel er maar weinig informatie beschikbaar is, wordt er verondersteld dat ook verticale mobiliteit aan hogescholen beperkt is (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs). 8.2.14.3. Academisch personeel in universiteiten Horizontale beroepsmobiliteit aan de universiteiten is eerder beperkt.

8.2.15. Ontslag We behandelen achtereenvolgens: • • •

basis- en secundair onderwijs, zie [8.2.15.1.] hoger onderwijs, zie [8.2.15.2.] universiteiten, zie [8.2.15.3.]

8.2.15.1. Leerkrachten basisonderwijs en secundair onderwijs Een tijdelijk personeelslid kan zijn/haar ambt vrijwillig neerleggen, mits een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen in acht wordt genomen (15 dagen in geval van tijdelijke aanstelling van doorlopende duur). De directeur (gemeenschapsonderwijs) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan evenwel akkoord gaan met een kortere opzeggingstermijn. Ook vast benoemde personeelsleden kunnen hun job vrijwillig verlaten. In dat

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 214


geval geldt een opzeggingstermijn van minstens 15 kalenderdagen, tenzij met de inrichtende macht een andere termijn wordt overeengekomen (Heyvaert en Janssens). De directeur (gemeenschapsonderwijs) of inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) kan een personeelslid met tijdelijke aanstelling van bepaalde duur ook om dringende redenen ontslaan, zonder vooropzeg. Daaronder is de ernstige tekortkoming begrepen die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Zowel tijdelijke, als vast benoemde personeelsleden kunnen ook ambtshalve en zonder vooropzeg uit hun ambt worden ontslagen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien zij na een geoorloofde afwezigheid, zonder geldige reden, hun dienst niet hervatten, behoudens overmacht, en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven. Vast benoemde leerkrachten en leerkrachten met tijdelijke aanstelling van doorlopende duur kunnen ten gevolge van een tuchtmaatregel worden ontslagen. Bij het ontslag (gemeenschapsonderwijs) en de afdanking (gesubsidieerd onderwijs) wordt het vast benoemd personeelslid definitief verwijderd uit zijn/haar ambt. Daarbij wordt een opzeggingstermijn gerespecteerd, afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die vereist zijn om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering (Heyvaert en Janssens). Er zijn echter ook andere sancties decretaal vastgelegd voor vast benoemden en personeelsleden met tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals: • • • • • •

een blaam afhouding van de wedde schorsing bij tuchtmaatregel terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel terugkeer tot de tijdelijke aanstelling terugzetting in rang.

Naast de tuchtmaatregelen kan ook de evaluatie (zie [8.2.9.1.]) een reden tot ontslag zijn en dit als een personeelslid tijdens zijn onderwijsloopbaan een of meerdere keren een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. In het kader van evaluatie volgt ontslag voor een vastbenoemde leerkracht of een tijdelijke leerkracht die voor doorlopende duur is aangesteld als hij/zij twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt of in zijn loopbaan drie keer een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. Voor een tijdelijke leerkracht (niet TADD) volgt ontslag als hij/zij een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' krijgt. Plichten De personeelsleden moeten de belangen behartigen van het onderwijs, de instelling en de leerlingen. Zij vervullen de taken die hen worden opgedragen nauwgezet en gedragen zich in de omgang met de leerlingen, de ouders en het publiek op een correcte wijze. Zij vermijden alles wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van de functie. Het is hen verboden giften, geschenken, beloningen of een ander voordeel te aanvaarden. Ze mogen hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden. Ze moeten het ambtsgeheim bewaren (bv. na de delibererende klassenraad). Ze mogen de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de hiërarchische overheid. In het gesubsidieerd onderwijs moeten de verplichtingen die voortvloeien uit de specificiteit van het opvoedingsproject worden nageleefd (onverenigbaarheden dienen door het schoolbestuur/inrichtende macht schriftelijk meegedeeld voor indiensttreding). Het decreet vermeldt expliciet dat feiten uit het privé-leven, die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling en het personeelslid of op het schoolleven, geen aanleiding kunnen geven tot een maatregel vanwege het schoolbestuur of inrichtende macht. In het gemeenschapsonderwijs moeten de personeelsleden de neutraliteit in acht nemen en vormgeven aan het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs. De neutraliteitsverklaring vindt men op http://www.gemeenschapsonderwijs.be/raadgo/neutra.htm

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 215


8.2.15.2. Onderwijzend personeel in hogescholen Onder normale omstandigheden kunnen personeelsleden worden ontslagen met een opzegperiode van drie maanden voor elke dienstperiode van vijf jaar (een juist nieuw begonnen periode van vijf jaar wordt beschouwd als een volledige periode). Een personeelslid kan worden ontslagen (zonder een opzegperiode) als gevolg van een tuchtmaatregel of wanneer hij/zij twee opeenvolgende jaren een negatieve evaluatie heeft gekregen of vijfmaal in zijn/haar carrière aan de hogeschool. De onderwijsbevoegdheid godsdienst of niet-confessionele zedenleer van personeelsleden belast met de lesopdracht godsdienst of niet-confessionele zedenleer eindigt van rechtswege vanaf het ogenblik dat de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing daartoe beslist. Deze beslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn (Decreet betreffende Onderwijs X). Een vast benoemd personeelslid kan op eigen initiatief zijn betrekking verlaten, waarbij een opzegtermijn van minstens 60 dagen moet worden gerespecteerd. Tijdelijk benoemden moeten een opzegtermijn respecteren van 30 dagen. Bij ontslag wegens dringende redenen (bv. fraude) is er geen opzegtermijn van toepassing. 8.2.15.3. Academisch personeel in universiteiten Het universiteitsbestuur kan een personeelslid ontslaan indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties ''onvoldoende'' is of driemaal ''onvoldoende'' in de loop van de beroepscarrière. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan evenwel geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn (Decreet betreffende Onderwijs X).

8.2.16. Pensioenregeling De pensioenregeling voor het onderwijzend personeel is in de federale (Belgische) wetgeving vastgelegd. De pensioensregeling voor de sector onderwijs is één van de aspecten waarvoor de Vlaamse Gemeenschap niet bevoegd is. De regeling is overigens identiek voor alle onderwijsniveaus Het pensioen is gebaseerd op het aantal jaren dienst en de wedde. Verschillende regelingen zijn er voor leerkrachten die vervroegd met pensioen willen gaan. Om een pensioen te ontvangen moet een personeelslid (Heyvaert en Janssens): • • • •

een aanvraag indienen (een persoonlijke aanvraag is steeds vereist ook al is de betrokken persoon bij wet verplicht om zijn professionele carrière te beëindigen); vast benoemd zijn; de vereiste leeftijd hebben bereikt (60 jaar); beantwoorden aan het vereiste aantal dienstjaren (vijf jaar).

8.3. Managementpersoneel We behandelen hier de ambten van directeur en adjunct-directeur en de mandaten voor directeur, algemeen directeur (scholengroep), coördinerend directeur (scholengemeenschap), directeur coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs. Deze personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de inrichtende machten.

8.3.1. Aanstellingsvoorwaarden voor het directeursambt Directeur en adjunct-directeur Het ambt van directeur is een bevorderingsambt binnen de categorie bestuurs- en onderwijzend personeel van het (buiten)gewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, en binnen de categorie bestuurspersoneel van het gewoon secundair onderwijs.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 216


Het ambt van adjunct-directeur is een selectie-ambt binnen de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het (buiten)gewoon secundair onderwijs. In het gemeenschapsonderwijs bestaat er voor de selectie- en bevorderingsambten een proeftijd van 12 maanden, die eenmaal met 12 maanden kan worden verlengd. Tijdens deze periode moet het personeelslid effectief presteren in het ambt waarin het tot de proeftijd toegelaten is. Het personeelslid moet voor de toelating tot de proeftijd: • • • • •

houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, tijdens de laatste evaluatie of beoordeling geen ''onvoldoende'' hebben bekomen, voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie [8.2.5.1.]), beschikken over de vereiste bekwaamheden voor het ambt (vastgelegd door de raad voor het gemeenschapsonderwijs) en getest in een proef, zich kandidaat gesteld hebben bij de raad van bestuur.

Na het beëindigen van de proeftijd met gunstig advies wordt het personeelslid door de raad van bestuur in vast verband benoemd. In het gesubsidieerd onderwijs bestaat de proeftijd niet. Het personeelslid wordt vast benoemd in het selectieof bevorderingsambt indien hij/zij houder is van het vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijs, als de laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie ''onvoldoende'' heeft opgeleverd, en als de kandidaat voldoet aan de algemene wervingsvoorwaarden (zie [8.2.5.1.]). Een vaste benoeming is enkel mogelijk in hoofdambt. Sinds 1 september 2002 kan een volledige betrekking echter worden toegekend aan één of twee personeelsleden, die elk met een halve betrekking worden belast. Naast een vaste benoeming in het ambt van directeur is het ook mogelijk dat een vast benoemd personeelslid (gesubsidieerd onderwijs) of personeelslid (gemeenschapsonderwijs) wordt aangesteld als waarnemend (adjunct-)directeur (Heyvaert en Janssens). Het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs bepaalt dat het ambt van directeur bij mandaat zal moeten worden toegewezen. De modaliteiten zijn vastgelegd in het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs. Gelijkaardige bepalingen zijn opgenomen in het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs. De ingangsdatum die bepaald was op 1 september 2000 is ondertussen uitgesteld, behalve voor de centra voor leerlingenbegeleiding. In deze centra wordt vanaf 1 september 2000 elke nieuwe directeur – met uitzondering van de permanente ondersteuningscel – aangesteld met een mandaat. Het mandaat geldt voor onbepaalde duur en zowel het personeelslid als de inrichtende macht resp. raad van bestuur kunnen er een einde aan stellen. Het personeelslid dat voor het mandaat vast benoemd was, neemt na het mandaat zijn vorige ambt weer op. Het personeelslid en de inrichtende macht kunnen wel een mutatie of een nieuwe affectatie (gesubsidieerd vrij onderwijs) overeenkomen. Wanneer het mandaat beëindigd wordt ingevolge een evaluatie 'onvoldoende' dan neemt het personeelslid eveneens zijn vorig ambt weer op. Algemeen directeur Het Bijzonder Decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 bepaalt dat de scholengroepen bestuurd worden door een algemene vergadering, een raad van bestuur, een college van directeurs en een algemeen directeur. Het mandaat van die algemeen directeur wordt toegewezen door de raad van bestuur en bekrachtigd door de algemene vergadering. Alleen directeurs van scholen van de scholengroep komen voor dit mandaat in aanmerking. Het mandaat wordt toegekend voor onbepaalde duur en kan op elk ogenblik op gemotiveerde wijze beëindigd worden door de algemene vergadering of door de raad van het gemeenschapsonderwijs. In het gesubsidieerd onderwijs kan de inrichtende macht een directeur van een instelling belasten met de taak van algemeen directeur van de totaliteit van haar instellingen. De algemeen directeur ontvangt een bijwedde. Ook het ambt van algemeen directeur in een hogeschool kan uitsluitend bij mandaat toegewezen worden (Heyvaert en Janssens). Coördinerend directeur Zowel in het gemeenschaps- als het gesubsidieerd secundair onderwijs kan een directeur aan een instelling van een scholengemeenschap voltijds (of met twee elk halftijds) bij mandaat aangesteld worden tot coördinerend directeur, belast met taken voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap. Ook de coördinerend directeur ontvangt een bijwedde (niet cumuleerbaar met deze van algemeen directeur).

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 217


Onderwijsdecreet XV geeft coördinerend directeurs van scholengemeenschappen in het secundair onderwijs de garantie dat ze voltijds bezig zijn (en dus niet t.z.t. directeur van een school kunnen zijn en lesgeven). Directeur coördinatie scholengemeenschap basisonderwijs Vanaf 1 september 2005 kan op het niveau van de scholengemeenschap basisonderwijs BaO een nieuwe betrekking van directeur worden ingericht. Per scholengemeenschap kunnen maximaal twee halftijdse of één voltijdse functie(s) worden ingericht. Dit personeelslid wordt klas- en schoolvrij aangesteld ter ondersteuning van de scholengemeenschap. Het is echter geen afzonderlijk ambt. Vaste benoeming is niet mogelijk. Het personeelslid ontvangt geen bijkomende vergoeding.

8.3.2. Arbeidsvoorwaarden Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de directeur en de adjunct-directeur – ambten die ressorteren onder de categorie van het niet-onderwijzend personeel- verwijzen we naar [8.2.]. Wat de evaluatieprocedure betreft is er een verschil met [8.2.], in die zin dat de (adjunct-)directeur wordt geëvalueerd door de raad van bestuur (gemeenschapsonderwijs) of de inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs).

8.4. Inspectie en Dienst voor Onderwijsontwikkeling We behandelen hier de zowel de ambten van de inspectie als deze van de dienst DVO. (Voor hun opdracht en werking zie resp. [9.3.1.] en [9.3.2.]). Deze personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de Vlaamse regering. De ambten die de leden van de inspectie kunnen uitoefenen zijn: • • •

inspecteur basisonderwijs BaO, secundair onderwijs, kunstonderwijs, volwassenenonderwijs (één inspecteur volwassenenonderwijs wordt belast met de basiseducatie), centra voor leerlingenbegeleiding coördinerend inspecteur-generaal basisonderwijs, secundair onderwijs coördinerend inspecteur-generaal

In de Dienst voor onderwijsontwikkeling bestaan de ambten van: • • •

adviseur navorser directeur

8.4.1. Aanstellingsvoorwaarden inzake het inspecteursambt Niet alle categorieën personeelsleden komen in aanmerking voor het ambt van inspecteur. Om tot de onderwijsinspectie te worden toegelaten dient men te behoren tot één van de volgende categorieën: •

• • • • •

bestuurs- en onderwijzend, paramedisch, sociaal, medisch, orthopedagogisch en psychologisch personeel in het onderwijs; (voor het ambt van inspecteur volwassenenonderwijs, belast met de basiseducatie komen in aanmerking de educatieve personeelsleden tewerkgesteld in de Centra voor Basiseducatie (CBE's) en in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Centra voor Basiseducatie); personeelsleden van pedagogische begeleidingsdiensten; het technisch personeel van de gesubsidieerde vrije en officiële centra, van de centra van het gemeenschapsonderwijs en van het rijksvormingscentrum; directeurs en adviseurs van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO); het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten; het onderwijzend personeel van de hogescholen.

Om tot de inspectie van de centra voor leerlingenbegeleiding te worden toegelaten komen volgende categorieën personeelsleden in aanmerking: •

directeurs – als ze houder zijn van het diploma dat toegang verleent tot het ambt van arts of psychopedagogisch consulent;

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 218


• • • • •

artsen; psycho-pedagogisch consulenten; paramedisch werkers; maatschappelijk werkers uit de centra voor leerlingenbegeleiding; personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten (Decreet van 17 juli 1991).

Wanneer een ambt bij de inspectie of de DVO vacant is, wordt een oproep bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en verspreid via een omzendbrief aan de scholen en de website van het departement onderwijs, en wordt een proef georganiseerd. De toelatingsvoorwaarden voor de proef voor inspecteur zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

onderdaan te zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschap, van goed gedrag te zijn, de burgerlijke en politieke rechten te genieten, ten minste 10 jaar dienstanciënniteit te hebben, aangesteld of in vast verband benoemd te zijn in één van de in aanmerking komende personeelscategorieën, een dossier voor te leggen m.b.t. zijn/haar curriculum vitae, met opgave van alle elementen waardoor hij/zij zijn/haar onderwijskundige inzichten, agogische vaardigheden en vakdidactische deskundigheid heeft uitgebreid en verdiept. De Vlaamse regering kan desgevallend bijkomende diplomavereisten bepalen.

Voor de kandidaten voor het ambt van inspecteur volwassenenonderwijs, belast met de basiseducatie geldt als voorwaarde 4) ten minste 5 jaar ervaring als educatief personeelslid in de basiseducatie). Voor adviseur en navorser bij de DVO vervalt voorwaarde 5) en is in voorwaarde 6) enkel onderwijskundig inzicht vermeld. Navorsers dienen echter geen 10 j. dienstanciënniteit te hebben, maar wel in het bezit te zijn van een diploma van doctor op proefschrift en ten minste 3 jaar ervaring te hebben inzake onderwijskundige wetenschappelijke studieactiviteiten, of in het bezit te zijn van een academisch diploma of een diploma van academisch niveau en ten minste 6 jaar ervaring te hebben inzake onderwijskundige wetenschappelijke studieactiviteiten. De proef omvat een mondeling en schriftelijk gedeelte en wordt beoordeeld door een commissie samengesteld door de Vlaamse regering. De commissie draagt 2 kandidaten voor, de Vlaamse regering beslist. Geselecteerden dienen een proeftijd van één jaar te doorlopen begeleid door een stageleider aangesteld door de bevoegde inspecteur-generaal respectievelijk de directeur van de DVO In de loop van de laatste maand van de proeftijd levert het betrokken personeelslid een rapport af dat, naargelang het geval, door de bevoegde inspecteur-generaal of de directeur van de DVO, en de stageleider wordt geëvalueerd. De beoordeling van de proeftijd door de stageleider en, naargelang het geval, door de bevoegde inspecteur-generaal of de directeur van de DVO, geeft aanleiding tot een verslag dat besloten wordt met een gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband of tot afdanking van het betrokken personeelslid. Om tot het ambt van directeur van de DVO, coördinerend inspecteur, inspecteur-generaal en coördinerend inspecteur-generaal te worden toegelaten moet men: • • •

vastbenoemd inspecteur, adviseur of navorser zijn; tenminste 3 jaar dienstanciënniteit hebben; zich kandidaat hebben gesteld volgens de vereisten van de vacature.

De Vlaamse regering kan eventueel extra diplomavereisten en nuttige ervaring bepalen. Met uitzondering van het ambt van coördinerend inspecteur kunnen deze ambten ook bij mandaat worden toegewezen aan een kandidaat extern aan de DVO of de inspectie, mits die • • •

blijkt geeft van een zeer grondig onderwijskundig inzicht, ten minste 10 jaar een leidinggevende functie heeft uitgeoefend, ten minste 15 jaar nuttige ervaring heeft in het onderwijs (waarvoor de inspectie bevoegd is) ofwel deels in het onderwijs en deels met het onderwijs

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 219


8.4.2. Arbeidsvoorwaarden De rechtspositie van de inspectieleden wordt voor een groot deel geregeld door het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. Hier gaan we enkel in op de evaluatieprocedure waaraan inspectieleden onderworpen worden, en op de consequenties verbonden aan een dergelijke evaluatie. De leden van de inspectie doorlopen normaal een proeftijd van één jaar en worden dan - bij gunstige evaluatie definitief benoemd (zie [8.4.1.]). Voor de coördinerend inspecteur-generaal, de inspecteurs-generaal, de coördinerende inspecteurs en de directeur van de DVO geldt een mandaatformule: ze hebben een mandaat van onbepaalde duur. De Vlaamse regering, kan een einde maken aan het mandaat, mits motivering en een opzegtermijn van 6 maanden. Bij het beëindigen van het mandaat neemt het vastbenoemd personeelslid opnieuw zijn ambt op als inspecteur, adviseur of navorser of wordt ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Het personeelslid dat voorafgaand aan het mandaat vastbenoemd is in de inspectie of in de DVO, en dat belast is met een mandaat in een vacante betrekking in het ambt wordt op zijn verzoek vanaf de leeftijd van 55 jaar door de Vlaamse regering vastbenoemd in dit ambt. Evaluatie Elk personeelslid dat meer dan drie maanden per jaar effectief fungeert bij de diensten van de inspectie of de DVO wordt geëvalueerd. Elk personeelslid wordt éénmaal per schooljaar geëvalueerd in de eerste drie jaren van zijn/haar loopbaan. Daarna minstens om de twee schooljaren, tenzij het personeelslid vraagt om twee opeenvolgende schooljaren te worden geëvalueerd. De evaluatie gebeurt op basis van de functiebeschrijving en de doelstellingen en is de appreciatie van het totaal functioneren van het betrokken personeelslid. Wanneer een personeelslid de evaluatie ''onvoldoende'' krijgt, moet hij/zij na één jaar opnieuw worden geëvalueerd. Het personeelslid kan tegen die evaluatie beroep aantekenen bij een raad van beroep (voor de inspecteur-generaal, de coördinerend inspecteur-generaal, en de directeur van de DVO is dat in zulk geval de Vlaamse regering). Het personeelslid wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid indien hij/zij gedurende twee opeenvolgende jaren of drie keer tijdens de loopbaan (vast benoemd lid), of één keer (contractueel of tijdelijk lid) de evaluatie ''onvoldoende'' heeft gekregen.

8.5. Personeel verantwoordelijk voor begeleiding We moeten hier een onderscheid maken tussen: • •

personeel dat instaat voor de begeleiding en ondersteuning van het bestuurs- en onderwijzend personeel personeel uit de Centra voor Leerlingenbegeleiding .

Beide categorieën ressorteren onder de noemer 'niet-onderwijzend personeel'. De personeelsleden worden aangesteld en benoemd door de inrichtende machten. In de pedagogische begeleidingsdiensten (zie [9.3.3.] voor hun opdracht en werking) bestaan de (bevorderings)ambten van pedagogisch adviseur en pedagogisch adviseur-coördinator (het hoofd van een pedagogische begeleidingsdienst). Deze ambten kunnen halftijds of voltijds worden uitgeoefend. De toelatingsvoorwaarden tot een ambt binnen de pedagogische begeleidingsdienst, van het gesubsidieerd onderwijs verschillen licht van deze van het gemeenschapsonderwijs. Algemeen kunnen we echter stellen dat de kandidaat minstens 10 jaar dienstanciënniteit dient te hebben om in aanmerking te komen voor een tijdelijke aanstelling of vast benoeming. De Vlaamse Regering kan ook steeds bijkomende diplomavereisten bepalen (Decreet van 17 juli 1991). Een begeleidingsopdracht kan ook worden toegekend aan onderwijzend personeel d.m.v. verlof wegens bijzondere opdracht. Het personeel van een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) bestaat uit een aantal vaste ambten, gaande van directeur (bevorderingsambt), over arts, consulent, psycho-pedagogische consulent, maatschappelijk werker, administratief werker, paramedisch werker, psycho-pedagogisch werker, tot medewerker.

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 220


Het ambt van directeur is een bevorderingsambt. Sinds 1 september 2000 wordt elke nieuwe directeur van een CLB –met uitzondering van de permanente ondersteuningscel- aangesteld met een mandaat (Heyvaert en Janssens). De administratief werkers en de medewerkers vormen het administratief personeel van een CLB, terwijl de overige ambten het technisch personeel van een CLB uitmaken. Voor de aanstelling en benoeming in de ambten van het CLB zijn bepaalde bekwaamheidsbewijzen vereist (Besluit Vlaamse Regering van 12 december 2003). Ook personeelsleden van een CLB kunnen vast benoemd worden. Het personeel van de centra is per definitie met vakantie op dagen dat het centrum gesloten is (zie Omzendbrief CLB/2005/01). Daarnaast heeft het personeel extra recht op 21 werkdagen vakantie. Elk voltijds personeelslid in de centra voor leerlingenbegeleiding heeft ook recht op een door de Vlaamse regering te bepalen aantal vormingsdagen per schooljaar (Decreet van 1 december 1998, Besluit van Vlaamse regering van 19 september 2003 & Omzendbrief CLB/2005/04).

8.6. Ander onderwijspersoneel Naast het bestuurs- en onderwijzend personeel bestaan er nog een aantal andere categorieën niet-onderwijzend personeel (non-teaching staff) in het Vlaamse onderwijssysteem In het gewoon basisonderwijs: • •

beleids- en ondersteunend personeel (administratief medewerker, zorgcoördinator, ICT-coördinator) paramedisch personeel (kinderverzorger).

In het buitengewoon basisonderwijs bovendien: • • • • •

medisch personeel (arts), orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger), psychologisch personeel (psycholoog) sociaal personeel (maatschappelijk werker).

In het secundair onderwijs: • •

administratief personeel (o.a. opsteller) ondersteunend personeel (administratief medewerker, opvoeder).

In het buitengewoon secundair onderwijs bovendien: • • • • • • •

medisch personeel (arts), orthopedagogisch personeel (orthopedagoog), paramedisch personeel (ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, logopedist, verpleger), psychologisch personeel (psycholoog) sociaal personeel (maatschappelijk werker) administratief personeel (o.a. opsteller) opvoedend hulppersoneel (studiemeester-opvoeder, opvoeder-huismeester, directiesecretaris, secretaris-bibliothecaris).

In het hoger onderwijs: • • • •

directie, onderwijzend personeel, administratief en technisch personeel mandaten (algemeen directeur, departementshoofd, bibliothecaris).

Tijdens de overgangsmaatregelen voor de schooljaren 1999-2000 tot 2005-2006, worden de personeelsleden van het ondersteunend en administratief personeel getransfereerd naar de categorie van het ondersteunend personeel op basis van de nieuwe normen (Decreet van 18 mei 1999).

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 221


8.7. Statistieken

8.7.1. Bestuurs- en onderwijzend personeel per onderwijsniveau (exclusief UO) : aantal budgettaire full-time equivalenten, uitgesplitst naar geslacht en statuut; januari 2005 Onderwijsniveau Basisonderwijs Buitengewoon basisonderwijs Secundair onderwijs Buitengewoon secundair onderwijs

Geslacht Mannen Vrouwen 8.665 38.189

Totaal 46.854

1.124 24.276

4.341 31.697

5.465 55.973

4.026 40.992

1.439 14.981

5.465 55.973

2.185 3.945 1.474 388

2.750 3.529 2.441 291

4.935 7.474 3.915 679

3.542 4.715 2.120 311

1.393 2.759 1.795 368

4.935 7.474 3.470 679

1.607 43.664

1.876 85.114

3.483 128.778

2.695 92.824

851 35.504

3.546 128.396

Hogescholenonderwijs OSP (secundair) OSP (hoger) Deeltijds kunstonderwijs Totaal

Totaal 46.854

Statuut Vastbenoemd Tijdelijk 34.936 11.918

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

8.7.2 Bestuurspersoneel per onderwijsniveau (exclusief UO); aantal budgettaire fulltime-equivalenten (inclusief alle vervangingen, TBS+ en Bonus) - januari 2005 (1) Bestuurspersoneel

Gewoon basisonderwijs (2) Buitengewoon basisonderwijs (3) Gewoon secundair onderwijs (4) Buitengewoon secundair onderwijs (5) Secundair onderwijs voor sociale promotie (6) Hoger onderwijs voor sociale promotie (6) Deeltijds kunstonderwijs (7)

Mannen Vrouwen Totaal 1608 1215 2823 123 112 235 1759 622 2381 201 87 288

Algemeen en Totaal Coördinerend directeurs Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal 4 0 4 1612 1215 2827 0 0 0 123 112 235 51 5 56 1810 627 2437 0 0 0 201 87 288

84

68

152

0

0

0

84

68

152

32 140

14 26

46 166

0 0

0 0

0 0

32 140

14 26

46 166

(1) De personen die omwille van een tijdelijk ander ambt van onderwijsniveau veranderen, werden niet opgenomen. (2) Als bestuurspersoneel in het gewoon basisonderwijs wordt beschouwd : de directeur, de directeur van een kleuterschool, de directeur van een lagere school de directeur van een basisschool, de adjunct directeur. (3) In het buitengewoon basisonderwijs wordt als bestuurspersoneel beschouwd : de directeur, de directeur van een lagere school, de directeur van een MPI van de Vlaamse Gemeenschap, de adjunct directeur. (4) Tot het bestuurspersoneel behoort in het gewoon secundair onderwijs : de directeur, de technisch adviseur, de technisch adviseur coördinator, de coördinator, de adjunctdirecteur. (5) Het bestuurspersoneel in het buitengewoon secundair onderwijs is : de directeur, de technisch adviseur, de technisch adviseur coördinator, de adjunctdirecteur. (6) In het secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie is bestuurspersoneel : de directeur, de adjunct directeur hoger onderwijs, de adjunct directeur secundair onderwijs, de technisch adviseur, de technisch adviseur coördinator. (7) Het ambt van directeur is het bestuurspersoneel in het deeltijds kunstonderwijs. (8) Alleen de algemeen en coördinerend directeurs werden opgenomen waarvoor een verlof mandaat algemeen of coördinerend directeur werd aangevraagd. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 222


8.7.3 Bestuurs- en onderwijzend personeel alle onderwijsniveaus (exclusief UO) , naar leeftijd, statuut en geslacht, aantal personen; januari 2005 Vastbenoemden Tijdelijken Totaal Leeftijd Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen Totaal Mannen Vrouwen 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60+ Totaal

1 827 2.240 3.156 4.757 6.569 7.714 7.855 2.391 35.510

1 2 3.367 4.194 7.857 10.097 9.583 12.739 12.356 17.113 11.796 18.365 11.847 19.561 11.153 19.008 2.354 4.745 70.314 105.824

1.304 3.992 2.217 1.657 1.455 1.137 661 330 168 12.921

5.902 7.206 10.927 14.919 4.892 7.109 3.052 4.709 2.373 3.828 1.330 2.467 532 1.193 164 494 33 201 29.205 42.126

1.305 4.819 4.457 4.813 6.212 7.706 8.375 8.185 2.559 48.431

Totaal

5.903 7.208 14.294 19.113 12.749 17.206 12.635 17.448 14.729 20.941 13.126 20.832 12.379 20.754 11.317 19.502 2.387 4.946 99.519 147.950

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

8.7.4. Personeel aan de universiteiten betaald ten laste van de werkingsuitkeringen (voltijdse eenheden op 1 feb. 2005)

Zelfstandig academisch personeel (ZAP) Assisterend academisch personeel (AAP) Administratief en technisch personeel (ATP) Totaal

Mannen 2.141,5 932,4 1.891,2 4.965,1

Vrouwen 413,5 889,5 1.975,7 3.278,7

Totaal 2.555,0 1.821,9 3.866,9 8.243,8

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

8.7.5. Bruto-jaarwedde (€) van het onderwijzend personeel BaO, SO; november 2005

Kleuterond. Lager ond. (onderwijzer) SO- groep 1 (regent)

Barema's Aanvang 141 17.347,42 148 17.347,42 301 17.347,42

Bij maximum aantal jaren weddenanciënniteit 29.671,30 29.671,30 30.212,35

SO - groep 2 (licentiaat/ geaggregeerde SO)

501 21.726,55

38.312,63

De wedden zijn bedragen in € aan 100 %, terwijl de spilindex op 1/9/2005 116,15 was; ze dienen vermenigvuldigd met coëfficient 1,3728

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 223


8.7.6. Bruto-jaarwedde (€) van het voltijds academisch personeel van hogescholen en universiteiten; november 2005

Barema's

Aanvang

Bij maximum aantal jaren weddenanciënniteit

316 348 502 509 509

22.498,03 23.405,66 24.177,08 26.695,63 26.695,63

35.362,96 38.313,47 40.763,16 43.281,71 43.281,71

502 509 528 515 544 520

23.468,58 26.695,63 28.669,65 30.825,29 35.726,27 46.272,53

39.716,10 43.281,71 45.255,73 48.047,08 52.312,35 70.692,49

Hogeschool Praktijklector Hoofdpraktijklector Lector Hoofdlector Werkleider Universiteit Assistent Doctor-assistent Docent Hoofddocent Hoogleraar Gewoon hoogleraar

De wedden zijn bedragen in € aan 100 %, terwijl de spilindex op 1/9/2005 116,15 was; ze dienen vermenigvuldigd met coëfficient 1,3728 Bron : http//www.ond.vlaanderen.be/wedde/weddenschalen/overzicht.htm

Vlaams Eurydice rapport 2006

8 Personeel / 224


9. EVALUATIE BINNEN HET ONDERWIJSSYSTEEM Korte inhoud • • •

• • •

Historisch overzicht, zie [9.1.] Acuele discussies en nieuwe ontwikkelingen, zie [9.2.] De verschillende instanties o De onderwijsinspectie, zie [9.3.1.] o De dienst voor onderwijsontwikkeling (DVO), zie [9.3.2.] o De pedagogische begeleidingsdiensten, zie [9.3.3.] o De Inspectie van levensbeschouwelijke vakken, zie [9.3.4.1.] o De inspectie van steden en provincies, zie [9.3.4.2.] De evaluatieprocedures op de verschillende onderwijsniveaus o Interne evaluatie, zie [9.4.1.] o Externe evaluatie, zie [9.4.2.] De evaluatie van het onderwijssysteem, zie [9.5.] Het wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie, zie [9.6.]

9.1. Historisch overzicht De controlebevoegdheid van de overheid over het onderwijssysteem, en haar gevolgen in het bijzonder, is steeds een heel delicaat punt geweest in de Belgische (en nu Vlaamse) onderwijswereld. De oorspronkelijke zin over de controle vanwege de overheid is expliciet afgewezen bij de voorbereiding van de eerste Belgische grondwet in 1830. Er werd uitdrukkelijk de nadruk gelegd op de keuzevrijheid voor de ouders enerzijds en de vrijheid van de inrichtende machten om de scholen te organiseren anderzijds. Daarom bouwden veel inrichtende machten en koepelorganisaties van de gesubsidieerde netten een eigen inspectie uit die tevens begeleidingstaken op zich namen. Dit, naast een rijksinspectie die o.m. de minimumleerplannen opstelde, de diploma's controleerde en het studiepeil naging. De inrichtende machten stelden de leerplannen op die door de minister werden goedgekeurd. De toepassing ervan werd gecontroleerd door de (rijks)inspectie. Deze inspecteurs deden ook klasbezoeken. Die leerplannen moesten analoog zijn aan de rijksleerplannen. Met de wet van 1971 op het VSO (vernieuwd secundair onderwijs) werden de leerplannen voor het secundair onderwijs door de inrichtende machten opgesteld en geadviseerd voor al of niet goedkeuring door de zogenaamde commissie artikel 8 van het VSO-decreet. Het verlenen van autonomie aan het toenmalige rijksonderwijs en de creatie van een Autonome Raad voor het gemeenschapsonderwijs vergde een hertekening van het onderwijsbeleid. Het vroegere rijksonderwijs fungeerde ten aanzien van het gesubsidieerd onderwijs als referentie zowel bij het goedkeuren van leerplannen en lessenroosters als bij de controle op het inachtnemen van minimum leerplannen of lessenroosters conform de schoolpactwet. De zorg voor de kwaliteit van het onderwijs werd ingrijpend gereorganiseerd door het nieuwe Decreet van 17 juli 1991. • • • • • • •

Het systeem van beoordeling van individuele leraren door individuele (vak)inspecteurs via (doorgaans vooraf onaangekondigde) klasbezoeken wordt vervangen door een grondig voorbereide en geplande schooldoorlichting door een team van inspecteurs (zonodig aangevuld met externe deskundigen). Tevens wordt een scheiding doorgevoerd tussen controle en begeleiding. De inspectie legt zich toe op doorlichting, kwaliteitsbewaking en –verhoging en feedback. Voor de begeleiding van leerkrachten en ondersteuning van scholen werden nieuwe pedagogische begeleidingsdiensten opgericht. De inspectie is een gemeenschapsinspectie (zie [9.3.1.]) die enkel werkt in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap, de pedagogische begeleidingsdiensten (zie [9.3.3.]) worden netgebonden uitgebouwd. De inspectie is niet bevoegd voor de gebruikte pedagogische methodes. (De inspectie van de levensbeschouwelijke vakken werd buiten het decreet gehouden (zie [9.3.4.1.])). De te controleren minimum-verwachtingen van de gemeenschap dienen geconcretiseerd te worden in nieuw te ontwikkelen minimum-lessenroosters, minimum-leerplannen, eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Daartoe wordt een Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) opgericht (zie [9.3.2.]).

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 225


9.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De krachtlijnen van de huidige discussies rond het onderwijskwaliteitszorgsysteem binnen de Vlaamse gemeenschap concentreren zich rond volgende aspecten:

• • •

het versterken van de positie van de school binnen het kwaliteitszorgsysteem: op dit vlak worden duidelijke sporen getrokken in de richting van erkenning en waardering van zelfevaluatieprojecten op schoolniveau (dit kan o.m. de ''integratie'' van zelfevaluatieresultaten in de doorlichtingen impliceren); het versterken van de operationele autonomie van de onderwijsinspectie: daarbij wordt gedacht aan een beheersovereenkomst tussen regering en inspectie, die moet toelaten de inspectie tot grotere verantwoordelijkheid aan te zetten in ruil voor grotere transparantie inzake doelen en middelen; het opzetten van een systeem van prestatiemetingen om de kwaliteit van het onderwijs te bewaken. Om de kwaliteit van het onderwijs op diverse niveaus (micro, meso, macro) te bewaken is het nodig om zicht te krijgen op de prestaties en de vooruitgang die leerlingen boeken. De overheid zoekt naar een systeem om zicht te krijgen op leerlingenprestaties en vooruitgang van leerlingen zonder uit te monden in een systeem van centrale examens en bijhorende excessen zoals rankings van scholen. Ook scholen vragen naar adequaat evaluatiemateriaal om leerlingen te volgen en gegevens waartegenover ze de prestaties van hun leerlingen kunnen afzetten om zicht te krijgen op hun kwaliteit. Initiatieven voor jaarlijkse peilingsproeven voor telkens een reeks eindtermen zijn gepland.

Aansluiting zoeken bij een Europees onderwijsbeleid met internationale indicatoren en benchmarks, en kwaliteitsbewaking via open coördinatie gekoppeld aan het ontwikkelen van een eigen Vlaams onderwijsbeleid gericht op de realisatie van de Vlaamse eindtermen en ontwikkelingsdoelen en een evaluatie van de mate waarin scholen en leerlingen deze maatschappelijk gedragen minimumdoelen bereiken.

9.3. Administratief en wettelijk kader Korte inhoud o o o o o

De onderwijsinspectie, zie [9.3.1.] De dienst voor onderwijsontwikkeling (DVO), zie [9.3.2.] De pedagogische begeleidingsdiensten, zie [9.3.3.] De Inspectie van levensbeschouwelijke vakken, zie [9.3.4.1.] De inspectie van steden en provincies, zie [9.3.4.2.]

Volgende wetgeving is hier van belang: • • • • • • • • • • • •

Decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten. Decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Decreet van 23 oktober 1991 houdende wijziging van artikel 19 en artikel 108 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten. Besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 1999 betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd. Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX. Decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing. Decreet van 2 april 2004 houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003. Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 1996 houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs. Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 226


9.3.1. De onderwijsinspectie De onderwijsinspectie van de Vlaamse gemeenschap is een organisatie die werkt in opdracht van de Vlaamse overheid en is belast met het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Het Decreet van 17 juli 1991 legt de structuur en werking vast van de inspectie voor alle onderwijsniveaus, de universiteiten en het hogeschoolonderwijs van twee cycli uitgezonderd. De onderstaande paragrafen gaan dieper in op een aantal relevante aspecten van de Vlaamse onderwijsinspectie. http://www.onderwijsinspectie.be 9.3.1.1. Organisatie van de inspectie Inspecteurs worden doorgaans gerekruteerd onder het onderwijzend personeel. Zij worden ingedeeld in een aantal groepen: • • • • • •

basisonderwijs secundair onderwijs hoger onderwijs volwassenenonderwijs (VWO) + basiseducatie deeltijds kunstonderwijs (DKO) Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's), zie [9.3.1.3.]

Zie http://www.onderwijsinspectie.be De algemene sturing en de leiding van de inspectie is toevertrouwd aan een inspectieraad. Deze inspectieraad is samengesteld uit de inspecteurs-generaal en de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling. De coördinerend inspecteur-generaal (CIG) is voorzitter van de inspectieraad. De inspectieraad heeft als kerntaken het effectief functioneren van de onderwijsinspectie en het sturen van de kwaliteitsverzorgende opdrachten die de inspectie vanwege de Vlaamse overheid ten opzichte van de onderwijsinstellingen en van de centra uitvoert. Ze bevordert de samenwerking tussen de verschillende afdelingen van de inspectie. Tevens onderhoudt ze geregeld contact met het departement Onderwijs en reikt, indien nodig, beleidssuggesties aan. Ze coördineert en stuurt de verschillende concepten, instrumenten en procedures die gebruikt worden in het kader van de inspectieopdrachten. De inspectieraad coördineert tevens de totstandkoming van het jaarlijks verslag van de inspectie over de toestand van het onderwijs.( Artikel 13 van het Decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX, dat het Decreet van 17 juli 1991 wijzigt.) De inspecteur-generaal voor het basisonderwijs is belast met de leiding voor het basisonderwijs BaO, inclusief het buitengewoon basisonderwijs. Per provincie is er in het gewoon basisonderwijs een coördinerend inspecteur. Elke provincie is ingedeeld in een aantal ambtsgebieden (ressorten) waarvoor telkens één inspecteur verantwoordelijk is. Het buitengewoon basisonderwijs wordt mee opgenomen in het takenpakket van deze coördinerende inspecteurs. Formeel is evenwel de mogelijkheid aanwezig om één coördinerend inspecteur voor gans Vlaanderen te belasten met het buitengewoon onderwijs. De inspecteur-generaal voor het secundair onderwijs is belast met de leiding van de inspectie voor het secundair onderwijs, inclusief het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepsonderwijs. De leiding van de inspectie voor de CLB, het DKO en het VWO berust bij de coördinerend inspecteurgeneraal. 9.3.1.2. Taken van de inspectie De inspectie gaat door middel van schooldoorlichtingen na of de school haar maatschappelijke opdracht vervult en/of de gemeenschapsgelden op verantwoorde wijze worden gebruikt. Op basis hiervan brengt de inspectie een advies uit over het al dan niet erkennen of subsidiëren van scholen. Het inspectieteam heeft de volle bevoegdheid voor alle vakken die op school worden aangeleerd, met uitzondering van levensbeschouwelijke vakken. Daarnaast heeft de inspectie een adviesfunctie voor het beleid. De informatie over de effecten van het gevoerde beleid op de scholen en het onderwijs in het algemeen is belangrijk voor de verdere uitstippeling van het beleid. Dit wordt o.m. nagestreefd door de jaarverslagen van de inspectiekorpsen over de toestand van het onderwijs. De taken van de inspectie die bij wet zijn vastgelegd zijn:

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 227


• • • • • •

de controle op de ontwikkeling en realisatie van de leerplannen door de onderwijsinstellingen die zijn goedgekeurd door de regering; controleren of de vak- of leergebiedgebonden eindtermen bereikt worden en of de ontwikkelingsdoelen en/of vak- of leergebiedoverschrijdende eindtermen in voldoende mate worden nagestreefd door de onderwijsinstellingen; de controle en toepassing van de schooltijd; de controle van de hygiëne van de schoolaccommodatie, de taalwetgeving, de onderwijs- en schooluitrusting; advies geven m.b.t. de financiering van de onderwijsinstellingen; beleidsadviezen uitbrengen over het onderwijs.

De inspectie controleert niet louter of een aantal wettelijke voorschriften qua onderwijs worden nageleefd, maar heeft ook aandacht voor de bredere schoolcontext zoals het schoolklimaat, de relaties tussen de verschillende actoren binnen onderwijs, de infrastructuur,… De inspectie is niet gekwalificeerd om de onderwijsmethoden of het schoolwerkplan van de onderwijsinstelling te evalueren. Die behoren tot de onderwijsvrijheid. Zij mag evenmin de vakken godsdienst en niet-confessionele zedenleer controleren. De vertegenwoordigende organen van elke erkende filosofische of religieuze gemeenschap organiseren zelf de inspectie en de ondersteuning van die vakken. 9.3.1.3. Werkwijze De werkwijze van de onderwijsinspectie is in zekere mate niveauspecifiek. De concrete werkwijze bij de doorlichting van basisscholen wordt beschreven in [9.4.2.1.] , de werkwijze bij secundaire scholen in [9.4.2.2.]. Hier geven we alvast een algemeen overzicht van de werkwijze, die bestaat uit een aantal achtereenvolgende stappen. 1) 2)

3)

4) 5)

De inspecteurverslaggever verzamelt data uit verschillende bronnen zoals de algemene administratie , vroegere inspectiebezoeken, de scholen zelf en maakt een overzicht,dat kan beschouwd worden als een verkenning van de school 'vanop afstand'. De inspecteurverslaggever bezoekt de school met de bedoeling de verzamelde informatie aan de schoolrealiteit te toetsen, zonodig aan te vullen en vertekende interpretaties uit te sluiten.. Vooral de interpretatie die de school geeft aan haar eigen activiteitenprogramma wordt van naderbij bekeken teneinde de doelstellingen van de school en haar programma in kaart te brengen, of deze nu wel of niet worden bereikt. Het verzamelde materiaal wordt zonodig aangepast. Een inspectieteam (drie à vier in het basisonderwijs, drie à zes in het secundair onderwijs) bezoekt de school om de werking van de school te analyseren m.b.v. een aantal indicatoren en algemene standaarden. Deze kwaliteitscontrole duurt ongeveer één week. Ofschoon in principe de inspectie als een team opereert, zijn er ook individuele klassenbezoeken. Belangrijk hierbij is om een werkplan voor het schoolbezoek op te stellen. Alle verzamelde data worden bijeengebracht en uitgebreid besproken door het inspectieteam. Deze bespreking moet leiden tot het opstellen van een eindrapport, waarin de zwakke en sterke punten van de school worden beschreven. Het eindrapport wordt besproken met de betrokken school. Daarna wordt een finaal eindrapport opgesteld. Het concluderend gedeelte van het inspectieverslag kan ofwel (Maes, 1998): • gunstig zijn; • gunstig zijn, maar beperkt in de tijd: in dit geval worden een aantal tekorten vast gesteld die binnen een vooropgestelde tijd dienen weggewerkt te worden. Na minstens 60 dagen volgt er een voortgangscontrole van de vastgestelde tekorten; • ongunstig zijn. Dit leidt tot een opheffing van de erkenning van een school of een onderdeel ervan.

In sommige gevallen worden er andere werkwijzen gehanteerd, zoals onder meer in het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP). In deze gevallen wordt een gespreide of gefaseerde werkwijze gehanteerd (de 'consecutieve methode'). Het onderzoek wordt gespreid over een langere periode en uitgevoerd door één of meer inspectieleden, al dan niet vergezeld van externe deskundigen. Dit laat een andere manier van controle en doorlichting toe. Ook voor het deeltijds kunstonderwijs wordt een gespreide inspectie gehanteerd. De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB's) worden eveneens op een eigen wijze geïnspecteerd. In de periode 2000-2002 werden alle centra doorgelicht door de CLB-inspectie. •

In de regelgeving is vastgelegd dat zij normaliter periodiek worden bezocht door een visitatiecommissie die de uitvoering van het beleidsplan of beleidscontract met de school en het

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 228


• •

•

kwaliteitsbeleid komt nagaan. De inspectie maakt deel uit van de visitatiecommissie, aangevuld door externen. Daarbij wordt erover gewaakt dat haar leden de psycho-pedagogische, de medische, de paramedische en de sociale discipline vertegenwoordigen. Bij elke doorlichting worden ook de scholen die behoren tot het werkgebied van het centrum voor leerlingenbegeleiding, betrokken. Hierover worden afspraken gemaakt met de onderwijsinspectie. Na de beëindiging van de procedure voor de doorlichting van een centrum voor leerlingenbegeleiding, ontvangt elke betrokken school een mededeling van de bevindingen die betrekking hebben op haar werking en uitvoering van het beleidsplan of beleidscontract. Deze bevindingen worden ook medegedeeld aan de onderwijsinspectie. Het verslag van de doorlichting van een centrum voor leerlingenbegeleiding wordt medegedeeld aan het bestuur van het centrum voor leerlingenbegeleiding en aan de overheid, maar niet aan de betrokken scholen en de onderwijsinspectie.

Voor het aantal doorlichtingen, zie [9.7.]. 9.3.1.4. Evaluatie van de inspectie De evaluatie van de inspectie wordt beschreven in [8.4.2.].

9.3.2. Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO) Bij haar oprichting in 1991 was de DVO een studiedienst bij de inspectie. Oorspronkelijk had deze nieuwe dienst vier taken: • • • •

het formuleren van voorstellen inzake eindtermen; de ontwikkeling van analyse- en evaluatie-instrumenten om scholen door te lichten onder meer inzake het bereiken van eindtermen; de ontwikkeling van methodes voor het opstellen van leerplannen en lessenroosters, onder meer in het licht van beroepsprofielen; het uitwerken van voorstellen inzake de introductie en bijscholing van inspectieleden.

Het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 kent de Dienst voor Onderwijsontwikkeling tevens de volgende opdracht toe: 'De Vlaamse regering bepaalt het beroepsprofiel en de basiscompetenties van elk leraarstype op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Dienst voor Onderwijsontwikkeling stelt daartoe een voorstel op voor de Vlaamse Onderwijsraad.' In 1999 werd de decretale opdracht en de positie van de dienst enigszins aangepast. De DVO werd een studiedienst van de minister en de Vlaamse regering. 'Binnen het kader van de beleidsvoorbereidende opdracht van het departement Onderwijs, heeft de Dienst voor Onderwijsontwikkeling tot opdracht het uitbrengen van wetenschappelijke onderbouwde adviezen ten behoeve van de Vlaamse regering en de minister bevoegd voor onderwijs'. De opdracht omvat in hoofdzaak de volgende taken: • • • •

het formuleren van voorstellen betreffende de ontwikkeling van de opleidingenstructuur; de ontwikkeling van criteria voor het goedkeuren van leerplannen en handelingsplannen; het formuleren van voorstellen inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen en basiscompetenties; de ontwikkeling van analyse- en evaluatie-instrumenten om scholen en centra door te lichten.

De decretale opdracht van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling vertaalt zich momenteel in de volgende activiteiten (DVO, 2005): • • • • • • • • • •

ontwikkeling van eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen; ontwikkeling van basiscompetenties voor de lerarenopleiding; ontwikkeling van studieprofielen; ontwikkeling van instrumenten voor kwaliteitsbewaking; voorbereiding opleidingenstructuur; advisering en deskundigheidsinbreng; beleidsvoorbereiding aan de hand van studiewerk; samenwerking met andere diensten en organisaties inzake onderwijsaangelegenheden; internationale samenwerking; publiceren over inhouden, evaluatie en implementatie van curricula.

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 229


Deze activiteiten hebben betrekking op het basisonderwijs, het buitengewoon onderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs wat betreft de lerarenopleiding. Daarnaast zijn een aantal thema's niveauoverschrijdend. In het kader van Beter Bestuurlijk Beleid zullen in de nabije toekomst de ministeries van de Vlaamse Gemeenschap grondig geherstructureerd worden. Ook het departement Onderwijs, de inspectie, en de Dienst voor Onderwijsontwikkeling zullen hierbij betrokken worden. Voor de DVO betekent dit dat de dienst wellicht opgenomen wordt in de administratie van het Departement Onderwijs en dat de taken van de dienst zich zullen concentreren rond het thema ''curriculum''. De DVO als curriculumdienst zou dan werken rond een aantal grote terreinen zoals curriculumdoelen en -inhouden, ordening van curricula in een opleidingenstructuur en curriculumevaluatie, inzonderheid het evalueren of en in welke mate de eindtermen zijn bereikt. http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/

9.3.3. Pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) Sinds het decreet van 17 juli 1991 de bevoegdheden van de inspectie en van de netgebonden pedagogische begeleidingsdiensten grondig herverkavelde, worden de voornaamste controlerende functies toevertrouwd aan de onderwijsinspectie en is er een adviserende en ondersteunende taak weggelegd voor de netgebonden pedagogische begeleiding. De pedagogische begeleidingsdiensten bevorderen de onderwijskwaliteit en ondersteunen leerkrachten, schooladministraties, scholen enz. om pedagogische projecten te realiseren die specifiek zijn voor de schoolbesturen (inrichtende machten). De diensten worden voor elk onderwijsnet afzonderlijk ingericht. Pedagogisch begeleiders zijn meestal leerkrachten die voor hun begeleidingswerk gedurende een of meerdere jaren van hun onderwijstaken worden ontheven. De werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten van elk net werden bekrachtigd door het Besluit van de Vlaamse regering van 9 juli 1996. Tot de opdrachten behoren: • • •

de externe ondersteuning van de betrokken onderwijsinstellingen volgens het eigen pedagogisch concept, onder meer bij het opstellen van het schoolwerkplan; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van de betrokken instellingen; het stimuleren van initiatieven ter versterking van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden uit de betrokken instellingen.

De pedagogische begeleidingsdiensten hebben geen autoriteit over de levensbeschouwelijke vakken. Voor die vakken zijn er speciale procedures van toepassing. • • •

Voor de PBD van het gemeenschapsonderwijs, zie http://pbd.gemeenschapsonderwijs.net/ Voor de PBD van het KO, zie http://ond.vsko.be/portal/page?_pageid=533,41186&_dad=portal&_schema=portal&p_portal_id=6&p_fol der_id=41186 Binnen het VSKO zorgt de Algemene Pedagogische Begeleidingsdienst voor vorming, nascholing en begeleiding van begeleiders; coördineert de verschillende begeleidende instanties en vormt een studieen documentatiedienst ter ondersteuning van de begeleiders, zie http://ond.vsko.be/portal/page?_pageid=533,41187&_dad=portal&_schema=portal&p_portal_id=6&p_fol der_id=41187

9.3.4. Speciale regelingen Hier behandelen we: • •

de inspectie levensbeschouwelijke vakken, zie [9.3.4.1.] de inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies, zie [9.3.4.2.]

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 230


9.3.4.1. Controle en ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken De grondwet garandeert alle leerlingen, die onder de voorwaarden van de wet op de leerplicht vallen, twee lesuren per week moraal- of godsdienstonderricht op school, als deel van het leerplan. Deze vakken zijn op geen enkele manier onderworpen aan enige overheidscontrole - zolang de democratische basisbeginselen van de samenleving worden gerespecteerd. Het decreet van 17 juli 1991 op de inspectie en de begeleidingsdiensten had uitdrukkelijk geen betrekking op de levensbeschouwelijke vakken. De inspectie en onderwijskundige ondersteuning van de levensbeschouwelijke vakken op het basis- en secundair niveau en in de lerarenopleiding (aan de hogescholen) werd geregeld door een apart decreet van 1 december 1993. De erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap bepalen de werking van de inspectie en de begeleiding van de betrokken godsdiensten en van de niet-confessionele zedenleer. Bovendien zijn ze verantwoordelijk voor de leerplannen voor deze vakken en de nascholing van de betrokken leerkrachten. De aangewezen inspecteur-adviseurs hebben o.m. volgende taken en verantwoordelijkheden: • • • • • • • •

de controle op de naleving van het lesrooster en de verklaringen betreffende de keuze voor een godsdienst of de niet-confessionele zedenleer; de controle van de leermiddelen; de controle van de bewoonbaarheid, de didactische bruikbaarheid en de hygiëne van de lokalen; het uitbrengen van beleidsadviezen; het controleren van de uitvoering van de leerplannen en de controle van het peil der studiën; de externe ondersteuning en de beoordeling van de beroepsbekwaamheid en de pedagogische bekwaamheid van de betrokken leerkrachten en het stimuleren van initiatieven ter verbetering van de beroepskwaliteit; het ontwikkelen van initiatieven ter bevordering van de onderwijskwaliteit van het betrokken vakgebied en het bewaken en het stimuleren van het aan de levensbeschouwing aangepast opvoedingsproject binnen het vakgebied; alle andere opdrachten die worden toegekend door of krachtens wetten en decreten.

De inspecteurs-adviseur geven informatie aan: • •

de erkende instanties van de erkende godsdiensten en de erkende vereniging voor de nietconfessionele zedenleer voor wat betreft de inhoud, de leerplannen en de beroepsbekwaamheid van de leerkrachten; de coördinerend inspecteur-generaal - die aan het hoofd van de inspectie staat, voor wat de toepassing van de wettelijke en administratieve reglementering betreft.

http://www.onderwijsinspectie.be/LBV/indexlbv.htm http://www.ribz.be 9.3.4.2. Inspectie en begeleidingsdiensten van steden en provincies Enkele grotere steden (Antwerpen en Gent) en provincies (Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen) betalen hun eigen 'inspectiepersoneel' en/of begeleidingsdienst. In feite moeten zij worden gezien als ambtenaren van hogere rang die in naam van de gemeentelijke overheid optreden, in haar rol van inrichtende macht voor de gesubsidieerd officiële scholen. Zie [1.2.4.].

9.4. Evaluatie van onderwijsinstellingen De evaluatie van onderwijsinstellingen omvat: • • •

interne evaluatievormen op aangeven van de scholen zelf of hun inrichtende machten, zie [9.4.1.]; externe evaluatie door de onderwijsinspectie, zie [9.4.2.]; accreditatie in het hoger onderwijs, zie [9.4.3.].

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 231


In 2005 publiceerde de DVO online de vergelijkende studie "Equilibrium: evenwicht tussen interne en externe evaluatie op de Europese scène". → http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/publicaties/equilibrium/equilibrium.htm

9.4.1. Interne evaluatie Vlaanderen heeft geen sterke institutionele traditie opgebouwd inzake zelfevaluatie. In feite is zelfevaluatie nog niet zo lang officieel aangemoedigd als deel van het huidige inspectiesysteem en de huidige programma's voor externe ondersteuning van scholen; het principe van zelfevaluatie is eveneens terug te vinden in de meest recente wetgeving op het hoger onderwijs. De voorbije jaren werden verscheidene zelfevaluatie-instrumenten ontwikkeld, maar de uitvoering van dergelijke procedures voor zelfevaluatie behoren nog steeds tot de exclusieve bevoegdheid van de scholen en hun inrichtende machten (Van Petegem, 1996). Systemen van zelfevaluatie in het kleuter-, lager en secundair onderwijs werden uitgebouwd (zie [9.4.1.1.]); voor de hogescholen en de universiteiten voorzien de decreten op de universiteiten en de hogescholen een systeem van kwaliteitsbewaking waarin zelfevaluatie een essentieel element is (zie [9.4.1.2.]). 9.4.1.1. Interne evaluatie in het basis- en secundair onderwijs Internationaal is er een groeiende tendens bij scholen om zichzelf kritisch te bevragen en de realisatie van de eigen doelen op een meer systematische wijze te onderzoeken (Michielsens, 2002). Het uitvoeren van zelfevaluaties is ook binnen het Vlaamse onderwijs een belangrijk aspect in de kwaliteitsbewaking geworden. Bij zelfevaluatie gaat het om de vraag of de basisschool of de secundaire school voldoet aan de eigen doelstellingen die zij vanuit haar pedagogisch project formuleert. Bij een doorlichting door de onderwijsinspectie daarentegen gaat het in de eerste plaats over de vraag of de school voldoet aan de minimumverwachtingen die de samenleving (m.m. het beleid) stelt t.a.v. de school (Michielsens, 2002). Het overgrote deel van de zelfevaluaties wordt geïnitieerd door de scholen zelf, zonder verplichting van overheidswege. Daartoe kunnen scholen een beroep doen op een veelheid van instrumenten die met het oog op het uitvoeren van zelfevaluatie in het basisonderwijs BaO en secundair onderwijs ontwikkeld werden. De verscheidenheid in zelfevaluatie-instrumenten gaat terug op verschillende invullingen omtrent het onderwijsniveau, de te bevragen aspecten, de gevolgde methodieken, de functies van de zelfevaluatie, de begeleiding die scholen genieten en dergelijke. Scholen kiezen dus doorgaans zelf of ze zichzelf evalueren en hoe ze daarbij te werk gaan. Het Decreet betreffende de gelijke onderwijskansen-I (GOK-I) (B.S. 14/09/02) geeft aan het uitvoeren van zelfevaluatie voor het eerst het statuut van een wettelijk verankerde verwachting ten aanzien van scholen. Van basisscholen en secundaire scholen die over GOK-middelen beschikken, wordt verwacht dat zij in de loop van de looptijd van het Gelijke Onderwijskansenbeleid een zelfevaluatie van het beleid dienaangaande uitvoeren. Het behoort echter tot de autonomie van de school om concreet invulling te geven aan deze zelfevaluatie. 9.4.1.2. Interne evaluatie in het hoger onderwijs De vorm van interne en externe kwaliteitsbewaking in het hoger onderwijs verschilt van het systeem van kwaliteitscontrole zoals dat in het kleuter-, lager en secundair onderwijs gekend is. Zowel het decreet op de universiteiten als dat op de hogescholen voorziet een tweeledige structuur voor kwaliteitsbewaking Enerzijds voorzien beide decreten in de kwaliteitsbewaking door de hogescholen en universiteiten zelf, anderzijds heeft de overheid tot taak op de kwaliteitsbewaking van de universiteiten en hogescholen toe te zien. Er wordt dus ook in het hoger onderwijs een onderscheid gemaakt tussen de interne en externe kwaliteitsbewaking (zie [9.4.2.3.]). Wat de interne kwaliteitsbewaking betreft heeft elke instelling de plicht permanent de eigen onderwijs- en onderzoeksactiviteit te controleren. We behandelen hier achtereenvolgens de interne kwaliteitsbewaking in: • •

de hogescholen, zie [9.4.1.3.1.] de universiteiten, zie [9.4.1.3.2.]

9.4.1.2.1. Interne kwaliteitsbewaking aan de hogescholen Van elke hogeschool wordt verwacht dat zij permanent de kwaliteit van haar onderwijs en onderzoek evalueert en dat acties om de situatie te verbeteren worden opgenomen in het jaarlijks rapport van de hogeschool. Studenten dienen actief in dit proces betrokken te worden. Daarenboven dient men zoveel mogelijk de gegradueerden en andere mensen uit het beroepsveld waarop het studiedomein is gericht, bij deze evaluatie te betrekken. De

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 232


zelfevaluatie moet resulteren in een rapport waarvan de status en de verdeling wordt bepaald door het Hogeschoolbestuur. Op dit moment passen de meeste hogescholen het EFQM-systeem (European Foundation for Quality Management) toe, hoewel zeer verscheidene toepassingen gebruikt worden. Eén van dergelijke evaluatie-instrumenten is PROZA (Projectgroep Ontwikkeling Zelfanalyse – instrument kwaliteitszorg, dit is een projectgroep voor de ontwikkeling van een instrument voor de zelfevaluatie van kwaliteit). Hierin dienen verschillende stappen te worden gezet door het evaluatieteam van de hogeschool: • • •

de voorbereiding van de zelfevaluatie: Wie zal de coördinator worden? Wat dient er geëvalueerd te worden? Hoe dient men te quoteren, enz..; de samenstelling van het evaluatieteam; de stappen die moeten gezet worden, d.w.z. individuele zelfevaluatie, discussie van de individuele vragenlijsten in groepsvorm; het actieplan om de situatie te verbeteren (Schoofs, 1997-1998).

Uit het VLHORA-onderzoek 'Optimalisatie van het hogeschoolonderwijs' (2000) blijkt dat de meeste hogescholen kiezen voor een systeem van Integrale Kwaliteitszorg (IKZ). Dit betekent dat niet alleen het onderwijs en onderzoek aan bod komt in de kwaliteitszorg maar wel het systematisch beheersen en continu verbeteren van de werking van de hele hogeschool als organisatie opdat deze haar missie zou kunnen realiseren. De integrale kwaliteitszorg heeft dus betrekking op alle organisatieaspecten van de hogeschool en wordt zo een zaak van alle geledingen binnen de hogeschool (Rottiers, 2001; Bronders, 2001). 9.4.1.2.2. Interne kwaliteitsbewaking aan de universiteiten In Vlaanderen hebben de universiteiten in 1991 in ruil voor een grotere zelfstandigheid een systeem van interne en externe kwaliteitszorg opgezet. De verantwoordelijkheid en het eigenaarschap van het kwaliteitszorgsysteem werd door de overheid volledig bij de instellingen gelegd. Net als de hogescholen zorgen de universiteiten voor de interne en externe kwaliteitszorg van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Zij zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Het Decreet betreffende de universiteiten stelt de betrokkenheid van de studenten, de alumni en externe deskundigen uit het beroepsveld voorop bij deze processen van interne kwaliteitsbewaking. Een centraal aspect in de kwaliteitsbewaking van het hoger onderwijs zijn de zogenaamde visitaties die gecoördineerd worden door de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR). Het visitatiestelsel valt uiteen in drie fasen (zie [9.4.2.3.]). In een eerste fase ligt het zwaartepunt op de interne evaluatie. Het gaat om een kritische zelfanalyse door de betrokkenen van de te visiteren opleidingen. De resultaten van deze zelfbevraging, die ongeveer een jaar in beslag neemt en waarbij academisch, administratief en technisch personeel, studenten, afgestudeerden en vertegenwoordigers van het beroepenveld worden betrokken, worden samengebracht in een uitvoerig rapport, het zelfevaluatierapport. De zelfevaluatie, die beschouwd wordt als een controlevorm binnen het geheel van de interne kwaliteitszorg, zou moeten geschieden volgens een periodiciteit die vastgelegd wordt door het universiteitsbestuur en waarbij rekening wordt gehouden met elementen als de duur van de opleiding en de frequentie van de externe kwaliteitszorg.

9.4.2. Externe evaluatie De externe kwaliteitscontrole is gebaseerd op de doorlichting van scholen in het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs (incl. de basiseducatie), het deeltijds kunstonderwijs en op een systeem van externe visitaties in het hoger onderwijs. We behandelen hier achtereenvolgens de externe evaluatieprocedures in: • • • •

het basisonderwijs, zie [9.4.2.1.] het secundair onderwijs, zie [9.4.2.2.] het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs, zie [9.4.2.3.] het hoger onderwijs, zie [9.4.2.4.]

9.4.2.1. Basisonderwijs De inspectie streeft ernaar om elke school minstens om de zes jaar door te lichten. Om de gelijkvormigheid te bewaken, gebruiken alle doorlichtingsteams eenzelfde instrumentarium. Ook de procedure van doorlichten is in de ganse Vlaamse gemeenschap gelijk.

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 233


9.4.2.1.1. Instrumentarium Bij zijn kwaliteitsbewakende opdracht gebruikt de inspectie het CIPO-model (context, input, proces, output) als structurerend kader waarbinnen de vaststellingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bekeken. De invulling van deze aspecten is de volgende: • • • •

Context: het geheel van demografische, structurele, materiële, financiële, juridische, bestuurlijke en pedagogisch-didactische gegevens die van invloed (kunnen) zijn op de input, het proces en de output van de school. Input: het geheel van persoonsgebonden gegevens van elkeen die rechtstreeks deelneemt aan het onderwijsleerproces, met name de leerlingengroep en het schoolteam (de directeur en de leraren). Proces: het geheel van onderwijskundige en schoolorganisatorische kenmerken dat aangeeft welke inspanningen de school doet om de door de overheid vooropgestelde doelen te bereiken. Output: het geheel van kenmerken dat duidt op kwalificaties van kinderen met betrekking tot de door de overheid vooropgestelde doelen.

De keuze voor dit model impliceert dat de inspectie het functioneren van de leraar en de directeur ziet binnen het totale functioneren van de school en dat men het functioneren van de school kadert binnen de lokale context. Het werken met dit model gebeurt vanuit een verantwoordings- en schoolontwikkelingsperspectief. De schooldoorlichting is zowel een middel om gegevens in de school te controleren (verantwoording) als een mogelijke aanleiding voor scholen om hun onderwijskwaliteit te optimaliseren (ontwikkeling). Aanvullend gaat het doorlichtingsteam na of de infrastructuur van de school voldoet en of de wettelijke bepalingen nauwgezet worden opgevolgd. 9.4.2.1.2. Procedure De volgende beschrijving van de doorlichtingsprocedure is gebaseerd op de toelichting die de onderwijsinspectie aan basisscholen bezorgt ter voorbereiding van een inspectiebezoek. 1)

2) 3) 4)

5) 6) 7)

Een schooldoorlichting wordt altijd aangekondigd met een brief aan het schoolbestuur en aan de directeur. Voor de scholen van het gemeenschapsonderwijs wordt ook de Raad van het Gemeenschapsonderwijs op de hoogte gebracht. Het aantal inspecteurs dat een school doorlicht, hangt af van het aantal schoolteamleden en het aantal vestigingsplaatsen. Elke doorlichting gebeurt door minimum twee inspecteurs. De inspecteurverslaggever is verantwoordelijk voor de organisatie van de schooldoorlichting en voor de verslaggeving. In de periode die aan de schoolfase vooraf gaat, verzamelt de inspecteurverslaggever een aantal basisgegevens over de school. Vervolgens vindt een voorbereidend gesprek plaats. In de eerste plaats wordt de praktische organisatie besproken. Tijdens de doorlichting zullen de inspecteurs activiteiten volgen, gesprekken voeren met teamleden en de directeur, documenten inkijken en het schoolgebouw inspecteren. Deze fase, de schoolfase, zal maximaal een viertal dagen duren. In deze schoolfase organiseren de inspecteurs minstens twee gesprekken met de directeur: één meer bij het begin en één meer naar het einde van de schoolfase (samen nemen ze ongeveer een halve dag in beslag). Ook andere leidinggevende personen (adjunct-directeur, beleidsondersteuner …) kunnen hierbij worden betrokken. De inspecteurs winnen eveneens bij een selectie van leerkrachten uitgebreid informatie in. Het is de bedoeling een eerste, zo juist mogelijk, globaal beeld van het schoolleven te krijgen. De inspecteurs observeren tevens tijdens activiteiten met de kinderen. De inspecteurs gaan om met de leerlingen en kunnen informele gesprekjes met de leerlingen voeren en hun schriften, taken of werkstukjes nakijken. Daarnaast kijken ze de documenten van de teamleden na. Met de informatie uit de bevraging van het schoolbestuur, de ouders en de lokale gemeenschap vervolledigt het inspectieteam het beeld van de school. Na de schoolfase ordent en selecteert elke inspecteur zijn informatie op basis van het analysekader om te komen tot een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de school. Uiterlijk 60 dagen later brengt de inspectie in elk geval het schoolbestuur en de directeur in een gesprek op de hoogte van haar bevindingen. Het inspectieteam plant tenslotte een verifiëringsgesprek. Het schoolbestuur bepaalt wie bij dit gesprek wordt betrokken. De inspectie hoopt dat ook een afvaardiging van het personeel hierbij aanwezig is. Het schoolbestuur kan onder meer ook de begeleiding uitnodigen.

9.4.2.1.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag Het verslag moet binnen dertig dagen na ontvangst door de directeur op de agenda van een personeelsvergadering worden geplaatst. Het moet integraal worden besproken. Een exemplaar van het volledige verslag ligt op het schoolsecretariaat ter inzage. Voor de school en het schoolbestuur heeft het verslag een

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 234


klankbordfunctie vanwege de concrete aanknopingspunten waarop school en schoolbestuur zich in de toekomst kunnen richten. Andere onderwijsparticipanten zoals: de leden van het basisoverlegcomité (BOC), het lokaal onderhandelingscomité (LOC), de ondernemingsraad, de afzonderlijke bijzondere comités (ABC), de participatie/schoolraad en de oudervereniging kunnen een kopie van het doorlichtingsverslag ontvangen, als zij het vragen aan het schoolbestuur. De schoolbesturen kunnen het doorlichtingsverslag ook ter beschikking stellen van hun pedagogische begeleidingsdienst. In het kader van de openbaarheid van bestuur kunnen ook personen die geen onmiddellijk belang hebben, inzage krijgen in doorlichtingsverslagen. Zij moeten het verslag aanvragen via de inspecteur-generaal van het basisonderwijs BaO. Wanneer geïnteresseerden een doorlichtingsverslag aanvragen, dan krijgen zij daar een korte inleidende nota bij. Daarin staat onder meer dat het verslag niet mag worden gebruikt voor commerciële doeleinden of om een rangschikking van scholen op te stellen. Voorts legt de nota de nadruk op het tijdgebonden karakter van een doorlichtingsverslag. Het inzagerecht geldt niet voor ongunstige adviezen, omdat die nog aan een beroepsprocedure zijn onderworpen en er nog een definitieve beslissing moet worden genomen. 9.4.2.2. Secundair onderwijs Om de gelijkvormigheid te bewaken, gebruiken alle doorlichtingsteams een zelfde instrumentarium. Ook de procedure van doorlichten is in de ganse Vlaamse gemeenschap gelijk. 9.4.2.2.1. Instrumentarium Het informatiedossier dat de inspectie hanteert, werd gestructureerd op grond van het CIPO-analysekader. Dit betekent dat vanuit hetzelfde referentiekader gegevens worden verzameld als in het basisonderwijs (→ [9.4.2.1.1.]). 9.4.2.2.2. Procedure De volgende beschrijving van de doorlichtingsprocedure is gebaseerd op de toelichting die de onderwijsinspectie aan secundaire scholen bezorgt ter voorbereiding van een inspectiebezoek. 1) 2)

3)

De inspecteur-generaal brengt met een meldingsbrief de schooldirectie, de voorzitter van de inrichtende macht, de coördinerend directeur en de algemeen directeur schriftelijk op de hoogte van de komende doorlichting. De directie en een lid van het ondersteunend personeel worden enkele weken na de melding van de doorlichting uitgenodigd voor een informatiesessie. De informatiesessie betreft het CIPO-analysekader en de voorbereiding, het verloop van de schooldoorlichting en de verslaggeving. Parallel wordt aan het ondersteunend personeel praktische ondersteuning geboden voor het invullen van de verschillende dossiers. De feitelijke doorlichting door het inspectieteam duurt in principe een werkweek. Ze begint met een kennismaking van het inspectieteam met de directeur. De directie wordt dan uitgenodigd de school kort voor te stellen. De inspecteurs nemen de eerste dag van de doorlichting kennis van bijkomende informatie die op de school beschikbaar is. De uitgebreide informatieve fase wordt afgesloten met een teambespreking en resulteert in een gerichte planning van de doorlichtingsactiviteiten. De eigenlijke activiteiten van de inspectieleden worden hieronder opgelijst. • Gesprekken: de gesprekken beogen de verworven informatie uit het informatiedossier en de vaststellingen te vervolledigen en te verfijnen. In de gesprekken met leerlingen komen algemene thema's aan bod, gebaseerd op de schalen en subschalen van de wetenschappelijk ontwikkelde enquête 'welbevinden leerlingen'. Deze gesprekken zijn niet bedoeld als een evaluatie van personeelsleden. Gesprekken met leraren hebben onder andere tot doel de reeds ingewonnen informatie te verfijnen, eventuele nieuwe aspecten of aandachtspunten te ontdekken, de persoonlijke inbreng en het initiatief van de leraar in de doorlichting te garanderen, en vaststellingen mee te delen. Gesprekken met titularissen van een vak- of vakkengroep zijn in het begin van de feitelijke doorlichting nuttig om informatie uit documenten (bijvoorbeeld het vak- of studierichtingsinformatiedossier) en observaties toe te lichten en op het einde van de feitelijke doorlichting om de bevindingen te bespreken. Gesprekken met ouders en/of externen beogen de perceptie van het schoolgebeuren door derden te toetsen. • Lesobservaties: de inspecteurs wonen lessen bij. Deze klasbezoeken hebben niet als doel de individuele leraar te beoordelen, maar dragen bij tot vaststellingen m.b.t. het rendement van het vakkenonderwijs. • Deelonderzoeken: voor sommige deelaspecten, zoals o.m. de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen, de veiligheid, het welbevinden en het taalbeleid, maakt de inspectie

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 235


4)

5) 6)

gebruik van specifieke instrumenten. Die instrumenten zijn voor de scholen ter beschikking op de website van de inspectie. • Deelname aan het schoolleven: bezoek aan het leerlingenrestaurant, speelplaatsbezoek, informele ontmoetingen met leraren in de leraarskamer, aanwezigheid bij klassenraden. • Vakvergaderingen: op het einde van de doorlichting kunnen de bevindingen op vak- of studierichtinggebied door de betrokken inspecteurs met de vakgroepen in een vergadering of met individuele leraren worden besproken. Na de schoolfase selecteert en ordent elke inspecteur zijn informatie op basis van het analysekader om te komen tot een zo objectief mogelijk totaalbeeld van de school. Op het einde van de verwerkingsperiode organiseert de inspecteurverslaggever een vergadering met alle teamleden. Die vergadering heeft een delibererend karakter, wat leidt tot het uiteindelijke verslag en advies. Op initiatief van de inspecteurverslaggever wordt ten laatste 60 kalenderdagen na de schooldoorlichting een afspraak gemaakt met de inrichtende macht en de directie voor de bespreking van de bevindingen aan de hand van het ontwerpverslag. Na dit afrondend gesprek wordt het verslag gefinaliseerd.

9.4.2.2.3. De bestemming van het doorlichtingsverslag De directeur van de school is verplicht het doorlichtingsverslag binnen een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst op de agenda te plaatsen van een personeelsvergadering. Zij/hij is verplicht dit verslag integraal met het personeel te bespreken. Het personeel heeft inzagerecht en kan desgewenst van de school een kopie van het verslag krijgen. De Vlaamse regering heeft deze verplichtingen van de school inzake de toegankelijkheid van het doorlichtingsverslag voor personeelsleden, leerlingen en ouders in een besluit vastgelegd (B.S. 01/04/1999). Het is de directie uiteraard niet verboden het verslag ook zelf te overhandigen aan wie daarom verzoekt. In ieder geval moet er steeds over worden gewaakt dat het verslag in zijn geheel wordt bezorgd en geen uittreksels. Die regeling ontslaat de overheid zelf niet van haar verplichting alle documenten ter beschikking te stellen die aanleiding kunnen geven tot bestuurshandelingen t.a.v. betrokken partijen. Een volledig doorlichtingsverslag kan in die zin door iedereen worden opgevraagd bij het departement Onderwijs. Het departement is gerechtigd hiervoor een vergoeding te vragen. Ondanks het openbaar karakter van het doorlichtingsverslag mag het verslag niet worden gebruikt voor 'commerciële doeleinden', i.e. propaganda voor de school met het oog op rekrutering van leerlingen. Het is niet toegestaan een vergelijking van scholen (en ranking) uit te werken op basis van een vergelijking van gegevens uit doorlichtingsverslagen. Dat zou een negatie betekenen van het eigene van een schooldoorlichting, waarbij wordt getracht de eigenheid van de school maximaal te respecteren. 9.4.2.3 Volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs De doorlichting van centra voor volwassenenonderwijs, Centra voor Basiseducatie (CBE's) en instellingen voor deeltijds kunstonderwijs is vergelijkbaar met de doorlichting in basis- en secundair onderwijs. Het gebruikte instrumentarium beantwoordt eveneens aan de CIPO-indeling, de doorlichtingsprocessen zijn eveneens vergelijkbaar. De doorlichtingsverslagen zijn eveneens openbaar. 9.4.2.4. Hoger onderwijs De hogescholen en universiteiten voorzien zelf in een regelmatige externe beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Dit kan per opleiding of per cluster van opleidingen. De externe beoordeling gebeurt ten minste om de acht jaar voor de bachelor- en de masteropleidingen (Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (B.S. 18.08.2003). Daar waar de interne kwaliteitszorg tot de autonomie van de instellingen behoort, kregen de VLHORA en de VLIR (zie paragraaf [2.7.2.2.] ) de opdracht toegewezen de organisatie en coördinatie van de externe kwaliteitszorg in het hoger onderwijs - de zgn. visitaties van opleidingen - te verzorgen. De coördinatie slaat in ieder geval op de ontwikkeling en de vaststelling van een protocol van kwaliteitszorg dat de visitatiecommissies bij hun beoordeling van de kwaliteit hanteren. Het zijn de visitatiecommissies die de externe beoordeling van eenzelfde opleiding of cluster van opleidingen uitvoeren. Alle instellingen die een te controleren opleiding of groep van opleidingen aanbieden, worden bij de visitatie betrokken. De visitatie wordt uitgevoerd door een commissie van externe deskundigen. De procedure verloopt als volgt: 1. 2.

De visitatiecommissie vertrekt van het zelfevaluatierapport, opgesteld door de opleidingen (zie [9.4.1.2.]). De visitatiecommissie bezoekt de betrokken instelling (VLHORA, 2001). Op basis van de visitatieactiviteiten komt ze tot een consensus over de sterke punten en de punten waarvoor de commissie aanbevelingen tot verbetering wenst te formuleren. De bezoekfase wordt afgerond met een

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 236


3.

mondeling verslag van de voornaamste bevindingen aan de beleidsverantwoordelijken van de betrokken instelling. De visitatie is gericht op het proces van kwaliteitsverbetering. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun beoordeling samen in een openbaar verslag.

9.4.3 De accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs In het licht van het Bolognaproces is er beslist om accreditatie (naast interne evaluatie en de visitatie) als sluitstuk van het bestaande kwaliteitszorgstelsel in te voeren. Accreditatie moet op termijn leiden tot een automatische erkenning van het behaalde Vlaamse diploma in de rest van Europa. Het begrip 'accreditatie' duidt op het verlenen van een 'keurmerk' dat aangeeft dat aan bepaalde kwalitatieve maatstaven wordt voldaan. Accreditatie is in Vlaanderen een voorwaarde voor bekostiging/financiering van een bachelor- of masteropleiding door de overheid en voor het recht erkende diploma's af te geven. Het initiatief voor een accreditatieaanvraag ligt bij de instelling voor hoger onderwijs. Een opleiding wordt beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen: doelstellingen van de opleiding, programma, inzet van personeel, voorzieningen, interne kwaliteitszorg en resultaten. Daartoe werd door Nederland en Vlaanderen gezamenlijk de Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie (NVAO) opgericht. De beoordeling van de opleiding door de visitatiecommissie, het visitatierapport dus, vormt voor de NVAO de basis om tot een accreditatiebesluit te komen. Dit besluit is of positief of negatief. Om tot dit besluit te komen, gaat de NVAO na of een bewuste opleiding voldoende basiskwaliteit heeft. Daartoe heeft de NVAO een accreditatiekader uitgewerkt. Bij een positief accreditatiebesluit is de opleiding geaccrediteerd voor de duur van acht academiejaren Bij een negatief accreditatiebesluit is er beroep mogelijk bij de Vlaamse Regering of kan een instelling bij de Vlaamse regering een aanvraag voor een tijdelijke erkenning indienen. Zo een tijdelijke erkenning heeft een looptijd van één academiejaar en kan twee keer verlengd worden. Als eerste Vlaamse opleiding werd de bachelor- en masteropleiding diergeneeskunde van de universiteit Gent in 2005 geaccrediteerd voor een periode van 8 jaar. Meer informatie op: • http://nvao.net • http://www.hogeronderwijsregister.be

9.5. Evaluatie van het onderwijssysteem Vlaanderen beschikt niet over een systeem van nationale examens. Dat neemt niet weg dat verschillende andere kanalen in het leven geroepen werden die het mogelijk maken de kwaliteit van het onderwijssysteem te evalueren. We verwijzen daarbij naar het zogenaamde periodiek peilingonderzoek en de deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek. Uiteraard speelt ook de onderwijsinspectie hier een belangrijke rol.

9.5.1. Het jaarverslag van de onderwijsinspectie Op basis van de ervaringen bij de evaluatie van de onderwijsinstellingen (zie [9.4.2.]) schrijft de onderwijsinspectie elk jaar een verslag over de toestand van het onderwijs. Dit jaarverslag van de inspectie (de zogenaamde onderwijsspiegel) beschrijft de toestand van het onderwijs tijdens het voorgaande schooljaar en poneert een aantal beleidsaanbevelingen, zowel op algemeen beleidsniveau als op schoolniveau. Het is decretaal in eerste instantie bedoeld voor de leden van het Vlaams parlement.

9.5.2. Periodiek peilingsonderzoek De overheid voert jaarlijks een peilingsonderzoek naar een cluster van eindtermen uit. Via representatieve steekproeven worden de prestaties van de leerlingen anoniem onderzocht en worden resultaten op het niveau van het onderwijssysteem berekend. Er werden reeds verschillende peilingstoetsen voor diverse leergebieden uit het lager onderwijs en vakken uit het secundair onderwijs ontwikkeld. Aan de hand van de periodieke peilingen wil de overheid zicht krijgen op het behalen van de eindtermen in het Vlaams onderwijs. De peilingen verschaffen noodzakelijke informatie over de opbrengsten van het onderwijs in termen van wat de leerlingen nu werkelijk geleerd hebben, wat ze kennen en kunnen. De betrouwbare landelijke gegevens over leerlingenprestaties worden aangewend in het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van het onderwijssysteem. De informatie uit peilingen kan - naast andere informatie over de implementatie van de eindtermen - worden gebruikt om deze te evalueren en eventueel te herzien. Het peilingsonderzoek kan ook worden gebruikt om het onderwijsaanbod en de gebruikte leer- en onderwijsmethodes bij te sturen en een idee te krijgen van de behoefte aan begeleiding en nascholing van leerkrachten.

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 237


9.5.3. Deelname aan internationaal vergelijkend onderzoek Vlaanderen neemt met grote regelmaat deel aan internationaal vergelijkend onderzoek. Op basis van een internationale vergelijking van verscheidene kenmerken van het Vlaamse onderwijssysteem wordt informatie verkregen die het mogelijk maakt het functioneren van het onderwijssysteem te evalueren. Outputinformatie speelt daarbij een belangrijke rol maar wordt systematisch aangevuld met context-, input en procesinformatie. We geven de belangrijkste internationaal vergelijkende onderwijsonderzoeken waaraan Vlaanderen recentelijk heeft geparticipeerd. International Survey of Upper Secondary Schools (ISUSS). ISUSS is een internationaal vergelijkend onderzoek naar het functioneren van scholen uit het hoger secundair onderwijs (ISCED- level 3 leerlingen, d.i. de tweede graad en de eerste twee leerjaren van de derde graad). Op initiatief van de OESO (Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling) namen in 2001-2002 16 Europese landen deel waaronder Vlaanderen. Gemeten werd: • • • •

beschikbaarheid en gebruik van ICT en mate van samenwerking daarover, kwalificatie van leerkrachten, aantal tijdelijken en professionele ontwikkeling (nascholing), toelatings- en doorstromingsbeleid t.a.v. leerlingen (overgang 1e naar 2e, 2e naar 3e graad SO); groeperingscriteria en –beleid; loopbaanbegeleiding en het bijhouden van informatie over de leerlingen feedback naar scholen vanuit overheden, inrichtende machten e.a.instanties; en inkomstenbronnen

Info: • • • • •

Internationaal ISUSS-rapport "Completing the Foundation for Lifelong Learning An OECD Survey of Upper Secondary Schools", te bestellen bij de OESO Brochure "International Survey of Upper Secondary Schools' in Vlaanderen: eerste resultaten", zie http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken. Het hoger secundair onderwijs in Vlaanderen geschetst: resultaten International Survey of Upper Secondary Schools (ISUSS) / Peter van Petegem en Alexia Deneire. - Mechelen: Wolters Plantyn, 2003. - 148 p. - ISBN 90 301 7958 9 http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2004pers/0206_isuss.htm http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL401/ISUSS.htm

Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS). TIMSS brengt de leerlingenprestaties voor wiskunde en wetenschappen in het 4e leerjaar lager onderwijs en het 2e jaar secundair onderwijs internationaal in kaart. De Vlaamse lagere scholen deden voor het eerst in 2003 mee aan de test. Info: • • • •

http://timss.bc.edu/ Comparing NAEP, TIMSS,and PISA in mathematics & science, zie http://nces.ed.gov/timss/pdf/naep_timss_pisa_comp.pdf http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken/20032004/TIMSS2003/Webversie%20TIMSS2003.pdf http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL403/TIMSS2003.htm

Programme for International Student Assessment (PISA) Dit is een internationaal onderzoek naar de kennis en vaardigheden van 15-jarigen ongeacht het leerjaar waarin ze zich bevinden. Eerder dan op de beheersing van een schools curriculum richt PISA zich op de mate waarin leerlingen begrippen en concepten verstaan, processen beheersen en kennis en vaardigheden kunnen toepassen in verschillende realiteitsgetrouwe situaties. PISA meet het gecumuleerd effect van vaardigheden en competenties in leesvaardigheid, wiskundige geletterdheid en wetenschappelijke geletterdheid ongeacht waar jongeren dit hebben geleerd. • •

Worldwide learning at age 15. First results from PISA 2000 (Belgian report Flemish speaking community) http://www.pisa.oecd.org/dataoecd/30/16/33683931.pdf Learning for tomorrow's world. First results from PISA 2003. http://www.pisa.oecd.org/dataoecd/1/60/34002216.pdf

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 238


PISA werkt werkt met een driejaarlijkse cyclus. In PISA2000 lag de nadruk op leesvaardigheid. De volgende cycli leggen de nadruk op wiskundige geletterdheid en problemen oplossen (2003) en wetenschappelijke geletterdheid (2006). Aan PISA 2000 namen 124 Vlaamse scholen deel waaronder 4 scholen van het buitengewoon onderwijs. In elke geselecteerde school werden op basis van toeval ongeveer 35 leerlingen geselecteerd. Vlaamse jongeren horen bij de besten van de wereld op vlak van leesvaardigheid en wiskundige geletterdheid, en bij de subtop voor wetenschappelijke geletterdheid. Deze goede resultaten werden gehaald zonder grote verschillen tussen de leerlingen met de hoogste en de laagste scores. De verschillen tussen leerlingen uit gezinnen met een hoge en lage sociaaleconomische status zijn relatief groot. Leerlingen uit Vlaamse kansarmere milieus presteren even goed als vergelijkbare groepen in het buitenland. Leerlingen uit gezinnen met een hogere sociaaleconomische status halen echter ongewoon hoge prestaties. Zoals in alle landen zijn meisjes leesvaardiger dan jongens. De hoge leerprestaties nemen niet weg dat Vlaamse 15-jarigen niet graag naar school gaan en opvallend weinig lezen voor hun plezier. Uit de vergelijkende tests van PISA 2003 inzake wiskundige geletterdheid blijkt dat Vlaanderen aan de internationale top staat voor wiskunde. Wel blijkt het verschil tussen de sterkste en zwakste leerlingen en tussen autochtonen en allochtonenzeer groot. Het PISA-onderzoek toont hoe Vlaanderen voor wiskunde van de derde naar de eerste plaats op de wereldranglijst klimt. TIMSS daarentegen stelt dalende trends vast. Dat is volgens de onderzoekers een gevolg van de 'thermometer' waarmee wordt gemeten. • •

TIMSS test vooral de klassieke schoolse kennis. De wiskunde wordt theoretisch en abstract benaderd. De testitems zijn geïnspireerd op oefeningen zoals die doorgaans in scholen worden aangeboden. PISA situeert de opdrachten in levensechte contexten. Wiskunde wordt functioneel benaderd: wat kan ik ermee doen in het dagelijks leven? Leerlingen moeten 'echte' problemen oplossen met behulp van wiskundige formules en redeneringen in plaats van traditionele wiskundeoefeningen te maken. De klemtoon ligt meer op (probleemoplossende) vaardigheden dan op kennis. Daarom spreekt PISA ook over 'wiskundige geletterdheid'. Dat de Vlaamse leerlingen op PISA beter scoren, komt volgens de onderzoekers omdat de eindtermen net op die vaardigheden meer de klemtoon leggen dan op theoretische kennis. Die andere benadering van wiskunde zou tevens kunnen verklaren waarom steeds meer leerlingen aangeven dat ze graag wiskunde doen.

Info • • • •

http://www.pisa.oecd.org http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/bijlagen0102/Pisa/pisa_samen.htm http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL303/PISA-LearnersForLife.htm http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsstatistieken/2003-2004/PISA/BROCHUREPISA.pdf

Daarnaast worden er in Vlaanderen gegevens verzameld met het oog op het vergelijken van aspecten van het onderwijssysteem in internationale publicaties zoals Education at a Glance (OESO) en Key data (Europese Commissie). Er wordt ook een specifiek Vlaamse publicatie samengesteld die de kenmerken van het Vlaamse onderwijssysteem situeert in een internationale context ('Vlaamse onderwijsindicatoren in een internationale context'). De indicatoren in internationale publicaties worden immers meestal geaggregeerd op het niveau van België.

9.6. Onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek betreffende de evaluatie van het onderwijssysteem Onderzoek Elk jaar besteedt de minister van Onderwijs en Vorming een deel van het budget aan 'Onderwijskundig Beleidsen Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek' (OBPWO). Het budget voor OBPWO bedroeg in 2006 1,6 miljoen €. De onderzoeksprogrammering sluit nauw aan bij de strategische en operationele doelstellingen zoals geformuleerd in de Beleidsnota en de beleidsbrieven van de minister. Het OBPWO werkt met een jaarlijkse open

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 239


oproep aan alle Vlaamse universiteiten. Zij kunnen voorstellen indienen aansluitend bij de prioritaire thema's die de minister vastlegt op voorstel van het departement onderwijs en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De projecten hebben een gemiddelde looptijd van 2 jaar. In 2004 en 2005 werden onderzoeksprojecten over de volgende thema's goedgekeurd: • • • • • • • • • •

studiekeuzebekwaamheid in het SO en doorstroming naar en in het HO tevredenheid van cliënten in de Centra voor leerlingenbegeleiding evaluatie van het CLB-decreet de perceptie van eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basisonderwijs (onderzoek naar implementatie en evaluatieonderzoek bij maatschappelijke groeperingen) geletterdheid voor volwassenen met cognitieve disfuncties evaluatie van de vorming van scholengemeenschappen in het basisonderwijs BaO goede praktijkvoorbeelden als hefboom voor schoolontwikkeling mobiliteit van Vlaamse hoger onderwijs studenten studiekosten in het basis- , secundair en hoger onderwijs ontwikkeling van ICT-monitor

Het OBPWO is een onderzoeksprogramma voor beleidsgericht onderzoek. Dat impliceert dat de onderzoeksprogrammering zo goed mogelijk wordt afgestemd op actuele en algemene beleidsvraagstukken. Bij de selectie worden de ingediende voorstellen zowel op beleidsrelevantie als op wetenschappelijke kwaliteit beoordeeld. Deze dubbele beoordeling gebeurt door twee afzonderlijke jury's die onafhankelijk van elkaar werken. De beleidsrelevantie wordt beoordeeld door een commissie van leidende ambtenaren. De wetenschappelijke kwaliteit wordt beoordeeld door een internationale, interdisciplinaire wetenschappelijke jury. Gedurende de looptijd wordt elk onderzoeksproject opgevolgd door een stuurgroep die zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de beleidsrelevantie van dat project bewaakt. In elke stuurgroep zetelen zowel beleidsmakers als wetenschappelijke experts. De onderzoekers verbinden zich ertoe om op basis van hun bevindingen een reeks beleidsaanbevelingen te formuleren. In overleg met de stuurgroep wordt voor elk onderzoeksproject ook een gepast initiatief voor valorisatie en publicatie ontwikkeld (bvb. studiedag, seminarie, uitgave brochure voor scholen etc). http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/ Steunpunten Er zijn twee steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek van belang voor onderwijs. •

•

Het Steunpunt LOA, 'Loopbanen doorheen onderwijs naar arbeidsmarkt'. is een initiatief gefinancierd door de Vlaamse Regering met als centrale doelstelling de constructie van gegevensbestanden die toelaten om na te gaan welk pad jongeren volgen van het begin van het basisonderwijs tot de intrede op de arbeidsmarkt. Hierbij ligt in eerste instantie de nadruk op het opzetten van gespecialiseerde surveys met betrekking tot het basisonderwijs en de overgang van school naar werk. Zie: http://www.steunpuntloopbanen.be Het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming (WAV) is een interuniversitar samenwerkingsverband van ondezoeksgroepen verbonden aan de universiteiten van Gent, Antwerpen, Brussel, Leuven, gevestigd in het HIVA. Het biedt logistieke en wetenschappelijke ondersteuning aan onderzoekers en beleidsmedewerkers die o.m. werkzaam zijn op vlak van vorming en van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en Zie: http://www.steunpuntwav.be

Universitaire onderzoeksgroepen Tenslotte zijn er aan de verschillende Vlaamse Universiteiten onderzoeksgroepen die zich bezig houden met fundamenteel en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek omtrent het functioneren van (aspecten van) het Vlaamse onderwijssysteem.

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 240


9.7. Statistieken 9.7.1. Aantal schooldoorlichtingen 2004-2005 Gewoon BaO Buitengewoon BaO Gewoon voltijds SO Deeltijds beroeps SO Buitengewoon SO Volwassenenonderwijs CVO's DKO Totaal

53 23 68 4 16 21 20 205

Bron: Onderwijsspiegel van het schooljaar 2004-2005 http://www.onderwijsinspectie.be/onderwijsspiegel/onderwijsspiegel.htm

9.7.2 Aantal inspectieleden 2006 Coรถrdinerend inspecteur-generaal BaO Inspecteur-generaal Coรถrdinerende inspecteurs inspecteurs SO Inspecteur-generaal Coรถrdinerende inspecteurs inspecteurs CLB Volwassenenonderwijs + basiseducatie Deeltijds kunstonderwijs

1 1 5 84 1 2 24 6 6 4 134

(Daarnaast is er nog de inspectie van levensbeschouwelijke vakken en van steden en provincies)

Vlaams Eurydice rapport 2006

9 Evaluatie / 241


10. ONDERWIJS VOOR LEERLINGEN MET SPECIFIEKE ONDERWIJSBEHOEFTEN In Vlaanderen bestaat er voor andersvalide leerlingen: •

•

binnen het gewoon onderwijs: o een systeem van Geïntegreerd Onderwijs (GON) (zie [10.5.1.]) o een project met inclusief onderwijs voor mentaal gehandicapte type 2 leerlingen ION, zie [10.5.2.] naast het gewoon onderwijs: het buitengewoon onderwijs, zie [10.6.]

Voor migrantenleerlingen en leerlingen van etnisch-culturele minderheden lopen verschillende projecten: • •

het onderwijsvoorrangsbeleid gericht op migrantenleerlingen in het buitengewoon onderwijs (OVB), zie [10.7.1.] het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon onderwijs (OKAN), zie [10.7.2.]

Het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) gericht op doorstroming van leerlingen uit kansarme milieus behandelen we in [4.15.1.], Het geldt evenzeer voor het buitengewoon onderwijs.

10.1. Historisch overzicht Ofschoon enkele buitengewone scholen reeds een geschiedenis van honderd jaar achter de rug hebben (bv. scholen voor visueel of auditief gehandicapten), werd de gemeenschap zich slechts bewust van haar plicht tegenover de fysiek en mentaal gehandicapten op het moment dat de idee van het recht op onderwijs voor iedereen ingeburgerd geraakte (Broekaert, e.a., 1993). In 1901 richtte Decroly een 'Instituut voor abnormale kinderen' op. Voor de zwaar gehandicapten bestonden er in de jaren '30 een aantal instellingen. In 1956 werden er jaren ingericht voor kinderen met een hersenletsel en deze waren verbonden aan normaalscholen. In 1968 gingen 46.000 leerlingen naar buitengewone scholen. Op dat moment bereikte het Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO) haar verzadigingspunt en werd het duidelijk dat twee categorieën door elkaar werden gehaald: enerzijds de kinderen met leermoeilijkheden en anderzijds de gehandicapte kinderen die echt nood hadden aan speciaal onderwijs De wet van 1970 legde het toekomstig beleid vast met o.m. toelatingsprocedures voor de leerlingen, de organisatie van de verschillende onderwijsniveaus, de personeelscategorieën, de overheidsinterventies, raden en commissies. In 1978 werd de huidige indeling in types vastgelegd. In 1980 werd het Geïntegreerd Onderwijs (GON) als experiment tot leerlingenintegratie geïntroduceerd. In 1986 kreeg het een wettelijk raamwerk. In 1991 werd gestart met de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs. In maart 2003 is ook het DBSO (deeltijds beroepssecundair onderwijs) gestart met het onthaalonderwijs. In 1991 startte het project onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten. In 1998 ging het van start in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs. In 2002 kreeg het gelijkeonderwijskansenbeleid decretaal vorm.

10.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen De herziening van het buitengewoon onderwijs staat al een tijd op de beleidsagenda. In 1998 formuleerde de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) een advies over inclusief onderwijs, in 2002 legde de minister van onderwijs een discussienota voor.. Ook de huidige minister van onderwijs heeft een discussienota voorgelegd 'Leerzorg in het onderwijs. Een kader voor zorg op maat van elk kind.' Een speciale werkgroep van de VLOR wil op basis hiervan in 2006 tot besluiten komen, zodat een beleidsnota kan worden opgesteld. Het doel is tegen 1 september 2008

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 243


de nieuwe regeling in een decreet vast te leggen. De krachtlijnen van het nieuwe leerzorgkader zijn gericht op de verbreding van de doelgroepen in het buitengewoon onderwijs en de opvang van meer leerlingen in het gewoon onderwijs i.p.v. in het buitengewoon onderwijs. Daartoe wordt in de discussienota een nieuwe structuur voorgesteld met twee assen: clusters en niveaus. •

Vier clusters vervangen de acht types van buitengewoon onderwijs. o geen beperkingen: dit zijn alle leerlingen die niet onder andere clusters vallen. Toch zijn hier ook leerlingen bij die extra aandacht nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze anderstalige ouders hebben; o leerbeperkingen, bijvoorbeeld dyslexie; o functiebeperkingen, bijvoorbeeld slecht horen; o sociale beperkingen, bijvoorbeeld autisme. De vier clusters groeperen een aantal specifieke problemen. Ze zijn breder dan de bestaande types zodat leerlingen soepeler georiënteerd kunnen worden. Door die clustering moeten zowel het gewoon als het buitengewoon onderwijs met een grotere diversiteit leren omgaan. Die manier van werken kan de problemen in verband met het leerlingenvervoer en de gebrekkige spreiding van het aanbod in het buitengewoon onderwijs deels verhelpen.

•

Vier zorgniveaus vervangen de tweedeling gewoon en buitengewoon onderwijs. o De eerste twee niveaus zijn bedoeld voor gewone scholen. Niveau één richt zich op preventie, differentiëren en remediëren, niveau twee op faciliteren, compenseren en dispenseren. De scholen streven de eindtermen na en de leerlingen krijgen een diploma. o Op het derde niveau kunnen leerlingen zowel gewoon als buitengewoon onderwijs volgen. Scholen in het gewoon onderwijs krijgen daarbij dezelfde ondersteuning als in het buitengewoon onderwijs. o Op zorgniveau vier volgen de leerlingen buitengewoon onderwijs. Zowel op niveau drie als vier individualiseren de scholen en werken ze met een handelingsplanning, ze streven ontwikkelingsdoelen na en de leerlingen krijgen alternatieve certificaten. o Naast de vier zorgniveaus is er ook nog een apart zorgniveau voor kinderen die tijdelijk of niet naar school gaan. Dat niveau bevat de ziekenhuisscholen en preventoria, permanent en tijdelijk onderwijs aan huis en onderwijs in K-diensten. Die zorgniveaus verwijzen naar de kenmerken van het onderwijs: ze geven aan welke aanpassingen nodig zijn. Die aanpassingen slaan op het zorgaanbod, de pedagogisch-didactische aanpak en de onderwijsdoelstellingen. Hoe hoger het niveau, hoe meer zorg een leerling nodig heeft.

Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding selecteert het meest geschikte zorgniveau voor een leerling in nauw overleg met de school, de ouders en de leerling zelf. Leerlingen kunnen ook veranderen van zorgniveau. Een leerling kan pas naar een hoger zorgniveau als de school aantoont dat ze voldoende inspanningen geleverd heeft op het huidige zorgniveau.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 244


Schema bij discussietnota ‘Leerzorg in onderwijs, een kader voor zorg op maat van elke leerling’ (19/12/2005) ZORGINTENSITEIT aard - ondersteuning

zorgniveau I differentiëren (re)mediëren

CLUSTER 1

CLUSTER 2

faciliteren compenseren dispenseren

functiebeperkingen

beperkingen in de interactie

zorgbeleid/GOK

zorgbeleid/GOK

zorgbeleid/GOK

zorgbeleid/GOK

speciale onderwijsleermiddelen

zorgbeleid/GOK

zorgbeleid/GOK

zorgbeleid/GOK

zorgbeleid

zorgbeleid

zorgbeleid

specifieke onderwijskundige en paramedische omkadering en werkingsmiddelen

specifieke onderwijskundige en paramedische omkadering en werkingsmiddelen

specifieke onderwijskundige en paramedische omkadering en werkingsmiddelen

specifieke onderwijskundige, paramedische en therapeutische omkadering

specifieke onderwijskundige, paramedische en therapeutische omkadering

residentiële / semi-residentiële zorg

residentiële/ semi-residentiële zorg

zorgniveau IV individualiseren handelingsplanning teamondersteuning PBD - CLB individugerichte ondersteuning: CLB

gewoon onderwijs eindtermen

gewoon onderwijs eindtermen

certificering: gangbare diploma’s en getuigschriften

speciale onderwijsleermiddelen

zorgniveau III

teamondersteuning PBD - CLB – (BuO) individugerichte ondersteuning: CLB – (BuO)

zorgbeleid/GOK

ONDERWIJSVORM resultaat

certificering: gangbare diploma’s en getuigschriften

indicator basisfinanciering

teamondersteuning: PBD - CLB - BuO individugerichte ondersteuning: CLB

individualiseren handelingsplanning

CLUSTER 4

leerbeperkingen

teamondersteuning: PBD – CLB

zorgniveau II

CLUSTER 3

geen beperkingen

buitengewoon of ‘gewoon’ onderwijs ontwikkelingsdoelen

alternatieve certificaten

buitengewoon onderwijs

ontwikkelingsdoelen alternatieve certificaten

Afkortingen: PBD: pedagogische begeleidingsdiensten, CLB: centrum voor leerlingenbegeleiding, BuO: buitengewoon onderwijs, GOK: gelijke onderwijskansen

De discussienota vindt men o.m. op http://www.ond.vlaanderen.be/schooldirect/BL503/discussienota.doc

10.3. Definiëring en diagnose van doelgroepen Andersvalide leerlingen in het buitengewoon onderwijs (zie [10.6.]) Het KB van 28 juni 1978 (bevestigd in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997) definieert 8 types buitengewoon onderwijs op basis van de aard en graad van de (hoofd)handicap van een bepaalde groep: • • • • • • • •

Type 1: kinderen met een licht mentale (= geestelijke) handicap; · Type 2: kinderen met een matige of ernstige mentale handicap; · Type 3: kinderen met ernstige emotionele en/of gedragsproblemen; · Type 4: kinderen met een fysieke (= lichamelijke) handicap; · Type 5: kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis of op medische gronden verblijven in een preventorium; · Type 6: kinderen met een visuele handicap (= gezichtsstoornis); · Type 7: kinderen met een auditieve handicap (= gehoorstoornis); · Type 8: kinderen met ernstige leerstoornissen.

Type 1 en type 8 worden niet georganiseerd in het buitengewoon kleuteronderwijs. Bovendien wordt type 8 ook niet aangeboden op het niveau van het secundair onderwijs. Op het niveau van het secundair onderwijs worden vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap (Broekaert e.a., 1993).

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 245


Opleidingsvorm

Aard en graad handicap

OV 1

kinderen voor wie een individueel zelfstandig leven niet mogelijk is kinderen die, beschikkend over een zekere mate aan sociale zelfredzaamheid, een opleiding kunnen krijgen om hen voor te bereiden op een arbeidsleven in een beschermde arbeids- en leefomgeving leerlingen die bekwaam zijn om een beroepsopleiding te volgen, die voorbereidt op een job in een normale werkomgeving. leerlingen wiens intellectuele capaciteiten voldoende zijn om onderwijsprogramma's van het gewoon onderwijs te volgen, waarbij onderwijsmethoden en – regelingen zijn aangepast aan hun specifieke handicap

OV 2

OV 3 OV 4

Attest dat ervoor in aanmerking komt type , 2, 3, 4, , 6 of 7 type , 2, 3, 4, , 6 of 7

type 1, , 3, 4, , 6 of 7 type , , 3, 4, 5, 6 of 7

Migrantenkinderen in het buitengewoon onderwijs die onderwijsvoorrang genieten (zie [10.7.1.]) Het Onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs, die omwille van hun etnische herkomst, en omwille van sociale, culturele en economische omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of risico lopen in een achterstandpositie te raken. Anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs die onthaalonderwijs krijgen (zie [10.7.2.]) Het onthaalonderwijs richt zich op migrantenleerlingen in het gewoon onderwijs.

10.4. Financiële ondersteuning van het gezin Het systeem van toelagen verschilt niet van dat in het gewoon onderwijs (zie [4.5.]) : leerlingen in het secundair en tertiair onderwijs ontvangen financiële ondersteuning via het reguliere systeem van de studietoelagen (zie [5.9.] en [6.8.]). Voor kinderen uit het buitengewoon onderwijs wordt bus- of taxitransport georganiseerd, gefinancierd door de overheid. Ouders ontvangen diverse extra financiële tegemoetkomingen: •

•

verhoogd kindergeld, in functie van de graad van handicap, door het Kinderbijslagfonds; het percentage handicap wordt bepaald volgens de OBSI, de officiële Belgische schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit, die berust op 3 pijlers: de mate van ongeschiktheid van het kind, de activiteits- en participatiemogelijkheden van het kind, de belasting voor het gezin; belastingsvermindering, afhankelijk van het inkomen, door FOD financiën.

In het volwassenenonderwijs zijn gehandicapte leerlingen vrijgesteld van inschrijvingsgeld.

10.5. Specifieke voorzieningen binnen het gewoon onderwijs We behandelen hier: • •

het geïntegreerd onderwijs (GON), zie [10.5.1.] het inclusief onderwijs (ION), zie [10.5.2.]

Het gelijke onderwijskansen beleid (GOK) behandelen we in [4.15.1.]

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 246


10.5.1. Geïntegreerd onderwijs (GON) Het geïntegreerd onderwijs kan worden gegeven op niveau van het kleuter, lager, secundair en hoger onderwijs (met uit zondering van het universitair onderwijs). GON-leerlingen volgen les in het gewoon onderwijs en worden begeleid door een personeelslid uit het buitengewoon onderwijs. Het systeem startte in 1983 voor leerlingen met een attest van type 4, 6 en 7 en in 1994 uitgebreid met types 1, 2 (kleuter), 3 en 8. Leerlingen van type 2 kunnen in beperkte mate instappen in het inclusief onderwijs (ION), zie [10.5.2.] Enkele kerncijfers • • • •

Het systeem evolueerde van een 700-tal leerlingen bij het begin tot 4500 in 2004-2005, ongeveer 6000 nu, tegenover 46.000 leerlingen in het buitengewoon onderwijs. In het gewoon basisonderwijs zaten in 2004-2005 3.041 GON-leerlingen in 1.413 scholen, dus gemiddeld 2,2. In het gewoon secundair onderwijs zaten in 2004-2005 1.334 GON-leerlingen in 559 scholen, dus gemiddeld 2,4. In het hoger onderwijs zijn er 75 GON-studenten.

10.5.1.1. Wettelijk kader Het geïntegreerd onderwijs (GON) wordt geregeld door de volgende onderwijswetgeving: • • • • •

Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (inclusief uitvoeringsbesluiten). Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap dat o.m. de toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd hoger onderwijs, en de eventuele vrijstellingen vastlegt. Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 dat o.m. de bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het geïntegreerd basisonderwijs vastlegt. Decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII dat o.m. de toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd secundair onderwijs, en de eventuele vrijstellingen vastlegt. Omzendbrief GD/2003/05 (11/09/2003).

10.5.1.2. Algemene doelstellingen Het geïntegreerd onderwijs is een samenwerking tussen het gewoon onderwijs en het buitengewoon onderwijs. Het is bedoeld om jongeren met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs die daartoe aanvullende lestijden en/of aanvullende uren (GONpakket) krijgt en via het werkingsbudget een integratietoelage krijgt. 10.5.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen Opdat een leerling in het geïntegreerd onderwijs financier- of subsidieerbaar zou zijn dienen verschillende voorwaarden vervuld. • • •

De GON-leerling moet in het bezit zijn van een inschrijvingsverslag (= attest en protocol), dat hem toelaat tot het buitengewoon onderwijs. De GON-leerlingen die georiënteerd worden naar de types 1, 3 en 8 moeten het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs gevolgd hebben. Voor GON-leerlingen moet een integratieplan opgemaakt zijn. Dat is een handelingsgerichte engagementsverklaring die essentiële gegevens bevat en voor een langere periode wordt opgesteld. Dit plan bevat o.a. o een omschrijving van de problematiek en de hulpvragen van de leerling, de ouders en het schoolteam; o de inhoud van de collegiale ondersteuning (teamgerichte werking), leerlinggerichte werking, en oudergerichte werking; o de planning (intensiteit, evolutie doorheen het schooljaar, betrokken disciplines, plaats...); o materiaalaanpassingen en materiële ondersteuning (speciale onderwijsleermiddelen); o de inschakeling van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 247


Bij volledige integratie volgt de leerling alle lessen en activiteiten in het gewoon onderwijs. Bij de gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon onderwijs. De GON-begeleiding wordt verzorgd door een school voor buitengewoon onderwijs. Deze instelling ontvangt daarvoor • •

Een financiële tegemoetkoming onder de vorm van een integratietoelage. Hiermee worden o.a. de verplaatsingen van de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs betaald. Een GON-pakket voor het aanstellen van de GON-begeleiders wordt toegekend aan de school voor buitengewoon onderwijs om aan de leerlingen en scholen, onderwijskundige en/of paramedische, medische, sociale, psychologische en of orthopedagogische hulp te bieden. Dit Gon-pakket wordt besteed aan begeleiding van leerkrachten van het gewoon onderwijs waar de leerlingen de lessen volgen (collegiale consultatie) en begeleiding van de leerlingen en/of de ouders. Het pakket hangt af van het type-attest en van de ernst van de handicap: matig of ernstig. Type 3 4 6/7 8

Matig Ernstig (Lager, secundair, hoger onderwijs) 2 uur, elk jaar 2 uur, 2 jaar 2 uur, elk jaar 2 uur, 2 jaar 4 uur, elk jaar (enkel lager onderwijs) 1 of 2 uur, elk jaar

Voor het hogeschoolonderwijs zijn gelijkaardige voorwaarden en regelingen van kracht, ofschoon er geen scholen voor buitengewoon hoger onderwijs bestaan. De student participeert aldus enkel in het gewoon hogescholenonderwijs met de nodige aanpassingen en begeleiding die karakteristiek zijn voor het GON. Vermits er geen buitengewoon onderwijs bestaat op het niveau van het hoger onderwijs gebeurt de oriëntering voor leerlingen die geïntegreerd onderwijs zullen volgen op het niveau van het hoger onderwijs buiten de universiteit naar het buitengewoon secundair onderwijs.

10.5.2. Inclusief onderwijs (ION) Inclusief onderwijs (ION) is een project gericht op de begeleide opname in het gewoon lager onderwijs van kinderen met een matige of ernstige verstandelijke handicap (type 2). Het project startte in 1999-2000 met 5 leerlingen. In 2003 werd de ondersteuning van het project geregeld door een Besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003. Momenteel zijn alle beschikbare 50 plaatsen ingenomen. 10.5.2.1 Wettelijk kader Besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (B.S. 02/03/2004). 10.5.2.2 Algemene doelstellingen Het project wil de integratie ondersteunen van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs (niet in het kleuteronderwijs). De leerlingen moet beschikken over een attest buitengewoon onderwijs waaruit blijkt dat type 2 aangewezen is. 10.5.2.3 Specifieke ondersteunende maatregelen De ondersteuning neemt de vorm aan van:

5,5 aanvullende lestijden of lesuren onderwijzend personeel per leerling; een forfaitaire integratietoelage van 250 euro op jaarbasis per leerling.

De aanvullende lestijden of lesuren en de forfaitaire integratietoelage worden toegekend aan de school voor buitengewoon lager onderwijs of aan de school voor buitengewoon secundair onderwijs die buitengewoon onderwijs van type 2 organiseert en die een leerling met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon onderwijs ondersteunt. De aanvullende lestijden of lesuren worden aangewend om vanuit de school voor buitengewoon onderwijs pedagogische en didactische ondersteuning te verlenen aan de klasleerkracht, het team en aan de leerling met het oog op de maximale integratie van de leerling binnen de reguliere klassituatie en zijn deelname aan de lessen en activiteiten. Het aantal leerlingen dat hiervoor in aanmerking komt is beperkt tot 50.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 248


In het hoger onderwijs kunnen de hogescholen een ondersteuning aanvragen waardoor persoonlijke ondersteuning op opvolging door studenten, stagiairs hoger onderwijs, mogelijk wordt. Doorgaans aan hogescholen die een voortgezette opleiding buitengewoon onderwijs in dagopleiding aanbieden.

http://www.ond.vlaanderen.be/gok/inclusief/ www.inclusiefonderwijs.be

10.6. Buitengewoon onderwijs (BuO) In deze paragraaf behandelen we het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen. Het betreft hier het onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in aparte scholen zowel op niveau van basis- als secundair onderwijs. In Vlaanderen worden ongeveer 46.000 leerlingen opgevangen in het buitengewoon onderwijs, tegenover 1,1 miljoen in het gewoon basis- en secundair onderwijs. Het aantal in het BuO ligt 40% hoger dan 15 jaar geleden. Het procentuele aandeel van het BuO op de totale schoolbevolking van kleuter-, lager en secundair onderwijs steeg in dezelfde periode van 2,9% in 90-91 naar 4% in 2004-2005. Zie verder ook: • • • •

De structuur van het BuO i.f.v. de verschillende doelgroepen, zie [10.3.] Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) voor migrantenleerlingen in het buitengewoon onderwijs, zie [10.7.1.] Het gelijkeonderwijskansenbeleid, dat ook van toepassing is op het buitengewoon onderwijs, zie [4.15.1.] Het geïntegreerd onderwijs voor de opvang van gehandicapte leerlingen in het gewoon onderwijs, zie [10.5.1.] Het inclusief onderwijs voor de opvang van type 2 leerlingen in het gewoon onderwijs, zie [10.5.2.]

10.6.1. Wettelijk kader De volgende onderwijswetgeving regelt het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen: • • • • • • • • • • • • • • • • •

Wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs (enkel van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs). Koninklijk Besluit van 28 juni 1978 houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs (enkel van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs). Koninklijk Besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 (zoals gewijzigd). Besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 over de bevoegdheid, de samenstelling en de werking van de commissies van advies voor het buitengewoon onderwijs. Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs (zoals gewijzigd). Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2. Decreet van 2 maart 1999 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2. Besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8. Decreet van 18 januari 2002 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 8. Besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. Decreet van 22 maart 2002 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 1. Besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelstel. Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002 tot vaststelling van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Decreet van 19 juli 2002 tot bekrachtiging van de ontwikkelingsdoelen algemene en sociale vorming in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3. Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 249


• • • • •

Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7. Decreet van 23 mei 2003 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 7. Besluit van de Vlaamse regering van 24 januari 2003 tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de concordantie van de specialiteiten in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs.

Permanent onderwijs aan huis (POAH) • • •

Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997. Besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 1999. Besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2005.

Voor de wetgeving inzake het onderwijsvoorrangsbeleid in het buitengewoon onderwijs, zie [10.7.1.1.]. Voor het wettelijk kader van het gelijkeonderwijskansenbeleid verwijzen we naar [10.5.1.].

10.6.2. Algemene doelstellingen Zowel in de Wet op het buitengewoon onderwijs van 6 juli 1970 als in het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt het buitengewoon onderwijs gedefinieerd in termen van de mate waarin het gewoon onderwijs in staat is de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerlingen te verzekeren. In het laatste decreet luidt dit: ''het is het onderwijs dat op grond van een pedagogisch project aangepast onderwijs, opvoeding, verzorging en therapie verstrekt aan leerlingen waarvan de totale persoonlijkheidsontwikkeling tijdelijk of permanent, niet of onvoldoende door het gewoon onderwijs kan verzekerd worden'' (Decreet van 25 februari 1997). Deze definitie is gebaseerd op het echte concept van speciale noden. Het decreet refereert in eerste instantie naar de moeilijkheden en de onbekwaamheid van het gewoon onderwijs om voor een optimale en persoonlijke en sociale ontwikkeling te zorgen van alle kinderen, eerder dan naar de handicaps van het kind.

10.6.3. Geografische toegankelijkheid Uit de cijfergegevens en op basis van de kaarten met het aanbod aan buitengewoon onderwijs per type, blijkt dat dit niet evenwichtig gespreid is. Deze vaststelling gaat zowel op voor de types als voor de opleidingsvormen. Duidelijke voorbeelden daarvan zijn type 3, 6 en 7 in het basisonderwijs BaO. Op secundair niveau zijn er ook in deze types onevenwichten, en vooral in opleidingsvorm 4 en opleidingsvorm 1. Gevolg is dat leerlingen vaak lang op de bus moeten zitten om op school en terug thuis te geraken. Zo lang dat ouders soms voor een internaatsopvang moeten 'kiezen'. Het onevenwichtige aanbod leidt er ook toe dat een leerling wordt georiënteerd volgens het aanbod dat lokaal beschikbaar is. In een aantal gevallen zal dat niet het onderwijsaanbod zijn dat het best bij zijn opvoedings- en onderwijsbehoefte past. Over het algemeen wordt het buitengewoon onderwijs georganiseerd in scholen die los staan van de gewone scholen; ze zijn wel vaak verbonden met andere sociale en opvoedkundige instellingen voor gehandicapten.

10.6.4. Toelatingsvoorwaarden en schoolkeuze Leeftijdsvoorwaarde Voor buitengewoon kleuteronderwijs moet de kleuter ten minste 2,5 jaar en 6 maanden zijn. De 5 instapdata die gelden voor het gewoon kleuteronderwijs (zie [3.6.]) gelden niet voor het buitengewoon kleuteronderwijs (Omzendbrief BaO/97/14). Kinderen kunnen in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven worden tot 6 jaar, of uitzonderlijk tot de leeftijd van 7 of 8 indien dit als beter voor het kind wordt beoordeeld. Voor het lager onderwijs is aanvangsleeftijd normaal 6 jaar . Vanaf 1 september 2001 kunnen leerlingen die voor 1 januari van het lopende schooljaar 5 jaar worden ook in het buitengewoon lager onderwijs worden ingeschreven. Dit zal echter slechts in een beperkt aantal gevallen gebeuren. In het buitengewoon secundair onderwijs is de aanvangsleeftijd 13 jaar, de maximum leeftijd 21 jaar.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 250


Toelatingsprocedure De Wet van 6 juli 1970 en het KB van 28 juni 1978 - overgenomen in het Decreet van 25 februari 1997 - regelen gedetailleerd de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs. Terwijl de toelatingsprocedure min of meer dezelfde is als voor het gewoon onderwijs qua leeftijdsvoorwaarden, vraagt een inschrijving in een instelling voor buitengewoon onderwijs ook steeds om een inschrijvingsverslag. Het inschrijvingsverslag bestaat uit twee delen: • •

een attest met informatie over het onderwijstype en/of de opleidingsvorm en het onderwijsniveau dat het kind volgt; een verantwoordingsprotocol waarin verslag wordt gedaan van een multidisciplinair onderzoek en waarin het afgeleverde attest wordt verantwoord.

Dit verslag wordt opgesteld door een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) of door een instelling die inzake studie- of beroepskeuze dezelfde waarborgen biedt. De Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs maakt jaarlijks een lijst op van de inrichtingen die deze attesten mogen afleveren (Omzendbrief CLB/2005/02). Het attest wordt aan de ouders uitgereikt, wat hen toelaat om het kind in een school van hun keuze in te schrijven die het specifieke type en/of opleidingsvorm van buitengewoon onderwijs organiseert waar hun kind behoefte aan heeft. Het attest wordt hen teruggegeven wanneer het kind de school verlaat (Broekaert, e.a., 1993). In bepaalde gevallen is een bijkomend advies vereist alvorens een leerling wordt toegelaten tot een buitengewone school. Hiertoe is in elke provincie een Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO) opgericht door het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997. Deze commissies zijn bevoegd om: • •

een gemotiveerde beslissing te nemen over een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht voor een jongere of de opheffing van deze vrijstelling;· advies te geven over: o het toekennen van de voordelen van de wet op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs buiten de leeftijdsgrenzen; o een overplaatsing van een leerling ingeschreven in een gewone school naar een buitengewone school; o een overplaatsing van een leerling ingeschreven in het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs; o een overplaatsing van een leerling naar een andere buitengewone school waar een geschikter niveau, type of opleidingsvorm van buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd; o het recht op permanent onderwijs aan huis. Naast de ouders en de meerderjarige persoon met een handicap of zijn wettelijk vertegenwoordiger, kan ook een lid van de inspectie, een directeur of een arts van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) om advies vragen. Indien de ouders of de meerderjarige met een handicap weigeren samen te werken of helemaal niet akkoord gaan met de beslissing van het CABO is er een beroepsprocedure mogelijk.

Na de bekendmaking van de resultaten uit een Vlaams onderzoek omtrent de overgang van het gewoon naar het buitengewoon basisonderwijs (OBPWO 98.09), besloot de minister een ad-hoc werkgroep op te starten om alternatieven uit te werken voor de knelpunten inzake de bestaande procedure om leerlingen naar het buitengewoon onderwijs te oriënteren. Deze ad-hoc werkgroep heeft inmiddels een kader ontwikkeld waarbinnen begeleidingtraject en overstap van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften naar het buitengewoon onderwijs een andere invulling krijgen. Leerkrachten, schoolteam, centra voor leerlingbegeleiding (CLB's), ouders en leerlingen worden daarbij als volwaardige partners beschouwd. Het project loopt over twee schooljaren. De experimentele fase loopt af op het einde van schooljaar 2005-2006. Een evaluatie van het project zal bepalend zijn voor het verdere verloop. Gelijke onderwijskansen Als gevolg van de regelgeving betreffende gelijke onderwijskansen (zie [10.5.]), wordt niet langer toegestaan dat scholen, leerlingen met een valabel attest voor het type en de opleidingsvorm die aangeboden worden toch weigeren bij de inschrijving omdat de school zich richt op een specifieke doelgroep binnen dat type en die

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 251


opleidingsvorm. De inschrijvingen van de leerlingen dienen chronologisch genoteerd te worden. De ouders dienen in te stemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement. Die inschrijvingen gaan verder tot de school/vestigingsplaats/het type (basisonderwijs)/de opleidingsvorm (secundair onderwijs)/de administratieve groep/de leerlingengroep (secundair onderwijs)/de pedagogische eenheid eventueel vol is en er omwille van materiële omstandigheden kan geweigerd worden. De school moet via het register, waarin alle inschrijvingen chronologisch worden genoteerd, kunnen aantonen dat na de weigering geen nieuwe leerlingen werden ingeschreven. Indien ouders menen onterecht geweigerd te zijn, kunnen zij klacht indienen bij de commissie voor leerlingenrechten. (Omzendbrieven BaO/2005/13 en SO/2005/07). Permanent onderwijs aan huis (POAH) Voor een kind, dat niet naar school kan gaan, zijn er twee mogelijkheden: • •

ofwel vrijstelling van leerplicht (in het basisonderwijs en het secundair onderwijs) en dus geen onderwijs; ofwel permanent onderwijs aan huis. In het kader van wat 'Permanent Onderwijs Aan Huis' (POAH) wordt genoemd, krijgt een kind dat ingevolge van een handicap niet naar de school kan 4 lestijden per week onderwijs aan huis vanuit de dichtstbijzijnde school (zie ook [4.17.]).

10.6.5. Leeftijdsniveaus en leeftijdsgroepen Het buitengewoon onderwijs wordt georganiseerd voor de niveaus kleuter-, lager en secundair onderwijs. Op het niveau van de lagere school zijn er acht types van buitengewoon onderwijs gedefinieerd, met de bedoeling om zo goed mogelijk aan de algemene en individuele noden van de kinderen en jongeren te beantwoorden (zie [10.3.]). Type 1 en type 8 bestaan niet in het buitengewoon kleuteronderwijs. Op het niveau van het secundair onderwijs worden bijkomend vier opleidingsvormen georganiseerd die leerlingen van verschillende types - zoals op het niveau van het basisonderwijs is gedefinieerd - kunnen samenbrengen, overeenkomstig de aard en graad van hun handicap (zie [10.3.]). Voor jongeren uit type 8 is er geen BuSO voorzien. Op basis van een verantwoordingsprotocol plaatst de klassenraad de leerling in de meest geschikte klassengroep. Het schoolbestuur beslist dus over de indeling van de leerlingen in pedagogische eenheden binnen de onderwijstypes en opleidingsvormen. De leerling verlaat normaal het lager onderwijs op de leeftijd van 13 jaar, of eventueel op de leeftijd van 14 of 15 jaar. Secundair onderwijs kan worden gevolgd tot de leeftijd van 21 jaar (Wet van 28 juni 1983). Afwijkingen op de leeftijdsgrens van 21 jaar kunnen worden toegestaan op advies van de Commissie voor Advies voor het Buitengewoon Onderwijs (CABO).

10.6.6. Organisatie van het schooljaar De organisatie van het schooljaar, de schoolweek en -dag is vergelijkbaar met deze van de overeenstemmende onderwijsniveaus, zoals beschreven in hoofdstukken 3, 4 en 5, ofschoon de dagactiviteiten meer op de individuele noden van de leerlingen zijn georiënteerd. In het secundair onderwijs is de organisatie verschillend naargelang de opleidingsvorm. • • •

•

Opleidingsvorm 1 : één enkel deel van minstens vier studiejaren. Opleidingsvorm 2 : twee delen die elk minimum twee studiejaren omvatten. Opleidingsvorm 3 : drie fasen plus een facultatieve integratiefase: o 1° de observatiefase: omvat het eerste leerjaar en is beperkt tot één volledig schooljaar; o 2° de opleidingsfase: omvat ten minste twee schooljaren; o 3° de kwalificatiefase: omvat ten minste twee schooljaren; o 4° de facultatieve integratiefase. Deze fase omvat één volledig schooljaar in de vorm van een alternerende beroepsopleiding (Besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002). Opleidingsvorm 4: hier zijn de lesroosters exact dezelfde als die van de corresponderende gewone scholen, daar deze opleidingsvorm verplicht is een structuur te hebben identiek aan die van het secundair onderwijs (Broekaert, e.a., 1993).

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 252


10.6.7. Curriculum en vakken Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning. Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit: • • •

de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaald onderwijstype of een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd; de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs; de ontwikkelingsdoelen die voor andere onderwijstypes zijn vastgelegd.

De doelenselectie wordt vastgelegd in het handelingsplan. Het handelingsplan vermeldt ook hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd. Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het CLB en indien mogelijk met de ouders. Buitengewoon basisonderwijs Op dit moment zijn er reeds ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor het buitengewoon basisonderwijs van: • • • •

type 1 (Besluit van de Vlaamse regering van 23 november 2001, bekrachtigd bij Decreet van 22 maart 2002), type 2 (Besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998, bekrachtigd bij Decreet van 2 maart 1999), type 7 (Besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003, bekrachtigd bij Decreet van 23 mei 2003), type 8 (Besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001, bekrachtigd bij Decreet van 18 januari 2002);

De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn geordend in leergebieden. Deze leergebieden zij grotendeels dezelfde als deze van het gewoon basisonderwijs BaO. Om te kunnen inspelen op de specificiteit van de doelgroep, zijn bepaalde leergebieden meer of anders uitgewerkt. Voor sommige onderwijstypes zijn voor bepaalde leergebieden de eindtermen van het gewoon basisonderwijs overgenomen als ontwikkelingsdoelen. Buitengewoon secundair onderwijs Voor het buitengewoon secundair onderwijs zijn ontwikkelingsdoelen gedefinieerd voor: • •

opleidingsvorm 3 - algemene en sociale vorming (Besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2002, bekrachtigd bij Decreet van 19 juli 2002); opleidingsvorm 4, hier gelden de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs;

Voor het beroepsgericht gedeelte van de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs zijn de opleidingsprofielen richtinggevend voor de invullen van het curriculum. In deze opleidingsprofielen zijn de competenties vastgelegd die leerlingen moeten verwerven om het getuigschrift te halen van een opleiding of een getuigschrift van een afgerond geheel van een opleiding dat leidt tot inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. (Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 van 6 december 2002). Binnen de opleidingsvorm 3 (opleidings- en kwalificatiefase) en opleidingsvorm 4 (tweede en derde graad) van het buitengewoon secundair onderwijs wordt vanaf 1 september 2001 geëxperimenteerd met modulair onderwijs (Besluit van 1 maart 2002).

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 253


10.6.8. Onderwijsmethoden en didactisch materiaal De onderwijsmethoden zijn sterk geïndividualiseerd in het buitengewoon onderwijs. Voor elk kind moet een handelingsplan worden uitgewerkt (zie [10.6.7.]). De beslissingen omtrent onderwijsmethoden en didactisch materiaal ressorteren onder de vrijheid van de inrichtende machten.

10.6.9. Voortgang van leerlingen De evaluatie en begeleiding van leerlingen zijn sterk met elkaar verweven. In het buitengewoon onderwijs heeft de beoordeling hoofdzakelijk een vormend karakter. De klassenraad die wordt bijgestaan door de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) neemt beslissingen m.b.t. de samenstelling van de klassen, of een bepaalde leerling in een bepaalde leerlingengroep moet blijven, en omtrent de overgang van leerlingen naar andere klassen of naar een bepaald onderwijstype of -vorm.

10.6.10. Begeleiding en band met verdere studies/arbeidsmarkt Naast de directie en het onderwijzend personeel, bestaat de personeelsformatie in het buitengewoon onderwijs ook uit paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. Deze personeelscategorieën staan onder meer in voor de begeleiding van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Daarnaast richten ook de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's) zich op de begeleiding van leerlingen in het buitengewoon onderwijs (Decreet van 1 december 1998). Het centrum voor leerlingenbegeleiding begeleidt het buitengewoon onderwijs o.m. bij ontwikkelingsmoeilijkheden en de vermindering van risicogedrag, de adequate en kwaliteitsvolle verwijzing van de leerlingen van het gewoon onderwijs naar het buitengewoon onderwijs en omgekeerd, en het veilig school lopen (in het bijzonder de veiligheid en hygiëne en de impact op de gezondheid van de praktijkvakken) (Decreet van 1 december 1998). In opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt de leerling gedurende de integratiefase expliciet begeleid door een begeleidingsteam. Het begeleidingsteam bestaat uit leden die behoren tot de onderwijsinstelling enerzijds, en externen van de bedrijfswereld, van sociale organisaties of andere deskundigen die de leerling zinvol kunnen begeleiden anderzijds (Besluit van 6 december 2002). Eén van de maatregelen om het onderwijs nauwer te doen aansluiten op de beroepswereld is de sociaalmaatschappelijke training en de stage. •

•

•

•

Opleidingsvorm 1: voor leerlingen die 18 jaar zijn of in de loop van het schooljaar worden, kan een sociaalmaatschappelijke training georganiseerd worden van maximaal 21 kalenderdagen of 28 kalenderdagen gedurende het schooljaar waarin zij vermoedelijk voor het laatst buitengewoon onderwijs volgen. De doelstellingen zijn vergelijkbaar met deze van een stage. De sociaal-maatschappelijke training kan alleen plaatsvinden in instellingen die erkend zijn (of zich in de erkenningsfase bevinden) voor de opname van volwassen gehandicapte personen die er geen op productie gerichte arbeid verrichten (bv. een dagcentrum, een bezigheidshome, ...) (Omzendbrief SO/2002/11). Opleidingsvorm 2 o Fase 1: stage is verboden o Fase 2: stage is mogelijk. Alle leerlingen moeten hier toegang toe krijgen (zie hierna bij kwalificatiefase 3 van opleidingsvorm 3. Opleidingsvorm 3 o Observatiefase 1 en opleidingsfase 2: stage is verboden o Kwalificatiefase 3: stage is verplicht. Alle leerlingen moeten zonder onderscheid tot de stage kunnen worden toegelaten. Zelfs personen die niet beschikken over een verblijfstitel van meer dan drie maanden kunnen vanaf het schooljaar 2003-2004 onder vorm van een leerlingenstage in België worden tewerkgesteld (Koninklijk Besluit van 6 januari 2003). Opleidingsvorm 4: hier is geen speciale regeling voorzien. De stage verloopt identiek als in het gewoon secundair onderwijs. De leerlingen komen net zoals alle anderen op de arbeidsmarkt terecht. Grotere bedrijven zijn bij wet verplicht om minstens enkele personen met een handicap in dienst te nemen (afhankelijk van het aantal werknemers in het bedrijf). Zo vinden bijvoorbeeld personen met een visuele handicap werk als telefonist(e).

Binnen de opleidingsvorm 3 werd ook een (éénjarige) alternerende beroepsopleiding georganiseerd. Zie omzendbrief SO/2004/07 (BuSO). De DBO, Dienst Beroepsleiding coördineert tal van projecten op dit vlak (o.m. voor het Europees sociaal Fonds): zie http://www.ond.vlaanderen.be/dbo/projecten/projecten.htm. Zie ook [7.15.].

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 254


10.6.11. Diplomering Wat diplomering in het buitengewoon basisonderwijs betreft, kunnen leerlingen in bepaalde gevallen ook een getuigschrift bekomen. Dit getuigschrift heeft dan dezelfde waarde als een getuigschrift dat behaald is in het gewoon basisonderwijs. Studiegetuigschriften en attesten BuSO • • •

•

•

OV1: attest BuSO tot sociale aanpassing OV2: attest BuSO tot sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking OV3 (oude structuur): o Voor geslaagde leerlingen: kwalificatiegetuigschrift o Voor leerlingen die daar niet voor in aanmerking komen: het attest buitengewoon secundair beroepsonderwijs OV3 (nieuwe structuur): o Voor leerlingen geslaagd in een opleiding of een deel van een opleiding: Getuigschrift Getuigschrift van verworven competenties voor een afgerond geheel o Indien de leerling niet in aanmerking komt voor een getuigschrift: Attest van verworven bekwaamheden Attest van beroepsonderwijs o Indien leerlingen de integratiefase hebben gevolgd: Met vrucht: getuigschrift alternerende beroepsopleiding Niet met vrucht of bij vroegtijdige beëindiging: attest alternerende beroepsopleiding OV4: getuigschriften en diploma's zoals in het gewoon SO

10.6.12. Privé-onderwijs Het privé-onderwijs (al dan niet schriftelijk) is in ons land niet wettelijk gereglementeerd.

10.7. Specifieke maatregelen voor migrantenleerlingen We behandelen hier: • •

het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) in het buitengewoon onderwijs, het onthaalonderwijs in het gewoon onderwijs.

Het gelijkeonderwijskansenbeleid in het gewoon onderwijs dat ook van belang is voor migrantenleerlingen en kinderen van etnisch-culturele minderheden behandelen we in [4.15.1.].

10.7.1. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) in het buitengewoon onderwijs Het onderwijsvoorrangsbeleid richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs. De maatregelen van het onderwijsvoorrangsbeleid in het gewoon onderwijs werden geïntegreerd in het GOK-beleid, zie [4.15.1.]. 10.7.1.1. Wettelijk kader • • • • • •

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, art. 168-172. Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I van 28 juni 2002, art. X1 § 1. Onderwijsdecreet XV. Besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs. Omzendbrief BaO/2005/06. Omzendbrief SO/2005/03.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 255


10.7.1.2. Doelgroep Het OVB richt zich op migrantenkinderen in het buitengewoon basis- en secundair onderwijs, die omwille van hun etnische herkomst, en omwille van sociale, culturele en economische omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of risico lopen in een achterstandpositie te raken. Daarenboven moeten ze gelijktijdig aan de twee voorwaarden van de definitie van leerling onderwijsvoorrang voldoen, nl. • •

de grootmoeder langs moederszijde is niet in België geboren en bezit evenmin door geboorte de Belgische of Nederlandse nationaliteit; de moeder heeft ten hoogste tot het einde van het schooljaar waarin zij 18 jaar werd, onderwijs genoten.

10.7.1.3. Specifieke ondersteunende maatregelen De scholen kunnen daarvoor extra lestijden of lesuren bekomen. Ze moeten daartoe wel in het bezit zijn van : •

•

een aanwendingsplan dat ter controle van de inspectie wordt bewaard in de school; daarin moeten volgende verbintenissen worden aangegaan: o een contract met een erkende welzijns- of socio-culturele vereniging of met een erkend lokaal of regionaal integratiecentrum voor migranten ter vergroting van de betrokkenheid van de ouders; o samenwerking met het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB); o deelname van leerkrachten aan (na)vormingsinitiatieven inzake onderwijsvoorrangsbeleid; o begeleiding door de pedagogische begeleidingsdienst van het net; een positief inspectieverslag van de werking van het voorbije schooljaar.

10.7.1.4 Actieterreinen Deze extra lestijden kunnen worden gebruikt voor volgende actieterreinen: • • • •

intercultureel onderwijs (ICO); dit beoogt de ontwikkeling van vaardigheden en houdingen om op een positieve en efficiënte manier om te gaan met mensen die een andere etnische en/of culturele achtergrond hebben; taalvaardigheid Nederlands; preventie en remediëring van leer- en ontwikkelingsproblemen specifiek in functie van de doelgroep; betrokkenheid van ouders.

10.7.1.5 Looptijd In het buitengewoon onderwijs werden hiervoor vanaf het schooljaar 1999-2000 tot en met 2004-2005 extra lesuren toegekend. De lesuren van 2004-2005 werden voor de betrokken scholen nu verlengd voor nog eens 3 schooljaren tot en met 2007-2008.

10.7.2 Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) in het gewoon onderwijs De onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) is opgestart in 1991. Ze richt zich specifiek tot anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs. De onthaalklas zal verder worden uitgebreid en het taalbad zal ook mogelijk worden voor kinderen met de Belgische nationaliteit. 10.7.2.1. Wettelijk kader • • • • • •

Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs. Besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998,zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 8 februari 2002 betreffende de toelage van anderstalige nieuwkomers. Omzendbrief BaO/2001/09 (02/07/2001). Omzendbrief SO 75 (23 juli 2001). Vanaf maart 2003 tot en met 2005 zat de regelgeving voor het onthaalonderwijs in het DBSO vervat in het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 juli 2003 betreffende het experimenteel onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het DBSO. Vanaf het schooljaar 2005-2006 zit ze vervat in het Proeftuinendecreet.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 256


10.7.2.2. Doelgroep Anderstalige nieuwkomers zijn leerlingen die op de datum van hun inschrijving gelijktijdig aan al de volgende voorwaarden voldoen (waarbij het departement onderwijs sommige afwijkingen kan toestaan): • • • • •

niet het Nederlands als moedertaal hebben; onvoldoende de onderwijstaal beheersen om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen ; niet de Belgische of Nederlandse nationaliteit bezitten; nog geen volledig schooljaar onderwijs hebben gevolgd in een school met Nederlands als onderwijstaal. de leeftijd van 5 jaar of ouder hebben voor het basisonderwijs BaO, van 12 (tot 18) jaar voor het secundair onderwijs.

10.7.2.3. Specifieke ondersteunende maatregelen Voor de opvang van anderstalige nieuwkomers kunnen de scholen extra lesuren en een extra werkingstoelage per anderstalige nieuwkomer krijgen: • •

in BaO: 2 aanvullende lestijden per school, 1,5 aanvullende lestijd per anderstalige nieuwkomer. In het kleuteronderwijs vanaf de leeftijd van 5 jaar; in het SO: 2,5 u per anderstalige nieuwkomer; in het deeltijds beroepssecundair onderwijs 3,4 u.

In het BaO dienen daarvoor al naargelang het type school minimum 4-6 anderstalige nieuwkomers als regelmatige leerling ingeschreven te zijn. In het SO tenminste 25 per scholengemeenschap. In het DBSO kan in één centrum DBSO per net onthaalonderwijs worden georganiseerd. Per centrum worden maximum 60 anderstalige nieuwkomers in aanmerking genomen. De scholen dienen tevens samen te werken met het CLB en de leerkrachten toe te laten aan specifieke navormingen deel te nemen. In de basisschool dient voor elke anderstalige nieuwkomer een individueel werkplan opgesteld. In het secundair onderwijs dient de school een specifiek 'raamplan' op te stellen dat aansluit bij de doelstellingen van het onthaaljaar. Binnen dat raamplan dient ze voor elke anderstalige nieuwkomer een leertraject uit te werken. Daaruit moet duidelijk de opvolging van de leerling blijken. Ook de wijze van evalueren dient daarin opgenomen. 10.7.2.4. Actieterrein Tijdens het onthaaljaar wordt aan de anderstalige nieuwkomers intensief Nederlands geleerd, zodat ze de onderwijsleerprocessen in een gewone klassituatie kunnen begrijpen. Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) is hierbij een belangrijke partner. Daarenboven kunnen scholen die anderstalige nieuwkomers opvangen ondersteund worden door het Steunpunt Nederlands Tweede Taal en het Steunpunt Intercultureel Onderwijs. Voor het secundair onderwijs heeft het steunpunt NT2 van de KULeuven een 'referentiekader' ontwikkeld met een overzicht van ontwikkelingsdoelen voor anderstalige nieuwkomers, vertrekkende van taalvaardigheidsdoelen die vakoverschrijdend kunnen worden ingezet en die vertaald worden naar de contexten 'school', 'informele omgeving' en 'maatschappij'. Door de "Afdeling beleidsuitvoering secundaire scholen" werd de laatste twee schooljaren een 'Rapport onthaalonderwijs' gemaakt, met cijfermateriaal over leerlingen, scholen en leerkrachten.

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 257


10.7.2.5. Statistieken OKAN •

• •

Tijdens het schooljaar 2004-2005 zaten er 1 695 onthaalleerlingen in de Vlaamse secundaire scholen. Dat is een sterke daling ten opzichte van het schooljaar daarvoor. Toen volgden nog 1 879 leerlingen onthaalonderwijs. De regelmatige onthaalleerlingen vormen 0,4 procent van het totaal aantal leerlingen in het gewoon voltijds secundair onderwijs én in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. In 2003-2004 kwamen de onthaalleerlingen uit in totaal 107 landen, in 2004-2005 uit 136 landen. Marokkaanse en Turkse kinderen zijn sterk vertegenwoordigd. Van de 1 856 leerlingen die in het schooljaar 2003-2004 in een onthaalklas zitten, gaan er 47,5 procent het schooljaar daarop nog naar dezelfde school. Leerlingen die doorstromen binnen de onthaalschool halen meer A-attesten dan anderen. Ze komen minder terecht in het watervalsysteem en lopen minder onderwijsvertraging op. 30 procent van onthaalleerlingen volgen nog een jaar onthaalonderwijs. Dat wijst erop dat voor veel leerlingen één jaar onthaalonderwijs onvoldoende is. 38 scholen (30 scholengemeenschappen) organiseren onthaalonderwijs in het voltijds secundair onderwijs, één centrum organiseert onthaalonderwijs in het deeltijds beroepssecundair onderwijs. In totaal geven 469 leraren les in het onthaalonderwijs. In het DBSO zaten in 2004-2005 28 onthaalleerlingen.

www.ond.vlaanderen.be/secundair/rapportonthaalonderwijs%202004%202005.doc

• •

•

10.8. Statistieken 10.8.1 Aantal leerlingen in het buitengewoon kleuteronderwijs naargelang het type, schooljaar 2004-2005

Gemeenschapsonderwijs Gesubsidieerd vrij onderwijs Gemeentelijk onderwijs Vl. Gemeenschapscommissie Totaal

T2 410 595 57

T3 31 134 12

T4 107 120 10

T6 4 35 4

T7 0 226 8

Totaal 552 1110 91

0 1.062

0 177

0 237

5 48

33 267

38 1.791

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

10.8.2 Aantal leerlingen buitengewoon lager onderwijs naargelang het type; schooljaar 2004-2005

Gemeenschapsonderwijs Gesubsidieerd vrij onderwijs Provinciaal onderwijs Gemeentelijk onderwijs Vlaamse Gemeenschapscommissie Totaal

T1 2.274 6.209 328 1.689

T2 1.057 2.199 0 159

T3 336 1.203 0 101

T4 311 501 0 29

T6 16 97 0 9

T7 0 543 0 43

T8 1.825 5.904 286 1.602

Totaal 5.819 16.656 614 3.632

0 10.500

0 3.415

0 1.640

0 841

6 128

41 627

0 9.617

47 26.768

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 258


10.8.3. Aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs per opleidingsvorm en per type; schooljaar 20042005 Type 1

Type 2

Type 3

Type 4

Type 6

Type 7

Licht

KarakteriĂŤle

Fysieke

Visuele

Auditieve

mentale

Matig en/of ernstig mentale

stoornissen

handicap

stoornissen

stoornissen

J Opleidingsvorm 1 Gemeenschap Privaatrechtelijk Gemeente Intercommunale Totaal Opleidingsvorm 2 Gemeenschap Privaatrechtelijk Gemeente Intercommunale

M

J

M

M

-

243 774 68 34 - 1.119

175 589 37 11 812

1 7 8

-

-

304 570 54 32 960

407 756 90 35

Vl. Gemeenschaps commissie Totaal - 1.288 Opleidingsvorm 3 Gemeenschap 1.222 857 Privaatrechtelijk 3.774 2.477 Provincie 140 78 Gemeente 866 422 Intercommunale 84 40 -

J

M

stoornissen stoornissen

J

M

J

M

- 135 80 2 226 139 - 15 16 1 2 2 377 237

3 54 1 58

1 30 101 30 102

2 35 37

20 20 1 -

1 5 -

29 75 1 1

3 39 -

1 42 1 -

1 28 -

2 11 -

41

6 135 106

1 43

4 48

4 33

54 81 -

J

M

383 257 1.162 795 83 53 36 13 1.664 1.118 485 924 91 35

T 640 1.957 136 49 2.782

337 703 56 33

822 1.627 147 68

2 15

5 6 1.540 1.135

11 2.675 2.341 7.332 233 1.371 157

-

167 49 687 129 14 1 61 15 29 1

30 12 2 2

15 8 1 -

16 1

1 10 160 3 -

59 1 -

1.420 921 4.649 2.683 154 79 932 439 116 41

-

-

958 195

2 48

24

4 21

14 10 178

14 74

53 31 84 7.324 4.194 11.518

-

-

22 48 58

6 -

90 -

59 -

11 -

10 101 -

13 -

22 250 58

6 82 -

28 332 58

-

-

128

6

90

59

11

10 101

13

330

88

418

6.119 3.891 2.407 1.772 1.135 209 650 426

133

98 414

Vl. Gemeenschaps commissie 33 17 Totaal 6.119 3.891 Opleidingsvorm 4 Gemeenschap Privaatrechtelijk Provincie Totaal ALGEMEEN TOTAAL

J

Algemeen totaal

-

-

139 10.858 6.535 17.393

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 259


10.8.4. Aantal leerlingen in het geĂŻntegreerd onderwijs per onderwijniveau van de leerling

kleuteronderwijs Type type 2 type 4

Aantal leerlingen 13 475

type 6

93

type 7

345

type 8 Totaal

926

Type type 3

Aantal leerlingen 110

type 4

344

type 6

155

type 7

725

Totaal

1334

Aard handicap == 177 ernstig lichamelijk 298 matig lichamelijk 67 ernstig visueel 26 matig visueel 147 ernstig auditief 198 matig auditief

Lager onderwijs Aard integratie 13 VP 177 VP 298 VP 67 VP 26 VP 146 VP + 1 GP 198 VP 925 VP + 1 GP

Aantal leerlingen 13 667 142 1102 191 2.115

Secundair onderwijs Aard Aard Aantal handicap integratie leerlingen 109 normaal begaafd 109 VP 1 licht mentale handicap 1 VP 21 229 ernstig lichamelijk 229 VP 115 matig lichamelijk 115 VP 25 130 ernstig visueel 130 VP 25 matig visueel 25 VP 29 337 ernstig auditief 337 VP 388 matig auditief 380 VP + 8 VT 75 1326 VP + 8 VT

Aard handicap 13 normaal begaafd 349 ernstig lichamelijk 318 matig lichamelijk 105 ernstig visueel 37 matig visueel 547 ernstig auditief 555 matig auditief ==

Aard integratie 13 VP 348 VP + 1 GP 318 VP 105 VP 37 VP 547 VP 555 VP 191 VP 2114 VP + 1 GP

Hoger onderwijs Aard handicap

Aard integratie

15 ernstig lichamelijk 6 matig lichamelijk 23 ernstig visueel 2 matig visueel 17 ernstig auditief 12 matig auditief

15 VP 6 VP 23 VP 2 VP 17 VP 12 VP 75 VP

VP: volledige integratie, permanent. VT : volledige integratie, tijdelijk. GP: gedeeltelijke integratie, permanent. GT: gedeeltelijke integratie, tijdelijk. Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs 2004-2005

Vlaams Eurydice rapport 2006

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 260


10.8.5. Evolutie van het aantal leerlingen in het geïntegreerd onderwijs (GON) begeleid vanuit het buitengewoon basisonderwijs

Schooljaar 1991-1992 1992-1993 1993-1994 1994-1995 1995-1996 1996-1997 1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005

Gemeenschapsonderwijs 66 54 79 97 105 83 101 118 148 170 216 291 430 734

Gesubsidieerd Totaal Vrij Ond. (VGO) Officieel Ond.(OGO) 393 115 574 376 120 550 438 130 647 491 156 744 552 147 804 540 167 790 611 179 891 737 176 1031 793 179 1.120 909 210 1.289 1.053 247 1.516 1.266 317 1.874 1.630 344 2.404 2.189 439 3.362

10.8.6. Evolutie van het aantal leerlingen in het geïntegreerd onderwijs (GON) begeleid vanuit het buitengewoon secundair onderwijs

Schooljaar 1991-1992 1992-1993 1993-1994 1994-1995 1995-1996 1996-1997 1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005

Gemeenschapsonderwijs 33 40 43 44 38 42 41 43 66 56 53 76 84 123

Vlaams Eurydice rapport 2006

Gesubsidieerd Totaal Vrij Ond. (VGO) Officieel Ond. (OGO) 146 16 195 201 19 260 224 19 286 245 24 313 233 33 304 200 21 263 246 24 311 272 29 344 337 32 435 377 33 466 412 26 491 495 27 598 658 30 772 920 45 1.088

10 Specifieke onderwijsbehoeften / 261


11. DE EUROPESE EN INTERNATIONALE DIMENSIE IN HET ONDERWIJS 11.1. Historisch overzicht In de periode na Wereldoorlog II sloot België culturele akkoorden af met diverse landen om de mobiliteit en de uitwisselingen tussen de verschillende partners te stimuleren. Door de herziening van de Belgische staatsstructuur gebeurt de invulling ervan sinds 1982 door de gemeenschappen. In 1993 kreeg Vlaanderen de bevoegdheid om zelf internationale verdragen te sluiten, waardoor er verdragen zijn afgesloten die alle domeinen bevatten die tot zijn bevoegdheid behoren. Deze verdragen maken het mogelijk werkprogramma's uit te werken die breder zijn dan de domeinen onderwijs en cultuur, die verschillende financieringsvormen mogelijk maken en voor projectmatige samenwerking openstaan. Deze akkoorden zijn bilaterale akkoorden, waarvan de betekenis voor sommige landen gewijzigd wordt naarmate het supranationale gegeven gewijzigd wordt. Wanneer bijv de Europese programma's zoals Socrates belangrijker worden, wordt de impact van de bilaterale uitwisselingen kleiner; ook omdat het Departement Onderwijs zich bij voorkeur wenst te integreren in de programma's van de EU. Belangrijke bilaterale verdragen of samenwerkingsakkoorden op het vlak van onderwijs die nu nog lopen maar al voor 1993 tot stand kwamen zijn deze gesloten met Nederland (1990) en de Russische Federatie (1991). Nadien werd het Gemeenschapsakkoord met Zuid-Afrika afgesloten (1996) en nog meer recent het onderwijsakkoord met Marokko (2001). Meer details hierover zijn te vinden in de volgende hoofdstukken. Het Europees onderwijsbeleid werd in de jaren '60-'80 vooral gekenmerkt door intergouvernementele samenwerking. Eind jaren '80 komen daar Europese programma's bij waar Vlaanderen van bij de opstart heel actief aan participeert. Tijdens het Vlaams voorzitterschap werden de bouwstenen voor het Europees Doelstellingenproces verder ontwikkeld en Vlaanderen werkt actief mee aan de verschillende werkgroepen. Ook bij de totstandkoming van het Kopenhagenproces (oorspronkelijk Brugge-proces) heeft Vlaanderen een initiërende rol verleend. Onder punt [11.2.] worden deze werkingen verder besproken. Bij de samenwerking in multilateraal verband (de Unesco, Raad van Europa en de OESO) wordt vaak gekeken naar de opportuniteiten die deze structuren bieden aan het Departement Onderwijs. De deelname aan de werking van deze instanties gebeurt hoofdzakelijk op projectbasis, waardoor de partners vaak wisselen. Vlaanderen kiest vooral voor die projecten die aansluiten bij het Vlaamse onderwijsbeleid of voor die ondersteuningsprojecten waaraan van Vlaamse zijde een structurele bijdrage kan worden geleverd.

11.2. Actuele discussies en toekomstige ontwikkelingen We behandelen eerst de huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem, daarna de Europese samenwerkingen.

11.2.1. Huidige Europese invloeden op het Vlaams onderwijssysteem Sinds 1998 namen Vlaamse scholen deel aan EU pilootprojecten over kwaliteitsgarantie en zelfevaluatie op lager en secundair niveau (Informatie verkregen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2001). De Nederlands-Vlaamse samenwerking op het niveau van de inspectie kreeg concreet gestalte in een intensieve uitwisseling van outputmetingen bij schooldoorlichtingen. Enkele markante Europese invloeden op het Vlaams hoger onderwijssysteem zijn de volgende: De hervorming van het Vlaamse hoger onderwijs in de jaren '90 beoogde o.a. een verbetering van de participatie van de instellingen voor hoger onderwijs in internationale programma's. Elke instelling voor hoger onderwijs heeft een dienst opgericht om de uitbouw van internationale contacten en relaties administratief te ondersteunen. Het decreet van 4 april 2003 voert de nieuwe internationale structuur bachelor – master, conform het Bolognaproces, in. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen opleidingsonderdelen laten doceren door anderstalige gastprofessoren en studenten anderstalige opleidingsonderdelen laten volgen aan een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs. Het instellingsbestuur kan opleidingen volledig in een andere taal aanbieden indien het gaat om opleidingen specifiek bedoeld voor buitenlandse studenten of om opleidingen in het kader van Europese en internationale programma's.

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 263


Datzelfde decreet bevestigt ook het verplichte gebruik van het diplomasupplement ,conform de UNESCO richtlijnen, dat in 1991 werd ingevoerd voor alle Vlaamse universitaire diploma's en in 1994 voor alle Vlaamse hogescholendiploma's. Het Vlaamse diplomasupplement stond model voor het internationale Diploma Supplement gezamenlijk ontwikkeld door de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO. De introductie in de jaren '90 van een Vlaams studiepuntensysteem, volledig gebaseerd op het Europese ECTSsysteem (European Credit Transfer System),, bevordert de onderlinge uitwisseling van studenten van instellingen voor hoger onderwijs in andere Europese landen. Dankzij het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen kan de student opteren voor een modeltraject van ongeveer 60 studiepunten per academiejaar of voor een individuele combinatie van opleidingsonderdelen. De keuze wordt vastgelegd in een studiecontract tussen de student en de instelling. De student ontvangt een diploma na het behalen van creditbewijzen voor alle opleidingsonderdelen die erin vervat zijn of wanneer de examencommissie van oordeel is dat de globale doelstellingen van het opleidingsprogramma voldoende verwezenlijkt zijn. De Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs zijn zeer actief en succesvol in het organiseren van 'Joint Degrees' en masteropleidingen in het kader van het Erasmus Mundus-programma.

11.2.2. Europese samenwerkingen In deze paragraaf betreffende samenwerking op Europees vlak wordt meer concreet ingegaan op het Bolognaproces, het Europees Doelstellingenproces en het Brugge/Kopenhagen-proces. Sinds 2004 hebben de activiteiten binnen deze processen plaats onder de noemer "Onderwijs en opleiding 2010". 11.2.2.1. Het Bolognaproces In 1999 ondertekenden de onderwijsministers van 29 Europese landen de Bolognaverklaring als opvolging van de Sorbonneverklaring van 1998. Het Bolognaproces beoogt de creatie van een Europese Hogeronderwijsruimte in 2010 om in Europa meer eenheid te brengen op hogeronderwijsvlak. In 2005 hebben de ondertussen 45 deelnemende landen op de bijeenkomst in Bergen (Noorwegen) de krachtlijnen van het Bolognaproces aangevuld. Meer informatie op:

http://www.bologna-bergen2005.no/ http://www.ond.vlaanderen.be/bolognaproces/vlaanderen/documentatie.htm http://www.ond.vlaanderen.be/bolognaproces/europa/doc/pdf/bolognaverklaring.pdf

11.2.2.2. Het Europees Doelstellingenproces In aansluiting op de beleidsprioriteit 'een antwoord bieden op uitdagingen van de toekomst', hebben de Vlaamse regering en de vertegenwoordigers van het Vlaamse middenveld op 22 november 2001 een zogenaamd Pact van Vilvoorde ondertekend. Het werd in 2005 geactualiseerd. Hierin worden 21 concrete lange termijndoelstellingen (te verwezenlijken tegen 2010) voor de 21ste eeuw vooropgesteld. Drie van die doelstellingen hebben specifiek betrekking op het onderwijs en komen ook terug in het Europees Doelstellingenrapport. • • •

Tegen 2010 neemt minstens 12,5 procent van de Vlaamse inwoners, tussen 25 en 65, deel aan permanente vorming. Het aantal jongeren dat de school verlaat zonder voldoende startkwalificaties is tegen 2010 minstens gehalveerd. Elke jongere uit Vlaanderen krijgt de kans om een ervaring op te doen in het buitenland, onder meer in het kader van samenwerkingsontwikkeling, culturele vorming of onderwijs.

De Europese ministers van onderwijs en de Europese Commissie hebben de opdracht van de 'Top van Lissabon' om de meest dynamische en competitieve, op kennis gebaseerde economie van de wereld te worden, ter harte genomen. De doelstellingen die de ministers hebben goedgekeurd zijn ambitieus en hebben gevolgen voor het Vlaamse onderwijs. Via de open methode van coördinatie wil de Europese Unie de vooruitgang in de realisatie van de 3 strategische doelstellingen opvolgen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 264


• • •

Verbetering van de kwaliteit en de effectiviteit van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de EU via onder meer verbetering van het onderwijs en de opleiding van leerkrachten en opleiders, optimale inzet van financiële middelen, toegang tot ICT voor iedereen, enz. Betere toegankelijkheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels voor iedereen, door het leren aantrekkelijker te maken, actieve participatie van burgers in de maatschappij, enz. De onderwijs- en opleidingsstelsels breed open gooien voor de buitenwereld via het stimuleren van het ondernemerschap, verbetering van vreemde talenonderwijs, versterking van mobiliteit en uitwisseling, enz.

Vlaanderen werkte actief mee aan de diverse opgerichte expertenwerkgroepen en Vlaanderen heeft daarnaast werk gemaakt van de communicatie-acties om het rapport bekend te maken in het departement en het onderwijsveld. Zie http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal/doelstellingenrapport.htm 11.2.2.3. Het Kopenhagenproces Een gezamenlijk Europees beleid inzake beroepsonderwijs en –opleiding werd geïnitieerd in Brugge in 2001 tijdens een vergadering van de directeurs-generaal van de Beroepsopleiding. Het werd verankerd door de Verklaring van Kopenhagen tijdens de intergouvernementele conferentie van de Europese Ministers bevoegd voor beroepsonderwijs en –opvoeding in 2002. Het gaf gevolg aan de oproep van de Europese Regeringsleiders op de Europese Raad van Barcelona in 2002 om - analoog aan het Bologna-proces voor hoger onderwijs – een initiatef op te zetten voor het beroepsonderwijs en –opleiding. Er lopen acties voor volgende vier deelaspecten van Europese samenwerking op het gebied van beroepsonderwijs en –opleiding. • • • •

Europese dimensie Erkenning van bekwaamheden en kwalificaties Transparantie, informatie en studiebegeleiding Kwaliteitsbewaking

In dit kader wordt momenteel gewerkt aan een Europees kwalificatieraamwerk (EQF) en aan een Europees creditsysteem (ECVET). De ruimere maatschappelijke en internationale context van beroepsopleiding en –onderwijs maakt dat overleg met sociale partners en linken met de Werkgelegenheidsstrategie dient verzekerd te worden, en dit vanaf 2005 binnen de nieuwe Lissabonstrategie "Groei en werk"

11.3. Vlaamse beleidslijnen en wettelijk kader Voor uitgebreide informatie en documenten over het Vlaams buitenlands beleid verwijzen we naar verschillende websites van de Vlaamse overheid. We geven hier enkel de websites die direct relevant zijn voor onderwijs. Voor het beleidskader, beleidsnota's, Vlaams regeerakkoord (luik buitenlands beleid en internationale samenwerking) Vlaanderen en de Europese Unie de lissabonstrategie Vlaamse multilaterale samenwerking OESO Raad van Europa Unesco

Vlaams Eurydice rapport 2006

http://docs.vlaanderen.be/buitenland/index.htm

http://docs.vlaanderen.be/buitenland/europeseunie.htm http://docs.vlaanderen.be/buitenland/europeseunie/lissabonstrategie.htm http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilaterale samenwerking.jsp http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal /oeso.jsp http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal /raad.jsp http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal /vn_organisaties_unesco.jsp

11 Europees en internationaal / 265


Binnenkort verschijnt een online databank van de Departement Internationaal Vlaanderen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met alle verdragen: NADIA: Netwerk Archivering van Documenten m.b.t. Internationale Akten.

11.4. Vlaamse programma's en initiatieven We behandelen afzonderlijk: • •

bilaterale programma's, zie [11.4.1.] multilaterale programma's, zie [11.4.2.]

11.4.1. Bilaterale programma's en initiatieven De bilaterale samenwerking is gebaseerd op: • • • •

culturele akkoorden, zie [11.4.1.1.] Vlaamse verdragen, zie [11.4.1.2.] onderwijsakkoorden, zie [11.4.1.3.] omzendbrieven betreffende grensoverschrijdende samenwerkingen, zie [11.4.1.4.]

11.4.1.1. Culturele akkoorden Een vorm van bilaterale samenwerking is mogelijk in het kader van culturele akkoorden en samenwerkingsakkoorden. Sommige akkoorden werden nog door België afgesloten, maar worden door de regio's ingevuld. Andere akkoorden zijn door Vlaanderen afgesloten, nadat deze de bevoegdheid om verdragen af te sluiten heeft verkregen. Een dergelijke samenwerking heeft betrekking op alle onderwijsniveaus, maar het meest intens op het vlak van hoger onderwijs. Het omvat specialisatie- en onderzoeksbeurzen voor studenten uit een post-academische opleiding in het hoger onderwijs, de uitwisseling van hoogleraren en docenten, de organisatie van lessen vreemde talen aan de Vlaamse universiteiten. 11.4.1.2. Vlaamse verdragen In 2000 werd het samenwerkingsverdrag tussen Vlaanderen en Zuid-Afrika – dat bestond sinds 1996 – vernieuwd en uitgebreid tot alle beleidsdomeinen waarvoor Vlaanderen bevoegd is. De drie provincies Vrijstaat, KwaZuluNatal en Limpopo werden als geografisch prioritaire gebieden aangeduid. In mei 2005 kwam er een vaste gemengde commissie samen in Zuid-Afrika om het werkprogramma voor de jaren 2005-2006 samen te stellen. Dit werkprogramma bevat de volgende thema's: waarden in het onderwijs (Values in Education), personeel- en beloningsbeleid op het niveau van hoger onderwijs, de institutionele versterking m.b.t. microbiologie-onderwijs, en tenslotte alfabetisering, volwassenenonderwijs en de professionalisering van wiskunde – en wetenschapsleraren. Momenteel loopt er een pilootproject met als titel 'Values and Human Rights Whole School Development' in samenwerking met het nationale onderwijsdepartement. Wat de andere thema's betreft wordt nog gekeken naar de concrete mogelijkheden voor samenwerking. 11.4.1.3. Onderwijsakkoorden We behandelen hier de bilaterale samenwerking van het departement Onderwijs met partnerlanden gebaseerd op onderwijsakkoorden, meer specifiek: • • •

de samenwerking met Nederland het akkoord met Rusland de samenwerking met Marokko

11.4.1.3.1. Samenwerking met Nederland Deze samenwerking berust op verschillende verdragen en akkoorden. Er lopen verschillende samenwerkingsverbanden. Het Cultureel Verdrag tussen Vlaanderen en Nederland

Dit verdrag over nauwe samenwerking op vlak van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn werd in 1995 ondertekend. Voor de ambtelijke samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland op het gebied van onderwijs wordt uitvoering gegeven aan dit verdrag via de GENT-akkoorden (zie volgende §).

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 266


zie http://www.cvn.be/cult/index.htm Het Taalunieverdrag creëerde de Nederlandse Taalunie Om een aantal aangelegenheden betreffende de Nederlandse taal, waaronder taalvorming en -onderwijs gezamenlijk aan te pakken, hebben Nederland en de Vlaamse Gemeenschap de Nederlandse Taalunie opgericht. Dit supranationaal orgaan geeft de mogelijkheid om op internationaal niveau als één taalgemeenschap te handelen Op het gebied van onderwijs Nederlands binnen Nederland en Vlaanderen ontwikkelt de Taalunie diverse initiatieven, waaronder: • • • • • • •

de Taalunie Onderwijsprijs; een scriptieprijs voor studenten Neerlandistiek. ondersteuning van Nederlands-Vlaamse veldorganisaties; kaderteksten voor visieontwikkeling spellingsaanpassing ontwikkeling instrumenten taalinfrastructuur de website Taalunieversum, met een aantal voorzieningen voor leraren: o een elektronische attenderingslijst met samenvattingen van artikelen over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse en Vlaamse vakbladen; o een verklarende woordenlijst van Nederlandse, Surinaamse en Vlaamse onderwijstermen en/of afkortingen o een digitaal dossier NT2 met artikels over het volwassenenonderwijs NT2 in NederlandsVlaamse context o een vraagbaak over het onderwijs Nederlands/NT2. o zie http://taalunieversum.org/

GENT-akkoorden Deze onderwijssamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland loopt sinds 1990. GENT staat voor 'Gehele Europese Nederlandse Taalgebied'. •

•

Het Gent-5 akkoord liep van 2000-2003 en omvatte o.m.: o samenwerking inzake de oprichting van de transnationale Universiteit Limburg; o overleg en samenwerking rond ICT, hetgeen de programmamatrix opleverde, d.i. een elektronische databank van educatieve software (voor Vlaanderen op niveau van het basisonderwijs) die online kan worden geraadpleegd → http://www.programmamatrix.be/ o samenwerking tussen Vlaamse academies van DKO en de Nederlandse centra voor de Kunsten; o participatieve stages : uitwisselingen tussen Vlaamse en Nederlandse basisscholen, waarbij jaarlijks leerkrachten van 16 Vlaamse scholen een week gaan observeren in een Nederlandse school en omgekeerd. Per cyclus van 3 jaar staat een vooraf bepaald thema centraal. In 2003 werd het GENT-6 akkoord getekend die bovenstaande samenwerking verlengd.

Het accreditatieverdrag Op 3 september 2003 werd met Nederland een verdrag afgesloten betreffende de samenwerking inzake de accreditatie van opleidingen in het hoger onderwijs in het kader van de invoering van de bachelor-masterstructuur tengevolge van de Bologna-afspraken. Het verdrag heeft ook de gezamenlijke Nederlands-Vlaamse Accrediteringsorganisatie (NVAO) in het leven geroepen. Het accreditatiekader, ontworpen door het NVAO, bepaalt dat ten behoeve van de accreditatie een opleiding wordt beoordeeld aan de hand van zes onderwerpen: doelstellingen van de opleiding, programma, inzet van personeel, voorzieningen, interne kwaliteitszorg en resultaten. Het verdrag vormt samen met het structuurdecreet van 4 april 2003 de decretale basis voor de invoering van de accreditatie in Vlaanderen. Zie http://nvao.net

Visitatie Reeds in 1992 sloten de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) en de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) een overeenkomst over samenwerking inzake onderwijsvisitaties. Visitatiescommissies met Nederlandse en Vlaamse leden controleren de kwaliteit van de opleidingen. In het kader van de invoering van accreditatie in het Vlaamse hoger onderwijs hebben de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) gezamenlijk een grondig vernieuwd visitatieprotocol

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 267


uitgewerkt. Dit protocol kan gebruikt worden voor de externe visitaties van alle professioneel gerichte en academisch gerichte opleidingen van Vlaamse universiteiten, hogescholen en andere ambtshalve geregistreerde instellingen van hoger onderwijs, ter voorbereiding van een accreditatie-aanvraag bij de NVAO. Het protocol is zowel een handleiding voor de opleidingen (ter voorbereiding van de zelfevaluatie) als voor de visitatiecommissies (ter instructie van hun bezoek en de rapportering erover). Het verdrag voor de Transnationale Universiteit Limburg (TUL) In 1991 beslisten de Universiteit Maastricht en het Limburgs Universitair Centrum in Diepenbeek om gezamenlijk de studierichting kennistechnologie in te stellen. In 2001 werd het verdrag inzake de TUL ondertekend. Stapsgewijs worden opleidingen ondergebracht in deze TUL : kennistechnologie, biomedische wetenschappen, informatie- en communicatietechnologie, onderwijswetenschappen. Zie http://www.tul.edu/ Samenwerking tussen universiteiten en hogescholen Er bestaan ook talrijke vormen van samenwerking tussen universiteiten en hogescholen in Nederland en Vlaanderen. De IWETO-databank van de Vlaamse Gemeenschap bevat meer dan 1000 wetenschappelijke samenwerkingsverbanden tussen Vlaamse universiteiten (geen hogescholen of wetenschappelijke instellingen) en Nederlandse instellingen. Die samenwerking is soms nog ruimer. Zo werken de universiteiten van Aken, Luik, Maastricht en Diepenbeek (de Euregio Maas-Rijn) samen onder de noemer ALMA en de hogescholen onder de noemer HORA EST. Verder hebben jaarlijks Nederlands-Vlaamse ontmoetingsdagen hoger onderwijs plaats.

Open universiteit In 1984 ging de Nederlandse Open Universiteit van start. De Open Universiteit (OU) biedt mensen de kans om buiten de normale dagopleidingen aan de universiteit en in eigen tempo een universitaire opleiding te volgen. Sinds 1981 zijn er contacten tussen Vlaanderen en Nederland om samen te werken op het gebied van OU. De Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) sloot met de Nederlandse OU een samenwerkingsakkoord, waardoor er vier Vlaamse centra van de OU gecreëerd werden bij Vlaamse universiteiten, zie www.ou.nl/ GROS (grensoverschrijdende samenwerking) en Buurlandenprogramma In 1995 is het GROS-project met Nederland van start gegaan op het niveau van het basis en secundair onderwijs. De initiatieven voor het basisonderwijs BaO werden in 1999 overgenomen door het buurlandenproject, zie [11.6.1.1.1.] (uitwisseling leerlingen) en [11.6.2.1.] (uitwisseling onderwijzend personeel). Vanaf het schooljaar 2004-2005 werd dit programma opengesteld naar de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, zie [11.6.1.2.1.]. Stichting Scolarta De stichting Scolarta biedt scholen secundair onderwijs in Nederlands en Belgisch Limburg elk jaar de kans hun prestaties op het gebied van muziek, voordracht en beeldende kunst te laten zien. Zie http://www.cvn.be/samen/inh_090500_varia.asp 11.4.1.3.2. Akkoord met Rusland Sinds 1991 werden diverse samenwerkingsakkoorden en –protocollen gesloten tussen de Vlaamse en Russische ministers van onderwijs. In uitvoering hiervan zijn tientallen projecten opgezet. De terreinen waarop wordt samengewerkt zijn o.a. onderwijs aan kinderen met speciale noden, leerlingenbegeleiding, het beroepsonderwijs,. In 2005 werd een nieuw akkoord ondertekend. 11.4.1.3.3. Samenwerking met Marokko De belangrijke aanwezigheid van Marokkaanse kinderen in de Vlaamse scholen was één van de redenen om in 2001 een samenwerkingsakkoord te sluiten met Marokko. In 2004 liep dit samenwerkingsakkoord af, maar in 2005 werd een nieuw samenwerkingsakkoord voorbereid. Het is de bedoeling dat de twee partijen het nieuwe akkoord in de loop van 2006 ondertekenen. Twinning - praktijkvoorbeelden Twinning 2005-2006

Vlaams Eurydice rapport 2006

http://www.ond.vlaanderen.be/twinning/ http://www.ond.vlaanderen.be/twinning/twinnings2005-2006.htm

11 Europees en internationaal / 268


11.4.1.4. Samenwerking met buurlanden Er lopen verschillende programma's, waarvan we enkele uitgebreider behandelen bij de uitwisselingsprogramma's. Sedert 1995 maakt het GROS-programma (Grensoverschrijdende samenwerking) het voor Vlaamse en Nederlandse secundaire scholen mogelijk klassen uit te wisselen..Het GROS-programma betreft samenwerkingsprojecten met de buurlanden op niveau van het secundair onderwijs, zie [11.6.1.2.1.]. Het Buurlanden-programma betreft samenwerking met buurlanden op niveau basisonderwijs BaO, zie [11.6.1.1.1.] (uitwisseling leerlingen) en [11.6.2.1.] uitwisseling onderwijzend personeel. Zomercursussen Frans worden georganiseerd door de administratie basisonderwijs i.s.m. de Franse ambassade • •

nascholingscursus (taalbad) Frans voor leerkrachten Frans en directeurs (10 dagen); opleiding tot nascholer Frans (formation des formateurs), voor degenen die de nascholingscursus hebben gevolgd en hun kennis willen doorgeven (14 dagen). Gesubsidieerd via Comenius.

Formacom II is een samenwerking met Frankrijk inzake vorming van nascholers voor het vak Frans • • • •

Voor leerkrachten Frans in het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs (OSP). De leerkrachten volgen eerst een opleidingsseminarie in Frankrijk. Daarna worden opvolgdagen georganiseerd in Vlaanderen en starten de nascholers met workshops voor hun collega-leerkrachten Frans. Programma georganiseerd door het departement onderwijs i.s.m. de Franse ambassade, Vlaamse universiteiten en Vlaamse onderwijskoepels, in het kader van het cultureel akkoord VlaanderenFrankrijjk. Het programma wordt gefinancieerd door het departement onderwijs, de Franse overheid en Comenius 22C-beurzen. De scholen(gemeenschappen) van de deelnemers betalen een bescheiden bijdrage ter financiering van de opvolgdagen in Vlaanderen.

Zie http://www.form-a-com.org In samenwerking met de Duitse autoriteiten zijn er in principe jaarlijks uitwisselings- en nascholingsactiviteiten: een zomercursus voor Vlaamse leerlingen in Duitsland; een nascholingscursus voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland; en een nascholingscursussen voor Duitse leerkrachten in Vlaanderen. Concretere informatie over wat er op dit vlak binnen de verschillende onderwijsniveaus wordt gedaan, is te vinden in [11.6.].

11.4.2. Multilaterale programma's en initiatieven We behandelen hier de samenwerking in het kader van: • • • •

de Raad van Europa, zie [11.4.2.1.] de OESO, zie [11.4.2.2.] de UNESCO, zie [11.4.2.3.] de EU-programma's, zie [11.4.2.4.]

11.4.2.1. Samenwerking in het kader van de Raad van Europa De Raad van Europa is opgericht in 1949 en bestaat heden uit 46 lidstaten. Op de derde top van regeringsleiders in Warschau op 16 en 17 mei 2005 werden als belangrijkste taken voor de Raad van Europa in de volgende jaren volgende doelstellingen geformuleerd: •

het bevorderen van de gemeenschappelijke waarden inzake mensenrechten, rechtszekerheid en democratie;

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 269


• •

het versterken van de veiligheid van Europese burgers, bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en mensenhandel; het bevorderen van samenwerking met andere internationale en Europese organisaties.

Het onderwijsprogramma wordt bepaald door het Onderwijscomité (CDED), samengesteld uit vertegenwoordigers van de onderwijsministers van de lidstaten. Het Programma hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt gestuurd door het Comité voor Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek. Het departement onderwijs participeert in de activiteiten van beide comités. De Raad van Europa lanceerde verschillende onderwijsprojecten. •

•

• •

Het in 1997 gelanceerde project Democratische Burgerschapseducatie (Education for Democratic Citizenhip, EDC) richt zich op de betekenis van participatieve democratie en van burger en de waarden en vaardigheden nodig voor burgerschapsvorming. De Raad riep 2005 uit tot het 'European Year of Citizenship through Education', waaraan ook Vlaanderen participeerde. De Raad heeft ook een 'Charter for democratic schools without violence' opgesteld. en een 'European day of languages' uitgeroepen om het leren van talen te bevorderen. Hoger onderwijs en research. Prioriteiten hier zijn: o bijdragen tot het scheppen van een Europese hogeronderwijsruimte (Bologna-proces); o erkenning van kwalificaties in de Europese regio; o hervorming van het hoger onderwijs in Zuid-Oost Europa; o bevorderen van de toegang tot het HO; o bewaren van de autonomie en het erfgoed van de Europese universiteiten. Het project "talen, diversiteit, burgerschap" wil bijdragen tot een gediversifieerde aanpak van taalonderwijs binnen de context van democratische burgerschapsvorming in Europa. 26 september is uitgeroepen tot Europese dag van de talen. e Het project "leren en onderwijzen over de geschiedenis van Europa in de 20 eeuw" heeft leermateriaal voor het secundair onderwijs (waaronder een handboek) opgeleverd, dat moet bijdragen tot het hervormen van de leerkrachtenopleiding.

Europees jaar van het burgerschap 2005:

http://www.coe.int/T/E/Com/Files/Themes/ECD/

doelstellingen, praktisch materiaal en praktijkervaringen in Vlaanderen inzake 'Citizenship through education'

http://www.ond.vlaanderen.be/burgerschap/

11.4.2.2. Samenwerking in het kader van de OESO Het 'Directorate for education' van de OESO heeft 6 strategische objectieven: • • • • • •

Het bevorderen van levenslang leren en het verbeteren van de banden met het sociaaleconomische beleid; Evaluatie en verbetering van onderwijsresultaten; Kwalitatief hoogstaand onderwijs bevorderen; Tertiair onderwijs herdenken binnen een globale economie, Sociale samenhang verbeteren door onderwijs; Toekomstgericht onderwijs uitbouwen.

Er zijn 7 werkterreinen: • • • • • • •

Onderwijs- en opleidingsbeleid (Education and training policy, ETP) Centre for Educational Research and Innovation (CERI) Onderwijsindicatoren (Indicators of educational systems, INES) Internationaal peilingsonderzoek naar studentenresultaten (Programme for international student assessment, PISA) Institutioneel management in hoger onderwijs (Institutional management in higher education, IMHE) Onderwijsinfrastructuur (Programme on educational building, PEB) Samenwerking met niet-leden landen (Unit for co-operation with non-member economies, NME)

Het departement onderwijs is momenteel betrokken bij de activiteiten van het Education Committee, CERI, INES, PISA, IMHE, PEB (DIGO, RAGO).

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 270


De Vlaamse overheid nam in 2004 deel aan de thematische bijeenkomsten op ministerieel niveau over onderwijs. Het departement onderwijs neemt actief deel aan comitĂŠs en werkgroepen en financiert ook tal van programma's en activiteiten van de OESO. Eerdere projecten waaraan onderwijs participeerde zijn: Project

Periode

Ontwikkeling van onderwijsindicatoren

1999

Informatie-uitwisseling over kwaliteitscriteria voor educatieve software

1999

Onderzoek naar onderwijs voor en opvang van het jonge kind

1999

Vergelijkend onderzoek naar schoolmanagement

2000

Deelname aan de module Levenslang leren

2001

Bevordering van onderwijs en economische ontwikkeling in de Balkan

2001

Thematische evaluatie van het leerkrachtbeleid

2002

Onderwijsontwikkeling voor risicogroepen onder studenten in de Balkan

2002

Internationale overhead van het PISA-onderzoek over leesvaardigheid

2003 (ook in 2000)

Bijdrage aan het SEN-project over speciale onderwijsbehoeften

2003

Studie Gelijkheid in het onderwijs: oorzaken en beleidsantwoorden

2003

Studie Verhogen vaardigheden in Vlaanderen

2004

Verbeteren van de educatie aan en het leren van volwassenen met een gebrek aan sleutelvaardigheden via formatieve evaluatie

2005

Erkenning van niet-formeel en informeel leren

2005

Ondersteuning van effectief schoolleiderschap

2006

Bron: http://docs.vlaanderen.be/channels/hoofdmenu/vlaanderenint/multilateraal/oeso.jsp 11.4.2.3. Samenwerking in het kader van de UNESCO ''Het internationaal Bureau of Education'', een gespecialiseerde Unesco-instelling, organiseert elke 3 jaar een internationale onderwijsconferentie waar ministers van onderwijs en andere betrokkenen elkaar ontmoeten. De 47ste zitting vond plaats in september 2004 in Genève en had als hoofdthema: 'Kwaliteitsonderwijs voor alle jongeren: uitdagingen, tendensen en prioriteiten'. Ambtenaren van het departement Onderwijs nemen op regelmatige basis deel aan de algemene conferentie van Unesco (die dus niet alleen over onderwijs handelt) en aan specifieke bijeenkomsten (zoals over hoger onderwijs). De basis van de samenwerking tussen Vlaanderen en de UNESCO ligt besloten in een samenwerkingsovereenkomst die werd afgesloten op 6 maart 1998. Het is een van de zeldzame overeenkomsten van de UNESCO met substatelijke entiteiten (ook met het Baskenland werd een akkoord gesloten) en vooralsnog de enige met een Belgische deelstaat. Trustfonds voor wetenschappen: in september 1999 werd een overeenkomst gesloten die het mogelijk maakte om wetenschappelijke projecten te financieren via een trustfonds. Algemeen trustfonds: om de samenwerking met de UNESCO ook op andere terreinen uit te breiden, keurde de Vlaamse regering in december 2001 een overeenkomst goed ter oprichting van een algemeen Vlaams UNESCO Trustfonds. Deze overeenkomst werd op 7 februari 2002 gesloten voor een termijn van vijf jaar. Jaarlijks stort de Vlaamse regering een bedrag van maximaal 750.000 euro in het trustfonds. Deze bijdrage gaat bij voorkeur naar projecten omtrent onderwijs voor allen, hiv/aids-preventie, het bevorderen van de culturele diversiteit en het beschermen en in stand houden van cultureel erfgoed. In 2004 richtte de Vlaamse Regering de Vlaamse Unesco Commissie op. Hierin zetelen zowel vertegenwoordigers van de overheid als van de civiele maatschappij. Ook het departement Onderwijs participeert in de Vlaamse Unesco Commissie.

International Bureau of Education (IBE) Vlaamse Unesco Commissie

Vlaams Eurydice rapport 2006

http://www.ibe.unesco.org/ http://www.unesco-vlaanderen.be

11 Europees en internationaal / 271


11.4.2.4. EU-programma's en initiatieven De Europese Unie heeft een aantal onderwijs- en opleidingsprogramma's in gang gezet met het oog op het promoten van de Europese dimensie en het verbeteren van de onderwijskwaliteit door middel van samenwerking tussen de landen. We geven hier een overzicht van de relevante Vlaamse websites. Internationale projecten http://www.ond.vlaanderen.be/internationaal/ onderwijs Internationalisering SO http://www.ond.vlaanderen.be/internationaliseringSO/ Internationalisering HO http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/default.htm Comeniusprojecten in scholen http://www.comeniusweekvlaanderen.be/ basis- en secundair onderwijs (overzicht van projecten en scholen) Socrates II http://www.ond.vlaanderen.be/socrates/ Erasmus Belgica (*) http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/erasmusbelgica.htm Grundtvig (overzicht van http://www.grundtvigvlaanderen.be/ projecten en scholen) NARIC-Vlaanderen http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/Naric/default.htm ENTEP (lerarenopleiding) http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/leraar/entep.htm ESF-Vlaanderen http://www.esf-agentschap.be/esf2/index.htm ECTS http://www.ects-helpline.be/ ENIS Vlaanderen (**) (overzicht http://www.enis.be/ van projecten en scholen) e-Twinning (***) http://www.etwinning.be/ e-learning Europe http://www.elearningeuropa.info/ (*) Erasmus Belgica is een samenwerkingsproject tussen de Vlaamse Gemeenschap, Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap om de mobiliteit van de studenten hoger onderwijs tussen de Gemeenschappen van België te bevorderen. (**) ENIS, Europees netwerk van innovatieve scholen is ontstaan binnen het European Schoolnet opgericht in 1989 door landen van de Europese Unie, om het gebruik van ICT in het onderwijs te stimuleren. (***) e-Twinning : een laagdrempelig initiatief tot verbroedering met andere Europese scholen via het web

11.5. Europese en internationale dimensie in het Vlaamse curriculum In de eindtermen en ontwikkelingsdoelen wordt aandacht besteed aan rechten van de mens, de mondiale problematiek, de werking van internationale organisaties, de landen van de Europese Unie, de ongelijke verdeling van welvaart en het bestaan van verschillende levenswijzen. In het secundair onderwijs is 'opvoeden tot burgerzin' één van de vakoverschrijdende thema's. Ook in de vakken levensbeschouwelijke vorming, wereldoriëntatie, maatschappelijke vorming, geschiedenis en aardrijkskunde komt de Europese en internationale dimensie en burgerschapsvorming uitdrukkelijk aan bod. In 2005 participeerde Vlaanderen aan het Europees jaar van burgerschapsvorming (zie Raad van Europa [11.4.2.1.]), zie http://www.ond.vlaanderen.be/burgerschap/ Inzake Europese vorming en internationalisering in scholen werkt het departement onderwijs samen met : • •

Stichting Ryckevelde, zie http://www.ryckevelde.be/ Landcommanderij Alden-Biesen, zie http://www.alden-biesen.be

Beiden geven o.a. informatie voor het organiseren van grensoverschrijdende projecten.

11.6. Mobiliteit en uitwisseling In heel wat bilaterale en multilaterale akkoorden die Vlaanderen mee geïnitieerd heeft of waarin Vlaanderen is ingestapt zijn er internationale mobiliteits- en uitwisselingacties begrepen. Deze acties werden dan ook toegelicht in [11.1.] tot [11.3.].

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 272


Daarnaast werd ook alle beschikbare statistisch materiaal met betrekking tot de mobiliteitsprogramma's bij paragraaf [11.4.] opgenomen. In dit stuk beperken we ons dan ook tot het luik 'erkenning en validering van buitenlandse diploma's en kwalificaties'. De procedures die gelden voor de verschillende onderwijsniveaus zijn gevat in verschillende besluiten. Deze zijn te vinden op de website van het departement (www.ond.vlaanderen.be/edulex). De afhandeling van de procedures is over de onderwijsniveaus heen grotendeels gelijklopend. De procedure bevat telkens vier stappen: het indienen van een aanvraag, het administratief onderzoek op de volledigheid van het dossier, de adviezen van experts en het besluit tot het al of niet verlenen van de gelijkwaardigheidserkenning. Het samenstellen van een aanvraagdossier komt neer op het vervullen van drie aspecten: het verschaffen van informatie over de gevolgde opleiding, het voorleggen van studiebewijzen, het beëdigd laten vertalen van documenten die niet in het Nederlands, Frans, Duits of Engels zijn opgesteld. Bij elke procedure zijn oplossingen en/of alternatieven voorzien voor aanvragers die géén studiebewijzen kunnen voorleggen. Binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming fungeert een erkenningscel als Vlaamse afdeling van het NARIC-Netwerk en het ENIC-Netwerk. NARIC staat voor 'National Academic Recognition and Information Centres' en het NARIC-Netwerk is een initiatief van de Europese Commissie in 1984, dat de erkenning van diploma's en studieperioden in de lidstaten van de Europese Economische Ruimte wil bevorderen. ENIC staat voor 'European National Information Centres' en het ENIC Netwerk is een initiatief an de Raad van Europa en UNESCO. Beide netwerken werken heel nauw samen door onder andere jaarlijks samen te vergaderen over erkenningperikelen en oplossingen. Het internationale model van het Diploma Supplement is een voorbeeld van de intense samenwerking. Het decreet van 4 april 2003 bevestigt dat de erkenning van buitenlandse diploma's hoger onderwijs in Vlaanderen verloopt volgens de principes van de ''Lisbon Recognition Convention'' van 1997 van de Raad van Europa en UNESCO.

11.6.1. Mobiliteit en uitwisseling van leerlingen en studenten We behandelen afzonderlijk de programma's voor het basisonderwijs BaO, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs. 11.6.1.1. Programma's voor het basisonderwijs Buurlanden

• • • • • •

Het programma "Buurlanden" staat open voor directie, onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend personeel en paramedici én leerlingen uit het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Het wil gemeenschappelijke onderwijsprojecten stimuleren met een of meerdere basisscholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Verenigd-Koninkrijk. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 2 dagen en 1 nacht ter plaatse zijn, exclusief reistijd. Logies bij voorkeur in een gastgezin. Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget Er is ook een uitwisselingsluik voor onderwijzend e.a. personeel, zie [11.6.2.1.]

Klavertje Drie

• • • •

Dit programma is sinds 2005-2006 gericht op leerlingen 5e en 6e leerjaar basisonderwijs. Het is gericht op klasuitwisselingen tussen de 3 Belgische Gemeenschappen. Een klas uit een bepaalde gemeenschap ontvangt één (bilateraal) of twee (trilateraal) klassen uit een of twee andere gemeenschappen. De leerlingen moeten minstens 2 nachten of 3 volle dagen ter plaatse zijn. Logies bij voorkeur in een gastgezin. Wederkerigheid kan maar is niet noodzakelijk.

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 273


• •

Het programma werd opgestart in 1994 door de Koning Boudewijnstichting en nu voortgezet door het Prins Filipfonds dat – samen met de departementen onderwijs van de drie gemeenschappen subsidieert. http://www.prins-filipfonds.org

11.6.1.2. Programma's voor het secundair onderwijs GROS, Grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden in het secundair onderwijs • • • • •

Dit programma staat open voor alle leerlingen van het secundair onderwijs; De klasuitwisseling kan met scholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 3 dagen en 3 nachten ter plaatse zijn, exclusief reistijd (2 voor BuSO). Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget en is beperkt tot één project per school/per schooljaar.

Zie Omzendbrief SO/2004/04 Tritec • • • •

Dit programma staat open voor groepen leerlingen uit de 2e en 3e graad technisch en (deeltijds)beroepsonderwijs van de 3 Belgische gemeenschappen.. Het wil scholen aanmoedigen om (gebaseerd op hun schoolcurriculum) projecten tussen de 3 Belgische gemeenschappen uit te werken en in de periode januari-juni samen te werken. Het programma wordt gepatroneerd en gesubsidieerd door het Prins Filipsfonds. http://www.prins-filipfonds.org/tritecgoal.html

Euroklassen • • • • •

Dit programma staat open voor leerlingen vanaf het 4de jaar van het secundair onderwijs; De klasuitwisseling kan met scholen uit de landen die deelnemen aan het Socrates-programma van de Europese Unie; De klasuitwisseling (in principe minimum één volledige klas) moet voortvloeien uit een gemeenschappelijk onderwijsproject tussen scholen, dat ingebed is in het normale curriculum van de leerlingen. Bij het bezoek aan de partnerschool moeten de leerlingen minimum 6 dagen en 6 nachten ter plaatse zijn, exclusief reistijd (4 voor BuSO). Het aantal projecten dat voor financiering in aanmerking komt is afhankelijk van het beschikbare totaalbudget en is beperkt tot één project per school/per schooljaar

Zie Omzendbrief SO/2004/05 11.6.1.3. Programma's voor het hoger onderwijs Erasmus Belgica Dit is een nieuw programma waardoor universiteitsstudenten of hogeschoolstudenten de mogelijkheid wordt gegeven om een gedeelte van hun opleiding aan een universiteit of een hogeschool in een andere Gemeenschap door te brengen. Het programma loopt volgens dezelfde principes als het Europese Erasmus programma. Het project werd gelanceerd in februari 2004 en de eerste uitwisselingen werden voorzien vanaf het academiejaar 2004-2005. Het is bedoeling dat de drie Ministers bevoegd voor hoger onderwijs later een samenwerkingsakkoord uitwerken, zie http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/interna/erasmusbelgica.htm

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 274


Trialoog • • • • • •

Dit is een programma gericht op uitwisseling tussen hogeschoolstudenten uit de 3 Belgische gemeenschappen Een uitwisseling dient minstens 5 opeenvolgende dagen te duren. Aan een project dienen per hogeschool minstens 5 studenten deel te nemen. Wederkerigheid kan, maar is niet noodzakelijk. Het programma wordt gepatroneerd en gesubsidieerd door het Prins Filipsfonds. http://www.prins-filipfonds.org/tria.html

11.6.2. Mobiliteit en uitwisseling van leerkrachten en academisch personeel We behandelen afzonderlijk de programma's voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. 11.6.2.1. Basisonderwijs Buurlanden-programma • • • • •

Het programma "Buurlanden" staat open voor directie, onderwijzend personeel, beleids- en ondersteunend personeel en paramedici uit het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. Het wil contacten stimuleren met basisscholen uit de onmiddellijke buurlanden van België: Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Verenigd-Koninkrijk. De personeelsleden kunnen voor minstens een volledige dag op bezoek gaan bij een basisschool uit een buurland. Ze kunnen ook een subsidie ontvangen voor nascholingscursussen in één van de buurlanden. Er is ook een uitwisselingsluik voor leerlingen, zie [11.6.1.1.1.]

11.6.2.2. Secundair onderwijs In samenwerking met de Duitse autoriteiten zijn er in principe jaarlijks 2 nascholingscursussen voor Vlaamse leerkrachten Duits in Duitsland; en 2 nascholingscursussen voor Duitse leerkrachten in Vlaanderen.

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 275


11.7. Statistieken 11.7.1 Evolutie van deelname van studenten aan het Socrates/Erasmusprogramma vanaf schooljaar 1990-1991

academiejaar

mannen vrouwen (hogescholen (hogescholen hogescholen universiteiten + + (mannen + (mannen + universiteiten) universiteiten) vrouwen) vrouwen)

totaal

1990-1991 1991-1992 1992-1993 1993-1994 1994-1995 1995-1996 1996-1997 1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 eindtotaal

383 503 590 883 1.133 1.069 1.006 1.085 1.124 1.086 1.023 1.048 1.055 1.055 11.988

445 637 837 1.051 1.017 1.301 1.382 1.422 1.570 1.614 1.564 1.680 1.620 1.620 16.140

252 291 462 595 834 976 1.004 1.166 1.304 1.355 1.245 1.400 1.406 1.482 13.772

576 849 965 1.339 1.316 1.394 1.384 1.341 1.390 1.345 1.342 1.328 1.256 1.193 17.018

828 1.140 1.427 1.934 2.150 2.370 2.388 2.507 2.694 2.700 2.587 2.728 2.662 2.675 30.790

totaal studenten* 2002-2003

71.507

84.993

99.661

56.839

156.500

1,5

1,9

1,4

2,2

1,7

71.363

85.654

100.178

56.839

157.017

1,5

1,9

1,5

2,1

1,7

% socrates/erasmus in totaal aantal studenten totaal studenten* 2003-2004 % socrates/erasmus in totaal aantal studenten

* Studenten aan hogescholen en universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap, al dan niet met de Belgische nationaliteit, enkel hoofdinschrijvingen in basisopleidingen. 2002-2003: de cijfers voor mannen en vrouwen zijn voorlopige cijfers. Bron: http://aps.vlaanderen.be

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 276


11.7.2 Socrates 2 - goedgekeurde projecten basis- en secundair onderwijs

2002 2003 2004 2005

74 67 58 63

7 10 16 13

90 66 73 94

8 9 13 7

16 25 28 36

13 19 19 27

10 18 26 6

Voorbereidende bezoeken

Voorbereidende bezoeken

Leerpartnerschappen

Grundtvig Grundtvig 2 Gecentraliseerd Schoolontwikkelingsprojecten

Taalprojecten

Schoolprojecten

Schoolontwikkelingsprojecten

Schoolprojecten

Comenius Secundair Basisonderwijs onderwijs

36 (2002-2004) 42 (2005-2006)

Bron : http://www.ond.vlaanderen.be/socrates/socrates/goedgekeurde_projecten.htm

11.7.3 Evolutie van deelname aan het Leonardo-programma 2004 2003 2002 2001 2000 1999 1998 type deelnemer leerlingen secundair onderwijs studenten hogescholen en universiteiten, jonge werkenden, pas afgestudeerden totaal

261

217

203

179

272

205

168

281 542

298 515

299 502

309 488

272 544

248 453

176 344

21 217

19 203

15 179

20 272

17 205

13 168

10,7

11,9

13,6

12,1

12,9

16 299

17 309

18 272

15 248

11 176

18,7

18,2

15,1

16,5

16,0

35 502

32 488

38 544

32 453

24 344

14,3

15,3

14,3

14,2

14,3

aantal deelnemers en projecten in het kader van Leonardo aantal projecten 27 aantal deelnemers secundaire scholen 261 /leerlingen gemiddeld aantal deelnemers per project 9,7 hogescholen, universiteiten, werkenden en werkzoekenden

totaal

aantal projecten aantal deelnemers gemiddeld aantal deelnemers per project aantal projecten aantal deelnemers gemiddeld aantal deelnemers per project

17 281

10,3 19 298

16,5 44 542

15,7 40 515

12,3

12,9

Bron: http://aps.vlaanderen.be Vlaamse Leonardo Da Vinci projecten 1995 - 2005: zie http://www.vl-leonardo.be/Ftweedefase.html

Vlaams Eurydice rapport 2006

11 Europees en internationaal / 277


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook