Skip to main content

Oosterlynck_etal_2020_CriteriaVoorDeBeoordelingVanDeLokaleStaatVanInstandhoudingVanDeNatura2000Habit

Page 1

Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura2000 habitattypen in Vlaanderen Patrik Oosterlynck, Steven De Saeger, An Leyssen, Sam Provoost, Arno Thomaes, Bart Vandevoorde, Jan Wouters, & DesirĂŠ Paelinckx


Auteurs: Patrik Oosterlynck, Steven De Saeger, An Leyssen, Sam Provoost, Arno Thomaes, Bart Vandevoorde, Jan Wouters, & DesirÊ Paelinckx. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Wetenschappelijke toestsingscommissie (Arcadis 2010) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: patrik.oosterlynck@inbo.be Wijze van citeren: Oosterlynck P., De Saeger S., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B., Wouters J., & Paelinckx D. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura2000 habitattypen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (27). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.14061248 D/2020/3241/234 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (27) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Vegetatiemonitoring in de Demervallei. Š 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


CRITERIA VOOR DE BEOORDELING VAN DE LOKALE STAAT VAN INSTANDHOUDING VAN DE NATURA 2000 HABITATTYPEN IN VLAANDEREN. Versie 3.0 Oosterlynck P., De Saeger S., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B., Wouters J., & Paelinckx D.

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Voorwoord/dankwoord Voor de Europees beschermde habitattypen van de Habitatrichtlijn die in Vlaanderen voorkomen wordt gestreefd naar een gunstige staat van instandhouding. Dit streven is onderdeel van deze richtlijn en is daarom zo geïmplementeerd in de Vlaamse regelgeving. Dit rapport geeft per habitat(sub)type een overzicht van de biotische vereisten waaraan voldaan moet worden om te kunnen spreken van een gunstige lokale staat van instandhouding (LSVI). Het rapport reikt dus instrumenten aan om lokaal de toestand van deze habitattypes te evalueren aan de hand van structuur- en vegetatiekenmerken als ook aspecten van de ruimtelijke context waarin het habitattype zich bevindt. De vorige versie van het rapport (T‟jollyn et al. 2009) werd uitgebreid gereviewed door een Wetenschappelijke Toetsingscommissie (WTC) van Vlaamse professoren. We wensen de leden van deze commissie (Henk Siepel, An Cliquet, Kurt De Ketelaere, Alain De Vocht, Dries Bonte, Olivier Honnay en Nico Koedam) te bedanken voor de waardevolle opmerkingen (Arcadis, 2010) die ze formuleerden op dit rapport. De voornaamste methodologische wijziging die tengevolge deze reviewprocedure is doorgevoerd, betreft het opheffen van het onderscheid tussen de voldoende en goede toestand binnen het gunstige bereik van de staat van instandhouding. In de huidige versie is enkel nog een opdeling tussen de gunstige en ongunstige toestand met daartussen één grenswaarde. Daarnaast is ook een module voor de eveluatie van de ruimtelijke samenhang uitgewerkt. Ook in de praktijk, bv. bij de opmaak van de gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelen (S-IHD), of op het terrein bij de LSVI-kartering in kader van de programmatorische aanpak stikstof (PAS), werd het instrumentarium van T‟jollyn et al. (2009) ondertussen uitvoerig getest en zijn tal van onduidelijkheden en kleinere gebreken gedocumenteerd. Ook deze opmerkingen zijn zo goed als mogelijk verwerkt in deze derde versie. Tenslotte was er, niet in het minst door de groeiende aandacht voor deze beschermde vegetatietypes, voortschrijdend wetenschappelijk onderzoek en inzicht dat ook in deze versie maximaal verwerkt is. De WTC heeft de herwerkte versie van het rapport in 2018 opnieuw nagelezen en vastgesteld dat de knelpunten en aanbevelingen uit 2010 in voldoende mate werden geremedieerd en opgevolgd. Door de lange periode tussen de WTC-goedkeuring van het rapport en de vrijgave voor publicatie zijn er nog enkele bijkomende verbeteringen doorgevoerd. Zo is er bv. een beoordelingsfiche voor de duinplassen toegevoegd. Voor het tot stand komen van dit rapport danken we in eerste instantie de vele auteurs van de afzonderlijke habitatgroepen. Het spectrum aan Europees beschermde habitattypen die in dit rapport behandeld worden, is bijzonder breed. Er hebben dan ook heel wat verschillende medewerkers met elk een specifieke expertise bijgedragen aan dit eindresultaat. Zij baseerden zich hierbij in eerste instantie op de vorige versie van het rapport, maar met specifieke aandacht voor de WTC-commentaren en met de meest recente informatie. De namen van deze medewerkers vindt u telkens per habitatgroep terug. Naast de wetenschappelijke review door het WTC hebben ook een aantal collega‟s van het Agentschap voor Natuur en Bos (Bart Roelandt, Katia Nagels, Geert Sterckx, Jos Rutten, Thomas Defoort, Jeroen Bot) en collega‟s van INBO (Floris Vanderhaeghe, Geert De Knijf, Robin Guelinckx, Remar Erens, Toon Spanhove) onderdelen van het rapport inhoudelijk gereviewed of redactioneel gecontroleerd (Martine Van Hove, Ward Langeraert). Ten slotte nog een woord van dank aan Wout Opdekamp die vanuit zijn botanische expertise quasi alle habitatfiches becommentarieerde en tevens aan éénieder, hierboven niet opgesomd, die aan dit langlopende project zijn bijdrage heeft geleverd. Samen met de gelijklopende rapporten over de lokale staat van instandhouding van Habitatrichtlijnsoorten (Lommaert et al. 2020) en Vogelrichtlijnsoorten (Vermeersch et al. 2020) hopen we dat dit werk een bijdrage kan leveren tot het finale doel, namelijk het uitwerken van een netwerk aan natuurgebieden waarin soorten duurzaam kunnen overleven in Vlaanderen en in Europa.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 1 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Samenvatting De Habitat- en de Vogelrichtlijn vormen samen de hoeksteen van het Europese natuurbeleid. Dit is opgebouwd rond twee pijlers: enerzijds het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden en anderzijds de specifieke soort- en habitatbescherming. Voor elk Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied worden in Vlaanderen instandhoudingsdoelstellingen (IHD) geformuleerd en wordt er gestreefd naar een gunstige staat van instandhouding van de habitattypen en soorten. Hiertoe heeft Vlaanderen eerst gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (G-IHD) opgemaakt voor heel Vlaanderen en die vervolgens vertaald naar de afzonderlijke Speciale Beschermingszones (S-IHD). In dit rapport wordt aan de hand van een reeks criteria en indicatoren beschreven wat verstaan wordt onder een gunstige lokale staat van instandhouding voor elk van de 45 habitattypen en 41 habitatsubtypen die in Vlaanderen voorkomen. Zowel de vegetatiesamenstelling als –stuctuur, de mate van verstoring, en de ruimtelijke context van een habitatvlek kunnen aan de hand van een ruime set indicatoren getoetst worden aan weloverwogen grenswaarden, die aangeven vanaf wanneer er sprake is van een gunstige staat van instandhouding. De keuze van de indicatoren en de bijbehorende drempelwaarden in de beoordelingstabellen van dit rapport zijn gebaseerd op hun objectiviteit (nationale en internationale literatuur, wetenschappelijke betrouwbaarheid), eenduidigheid, praktische bruikbaarheid, meetbaarheid en de volledigheid waarmee ze de toestand beschrijven. Ook hun relevantie voor Vlaanderen werd in rekening gebracht. Voornaamste conceptueel verschil van deze versie met de voorgaande versie is het opheffen van de tweedeling binnen het gunstig bereik en de uitgewerkte module voor het bepalen van de ruimtelijke samenhang. Het doel van dit rapport is een instrument aan te reiken om de lokale staat van instandhouding van de habitat(sub)typen binnen en buiten de Speciale Beschermingszones te bepalen en op die manier een bijdrage te leveren aan het bereiken van de Vlaamse en Europese Natura 2000 doelstellingen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


English abstract The Habitats and Birds Directives are the cornerstones of Europeâ€&#x;s nature conservation policy, which is built around two pillars: the Natura 2000 network of protected sites on the one hand, and a system of direct species and habitat protection on the other. For each Habitat Directive and Bird Directive site, Flanders is defining conservation objectives that pursue a favourable conservation status for all enlisted habitat types and species. To meet this obligation, Flanders has decided to draw up regional conservation objectives first (G-IHD) and to translate them into objectives at the level of the individual site subsequently (S-IHD). This report provides a series of criteria and indicators to define the favourable conservation status for 45 habitattypes and 41 habitatsubtypes, that occur in Flanders. By means of these indicators, encompassing vegetation composition and structure, disturbances, and spatial connectivity, habitat quality can be tested against well-considered, ecologically sound threshold values that define the favourable conservation status. The selection of the indicators and their threshold values used in the evaluation tables of this report is based on their capacity to cover the habitatâ€&#x;s functioning in an objective (i.e. based on national and international, scientific literature), unambiguous, practical, measurable and comprehensive way. Their relevance for the Flemish situation was taken into account as well. The major conceptual changes (as compared to the previous edition of this report) are the elimination of the division of the favourable range and the addition of a spatial connectivity evaluation module. This report is designed as an instrument to evaluate the local conservation status of the habitat(sub)types in and outside the special areas of conservation and thereby contributing to the Flemish and European Natura 2000 goals.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 3 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Inhoud Voorwoord/dankwoord ................................................................................................................................................................................. 1 Samenvatting ................................................................................................................................................................................................ 2 English abstract............................................................................................................................................................................................. 3 Lijst van tabellen ......................................................................................................................................................................................... 10 Lijst van figuren .......................................................................................................................................................................................... 10 1. Inleiding .................................................................................................................................................................................................. 11 1.1. Algemene context ..................................................................................................................................................................................... 11 1.2. Het begrip ‘staat van instandhouding van een habitat’ ............................................................................................................................. 11 1.2.1. Staat van instandhouding op niveau van de biogeografische regio’s (= regionale SVI) ...................................................................... 12 1.2.2. Staat van instandhouding op niveau van een gebied (=Mate van instandhouding van de structuur op SBZ (deelgebied)niveau) ....... 13 1.2.3. Lokale staat van instandhouding: gunstige toestand van een habitatlocatie ....................................................................................... 13 1.3. Doel .......................................................................................................................................................................................................... 14 1.4. Toepassingsveld ....................................................................................................................................................................................... 15 1.5. Wijzigingen t.o.v. vorige versies ............................................................................................................................................................... 16 1.5.1. Permanente aandachtspunten ............................................................................................................................................................ 16 1.5.2. Wijzigingen n.a.v. wetenschappelijke toetsingscommissie ................................................................................................................. 17 1.5.3. Wijzigingen n.a.v. rapportage omtrent de regionale staat van instandhouding van de habitattypen van de habitatrichtlijn (periode 2013-2019) en ontwikkeling van nieuwe matrices ......................................................................................................................... 21 1.6. Verdere evoluties van het voorliggende instrumentarium ........................................................................................................................ 21 2. Methodologie en opbouw......................................................................................................................................................................... 25 2.1. Structuur en inhoud van de hoofdstukken per habitatgroep ..................................................................................................................... 25 2.2. Habitatlocatie ........................................................................................................................................................................................... 26 2.3. Criteria, grenswaarden ............................................................................................................................................................................. 27 2.3.1. Algemeen geldende principes ............................................................................................................................................................. 28 2.3.2. Selectie van criteria en bepalen van grenswaarden ............................................................................................................................ 30

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


2.3.3. Habitatstructuur ................................................................................................................................................................................. 31 2.3.4. Vegetatie ............................................................................................................................................................................................ 32 2.3.5. Verstoring ........................................................................................................................................................................................... 33 2.4. Beoordeling ruimtelijke samenhang ......................................................................................................................................................... 38 2.5. Minimum structuurarealen voor bossen (Koop en Van der Werf, 1995) .................................................................................................... 48 2.7. Integratie van bepalingen van de lokale staat over verschillende habitatlocaties en criteria heen ........................................................... 49 3. Kust en zilte habitattypen ....................................................................................................................................................................... 53 3.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................... 53 3.2 Beoordelingsmatrices .................................................................................................................................................................................. 57 Habitattype 1130: Estuaria ............................................................................................................................................................................... 57 Habitattype 1310: Eenjarige pioniervegetaties van slik en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten ................................ 59 Subtype: buitendijks schor met zeekraalvegetaties (1310_zk) ............................................................................................................................... 59 Habitattype 1310: Eenjarige pioniervegetaties van slik en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten ................................ 61 Subtype: binnendijks gelegen Zeekraalvegetaties (1310_pol) ................................................................................................................................ 61 Habitattype 1310: Eenjarige pioniervegetaties van slik en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten ................................ 62 Subtype: buitendijks hoog schor met Zeevetmuurvegetaties (Saginion maritimae) (1310_zv) ................................................................................... 62 Habitattype 1320: Schorren met Slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) ............................................................................................................. 64 Habitattype 1330: Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) ............................................................................................................ 66 Subtype: buitendijkse schorren (1330_da) .......................................................................................................................................................... 66 Habitattype 1330: Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) ............................................................................................................ 69 Subtype: binnendijkse zilte vegetaties (1330_hpr) ............................................................................................................................................... 69 4. Kustduinen .............................................................................................................................................................................................. 71 4.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................... 71 4.2 Beoordelingsmatrices .................................................................................................................................................................................. 73 Habitattype 2110: Embryonale wandelende duinen .............................................................................................................................................. 73 Habitattype 2120: Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen)................................................................................ 75 Habitattype 2130: Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen) .............................................................................................................. 77 Subtype: duingraslanden van kalkarme milieus (2130_had) .................................................................................................................................. 77 Habitattype 2130: Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen) .............................................................................................................. 79 Subtype: duingraslanden van kalkrijke milieus (2130_hd) ..................................................................................................................................... 79 Habitattype 2150: Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetae) ....................................................................................................... 81 Habitattype 2160: Duinen met Hippophae rhamnoides ......................................................................................................................................... 83 Habitattype 2170: Duinen met Salix repens ssp. Argentea (Salicion arenaria) ......................................................................................................... 85 Habitattype 2180: Beboste duinen van het Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied ...................................................................................... 86 Habitattype 2190: Vochtige duinvalleien ............................................................................................................................................................. 88 Subtype: duinpannen met kalkminnende vegetaties (2190_mp) ............................................................................................................................ 88 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 5 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2190: Vochtige duinvalleien ............................................................................................................................................................. 90 Subtype: waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien (2190_a) .................................................................................................................. 90 5. Binnenlandse duinen ............................................................................................................................................................................... 93 5.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................... 93 5.2 Beoordelingsmatrices .................................................................................................................................................................................. 95 Habitattype 2310: Psammofiele heide met Calluna en Genista ............................................................................................................................... 95 Habitattype 2330: Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen........................................................................................... 97 Subtype: buntgrasverbond (2330_bu) ................................................................................................................................................................ 97 Habitattype 2330: Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen........................................................................................... 99 Subtype: dwerghaververbond (2330_dw) ........................................................................................................................................................... 99 6. Zoete wateren ....................................................................................................................................................................................... 101 6.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................. 101 6.2 Beoordelingsmatrices ................................................................................................................................................................................ 107 Habitattype 3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora).............................................................. 107 Habitattype 3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflora en/of de Isoeto-Nanojuncetea...... 110 Subtype: Oeverkruidgemeenschappen (Littorelletea) (3130_aom) ....................................................................................................................... 110 Habitattype 3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflora en/of de Isoeto-Nanojuncetea...... 112 Subtype: EĂŠnjarige dwergbiezenvegetaties (Isoeto-Nanojuncetea) (3130_na) ....................................................................................................... 112 Habitattype 3140: Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties ............................................................................ 114 Habitattype 3150: Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition ............................................................ 116 Habitattype 3160: Dystrofe natuurlijke poelen en meren (niet aangemeld voor Vlaanderen) ................................................................................... 118 Habitattype 3260: Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion ...................... 120 Habitattype 3270: Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri en Bidention (niet aangemeld voor Vlaanderen) ........ 122 7. Heiden ................................................................................................................................................................................................... 124 7.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................. 124 7.2 Beoordelingsmatrices ................................................................................................................................................................................ 125 Habitattype 4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix ................................................................................................................. 125 Habitattype 4030: Droge Europese heide .......................................................................................................................................................... 127 8. Thermofiel struikgewas ......................................................................................................................................................................... 129 8.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................. 129 8.2 Beoordelingsmatrices ................................................................................................................................................................................ 130 Habitattype 5130: Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland ........................................................................................................... 130 Variant: Jeneverbesstruweel in heide (5130_hei) ............................................................................................................................................... 130 Habitattype 5130: Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland ........................................................................................................... 132 Variant: Jeneverbesstruweel in kalkgrasland ( 5130_kalk) .................................................................................................................................. 132 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


9. (Half-)natuurlijke graslanden ................................................................................................................................................................ 134 9.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling .................................................................................................. 134 9.2 Beoordelinsmatrices.................................................................................................................................................................................. 138 Habitattype 6120: Kalkminnend grasland op dorre zandbodem ............................................................................................................................ 138 Habitattype 6210: Droge half-natuurlijke graslanden en struikvormende faciĂŤs op kalkhoudende bodems (Festuco-Brometalia) .................................. 141 Habitattype 6230: Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) ........................................................................................................................................................................................................ 143 Subtype: vochtige heischrale graslanden (6230_hmo) ........................................................................................................................................ 143 Habitattype 6230: Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) ........................................................................................................................................................................................................ 145 Subtype: droge heischrale graslanden (6230_hn) en soortenrijke struisgrasgraslanden (6230_ha) .......................................................................... 145 Habitattype 6230: soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) ........................................................................................................................................................................................................ 147 Subtype: droge kalkrijkere heischrale graslanden (Betonica- Brachypodietum) (6230_hnk) .................................................................................... 147 Habitattype 6410: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) ............................................................. 149 Subtypes: blauwgrasland (6410_mo) en basenarme blauwgraslanden inclusief veldrusassociatie (6410_ve) ............................................................. 149 Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones .............................................................. 152 Subtype: nitrofiele boszomen met minder algemene zoomsoorten (6430_bz) ........................................................................................................ 152 Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones .............................................................. 155 Subtype: moerasspireaverbond (6430_hf) ........................................................................................................................................................ 155 Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones .............................................................. 157 Subtype: verbond van Harig wilgenroosje (6430_hw) ......................................................................................................................................... 157 Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones .............................................................. 159 Subtype: rietlanden met Echte heemst, Moeraslathyrus en/of Moerasmelkdistel (6430_mr) .................................................................................... 159 Habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) .............................................................................. 161 Subtypes: Glanshavergraslanden (Arrhenaterion) (6510_hu) en glanshavergraslanden met Grote pimpernel (6510_hus) ........................................... 161 Habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) .............................................................................. 163 Subtypes: Grote vossenstaart-graslanden met Weidekervel of Weidekervel-torkruid (Alopecurion) (6510_hua) ......................................................... 163 Habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) .............................................................................. 165 Subtype: kalkrijk kamgrasland (Galio-Trifolietum) (6510_huk) ............................................................................................................................ 165 10. Venen en moerassen ........................................................................................................................................................................... 167 10.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling ................................................................................................ 167 10.2 Beoordelingsmatrices .............................................................................................................................................................................. 169 Habitattype 7110: Actief hoogveen .................................................................................................................................................................. 169 Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen......................................................................................................................................................... 172 Subtype: Basenrijk trilveen met Ronde zegge (vooral in relatie met alkalische laagveenvegetaties) (7140_base)....................................................... 172 Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen......................................................................................................................................................... 175 Subtype: mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen (7140_meso) .................................................................................................................. 175 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 7 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen......................................................................................................................................................... 178 Subtype: varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen (7140_mrd) ........................................................................................................... 178 Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen......................................................................................................................................................... 181 Subtype: oligotroof en zuur overgangsveen (in relatie met hoogveenvegetaties en natte heide) (7140_oli) ............................................................... 181 Habitattype 7150: Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion ................................................................................... 184 Habitattype 7210: Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae ............................................................ 186 Habitattype 7220: Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) ............................................................................................................... 189 Habitattype 7230: Alkalisch laagveen ............................................................................................................................................................... 191 11. Bossen ................................................................................................................................................................................................. 194 11.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling ................................................................................................ 194 11.2 Beoordelingsmatrices .............................................................................................................................................................................. 201 Habitattype 9110: Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum........................................................................................................................... 201 Habitattype 9120: Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of IliciFagenion) ..................................................................................................................................................................................................... 204 Habitattype 9130: Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum ....................................................................................................................... 207 Habitattype 9150: Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion ............................................................. 210 Habitattype 9160: Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorende tot het Carpinion-betuli .................... 213 Habitattype 9190: Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur ......................................................................................... 216 Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) .......................... 219 Subtype: Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) (91E0_vc) ................................................................................................................... 219 Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) .......................... 222 Subtype: Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum) (91E0_vn) .......................................................................... 222 Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) .......................... 225 Subtype: mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_vm) ............................................................. 225 Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) .......................... 228 Subtype: oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum) (91E0_vo) ............................................ 228 Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) .......................... 231 Subtype: beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum) (91E0_va) .......................................................................... 231 Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) .......................... 234 Subtype: zachthoutooibos (wilgenvloedbos; Salicetum albae) (91E0_sf) ............................................................................................................... 234 Habitattype 91F0: Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote rivieren (Ulmenion minoris) .................................................................................................................................................................... 237 Literatuur. ................................................................................................................................................................................................. 240 Bijlagen ..................................................................................................................................................................................................... 266 Bijlage 1: Opsomming van de criteria uit de beoordelingstabellen, de frequentie waarmee ze gebruikt worden en het schaalniveau waarop ze van toepassing zijn .............................................................................................................................................................................................. 267 Bijlage 2: Europese aanbevelingen voor indicatoren ter bepaling van habitatkwaliteit en selectie van typische soorten (Evans & Arvela, 2011) ............. 271 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Bijlage 3: Overzicht van de procentuele grenswaarden per habitattype voor een aantal criteria ............................................................................... 276 Bijlage 4: Handleiding bij de beheermonitoringsschaal ........................................................................................................................................ 279 Bijlage 5: Lijst met begrippen- en veldtechnieken .............................................................................................................................................. 290

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 9 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Lijst van tabellen Tabel Tabel Tabel Tabel Tabel Tabel

1 2 3 4 5 6

-

Betekenis van het begrip 'staat van instandhouding' in functie van het schaalniveau ........................................................... 12 Overzicht van de habitattypen, subtypen en varianten ..................................................................................................... 22 Schaalniveaus voor het bepalen van de toestand van een LSVI criterium. ......................................................................... 27 Standaardisatie van grenswaarden bij verstoring (zie § 2.3.2 en tekst in deze paragraaf voor verduidelijking en voorbeelden) . 35 Overzichtstabel van de in Poelmans et al. (2015) gehanteerde grenswaarden (A en B-status) voor oppervlakte. ..................... 41 Overzicht van de habitat- en biotooptypes (rijen) die een functionele habitcluster (kolommen) kunnen vormen (naar Poelmans et al. 2015 en Paelinckx et al. (2019). ........................................................................................................................... 43 Tabel 7 - Overzicht van grenswaarden voor de beoordeling van de benodigde oppervlakte voor het autonoom functioneren of het duurzaam behoud van systemen. ................................................................................................................................. 50 Tabel 8 - Beoordelingskader bij het integreren van de staat van instandhouding volgens één bepaald criterium over verschillende habitatlocaties, op basis van de relatieve oppervlakte of het aantal meetpunten (Panis et al., 2009). .................................... 50

Lijst van figuren Figuur 1 - Voorstelling van de grenswaarde en van de (lokaal) gunstige toestand op een denkbeeldige as van een kwaliteitscriterium van een habitattype .......................................................................................................................................................... 14 Figuur 2 - Schematisch overzicht van de gevolgde werkwijze voor het uitwerken van een beoordeling van de lokale staat van instandhouding per habitattype. ................................................................................................................................... 29

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied (via een zogenoemde passende beoordeling).

1. Inleiding Paelinckx D., Oosterlynck P. & Bosch H. Zie bijlage 5 voor de verklaring en referentie van begrippen als Natuurdecreet, BVR, Vlaams Natura 2000-programma, Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijngebied, structuren en functies, … Dit rapport bevat het instrumentarium en de richtlijnen ter bepaling van de lokale staat van instandhouding (LSVI) van de voor Vlaanderen relevante Natura 2000 habitattypen. Het bouwt voort op, én vervangt Heutz & Paelinckx (2005) en T‟Jollyn et al. (2009). Het rapport T‟Jollyn et al. (2009) werd doorgelicht door een wetenschappelijke toetsingscommissie (ARCADIS, 2010). De conclusies en aanbevelingen van de commissie zijn verwerkt in deze versie (zie §1.5). Algemene revisie door diverse habitatexperten (hoofdstukauteurs) resulteerde in de integratie van nieuwe kennis en inzichten, o.a. opgedaan tijdens de concipiëringsfase van het Natura 2000 kwaliteitsmeetnet (Westra et al., 2014) en tijdens het toepassen van de ontwerpversie op terrein (LSVIveldcampagne in de periode 2013 – 2016).

1.1. Algemene context De Europese Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het grondgebied van de EU-lidstaten (artikel 2 van de Habitatrichtlijn). De Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten maatregelen te nemen om de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang (d.w.z. de habitats en soorten opgenomen in de bijlagen van de Habitatrichtlijn) in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen (artikel 6 van de Habitatrichtlijn). Volgens datzelfde artikel moeten plannen of projecten worden beoordeeld op hun effecten in het betrokken gebied, rekening houdend met de

In eerste instantie zijn speciale beschermingszones (SBZ-H) aangeduid, die, samen met de Vogelrichtlijngebieden (SBZ-V), het Natura 2000 netwerk vormen. De lidstaten zien toe op de staat van instandhouding van de Natura 2000 habitats en soorten en moeten daarover zesjaarlijks rapporteren aan de EC (artikel 11 en 17 van de Habitatrichtlijn). De werkwijze wordt verder omschreven in toelichtende documenten van de EC (European Commission, DG Environment 2005; DG Environment 2017). Op het niveau van de individuele SBZ dient de kennis gebundeld te worden via de zgn. standaardgegevensformulieren (bijlage III van de Habitatrichtlijn; Europese Commissie, 2011). De lidstaten zijn tenslotte ook verplicht om ter invulling van deze informatienoden, waar nodig bijkomend wetenschappelijk onderzoek te bevorderen (artikel 18). Voor Vlaanderen wordt deze Europese regelgeving doorvertaald in het Natuur- en Bosdecreet en worden hierin al deze verplichtingen hernomen.

1.2. Het begrip ‘staat van instandhouding van een habitat’ In de Europese regelgeving dekt het begrip ‟staat van instandhouding‟ (SVI) verschillende ladingen met soms zelfs licht verschillende benamingen, afhankelijk van het schaalniveau waarop gedoeld wordt (zie Tabel 1). In de volgende paragrafen wordt de toepassing ervan op de verschillende niveaus gedefinieerd en verduidelijkt.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 11 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

Tabel 1 - Betekenis van het begrip 'staat van instandhouding' in functie van het schaalniveau Biogeografische regio (BelgischAtlantische regio 1)

Gebied (bv. Habitatrichtlijngebied (SBZ-H of deelgebied ervan)

Habitatlocatie2

Staat van instandhouding op niveau van het Vlaams deel van de Atlantische biogeografische regio

Mate van instandhouding van de structuur (als één van de 3 beoordelingscriteria van de behoudsstatus)

Lokale staat van instandhouding

Regelgeving of toelichting die de definitie geeft en/of toepassing ervan nader omschrijft

Habitatrichtlijn, Natuurdecreet, European Commission, DG Environment (2005)

Europese Commissie 2011 (standaardgegevens-formulier), bijlage 5 van het Natuurdecreet

De referenties vermeld in beide vorige kolommen geven indicatie over de te beoordelen criteria

Criteria die integraal deel uitmaken van de definitie en beoordeling

Areaal, oppervlakte, specifieke structuren en functies (inclusief typische soorten), toekomstperspectieven Regionale SVI

Zie § 1.2.2

Habitatstructuur en vegetatie, verstoring, ruimtelijke samenhang (inclusief oppervlakte)

Staat van Instandhouding op SBZ (deelgebied)niveau

Lokale SVI (of LSVI)

Schaalniveau

Kenmerk Naamgeving

Gehanteerde benaming in dit rapport

1

dit is het Belgische grondgebied ten noorden van Samber en Maas (d.w.z. Vlaanderen exclusief de Voerstreek, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het noordelijke (Atlantische) deel van Wallonië). 2

voor duiding van dit begrip zie § 2.2

1.2.1. Staat van instandhouding op niveau biogeografische regio’s (= regionale SVI)

de

De ‟staat van instandhouding‟ van een habitattype op niveau van de biogeografische regio, kortweg de regionale SVI, is functie van het areaal, de oppervlakte, de specifieke structuren en functies (incl. typische soorten) en de toekomstperspectieven (European Commission, DG Environment 2005 en DG Environment 2017). Ze wordt uitgedrukt in termen van gunstig, matig ongunstig of zeer ongunstig. In het Natuurdecreet is de staat van instandhouding van een habitat als volgt gedefinieerd ’de som van de invloeden die op de betrokken habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten in het Vlaamse Gewest‟. De Commissie legt vast wat onder een „gunstige staat van instandhouding‟ op niveau van de biogeografische regio‟s moet worden verstaan. In algemene termen betreft dit de situatie waarin een habitat goed gedijt, zowel in kwaliteit als in omvang, met goede vooruitzichten op korte en lange termijn (art. 2, 36° van het natuurdecreet). Het feit dat een habitattype niet bedreigd is, impliceert niet dat deze in een gunstige staat van instandhouding is. Een significante bedreiging maakt evenwel dat een gunstige staat van instandhouding niet mogelijk is (bijlage E van European Commission, DG Environment 2005). In het Natuurdecreet is dit opgenomen als: De staat van instandhouding van een habitat wordt als gunstig beschouwd op niveau van de biogeografische regio wanneer: het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen; de nodige specifieke structuren en functies voor behoud op lange termijn bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan; de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 305

van

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

Het criterium dat invulling geeft aan de habitatkwaliteit voor de regionale staat van instandhouding op biogeografisch niveau heet ‟specifieke structuren en functies, inclusief typische soorten‟. Op biogeografisch niveau scoort dit criterium (bijlage E van European Commission, DG Environment, 2005): ‟gunstig‟ als de specifieke structuren en functies (inclusief typische soorten) in goede toestand zijn en er geen significante afwijkingen of drukken zijn; ‟zeer ongunstig‟ wanneer 25% of meer van de habitatoppervlakte zich in een gedegradeerde toestand bevindt m.b.t. specifieke structuren en functies (inclusief typische soorten); ‟matig ongunstig‟ in de tussenliggende situatie.

1.2.2. Staat van instandhouding op niveau van een gebied (=Mate van instandhouding van de structuur op SBZ (deelgebied)niveau) Het criterium ‟mate van instandhouding van de structuur‟ geeft invulling aan de actuele habitatkwaliteit op niveau van het Habitatrichtlijn(deel)gebied. Deze wordt beoordeeld in termen van ‟uitstekende‟, ‟goed bewaarde‟ en ‟gemiddelde of gedeeltelijk aangetaste structuur‟. Het is één van de drie deelcriteria voor het bepalen van de behoudsstatus (samen met de vooruitzichten over de instandhouding van de functies en de herstelmogelijkheden). De behoudsstatus wordt, samen met de criteria ‟representativiteit‟ en ‟relatieve oppervlakte‟ aangewend om te komen tot een algemene beoordeling van de betekenis van het Habitatrichtlijngebied voor de instandhouding van het betrokken type natuurlijke habitat (Europese Commissie 2011). De mate van instandhouding van de structuur sluit ook aan bij het begrip ‟lokale staat van instandhouding‟ op niveau van een habitatlocatie. De integratie van de beoordelingen over de verschillende habitatlocaties geeft dan invulling aan de ‟mate van instandhouding van de structuur‟ op niveau van het Habitatrichtlijngebied (zie § 2.5). Merk op dat het begrip „structuur‟ in de standaardgegevensformulieren ruim

moet geïnterpreteerd worden en zowel de eigenlijke habitatstructuur als de vegetatiekarakteristieken, storingsindicatoren, functies,… omvat. Op biogeografisch niveau is dit deelcriterium gerelateerd aan “specifieke structuren en functies, inclusief typische soorten” (tabel 1.1). De twee andere deelcriteria voor het bepalen van de behoudsstatus (mate van instandhouding van de functies en de herstelmogelijkheden) vereisen een beoordeling van de vooruitzichten m.b.t. het ecologisch functioneren en de toekomstperspectieven op niveau van elk van de habitatrichtlijngebieden (zie bv. Louette et al. 2015). Zulke beoordeling is overigens ook nodig op biogeografisch niveau voor het deelcriterium „toekomstperspectieven‟ van de regionale staat van instandhouding (zie bv. Louette et al 2013). De EC geeft duidelijke richtlijnen om de drie deelcriteria te integreren tot een einduitspraak. De richtlijnen voor de beoordeling van elk criterium afzonderlijk is daarentegen beperkt. Er wordt verwezen naar het gebruik van de EU Interpretatiegids voor de habitattypen (European Commission, DG Environment 2007), naar het gebruik van andere wetenschappelijke bronnen en naar expertoordeel. Ook de vergelijking met de toestand van de habitat in andere gebieden wordt vooropgesteld. Voor Vlaanderen is de methodologie geconcretiseerd in Louette et al. (2015). 1.2.3. Lokale staat van instandhouding: gunstige toestand van een habitatlocatie Het Europese beleid geeft geen specifieke richtlijnen voor het bepalen van de lokale staat van instandhouding. De Europese Commissie stelt wel dat de algemene doelstellingen van de Habitatrichtlijn gelden bij het opvolgen en evalueren van de maatregelen ter implementatie van de Habitatrichtlijn. Het bepalen van de lokale staat van instandhouding is o.a. gebeurd om (zie § 1.4): de mate van instandhouding van de structuur op SBZ (deel)gebiedniveau te bepalen voor het invullen van de standaardgegevensformulieren en voor het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen op niveau van de Habitatrichtlijngebieden (zie hoger);

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 13 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

-

de staat van instandhouding op biogeografisch niveau te beoordelen, met name om te bepalen welk aandeel van de habitatoppervlakte een ongunstige lokale toestand bezit m.b.t. specifieke structuren en functies (inclusief typische soorten) (zie verder).

We definiëren het begrip ‟lokale staat van instandhouding‟ (LSVI) als zijnde de staat van instandhouding op niveau van de habitatlocatie. Dit laatste begrip wordt verder verduidelijkt in § 2.2. Naar analogie met de ‟gunstige toestand op biogeografisch niveau‟ definiëren we de gunstige lokale toestand als die toestand waarvan kan verwacht worden dat de habitat langdurig kan blijven bestaan zonder of met regulier (dus niet remediërend) beheer; hierbij inbegrepen zijn de ecologische processen en structuren, nodig voor het ongewijzigd functioneren van de habitat en haar typische soorten. Conform hiermee wordt voor alle criteria, voor het bepalen van de lokale toestand, de grens tussen ongunstige en gunstige lokale SVI de grenswaarde genoemd (zie Figuur 1).

habitattype

geen habitattype

ongunstig

gunstig

GRENSWAARDE

Figuur 1 - Voorstelling van de grenswaarde en van de (lokaal) gunstige toestand op een denkbeeldige as van een kwaliteitscriterium van een habitattype

De criteria die we benutten voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding worden verder geduid en uitgewerkt in hoofdstuk 2.

1.3. Doel In dit rapport wordt het begrip „lokale staat van instandhouding‟ uitgewerkt voor de in Vlaanderen voorkomende Natura 2000 habitattypen. Dit gebeurt aan de hand van een instrumentarium voor het beoordelen van die LSVI. Daarbij wordt de actuele kennis hieromtrent zoveel mogelijk samengebracht en worden de bronnen duidelijk weergegeven. Om dit instrumentarium toegankelijker te maken voor een ruime groep gebruikers, is getracht de kennis die nodig is voor de beoordeling van de actuele toestand van de lokale staat van instandhouding, te bundelen onder de vorm van beoordelingstabellen. Er worden ook indicaties gegeven over mogelijke verstoringen en maatregelen om de toestand van een specifiek criterium te verbeteren. Daarbij is echter geen volledigheid nagestreefd. Voor een grondige uitwerking van mogelijke beheermaatregelen verwijzen we naar Van Uytvanck et al. (2012). In Vlaanderen komen 46 habitattypen3 van de bijlage I van de Habitatrichtlijn voor. Voor een aantal daarvan beschrijft Decleer (2007) ook subtypen. Deze subtypen zijn toegevoegd wanneer een habitattype in Vlaanderen een ecologisch erg heterogene groep vegetaties omvat. Dit is conform de aanbeveling omtrent ‟significante ecologische variatie‟ van de EC (zie European Commission, DG Environment, 2005: definitie van favourable reference range). Deze subtypen zijn inmiddels vastgelegd via de Gewestelijke instandhoudingsdoelen (Paelinckx et al., 2009). Tabel 2 geeft een overzicht van de habitattypen en subtypen.

Decleer (2007) beschrijft 49 habitattypen. Eén ervan is een marien habitattype en valt daardoor onder de federale bevoegdheid (1110: permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken). Van twee andere heeft nader onderzoek uitgewezen dat ze niet voorkomen in Vlaanderen en vermoedelijk ook nooit hebben voorgekomen (7120: aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is; 91D0: Veenbossen). 3

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

De informatie in dit rapport dient niet om te determineren tot welk habitattype een bepaalde vegetatie behoort. De sleutelsoorten in de tabellen zijn niet op te vatten als ken-, differentiërende, of begeleidende soorten in vegetatiekundige betekenis maardienen om door middel van criteria de staat van instandhouding in te schatten. Voor een omschrijving van de habitattypen verwijzen we naar Decleer (2007) en voor de determinatie naar determinatiesleutels en veldprotocollen (www.inbo.be/nl/handleiding-en-veldsleutels). De gebruiker kan steeds de habitatkaart raadplegen om een indicatie te krijgen van mogelijk aanwezige habitattypen of andere vegetaties (http://www.geopunt.be/). Eens het habitattype bepaald is, kan de lokale staat van instandhouding bepaald worden met de respectievelijke beoordelingstabel in dit rapport.

1.4. Toepassingsveld

-

-

-

-

Het is noodzakelijk voorafgaand aan het toepassen van het LSVIinstrumentarium het habitattype te determineren, gebruik makende van daartoe opgestelde handleidingen en determinatiesleutels (https://www.inbo.be/nl/ handleiding-en-veldsleutels). Het bepalen en opvolgen van een lokale staat van instandhouding kan een nuttig tot noodzakelijk onderdeel uitmaken van procedures zoals: het verlenen van vergunningen, met name bij het inschatten van effecten van ingrepen (plan-MER, project-MER, passende beoordeling); daartoe stelt de Vlaamse Overheid o.a. een MERrichtlijnenboek alsook „Praktische wegwijzers‟ voor de passende beoordeling per effectgroep ter beschikking; toepassing van het LSVI-instrumentarium kan daarbij één van de stappen van de Praktische wegwijzers zijn het beoordelen en opvolgen van beheeren inrichtingsmaatregelen of het voorafgaandelijk inschatten van de mogelijkheden; de effecten van beheeren inrichtingsmaatregelen komen na voldoende tijd wel tot uiting in de habitatstructuur, vegetatiesamenstelling, verstoringen en/of de ruimtelijke samenhang zoals gehanteerd in dit rapport het opstellen of evalueren van instandhoudingsdoelstellingen en het opvolgen van de afstand en trend van de actuele situatie ten opzichte van die instandhoudingsdoelstellingen, voor zover het

de (effecten op) habitatstructuur, vegetatiesamenstelling, verstoringen en/of de ruimtelijke samenhang zoals gehanteerd in dit rapport betreft het actualiseren van de behoudsstatus in de EU standaardgegevensformulieren (waartoe daarenboven ook een bepaling van de mate van instandhouding van de functies en van de herstelmogelijkheden nodig is (zie §1.2.2) het inschatten of exact bepalen van de LSVI i.f.v. de opmaak en opvolging van plannen allerlei (bv. ruimtelijke uitvoeringsplannen, gebiedsgericht beleid, …) het verkrijgen van een globaal overzicht van de toestand op regionaal, Vlaams of biogeografisch niveau ten behoeve van de beleidsevaluatie (regionaal, federaal en Europees), met name het aandeel en de trend van de oppervlakte habitat in lokaal gunstige toestand de monitoring in functie van beheer, zesjaarlijkse rapportage, … op vlak van bovenvermelde onderdelen

Tot het doelpubliek voor het gebruik van het instrumentarium voor de lokale staat van instandhouding behoren ondermeer: personen en instanties bevoegd voor het uitvoeren en implementeren van de Habitatrichtlijn, de milieueffectbeoordeling, … (ANB-beleidsmedewerkers, beleidsadviseurs, …) de terreinbeheerders, conservators, boswachters, … (zowel overheid als terreinbeherende natuurverenigingen, landbouw(organisaties), private land- en boseigenaren) studiebureaus, MER-deskundigen in de discipline fauna en flora, … onderzoekers verantwoordelijk voor de monitoring, de natuurrapportage in functie van de opvolging van de toestand en de beleidsevaluatie, … … Een dergelijk ruim toepassingsveld vereist een generiek en relatief eenvoudig inzetbaar instrumentarium dat gehanteerd kan worden door een ruime waaier aan gebruikers. Hoewel deze voorwaarde een belangrijk aandachtspunt is geweest doorheen de ontwikkeling van het voorliggende rapport is het niettemin noodzakelijk dat de gebruikers

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 15 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

beschikken over voldoende kennis van soorten en ecologie. Voor sommige habitattypen is een beoordeling onmogelijk gebleken zonder soortengroepen te betrekken die een bijkomende specialisatiegraad vergen (bv. kranswieren, veenmossen). De EC beveelt aan om in het kader van een bepaling van de regionale staat van instandhouding ook trends aan te geven waar mogelijk. Op dezelfde wijze kan de LSVI-score aangevuld worden met een trendindicatie: als een habitat met een gunstige kwaliteit opschuift in de richting van de grenswaarde dan is de toestand “gunstig, verslechterend” (G-), schuift de toestand verder van die grenswaarde weg dan is deze „gunstig, verbeterend‟ (G+); als een habitat met een ongunstige kwaliteit opschuift in de richting van de grenswaarde dan is de toestand „ongunstig, verbeterend‟ (O+), schuift de toestand verder van die grenswaarde weg dan is deze „ongunstig, verslechterend‟ (O-). Bepalen van significante trends op lokaal niveau is echter niet evident. Daartoe zijn voldoende ruimtelijke gespreide en temporeel herhaalde metingen met voldoende precisie nodig. Bv. als men altijd op een zelfde locatie meet doorheen de tijd kan hieruit een trend bepaald worden. Of ook: door te meten via een representatieve steekproef voor een gebied kunnen trends voor dat gebied bepaald worden.

1.5. Wijzigingen t.o.v. vorige versies De werkwijze zoals voorgesteld in Heutz & Paelinckx (2005) is in sterke mate gebaseerd op de aanpak van de Duitse collega‟s uit NoordrijnWestfalen (Anoniem, 2004b). Sindsdien hebben meer regio‟s en lidstaten sterk vergelijkbare systemen uitgewerkt, zodat een ruimere benchmarking mogelijk was. Ook het Duitse systeem is geëvolueerd (Bundesamt für Naturschutz, http://www.bfn.de/0316_bewertungsschemata.html).

1.5.1. Permanente aandachtspunten Onderstaande elementen werden reeds vooropgesteld door T‟Jollyn et al. (2009) en zijn bij de opmaak van de hier voorliggende versie nog steeds richtinggevend gebleven: - stelselmatige en ecologisch goed onderbouwde en beargumenteerde grenswaarden - maximaal streven om alle criteria tijdens één terreinbezoek te kunnen beoordelen - criteria zijn zoveel mogelijk verbonden aan op terrein eenvoudig vast te stellen kenmerken van de vegetatie en de habitatstructuur, omdat het achterhalen van de oorzaken zelf vaak niet evident is zonder meer diepgaand en soms langdurig onderzoek; verschillende oorzaken kunnen immers een gelijkaardig effect hebben op de vegetatie en de habitatstructuur (zo kan verruiging samenhangen met eutrofiëring, verdroging, uitblijven van beheer, enz.) - het faunaluik is vervat bij de beoordeling van de „ruimtelijke configuratie‟, die expliciet deel uitmaakt van de bepaling van de lokale staat van instandhouding (zie § 2.4); vele fauna-elementen zullen vaak afhangen van een combinatie van verschillende habitattypen en andere landschapselementen en dienen meestal op een gebieds- of ruimer bovenlokaal niveau beoordeeld te worden, in plaats van op het niveau van een individuele habitatlocatie - de terminologie is uniform gebruikt - het instrumentarium is conform aan de definities van de habitattypen en subtypes volgens Decleer et al. (2007) Het onderdeel „Milieukarakteristieken voor een goede staat van instandhouding‟ maakt niet langer deel uit van dit rapport. Dit abiotische luik wordt verder uitgewerkt in een afzonderlijk project „Bepaling van bodemkundige, hydrologische en hydrochemische referentiewaarden voor de duurzame instandhouding van Europese habitattypen‟. Deze twee sporen-aanpak is noodzakelijk gebleken omwille van de omvang van beide opdrachten en het verschil in ontwikkelsnelheid ervan. Ondanks deze pragmatische opdeling blijft er in de praktijk steeds een koppeling mogelijk zo niet noodzakelijk.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

1.5.2. Wijzigingen n.a.v. wetenschappelijke toetsingscommissie De LSVI volgens T‟jollyn et al. (2009) werd getoetst door een wetenschappelijke toetsingscommissie4 (WTC). Deze kwam tot onderstaande hoofdbevindingen (ARCADIS, 2010; mededeling WTC op Vlaamse Overleggroep 2010). Telkens wordt vermeld hoe de auteurs hiermee zijn omgegaan in deze derde versie. De WTC is van mening dat de LSVI-tabellen een wetenschappelijk document zijn. Zij hebben op zich geen rechtskracht. Wel moeten de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen gebaseerd zijn op ecologische vereisten, en dus gebaseerd op ecologische kennis. Gezien deze vereiste van wetenschappelijke onderbouwing vastligt in de richtlijnen, dient er geen afzonderlijke rechtskracht te worden gegeven aan de LSVI-tabellen. (1) ‘De WTC is van oordeel dat de door haar onderzochte rapporten een goede basis vormen voor de beoordeling van de LSVI. De WTC beoordeelt het gecombineerd gebruik van habitatstructuur, een soortgerichte benadering en kwantificering van verstoringen als een sterkte bij de evaluatie van de habitatkwaliteit. Op die manier worden, in tegenstelling tot de aanpak in sommige buurlanden, de criteria op een zeer objectieve manier vastgelegd’. ‘De voorliggende S-IHD instrumenten werken grotendeels kwantitatief, verschaffen duidelijkheid over de combinatie bij de globale beoordeling, en laten (meestal) toe om een goede, voldoende of gedegradeerde LSVI te onderscheiden. De WTC ervaart dit als een sterk element’. Toch werden een aantal opmerkingen geformuleerd (zie verder) waarmee rekening dient gehouden te worden. 4

Deze WTC bestond uit Prof. Henk Siepel (ALTERRA) – voorzitter, Prof. Dries Bonte (UGent), Prof. An Cliquet (UGent), Prof. Kurt De Ketelaere (KULeuven), Prof. Alain De Vocht (UHasselt), Prof. Olivier Honnay (KULeuven), Prof. Nico Koedam (VUBrussel), Prof. Herwig Leirs (UAntwerpen), Prof. Luc Lens (UGent), Prof. Erik Matthysen (UAntwerpen), Prof. Hans Van Dyck (UCLouvain-la-Neuve), Secretariaat: Els Ameloot, Johan Lammerant (Arcadis)

Verwerking: De auteurs bouwen in versie 3 voort op hetzelfde elan, en houden maximaal rekening met de geformuleerde opmerkingen. (2) ‘De WTC is van mening dat de criteria en indicatoren over het algemeen zorgvuldig gekozen zijn en een vrij goede balans bewaren tussen volledigheid en overzichtelijkheid, uniformiteit en specificiteit’. ‘Over het algemeen is het onderzoeken van een groot aantal criteria voor elke habitat een goede aanpak vermits daardoor een meer betrouwbaar beeld kan worden verkregen van de LSVI. Een te beperkte lijst van criteria zou gemakkelijk kunnen leiden tot een onverantwoord gunstige beoordeling indien een belangrijk criterium niet mee op de lijst werd opgenomen. Het risico op het omgekeerde is veel minder groot. De slechtste indicator is weliswaar doorslaggevend en hoe meer criteria er zijn hoe groter de kans dat er een slechte indicator wordt gemeten, maar zoals ook de toetsingscommissie voor de G-IHD opmerkte, zijn de criteria onderling niet compensatoir. ’ 5 Verwerking: De auteurs bouwen in versie 3 voort op hetzelfde elan, en houden maximaal rekening met de geformuleerde opmerkingen. (3) ‘Vergeleken met de systemen uit andere lidstaten, blijken de Vlaamse LSVI instrumenten veel aandacht te besteden aan een kwantitatieve benadering van de criteria. De meeste raadpleegbare websites in de andere lidstaten verwijzen naar systemen die gebaseerd zijn op kwalitatieve (eerder dan kwantitatieve) criteria, die minder duidelijkheid verschaffen op welke manier habitat- en populatiecriteria gecombineerd worden, en die geen (of minder eenduidig) onderscheid maken tussen een gunstige en een ongunstige lokale staat van instandhouding’. 5

Nochtans wordt bij de integratie van de LSVI-data niet per definitie het „one out all out‟ principe benut (dit is bv. niet het geval bij de bepaling van de regionale toestand) Mogelijke integratiemethodes worden beschreven onder §2.7

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 17 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

Verwerking: De auteurs behouden de kwantitatieve grenzen, en stroomlijnen ze waar mogelijk verder teneinde een transparante, eenduidige en herhaalbare methode te behouden. (4) „De WTC stelt dat de aanpak in de LSVI-tabellen waarbij een onderscheid wordt gemaakt in goed – voldoende - gedegradeerd, niet beantwoordt aan de Europese verplichtingen. Het onderscheid tussen goed en voldoende strookt immers niet met de letter en geest van de Habitatrichtlijn, waarin enkel sprake is van ‘gunstige’ staat van instandhouding (geen opsplitsing). Nergens in de wetgeving wordt gebruik gemaakt van de terminologie ‘voldoende staat van instandhouding’. Ook de richtlijnen van de Commissie inzake art. 6 en de richtlijnen inzake soortenbescherming, maken enkel een onderscheid tussen ‘gunstig’ en ‘ongunstig’. Wél maakt de Europese Commissie een onderscheid in de categorie ‘ongunstig’, met name ‘matig ongunstig en ‘zeer ongunstig’. De beoordeling ‘voldoende’ hoort dan veeleer thuis onder de categorie ‘matig ongunstig’.

‘Bovendien

heeft de WTC ook belangrijke wetenschappelijke twijfels aangaande deze aanpak (goed, voldoende, gedegradeerd). Het is evident dat ‘voldoende’ zoals geïnterpreteerd in de S-IHD instrumenten, niet gelijk is aan ‘gunstig’. Ofwel is de toestand van de populaties/habitat gunstig (niet in gevaar op lange termijn), ofwel ongunstig, waarbij evenwel een onderverdeling kan worden gemaakt met de klasse ‘matig ongunstig’ om aan te geven dat de doelen niet ver van ‘gunstig’ zijn verwijderd.’ Verwerking: De auteurs hebben stelselmatig de categorie voldoende weggewerkt uit de beoordelingsmaatlatten. Er is nu conform met de Europese verplichtingen en de aanbevelingen van de WTC enkel nog sprake van een gunstig en een ongunstig bereik die van elkaar worden afgebakend door één grenswaarde.

Zowel bij het opstellen van Heutz & Paelinckx (2005) als bij T‟Jollyn et al. (2009) is echter de grens tussen de voldoende en gedegradeerde toestand wel degelijk opgevat als de grens tussen de gunstige en ongunstige toestand. In de versie 1 (Heutz & Paelinckx 2005) staat dit expliciet in de hoofding van alle individuele tabellen vermeld. Deze redenering is verder gevolgd in versie 2 (T‟Jollyn et al 2009) en deze versie 3 hoewel die vermelding niet langer in de hoofding van de tabellen is weergegeven. Evenwel staat in §1.2 van T‟Jollyn et al. (2009): „de voldoende lokale staat van instandhouding …blijft binnen de grenzen van een gunstige staat van instandhouding…‟. De categorie „voldoende‟ is aldus bij het opstellen en herwerken van de 3 versies van de beoordelingsmaatlatten steeds geïnterpreteerd als onderdeel van de gunstige staat. De interpretatie van de WTC dat de „voldoende toestand veeleer thuishoort onder de categorie matig ongunstig‟ strookte dus niet met de werkwijze waarop INBO de vorige versies heeft opgemaakt. Dat binnen de „gunstige LSVI‟ een ruime variatie vervat is hangt samen met het feit dat habitattypen in verschillende regio‟s en onder verschillende natuurlijke milieuomstandigheden voorkomen, en bijgevolg een ruime variatie aan goed ontwikkelde vegetaties dient gedekt te worden. Noch het WTC-rapport, noch andere literatuur of wetenschappelijke inzichten bieden houvast om, behoudens in specifieke gevallen (zie volgende §) af te wijken van de in de vorige versies gehanteerde grens tussen gunstig en ongunstig. Daarom is in deze derde versie standaard het onderscheid tussen „goede‟ en „voldoende‟ toestand binnen het gunstig bereik weggevallen. Mocht de grens gunstig – ongunstig op de oude „A-goed‟ gelegd zijn dan zou het onmogelijk zijn in bepaalde regio‟s – op bepaalde bodems wegens de daar heersende natuurlijke toestand - ooit een gunstige lokale toestand te realiseren, ook niet wanneer alle andere factoren, waaronder het beheer, gunstig zijn. Niettemin zijn de grenswaarden voor elk beoordelingscriterium op basis van de opmerkingen van de WTC, bijkomende literatuur en expertkennis opnieuw kritisch beoordeeld. Dit leidde in een aantal gevallen tot verschuiving van de grenswaarde, maar vaak werd de grens tussen voldoende en gedegradeerd overgenomen uit vorige versies als de grens tussen gunstig en ongunstig.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

De „A-goede‟ toestand binnen het gunstig bereik is ontstaan op vraag van het beleid om binnen de ruime waaier van natuurlijke standplaatsomstandigheden de van nature meest soortenrijkste standplaatsen (al dan niet met een groot aantal zeldzaamheden) te vatten. Nadat het duidelijk werd dat in de LSVI binnen het gunstige bereik de 2-deling ging wegvallen is inmiddels in het besluit rond de evaluatie en subsidiëring van beheerplannen de „goede (beheer)status‟ ingeschreven, ervan uitgaande dat die niet op alle standplaatsen (zelfs al zijn alle omstandigheden daar optimaal) kan gehaald worden (maar wel dient nagestreefd waar die wel haalbaar is). Een concreet voorbeeld: onze kalkhoudende bodems in Vlaanderen zijn overal suboptimaal voor habitattype 6210 kalkgraslanden omwille van de diepere ligging van mergel en het feit dat het niet over kalksteengronden gaat. Er is, zelfs in de beperkt bestaande oppervlakte geschikte standplaatsen, een hele variatie aan kalkrijkdom in de wortelzone. Je kan en mag daar niet hetzelfde natuurstreefbeeld verwachten als in bv. de Waalse kalkregio‟s. Daar waar het kalkgehalte het hoogst is kan de oude A-goed eventueel bereikt worden, op de meeste plaatsen evenwel enkel de Bvoldoende toestand. Gelijkaardige redeneringen gaan op voor zowat alle habitattypen. Bv. grove zandgronden versus fijne zandgronden tot lemig zandgronden en zelfs zandige leemgronden vormen de natuurlijke variatie voor vele aan oligo- tot mesotrofe standplaatsen gebonden habitattypen, samenhangend met een variatie aan natuurlijke mineralenrijkdom. Daarbovenop komt een hele variatie aan vochtregimes, ook bij natuurlijke watertafels, in het abiotisch spectrum van eenzelfde habitattype. Het spreekt voor zich dat zulke variatie in natuurlijke milieucondities leidt tot verschillen in te verwachten / te realiseren vegetatiesamenstellingen, die alle dienen vervat te worden in één LSVI-beoordelingstabel. Anderzijds zijn voor bepaalde criteria wel degelijk argumenten gevonden om de vroegere grenswaarde gunstig-ongunstig op te schuiven naar de A-goed grenswaarde. Zo is bv. voor het criterium invasieve exoten in veel gevallen de voormalige A-goed grens (m.n.

„afwezig‟) genomen als grenswaarde voor een gunstige staat omwille van de snelheid waarmee dergelijke soorten een habitat koloniseren en de grote en soms onomkeerbare impact die ze daarbij hebben.

(5) ‘Een bredere benadering is vereist, met name een landschapsecologische context, met aandacht voor abiotische relaties (bv. nutriëntenstromen, grondwaterstromen) en voor connectiviteit en mobiliteit van de soorten die deze habitats als leefgebied hebben. De WTC is van mening dat niet alleen de huidige toestand, maar ook de trends in landschapscompositie (oppervlak, dispersie en diversiteit van habitats) dient toegevoegd. De ruimtelijke samenhang en haar trend worden in het buitenland vaak gebruikt.‟ Verwerking: We volgen de WTC die stelt dat een beoordeling van de ruimtelijke samenhang expliciet onderdeel uitmaakt van een beoordeling van de toestand op lokaal of gebiedsniveau. Daartoe integreren we een module in de bepaling van de LSVI (zie §2.4). De toepassing ervan zal steeds een desktopanalyse vergen, aanvullend op de vaststellingen op terrein van de overige LSVI-criteria. Zo ontstaat een haalbare aanpak, die het tevens mogelijk maakt afzonderlijke uitspraken te doen over de toestand qua structuur, vegetatieontwikkeling, verstoring én ruimtelijke samenhang. Een landschapsecologische aanpak staat ook in relatie met abiotiek. Maar zoals gesteld in § 1.5.1 maakt het abiotische luik niet langer deel uit van dit rapport, maar van een afzonderlijk, in ontwikkeling zijnde traject, waar deze onderdelen zeker aan bod zullen komen. Biotische LSVI-criteria en abiotiek worden daarbij steeds in verband met elkaar geanalyseerd. We volgen de WTC dat een beoordeling van zowel de LSVI, als de SVI op gebieds- of regionaal niveau ook trendinformatie bevat. We geven daartoe aanbevelingen in § 1.4. Anderzijds zijn we van oordeel dat een bepaling van de lokale toestand ook moet mogelijk zijn als er geen enkele trendinformatie beschikbaar is.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 19 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

(6) ‘De beoordeling van habitattypen aan de hand van de typische soorten omvat zowel soorten uit de flora als de fauna. In het LSVIrapport ontbreekt het aan criteria voor een beoordeling van typische diersoorten per habitattype.’ Verwerking: De EC stelt dat indien de staat van instandhouding van de typische soorten op gewestelijk niveau ongunstig is, automatisch ook deze van het betreffende habitattype ongunstig is (DG Environment 2017). De totale oppervlakte van een habitattype, zowel binnen als buiten het netwerk aan beschermde gebieden, moet volstaan voor het voortbestaan van haar typische soorten op lange termijn. Hieruit volgt dat er enerzijds voldoende geschikt leefgebied moet zijn om duurzame populaties van deze soorten te herbergen, maar anderzijds ook dat niet elke habitatlocatie hieraan moeten voldoen. Aanwezigheid van fauna-elementen zal vaak afhangen van de combinatie van specifieke habitattypen en andere landschapselementen en dienen daardoor meestal op een gebieds- of ruimer bovenlokaal niveau beoordeeld te worden, in plaats van op het niveau van een individuele habitatlocatie. Om bovenstaande redenen is het luik van de typische (fauna)soorten mee opgenomen in de module van de ruimtelijke samenhang (zie § 2.4). Voor het bepalen van de regionale staat van instandhouding wordt de toestand van „habitattypische‟6 soorten wel als extra criterium meegenomen en dan eveneens geëvalueerd op het bovenlokaal niveau. Het Vlaams Natura 2000-programma, meer bepaald bijlage 3 (Afwegingskader), stelt overigens: ‘Voor habitattypische soorten zijn in tegenstelling tot de Europees te beschermen soorten geen doelen ontwikkeld. Het is, gelet op de definitie van gunstige staat van instandhouding van een habitat, evenwel van belang dat op regionaal vlak er voor deze soorten een goede staat van instandhouding geldt, zo niet brengt dit de goede 6

Met typische soorten worden de voor het habitat typische soorten sensu largo bedoeld. Wanneer we het over de habitattypische soorten hebben betreft het een selectie uit deze typische soorten s.l.in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op nivau Vlaanderen volgens de criteria in De Knijf et al. (2012) en Oosterlynck et al. (2013).

staat van instandhouding van het overeenstemmende habitattype in het gedrang.’ (7) ‘De WTC heeft de indruk dat in de beoordeelde rapporten adequaat gebruik is gemaakt van de meest recente ecologische inzichten. Over het algemeen wordt er goed en ruim verwezen naar de literatuur, aanzienlijk meer trouwens dan in sommige buurlanden. De WTC is echter van oordeel dat er te vaak wordt verwezen naar eerder afgeleide (en vaak grijze) literatuur, en dat soms te snel wordt verwezen naar ’best professional judgement’ terwijl er wel degelijk literatuur ter zake bestaat.‟ Verwerking: De literatuurverwijzingen en de verwijzingen naar expertoordeel werden stelselmatig gecontroleerd en waar mogelijk geactualiseerd met nieuwe literatuurbronnen. (8) ‘De WTC is van oordeel dat het identificeren van belangrijke kennishiaten en het opstarten van gepast onderzoek de nodige aandacht verdient.’ Verwerking: Inmiddels is bv. onderzoek uitgevoerd of gestart naar het implementeren van de ruimtelijke samenhang, de abiotische referentiewaarden en zijn per habitattype habitattypische soorten (flora en fauna) gedefinieerd. (9) „De WTC is ook van oordeel dat het opstarten van een helpdesk nuttig zou zijn voor het goed gebruik van de LSVI - instrumenten.‟ Verwerking: Vragen kunnen gesteld worden via natura2000@inbo.be. Op basis daarvan en via andere insteken (zoals onze eigen veldcampagnes) kan bv. een specifieke FAQ-pagina op de INBO website toegevoegd en ruim bekend gemaakt worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

1.5.3. Wijzigingen n.a.v. rapportage omtrent de regionale staat van instandhouding van de habitattypen van de habitatrichtlijn (periode 2013-2019) en ontwikkeling van nieuwe matrices

in ontwikkeling. Eens operationeel worden vegetatie en abiotiek op vele plaatsen gezamelijk opgevolgd. Updates van de soortenlijsten uit de EU regulatie 1143/2014 omtrent invasieve en exotische soorten worden doorvertaald naar de beoordelingsmatrices. Ook de internationale literatuur en evoluties in andere EU-lidstaten worden verder opgevolgd.

Na het tweede WTC proces is wegens gewijzigde vraagstellingen in het kader van de rapportage 2019 (DG Environment 2017) een nieuwe integratiemethode uitgewerkt (§2.7). Daarnaast hebben nieuwe inzichten tot enkele beperkte aanpassingen aan de clusterdefinities en oppervlaktegrenswaarden van de ruimtelijke samenhang module geleid (§2.4). Meer recent is de evaluatiematrix voor het habitatsubtype 2190_a (waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien) toegevoegd onder de sectie kustduinen (Denys et al., in voorbereiding).

1.6. Verdere evoluties van het voorliggende instrumentarium Het Vlaams Natura 2000-programma, Actie 7 stelt “De rapporten voor het bepalen van de lokale staat van instandhouding (LSVI) voor de Europees te beschermen habitats en de Europees te beschermen soorten zijn een noodzakelijk instrument voor de implementatie van de EU Habitatrichtlijn. Tijdens het implementatietraject is beslist dat na elke zesjaarlijkse rapportage van de toestand van soorten en habitattypen (door het INBO) aan de EU een evaluatie en aanpassing van de LSVI mogelijk is.” De evaluatie en de eventuele aanpassing van het LSVI instrumentarium volgen dus een zesjaarlijkse cyclus, gekoppeld aan deze van de artikel 17 rapportage aan de EC. Deze versie, hoewel opgestart voor de vorige rapportage moet gezien worden als deze die de optimalisatie voor de rapportage 2019 realiseert. Een belangrijke potentiële bron om nieuwe kennis ter zake op termijn te genereren is het INBO onderzoek naar standplaatskarakteristieken en het in 2014 opgestarte programma „biotische monitoring Natura 2000‟. De abiotische monitoring, het zogenoemde meetnet natuurlijk milieu, is ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 21 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

Tabel 2 - Overzicht van de habitattypen, subtypen en varianten code 1130 11407 1310

1310_pol 1320 1330

Binnenlandse duinen

Subtype code naam Kust- en zilte habitats Estuaria Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten 1310_zk buitendijks laag schor met zeekraalvegetaties buitendijks hoog schor met zeevetmuurvegetaties 1310_zv (Saginion maritimae)

2310 2330

3110 3130

binnendijks gelegen zeekraalvegetaties

Psammofiele heide met Calluna en Genista Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen 2330_bu buntgrasverbond 2330_dw dwerghaververbond Zoete wateren Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflorae) Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflorae en/of de Isoëto-Nanojuncetea 3130_aom

Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) 1330_da buitendijkse schorren 1330_hpr binnendijkse zilte vegetaties

oligotrofe tot mesotrofe vijvers en vennen met pioniersgemeenschappen op de kale oever of in de ondiepe oeverzone (oeverkruidgemeenschappen; Littorelletea) 3130_na oevers van tijdelijke of permanente plassen of poelen met eenjarige dwergbiezenvegetaties (IsoëtoNanojuncetea) Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition Dystrofe natuurlijke poelen en meren Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p.

Kustduinen

3140

Embryonale wandelende duinen Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria („witte duinen‟) Vastgelegde duinen met kruidvegetatie („grijze duinen‟) 2130_hd duingraslanden van kalkrijke milieus 2130_had duingraslanden van kalkarme milieus Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetae) Duinen met Hyppophae rhamnoides Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenaria) Beboste duinen van het Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied Vochtige duinvalleien 2190_mp duinpannen met kalkminnende vegetaties 2190_a waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien 2190 overige waterrijke duinbiotopen8

3150

Voor dit habitattype werd geen beoordelingsmatrix opgesteld. 8 Het betreft bv. rietlanden, moerasruigten, dotterbloemhooilanden. waarvoor de beoordeling van de LSVI kan gebeuren met de tabellen voor de gelijkaardige habitattypen of regionaal belangrijke biotopen elders in Vlaanderen.

6120

Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

6210

Droge half-natuurlijke graslanden en struikvormende faciës op kalkhoudende bodems (Festuco Brometalia)

2110 2120 2130

2150 2160 2170 2180 2190

3160 3260 3270

Heiden 4010

Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

4030

Droge Europese heide Thermofiel struikgewas

5130

Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland variant jeneverbesstruweel in kalkgrasland (5130_hei) variant jeneverbesstruweel in heide (5130_kalk) (Half-)natuurlijke graslanden

7

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

6230

6410

6430

6510

Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) 6230_hn droge, heischrale graslanden 6230_hmo vochtige, heischrale graslanden droge, kalkrijkere heischrale graslanden 6230_hnk (Betonica-Brachypodietum) 6230_ha soortenrijke graslanden van het struisgrasverbond Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) 6410_ve veldrusassociatie (veldrusgraslanden) 6410_mo blauwgrasland Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones 6430_hf moerasspireaverbond (moerasspirearuigten) 6430_hw verbond van Harig wilgenroosje 6430_mr ruigere rietlanden in zwak brakke omstandigheden met Echte heemst, Moeraslathyrus en/of Moerasmelkdistel (brakke rietvegetaties met Echte heemst ) 6430_bz Nitrofiele boszomen met minder algemene plantensoorten Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) 6510_hu glanshavergraslanden (Arrhenaterion) 6510_hus glanshavergraslanden met Grote pimpernel Grote vossenstaart-graslanden met Weidekervel of 6510_hua Weidekervel-torkruid (Alopecurion) 6510_huk kalkrijk kamgrasgrasland (Galio-Trifolietum) Venen Actief hoogveen

7140

Overgangs- en trilveen

7210

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

7230

Alkalisch laagveen

Rotsachtige habitats en grotten 83109

Niet voor het publiek opengestelde grotten Bossen

9110

Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum

9120

Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum. 9130_end Atlantisch neutrofiel beukenbos gekenmerkt door een uitgesproken Atlantische invloed (Endymio-Fagetum) 9130_fm Midden-Europese neutrofiel beukenbos dat voorkomt in het Continentaal gebied op kalkhoudende, rijke bodems met typische aanwezigheid van Eenbloemig parelgras en Lievevrouwebedstro (Parelgras-Beukenbos, Melico-Fagetum) Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eikenhaagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion,Alnion incanae, Salicion albae)

9130

9150 9160 9190 91E0

91E0_vo

7110

7150

7220

91E0_vm 91E0_vn

7140_oli

oligotroof en zuur overgangsveen

7140_meso

mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen

7140_mrd

varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen

7140_base

basenrijk trilveen met Ronde zegge

Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae

91E0_sf 91E0_va

oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum) mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum) ruigt-elzenbos (Filipendulo-Alnetum, MacrophorbioAlnetum, Cirsio-Alnetum) zachthoutooibos (wilgenvloedbos; Salicetum albae) beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum)

9

Voor dit habitattype werd geen beoordelingsmatrix opgesteld. De beoordeling kan immers gebeuren aan de hand van de overwinterende vleermuizen (Zie Lommaert et al., 2020).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 23 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Inleiding

91F0

91E0_vc goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote rivieren (Ulmenion minoris)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

2. Methodologie en opbouw Paelinckx D., Oosterlynck P., Louette G., Bosch H. & De Knijf G. De matrices voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding (LSVI) van Europees beschermde habitattypen in Vlaanderen10 worden per habitatgroep gebundeld in afzonderlijke hoofdstukken. De hoofdstukken bevatten per habitat(sub)type een fiche waarin de criteria en/of habitatkenmerken, die beoordeeld dienen te worden voor de bepaling van de LSVI, volgens een vast stramien worden opgelijst.

2.1. Structuur en inhoud van de hoofdstukken per habitatgroep De kern van dit rapport wordt gevormd door de fiches per habitat(sub)type. Deze zijn ontstaan door het toepassen van algemeen geldende principes (§ 2.3). Waar van deze algemene principes afgeweken wordt, is door de auteurs een (ecologische) argumentatie gegeven in de inleidende paragrafen van het betreffende hoofdstuk of als opmerking bij een specifiek criterium in de fiches zelf. Structuur van de fiches per habitat(sub)type Per habitattype of habitatsubtype bevat het rapport een fiche met volgende indeling:

Grenswaarden voor elk van de onder A beschreven vegetatie- en structuurkarakteristieken en indicatoren voor ruimtelijke samenhang Zowel A als B zijn ingedeeld in 4 criteriagroepen (die op hun beurt bestaan uit één of meer criteria): o Vegetatie o Habitatstructuur o Verstoring o Ruimtelijke samenhang Het onderdeel Milieukarakteristieken voor een gunstige staat van instandhouding is in deze versie niet langer opgenomen in de beoordelingsmatrices zelf, maar wordt verder uitgewerkt in het lopende INBO onderzoek naar standplaatskarakteristieken) (zie § 1.6). Een beoordeling van de ruimtelijke samenhang is een belangrijk aspect van het bepalen van de lokale staat van instandhouding van een habitattype. De werkwijze wordt toegelicht in § 2.4. Kwantitatieve oppervlaktedoelen in functie van faunadoelstellingen maken impliciet onderdeel uit van de evaluatie van de ruimtelijke samenhang. Maatregelen In deze kolom worden er per criterium beheer- en herstelmaatregelen opgesomd die kunnen ingezet te worden om een habitattype voor wat betreft dat specifieke criterium naar het gunstige bereik te laten evolueren. De opsommingen die hier gegeven worden zijn zeer bondig en niet exhaustief. Voor een uitgebreide beschrijving verwijzen wij naar Van Uytvanck en De Blust (2012), die specifiek het beheer van Europese habitats behandelen.

A. Habitatkarakteristieken Opsomming en beschrijving van de voor het habitattype relevante vegetatie-en structuurkarakteristieken alsook indicatoren voor ruimtelijke samenhang B. Beoordelingsmatrix

Opmerkingen 10

De voor Vlaanderen relevante habitattypes zijn vermeld in de Europese habitatrichtlijn en, samen met de subtypes beschreven in Decleer et al. (2007) en verder behandeld in Paelinckx et al. (2009).

In de kolom opmerkingen worden criteriumbeschrijving, wijze van

verduidelijkingen omtrent de inschatting, uitzonderingen,

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 25 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

schaalniveau, relevante elementen uit de habitatdefinitie, verantwoording waarom het criterium opgenomen is, e.a. vermeld. Referenties Alle benutte informatiebronnen worden in de fiches per habitattype vermeld in de kolom „referenties‟. Er werd zoveel mogelijk beroep gedaan op bronnen en gegevens uit Vlaanderen. Indien in Vlaanderen geen onderzoek of gegevens beschikbaar zijn werden relevante bronnen uit buurregio‟s geraadpleegd. Om de Vlaamse aanpak internationaal te kaderen zijn gelijkaardige instrumenten of andere benaderingen uit andere EU-lidstaten geraadpleegd. Zo wordt vaak verwezen naar literatuur en informatie uit Duitsland, Nederland, Frankrijk of Verenigd Koninkrijk. Bij gebrek aan literatuur werd invulling gegeven via de analyse van basisgegevens of expertoordeel. Het eerste geniet daarbij de voorkeur boven expertoordeel omdat dit meer controleerbare en herhaalbare beslissingen betreft. Voorbeelden van basisgegevens zijn recente Vlaamse vegetatieopnamen en interpretatie van synoptische tabellen uit de literatuur. Door de experts van de diverse habitatgroepen werd de Vlaamse situatie gespiegeld aan deze in de buurregio‟s en op basis daarvan werden keuzes gemaakt voor wat betreft te weerhouden criteria, grenswaarden, … Deze experts zijn de auteurs van de fiches van de betreffende habitatgroep.

2.2. Habitatlocatie Met de term habitatlocatie refereren we naar het schaalniveau waarop een LSVI-criterium van toepassing is. Vaak valt dit samen met het niveau van een individuele „habitatvlek‟. Soms dient een beoordeling echter op een hoger schaalniveau te gebeuren, bv. op het geheel van een aantal habitatvlekken, die al dan niet ruimtelijk aanééngesloten zijn. De als geheel te beoordelen oppervlakte habitatvlekken vormen dan tezamen één habitatlocatie. Een habitatlocatie kan m.a.w. bestaan uit één of meerdere habitatvlekken. Het juiste schaalniveau voor beoordeling van een criterium is in de eerste plaats vastgelegd op basis van „ecologische relevantie‟ en niet (alleen) op basis van „praktische uitvoerbaarheid‟. Meestal is dat het niveau van een individuele habitatvlek (1a in Tabel 3). Voor een aantal criteria is evenwel het schaalniveau hoger dan dat van één habitatvlek (2 in Tabel 3). Het niveau van aaneensluitende habitatvlekken (niveau 1b in Tabel 3) is enkel gemaakt om ecologisch minder relevante opdelingen, vaak ten gevolge van karteertechnieken, correct te kunnen beoordelen (bv. een perceels- of bestandsgewijze opdeling van habitatvlekken van eenzelfde habitat(sub)type). Volgende richtlijnen hebben wij gehanteerd voor de bepaling van het correcte schaalniveau voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding: 

lokale variatie binnen een habitatlocatie moet in de beoordeling volledig tot haar recht kunnen komen. Zij draagt immers bij tot een gunstige beoordeling voor habitatstructuur en vegetatie. Door zeer gedetailleerd kleine habitatvlekken als afzonderlijke habitatlocaties te beschouwen, is het mogelijk dat die individuele vlekken onterecht gunstig of ongunstig scoren. Het is dus expliciet niet de bedoeling delen die beduidend soortenrijker of beter ontwikkeld zijn (of net soortenarmer en slechter ontwikkeld) afzonderlijk te gaan beoordelen. Voor de afbakening van habitatlocaties verwijzen we naar de karteersleutels (www.inbo.be/nl/handleiding-en-veldsleutels).

voor enkele habitattypen is het belangrijk dat indien verschillende successiestadia aanééngrenzend voorkomen, deze

Vaak leidde een combinatie van literatuur, analyse van basisgegevens en expertoordeel tot de uiteindelijke keuze van criteria en grenswaarden (Figuur 2). Voor eenzelfde criterium kunnen verschillende bronnen geraadpleegd zijn voor de onderdelen A „Habitatkarakteristieken‟ en B „Beoordelingsmatrix‟. De bronnen in deel A werden gebruikt voor de selectie van, en informatie over het criterium. De bronnen vermeld in deel B liggen aan de basis van de bepaling van de grenswaarden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

gebundeld worden voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding. Zo is het voor een aantal habitattypen van landen kustduinen noodzakelijk open stuifzanden, pioniersbegroeiingen en vegetaties van meer gefixeerde duinen te bundelen om een uitspraak te doen. Voor dergelijke habitattypen is immers precies het aandeel van zulke ontwikkelingsfasen belangrijk om de lokale staat van instandhouding te bepalen. Dit geldt bv. ook voor de beoordeling van de horizontale structuur van bossen. In bijlage 1 en in de beoordelingstabellen is in zulke gevallen als schaalniveau „een geheel van aan elkaar sluitende vlekken‟ (1b) opgegeven. In de praktijk kan dit uiteraard identiek zijn aan een habitatvlek (1a). In bijlage 1 wordt per criterium aangegeven op welk schaalniveau er beoordeeld dient te worden. Voor alle schaalniveaus die afwijken van individuele habitatvlekken, met name 1b en 2 in Tabel 3, wordt dit ook stelselmatig geduid in de kolom „opmerkingen‟ van het betreffende criterium in de individuele beoordelingsmatrices. In vele gevallen kunnen de vlakken in de habitatkaart gehanteerd worden als habitatlocaties, zeker wanneer het in die kaart gaat over karteringen uitgevoerd vanaf 2004. Vanaf dan werden de habitattypen rechtstreeks in het veld gekarteerd en niet afgeleid uit de BWKkartering. De habitatkaartvlakken zijn bij voorkeur niet te groot omdat het noodzakelijk is het geheel te kunnen vatten om de indicatoren goed te kunnen inschatten. Ook te kleine habitatkaartvlakken moeten vermeden worden. Zeker wanneer hiermee structuurvariatie en/of verschillende successiestadia van eenzelfde habitat(sub)type opgedeeld worden, dient een LSVI-bepaling op een integratie van deze onderdelen te gebeuren. Voor bossen is bijvoorbeeld het niveau van het bosbestand, zoals dat in de beheerplannen gehanteerd wordt, doorgaans de meest geschikte afbakening (Thomaes et al., 2013). In een geperceleerd landschap zal een habitatlocatie vaak samenvallen met een perceel of een geheel van aan elkaar sluitende percelen. In sommige gevallen kan een perceel evenwel verschillende biotoop- en/of habitattypen bevatten.

Tabel 3 - Schaalniveaus voor het bepalen van de toestand van een LSVI criterium. Indien het te gebruiken schaalniveau afwijkt van 1a wordt dit expliciet vermeld in de beoordelingsmatrices bij het betreffende criterium. Een overzicht van het te beoordelen schaalniveau per criterium is gegeven in bijlage 1

schaalniveau 1a habitatlocatie= één habitatvlek 1b habitatlocatie= een geheel van ruimtelijk aan elkaar sluitende vlekken (*) die samen behoren tot eenzelfde habitattype of subtype 2 Geheel van alle vlekken van een habitattype binnen één ecologisch functioneel geheel met habitattypen uit dezelfde habitatgroep of met functioneel verweven vegetaties (maar die daarom niet noodzakelijk alle habitatwaardig zijn)(cfr. functionele habitatcluster in §2.4)

omschrijving, voorbeeld een perceel of vegetatievlek met één habitattype of subtype, bv. een bosbestand bv. hoog en laag schor bij buitendijkse Atlantische schorren (1330_da); aaneengrenzende kleine bosbestanden behorend tot eenzelfde boshabitattype. bv. alle vlekken van eenzelfde boshabitat binnen een boslandschap met diverse aaneengesloten boshabitattypen; het gehele moeras- of slikkenschorrengebied waarin het habitattype ligt.

* wat effectief als ‟aan elkaar sluitend‟ wordt beschouwd kan habitattype per habitattype verschillen. Bv. een rietkraag, smalle weg of houtkant tussen twee graslanden van een eenzelfde habitattype is geen reden om deze niet samen te beoordelen voor een criterium met schaalniveau 1b. Een tweevaksrijbaan of een waterloop kan dat wel zijn.

2.3. Criteria, grenswaarden Voor de beoordeling van de staat van instandhouding dient rekening gehouden te worden met habitatspecifieke ecologische processen,

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 27 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

habitatstructuur, regionale soortensamenstelling en verstoringen, drukken en bedreigingen, fragmentatie, ...

mogelijke

Evans & Arvela (2011) geven een indicatie van zinvolle criteria per habitatgroep (zie bijlage 2). Tevens dringt de EC erop aan om bij de regionale soortensamenstelling niet enkel rekening te houden met plantensoorten, maar ook met typische diersoorten. Daartoe is bij de ontwikkeling van het voorliggende LSVIinstrumentarium een aantal algemeen geldende principes gehanteerd (§ 2.3.1) en zijn we uitgekomen bij een beoordelingssysteem gebaseerd op vier criteriagroepen: habitatstructuur (§ 2.3.3), vegetatie (§ 2.3.4), verstoring (§ 2.3.5) en ruimtelijke samenhang (§2.4). Een gunstige lokale staat van instandhouding impliceert een goed ontwikkelde habitatstructuur en vegetatiesamenstelling en een voldoende laag aandeel aan, of afwezigheid van storingsindicatoren in combinatie met een gunstige ruimtelijke configuratie ter instandhouding van duurzame populaties van de typische soorten11.

-

Aanvullende criteria die niet via één terreinbezoek kunnen bepaald worden kunnen toegevoegd worden op voorwaarde dat ze op een eenvoudige wijze (bv. desktop analyse) generiek kunnen toegepast worden. de beoordeling van de lokale staat van instandhouding gebeurt in termen van een gunstige of ongunstige toestand die begrensd worden t.o.v. elkaar d.m.v. een grenswaarde.

Maximale eenvormigheid en duidelijk meetbare criteria

2.3.1. Algemeen geldende principes

Veel aandacht is gegaan naar het ondubbelzinnig beschrijven en het concretiseren van de grenswaarden, onder meer door het benutten van exacte waarden. In de literatuurbronnen die gebruikt werden om de LSVI-habitatfiches op te maken zijn meestal enkel grootteordes van grenswaarden te vinden (Figuur 2). Bovendien zijn veel habitat(sub)types grootste gemene delers van een brede waaier aan verschijningsvormen op het terrein, waarvan de kenmerken sterk kunnen verschillen. Zulke verschillen hangen samen met de lokale milieuomstandigheden en hiermee moet rekening gehouden worden bij het vastleggen van grenswaarden.

Het benutten van een aantal basisprincipes draagt bij tot een transparante, herhaalbare en objectieve beoordeling. Het betreft o.a.: maximale eenvormigheid over de habitattypen en habitatgroepen heen wat betreft terminologie en selectie van beoordelingscriteria en hun grenswaarden; beoordeling op basis van op terrein duidelijk meetbare criteria: de beoordeling van elk criterium moet tot een unieke uitspraak kunnen leiden; dit vergt een kwantitatieve aanpak de toestandsbeoordeling moet mogelijk zijn met één terreinbezoek op een voor het habitattype gunstig tijdstip (vaak de periode van maximale biomassaontwikkeling).

Om zulke grootteordes consequent om te zetten naar exacte grenswaarden werd gebruik gemaakt van de zgn. BioHab/EBONE methode. Deze methode, en het gebruik ervan in het kader van de bepaling van de lokale staat van instandhouding, wordt in onderstaande paragrafen en in § 2.3.2 verduidelijkt. Hoewel zulke exacte grenswaarden tot op zeker hoogte arbitrair zijn, is dit een geëigende werkwijze om de doelstelling van transparantie, herhaalbaarheid en objectiviteit te bereiken. Het benutten van de BioHab/EBONE methode heeft daarenboven het voordeel dat de LSVI-beoordeling gebruik maakt van een internationaal uitgewerkte methode voor gegevensinzameling en monitoring.

Met typische soorten worden de voor het habitat typische soorten sensu largo bedoeld. Wanneer we het over de habitattypische soorten hebben betreft het een selectie uit deze typische soorten s.l.in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op nievau Vlaanderen volgens de criteria in De Knijf et al. (2012) en Oosterlynck et al. (2013). 11

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

BioHab/EBONE - methode (Bunce et al., 2005, 2008, 2011) aanpak in buurregio’s (LSVI of vergelijkbare benaderinge n)

BioHab/EBONE is een grondig uitgewerkte veldtechniek om de surveillance en monitoring van biotopen en landschappen over het hele Europese continent op een zo uniform mogelijke wijze uit te voeren. De methode is uitgebreid getest over heel Europa.

literatuur

BioHab/EBONE deelt een vegetatie op in haar structuurvormende componenten (zgn. levensvormen) en benut duidelijke beslisregels om de globale structuur eenduidig te beschrijven. BioHab/EBONE is hierbij zelf geen typologie, maar een veldtechniek. De methode bevat strikte beslissingsregels, zoals: beslisregels m.b.t. kartering, die het mogelijk maken vlakken af te bakenen op terrein op een eenvormige en herhaalbare wijze; het aandeel van elke levensvorm wordt bepaald met een tiendelige schaal (10 %, 20 %, …); in de BioHab/EBONE methodologie worden enkel levensvormen genoteerd vanaf dat die ca. 10 % voorkomen; 70 - 30 % -regel: BioHab/EBONE hanteert deze grenswaarde om een biotoop globaal te typeren: de levensvorm die 70 % of meer bedekt wordt het hoofdtype; indien geen enkele levensvorm 70 % haalt (dus 60 – 40 % of 50 – 50 %) dan wordt het hoofdtype een mix van beide.

dataverwerkin g (INBO data e.a.)

grootteorde grenswaarde

selectie van de criteria

BIOHAB/EBONE – regels + algemeen geldende basisprincipes

Bovenstaande beslisregels zijn gebruikt om de grenswaarden voor de LSVI-criteria om te zetten in strikte percentages en om deze te uniformiseren over de habitattypen en -groepen heen (§ 2.3.2).

specifieke grenswaarden

Eén terreinbezoek - controle op uniforme toepassing over habitattypen en habitatgroepen heen (interne kwaliteitscontrole) - testfase: toepassen en veldcontrole

We hebben vanuit pragmatische redenen gezocht naar een methode om een verandering uit het verleden te detecteren op basis van één terreinbezoek. Hiervoor zijn integrerende indicatoren (d.w.z. meestal niet beperkt tot een soort, maar vaak een functionele groep van soorten) gezocht.

Figuur 2 - Schematisch overzicht van de gevolgde werkwijze voor het uitwerken van een beoordeling van de lokale staat van instandhouding per habitattype.

Bij verstoring bijvoorbeeld zijn dat soorten die normaliter niet voorkomen (of niet in grote hoeveelheid), tenzij wanneer een of andere verstoring in het (recente) verleden is opgetreden of zich nog steeds voordoet. Op die wijze kan een verstoring vastgesteld worden aan de

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 29 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

hand van één enkel veldbezoek. Daarbij dient een duidelijke relatie tussen de indicator en één of meer verstoringsfactoren te bestaan en gekend te zijn. Voorbeeld: voor het criterium vernatting wordt in plaats van de stijging van grondwatertafels de bedekking aan freatofyten gemeten en worden daaraan grenswaarden gekoppeld.

De ontwikkeling van de vegetatie wordt beoordeeld aan de hand van een reeks sleutelsoorten per habitattype. Deze zijn geselecteerd in functie van hun specificiteit en constantie voor een bepaald habitatype. Er wordt in belangrijke mate geput uit de lijsten gehanteerd in de habitattypische soorten (Oosterlynck et al., 2013) en de determinatiesleutels (De Saeger et al., 2016b ) (zie verder § 2.3.4).

Ook bij bepaalde structuurbepalende factoren is er gezocht naar criteria die makkelijk in het veld met één terreinbezoek kunnen vastgesteld worden. Het meten van een dynamisch proces zoals zandverstuiving is niet mogelijk met één veldbezoek. Het vaststellen van de hoeveelheid open zand en verstuiving belemmerende elementen (rijshout, steenslag,…) biedt hiervoor een alternatief.

Om de mate van verstoring te bepalen worden indicatorsoorten voor de klassieke „ver‟s‟ geselecteerd (verdroging, vernatting, verruiging, verbossing, verzuring, vergrassing,…), en criteria als (invasieve) exoten, strooisellaag, … (zie bijlage 1 en § 2.3.5). Verstoring wordt hier in de breedste zin van het woord gebruikt, inclusief bv. het wegvallen van (traditioneel) beheer. Die ruime aanpak is noodzakelijk om de LSVIbepalingen optimaal te kunnen aanwenden voor het formuleren, opvolgen en evalueren van bv. instandhoudings- en beheermaatregelen. Het spreekt voor zich dat niet alle benutte verstoringscriteria relevant zijn voor elk habitattype.

2.3.2. Selectie van grenswaarden

criteria

en

bepalen

van

De keuze van de criteria en grenswaarden is in de eerste plaats afhankelijk van het habitattype en zijn ecologische karakteristieken. Zijn het hoog of laagdynamische, open of gesloten, oligotrofe of eutrofe, natte of droge types? Voor verschillende habitattypen zijn daarom meestal verschillende sets van criteria nodig om de lokale staat van instandhouding te bepalen.

Bij de selectie van de finale set criteria is er in de mate van het mogelijke over gewaakt dat er geen redundante criteria weerhouden zijn. Grenswaarden (definitie zie § 1.2.3)

Het aantal en de aard van de criteria die gehanteerd worden om de habitatstructuur te vatten verschillen (sterk) per habitatgroep (zie § 2.3.3 en bijlage 1). Horizontale of mozaïekstructuur wordt bij veel habitattypen van bossen, struwelen en heiden (gedomineerd door zgn. dwergstruiken) beoordeeld, onder meer omdat deze samenhangt met het gevoerde beheer. In waterhabitats hangt de horizontale structuur samen met de ontwikkelingsgraad van de waterplantenvegetaties en vormt het zo een beoordelingscriterium dat kan gehanteerd worden, zonder dat het noodzakelijk is de waterplanten zelf te gaan determineren. Doorgaans worden er per habitattype 1 tot 3 structuurcriteria beoordeeld. Bij bossen worden stelselmatig 6 (soms 8) criteria beoordeeld en bij moerashabitattypen 4 à 6. Bij de graslanden worden in verhouding eerder een beperkt aantal structuurcriteria gehanteerd.

De grenswaarden zijn gekwantificeerd gebruik makend van de algemeen geldende principes zoals vermeld in § 2.3.1. Hiernaast is het ook nodig om afspraken vast te leggen omtrent afwezigheid of aanwezigheid van indicatorsoorten. We hanteren standaard onderstaande abundantieklassen gebaseerd op de methode van de beheermonitoringsschaal (INBO protocol SVP405) (zie bijlage 4): afwezig: afwezigheid moet strikt geïnterpreteerd worden; een soort is afwezig wanneer er geen individuen, zelfs geen kiemlingen waargenomen zijn. zeer schaars (ZS): soorten (of andere indicatoren) die slechts met 1 tot enkele individuen (<4) voorkomen en die niet bedekkend (<5%) zijn. Meestal gebruikt als „hooguit zeer schaars‟ en dan overeenkomend met „zeer schaars‟ uit bijlage 4.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

-

-

-

schaars (S): soorten (of andere indicatoren) die slechts met 4 tot 9 individuen voorkomen en die niet bedekkend (<5%) zijn. Meestal gebruikt als „hooguit schaars‟ en dan overeenkomend met „schaars‟ uit bijlage 4. weinig talrijk (WT): soorten (of andere indicatoren) die in kleine aantallen voorkomen (10-20) én die niet significant bedekkend (<5%) zijn. Gebruikt als „ten hoogste weinig talrijk‟ of „minimaal weinig talrijk‟ en dan overeenkomend met „weinig talrijk‟ uit bijlage 4. talrijk (T): soorten (of andere indicatoren) die talrijk voorkomen (21-100), maar die niet significant bedekkend zijn (dus duidelijk minder dan 10 %). Meestal gebruikt als „minimaal talrijk‟ en dan overeenkomend met „talrijk‟ uit bijlage 4.

-

verstoringsindicatoren de grens zijn tussen de gunstige en ongunstige lokale staat wanneer het gaat om soorten die van nature een lage bedekkingen hebben in het habitattype; voor soorten die van nature een aanzienlijke bedekking hebben wordt dan stelselmatig 50% als grenswaarde vooropgesteld; wijst enkel sterke dominantie van één (of een groep) soort(en) op bv. verstoring dan wordt de grenswaarde op 70 % gesteld; grenswaarden van 70% kunnen echter ook als minimum gesteld worden bij bv. sleutelsoorten wanneer zulke hoge bedekkingen vereist zijn voor een gunstige staat (bv. 70% grondvlak van standplaatseigen boom- en struiksoorten bij bossen). 2.3.3. Habitatstructuur

Voor deze klassegrenzen wordt uitgegaan van een perceelgrootte van om en bij 1 ha. Indien het beoordeelde perceel in belangrijke mate afwijkt van 1 ha dienen de klassegrenzen evenredig aangepast te worden. Voor de stilstaande wateren is er een specifieke bedekkingsschaal gebruikt die wordt toegelicht in de inleiding van de betreffende habitatgroep. Indien uit de gebruikte bronnen voor de opmaak van de habitatfiches af te leiden is dat aan- of afwezigheid en frequentie op zich niet volstaan voor een beoordeling, maar dat rekening moet gehouden worden met de bedekking van het criterium of de indicator, dan worden standaard de BioHab/EBONE grenswaarden 10 % - 30 % - 50 % - 70 % gebruikt (zie bv. Tabel 4 en de daarop volgende voorbeelden). We hanteren daarbij volgende redenering: geven de bronnen duidelijk aan dat reeds een lage bedekking indicatief is, bv. van storingsindicatoren, dan wordt de grenswaarde op 10 % gesteld (laagste bedekkingsklasse die we weerhouden); voor vele habitattypen is het logisch dat het habitattype in ongunstige staat is van zodra de voor het habitattype verwachte sleutelsoorten niet meer het hoofdaandeel hebben, en er een mix (zie § 2.3.1 onder BioHab/EBONE) is met soorten die bv. wijzen op vergrassing, verbossing, verruiging, …; in zulke gevallen zal in de beoordeling een grenswaarde van 30 % bedekking van

Onder habitatstructuur worden alle te beoordelen criteria beschreven die betrekking hebben op de opbouw van het habitattype. Bijvoorbeeld „doorzicht‟ bij een aantal habitattypen van de zoete wateren, de ouderdomsstructuur van een heide, naakte bodem in (land)duinen, aandeel dood hout in bossen, … Hiertoe behoren ook de processen die een belangrijke invloed uitoefenen op de habitatstructuur voor zover het geen directe verstoringen betreft. Dit kunnen zowel natuurlijke (bv. windwerking, natuurlijke successie, …) als antropogene (bv. beheer) processen zijn. Indien mogelijk wordt het resultaat van zo‟n structuurbepalend proces beoordeeld i.p.v. het proces op zich, gezien dit vaak eenvoudiger vast te stellen en te beoordelen is. Een adequate habitatstructuur is essentieel om leefbare populaties van typische soorten te huisvesten. In die zin betreft het indicatoren die de geschiktheid van een habitattype voor haar typische soorten benaderen. Dit gaat vooral op voor een aantal van de weinig mobiele (kleinere) organismen. Een voldoende hoeveelheid dood hout in bossen leidt tot een heel specifieke, erg lokale gemeenschap aan organismen, zogeheten „guilds‟ (talrijke ongewervelden, zwammen, …), waarbij staand en liggend, dik en dun dood hout elk een ander type levensgemeenschap kunnen herbergen. Open stuifduin, mosduin en door hogere planten gefixeerd duin herbergen elk hun eigen organismen en de overgangen tussen deze ontwikkelingsfasen kunnen weer belangrijk zijn voor andere soorten. De selectie van criteria voor habitatstructuur is vaak net op

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 31 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

deze aspecten gebaseerd en in de mate van het mogelijke, binnen de gestelde algemene principes (zie 2.3.1) worden er voor zoveel mogelijk verschillende levensgemeenschappen afzonderlijke structuurindicatoren opgevolgd. Een gunstige toestand ervan schept dan meteen gunstige voorwaarden voor een hele reeks soorten. Specifieke aandacht dient te gaan naar het voorkomen van waardevolle gradiënten binnen of tussen habitat(sub)types. Doorgaans zijn dit op zich habitats voor zeer specifieke soorten. Omwille van een LSVIbeoordelingskader dat gebaseerd is op een vegetatiekundige classificatie bestaat het risico dat dergelijke gradiënten negatief beoordeeld kunnen worden. Dit kan nooit de bedoeling zijn. Er dient over gewaakt dat dit niet het geval is door voldoende aandacht aan de habitattypering te besteden en/of desgevallend de gradiëntzone buiten de beoordeling te laten. Bv. een natuurlijke gradiënt in grondwaterinvloed binnen een schraalgraslandperceel mag niet foutief geïnterpreteerd worden als een vernattig of verdroging voor respectievelijk 6230_hn of 6230_hmo. Een goede afbakening van de habitattypen kan dit probleem al grotendeels voorkomen en indien er dan nog een brede overgangszone tussen beide aanwezig is, wordt deze best voor de betreffende indicator buiten beschouwing gelaten. Aanwezigheid van dergelijke overgangen zijn niet noodzakelijk een vereiste voor een gunstige staat van instandhouding maar zij vertegenwoordigen doorgaans wel een na te streven niveau van biodiversiteit binnen het gunstige bereik. Zulke gradiënten detecteren en onderscheiden van negatieve overgangen vereist een zeker landschapsecologisch inzicht van de LSVI-waarnemer. 2.3.4. Vegetatie De ontwikkeling van de vegetatie is een essentieel onderdeel bij de beoordeling van de lokale staat van instandhouding. De vegetatie wordt enerzijds bepaald door soorten die we verwachten of nastreven voor een habitat (positieve indicatoren voor ontwikkeling), anderzijds door storingsindicatoren (negatieve indicatoren voor ontwikkeling; § 2.3.5). Sleutelsoorten Sleutelsoorten in de context van dit rapport mogen niet verward worden met soorten om het habitattype te herkennen/determineren.

Habitattypen kunnen omschreven worden met behulp van ken- en differentiërende soorten, zonder dat al die soorten een relatie hebben tot de kwaliteit van een habitattype. Ondanks een hoge mate van overlap dienen sleutelsoorten om via positieve criteria voor vegetatieontwikkeling te sleutelen tussen een gunstige of ongunstige lokale staat van instandhouding. Er wordt voor het opmaken van de lijsten van sleutelsoorten in belangrijke mate geput uit de habitattypische florasoorten (Oosterlynck et al., 2013) en de soorten gehanteerd in de determinatiesleutels (www.inbo.be/nl/handleiding-enveldsleutels). Dit zijn soorten die niet alleen in relatie staan tot een goede ontwikkeling van de vegetatie, maar daarenboven in Vlaanderen in hoofdzaak voorkomen in het betreffende habitat(sub)type. Ook andere soorten, met soms betere indicatie van de lokale toestand, kunnen geselecteerd worden. Sleutelsoorten zijn vooral geselecteerd uit de hogere planten. Mossen zijn echter voor sommige habitattypen essentieel om een kwaliteitsaspect te kunnen evalueren (bv. habitattype 7220 (kalktufbronnen), habitattypen 2130 (duingraslanden van kalkarme en zure milieus), 4010 (Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix), verschillende veenhabitattypen, 91E0_vo (oligotroof broekbos), e.a.). In enkele gevallen worden bijkomende sleutelsoorten uit de mossen en fungi meegegeven ter informatie. Grenswaarden voor de beoordeling van de lokale toestand aan de hand van sleutelsoorten. Ook al zijn de milieuomstandigheden optimaal, het is nooit zeker dat via gericht beheer of herstelmaatregelen een specifieke soort zich zal (her)vestigen. Dit hangt immers ook af van niet of weinig stuurbare biologische processen als dispersie en levensduur van zaden en sporen. Soorten komen niet overal van nature in dezelfde mate voor. Soortenrijkdom en -samenstelling van habitattypen in een gunstige of goede staat kan ook onder natuurlijke omstandigheden variëren. Bijgevolg moeten niet alle opgesomde sleutelsoorten samen voorkomen op een bepaalde habitatlocatie om er in een gunstige toestand te verkeren. Het volstaat dat een (vaak beperkt) aantal van de vermelde sleutelsoorten aanwezig zijn voor een gunstige lokale toestand. Tussen regio‟s in Vlaanderen kunnen er binnen eenzelfde habitattype grote verschillen in soortenrijkdom optreden: wat in de ene regio zeer

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

soortenrijk heet, kan in de andere regio ondermaats zijn. Omgaan met deze natuurlijke variatie in een generiek beoordelingskader is een uitdaging zonder kant-en-klare oplossing. De grenswaarden zijn geformuleerd op basis van de minst soortenrijke vormen binnen de natuurlijke range van een bepaald type. Voor meer soortenrijke varianten betekent deze grenswaarde dus mogelijk een zekere onderschatting van de gunstige toestand en kan overwogen worden om lokaal een bijstelling door te voeren. „Aanwezigheid‟ van een sleutelsoort is zelden een voldoende maatstaf, omdat bv. net een voldoende aantal exemplaren van alle sleutelsoorten samen op een gunstige toestand duidt. Bijgevolg wordt er meestal niet alleen gesleuteld met het aantal soorten, maar moeten deze soorten in in een zekere hoeveelheid/bedekking (bv. minimaal talrijk) aanwezig zijn. In sommige gevallen wordt de bedekking van de sleutelsoorten gehanteerd als „het procentueel aandeel sleutelsoorten binnen de totale bedekking van de kruidlaag‟ (bv. bij boshabitats). De gehanteerde grenswaarden zijn voor veel habitattypen ontstaan uit „analyse van basisdata‟ (vegetatiekundige clustertechnieken en ordinaties op een uitbreidende set van Vlaamse vegetatieopnames) of expertoordeel (zie § 2.1). De resultaten van dergelijke analyses of expertinschattingen zijn dan ook nog vergeleken met andere informatie uit Vlaamse en buitenlandse publicaties of databanken. 2.3.5. Verstoring Bij verstoringen wordt als criterium doorgaans het gevolg van de verstoring gemeten op de vegetatiesamenstelling aan de hand van soorten (storingsindicatoren) die op deze verstoring duiden. Dit is een efficiënte werkwijze omdat deze relatief eenvoudig vast te stellen zijn in het veld. Voorbeelden hiervan zijn vergrassing als criterium voor de beoordeling van verdroging in welbepaalde habitats of verruiging als criterium voor de beoordeling van een te extensief beheer. Deze werkwijze wordt gehanteerd omdat het rechtstreeks meten van milieudrukken (lange) tijdsreeksen vergt en een bepaling met één terreinbezoek dus uitsluit. Daarbij dient er rekening mee gehouden te

worden dat verschijnselen als vergrassing en verruiging relatief gemakkelijk vastgesteld kunnen worden, maar de oorzaken hiervan divers en uiteenlopend kunnen zijn (beide verschijnselen kunnen bv. het gevolg zijn van eutrofiëring, waterpeilverlaging, uitblijven van beheer, … of van een combinatie van al deze factoren). Bijkomende moeilijkheid is dat er tussen het optreden of verdwijnen van verruiging, vergrassing, … een vertragend effect (na-ijleffect) zit en het effect van de verstoring (of het herstel) mogelijk pas tot uiting komt nadat een milieudruk al enige tijd gewijzigd is. Tot slot dient er ook rekening gehouden te worden met vegetatiegemeenschappen die zich in een zogenaamde „alternatieve (stabiele) toestand‟ bevinden (bv. heldere/troebele toestand van ondiepe meren, Fe-toxiciteit bij laagveenmoerassen, …). Dit maakt dat we wel een duidelijke lijst van negatieve indicatorsoorten kunnen opstellen, maar dat hun status als indicator voor een specifieke druk vaak minder eenduidig is en dat er een mogelijke vertraging of blokkade op hun indicatie zit. De percentages die voor de criteria worden vermeld in de beoordelingstabel hebben betrekking op de gezamenlijke bedekking van deze storingssoorten in de habitat (zie § 2.3.2 voor de principes van de gehanteerde grenswaarden, de inleidende paragrafen bij de fiches per habitatgroep en de kolom „Opmerkingen‟ in de fiches zelf). Tabel 4 vat de toepassing volgens de algemene principes (zie § 2.3.2)

samen in relatie tot storingsindicatoren. In onderstaande paragrafen wordt een aantal voorbeelden van verstoringscriteria en hun grenswaarden gegeven en beargumenteerd. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van de grenswaarden voor verstoringen die bij de verschillende habitattypen voorkomen. Eutrofiëring en verruiging in habitattypen van voedselrijke versus voedselarme milieus (zie bijlage 3 voor een overzicht, bijlage 5 voor definities) In een aantal habitattypen van de stilstaande wateren, graslanden en moerassen treden soorten op die ondubbelzinnig wijzen op eutrofiëring, zodat eutrofiëring daar rechtstreeks als criterium in de beoordeling kan benut worden. In andere habitattypen leidt eutrofiëring tot verruiging, of

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 33 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

vergrassing wat evenwel ook door andere milieuverstoringen veroorzaakt kan worden. Dan is verruiging als verstoringscriterium gebruikt en doen we in de matrices verder geen uitspraak over de achterliggende oorzaak. Bij de moerassen en graslanden is verruiging overigens in de eerste plaats een beheer gerelateerd fenomeen en wordt eutrofiëring indien haalbaar als afzonderlijke criterium behandeld. Verruiging in bossen en duinen heeft dan weer vooral te maken met stikstofdepositie en/of verdroging, maar kan ook het gevolg zijn van eutrofiëring door grond- en/of oppervlaktewater. In oligotrofe milieus ontbreken eutrofiërings- en verruigingsindicatoren onder natuurlijke omstandigheden. Deze habitattypen zijn bovendien ook zeer gevoelig voor voedselaanrijking. Zelfs bij een lichte eutrofiëring nemen de daarmee gepaard gaande indicatoren snel toe in frequentie en/of bedekking. Ook voor verruiging geldt de redenering dat de gebruikte indicatorsoorten in hoofdzaak gebonden zijn aan voedselrijke milieus waardoor ze zowel bij gebrek aan beheer, eutrofiëring of andere drukken sneller indicatie geven in voedselarme dan in voedselrijke systemen. Dit resulteert in zeer lage grenswaarden voor de bedekking van deze indicatoren in habitattypen van voedselarme milieus. Zoals boven gesteld wordt dan 10 % als grens gehanteerd tussen een gunstige en ongunstige lokale staat (Tabel 4). Voorbeelden: eutrofiëring bij wateren, graslanden en moerassen van voedselarme milieus (habitattypen 3110, 3130, 3140, 3160, 6120, 6210, 6230 en 6410, 7110, 7140, 7150, 7220, 7230); verruiging bij bossen van stikstof- en fosforarme milieus (habitattypen 9110, 9120, 9190, 91E0_vo); verruiging bij heiden en graslanden en moerassen van voedselarme milieus (habitattypen 2310, 1030, 6120, 6210, 6230, 6410, 7140_oli, 7210). Bij habitattypen die typisch zijn voor (matig) voedselrijke omstandigheden kunnen eutrofe, verruigende en ruderale soorten van nature voorkomen in beperkte mate. Daarom wordt de grenswaarde tussen gunstige en ongunstige lokale staat voor deze vegetatietypes op 30 % gesteld voor eutrofiëring of verruiging. Bij een dominantie van bv. eutrofiëringsindicatoren (50 à 70 %) zal er minder of nog nauwelijks sprake zijn van deze habitattypen.

Voor ruigtevegetaties, typisch voor van nature (zeer) voedselrijke milieus is de situatie mogelijk nog extremer: daar vormen ruigtekruiden de normale vegetatie. Dit is het geval voor de voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones (habitattype 6430) of ruigt elzenbos (91E0_vn). Hier zijn als indicatoren de meest nitrofiele soorten geselecteerd, zoals akkerdistel en grote brandnetel, die op verruiging duiden (door eutrofiëring en/of verdroging) wanneer ze een belangrijk aandeel in de vegetatie krijgen. De grenswaarde van 30 % vormt ook voor deze selectie van soorten de grens tussen gunstig en ongunstig. Bij bossen rijk aan ruigtekruiden (zachthout- en hardhouthooibossen, 91E0_sf, 91E0_vn en 91F0 met o.a. Grote brandnetel en Kleefkruid) zijn de ruderale soorten ook van nature in belangrijke mate aanwezig en treedt een ongunstige toestand op wanneer ze gaan domineren. Om die reden wordt hier een afwijkende grenswaarde van 50 % bedekking gesteld. Vergrassing (inclusief vervilting) (zie bijlage 3 voor een overzicht en bijlage 5 voor definities) Vergrassing en vervilting zijn op te vatten als specifieke gevallen van verruiging, namelijk verruiging door specifieke grasachtigen (in hoofdzaak de echte grassen Poaceae). In vele habitattypen is een belangrijk aandeel aan grassoorten een indicatie van verstoring vanwege bv. atmosferische stikstofdepositie, verdroging, uitblijven van beheer, … . Net zoals bij verruiging geeft vergrassing dus uiting aan verschillende potentiële drukken. Bovendien is vergrassing mogelijk het gevolg van dezelfde drukken die ook tot verruiging leiden (bv. Gevinde kortsteel die als vergrassingsindicator uiting geeft aan eutrofiëring, maar bij een gebrek aan beheer een verruiger is in dezelfde milieus). Verschillende grassoorten kunnen indicatief zijn voor verschillende verstoringen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Tabel 4 - Standaardisatie van grenswaarden bij verstoring (zie § 2.3.2 en tekst in deze paragraaf voor verduidelijking en voorbeelden)

grenswaarde 70 % de indicatoren vormen samen de bulk van de vegetatie

50% mix van storingsindicatoren en andere (sleutel)soorten

30 % de indicatoren hebben samen een beperkte dekking

10 % de indicatoren zijn weinig talrijk, talrijk of hooguit met lage (<10%) bedekking aanwezig

Toepassing indicatoren die van nature in belangrijke mate in het habitattype aanwezig kunnen zijn, maar pas bij sterke dominantie wijzen op een lokaal ongunstige toestand indicatoren die van nature in belangrijke mate in het habitattype aanwezig kunnen zijn, maar reeds bij dominantie wijzen op een lokaal ongunstige toestand indicatoren die van nature slechts in beperkte mate deel uitmaken van het habitattype, maar reeds bij matige aanwezigheid wijzen op een ongunstige toestand indicatoren die van nature zelden of nooit deel uitmaken van het habitattype, maar reeds bij beperkte aanwezigheid wijzen op een ongunstige toestand

voorbeeld - dominantie van een soort in schorren, drijftillen, en overgangsveen

- dominantie van pijpenstrootje of een ander gras in habitattypen waar deze van nature ook abundant kunnen zijn (verruiging, eutrofiëring in heiden en graslanden) -verruiging of eutrofiëring in (matig) voedselrijke milieus; -verzuring in van nature (zwak) gebufferde waterlichamen - strooisellaag bij moerassen -verruiging in voedselarme milieus -eutrofiëring in van nature voedselarme waterlichamen - strooisellaag bij de meeste graslanden

Bij graslandhabitats hangt dominantie van bepaalde grassoorten samen met een indicatie van verstorende processen en het accumuleren van onverteerd strooisel (bv. van struisgrassoorten, Gestreepte witbol, Glanshaver). Dit wordt „vervilting‟ genoemd, vanwege de structuur van de grasmat die zo ontstaat. Omdat we dit criterium meten als bedekking van grasachtigen (meer bepaald vanaf relatief hoge bedekkingen) wordt vervilting doorgaans geïntegreerd met vergrassing. Individuele grassoorten komen van nature veelal in relatief lage bedekkingen (bv. 10 à 20 %) voor in kwaliteitsvolle graslanden. Goed ontwikkelde (half)natuurlijke graslanden herbergen meestal een mix van diverse grassoorten. Bij habitattypen waar grassoorten van nature een normaal onderdeel vormen (graslanden, Pijpenstrootje in heiden) wordt de grenswaarde voor vergrassing op 50% gesteld. Immers, bij sterke dominantie van de betreffende grassoorten (bv. 70 %) zijn de sleutelsoorten sterk teruggedrongen. Dergelijke samenstelling is typisch voor zwak ontwikkelde vormen van habitattypen. Wanneer Pijpenstrootje in voedselarme graslanden (6230_hmo, 6410) gaat domineren wijst dit op verstoringen als verzuring, verdroging en/of atmosferische stikstofdepositie. Pijpenstrootje is hier evenwel ook een soort die van nature een belangrijk aandeel kan innemen, waardoor een grenswaarde van 50 % plausibel is. Een gelijkaardige redenering geldt ook voor vergrassing bij kalkminnend grasland op dorre zandbodem (6120), zij het met andere indicatorsoorten. Heidehabitats (2310, 4010, 4030, 5130) worden gekenmerkt door een dominantie van dwergstruiken. Dominantie van Pijpenstrootje wijst ook hier op verstoring, maar kan ook zonder verstoring een hoge bedekking vertonen. Daarom werd beslist dat een heide in een gunstige lokale staat is bij dominantie van dwergstruiken en ongunstig is bij dominantie van grassen. De grenswaarde tussen gunstige en ongunstige lokale toestand ligt hier bijgevolg ook op 50 %. Hoewel andere habitattypen ook grasachtigen als sleutelsoorten kunnen hebben zijn de vergrassende grassoorten van nature afwezig of slechts

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 35 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

in beperkte hoeveelheid aanwezig, zodat daar de grenswaarde op 30% gesteld wordt. Bij sommige venen is de grenswaarde voor het criterium vergrassing op maximaal 10% en dus extra streng gesteld (zie hoofdstuk 10 voor een verklaring). Verzuring (zie bijlage 3 voor een overzicht) Onder verzuring wordt doorgaans zowel atmosferische stikstofdepositie als een mogelijke daling van de pH van het systeem verstaan. Het eerste gaat meestal gepaard met eutrofiëring, verruiging, vergrassing en zal ook via deze criteria geduid worden. Het tweede effect is normaal enkel relevant bij van nature uit zwak gebufferde systemen. Als gevolg hiervan gaan bepaalde soorten die van nature vaak beperkt aanwezig zijn, in abundantie toenemen en gaan de meer kritische sleutelsoorten afnemen of verdwijnen. Een grenswaarde van 30% is in deze omstandigheden logisch (zie Tabel 4). Er kan opgemerkt worden dat habitats ook op natuurlijke wijze kunnen verzuren, maar dergelijke processen hebben doorgaans een veel beperkter effect. Een lokale hoge bedekking van de verzuringsindicerende soorten kan ook samenhangen met de van nature abiotische omstandigheden op een bepaalde locatie of op overgangen naar andere vegetatietypes. (zie ook meer algemeen verder bij Successie in, en overgangsvormen tussen vegetatietypes) Verbossing (zie bijlage 3 voor een overzicht) In open vegetaties (graslanden, heiden, moerassen, de open duinhabitats) leidt een toename van het aandeel struiken en bomen tot een successie naar een ander (habitat)type. Bomen en hoge struiken maken normaal geen, of slechts in beperkte mate deel uit van dergelijke open vegetaties. Een toename van houtige gewassen moet derhalve als een degradatie van deze types beschouwd worden. Het kappen en verwijderen van bomen en struiken vereist hier een langdurige herstelperiode en een quasi permanent onderhoudsbeheer. Rekening houdende met de bovengestelde 10 % - 30 % - 70 % regel wordt in al deze matrices de grens tussen gunstig en ongunstig standaard op 10 %

geplaatst, behalve bij type 6430 waar het om zoomvormende vegetaties en natte ruigten gaat waarbij een zekere mate van verbossing karakteristiek is. De openheid van deze habitattypen is dan ook essentieel (veel sleutelsoorten zijn lichtminnend). Anderzijds kan het beperkt voorkomen van struiken of bomen onder een gunstige lokale toestand vallen omdat een beperkte verbossing/verstruweling mogelijk moet zijn en dit voor de biodiversiteit (bv. insectenrijkdom, bepaalde vogelsoorten) zelfs een specifieke doelstelling kan zijn. Daarom wordt voor enkele habitattypen de kanttekening gemaakt dat omwille van structuurvereisten voor typische fauna kan afgeweken worden van de grenswaarde en een verbossing van bv. 30% verenigbaar blijft met een gunstige evaluatie voor dit criterium. Bij de beoordeling van verbossing worden soms specifieke struweelsoorten (gagel, duindoorn, …) niet mee in rekening genomen. In heiden worden eveneens oude individuele bomen en boomgroepen (<400m²) niet meegeteld voor het criterium, omwille van hun belang voor de fauna. Al deze afwijkingen worden geduid in de tabellen onder „opmerkingen‟ bij het criterium. In hoogveen (habitattype 7110) wordt de grenswaarde op 1% gesteld omwille van het sterk negatieve signaal dat hiermee gepaard gaat. Verbossing kan hier immers enkel samengaan met verdroging, wat meteen onherstelbare schade aan het habitattype met zich mee brengt. Bij drijftillen (sommige vormen van 7140) kan verbossing leiden tot verankering van de drijftil in het mineraal substraat, waardoor deze meteen onderhevig wordt aan mogelijke inundatie of uitdroging en bijgevolg aan vernietiging. Het risico op een langdurige structuurbeschadiging is bovendien groot bij het arbeidsintensieve verwijderen van struiken en bomen. Voor stuifduinen aan de kust of in het binnenland (habitattypen 2120 en 2330) wijst verbossing op een verregaande vorm van fixatie en dus verlies van de noodzakelijke dynamiek. Het leidt normaliter tot een volgend successiestadium, dat enkel terug te zetten is naar stuifduin door kordaat de verbossing te verwijderen. Ook hier leidt om die redenen een verbossing van 10 % of meer tot een ongunstige lokale toestand. Bij kuststuifduin ontstaat verbossing vaak uit opschietend rijshout.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Invasieve en niet-invasieve plantenexoten De aanwezigheid van invasieve plantenexoten wordt voor nagenoeg alle habitattypen op eenzelfde wijze beoordeeld. Zulke soorten kunnen door hun invasief karakter op korte termijn leiden tot een sterke degradatie van het habitattype. Een minimale aanwezigheid houdt dus reeds een risico in. Remediëring is doorgaans enkel in een zeer vroeg stadium van kolonisatie door deze soorten effectief gebleken. Bijgevolg is afwezigheid van invasieve exoten een vereiste voor een gunstige lokale staat. In de enkele gevallen waar afgeweken wordt van deze grenswaarde (bv.verschillende invasieve boskruiden, een aantal waterplanten, reuzenbalsemien …) heeft dit te maken met een pragmatische keuze omwille van beheersbaarheid van deze soorten in relatie tot de grootteorde van het negatieve effect dat ze hebben bij een (zeer) beperkte aanwezigheid. „hoogstens zeer schaars‟ wordt daarom als grenswaarde gehanteerd voor de kruidlaag in bossen en bij habitats van voedselrijke slilstaande wateren, rivieren en hun uiterwaarden. In geval van het invasie mos Grijs kronkelsteeltje (stuifzand-habitats) en invasieve struiken en bomen in bossen treedt een significante impact (beïnvloeding van de natuurlijke processen) op vanaf ze beginnen te bedekken (met als grenswaarde maximaal 10%); ze tot zulk niveau terugdringen is voor vele van de betreffende soorten haalbaar zonder hoog frequente maatregelen. De impact van niet-invasieve plantenexoten in beperkte hoeveelheden heeft voor zover bekend weinig negatieve effecten. Wanneer ze een hoge bedekkingsgraad bereiken kan er wel impact zijn op de vegetatie, louter omwille van niet-invasieve competitie qua ruimte en grondstoffen en is bovendien een herstelperiode nodig na het beheermatig verwijderen ervan. Daarom wordt voor zulke exoten vanuit een voorzichtigheidsprincipe de grenswaarde standaard op 10 % vast gelegd. (bv. Smal vlieszaad (Corispermum leptopterum), Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens), Canadese fijnstraal (Conyza canadensis), …). Deze groep soorten levert vandaag evenwel slechts bij een beperkt aantal biotopen problemen op, met name bij een aantal duinhabitattypen. De lijsten van invasieve soorten zijn gebaseerd op de „zwarte lijsten‟ samengesteld door het Belgisch forum over invasieve soorten

(http://ias.biodiversity.be/). Sinds januari 2015 is de Europese verordening „Regulation on Invasive Alien Species‟ van kracht. Deze bevat maatregelen om nieuwe invasieve exoten uit de EU te weren en om de soorten die in Europa al vaste voet aan de grond hebben, beter te beheersen. In deze verordening is een soortenlijst van invasieve exoten (of black list species) opgenomen waarvoor in elke lidstaat controlemaatregelen genomen moeten worden (http://ec.europa.eu/environment/nature/invasivealien/list/index_en.ht m). De soorten op deze lijst zijn indien relevant opgenomen in deze versie van de beoordelingstabellen. Indien de lijst in de toekomst wordt aangepast of indien er zich andere, nieuwe invasieve exoten vestigen in Vlaanderen dient men deze aan de huidige lijst indicatorsoorten toe te voegen. Om die reden zijn de huidige lijsten als niet-exhaustief te beschouwen en kunnen er (lokaal) probleemsoorten opgenomen worden die niet expliciet zijn opgesomd. Successie in, en overgangsvormen tussen vegetaties Natuurlijke successie, of via doelbewust beheer gerealiseerde wijzigingen in de vegetatie, kunnen overgangen tussen habitattypen in de tijd veroorzaken. Overgangen in de ruimte kunnen het gevolg zijn van gradiënten in het milieu, intermediaire milieuomstandigheden of beheer. Dergelijke overgangen hebben niet per definitie te maken met verschillen in habitatkwaliteit of met degradatie. Integendeel, vaak dragen ze bij tot het verhogen van de biodiversiteit. Dit maakt dat zulke overgangen tussen habitat(sub)types in veel gevallen als een positieve ontwikkeling moeten beschouwd worden. Bij de selectie van criteria en de invulling hiervan en bij de opmaak van de beoordelingstabellen is hiermee in sommige gevallen rekening gehouden, maar het blijft evenwel essentieel om bij het beoordelen van de toestand van habitats aandachtig te zijn voor gradiënt- en overgangssituaties teneinde deze zeker niet onterecht als ongunstig te evalueren (bv. verschijnen sleutelsoorten van een ander vegetatietype, hoger aandeel vochtindicatoren in lager gelegen delen, enz.). In hoog-dynamische milieus als de kustduinen, slikken, schorren en grindbanken kunnen de evoluties zo snel gaan dat successie wel wijst op degradatie en zelfs het verdwijnen van een habitattype, weliswaar vaak ten voordele van een ander vegetatietype dat evenzeer tot de Europees te beschermen habitats kan behoren. Zo verdwijnen de habitattypen stuifduin (kust en binnenland) bij al dan niet biogene fixatie. Bijgevolg

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 37 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

wordt fixatie van stuifduin gebruikt om de degradatie van dit type aan te duiden, hoewel het dan in volle successie is naar bv. het habitattype 2130 (duingrasland) of het habitattype 2160 (duinen met Duindoorn). Een ander voorbeeld van successie in hoog-dynamische milieus is de vestiging van pioniersvegetatie op slik. Dit leidt de successie in naar schor en bijgevolg tot een (snelle) verdwijning van het slik, en aanwas van een volgend successiestadium, habitattypen 1310, 1320 en uiteindelijk 1330. Zoals boven vermeld, wordt verbossing van open vegetaties wel als een nadelige successievorm voor deze habitats beoordeeld. Bij omvormingsbeheer of inrichting van nieuw habitat is het logisch dat de toestand in aanvang ongunstig is, of er zelfs nog geen sprake is van habitat. Sommige typen kunnen snel ontwikkelen, bij andere kan de evolutie naar een gunstige toestand, zelfs onder optimaal milieu en beheer jaren tot decennia duren. Vanzelfsprekend wordt de LSVI bepaald op basis van de toestand op het ogenblik van de opname. Maar bij het afwegen van de implicaties van een vastgestelde ongunstige toestand is het noodzakelijk rekening te houden met dergelijke aspecten.

2.4. Beoordeling ruimtelijke samenhang

individuele habitatvlek, maar wel een geheel van habitatvlekken die structureel en/of functioneel verweven zijn door de ogen van de erin voorkomende organismen. We hanteren daarom in het kader van het LSVI-beoordelingsinstrumentarium het concept van een functionele habitatcluster (zie verder §2.4.3). Bij een beoordeling van de ruimtelijke samenhang in het kader van bepaling van de lokale staat van instandhouding zullen we dus uitspraak doen als „een habitatvlek X maakt onderdeel uit van functionele habitatcluster waarvan de ruimtelijke samenhang gunstig/ongunstig beoordeeld wordt‟.

Rekening houden met trends in ruimtelijke samenhang en oppervlakte is alleen mogelijk wanneer vergelijkbare gegevens over verschillende tijdstippen beschikbaar zijn. Daartoe is het nodig om bij de kartering volgens een herhaalbare manier te werk te gaan. Trends kunnen dan weergegeven worden in termen van bv. gunstig - verslechterend (G-) of ongunstig – verbeterend (O+) (zie ook §1.2).

2.4.2. Algemene principes uit de landschapsecologie

2.4.1 Inleiding Een gunstige toestand op het vlak van habitatstructuur, abiotische verstoringen en vegetatiesamenstelling betekent nog niet dat het lange termijn voortbestaan van de erin levende organismen gegarandeerd is. Daartoe dient onder meer ook rekening gehouden te worden met de ruimtelijke context waarin het habitattype voorkomt. Immers, het verlies aan soorten en de toename van bedreigde soorten is in belangrijke mate het gevolg van habitatverlies en de daarmee gepaard gaande fragmentatie en isolatie van populaties (European Environmental Agency, 2011). Een beoordeling van de ruimtelijke context van een individuele habitatlocatie dient per definitie te gebeuren in relatie tot de omgevende landschapsmatrix. Daardoor is de schaal van beoordeling zelden een

Sinds de theorie van de eiland-biogeografie (MacArthur& Wilson 1967) wordt ook in de landschapsecologie doorgaans geredeneerd in termen van land-eilanden met betrekking tot habitatfragmentatie. Een klassieke soorten-oppervlakte curve, gekarakteriseerd door een relatief evenwicht tussen extinctie en kolonisatie, wordt in een eilandbiogeografische context beïnvloed door de mate van isolatie of afstand tussen deze (land-)eilanden en dit in een „min of meer isolerende‟ matrix. Meer recent wordt van dit eenvoudige model afgeweken en worden de landeilanden beschouwd als omgeven door een lappendeken van vlekken met variabele permeabiliteit die zelfs aantrekkingskracht uit kunnen oefenen bv. in het geval van een ecologische val. Met de metapopulatie theorie wordt in de begin jaren 1970 de focus verlegd van aantallen soorten naar populaties van soorten en het duurzaam voortbestaan ervan. Hierbij zijn grootte van, en afstand tussen leefgebieden opnieuw de fundamentele parameters en worden concepten als stapstenen, kern-

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 305

een een een als

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

en satellietpopulaties geïntroduceerd. Sinds begin van deze eeuw is dan de metapopulatietheorie uitgebreid naar het niveau van soortensets in de zogeheten metagemeenschaptheorie. Sterk veralgemenend kunnen heden volgende conclusies qua ruimtelijke context met betrekking tot de biodiversiteit gemaakt worden: • grotere habitatvlekken hebben meer soorten / grotere populaties (belang oppervlakte); • nabijgelegen habitatvlekken hebben meer soorten / grotere populaties (belang verbondenheid); • habitatvlekken met weinig rand (verhouding omtrekoppervlakte) hebben veelal meer soorten / grotere populaties (belang terugdringen negatieve randeffecten). 2.4.3 Functionele habitatcluster Voor de evaluatie van de ruimtelijke samenhang van een habitattype is niet het niveau van een individuele habitatvlek relevant maar wel het functionele netwerk aan gelijkaardige en verwante biotopen en hulpbronnen waarbinnen deze vlek gelegen is. De mate van verwantschap van die biotopen is functie van de levensbehoefte van de soorten die in hoge mate aan dat specifieke habitattype gebonden zijn. Het ruimtelijk afbakenen van de habitat van één soort is vaak erg lastig omwille van de diverse hulpbronbehoeftes, de onzekerheid over de mate van ruimtelijk verbondenheid ervan (zie bv. Dennis et al. 2003), en het niet samenvallen ervan met de traditioneel gehanteerde biotoopclassificaties. Een valabel alternatief daartoe in het bestuderen van habitatfragmentatie is werken op het niveau van het landschap waarbij een aantal metrieken kunnen berekend worden (bv. patch cohesion index, edge density, number of patches, etc.) (o.a. Torrenta et al 2017, Bennett et al. 2006). Een multi-soorten benadering op deze schaal is eveneens veel logischer dan op het niveau van het leefgebied van de soorten. Bijgevolg hanteren we in het kader van de LSVI-module ruimtelijke samenhang het concept van een functionele habitatcluster (cf. „functional-resource based habitat‟ Dennis et al. 2003). Hieronder verstaan we een verzameling aan biotopen, die samen de nodige

hulpbronnen („resources‟) herbergen, vereist door (een set van) typische soorten van een specifiek habitattype12. M.a.w. is het de som van de habitats van (een set van) de typische soorten van een habitattype. Dit kan dus meer dan één biotooptype omvatten en doorgaans ook meer dan één vlek. Voor de toepassing in het kader van de lokale staat van instandhouding kunnen we een functionele habitatcluster dus ook definiëren als een groepering van verwante biotooptypes, die zich op een voor haar typische soorten overbrugbare afstand bevinden, en die de habitatvereisten of hulpbronnen van deze soorten (rusten, foerageren en voortplanten) voldoende herbergen. Zo komen bepaalde bosvogels immers niet uitsluitend voor in één boshabitattype, maar in het geheel van het boscomplex, de som van bosbestanden die op een overbrugbare afstand van elkaar gelegen zijn, en hebben ze daarbinnen nood aan verschillende bosontwikkelingsstadia. 2.4.4

Bestaande beoordelingskaders ruimtelijke structuur

Volgens de hierboven geschetste algemene biogeografische principes hebben we bij de beoordeling van de ruimtelijke samenhang idealiter informatie over de oppervlakte en de vorm van de functionele habitatcluster. Bijkomend kan ook de afstand (connectiviteit) tot de naburige functionele habitatcluster (kerncomplex) worden berekend. Het bepalen of deze parameters zich al dan niet in een gunstige staat van instandhouding bevinden, vereist, conform met de vegetatie-, structuuren verstoringsindicatoren, een maatlat waarbij een grenswaarde het gunstige van het ongunstige bereik afbakent. Daartoe ontbreken ons echter zowel de basisgegevens als het referentiekader om grenswaarden voor vorm of afstand te bepalen. Voor oppervlakte bestaat er echter wel cijfermateriaal voor Vlaanderen, en dit is ondermeer reeds gehanteerd bij de ecologische en socio-

Met typische soorten worden de voor het habitat typische soorten sensu largo bedoeld. Wanneer we het over de habitattypische soorten hebben betreft het een selectie uit deze typische soorten s.l. in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen volgens de criteria in De Knijf et al. (2012) en Oosterlynck et al. (2013). 12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 39 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

economische optimalisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, kortweg het kalibratiemodel genoemd (Poelmans et al. 2012, Poelmans et al. 2015). In dat model is gewerkt met een verrastering (1 ha) van de habitatkaart en worden aan elkaar grenzende habitatcellen van functioneel gelijkaardige types geclusterd. Door deze clusters af te wegen tegen vooropgestelde oppervlakte-eisen, en daarbij rekening houdend met bijkomende optimalisatiewensen13 is een optimale verdeling van de G-IHD-doelen berekend per SBZ. De oppervlaktegrenswaarden die in het model gebruikt worden zijn in eerste plaats gebaseerd op het handboek natuurdoeltypen van Bal et al. (2001). Hierin worden minimaal benodigde oppervlaktes van een biotooptype afgeleid nodig om respectievelijk een gemiddeld aantal (50%) of het merendeel (75%) van het aantal potentieel zich voortplantende faunadoelsoorten in stand te kunnen houden. Per habitattype zijn dus twee grenswaarden opgegeven die als volgt gehanteerd worden in het kalibratiemodel: één voor de oppervlakte waarbij minimaal 75% van de potentieel aanwezige faunadoelsoorten gedekt wordt (zgn. A-status), en één voor de ondergrens waarbij 50% van de potentieel aanwezige faunadoelsoorten voldoende oppervlakte ter beschikking hebben (zgn. B-status). De A-status is daarbij afgetoetst ten opzichte van de oppervlakte van de volledige functionele habitatcluster, dus inclusief alle verwante biotopen. De afweging voor de B-status gebeurt enkel op de oppervlakte van het habitattype zelf binnen zo‟n functionele cluster. Aan het cijfermateriaal uit het handboek natuurdoelttypes zijn een aantal aanpassingen doorgevoerd i.f.v. de karakteristieken van het kalibratiemodel: -indien een habitattype meerdere subtypes omvat met uiteenlopende oppervlaktergrenswaarden dan is de grenswaarde gebruikt van het meest voorkomende habitattype (bv. 6510, 7140); -indien meerdere habitattypen met uiteenlopende oppervlaktegrenswaarden werden samengenomen in het kalibratiemodel dan gelden eveneens de grenswaarden van het meest voorkomende habitattype;

bv. voldoende oppervlakte op plaatsen waar faunadoelsoorten voorkomen, minimale gevoelige doelen in de buurt van industrie en havens, pompkegels van waterwinningen, maximaal doelen bij de klassieke natuurterreinbeherende instanties, … 13

-bij de boshabitattypen werden de oppervlaktegrenswaarden voor de Bstatus gelijkgesteld aan de zogeheten minimum structuurarealen; -op basis van de eerste modelresultaten werden de oppervlaktegrenswaarden van de graslanden voor de B-clusters opgetrokken van 0,5 ha naar 2 ha; -alle drempelwaarden voor de B-clusters lager dan 1 ha werden opgetrokken naar de minimale modelresolutie, zijnde 1 ha. Een overzicht van de in Poelmans et al. (2015) gehanteerde waarden voor het oppervlaktecriterium wordt gegeven in Tabel 5. Verder onderzoek met betrekking tot de oppervlakte-grenswaarden is zeker nuttig om bv. de huidige grenswaarden uitvoeriger af te toetsen. In afwachting daarvan is het aangewezen om de bepaling van de ruimtelijke samenhang kritisch te evalueren en hierbij desgevallend een voorzorgsprincipe te hanteren. 2.4.3 Methodiek beoordeling ruimtelijke samenhang in het kader van de LSVI 2.4.3.1 Principe De methode die we naar voor schuiven om in het LSVIbeoordelingsinstrumentarium de ruimtelijke samenhang te beoordelen is omwille van het gebrek aan grenswaarden voor vorm en mate van isolatie, een louter oppervlakte-gestuurde evaluatie van de functionele habitatclusters. Werken met enkel oppervlaktewaarden houdt potentieel het gevaar in dat een gedeelte van het negatief effect van fragmentatie (deels) verwaarloosd wordt (Hanski 2015). Theoretisch is het bv. mogelijk dat je in een grote cluster van allerlei verwante types, gefragmenteerde habitatvlekken van één type binnen die cluster gaat optellen en zo tot een gunstige B status komt terwijl dit in realiteit niet het geval is. Bv voor de duinen kan zich dit stellen voor natte duinhabitats die onderling gefragmenteerd in een grote cluster van droge duinhabitats zijn ingebed. Veel landschapsmetrieken blijken echter sterk gecorreleerd te zijn met habitatoppervlakte, waardoor het afzonderlijke aandeel van fragmentatie-effecten op de soortenaantallen vaak moeilijk te onderscheiden is van het effect van de oppervlakte aan habitat (Wang et al. 2014). Anderzijds sluit een louter oppervlakte-gestuurde werkwijze goed aan bij de „habitat amount hypothese‟ (Fahrig 2013).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Tabel 5 - Overzichtstabel van de in Poelmans et al. (2015) gehanteerde grenswaarden (A en B-status) voor oppervlakte. De met een voetnoot aangeduide waarden zijn aangepast naar aanleiding van nieuwe inzichten in het kader van de toepassing voor de rapportage periode 2013-2019(Paelinckx et al., 2019). Habitattype

B-status oppervlakte

Habitattype

B-status oppervlakte

A-status oppervlakte

ha

ha

6430

2

30

A-status oppervlakte

6510

2

30 30

ha

ha

7110

0,5

1130

5

500

7140

0,5

5

1140

5

5000

7150

5

75

1310

5

30

7210

0,5

30

1320

5

30

7220

/

/

1330

5

30

7230

0,5

30

2110

1(1)

50(2)

8310

/

/

(3)

9110

40

150

50

9120

40

150

50

9130

20

150

9150

20

50

15

150

2120

5

2130

5

2150 2160

50

5 5

50

(4)

2170

5

30

9160

2180

30

150(5)

9190

40

150(6)

2190

5

50

91E0

15

150

5

50

91F0

15

150

2330

5

50

3110

0,5

5

3130

0,5

5

3140

0,5

5

3150

0,5

5

3160

0,5

5

3260

/

/

3270

0,5

5

4010

5

75

4030

5

50

5130

5

75

6110

/

/

6120

2

30

6210

2

30

6230

2

30

6410

2

30

2310

(1) 1 ha wordt naar voorgeschoven ipv 5, wat nog veel is voor een lineair habitat, maar anderzijds ook realistisch voor een goed functioneren; embryonale duinen vormen een min of meer lineair habitat en hebben daardoor geen grote lokale oppervlaktes. De totale oppervlakte aan de Belgische kust is 27 ha. (2) conform de overige open kustduinhabitats is een standaardgrootte van 50 ha van de functionele habitatcluster met strand en zeereepduin logisch (was 500 ha) (3) een grenwaarde van 500 ha (of zelf meer) is nodig voor landschapsvormende verstuivingsprocessen zoals de verstuiving in de 16-17de eeuw die aanleiding gaf tot het paraboolduinlandschap aan de westkust. Min of meer duurzame instandhouding van mesoschaal verstuiving is ook mogelijk binnen kleinere ruimtelijke eenheden, zeker in de zeereep, maar ook landinwaarts mits gunstige klimatologische randvoorwaarden en gepast beheer (zie bijvoorbeeld verstuivingen in Ter Yde). Op deze schaal is het in ieder geval mogelijk dat stuifduinen in goede SVI voorkomen. Daarom stellen we voor om ook hier de grenswaarde van 50 ha voor de A-cluster te hanteren. Deze grenswaarde wordt ook gebruikt voor binnenlandse stuifduinen, waar duurzame instandhouding gezien de windcondities nog moeilijker is dan aan de kust. (4) een grenswaarde van 150 ha, overgenomen van de standaardgrootte voor bossen is te groot voor duinstruweel, zowel op vlak van autonoom functioneren als op vlak van fauna. Duinstruwelen hebben een duidelijk andere fauna-samenstelling dan duinbossen (vooral zangvogeltjes met kleinere home-range). Conform de andere (open) duinhabitats stellen we de A-cluster (bestaande uit duinstruweel en duinbos) voor struweel op 50 ha. (5) conform de standaard voor andere bossen wordt die op 150 ha gezet (ipv. 300 ha) (6) uniform gesteld met andere boshabitats (was 300)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 41 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Fahrig stelt dat voor habitatvlekken van gelijke grootte in een matrix van niet-habitat, de soortendiversiteit toeneemt evenredig met de totale hoeveelheid aan habitat in de omgeving. Met omgeving wordt hier het gebied bedoeld binnen een voor de habitat en zijn bewoners relevante afstand. Anders gesteld zou men volgens deze hypothese soortenaantallen kunnen benaderen via de totale oppervlakte aan habitat binnen een landschap en is het niet noodzakelijk om ook naar de grootte en mate van isolatie van de individuele habitatvlekken te gaan kijken. Deze hypothese wordt door een aantal studies bevestigd (o.a. Seibold et al 2017, Rabelo et al. 2017, Melo et al. 2017), maar ook weerlegd in andere (o.a. Haddad et al 2017, Torrenta et al 2017). Om het risico op onderschatting van de mate van fragmentatie binnen een cluster te minimaliseren voorzien we in de werkwijze een ex ante evaluatie van de bekomen clusters specifiek voor de soort(en)(groep) waarvoor een gebied relevant is (zie stap 4 in § 2.4.3.2). Qua oppervlaktegrenswaarden blijven we grotendeels conform met de in Poelmans et al. (2015) gehanteerde aanpak (zie Tabel 5). Dit houdt het bijkomende voordeel in dat deze waarden reeds van toepassing zijn in het instandhoudingsbeleid, waarbinnen de LSVI-beoordeling ook kadert. Enkele beperkte aanpassingen zijn doorgevoerd voor de duinhabitats en oude zuurminnende eikenbossen omwille van nieuwe inzichten bij het toepassen van deze methode voor de rapportage betreffende de staat van instandhouding van de habitattypes voor de periode 2013-2019 aan de EU. De twee grenswaarden worden in het kader van een LSVI-bepaling niet gekoppeld aan een A-status of B-status, maar worden beiden geëvalueerd. Enerzijds beoordelen we de oppervlakte van het habitattype zelf en anderzijds de oppervlakte van een ruimere waaier aan (sterk) verwante biotopen vervat in de totale oppervlakte van de functionele habitatcluster. We noemen de eerste beoordeling de specifieke habitatoppervlakte en de tweede de habitatclusteroppervlakte. De meerwaarde van dergelijke gedifferentieerde werkwijze ligt in het feit dat we de habitatoppervlakte optimaliseren voor zowel typische soorten met een hoge habitatspecificiteit als voor soorten die een breder gamma aan verwante biotooptypes als leefgebied verkiezen. Rekenen met enkel de oppervlakte van het habitattype zelf is in de eerste plaats relevant voor de exclusief aan het habitattype gebonden typische soorten. Het betreft meer bepaald bv. de habitattypische florasoorten, de exclusieve

faunasoorten (planten zich quasi uitsluitend in dit habitattype voort) en deels ook de karakteristieke faunasoorten (planten zich bij voorkeur in dit habitattype voort) (De Knijf et al. 2013, Oosterlynck et al. 2013). Een andere groep van typische soorten, b.v. de constante habitattypische soorten, benutten voor het geheel van hun behoeften naast het habitattype ook hulpbronnen uit verwante biotopen. Voor deze groep is dus in de eerste plaats de grootte van de totale habitatcluster relevant. 2.4.3.2 Werkwijze Stap 1 Functionele habitatclusters opbouwen Om functionele habitatclusters te gaan afbakenen hebben we in de eerste plaats een overzicht nodig van de vegetatietypes die als functioneel verwant beschouwd worden voor hun typische soorten. De verwantschapsmatrix in Tabel 6 is conform met deze gebruikt in Poelmans et al (2012) en tot stand gekomen na consultatie van diverse soortenspecialisten. De keuze van de gekoppelde biotooptypen is gebaseerd op functioneel-ecologische relaties met het betreffende habitattype vanuit het oogpunt van haar typische fauna en flora. Volgens deze matrix is gedefinieerd welke vegetatietypes samen mogen beschouwd worden in een functionele habitatcluster. Volgende clusters worden onderscheiden: zilt, kustduinen, wateren, droge en natte heidehabitats, graslanden, venen, bossen (incl. duinbos) (zie Tabel 6) Naar aanleiding van nieuwe inzichten opgedaan in het kader van de rapportage voor de periode 2013-2019 zijn enkele beperkte aanpassingen aan deze clusterdefinities doorgevoerd: -3140: in de verwantschapsmatrix zijn de kustduinhabitats geschrapt, want de kranswierplassen daar horen tot 2190 duinpannen -2110: de totale oppervlakte aan de Belgische kust is 27 ha en sluit over nagenoeg de gehele kust aan op de habitatcluster open duin (meestal aan de voet van de zeereepduin) en moet daarenboven bekeken worden binnen een functionele habitatcluster met zowel het strand als de zeereepduin (habitattype 2120). -1140: de habitatcluster is aangepast: 1140 vormt samen met 1110 'ondiepe zandbanken' (3152 km2) en hoogstrand één cluster

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

x x x x x x

x

x

x x x

x x x x x

x x

x x

x

x

x x x x x x

x

x

x x x

x

x

x

x

x x

x

x x x x

x

x x

x x

x

x

x x

x

x x x

x x x

x x

x x

x x x

x x x x

x x

x x

x x x x

x x x x

x x

x x x x x x

x x

x x x x x x x

x x x x x x

x

x x x x x x

x x x x x x

x x x x x x x x x x

x x x x

x x

x x x x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 43 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

x x x

91F0

91E0

9190

9160

9150

9130

9120

9110

8310

7230

7220

7210

7150

7140

7110

6510

6430

6410

6230

6210

x x

6120

5130

x x

6110

4030

4010

3270

3260

3160

3150

3140

x x

3130

x x

3110

x

2330

x

2310

x

2190

x x x x

2180

x x x x

2170

x x x x

2160

2150

1330 x x x x x

2110

1320

1140

x x x x x

2130

2110 2120 2130 2150 2160 2170 2180 2190 2310 2330 3110 3130 3140 3150 3160 3260 3270 4010 4030 5130 6110 6120 6210 6230 6410 6430 6510 7110 7140 7150 7210

x x x x x

2120

Hoog strand

1310

1110 1130 1140 1310 1320 1330

1130

Cluster

Tabel 6 - Overzicht van de habitat- en biotooptypes (rijen) die een functionele habitcluster (kolommen) kunnen vormen (naar Poelmans et al. 2015 en Paelinckx et al. 2019). Bruin=zilte vegetaties, estuarium en laagstrand; blauw=kustduinen; oranje=droge en natte heiden; groen= graslanden; paars=venen; grijs=bossen en struwelen; roze=wateren, geel=grotten.


9150

9160

9190

91E0

91F0

x x

9130

7230

x x

9120

7220

x x

8310

7210

x x

7150

7140

x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x x x x x x x x

x

x

x

x

x

x

x

x

x x

x x x

x

x

x x

x

x

x

x

rbbhc

x

rbbhf

x x

rbb kam rbbmc

x x

rbbmr

x x

x x

rbbms rbb ppm rbbsf

x

x

rbbsg

x x

x

x

x

x x

x x

x x

x

x x

x x x

x

x

x x

x x

x x

x

rbbzil rbb vos rbbha

x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.14061248

x x x

x x

Pagina 44 van 305

x x

x x

x x

rbbso

x

x

x

rbbsm rbbsp

7110

6510

6430

6410

6230

6210

6120

6110

5130

4030

4010

3270

3260

x x

3160

3150

3130

3110

2330

2310

2190

x x

9110

rbbah

3140

7220 7230 8310 9110 9120 9130 9150 9160 9190 91E0 91F0

2180

2170

2160

2150

2130

2120

2110

1330

1320

1310

1140

1130

Cluster

LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

www.inbo.be

x

x

x

x


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Verwante biotooptypes worden samengenomen in een functionele cluster wanneer ze elkaar ruimtelijk raken. De tussenliggende matrix wordt met andere woorden als ondoordringbaar beschouwd. Dergelijke aanpak is conform met de bovenvermelde traditionele eilandbiogeografische principes (zie ook § 2.4.3) en gaat zeker op voor de typische soorten met beperkte dispersiecapaciteit, zoals bv. bosplanten gebonden aan oud-boslocaties. Voor meer mobiele typische soorten liggen delen van hun leefgebied soms op een zekere afstand van elkaar. In sommige gevallen kunnen zij wel degelijk bepaalde delen van de tussenliggende matrix gebruiken om te migreren tussen clusters. Voor deze soorten is de vereiste dat samenstellende bioooptypes van een fubctionele cluster aan elkaar dienen te raken mogelijks te conservatief, maar verantwoordbaar vanuit een voorzorgsprincipe14. Hiermee is eveneens rekening gehouden bij het opstellen van de verwantschapsmatrix in Tabel 6. Stap 2 Fragmentatie door harde barrières Lineaire structuren zoals een tweevaksweg, spoorlijn, kanaal of brede rivier worden beschouwd als harde barrières waarover dispersie voor veel soorten niet kan plaatsvinden en waardoor functionele habitatvlekken dus versnipperd worden. In de praktijk kan hiertoe bv. de Multinet gislaag gebruikt worden om functionele habitatclusters te splitsen t.g.v. zulke harde barrières. Stap 3 Aftoetsen oppervlaktecriterium Er gebeurt een afzonderlijke toetsing van de totale habitatclusteroppervlakte en de specifieke habitatoppervlakte t.o.v. de respectievelijke grenswaarden. De toetsing van de specifieke habitatoppervlakte gebeurt door de oppervlakte van de vlekken van enkel het te evalueren habitattype binnen één functionele habitatcluster te berekenen en te vergelijken met de respectievelijke grenswaarde. De toetsing van de 14

Idealiter wordt de tussenliggende matrix omschreven in termen van verschillende gradaties van permeabiliteit. Deze permeabiliteit is afhankelijk van de aard van het landgebruik en de dispersiecapaciteit van de soort in kwestie. Daarmee bevinden we ons echter terug op het niveau van individuele soorten en onzekerheden betreffende het ruimtelijk afbakenen van de habitat van een soort, de mate van ruimtelijk verbondenheid ervan, de incompatibiliteit met bestaande habitatclassificaties, etc. (zie ook 2.4.3).

habitatclusteroppervlakte gebeurt door de totale clusteroppervlakte te vergelijken met haar grenswaarde. Door het gebruik van dergelijke clusters vermijden we dat de versnippering van vlekken van een habitattype al te zwaar doorweegt. Voor de meeste faunadoelsoorten waarop de grenswaarden gebaseerd zijn vormen de functioneelecologisch gelijkaardige biotooptypen immers geen harde barrière tussen de vlekken van het habitattype. Stap 4 Controle Om het risico van onderschatting van de mate van fragmentatie van individuele habitattypes voor weinig mobiele, habitatspecifieke soorten te minimaliseren gaan we in stap 4 de cartografische weergave van die cluster(s) kritisch analyseren en beoordelen „hoe functioneel‟ het geheel is voor een soort(en)(groep) die in dat gebied relevant is/zijn. Hieruit voortvloeiend kunnen conclusies uit stap 3 desgevallend bijgesteld worden. Deze stap is mogelijks gebaseerd op expertoordeel waardoor de mate van herhaalbaarheid, die voor de andere LSVI-criteria voorop gesteld is, niet altijd kan gehaald worden. Een transparante weergave van de gevolgde werkwijze en van de gemaakte/besliste overwegingen kan hieraan ten dele verhelpen. Ten behoeve van de evaluatie van de ruimtelijke samenhang als onderdeel van de Natura 2000 rapportage 2019 (Paelinckx et al., 2019) zijn volgens bovenstaande werkwijze functionele clusterkaarten per habitatttype opgemaakt voor Vlaanderen. Met deze kaarten is het mogelijk om de A en B oppervlaktegrenswaarden te toetsen. Beschikbaarheid en meer info via www.inbo.be. 2.4.4 Voorbeeld bepaling lokale staat van instandhouding voor de ruimtelijke samenhang voor habitattype 6510 Vanuit de habitatkaart wordt op de gewenste schaal (Vlaanderen, SBZ of habitatvlek(kencomplex)) een selectie gemaakt van het betreffende habitattype (zowel Hab1, Hab2 en Hab3: deze attribuutvelden samen worden verondersteld minstens 90 % van de oppervlakte in de polygoon uit te maken, De Saeger et al. 2011). Deze polygonen zijn groen weergegeven in figuur 2.3. Daarna worden de functioneel gelijkaardige habitattypen (eveneens met de attribuutvelden Hab1, Hab2 en Hab3) geselecteerd (bv. voor 6510: 6120, 6210, 6230, 6410, 6430, 6510, rbbhc, rbbkam, rbbzil, rbbvos) geselecteerd. Deze polygonen zijn blauw

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 45 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

weergegeven in figuur 2.3. Beide deellagen worden gegroepeerd tot één laag (functioneel gelijkaardig). Vervolgens worden met behulp van een kaartlaag met harde barrières (wegen, kanalen, …) in voorkomend geval de functionele clusters opnieuw verknipt. De oppervlakte van een specifiek habitattype (groene polygonen) binnen één functionele habitatcluster wordt dan afgetoetst t.o.v. de grenswaarde voor habitatoppervlakte van dat specifieke habitattype (bv. voor 6510: 2ha).

De oppervlakte van de volledige functionele habitatcluster wordt afgetoetst t.o.v. de grenswaarde voor de totale habitatcluster (bv. voor 6510: 30ha). Het resultaat van de aftoetsing op het niveau van de habitatcluster (gunstig/ongunstig voor twee de criteria) wordt dan doorvertaald naar de specifieke habitatvlekken waaruit de cluster is opgebouwd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Figuur 2.3. Voorbeeld van beoordeling ruimtelijke samenhang voor habitattype 6510. Polygonen met 6510 (of een belangrijk aandeel daaraan) zijn aangeduid met volle kleur rood of groen. Polygonen met verwante habitat- en vegetatietypen (of een belangrijk aandeel daaraan) zijn aangeduid met een rode of groene arcering. Polygonen werden samengenomen tot functionele clusters volgens de methode beschreven in §2.4.3.2. De toetsing voor de specifieke habitatoppervlakte gebeurt enkel op de van de vol gekleurde polygonen, waarbij voor groene vlekken de grenswaarde (≥2ha) gehaald wordt en voor rode niet. De toetsing van de habitatclusteroppervlakte gebeurt op het geheel van vol gekleurde en aansluitende gearceerde delen. Clusters waarvoor de grenswaarde (≥15ha) gehaald wordt zijn aangeduid met groene arcering. De rood gearceerde clusters halen deze grenswaarde niet. Ten slotte kan gecontroleerd worden of de mate van fragmentatie tussen de volgroene habitatvlekken overbrugbaar zijn voor een specifieke soort(en)(groep) gebonden aan het habitattype 6510.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 47 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

2.5. Minimum structuurarealen (Koop en Van der Werf, 1995)

voor

bossen

Minimum structuurarealen (MSA) zijn de oppervlaktes waarbij de vereiste dynamiek en ecologische processen kunnen plaatsgrijpen noodzakelijk om het zelfregulerende vermogen van bosecosystemen in stand te houden. Het betreft bv. spontane verjonging en veroudering, afsterven en accumulatie van dood organisch materiaal, het spontaan voorkomen van verschillende bosontwikkelingsfasen, e.a. Bijgevolg zal ook de biodiversiteit geassocieerd aan open plekken, bestanden van jonge bomen, bestanden van oude bomen en dood hout, gemengde leeftijdsbestanden maximaal aanwezig zijn. Wanneer een boscomplex dus dergelijke oppervlaktes benaderd, kunnen aldaar theoretisch alle natuurlijke processen met bijhorende biodiversiteit ruimtelijk naast elkaar plaatsgrijpen. Een MSA beoordeling gebeurt enkel voor boshabitats en maakt dan onderdeel uit van het onderdeel structuurcriteria. Zij staat los van de evaluatie van de ruimtelijke context in §2.4 en hanteert afzonderlijke regels voor het samenstellen van habitatclusters. Voor de beoordeling van het MSA wordt niet elke habitatlocatie apart beoordeeld, maar worden alle habitatlocaties van hetzelfde type samengenomen in zoverre zij onderling met elkaar verbonden zijn via andere boshabitattypen. Dus alle vlekken van een welbepaald habitat(sub)type (bv. oligotroof broekbos, inclusief elzenberkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum), 91E0_vo) binnen een aaneengesloten oppervlakte habitatwaardig bos (bv. Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum, 9130) worden samengenomen en vergeleken met de grenswaarde van de MSA. Dit gebeurt apart voor elk habitattype of habitatsubtype. Twee habitatvlekken worden als „gescheiden‟ beschouwd, en moeten dus als aparte oppervlaktes worden beoordeeld op het criterium MSA indien het tussenliggende landgebruik bestaat uit: niet habitatwaardig bos (bv. naaldhoutaanplant); niet bos habitats (bv. heide- of graslandhabitats) en ander landgebruik (bv. akker, soortenarm grasland); infrastructuur (kanalen, spoorlijnen, wegen): vanaf het moment dat er geen kroonsluiting meer mogelijk is boven een barrière is het bos functioneel onderbroken en zijn de habitatvlekken niet meer verbonden. Pragmatisch stellen we dat een tweevaksweg, spoorlijn, kanaal of brede rivier een barrière vormen.

Het MSA wordt niet in het veld beoordeeld, maar op basis van een oppervlakteanalyse in GIS. Het is belangrijk om bij de interpretatie van de MSA-beoordeling rekening te houden met het feit dat MSA in functie staat van structuurbepalende processen en niet in functie van dier- of plantensoorten. Oppervlakte en barrière-effecten voor MSA en faunacriteria moeten afzonderlijk gezien worden en de beoordeling daarvan zit daarom niet in de module van de ruimtelijke context (zie § 2.4). Al is het duidelijk dat constante aanwezigheid van een bepaald habitat of structuur voor veel soorten noodzakelijk is en een geheel van naast elkaar en in de tijd opvolgende ontwikkelfasen daarom een positief effect heeft op de biodiversiteit. Tabel 7 geeft een overzicht. In de inleiding van hoofdstuk 11 (Bossen) worden bijkomende richtlijnen gegeven voor de toepassing.

2.6. Faunabelang van een gebied De evaluatie van het criterium ruimtelijke context voor de habitattypen houdt in belangrijke mate rekening met fauna. De grenswaarden die hier gehanteerd worden zijn namelijk bepaald op basis van oppervlaktenoden voor een aantal (respectievelijk 50% en 75%) potentieel voortplantende faunasoorten (zie § 2.4). Bijkomend kunnen echter in functie van specifieke faunadoelen optimalisatie van oppervlakte en kwaliteit van specifieke habitattypes aan de orde zijn. Het voorkomen van een typische soort in een habitatvlek kan echter niet als voorwaarde voor een lokaal gunstige staat gehanteerd worden. Daarnaast is het schaalniveau van de habitatvlek niet het geëigende niveau voor beoordeling van de rol van die vlek voor fauna(populaties) omwille van o.a. een mismatch tussen het leefgebied van een specifieke soort en de gehanteerde habitattypologie, de heterogeniteit qua autoecologie van de habitattypische soorten, …Tenslotte zijn er nog veel kennislacunes terzake (bv. de mate van exclusiviteit van soorten met een specifiek habitattype, scope van soorten gebonden aan een habitattype, …). Er zijn ons geen goede praktijkvoorbeelden bekend op het vlak van beoordeling van de toestand van habitatvlekken via fauna; we stellen zelfs vast dat vele lidstaten / regio‟s zelfs bij het definiëren van hun habitattypische soorten, en dus bij een regionale habitatbeoordeling geen faunasoorten opnemen; Nederland en Vlaanderen vormen daarop één van de weinige uitzonderingen. Om die redenen wordt het faunabelang van een gebied bij een bepaling van de lokale staat van instandhouding dus noodgedwongen via een aantal indirecte manieren benaderd: -via de gunstige toestand van de LSVI-criteria onder structuur worden voor een hele waaier aan soorten gunstige condities vooropgesteld; sommige

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

van die criteria, zoals dik staand en liggend dood hout, staan zelfs voornamelijk in functie van soorten die niet vervat zijn in de vegetatiecriteria; bij uitbreiding kan gesteld worden dat dit geldt voor heel wat van de gehanteerde structuurcriteria - via oppervlakte als onderdeel van de ruimtelijke structuur is rekening gehouden met het potentieel voorkomen van voldoende grote populaties van typische faunasoorten -bij het formuleren van grenswaarden zijn steeds faunabelangen mee in beschouwing genomen en hebben mogelijks geleid tot uitzonderingen daarop in functie daarvan. Een meer gedetailleerde beoordeling van het belang van een gebied voor fauna vertrekt idealiter vanuit de individuele soorten en de specifieke vereisten die ze stellen aan hun leefgebied (Adriaens et al., 2012(a); Adriaens et al., 2012(b); Van Uytvanck & Goethals, 2014; De Knijf et al., 2013; Maes et al., 2013; Bauwens & Claus, 1996; Vermeersch et al., 2004; Maes et al., 2017; Vermeersch et al., 2020; Lommaert et al., 2020). Eén benadering kan zijn het belang van het gebied af te wegen t.a.v. het behoud/de verbetering van de Rode Lijsstatus van de habitattypische soorten. Die wordt immers benut bij de beoordeling van de regionale toestand van de habitattypen op niveau Vlaanderen en de Belgisch Atlantische regio. Hierbij wordt aan de integratie van LSVI criteria van de habitats ondermeer een regionaal criterium „habitattypische flora en fauna‟ toegevoegd (Louette et al., 2013). Deze regionale beoordeling is gebaseerd op de Rode-Lijststatus van die soorten. Andere voorbeelden van beleidsondersteunende wetenschappelijke kennis en instrumenten die ons inziens heden kunnen bijdragen tot het evalueren van het faunabelang: - beoordelingskaders voor habitattypische soorten ter ondersteuning van de opmaak / opvolging van beheerplannen; zo heeft INBO in opdracht van ANB beoordelingskaders uitgewerkt voor niet-habitatwaardige, maar wel Vlaamse beschermde biotopen en andere in de beheerplannen gedefinieerde natuurstreefbeelden (deze hebben overigens een methodologie / achtergrond gelijkend op deze van de LSVI); deze piste is enkel relevant voor soorten die overwegend in gebieden beheerd als natuurgebied voorkomen - afwegingskaders die verder borduren op het concept van potentiele en actuele leefgebieden, die heden zijn afgebakend voor zowel Natura 2000 soorten als habitattypische fauna; daaruit moet het bv. haalbaar zijn gebieden af te bakenen die een cruciale rol kunnen vervullen om

habitattypische soorten uit een ongunstige Rode Lijst status te halen; dit is ook van toepassing voor soorten buiten de als natuur beheerde gebieden; - (al dan niet op basis van bovenstaande) opmaak van gerichte richtlijnen om de toestand van soorten (groepen) te verbeteren; niet alleen Rode Lijsten opmaken en actualiseren, maar ook de achterliggende oorzaken opsporen van een ongunstige Rode Lijst status en op basis daarvan maatregelen opstellen en prioriteren; het meest geëigende beleidsinstrument „soortbeschermingsplannen‟ vereist zware procedures, maar geeft wel de grootste garanties op succes; mogelijk zijn er minder omslachtige werkwijzen, zeker voor soorten die overwegend in gebieden beheerd als natuurgebied voorkomen (die soorten hebben overigens geen prioriteit in de ranking voor de opmaak van soortbeschermingsplannen); - voor een selectie van habitattypische Europese en Vlaamse prioritaire diersoorten zijn eveneens leefgebiedenkaarten aangemaakt (Maes et al. 2017). Eerder gebeurde dit al voor de Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets (Maes et al. 2015), raadpleegbaar via http://geo.inbo.be/potleefgebieden.

2.7. Integratie van bepalingen van de lokale staat over verschillende habitatlocaties en criteria heen Het betreft hier de integratie van de verschillende criteria ter beoordeling van de habitatstructuur, de vegetatie, de verstoringen en de ruimtelijke samenhang. Hiervoor bestaan drie opties, afhankelijk van het schaalniveau waarover, en de vraagstelling waarvoor de integratie dient te gebeuren: a) integratie per LSVI-criterium over verschillende habitatlocaties heen b) integratie over de LSVI-criteria heen per locatie c) integratie over alle LSVI-criteria én habitatlocaties heen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 49 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

Tabel 7 - Overzicht van grenswaarden voor de beoordeling van de benodigde oppervlakte voor het autonoom functioneren of het duurzaam behoud van systemen (zie § 2.5).

habitattype

Grenswaarde ≥ = gunstige toestand voor oppervlakte voor autonoom functioneren

Minimum structuurareaal (MSA) 2180 40 9110 40 9120 40 9130 en 915016 20 9160 15 9190 50 91E0, subtypes 10 vc en va gezamelijk17 91E0, subtypes 20 vn, vm, vo 91E0, subtype sf 25 91F0 15

Schaalniveau waarop oppervlakte berekend wordt 15

ha ha ha ha ha ha ha

2 2 2 2 2 2 2

ha

2

ha ha

2 2

-

-

bij een gebiedsdekkende veldcampagne: bv. 70 % van de oppervlakte heeft een gunstige lokale SVI voor criterium x, 30 % is ongunstig voor datzelfde criterium; bij een representatieve steekproef: bv. 20 % van de steekproeflocaties heeft een gunstige lokale SVI voor criterium x, 80 % ervan is ongunstig voor datzelfde criterium

Volgens deze werkwijze blijft de informatie afkomstig uit de afzonderlijke criteria behouden waardoor rechtstreeks aandachtspunten en maatregelen voor behoud of herstel afgeleid kunnen worden. Voor de meeste toepassingen, zoals het hanteren van een early warning systeem (zowel voor verslechtering als verbetering), het formuleren van instandhoudingsmaatregelen, … is het absoluut aan te bevelen dergelijk niveau van detail maximaal te behouden. De werkwijze gebruikt bij de opmaak van de instandhoudingsdoelstellingen per SBZ is hiervan een variant (Tabel 8 naar Panis et al., 2009). Tabel 8 - Beoordelingskader bij het integreren van de staat van instandhouding volgens één bepaald criterium over verschillende habitatlocaties, op basis van de relatieve oppervlakte of het aantal meetpunten (Panis et al., 2009).

a) Integratie per criterium over verschillende habitatlocaties heen Bij deze integratie worden LSVI-metingen van verschillende locaties geïntegreerd per criterium en wordt het oppervlakteaandeel waarop ze van toepassing zijn in rekening gebracht. Enkele voorbeelden:

Toestand criterium Oppervlakte/aantal meetpunten grotendeels gunstig (>90%) Oppervlakte/aantal meetpunten meer dan 2/3 gunstig Oppervlakte/aantal meetpunten tussen 1/3 en 2/3 gunstig Minder dan 1/3 van de oppervlakte/aantal meetpunten gunstig Oppervlakte/aantal meetpunten grotendeels ongunstig (>90%)

Beoordeling Overal gunstig Overwegend gunstig Deels gunstig Overwegend ongunstig18 Overal ongunstig

15

2: geheel van alle vlekken van het type binnen een aanééngesloten habitatwaardig boscomplex (zie ook §2.2) 16 In Vlaanderen zijn de potenties voor deze types zeer beperkt. Daarom kan hier de oppervlakte van beide types samengeteld worden om te toetsen aan de MSA van 10ha. 17 komen van nature vaak op zeer kleine oppervlaktes voor en bijna steeds samen waarbij er een zeer geleidelijke overgang is tussen beide typen. Daarom dient de gezamenlijke oppervlakte van de beide habitatsubtypen binnen één habitatwaardig boscomplex te voldoen aan de MSA grenswaarde van 10 ha om een gunstige lokale staat van instandhouding te scoren.

18

Panis et al. (2009) gebruikt hier de term „overwegend gedegradeerd‟

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

b) Integratie over de criteria heen per habitatlocatie

indicatoren en/of meerderheidsregel mogelijk om tot een integratie per locatie te komen.

De gebruiker wenst één einduitspraak (gunstig/ongunstig) voor de lokale staat van instandhouding van één habitatlocatie. Hiertoe is een integratie van de verschillende LSVI-indicatoren op die locatie nodig. Een klassieke benadering is de slechtste score te hanteren voor de totale habitatlocatie (het „one-out-all-out‟ principe). Dit gebeurt dan eventueel per criteriumgroep (structuur, verstoring, vegetatie en ruimtelijke context) om een zekere mate van nuancering te bewaren: bv „qua verstoring en habitatstructuur scoort de locatie gunstig, maar qua vegetatie ongunstig‟. Variaties op het one-out-all-out principe bestaan erin om te werken met een meerderheidsregel (het merendeel van de indicatoren zijn gunstig/ongunstig). Daarbij wordt bij voorkeur gewerkt met een weging van het belang van de individuele indicatoren waardoor een genuanceerder eindoordeel bekomen wordt. De weging gebeurt op basis van een set algemene regels waarbij de onderliggende redenering is: -indicatoren die de gunstige toestand van de habitat op lange termijn hypothekeren, en daarbij meer dan een gewone inspanningen vergen om te remediëren zijn zeer belangrijk -indicatoren wiens toestand (nagenoeg) volledig door beheer bepaald worden zijn belangrijk. Finaal wordt een oordeel gunstig of ongunstig bekomen voor een bepaalde habitatlocatie op basis van het geheel van indicatoren die toelaten op lokaal niveau een uitspraak te doen. c) Integratie over de criteria en habitatvlekken heen (totaalscore op gebiedsniveau) De gebruiker wenst één einduitspraak voor de lokale staat van instandhouding over alle criteria heen en geïntegreerd op gebiedsniveau (bv. een SBZ (deel)gebied, (een deel van) een natuurreservaat, een biogeografische regio). Een juiste uitspraak kan dan enkel bekomen worden wanneer vertrokken wordt van een integratie van eindoordelen gunstig/ongunstig per locatie volgens b) waarbij we finaal een oppervlakteverdeling gunstig/ongunstig bekomen (geschat via een steekproeftrekking of gebiedsdekkend bij een volledige survey). Hierbij zijn dus een one-out-all-out, weging van de

Deze aanpak is toegepast bij de Artikel 17 rapportage betreffende de staat van instandhouding van de habitattypen voor de periode 2013-2019, meer bepaald voor het onderdeel specifieke structuren en functies (Paelinckx et al., 2019). Hierbij is, analoog aan de vorige rapportageperiode (Louette et al 2013) gewerkt met een weging van de diverse LSVI-indicatoren als „belangrijk‟ of „zeer belangrijk‟ en volgende beslissingskader: (1a) tenminste één Zeer Belangrijke indicator scoort ongunstig (de Zeer Belangrijke indicatoren volgen de one-out-all-out regel) →LSVI van vlek ONGUNSTIG (1b) geen enkele Zeer Belangrijke indicator scoort ongunstig → 2 (2a) de helft of meer van de indicatoren scoren ongunstig →LSVI van vlek ONGUNSTIG (2b) minder dan de helft van de indicatoren scoren ongunstig →LSVI van vlek GUNSTIG Vervolgens worden de uitspraken per locatie doorgerekend (hetzij op basis van een gebiedsdekkende survey, hetzij op basis van een steekproef) naar oppervlakteaandelen gunstig en ongunstig voor Atlantisch Vlaanderen al dan niet met bijhorende betrouwbaarheidsintervallen. Om tot een einduitspraak per habitattype te komen dienen ten slotte een aantal indicatoren die op het niveau Vlaanderen zijn bepaald (habitattypische soorten, ruimtelijke samenhang B- en A-criterium, en dik dood hout eveneens gewogen per habitattype als „belangrijk‟ of „zeer belangrijk‟) geïntegreerd te worden volgens een specifiek beslissingskader. Voor meer detail verwijzen we naar Paelinck et al. (in voorbereiding). Biotische index Een alternatieve methode die op al deze niveaus kan toegepast worden (habitatlocatie of gebied), is deze met behulp van een biotische index. In plaats van de metingen om te zetten tot een binaire uitspraak (gunstig – ongunstig) wordt de afstand berekend tot een bepaalde referentiewaarde. In dit geval werd de referentiewaarde gelijk gesteld met de grenswaarden uit de LSVI-matrices. Op deze wijze wordt meer rekening gehouden met de

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 51 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


LSVI-Habitats: Methodologie en opbouw

relatieve informatie van een meting in een continu bereik (bv. 40% respectievelijk 70% verbossing zijn beiden ongunstig, maar het tweede percentage is nog veel â&#x20AC;&#x17E;ongunstigerâ&#x20AC;&#x;). In Van Calster et al. (2011) is hiertoe een voorlopige aanzet uitgewerkt op basis van een dataset uit het kwaliteitsmeetnet van de Natura2000 habitats in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest Dergelijke aanpak laat toe genuanceerdere uitspraken te doen. Ook in het kader van trendmonitoring is deze methode veel gevoeliger dan een one-out all out benadering. Zulke benadering is enkel mogelijk wanneer

kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, zoals bv. in het geval van het meetnet Natura2000 habitatkwaliteit (Westra et al. 2014).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van kust en zilte habitats: inleiding

3. Kust en zilte habitattypen Vandevoorde B., Van den Bergh E, Provoost S., Oosterlynck P., Bosch H. & Hoffmann M.

3.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. De tabellen zijn tot stand gekomen op basis van literatuurgegevens en zijn, waar nodig, aangevuld met expertkennis (weergegeven in de kolom ‟referenties‟). Door het zeer specifieke karakter van deze habitatgroep zijn een aantal van de benutte indicatoren niet relevant voor andere habitatgroepen (bv. schorklifvorming, kreken, oeverwallen en kommen, ontzilting, verzoeting). Onder „habitatstructuur‟ vallen zowel criteria m.b.t. de geomorfologische structuur (schorklifvorming, dynamiek, verticale gradiënt) als m.b.t. vegetatiestructuur (horizontale structuur). Het criterium ‟verticale gradiënt’ staat hier voor de opeenvolging van standplaatsen met verschillende hoogteligging, gaande van lage, regelmatig overstroomde slikken tot de hoogste, zelden overstroomde schordelen. Binnen deze verticale gradiënt heeft elk habitattype en elke ontwikkelingsvorm ervan haar eigen standplaats, die gekenmerkt wordt door specifieke hydrologische, hydrochemische en hydrodynamische omstandigheden, erosiesedimentatieprocessen, ... Onder kust en zilte habitattypen ressorteren verschillende (terrestrische) habitattypen die in meer of mindere mate in contact komen met zout of brak water (grondwater, oppervlaktewater). De hoge saliniteit van het water heeft een determinerende impact op de soortensamenstelling en -structuur van de verschillende habitattypen. Naast de saliniteit heeft ook de hydrodynamiek een sterk sturende invloed op de habitattypen, enerzijds buitendijks via getijdeninvloed (bv. estuaria) en anderzijds binnendijks via grond- en oppervlaktewaterdynamiek. Tot slot heeft ook het intern beheer een invloed op de structuur- en soortensamenstelling van de verschillende habitattypen. Bij de buitendijkse Atlantische schorren (1330_da) zijn sommige criteria enkel van toepassing in de brakwaterschorren (rietontwikkeling), andere enkel bij de zoutwaterschorren (verruiging) of is de beoordeling bij beiden verschillend (verzoeting). De zoutwaterschorren zijn actueel het Zwin, het estuarium van de IJzer en de Baai van Heist. Het Vlaamse deel van het Schelde-estuarium bevat enkel brakwaterschorren (naast de zoetwaterschorren met de habitattypen 3270, 6430 en 91E0_sf). Successie speelt een belangrijke rol in de vaak hoogdynamische buitendijkse habitattypen en leidt vaak tot overgangsvormen tussen het ene en het andere habitattype of tussen ontwikkelingsfasen binnen het habitattype. Zo kunnen zeekraal- en slijkgrasvegetaties (habitattypen 1310 en 1320) evolueren naar schor (habitattype 1330) door het verminderen van de hydrodynamiek. Binnen Atlantisch schor (habitattypen 1330_da en 1330_hpr) kan hoog schor de plaats innemen van laag schor. Door sedimentatie van in het overstromingswater gesuspendeerd materiaal verhogen de slikken en schorren en verlaagt bijgevolg de hydrodynamiek (verminderde overstromingsfrequentie en overstromingsduur, gewijzigde drainage), wat successie in de hand werkt. Successie kan eveneens gestuurd worden door veranderingen in de saliniteit. Verzoeting van zoutwaterschorren leidt bijvoorbeeld tot het verdwijnen van zouttolerante plantensoorten (Westhoff & Sykora, 1979), terwijl zouttolerante plantensoorten verzoete schorren opnieuw kunnen koloniseren bij verhogen van de saliniteit (Roman et al., 2002). Ook het wegvallen van beheer kan de successie in een bepaalde richting duwen. Het stopzetten van begrazing op brakwaterschorren doet Riet (Phragmites australis) toenemen ten koste van zilte graslanden met Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Zilte rus (Juncus gerardii), Fioringras (Agrostis stolonifera), etc.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 53 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van kust en zilte habitats: inleiding

Zoals in § 2.3.5 geduid, kan successie in dergelijke systemen dermate snel verlopen dat habitattypen lokaal kunnen verdwijnen, terwijl ze elders kunnen verschijnen. In het bijzonder kunnen vlekken zeekraal (habitattype 1310) onder invloed van de natuurlijke dynamiek op een termijn van enkele jaren een totaal ander patroon in het slikgebied innemen. Zulke snelle successie kan daarenboven samenhangen met verstoringen. In het geval van zeekraal hangt dit bijvoorbeeld samen met het wegvallen van dynamiek door tij-invloed beperkende ingrepen. Binnen deze habitatgroep wordt successie ten volle mee in rekening gebracht in de beoordeling. Dit is meteen één van de redenen waarom de beoordeling van een aantal criteria (bv. schorklifvorming, kreken – oeverwallen – kommen, verticale gradiënt) van de buitendijkse habitattypen op een ruim schaalniveau dient te gebeuren, met name op het niveau van een aaneengesloten slikkenschorrengebied. De habitattypen 1310 ‟Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende soorten (Thero-Salicornietalia)‟ en 1330 ‟Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)‟ zijn beide opgesplitst in een binnen- en een buitendijkse variant (Decleer, 2007; De Saeger et al., 2008) waarvoor telkens afzonderlijke matrices gemaakt zijn. De factoren die mee bepalend zijn voor de lokale staat van instandhouding zijn binnendijks immers heel anders dan buitendijks. Zo wordt bijvoorbeeld binnendijks de saliniteit beïnvloed door het grondwater, terwijl dat buitendijks afhankelijk is van het getijwater. De pioniervegetaties van het Zeevetmuurverbond (Saginion maritimae) horen tot habitattype 1310 (Decleer, 2007). Ze verschillen echter dusdanig van de zeekraalvegetaties dat eveneens een afzonderlijke matrix is opgesteld (1310_zv). Voor habitattype 1140 „bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten is geen beoordelingstabel opgesteld omdat de beoordeling ervan volgens vegetatiekenmerken niet van toepassing is. Specifieke duiding per habitat(sub)type 1130 ‘estuaria’: dit habitattype betreft een landschapstype waarbinnen andere habitat– en natuurtypes kunnen voorkomen. De beoordelingsmatrix van 1130 bevat bijgevolg in hoofdzaak criteria die op een hoger schaalniveau dienen beoordeeld te worden. Vele habitatvlekken binnen het estuarium behoren tegelijk tot een ander habitattype: de zeekraal- en slijkgrasvegetaties en de Atlantisch schorren behoren ook tot respectievelijk 1310, 1320 en 1330; struwelen of bossen behoren ook tot de ‟Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-padion, Alnion incanae, Salicion albae)‟ (91E0); ruigtes van Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum) behoren tot de ‟Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones‟ (6430); pioniervegetaties met Blauwe waterereprijs (Veronica anagallis-aquatica subsp. anagallis-aquatica) maken deel uit van het habitattype ‟Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodion rubri p.p. en Bidention p.p.‟ (3270). Voor de beoordeling van de LSVI van het estuarium worden al de habitats die er deel van uitmaken mee in beschouwing genomen. De beoordeling van de verschillende individuele habitatvlekken zelf, wordt bepaald met de fiche van het betreffende habitat (1310, 1320, 1330, 3270, 6430 of 91E0). 1310_zk ‘buitendijks schor met zeekraalvegetaties’: de evaluatie van de bedekking van de sleutelsoorten dient twee keer te gebeuren. De eerste keer wordt de bedekking van de sleutelsoorten ingeschat in de volledig te beoordelen habitatlocatie (m.a.w. de begroeide en onbegroeide delen samen). De tweede keer gebeurt de beoordeling niet tegenover de volledige habitatlocatie, maar wordt de cumulatieve bedekking van bepaalde sleutelsoorten afgewogen t.o.v. de bedekking van de kruidlaag. Het deels vegetatieloze slik wordt in het laatste geval dus buiten beschouwing gelaten. De grenswaarde tussen gunstig en ongunstig is voor het vegetatieaandeel in de volledige habitatlocatie 10%, wat samenhangt met het van nature ijle karakter van deze Zeekraalvegetaties. Wanneer het aandeel sleutelsoorten binnen de begroeide delen te laag is, omdat er ook sleutelsoorten aanwezig zijn van andere habitattypen (vooral dan van 1320 of 1330), wordt dit ook als ongunstig beschouwd.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van kust en zilte habitats: inleiding

1310_pol ‘binnendijks gelegen zeekraalvegetaties’: net zoals bij de buitendijkse variant 1310_zk dient de beoordeling van de bedekking van de sleutelsoorten twee keer te gebeuren. De ijle bedekking van binnendijkse zeekraalvegetaties kan verklaard worden door het langdurig overstroomd blijven met brak tot zout water. Noot: Zeekraalvegetaties worden enkel tot het habitattype 1310 gerekend wanneer ze een voldoende grote oppervlakte innemen. Dat doet zich binnendijks vooral voor in de randzone van plassen en kreken die in natte perioden geïnundeerd zijn met zout of brak water, terwijl in drogere perioden de watertafel tot (net onder) het maaiveld daalt. Smalle stroken en kleine depressies met Zeekraal in de zilte delen van graslanden worden integraal gerekend tot de binnendijkse zilte vegetaties (1330_hpr). 1310_zv ‘buitendijks hoog schor met zeevetmuurvegetaties (Saginion maritimae)’ verschilt sterk van de overige subtypes van 1310. Zeevetmuurvegetaties ontwikkelen zich namelijk als lint- of puntvormige elementen op de overgang van schor naar duin (of dijk) en zijn veelal afhankelijk van verstoringen. Najaars- of winterstormen kunnen bijvoorbeeld een kale bodem doen ontstaan op de hogere schordelen, overgaand naar duin (of dijk). Soorten van het Zeevetmuur-verbond zijn in staat om deze kale, meestal zandige bodem of dit pioniermilieu te koloniseren. Door droogte- en zoutstress (verhoogde zoutgehaltes ontstaan door indampen van zout getijwater), kan het pioniermilieu zich enigszins handhaven maar zonder jaarlijkse verstoringen treedt er al snel een successie op naar andere plantengemeenschappen. Dit toont het efemere karakter van deze vegetaties aan. Veelal nemen ze kleine oppervlaktes in, vaak zelfs in bestaande andere vegetaties (i.e. inslaggemeenschap) (Vandenbussche et al., 2002c; Schaminée et al., 1998). 1320 ‘schorren met slijkgrasvegetatie’: Klein slijkgras (Spartina maritima), de enige „echte‟ sleutelsoort, komt niet meer voor in België (Van Landuyt et al., 2006). Het habitattype is te herkennen aan de aanwezigheid van Engels slijkgras (S. townsendii). Engels slijkgras is een invasieve hybride van S. maritima en de Amerikaanse S. alterniflora, die Klein slijkgras in Vlaanderen en in nagenoeg heel Europa verdrongen heeft (Beeftink, 1965; Sanchez et al., 2001; Schaminée et al., 1998). Hierdoor zal dit habitattype qua sleutelsoorten sowieso altijd in een ongunstige (lokale) staat van instandhouding verkeren. We voegen evenwel geen criterium ‟invasieve exoten‟ als storingscriterium toe, omdat terugdringen van Engels slijkgras het terugdringen van het habitattype zou betekenen en daardoor de oppervlakte en het verspreidingsareaal van het habitattype in Vlaanderen zou verkleinen. 1330_da ‘buitendijkse schorren’: dit subtype omvat een veelheid aan vegetatietypes die voorkomen op zout- en brakwaterschorren. Dergelijke schorren komen zowel voor langs de kust als in estuaria, een uitgesproken gradiëntmilieu waar zoutwaterschorren geleidelijk overgaan in brakwaterschorren door een dalende saliniteit van het overstromingswater. De beoordeling differentieert tussen schorren met verschillende ontwikkelingsfasen en eenvormige schorren. Bij goed ontwikkelde schorren is er immers een differentiatie in hoogteligging, overstromingsfrequentie, overstromingsduur, drainage, krekenpatroon, beheer, enz. Dit vertaalt zich in een differentiatie in vegetatietypes (criterium horizontale structuur):  Op zoutwaterschorren komen op het laag schor vegetaties van Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Lamsoor (Limonium vulgare) of Gewone zoutmelde (Halimione portulacoides) voor; aangevuld met vegetaties van Zilte rus (Juncus gerardii), Zeealsem (Artemisia maritima), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Engels gras (Armeria maritima), enz. op het hoog schor. Habitattypen 1310_zk en 1320 vormen de pioniervegetaties op zoute schorren. Strandkweek (Elymus athericus) vormt op zoutwaterschorren de climaxvegetatie op het hoog schor. Indien grote delen van een zoutwaterschor zijn ingenomen door Strandkweek, is dit een signaal dat de nodige dynamiek in de schorcyclus 19 ontbreekt. Daarom is Strandkweek opgenomen als indicator voor verruiging. Begrazing en het verhogen van de dynamiek in de schorcyclus14 kan deze trend keren (Bakker et al., 1997; Doody, 2008).  Op brakwaterschorren zijn de habitattypen 1310_zk en 1320 minder abundant als pioniervegetaties. Vegetaties van Zulte (Aster tripolium), Melkkruid (Glaux maritima) en Heen (Scirpus maritimus) vormen er het laag schor, terwijl Strandkweek en zilte graslanden met o.a. Gewoon kweldergras, Fioringras (Agrostis stolonifera), Zilte rus, Schorrenzoutgras (Triglochin maritima), Rood zwenkgras, enz. het hoog schor vormen.

19 Met schorcyclus wordt het proces bedoeld waarbij kale slikken ophogen door sedimentatie en evolueren tot schor waarop zich een successie kan volstrekken tot een climax. Uiteindelijk treedt erosie op waardoor de schorren afkalven en de cyclus terug start van slik, gevolgd door schorontwikkeling, enz. (van de Koppel et al. 2003).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 55 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van kust en zilte habitats: inleiding

Rietland vormt er de climaxvegetatie. Aanwezigheid en toename van Riet (Phragmites australis) maakt deel uit van een natuurlijke successie op brakwaterschorren. Begrazing keert deze successie enigszins en laat de ontwikkeling van soortenrijkere zilte graslanden toe. Indien een brakwaterschor volledig door rietland is ingenomen, is dit een signaal dat de nodige dynamiek in de schorcyclus 14 er niet meer is. Vandaar dat het criterium „rietontwikkeling‟ is opgenomen als verstoringsindicator in de beoordeling. Deze ongunstige toestand van 1330_da duidt op een evolutie naar de regionaal belangrijke biotoop „rietland‟. De criteria „rietontwikkeling op brakwaterschorren‟ en „verruiging met strandkweek op zoutwaterschorren‟ dienen bepaald te worden op het niveau van een aaneengesloten slikken-schorrengebied. 1330_hpr ‘binnendijkse zilte vegetaties’: het habitattype komt voor in zilte slenken en depressies in poldergraslanden. Deze bestaan dan uit een mozaïek van zilte vegetaties en naakte bodem in de lager gelegen delen (het feitelijke habitattype), en graslandvegetatie op de hogere delen. De noodzakelijke hydrodynamiek komt van kweldruk en inundatie met zout grondwater en/of oppervlaktewater. Het zout grondwater dient zich in de winter nabij of net boven het maaiveld te bevinden en dit tot diep in het voorjaar, waarna het grondwater slechts ondiep mag wegzakken in de zomer. Begrazing door vee is noodzakelijk, ook omdat het open trappen van de bodem kiemmogelijkheden biedt aan zilte pioniersoorten. Zonder die dynamiek (hydrodynamiek en beheer) zal een gesloten grasmat ontstaan waar minder ruimte is voor zilte soorten. Toename van Riet (Phragmites australis) kan het gevolg zijn van een te lage begrazingsdruk, maar kan ook samenhangen met een geleidelijke verzoeting van het grond- en oppervlaktewater. Een ongunstige toestand van het criterium „rietontwikkeling‟ bij 1330_hpr duidt op een evolutie naar de „regionaal belangrijke biotoop rietland‟. De toename aan grasachtigen uit het zilverschoonverbond is een gevolg van een natuurlijke gradiënt van zout naar zoet. Ook hier betreft het een overgang naar een regionaal belangrijk biotoop. Het criterium heet hier „overgang naar rbbzil‟ (regionaal belangrijke biotoop zilverschoongrasland) waarbij de ongunstige toestand bij 1330_hpr overeenkomt met de regionaal belangrijke biotoop „zilverschoongrasland‟. Omdat bij afname of wegvallen van begrazing riet maar ook heen of zulte kunnen gaan domineren ten koste van de typische structuur- en soortenrijkdom van dit habitatsubtype, wordt het criterium „dominantie van 1 soort’ beoordeeld als onderdeel van structuur. De toestand van alle criteria wordt bepaald op alle habitatvlekken samen binnen een graslandperceel.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


habitattype 1130: Estuaria

3.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 1130: Estuaria A. Habitatkarakteristieken Criterium Habitatstructuur landschapsvorm

uitgestrektheid

dynamiek

Verstoring milieukarakteristieken

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Estuarien landschap met volledige longitudinale en laterale gradiënten. - longitudinale gradiënt: van marien naar rivieren, van zout over brak naar zoet en van diurnale getij-invloed naar niet getijgebonden - laterale gradiënt (dwarsdoorsnee) met afwisseling in ruimte en tijd van subtidale en intertidale gebieden met alle typische habitats over de volledige gradiënt van diep over ondiep water naar laag tot hoog slik en laag tot hoog schor (1140, 1310, 1320, 1330, 3270, 6430,91E0). - alle schorhabitattypen zijn in een gunstige staat van ontwikkeling ruimte voor de habitat: de natuurlijke reikwijdte van de getijinvloed, zijdelings zowel als stroomopwaarts. Het evenwicht tussen komberging en hydrodynamiek moet zodanig zijn dat ondiep water, slikken en schorren duurzaam in stand blijven onder de natuurlijke sedimentatie-erosieprocessen. processen: werking van getijden in combinatie met aanvoer van rivierwater in estuarium leidt tot erosie en sedimentatie

- longitudinaal: wegnemen van getijdebarrières; - lateraal: uitbreiding of aaneensluiting van biotopen van het getijdenlandschap; habitatgradiënt vervolledigen door voldoende zijdelingse ruimte te bieden aan het systeem.

multifunctioneel gebruik van de waterloop, landgebruik en veiligheidseisen in de vallei stellen in de praktijk vaak beperkingen aan de ontwikkeling van het getijdenlandschap

Decleer et al. (2007)

uitbreiden getijdengebied, ontpoldering

extra getijdengebied, door ontpoldering, verplaatsen van dijken of overstromingsgebied onder Gecontroleerd Gereduceerd getij

Van den Bergh et al. (2003); Van den Bergh et al. (2005); Adriaensen et al. (2005)

mogelijkheden voor geomorfologische processen herstellen door het creëren van voldoende ruimte (ontpolderen, extra getijdengebied)

Van den Bergh et al. (2005); Adriaensen et al. (2005)

verstoring van de geomorfologie, de zoetwatertoevoer en de sedimenthuishouding waardoor variatie in stroomsnelheden, saliniteit en sedimentatie–erosie de natuurlijke variatie overstijgen

ruimte voor de processen creëren, bufferen van de bovenafvoer en sedimentbeheer zowel in het estuarium als in het gehele stroomgebied

Van den Bergh et al. (2003); Van den Bergh et al. (2005)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 57 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


habitattype 1130: Estuaria

B. Beoordelingsmatrix Criterium Habitatstructuur landschapsvorm

Gunstige staat

uitgestrektheid

wijzigingen in de oppervlakteverhoudingen van de verschillende estuariene habitattypen zijn in verhouding tot de natuurlijke estuariene dynamische processen

dynamiek

Verstoring milieukarakteristieken

Opmerkingen

alle typische estuariene habitats (van diep over ondiep water naar slik tot hoog schor, …) zijn langs de volledige saliniteitsgradiënt (van zout naar zoet, van getij naar niet getij gebonden) aanwezig

Van den Bergh et al. (2003, 2005) grenswaarde voor verhouding van habitattypen bepaald zoals het Gewenst Ecologisch Potentieel voor de KRW

zowel op niveau van het gehele estuarium als op niveau van de grote slikken-schorrengebieden is er zowel sedimentatie als erosie

in iedere zone van de estuariene gradiënt zijn de variatie in zoutgehalte en erosie - sedimentatie binnen de grenzen van de natuurlijke variatie

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 500 ha

B-criterium

grenswaarde voor verhouding van habitattypen bepaald zoals het Gewenst Ecologisch Potentieel voor de KRW

Brys et al. (2005); Speybroeck et al. (2008a, 2008b); Adriaensen et al. (2005)

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.14061248

Brys et al. (2005); Speybroeck et al. (2008a, 2008b); Adriaensen et al. (2005) Adriaens et al. (2005); Van den Bergh et al (2003, 2005)

≥ 5 ha

Pagina 58 van 305

Referenties

www.inbo.be


subtype 1310_zk: Buitendijks schor met zeekraalvegetaties

Habitattype 1310: Eenjarige pioniervegetaties van slik en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten Subtype: buitendijks schor met zeekraalvegetaties (1310_zk)

A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur schorklifvorming/ breuksteenbestorting

Beschrijving

Maatregelen

Langarige zeekraal (Salicornia procumbens), Klein schorrenkruid (Suaeda maritima), Kortarige zeekraal (Salicornia europaea)

scherpe topografische overgangen van zowel (semi-)natuurlijke (schorkliffen) als van antropogene oorsprong (breuksteenbestorting)

verticale gradiënt

intertidale ruimte rond (boven, onder) gemiddeld hoogwater (GHW) is de zone binnen de intertidale gradiënt waar het habitattype zich ontwikkelt.

horizontale structuur

structuurvariatie in de vegetatie waarbij het habitattype als mozaïek voorkomt of in contact staat met buitendijkse vegetaties van habitattype 1330 en/of 1320 en/of met slikken of zandplaten die overspoelen met zout of brak water (o.a. habitattype 1140)

Verstoring invasieve exoten

behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor en omgekeerd behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor en omgekeerd

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Oosterlynck et al. (2013); Vandenbussche et al. (2002c)

Schorklifvorming is een natuurlijk proces maar kan versneld en in de hand worden gewerkt door antropogene invloed op de hydrodynamiek. Ruimte is belangrijk zodat de mogelijkheid tot rekolonisatie blijft bestaan vermits deze pioniervegetaties het beginstadium in de natuurlijke successie vormen. Voor een duurzaam voortbestaan is het van essentieel belang dat telkens weer nieuwe biotopen ontstaan door opslibbing en erosie.

Vandenbussche et al. (2002c); Adriaensen et al. (2005); Brys et al. (2005); Van den Bergh et al. (2005)

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998); Van Braeckel et al. (2008); Adriaensen et al. (2005); Brys et al. (2005); Van den Bergh et al. (2005)

Beeftink (1965); Schaminée et al. (1998)

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 59 van 305

Referenties

Een verandering in soortensamenstelling kan ook een gevolg zijn van natuurlijke successie waarbij het habitattype overgaat in het habitattype 1330 of 1320. Op laag schor is er bijna dagelijks overstroming door getij. Op hoog schor kan het habitattype voorkomen op locaties waar langdurig water stagneert dat vervolgens indampt.

Engels slijkgras (Spartina townsendii) is in staat om zeekraalvegetaties te koloniseren en te verdringen, en successie naar schor te versnellen

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


subtype 1310_zk: Buitendijks schor met zeekraalvegetaties

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten aandeel sleutelsoorten in de vegetatie Habitatstructuur schorklifvorming/breuksteenbestorting

verticale gradiënt horizontale structuur Verstoring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 10% van de oppervlakte van de habitatvlek ≥ 90% sleutelsoorten van het door hogere planten bedekte deel van de habitatvlek

schorklif/breuksteenbestorting hooguit weinig talrijk aanwezig (habitattype gaat geleidelijk over in slik of habitattype 1330) OF: schorklif meer dan weinig talrijk aanwezig maar habitattype ontwikkelt zich voor (= lager dan) het klif intertidale ruimte rond (boven/onder) GHW aanwezig voor elkaar in ruimte en tijd compenserende sedimentatie- en erosieprocessen habitattype komt als mozaïek voor of staat in contact met vegetaties van de buitendijkse variant van habitattype 1330 en/of 1320 en/of met slikken of zandplaten die overspoelen met zout of brak water

Referenties

te bepalen op de habitatvlek, maar de habitatvlek kan zich in de tijd verplaatsen binnen het aaneengesloten slikkenschorrengebied samenhangend met de natuurlijke dynamiek

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998) Hennekens et al. (2010); Schaminée et al. (1998)

te bepalen op niveau van een aaneengesloten slikken-schorrengebied

Vandenbussche et al. (2002c)

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998) de verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen

≤ 10% Engels slijkgras ≥ 30 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 1310_pol: Binnendijks gelegen zeekraalvegetaties

Habitattype 1310: Eenjarige pioniervegetaties van slik en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten Subtype: binnendijks gelegen Zeekraalvegetaties (1310_pol) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Beschrijving

Maatregelen

Kortarige zeekraal (Salicornia europaea), Klein schorrenkruid (Suaeda maritima), Langarige zeekraal (Salicornia procumbens),

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

Herstel van de hydrodynamische en hydrochemische randvoorwaarden met winterse overstromingen door zilt grond- en/of oppervlaktewater. Deze in combinatie met grotere beweidingsblokken bevorderen de uitwisseling van zaden. Instellen optimale begrazingsdichtheid (genoeg vertrappeling en voldoende zaadzetting) en begrazingsperiode (april tot najaar i.f.v. de neerslag zodat geen verrieting optreedt, behoud van pionierende omstandigheden). Het gebruik van dicotylenbestrijders dient geweerd te worden.

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

verandering soortensamenstelling ook gevolg van natuurlijke successie

Referenties Oosterlynck et al. (2013); Vandenbussche et al. (2002c)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten aandeel sleutelsoorten in de vegetatie Ruimtelijke samenhang A-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 10% van de oppervlakte van de habitatvlek

te bepalen op niveau van de habitatvlek

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998) Schaminée et al. (1998)

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

≥ 90% sleutelsoorten van het door hogere planten bedekte deel van de habitatvlek

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 61 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 1310_zv: Buitendijks hoog schor met zeevetmuurvegetaties (Saginion maritimae)

Habitattype 1310: Eenjarige pioniervegetaties van slik en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten Subtype: buitendijks hoog schor met Zeevetmuurvegetaties (Saginion maritimae) (1310_zv) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur dynamiek

Verstoring verruiging

Beschrijving

Maatregelen

Hogere planten: Zeevetmuur (Sagina maritima), Dunstaart (Parapholis strigosa), Deens lepelblad (Cochlearia danica), Laksteeltje (Catapodium marinum), Strandduizendguldenkruid (Centaurium littorale), Sierlijke vetmuur (Sagina nodosa), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus), Melkkruid (Glaux maritima), Fraai duizendguldenkruid (Centaurium pulchellum), Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteoalbum)

Referenties

Typische kwaliteitsindicerende mossen: Stomp dubbeltandmos (Didymodon tophaceus), Netknikmos (Bryum algovicum), Kwelderknikmos (Bryum warneum), Zilt (Hennediella heimii)

Oosterlynck et al. (2013); Schaminée et al. (1998)

dynamiek omvat een combinatie van natuurlijke hydrodynamiek (o.a. overstromingen bij storm), droogte en bijgevolg verhoogde zoutstress en matige begrazing en betreding. Ook overstuiving door windwerking kan een pioniermilieu doen ontstaan

herstel van dynamiek

Natuurlijke hydrodynamiek bestaat uit overstromingen bij storm in herfst en winter die kale bodem en pioniermilieu doen ontstaan ten gevolge erosie en/of afzetting van sediment. Droogte zorgt rechtstreeks voor stress en onrechtstreeks voor zoutstress. Matige begrazing en betreding wordt verdragen. Ook overstuiving door windwerking kan een pioniermilieu doen ontstaan

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998)

Strandkweek (Elymus athericus), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Fioringras (Agrostis stolonifera), Rood zwenkgras (Festuca rubra)

herstel van dynamiek

verminderde dynamiek ter hoogte van de schorre-duinovergang leidt tot verruiging

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 1310_zv: Buitendijks hoog schor met zeevetmuurvegetaties (Saginion maritimae)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen

≥ 2 waaronder Zeevetmuur (Sagina maritima) en/of Sierlijke vetmuur (Sagina nodosa); één hogere sleutelsoort komt ten minste talrijk voor

Habitatstructuur dynamiek

dynamiek aanwezig

Referenties

te bepalen op niveau van de habitatvlek

analyse van basisgegevens

te bepalen op niveau van aaneengesloten habitatvlekken

Sterckx et al. (2007); Schaminée et al. (1998)

Verstoring verruiging

≤ 30%

te bepalen op niveau van de habitatvlek

Hennekens et al. (2001); expertoordeel

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

B-criterium

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 63 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 1320: Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

Habitattype 1320: Schorren met Slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten Habitatstructuur schorklifvorming/breuksteenbestorting

Beschrijving

Maatregelen

verticale gradiënt

intertidale ruimte rond (boven/onder) GHW aanwezig voor elkaar in ruimte en tijd compenserende sedimentatie- en erosieprocessen

horizontale structuur

structuurvariatie in de vegetatie waarbij het habitattype als mozaïek voorkomt of in contact staat met vegetaties van de buitendijkse variant van habitattype 1330 en/of met vegetaties van de buitendijkse variant van habitattype 1310 en/of met slikken of zandplaten die overspoelen met zout of brak water (o.a. habitattype 1140)

Klein slijkgras (Spartina maritima), Engels slijkgras (Spartina townsendii) scherpe topografische overgangen van zowel (semi-)natuurlijke (schorkliffen) als van antropogene oorsprong (breuksteenbestorting)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Vandenbussche et al. (2002c) behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek van erosie en sedimentatie met successie van slik naar schor en omgekeerd

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Schorklifvorming is een natuurlijk proces maar kan versneld en in de hand worden gewerkt door antropogene invloed op de hydrodynamiek. Ruimte is belangrijk zodat de mogelijkheid tot rekolonisatie blijft bestaan vermits deze pioniervegetaties het beginstadium in de natuurlijke successie vormen. Voor een duurzaam voortbestaan is het van essentieel belang dat telkens weer nieuwe biotopen ontstaan door opslibbing en erosie.

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Vandenbussche et al. (2002c); Adriaensen et al. (2005); Brys et al. (2005); Van den Bergh et al. (2005); expertoordeel Van Braeckel et al. (2008); Sterckx et al. (2007); Adriaensen et al. (2005); Brys et al. (2005); Van den Bergh et al. (2005); expertoordeel


Habitattype 1320: Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur schorklifvorming/breuksteenbestorting

verticale gradiënt horizontale structuur

Gunstige staat Klein slijkgras aanwezig

≤ 70%

Opmerkingen

Referenties

Klein slijkgras is uitgestorven in Vlaanderen zodat dit criterium steeds ongunstig zal scoren

Van Landuyt et al. (2006); Sterckx et al. (2007); Lambinon et al. (1998) analyse van basisgegevens

bij een te grote dominantie krijgen andere pioniers geen kans het slik te koloniseren

schorklif/breuksteenbestorting hooguit weinig talrijk aanwezig (habitattype gaat geleidelijk over in slik of habitattype 1310 of 1330) OF: schorklif meer dan weinig talrijk aanwezig maar habitattype ontwikkelt zich voor (= lager dan) het klif intertidale ruimte rond (boven/onder) GHW aanwezig voor elkaar in ruimte en tijd compenserende sedimentatie- en erosieprocessen habitattype komt als mozaïek voor of staat in contact met vegetaties van de buitendijkse variant van habitattype 1330 en/of 1310 en/of met slikken of zandplaten die overspoelen met zout of brak water

te bepalen op niveau van een aaneengesloten slikkenschorrengebied

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Ruimtelijke samenhang A-criterium B-criterium

Sterckx et al. (2007) de verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015 Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 65 van 305

Vandenbussche et al. (2002c)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 1330_da: Buitendijkse schorren

Habitattype 1330: Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Subtype: buitendijkse schorren (1330_da) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur schorklifvorming/breuksteenbestorting

verticale gradiënt

kreken, oeverwallen en kommen horizontale structuur

Beschrijving

Maatregelen

Soorten van lage schor: Melkkruid (Glaux maritima), Schorrenzoutgras (Triglochin maritima), Gerande schijnspurrie (Spergularia media subsp. angustata), Zilte schijnspurrie (Spergularia marina), Klein schorrenkruid (Suaeda maritima), Zeeweegbree (Plantago maritima), Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Lamsoor (Limonium vulgare), Zulte (Aster tripolium), Gewone zoutmelde (Halimione portulacoides), Heen (Scirpus maritimus), Spiesmelde (Atriplex prostrata), Echt lepelblad (Cochlearia officinalis) Soorten van hoge schor: Melkkruid (Glaux maritima), Schorrenzoutgras (Triglochin maritima), Gerande schijnspurrie (Spergularia media subsp. angustata), Zilte schijnspurrie (Spergularia marina), Zeeweegbree (Plantago maritima), Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Zulte (Aster tripolium), Zilte rus (Juncus gerardii), Strandkweek (Elymus athericus), Kwelderzegge (Carex extensa), Zeealsem (Artemisia maritima), Stomp kweldergras (Puccinellia distans), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Spiesmelde (Atriplex prostrata), Strandmelde (Atriplex littoralis), Engels gras (Armeria maritima) scherpe topografische overgangen van zowel (semi-)natuurlijke (schorkliffen) als van antropogene oorsprong (breuksteenbestorting) (i.e. bruuske overgang van slik naar schor)

behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor en omgekeerd

intertidale ruimte aanwezig over de hele hoogtegradiënt (laag tot hoog) of overstromingsgradiënt (hoge tot lage overstromingsfrequentie) voor elkaar in ruimte en tijd compenserende sedimentatie- en erosieprocessen vertakt netwerk van kreken van verschillende orde met belendende oeverwallen die overgaan in kommen vegetatiegradiënt (zonatie): lage schorvegetaties met overgangen naar habitattype 1310/1320 komen gezoneerd of als mozaïek voor met hoge schorvegetaties en climaxvegetaties.

Opmerkingen

Referenties

begrazing dringt de successie terug en doet de dominante soorten afnemen ten voordele van andere soorten, waardoor soortenrijkere begroeiingen ontstaan

Oosterlynck et al. (2013); Vandenbusschet et al. (2002c)

Schorklifvorming is een natuurlijk proces maar kan versneld en in de hand worden gewerkt door antropogene invloed op de hydrodynamiek. Algemeen is er een tendens naar enkel hoge schorren, met een bruuske overgang slik-schor (schorklif). Brys et al. (2005)

Herstel dynamiek = herstel variatie in milieukarakteristieken en hiermee gepaard gaande variatie in vegetaties. Lage schorren staan bij vrijwel elk hoogwater onder water, terwijl hoog gelegen schorren alleen bij springtij en stormvloeden onder water komen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Vandenbussche et al. (2002c); Schaminée et al. (1998); Adriaensen et al. (2005); Brys et al. (2005); Van den Bergh et al. (2005)


Subtype 1330_da: Buitendijkse schorren Verstoring rietontwikkeling

Riet (Phragmites australis) (enkel van toepassing op brakwaterschor)

behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor of het terugdringen van de successie naar soortenrijkere vegetatie door aanpassing van het beheer wat vooral begrazing inhoudt

verruiging

Strandkweek (Elymus athericus) (enkel van toepassing op zoutwaterschor)

verzoeting

toename zoetwaterminnende soorten (glycofyten) ten koste van zouttolerante plantensoorten wijst op een daling van de saliniteit van het grond- en/of oppervlaktewater

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

de natuurlijke successie op brakwaterschorren leidt tot de ontwikkeling van een soortenarme climaxvegetatie van riet

Vandenbussche et al. (2002c); Schaminée et al. (1998); Adriaensen et al. (2005); Brys et al. (2005); Van den Bergh et al. (2005)

de natuurlijke successie op zoutwaterschorren kan leiden tot de ontwikkeling van een soortenarme climaxvegetatie van strandkweek, al dan niet versneld door nutriëntenaanrijking

Bakker et al. (1997); Doody (2007); van Wijnen & Bakker (1997)

herstel of aanpassing van de brakke tot zoute waterkwaliteit;

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Westhoff & Sykora (1979)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 67 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 1330_da: Buitendijkse schorren

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten

bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur schorklifvorming/breuksteenbestorting verticale gradiënt kreken, oeverwallen en kommen horizontale structuur

Verstoring rietontwikkeling

verruiging verzoeting

Gunstige staat ≥ 5 sleutelsoorten van laag schor aanwezig EN ≥ 2 sleutelsoorten van hoog schor

Opmerkingen

Referenties

Op niveau van aaneensluitende habitatvlekken (1)

analyse van basisgegevens

≥ 30%

schorklif/breuksteenbestorting hooguit weinig talrijk aanwezig: lage schorvegetaties blijven in stand of breiden uit OF: schorklif meer dan weinig talrijk aanwezig met de lage schorvegetatie voor (= lager dan) het klif intertidale ruimte van GHW tot GHWS (gemiddeld hoogwater bij springtij) (bovengrens intertidaal 5 inundaties per jaar) aanwezig voor elkaar in ruimte en tijd compenserende sedimentatie- en erosieprocessen netwerk van kreken van verschillende orde aanwezig, net als oeverwallen en kommen

te bepalen op niveau van een aaneengesloten slikkenschorrengebied Brys et al. (2005)

zowel lage als hoge en climaxschorvegetaties zijn aanwezig (climax brakwaterschor: rietvegetaties; climax zoutwaterschor: strandkweekvegetaties)

≤ 70% riet (enkel van toepassing op brakwaterschor)

te bepalen op niveau van een aaneengesloten slikkenschorrengebied

≤ 30% climaxvegetaties van strandkweek (enkel van toepassing op zoutwaterschor) Zoutwaterschor: bedekking zoetminnende soorten ≤ 10% Brakwaterschor: bedekking zoetminnende soorten ≤ 30%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

Schaminée et al. (1998); Brys et al. (2005); Speybroeck et al. (2008b)

te bepalen op niveau van een habitatvlek

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens GIHD)

B-criterium ≥ 5 ha (1) Dit hangt samen met het feit dat een goed ontwikkelde Atlantische schorre is samengesteld uit structureel en floristisch verschillende vegetatietypes..

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Brys et al. (2005); Vandenbussche et al. (2002c); Hennekens et al. (2001) Bakker et al. (1997); Doody (2008)

www.inbo.be

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015


Habitat(sub)typen 1330_hpr:binnendijkse zilte vegetaties

Habitattype 1330: Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Subtype: binnendijkse zilte vegetaties (1330_hpr) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Stomp kweldergras (Puccinellia distans), Zilte rus (Juncus gerardii), Melkkruid (Glaux maritima), Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Zilte schijnspurrie (Spergularia marina), Bleek kweldergras (Puccinellia capillaris), Zulte (Aster tripolium), Dunstaart (Parapholis strigosa), Slanke waterbies (Eleocharis uniglumis), Zilt torkruid (Oenanthe lachenalii), Zilte zegge (Carex distans), Blauw kweldergras (Puccinellia fasciculata), Heen (Scirpus maritimus), Rood zwenkgras (Festuca rubra)

Herstel van de hydrodynamische en hydrochemische randvoorwaarden. Eventuele winterse overstromingen met zilt grond- en/of oppervlaktewater en grotere beweidingsblokken bevorderen de uitwisseling van zaden. Instellen optimale begrazingsdichtheid (genoeg vertrappeling en voldoende zaadzetting) en begrazingsperiode (april tot najaar i.f.v. de neerslag zodat geen verrieting optreedt, behoud van pionierende omstandigheden). Het gebruik van dicotylenbestrijders dient geweerd te worden.

soorten kunnen kiemen uit zaadbank na herstelwerken (zilte rus, kweldergrassen, melkkruid)

Oosterlynck et al. (2013); Zwaenepoel (2003)

structuurvariatie in de grasmat: mozaïek van verschillende vegetatietypes met zoutplanten en tredplanten (of lijnvormig langs kreken/sloten), eventueel met open plekken

het terugdringen van de successie door aanpassing van het beheer (geleidelijke overgang creëren, verhoging begrazingsintensiteit of gecombineerd beheer) behoud van historisch permanent grasland, waar mogelijk terug herstel naar grasland rekening houdend met het originele (micro)reliëf het begrazingsbeheer (begrazingsdruk en tijdstip) aanpassen (heen en zulte) en/of minder langdurige hoge winterwaterstand (zulte) instellen

door over- of onderbegrazing kan een gebrek aan variatie in de vegetatiestructuur ontstaan

Vandenbussche et al. (2002c); Zwaenepoel et al. (2002); Van Uytvanck & Decleer (2004); expertoordeel

microreliëf

pollen/trapgaten/laantjes, bulten, slenken, depressies, …

dominantie van 1 soort

bedekking Heen of Zulte

de bodem van de zilte depressie mag vlak zijn.

Bij afname of wegvallen van begrazing kan naast riet ook heen gaan domineren ten koste van de typische structuur- en soortenrijkdom van dit habitattype. Een te lage begrazingsdruk, gecombineerd met een te langdurig hoge winterwaterstand kan leiden tot dominantie van zulte.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 69 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Zwaenepoel et al. (2002); Sterckx et al. (2007)


Habitat(sub)typen 1330_hpr:binnendijkse zilte vegetaties Verstoring rietontwikkeling

overgang naar rbbzil

Riet (Phragmites australis)

het begrazingsbeheer (begrazingsdruk en tijdstip) aanpassen, geen afsluiting langs slootrand die beweiding onmogelijk maakt

Fioringras (Agrostis stolonifera), Geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus), Valse voszegge (Carex cuprina), Ruige zegge (Carex hirta)

herstel of aanpassing van de brakke tot zoute waterkwaliteit; het begrazingsbeheer (begrazingsdruk en tijdstip) aanpassen, geen afsluiting langs slootrand die beweiding onmogelijk maakt

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

bij het wegvallen van begrazing evolueren binnendijkse zilte vegetaties naar heenvegetaties maar vooral naar rietvegetaties (1)

Zwaenepoel et al (2002); expertoordeel

Zwaenepoel et al (2002); expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte verhogen Zie §2.4 voor werkwijze in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten (1) Door geleidelijke ontzilting kunnen binnendijkse zilte vegetaties evolueren naar zilverschoongrasland. Ook door afname van het aantal grazers of van de beweidingsduur kan Fioringras of Geknikte vossenstaart dominant worden en het Zilverschoonverbond in de plaats komen

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur horizontale structuur microreliëf dominantie van 1 soort Verstoring rietontwikkeling

overgang naar rbbzil Ruimtelijke samenhang A-criterium B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

≥2 ≥30%

te bepalen op alle habitatvlekken samen binnen een graslandperceel

analyse van basisgegevens

differentiatie in samenstelling aan zoutplanten en tredplanten (of lijnvormig langs kreken/sloten) ten minste talrijk Heen of Zulte bedekken < 70%

te bepalen op alle habitatvlekken samen binnen een graslandperceel.

Vandenbussche et al. (2002c); Zwaenepoel et al. (2002)

hooguit talrijk in de habitatvlekken

te bepalen op alle habitatvlekken samen binnen een graslandperceel.

Brys et al. (2005); Vandenbussche et al. (2002c); Hennekens et al. (2001) analyse van basisgegevens

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Zwaenepoel et al. (2002); Sterckx et al. (2007)

som van de bedekking grasachtigen uit het zilverschoonverbond ≤ som van de bedekking sleutelsoorten ≥ 30 ha ≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de kustduinen: inleiding

4. Kustduinen Provoost S., Denys L., Thomaes A. & T’Jollyn F.

4.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Dit geldt in het bijzonder voor verbossing, verruiging en voor het criterium ‟rijshout‟ (zie specifiek § 2.3.5). Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. De fiches van de kustduinen zijn grotendeels gebaseerd op uitgebreide gegevenssets en de expertise aanwezig op het INBO. De grenswaarden voor de sleutelsoorten zijn gebaseerd op verwerking van recente vegetatieopnames. Successie speelt een zeer belangrijke rol in deze vaak hoogdynamische habitattypen en leidt hier vaak tot overgang van het ene habitattype naar het andere. Zoals in § 2.3.5 geduid, kan successie in hoogdynamische systemen dermate snel verlopen dat habitattypen uit een gebied kunnen verdwijnen. Zulke snelle successie kan daarenboven samenhangen met verstoringen, hier bv. het wegvallen van dynamiek door bepaalde ingrepen, zodat successie binnen deze habitatgroep ten volle mee in rekening gebracht wordt in de beoordeling. Voorbeelden: fixatie van wandelend duin (2120) door vestiging van pioniersvegetatie en mossen zorgt voor de overgang naar mosduin en duingrasland (2130); verstruweling doet duingraslanden en duinheiden (2130 & 2150) evolueren naar duinstruwelen (2160); duinstruwelen (2160) evolueren naar duinbossen (2180) door verdere verbossing. Invasieve exoten worden volgens de basisafspraken zeer streng beoordeeld (afwezig), met uitzondering van het Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus) (≤10%). Omwille van de specifieke problematiek van exoten in de duinhabitats (soms een hoog aandeel neofyten in de soortensamenstelling) en de structuurschade die gepaard gaat met hun verwijdering, wordt in enkele tabellen ook het criterium ‟overige exoten’ gehanteerd. De bedekking van nietinvasieve neofyten kan bij een gunstige staat maximaal 10% bedragen. De opgegeven soortenlijsten zijn niet exhaustief en lokale probleemsoorten die niet expliciet vermeld zijn (bv. Struikaster (Baccharis halimifolia) kunnen worden meegenomen in een LSVI-bepaling. Bij de beoordeling van de wandelende duinen op de strandwal (habitattype 2120) is het noodzakelijk ermee rekening te houden dat spontane verstuiving enkel kan bestaan wanneer er permanent verplaatsing is van zand. Spontane verstuiving uit zich op het terrein doordat het kaal zand een typische ribbelpatroon vertoont. Aan de zeereep (dit is de zone in contact met de zee met o.a. invloed van „salt spray‟ en een vochtiger en zachter microklimaat) kan spontane verstuiving optreden door zandaanvoer vanaf het strand. In de binnenduinen (de zones achter de zeereep, die evengoed tot het habitattype 2120 kunnen behoren) kan spontane verstuiving enkel wanneer er voldoende grote zones vegetatieloos stuifduin aanwezig zijn. Om spontane verstuiving goed in te schatten, beoordelen we „begroeide duinen‟ (< 50% open zand) en „vegetatieloze duinen‟ (> 90% open zand) apart. In de praktijk dienen situaties met open zand tussen 50 en 90% steeds tot een van deze twee types opgedeeld worden tijdens de beoordeling.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 71 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de kustduinen: inleiding

De vastgelegde duinen met kruidvegetatie (habitattype 2130) zijn opgesplitst in de subtypen „kalkarme duingraslanden’ (2130_had) en ‘kalkrijke duingraslanden’ (2130_hd) (Decleer, 2007; De Saeger et al., 2008), waarvoor afzonderlijke fiches gemaakt zijn. Voor beide subtypes is nog verder onderscheid gemaakt tussen enerzijds „kalkrijke mosduinen en pionierduingraslanden‟ en anderzijds „droog tot vochtig kalkrijk duingrasland‟. Dit onderscheid komt in de fiches enkel tot uiting bij de beoordeling van de sleutelsoorten. De fiche van de Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (2150) is voor de beoordeling van de structuur vergelijkbaar met de fiche van de psammofiele heide (heide van de binnenlandse duinen, 2310), omdat beide habitattypen onderhevig zijn aan gelijkaardige ecologische processen. Voor de invasieve exoot Grijs kronkelsteeltje wordt ook hier minder streng geëvalueerd (≤10%) dan doorgaans het geval is voor andere invasieve exoten. Het voorkomen van dit habitattype is aan onze kust zeer beperkt; enkel in de oude duinen van Bredene - De Haan (D'Heye) en Westende (Schuddebeurze) komen relicten voor. Voor de duinbossen (2180) is de fiche vergelijkbaar met deze van de droge tot vochtige bossen in het binnenland. Hier zijn enkel de sleutelsoorten, de verstoringscriteria en het minimum structuurareaal aangepast aan de situatie in de duinen. De weinige broekbossen die voorkomen in de duinen worden getypeerd zoals in het binnenland (subtypen van het habitattype 91E0: bossen op alluviale grond met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) en bijgevolg met de overeenstemmende fiche beoordeeld. Exoten en ingeburgerde boomsoorten (bv. Witte abeel (Populus alba)) zijn voor duinbossen vaak structuur-en aspectbepalend. Daarom is een geleidelijke omvorming naar meer streekeigen bos doorgaans aangewezen. Vandaar ook dat het criterium „overige exoten en ingeburgerde boomsoorten‟ bij dit habitattype minder streng beoordeeld wordt dan bij andere boshabitattypen. Het habitattype 2190 ‘vochtige duinvalleien’ omvat de typische duinpannen met kalkminnende vegetaties, maar ook alle andere vochtige tot natte habitats in de duinen (rietkragen, plassen, zeggenvegetaties, zilverschoongrasland,…). Voor duinpannen met kalkminnende vegetaties (2190_mp) en duinplassen (2190_a) zijn afzonderlijke fiches ontwikkeld. De overige vochtige duinvegetaties worden eveneens met deze tabel beoordeeld wanneer ze aansluiten bij dergelijke kalkminnende duinpanne: het betreft meestal kleine delen, met uiteenlopende vegetaties op verschillende locaties die de biodiversiteitswaarde verhogen. Lokaal kan echter beheerd worden in functie van andere vochtige duinvegetaties (bv. delen van de Fonteintjes in Blankenberge). Dergelijke vegetaties dienen dan ook beoordeeld te worden met tabellen van andere (niet-duin)habitattypen of regionaal belangrijke biotopen. Het criterium 'overbetreding' wordt enkel gebruikt bij duingraslanden (2130) en duinheide (2150). Dat komt omdat deze typen hier zeer gevoelig voor zijn. Overbetreding komt er duidelijk tot uiting in de vegetatie door de aanwezigheid van typevreemde, ruderale soorten. Sterke betreding is een algemeen verschijnsel in de Belgische duinen, maar niet alle habitats zijn er even gevoelig voor. Sommige zijn vrij ontoegankelijk, zoals struwelen. Open zand bijvoorbeeld neemt toe door betreding en is van nature aanwezig bij helmduin (2120) en embryonaal duin (2110). Een sterke recreatiedruk heeft wel invloed op de (broed)vogelstand, maar dat dient geëvalueerd te worden via de lokale staat van instandhouding van de vogels. In duinbos (2180) en (begraasde) duinvalleien (2190) is er vaak al een ruderaal element aanwezig, zodat ruderale soorten daar niet typevreemd zijn; een sterke toename van zulke soorten wordt daar wel beoordeeld onder verruiging.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2110: Embryonale wandelende duinen

4.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 2110: Embryonale wandelende duinen A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur oppervlakte dynamiek

Verstoring recreatie

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

structuurvormend sleutelsoorten(overblijvend): Biestarwegras (Elymus farctus), Zeepostelein (Honckenya peploides), Zandhaver (Leymus arenarius) aanvullende sleutelsoorten (kortlevend): Stekend loogkruid (Salsola kali subsp. kali), Zeeraket (Cakile maritima), Strandbiet (Beta vulgaris subsp. maritima), Kustmelde (Atriplex glabriuscula), Strandmelde (Atriplex littoralis), Gelobde melde (Atriplex laciniata)

vermijden dat vertrappeling (of andere menselijke activiteiten) de vestiging van de typische soorten onmogelijk maakt

Deze indicator dient ruim gekarteerd te worden, het gaat niet om kleine vlekjes habitat maar om de hele strandzone vanaf hoogwaterlijn tot duinvoet. Biestarwegras, zeepostelein en zandhaver zijn structuurvormende soorten van embryonaal duin, de overige sleutelsoorten zijn kortlevend en komen ook in efemere vloedmerkvegetaties voor.

Oosterlynck et al. (2013); analyse van basisgegevens

oppervlakte begroeide delen zandverstuiving, dit wordt vaak verhinderd door menselijke structuren zoals dijken, structuurbepalend rijshout, …

wegnemen menselijke structuren, tenzij die net (tijdelijk) noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de habitatvlek (zie opmerking)

Embryonale duinen kunnen dikwijls direct of indirect ontstaan door toedoen van menselijke kunstwerken zoals rijshouthagen of strekdammen. Soms zijn fixerende artefacten (rijshout) nodig om een antwoord te bieden aan de hoge recreatiedruk. Hoewel ze spontane processen beperken, zorgen ze in zulke gevallen in zekere zin voor het behoud van de habitat.

overbetreding door recreatie

vermijden van vertrappeling door regulering betredingsdruk

een hoge betredingsdruk verhindert het ontwikkelen van vegetaties. Onder intensieve recreatie verstaan we strandzones ter hoogte en onmiddellijk aansluitend bij de badplaatsen, zones waar bebouwing tot tegen het strand komt of enkel door een smalle duinengordel hiervan wordt gescheiden

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 73 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

expertoordeel o.b.v. basisgegevens Speybroeck et al. (2006, 2008a)

expertoordeel


Habitattype 2110: Embryonale wandelende duinen

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie structuurvormende sleutelsoorten aanvullende sleutelsoorten

Gunstige staat structuurvormende sleutelsoorten van embryonaal duin bedekken gezamenlijk minimaal 5%

begroeide delen ≥ 100 m²

komt vaak lineair voor en kan dus goed ontwikkeld zijn op kleine oppervlakte te bepalen op niveau van de strandzone waarin de habitatvlek(ken) liggen

analyse van basisgegevens Speybroeck et al. (2008a)

niet gelegen in een zone met intensieve recreatie

De ontwikkelingsgraad is omgekeerd evenredig met de betredingsgraad. Te bepalen op niveau van de strandzone waarin de habitatvlek(ken) liggen.

analyse van basisgegevens

≥ 50 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

spontane verstuiving wordt niet verhinderd door menseljke structuren (dijken, structuurbepalend rijshout)

Verstoring recreatie

Referenties analyse van basisgegevens analyse van basisgegevens

aanvullende sleutelsoorten minstens talrijk of er zijn minimaal 4 sleutelsoorten (structuurvormend en aanvullend) aanwezig

Habitatstructuur oppervlakte dynamiek

Opmerkingen

Ruimtelijke samenhang A-criterium B-criterium

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2120: Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen)

Habitattype 2120: Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen) Verschillende criteria moeten bepaald worden op het aandeel begroeid duin (weergegeven bij opmerkingen; zie § 4.1) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur

Beschrijving

Maatregelen

Algemene soorten: Helm (Ammophila arenaria), Duinzwenkgras (Festuca juncifolia), Scheve hoornbloem (Cerastium diffusum) Enkel zeereep: Blauwe zeedistel (Eryngium maritimum), Zeewolfsmelk (Euphorbia paralias), Zeewinde (Calystegia soldanella), Zandhaver (Leymus arenarius) afwisseling van naakte bodem met pollen Helm (Ammophila arenaria): fijnmazig of grof (afwisseling van grote vlekken begroeid en onbegroeid of grotendeels dichtgegroeid)

naakte bodem

open zand

dynamiek

zandverstuiving: wordt vaak verhinderd door menselijke structuren.

moslaag

een te hoge bedekking mossen wijst op fixatie

kruidlaag

Een te hoge bedekking van soorten van pionierduingraslanden wijst op een vergaande fixatie. Het betreft soorten zoals Zandzegge (Carex arenaria), Gewone zandmuur (Arenaria serpyllifolia), Gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata), Kleine leeuwentand (Leontodon saxatilis), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Zanddoddengras (Phleum arenarium), Muurpeper (Sedum acre), Klein streepzaad (Crepis capillaris), Zandhoornbloem (Cerastium semidecandrum), …

Verstoring vergrassing

verruiging

alle grassen uitgezonderd Helm (Ammophila arenaria) en Duinzwenkgras (Festuca juncifolia)

structuurverstoring

Indien te weinig Helm door overbetreding: zonering van recreatie. Bij te hoge fixatiegraad (ongunstig voor één of meer van de hier opgesomde criteria) moeten maatregelen genomen worden om de zandverstuiving activeren zoals afplaggen, vergraven, verwijderen menselijke structuren, …

beheer: plaggen vergraven, …

Helm kan alleen gedijen bij continue overstuiving met vers zand. Actieve verstuiving is cruciaal voor de duurzame instandhouding van dit habitattype.

Treedt op bij verregaande fixatie. Begrazing en maaien leidt tot ontwikkeling duingrasland en niet tot herstel van helmduin. (1); Treedt op bij verregaande fixatie. Begrazing en maaien leidt tot ontwikkeling duingrasland en niet tot herstel van helmduin. opschietend rijshout veroorzaakt extra fixatie door wortelgroei en aanrijking door bladval

Dauwbraam (Rubus caesius), Grote brandnetel (Urtica dioica), Akkerdistel (Cirsium arvense)

verwijderen rijshout

Smal vlieszaad (Corispermum leptopterum), Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens), Canadese fijnstraal (Conyza canadensis),… Aanwezigheid van puin, bouwsels, etc…

Van der Putten & Peters (1997)

analyse van basisgegevens Speybroeck et al. (2008a) analyse van basisgegevens

analyse van basisgegevens

beheer: plaggen vergraven, … verwijderen van de menselijke structuren

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 75 van 305

Referenties Oosterlynck et al. (2013)

gefixeerd helmduin vormt overgang naar 2130_hd

rijshout

overige exoten

Opmerkingen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

expertoordeel


Habitattype 2120: Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

(1)

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten Door ontbinding van afgestorven helmpollen komen lokaal van nature vrij voedselrijke situaties voor (met bv. Akkerdistel als indicator)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur naakte bodem dynamiek

Gunstige staat

Opmerkingen Helm + een andere sleutelsoort minimaal weinig talrijk aanwezig

te bepalen op het aandeel begroeid duin

analyse van basisgegevens

fijnmazige afwisseling van naakte bodem met pollen Helm (Ammophila arenaria)

te bepalen op het aandeel begroeid duin

analyse van basisgegevens

afwisseling van begroeide duinen (10-50 % open zand) en vegetatieloze (> 90% open zand) duinen spontane verstuiving aanwezig

moslaag

≤ 30 % van het begroeide deel van het duin

kruidlaag

soorten van pionierduingraslanden ≤ 30 % van het begroeide deel van het duin

te bepalen op niveau van (aaneensluitende) habitatvlek(ken) te bepalen op niveau van de habitatvlek. analyse van basisgegevens

Verstoring vergrassing

≤ 30 %

verruiging

≤ 30 %

rijshout

≤ 10 %

te bepalen op niveau van de habitatvlek

overige exoten

≤ 10 %

te bepalen op het aandeel begroeid duin

structuurverstoring Ruimtelijke samenhang A-criterium

Referenties

te bepalen op het aandeel begroeid duin

hoogstens weinig talrijk aanwezig ≥ 50 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

analyse van basisgegevens expertoordeel Poelmans et al. 2015 Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 305

analyse van basisgegevens

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 2130_had: duingraslanden van kalkarme milieus

Habitattype 2130: Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen) Subtype: duingraslanden van kalkarme milieus (2130_had) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring vergrassing verruiging

verbossing

invasieve exoten

Beschrijving

Maatregelen

zuur mosduin en pionierduingraslanden: Hogere planten: Duindravik (Bromus thominei), Duinviooltje (Viola curtisii), Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus), Zandblauwtje (Jasione montana), Viltganzerik (Potentilla argentea), Schapenzuring (Rumex acetosella), Buntgras (Corynephorus canescens), Eekhoorngras (Vulpia bromoides) Mossen: Zandbisschopsmuts (Racomitrium canescens), Ruig haarmos (Polytrichum piliferum) Korstmossen: Elandgewijmos (Cladonia foliacea), Gebogen rendiermos (Cladina arbuscula), Open rendiermos (Cladina portentosa), Kraakloof (Cetraria aculeata) droog tot vochtig zuur duingrasland: Hogere planten: Zandblauwtje (Jasione montana), Fijn schapengras (Festuca filiformis), Viltganzerik (Potentilla argentea), Overblijvende hardbloem (Scleranthus perennis), Schapenzuring (Rumex acetosella), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis), Onderaardse klaver (Trifolium subterraneum), Tandjesgras (Danthonia decumbens), Kruipganzerik (Potentilla anglica), Gestreepte klaver (Trifolium striatum), Tormentil (Potentilla erecta), Hondsviooltje (Viola canina) Mossen: Gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium), Echt zandhaarmos (Polytrichum juniperinum)

overbetreding

beheren: begrazing, maaien beheren: begrazing, maaien

invasief mos Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus),…

verhogen dynamiek (reactiveren stuifzand); terugdringen stikstofbelasting bestrijden exoten: kappen, uitgraven, …

bedekking ruderalen en tredplanten zoals Grote leeuwenklauw (Aphanes arvensis), Kleine leeuwenklauw (Aphanes inexspectata), Grote weegbree (Plantago major), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus), Straatgras (Poa annua), Varkensgras (Polygonum aviculare), Rood guichelheil (Anagallis arvensis. subsp. arvensis), …

Referenties

Het onderscheid tussen de kostmossen van de zure en kalkrijke mosduinen is essentieel.

Oosterlynck et al. (2013); Van Landuyt et al. (2004)

Het is noodzakelijk de mos- en korstmos-sleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen

Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Strandkweek (Elymus athericus), Zandzegge (Carex arenaria) Akkerdistel (Cirsium arvense), Grote brandnetel (Urtica dioica), Dauwbraam (Rubus caesius), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Kleefkruid (Galium aparine), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum) alle struweel- en bossoorten

overige invasieve exoten: Rimpelroos (Rosa rugosa), …

Opmerkingen

beheren: struweel kappen met nabeheer (begrazing/maaien)

Provoost et al. (2004a); Kooijman et al. (1996) analyse van basisgegevens struweel kan een wezenlijk onderdeel van dit habitattype zijn maar dan is de verspreiding ervan beperkt door lichte verstuiving, begrazing of (ander) natuurtechnisch beheer is enkel een probleem bij droog ontkalkt duingrasland

Leten et al. (2005); Provoost et al. (2004a en 2004b); van Til et al. (2002)

de lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten

analyse van basisgegevens

voorkomen van overbetreding door recreanten en overbezetting van vee

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 77 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Hoffmann et al. (2004); Sparrius et al. (2011)

analyse van basisgegevens


Subtype 2130_had: duingraslanden van kalkarme milieus Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

bedekking sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Variant zuur mosduin en pionierduingrasland ≥ 4 sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig. Variant zuur duingrasland ≥ 4 sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig.

indien beide varianten samen voorkomen bepaalt de best scorende variant de einduitspraak het aandeel duingrasland moet buiten beschouwing gelaten worden. Indien er geen mosduin is vervalt dit criterium.

analyse van basisgegevens

sleutelsoorten van het zuur mosduin en het pioniergrasland ≥ 50% van het begroeide deel van het mosduin

Verstoring vergrassing

≤ 30%

verruiging

≤ 10%

verbossing

≤ 10%

invasieve exoten

overbetreding

zeer schaars op konijnenlatrines, langs paden, ….

Leten et al. (2005); Provoost et al. (2004a en 2004b); Van Til et al. (2002) Hoffmann et al. (2004) analyse van basisgegevens analyse van basisgegevens

invasief mos ≤ 10% overige invasieve exoten afwezig bedekking ruderalen en tredplanten ≤ 10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 305

Provoost et al. (2004a); Kooijman et al. (1996) analyse van basisgegevens

www.inbo.be


Subtype 2130_hd: duingraslanden van kalkrijke milieus

Habitattype 2130: Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen) Subtype: duingraslanden van kalkrijke milieus (2130_hd) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring vergrassing

verruiging

verbossing

overbetreding

invasieve exoten

overige exoten

Beschrijving

Maatregelen

kalkrijke mosduinen en pionierduingraslanden: Hogere planten: Zanddoddengras (Phleum arenarium), Kleverige reigersbek (Erodium lebelii), Ruw vergeet-mij-nietje (Myosotis ramosissima), Kruipend stalkruid (Ononis repens), Zandhoornbloem (Cerastium semidecandrum), Duinfakkelgras (Koeleria albescens), Liggende asperge (Asparagus officinalis subsp. prostratus), Duindravik (Bromus thominei), Duinviooltje (Viola curtisii), Kegelsilene (Silene conica), Ruwe klaver (Trifolium scabrum), Duinlangbaardgras en gewimperd langbaardgras (Vulpia ciliata), Lathyruswikke (Vicia lathyroides) Mossen: Groot klauwtjesmos (Hypnum cupressiforme var. lacunosum), Bleek dikkopmos (Brachythecium albicans), Duinkronkelbladmos (Tortella flavovirens), Groot duinsterretje (Syntrichia ruraliformis), Gewoon purpersteeltje (Ceratodon purpureus) Korstmossen: Vals rendiermos (Cladonia rangiformis). droog tot vochtig kalkrijk duingrasland: Hogere planten: Geel walstro (Galium verum), Grote tijm (Thymus pulegioides), Geel zonneroosje (Helianthemum nummularium), Liggend bergvlas (Thesium humifusum), Nachtsilene (Silene nutans), Walstrobremraap (Orobanche caryophyllacea), Kalkbedstro (Asperula cynanchica), Zachte haver (Avenula pubescens), Voorjaarsganzerik (Potentilla neumanniana), Duindravik (Bromus thominei), Ruwe klaver (Trifolium scabrum), Gestreepte klaver (Trifolium striatum), Wondklaver (Anthyllis vulneraria), Blauwe bremraap (Orobanche purpurea) Mossen: Boompjesmos (Climacium dendroides)

Opmerkingen

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen

Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Strandkweek (Elymus athericus), Zandzegge (Carex arenaria).

beheren: begrazing, maaien

Akkerdistel (Cirsium arvense), Grote brandnetel (Urtica dioica), Dauwbraam (Rubus caesius), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Kleefkruid (Galium aparine), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum) alle struik- en boomsoorten

beheren: begrazing, maaien

bedekking ruderalen & tredplanten, zoals Grote leeuwenklauw (Aphanes arvensis), Kleine leeuwenklauw (Aphanes inexspectata), Rood guichelheil (Anagallis arvensis subsp. arvensis), Grote weegbree (Plantago major), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus), Straatgras (Poa annua), Varkensgras (Polygonum aviculare) Rimpelroos (Rosa rugosa), …

voorkomen van overbetreding door recreanten en overbezetting van vee bestrijden exoten: kappen, uitgraven,

Canadese fijnstraal (Conyza canadensis), Kokardebloem (Gaillardia x grandiflora), Schermscheefbloem (Iberis umbellata), Teunisbloem sp. (Oenothera sp.), …

beheer: plaggen vergraven, …

beheren: struweel kappen met nabeheer (begrazing/maaien)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Oosterlynck et al. (2013); Van Landuyt et al. (2004)

Provoost et al. (2004a); Kooijman et al. (1996) analyse van basisgegevens struweel kan een onderdeel van dit habitattype zijn maar dan is de verspreiding ervan beperkt door lichte verstuiving, begrazing of (ander) natuurtechnisch beheer

Leten et al. (2005); Provoost et al. (2004a en 2004b); van Til et al. (2002) analyse van basisgegevens

de lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten niet-invasieve exoten

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 79 van 305

Referenties

analyse van basisgegevens analyse van basisgegevens


Subtype 2130_hd: duingraslanden van kalkrijke milieus Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen

Variant kalkrijk mosduin en pionierduingrasland ≥ 4 sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig. Variant droog tot vochtig kalkrijk duingrasland ≥ 4 sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig. sleutelsoorten van het kalkrijk mosduin en het pioniergrasland ≥ 50% van het begroeide deel van het mosduin

Verstoring vergrassing

≤ 30%

verruiging

≤ 10%

verbossing

≤ 10%

overbetreding

indien beide varianten samen voorkomen bepaalt de best scorende variant de einduitspraak Het aandeel duingrasland moet buiten beschouwing gelaten worden. Indien er geen mosduin is vervalt dit criterium.

zeer schaars op konijnenlatrines, langs paden, ….

bedekking ruderalen en tredplanten ≤ 10%

invasieve exoten overige exoten

afwezig ≤ 10 %

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

analyse van basisgegevens

Provoost et al. (2004a); Kooijman et al. (1996); Veer & Kooijman (1997) Leten et al. (2005); Provoost et al. (2004a en 2004b); Van Til et al. (2002) analyse van basisgegevens

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2150: Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetae)

Habitattype 2150: Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetae) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Beschrijving

Maatregelen

Hogere planten: Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus), Zandblauwtje (Jasione montana), Struikhei (Calluna vulgarisl), Buntgras (Corynephorus canescens), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis), Eekhoorngras (Vulpia bromoides), Kruipganzerik (Potentilla anglica), Duindravik (Bromus thominei), Duinviooltje (Viola curtisii), Schapenzuring (Rumex acetosella), Viltganzerik (Potentilla argentea) Mossen en korstmossen: Ruig haarmos (Polytrichum piliferum), Zandbisschopsmuts (Racomitrium canescens) Korstmossen: Elandgewijmos (Cladonia foliacea), Gebogen rendiermos (Cladina arbuscula), Open rendiermos (Cladina portentosa), Kraakloof (Cetraria aculeata)

Habitatstructuur ouderdomsstructuur Struikhei

pioniersstadium, ontwikkelingsstadium, climaxstadium, degeneratiestadium

dwergstruiken

Struikhei (Calluna vulgaris)

Verstoring verruiging

vergrassing verbossing overbetreding

invasieve exoten

Opmerkingen

Akkerdistel (Cirsium arvense), Grote brandnetel (Urtica dioica), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Vogelmuur (Stellaria media subsp. media), Dauwbraam (Rubus caesius), Kleefkruid (Galium aparine), Koniginnenkruid (Eupatorium cannabinum) Zandzegge (Carex arenaria), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Festuca rubra groep, Glanshaver (Arrhenatherum elatius) alle struik- en boomsoorten bedekking ruderalen & tredplanten, zoals Grote leeuwenklauw (Aphanes arvensis), Kleine leeuwenklauw (Aphanes inexspectata), Rood guichelheil (Anagallis arvensis subsp. arvensis), Grote weegbree (Plantago major), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus), Straatgras (Poa annua), Varkensgras (Polygonum aviculare) Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus),…

overige invasieve exoten: Rimpelroos (Rosa rugosa), …

Referenties Van Landuyt et al. (2004); Hoffman et al. (2004); Oosterlynck et al. (2013)

(1)

Vandenbussche et al. (2002a); Ministerium UNLV (2004); JNNC (2004) Søgaard (2007); Vandenbussche et al. (2002a)

beheer: begrazen, maaien en/of plaggen

door eutrofiëring

analyse van basisgegevens

beheer: begrazen, maaien en/of plaggen beheren: struweel kappen met nabeheer (begrazing/maaien) voorkomen van overbetreding door recreanten & overbezetting van vee

door uitblijven van beheer

Kooijman et al. (1996) Leten et al. (2005); Provoost et al. (2004b) analyse van basisgegevens

verhogen dynamiek (reactiveren stuifzand) bestrijden exoten: kappen, uitgraven, …

de lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

Bakker et al. (2003); Zwaenepoel et al. (2002) analyse van basisgegevens

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen Zie §2.4 voor werkwijze verhogen B-criterium specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster specifieke habitatoppervlakte Zie §2.4 voor werkwijze verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten (1) Deze criteria moeten gezien worden in de context van potentieel goed ontwikkelde vormen van dit habitattype. Door het beperkt voorkomen van dit habitattype in Vlaanderen zal op korte termijn voor deze criteria geen gunstige toestand kunnen behaald worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 81 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2150: Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetae)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten Habitatstructuur ouderdomsstructuur Struikhei

dwergstruiken

Gunstige staat

Opmerkingen Struikhei + ten minste 2 sleutelsoorten talrijk aanwezig

vergrassing verbossing

≤ 30% ≤ 10%

invasieve exoten

Ministerium UNLV (2004); JNNC (2004); naar Ministerie van LNV (2006) Ministerie van LNV (2006)

≥ halfbedekkend

≤ 10%

overbetreding

analyse van basisgegevens

minstens 2 stadia ten minste talrijk aanwezig

Verstoring verruiging

beperkt tot konijnenlatrines, lokaal langs paden.

bedekking ruderalen en tredplanten ≤ 10% invasief mos ≤ 10% overige invasieve exoten afwezig

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

analyse van basisgegevens Kooijman et al. (1996) Leten et al. (2005); Provoost et al. (2004b) analyse van basisgegevens JNNC (2004); Søgaard (2007) analyse van basisgegevens Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2160: Duinen met Hyppophae rhamnoides

Habitattype 2160: Duinen met Hippophae rhamnoides A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur Verstoring verbossing

Beschrijving

Maatregelen

Duindoorn (Hippophae rhamnoides), Glad parelzaad (Lithospermum officinale), Duinvogelmuur (Stellaria pallida), Zwaluwtong (Fallopia convolvulus), Heggenduizendknoop (Fallopia dumetorum), Aalbes (Ribes rubrum), Zwarte bes (Ribes nigrum), Wilde liguster (Ligustrum vulgare), Hondsroos s.l. (Rosa canina s.l.), Egelantier (Rosa rubiginosa), Viltroos (Rosa tomentosa), Ruwe viltroos (Rosa pseudoscabriuscula), Berijpte viltroos (Rosa sherardii), Wegedoorn (Rhamnus cathartica), Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), Sleedoorn (Prunus spinosa), Kruisbes (Ribes uva-crispa), Kruipwilg (Salix repens), Gewone vlier (Sambucus nigra), Heggenrank (Bryonia dioica), Fijne kervel (Anthriscus caucalis), Grauwe wilg (Salix cinerea) -

Referenties

1. soortenrijkdom afhankelijk van de landschapspositie van het struweel: dichter bij de zeereep zijn ze minder soortenrijk; 2. soortenrijke struwelen kunnen nog vele andere struiksoorten herbergen

Oosterlynck et al. (2013); Van Landuyt et al. (2004)

struweel met pioniers-, ontwikkelings-, climax- en degeneratiestadium open plekken

alle boomsoorten, onafhankelijk van hun ontwikkeling

analyse van basisgegevens beheer: kappen

invasieve exoten

Mahonia (Mahonia aquifolium), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Cotoneaster sp., Hemelboom (Ailanthus altissima), … overige exoten Sneeuwbes (Symphoricarpos albus), Alpenbes (Ribes alpinum), Gele ribes (Ribes odoratum), Rode ribes (Ribes sanguineum), Noordse aalbes (Ribes spicatum), Boksdoorn (Lycium barbarum), Tamarisk (G) (Tamarix spp.), Chinese bruidssluier (Fallopia auberti), Olijfwilg (G) (Elaeagnus spp.),… Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

analyse van basisgegevens Provoost & Bonte (2004)

bestrijden exoten: kappen, uitgraven, ...

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 83 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2160: Duinen met Hyppophae rhamnoides

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten Habitatstructuur horizontale structuur

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 5 soorten ten minste talrijk aanwezig

analyse van basisgegevens

minstens 2 ontwikkelingsstadia in het struweel en daarenboven open plekken ten minste weinig talrijk aanwezig

Verstoring verbossing

de verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen

≤ 10%

invasieve exoten

≤ 10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 305

analyse van basisgegevens

analyse van basisgegevens Provoost & Bonte (2004)

hooguit weinig talrijk

overige exoten

Referenties

www.inbo.be


Habitattype 2180: Beboste duinen van het Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied

Habitattype 2170: Duinen met Salix repens ssp. Argentea (Salicion arenaria) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring verbossing verruiging

invasieve exoten overige exoten

Beschrijving

Maatregelen

Rond wintergroen (Pyrola rotundifolia), Driedistel (Carlina vulgaris), Kleine leeuwentand (Leontodon saxatilis), Duinzwenkgras (Festuca juncifolia), Kruipwilg (Salix repens), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), Zandzegge (Carex arenaria), Hondsviooltje (Viola canina), Stofzaad (Monotropa hypopitys), Zeegroene zegge (Carex flacca), Donderkruid (Inula conyzae), Brede wespenorchis (Epipactis helleborine) alle boom- en struiksoorten exlusief Kruipwilg (Salix repens) Akkerdistel (Cirsium arvense), Grote brandnetel (Urtica dioica), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Kleefkruid (Galium aparine), Gestreepte witbol (Holcus lanatus), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Glanshaver (Arrhenaterium elatius), Kropaar (Dactylis glomerata) Mahonia (Mahonia aquifolium), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Cotoneaster spec., Hemelboom (Ailanthus altissima),… Sneeuwbes (Symphoricarpos albus), Alpenbes (Ribes alpinum), Gele ribes (Ribes odoratum), Rode ribes (Ribes sanguineum), Noordse aalbes (Ribes spicatum), Boksdoorn (Lycium barbarum), Tamarisk (G) (Tamarix spp.), Chinese bruidssluier (Fallopia auberti), Olijfwilg (G) (Elaeagnus spp.),…

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

Oosterlynck et al. (2013); Van Landuyt et al. (2004)

kappen verstuiving stimuleren in aangrenzend 2120

begrazing en maaien leidt tot ontwikkeling duingrasland en niet tot herstel van kruipwilgstruweel.

bestrijden exoten: kappen, uitgraven, ...

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Referenties

analyse van basisgegevens

Provoost & Bonte (2004)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen Kruipwilg + ≥ 3 andere sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig

Verstoring verbossing verruiging invasieve exoten overige exoten

analyse van basisgegevens

≤ 10% ≤ 10% hooguit weinig talrijk ≤ 10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

analyse van basisgegevens Provoost & Bonte (2004)

≥ 30 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 85 van 305

Referenties

www.inbo.be


Habitattype 2180: Beboste duinen van het Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied

Habitattype 2180: Beboste duinen van het Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten van de kruidlaag

sleutelsoorten van de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum), Dagkoekoeksbloem (Silene dioica), Geel nagelkruid (Geum urbanum), Robertskruid (Geranium robertianum), Drienerfmuur (Moehringia trinervia), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Hop (Humulus lupulus), Look-zonder-look (Alliaria petiolata), Stinkende gouwe (Chelidonium majus), Tongvaren (Asplenium scolopendrium), Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris affinis), Maarts viooltje (Viola odorata), Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Kraailook (Allium vineale) Zachte berk (Betula pubescens), Zomereik (Quercus robur), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Ruwe berk (Betula pendula), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Wilde liguster (Ligustrum vulgare), Gladde iep (Ulmus minor), Ratelpopulier (Populus tremula), Schietwilg (Salix alba), Zwarte els (Alnus glutinosa), Es (Fraxinus excelsior)

Habitatstructuur oppervlakte

minimumstructuurareaal: 40 ha

verticale structuur horizontale structuur

boomlaag, struiklaag, kruidlaag, moslaag natuurlijke mozaïekstructuur

Oosterlynck et al. (2013); Van Landuyt et al. (2004); analyse van basisgegevens

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal overstaanders

aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout

hoeveelheid dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdoormeter 40 cm)

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

overige exoten en ingeburgerde boomsoorten verruiging

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap bosbehoud op lange termijn nastreven

Witte els (Alnus incana), Zwarte balsempopulier (Populus trichocarpa), Ontariopopulier (Populus balsamifera), Hemelboom (Ailanthus altissima), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Mahonia (Mahonia aquifolium),…

bestrijden exoten

naaldhout, Canadapopulier (Populus x canadensis), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Witte winterpostelein (Claytonia perfoliata), Groene ossentong (Pentaglottis sempervirens),… Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Zevenblad (Aegopodium podagraria), Kleefkruid (Galium aparine), Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris)

beheren exoten

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes et al. (2007)

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen het ontbreken van zaadbomen van te verwachten boomsoorten kan het probleem in de hand werken.

vermesting en meer specifiek fosforaanrijking tegengaan

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 305

Referenties

Koop in Al et al. (1995) Thomaes et al. (2007)

fenologie: groeiklassen

Verstoring invasieve exoten

Opmerkingen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Verloove (2006); Van Landuyt et al. (2004)

analyse van basisgegevens


Habitattype 2180: Beboste duinen van het Atlantische, Continentale en Boreale kustgebied Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de boom- en struiklaag sleutelsoorten in de kruidlaag Habitatstructuur oppervlakte verticale structuur horizontale structuur

Gunstige staat ≥ 70% grondvlak ≥ 8 sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig

≥ minimumstructuurareaal alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur

Opmerkingen

Referenties

indien er geen gegevens voorhanden zijn over het grondvlak maar wel over het volume kunnen deze meestal gebruikt worden vermits het volume vaak rechtstreeks van het grondvlak is afgeleid

analyse van basisgegevens

alle vlekken van een boshabitat binnen aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie hoofdstuk 11) de invloed van zeewind beperkt de hoogte van het bostype tot meestal niet < 10 m, althans wat de voorste duinzones betreft de verschillende ontwikkelfasen in een bosbestand moeten samen beschouwd worden

Koop in Al et al. (1995) Thomaes et al. (2007)

Klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout bosconstantie

Verstoring invasieve exoten overige exoten en ingeburgerde boomsoorten verruiging Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

≥ 4% ≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

afwezig ≤ 30%

volume aandeel t.o.v. totale houtige biomassa de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al. 2000)

aandeel exoten hoger dan bij andere bostypen: duinbossen zijn steeds neofytenrijk

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes et al. (2007) Thomaes et al. (2007); De Keersmaeker et al. (2000) analyse van basisgegevens

≤ 30% ≥ 150 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 30 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 87 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 2190_mp: duinpannen met kalkminnende vegetaties

Habitattype 2190: Vochtige duinvalleien Subtype: duinpannen met kalkminnende vegetaties (2190_mp) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring verruiging

verbossing

Beschrijving

Maatregelen

Parnassia (Parnassia palustris), Dwergzegge (Carex viridula), Drienervige zegge (Carex trinervis), Strandduizendguldenkruid (Centaurium littorale), Teer guichelheil (Anagallis tenella), Rond wintergroen (Pyrola rotundifolia), Honingorchis (Herminium monorchis), Bonte paardenstaart (Equisetum variegatum), Sierlijke vetmuur (Sagina nodosa), Duingentiaan (Gentianella uliginosa), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Paddenrus (Juncus subnodulosus), Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata), Zomerbitterling (Blackstonia perfoliata), Geelhartje (Linum catharticum), Stijve ogentroost s.l. (Euphrasia stricta s.l.), Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii), Rietorchis (Dactylorhiza praetermissa), Noordse rus (Juncus balticus), Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea) Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Hennegras (Calamagrostis canescens), Gestreepte witbol (Holcus lanatus), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Oeverzegge (Carex riparia), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum), Grote brandnetel (Urtica dioica) alle boom- en struweelsoorten (excl. Kruipwilg)

verdroging

te beoordelen via aanwezigheid van volgende algemeen voorkomende vochtminnende soorten: Waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Zomprus (Juncus articulatus)

invasieve exoten

Watercrasulla (Crassula helmsii), …

beheer: grazen & maaien.

kappen struweel/bos, gevolgd door geschikt beheer zoals begrazing of maaien. herstel geschikte hydrologie

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

verruiging kan veroorzaakt worden door gebrek aan beheer en door aanrijking kruipwilg maakt deel uit van het habitattype

Provoost & Bonte (2004)

dit zijn twee algemene en strikt grondwaterafhankelijke soorten. Afwezigheid wijst op verdroging

Leten (1992)

de lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten

analyse van basisgegevens

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Referenties Oosterlynck et al. (2013)

gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

www.inbo.be

Leten et al. (2005)


Subtype 2190_mp: duinpannen met kalkminnende vegetaties

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 3 sleutelsoorten ten minste talrijk aanwezig

Verstoring verruiging

≤ 30%

verbossing

≤ 10%

verdroging

vochtminnende soorten ten minste weinig talrijk

invasieve exoten

afwezig

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

analyse van basisgegevens natte duinvalleien zijn productiever dan de drogere duinvegetaties

Leten (1992) analyse van basisgegevens enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// doi.org/10.21436/inbor.14061248

Provoost & Bonte (2004) Leten et al. (2005)

≥ 5 ha

Pagina 89 van 305

Referenties

www.inbo.be


Subtype 2190_a: waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien

Habitattype 2190: Vochtige duinvalleien Subtype: waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien (2190_a) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten hydrofyten

Beschrijving

Maatregelen

fijnstekelig kransblad (Chara aculeolata), ruw kransblad (Chara aspera)a, brokkelig kransblad (Chara contraria), Chara contraria var. hispidula, stekelharig kransblad (Chara hispida), doorschijnend glanswier (Nitella translucens)a, klein boomglanswier (Tolypella glomerata)a, vertakt boomglanswier (Tolypella intricata)a, groot boomglanswier (Tolypella prolifera)a, paarbladig fonteinkruid (Groenlandia densa), kransvederkruid (Myriophyllum verticillatum)a, rossig fonteinkruid (Potamogeton alpinus)a, weegbreefonteinkruid (Potamogeton coloratus), ongelijkbladig fonteinkruid (Potamogeton gramineus)a, middelste waterranonkel (Ranunculus aquatilis), stijve waterranonkel (Ranunculus circinatus), kleine waterranonkel (Ranunculus trichophyllus) sleutelsoorten ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), stijve niet-hydrofyten moerasweegbree (Baldellia ranunculoides), drienervige zegge (Carex trinervis), dwergzegge (Carex viridula), galigaan (Cladium mariscus), armbloemige waterbies (Eleocharis quinqueflora), holpijp (Equisetum fluviatile), lidsteng (Hippuris vulgaris), paddenrus (Juncus subnodulosus), slijkgroen (Limosella aquatica), oeverkruid (Littorella uniflora)a, waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), witte waterkers (Nasturtium officinale), waterpunge (Samolus valerandi) Habitatstructuur horizontale bedekking van submerse vegetatie (%) structuur

verticale structuur

Opmerkingen

bevorderen van windwerking, vermijden van eutrofiëring, tijdig (gedeeltelijk) ruimen, matige begrazing, hydrologisch herstel

actuele en historische verspreidingsgegevens, expertkennis (Denys et al. in voorbereiding)

bevorderen van windwerking, vermijden van eutrofiëring, tijdig (gedeeltelijk) ruimen, matige begrazing (inz. paarden, pony‟s), hydrologisch herstel

actuele en historische verspreidingsgegevens, expertkennis (Denys et al. in voorbereiding)

vermijden van eutrofiëring, tijdig (gedeeltelijk) ruimen/baggeren, matige begrazing (inz. paarden, pony‟s, ezels), hydrologisch herstel

bedekking van kranswieren (%)

bevorderen van windwerking, vermijden van eutrofiëring, tijdig (gedeeltelijk) ruimen/baggeren, matige begrazing (inz. paarden, pony‟s, ezels), hydrologisch herstel

bedekking van overhangende bomen en struiken (%)b

verwijderen/korten van bomen en struiken, maaien, plaggen, matige begrazing

hogere bedekking is van belang voor een gunstig systeemfunctioneren (nutriëntenhuishouding, instandhouding lichtklimaat, habitatfuncties) en een indicatie van een nutriëntentoestand eigen aan het habitattype voldoende bedekking is van belang voor een gunstig systeemfunctioneren (nutriëntenhuishouding, instandhouding lichtklimaat, habitatfuncties) en een indicatie van dynamiek of nutriëntentoestand eigen aan het habitattype een te hoge bedekking zorgt voor suboptimale omstandigheden (licht, ruimte, strooisel, windwerking), waardoor de groei van ondergedoken vegetatie en karakteristieke soorten wordt beperkt, structuurverarming op treedt en lokale habitatheterogeniteit en biologische diversiteit afnemen; terminaal successiestadium

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

expertkennis, analyse vegetatie-opnamen (Denys et al. in voorbereiding)

Adams et al. (2014), expertkennis, analyse vegetatie-opnamen (Denys et al. in voorbereiding)

expertkennis, analyse vegetatie-opnamen (Denys et al. in voorbereiding)


Subtype 2190_a: waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien verticale structuur

Verstoring eutrofiëring

bedekking van bomen en struiken (%)c

verwijderen/korten van bomen en struiken, maaien, plaggen, matige begrazing (inz. paarden, pony‟s, ezels)

bedekking (%) van robuuste monocotylen (Glyceria maxima, Phalaris arundinacea, Phragmites australis, Typha spp.)

plaggen, maaien, (gedeeltelijk) verwijderen, matige begrazing (inz. paarden, pony‟s, ezels)

kroosbedekking (%): grote kroosvaren (Azolla filiculoides), alle Lemna spp. behalve puntkroos (Lemna trisulca), smal kroos (Landoltia punctata)a, veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), alle Wolffia spp.

eutrofiëringsbronnen wegnemen; guanotrofiëring vermijden; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. lagere nutriëntenaanvoer; opschonen of uitbaggeren, accumulatie van organisch materiaal beperken; actief biologisch beheer gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding, vermijden van eutrofiëring

alligatorkruid (Alternanthera philoxeroides)a, grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), moeraslantaarn (Lysichiton americanus)a, ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum)a, parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), grote vlotvaren (Salvinia molesta)a, smalle theeplant (Gymnocoronis spilanthoides)a, smalle waterpest (Elodea nuttallii), verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), waterhyacint (Eichhornia crassipes)*, waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), waterwaaier (Cabomba caroliniana)*, egeria (Egeria densa), hydrilla (Hydrilla verticillata)a, watercrassula (Crassula helmsii)d Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

invasieve exoten

B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

een te hoge bedekking zorgt voor suboptimale omstandigheden (licht, ruimte, strooisel, windwerking), waardoor de groei van ondergedoken vegetatie en karakteristieke soorten wordt beperkt, structuurverarming op treedt en lokale habitatheterogeniteit en biologische diversiteit afnemen; terminaal successiestadium een te hoge bedekking zorgt voor suboptimale omstandigheden (licht, ruimte, strooisel), waardoor de groei van ondergedoken vegetatie en karakteristieke (pionier)soorten wordt bemoeilijkt en structuurverarming op treedt; uitbreiding is tevens gerelateerd aan door eutrofiëring versnelde successie

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Adams et al. (2014), expertkennis, analyse vegetatie-opnamen (Denys et al. in voorbereiding)

Adams et al. (2014), expertkennis, analyse vegetatie-opnamen (Denys et al. in voorbereiding)

expertkennis, wettelijke bepalingen

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 91 van 305

Adams et al. (2014), expertkennis, analyse vegetatie-opnamen (Denys et al. in voorbereiding)

www.inbo.be


Subtype 2190_a: waterhoudende depressies in vochtige duinvalleien

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten Habitatstructuur horizontale structuur

Gunstige staat

verticale structuur verticale structuur Verstoring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Referenties

scoresom* hydrofyten ≥ 6 OF scoresom* niet-hydrofyten ≥ 3

analyse van vegetatieopnamen (Denys et al. in voorbereiding)

bedekking submerse vegetatie ≥ 25% OF bedekking kranswieren ≥ 5% bedekking overhangende bomen en struiken ≤ 10% bedekking bomen en struiken ≤ 10%

analyse van vegetatieopnamen (Denys et al. in voorbereiding)

kroosbedekking ≤ 5 % afwezig

analyse van vegetatieopnamen (Denys et al. in voorbereiding) generieke afspraak

≥ 50 ha

analyse van vegetatieopnamen (Denys et al. in voorbereiding) LNV (2009), analyse van vegetatieopnamen (Denys et al. in voorbereiding)

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

* de abundantie van individuele taxa wordt als volgt gescoord: 1 – zeldzaam, 2 – occasioneel, 3 – frequent, 4 – abundant, 5 – codominant, 6 – dominant; de som van de scores wordt voor beide groepen sleutelsoorten bepaald a niet recent in het Vlaamse kustduingebied aangetroffen b percentage van de volledige oppervlakte (zowel water als langdurig geïnundeerde oever) door omringende bomen en struiken c percentage van de volledige oppervlakte (zowel water als langdurig geïnundeerde oever) door hierin wortelende bomen en struiken d verder aan te vullen met alle water- en moerasplanten die na deze publicatie op de Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (Europese Verordening 1143/2014) worden opgenomen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van de binnenlandse duinen: inleiding

5. Binnenlandse duinen De Saeger S., Paelinckx D., Oosterlynck P. & De Blust G.

5.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. De fiches van de „psammofiele heide’ (2310) en van ’droge Europese heide’ (4030) zijn zeer vergelijkbaar zowel naar de beoordeling van de structuur en vegetatie als naar verstoringen toe. Dit geldt voor de criteria ouderdomsstructuur Struikhei (Calluna vulgaris), dwergstruiken, sleutelsoorten, vergrassing, verruiging en verbossing. Bij de beoordeling van de structuur van de droge heide (2310 & 4030) is de ouderdomsstructuur van Struikhei zeer belangrijk. De levenscyclus van Struikhei kent vier fasen. Elke fase verschilt qua bedekking, productie en bloei, maar ook qua microklimaat en soortensamenstelling. Hoe meer fasen in een heide aanwezig zijn, hoe structuurrijker, hoe soortenrijker en hoe robuuster de heidehabitat is. Eenvormige ouderdomsstructuur hangt meestal samen met een onaangepast beheer. Psammofiele heide (habitattype 2310) betreft droge heidevegetaties van binnenlandse duinen. Dit habitattype komt dikwijls samen met habitattype 2330 voor. Landduinhabitats zijn eertijds ontstaan door overexploitatie van zeer voedselarme heideterreinen. Ze worden in stand gehouden door herhaalde, maar matige verstoring (wind, begrazing, betreding), met een typische afwisseling tussen meer gefixeerde en stuivende delen (zowel in ruimte als in tijd) tot gevolg. Habitattype 2310 verschilt van 4030 in de eerste plaats qua geomorfologie (profielloze zandbodems in combinatie met duinreliëf). Het verschil qua vegetatie is het voorkomen in habitattype 2310 van éénjarigen en open vegetaties zoals Buntgrasvegetaties en een mos- en korstmoslaag. Essentiële sleutelsoorten van habitattype 2310 zijn éénjarigen zoals Heidespurrie (Spergula morisonii), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis), Dwerghaver (Aira praecox) en Dwergviltkruid (Filago minima). Zulke soorten, alsook de open vegetatiedelen, gaan sterk achteruit als Struikhei (Calluna vulgaris) en/of grassen gaan domineren ten gevolge onvoldoende dynamiek of een verregaande successie. Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen (habitattype 2330) wordt gekenmerkt door een open, laagblijvende pioniervegetatie. Enkel bij voldoende dynamiek kunnen deze vegetaties op lange termijn blijven bestaan. De aanwezigheid van éénjarigen is vooral belangrijk kenmerk voor het subtype „dwerghaververbond‟ (2330_dw), maar ook voor het „buntgrasverbond‟ (2330_bu). Bij het buntgrasverbond (2330_bu) is het aandeel open zand het criterium om de aanwezigheid van voldoende dynamiek te beoordelen. Bij het dwerghaververbond (2330_dw) is dit het aandeel aan éénjarigen in de vegetatie, omdat dit subtype niet strik gebonden is aan landduin. Omgekeerd kan een te hoge dynamiek door bijvoorbeeld recreatief of militair gebruik er verantwoordelijk voor zijn dat er quasi vegetatieloze landduinen voorkomen. Omdat een goed ontwikkeld stuifduin gekarakteriseerd wordt door het voorkomen van de verschillende ontwikkelingsfases naast elkaar, is het criterium horizontale structuur (aanwezigheid van buntgras-, mos-, en korstmosvegetaties) ingevoerd met een grenswaarde van ≥10%. Het criterium „vergrassing‟ wordt bij habitattype 2330 strenger beoordeeld dan bij het habitattype 2310, omdat dit proces wijst op vergaande fixatie en dus verminderen/verdwijnen van de nodige dynamiek. Heidehabitats (2310, 4010, 4030, 5130_hei) worden gekenmerkt door een dominantie van dwergstruiken, meestal Struik- (Caluna vulgaris) en/of Gewone dophei (Erica tretralix). Naast deze dwergstruiken is Pijpenstrootje (Molinia caerulea) meestal de enige andere soort met een hogere bedekking. Daarom werd beslist dat een heide in een gunstige staat is bij dominantie van dwergstruiken (of andere sleutelsoorten) en in ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 93 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van de binnenlandse duinen: inleiding

een ongunstige lokale staat van instandhouding bij dominantie van grassen. De grenswaarde tussen gunstig en ongunstig voor vergrassing ligt bijgevolg op 50%. Daarentegen blijkt een zekere mate van vergrassing wel gunstig voor bepaalde diersoorten waardoor het mogelijk moet zijn uitzonderingen te maken in functie van specifieke beheerdoelen die met een hogere vergrassingsgraad gepaard gaan. Een zekere mate van vergrassing is gunstig voor bepaalde diersoorten. Overal de vergrassing sterk terugdringen is dus nadelig. Anderzijds is het even belangrijk dat er omvangrijke zones zijn waar de vergrassingsgraad veel lager is. Welk aandeel meer en minder vergraste zones optimaal is en hoeveel de na te streven lagere vergrassingsgraad dan bedraagt (alvast lager dan de grenswaarde en dus kleiner dan 50%), hangt af van de potenties en beheerdoelen van een gebied. Daarom geven we geen overal geldende maatstaf, maar stellen we een variatie in vergrassingsgraad (dus ook delen met lager aandeel vergrassing) voorop. Het criterium „verbossing‟ wordt streng gesteld (grenswaarde ≤10%) zoals bij andere open habitattypen (graslanden, moerassen, …). Anderzijds strookt het beperkt optreden van oudere, individuele bomen en kleine oude boomgroepjes (<400 m²) met een gunstige lokale staat omdat een zeker mate van verbossing een positief effect kan hebben voor de biodiversiteit (bv. avifauna). Indien het (extensief) beheer gericht is op een dergelijke toestand dan kan overwogen worden de grenswaarde te verhogen naar bv. 30%. Een belangrijke verstoring in deze habitattypen is het voorkomen van de invasieve exoot Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus). De toename van het stikstofgehalte via atmosferische depositie wordt gezien als één van de belangrijkste redenen voor de sterke uitbreiding van deze soort. Dit mos kan op stuifzand snel een dikke mat vormen, waarschijnlijk doordat stikstofrijk regenwater wordt ingevangen. De onderste lagen van de mosmat sterven af en vormen een dikke organische laag. Sleutelsoorten van heide en stuifzand komen nauwelijks nog voor op plaatsen waar Grijs kronkelsteeltje overheerst. Dit mos is op zandgronden wijd verspreidt en ook meestal aanwezig in deze habitattypen. Toch gaat de soort niet steeds overheersen. Daarom wordt een minder strenge grenswaarde gehanteerd (≤10%).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 2310: Psammofiele heide met Calluna en Genista

5.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 2310: Psammofiele heide met Calluna en Genista A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

Hogere planten: Zandstruisgras (Agrostis vinealis), Vroege haver (Aira praecox), Struikhei (Calluna vulgaris), Buntgras (Corynephorus canescens), Stekelbrem (Genista anglica), Kruipbrem (Genista pilosa), Heidespurrie (Spergula morisonii), Zandzegge (Carex arenaria), Klein warkruid (Cuscuta epithymum), Dwergviltkruid (Filago minima), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis), Kleine wolfsklauw (Lycopodium tristachyum) Mossen: Ruig haarmos (Polytrichum piliferum)

Oosterlynck et al. (2013)

Habitatstructuur dwergstruiken

ouderdomsstructuur Struikhei

horizontale structuur

Gewone dophei (Erica tetralix), Struikhei (Calluna vulgaris), Kruipbrem (Genista pilosa), Stekelbrem (Genista anglica), Rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea) pionierstadium, ontwikkelingstadium, climaxstadium, degeneratiestadium

ruimtelijke en temporele omlooptijden van het beheer in voldoende grote gebieden zijn nodig om een grote structuurvariatie te krijgen.

een dominantie van dwergstruiken kenmerkt de vegetatiestructuur van een heidehabitat de levenscyclus van struikhei kent 4 fasen, elke fase verschilt qua bedekking, productie en bloei van struikhei, maar ook qua microklimaat en soortensamenstelling; meer fasen = meer structuur = soortenrijker = robuuster

Aanwezigheid van open vegetaties: buntgrasverbond (zie 2330_bu), dwerghaververbond (zie 2330_dw), open mos- en korstmosbegroeiingen, open zand

De Blust (2004); Ministerie van LNV (2006) Vandenbussche et al. (2002a); De Blust (2004); JNNC (2004); Ministerie van LNV (2006)

Ministerie van LNV (2006); en Vandenbussche et al. (2002a)

Verstoring vergrassing

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Duinriet (Calamagrostis epigejos), Zwenkgras (Festuca sp.)

plaggen, maaien, begrazen, chopperen; eventueel aanvullend bufferen tegen N-input

verruiging

Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), Braam (G) (Rubus spp.)

verbossing

alle boom- en struiksoorten

maaien, eventueel aanvullend bufferen tegen N-input kappen en heidebeheer

invasieve exoten

Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

plaggen, verhogen dynamiek (reactiveren stuifzand), terugdringen stikstofbelasting

inclusief Zandstruisgras (Agrostis vinealis) Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna. Toevoegen van bufferstoffen werkt mogelijk fosforlimitatie in de hand. (1) Toevoegen van bufferstoffen werkt mogelijk fosforlimitatie in de hand. (2) verdringt andere (mos)soorten en versnelt de fixatie van open zand

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 95 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Bakker et al. (2003); De Blust (2004); Ministerium UNLV (2004); Ministerie van LNV (2006) Bakker et al. (2003); Ministerie van LNV (2006) De Blust (2004); Ministerie van LNV (2006) Bakker et al. (2003); Zwaenepoel et al.(2002); Sparrius et al. (2011)


Habitattype 2310: Psammofiele heide met Calluna en Genista B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze

(1) Verruiging met bramen en Adelaarsvaren treedt vnl. langs bosranden, op kleine geïsoleerde percelen en bij herstelbeheer uit (naald)bos. (2) Zonder beheer evolueert de heide naar bos; sommige typische faunasoorten vereisen verspreide bomen (groepjes), maar tevens geldt dat een teveel tot een bedreiging leidt voor grondbroeders (potentiële uitkijklocatie voor predators).

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

struikhei + minstens 2 andere sleutelsoorten aanwezig

Ministerium UNLV (2004); Ministerium LUV Brandenburg (2004)

Habitatstructuur dwergstruiken

≥ halfbedekkend

Ministerie van LNV (2006)

ouderdomsstructuur struikhei

minstens 2 stadia minimaal talrijk aanwezig en één van deze stadia is het climax of degeneratiestadium

horizontale structuur

≥ 10% open vegetaties en kaal zand

te beoordelen op het niveau van aaneensluitende habitatvlekken van hetzelfde habitattype

Ministerium UNLV (2004); Ministerium LUV Brandenburg (2004); Ministerie van LNV (2006)

(3) de verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen

Ministerie van LNV (2006)

Verstoring vergrassing

≤ 50%

mits uitzonderingen zie §5.1

Ministerium LUV Brandenburg (2004); Ministerie van LNV (2006)

verruiging verbossing

≤ 10% ≤ 10%

mits uitzonderingen zie § 5.1

Ministerium LUV Brandenburg (2004); Søgaard et al. (2007)

invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

≤ 10% enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

B-criterium

≥ 50 ha

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

(3) De aanwezigheid van buntgrasvegetaties, open mos- en korstmosbegroeiingen (en ook kaal zand) is typisch t.o.v. type 4030.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 2330_bu: buntgrasverbond

Habitattype 2330: Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Subtype: buntgrasverbond (2330_bu) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

Hogere planten: Buntgras (Corynephorus canescens), Heidespurrie (Spergula morisonii), Zandzegge (Carex arenaria), Vroege haver (Aira praecox), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis) Mossen: Ruig haarmos (Polytrichum piliferum)

Oosterlynck et al. (2013); Zwaenepoel et al. (2002)

Habitatstructuur horizontale structuur

aanwezigheid van open vegetaties: buntgrasverbond (zie 2330_bu), dwerghaververbond (zie 2330_dw), open mos- en korstmosbegroeiingen

in veel gevallen kan door een fasering van recreatief of militair gebruik in tijd en in ruimte de verstoring positief worden benut als een soort beheermaatregel

naakte bodem

kaal zand

plaggen tot op minerale bodem, frezen, uitzeven, verhogen dynamiek (reactiveren stuifzand)

vergrassing

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Struisgras (Agrostis sp.), Zwenkgras (Festuca sp.), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Duinriet (Calamagrostis epigejos)

plaggen, bufferen tegen N-input

verbossing

alle boom- & struiksoorten

invasieve exoten

Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus)

openkappen en alle resten afvoeren; tegengaan dichtgroeien; reactiveren stuifzand plaggen, verhogen dynamiek (reactiveren stuifzand), terugdringen stikstofbelasting

Recreatie en militair gebruik hebben een verstorende effect op de vegetatie en bodem, voornamelijk in erosiegevoelige pioniersituaties. Anderzijds kan deze verstoring ervoor zorgen dat er gedurende lange tijd nog kaal zand in een gebied aanwezig blijft. (1) Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna.

Bakker et al. (2003)

inclusief Zandstruisgras (Agrostis vinealis) Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna. Toevoegen van bufferstoffen werkt mogelijk fosforlimitatie in de hand.

Zwaenepoel et al. (2002); Bakker et al. (2003)

Verstoring

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Bakker et al. (2003)

verdringt andere (mos)soorten en versnelt de fixatie van open zand Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna.

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 97 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Bakker et al. (2003); Zwaenepoel et al. (2002); Ministerie van LNV (2006); Sparrius et al. (2011)


Subtype 2330_bu: buntgrasverbond (1) Het buntgrasverbond is een 'pioniervegetatie' en behoud op lange termijn vraagt een hoge dynamiek van stuivend zand, of voldoende ruimte om grootschalige en bodemontogenese terugzettende verstuivingsprocessen toe te laten naast natuurlijke successie.

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

Minstens 2 sleutelsoort(en) minstens talrijk aanwezig

expertoordeel

Habitatstructuur horizontale structuur

naakte bodem

≥ 10% open vegetaties

beoordelen op het niveau van de habitatlocatie waarbij de verschillende ontwikkelfasen, incl. grote vlekken naakte bodem, exclusief delen 2310 samen beschouwd worden

≥ 10%

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2006); Bakker et al. (2003); Nijssen et al. (2011)

Ministerie van LNV (2006); Nijssen et al. (2011)

Verstoring vergrassing verbossing invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

≤ 30% ≤ 10% ≤ 10%

(2)

CRNFB (2006)

≥ 50 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

CRNFB (2006); Søgaard et al. (2007)

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

(2) Omdat dit habitattype in een gunstige staat deels uit stuivend zand en open vegetaties moet bestaan, zijn we hier strenger voor het criterium vergrassing dan bij habitattype 2310 en habitatsubtype 2330_dw.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 2230_dw: dwerghaververbond

Habitattype 2330: Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Subtype: dwerghaververbond (2330_dw) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

Zilverhaver (Aira caryophyllea), Vroege haver (Aira praecox), Buntgras (Corynephorus canescens), Dwergviltkruid (Filago minima), Zandblauwtje (Jasione montana), Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus), Heidespurrie (Spergula morisonii), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis)

Oosterlynck et al. (2013); Zwaenepoel et al. (2002); Schaminée et al. (1996)

Habitatstructuur horizontale structuur

Aandeel meerjarige kruiden versus aandeel kaal zand en éénjarigen (1)

zorgen voor voldoende dynamiek

Deze habitat wordt getypeerd door een dominantie van éénjarigen, deze parameter geeft tevens aan of er voldoende dynamiek (ongeacht wat de oorzaak) is.

Schaminée et al. (1996); Zwaenepoel et al. (2002)

Verstoring verbossing

alle boom- en struiksoorten

invasieve exoten

Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus)

plaggen, zorgen voor voldoende dynamiek, terugdringen stikstofbelasting

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

verdringt andere (mos)soorten en versnelt de fixatie van open zand. Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna.

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 99 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Ministerie van LNV (2006); CRNFB (2006) Søgaard et al. (2007); CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2006); Sparrius et al. (2011)


Subtype 2230_dw: dwerghaververbond

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

minstens 2 sleutelsoorten minstens talrijk aanwezig

expertoordeel

Habitatstructuur horizontale structuur

aandeel éénjarigen en kaal zand > aandeel meerjarige kruiden

Ondergrens habitattype: éénjarige sleutelsoorten minimaal talrijk. De verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen.

Schaminée et al. (1996)

Verstoring verbossing

≤ 10%

CRNFB (2006)

invasieve exoten

≤ 10%

CRNFB (2006) en Søgaard et al. (2007)

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015 Poelmans et al. 2015

(1) Een niet-limitatieve indicatieve opsomming van veel voorkomende éénjarigen: Vroege haver (Aira praecox), Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus), Zilverhaver (Aira caryophyllea), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis), Dwergviltkruid (Filago minima), Veldereprijs (Veronica arvensis), Hazenpootje (Trifolium arvense), Canadese fijnstraal (Conyza canadensis), Eenjarige hardbloem (Scleranthus annuus), Rode schijnspurrie (Spergularia rubra), Akkerviooltje (Viola arvensis), Zandmuur (Arenaria serpyllifolia), Reigersbek (Erodium cicutarium), Spurrie (G) (Spergula spp.), Straatgras (Poa annua), Zandraket (Arabidopsis thaliana), Vroegeling (Erophila verna), Kleine leeuwenklauw (Aphanes inexspectata), Zachte ooievaarsbek (Geranium molle), Klein streepzaad (Crepis capillaris), Eekhoorngras (Vulpia bromoides), Gewoon langbaardgras (Vulpia myuros), Zandhoornbloem (Cerastium semidecandrum), Slofhak (Anthoxanthum aristatum), Duits viltkruid (Filago vulgaris), Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra), …

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de zoete wateren: inleiding

6. Zoete wateren Leyssen A., Denys L., Packet J., Van Braekel A. en Vandevoorde B.

6.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor de beoordelingstabellen van de zoetwaterhabitats is in eerste instantie beroep gedaan op literatuurgegevens. De Europese lijsten van typische soorten voor de habitattypen (European Commission 2007) waren het vertrekpunt bij het bepalen van de sleutelsoorten; deze zijn aangepast aan de Vlaamse situatie op basis van vegetatiegegevens van Vlaamse plassen en rivieren en expertkennis (Denys et al., 2000; Van Looy & De Blust, 1998; Vandevoorde et al., 2013). Ook voor de structuur- en de storingscriteria is waar mogelijk beroep gedaan op literatuurgegevens. Zoals in ยง 2.3 reeds aangehaald, is in de literatuur relatief weinig habitatspecifieke informatie terug te vinden over mogelijke grenswaarden om de klassen gunstig en ongunstig te onderscheiden. Daardoor zijn we in vele gevallen genoodzaakt om de grenswaarden te bepalen op basis van expertoordeel, meer algemene op systeem-functioneel gerichte criteria en de in ยง 2.3 beschreven basismethoden. Er is getracht om de wijze van vegetatieopname voor de toestandsbepaling ten behoeve van het decreet integraal waterbeleid (DIW), de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (Leyssen et al., 2005) en deze voor de Habitatrichtlijn (HR), zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Mede daarom gebeurt de LSVI-beoordeling van stilstaande wateren op het niveau van de gehele plas, terwijl voor de stromende wateren een 100 m-traject van een waterloop wordt onderzocht. In het veld worden, zowel voor HR als voor KRW, soortenlijsten met abundanties opgemaakt. De abundantieschaal is daarbij dezelfde (tabel 6.1). Echter, door de verschillende doelstellingen van KRW en HR, worden bij elk van de opnamen ook andere aanvullende kenmerken genoteerd. Bij de KRW-beoordeling wordt bijvoorbeeld de hoeveelheid van de submerse vegetatie ingeschat en kan voor de meren de oevervegetatie afzonderlijk worden beoordeeld. Anderzijds dienen voor de HR ook een aantal extra gegevens te worden genoteerd, zoals het percentage van de verschillende groepen storingsindicatoren, de grootte van de vegetatievlekken, e.a.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 101 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de zoete wateren: inleiding

Tabel 6.1: Geïntegreerde abundantieschaal ten behoeve van decreet integraal waterbeleid (DIW), de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (Leyssen et al., 2005) en de Habitatrichtlijn (HR) met een interpretatie van de codes voor waterlopen en meren. code

interpretatie Waterlopen (Schneiders et al., 2014)

Meren (Schaminée et al., 1995; Schneiders et al., 2004)

zeldzaam

r

≤ 3 exemplaren; nooit bedekkend

≤ 3 exemplaren

occasioneel

o

meer exemplaren; nooit bedekkend

meer exemplaren maar nooit > 5% bedekkend

frequent

f

groot aantal exemplaren en <5 % bedekkend

waarneembaar bedekkend (ca 5%), oplopend tot 15-20%

laag abundant

la

bedekking 5 - 25%

Niet van toepassing

abundant

a

bedekking 25 - 50%

bedekking vanaf 15 à 20% kan oplopen tot ca 40%

co-dominant

cd

bedekking 50 - 75%

hoge bedekking (>40%) van meerdere soorten

dominant

d

bedekking >75%

hoge bedekking (>40%) van 1 soort

De soorten die gebruikt worden voor de identificatie van het habitattype (De Saeger et al., 2008; Leyssen et al. 2012; Scheers et al. 2016) kunnen verschillen van de hier vermelde sleutelsoorten voor de kwaliteitsinschatting (zie § 1.3).

Beoordelingsschaal De criteria voor vegetatie en verstoring worden ingeschat op habitatvlekniveau voor de stilstaande wateren. Hierbij is het habitatvlekniveau gelijk aan de volledige plas, ook indien er meerdere habitattypen aanwezig zijn (Figuur 6.1b). In zeer diepe plassen wordt enkel de begroeibare zone beschouwd. In diepere wateren wordt een pragmatische dieptegrens tot 2 m onder het wateroppervlak gehanteerd. Voor de waterlopen worden de criteria vegetatie en verstoring ingeschat op één of meerdere20 100 m trajecten per habitatvlek, naar analogie met de opname-eenheden voor DIW en KRW en aangezien bedekkingen in habitatvlekken van meerdere 100en meters moeilijk in te schatten zijn.

20

naar analogie van de methode uitgewerkt in Westra et al. (2014), kan bijvoorbeeld een systematische steekproef van 1 traject per 3 100m-trajecten gebruikt worden om de kwaliteit van de habitatvlek te bepalen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de zoete wateren: inleiding

a

b

plas = habitatvlek A = habitatvlek B

plas = habitatvlek

vegetatievlekken

grootste vegetatievlek

c

grootste vegetatievlek

vegetatievlekken

habitatvlek 1

> 500 m*

habitatvlek 2

Figuur 6.1. Definitie van vegetatie- en habitatvlek bij wateren (a: bij aanwezigheid van slechts één habitattype in stilstaand water; b: bij aanwezigheid van twee habitattypen in één plas; c: in waterlopen). *deze afstandsmaat dient te worden gevalideerd bij de verfijning van de habitatkaart.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 103 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de zoete wateren: inleiding

Criteria Habitatstructuur De habitattypen van de zoete wateren kunnen in drie categorieën met een eigen fysisch milieu ingedeeld worden: de stilstaande wateren (3110 t.e.m. 3160), het habitattype van de stromende wateren (3260) en het habitattype van de slikoevers langs rivieren (3270). Gezien het drie zeer verschillende habitatgroepen betreft, is de invulling van de criteria voor horizontale en verticale structuur niet overal dezelfde. indicator horizontale structuur

verticale structuur

Motivatie Dit criterium beoordeelt de ruimtelijke, horizontale structuur van de typische vegetaties, de zogenaamde vegetatievlekken die voornamelijk bestaan uit sleutelsoorten. De omschrijving van de term vegetatievlek verschilt per habitattype en wordt in de afzonderlijke tabellen steeds omschreven. Hierbij is de grootte van de grootste vegetatievlek van de plas of 100 m-traject doorslaggevend. Om de instandhouding op termijn te verzekeren zijn grotere vegetatievlekken gunstiger dan kleinere. Indien de grootste vegetatievlek minder dan 10 m² beslaat, is het voortbestaan op lange termijn niet gegarandeerd. Dit wordt dus als ongunstig beschouwd. Het criterium „horizontale structuur‟ wordt bij het habitattype 3160 anders beoordeeld, vermits een dystrofe waterpartij ook in een gunstige staat van instandhouding kan zijn als de typische vegetatie slechts in zeer beperkte mate aanwezig is (sterke limitatie van zowel het soortenspectrum als de biomassa). De gunstige toestand van dystrofe vennen wordt in belangrijke mate bepaald door de kwaliteit van het hydrologisch hiermee samenhangende successiestadium „oligotroof en zuur overgangsveen‟ (habitattype 7140_ oli), onder meer vanwege de buffering van waterhuishouding en omgevingsdrukken. Daarom wordt de oppervlakte van de aanpalende habitatvlekken van het habitattype 7140_oli in rekening gebracht als horizontaal structuurelement. De typische vegetaties van habitattype 3110 en 3130_na hebben een ijle structuur. Een overmatige aanwezigheid van hoger groeiende, meer concurrentiekrachtige planten bemoeilijkt de groei van de kenmerkende isoëtiden en dwergbiezen. Dit criterium brengt dus eveneens de natuurlijke successie in rekening. Successie leidt tot habitatverlies. Dit wordt versneld door antropogene drukken of mogelijk gemaakt door een te lage intensiteit van de fysische processen die de habitattypen in de hand werken. Een overdadige ontwikkeling van helofyten zorgt voor concurrentie voor licht en ruimte, waardoor de groei van ondergedoken en drijvende vegetatie wordt bemoeilijkt. Een overmatige aanwezigheid van helofyten wordt veroorzaakt door successie, eutrofiëring en/of gewijzigde stroomsnelheid. Indien helofyten meer dan 30% van de vegetatie uitmaken, wordt de groei van de typische watervegetatie belemmerd en krijgen andere gemeenschappen de bovenhand.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de zoete wateren: inleiding

Vegetatie Voor de beoordeling van de vegetatie is bij stilstaande en stromende wateren gebruik gemaakt van één enkel criterium dat de frequentie en het soortenaantal van de aanwezige sleutelsoorten combineert (zie tabel 6.1). Beide elementen kunnen niet van elkaar gescheiden worden, omdat verschillende sleutelsoorten minstens in bepaalde mate aanwezig moeten zijn om van een gunstige toestand te kunnen spreken. Bij het habitattype 3270 is wel een onderscheid gemaakt tussen het aantal soorten (criterium „soortenrijkdom sleutelsoorten‟) en de abundantie (criterium „aandeel van sleutelsoorten‟), gezien hier de onderlinge verhouding tussen de verschillende sleutelsoorten niet van belang is. Storingsindicatoren Bij de storingsindicatoren is er gestreefd naar een zo groot mogelijke uniformiteit tussen de verschillende habitattypen. Sommige criteria zijn evenwel slechts van betekenis voor welbepaalde habitattypen. indicator verzuring

eutrofiëring invasieve exoten

motivatie Verzuringsindicatoren worden gebruikt bij verzuringsgevoelige habitattypen die in minder sterk gebufferde omstandigheden worden aangetroffen. De sterke ontwikkeling van sommige veenmossen in zwakgebufferde wateren ten koste van isoëtiden als gevolg van antropogene verzuring, is uitvoerig gedocumenteerd. In het Vlaamse beoordelingssysteem zijn veenmossen in globo opgenomen als verzuringsindicator voor de habitattypen 3110 en 3130 en wordt hun mate van aanwezigheid beoordeeld. Aangezien ook bijkomende verzuringsindicatoren zijn opgenomen, is een grens van 30 % hier vergelijkbaar met de lagere Nederlandse grens van 20 % voor veenmossen (Ministerie van LNV, 2008a). Enkel voor het habitattype 3270 is eutrofiëring geen probleem, vermits dit habitattype van nature aan een meer voedselrijk milieu gebonden is (i.c. stikstofrijk volgens European Commission, 2007). Naar analogie met andere habitattypen, wordt de aanwezigheid van invasieve exoten als ongunstig beschouwd. Bij verdringing van de typische soorten is het voortbestaan van de habitat op lange termijn niet verzekerd. Gezien de uitbreiding zeer snel kan gebeuren en bestrijding van invasieve exoten momenteel enkel bij zeer geringe hoeveelheden enigszins succesvol blijkt te zijn, is een hogere grenswaarde niet aangewezen. De lijst van invasieve exoten dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten. Zie verder § 2.3.5.

Grenswaarden De grenswaarden van de kwaliteitsklassen gunstig en ongunstig voor het criterium vegetatie verschillen sterk tussen de habitattypen. Ze zijn gebaseerd op verwerking van data (Denys et al., 2000; Van Looy & De Blust, 1998; Vandevoorde et al., 2013), literatuur en expertkennis, rekening houdend met de Vlaamse situatie. Vanwege de verschillen in optimale trofie-omstandigheden en de hiermee gepaard gaande mate van gevoeligheid voor eutrofiëring, is er bij het criterium „eutrofiëring‟ een onderscheid gemaakt tussen de habitattypen 3110, 3130_aom, 3130_na, 3140 en 3160 (grenswaarde 10 %) en de minder kritische habitattypen 3150 en 3260 (grenswaarde 30 %) (zie ook § 2.3.5). In sommige habitattypen is een beperkte aanwezigheid van eutrafente soorten (bijvoorbeeld grof hoornblad (Ceratophyllum demersum), waternetje (Hydrodiction reticulatum), e.a. in het habitattype 3150) als aanvaardbaar te beschouwen voor het

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 105 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de zoete wateren: inleiding

meest eutrofe deel van het habitatspectrum/-bereik. Wanneer dergelijke soorten de overhand krijgen, duidt dit echter op een te grote beschikbaarheid van voedingsstoffen, waardoor het habitattype op relatief korte termijn in het gedrang zal komen. Hypertrofie leidt tot het verdwijnen van de vegetatie.

Specifieke opmerkingen per habitattype Habitattype 3140 De aanwezigheid van kranswiervelden lijkt bij habitattype 3140 tweemaal beoordeeld te worden. Er worden hierbij echter twee verschillende aspecten beoordeeld. Het criterium „horizontale structuur‟ beoordeelt de ruimtelijke structuur. Kranswiervelden kunnen zowel uit sleutelsoorten als uit andere kranswieren bestaan, omdat hier de structuurcomponent wordt beoordeeld. Het criterium „sleutelsoorten‟ beoordeelt daarentegen het aandeel sleutelsoorten. Weegbreefonteinkruid (Potamogeton coloratus) wordt enkel gebruikt voor de herkenning van de habitat, gezien deze (zeldzame) soort een vrij talrijke begeleider is van bepaalde kranswiervegetaties. Ook nadat de kranswieren zelf verdwenen zijn, kan deze soort nog na-ijlen. Voor de kwaliteitsbeoordeling van het habitattype wordt met deze soort echter geen rekening gehouden. Habitattype 3260 Voor de beoordeling van habitattype 3260 „Submontane - en laaglandrivieren met vegetaties behorende tot het Ranunculion fluitantis en het CallitrichoBatrachion’ dient de opname steeds te gebeuren op een plaats die niet sterk beschaduwd is. Habitattype 3270 Het habitattype is typisch voor lage schor (estuaria) of slikoevers (Maas) met voldoende dynamiek, samenhangend met voldoende langdurige winterse overstromingen of zoetwatergetijdendynamiek. Door die dynamiek wordt de vestiging van meerjarige soorten geremd en/of ontstaan nieuwe locaties waarop pionierbegroeiingen kansen krijgen. De habitat kan op de ene plaats door successie verdwijnen, terwijl het op andere plekken ontstaat op nieuw gevormd laag schor of kale slikoevers. Bij te hoge dynamiek (bv. sterke schorklifvorming) verdwijnen de geschikte standplaatsen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora)

6.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitstructuur horizontale structuur verticale structuur

Verstoring verzuring

Beschrijving

Maatregelen

Waterlobelia (Lobelia dortmanna), Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium), Kleine biesvaren1 (Isoetes echinospora)

Referenties

1

Oosterlynck et al. (2013); analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

geen recente waarnemingen in Vlaanderen gekend

vegetatievlek: ≥ 4 exemplaren van sleutelsoorten per m² of 4 exemplaren staan op maximum 0,5 m van elkaar aandeel van isoëtiden (definitie = laagblijvende rozetbladige planten met holle, lijn- of priemvormige bladeren) ten opzicht van de andere groeivormen; volgende soorten hebben een isoëtide groeivorm: Moerasweegbree 2,3 (Baldellia ranunculoides), Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis), Kleine biesvaren1 (Isoetes echinospora), Knolrus2 (Juncus bulbosus), Oeverkruid (Littorella uniflora), Waterlobelia (Lobelia dortmanna), Pilvaren (Pilularia globulifera), Priemkruid1 (Subularia aquatica)

Vensikkelmos (Warnstorfia fluitans), Knolrus (Juncus bulbosus), Veenmos (G) (Sphagnum)

Opmerkingen

expertoordeel successie leidt op termijn tot het verdwijnen van de habitat (verlanding, dichtgroeien…); soorten meetellen enkel indien ze de isoëtide vorm aannemen; 1geen recente waarnemingen in Vlaanderen gekend; 2 nemen niet steeds de isoëtide groeivorm aan; 3 zowel stijve moerasweegbree (Baldellia ranunculoides subsp. ranunculoides) als kruipende moerasweegbree (Baldellia ranunculoides subsp. repens)

bekalken infiltratiegebied, verminderen van verzurende depositie, inlaten van voedselarm, gebufferd water; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied, invloed van mineraalrijk voedselarm grondwater verhogen, verwijderen van sulfiderijk bodemmateriaal

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 107 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

definitie isoëtiden: Ministerie van LNV (2008j); soortenlijst: Leyssen et al. (2005)

soorten: Aggenbach et al. (1998a); Arts (2002); Ministerie van LNV (2008j); aangevuld met expertoordeel; maatregelen: Packet et al. (2012a)


Habitattype 3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora)

eutrofiëring

Moerasstruisgras (Agrostis canina), Fioringras (Agrostis stolonifera), Tandzaad (G) (Bidens spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.), Mannagras (Glyceria fluitans), Liesgras (Glyceria maxima), Pitrus (Juncus effusus), Eendenkroos (G) (Lemna spp.), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Tenger fonteinkruid (Potamogeton pusillus), Lisdodde (G) (Typha sp.), Draadwier, Darmwier (Ulva sp.), Waternetje (Hydrodiction reticulatum)

eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. oligotrofiëring; guanotrofiëring vermijden; vermesting van oevers en water door grote grazers vermijden; opschonen of uitbaggeren, accumulatie van organisch materiaal beperken; actief biologisch beheer; periodiek droog leggen

enkele eutrofiëringsindicatoren zijn eveneens invasieve exoten (Lemna minuta en L. turionifera) en worden aldus bij beide storingsindicatoren in rekening gebracht.

Aggenbach et al. (1998a), Leyssen et al. (2005), aangevuld met expertoordeel; Packet et al. (2012a)

invasieve exoten

Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Canadese rus (Juncus canadensis), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dwergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum), Waterhyacint (Eichhornia crassipes), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten.

Denys et al. (2004); Ministère de l‟EDAD (2008); Leyssen et al. (2005); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur Verstoring verzuring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

minstens 1 sleutelsoort is frequent aanwezig

expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

grootste vegetatievlek > 10 m² aandeel isoëtiden > aandeel overige groeivormen

expertoordeel

≤ 30 % ≤ 10 % afwezig ≥ 5 ha

Referenties

naar Ministerie van LNV (2008j); expertoordeel expertoordeel

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 109 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 3130_aom: Oeverkruidgemeenschappen (Littorelletea)

Habitattype 3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflora en/of de Isoeto-Nanojuncetea Subtype: Oeverkruidgemeenschappen (Littorelletea) (3130_aom) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur

Verstoring verzuring

eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Moerasweegbree (Baldellia ranunculoides), Moerassmele (Deschampsia setacea), Moerashertshooi (Hypericum elodes), Oeverkruid (Littorella uniflora), Drijvende waterweegbree (Luronium natans), Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum), Pilvaren (Pilularia globulifera), Ongelijkbladig fonteinkruid (Potamogeton gramineus), Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos), Vlottende bies (Scirpus fluitans; syn. Eleogiton fluitans), Sierlijk glanswier (Nitella gracilis), Doorschijnend glanswier (Nitella translucens), Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius)

Oosterlynck et al. (2013); analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

vegetatievlek: ijle tot dichte vegetaties waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten Bedekking van helofyten. Een helofyt is een plant die in het substraat wortelt. Het onderste deel met winterknoppen bevindt zich onder de waterspiegel, terwijl het bovenste deel met de stengels en bladen erboven uitsteekt.

expertoordeel een massale begroeiing met helofyten zorgt voor concurrentie voor licht en ruimte waardoor de groei van ondergedoken en drijvende vegetatie wordt bemoeilijkt

Vensikkelmos (Warnstorfia fluitans), Knolrus (Juncus bulbosus), Veenmos (G) (Sphagnum sp.)

bufferen infiltratiegebied, verminderen van verzurende depositie, inlaten van voedselarm, gebufferd water; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied, invloed van gebufferd, voedselarm grondwater verhogen

Moerasstruisgras (Agrostis canina), Fioringras (Agrostis stolonifera), Tandzaad (G) (Bidens spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.), Mannagras (Glyceria fluitans), Liesgras (Glyceria maxima), Pitrus (Juncus effusus), Eendenkroos (G) (Lemna spp.), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Tenger fonteinkruid (Potamogeton pusillus), Lisdodde (G) (Typha spp.), Draadwier, Darmwier (G) (Ulva spp.), Waternetje (Hydrodiction reticulatum)

eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging, lozingen; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. oligotrofiëring; guanotrofiëring vermijden; vermesting van oevers en water door grote grazers vermijden; opschonen of uitbaggeren, accumulatie van organisch materiaal beperken; actief biologisch beheer; periodiek droogleggen

Aggenbach et al. (1998a); Arts (2002); Ministerie van LNV (2008k); Packet et al. (2012a); aangevuld met expertoordeel

enkele eutrofiëringsindicatoren zijn eveneens invasieve exoten: Lemna minuta en Lemna turionifera en worden aldus bij beide storingsindicatoren in rekening gebracht

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Ministère de l‟EDAD (2008); definitie helofyt: Lambinon et al. (1988)

Aggenbach et al. (1998a); Leyssen et al. (2005); Ministerie van LNV (2008k); aangevuld met expertoordeel


Subtype 3130_aom: Oeverkruidgemeenschappen (Littorelletea) invasieve exoten

Canadese rus (Juncus canadensis), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dwergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera, Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum), Waterhyacint (Eichhornia crassipes), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten. Na publicatie van de verordening over invasieve exoten kan deze lijst gewijzigd worden (zie hoger).

Denys et al. (2004); Leyssen et al. (2005); Ministère de l‟EDAD (2008); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur Verstoring verzuring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

≥ 3 sleutelsoorten (uitgezonderd moerashertshooi) minstens frequent aanwezig

expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

grootste vegetatievlek > 10 m² < 30 % helofyten (uitgezonderd sleutelsoorten)

expertoordeel

≤ 30 % < 10 % afwezig ≥ 5 ha

Referenties

naar Ministerie van LNV (2008k); expertoordeel expertoordeel

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 111 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 3130_na: Eénjarige dwergbiezenvegetaties (Isoeto-Nanojuncetea)

Habitattype 3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflora en/of de Isoeto-Nanojuncetea Subtype: Eénjarige dwergbiezenvegetaties (Isoeto-Nanojuncetea) (3130_na) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur

Verstoring verzuring

Beschrijving

Maatregelen

Draadgentiaan (Cicendia filiformis), Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra), Klein glaskroos (Elatine hydropiper), Drietallig glaskroos (Elatine triandra), Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis), Eivormige waterbies (Eleocharis ovata), Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia), Dwergvlas (Radiola linoides), Fraai duizendguldenkruid (Centaurium pulchellum), Dwergbloem (Centunculus minimus), Geel cypergras (Cyperus flavescens)1, Koprus (Juncus capitatus), Dwergrus1 (Juncus pygmaeus), Borstelbies (Scirpus setaceus), Priemkruid1 (Subularia aquatica)

eutrofiëring

Moerasstruisgras (Agrostis canina), Fioringras (Agrostis stolonifera), Tandzaad (G) (Bidens spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), Mannagras (Glyceria fluitans), Liesgras (Glyceria maxima), Pitrus (Juncus effusus), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Lisdodde (G) (Typha spp.)

invasieve exoten

Canadese rus (Juncus canadensis), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dwergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum), Waterhyacint (Eichhornia crassipes), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

Referenties

1

Oosterlynck et al. (2013); analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

geen recente waarnemingen in Vlaanderen gekend

vegetatievlek: ijle tot dichte vegetaties waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten opgaande vegetatie , hoger dan ± 15 cm; hogere begroeiing duidt op successie en eutrofiëring, waardoor de geschikte omstandigheden voor het habitattype verdwijnen

Knolrus (Juncus bulbosus), Veenmos (G) (Sphagnum spp.)

Opmerkingen

expertoordeel natuurlijke successie leidt op termijn tot het verdwijnen van het habitattype (verlanding, dichtgroeien, …) bekalken infiltratiegebied, verminderen van verzurende depositie, inlaten van voedselarm, gebufferd water eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. oligotrofiëring; guanotrofiëring vermijden; opschonen of uitbaggeren; periodieke drooglegging gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

Aggenbach et al (1998a); Ministerie van LNV (2008k); Packet et al. (2012a); aangevuld met expertoordeel Aggenbach et al (1998a); Leyssen et al. (2005); Ministerie van LNV (2008k); Packet et al. (2012a); aangevuld met expertoordeel

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten. Na publicatie van de verordening over invasieve exoten kan deze lijst wijzigen(zie hoger).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Denys et al. (2004);Leyssen et al. (2005); Ministère de l‟EDAD (2008); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel


Subtype 3130_na: Eénjarige dwergbiezenvegetaties (Isoeto-Nanojuncetea) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur Verstoring verzuring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

minstens 1 sleutelsoort (uitgezonderd borstelbies, glaskroos en naaldwaterbies) is minstens frequent aanwezig

expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

grootste vegetatievlek > 10 m² < 30 % van de vegetatievlek begroeid met opgaande vegetatie

expertoordeel

≤ 30 % <10 % afwezig ≥ 5 ha

naar Ministerie van LNV (2008k), expertoordeel expertoordeel

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 113 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3140: Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties

Habitattype 3140: Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur

Verstoring eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Referenties

Weegbreefonteinkruid (Potamogeton coloratus), Fijnstekelig kransblad (Chara aculeolata), Ruw kransblad (Chara aspera), Gebogen kransblad (Chara connivens), Brokkelig kransblad (Chara contraria), Chara fragifera, Stekelharig kransblad (Chara hispida), Teer kransblad (Chara virgata), Kleinhoofdig glanswier (Nitella capillaris), Sierlijk glanswier (Nitella gracilis), Kraaltjesglanswier (Nitella tenuissima), Doorschijnend glanswier (Nitella translucens), Gewoon sterkranswier (Nitellopsis obtusa), Klein boomglanswier (Tolypella glomerata), Vertakt boomglanswier (Tolypella intricata), Groot boomglanswier (Tolypella prolifera)

Oosterlynck et al. (2013); expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

kranswiervelden: dichte vegetaties, voor meer dan 3/4 bestaande uit kranswieren (zowel sleutelssoorten als overige kranswieren) Bedekking van helofyten. Een helofyt is een plant die in het slib wortelt. Het onderste deel met winterknoppen bevindt zich onder de waterspiegel, terwijl het bovenste deel met de stengels en bladen erboven uitsteekt.

expertoordeel

Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.), Eendenkroos (G) (Lemna spp.), Liesgras (Glyceria maxima), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum), Draadwier, Darmwier (Ulva sp.), Waternetje (Hydrodiction reticulatum)

invasieve exoten

Canadese rus (Juncus canadensis), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum), Waterhyacint (Eichhornia crassipes), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. lagere nutriëntenaanvoer; guanotrofiëring vermijden; opschonen of uitbaggeren, accumulatie van organisch materiaal beperken; actief biologisch beheer gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

een massale begroeiing met helofyten zorgt voor concurrentie voor licht en ruimte waardoor de groei van ondergedoken en drijvende vegetatie wordt bemoeilijkt

Ministère de l‟EDAD (2008); definitie helofyt: Lambinon et al. (1988)

enkele eutrofiëringsindicatoren zijn eveneens invasieve exoten: Azolla filiculoides, Lemna minuta en Lemna turionifera en worden aldus bij beide storingsindicatoren in rekening gebracht

Leyssen et al. (2005); Packet et al. (2012c); aangevuld met expertoordeel

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten.

Denys et al. (2004); Leyssen et al. (2005); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3140: Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur Verstoring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

kranswiervelden voor ≥ 50 % bestaande uit sleutelsoorten (uitgezonderd Potamogeton coloratus)

expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

kranswiervelden > 10 m² < 30 % helofyten

expertoordeel

< 10 % hoogstens zeldzaam

expertoordeel

≥ 5 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 115 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3150: Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition

Habitattype 3150: Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur

Verstoring eutrofiëring

invasieve exoten

Beschrijving

Maatregelen

Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae), Puntkroos (Lemna trisulca), Kransvederkruid (Myriophyllum verticillatum), Spits fonteinkruid (Potamogeton acutifolius), Glanzig fonteinkruid (Potamogeton lucens), Krabbenscheer (Stratiotes aloides), Loos blaasjeskruid (Utricularia australis), Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris), Rossig fonteinkruid (Potamogeton alpinus), Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus), Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus), Langstengelig fonteinkruid1 (Potamogeton praelongus), Gegolfd fonteinkruid (Potamogeton zizii), Kroosmos (Ricciocarpos natans)

Opmerkingen

Referenties

1

Oosterlynck et al. (2013); expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000)); De Saeger et al. (2008)

geen recente waarnemingen in Vlaanderen gekend

vegetatievlek: vegetaties waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten

expertoordeel

Bedekking van helofyten. Een helofyt is een plant die in het slib wortelt. Het onderste deel met winterknoppen bevindt zich onder de waterspiegel, terwijl het bovenste deel met de stengels en bladen erboven uitsteekt.

een massale begroeiing met helofyten zorgt voor concurrentie voor licht en ruimte waardoor de groei van ondergedoken en drijvende vegetatie wordt bemoeilijkt

Ministère de l‟EDAD (2008); definitie helofyt: Lambinon et al. (1988)

Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.), Eendenkroos (G) uitgezonderd Puntkroos (Lemna spp. excl. Lemna trisulca), Liesgras (Glyceria maxima), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum), Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus; syn. Stuckenia pectinata), Draadwier, Darmwier (Ulva sp.), Waternetje (Hydrodiction reticulatum)

eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. lagere nutriëntenaanvoer; guanotrofiëring vermijden; opschonen of uitbaggeren, accumulatie van organisch materiaal beperken; actief biologisch beheer

enkele eutrofiërings-indicatoren zijn eveneens invasieve exoten: Azolla filiculoides, Lemna minuta en Lemna turionifera en worden aldus bij beide storingsindicatoren in rekening gebracht.

Leyssen et al. (2005); Packet et al. (2012c); aangevuld met expertoordeel

Canadese rus (Juncus canadensis), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dwergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum), Waterhyacint (Eichhornia crassipes), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten.

Decleer (2007); Leyssen et al. (2005); Ministère de l‟EDAD (2008); soortenlijst: Denys et al. (2004); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

Zie §2.4 voor werkwijze

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3150: Van nature eutrofe meren met vegetaties van het type Magnopotamion of Hydrocharition B-criterium

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur Verstoring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

minstens 1 sleutelsoort (uitgezonderd puntkroos) minstens abundant aanwezig of minstens 2 sleutelsoorten (uitgezonderd puntkroos) frequent aanwezig

analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

grootste vegetatievlek > 10 m² < 30 % helofyten (uitgezonderd sleutelsoorten)

expertoordeel

≤ 30 % hoogstens zeldzaam

expertoordeel

≥ 5 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 117 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3160: Dystrofe natuurlijke poelen en meren (niet aangemeld voor Vlaanderen)

Habitattype 3160: Dystrofe natuurlijke poelen en meren (niet aangemeld voor Vlaanderen) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur

Verstoring verzuring

eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

1

Klein blaasjeskruid (Utricularia minor), Slijkzegge (Carex limosa), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium), Kleinste egelskop (Sparganium natans), Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Bleekgeel blaasjeskruid1 (Utricularia ochroleuca)

geen recente waarnemingen in Vlaanderen gekend

Habitattype 3160 staat in contact met oligotroof en zuur overgangsveen (habitattype 7140_oli en /of 7110 actief hoogveen)

Vensikkelmos (Warnstorfia fluitans), Knolrus (Juncus bulbosus)

Moerasstruisgras (Agrostis canina), Tandzaad (G) (Bidens spp.), Mannagras (Glyceria fluitans), Waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Pitrus (Juncus effusus), Eendenkroos (G) (Lemna spp.), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Riet (Phragmites australis), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Lisdodde (G) (Typha spp.)

invasieve exoten

Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Canadese rus (Juncus canadensis), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dwergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum), Waterhyacint (Eichhornia crassipes), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Oosterlynck et al. (2013); analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000)); Decleer (2007) European Commission (2007); Packet et al. (2012b)

verminderen van verzurende depositie; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied, invloed van mineraalrijk water verminderen eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan; optimaliseren van het landgebruik in het waterleverend gebied i.f.v. oligotrofiëring; depositie eutrofiërende stoffen verminderen; guanotrofiëring vermijden; vermesting van oevers en water door grote grazers vermijden; opschonen of uitbaggeren, accumulatie van organisch materiaal beperken gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

enkele eutrofiëringsindicatoren zijn eveneens invasieve exoten: Lemna minuta en Lemna turionifera en worden aldus bij beide storingsindicatoren in rekening gebracht

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten.

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Aggenbach et al. (1998a); Decleer (2007); Packet et al. (2012b); aangevuld met expertoordeel Aggenbach et al. (1998a); Leyssen et al. (2005); Decleer (2007); Packet et al. (2012b); aangevuld met expertoordeel

Ministère de l‟EDAD (2008); soortenlijst: Denys et al. (2004); Leyssen et al. (2005); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel


Habitattype 3160: Dystrofe natuurlijke poelen en meren (niet aangemeld voor Vlaanderen)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten

Habitatstructuur horizontale structuur Verstoring verzuring eutrofiëring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

minstens 2 sleutelsoorten minstens frequent aanwezig

expertoordeel op basis van analyse van vegetatieopnamen stilstaande wateren (o.a. veldgegevens van Denys et al. (2000))

rechtstreeks in contact met habitattype 7140_oli

expertoordeel

≤ 30 % < 10 % afwezig

expertoordeel

≥ 5 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 119 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3260: Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion

Habitattype 3260: Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Toelichting: Voor de bepaling van de lokale staat van instandhouding van dit habitattype, dient een traject van 100 m langs de waterloop beschouwd te worden, dit naar analogie met de methode voor de KRW en om een correcte beoordeling van de groeivormen toe te laten. A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstruktuur horizontale structuur verticale structuur

Verstoring eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Haaksterrenkroos (Callitriche hamulata), Rivierfonteinkruid (Potamogeton nodosus), Doorgroeid fonteinkruid (Potamogeton perfoliatus), Vlottende waterranonkel (Ranunculus fluitans), Grote waterranonkel (Ranunculus peltatus), Kribbenmos (G) (Cinclidotus spp.), Bronmos (Fontinalis antipyretica), Paarbladig fonteinkruid (Groenlandia densa), Drijvende waterweegbree (Luronium natans), Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum), Kransvederkruid (Myriophyllum verticillatum), Ongelijkbladig fonteinkruid (Potamogeton gramineus), Glanzig fonteinkruid (Potamogeton lucens), Spits fonteinkruid (Potamogeton acutifolius), Rossig fonteinkruid (Potamogeton alpinus), Klein fonteinkruid (Potamogeton berchtoldii), Weegbreefonteinkruid (Potamogeton coloratus), Puntig fonteinkruid2 (Potamogeton friesii), Stomp fonteinkruid (Potamogeton obtusifolius), Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), Langstengelig fonteinkruid1 (Potamogeton praelongus), Middelste waterranonkel (Ranunculus aquatilis), Klimopwaterranonkel (Ranunculus hederaceus), Penseelbladige waterranonkel (Ranunculus penicillatus), Kleine waterranonkel (Ranunculus trichophyllus)

Referenties

1

Oosterlynck et al. (2013)

geen recente waarnemingen in Vlaanderen gekend; 2geen recente waarnemingen in Vlaamse waterlopen gekend

vegetatievlek: aaneengesloten vegetatie waarin sleutelsoorten meer bedekken dan andere soorten Bedekking van helofyten. Een helofyt is een plant die in het slib wortelt. Het onderste deel met winterknoppen bevindt zich onder de waterspiegel, terwijl het bovenste deel met de stengels en bladen erboven uitsteekt.

Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Liesgras (Glyceria maxima), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Eendenkroos (Lemna sp. uitz. Lemna trisulca), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus; syn. Stuckenia pectinata), Haarfonteinkruid (Potamogeton trichoides), Lisdodde (G) (Typha spp.), Zannichellia (Zannichellia palustris), Draadwier, Darmwier (G) (Ulva spp.), Waternetje (Hydrodiction reticulatum), Rioolschimmel (Sphaerotilus spec)

Opmerkingen

expertoordeel

eutrofiëringsbronnen wegnemen; waterverontreiniging en afvalwaterlozing tegengaan (overstorten elimineren); afstemmen van het landgebruik in het waterleverend gebied in functie van de kwaliteitsdoelen van het oppervlaktewater (o.a. voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop, erosiebestrijding)

een massale begroeiing met helofyten zorgt voor concurrentie voor licht en ruimte waardoor de groei van ondergedoken en drijvende vegetatie wordt bemoeilijkt

Ministère de l‟EDAD (2008); definitie helofyt: Lambinon et al. (1988)

enkele eutrofiëringsindicatoren zijn eveneens invasieve exoten: Azolla filiculoides, Hydrocotyle ranunculoides, Elodea nuttallii, Lemna minuta en Lemna turionifera en worden aldus bij beide storingsindicatoren in rekening gebracht

Leyssen et al. (2005); Van Looy et al. (2012)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 3260: Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion invasieve exoten

Grote kroosvaren (Azolla filiculoides), Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Smalle waterpest (Elodea nuttallii), Verspreidbladige waterpest (Lagarosiphon major), Dwergkroos (Lemna minuta), Knopkroos (Lemna turionifera), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Egeria (Egeria densa), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum)

gebiedsgerichte en algemene maatregelen i.f.v. cultivar- en exotenbestrijding

De lijst dient aangevuld te worden naargelang nieuwe introducties of nieuwe inzichten.

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie aantal sleutelsoorten Habitatstructuur horizontale structuur verticale structuur Verstoring eutrofiëring invasieve exoten

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

minstens 1 sleutelsoort minstens laag-abundant aanwezig of minstens 2 sleutelsoorten frequent aanwezig

expertoordeel

grootste vegetatievlek > 10 m²

expertoordeel

≤ 30 % helofyten (uitgezonderd sleutelsoorten) ≤ 30 % hoogstens zeldzaam

expertoordeel

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 121 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Decleer (2007); Ministère de l‟EDAD (2008); soortenlijst: Denys et al. (2004); Leyssen et al. (2005); van Valckenburg (2014); aangevuld met expertoordeel


Habitattype 3270: Rivieren met slikoevers

Habitattype 3270: Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri en Bidention (niet aangemeld voor Vlaanderen) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur dynamiek

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Spiesmelde (Atriplex prostrata), Knikkend tandzaad (Bidens cernua), Smal tandzaad (Bidens connata), Veerdelig tandzaad (Bidens tripartita), Zwarte mosterd (Brassica nigra), Gevleugeld sterrenkroos (Callitriche stagnalis), Kleine leeuwenbek (Chaenorrhinum minus), Stippelganzenvoet (Chenopodium ficifolium), Zeegroene ganzenvoet (Chenopodium glaucum), Rode ganzenvoet (Chenopodium rubrum), Korrelganzenvoet (Chenopodium polyspermum), Riempjes (Corrigiola litoralis), Bruin cypergras (Cyperus fuscus), Naaldwaterbies (Eleocharis acicularis), Rijstgras (Leersia oryzoides), Slijkgroen (Limosella aquatica), Watertorkruid (Oenanthe aquatica), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Goudzuring (Rumex maritimus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius subsp. transiens), Moeraszuring (Rumex palustris), Nopjeswieren (Vaucheria spec.), Blauwe en Rode waterereprijs (Veronica anagallis-aquatica)

Oosterlynck et al. (2013); Decleer (2007); Peters et al. (2000)

natuurlijke rivierdynamiek: de habitatvlek is gelegen binnen de overstromingsinvloed, de sedimentafzetting is onverstoord (open vers sediment is aanwezig binnen de habitatvlek), de bodem bestaat uit natuurlijk substraat (geen baggersubstraat of breuksteenbestorting)

expertoordeel

Verstoring invasieve exoten

Watercrassula (Crassula helmsii), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Referenties

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

exoten vormen voornamelijk in de Schelde een probleem

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Ministère de l‟EDAD (2008); expertoordeel


Habitattype 3270: Rivieren met slikoevers

B. Beoordelingsmatrix Criterium vegetatie sleutelsoorten Habitatstructuur dynamiek verstoring invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

≥ 5 sleutelsoorten minstens frequent aanwezig

expertoordeel

natuurlijke rivierdynamiek

Peters et al. (2000), expertoordeel

hoogstens zeldzaam ≥ 5 ha

expertoordeel enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 1 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 123 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van de heiden: inleiding

7. Heiden De Saeger S., Paelinckx D., Oosterlynck P. & De Blust G.

7.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. De fiches van de „psammofiele heide‟ (2310) en van ’droge Europese heide‟ (4030) zijn zeer vergelijkbaar zowel naar de beoordeling van de structuur en vegetatie als naar verstoringen toe. Dit geldt voor de criteria ouderdomsstructuur Struikhei, dwergstruiken, sleutelsoorten, vergrast/verruigd en verbost. Bij de beoordeling van de structuur van een droge heide (2310 & 4030) is de ouderdomsstructuur van Struikhei zeer belangrijk. De levenscyclus van Struikhei kent 4 fasen. Elke fase verschilt qua bedekking, productie en bloei van Struikhei, maar ook qua microklimaat en soortensamenstelling. Hoe meer fasen in een heide aanwezig zijn, hoe structuurrijker, hoe soortenrijker en hoe robuuster de heidehabitat is. Een eenvormige ouderdomsstructuur hangt meestal samen met een onaangepast beheer. Het criterium „dwergstruiken‟ werd minder streng gesteld bij 4010 (bedekkend) dan bij 4030 (halfbedekkend). In 2007 en 2009 werden de ontwerpversies van 4010 op terrein uitgetest en bleek dat in goed ontwikkelde voorbeelden van natte heide (4010) lokaal soms andere sleutelsoorten van het habitattype (o.a. Veenpluis (Eriophorum polystachion) en Beenbreek (Narthecium ossifragum) kunnen domineren. Veenmossen zijn binnen de natte heiden (4010) belangrijke indicatoren voor zowel de vegetatieontwikkeling als de structuur. Om de LSVI te bepalen is kennis van deze soortengroep vereist. Verder staan ook een aantal levermossen vermeld die typisch zijn, maar waarvoor niet gericht dient geïnventariseerd te worden in het kader van een LSVI-bepaling. Om deze reden worden ze niet als sleutelsoort behandeld, zodat toevallige kennis over hun aanwezigheid niet zou leiden tot een andere beoordeling. Heidehabitats (2310, 4010, 4030, 5130_hei) worden gekenmerkt door een dominantie van dwergstruiken, meestal Struik- (Calluna vulgaris) en/of Dophei (Erica tetralix). Naast deze dwergstruiken is Pijpenstrootje (Molinia caerulea) meestal de enige andere soort met een hogere bedekking. Daarom werd beslist dat een heide in een gunstige staat is bij dominantie van dwergstruiken en een ongunstige staat bij dominantie van grassen. De grenswaarde tussen gunstig en ongunstig voor vergrassing ligt bijgevolg op 50%. Daarentegen blijkt een zekere mate van vergrassing wel gunstig voor bepaalde diersoorten. Overal de vergrassing sterk terugdringen is dus voor bepaalde habitatlocaties niet wenselijk en uitzonderingen op de algemene grenswaarden zijn mogelijk in functie van bepaalde beheerdoelen. Het criterium verbossing wordt streng gesteld (grenswaarde ≤ 10%) zoals bij andere open habitattypen (graslanden, moerassen, …). Anderzijds strookt het beperkt optreden van oudere, individuele bomen en kleine oude boomgroepjes (<400 m²) met een gunstige lokale staat omdat een zeker mate van verbossing een positief effect kan hebben voor de biodiversiteit (bv. avifauna). Indien het beheer gericht is op een dergelijke toestand dan kan overwogen worden de grenswaarde te verhogen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

7.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Het is noodzakelijk de veenmos-sleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen. Typische levermossen in dit habitattype zijn: Glanzend maanmos (Cephalozia connivens), IJl stompmos (Cladopodiella fluitans), Broedkelkje (Gymnocolea inflata), Aarmaanmos (Cephalozia macrostachya), Gewoon spinragmos (Kurzia pauciflora), Veendubbeltjesmos (Odontoschisma sphagni),

CRNFB (2006); Ministerie LNV (2008h); Ministerium LUV Brandenburg (2004) en Ministerium UNLV (2004); Oosterlynck et al. (2013)

Vegetatie sleutelsoorten

Hogere planten: Gewone dophei (Erica tetralix), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Veenpluis (Eriophorum polystachion), Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Trekrus (Juncus squarrosus), Beenbreek (Narthecium ossifragum), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Veenbies (Scirpus cespitosus), Tweenervige zegge (Carex binervis), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca), Wilde gagel (Myrica gale) Veenmossen: Kussentjesveenmos (Sphagnum compactum), Week veenmos (Sphagnum molle), Zacht veenmos (Sphagnum tenellum), Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum) en Glanzend veenmos (Sphagnum subnitens)

Habitatstructuur dwergstruiken

Gewone dophei (Erica tetralix), Struikhei (Calluna vulgaris)

traditionele heidegebruik: extensieve begrazing, kleinschalig plaggen, chopperen, maaien en eventueel branden

Een hoog aandeel dwergstruiken kenmerkt de vegetatiestructuur van een heidehabitat. Een verdroogde natte heide of een sterk fluctuerende watertafel kan een monospecifieke (>70%), soortenarme dwergstruikenbegroeiing veroorzaken. Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna.

Søgaard (2003); JNNC (2004); Ministerie van LNV (2006); CRNFB (2006); Ministerium LUV Brandenburg (2004)

Pijpenstrootje (Molinia caerulea)

waterpeil regelen (herstel waterhuishouding), plaggen, chopperen, maaien, begrazen

(1) Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna.

SchaminĂŠe et al. (1995); Meykens & Vereecken (2001); Vandenbussche et al. (2002a); De Blust (2004); Kros et al. (2008)

Verstoring vergrassing

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 125 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix

verbossing

alle boom- en struiksoorten

kappen + heidebeheer

zonder beheer evolueert de meeste natte heide naar bos; sommige typische faunasoorten vereisen aanwezigheid van verspreide bomen(groepjes)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

connectiviteit tussen verwante habitattypes en Zie §2.4 voor werkwijze biotopen verhogen B-criterium specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster specifieke habitatoppervlakte Zie §2.4 voor werkwijze verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten (1) N-deposities liggen in Vlaanderen boven de kritische waarden die voor heides acceptabel zijn, grassen verdragen deze hogere concentraties stikstof beter en kunnen daardoor gaan overheersen; ook verdroging bevoordeelt de groei van Pijpenstrootje. Maatregelen dienen gekoppeld te worden aan het tegengaan van de oorzaak van vergrassing.

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

minimaal 1 sleutelsoort veenmos en minstens 4 overige sleutelsoorten minstens talrijk aanwezig

analyse van basisgegevens; CRNFB (2006); Ministerium UNLV (2004) en Ministerium LUV Brandenburg (2004)

≥ bedekkend

Søgaard et al. (2003); JNNC (2004); Ministerie van LNV (2008h); CRNFB (2006)

Habitatstructuur dwergstruiken

Verstoring vergrassing

≤ 50%

Mits uitzonderingen zie § 7.1

verbossing

≤ 10%

Mits uitzonderingen zie § 7.1

≥ 75 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens GIHD)

Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

≥ 5 ha

CRNFB (2006); Ministerium UNLV (2004); Ministerie van LNV (2008h); Søgaard et al. (2003) CRNFB 2006, Ministerium UNLV 2004, Søgaard et al. 2003 en JNNC 2004 Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 126 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 4030: Droge Europese heide

Habitattype 4030: Droge Europese heide A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Struikhei (Calluna vulgaris), Klein warkruid (Cuscuta epithymum), Rode dophei (Erica cinerea), Stekelbrem (Genista anglica), Kruipbrem (Genista pilosa), Grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum), Kleine wolfsklauw (Lycopodium tristachyum), Borstelgras (Nardus stricta), Fijn schapengras (Festuca filiformis), Tormentil (Potentilla erecta), Pilzegge (Carex pilulifera))

aanpassen beheer, tegengaan bodemverzuring

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

Oosterlynck et al. (2013); CRNFB (2006); Ministerie LNV (2008h)

Habitatstructuur dwergstruiken

Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus), Struikhei (Calluna vulgaris), Rode dophei (Erica cinerea), Gewone dophei (Erica tetralix), Rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea)

ouderdomsstructuur struikhei

pioniersstadium, ontwikkelingsstadium, climaxstadium, degeneratiestadium

ruimtelijke en temporele omlooptijden van het beheer in voldoende grote zones zijn nodig om een grote structuurvariatie te krijgen.

vergrassing

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Duinriet (Calamagrostis epigejos)

verruiging

Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), Braam (G) (Rubus spp.)

chopperen, plaggen, maaien, eventueel aanvullend bufferen tegen N-input; terugkeer doelsoorten afhankelijk van tijdstip waarop ze verdwenen zijn (doelsoorten andere dan heidesoorten hebben vaak een kortlevende zaadbank) maaien, eventueel aanvullend bufferen tegen N-input

verbossing

alle boom- en struiksoorten

een dominantie van dwergstruiken kenmerkt de vegetatiestructuur van een heide, maar een monospecifieke vegetatie van Struikhei (> 80%) kan op verzuring of monotoon beheer (maaien) wijzen. de levenscyclus van Struikhei kent 4 fasen, elke fase verschilt qua bedekking, productie en bloei van Struikhei, maar ook qua microklimaat en soortensamenstelling; meer fasen = meer structuur = soortenrijker = robuuster.

Søgaard et al. (2003); Vandenbussche et al. (2002a); Ministerie van LNV (2006)

Plaggen wordt meer en meer afgeraden omwille van nadelige effecten op de fauna. Toevoegen van bufferstoffen werkt mogelijk fosforlimitatie in de hand.

Vandenbussche et al. (2002a); De Blust (2004)

verruiging met bramen en Adelaarsvaren treedt vnl. op langs bosranden, op kleine geïsoleerde percelen en bij herstelbeheer uit (naald)bos. Toevoegen van bufferstoffen werkt mogelijk fosforlimitatie in de hand. Zonder beheer evolueert de heide naar bos. Sommige typische faunasoorten vereisen verspreide bomen(groepjes).

CRNFB (2006)

Vandenbussche et al. (2002a); De Blust (2004); JNNC (2004)

Verstoring

kappen + heidebeheer

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 127 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Søgaard et al. (2003); De Blust (2004); CRNFB (2006); JNNC (2004)


Habitattype 4030: Droge Europese heide invasieve exoten

Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus)

kleinschalig plaggen, eventueel aanvullend bufferen tegen N-input

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

verdringt andere (mos)soorten. Toevoegen van bufferstoffen werkt mogelijk fosforlimitatie in de hand.

Bakker et al. (2003); Zwaenepoel et al. (2002); Ministerie van LNV (2006); Sparrius et al. (2011)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

struikhei + minstens 1 andere sleutelsoort aanwezig

analyse van basisgegevens; Ministerium UNLV (2004); Ministerium LUV Brandenburg (2004); CRNFB (2006)

Habitatstructuur dwergstruiken ouderdomsstructuur struikhei

≥ halfbedekkend minstens 2 stadia minimaal talrijk aanwezig en één van deze stadia is het climax of degeneratiestadium

te beoordelen op het niveau van aaneensluitende habitatvlekken van hetzelfde habitattype

Ellmauer & Essl (2005); inisterie van LNV (2008h); JNNC (2004) CRNFB (2006); Ministerium UNLV (2004); naar Ministerium LUV Brandenburg (2004); Ministerie van LNV (2008h)

verstoring vergrassing

≤ 50%

Mits uitzonderingen zie § 7.1

verruiging verbossing

≤ 10% ≤ 10%

Mits uitzonderingen zie § 7.1

invasieve exoten Ruimtelijke samenhang A-criterium

≤ 10%

B-criterium

≥ 50 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 128 van 305

CRNFB (2006); Ellmauer & Essl (2005); Ministerium UNLV (2004); Ministerium LUV Brandenburg (2004) expertoordeel CRNFB (2006); Ministerium UNLV (2004); JNNC (2004) en Søgaard et al. (2003) CRNFB (2006); Søgaard et al. (2007)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van thermofiel strukgewas: inleiding

8. Thermofiel struikgewas De Saeger S. & Erens G.

8.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. Voor de matrices van het „thermofiel struikgewas‟ is er voor de keuze van de criteria en grenswaarden vooral beroep gedaan op gegevens uit Nederland. Op lange termijn is het voortbestaan van dit habitattype in Vlaanderen (maar ook in onze buurlanden) in grote mate beperkt door de zeer geringe spontane regeneratie van Jeneverbes (Juniperus communis) en de te hoge atmosferische stikstofdepositie (Paelinckx et al., 2009a). De structuurbeoordeling werd opgemaakt met deze knelpunten in het achterhoofd, waarbij we tot een gunstige beoordeling van de structuur komen indien er voldoende planten van beide geslachten aanwezig zijn en zaailingen kunnen overleven. Habitattype 5130 – „Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland‟ is opgesplitst in twee varianten: Jeneverbestruweel in heide (5130_hei) en Jeneverbestruweel in kalkgrasland (5130_kalk). Het beoordelingsluik van beide matrices is nagenoeg identiek, op de lijst van storingsindicatoren na. De habitatkarakteristieken en de verstoringsoorten van het Jeneverbesstruweel in kalkgrasland zijn dezelfde als deze van de „droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende faciës op kalkhoudende substraten‟ (6210). Jeneverbesstruwelen op kalkrijke bodem komen in Vlaanderen heden niet voor (Paelinckx et al., 2009a). Er is toch een matrix voor opgemaakt omdat herintroductie van Jeneverbes en herstel van het habitattype overwogen wordt in de enkele plaatsen in Vlaanderen die daartoe een geschikte standplaats hebben. Voor het type 5130_hei is een grenswaarde geformuleerd omtrent de minimale, effectieve populatiegrootte binnen eenzelfde heidegebied. Voor het bereiken van de gunstige staat moet een populatie Jeneverbessen uit minimaal 100 exemplaren bestaan (Lande 1995; Mills 2007; Laikre et al. 2009). Tevens is een grenswaarde geformuleerd omtrent de graad van verbossing. Jeneverbes is een typische plant van heide en graslanden en kan ook overleven in open bos, maar is niet bestand tegen zware beschaduwing. Zowel op struikniveau als op populatieniveau is er een sterke, negatieve correlatie tussen de vitaliteit en de kroonsluiting. Competitie voor licht, water en voedsel met andere vegetatie kan ook het succes van verjonging verminderen (Weeda et al., 1985; Thomas et al., 2007).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 129 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 5130_hei: Jeneverbesstruweel in hei

8.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 5130: Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland Variant: Jeneverbesstruweel in heide (5130_hei) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Jeneverbes is tweehuizig, een te grote afstand tussen ♂♂ en ♀♀ beperkt reproductiekansen het voortbestaan van deze habitat op lange termijn is in Vlaanderen onzeker omdat er amper verjonging optreedt Voor het op lange termijn overleven van een populatie is op z‟n minst een effectieve populatiegrootte van 500 individuen noodzakelijk. In geval één van de geslachten domineert kan de effectieve populatiegrootte (Ne) berekend worden: Ne = 4xNmxNf/(Nm + Nf). Met Nf het aantal vrouwelijke planten en Nm het aantal mannelijke planten. Hoe sterker het onevenwicht in geslachten hoe lager de effectieve populatiegrootte zal zijn, dus hoe groter de censuspopulatie dient te zijn.

Wijdeven et al. (2002)

een dichte, hoge vegetatie verhindert verjonging en leidt tot soortenarmere vegetaties

Adriaenssens et al. (2006); Knol & Nijhof (2004) Knol & Nijhof (2004)

Beschaduwing wordt door Jeneverbes slecht verdragen en heeft een negatieve invloed op de zaadproductie en de kiemkracht. Jeneverbes is een pioniersoort in de struweelvorming in droge heides en op stuifzanden.

Wijdeven et al. (2002); Knol & Nijhof (2004); Weeda et al. (1985)

Habitatstructuur sexratio

verhouding mannelijk/vrouwelijke planten

ander geslacht inbrengen, eventueel aanplanten

verjonging

aanwezigheid van zaailingen (< 15cm hoog)

naakte bodem of zeer korte, ijle vegetaties essentieel voor kieming: plaggen, stuifzand activeren, bufferen

populatiegrootte

aantal exemplaren van de Jeneverbes (Juniperus communis)

Adriaenssens et al. (2006); Wijdeven et al. (2002) Ministerie van LNV (2006); Clifton et al. (1997)

Verstoring vergrassing

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Struisgras (G) (Agrostis spp.)

verruiging

Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), Braam (G) (Rubus spp.)

verbossing

alle boom- en struiksoorten (uitgezonderd jeneverbes)

plaggen, eventueel aanvullend bufferen tegen Ninput maaien, eventueel aanvullend bufferen tegen N-input verbossing gefaseerd verwijderen; instandhouden struweelstadium

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 130 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 5130_hei: Jeneverbesstruweel in hei

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Habitatstructuur sexratio

verjonging

populatiegrootte

beide geslachten in het struweel aanwezig

zaailingen aanwezig

≥ 100 ex.

dit is de belangrijkste voorwaarde en knelpunt in het voortbestaan op lange termijn beoordeling binnen eenzelfde heidegebied

Ministerie van LNV (2006); Wijdeven et al. (2002) Ministerie van LNV (2006); Clifton et al. (1997) Clifton et al. (1997); Lande (1995); Mills (2007); Laikre et al. (2009); Ward (1973)

Verstoring vergrassing verruiging verbossing

≤ 50% ≤ 10% ≤ 30%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 75 ha

B-criterium

zelfde grenswaarde als 2310

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 131 van 305

CRNFB (2006) expertoordeel Ellmauer & Essl (2005); Gruwez (2010); Weeda et al. (1985); Thomas et al. (2007)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 5130_kalk: Jeneverbesstruweel in kalkgrasland

Habitattype 5130: Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland Variant: Jeneverbesstruweel in kalkgrasland ( 5130_kalk) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Jeneverbes is tweehuizig, een te grote afstand tussen ♂♂ en ♀♀ beperkt sterk de reproductiekansen. naakte bodem of zeer korte, ijle vegetaties zijn essentieel voor kieming:

Wijdeven et al. (2002)

Habitatstructuur sexratio

verhouding mannelijk/vrouwelijke planten van Jeneverbes

ander geslacht inbrengen, eventueel aanplanten

verjonging

aanwezigheid van zaailingen (< 15 cm hoog)

plaggen, bufferen, stootbegrazing

populatiegrootte

aantal exemplaren Jeneverbes (Juniperus communis)

Voor een levensvatbare populatie geldt een minimumomvang van 100 ex. binnen eenzelfde kalkgrasland – struweel complex.

Adriaenssens et al. (2006); Wijdeven et al. (2002); Verheyen et al. (2009) Ministerie van LNV (2006); Clifton et al. (1997)

Verstoring vergrassing verruiging

verbossing

Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kropaar (Dactylis glomerata), Gestreepte witbol (Holcus lanatus) Bosrank (Clematis vitalba), Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Kruldistel (Carduus crispus), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Grote brandnetel (Urtica dioica), Braam (G) (Rubus spp.) alle boom- en struiksoorten

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

afvoer strooisel, maaien, begrazen

zelfde soorten (incl. vervilting) als bij 6210

JNNC (2004)

verbossing gefaseerd verwijderen; instandhouden struweelstadium

beschaduwing wordt door Jeneverbes slecht verdragen en heeft een negatieve invloed op de zaadproductie en kiemkracht

Wijdeven et al. (2002); Knol & Nijhof (2004); Weeda et al. (1985)

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 5130_kalk: Jeneverbesstruweel in kalkgrasland

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Habitatstructuur sexratio

verjonging

populatiegrootte

beide geslachten in het struweel aanwezig

zaailingen aanwezig

dit is de belangrijkste voorwaarde en knelpunt in het voortbestaan op lange termijn

≥ 100 ex.

Ministerie van LNV (2006); Wijdeven et al. (2002) Ministerie van LNV (2006); Clifton et al. (1997) Ministerie van LNV (2006); Clifton et al. (1997), Ward (1973)

Verstoring vergrassing verruiging verbossing

≤ 50% ≤ 10% ≤ 30%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 75 ha

B-criterium

zelfde grenswaarde als bij 6210 zelfde grenswaarde als bij 6210

Ellmauer & Essl (2005) Expertoordeel Ellmauer & Essl (2005); Gruwez (2010); Weeda et al. (1985); Thomas et al. (2007)

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

≥ 5 ha

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 133 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(stub)types van de (half)natuurlijke graslanden: inleiding

9. (Half-)natuurlijke graslanden Oosterlynck P., Raman M., Guelinckx R., Demolder H. & Paelinckx D.

9.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. De invulling van de matrices is in belangrijke mate gebaseerd op literatuurgegevens (weergegeven in de kolom ‟referenties‟). Voor het bepalen van de meeste grenswaarden waren de beschikbare literatuurgegevens soms ontoereikend en dan ligt vaak expertkennis aan de basis van de grenswaarden (zie § 2.3.2 en de kolom ‟referenties‟). Bijkomend gebeurden analyses op, zij het soms beperkte, datasets van vegetatie-opnames in Vlaanderen. Eén van de moeilijkheden hierbij is de extrapolatie van gegevens uit vegetatie-opnames naar waarden die relevant zijn op het niveau van de volledige habitatlocatie (voor een definitie zie § 2.2). Bij de opmaak van de beoordelingstabellen is er gestreefd naar éénvormigheid qua criteria die gehanteerd worden. Aanzienlijke verschillen blijven echter bestaan tussen de fiches van droge en vochtige habitat(sub)types, alsook tussen de ruigtes en boszomen enerzijds en de overige graslanden anderzijds. De meeste graslandhabitats bestaan uit verschillende subtypes. Omwille van verschillen in de (sleutel)soortensamenstelling, structuur- en verstoringscriteria, zijn er meestal afzonderlijke matrices uitgewerkt. Uitzonderingen hierop vormen twee subtypes van de heischrale graslanden (6230_ha en 6230_hn), de blauwgraslanden en veldrusgraslanden (6410_mo en 6410_ve) en twee subtypes van de mesofiele hooilanden (6510_hu en 6510_hus). Voor deze subtypes is telkens één gezamenlijke matrix opgesteld omdat er met dezelfde criteria kan gewerkt worden. De indicatorsoorten voor deze criteria zijn dan samengenomen en bevatten daarom soms soorten die niet of minder relevant zijn voor één van beide types. Ook tussen verschillende fiches is er omwille van éénvormigheid en volledigheid soms voor gekozen om qua indicatorsoorten maximaal met een vaste lijst per criterium te werken. Voor vergrassing bijvoorbeeld worden grosso modo altijd dezelfde indicatorsoorten gehanteerd. Ook daardoor worden mogelijks voor bepaalde habitattypen ook minder relevante indicatorsoorten opgesomd. Structuurcriteria Hoewel de graslandstructuur een belangrijke indicatie kan geven van de graslandkwaliteit, worden er relatief weinig structuurcriteria opgenomen in vergelijking met andere habitatgroepen. Structuurkenmerken zoals gemiddelde vegetatiehoogte zijn sterk afhankelijk van het gevoerde beheer (maaien, begrazen,…) en van het seizoen. Veldtesten hebben uitgewezen dat zulke variabelen minder éénduidig en herhaalbaar vast te stellen zijn met één terreinbezoek. Daarom kan de verticale structuur in dit instrumentarium beter benaderd worden op basis van de aanwezigheid van bepaalde soorten. Aan deze soorten wordt dan een vooraf bepaalde hoogteklasse toegekend. (bv. 6510: hoge grassen (> 100 cm): Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis), Kweek (Elymus repens), Timoteegras (Phleum pratense), enz. ; Middelhoge grassen (≤ 100 cm): Reukgras (Anthoxanthum odoratum), Goudhaver (Trisetum flavescens), Zachte haver (Avenula pubescens), Rood Zwenkgras (Festuca rubra), enz. Structuurbepalende processen zoals vergrassing, verruiging, verbossing, … hebben uiteraard ook hun weerslag op de vegetatiestructuur, maar zijn geplaatst onder verstoringen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 134 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(stub)types van de (half)natuurlijke graslanden: inleiding

Dominantie van één of enkele soorten wordt voor alle habitat(sub)types negatief beoordeeld, behalve bij de ruigtes waar enkele uitzonderingen mogelijk zijn (bv. Riet (Phragmites australis) bij 6430_mr en Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum) bij 6430_hw). Overige structuurcriteria hebben te maken met het voorkomen van verschillende levensvormen/groeivormen (mossen, schijngrassen, rozetplanten, enz.), waardoor de functionele diversiteit van de habitat kan worden benaderd. In bepaalde situaties wordt voor een gunstige staat van instandhouding ook een aandeel open bodem vooropgesteld (bv. 6120 „kalkminnend grasland op schrale zandbodems‟). Deze open bodem is dan indicatief voor een zekere dynamiek (bv. overstroming met sedimentatie, trapgaten, dagzomende ondergrond,…). Hierbij wordt ook soms een maximum vooropgesteld omdat teveel dynamiek ook niet optimaal is (bv. overbegrazing). Sleutelsoorten Voor de sleutelsoorten zijn de lijsten van de habitattypische florasoorten in Oosterlyck et al. (2013) als vertrekbasis genomen. Deze zijn aangepast aan de Vlaamse situatie op basis van literatuurstudie en analyse van vegetatiegegevens (ongepubliceerde vegetatieopnamen), aangevuld met expertkennis. Ook de grenswaarden voor de sleutelsoorten zijn in belangrijke mate gebaseerd op gegevens. Omwille van hun bruikbaarheid zijn in veel gevallen typische soorten niet weerhouden als sleutelsoort. Zo worden bijvoorbeeld bij de habitattypen blauwgrasland (6410_mo) en basenarme blauwgraslanden inclusief veldrusassociatie (6410_ve) constante, veelal hoogbedekkende, soorten als Veldrus (Juncus acutiflorus) en Biezenknop (Juncus conglomeratus) niet gehanteerd als sleutelsoort omdat ze moeilijk samen kunnen beoordeeld worden met de overige opgelijste sleutelsoorten, die vaak laag bedekkend blijven. De hier opgesomde sleutelsoorten dienen dus louter om de lokale staat van instandhouding te bepalen voor wat betreft het luik vegetatie (criteria aantal en bedekking) en zijn bijgevolg niet bruikbaar voor het bepalen/determineren van het habitattype. Bepaalde mossen geven een indicatie van de structuurkwaliteit in (schralere) graslandhabitats. Gezien het echter een soortengroep is die tijdens een standaard LSVI-survey moeilijk inventariseerbaar is, zijn ze niet als sleutelsoort weerhouden. Hierdoor sluiten we uit dat toevallige kennis over hun aanwezigheid zou leiden tot verschillende beoordelingen. Enkele mossoorten zijn wel als negatieve indicatorsoorten gehanteerd (bv.Gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarossus)). Bij de habitatsubtypes ‟droog heischraal grasland‟ (6230_hn), „kalkrijk heischraal grasland‟ (6230_hnk), ‟soortenrijke graslanden van het struisgrasverbond‟ (6230_ha), „blauwgraslanden‟ (6410_mo) en „kalkminnende glanshavergraslanden‟ (6510_huk) zijn fungi van de genera genera wasplaten (G) (Hygrocybe spp.), aardtongen (G) (Geoglossum spp.), knotszwammen (G) (Clavaria spp.) en/of satijnzwammen (G) (Entoloma spp.) kwaliteitsindicerende soorten. Ze duiden op historisch permanente, onbemeste graslandvegetaties. Ze zijn eveneens moeilijk inventariseerbaar tijdens een LSVI-survey, waardoor ze ook niet als sleutelsoorten opgenomen zijn. Bij de beoordeling van de vegetatie is niet alleen het aantal sleutelsoorten belangrijk, maar ook hun ferquentie of bedekking. Daarbij wordt 10% (dus alle sleutelsoorten samen halen een significante bedekking) vaak als grens tussen de gunstige toestand en ongunstige toestand gehanteerd. Wanneer de sleutelsoorten hooguit talrijk voorkomen is, in vegetatiekundige termen, eerder sprake van romp- of derivaatgemeenschappen. Begeleidende soorten nemen dan de overhand. Zulke vegetaties worden niet als habitat in gunstige staat van instandhouding beschouwd. Uitzonderingen op deze vuistregel zijn „de voedselrijke zoomvormende vochtige tot natte ruigten‟ (6430_hf) en „ruigten met Harig wilgenroosje‟ (6430_hw). Indien de totale bedekking van sleutelsoorten bij dergelijke vegetaties lager is dan 30%, betreft het volgens de definitie geen habitattype. Om die reden wordt hier dan ook een hogere grenswaarde voor de bedekking van de sleutelsoorten vooropgesteld bij een gunstige staat. Ook bij de glanshaver- en de grote pimpernel-graslanden (6510_hu, 6510_hus), ligt de grenswaarde voor bedekking van sleutelsoorten hoger omdat gewerkt wordt met een ruime selectie aan sleutelsoorten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 135 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(stub)types van de (half)natuurlijke graslanden: inleiding

Verstoringen Zoals in § 2.3.5 geduid, worden verstoringen bij de graslanden doorgaans benoemd volgens het waarneembare effect van de verstoring op de vegetatie. Voorbeelden hiervan zijn verruiging, vergrassing en verbossing. Vaak zijn deze het gevolg van een combinatie van oorzaken. Zo kan verdroging of verzuring aan de basis liggen van een verruiging. Het criterium eutrofiëring wordt wel voor alle graslanden, m.u.v. de ruigten, door middel van afzonderlijke indicatorsoorten als rechtstreekse druk onderscheiden. Enkel bij de habitattypen 6410 (grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)) en 6510_hua (Grote vossenstaartgraslanden met Weidekervel of Weidekervel-torkruid (Alopecurion)) was het mogelijk om soorten te selecteren die alle drukfactoren (eutrofiëring, vernatting, verdroging, verzuring) min of meer éénduidig indiceren. Verbossing en verbraming worden in de meeste graslandmatrices streng beoordeeld. De grens tussen gunstig en ongunstig ligt op 10% zoals in andere open habitattypen. Het open karakter van deze habitattypen is essentieel omdat veel sleutelsoorten lichtminnend zijn. Anderzijds kan het beperkt optreden van struiken, bomen en/of bramen samen gaan met een gunstige lokale staat. Een zeker mate van verbossing en verstruweling kan een positief effect hebben op de biodiversiteit, bijvoorbeeld op de insectenrijkdom. In de tabellen is dit als uitzondering meegegeven in het veld opmerkingen. Ook bij voedselrijke ruigten (6430) is een zekere mate van verbossing logisch, omdat het vaak zoomvormende vegetaties betreft. Hier hanteren we 30% als grenswaarde. Anderzijds houdt verbossing een relevante bedreiging voor deze types in omdat zoom- en ruigtevegetaties vaak niet (correct) beheerd worden en doorschieten naar struweel of bos. Voor de droge, half-natuurlijke graslanden en struikvormende faciës op kalkhoudende bodems (Festuco-Brometalia) (6210) wordt ondanks de standplaatseigen struikfacies vervat in de naam, eveneens 10% als grenswaarde gehanteerd. Eventuele verruiging met bosrank wordt hier onder verbossing meegerekend. Strooisellaag is een criterium dat in graslanden samenhangt met een te lage beheerintensiteit, gebrek aan afvoer van maaisel en bladval door (omringende) bomen of struiken. Een teveel aan strooisel kan een oorzaak zijn van het verdwijnen van sleutelsoorten. Het is een relatief moeilijk te meten criterium gezien er, afhankelijk van het seizoen, altijd wel in bepaalde mate dood plantenmateriaal aanwezig is. Daarom is geopteerd om de strooisellaag te definiëren als dikkere paketten dood plantenmateriaal (>1cm). Om die reden is het ook logisch om de grenswaarde streng te houden (maximaal 10% bedekt door strooisel) gezien dergelijke dikke strooiselpaketten indicatief zijn voor een significante, structurele verstoring. Vergrassing is een verstoringscriterium waar verschillende drukken aan de oorzaak van kunnen liggen. Het is vaak een gevolg van eutrofiëring, dat op zich een gevolg kan zijn van verdroging, en/of een te extensief beheer. Vervilting is een bijzondere vorm van vergrassing. Het betreft de dominantie van een aantal grassoorten (bv. gewoon struisgras (Agrostis capillaris), gestreepte witbol (Holcus lanatus)) die de grasmat in sterke mate gaan sluiten. Vervilting heeft deels dezelfde oorzaken als de opbouw van een ‟strooisellaag‟ en ook de gevolgen ervan zijn gelijkaardig. Vervilting treedt ook vaak op als gevolg van verzuring en/of atmosferische stikstofdepositie. Bij vergrassing en verruiging kan dezelfde oorzaak aan de bron liggen, maar worden de indicatoren ondubbelzinnig aan één van beide criteria toegekend. Een in de literatuur vaak gebruikt attribuut bij de beoordeling van graslandkwaliteit is de verhouding echte grassen (Poaceae) versus kruiden en schijngrassen (bv. Robertson & Jefferson, 2000). We hebben hierop gesteund om de grenswaarde voor vergrassing op 50% te leggen. Daarbij worden grassen die indicatief zijn voor specifieke drukken, tot een ander criterium gerekend. Zo wordt. gestreepte witbol bij eutrofiëring gerekend en niet bij vergrassing. Onder verruiging worden drukken gegroepeerd die te maken hebben met beheer en/of ruderalisering. Ruderalisering is een wijziging in soortensamenstelling als gevolg van een (voormalige) bodemverstoring die een abrupte wijziging in trofiegraad met zich meebrengt. Voorbeelden hiervan zijn voormalig landbouwgebruik, bodemverdichting, inbreng van gebiedsvreemd bodemateriaal en plotse en sterke verdroging. Ruderalisering is vaak vooral relevant in ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 136 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(stub)types van de (half)natuurlijke graslanden: inleiding

natuurontwikkeling op gronden met een voormalige verstoring. Voor de habitatsubtypes 6430_hf, 6430_hw en 6430_mr wordt met verruiging vooral een ruderalisering bedoeld en dit criterium wordt relatief streng beoordeeld ( grenswaarde 30%) ondanks dat het van nature „ruige‟ vegetaties betreft. Het criterium wordt in voedselarme systemen strenger beoordeeld (grenswaarde 10%) dan in voedselrijkere (grenswaarde 30%), omdat in deze laatste ruigtesoorten van nature in beperkte mate kunnen voorkomen. Toename van verruigingsindicatoren geeft een sterker signaal in voedselarme dan in voedselrijke milieus. Vermossing door Gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarossus) en/of het genus Haarmos (Polytrichum sp.) is een criterium dat voor alle voedselarme graslandhabitattypen gehanteerd wordt en kan samenhangen met meerdere drukfactoren (verdroging, eutrofiëring, en verzuring). Vernatting en verdroging zijn specifieke criteria bij 6230_hmo, 6410, en 6510_hua. Deze graslandtypes komen vaak voor op terreinen waar zich gradiënten in vochtigheidsgraad voordoen. Vochtige depressies en drogere verhevenheden zijn kenmerkend in deze types graslanden. In sommige gevallen komen in dergelijke percelen complexen van vegetatietypes voor die dan elk afzonderlijk geëvalueerd dienen te worden. In andere gevallen zal de vegetatie over de vochtgradiënt tot hetzelfde habitattype gerekend kunnen worden. De grenswaarde van 30% voor de criteria vernatting en verdroging, dient in dat geval eerder als wijziging in de tijd geëvalueerd te worden (treedt er een vernatting/verdroging op?). Het is zeker niet de bedoeling om de natuurlijke variatie in soortensamenstelling door bodemvochtgestelheid negatief te gaan beoordelen. De genera braam (Rubus sp.) en paardenbloem (Taraxacum sp.) worden in de tabellen generiek als negatieve indicatoren opgesomd (o.a. voor verbossing en eutrofiëring). Indien er echter kennis voorhanden is omtrent de aanwezigheid van kwaliteitsindicerende soorten binnen deze geslachten (bv. Taraxacum erythrospermum, koebraam (Rubus ulmifolius)) worden deze niet mee in rekening gebracht voor dit criterium. Voor de invasieve exoten werd de Harmonia database (E. Branquart (ed), 2014) van de Belgian Forum on Invasive Species geraadpleegd (http://ias.biodiversity.be/). Enkel de neofyten uit de categorie „Black List A1 en Black List A2‟ werden weerhouden (soorten met een hoge impact en een verspreiding van meer dan enkele geïsoleerde populaties). De hieronder vermelde soortenlijsten voor invasieve exoten zijn echter niet-limitatief op te vatten waardoor bv. toekomstige of zeer lokaal voorkomende probleemsoorten ook kunnen meegerekend worden onder dit criterium. In de overgangen tussen een open vegetatietypes (grasland, moeras, …) en bos komen in natuurlijke omstandigheden structuurgradiënten voor van kruidige zomen langs de zijde van het open landschap, naar lintvormige struwelen, die ook mantels genoemd worden langs de boszijde. Het zoom gedeelte van zo‟n mantel-zoomvegetatie kan tot het habitattype nitrofiele boszomen (6430_bz) behoren. De mantel wordt steeds tot het aansluitende bos of struweel gerekend. Bij dit habitatsubtype zijn vooral structuurcriteria van belang, waaronder de breedte en vorm van de zoom. Voor een gunstige staat van instandhouing dient aan de grenswaarden voor deze criteria voldaan te zijn over minimaal de helft van de oppervlakte van de habitatlocatie. Kalkminnende graslanden op dorre zandbodem (6120) zijn van nature een vegetatietype dat thuishoort in een geomorfologisch intact functionerend rivierecosysteem. Het wordt gekenmerkt door hoge overstromings- en sedimentatiedynamieken en een daarmee samengaande sterke temporele en ruimtelijke variatie in abiotiek. In de eerste plaats dient het behoud van het vegetatietype op gebiedsniveau nagestreefd te worden. Met begrazing kan de aanwezigheid van de habitat wel in zekere mate gestuurd worden. De tabel voor 6120 is enkel bedoeld voor de beoordeling van de schrale vormen van het stroomdalgrasland, meer bepaald het Sedo-Cerastion, waarvan we in de Vlaamse Maasvallei hooguit 1 of enkele ha aantreffen. Graslanden van voedselrijkere standplaatsen met stroomdalflora dienen met de tabel van 6510_hu (glanshavergraslanden (Arrhenaterion)) of 6510_huk (kalkrijk kamgrasland (Galio-Trifolietum)) beoordeeld te worden, waarbij eventueel aanwezige stroomdalsoorten als bijkomende sleutelsoorten behandeld dienen te worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 137 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitatype 6120: Kalkminnend grasland op dorre zandbodem (niet aangemeld voor Vlaanderen)

9.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 6120: Kalkminnend grasland op dorre zandbodem Noot: graslanden van voedselrijkere standplaatsen met stroomdalflora dienen met de tabel van 6510_hu (glanshavergraslanden (Arrhenaterion)) of 6510_huk (kalkrijk kamgrasland (Galio-Trifolietum)) beoordeeld te worden, waarbij eventueel aanwezige stroomdalsoorten als bijkomende sleutelsoorten behandeld dienen te worden.

A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur naakte bodem

Verstoring eutrofiëring vergrassing incl. vervilting

verruiging incl. ruderalisering

Beschrijving

Maatregelen

Knikkende distel (Carduus nutans), Voorjaarszegge (Carex caryophyllea), Kruisdistel (Eryngium campestre), Cipreswolfsmelk (Euphorbia cyparissias), Smalle raai (Galeopsis angustifolia), Geel walstro (Galium verum), Ronde ooievaarsbek (Geranium rotundifolium), Kaal breukkruid (Herniaria glabra), Sikkelklaver (Medicago falcata), Slanke mantelanjer (Petrorhagia prolifera), Knolbeemdgras (Poa bulbosa), Plat beemdgras (Poa compressa), Viltganzerik (Potentilla argentea), Harige ratelaar (Rhinanthus alectorolophus), Kleine ratelaar (Rhinanthus minor), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Wit vetkruid (Sedum album), Grote tijm (Thymus pulegioides), Gestreepte klaver (Trifolium striatum), Liggende klaver (Trifolium campestre), Onderaardse klaver (Trifolium subterraneum), Voorjaarsganzerik (Potentilla neumanniana), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus), Veldsalie (Salvia pratensis), Tripmadam (Sedum rupestre), Zacht vetkruid (Sedum sexangulare), Hemelsleutel (Sedum telephium), Lathyruswikke (Vicia lathyroides) aandeel vegetatieloze bodem, exclusief eventuele delen bedekt door strooisel

behoud of herstel van natuurlijke rivier-en overstromingsdynamiek ; herstel natuurlijke of meer natuurlijke oevers; voldoende hoge begrazingsdruk

Witbol (G) (Holcus spp.), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Witte klaver (Trifolium repens), Raaigras (G) (Lolium spp.), Veldzuring (Rumex acetosa) Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kweek (Elymus repens), Kropaar (Dactylis glomerata), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Rood zwengras (Festuca rubra), Beemdgras (G) (Poa spp.), Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis), Smele (G) (Deschampsia spp.), Gewone veldbies (Luzula campestris), Ruige zegge (Carex hirta), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos) Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus)

invoeren of bijstellen begrazing/maaibeheer

Opmerkingen

Referenties

Habitattype met doorgaans hoog aandeel typische mossen en zwammen

Sykora & Rotthier (2014); Oberdorfer (1978); Hennekens et al. (2001); Schaminée et al. (1996); Van Looy & Meire (2009); Oosterlyck et al. (2013)

Open bodem duidt op sedimentatie door eolische of rivierdynamiek en/of een voldoende hoge begrazingsdruk waardoor er een potentiële aanwezigheid van pioniersfasen is. Te hoge sedimentatie leidt tot degradatie van het habitattype.

Sykora & Rotthier (2014)

veroorzaakt door het verdwijnen van hooi- en begrazingsbeheer of begrazing met onvoldoende intensiteit

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 138 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Robertson & Jefferson (2000)

Ministerie van LNV (2008b); Sykora & Rotthier (2014); expertoordeel


Habitatype 6120: Kalkminnend grasland op dorre zandbodem (niet aangemeld voor Vlaanderen) verbossing

bedekking boom- en struiklaag, exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

verbraming

bedekking Braam (G) (Rubus spp.)

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

vermossing

bedekking van gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarrosus)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

verwijderen, begrazen (bij voorkeur) en/of maaien begrazen (bij voorkeur) en/of maaien begrazen (bij voorkeur) of maaien

verbraming vaak in eerste fase door dauwbraam een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, oorzaak is veelal een ongeschikt beheer

expertoordeel

Anoniem (2004b)

Bijlsma et al. (2009), Dorland et al. (2011) connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Anoniem 2004b; expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat ≥4

bedekking sleutelsoorten

Habitatstructuur naakte bodem

≥ 10%

Opmerkingen

Referenties

bedekking en aantallen van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

analyse van basisgegevens; Hennekens et al. (2001)

minimaal talrijk aanwezig en maximaal halfbedekkend

Verstoring eutrofiëring

expertoordeel

≤ 10%

analyse van basisgegevens; expertoordeel Robertson & Jefferson (2000); analyse van basisgegevens; expertoordeel

vergrassing incl. vervilting

≤ 50%

verruiging incl. ruderalisering

≤ 10%

verbossing

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 139 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitatype 6120: Kalkminnend grasland op dorre zandbodem (niet aangemeld voor Vlaanderen) strooisellaag

≤ 10%

vermossing

≤ 30%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 140 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 6210: Droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende faciës op kalkhoudende bodems (Festuco-Brometalia)

Habitattype 6210: Droge half-natuurlijke graslanden en struikvormende faciës op kalkhoudende bodems (Festuco-Brometalia)

A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Poppenorchis (Aceras anthropophorum), Moeslook (Allium oleraceum), Hondskruid (Anacamptis pyramidalis), Wondklaver (Anthyllis vulneraria), Ruige scheefkelk (Arabis hirsuta), Kalkbedstro (Asperula cynanchica), Hokjespeul (Astragalus glycyphyllos), Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Bergdravik (Bromus erectus), Dichte bermzegge (Carex muricata), Driedistel (Carlina vulgaris), Grote centaurie (Centaurea scabiosa), Aarddistel (Cirsium acaule), Ruige anjer (Dianthus armeria), Borstelkrans (Clinopodium vulgare), Kalkwalstro (Galium pumilum), Wilde marjolein (Origanum vulgare), Viltig kruiskruid (Senecio erucifolius), Bochtige klaver (Trifolium medium), Bosboterbloem en kalkboterbloem (Ranunculus serpens), Boslathyrus (Lathyrus sylvestris), Glad parelzaad (Lithospermum officinale), Kleine steentijm (Acinos arvensis), Geel zonneroosje (Helianthemum nummularium), Kuifvleugeltjesbloem (Polygala comosa), Voorjaarsganzerik (Potentilla neumanniana), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Duifkruid (Scabiosa columbaria), Blauwgras (Sesleria caerulea), Smal fakkelgras (Koeleria macrantha), Breed fakkelgras (Koeleria pyramidata), Kruipend stalkruid (Ononis repens), Harige ratelaar (Rhinanthus alectorolophus), Ruig viooltje (Viola hirta), Geelhartje (Linum catharticum), Zeegroene zegge (Carex flacca), Bergnachtorchis (Platanthera chlorantha), Mannetjesorchis (Orchis mascula), Purperorchis (Orchis purpurea), Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii), Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum), Bijenorchis (Ophrys apifera), Vliegenorchis (Ophrys insectifera), Soldaatje (Orchis militaris), Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), Aapjesorchis (Orchis simia), Voorjaarszegge (Carex caryophyllea), Bevertjes (Briza media), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), Ruige leeuwetand (Leontodon hispidus), Ruige weegbree (Plantago media), Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga)

Witte klaver (Trifolium repens), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Raaigras (G) (Lolium spp.), Witbol (G) (Holcus spp.)

Maaibeheer en/of begrazing intensiveren

vergrassing incl. vervilting

Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kropaar (Dactylis glomerata), Kweek (Elymus repens), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Beemdgras (G) (Poa spp.), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Smele (G) (Deschamspia spp.), Ruige zegge (Carex hirta), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum)

maaien in midden van de zomer (augustus), begrazing

verruiging incl. ruderalisering

Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus)

verbossing

bedekking boom- en struiklaag, exclusief Braam (G) (Rubus spp.) en inclusief bosrank (Clematis vitalba)

bijsturen beheer begrazing/maaien; bij voorkeur "gescheperde kudde met schaapskooi of schaapskudde" verwijderen; bijstellen begrazing en/of maaibeheer

verbraming

Bedekking braam (G) (Rubus spp.)

Opmerkingen

Referenties

Habitattype met doorgaans hoog aandeel typische mossen en zwammen

Anoniem (2004a); Oosterlyck et al. (2013); Hennekens et al. (2001)

hoewel gevinde kortsteel een sleutelsoort is duidt een hoge bedekking op een verruiging of eutrofiëring

Anoniem (2004a); Jacquemyn et al. 2011

Expertoordeel; Jacquemyn et al. 2011 expertoordeel

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 141 van 305

Carroll et al. 2003; Bobbink 1991; Jacquemyn et al. 2011 Ministerie van LNV (2008b); anoniem (2004a); Bottin et al. (2005); Jacquemyn et al. 2011

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 6210: Droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende faciës op kalkhoudende bodems (Festuco-Brometalia)

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

begrazen (bij voorkeur) of maaien

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, oorzaak is veelal een ongeschikt beheer

Anoniem (2004a); Jacquemyn et al. 2011

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

Gunstige staat ≥7

Opmerkingen

Referenties

bedekking en aantallen van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

analyse van basisgegevens; Verbücheln et al. (2002); Bottin et al. (2005)

≥10% excl. Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum)

Verstoring eutrofiëring vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing verbraming strooisellaag

≤ 10% ≤ 50%

expertoordeel expertoordeel; anoniem 2004a

≤ 10% ≤ 10% ≤ 10% ≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1) mits uitzonderingen (zie § 9.1)

A-criterium

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

B-criterium

≥ 2 ha

Verbücheln et al. (2002) expertoordeel Verbücheln et al (2002); anoniem (2004a)

Ruimtelijke samenhang

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 142 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6230_hmo: vochtige heischrale graslanden

Habitattype 6230: Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Subtype: vochtige heischrale graslanden (6230_hmo) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Struikhei (Calluna vulgaris), Tweenervige zegge (Carex binervis), Geelgroene zegge (Carex demissa), Bleke zegge (Carex pallescens), Blauwe zegge (Carex panicea), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Tandjesgras (Danthonia decumbens), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Gewone dophei (Erica tetralix), Genaald schapegras (Festuca ovina agg.), Liggend walstro (Galium saxatile), Stekelbrem (Genista anglica), Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Spits havikskruid (Hieracium lactucella), Trekrus (Juncus squarrosus), Knollathyrus (Lathyrus linifolius), Dichtbloemige veldbies (Luzula multiflora subsp. congesta), Borstelgras (Nardus stricta), Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Liggende vleugeltjesbloem (Polygala serpyllifolia), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), Tormentil (Potentilla erecta), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Hondsviooltje (Viola canina), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta)

Opmerkingen fungi van de genera genera wasplaten (Hygrocybe), aardtongen (Geoglossum),knotszwamm en (Clavaria) en/of Satijnzwammen (Entoloma) zijn betrouwbare indicatoren voor goed ontwikkelde en historisch permanente schrale graslandvegetaties

Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witte klaver (Trifolium repens), Witbol (G) (Holcus spp.), Raaigras (G) (Lolium spp.), veldzuring (Rumex acetosa)

vergrassing incl. vervilting

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Smele (G) (Deschampsia spp.), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kweek (Elymus repens), Kropaar (Dactylis glomerata), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Rietgras (Phalaris arundinacea), Hennegras (Calamagrostis cannescens), Rood zwengras (Festuca rubra), Beemdgras (G) (Poa spp.), Struisgras (G) (Agrostis spp.)

verruiging incl. ruderalisering

Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus), Kale jonker (Cirsium palustre), Pitrus (Juncus effusus), Grote wederik (Lysimachia vulgaris)

verbossing

bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

verbraming

bedekking Braam (G) (Rubus spp.)

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

vermossing

bedekking gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarrosus) en Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus)

Oosterlynck et al. (2013); Oberdorfer (1978); Rodwell (1992); Hennekens et al (2001); Schaminée et al. (1996); Zwaenepoel & Stieperaere (2002); Ozinga et al. (2013); Bijlsma et al. (2009)

Aggenbach & Jalink (2005) extensieve begrazing; maaien met afvoer

de oorzaak kan ook het stopzetten van hooi- of begrazingsbeheer zijn, hoewel pijpestrootje normaal voorkomt in dit habitattype, wijst een hoge bedekking op degradatie

Swertz & Schaminée (1996); expertoordeel

Aggenbach & Jalink (2005); Anoniem (2004a); Zwaenepoel & Stieperaere (2002)

extensief maai- of begrazingsbeheer, verwijderen, plaggen

Anoniem (2004a)

expertoordeel maaien met afvoer, plaggen of begrazing

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Anoniem (2004a)

Dorland et al. (2011); Bijlsma et al. (2009)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 143 van 305

Referenties

www.inbo.be


Subtype 6230_hmo: vochtige heischrale graslanden vernatting

grote zeggen (Moeraszegge (Carex acutiformis), Scherpe zegge (Carex acuta), Oeverzegge (Carex riparia)), Snavelzegge (Carex rostrata), Ruige zegge (Carex hirta) & Riet (Phramites australis), Egelboterbloem (Ranununculus flammula), Moerassikkelmos (Drepanocladus aduncus), Ruige zegge (Carex hirta), Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Zwarte zegg (Carex nigra), Zompzegge (Carex curta)

verdroging

Gewoon struisgras (Agrostis capillaris), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Gewone veldbies (Luzula campestris), Veldbeemdgras (Poa pratensis), Gewoon reukgras (Anthoxanthum odoratum)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

vernatting door regenwaterstagnatie zal doorgaans een verminderde grondwaterinvloed en bijgevolg verzuring veroorzaken

Aggenbach & Jalink (2005); Anoniem (2004a); expertoordeel connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Anoniem (2004a); expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Gunstige staat Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

≥4 ≥ 10%

Verstoring eutrofiëring

≤10%

Opmerkingen

Referenties

bedekking en aantallen van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

analyse van basisgegevens; deels naar Anoniem (2004b); Hennekens et al. (2001) Hennekens et al. (2001); expertoordeel expertoordeel

vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

≤ 50%

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming strooisellaag vermossing

≤ 10% ≤ 10% ≤ 30%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

vernatting

≤ 30%

verdroging

≤ 30%

zonder daarbij de natuurlijke gradiënten in vochtigheidsgraad negatief te gaan beoordelen (zie § 9.1) zonder daarbij de natuurlijke gradiënten in vochtigheidsgraad negatief te gaan beoordelen (zie § 9.1)

≤10%

expertoordeel; Anoniem (2004a) Anoniem (2004a); expertoordeel expertoordeel Expertoordeel Dorland et al. (2011); expertoordeel

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 144 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6230_hn & 6230_ha: droge heischrale en soortenrijke struisgrasgraslanden

Habitattype 6230: Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Subtype: droge heischrale graslanden (6230_hn) en soortenrijke struisgrasgraslanden (6230_ha) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Zandstruisgras (Agrostis vinealis), Gelobde maanvaren (Botrychium lunaria), Struikhei (Calluna vulgaris), Grasklokje (Campanula rotundifolia), Tandjesgras (Danthonia decumbens), Steenanjer (Dianthus deltoides), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta), Genaald schapegras (Festuca ovina agg.), Liggend walstro (Galium saxatile), Stekelbrem (Genista anglica), Bosdroogbloem (Gnaphalium sylvaticum), Dicht havikskruid (Hieracium lachenalii), Spits havikskruid (Hieracium lactucella), Stijf havikskruid (Hieracium laevigatum), Muizeoor (Hieracium pilosella), Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum), Knollathyrus (Lathyrus linifolius), Veelbloemige veldbies (Luzula multiflora), Borstelgras (Nardus stricta), Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), Kruipganzerik (Potentilla anglica), Viltganzerik (Potentilla argentea), Tormentil (Potentilla erecta), Zaagblad (Serratula tinctoria), Echte guldenroede (Solidago virgaurea), Betonie (Stachys officinalis), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Grote tijm (Thymus pulegioides), Kleine tijm (Thymus serpyllum), Onderaardse klaver (Trifolium subterraneum), Mannetjesereprijs (Veronica officinalis), Hondsviooltje (Viola canina), Donkersporig + Bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana groep), Eekhoorngras (Vulpia bromoides), Zandblauwtje (Jasione montana), Gaspeldoorn (Ulex europaeus)

verbossing

Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witte klaver (Trifolium repens), Witbol (G) (Holcus spp.), Raaigras (G) (Lolium spp.), Veldzuring (Rumex acetosa) Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Smele (G) (Deschampsia spp.), Gewoon struisgras (Agrostis capillaris), Gewone veldbies (Luzula campestris), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Rood zwengras (Festuca rubra), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kweek (Elymus repens), Kropaar (Dactylis glomerata), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Beemdgras (G) (Poa spp.), Ruige zegge (Carex hirta), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos) Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus) bedekking boom- en struiklaag excl. Braam (G) (Rubus spp.)

verbraming strooisellaag

Bedekking van Braam (G) (Rubus spp.) bedekking waar dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

vermossing

bedekking gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarrosus)

vergrassing incl. vervilting

verruiging incl. ruderalisering

Opmerkingen fungi van de genera wasplaten (Hygrocybe), aardtongen (Geoglossum),knotszwamm en (Clavaria) en/of Satijnzwammen (Entoloma) zijn betrouwbare indicatoren voor goed ontwikkelde en historisch permanente schrale graslandvegetaties

Oosterlynck et al. (2013); Oberdorfer (1978); Hennekens et al. (2001); Rodwell (1992); Schaminée et al. (1996); Zwaenepoel & Stieperaere (2002); Boertmann (2008); Ministerie van LNV (2008b); Öster (2007); Griffith et al. (2004); Ozinga et al. (2013); Bijlsma et al. (2009)

maaien met afvoer

Aggenbach & Jalink (2005) deels naar Anoniem (2004a); Zwaenepoel & Stieperaere (2002)

bijsturen begrazing/maaien

Anoniem (2004a); Rodwell (1992)

extensief maai- of begrazingsbeheer, verwijderen, plaggen

Anoniem (2004a)

begrazing (bij voorkeur) of maaien met afvoer

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, oorzaak is veelal een ongeschikt beheer

expertoordeel Anoniem (2004a)

Dorland et al. (2011); Bijlsma et al. (2009)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 145 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6230_hn & 6230_ha: droge heischrale en soortenrijke struisgrasgraslanden Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Gunstige staat Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

≥4 ≥ 10%

Verstoring eutrofiëring

≤10%

Opmerkingen

Referenties

bedekking en aantallen van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

analyse van basisgegevens; deels naar Anoniem (2004b); Hennekens et al. (2001) Hennekens et al. (2001); expertoordeel expertoordeel

vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

≤ 50%

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming strooisellaag vermossing

≤ 10% ≤ 10% ≤ 30%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

A-criterium

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

B-criterium

≥ 2 ha

≤10%

expertoordeel; Anoniem (2004a) expertoordeel; Anoniem (2004a) expertoordeel expertoordeel Dorland et al. (2011); expertoordeel

Ruimtelijke samenhang

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 146 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6230_hnk: droge kalkrijkere heischrale graslanden (Betonica-Brachypodietum)

Habitattype 6230: soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Subtype: droge kalkrijkere heischrale graslanden (Betonica- Brachypodietum) (6230_hnk) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring eutrofiĂŤring vergrassing incl. vervilting

verruiging incl. ruderalisering

Beschrijving

Maatregelen

Kalkminnende soorten: Zachte haver (Avenula pubescens), Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Bevertjes (Briza media), Voorjaarszegge (Carex caryophyllea), Zeegroene zegge (Carex flacca), Bleke zegge (Carex pallescens), Groene nachtorchis (Coeloglossum viride), Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Betonie (Stachys officinalis) Heischrale soorten: Stekelbrem (Genista anglica), Struikhei (Calluna vulgaris), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta), Liggend walstro (Galium saxatile), Gelobde maanvaren (Botrychium lunaria), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Tandjesgras (Danthonia decumbens), Veelbloemige veldbies (Luzula multiflora), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Grasklokje (Campanula rotundifolia), Genaald schapegras (Festuca ovina agg.), Dicht havikskruid (Hieracium lachenalii), Spits havikskruid (Hieracium lactucella), Stijf havikskruid (Hieracium laevigatum), Muizeoor (Hieracium pilosella), Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum), Knollathyrus (Lathyrus linifolius), Borstelgras (Nardus stricta), Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga), Kruipganzerik (Potentilla anglica), Viltganzerik (Potentilla argentea), Tormentil (Potentilla erecta), Zaagblad (Serratula tinctoria), Echte guldenroede (Solidago virgaurea), Betonie (Stachys officinalis), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Grote tijm (Thymus pulegioides), Kleine tijm (Thymus serpyllum), Mannetjesereprijs (Veronica officinalis), Hondsviooltje (Viola canina), Donkersporig + Bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana groep), Zandblauwtje (Jasione montana), Gaspeldoorn (Ulex europaeus)

Witte klaver (Trifolium repens), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witbol (G) (Holcus spp.), Raaigras (G) (Lolium spp.) Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Smele (G) (Deschampsia spp.), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Rood zwengras (Festuca rubra), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kweek (Elymus repens), Kropaar (Dactylis glomerata), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Beemdgras (G) (Poa spp.), Ruige zegge (Carex hirta), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos) Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus)

verbossing verbraming strooisellaag

bedekking boom- en struiklaag inclusief Bosrank (Clematis vitalba) en exclusief Braam (G) (Rubus spp.) bedekking van Braam (G) (Rubus spp.) bedekking door dood organisch materiaal dat een meer dan 1 cm dikke laag vormt

vermossing

bedekking gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarrosus)

invoeren/bijstellen begrazingsbeheer, bij voorkeur met schapen

Opmerkingen

Referenties

fungi van de genera wasplaten (Hygrocybe), aardtongen (Geoglossum),knotszwam men (Clavaria) en/of Satijnzwammen (Entoloma) zijn betrouwbare indicatoren voor goed ontwikkelde en historisch permanente schrale graslandvegetaties

Rodwell (1992); SchaminĂŠe et al. (1996); Zwaenepoel et al. (2002); Ozinga et al. (2013); Bijlsma et al. (2009)

hoewel gevinde kortsteel een sleutelsoort is duidt een hoge bedekking op een te extensief beheer

invoeren/bijstellen begrazingsbeheer, bij voorkeur met schapen

Dupae (2004)

verwijderen

Anoniem (2004b) expertoordeel Anoniem (2004a)

maaien, invoeren/bijstellen begrazingsbeheer, bij voorkeur met schapen

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, de oorzaak is veelal een ongeschikt beheer.

Dorland et al. (2011); Bijlsma et al. 2009)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 147 van 305

Dupae (2004)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6230_hnk: droge kalkrijkere heischrale graslanden (Betonica-Brachypodietum) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat ≥ 5 waarvan minimum 2 kalkminnende en minimum 2 heischrale soorten

bedekking sleutelsoorten

Opmerkingen

Referenties

Bedekking van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

analyse van basisgegevens

≥ 10%

Verstoring eutrofiëring vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

≤ 10% ≤ 50%

expertoordeel expertoordeel

≤ 10%

expertoordeel

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming strooisellaag

≤ 10% ≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

vermossing

≤ 30%

expertoordeel; Anoniem (2004a) expertoordeel expertoordeel; Anoniem (2004a) Dorland et al. (2011); expertoordeel

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 148 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtypes 6410_mo: blauwgrasland en 6410_ve: basenarme blauwgraslanden inclusief veldrusassociatie

Habitattype 6410: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) Subtypes: blauwgrasland (6410_mo) en basenarme blauwgraslanden inclusief veldrusassociatie (6410_ve) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur levensvormen

Verstoring eutrofiëring

Beschrijving

Maatregelen

Teer guichelheil (Anagallis tenella), Bevertjes (Briza media), Geelgroene zegge (Carex demissa), Blonde zegge (Carex hostiana), Bleke zegge (Carex pallescens), Blauwe zegge (Carex panicea), Vlozegge (Carex pulicaris), Kranskarwij (Carum verticillatum), Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), Herfsttijlloos (Colchicum autumnale), Moerasstreepzaad (Crepis paludosa), Bosorchis (Dactylorhiza fuchsii), Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Ruw walstro (Galium uliginosum), Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), Paddenrus (Juncus subnodulosus), Veelbloemige veldbies (Luzula multiflora), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Addertong (Ophioglossum vulgatum), Parnassia (Parnassia palustris), Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Kruipganzerik (Potentilla anglica), Tormentil (Potentilla erecta), Kleine schorseneer (Scorzonera humilis), Klein glidkruid (Scutellaria minor), Karwijselie (Selinum carvifolia), Zaagblad (Serratula tinctoria), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Kleine valeriaan (Valeriana dioica), Moerasviooltje (Viola palustris), Klimopklokje (Wahlenbergia hederacea), Zeegroene zegge (Carex flacca), Brede orchis (Dactylorhiza majalis subsp. majalis), Geel schorpioenmos (Hamatocaulis vernicosus)

Opmerkingen

Referenties

fungi van de genera wasplaten (Hygrocybe), aardtongen (Geoglossum),knotszwa mmen (Clavaria) en/of Satijnzwammen (Entoloma) en sommige mossen zijn betrouwbare indicatoren voor goed ontwikkelde en historisch permanente schrale graslandvegetaties

Anoniem (2004a); Oberdorfer (1983); Rodwell (1992); Schaminée et al. (1996); Zwaenepoel et al. (2002); Hennekens et al. (2001); Ozinga et al. (2013); Bijlsma et al. (2009)

bedekking schijngrassen lager dan 30 cm (exclusief Moeraszegge (Carex acutiformis), Scherpe zegge (Carex acuta), Oeverzegge (Carex riparia), Stijve zegge (Carex elata), Pluimzegge (Carex paniculata), Ruige zegge (Carex hirta), Pitrus (Juncus effusus), Veldrus (Juncus acutiflorus), Biezeknoppen (Juncus conglomeratus)

Anoniem (2004a); Anoniem (2004b); Schaminée et al. (1996)

Raaigras (G) (Lolium spp.), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witte klaver (Trifolium repens), Veldzuring (Rumex acetosa), Witbol (G) (Holcus spp.), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum)

maaibeheer intensiveren

vergrassing incl. vervilting

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Biezenknoppen (Juncus conglomeratus), Smele (G) (Deschampsia spp.), Rietzwenkgras (Festuca arundinaceae), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kweek (Elymus repens), Kropaar (Dactylis glomerata), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Rietgras (Phalaris arundinacea), Hennegras (Calamagrostis canescens), Fioringras (Agrostis stolonifera), Beemdgras (G) (Poa spp.), Ruige zegge (Carex hirta)

maaibeheer intensiveren

verruiging incl. ruderalisering

Gewone engelwortel (Angelica sylvestris), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus), Akkerdistel (Cirsium arvense), Kale jonker (Cirsium palustre), Speerdistel (Cirsium vulgare), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Kleefkruid (Galium aparine), Pitrus (Juncus effusus), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Melkeppe (Peucedanum palustre)types

maaibeheer intensiveren

Jalink.& Jansen (1995); Aggenbach & Jalink (2005); expertoordeel hoewel Pijpestrootje en Biezeknoppen sleutelsoorten zijn voor 6410, wijst een hoge bedekking op degradatie; ongeschikt beheer is ook oorzaak voor toename van deze soorten

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 149 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Anoniem ((2004a); Aggenbach & Jalink (2005)

Aggenbach & Jalink (2005); expertoordeel


Subtypes 6410_mo: blauwgrasland en 6410_ve: basenarme blauwgraslanden inclusief veldrusassociatie verbossing

bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

Verwijderen opslag

dit habitattype bestaat vooral uit lichtminnende soorten die geen beschaduwing verdragen

verbraming strooisellaag

bedekking van Braam (G) (Rubus spp.) bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

aangepast maaibeheer

vermossing

Bedekking Gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarossus), Haarmos (G) (Polytrichum spp.), Klauwtjesmos (G) (Hypnum spp.)

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, de oorzaak is veelal een ongeschikt beheer hoge bedekkingen van deze soorten indiceren verdroging en/of eutrofiëring

vernatting

grote zeggen (Moeraszegge (Carex acutiformis), Scherpe zegge (Carex acuta), Oeverzegge (Carex riparia) & Riet (Phramites australis), Egelboterbloem (Ranununculus flammula), Waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Gewoon puntmos (Calliergonella cuspidata) Gewoon struisgras (Agrostis capillaris), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Gewone veldbies (Luzula campestris), Veldbeemdgras (Poa pratensis), Gewoon reukgras (Anthoxanthum odoratum) Moerasstruisgras (Agrostis canina), Zwarte zegge (Carex nigra), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) Veenmos (G) (Sphagnum spp.) exclusief eventuele basifiele soorten (S. contortum, S.teres en S. platyphyllum)

verdroging verzuring

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Dorland et al. (2011); Bijlsma et al. (2009)

Aggenbach & Jalink (2005); expertoordeel Aggenbach & Jalink (2005); expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 150 van 305

expertoordeel Anoniem (2004a)

Anoniem (2004a); expertoordeel

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Anoniem (2004a); expertoordeel

www.inbo.be


Subtypes 6410_mo: blauwgrasland en 6410_ve: basenarme blauwgraslanden inclusief veldrusassociatie

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur levensvormen Verstoring eutrofiëring

Gunstige staat ≥5

Opmerkingen

Referenties

Bedekking van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

Hennekens et al. (2001); analyse van basisgegevens

≥ 10% excl. Pijpenstrootje ≥ 10%

expertoordeel

≤ 10%

expertoordeel; Anoniem (2004a) expertoordeel ; Anoniem (2004a) expertoordeel

vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

≤ 50%

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming strooisellaag

≤ 10% ≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

vermossing

≤ 30%

vernatting

≤ 30%

zonder daarbij de natuurlijke gradiënten in vochtigheidsgraad te wijzigen (zie § 9.1)

verdroging

≤ 30%

verzuring Ruimtelijke samenhang

≤ 30%

Zonder daarbij de natuurlijke gradiënten in vochtigheidsgraad te wijzigen (zie § 9.1) > 30% kan wijzen op evolutie naar 6230_hmo

A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

≤ 10%

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

expertoordeel expertoordeel Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 151 van 305

Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) expertoordeel expertoordeel; Anoniem (2004a) Dorland et al. (2011); expertoordeel expertoordeel

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_bz: nitrofiele boszomen met minder algemene plantensoorten

Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones Subtype: nitrofiele boszomen met minder algemene zoomsoorten (6430_bz) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

overige soorten

Habitatstructuur breedte zoomvegetatie

overgang mantel-zoom aard mantelzoomvegetatie

Beschrijving Welriekende agrimonie (Agrimonia procera), Bosklit (Arctium nemorosum), Donzige klit (Arctium tomentosum), Boskortsteel (Brachypodium sylvaticum), Ruig klokje (Campanula trachelium), Kruisbladwalstro (Cruciata laevipes), Groot warkruid (Cuscuta europaea), Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus), Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea), Grote bosaardbei (Fragaria moschata), Bosaardbei (Fragaria vesca), Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum), Muursla (Mycelis muralis), Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum), Groot glaskruid (Parietaria officinalis), Groot hoefblad (Petasites hybridus), Aardbeiganzerik (Potentilla sterilis), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Kruidvlier (Sambucus ebulus), Schaduwkruiskruid (Senecio ovatus), Steeneppe (Sison amomum)

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

verdere regelgeving en controle rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen; geleidelijke overgangen van bos naar open biotopen ontwikkelen

bedreiging door herbicidengebruik en onaangepast bosrandbeheer

Paelinckx et al. (2009); Oosterlynck et al. (2013); Anoniem z.d. (c); anoniem ((2004a); Oberdorfer (1983); Rodwell (1995); Stortelder et al. (1999a); Zwaenepoel & Hoffmann (2004) Paelinckx et al. (2009)

mantel begint waar de houtige vegetatie boven 50 cm dominant wordt

Stortelder et al. (1999a); expertoordeel

Gewone agrimonie (Agrimonia eupatoria), Look-zonder-look (Alliaria petiolata), Kraailook (Allium vineale), Heggenrank (Bryonia dioica), Dolle kervel (Chaerophyllum temulum), Robertskruid (Geranium robertianum), Geel nagelkruid (Geum urbanum), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Hop (Humulus lupulus), Witte dovenetel (Lamium album), Schaduwgras (Poa nemoralis), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Dagkoekoeksbloem (Silene dioica), Bosandoorn (Stachys sylvatica), Grote muur (Stellaria holostea), Heggendoornzaad (Torilis japonica), (Bos)klimopereprijs (Veronica hederifolia subsp. lucorum), Heggenwikke (Vicia sepium), Donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) breedte van het zoomgedeelte; mantel = houtige deel van de bosrand, zoom = kruidige deel van bosrand de overgang tussen gemaaide, kruidige deel en het bos is ofwel geleidelijke ofwel abrupt. In dit laatste geval ontbreekt een echte mantel de mantel-zoomovergang is geen rechte lijn maar bevat een afwisseling van inhammen en uitstulpingen waardoor er gradienten in omgevingsvariabelen ontstaan

geschikt mantel- en zoombeheer

de aanwezigheid van luwzones en lichtvariatie verhoogt de biodiversiteit

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 152 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_bz: nitrofiele boszomen met minder algemene plantensoorten Vertoring verruiging incl. ruderalisering

verbossing

invasieve exoten

Kleefkruid (Galium aparine), Grote brandnetel (Urtica dioica), Akkerdistel (Cirsium arvense), Kweek (Elymus repens), Heermoes (Equisetum arvense), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Zevenblad (Aegopodium podagraria), Rietgras (Phalaris arundinacea), Kropaar (Dactylis glomerata), Braam (G) (Rubus spp.), Moerasspirea (Filipendula ulmaria) bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

maaien

Aster (G) (Aster spp.), Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (G) (Buddleja spp.), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)), Aardpeer (Helianthus tuberosus), Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Pontische rododendron (Rhododendron ponticum), Robinia (Robinia pseudoacacia), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Late guldenroede (Solidago gigantea), Witte spirea (Spiraea alba), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)

selectief verwijderen; maaien

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

verruiging hier voornamelijk in termen van ruderalisering

Cfr. Ssymank et al. (1998)

verbossing is een proces dat in zomen snel tot achteruitgang van de lokale staat van instandhouding kan leiden bij uitblijven van beheer

Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b)

Harmonia database (2014); aanvulling op basis van bosinventarisatie

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen

bedekking overige en sleutelsoorten Habitatstructuur breedte zoomvegetatie

Referenties

≥1

expertoordeel

≥ 50%

expertoordeel

≥ 5m breed

Stortelder et al. (1999a)

overgang mantel-zoom

minimaal de helft van de habitatvlek vertoont een geleidelijke overgang van de zoom via struweelfase (mantel) naar het aangrenzend bos

Stortelder et al. (1999a)

aard mantelzoomvegetatie

de vegetatie volgt voor minimaal de helft van de habitatvlek geen rechte lijn, maar wel een golvende strook met afwisseling in luw- en lichtzones

Verstoring verruiging incl. ruderalisering

≤ 30%

expertoordeel

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 153 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_bz: nitrofiele boszomen met minder algemene plantensoorten verbossing

invasieve exoten Ruimtelijke samenhang

≤ 30%

Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) expertoordeel

hoogstens zeer schaars

A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 154 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_hf: moerasspireaverbond

Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones Subtype: moerasspireaverbond (6430_hf) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur grassen pionierstadium Verstoring verruiging incl. ruderalisering verbossing

invasieve exoten

Beschrijving

Maatregelen

Referenties

Gewone engelwortel (Angelica sylvestris), Donzige klit (Arctium tomentosum), Reuzepaardestaart (Equisetum telmateia), Moeraszegge (Carex acutiformis), Moesdistel (Cirsium oleraceum), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Heksenmelk (Euphorbia esula), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Moerasooievaarsbek (Geranium palustre), Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum), Zomerklokje (Leucojum aestivum), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Watermuur (Myosoton aquaticum), Dodemansvingers (Oenanthe crocata), Groot hoefblad (Petasites hybridus), Moerasbeemdgras (Poa palustris), Adderwortel (Polygonum bistorta), Bosbies (Scirpus sylvaticus), Dagkoekoeksbloem (Silene dioica), Moerasandoorn (Stachys palustris), Poelruit (Thalictrum flavum), Echte valeriaan (Valeriana repens), Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus), Gele lis (Iris pseudocarus), Smeerwortel (Symphytum officinale), Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum)

Anoniem z.d. (c); Oberdorfer (1983); Rodwell (1995); Stortelder et al. (1999); Zwaenepoel & Hoffmann (2004); Oosterlynck et al. (2013)

bedekking grassen uitgez. Riet (Phragmites australis), Liesgras (Glyceria maxima) & Rietgras (Phalaris arundinacea) open bodem (slik, grind, kiezel, …) en bedekking (eenjarige) pioniersvegetatie indiceren de aanwezigheid van rivier- of beekdynamiek

expertoordeel; Couvreur et al. (2006) expertoordeel; Couvreur et al. (2006)

Akkerdistel (Cirsium arvense), Kruldistel (Carduus crispus), Kweek (Elymus repens), Heermoes (Equisetum arvense), Liesgras (Glyceria maxima), Braam (G) (Rubus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Grote brandnetel (Urtica dioica), Rietgras (Phalaris arundinacea) bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

maaien

Aster (G) (Aster spp.), Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (G) (Buddleja spp.), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)), Aardpeer (Helianthus tuberosus), Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Pontische rododendron (Rhododendron ponticum), Robinia (Robinia pseudoacacia), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Late guldenroede (Solidago gigantea), Witte spirea (Spiraea alba), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)

selectief verwijderen, maaien

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

bv. ook door eutrofiëring met slib, verdroging,… Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) Harmonia database (2014); Anoniem z.d. (c); Ssymank et al. (1998)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 155 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_hf: moerasspireaverbond

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen ≥5

Referenties expertoordeel

bedekking sleutelsoorten

≥ 50%

< 30% is geen habitat meer, maar kan rbb zijn

Anoniem (2004b)

Habitatstructuur grassen

≤ 10%

> 30% is geen habitat meer, maar kan rbb zijn

expertoordeel; Couvreur et al. (2006) expertoordeel

pioniersstadium Verstoring verruiging incl. ruderalisering

≥ 10% ≤ 30%

expertoordeel

verbossing

≤ 30%

Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) expertoordeel

invasieve exoten Ruimtelijke samenhang

hoogstens zeer schaars

A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 156 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_hw: verbond met Harig wilgenroosje

Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones Subtype: verbond van harig wilgenroosje (6430_hw) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur dynamiek

Verstoring verruiging incl. ruderalisering

Beschrijving

Maatregelen

Groot warkruid (Cuscuta europaea), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Hop (Humulus lupulus), Zomerklokje (Leucojum aestivum), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Goudgele honingklaver (Melilotus altissimus), Groot hoefblad (Petasites hybridus), Geoord helmkruid (Scrophularia auriculata), Gevleugeld helmkruid (Scrophularia umbrosa), Moeraskruiskruid (Senecio paludosus), Moerasandoorn (Stachys palustris)

Peters et al. (2000), expertoordeel

Akkerdistel (Cirsium arvense), Kruldistel (Carduus crispus), Kweek (Elymus repens), Heermoes (Equisetum arvense), Braam (G) (Rubus spp.), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Liesgras (Glyceria maxima), Grote brandnetel (Urtica dioica), Rietgras (Phalaris arundinacea)

maaien

bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

invasieve exoten

Aster (G) (Aster spp.), Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (G) (Buddleja spp.), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)), Aardpeer (Helianthus tuberosus), Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Pontische rododendron (Rhododendron ponticum), Robinia (Robinia pseudoacacia), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Late guldenroede (Solidago gigantea), Witte spirea (Spiraea alba), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

deels Ssymank et al. (1998) Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) Harmonia database (2014); Anoniem z.d. (c); Ssymank et al. (1998)

selectief verwijderen, maaien

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 157 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Referenties Oosterlynck et al. (2013); Anoniem z.d. (c); Oberdorfer (1983); Rodwell (1995); Stortelder et al. (1999); Zwaenepoel & Hoffmann (2004)

natuurlijke rivierdynamiek: de habitatvlek is gelegen binnen de overstromingsinvloed, de sedimentafzetting is onverstoord (open vers sediment is aanwezig binnen de habitatvlek), de bodem bestaat uit natuurlijk substraat (geen baggersubstraat of breuksteenbestorting)

verbossing

B-criterium

Opmerkingen

www.inbo.be


Subtype 6430_hw: verbond met Harig wilgenroosje

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen ≥5

bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur dynamiek

invasieve exoten

expertoordeel

≥ 50%

< 30% is geen habitat meer, maar kan rbb zijn

natuurlijke rivierdynamiek

Verstoring verruiging incl. ruderalisering verbossing

Referenties

Anoniem (2004b) Peters et al. (2000), expertoordeel

≤ 30%

expertoordeel

≤ 30%

Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) expertoordeel

hoogstens zeer schaars

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 158 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6430_mr: rietlanden met echte heemst, moeraslathyrus en/of moerasmelkdistel

Habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van montane en alpiene zones Subtype: rietlanden met echte heemst, moeraslathyrus en/of moerasmelkdistel (6430_mr) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Verstoring verruiging

verbossing

invasieve exoten

Beschrijving

Maatregelen

Heemst (Althaea officinalis), Selderij (Apium graveolens), Echt lepelblad (Cochlearia officinalis), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Moeraslathyrus (Lathyrus palustris), Watermunt (Mentha aquatica), Moerasmelkdistel (Sonchus palustris), Grote watereppe (Sium latifolium), Moeraskruiskruid (Senecio paludosa)

maaien

Aster (G) (Aster spp.), Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (G) (Buddleja spp.), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)), Aardpeer (Helianthus tuberosus), Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Pontische rododendron (Rhododendron ponticum), Robinia (Robinia pseudoacacia), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Late guldenroede (Solidago gigantea), Witte spirea (Spiraea alba), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii)

selectief verwijderen, maaien

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

deels Ssymank et al. (1998) Anoniem (2004a); Ministerie van LNV (2008b) Harmonia database (2014); Anoniem z.d. (c); Ssymank et al. (1998)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 159 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Referenties Oosterlynck et al. (2013); Anoniem z.d. (c); Oberdorfer (1983); Rodwell (1995); Stortelder et al. (1999); Zwaenepoel & Hoffmann (2004)

Akkerdistel (Cirsium arvense), Kweek (Elymus repens), Heermoes (Equisetum arvense), Braam (G) (Rubus spp.), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Liesgras (Glyceria maxima), Grote brandnetel (Urtica dioica), Rietgras (Phalaris arundinacea) bedekking boom- en struiklaag exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Opmerkingen

www.inbo.be


Subtype 6430_mr: rietlanden met echte heemst, moeraslathyrus en/of moerasmelkdistel

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen

Heemst of Moeraslathyrus of Moerasmelkdistel en ≥ 2 andere sleutelsoorten

bedekking sleutelsoorten

≥ 10%

Verstoring verruiging

≤ 30%

verbossing invasieve exoten Ruimtelijke samenhang

expertoordeel lage bedekking kan de overgang zijn naar rbbmr en kan daarvoor goed scoren.

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

Anoniem (2004a) expertoordeel enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 160 van 305

Anoniem (2004b)

expertoordeel

≤ 30% hoogstens zeer schaars

A-criterium

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6510_hu en 6510_hus: Glanshavergraslanden (Arrhenaterion) en glanshavergraslanden met grote pimpernel

Habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Subtypes: Glanshavergraslanden (Arrhenaterion) (6510_hu) en glanshavergraslanden met grote pimpernel (6510_hus) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur verticale structuur dominantie van soort(en)

Verstoring eutrofiëring

vergrassing incl. vervilting

verruiging incl. ruderalisering

verbossing

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Kraailook (Allium vineale), Zachte haver (Avenula pubescens), Bevertjes (Briza media), Rapunzelklokje (Campanula rapunculus), Knoopkruid (Centaurea jacea), Groot streepzaad (Crepis biennis), Glad walstro (Galium mollugo), Beemdooievaarsbek (Geranium pratense), Graslathyrus (Lathyrus nissolia), Veldlathyrus (Lathyrus pratensis), Beemdkroon (Knautia arvensis), Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), Margriet (Leucanthemum vulgare), Vijfdelig kaasjeskruid (Malva alcea), Muskuskaasjeskruid (Malva moschata), Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum), Klavervreter (Orobanche minor), Pastinaak (Pastinaca sativa), Karwijvarkenskervel (Peucedanum carvifolia), Grote bevernel (Pimpinella major), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus), Kleine ratelaar (Rhinanthus minor), Veldsalie (Salvia pratensis), Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), Knolsteenbreek (Saxifraga granulata), Gele morgenster (Tragopogon pratensis), Goudhaver (Trisetum flavescens), Aardaker (Lathyrus tuberosus), Naakte lathyrus (Lathyrus aphaca), Gewone en smalle rolklaver (Lotus corniculatus), Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius)

aanwezigheid middelhoge (≤ 100 cm) en hoge (> 100 cm) grassen dominantie van eender welke soort excl. sleutelsoorten

Oosterlynck et al. (2013); Anoniem (2004b); Oberdorfer (1983); Rodwell (1992); Schaminée et al. (1996); Van Looy et al. (1999); Zwaenepoel et al. (2002); Raman & De Becker (2012)

een geschikt maaibeheer met afvoer maaisel (eventueel met nabeweiding of extensieve begrazing)

Witte klaver (Trifolium repens), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witbol (G)(Holcus spp.), Raaigras (G) (Lolium spp.), Veldzuring (Rumex acetosa) Fioringras (Agrostis stolonifera), Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kropaar (Dactylis glomerata), Smele (G) (Deschampsia spp.), Kweek (Elymus repens), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Rietgras (Phalaris arundinacea), Ruige zegge (Carex hirta), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Raaigras (G) (Lolium spp.) Zevenblad (Aegopodium podagraria), Akkerwinde (Convolvulus arvensis), Basterdwederik (G) (Epilobium spp.), Heermoes (Equisetum arvense), Hondsdraf (Glechoma hederacea), (Hegge)vogelmuur (Stellaria media), Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus) bedekking bomen en struiken exclusief Braam (G) (Rubus spp.)

(1)

Anoniem (2004b); expertoordeel

Robertson & Jefferson (2000); expertoordeel

een geschikt maaibeheer met afvoer maaisel (eventueel met nabeweiding of extensieve begrazing)

ook tengevolge van stopzetten maaibeheer en onvoldoende afvoer maaisel

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 161 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Referenties

www.inbo.be

cfr Aggenbach et al. (2007); expertoordeel

expertoordeel


Subtype 6510_hu en 6510_hus: Glanshavergraslanden (Arrhenaterion) en glanshavergraslanden met grote pimpernel verbraming

bedekking van Braam (G) (Rubus spp.)

expertoordeel

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

maaien

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, de oorzaak is veelal een ongeschikt beheer.

Anoniem (2004a); Robertson & Jefferson (2000); expertoordeel

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

connectiviteit tussen verwante habitattypes Zie §2.4 voor werkwijze en biotopen verhogen B-criterium specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster specifieke Zie §2.4 voor werkwijze habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten (1) hoge grassen (> 100 cm): Glanshaver, Grote vossenstaart, Kweek, Timoteegras, Kropaar, Rietzwenkgras, Beemdlangbloem, Ruwe smele, Rietgras, Trosraaigras; Middelhoge grassen (≤ 100 cm): Reukgras, Goudhaver, Zachte haver, Rood Zwenkgras, Ruw beemdgras, Gewoon struisgras, Veldbeemdgras, Zachte dravik, Bevertjes, Kamgras, Trosdravik, Gestreepte witbol, Geknikte vossenstaart, Fioringras, Engels raaigras

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat ≥7

bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur verticale structuur

hoge grassen bedekken < 70% en middelhoge > 5%

dominantie van soort(en)

geen enkele soort (excl. sleutelsoorten) bedekt ≥ 50%

Opmerkingen

Referenties

voor subtype 6510_hus is het voorkomen van Grote pimpernel een voorwaarde in de habitatdefinitie

expertoordeel

≥ 30 %

Verstoring eutrofiëring vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

expertoordeel expertoordeel; Anoniem (2004b)

≤ 30% ≤ 50%

Robertson & Jefferson (2000) expertoordeel

≤ 30% ≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

≤ 10% ≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

A-criterium

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

B-criterium

≥ 2 ha

verbraming strooisellaag

expertoordeel; Anoniem (2004a) expertoordeel expertoordeel; Robertson & Jefferson (2000)

Ruimtelijke samenhang

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 162 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6510_hua: Grote vossenstaart-graslanden met weidekervel of weidekervel-torkruid (Alopecurion)

Habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Subtypes: Grote vossenstaart-graslanden met Weidekervel of Weidekervel-torkruid (Alopecurion) (6510_hua) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur verticale structuur dominantie van soort(en)

Verstoring eutrofiëring

vergrassing incl. vervilting

verruiging incl. ruderalisering

verbossing verbraming

Beschrijving

Maatregelen

Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis), Trosdravik (Bromus racemosus), Tweerijige zegge (Carex disticha), Knoopkruid (Centaurea jacea), Herfsttijlloos (Colchicum autumnale), Groot streepzaad (Crepis biennis), Veldlathyrus (Lathyrus pratensis), Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi), Weidekerveltorkruid (Oenanthe silaifolia), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius), Knolsteenbreek (Saxifraga granulata), Waterkruiskruid (Senecio aquaticus), Weidekervel (Silaum silaus), Slanke sleutelbloem (Primula vulgaris), Brede orchis (Dactylorhiza majalis), Moerasooievaarsbek (Geranium palustre), Poelruit (Thalictrum flavum)

verdere regelgeving en controle rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen

aanwezigheid middelhoge (≤ 100 cm) en hoge (> 100 cm) grassen dominantie van eender welke soort excl. sleutelsoorten

een geschikt maaibeheer met afvoer maaisel (eventueel met nabeweiding of extensieve begrazing)

Witte klaver (Trifolium repens), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witbol (G)(Holcus spp.), Raaigras (G) (Lolium spp.), Veldzuring (Rumex acetosa) Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis), Kropaar (Dactylis glomerata), Smele (G) (Deschampsia spp.), Kweek (Elymus repens), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Raaigras (G) (Lolium spp.), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Ruige zegge (Carex hirta) Bijvoet (Artemisia vulgaris), Zevenblad (Aegopodium podagraria), Akkerwinde (Convolvulus arvensis), Basterdwederik (G) (Epilobium spp.), Heermoes (Equisetum arvense), Hondsdraf (Glechoma hederacea), (Hegge)vogelmuur (Stellaria media), Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Kruldistel (Carduus crispus), Gewone smeerwortel (Symphytum officinale) bedekking bomen en struiken exclusief Braam (G) (Rubus spp.) bedekking van Braam (G) (Rubus spp.)

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

vernatting

Fioringras (Agrostis stolonifera), Geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus), Scherpe zegge (Carex acuta), Moeraszegge (Carex acutiformis), Liesgras (Glyceria maxima), Rus (G) (Juncus), Rietgras (Phalaris arundinacea), Riet (Phragmites australis), Egelboterbloem (Ranunculus flammula), Ruige zegge (Carex hirta)

een geschikt maaibeheer met afvoer maaisel (eventueel met nabeweiding of extensieve begrazing)

Opmerkingen

Raman & De Becker (2012); Oosterlynck et al. (2013); Anoniem (2004b); Oberdorfer (1983); Rodwell (1992); Schaminée et al. (1996); Zwaenepoel (2002b); Demolder & Adams (2006) (1)

ook tengevolge van stopzetten maaibeheer en onvoldoende afvoer maaisel

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Anoniem (2004b); expertoordeel

Jefferson (1997); Anoniem (2004a); Aggenbach et al. (2007)

expertoordeel expertoordeel maaien

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, oorzaak is een ongeschikt beheer + andere grote zegges Deze soorten kunnen ook wijzen op (gewenste) overgangen naar "moerasvegetaties".

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 163 van 305

Referenties

www.inbo.be

Anoniem (2004a); Jefferson (1997); Robertson & Jefferson (2000); expertoordeel Jefferson (1997); Aggenbach et al. (2007)


Subtype 6510_hua: Grote vossenstaart-graslanden met weidekervel of weidekervel-torkruid (Alopecurion) verdroging

Duizendblad (Achillea millefolium), Gewoon struisgras (Agrostis capillaris), Gewone veldbies (Luzula campestris)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

(1)

deze soorten kunnen ook wijzen op (gewenste) overgangen naar andere subtypes of rbb's. connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen

Aggenbach et al. (2007)

Zie §2.4 voor werkwijze

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

specifieke habitatoppervlakte Zie §2.4 voor werkwijze verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten Hoge grassen (> 100 cm): Glanshaver, Grote vossenstaart, Kweek, Timoteegras, Kropaar, Rietzwenkgras, Beemdlangbloem, Ruwe smele, Rietgras, Trosraaigras. Middelhoge grassen (< 100 cm): Reukgras, Goudhaver, Zachte haver, Rood Zwenkgras, Ruw beemdgras, Gewoon struisgras, Veldbeemdgras, Zachte dravik, Bevertjes, Kamgras, Trosdravik, Gestreepte witbol, Geknikte vossestaart, Fioringras, Engels raaigras.

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten Habitatstructuur verticale structuur dominantie van soort(en)

Gunstige staat

Opmerkingen

Weidekerveltorkruid en/of Weidekervel + ≥3 andere sleutelsoorten

Referenties expertoordeel

≥ 10% exclusief Grote vossenstaart hoge grassen bedekken < 70% en middelhoge > 5%

expertoordeel; Anoniem (2004b)

geen enkele soort (excl. sleutelsoorten) bedekt ≥ 50%

Verstoring eutrofiëring vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

≤ 30% ≤ 50% ≤ 30%

expertoordeel

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming strooisellaag

≤ 10% ≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

vernatting

≤ 30%

Zonder daarbij de natuurlijke gradiënten in vochtigheidsgraad te wijzigen (zie § 9.1)

verdroging

≤ 30%

Zonder daarbij de natuurlijke gradiënten in vochtigheidsgraad te wijzigen (zie § 9.1)

A-criterium

≥ 30 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

B-criterium

≥ 2 ha

Anoniem (2004a); expertoordeel expertoordeel expertoordeel; Robertson & Jefferson (2000) expertoordeel

expertoordeel

Ruimtelijke samenhang

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 164 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 6510_huk: kalkrijk kamgrasland

Habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Subtype: kalkrijk kamgrasland (Galio-Trifolietum) (6510_huk) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur levensvormen

dominantie van soort(en) Verstoring eutrofiëring

vergrassing incl. vervilting

verruiging incl. ruderalisering

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Gewone agrimonie (Agrimonia eupatoria), Zachte haver (Avenula pubescens), Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Bevertjes (Briza media), Voorjaarszegge (Carex caryophyllea), Zeegroene zegge (Carex flacca), Driedistel (Carlina vulgaris), Aarddistel (Cirsium acaule), Beemdkroon (Knautia arvensis), Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), Geelhartje (Linum catharticum), Wilde marjolein (Origanum vulgare), Ruige weegbree (Plantago media), Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Duifkruid (Scabiosa columbaria), Grote tijm (Thymus pulegioides), Goudhaver (Trisetum flavescens), Aardbeiganzerik (Potentilla sterilis), Kattedoorn en Kruipend stalkruid (Ononis repens)

regelgeving en controle rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen

fungi van de genera genera wasplaten (Hygrocybe), aardtongen (Geoglossum), knotszwammen (Clavaria) en/of Satijnzwammen (Entoloma) zijn betrouwbare indicatoren voor goed ontwikkelde en historisch permanente schrale graslandvegetaties

Oosterlynck et al. (2013) ; Couvreur & Peeters (2005); Jacquemyn et al. (2003); Oberdorfer (1978); Schaminée & zuidhof (1995); Schaminée et al. (1996); Stieperaere & Fransen (1982); Zwaenepoel et al. (2002); Ozinga et al. (2013); Bijlsma et al. (2009)

bedekking wortel- en stengelrozetplanten (Aarddistel (Cirsium acaule), Ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Driedistel (Carlina vulgaris), Beemdkroon (Knautia arvensis), Ruige weegbree (Plantago media), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus), Kleine pimpernel (Sanguisorba minor), Duifkruid (Scabiosa columbaria), Gewoon biggekruid (Hypochaeris radicata), Madeliefje (Bellis perennis)

(Extensieve) begrazing

Dit zijn begrazingstolerante soorten; begrazing is het meest geschikte beheer voor dit habitattype. Een voldoende bedekking rozetplanten is indicatief voor een gepaste begrazingsdruk.

Couvreur & Peeters (2005); Jacquemyn et al. (2003); Rodwell (1992); Schaminée et al. (1996); Verbücheln et al. (2002)

dominantie van eender welke soort excl. sleutelsoorten

Anoniem (2004b); expertoordeel

Witte klaver (Trifolium repens), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Witbol (G)(Holcus spp.), Raaigras (G) (Lolium spp.), Veldzuring (Rumex acetosa) Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Fioringras (Agrostis stolonifera), Glanshaver (Arrhenatherum elatius), Kropaar (Dactylis glomerata), Smele (G) (Deschampsia spp.), Kweek (Elymus repens), Rietzwenkgras (Festuca arundinacea), Gewoon timoteegras (Phleum pratense), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Ruige zegge (Carex hirta), Gewoon struisriet (Calamagrostis epigejos)

Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Krulzuring (Rumex crispus), Ridderzuring (Rumex obtusifolius), Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea), Melkdistel (G) (Sonchus spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), Kleefkruid (Galium aparine), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Bijvoet (Artemisia vulgaris), Kruldistel (Carduus crispus), Hondsdraf (Glechoma hederacea)

invoeren begrazing/ maaibeheer

de toename van Gevinde kortsteel kan wijzen op (gewenste) overgang naar kalkgrasland (6210_hk), toename van Glanshaver kan wijzen op (gewenste) overgang naar glanshaverhooiland (6510_hu).

invoeren of bijstellen begrazing/ maaibeheer

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 165 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

deels naar Anoniem (2004a)

deels naar Anoniem (2004a)


verbossing verbraming strooisellaag

bedekking bomen en struiken exclusief Braam (G) (Rubus spp.) en inclusief Bosrank (Clematis vitalba) bedekking Braam (G) (Rubus spp.) bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

begrazen (bij voorkeur) of wisselweide

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Subtype 6510_huk: kalkrijk kamgrasland Anoniem (2004b)

verwijderen

een teveel aan strooisel hindert de kieming van sleutelsoorten, de oorzaak is veelal een ongeschikt beheer.

expertoordeel Anoniem (2004a)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten

Gunstige staat

Opmerkingen ≥5

bedekking sleutelsoorten

≥ 30%

Habitatstructuur levensvormen

≥ 10%

dominantie van soort(en)

Bedekking van kwaliteitsindicerende mossen en zwammen behouden of nastreven

Referenties expertoordeel

Anoniem (2004b); expertoordeel

geen enkele soort (excl. sleutelsoorten) bedekt ≥ 50%

Verstoring eutrofiëring

≤ 30%

expertoordeel

vergrassing incl. vervilting verruiging incl. ruderalisering verbossing

≤ 50%

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

verbraming

≤ 10%

mits uitzonderingen (zie § 9.1)

strooisellaag

≤ 10%

≤ 30%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 2 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 166 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van de venen en moerassen: inleiding

10. Venen en moerassen Wouters J., Oosterlynck P., De Saeger S. & Paelinckx D.

10.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemene methodologie zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. Deze beoordelingstabellen zijn tot stand gekomen door het integreren van de kennis omtrent Vlaamse venen en moerassen met informatie uit de naburige regio‟s (Bundesamt für Naturschutz [z.d.]; Schaminée et al., 1995; Jalink, 1996; Aggenbach & Jalink, 1998; Muséum National d'Histoire Naturelle, 2002; Wheeler et al., 2004; Verbücheln et al., 2004; JNCC, 2004; Ellmauer & Essl, 2005; CRNFB, 2006; Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008). Bijkomend gebeurden analyses op, soms beperkte, datasets van vegetatieopnames in Vlaanderen die op het INBO aanwezig zijn. De veen- en moerashabitattypen verschillen onderling sterk van elkaar, zowel qua soortensamenstelling als naar standplaatscondities. Dit komt ook tot uiting in de structuur van de fiches. Door het unieke karakter van bepaalde venen en moerassen zijn er ook zeer specifieke criteria van structuur en sleutelsoorten vereist. Veenmossen en overige mossen zijn voor de venen belangrijke indicatoren voor zowel de kwaliteit als de structuur. Om de LSVI te bepalen is kennis van deze soortengroepen vaak noodzakelijk. De tabellen van de vier subtypes van habitattype 7140 ’overgangs- en trilveen’ zijn gelijkaardig opgebouwd. De sleutelsoorten verschillen, maar de beoordeling van de structuur en de verstoring gebeurt met dezelfde criteria. Bij subtypes met lage sleutelsoorten is een „gunstige staat‟ gebonden aan een laagblijvende vegetatie. Een hoog opgaande vegetatie is hier een teken van verruiging. Bij subtypes waar van nature een hoog aandeel Riet (Phragmites australis) voorkomt, wordt de grenswaarde voor dit criterium hoger gelegd. Voor verdere duiding van de criteria „verruiging‟ en „eutrofiëring‟ verwijzen we naar § 2.3.5. Habitattypen 7140_base ‟Basenrijk trilveen met Ronde zegge‟ en 7230 ‟Alkalische laagveen‟ hebben vrij veel soorten gemeenschappelijk. Naast een verschillende landschapsecologie (7140_base omvat verlandingsvegetaties, 7230 omvat plaatsen met uittredend kalkrijk grondwater) verschillen ze vooral op bodemkundig vlak. Bij 7140_base is de veenlaag minstens enkele tientallen cm dik, bij 7230 is hooguit de bovenste bodemlaag venig. De grenswaarde voor het criterium „dwergstruiken‟ (d.w.z. Gewone dophei (Erica tetralix) en Struikhei (Calluna vulgaris)) is strenger voor het type 7150 ‟Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion‟ dan voor het type 7110 ‟Actief hoogveen‟. Bij habitattype 7150 is heideontwikkeling immers een teken van het wegvallen van dynamiek en dus een evolutie naar natte heide (habitattype 4010). Bij type 7110 maken dwergstruiken integraal deel uit van de habitat. Alleen een belangrijk aandeel hoogopschietende dwergstruiken (uitgezonderd Dophei) wijzen hier op veranderingen in standplaatscondities. Het gaat daarbij om het wegvallen van veenvormende processen, wat samenhangt met verdroging en/of met natuurlijke successie. Bij „verbossing’ worden alle houtige soorten hoger dan 50 cm meegerekend, met uitzondering van dwergstruiken, tenzij dat expliciet anders vermeld is in de matrices (bv. uitzondering voor Gagel (Myrica gale) in habitattype 7140_meso en 7140_oli). Het criterium „verbossing‟ werd binnen deze groep, net zoals bij de graslanden, algemeen streng gesteld omwille van de redenering dat het open, lichtminnende vegetatietypes zijn (zie ook § 2.3.5). Een uitzondering hierop is ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 167 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)types van de venen en moerassen: inleiding

7220 ‟Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)‟ dat in Vlaanderen voornamelijk in (bron)bossen voorkomt. Buiten Vlaanderen is het habitattype echter vaak optimaal ontwikkeld in meer lichtrijke omstandigheden. Bij alle venen en moerassen, en in het bijzonder bij hoogveen (7110), is verbossing een duidelijk teken van verdroging. Dit geldt ook voor overgangsveen (7140), waar onder geschikte hydrologische omstandigheden bosvorming geremd is. Wanneer bomen hier te veel ruimte krijgen, kunnen ze tot een bijna onomkeerbare structuurwijziging leiden, met name wanneer ze erin slagen een drijvende verlandingsvegetatie te verankeren in de minerale ondergrond. Bij habitattype 7150 wijst een toename van struiken en bomen, al dan niet onder vorm van kiemplanten, op een (mogelijk natuurlijke) laagdynamische omgeving. Dat leidt bij dit habitat al snel tot achteruitgang. Daarnaast is het risico op een langdurige structuurbeschadiging groot bij het verwijderen van bomen of struiken. Dit alles leidt ertoe dat voor venen en moerassen de grenswaarde voor verbossing streng is en op 10% ligt. Bij hoogveen (7110) is de grenswaarde nog strenger en wordt hooguit een occasioneel (weinig talrijk) voorkomen van verbossing getolereerd. Ook in deze gevallen moet overwogen worden of het verwijderen van boom- en struikopslag in verhouding staat tot eventuele structuurschade. Structuurschade wordt eveneens beoordeeld met een grenswaarde van 10%. Indien het beheer gericht is op een deels verboste/verstruweelde toestand omwille van specifieke (faunistische) biodiversiteitsdoelen, dan kan overwogen worden de grenswaarden te verhogen naar 30 %. Dat kan bijvoorbeeld het geval kan zijn voor habitattype 7210 „dichte galigaanvegetaties‟. Het criterium „vergrassing‟ is bij habitattypen 7110 en 7150 streng gesteld (≤ 10%). Voor 7110 is dit te verklaren doordat een beperkte vergrassing al wijst op minder tot niet-actief hoogveen (habitattype 7120 „Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is‟; niet aangemeld voor Vlaanderen) (CRNFB, 2006). Habitattype 7150 is in een gunstige staat een heel open habitat. Een beperkte vergrassing (veelal Pijpenstrootje (Molinia caerulea)) wijst op een verminderde dynamiek en/of eutrofiëring, met evolutie naar (vergraste) natte heide. Dynamiek is een noodzakelijke vereiste om het pionierskarakter van het habitattype duurzaam te kunnen handhaven. Bij alkalisch laagveen (7230) staat vergrassing voor Pijpenstrootje. Vergrassing door andere grassoorten kan voor dit type toegekend worden aan voedselaanrijking of verzuring (die grassoorten zijn dus bij die indicatoren opgenomen) . Hoge bedekkingen van Pijpenstrootje zijn eerder het gevolg van gecombineerde drukken. Hoge bedekkingen Pijpenstrootje zijn niet wenselijk voor een gunstige staat van instandhouding, maar kunnen lokaal getolereerd worden waardoor de grenswaarde hier een stukje hoger ligt dan voor de andere verstoringsindicatoren. Voor de invasieve exoten werd de Harmonia database (E. Branquart (ed), 2014) van de Belgian Forum on Invasive Species geraadpleegd (http://ias.biodiversity.be/). Enkel de neofyten uit de categorie „Black List A1 en Black List A2‟ werden weerhouden (soorten met een hoge impact en een verspreiding van meer dan enkele geïsoleerde populaties). De hieronder vermelde soortenlijsten voor invasieve exoten zijn echter op te vatten als niet-limitatief waardoor bv. toekomstige of zeer lokaal voorkomende probleemsoorten ook dienen meegerekend te worden onder dit criterium. „Strooisellaag‟ is een criterium dat bij overgangsveen (7140) en alkalisch laagveen (7230) samenhangt met een te lage beheerintensiteit (gebrek aan afvoer van maaisel,…). Het betreft liggend afgestorven plantenmateriaal bovenop de bodem, niet vasthangend aan de moederplant, waarin organisch materiaal nog herkenbaar te vinden is. Strooisel omvat dus losse bladeren, stengels, twijgen en andere houtachtige plantenresten, zowel intact en herkenbaar materiaal als gedeeltelijk gecomposteerd en gefragmenteerd materiaal. Humus en veen zijn daarbij niet inbegrepen want maken deel uit van de bodem. Teveel strooisel zorgt voor aanrijking en maakt dat de sleutelsoorten moeilijk tot kieming komen en achteruitgaan of zich niet kunnen herstellen. Is de strooisellaag beperkt (bv. 10%) dan is ook de schade beperkt. Aandelen van meer dan 30% wijzen op een onaangepast beheer of op een ongunstig milieu. Hogere bedekkingen wijzigen het habitattype, gezien vrijwel alle sleutelsoorten lichtminnend zijn. Voor sommige diersoorten (bv. Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana )) maakt een strooisellaag een belangrijk deel uit van hun habitat. Wanneer zulke soorten als doel gesteld worden, kan afgeweken worden van de grenswaarde van 30%. Dit geldt ook voor dichte galigaanvegetaties (7210). Dat zijn vegetaties waarin Galigaan (Cladium mariscus) samen met andere soorten van de rietklasse domineert. Hier zorgt de strooisellaag voor microhabitats voor soorten, terwijl Galigaan er zich vegetatief kan blijven verjongen en uitbreiden. De aanwezigheid van strooisel wordt hier als voorwaarde gesteld voor een gunstige toestand. In soortenrijke galigaanvegetaties zijn soorten van kleine zeggevegetaties aanwezig en is Galigaan per definitie minder bedekkend. Hier blijft de noodzaak voor kieming van diverse soorten gelden en zijn grote hoeveelheden strooisel niet gewenst.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 168 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7110: Actief hoogveen

10.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 7110: Actief hoogveen A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen.

Schaminée et al. (1995); Oberdorfer (1977); Ssymank et al. (1998); Vandenbussche et al. (2002a); Rodwell (ed.) (1991); Vanden Berghen (1951); CRNFB (2006); Siebel et al. (2004); Duvigneaud & Vanden Berghen (1945); Oosterlynck et al. (2013); De Beer & Stieperaere (2014)

Vegetatie sleutelsoorten

Hogere planten: Lavendelhei (Andromeda polifolia), Slijkzegge (Carex limosa), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Eénarig wollegras (Eriophorum vaginatum), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Veenbloembies (Scheuchzeria palustris), Kleine veenbes (Vaccinium oxycoccos) Bultvormende veenmossen: Stijf veenmos (Sphagnum capillifolium), Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum), Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum), Rood veenmos (Sphagnum rubellum), Zacht veenmos (Sphagnum tenellum) Overige mossen: Veenbuidelmos (Calypogeia sphagnicola), Glanzend maanmos (Cephalozia connivens), Aarmaanmos (Cephalozia macrostachya), Fijn draadmos (Cephaloziella elachista), IJl stompmos (Cladopodiella fluitans), Gewoon spinragmos (Kurzia pauciflora), Hoogveenlevermos (Mylia anomala), Veendubbeltjesmos (Odontoschisma sphagni), Dof veenmos (Sphagnum majus), Vijfrijig veenmos (Sphagnum pulchrum)

Zacht veenmos is een zogeheten lage bultvormer.

Habitatstructuur horizontale structuur

bedekking veenmossen

dominantie van 1 soort

het microreliëf van het habitattype is opgebouwd uit 6 structuurelementen: hoge bulten, lage bulten, hoge vlakke delen, lage vlakke delen, slenken en poelen. Gewelfde hoogten (bulten) en laagten (slenken en poelen) vormen een kleinschalig patroon. De bulten zijn minimaal 10 cm (tot zelden > 1m) hoog, zijn ovaal tot rond en hebben een diameter van 0,5 m tot 6 m. Hoge bulten zijn minstens 25 cm hoog. De slenken en poelen vormen vaak een netvormig patroon. Poelen zijn dieper dan slenken en zijn permanent overstroomd, in slenken kan het waterpeil tot aan het maaiveld dalen. veenmossen zijn de meest betrouwbare indicatoren voor een actieve veenvorming. Een hoge bedekking, zowel in de slenken als op de bulten, is hiervoor kenmerkend. Bovendien bufferen ze eventuele atmosferische depositie van N.

Schouten (1984); Streefkerk & Casparie (1989)

dominantie van eender welke soort

lokaal kan een soort wel domineren. Algemene dominantie van een soort wijst op jonge, relatief dynamische of verstoorde vegetaties.

JNCC (2004); Ministerie van LNV (2008a); CRNFB (2006); Curtis et al (2005) expertoordeel

Verstoring verbossing

bedekking bomen en struiken incl. Gagel > 50 cm (Myrica gale)

vergrassing

Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa)

dwergstruiken

bedekking Struikhei (Calluna vulgaris), Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) en Rode bosbes (V. vitis-idaea)

verdroging & eutrofiëring tegengaan

tenzij anders vermeld zijn deze criteria te beschouwen over het vlakke, centrale plateaudeel of bij een onduidelijke macrostructuur over 90% van de oppervlakte;

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 169 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

CRNFB (2006); Bundesamt für Naturschutz z.d. JNCC (2004); CRNFB (2006) Aggenbach & Jalink (1998c)


verruiging

eutrofiëring

Pitrus (Juncus effusus), Grote lisdodde (Typha latifolia), Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana) + andere eutrafente soorten van de Rietklasse, klasse der Natte strooiselruigten, ruderale gemeenschappen en nitrofiele zomen slenken: Vensikkelmos (Warnstorfia fluitans), Knolrus (Juncus bulbosus), Moerasstruisgras (Agrostis canina), Waternavel (Hydrocotyle vulgaris) bulten: Gewimperd veenmos (Sphagnum fimbriatum), Gewoon veenmos (Sphagnum palustre), Gewoon haarmos (Polytrichum commune)

afname veenvorming

Gewone dophei (Erica tetralix), Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum), Zacht veenmos (Sphagnum tenellum), Kussentjesveenmos (Sphagnum compactum), Slank veenmos (Sphagnum flexuosum), Week veenmos (Sphagnum molle)

structuur

zeer gevoelig aan betreding en brand met als gevolg zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding. Met dit criterium wordt de aanwezigheid van kale (excl. water in slenken) of afgebrande plekken geëvalueerd alsook overbetreding door bv. aanwezigheid van paden, afval, voertuigsporen, enz.

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

het regelmatig voorkomen van onbegroeide plekken duidt op een onaangepast beheer. Het beheer dient geëxtensiveerd te worden; regulering toegankelijkheid connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Habitattype 7110: Actief hoogveen in de randzones zijn grotere Aggenbach & Jalink waterpeilschommelingen (1998c); Verbücheln et normaal waardoor hier al. (2004); CRNFB andere criteria gelden. (2006) Onder invloed van verdroging kan de heidestructuur een hoge bedekking innemen. Varensoorten kunnen zich o.m. bij verdroging vestigen. hoge bedekking van deze Aggenbach & Jalink soorten wijst op het (1998c); CRNFB (2006) stilvallen van de actieve veenvorming CRNFB (2006); expertoordeel

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 170 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7110: Actief hoogveen

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

≥ 5 waarvan ≥ 2 bultvormende veenmossen en ≥ 1 hogere plant ≥ 30 %, waarvan minstens 10% bultvormende veenmossen

dit criterium dient over de hele habitatvlek beschouwd te worden; lokaal kunnen deze waarden overschreden worden.

CRNFB (2006) CRNFB (2006); JNCC (2004)

Habitatstructuur horizontale structuur

hoge bulten en poelen ≥ weinig talrijk

bedekking veenmossen

≥ 50%

dominantie van 1 soort

geen enkele vaatplant heeft een bedekking ≥ 70%

de verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen

dit criterium dient over de hele habitatvlek beschouwd te worden; lokaal kunnen deze waarden overschreden worden.

Aggenbach & Jalink (1998c) Ministerie van LNV (2008a); JNCC (2004); CRNFB (2006) CRNFB (2006)

Verstoring verbossing

hooguit weinig talrijk

vergrassing dwergstruiken verruiging

≤ 10% ≤ 50% hooguit zeer schaars

eutrofiëring

afname veenvorming structuur

exclusief verbossing in de randzone.

≤ 10%

≤ 70% hooguit zeer schaars

geen tekenen van structuurschade zoals paden, brand- of kale plekken

CRNFB (2006); JNCC (2004) cfr. CRNFB (2006) CRNFB (2006) JNCC (2004); CRNFB (2006) CRNFB (2006)

expertoordeel CRNFB (2006)

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 1 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 171 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_base: Basenrijk trilveen met Ronde zegge (vooral in relatie met alkalische laagveenvegetaties)

Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen Subtype: Basenrijk trilveen met Ronde zegge (vooral in relatie met alkalische laagveenvegetaties) (7140_base) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Hogere planten: Ronde zegge (Carex diandra), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Snavelzegge (Carex rostrata), Holpijp (Equisetum fluviatile), Slank wollegras (Eriophorum gracile), Groenknolorchis (Liparis loeselii), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Parnassia (Parnassia palustris), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Moerasvaren (Thelypteris palustris), Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia), Loos blaasjeskruid (Utricularia australis), Kleine valeriaan (Valeriana dioica), Galigaan (Cladium mariscus) Mossen en levermossen: Echt vetmos (Aneura pinguis), Veenknikmos (Bryum pseudotriquetrum), Reuzenpuntmos (Calliergon giganteum), Sterrengoudmos (Campylium stellatum), Kwelviltsterrenmos (Rhizomnium pseudopunctatum), Gevind moerasvorkje (Riccardia multifida), Groen schorpioenmos (Scorpidium cossonii), Purper schorpioenmos (Scorpidium revolvens), Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides), Trilveenveenmos (Sphagnum contortum), Sparrig veenmos (Sphagnum teres), Vierkantsmos (Preissia quadrata), Geveerd sikkelmos (Wanstorfia exannulata) + sleutelsoorten (mossen en hogere planten) van 7230

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen. In voorkomend geval dienen sleutelsoorten (hogere planten en mossen) van 7230 meegerekend te worden

Oosterlynck et al. (2013); CRNFB (2006); Vandenbussche et al. (2002b); Oberdorfer (1977); Rodwell (ed.) (1991); SchaminĂŠe et al. (1995); Vanden Berghen (1952)

moslaag

bedekking mossen (exclusief Polytrichum spp.)

Bundesamt fĂźr Naturschutz z.d.

dominantie van 1 soort

dominantie van eender welke soort

een relatief hoge bedekking van kwalitatieve mossen is indicatief voor een goed regulier beheer lokaal kan een soort wel domineren. Algemene dominantie van een soort wijst op jonge, relatief dynamische of verstoorde vegetaties.

Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur

expertoordeel

Verstoring verbossing

bedekking bomen en struiken uitgez. Gagel (Myrica gale)

verzuring

Roodviltmos (Aulacomnium palustre), Zompzegge (Carex canescens), Zwarte zegge (Carex nigra), Veenpluis (Eriophorum polystachion), Wilde gagel (Myrica gale), Haakveenmos (Sphagnum squarrosum), Gewimperd veenmos (Sphagnum fimbriatum), Gewoon veenmos (Sphagnum palustre), Moerasviooltje (Viola palustris), Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris)

vergrassing

Struisgras (G) (Agrostis spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), Pijpenstrootje (Molinia caerulea)

vermossing

bedekking haarmossen (G) (Polytrichum spp.)

deze soorten wijzen niet altijd op verstoring. De habitat kan ook op natuurlijke wijze verzuren en het lokaal voorkomen ervan kan ook samenhangen met de van nature abiotische omstandigheden op een bepaalde locatie.

hoge bedekking van deze soort is indicatief voor verdroging en verzuring

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 172 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004); Ellmauer & Essl (2005) Jalink (1996)

CRNFB (2006); Jalink (1996); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004) Jalink (1996)


Subtype 7140_base: Basenrijk trilveen met Ronde zegge (vooral in relatie met alkalische laagveenvegetaties) strooisellaag verruiging

eutrofiëring

invasieve exoten

structuur

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt Scherpe zegge (Carex acuta), Moeraszegge (Carex acutiformis), Stijve zegge (Carex elata), Pluimzegge (Carex paniculata), Oeverzegge (Carex riparia), Riet (Phragmites australis), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Vederdistel (Cirsium spp.), Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum)

(1)

CRNFB (2006); Jalink (1996); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

expertoordeel

expertoordeel

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

JNCC (2004) expertoordeel

Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Vlotgras (G) (Glyceria spp.), Gele lis (Iris pseudacorus), Pitrus (Juncus effusus), Eendekroos (G) (Lemna spp.), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Rietgras (Phalaris arundinacea), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Grote lisdodde (Typha latifolia), Grote brandnetel (Urtica dioica) + algenbloei Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)), Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Late guldenroede (Solidago gigantea), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Aster (G) (Aster spp.), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus),… structuurschade: brand met als gevolg zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

(1)

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

Hoewel strooisel een belangrijke grondstof is voor veenvorming, wordt de algemene aanwezigheid ervan als negatief beoordeeld. Door de geringe productiviteit van goed ontwikkelde vegetaties is de veenvorming in dit habitattype immers een langzaam proces. Er is ook geen behoefte aan snelle verlandingsprocessen omdat een optimale ontwikkeling van verlandingsvegetaties de nodige tijd vraagt. Bovendien belemmert een algemene strooisellaag de vestiging en vaak ook de uitbreiding van vrijwel alle sleutelsoorten. De aanwezigheid van een strooisellaag kan voor bepaalde bedreigde diersoorten belangrijk zijn. Als zulke soorten tot doel gesteld worden dan kan dit criterium buiten beschouwing gelaten worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 173 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_base: Basenrijk trilveen met Ronde zegge (vooral in relatie met alkalische laagveenvegetaties)

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

bedekking sleutelsoorten

≥5

analyse van basisgegevens; expertoordeel expertoordeel

≥ 30%

Habitatstructuur moslaag dominantie van 1 soort

≥10%

Bundesamt für Naturschutz z.d. expertoordeel

geen enkele vaatplant heeft een bedekking ≥ 70%

Verstoring verbossing

≤ 10%

> 10% kan wijzen op een evolutie naar het habitattype 91E0_vm.

Verzuring

≤ 10%

> 10% kan wijzen op overgangen of een evolutie naar een ander subtype van 7140

vergrassing vermossing

≤ 10% ≤ 10%

strooisellaag

≤ 30%

verruiging eutrofiëring invasieve exoten structuur

≤ 30 % ≤ 10% afwezig ≤ 10%

bij habitatvlekken waar om faunistische redenen deze strooisellaag nood-zakelijk is, kan dit criterium buiten beschou-wing gelaten worden

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004) expertoordeel JNCC (2004); CRNFB (2006); Schuboth et al. (2004) JNCC (2004)

expertoordeel CRNFB (2006); JNCC (2004)

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 5 ha

B-criterium

≥ 1 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 174 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_meso: mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen

Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen Subtype: mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen (7140_meso) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Hogere planten: Slangenwortel (Calla palustris), Zompzegge (Carex canescens), Snavelzegge (Carex rostrata), Waterscheerling (Cicuta virosa), Wateraardbei (Comarum palustre), Draadrus (Juncus filiformis), Moeraswederik (Lysimachia thyrsiflora), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Moerasviooltje (Viola palustris), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Kamvaren (Dryopteris cristata), Veenpluis (Eriophorum polystachion), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Grote boterbloem (Ranunculus lingua), Moerasvaren (Thelypteris palustris), Klein blaasjeskruid (Utricularia minor), Moerasbasterdwederik (Epilobium palustre) Mossen: Roodviltmos (Aulacomnium palustre), Gewimperd veenmos (Sphagnum fimbriatum), Gewoon veenmos (Sphagnum palustre), Glanzend veenmos (Sphagnum subnitens), Hakig veenmos (Sphagnum squarrosum), Sliertmos (Straminergon stramineum)

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen

Schaminée et al. (1995); Oberdorfer (1977); Vandenbussche et al. (2002b); Rodwell (ed.) (1991); Rodwell et al. (1995); CRNFB (2006); Ssymank et al. (1998); Oosterlynck et al. (2013)

moslaag

bedekking mossen (exclusief Haarmos (G) (Polytrichum spp.)

Bundesamt für Naturschutz z.d.

dominantie van 1 soort

dominantie van één soort uitgezonderd Draadzegge (Carex lasiocarpa)

een relatief hoge bedekking van kwalitatieve mossen is indicatief voor een goed regulier beheer Lokaal kan een soort wel domineren. Algemene dominantie van een soort wijst op jonge, relatief dynamische of verstoorde vegetaties.

Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur

expertoordeel

Verstoring verbossing

bedekking bomen en struiken uitgez. Gagel (Myrica gale) <1m

vergrassing

Struisgras (G) (Agrostis spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Pijpenstrootje (Molinia caerulea) Haarmos (G) (Polytrichum spp.)

vermossing

strooisellaag verruiging

dit criterium wordt streng gesteld (10%) omdat onder de geschikte hydrologische omstandigheden bosvorming nagenoeg uitgesloten is. Daarenboven is het een lichtminnend habitat.

hoge bedekkingen van deze soorten is indicatief voor verdroging (1)

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt Scherpe zegge (Carex acuta), Moeraszegge (Carex acutiformis), Stijve zegge (Carex elata), Pluimzegge (Carex paniculata), Oeverzegge (Carex riparia), Riet (Phragmites australis), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), distel (Cirsium sp.), Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

CRNFB (2006); Jalink (1996); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

JNCC (2004) CRNFB (2006)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 175 van 305

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004); Ellmauer & Essl (2005)

www.inbo.be


Subtype 7140_meso: mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen eutrofiëring

Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Vlotgras (G) (Glyceria spp.), Gele lis (Iris pseudacorus), Pitrus (Juncus effusus), Eendekroos (G) (Lemna spp.), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Rietgras (Phalaris arundinacea), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Grote lisdodde (Typha latifolia), Grote brandnetel (Urtica dioica)+ algenbloei

CRNFB (2006); Jalink (1996); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

invasieve exoten

Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)) Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus),… structuurschade: brand met als gevolg zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer/werktuigen, vertrappeling & overbetreding

expertoordeel

structuur

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

CRNFB (2006); JNCC (2004) connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten totale bedekking van sleutelsoorten

≥4 ≥ 30%

analyse van basisgegevens; expertoordeel

≥ 10%

Bundesamt für Naturschutz z.d. expertoordeel

Habitatstructuur moslaag dominantie van 1 soort

geen enkele vaatplant heeft een bedekking ≥ 70%

Verstoring verbosssing

≤ 10%

vergrassing vermossing

≤ 30% ≤ 30%

strooisellaag

≤ 30%

verruiging eutrofiëring invasieve exoten structuur

≤ 30% ≤ 10% afwezig ≤ 10%

> 10% kan wijzen op een evolutie naar het habitattype 91E0_vm

bij habitatvlekken waar om faunistische redenen deze strooisellaag noodzakelijk is kan dit criterium buiten beschouwing gelaten worden

expertoordeel CRNFB (2006); JNCC (2004)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 176 van 305

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004) JNCC (2004); CRNFB (2006); Schuboth et al. (2004) JNCC (2004)

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_meso: mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 5 ha

B-criterium

≥ 1 ha

(1)

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

Hoewel strooisel een belangrijke grondstof is voor veenvorming, wordt de algemene aanwezigheid van strooisel als negatief beoordeeld. Door de geringe productiviteit van goed ontwikkelde vegetaties is de veenvorming in dit habitattype immers een langzaam proces. Er is ook geen behoefte aan snelle verlandingsprocessen omdat een optimale ontwikkeling van verlandingsvegetaties de nodige tijd vraagt. Bovendien belemmert een algemene strooisellaag de vestiging en vaak ook de uitbreiding van vrijwel alle sleutelsoorten. De aanwezigheid van een strooisellaag kan voor bepaalde bedreigde diersoorten belangrijk zijn. Als zulke soorten tot doel gesteld worden dan kan dit criterium buiten beschouwen gelaten worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 177 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_mrd: varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen

Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen Subtype: varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen (7140_mrd) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Hogere planten: Kamvaren (Dryopteris cristata), Zompzegge (Carex canescens), Sterzegge (Carex echinata), Zwarte zegge (Carex nigra), Waterscheerling (Cicuta virosa), Wateraardbei (Comarum palustre), Moerasbasterdwederik (Epilobium palustre), Holpijp (Equisetum fluviatile), Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Koningsvaren (Osmunda regalis), Grote boterbloem (Ranunculus lingua), Moerasvaren (Thelypteris palustris), Kleine valeriaan (Valeriana dioica), Moerasviooltje (Viola palustris) Mossen en levermossen: Roodviltmos (Aulacomnium palustre), Elzenmos (Pallavicinia lyellii), Fraai/Slank veenmos (Sphagnum fallax/flexuosum), Gewimperd veenmos (Sphagnum fimbriatum), Gewoon veenmos (Sphagnum palustre), Glanzend veenmos (Sphagnum subnitens), Sliertmos (Straminergon stramineum)

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen

Oosterlynck et al. (2013); Schaminée et al. (1995); Jalink (1996); Schaminée et al. (1995); Jalink (1996)

moslaag

bedekking mossen (exclusief Haarmos (G) (Polytrichum spp.)

dominantie van 1 soort

dominantie van eender welke soort

een algemene mosbedekking is mede indicatief voor een goed regulier beheer lokaal kan een soort wel domineren. Algemene dominantie van een soort wijst op jonge, relatief dynamische of verstoorde vegetaties.

Vegetatie sleutelsoorten

in voorkomend geval worden sleutelsoorten van andere 7140 subtypes en 4010 meegerekend

Habitatstructuur Bundesamt für Naturschutz z.d. expertoordeel

Verstoring verbossing

bedekking bomen en struiken uitgez. Gagel (Myrica gale) < 1m

vergrassing

Struisgras (G) (Agrostis spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Gestreepte witbol (Holcus lanatus) Haarmos (G) (Polytrichum spp.)

vermossing strooisellaag verruiging

eutrofiëring

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004); Ellmauer & Essl (2005) CRNFB 2006; Jalink 1996; JNCC 2004; Schuboth et al. 2004

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt Scherpe zegge (Carex acuta), Moeraszegge (Carex acutiformis), Stijve zegge (Carex elata), Pluimzegge (Carex paniculata), Oeverzegge (Carex riparia), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Vederdistel (Cirsium sp.), Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum), Braam (G) (Rubus spp.)

(1)

CRNFB (2006)

Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Vlotgras (G) (Glyceria spp.), Gele lis (Iris pseudacorus), Pitrus (Juncus effusus), Eendekroos (G) (Lemna spp.), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Rietgras (Phalaris arundinacea), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Grote lisdodde (Typha latifolia), Grote brandnetel (Urtica dioica), Haagwinde (Calystegia sepium), Waterzuring (Rumex hydrolapathum) + algenbloei

CRNFB (2006); Jalink (1996); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 178 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

JNCC (2004)

www.inbo.be


Subtype 7140_mrd: varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen invasieve exoten

structuur

Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)) Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus),… zeer gevoelig aan betreding en brand met als gevolg zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

expertoordeel

CRNFB (2006); JNCC (2004) connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

≥3

bedekking sleutelsoorten

≥ 30%

expertoordeel

Habitatstructuur moslaag dominantie van 1 soort

≥ 10%

Bundesamt für Naturschutz z.d. expertoordeel

geen enkele vaatplant heeft een bedekking ≥ 70%

Verstoring verbossing

≤ 10%

vergrassing

≤ 30%

vermossing

≤ 30%

strooisellaag

≤ 30%

verruiging eutrofiëring invasieve exoten structuur

≤ 50% ≤ 10% afwezig ≤ 10%

> 10% kan wijzen op een evolutie naar het habitattype 91E0_vm.

Ministerie van LNV (2008f); CRNFB (2006); Ellmauer & Essl (2005) JNCC (2004); CRNFB (2006); Schuboth et al. (2004)

bij habitatvlekken waar om faunistische redenen deze strooisellaag noodzakelijk is, kan dit criterium buiten beschouwing gelaten worden;

JNCC (2004)

expertoordeel CRNFB (2006); JNCC (2004)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 179 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_mrd: varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 5 ha

B-criterium

≥ 1 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

(1)

Hoewel strooisel een belangrijke grondstof is voor veenvorming, wordt de algemene aanwezigheid van strooisel als negatief beoordeeld. Door de geringe productiviteit van goed ontwikkelde vegetaties is de veenvorming in dit habitattype immers een langzaam proces. Er is ook geen behoefte aan snelle verlandingsprocessen omdat een optimale ontwikkeling van verlandingsvegetaties de nodige tijd vraagt. Bovendien belemmert een algemene strooisellaag de vestiging en vaak ook de uitbreiding van vrijwel alle sleutelsoorten.

(2)

De aanwezigheid van een strooisellaag kan voor bepaalde bedreigde diersoorten belangrijk zijn. Als zulke soorten tot doel gesteld worden dan kan dit criterium buiten beschouwen gelaten worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 180 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_oli: oligotroof en zuur overgangsveen (in relatie met hoogveenvegetaties en natte heide)

Habitattype 7140: Overgangs- en trilveen Subtype: oligotroof en zuur overgangsveen (in relatie met hoogveenvegetaties en natte heide) (7140_oli) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen; in voorkomend geval dienen sleutelsoorten van 7110 en 4010 meegerekend te worden Typische levermossen in dit habitattype zijn: Glanzend maanmos (Cephalozia connivens), Aarmaanmos (Cephalozia macrostachya), IJl stompmos (Cladopodiella fluitans), Gewoon spinragmos (Kurzia pauciflora), Veendubbeltjesmos (Odontoschisma sphagni),… 1 Voor het laatst gevonden in 1974

Oosterlynck et al. (2013); Schaminée et al. (1995); Oberdorfer (1977); Vandenbussche et al. (2002 a,b); Rodwell (ed.) (1991); CRNFB (2006); Ssymank et al. (1998); Vanden Berghen (1951); De Beer & Stieperaere (2014)

Vegetatie sleutelsoorten

Hogere planten: Lavendelhei (Andromeda polifolia), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Veenorchis (Dactylorhiza sphagnicola), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Veenpluis (Eriophorum polystachion), Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum), Veenmosorchis (Hammarbya paludosa), Beenbreek (Narthecium ossifragum), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca), Veenbies (Scirpus cespitosus), Kleine veenbes (Vaccinium oxycoccos), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Veenbloembies (Scheuchzeria palustris)1 Mossen: Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum), Rood veenmos (Sphagnum rubellum), Stijf veenmos (Sphagnum capillifolium), Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum), Sliertmos (Straminergon stramineum), Geoord veenmos (Sphagnum denticulatum), Fraai veenmos (Sphagnum fallax), Dof veenmos (Sphagnum majus), Moerasveenmos (Sphagnum subsecundum)

Habitatstructuur moslaag

bedekking veenmos (bult- en slenkveenmossen). Veenmossen zijn de meest betrouwbare indicatoren voor een actieve veenvorming. Een hoge bedekking, zowel in de slenken als op de bulten, is hiervoor kenmerkend. Bovendien bufferen ze eventuele atmosferische depositie van N.

Bundesamt für Naturschutz z.d.; Curtis et al. (2005)

Verstoring verbossing

bedekking bomen en struiken uitgez. Gagel (Myrica gale) < 1m

vergrassing

grassen zoals Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Hennegras (Calamagrostis canescens), e.a.

vermossing

Haarmos (G) (Polytrichum spp.)

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt Moeraszegge (Carex acutiformis), Stijve zegge (Carex elata), Pluimzegge (Carex paniculata), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Riet (Phragmites australis)

verruiging

.

CRNFB (2006); Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004); Ellmauer & Essl (2005) CRNFB (2006); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

(1)

JNCC (2004)

een hogere bedekking van Riet is mogelijk in overgangsvenen van subtype 7140_mrd drijftilvorming

CRNFB (2006); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 181 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_oli: oligotroof en zuur overgangsveen (in relatie met hoogveenvegetaties en natte heide) eutrofiëring

structuur

Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Rietgras (Phalaris arundinacea), Vlotgras (G) (Glyceria spp.), Gele lis (Iris pseudacorus), Pitrus (Juncus effusus), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Grote lisdodde (Typha latifolia), Grote brandnetel (Urtica dioica), Gewoon puntmos (Calliergonella cuspidata) + andere eutrafente soorten van de Rietklasse, klasse van natte ruigten en nitrofiele zomen zeer gevoelig aan betreding en brand met als gevolg zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

CRNFB (2006); JNCC (2004); Schuboth et al. (2004)

CRNFB (2006); JNCC (2004) connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

hogere planten + (veen)mossen

analyse van basisgegevens; expertoordeel CRNFB (2006)

Vegetatie sleutelsoorten

≥3

bedekking sleutelsoorten

≥ 30%

Habitatstructuur bedekking veenmossen

≥ 30%

analyse van basisgegevens

Verstoring verbosssing

≤ 10%

vergrassing

≤ 30%

vermossing

≤ 30 %

strooisellaag

≤ 30%

verruiging

≤ 10%

eutrofiëring

≤ 10 %

structuur

≤ 10%

> 10% kan wijzen op een evolutie naar het habitattype 91E0_vo.

Ministerie van LNV (2008f); JNCC (2004) JNCC (2004); CRNFB (2006); Schuboth et al. (2004)

bij habitatvlekken waar om faunistische redenen deze strooisellaag noodzakelijk is, kan dit criterium buiten beschouwing gelaten worden; (1)

JNCC (2004)

CRNFB (2006); JNCC (2004)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 182 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 7140_oli: oligotroof en zuur overgangsveen (in relatie met hoogveenvegetaties en natte heide) Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 5 ha

B-criterium

≥ 1 ha

(1)

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

Hoewel strooisel een belangrijke grondstof is voor veenvorming, wordt de algemene aanwezigheid van strooisel als negatief beoordeeld. Door de geringe productiviteit van goed ontwikkelde vegetaties is de veenvorming in dit habitattype immers een langzaam proces. Er is ook geen behoefte aan snelle verlandingsprocessen omdat een optimale ontwikkeling van verlandingsvegetaties de nodige tijd vraagt. Bovendien belemmert een algemene strooisellaag de vestiging en vaak ook de uitbreiding van vrijwel alle sleutelsoorten. De aanwezigheid van een strooisellaag kan voor bepaalde bedreigde diersoorten belangrijk zijn. Als zulke soorten tot doel gesteld worden dan kan dit criterium buiten beschouwen gelaten worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 183 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7150: Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion

Habitattype 7150: Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata), Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca)

Oosterlynck et al. (2013)

open plekken en pioniervegetatie: de bedekking van plekken die onbegroeid zijn en/of door mossen (incl. aangespoelde of vlottende waterveenmossen), lichenen, algen én sleutelsoorten begroeid zijn. De sleutelsoorten hebben een zwak concurrentievermogen t.o.v. planten van latere successiestadia, waardoor de habitat gebonden is aan een open en lichtrijk pioniersmilieu.

CRNFB (2006); Muséum National d'Histoire Naturelle (2002)

Habitatstructuur horizontale structuur

Verstoring verbossing

bedekking struiken & bomen, incl. hun kiemplanten

vergrassing

grassen zoals Ruwe smele (Deschampsia cespitosa), Struisriet (G) (Calamagrostis spp.), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Struisgras (G) (Agrostis spp.), Witbol (G) (Holcus spp.) Haarmos (G) (Polytrichum spp.)

vermossing

bostoename wijst op een (mogelijk natuurlijke) laagdynamische omgeving, wat bij dit habitat snel tot een achteruitgang leidt.

eutrofiëring

Pitrus (Juncus effusus), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Riet (Phragmites australis), Braam (G) (Rubus spp.), Lisdodde (G) (Typha spp.)

dwergstruiken

Struikhei (Calluna vulgaris), Gewone dophei (Erica tetralix)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Verbücheln et al. (2004) expertoordeel

heidetoename wijst op een (mogelijk natuurlijke) laagdynamische omgeving, wat bij dit habitat snel leidt tot een achteruitgang connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 184 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

CRNFB (2006); Landesamt für Umwelt und Geologie Sachsen (2008)

www.inbo.be

Verbücheln et al. (2004)


Habitattype 7150: Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten

≥ 3 sleutelsoorten, waarvan minstens 1 minimaal talrijk OF 2 sleutelsoorten minimaal talrijk, waaronder snavelbies (Rhynchospora spp.)

CRNFB (2006); Bundesamt für Naturschutz z.d.

Habitatstructuur horizontale structuur

open plekken en pioniervegetatie ≥ 50%

de verschillende ontwikkelfasen samen in één (overkoepelende) habitatvlek beschouwen

CRNFB (2006)

CRNFB (2006); Landesamt für Umwelt und Geologie Sachsen (2008) CRNFB (2006) expertoordeel expertoordeel Verbücheln et al. (2004)

Verstoring verbossing

≤ 10%

incl. kiemplanten

vergrassing vermossing eutrofiëring dwergstruiken

≤ ≤ ≤ ≤

> 10% kan wijzen op een evolutie naar 4010.

10% 30% 10% 10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 75 ha

B-criterium

≥ 5 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 185 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7210: Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en Caricion davalliana.

Habitattype 7210: Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Galigaan (Cladium mariscus), aangevuld met sleutelsoorten van 3140, 7140_base en 7230

sleutelsoorten uit 3140, 7140_base en 7230 kunnen voorkomen in het type maar niet altijd (bv. Hageven); (1)

Oosterlynck et al. (2013); Bundesamt für Naturschutz [z.d]

bloei

aandeel van galigaanplanten met bloeiende stengels

Bloei(resten) duiden op een gezonde, vitale populatie. In minder gunstige omstandigheden (t.a.v. milieu en beheer) komt Galigaan moeilijker tot bloei en kan de kenmerkende dichte vegetatiestructuur zich niet opbouwen.

Bundesamt für Naturschutz [z.d]

reproductie

jaarscheuten of kiemplanten van Galigaan

zuurstof

frequentie van een duidelijke waar te nemen H2S-geur, dit bij een ondiepe bodemberoering. Beoordeling gebeurt op basis van een aantal (liefst min. 20) verspreid liggende punten in de habitatvlek. Dit gas wordt vooral gevormd in eerder voedselrijke en zuurstofloze milieus en duidt dus op een ongunstige waterkwaliteit.

H2S = geur van rotte eieren; verrotting. De peiling gebeurt tot op een max. diepte van 30 cm (= worteldiepte Galigaan). Indien de vlek ontoegankelijk is, kunnen de plekken aan de rand gesitueerd worden.

strooisellaag bij dichte galigaanvegetatie

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

(2)

Muséum National d'Histoire Naturelle (2002)

verbossing

bedekking struiken & bomen

Galigaan is een lichtminnende soort

verruiging

Hennegras (Calamagrostis canescens), Ruwe smele (Deschampsia cespitosa), Haagwinde (Calystegia sepium), Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Eendekroos (G) (Lemna spp.), Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), Bitterzoet (Solanum dulcamara), Grote lisdodde (Typha latifolia), Grote brandnetel (Urtica dioica)

o.a.Bundesamt für Naturschutz [z.d] Jalink (1996); Ellmauer & Essl (2005)

strooisellaag bij soortenrijke galigaanvegetatie rietontwikkeling

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

(2)

expertoordeel

Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur

Bundesamt für Naturschutz [z.d] Schaminée et al. (1995)

Verstoring

Riet (Phragmites australis)

Bundesamt für Naturschutz [z.d]; Verbücheln et al. (2004); JNCC (2004)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 186 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7210: Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en Caricion davalliana. Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

(1)

Omdat de habitat ook in mozaïekverband met andere moeras- of waterhabitats kan voorkomen, is voor het duurzaam voortbestaan van dit type en het optimaal functioneren ervan een ruimer kader noodzakelijk, waarbinnen de (her)ontwikkeling ervan mogelijk is.

(2)

De opbouw van een strooisellaag is bij de variant met een dicht galigaandek een structuurkenmerk dat in belangrijke mate bijdraagt tot een verhoging van de biodiversiteit, o.m. op vlak van fauna en doordat het overgangen in zuurtegraad en vocht creëert. Hier wordt dit als een gunstig structuurelement beoordeeld. Bij de soortenrijke variant werkt een strooisellaag daarentegen verstikkend op de kalkmoerassoorten en wordt het als ongunstig beoordeeld.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 187 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7210: Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en Caricion davalliana.

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie bedekking sleutelsoorten

≥ 30%

Bundesamt für Naturschutz [z.d]

≥ 10%

Bundesamt für Naturschutz [z.d] expertoordeel

Habitatstructuur bloei reproductie

aanwezig

strooisellaag bij dichte galigaanvegetatie

zuurstof

≥ 10%

plaatsen met duidelijke H2S geur zijn < talrijk

(aanwezigheid van een strooisellaag is dus een vereiste; zie inleiding van dit hoofdstuk); maaibeheer met afvoer zou hier de strooisellaag verwijderen, wat nadelig is voor de eraan gebonden fauna

Muséum National d'Histoire Naturelle (2002) expertoordeel

Verstoring verbossing

≤ 10%

strooisellaag bij een soortenrijke galigaanvegetatie

≤ 30%

verruiging

≤ 10%

rietontwikkeling

≤ 30%

mits uitzonderingen. Zie §10.1

Bundesamt für Naturschutz [z.d] expertoordeel

de vermelde soorten duiden alle op een sterke afwijking van de gunstige staat (verdroogd en/of aangerijkt)

Verbücheln et al. (2004) Landesamt für Umwelt und Geologie Sachsen (2008); JNCC (2004)

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 1 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 188 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7220: Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

Habitattype 7220: Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

Mossen en levermossen: Echt vetmos (Aneura pinguis), Beekdikkopmos (Brachythecium rivulare), Kegelmos (Conocephalum conicum), Gewoon diknerfmos (Cratoneuron filicinum), Tufmos (Eucladium verticillatum), Geveerd diknerfmos (Palustriella commutata, Palustriella falcata), Gekroesd plakkaatmos (Pellia endiviifolia)

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen

Oosterlynck et al. (2013) ; Muséum National d'Histoire Naturelle (2002); Oberdorfer (1977); Ssymank et al. (1998); CRNFB (2006); van Gennip et al. (2007); Pentecost & Zhang (2002)

De aanwezigheid van kalktuf/travertijn-formaties waarvan de oorsprong/oorzaak van de afzetting (takjes, steen, mos) niet meer herkenbaar is (= historische tufvorming) en/of duidelijke kalkafzettingen in levende moskussens of op takjes en steentjes ( = recente tufvorming). Onder een duidelijke kalkzetting wordt verstaan bij niet-mossubstraten dat op het merendeel van het substraat kalkafzetting plaatsvindt en bij afzetting in moskussens dat de meerderheid van de mosstengels voor tenminste 1 mm met kalk zijn omhuld.

fossiele kalktufafzettingen worden hier niet meegerekend

Verbücheln et al. (2004); CRNFB (2006)

goed ontwikkelde kalktufformaties zijn gekenmerkt door een hoge bedekking met karakteristieke mossen, waarvoor per definitie voldoende kalktuf aanwezig dient te zijn

Landesamt für Umwelt und Geologie Sachsen (2008)

Vegetatie sleutelsoorten

Habitatstructuur aard van de kalkafzettingen

bedekking kalktuf

Verstoring dynamiek structuur eutrofiëring invasieve exoten

afzetting van slib, zand, … : het bedekken van de kalkafzettingen door allerlei met het water aangevoerde substraten zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding, afval draadalgen (bv. Enteromorpha spp.)

deels naar CRNFB (2006) analyse van basisgegevens Verbücheln et al. (2004); CRNFB (2006) expertoordeel

Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)) Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus),…

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 189 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7220: Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

≥ 2 sleutelsoorten waarvan minstens één Gewoon diknerfmos (Cratoneurion filicinum), Geveerd diknerfmos (Palustriella commutata; Pallustriella falcata) of Tufmos (Eucladium verticillatum) bedekking sleutelsoorten ≥ 10%

analyse van basisgegevens

Habitatstructuur aard van de kalkafzettingen

actieve tufvorming aanwezig

bedekking kalktuf

CRNFB (2006); Verbücheln et al. (2004) Landesamt für Umwelt und Geologie Sachsen (2008)

≥10%

Verstoring dynamiek

hooguit zeer schaars

structuur

structuurschade hooguit zeer schaars

invasieve exoten eutrofiëring

de kalkafzettingen zijn zeer broos, waardoor hier strenge criteria gelden.

afwezig ≤10%

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 190 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

analyse van basisgegevens CRNFB (2006); Verbücheln et al. (2004) expertoordeel analyse van basisgegevens


Habitattype 7230: Alkalisch laagveen

Habitattype 7230: Alkalisch laagveen A. Habitatkarakteristieken Criterium

Beschrijving

Maatregelen

Opmerkingen

Referenties

het is noodzakelijk de mossleutelsoorten op naam te brengen om de LSVI te kunnen bepalen; in voorkomend geval dienen sleutelsoorten (hogere planten en mossen) van 7230 meegerekend te worden

Oosterlynck et al (2013); SchaminĂŠe et al. (1995); Oberdorfer (1977,1983); Vandenbussche et al. (2002b); CRNFB (2006) ; Rodwell (ed.) (1991); Wheeler et al. (2004); Duvigneaud & Vanden Berghen (1945); Ssymank et al. (1998)

Vegetatie sleutelsoorten

Hogere planten: Ronde zegge (Carex diandra), Tweehuizige zegge (Carex dioica), Vlozegge (Carex pulicaris), Schubzegge (Carex lepidocarpa), Armbloemige waterbies (Eleocharis quinqueflora), Slank wollegras (Eriophorum gracile), Breed wollegras (Eriophorum latifolium), Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), Alpenrus (Juncus alpinoarticulatus subsp. alpinoarticulatus), Groenknolorchis (Liparis loeselii), Knopbies (Schoenus nigricans), Teer guichelheil (Anagallis tenella), Gele zegge (Carex flava), Blonde zegge (Carex hostiana), Vleeskleurige orchis (Dactylorhiza incarnata), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris), Paddenrus (Juncus subnodulosus), Parnassia (Parnassia palustris), Moeraskartelblad (Pedicularis palustris), Moeraszoutgras (Triglochin palustris) Mossen: Echt vetmos (Aneura pinguis), Veenknikmos (Bryum pseudotriquetrum), Tenger goudmos (Campyliadelphus elodes), Sterrengoudmos (Campylium stellatum), Kammos (Ctenidium molluscum), Groot vedermos (Fissidens adianthoides), Geel schorpioenmos (Hamatocaulis vernicosus), Geveerd diknerfmos (Palustriella commutata), Vierkantsmos (Preissia quadrata), Wolfsklauwmos (Pseudocalliergon lycopodioides), Groen schorpioenmos (Scorpidium cossonii), Purper schorpioenmos (Scorpidium revolvens), Viltnerfmos (Tomentypnum nitens)

Habitatstructuur levensvorm

de bedekking van schijngrassen (Snavelbies (Rhynchospora), Bies (Scirpus), Waterbies (Eleocharis), Zegge (Carex), Wollegras (Eriophorum) en Rus (Juncus)) die volgroeid lager dan ong. 30 cm (laarshoogte) blijven, bloeistengels niet meegerekend

Ministerie van LNV (2008g); Ellmauer & Essl (2005)

moslaag

bedekking mossen (Bryophyta) inclusief veenmossen van mineraalrijkere milieus (S. contortum, S. teres, S. platyphyllum ), exclusief overige Veenmos (G) (Sphagnum spp.)

zuurstof

frequentie van een duidelijk waar te nemen H 2S-geur, dit bij een ondiepe bodemberoering. Beoordeling gebeurt op basis van een aantal (liefst min. 20) verspreid liggende punten in de habitatvlek. Dit gas wordt vooral gevormd in permanent natte, zuurstofloze en eerder voedselrijke milieus en duidt dus op een ongunstige milieukwaliteit. Het is ook indicatief voor een gebrekkige doorstroming.

Ministerie van LNV (2008g); Schuboth et al. (2004); MusĂŠum National d'Histoire Naturelle (2002); CRNFB (2006) expertoordeel

H2S = geur van rotte eieren; verrotting. De peiling gebeurt tot op max. diepte van 30 cm (= de worteldiepte van de meeste sleutelsoorten). Indien de vlek ontoegankelijk is, kunnen de plekken aan de rand gesitueerd worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 191 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 7230: Alkalisch laagveen

Verstoring verbossing

bedekking boom- en struiklaag

de habitat omvat vooral lichtminnende soorten

verzuring

Moerasstruisgras (Agrostis canina), veenmos (G) (Sphagnum spp.)

uitgezonderd S. contortum, S. teres, S. platyphyllum, …De aanwezigheid van deze veenmossoorten is indicatief voor 7140_base.

vergrassing

Pijpenstrootje (Molinia caerulea)

vermossing

Gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarossus)

strooisellaag

bedekking van de plekken waar het dood organisch materiaal een meer dan 1 cm dikke laag vormt

verruiging

Galigaan (Cladium mariscus), Koninginnenkruid (Eupatorium cannabinum), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Melkeppe (Peucedanum palustre), Riet (Phragmites australis), Gewone engelwortel (Angelica sylvestris), Scherpe zegge (Carex acuta), Moeraszegge (Carex acutiformis), Stijve zegge (Carex elata), Pluimzegge (Carex paniculata), Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus), Vederdistel (G) (Cirsium spp.)

eutrofiëring

Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), Vlotgras (G) (Glyceria spp.), Gele lis (Iris pseudacorus), Pitrus (Juncus effusus), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Waterkers (G) (Nasturtium), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Grote egelskop (Sparganium erectum), Lisdodde (G) (Typha spp.), Grote brandnetel (Urtica dioica), Boterbloem (G) (Ranunculus spp.), Paardenbloem (G) (Taraxacum spp.), Klaver (G) (Trifolium spp.); Fioringras (Agrostis stolonifera), Struisriet (G) (Calamagrostis spp.), Gewone hoornbloem (Cerastium fontanum), Gestreepte witbol (Holcus lanatus)

deels naar CRNFB (2006); Jalink (1996); Rodwell (ed.) (1991)

invasieve exoten

Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sacchalinensis)) Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), Canadese guldenroede (Solidago canadensis), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus),…

expertoordeel

structuur

zichtbare tekenen van brand, spoorvorming door voer-/werktuigen, vertrappeling & overbetreding

expertoordeel

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

de opbouw van een strooisellaag is bij dit habitat een structuurkenmerk dat meestal leidt tot een verlies aan biodiversiteit de habitat kan meestal enkel duurzaam voortbestaan bij een reguliere afvoer van de biomassa

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 192 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

o.a. JNCC (2004); Ministerie van LNV (2008g) Jalink (1996)

JNCC (2004); eigen data-analyse deels naar Jalink (1996) Schuboth et al. (2004); Bundesamt für Naturschutz [z.d.].

CRNFB 2006; European Environment Agency 2006; Bundesamt für Naturschutz [z.d]


Habitattype 7230: Alkalisch laagveen

B. Beoordelingsmatrix Criterium

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

Vegetatie sleutelsoorten bedekking sleutelsoorten

≥3 ≥ 30%

expertoordeel

Habitatstructuur levensvorm

bedekking lage schijngrassen ≥ 50%

moslaag

≥ 10% excl. veenmos

zuurstof

nergens of hooguit zeer schaars duidelijke H2S geur

Ministerie van LNV (2008g) Ministerie van LNV (2008g); expertoordeel expertoordeel

Verstoring verbossing

≤ 10%

verzuring vergrassing vermossing

≤ 30% ≤ 30% ≤ 10%

strooisellaag

≤ 30%

verruiging

≤ 30%

eutrofiëring

≤ 10%

invasieve exoten structuur Ruimtelijke samenhang

> 10% kan wijzen op een evolutie naar het habitattype 91E0_vm > 30% kan wijzen op een evolutie naar 7140

Ministerie van LNV (2008g); JNCC (2004) expertoordeel JNCC (2004) expertoordeel

bij habitatvlekken waar om faunistische redenen deze strooisellaag noodzakelijk is, kan dit criterium buiten beschouwing gelaten worden een toename van Galigaan wijst op een evolutie naar 7210.

naar Schuboth et al. (2004)

afwezig structuurschade ≤ 10%

A-criterium

≥ 30 ha

B-criterium

≥ 1 ha

expertoordeel

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 193 van 305

CRNFB (2006); Bundesamt für Naturschutz [z.d] expertoordeel

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

11. Bossen Thomaes A., Vandekerkhove K., De Keersmaeker L., Cornelis J., Van Elegem B. en Roelandt B.

11.1 Inleiding bij de beoordeling van de habitatstructuur en vegetatieontwikkeling Voor achtergronden en algemeen geldende regels zie hoofdstuk 2. Voor interpretatie van de bedekkingsschalen zie bijlage 4. Belangrijkste verschillen met de vorige versie In de eerste plaats zijn er een aantal algemene aanpassingen doorgevoerd in de tabellen die ook bij de andere tabellen zijn terug te vinden. Zo zijn de milieukarakteristieken niet meer opgenomen, is de structuur van de tabellen gewijzigd en definiëren we een grenswaarde tussen gunstige en ongunstie staat van instandhouding (zie § 1.2.3). De belangrijkste veranderingen in de LSVI-tabellen ten opzichte van de vorige versie zijn: 1) aanpassingen aan de lijsten met sleutelsoorten, 2) de opsplitsing van de invasieve exoten in de kruidlaag en de boom- en struiklaag en 3) een sterk herwerkt criterium voor de beoordeling van verruigingsindicatoren. Bij de lijsten van de sleutelsoorten en invasieve exoten werden zowel soorten toegevoegd als verwijderd op basis van terreinevaluatie en nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Tevens werd de grenswaarde voor exoten in de kruidlaag en struik- en boomlaag opgesplitst. Verder werden delen duidelijker geformuleerd, zonder evenwel de grenswaarden n en criteria te wijzigen. Ook werden de referenties geactualiseerd. Toepassing op het terrein Zoals al aangegeven in de algemene inleiding is de LSVI-tabel niet bedoeld om te beoordelen of een locatie al dan niet tot een habitattype behoort. Deze beoordeling moet eerst gebeuren, gebruik makende van karteersleutels (www.inbo.be/nl/handleiding-en-veldsleutels). Pas daarna kan de lokale staat van instandhouding van deze habitat worden beoordeeld met deze LSVI-tabel. De opgesomde sleutelsoorten in deze LSVI-tabellen dienen dus niet om het habitat(sub)type te bepalen. De tabellen worden gebruikt op het terrein of de nodige kenmerken worden eerst op het terrein vastgesteld om nadien de beoordeling te maken. Voor de meeste bostypen is een bezoek in het voorjaar noodzakelijk om de kenmerkende voorjaarsflora te kunnen vaststellen. Voor het beoordelen van de toestand van bossen is niet alleen kennis nodig over vegetatiekunde maar ook over de bosstructuur (bv. schatten aandeel dood hout, grondvlakaandelen), de personen die LSVI-opnames moeten maken, moeten hiermee ervaring hebben om goede inschattingen te kunnen maken. De LSVI-tabellen voor de bostypen zijn ontworpen om te beoordelen op de schaal van het „bestandsniveau’ (uitgezonderd het criterium voor het minimaal structuur areaal, zie verder). Verschillende habitatvlekken die samen één logische eenheid vormen (bosbestand) worden samengenomen (bv. oud loofhout en daarin een kapvlakte, een verjongingsgroep en kleine vlekken met niet-habitat). Soms kan ook een groep van kleine naast elkaar liggende bestanden van eenzelfde habitat samengenomen worden zolang het geheel overzichtelijk blijft en uitspraken zinvol blijven met betrekking tot het inschatten van de beoordelingscriteria. Dit is ook logisch aangezien voor een aantal criteria (bv. horizontale structuur en leeftijdsopbouw) de aanwezigheid en grootte van verschillende leeftijdsklassen in het bos en hun ruimtelijke configuratie (stamsgewijs, groeps- of bestandsgewijs) als een geheel worden beoordeeld. In het geval dat één bosbestand uit meerdere habitattypen mocht bestaan, dan worden de verschillende habitattypen wel apart beoordeeld (zie Thomaes et al., 2012; § 2.4 en bijlage 1). De criteria kunnen niet geëvalueerd worden op basis van proefvlakgegevens omdat dit een te kleine oppervlakte betreft om een

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 194 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

correcte inschatting te maken (in het bijzonder voor onregelmatig verdeelde en zeldzame kenmerken zoals zwaar dood hout). Dit zou tot foute conclusies kunnen leiden (zowel in positieve als negatieve zin). De tabellen bestaan uit 3 onderdelen: vegetatie, habitatstructuur en verstoring die hieronder verder toegelicht worden. Vegetatie en sleutelsoorten De sleutelsoorten in de kruidlaag bestaan uit een beperkte lijst van soorten die goed ontwikkelde vegetaties indiceren (kwaliteitsindicerende soorten). Het zijn kritische soorten die gevoelig zijn aan (historische) verstoringen. In de lijsten werd gestreefd naar een gelijke vertegenwoordiging van alle natuurlijke vormen van het habitat(sub)type, zodat deze op eenzelfde manier kunnen beoordeeld worden. Voor het samenstellen van de lijst hebben we zoveel mogelijk soorten gebruikt die hun optimum hebben in het bostype (typische soorten) waarbij ze vermeld worden. Verder werden soorten die binnen het bostype te zeldzaam zijn gemeden. Ook moeilijk vast te stellen of te herkennen soorten werden vermeden. Bij het schatten van de toestand van de kruidlaag wordt de beoordeling gebaseerd op het aantal sleutelsoorten, de absolute bedekking door sleutelsoorten en het procentueel aandeel sleutelsoorten binnen de totale bedekking van de kruidlaag. Deze manier van werken moet er onder meer voor zorgen dat zowel situaties met voldoende sleutelsoorten maar ook veel begeleidende soorten in de kruidlaag als de situaties met een van nature lage kruidlaagbedekking toch in een gunstige staat van instandhouding kunnen verkeren. Als de totale kruidlaag bv. slechts 5% van de grondoppervlakte bedekt, kan deze alsnog voor 70% uit sleutelsoorten bestaan. Dit komt bv. voor in goed ontwikkelde elzenbroekbossen die grotendeels uit wateroppervlakte bestaan of in zure beukenbossen die van nature een lage kruidlaagbedekking kunnen hebben. Enkel voor het Goudveil-Essenbos (91E0_vc), midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion (9150) en Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote rivieren (Ulmenion minoris) (91F0) worden enkel de aantallen geëvalueerd. Habitatsubtype 91E0_vc komt vaak voor als een aanschakeling van punt- en lijnvormig habitat langsheen een bronbeek. De beoordeling van de kruidlaag zou hier enorm afhangen van de wijze waarop het habitat wordt ingetekend: indien enkel de vlekjes met kensoorten worden ingetekend, is de bedekking 100% en dus steeds voldoende, maar indien ook de ertussenliggende zones worden meegenomen zou zowel het aandeel als de bedekking lager worden ingeschat. Voor dit 91E0_vc zou het aandeel en bedekking criteria sterk voor interpretatie vatbaar zijn en dus minder aan te raden. Voor habitattype 9150 wordt het beoordelen van de bedekking vervangen door de trend in het aantal bloeiende orchideeën wat een meer gedetailleerde beoordeling geeft en de uitgangssituatie mee in rekening neemt. Dit is belangrijk gezien de zwakke ontwikkelingsgraad van dit habitat in Vlaanderen. Het habitattype 91F0 kent wisselende bedekkingen van sleutelsoorten die afhankelijk zijn van het plaatselijke overstromingsregime en de tijd sinds de laatste overstroming. Beide gegevens kunnen moeilijk in rekening gebracht worden en verschillen ook sterk binnen een habitatlocatie. De sleutelsoorten in de boom- en struiklaag bestaan uit inheemse en standplaatsgeschikte boom- en struiksoorten die kenmerkend zijn voor dit type. Voor de beoordeling van boomsoortensamenstelling verkiezen we grondvlak (definitie: zie lijst begrippen en veldtechnieken) omdat dit goed de relatieve dominantie (aandeel, invloed) van de boomsoorten binnen het bostype weergeeft en op het terrein relatief eenvoudig en betrouwbaar kan geschat worden. De vegetatiekundige bedekking daarentegen geeft slechts ten dele de invloed van de boomsoorten weer. Zo kan een sterke verjonging van een bepaalde boomsoort snel een hoge bedekking halen terwijl het nauwelijks een aandeel heeft in het grondvlak. Bij de beoordeling van bepaalde subtypen van bossen op alluviale grond met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) (91E0) worden de aanwezige cultuurpopulieren niet mee in rekening gebracht voor de beoordeling van de soortensamenstelling in de boomlaag. Met andere woorden, als er naast de populieren een rijke en goed ontwikkelde boom- en struiklaag voorkomt kan het criterium “sleutelsoorten in de boom- en struiklaag” gunstig zijn. Cultuurpopulieren worden algemeen beschouwd als uitheemse boomsoorten omdat het kruisingen zijn van Europese met Amerikaanse populierensoorten of kruisingen tussen Amerikaanse soorten onderling. In tegenstelling tot veel andere uitheemse boomsoorten zijn populieren ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 195 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

niet invasief (kruisingen van populieren verjongen zelden). Verder degraderen populieren de bodem niet en laten ze voldoende licht door zodat naargelang de aanwezige struiklaag een gevarieerde onderetage kan ontwikkelen. De wijze van exploiteren van populieren heeft vaak wel een sterk negatief effect op de bodem en kruidlaag maar staat op zich los van de boomsoort (en komt tot uiting in de beoordeling van bv. de verstoringscriteria). Structuur De habitatstructuur van bossen is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van een bos, o.a. omdat de biodiversiteit in belangrijke mate afhankelijk is van een goede structuuropbouw. Het behouden van de aanwezige structuurelementen is zeer belangrijk aangezien het zeer lang duurt vooraleer deze structuren opnieuw ontwikkelen en de hieraan gebonden soorten opnieuw koloniseren. Het bosbeheer heeft ook een veel grotere en rechtstreeksere impact op de structuur (gelaagdheid, dood hout, ouderdomsstructuur,…) dan op de vegetatie in kruid- en struiklaag. Gezien de complexe structuur van bossen, zijn er hier meer criteria dan bij de meeste andere habitattypen. Om duurzaam bosbeheer te kunnen behouden in de habitatwaardige bossen zijn de grenswaarden afgesteld op criteria voor duurzaam multifunctioneel bosbeheer (Thomaes & Vandekerkhove, 2004). Hierbij is het niet noodzakelijk om voor alle criteria altijd en overal de grenswaarde te halen. Ingrepen om een grenswaarde voor een criterium te halen kunnen immers leiden tot het verlies van de gunstige voor een ander criterium wat vaak niet wenselijk is. Het voorkomen van bv. veel dikke bomen zal de ontwikkeling van de struiklaag belemmeren of de voorwaarde van 4% dood hout sterk bemoeilijken door het hogere aandeel levende biomassa. Een genuanceerde interpretatie van de betekenis van de scores voor ieder criterium afzonderlijk is daarom zeer belangrijk. Het is belangrijk hiermee rekening te houden bij het optellen van individuele scores naar eindscores. MSA Het minimum structuur areaal (MSA) is de oppervlakte-eenheid bos (uitgedrukt in ha) die minimaal nodig is voor het spontaan naast elkaar voorkomen van verschillende ontwikkelingsfasen van een bos zonder ingrijpen van de mens. Natuurlijke bossen variëren qua structuur in ruimte en in tijd. Zo kan je in een onbeheerd bos bv. een stormvlakte onderscheiden naast een zone met jonge bomen, een fase met interne verjonging, een vervalfase met oude en dode bomen en dergelijke meer. Al deze fasen kan je op één plaats in een lange tijdsreeks achter elkaar plaatsen maar in voldoende grote bossen heb je deze verschillende fasen ook in vlekken naast elkaar. De vraag van het MSA is dan ook welke minimale oppervlakte nodig is om al deze fasen via spontane processen constant naast elkaar in een bos aanwezig te kunnen hebben. Deze oppervlakte is dus afhankelijk van de minimale grootte van één fase en het aantal jaren dat het duurt om van de ene naar de andere fase te evolueren. Hierdoor zijn er verschillen in MSA tussen bepaalde habitattypen. Het gebruik van MSA is een internationaal aanvaarde methode om de potentiële structuurkwaliteit van bossen te beoordelen. Gezien het om onbeheerde bossen gaat, wordt deze methode vooral gebruikt voor de beoordeling van minimaal vereiste oppervlaktes voor bosreservaten en andere onbeheerde bossen in functie van de studie van spontane processen. De meeste van onze bossen hebben echter geen natuurlijke structuur. Het is evenwel de doelstelling om bij de ontwikkeling van boshabitats te streven naar een kleinschalig beheer dat aansluit bij de natuurlijke structuurprocessen. Daarom is het gebruik van MSA als beoordeling van de potentiële structuurkwaliteit binnen de LSVI-tabellen toch aangewezen. Voor de beoordeling van het MSA wordt niet elke habitatlocatie apart beoordeeld, maar worden alle zoverre zij onderling met elkaar verbonden zijn via andere boshabitattypen. Dus alle vlekken van een inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum), 91E0_vo) binnen een Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum, 9130) worden samengenomen en vergeleken met de habitattype of habitatsubtype.

habitatlocaties van hetzelfde type samengenomen in welbepaald habitat(sub)type (bv. oligotroof broekbos, aaneengesloten oppervlakte habitatwaardig bos (bv. grenswaarde van de MSA. Dit gebeurt apart voor elk

Twee habitatvlekken van eenzelfde type worden als „gescheiden‟ beschouwd, en moeten dus als aparte oppervlaktes worden beoordeeld op het criterium MSA indien het tussenliggende landgebruik bestaat uit: niet habitatwaardig bos (bv. naaldhoutaanplant) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 196 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

-

niet bos habitats (bv. heide- of graslandhabitats) en ander landgebruik (bv. akker, soortenarm grasland) infrastructuur (kanalen, spoorlijnen, wegen): Vanaf het moment dat er geen kroonsluiting meer mogelijk is boven een barrière is het bos functioneel onderbroken en zijn de habitatvlekken niet meer verbonden. Pragmatisch stellen we dat een tweevaksweg, spoorlijn, kanaal of brede rivier een barrière vormen.

Het MSA wordt niet in het veld beoordeeld, maar op basis van een oppervlakteanalyse op kaart. Het is belangrijk om bij de interpretatie van de MSAbeoordeling rekening te houden met het feit dat MSA in functie staat van structuurbepalende processen en niet in functie van dier- of plantensoorten. Oppervlakte en barrière-effecten voor MSA en faunacriteria moeten daarom afzonderlijk gezien worden en de beoordeling daarvan zit daarom niet in de module van de ruimtelijke context (zie § 2.4). Al is het duidelijk dat constante aanwezigheid van een bepaald habitat of structuur voor veel soorten noodzakelijk is en een geheel van naast elkaar en in de tijd opvolgende ontwikkelfasen daarom een positief effect heeft op de biodiversiteit. Habitatsubtype goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) (91E0_vc) en beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (PrunoFraxinetum) (91E0_va) komen van nature vaak op zeer kleine oppervlaktes voor door de ruimtelijke context van de potenties, zijn qua soortensamenstelling en structuur sterk gelijkaardig en komen bijna steeds samen voor waarbij er een zeer geleidelijke overgang is tussen beide typen. Daarom voorzien we een uitzondering voor deze twee habitattypen. De uitzondering bestaat erin dat de gezamenlijke oppervlakte van de beide habitatsubtypen binnen één habitatwaardig boscomplex moet voldoen aan de MSA grenswaarde van 10 ha (dit is de MSA van beide afzonderlijk) om een gunstige lokale staat van instandhouding te scoren. Een zelfde redenering geldt voor habitattype Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalantheo-Fagion (9150). In Vlaanderen zijn de potenties voor dit type zeer beperkt en sterk afhankelijk van intensief beheer dat slechts op kleine schaal realiseerbaar is. Daarom, kan ook hier de oppervlakte gebundeld worden met het omgevende habitattype 9130 (beukenbos van het type AsperuloFagetum) om te beoordelen of de gezamenlijke oppervlakte van de beide habitattypen binnen één habitatwaardig boscomplex voldoet aan de MSA grenswaarde van 20 ha (dit is de MSA van beide afzonderlijk). Andere structuurcriteria De andere structuurcriteria omvatten de verticale structuur, horizontale structuur, aandeel dood hout, dik dood hout en bosconstantie. Bij de beoordeling van deze criteria wordt er abstractie gemaakt van de boomsoort. Dikke populieren of Amerikaanse eiken vertegenwoordigen immers vergelijkbare structuurkenmerken als inheemse soorten van dezelfde afmeting en worden dus meegenomen in de beoordeling. Soorten die afhankelijk zijn van een bepaalde structuur, stellen immers zelden eisen naar de boomsoort. De aanwezigheid van uitheemse soorten wordt wel negatief beoordeeld bij andere criteria (soortensamenstelling en verstoringscriteria). Een goede structuur vereist uiteraard de aanwezigheid van een kruid-, struik- en boomlaag (definitie: zie bijlage 5: lijst begrippen en veldtechnieken). De afwezigheid van één van deze lagen duidt meestal op verdonkering, sterke verzuring en/of bodemcompactie of op andere sterke verstoringen zoals kaalkap, een sterke schommeling of verandering van het waterpeil of erosie. Ook het verwijderen van de struiklaag door de beheerder kan een oorzaak zijn. De horizontale structuur van het bos wordt beoordeeld op basis van de grootte van de vlekken en de invulling van de vlekken met voldoende verschillende groeiklassen. Onze huidige bossen zijn vaak structuurarm en bestaan uit homogene en gelijkjarige bestanden. Bij een natuurgetrouw, multifunctioneel bosbeheer wordt zoveel mogelijk gestreefd naar kleinschalige ingrepen (variabele dunningen, groepenkap,…), waarbij grootschalige kaalkappen worden vermeden. Een dergelijke aanpak moet op termijn leiden tot meer structuurrijke bosbestanden, en wordt ook gepropageerd in de beheervisie voor openbare bossen en de criteria duurzaam natuurbeheer. Bij het beoordelen van de gelijkjarigheid van een bestand dient vooral de dominante bovenste boomlaag beschouwd te worden. Enkel indien er voldoende leeftijdsvariatie in deze laag aanwezig is, scoort dit criterium gunstig. Natuurlijke verjonging of aanplantingen die nog niet tot de bovenste boomlaag reiken, geven nog geen aanleiding tot een gunstige beoordeling. Ook het criterium dat er drie groeiklassen (definitie: zie bijlage 5: lijst begrippen en veldtechnieken) aanwezig moeten zijn voor een gunstige staat van instandhouding vloeit voort uit het streven naar ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 197 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

ongelijkjarigheid, behoud van oude bomen bij eindkap en het behouden van waardevolle open plekken. Om rekening te houden met de ecologische waarde van oude dreven, worden dikke bomen hier meegenomen in de structuurbeoordeling. Indien bosdreven afzonderlijk gekarteerd en beoordeeld worden, kan dit ook via een GIS-analyse gebeuren. Het aandeel dood hout is een belangrijk criterium in de structuurbeoordeling in functie van de aanwezigheid van tal van dood hout gebonden organismen. Een zeer groot aandeel van de biodiversiteit van bossen is op de een of andere manier afhankelijk van de aanwezigheid van dood hout. Het aandeel dood hout zegt echter niet altijd voldoende over de kwaliteit van het dood hout. Elke aan dood hout gebonden soort heeft een eigen voorkeur qua dimensie, afbraakstadium, liggend of staand, overschaduwing en vochtgehalte van het dood hout. Om de tabel op het veld toepasbaar te houden, hebben we geopteerd om de evaluatie hier te beperken tot twee criteria. In eerste instantie is er het puur kwantitatief criterium (% dood hout). Dit geeft onrechtstreeks ook een kwalitatieve link. Bossen die rijk zijn aan dood hout zullen bijna steeds ook veel verscheidenheid aan dood hout bevatten. Er wordt gekozen voor een relatieve maat, en niet voor een absolute. Zo is de vereiste hoeveelheid dood hout ook gelinkt aan de lokale standplaats- en bestandskwaliteiten. Dik dood hout is voor vele kritische soorten belangrijk, tal van zeldzaam geworden soorten komen enkel voor op voldoende dik dood hout. Anderzijds kan het bosbeheer hier sterk op inspelen. Daarom wordt er naast het totale aandeel dood hout ook een tweede criterium beoordeeld, nl. het voorkomen van dikke dode bomen. Tenslotte is het belangrijk om situaties met een uitzonderlijk hoge hoeveelheid dood hout te behouden gezien de daaraan gebonden soortenrijkdom bestaat uit een groot aantal weinig mobiele soorten die maar moeilijk nieuwe gebieden kunnen koloniseren. Bij de beoordeling wordt ook dood hout van uitheemse boomsoorten meegenomen. In de meeste onderzoeken wordt er geen of slechts weinig verschil gevonden tussen de biodiversiteit van uitheems dood hout t.o.v. inheems (Walleyn, 2004; Walleyn, 2005; Gossner, 2004; Gossner et al., 2009). Dit is te verklaren doordat de meeste dood hout organismen zich niet specialiseren in ĂŠĂŠn welbepaalde boomsoort maar op een genus of breder (vb. Mueller & Gossner, 2010). Uit tal van onderzoeken blijkt dat oude bossen (bossen met een hoge bosconstantie) doorgaans veel meer typische bossoorten herbergen dan recente bebossingen. Deze grotere soortenrijkdom wordt niet alleen gekenmerkt door de aanwezigheid van een typische flora van voorjaarsbloeiers maar ook door een grotere soortenrijkdom aan tal van kleine, onopvallende organismen zoals insecten of paddenstoelen. De beoordeling van de sleutelsoorten in de kruidlaag bevat wel soorten die aan oude bossen gebonden zijn, maar er zijn ook boshabitats (bv. elzenbroekbossen) die weinig of geen oudbosindicatorsoorten bevatten. Ook voor de vele andere specifieke soorten is het veel eenvoudiger om voorwaarden te stellen aan de bosconstantie in de veronderstelling dat en in dergelijke bossen over het algemeen meer typische soorten zullen voorkomen. Ook de bodemontwikkeling en daarmee gepaarde ecologische processen verschillen tussen oude bossen en recente bebossingen. De bosconstantie wordt niet in het veld geschat, maar wordt beoordeeld op basis van een GIS-analyse van historisch kaartmateriaal (De Keersmaeker et al., 2001). Voor de beoordeling van deze structuurkenmerken zijn de meeste habitatvlekken van habitat(sub)types 91E0_vc en 9150 vaak te klein om een zinvolle uitspraak te doen. Zo heeft het habitatsubtype 91E0_vc vaak geen eigen boomlaag maar worden ze overschaduwd door bomen die in de aanliggende bostypen groeien. Het habitattype 9150 komt in Vlaanderen eveneens op kleine oppervlaktes voor en vereist bij ons een intensief beheer waardoor dikke bomen en dik dood hout nauwelijks voorkomen (Decleer, 2007). Indien de beoordeling van structuurkenmerken van deze habitatvlekken op zich niet zinvol is, wordt de beoordeling op een grotere oppervlakte of op het bosbestand waarin de habitatvlek ligt uitgevoerd. Voor de zachthoutooibossen (91E0_sf) is het hydrologische regime bepalend voor de biotische toestand. Een gunstige toestand vereist een permanent moerassig karakter, bepaald door het overstromingsregime (duur- en frequentie), en de snelheid waarmee het oppervlaktewater wegvloeit ('snelle, vaak oppervlakkige afvloei dicht bij de vaargeul of bv. via drainagekanalen' versus 'trage afvoer via stagnerend water en insijpeling in de bodem).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 198 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

Verstoring Als verstoringsindicatoren worden exoten en soorten die wijzen op verruiging geëvalueerd. In de vorige versie van de LSVI-tabellen bestond er slechts één criterium voor alle invasieve exoten samen. De grenswaarde voor dit criterium lag echter hoger (10%) dan bij alle andere habitattypen. In de huidige versie hebben we het criterium opgedeeld in twee beoordelingen, één voor de kruidlaag die strenger en uniform is met de andere habitattypen en één voor de struik- en boomlaag. Dit valt te verklaren omdat uitheemse boom- en struiksoorten veel beter te beheren zijn dan kruidlaagsoorten. Verder zijn uitheemse bomen soms de enige dikke of holle bomen in het bos en zou het verwijderen ervan kunnen lijden tot het verdwijnen van holtebewonende dieren of organismen die aan oude of dikke bomen gebonden zijn. Verder is het invasief karakter bij uitheemse bomen ook minder doorslaggevend dan bij de kruidlaag omdat de beheerder doorgaans de bomen zelf aanplant of via de dunningen de boomsoorten selecteert die hij in het uiteindelijke bestand wil hebben. Sommige uitheemse boomsoorten die niet invasief zijn kunnen echter toch problemen vormen (bv. sterke bodemverzuring) en werden daarom toegevoegd. De vermelde opsommingen van invasieve exoten per habitattype tenslotte is niet limitatief, maar vermeldt de actueel meest voorkomende soorten. Om te vermijden dat het niet-limitatieve karakter van deze lijst zou leiden tot een onduidelijkheid over een aantal ingeburgerde soorten, werd ook een lijst voorzien van soorten die bij de LSVI-beoordeling alvast niet beschouwd worden als invasieve exoten. Ook voor verruiging werd een nieuw criterium opgesteld ten opzichte van de vorige versie. Omdat de meeste planten die verruiging indiceren ook van nature in het habitattype voorkomen maar dan met een lagere bedekking, is het moeilijk om een goed criterium op te stellen. Daarom vonden we het belangrijk om voor zeer specifieke groepen van planten een welbepaalde norm te kunnen hanteren. Verder was de opdeling in verruiging (planten die stikstof aanrijking indiceren), ruderalisering (planten die fosfor aanrijking indiceren) en vergrassing (planten die een combinatie van verzuring en stikstof aanrijking indiceren vaak ten gevolge van atmosferische deposities) voor de meeste gebruikers onduidelijk. Daarom hebben we de verschillende criteria samengenomen in één criterium „verruiging‟ dat voor elk habitattype wordt geïndiceerd door eigen combinaties van plantensoorten, met specifieke grenswaarden. Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus:mollis), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) wijzen op stikstofaanrijking, bij de laatste twee eventueel in combinatie met verzuring. Verdroging van natte bostypen geeft een versnelde afbraak van het organisch materiaal in de bodem wat eveneens voor stikstofaanrijking en bodemverzuring zorgt, waardoor dezelfde indicatorsoorten gaan domineren. Vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica) en Kleefkruid (Galium aparine) wijzen op fosforaanrijking. Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus) en IJle zegge (Carex remota) wijzen op bodemverdichting meestal als gevolg van bosexploitaties met zware machines. Klimop (Hedera helix) en Bosrank (Clematis vitalba) in habitattype 9150 wijzen op het stilvallen van het specifieke beheer (uittrekken van Klimop, Bosrank en bramen) dat in Vlaanderen noodzakelijk is om dit type te behouden en/of een verdonkering van het bos tegen te gaan. In habitattype 91F0 wijst toename van Klimop eveneens op een gebrek aan verstoring, hier het tijdelijk overstromen van het bos. Verschillen tussen de tabellen voor de boshabitats De LSVI-tabellen voor de habitat(sub)typen verschillen op twee manieren. Enerzijds zijn er bij bepaalde habitat(sub)typen extra criteria of zijn er criteria weggelaten die voor dat (sub)type niet relevant zijn en anderzijds verschillen de grenswaarden tussen de habitat(sub)typen. Extra criteria werden opgenomen bij habitattype 9150 (nl. verdonkering) en bij zachthoutooibos (wilgenvloedbos; Salicetum albae) (91E0_sf) en 91F0 (nl. overstromingsregime). De verticale structuur wordt niet beoordeeld bij de tabel van het habitatsubtype 91E0_sf aangezien bij dit type zelden een boomlaag aanwezig is. Het habitattype 9150 komt in Vlaanderen slechts op een zeer kleine oppervlakte in continentaal Voeren voor. Het habitattype is zeer specifiek omwille van het voorkomen van verschillende zeldzame orchideeënsoorten, naast enkele andere kalkminnende planten. Deze planten zijn gevoelig voor verdonkering en successie naar het habitattype 9130, waarbij Klimop en Braam sp. toenemen. Een cijfermatige beoordeling van de verdonkering en successie is niet eenvoudig. Een genuanceerde beoordeling is hier immers noodzakelijk en onder meer afhankelijk van de aanwezige soorten en doelsoorten. Het opvolgen en beoordelen van de bloeiende orchideeën is een eenvoudige maat om problemen vast te stellen. Het verdwijnen van deze lichtminnende doelsoorten wordt vaak, maar echter niet noodzakelijk, veroorzaakt door verdonkering. Het kan ook op andere negatieve effecten wijzen. De populatietrend van het aantal bloeiende orchideeën wordt in

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 199 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitat(sub)typen van de bossen: inleiding

de meeste van deze habitatlocaties in Voeren al enkele jaren opgevolgd door ANB en kan hierdoor gemakkelijk beoordeeld worden. Bij de beoordeling van dit criterium is het belangrijk om uit te gaan van langlopende tijdsreeksen gezien de jaarlijkse schommelingen. Verschillen in grenswaarden zijn er vaak tussen de bossen van droge tot vochtige standplaatsen (habitattypen 9110,9120,9130,9150,9160,9190) enerzijds en de bossen van natte standplaatsen (habitattypen 91E0,91F0) anderzijds. De ontwikkelingsduur van natte bossen is bv. korter dan de ontwikkelingsduur van bossen op droge en vochtige standplaatsen omdat de ontwikkeling van de structuuropbouw minder tijd inneemt en omdat kenmerkende soorten nieuwe gebieden sneller koloniseren. Daarom is de grenswaarde voor de bosconstantie bij deze bossen dan ook lager. De ontwikkelingsduur is het laagst bij habitatsubtypen 91E0_sf, 91E0_vo, mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_vm) en Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum) (91E0_vn). Ook bij de andere alluviale bossen is de bosconstantie lager dan bij de bossen van droge tot vochtige standplaatsen. Bij habitatsubtypes 91E0_vo en 91E0_sf worden de groeimogelijkheden van bomen sterk beperkt door de lokale abiotiek, waardoor de groeiklasse 7 van nature niet of slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan voorkomen. Er is in de beoordeling van deze twee habitatsubtypen dan ook geen vereiste vooropgesteld voor het voorkomen van deze groeiklassen. Ook de beoordeling van dik dood hout is hieraan aangepast. In de meeste andere natte bostypen kunnen onder meer eiken, essen en populieren wel uitgroeien tot bomen met grote diameters. In habitatsubtypen 91E0_vm en 91E0_vn kunnen zwarte elzen eveneens uitgroeien tot grote dikke bomen. In Vlaanderen hebben nagenoeg alle bossen van deze twee laatste typen een hakhoutverleden waardoor goed ontwikkelde voorbeelden voorlopig ontbreken. In de buurlanden en in WalloniĂŤ zijn hiervan echter wel goede voorbeelden bekend. Ook de grenswaarden voor verruiging zijn verschillend bij de habitat(sub)typen en dit op basis van de natuurlijke verschillen in voedselrijkdom van de standplaatsen en het van nature voorkomen van de soorten in dit bostype.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 200 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9110: Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum

11.2 Beoordelingsmatrices Habitattype 9110: Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum A Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

Pilzegge (Carex pilulifera), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Witte veldbies (Luzula luzuloides), Grote veldbies (Luzula sylvatica), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Hengel (Melampyrum pratense), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Kranssalomonszegel (Polygonatum verticillatum), Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), Schaduwkruiskruid (Senecio ovatus), Valse salie (Teucrium scorodonia), Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) Beuk (Fagus sylvatica), Wintereik (Quercus petraea), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Ruwe berk (Betula pendula), Zoete kers (Prunus avium), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Haagbeuk (Carpinus betulus), Sporkehout (Frangula alnus), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Ratelpopulier (Populus tremula), Trosvlier (Sambucus racemosa), Mispel (Mespilus germanica), Wilde appel (Malus sylvestris)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 40 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Opmerkingen

Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998). Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove ( 2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 201 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9110: Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2001); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010). Mohren et al. (2010)

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis) , Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

fosfor- of stikstofaanrijking, verzuring en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012).

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 202 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9110: Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag Habitatstructuur oppervlakte

verticale structuur horizontale structuur

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Gunstige staat ≥ 7 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

Opmerkingen

Referenties

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Cornelis et al. (2009)

≥ 70% grondvlak

≥ MSA

Thomaes & Vandekerkhove (2004) alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4%

volume aandeel tov totale houtige biomassa

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Braam sp.: ≤50% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤10% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 40 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 203 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9120: Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori petraeae of Ilici-Fagenion)

Habitattype 9120: Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Opmerking: Het onderscheid met habitattype 9190 is vaak niet evident en vele bossen bevinden zich in een overgangsfase. Vooral op de iets rijkere zandgronden evolueert 9190 snel naar 9120 tenzij er intensief beheer (begrazen, strooiselafvoer, plaggen, …) gevoerd wordt om 9190 te behouden. Daarom worden eikenberkenbossen op rijkere standplaatsen gekarteerd als 9120 (9120_qb). Op de arme zandgronden van de Kempen (voornamelijk X en Z gronden, gebaseerd op De Keersmaeker et al. 2001) is de successie naar 9120 relatief langzaam. Habitat dat getypeerd is als 9120_qb wordt niet met deze tabel maar met die van habitattype 9190 beoordeeld. A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

„9120-soorten‟: Bosanemoon (Anemone nemorosa), Dubbelloof (Blechnum spicant), Pilzegge (Carex pilulifera), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella), Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum), Ruige veldbies (Luzula pilosa), Grote veldbies (Luzula sylvatica), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Bosgierstgras (Milium effusum), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), Valse salie (Teucrium scorodonia) Vooral op arme standplaatsen kunnen alle soorten van 9190 ook in 9120 voorkomen en mogen meegenomen worden in de bedekking van de sleutelsoorten („9190-soorten‟): Struikhei (Calluna vulgaris), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Stijf havikskruid (Hieracium laevigatum), Boshavikskruid (Hieracium sabaudum), Schermhavikskruid (Hieracium umbellatum), Hengel (Melampyrum pratense), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Echte guldenroede (Solidago virgaurea), Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) Beuk (Fagus sylvatica), Wintereik (Quercus petraea), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Ruwe berk (Betula pendula), Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus), Sporkehout (Frangula alnus), Hulst (Ilex aquifolium), Zachte berk (Betula pubescens), Ratelpopulier (Populus tremula)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 40 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014) Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998); Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Verbücheln et al., 2002 Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 204 van 305

Referenties Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

Opmerkingen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9120: Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori petraeae of Ilici-Fagenion) hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus x canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap bosbehoud op lange termijn nastreven

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

Fosfor- of stikstofaanrijking, verzuring en/of bodemverdichting tegengaan.

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 205 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9120: Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori petraeae of Ilici-Fagenion)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat

Opmerkingen

≥ 7 soorten (9120 soorten) EN [9120 en 9190 soorten samen bedekkend OF aandeel 9120 en 9190 soorten samen ≥ 30%]

≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001) alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur Klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4%

Referenties

Volume aandeel tov totale houtige biomassa

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al. 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Braam sp.: ≤50% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel, Hondsdraf en Kleefkruid samen: ≤10% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 40 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 206 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9130: Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum

Habitattype 9130: Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

Beschrijving

Maatregelen

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beuk (Fagus sylvatica), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Wintereik (Quercus petraea), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Noorse esdoorn (Acer platanoides), Es (Fraxinus excelsior), Zoete kers (Prunus avium), Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus), Spaanse aak (Acer campestre), Zomerlinde (Tilia platyphyllos), Rode kornoelje (Cornus sanguinea), Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

Opmerkingen

Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Daslook (Allium ursinum), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Ruig klokje (Campanula trachelium), Boszegge (Carex sylvatica), Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana), Mannetjesvaren (Dryopteris filixmas), Amandelwolfsmelk (Euphorbia amygdaloides), Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta), Schedegeelster (Gagea spathacea), Lievevrouwebedstro (Galium odoratum), Gele dovenetel (Lamium galeobdolon), Eenbloemig parelgras (Melica uniflora), Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), Bosgierstgras (Milium effusum), Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus), Vogelnestje (Neottia nidus-avis), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella), Eenbes (Paris quadrifolia), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Aardbeiganzerik (Potentilla sterilis), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Heelkruid (Sanicula europaea), Grote muur (Stellaria holostea), Spekwortel (Tamus communis), Kleine maagdenpalm (Vinca minor), Donkersporig/Bleeksporig bosviooltje (Viola reichenbachiana/riviniana)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 20 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014) Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove ( 2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

De diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 207 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9130: Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Falopia sachalinensis) , Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Hondsdraf (Glechoma hederacea), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

fosfor- of stikstofaanrijking, verzuring en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 208 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9130: Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat ≥ 7 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

≥ MSA

aandeel dood hout

Referenties

≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

horizontale structuur

Opmerkingen

alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur Klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4%

volume aandeel tov totale houtige biomassa

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Braam sp.: ≤50% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤10% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 20 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 209 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9150: Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion

Habitattype 9150: Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion

A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Habitatstructuur oppervlakte

Beschrijving

Maatregelen

Ruig klokje (Campanula trachelium), Bleek bosvogeltje (Cephalanthera damasonium), Wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia), Bruinrode wespenorchis (Epipactis atrorubens), Ruig hertshooi (Hypericum hirsutum), Berghertshooi (Hypericum montanum), Vliegenorchis (Ophrys insectifera), Mannetjesorchis (Orchis mascula), Purperorchis (Orchis purpurea), Bergnachtorchis (Platanthera chlorantha), Gulden sleutelbloem (Primula veris), Witte engbloem (Vincetoxicum hirundinaria) Es (Fraxinus excelsior), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Wintereik (Quercus petraea), Haagbeuk (Carpinus betulus), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Hazelaar (Corylus avellana), Beuk (Fagus sylvatica), Zuurbes (Berberis vulgaris), Meelbes (Sorbus aria), Zomerlinde (Tilia platyphyllos), Zoete kers (Prunus avium), Spaanse aak (Acer campestre), Rode kornoelje (Cornus sanguinea), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), Gele kornoelje (Cornus mas), Wollige sneeuwbal (Viburnum lantana), Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum)

Opmerkingen

Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

minimum structuurareaal: 20 ha, samen te voegen met het aanliggende beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130)

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998); Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 210 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9150: Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen.

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis) , Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Harmonia database (2014)

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus x canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Klimop (Hedera helix), Bosrank (Clematis vitalba), Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota) populatietrend van het aantal bloeiende orchideeën

verdonkering

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

Stikstofaanrijking en/of bodemverdichting tegengaan. Successie terugzetten. het verdwijnen van lichtminnende doelsoorten is niet noodzakelijk uitsluitend het gevolg van verdonkering

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012) Dit bostype evolueert in Vlaanderen spontaan naar een AsperuloFagetum. Dit gaat samen met een verdonkering, afname van lichtminnende soorten en toename van Braam sp. en Klimop. Een genuanceerde beoordeling is hier noodzakelijk en onder meer afhankelijk van de aanwezige soorten en doelsoorten.

Zie §2.4 voor werkwijze Zie §2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 211 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9150: Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag sleutelsoorten in de boom- en struiklaag Habitatstructuur oppervlakte

verticale structuur horizontale structuur

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

verdonkering

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 3 soorten

Referenties

kiemplanten van bomen en struiken niet meerekenen

≥ 70% grondvlak

Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ MSA

alle vlekken van dit boshabitat samen met het aanliggend 9130 binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur Klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4% tov volume totale houtige biomassa ≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

De beoordeling van de structuur bij habitattype 9150 is vaak moeilijk of zelfs onmogelijk. Habitattype 9150 komt in Vlaanderen op kleine oppervlaktes voor en vereist een intensief beheer waardoor dikke bomen en dik dood hout nauwelijks voorkomen (Decleer, 2007). Indien de beoordeling van structuurkenmerken van dergelijke habitatvlekken op zich niet zinvol is, wordt de beoordeling op een grotere oppervlakte of op het gehele habitatwaardige boscomplex waarin de habitatvlek ligt uitgevoerd. de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GISlagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove K (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009);

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Klimop en Bosrank samen: ≤50% Braam sp.: ≤10% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤10% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10% aantal bloeiende individuen van geen enkele van de aanwezige orchideeën daalt significant met ≥ 10% /j

de meeste vindplaatsen van dit habitattype worden reeds door het ANB gemonitord op dit kenmerk.

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 50 ha

B-criterium

≥ 20 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 212 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9160: Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorende tot het Carpinion-betuli

Habitattype 9160: Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorende tot het Carpinion-betuli A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

Daslook (Allium ursinum), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Boszegge (Carex sylvatica), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana), Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Gele dovenetel (Lamium galeobdolon), Ruige veldbies (Luzula pilosa), Eenbloemig parelgras (Melica uniflora), Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), Bosgierstgras (Milium effusum), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella), Eenbes (Paris quadrifolia), Schaduwgras (Poa nemoralis), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Aardbeiganzerik (Potentilla sterilis), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Heelkruid (Sanicula europaea), Grote muur (Stellaria holostea), Bosereprijs (Veronica montana), Kleine maagdenpalm (Vinca minor), Donkersporig/Bleeksporig bosviooltje (Viola reichenbachiana/riviniana) Beuk (Fagus sylvatica), Wintereik (Quercus petraea), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Haagbeuk (Carpinus betulus), Winterlinde (Tilia cordata), Es (Fraxinus excelsior), Zoete kers (Prunus avium), Olm (G) (Ulmus spp.), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Spaanse aak (Acer campestre), Aalbes (Ribes rubrum), Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Hazelaar (Corylus avellana)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 15 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014) Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove K (1998); Criteria voor de selectie van bosreservaten in functie van een betere kadering van de vlaamse bosreservaten in een europees netwerk Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010) Mohren et al. (2010) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 213 van 305

Referenties Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

Opmerkingen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9160: Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorende tot het Carpinion-betuli hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus))

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap bosbehoud op lange termijn nastreven

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen.

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2001); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

fosfor- of stikstofaanrijking, verzuring en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 214 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9160: Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorende tot het Carpinion-betuli

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat ≥ 7 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Referenties

In de voedselarme variant is het aantal planten van nature lager dan in de neutrocliene variant (Decleer, 2007). Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

horizontale structuur

Opmerkingen

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001) alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur Klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4%

volume aandeel tov totale houtige biomassa

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Braam sp.: ≤50% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤10% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 215 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9190: Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur

Habitattype 9190: Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur Opmerking Het onderscheid met habitattype 9120 is vaak niet evident en vele bossen bevinden zich in een overgangsfase. Vooral op de iets rijkere zandgronden is dit type een successiestadium naar 9120. Op deze gronden gaat deze successie relatief snel en is er intensief beheer (begrazen, strooiselafvoer, plaggen, …) nodig om het habitat te behouden. Daarom worden eikenberkenbossen op rijkere standplaatsen gekarteerd als 9120 (9120_qb) tenzij dit intensief beheer er actueel al gevoerd wordt. Op de arme zandgronden van de Kempen (voornamelijk X en Z gronden, gebaseerd op De Keersmaeker et al. 2001) is de successie naar 9120 relatief langzaam. Zowel 9190 als 9120_qb worden met deze tabel beoordeeld. A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

„9190-soorten‟: Struikhei (Calluna vulgaris), Pilzegge (Carex pilulifera), Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Stijf havikskruid (Hieracium laevigatum), Boshavikskruid (Hieracium sabaudum), Schermhavikskruid (Hieracium umbellatum), Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum), Hengel (Melampyrum pratense), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Echte guldenroede (Solidago virgaurea), Valse salie (Teucrium scorodonia), Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) Volgende soorten mogen meegenomen worden maar duiden op overgang naar 9120 („9120soorten‟): Bosanemoon (Anemone nemorosa), Dubbelloof (Blechnum spicant), Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Witte klaverzuring (Oxalis acetosella), Ruige veldbies (Luzula pilosa), Grote veldbies (Luzula sylvatica), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Bosgierstgras (Milium effusum), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) Zomereik (Quercus robur), Wintereik (Quercus petraea), Quercus x rosacea, Ruwe berk (Betula pendula), Zachte berk (Betula pubescens), Ratelpopulier (Populus tremula), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Sporkehout (Frangula alnus) Volgende soorten mogen meegenomen worden maar duiden op overgang naar 9120: Beuk (Fagus sylvatica), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus), Hulst (Ilex aquifolium)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 50 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998); Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Verbücheln et al. (2002)

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 216 van 305

Referenties Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen

aandeel dood hout

Opmerkingen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9190: Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii))

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus), IJle zegge (Carex remota)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

fosfor- of stikstofaanrijking, verzuring en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 217 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Habitattype 9190: Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat

Opmerkingen

≥ 3 soorten (9190 soorten) EN [9120 en 9190 soorten samen bedekkend OF aandeel 9120 en 9190 soorten samen ≥ 30%]

≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001) alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

ongelijkjarig gemengd OF ingrepen op kleine schaal (tot 0,3 ha) cfr. Plenterslagstructuur OF mozaïekstructuur met grootte-orde 0,3-1 ha, cfr. femelslagstructuur klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4%

Referenties

volume aandeel tov totale houtige biomassa

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 100 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤30% EN Braam sp.: ≤30% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤10% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 40 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 218 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vc: Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum)

Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Subtype: Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) (91E0_vc) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Habitatstructuur oppervlakte

Beschrijving

Maatregelen

Bittere veldkers (Cardamine amara), Hangende zegge (Carex pendula), Slanke zegge (Carex strigosa), Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium), Paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia) Es (Fraxinus excelsior), Zwarte els (Alnus glutinosa), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Beuk (Fagus sylvatica), Hazelaar (Corylus avelanna), Aalbes (Ribes rubrum)

verticale structuur

minimum structuurareaal: 10 ha, samen te voegen met het aanliggende beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum) (91E0_va) boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Opmerkingen

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013) Waterinckx & Roelandt (2001).Cornelis et al. (2009). Decleer 2007, Uyttenbroeck et al. 2014

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap bosbehoud op lange termijn nastreven

De diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 219 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)


Subtype 91E0_vc: Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus) Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

bestrijden of beheren van exoten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

fosfor- of stikstofaanrijking en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 220 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)


Subtype 91E0_vc: Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat ≥ 2 soorten ≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4% ≥ 1 exemplaar/ha

≥ 75 jaar

Opmerkingen

Referenties

geen bedekking sleutelsoorten zie uitleg inleiding

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

de eventueel aanwezige populieren worden buiten beschouwing gelaten indien de resterende struik- en boomlaag een bedekking heeft van 70% Indien de beoordeling van de boom- en struiklaag van kleine habitatvlekken op zich niet zinvol is, wordt de beoordeling op een grotere oppervlakte of op het bosbestand waarin de habitatvlek ligt uitgevoerd. Zie ook onder habitatstructuur

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

alle vlekken van dit subtype en 91E0_va binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

Bal et al. 2001, Koop in Al et al. 1995, Vandekerkhove (1998). Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

De beoordeling van de structuur bij bronbossen is vaak moeilijk of zelfs onmogelijk omdat dit habitat nagenoeg steeds op een kleine oppervlakte voorkomt en dit omwille van de beperkte grootte van lokaal geschikte milieuomstandigheden. Vele bronbossen zijn dermate klein dat ze geen eigen boomlaag hebben maar overschaduwd worden door bomen die in de aanliggende bostypen groeien. Indien de beoordeling van structuurkenmerken van dergelijke habitatvlekken op zich niet zinvol is, wordt de beoordeling op een grotere oppervlakte of op het bosbestand waarin de habitatvlek ligt uitgevoerd. de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GISlagen (De Keersmaeker et al. 2000).

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Braam sp., Vlier, Grote brandnetel, Kleefkruid, Rietgras en Liesgras samen: ≤10% Waterpeper en Pitrus elk: Hoogstens zeer schaars

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 221 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vn: Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum)

Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Subtype: Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum) (91E0_vn) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

Beschrijving

Maatregelen

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Zwarte els (Alnus glutinosa), Zachte berk (Betula pubescens), Boswilg (Salix caprea) en andere breedbladige wilgensoorten, Aalbes (Ribes rubrum), Zwarte bes (Ribes nigrum) Sleutelsoorten van 91E0_va kunnen ook voorkomen en worden meegerekend bij de sleutelsoorten: Olm (G) (Ulmus spp.), Es (Fraxinus excelsior), Vogelkers (Prunus padus), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Hazelaar (Corylus avellana), Rode kornoelje (Cornus sanguinea), Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), Gelderse roos (Viburnum opulus)

Opmerkingen

Moeraszegge (Carex acutiformis), Oeverzegge (Carex riparia), Moesdistel (Cirsium oleraceum), Kale jonker (Cirsium palustre), Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Moeraswalstro (Galium palustre), Gele lis (Iris pseudacorus), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Hop (Humulus lupulus), Penningkruid (Lysimachia nummularia), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), Melkeppe (Peucedanum palustre), Riet (Phragmites australis), Bitterzoet (Solanum dulcamara)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 20 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen

aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

Verbücheln et al. (2002)

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 222 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vn: Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

periode dat een perceel bebost is

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia. sachalinensis) , Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

Fosfor- of stikstofaanrijking, verdroging en/of bodemverdichting tegengaan. connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010);. Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 223 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vn: Ruigt elzenbos (Filipendulo-Alnetum, Macrophorbio-Alnetum, Cirsio-Alnetum)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

≥ 10 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

≥ 70% grondvlak

de eventueel ingeplante populieren worden niet meegerekend als de resterende struik- en boomlaag een bedekking heeft van 70%

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

≥ 4%

volume aandeel tov totale houtige biomassa

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 30 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer

De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009), Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤30% EN Braam sp., Rietgras en Liesgras: ≤10% Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤30% Waterpeper en Pitrus samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 224 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vm: mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum)

Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Subtype: mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum) (91E0_vm) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

Slangenwortel (Calla palustris), Dotterbloem (Caltha palustris), Stijve zegge (Carex elata), Elzenzegge (Carex elongata), Pluimzegge (Carex paniculata), Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus), Kamvaren (Dryopteris cristata), Moeraswalstro (Galium palustre), Gele lis (Iris pseudacorus), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Blauw glidkruid (Scutellaria galericulata), Bitterzoet (Solanum dulcamara), Moerasvaren (Thelypteris palustris), Bosbies (Scirpus sylvaticus), Holpijp (Equisetum fluviatile), Waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), Wateraardbei (Potentilla palustris)

Zwarte els (Alnus glutinosa), Zachte berk (Betula pubescens), Sporkehout (Frangula alnus), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Ruwe berk (Betula pendula), Grauwe wilg (Salix cinerea), Geoorde wilg (Salix aurita), Es (Fraxinus excelsior), Zwarte bes (Ribes nigrum)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 20 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden

fenologie: groeiklassen

behoud min. aantal oude en monumentale bomen

aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 225 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Opmerkingen

Referenties Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013) Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014) Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)


Subtype 91E0_vm: mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum) hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

fosfor- of stikstofaanrijking, verdroging en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 226 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze


Subtype 91E0_vm: mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen (Carici elongatae-Alnetum)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

Gunstige staat ≥ 7 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

aandeel dood hout

invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Referenties

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend. de eventueel ingeplante populieren worden niet meegerekend als de resterende struik- en boomlaag een bedekking heeft van 70%.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha Klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig ≥ 4%

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

Opmerkingen

volume aandeel tov totale houtige biomassa

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 30 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000)

Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤30% EN Braam sp., Rietgras en Liesgras samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤30% Waterpeper en Pitrus samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 227 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vo: oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum)

Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Subtype: oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum) (91E0_vo) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

Beschrijving

Maatregelen

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Zwarte els (Alnus glutinosa), Zachte berk (Betula pubescens), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), Grauwe wilg (Salix cinerea), Boswilg (Salix caprea), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Gelderse roos (Viburnum opulus), Sporkehout (Frangula alnus), Ruwe berk (Betula pendula), Wilde gagel (Myrica gale), Geoorde wilg (Salix aurita)

Hennegras (Calamagrostis canescens), Zompzegge (Carex canescens), Sterzegge (Carex echinata), Snavelzegge (Carex rostrata), Moerasbasterdwederik (Epilobium palustre), Koningsvaren (Osmunda regalis), Veenmos (G) (Sphagnum spp.), Moerasviooltje (Viola palustris), Pijpestrootje (Molinia caerulea)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 20 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

fenologie: groeiklassen

aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout

relatief dik staand en liggend dood hout (diameterverdeling overeenkomstig met die van de levende bomen)

Opmerkingen

Referenties

Veenmos wordt hier als groep van soorten meegerekend omdat het determineren van de verschillende veenmossen vrij moeilijk is. In dit type betreft het vaak Gewimperd veenmos (Sphagnum fimbriatum), Gewoon veenmos (Sphagnum palustre) Haakveenmos (Sphagnum squarrosum) en Slank veenmos (Sphagnum flexuosum).

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al.(2013)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Waterinckx & Roelandt (2001), Cornelis et al. (2009), Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014) Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) VerbĂźcheln et al. (2002)

behoud min. aantal oude en monumentale bomen

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

voor dit bostype wordt geen strikte diameter vooropgesteld maar de diameterverdeling van de dode bomen moet overeenkomen met die van de levende bomen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 228 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_vo: oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

invasieve exoten in de boom- en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Braam sp. (Rubus sp.), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus) en IJle zegge (Carex remota)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

fosfor- of stikstofaanrijking, verdroging en/of bodemverdichting tegengaan

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 229 van 305

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)


Subtype 91E0_vo: oligotroof broekbos, inclusief elzen-berkenbroekbos en berkenbroekbos (Carici laevigata-Alnetum)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat

Opmerkingen

Referenties

≥ 3 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

≥ 70% grondvlak

de eventueel ingeplante populieren worden niet meegerekend als de resterende struik- en boomlaag een bedekking heeft van 70%.

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

Bal et al. 2001, Koop in Al et al. 1995, Vandekerkhove (1998). Thomaes & Vandekerkhove (2004); Verbücheln et al. (2002)

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

klasse 5, 6 of 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

≥ 4%

de beoordeling is hier minder streng dan bij andere bossen omdat de bomen op deze standplaats geen grote diameters kunnen halen volume aandeel tov totale houtige biomassa

Thomaes & Vandekerkhove (2004).

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 30 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000)

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Pijpenstrootje: ≤50% Braam sp., Rietgras en Liesgras samen: ≤10% Brede stekelvaren en Witbol samen: ≤10% Vlier, Grote brandnetel, Hondsdraf, Kleefkruid Waterpeper, Pitrus en IJle zegge elk: Hoogstens zeer schaars

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 230 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_va: beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum)

Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Subtype: beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum) (91E0_va) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Habitatstructuur oppervlakte

Beschrijving

Maatregelen

Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Daslook (Allium ursinum), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Dotterbloem (Caltha palustris), Pinksterbloem (Cardamine pratensis), Moerasstreepzaad (Crepis paludosa), Ruwe smele (Deschampsia cespitosa), Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea), Groot springzaad (Impatiens noli-tangere), Gele dovenetel (Lamium galeobdolon), Boswederik (Lysimachia nemorum), Eenbes (Paris quadrifolia), Slanke sleutelbloem (Primula elatior), Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), Bloedzuring (Rumex sanguineus) Zwarte els (Alnus glutinosa), Olm (G) (Ulmus spp.), Es (Fraxinus excelsior), Vogelkers (Prunus padus), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Hazelaar (Corylus avellana), Rode kornoelje (Cornus sanguinea), Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), Gelderse roos (Viburnum opulus), Aalbes (Ribes rubrum), Zwarte bes (Ribes nigrum), Zomereik (Quercus robur)

Opmerkingen

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

voorkeur geven aan inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

minimum structuurareaal: 10 ha, samen te voegen met het aanliggende Goudveil-essenbos (Carici-Remotae fraxinetum) (Pruno-Fraxinetum) (91E0_vc)

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998); Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap

De diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 231 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_va: beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis) , Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii)), Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus)

bestrijden of beheren van exoten

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

invasieve exoten in de boom-en struiklaag

invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Gewone vlier (Sambucus nigra), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus)

Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

fosfor- of stikstofaanrijking, verdroging en/of bodemverdichting tegengaan connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 232 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_va: beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos (Pruno-Fraxinetum)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 7 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009)

≥ 70% grondvlak

de eventueel ingeplante populieren worden niet meegerekend als de resterende struik- en boomlaag een bedekking heeft van 70%.

Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

alle vlekken van dit subtype en 91E0_vc binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004).

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al., 2000).

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000)

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig

aandeel dood hout hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom-en struiklaag verruiging

Referenties

≥ 4% ≥ 1 exemplaar/ha ≥ 75 jaar

hoogstens zeer schaars

Cornelis et al. (2009); Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009)

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤30% EN Braam sp., Rietgras en Liesgras: ≤10% Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤30% Waterpeper en Pitrus samen: ≤10%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 233 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_sf: zachthoutooibos(wilgenvloedbos; Salicetum albae)

Habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Subtype: zachthoutooibos (wilgenvloedbos; Salicetum albae) (91E0_sf) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

Beschrijving

Maatregelen

sleutelsoorten in de boomen struiklaag

Duitse dot (Salix dasyclados), Amandelwilg x Katwilg (Salix x mollissima), Amandelwilg (Salix triandra), Schietwilg (Salix alba), Kraakwilg (Salix fragilis), Bindwilg (Salix x rubens), Katwilg (Salix viminalis)

Opmerkingen

Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), Zwart tandzaad (Bidens frondosa), Spindotterbloem (Caltha palustris var. araneosa), Bittere veldkers (Cardamine amara), Hop (Humulus lupulus), Gele lis (Iris pseudacorus), Zomerklokje (Leucojum aestivum), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Riet (Phragmites australis), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Gele waterkers (Rorippa amphibia), Bitterzoet (Solanum dulcamara)

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (20)07; Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013) Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

voorkeur geven aan inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 25 ha

horizontale structuur

fenologie: groeiklassen

aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout

relatief dik staand en liggend dood hout (diameterverdeling overeenkomstig met die van de levende bomen)

dik dood hout laten staan

voor dit bostype wordt geen strikte diameter vooropgesteld maar de diameterverdeling van de dode bomen moet overeenkomen met die van de levende bomen

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

bosbehoud op lange termijn nastreven

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

overstromingsregime

% van het totaal aantal vloeden per jaar dat het wilgenvloedbos onder water staat op basis van GIS gegevens

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998); VerbĂźcheln et al., 2002

behoud min. aantal oude en monumentale bomen

Thomaes & Vandekerkhove; (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 234 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)


Subtype 91E0_sf: zachthoutooibos(wilgenvloedbos; Salicetum albae) Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

verruiging

Ruimtelijke samenhang A-criterium

B-criterium

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis) , Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii)), Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus) De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Rietgras (Phalaris arundinacea), Liesgras (Glyceria maxima), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine)

habitatclusteroppervlakte

bestrijden van exoten

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009); Harmonia database (2014)

Fosforaanrijking en/of verdroging tegengaan. Overstromingsdynamiek herstellen.

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 235 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91E0_sf: zachthoutooibos(wilgenvloedbos; Salicetum albae)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat ≥ 7 soorten EN [sleutelsoorten bedekkend OF aandeel sleutelsoorten ≥ 30%]

overstromingsregime Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

verruiging

Het % in de indicator slaat op het aandeel in de totale kruidlaagbedekking van de sleutelsoorten, en dus niet op een absoluut bedekkingspercentage. Kiemplanten van bomen en struiken worden hierbij niet meegerekend.

Waterinckx & Roelandt (2001); Cornelis et al. (2009) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Waterinckx & Roelandt (2001)

≥ MSA

alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

klasse 5, 6 of 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig

de beoordeling is hier minder streng dan bij andere bossen omdat de bomen op deze standplaats geen grote diameters kunnen halen volume aandeel tov totale houtige biomassa

aandeel dood hout

hoeveelheid dik dood hout bosconstantie

Referenties

≥ 70% grondvlak

Habitatstructuur oppervlakte

horizontale structuur

Opmerkingen

≥ 4%

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

≥ 1 exemplaar/ha ≥ 30 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van specifieke studies over het schelde-estuarium

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000)

≥ 40% hoogstens zeer schaars

Waterinckx & Roelandt (2001) Cornelis et al. (2009).

de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Braam sp., Rietgras, Liesgras , Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤50%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZgebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 236 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Subtype 91F0: hardhoutooibos(wilgenvloedbos; Salicetum albae)

Habitattype 91F0: Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote rivieren (Ulmenion minoris) A. Habitatkarakteristieken Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag

sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Beschrijving

Maatregelen

Look-zonder-look (Alliaria petiolata), Slangenlook (Allium scorodoprasum), Kraailook (Allium vineale), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Vingerhelmbloem (Corydalis solida), Hondstarwegras (Elymus caninus), Sneeuwklokje (Galanthus nivalis), Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum), Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum), Klimopereprijs (Veronica hederifolia), Maarts viooltje (Viola odorata) Es (Fraxinus excelsior), Zomereik (Quercus robur), Quercus x rosacea, Olm (G) (Ulmus spp.), Zwarte populier (Populus nigra), Vogelkers (Prunus padus), Meidoorn (G) (Crataegus spp.), Ratelpopulier (Populus tremula), Haagbeuk (Carpinus betulus), Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Noorse esdoorn (Acer platanoides), Schietwilg (Salix alba), Gelderse roos (Viburnum opulus), Rode kornoelje (Cornus sanguinea), Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), Wilde liguster (Ligustrum vulgare), Boswilg (Salix caprea), Gewone vlier (Sambucus nigra), Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)

Habitatstructuur oppervlakte

minimum structuurareaal: 15 ha

verticale structuur

boomlaag, struiklaag & kruidlaag (incl. moslaag)

horizontale structuur

natuurlijke mozaïekstructuur

Opmerkingen

Decleer (2007); Thomaes et al. (2008); Oosterlynck et al. (2013)

voorkeur geven aan inheemse standplaatsgeschikte boomsoorten

Decleer (2007); Uyttenbroeck et al. (2014)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998); Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden behoud min. aantal oude en monumentale bomen

fenologie: groeiklassen aandeel dood hout

volume dood hout ten opzichte van totaal volume hout

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm)

dik staand en liggend dood hout (dikke stammen, minimumdiameter 40 cm)

bosconstantie

periode dat een perceel bebost is

Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)

dik dood hout laten staan, dikke afstervende bomen niet exploiteren en voldoende bomen van het bosbestand laten staan bij eindkap bosbehoud op lange termijn nastreven

de diameter van een boom wordt gemeten op 1,30m

een lange bosconstantie is een belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van zeer veel bosorganismen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 237 van 305

Referenties

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al (2000); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010)


Subtype 91F0: hardhoutooibos(wilgenvloedbos; Salicetum albae)

overstromingsregime

frequentie van de overstromingen op basis van GIS gegevens (De Scheepvaart, 2008)

Waqua-schematisatie actuele situatie Gemeenschappelijke Maas, 2008, nv De Scheepvaart Waqua-schematisatie actuele situatie Gemeenschappelijke Maas, 2008, nv De Scheepvaart

duur van de overstromingen op basis van GIS gegevens (De Scheepvaart, 2008)

Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag

invasieve exoten in de boom-en struiklaag

invasieve exoten in de kruidlaag: onder andere: Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica (F. japonica x sachalinensis)), Sachalinese duizendknoop (Fallopia sachalinensis) , Rimpelroos (Rosa rugosa), Bonte gele dovenetel (Lamium galeobdolon subsp. argentatum), Schijnaardbei (Duchesnea indica), Douglaspluimspirea (Spiraea douglasii), Bastaardspirea (Spiraea x billardii (S. alba x douglasii)), Reuzen-, Oranje- en Tweekleurige balsemien (Impatiens glandulifera, I. capensis, I. balfourii), Gele maskerbloem (Mimulus guttatus), Moerasaronskelk (Lysichiton americanus) invasieve en bodemdegraderende exoten in de boom- en struiklaag: onder andere: Hemelboom (Ailanthus altissima), Vlinderstruik (Buddleja davidii), Amerikaanse eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Robinia (Robinia pseudoacacia), Rododendron (G) (Rhododendron spp.), uitheems naaldhout soorten die niet worden gezien als invasieve en bodemdegraderende exoten: Noorse esdoorn (Acer platanoides), Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Witte els (Alnus incana), Tamme kastanje (Castanea sativa), Witte abeel (Populus alba), Grauwe abeel (Populus canescens), Canadapopulier (Populus ร canadensis), Grove den (Pinus sylvestris), Lork sp. (Larix sp.)

verruiging

De bedekking van volgende planten wordt beoordeeld: Braam sp. (Rubus sp.), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Witbol (Holcus lanatus/mollis), Grote brandnetel (Urtica dioica), Kleefkruid (Galium aparine), Waterpeper (Polygonum hydropiper), Pitrus (Juncus effusus) en IJle zegge (Carex remota) en zones met naakte bodem door slibafzetting worden apart beoordeeld Ruimtelijke samenhang A-criterium habitatclusteroppervlakte

B-criterium

bestrijden of beheren van exoten

specifieke habitatoppervlakte in een habitatcluster

Exotische boom- en struiksoorten zijn vaak beter te beheren dan kruidlaagsoorten, anderzijds worden ze soms door de beheerder zelf aangeplant waardoor het invasief karakter minder doorslaggevend is. Daarentegen kunnen ze wel een grote impact hebben op het hele bosecosysteem bv. door bodemverzuring. Tenslotte kunnen oude uitheemse bomen ook ecologisch zeer waardevol zijn. Door al deze aspecten worden bomen en struiken hier apart behandeld.

fosfor- of stikstofaanrijking, verzuring tegengaan en/of overstromingsdynamiek herstellen

connectiviteit tussen verwante habitattypes en biotopen verhogen specifieke habitatoppervlakte verhogen in een habitatcluster, of connectiviteit verhogen tussen clusters die het specifieke habitattype bevatten

doi.org/10.21436/inbor.14061248

Dister (1980); Kisteneich (1993)

Harmonia database (2014)

Cornelis et al. (2009); Den Ouden et al. (2010); Mohren et al. (2010); Van Uytvanck & De Blust (2012)

Zie ยง2.4 voor werkwijze Zie ยง2.4 voor werkwijze

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 238 van 305

Dister (1980); Kisteneich (1993)

www.inbo.be


Subtype 91F0: hardhoutooibos(wilgenvloedbos; Salicetum albae)

B. Beoordelingsmatrix Criterium Vegetatie sleutelsoorten in de kruidlaag sleutelsoorten in de boom- en struiklaag

Gunstige staat

Opmerkingen ≥ 7 soorten

geen bedekking sleutelsoorten meer, zie uitleg inleiding

≥ 70% grondvlak

de eventueel ingeplante populieren worden niet meegerekend als de resterende struik- en boomlaag een bedekking heeft van 70%.

Thomaes & Vandekerkhove (2004)

alle vlekken van dit boshabitat binnen een aaneengesloten habitatwaardig bos (richtlijnen zie § 11.1)

Bal et al. (2001); Koop in Al et al. (1995); Vandekerkhove (1998) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Thomaes & Vandekerkhove (2004) Verbücheln et al. (2002) Thomaes & Vandekerkhove (2004)

Habitatstructuur oppervlakte

≥ MSA

verticale structuur

alle vegetatielagen minstens talrijk aanwezig

horizontale structuur

ongelijkjarig gemengd OF groepsgewijze menging met gelijkjarige groepen tot 1 ha klasse 7 aanwezig OF ≥ 3 groeiklassen aanwezig

aandeel dood hout

≥ 4%

Volume aandeel tov totale houtige biomassa

hoeveelheid dik dood hout (D>40cm) bosconstantie

≥ 1 exemplaar/ha

overstromingsregime

≥ 1/10j (en stroomvoerend )

≥ 75 jaar

de bosconstantie kan hier best bepaald worden op basis van GIS-lagen (De Keersmaeker et al. 2000).

≤ 1/j en ≤ 14 dagen durend Verstoring invasieve exoten in de kruidlaag invasieve exoten in de boom- en struiklaag verruiging

Referenties

hoogstens zeer schaars

Tack et al. (1999); De Keersmaeker et al. (2000) Dister (1980); Kisteneich (1993) Dister (1980); Kisteneich (1993) Thomaes et al. (2013); Geudens et al. (2009);

≤ 10% bedekking de bedekking van de verstoringsindicatoren is lager dan de grenswaarde: Alle onderstaande soorten samen: ≤50% EN Braam sp., Rietgras, Liesgras , Brede stekelvaren, Witbol, Vlier, Grote brandnetel en Kleefkruid samen: ≤30% Waterpeper, Pitrus en IJle zegge samen: ≤10% EN naakte bodem door slibafzetting bedekt ≤ 30%

Ruimtelijke samenhang A-criterium

≥ 150 ha

B-criterium

≥ 15 ha

enkel van toepassing in essentiële en zeer belangrijke SBZ-gebieden (volgens G-IHD)

Poelmans et al. 2015

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 239 van 305

Poelmans et al. 2015

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Literatuur. Anonym (2003). Le portail du réseau Natura 2000. République Française. http://www.natura2000.fr/ Anonym (2004a). Common Standards Monitoring guidance for lowland wetland habitats. Joint Nature Conservation Committee. Anonym (2004b). Lebensräume und Arten der FFH-Richtlinie in Nordrhein-Westfalen. Beeinträchtigungen, Erhaltungsund Entwicklungsmaßnahmen sowie Bewertung von Lebensraumtypen und Arten der FFH-Richtlinie in Nordrhein-Westfalen. Ministerium für Umwelt und Naturschutz, Landwirtschaft und Verbraucherschutz Nordrhein-Westfalen. Anonym z.d.(c). Mégaphorbiaies hydrophiles d'ourlets planitaires et des étages montagnard à alpin. Ministère de l'écologie et du développement durable, http://www.ecologie.gouv.fr/IMG/natura2000/habitats/p df/tome3/6430.pdf Anonym z.d.(d). Le réseau écologique européen Natura 2000. http://natura2000.environment.gouv.fr Abenius, J., Aronsson, M., Haglund, A., Lindahl, H., & Vik, P. (2004) Natura 2000 Monitoring in Sweden - Monitoring of habitats and species listed in the Habitats and Birds Directives. Swedish Environmental Protection Agency. Achermann B. & Bobbink R. (2003). Empirical critical loads for nitrogen. Expert Workshop Berne, 11-13 November 2002. Environmental documentation. Swiss Agency for the Environment, Forests and Landscape SAEFL, Bern. Adams, A.S., Brouwer E., Smits N.A.C. (2014) Herstelstrategie H2190A: Vochtige duinvalleien (open water). In: Smits

N.A.C., Adams A.S., Bal D., Beije H.M. (red.), Herstelstrategieën voor stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel II, Herstelstrategieën voor Stikstofgevoelige habitats en leefgebieden. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken, p. 229-249.

Adriaens D., Adriaens T. & Ameeuw G. (2012b). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitatrichtlijnsoorten. Versie 2. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2012.6. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO): Brussel. Adriaens P., Adriaens D. & Ameeuw G. (red)(2012a). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten, versie 2. Interne rapporten van het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, INBO.IR.2012.5. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO): Brussel. 204 pp. Adriaensen F., Van Damme S., Van den Bergh E., Van Hove D., Brys R., Cox T., Jacobs S., Konings P., Maes J., Maris T., Mertens W., Nachtergale L., Struyf E., Van Braeckel A., & Meire P. (2005). Instandhoudingsdoelstellingen Scheldeestuarium., Antwerpen. Adriaenssens S., Baeten L., Crabbe S., & Verheyen K. (2006). Evolutie (1985-2006) en toekomst van de jeneverbes (Juniperus communis L.) in de provincie Limburg. Universiteit Gent en Likona. Aggenbach C.J.S. & Jalink M.H. (1998a). Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in vennen : veldversie. Indicatorsoorten 5. Staatsbosbeheer, Driebergen : The Netherlands. 34pp.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 240 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Aggenbach C.J.S., Jalink M.H., & Jansen A.J.M. (1998b). De gewenste :grondwatersituatie voor terrestrische vegetatietypen van pleistoceen nederland. Swe 98(11). KIWA, Nieuwegein : The Netherlands. 72 pp. Aggenbach C.J.S. & Jalink M.H. (1998c). Indicatorsoorten voor verdroging en eutrofiëring van plantengemeenschappen in hoogvenen. Indicatorsoorten 4. Staatsbosbeheer, Driebergen : The Netherlands. 138 p. Aggenbach C.S.J. & Jalink M.H. (2005). Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in boezemlanden. Indicatorsoorten 9. Staatsbosbeheer, Driebergen : The Netherlands. 206 p. Aggenbach C.S.J., Grijpstra J., & Jalink M.H. (2007). Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in uiterwaarden. Indicatorsoorten. Staatsbosbeheer, Driebergen : The Netherlands. 194 p. Al E.J., Koop H., Meeuwissen T., Hilgen P., Smits T.F.C., Harmsen C., & Bosch A.L. (1995). Natuur in bossen. Rapport ikc natuurbeheer 14. Informatieen Kenniscentrum Natuurbeheer, Wageningen : The Netherlands. 330 p. Almendinger J.E. & Leete J.H. (1998). Peat characteristics and groundwater geochemistry of calcareous fens in the Minnesota River Basin, U.S.A. Biogeochemistry 43(1): 17-41. ARCADIS (2010). Wetenschappelijke Toetsingscommissie (WTC) in het kader van de S-IHD instrumenten voor de Habitaten Vogelrichtlijn. Beoordelingsnota.152 pp. Ampe C. (1991). Eindverslag natuurontwikkelingsplan voor de Belgische kust, 2de fase : partim bodemkunde. Onderzoek van de bodemfactor in functie van het

beheer. Laboratorium Universiteit Gent.

algemene

Arens S., Geelen L., van der hagen H., & Slings Q.R. (2007). Duurzame verstuiving in de Hollandse duinen: kans, droom of nachtmerrie. Arens Bureau voor Strand- en Duinonderzoek. Arts G.H.P. (2000). Natuurlijke levensgemeenschappen van de nederlandse binnenwateren: deel 13, vennen: achtergronddocument bij het 'handboek natuurdoeltypen in nederland'. Rapport ec-lnv 13. Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, Wageningen : The Netherlands. 80pp. Arts G.H.P., van Beers P.W.M., & Belgers J.D.M. (2001). Herstelbeheer in vennen en de floristische samenstelling van isoëtide begroeiingen in de periode 1980-1999. Stratiotes 23: 33-39. Arts

G.H.P. (2002). Deterioration of atlanticsoft water macrophyte communities by acidification, eutrophication and alkalinisation. Aquatic Botany 73(4): 373-393.

Aubroeck B., Huybrechts W., & De Becker P. (1998). Verkennend ecohydrologisch onderzoek van de Demervallei tussen Diest en Werchter. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud, 1998(05). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel: Belgium. 99 pp. Bakker J.P., Esselink P., van der Wal R., & Dijkema K.S. (1997). Options for restoration and management of coastal salt marshes in Europe. In: Urbanska K.M., Webb N.R., & Edwards P.J., (eds.) Restoration ecology and sustainable development. Cambridge University Press: 286-322. Bakker T., Everts H., Jungerius P., Ketner-Oostra R., Kooijman A., van Turnhout C., & Esselink H. (2003). Preadvies Stuifzanden. Ede/Wageningen, Nederland. Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 241 van 305

bodemkunde,

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Bakker T.W.M., Klijn J.A., & van Zadelhoff F.J. (1979). Duinen en duinvalleien : een landschapsecologische studie van het Nederlandse duingebied. Pudoc, Wageningen. Bal D., Beije H.M., Fellinger M., Haveman R., Van Opstal A.J.F.M., & van Zadelhoff F.J. (2001). Handboek natuurdoeltypen. Rapport expertisecentrum lnv 20. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Wageningen : The Netherlands. 832 p. Barker T., Hatton K., O‟Connor M., Connor L., & Moss B. (2008). Effects of nitrate load on submerged plant biomass and species richness: results of a mesocosm experiment. Fundamental and Applied Limnology 173(2): 89-100. Barkman J.J. & van Zanten B.O. (1966). De najaarsexcursie 1966 naar Drenthe. Buxbaumia, 20(1/2), 64-95. Bauwens D. & Claus K. (1996). Verspreiding van amfibieën en reptielen in Vlaanderen. De Wielewaal, Turnhout. Beeftink W.G. (1965). De zoutvegetatie van ZW-Nederland beschouwd in Europees verband. Mededeling Landbouwhogeschool Wageningen 65-1. Bennet A.F., Radford J.Q., Haslem A. (2006). Properties of land mosaics: implications for nature conservation in agricultural landscapes. Biological Conservation (133), 250-264. Bijlsma R.J., Aptroot A., Van Dort K.W., Haveman R., Van Herk C.M., Kooijman A.M., Sparrius L.B., Weeda E.J. (2009) Pre-advies mossen en korstmossen. Directie Kennis, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Blokland K.A. & Kleijberg R.J.M. (1997). De gewenste grondwatersituatie voor terrestrische natuurdoelen: holoceen nederland. Nov-rapport 3(2). Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA), Zoetermeer : The Netherlands. 210 p.

Bobbink R. (1991). Effects of nutrient enrichment in Dutch chalk grassland. Journal of applied ecology 28, 28-41. Bobbink R. & Roelofs J.G.M. (1995). Effecten van stikstofhoudende luchtverontreiniging op vegetaties, een overzicht. Nijmegen, Nederland. Technische commissie bodembescherming. 77 p. Bobbink R., Brouwer E., ten Hoopen J.G. & Dorland E. (2004). Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: van Duinen et al. (eds.), Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur, EC-LNV, Ede; pp. 33-69. Bobbink, R.; De Graaf, M.C.C.; Verheggen, G.M. & Roelofs, J.G.M. (1998). Heeft het heischrale milieu in Nederland nog toekomst? ISBN 90-9011598-6., 194 pp. In: Bobbink, R.; Roelofs, J.G.M.; Tomassen, H.B.M. (1998). Effectgerichte maatregelen en behoud biodiversiteit in nederland. Katholieke Universiteit Nijmegen: Nijmegen : The Netherlands. pp. 131-156. Boertmann D. (1995). The Genus Hygrocybe. FUNGI NORTHERN EUROPE. Danish Mycological Society.

Boeye D. (1992). Hydrologie, hydrochemie en ecologie van een grondwaterafhankelijk veen. Doctotaatsproefschrift. Universitaire Instelling Antwerpen (UIA), Departement Biologie, Wilrijk. 146 p. Boeye D., Van Haesebroeck V., Verhagen B., Delbaere B., Hens M., & Verheyen R.F. (1996). A local rich fen fed by calcareous seepage from an artificial river water infiltration system. Plant Ecology 126(1): 51-58. Bottin G., Etienne M., Verté P., & Mahy G. (2005). Methodology for the elaboration of Natura 2000sites designation acts in the Walloon Region (Belgium): calcareous grasslands

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 242 van 305

OF

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

in the Lesse-and-Lomme area. Biotechnologie, Agronomie, Société et Environnement, v.9. Broekmeyer M. & Steingröver E. (red.) (2001). Handboek robuuste verbindingen. Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, Wageningen. Brouwer E. & Roelofs J.G.M. (2001). Degraded softwater lakes: Possibilities for restoration. Restoration Ecology 9(2): 155-166. Brys, R.; Ysebaert, T.; Escaravage, V.; Van Damme, S.; Van Braeckel, A.; Vandevoorde, B. & Van den Bergh, E. (2005). Afstemmen van referentiecondities en evaluatiesystemen in functie van de krw: afleiden en beschrijven van typespecifieke referentieomstandigheden en /of mep in elk vlaams overgangswatertype vanuit de - overeenkomstig de krw - ontwikkelde beoordelingssyste. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud, 2005(7). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 178 pp Bunce R.G.H., Groom G.B., Jongman R.H.G. & Padoa-Schioppa E. (eds.) (2005). Handbook for Surveillance and Monitoring of European Habitats. First Edition. Alterrarapport 1219, Alterra, Wageningen, 107 pp. Bunce R.G.H., Metzger M.J., Jongman R.H.G., Brandt J., De Blust G., Elena-Rossello R., Groom, G.B., Halada L., Hofer G., Howard D.C., Kovar P., Mücher C.A., Padoa-Schioppa E., Paelinckx D., Palo A., Perez-Soba M., Ramos I.L., Roche P., Skånes H. & Wrbka T. (2008). A standardized procedure for surveillance and monitoring European habitats and provision of spatial data. Landscape Ecology 23: 11-25. Bunce

R.G.H., Bogers M.M.B., Roche P., Walczak M., Geijzendorffer I.R. and Jongman R.H.G. (2011). Manual for Habitat and Vegetation Surveillance and Monitoring: Temperate, Mediterranean and Desert Biomes. First edition. Wageningen, Alterra, Alterra report 2154. 106

pp.; 15 fig.; 14 tab.; 35 ref.Bundesamt für Naturschutz [z.d.]. Bewertungsschemata (Natura 2000). http://www.bfn.de/0316_bewertungsschemata+M5054d e7a952.html Callebaut J., De Bie E., De Becker P. & Huybrechts W. (2007). NICHE Vlaanderen : SVW : 1-7. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel : Belgium. 252 p. Carroll, J.A., Johnson, D., Morecroft, M. Taylor, A., Caporn S.J.M., Lee, J.A. (2000). Effects of long-term nitrogrn additions on the bryophyte cover of upland acidic grasslands; Journal of Bryology 22, 83-89. CIW (2008). Voorontwerp van besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning en van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, houdende wijziging van de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater en de milieukwantiteitsnormen voor grondwater. Goedgekeurd door CIW, december 2008. Clarysse (2009). ANB-richtlijn voor definitie bos, ontbossen en open plekken binnen het bos. Agentschap voor Natuur en Bos, Brussel. Clifton S.J., Ward L.K. & Ranner D.S. (1997). The status of juniper Juniperus communis L. in north-east England. Biological conservation 79, pp. 67-77. Conway V.M. (1942). Cladium mariscus. Ecology, 216.

Cornelis J., Hermy M., De Keersmaeker L. & Vandekerkhove K. (2007). Bosplantengemeesnchappen in Vlaanderen : een

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 243 van 305

30(1), 211-

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

typologie van bossen op basis van de kruidachtige vegetatie. INBO.R.2007.1. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 1. Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Geraardsbergen : Belgium. Cornelis, J.; Hermy, M.; Roelandt, B.; De Keersmaeker, L. & Vandekerkhove, K. (2009). Bosplantengemeenschappen in Vlaanderen : een typologie van bossen gebaseerd op de kruidlaag. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 5. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel : Belgium. ISBN 9789040303029. 316 pp. Couvreur J.-M. & Peeters A. (2005). Fiches descriptives complètes-Natura 2000-ECOP. Version 04/02/2005.Louvain-la-Neuve, Laboratoire d‟Ecologie des Prairies UCL. Couvreur J.-M., Godeau J.-F., Delascaille L.-M., & Peeters A. (2006). Les mégaphorbiaies à Filipendula ulmaria de Wallonie ne sont pas toutes des Habitats Natura 2000 : comment s'y retrouver? Dumortiera 90: 1-9. CRNFB (2006). Cahiers 'Natura 2000'. Habitats de l'Annexe I de la Directive Habitats présents en Wallonie. Version 3 provisoire. Centre de Recherche de la Nature, des Forêts et du Bois; Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement. Ministère de la Région wallonne. 580 p. Curtis C.J., Emmett B.A., Grant H., Kernan M., Reynolds B., Shilland E. (2005) Nitrogen saturation in UK moorlands : the critical role of bryophytes and lichens in determining retention of atmospheric N deposition. Journal of Applied Ecology 42 : 507-517 Cushman et al. (2008). Parsimony in landscape metrics: Strength, universality, and consistency. ECOLOGICAL INDICATORS

De Beer D. & Stieperaere H., (2014) Waardebepaling van hoogveenrelicten in de Antwerpse Kempen op basis van de floristische samenstelling. Vlaamse werkgroep bryologie en lichenologie i.s.m. Agentschap Plantentuin Meise. De Becker P., Jochems H., & Huybrechts W. (2004). Onderzoek naar de abiotische standplaatsvereisten van verschillende beekbegeleidende alno-padion & alnion incanae-gemeenschappen. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud 17. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Belgium. 165 pp. De Becker P. (2005). Standplaatseisen van vochtige heide en venige heide en hun voorkomen op het Groot Schietveld (Prov. Antwerpen). Advies van het Instituut voor Natuurbehoud, IN.A.2005-22. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Belgium. 3 p. De Blust G. (2004). Heide en heidebeheer. In: Hermy M. & De Blust G. (red.). Natuurbeheer. Uitg. Davidsfonds i.s.m. ARGUS vzw, Natuurpunt. De

Keersmaeker L., Esprit M., & De Vos B. (2000). Ecosysteemvisie bos vlaanderen : ruimtelijke uitwerking van de natuurlijke bostypes op basis van bodemgroeperingseenheden en historische boskaarten : vlina c97/06b : 2de tussentijds rapport 15/3/2000. Rapporten van het instituut voor bosbouw en wildbeheer - sectie bosbouw 003. Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Geraardsbergen : Belgium. 51 pp.

De Knijf, G., Adriaens, D., Van Elegem, B. & Paelinckx, D. (2013). Natura 2000 habitattypen - Meer dan flora! Natuur.focus, 12: 109-120. De Knijf, G. & Paelinckx D. (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen. INBO.A.2013.139

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 244 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

De Knijf, G., Anselin, A., Goffart, P. & Tailly, M. eds. (2006). De libellen (Odonata) van België: verspreiding - evolutie habitats. Libellenwerkgroep Gomphus ism Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 368 pp. De

Zuttere Ph. (1983). Aperçu bryosociologique des tufs calcaires actifs de moyenne et de haute Belgique. In: Géhu J.-M. (ed.), Colloques phytosociologiques X. Végétations aquatiques, Lille 1981, pp. 279-293.

Den Ouden J., Muys B., Verheyen K., & Mohren G.M.J. (2010). Bosecologie en bosbeheer. Acco. Leuven Decleer K. (1986). Het natuurreservaat 'de ijzermonding' te nieuwpoort: oecologische aspecten en suggesties voor beheer. Belgische Natuur- en Vogelreservaten (BNVR), Brussel : Belgium. Decleer K. (2007). Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee : habitattypen : dier- en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 1. Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Brussel : Belgium. 584 pp. Decleer

K. (2008). Ecological restoration in Flanders. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 4. [INBO.M.2008.4]. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel : Belgium. 160 pp.

Declercq E. & Demoor G. (1996). Geomorfologie. In: Provoost S. & Hoffmann M. Ecosysteemvisie voor de Vlaamse kust. 1. Ecosysteembeschrijving: Brussel, Universiteit Gent & Instituut voor Natuurbehoud in opdracht van AMINAL, Afdeling Natuur. p.48-86. Demolder H. & Adams Y. (2006). Databank Natura2000 grasslandhabitats. Digitaal bestand van het Instituut voor natuur- en bosonderzoek.

Een hiërarchisch monitoringssysteem voor beheersevaluatie van natuurreservaten in Vlaanderen. 141pp. + CD-Rom. Brussel, Instituut voor Natuurbehoud i.o.v. Aminal, Afd. Natuur. Dennis R.L.H., Shreeve T.G. & Van Dyck H. (2003.) Towards a functional resource-based concept for habitat: a butterfly biology viewpoint. Oikos 102: 417-426. Denys L., Moons V., & Veraart B.r. (2000). Ecologische typologie en onderzoek naar een geïntegreerde evaluatiemethode voor stilstaande wateren op regionale schaal: hoekstenen voor ontwikkeling, herstel en opvolging van natuurwaarden. Universiteit Antwerpen, departement Biologie: Antwerpen. 81 pp. Denys L., Packet J., Provoost S. (in voorbereiding). De vegetatie van duinwateren aan de Vlaamse kust: kenmerken en beheer als uitgangspunt voor het bepalen van de lokale staat van instandhouding. Rapporten Instituut voor natuurbehoud, Brussel. Denys L., Packet J. & Van Landuyt W. (2004). Neofyten in het Vlaamse water : signalement van vaste waarden en rijzende sterren. Natuur.focus 3(4): pp. 120-128. Denys L., Packet J. & Van Wichelen J. (2005). Algemene schets van fysisch-chemische waterkwaliteitsdoelstellingen voor zachtwatervegetaties m.b.t. de Kraenepoel te Aalter. Advies IN.A.2005.8. Instituut voor natuuren bosonderzoek, Brussel. Denys

L. & Van Wichelen J. (2007). Schatting van watertypespecifieke achtergrondconcentraties en mogelijke grenswaarden van totaalfosfor voor Vlaamse stilstaande wateren t.b.v. de Europese Kaderrichtlijn Water. Advies INBO.A.2007.87. Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Brussel.

Demeulenaere, E., Schollen, K., Vandomme, V., T'Jollyn, F., Hendrickx, F., Maelfait, H.-P. & Hoffmann, M., (2002). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 245 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Denys L. (2009). Een a priori typologie van stilstaande wateren in Vlaanderen. Instituut voor natuur- en bosonderzoek, Brussel. DG Environment (2017). Reporting under Article 17 of the Habitats Directive. Explanatory Notes & Guidelines for the period 2013–2018. European Environment Agency and its European Topic Centre on Biological Diversity. Brussels DiBari, J.N. (2007). Evaluation of five landscape-level metrics for measuring the effects of urbanization on landscape structure: the case of Tucson, Arizona, USA. LANDSCAPE AND URBAN PLANNING Dierssen K. (1982). Die wichtigsten Pflanzengesellschaften der Moore NWEuropas. Conservatoire et jardin botaniques, Genève, 382 p. Dierssen K. & Dierssen B. (2001). Ökosysteme Mitteleuropas aus geobotanischer Sicht. Moore. Eugen Ulmer, 233 p. Dirkse G.M. (1993). Bostypen in nederland. Wetenschappelijke mededelingen KNNV 208, pp. 1-166. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht : The Netherlands. Dister E. (1980). Bemerkungen zur ökologie und soziologische Stellung der Auenwälder am nördlichen Oberrhein. [Colloques phytosociologiques IX; les forêts alluviales], pp. 343-363. Strassbourg.

Dorland E., Bobbink R., Soons M. & Rotthier S. (2011). Dalende stikstofdepositie is niet afdoende voor herstel van droge heischrale graslanden. De Levende Natuur. Jaargang 112 vol 4: 220-224 Dreesen R. & Janssen A. (1998). Voorkomen en gebruik van kalktuf in Zuid-Limburg. In: Stevens J. & Crêvecoeur L. (eds.), Likona jaarboek 1997, Hasselt. pp.11-21. Dumortier M., De Bruyn L., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T., Weyembergh G., & Van Straaten D. (2003). Natuurrapport 2003: toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. [IN.MED.21]. Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud 21. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel : Belgium. ISBN 90-403-0178-8. pp.352. Dupae E. (2004). De Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel in Zammelen . Natuurhistorisch Maandblad 93: p. 241246. Duvigneaud P. & Vanden Berghen C. (1945). Associations tourbeuses en Campine occidentale. Biologisch Jaarboek Dodonea 12: pp. 53-90. Ellmauer T. & Essl F. (2005). Entwicklung von Kriterien, Indikatoren und Schwellenwerten zur Beurteilung des Erhaltungszustandes der Natura 2000-Schutzgüter. Band 3: Lebensraumtypen des Anhangs I der Fauna-FloraHabitat-Richtlinie., Wien. 618 p.

Doody J.P. (2008). Saltmarsh conservation, management and restoration. Coastal systems and continental margins volume 12. Springer.

Emmett

B.A. (2007) Nitrogen Saturation of Terrestrial Ecosystems : Some recent findings and their implicatons for our conceptual framework. Water Air and Soil Pollution : Focus (2007) 7 : 99-109.

Dorland E. (2004). Ecological restoration of wet heaths and matgrass swards: bottlenecks and solutions. Universiteit Utrecht, Utrecht, The Netherlands. ISBN 90-393-3695-4. pp.192.

European Commission, DG Environment (2005). Assessment, monitoring and reporting of conservation status – Preparing the 2001-2007 report under Article 17 of the Habitats Directive. Note to the Habitats Committee, 15 March DocHab-04-03/03 rev.3.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 246 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

European Commission, DG Environment (2007). Interpretation Manual of European Union Habitats - EUR 27. Publication of the European Commission, DG Environment, Nature and biodiversity. European Commission. (2016). EU Regulation 1143/2014 on Invasive Alien Species. European Environment Agency (2006). EUNIS (European Nature Information System) biodiversity database, http://eunis.eea.europa.eu/index.jsp European Environmental Agency (2011). Landscape fragmentation in Europe. EEA Report No 2/2011. Copenhagen. 87 pp. Europese Commissie (2011). Uitvoeringsbesluit van de commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden. Publicatieblad van de Europese Unie, 30.7.2011, L198/39 - 70 Evans D. & Arvela M. (2011). Assessment and reporting under Article 17 of the Habitats Directive. Explanatory Notes & Guidelines for the period 2007-2012. European Topic Centre on Biological Diversity.123 pp. Evers N. (2007). Getalswaarden bij de goede ecologische toestand voor oppervlaktewater voor de algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen temperatuur, zuurgraad, doorzicht, zoutgehalte en zuurstof. Stowa, Utrecht. Fahrig L. (2013). Rethinking patch size and isolation effects: the habitat amount hypothesis. Journal of Biogeography, Vol 40, 1649-1663. Fellinger M., Kok T., Lof M., & van der Meij V. (2004). Stroomlijning Kaderrichtlijn Water en de Habitatrichtlijn. Verkenning van mogelijke conflicten tussen doelstellingen van beide richtlijnen en wensen voor

oplossingen. Expertisecentrum LNV, Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ede.

Flintrop T. (1994). Ökologische Charakterisierung des Caricetum davallianae durch Grundwasserstands- und pH-Messung. Berichte der Reinhold-Tüxen-Gesellschaft 6: pp 83-100. Fojt W.J. (1993). Update to quick reference to fens. English Nature Research Reports 21. English Nature, Peterborough, UK. 31 p. Fresenius W., Quentin K.E., & Schneider W. (1988). Water analysis: a practical guide to physico-chemical, chemical and microbiological water examination and quality asssurance. Springer, Berlin : Germany. Ghesquiere U., De Brouwere K., Thijs A. & Merckx R. (2002). Abiotische onderbouwing van kwetsbare natuurtypen m.b.t. de thema‟s verdroging, verzuring en vermesting. Onderzoeksopdracht MINA/112/00/03. Katholieke Universiteit Leuven (KUL), Faculteit Landbouwkundige en Toegepaste Biologische wetenschappen, Departement Landbeheer, Laboratorium voor Bodemvruchtbaarheid en Bodembiologie, Leuven. Giller K.E. & Wheeler B.D. (1986). Past peat cutting and present vegetation patterns in an undrained fen in the Norfolk Broadland. Journal of Ecology 74(1): p. 219-247. Gonzales Sagrario M.A., Jeppesen E., Goma J., Sondergaard M., Lauridsen T., & Landkildehus F. (2005). Does high nitrogen loading prevents clear-water conditions in shallow lakes at intermediate high phosphorus concentrations. Freshwater Biology 50: p. 27-41. Gossner M.M. (2004): Diversität und Struktur arborikoler Arthropodenzönosen fremdländischer und einheimischer Baumarten. Ein Beitrag zur Bewertung des Anbaus von Douglasie (Pseudotsuga menziesii (MIRB.) FRANCO) und Roteiche (Quercus rubra L.). NEOBIOTA 5: 319 pp.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 247 van 305

van

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Gossner M.M., Chao A., Bailey R.I. & Prinzing A. (2009). Native fauna on exotic trees: Phylogenetic conservatism and geographic contingency in two lineages of phytophages on two lineages of trees. American Naturalist Vol.173: p. 599-614.

Heutz G. & Paelinckx D. (2005). Natura 2000 habitats: doelen en staat van instandhouding. Versie 1.0 (ontwerp). Onderzoeksverslag [IN.O.2005.03]. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud, 2005(3). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. pp. 296.

Griffith, G.W., J.L. Bratton & G.L. Easton (2004). Charismatic megafungi: the conservation of waxcap grasslands. British Wildlife, 15(3), pp. 31-43

Hoffmann M. (1993). Vegetatiekundig-ecologisch onderzoek van de buitendijkse gebieden langs de zeeschelde met vegetatiekartering: voorlopige versie. Universiteit Gent (RUG), Laboratorium Morfologie, Systematiek & Ecologie van de Planten, Gent : Belgium.

Geudens G., Vanhellemont M. & Nyssen B. (2009). De wisselende rol van Amerikaanse vogelkers in het bosbeheer. Bosrevue 29. p. 1-7. Haddad M.N., Gonzalez A., Brudvig L.A., Burt M.A. Levey D.J. & Damschen E.I. (2017). Experimental evidence does not support the habitat amount hypothesis. Ecography 40, 48-55. Hanski I. (2015). Habitat fragmentation and species richness. Journal of Biogeography, Vol 42, 989-994. Harmonia database (2014). Belgian Forum on Invasive Species, accessed on 24 July 2014 from http://ias.biodiversity.be Haworth B.J., Ashmore M.R., Headley A.D. (2007). Effects of nitrogen deposition on bryophyte species composition of calcareous grasslands. Water Air and Soil Pollution: Focus (2007) 7:11-117. Heinis F. & Evers C.H.M. (2007). Afleiding getalswaarden voor nutriënten voor de goede ecologische toestand voor natuurlijke wateren. Stowa, Utrecht. Hennekens S.M., Schaminée J.H.J. & Stortelder A.H.F. (2001). SynBioSys, een biologisch kennissysteem ten behoeve van natuurbeheer, natuurbeleid en natuurontwikkeling (3.4.5.). rapport U.I.A., Antwerpen. Hennekens S.M., Smits N.A.C., & Schaminée J.H.J. (2010). SynBioSys Nederland versie 2. Alterra, Wageningen UR.

Hoffmann M., Van Landuyt W., & Provoost S. (2004). Blad-, lever- en korstmossen. In: Provoost S. & Bonte D. eds.: Levende duinen: een overzicht van de biodiversiteit aan de Vlaamse kust. Brussel, Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 22, p. 84-105. Huybrechts W., Batelaan O., De Becker P., Joris I., & van Rossum P. (2000). Ecohydrologisch onderzoek waterrijke vallei-ecosystemen. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud, 2000(12). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 281 pp. Jacquemyn H., Brys R., & Hermy M. (2003). Short-term effects of different management regimes on the response of calcareous grassland vegetation to increased nitrogen. Biological conservation vol111, p.137-147. Jacquemyn, H. et al. (2011). Management effects on the vegetation and soil seed bank of calcareous grasslands: results from an 11-year experiment. Biological Conservation, 144 (1), 416-422.

Jalink L.M., Keizer P.J., Brouwer E., Dourves R., Immerzeel G.J., Nauta M.M., Tolsma L.P., & van Tweel M. (2001). Oog voor paddestoelen: tips voor beheersmaatregelen gericht op behoud en herstel van mycologische waarden. Coolia 44(4):p. 233-249.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 248 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Jalink M.H. & Jansen A.J.M. (1995). Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van grondwaterafhankelijke beekdalgemeenschappen. Indicatorsoorten 2. p.1-146. Staatsbosbeheer, Driebergen : The Netherlands. Jalink M.H. (1996). Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring in laagveenmoerassen. Indicatorsoorten (3). Staatsbosbeheer, Driebergen. 178 p. James C., Fisher J., Russel V., Collings S., & Moss B. (2005). Nitrate availability and hydrophyte species richness in shallow lakes. Freshw.Biol. Vol.50: p. 1049-1063. Janssen A., Swennen R., Podoor N. & Keppens E. (1999). Biological and diagenetic influence in recent and fossil tufa deposits from Belgium. Sedimentary Geology, 126(1-4), 75-95.

Natuurbehoud, 2002(27). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 67 p. Keizer P.J. (2003). Paddestoelvriendelijk natuurbeheer. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht : The Netherlands. Kelly M.L. (1993). Hydrology, hydrochemistry and vegetation of two raised bogs in County Offaly. Ph.D.Thesis, University of Dublin, Trinity College, Dublin, 192 p. Kisteneich S. (1993). Die auenbegleitenden Scharzerlen- und Stieleichen-Hainbuchenwälder des Bergischen Landes. Dissertationes botanicae, band 209. Berlin Stuttgart, J. Cramer. Klijn J.A. (1981). Nederlandse kustduinen : geomorfologie en bodems. Doktoraatsthesis. Pudoc, Wageningen.

Janssen, J.A.M. &; Schaminee, J.H.J. (2003). Europese natuur in nederland : habitattypen. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging: Utrecht : The Netherlands. ISBN 90-5011-166-1. 120 p.

Knol W.C. & Nijhof B.S.J. (2004). Jeneverbes in de verdrukking; een integrale verkenning van de verjongingsproblematiek. Alterra-rapport 942, Alterra, Wageningen : The Netherlands. 107 pp.

Jefferson R.G. (1997). Distribution, status and conservation of Alopecurus pratensis -Sanguisorba officinalis flood-plain meadows in England. Research Report N°249, p6. English Nature, Peterborough.

Koerselman W., Kerkhoven M.B.V., & Verhoeven J.T.A. (1993). Release of inorganic N, P and K in peat soils; effect of temperature, water chemistry and water level. Biogeochemistry Vol.20(2), pp. 63-81.

Jeppesen E., Sondergaard M., Meerhoff M., Lauridsen T.L., & Jensen J.P. (2007). Shallow lake restoration by nutrient loading reduction - some recent findings and challenges ahead. Hydrobiologia Vol.584. pp.239-252.

Kooijman A.M. & Westhoff V. (1995). Variation in habitat factors and species composition of Scorpidium scorpioides communities in NW-Europe. Plant Ecology Vol.117(2), pp.133-150.

JNCC (2004). Common Standards Monitoring Guidance for Lowland Heathland. Version February 2004. Joint Nature Conservation Committee (JNCC), UK. ISSN 1743-8160

Kooijman A.M. & van der Meulen F. (1996). Grazing as a control against 'grass-encroachment' in dry dune grasslands in the Netherlands. Landscape and Urban Planning Vol.34, p.323-333.

Jochems, H.; Schneiders, A.; Denys, L. & Van den Bergh, E. (2002). Typologie van de oppervlaktewateren in vlaanderen: eindrapport. Verslag van het Instituut voor

Kooijman A.M., Dopheide J.C.R., Sevink J., Takken I., & Verstraten J.M. (1998). Nutrient limitations and their

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 249 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

implications on the effects of atmospheric deposition in coastal dunes; lime-poor and lime-rich sites in the Netherlands. Journal of Ecology Vol.86(3), p.511-526. Koop,

H. & Van der Werf, S. (1995). Natuurlijke bosgemeenschappen a-lokaties en boscomplexen; achtergronddocument bij de ecosysteemvisie. Ibnrapport, 162. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek: Wageningen : The Netherlands. 230 pp.

Leten M. (1992). Vegetatie- en landschapsontwikkeling in de duinen van de Westkust. In: Termote J. Tussen land en zee, het duingebied van Nieuwpoort tot De Panne. p. 158-189. Lannoo, Tielt.

Kros J., de Haan B.J., Bobbink R., van Jaarsveld J.A., Roelofs J.G.M., & de Vries (2008). Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur. Alterra-rapport 1698, Alterra, Wageningen : The Netherlands.

Leten M., Van Nieuwenhuyse H., & Herrier J.-L. (2005). Invasive scrub and trees in the coastal dunes of Flanders (Belgium): an overview of management goals, actions and results. In: J.-L. Herrier, J. Mees, A. Salman, L. Seys, H. Van Nieuwenhuyse and I. Dobbelaere eds., Proceedings Dunes & Estuaries 2005. International conference on nature restoration practices in european coastal habitats: VLIZ Special Publication 19, p. 111127.

Landesanstalt für Ökologie, Bodenordnung und Forsten Nordrhein-Westfalen (LÖBF) (2002). Kartierhilfe für die Erfassung der FFH-Gebiete in NRW: LÖBF. 101 pp.

Levins R. (1970). Extinction. In: Gerstenhaber, M. (ed.). Some mathematical problems in biology. American Mathematical Society, Providence: 77-107.

Landesamt für Umwelt und Geologie Sachsen. Erfassung und Bewertung der Lebensraumtypen nach Anhang I der FFH-Richtlinie (Richtlinie 92/43/EWG) in den FFHGebieten des Freistaates Sachsen. Sächsisches Staatsministerium für Umwelt un Landwirtschaft. http://www.umwelt.sachsen.de/lfug/naturlandschaftsschutz_15110.html

Leyssen A., Adriaens P., Denys L., Packet J., Schneiders A., Van Looy K., & Vanhecke L. (2005). Toepassing van verschillende biologische beoordelingssystemen op Vlaamse potentiële interkalibratielocaties overeenkomstig de Europese Kaderrichtlijn Water partim "macrofyten". IN.R.2005.05.

Laurijssens, G.; De Blust, G.; De Becker, P. & Hens, M. (2007). Opmaak van een standaardprotocol voor herstelbeheer van natte heide en vennen en toepassing ervan op Groot en Klein Schietveld, Tielenkamp en Tielenheide : het standaardprotocol verkort. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(38). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel : Belgium. 37 pp. Lee J.A. & Ignaciuk R. (1985). The physiological ecology of strandline plants. Vegetatio Vol.62: p. 319-326. Leten M. (1989). Distribution dynamics of orchid species in Belgium: past and present distribution of thirteen species. Mém.Soc.Roy.Bot.Belg. Vol.11: p. 133-155.

Leyssen A., Denys L., Schneiders A., Van Looy K., Packet J., & Vanhecke L. (2006). Afstemmen van referentiecondities en evaluatiesystemen voor de biologische kwaliteitselementen macrofyten en fytobenthos en uitwerken van een meetstrategie in functie van de Kaderrichtlijn Water. IN.R.2006.09. Leyssen A., Denys L., Packet J., Schneiders A., Van Looy K., Paelinckx D. (2012). Indicatieve situering van het Natura 2000 habitattype 3260, submontane - en laaglandrivieren met vegetaties behorende tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion. Versie 1.4. Digitaal bestand. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 250 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Lissner J., Mendelssohn I.A., Lorenzen B., Brix H., McKee K.L. & Miao S.L. (2003). Interactive effects of redox intensity and phosphate availability on growth and nutrient relations of Cladium jamaicense (Cyperaceae). American Journal of Botany, 90(5), 736-748. Lock K., Van Wichelen J., Packet J., Simoens I., Van Looy K., Louette G., Warmoes T., Denys L., & Leyssen A. (2007). Bepalen van het maximaal en het goed ecologisch potentieel, alsook de huidige toestand, voor een aantal Vlaamse (gewestelijke) waterlichamen die vergelijkbaar zijn met de categorie meren – Deel I. Rapport INBO.R.2007.51. Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek, Brussel. Lommaert L., Adriaens D., Pollet M. (eds.) (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoorten in Vlaanderen. Versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (28). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel Louette G., Adriaens D., De Knijf G. & Paelinckx D. (2013). Staat van instandhouding (status en trends) habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn (rapportageperiode 20072012). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (INBO.R.2013.23). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Louette G., De Knijf G., Pollet M. & Paelinckx D. (2015). Actualisatie van de Europese standaardgegevensformulieren voor Vlaanderen in uitvoering van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015 (INBO.R.2015.7125262). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Louette G. (2015). Ruimtelijke context als criterium voor de beoordeling van de staat van instandhouding bij habitattypen. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2015.7158958. Brussel.

Louette G., Van Wichelen J., Packet J., Desmedt S., & Denys L. (2008). Bepalen van het maximaal en het goed ecologisch potentieel, alsook de huidige toestand voor de zeventien Vlaamse (gewestelijke) waterlichamen die vergelijkbaar zijn met de categorie meren – tweede deel, partim Blokkersdijk. Rapport INBO.R.2008.48. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. MacArthur R.H. & Wilson E.O. (1967). The theory of island biogeography. Monographs Population Biology 1: 1-215. Maes D., Vanreusel, W. & Van Dyck, H. (2013). Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie.Lannoo Campus Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T‟jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Maes D., Adriaens D., van der Meulen M., Poelmans L., Van Landuyt W., Anselin A., Casaer J., De Knijf G., Devos K., Packet J., Speybroeck J., Stienen E., Stuyck J., Thomaes A., T‟jollyn F., Van Daele T., Van Den Berge K., Van Elegem B., Vermeersch G., Wils C. & Pollet M. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek 2015 (INBO.R.2015.10201559). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Maier E.X., Bruinsma J., Simons J., & Stegenga H. (1998). Handboek Kranswieren. Chara boek., Hilversem. Martens K. & Walraevens K. (2009). Hydrologie. In: Provoost S. & Hoffmann M. eds. Ecosysteemvisie voor de Vlaamse

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 251 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

kust. 1. Ecosysteembeschrijving. Brussel, Universiteit Gent & Instituut voor Natuurbehoud in opdracht van AMINAL, Afdeling Natuur, p. 87-112. Melo G.L., Sponchiado G., Caceres N.C., Fahrig L. (2017). Testing the habitat amount hypothesis for South American small mammals. Biological Conservation, Vol 209, 304-314. Meykens J. & Vereecken H. (2001). Ontwikkeling en integratie van gevoeligheidskaarten voor verzuring en vermesting van ecosystemen in Vlaanderen. Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, K.U.Leuven en Bodemkundige dienst van België. Middelboe A.L. & Markager S. (1997). Depth limits and minimum light requirements of freshwater macrophytes. Freshwater Biology Vol.37(3), p. 553-568. Mikulaskova E., Fajmonova Z., Hajek M. (2012). Invasion of central-European habitats by the moss Campylopus introflexus. Preslia 84: 863-886 Ministère de l' EDAD. (2008). Le portail du réseau Natura 2000. Ministère de l'écologie, du développement et de l'aménagement durables. Ministère de l' EDAD. (2008a). Mégaphorbiaies hydrophiles d' ourlets planitaires et des étages montagnard à alpin. Ministère de l'écologie et du développement durable. Ministerie van LNV, (2007). Databank Ecologische vereisten per habitattypen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. http://www2.minlnv.nl/thema/groen/natuur/kRW_Ecol_v ereist_Habtyp.htm Ministerie van LNV, (2008a). Actief hoogveen (H7110), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_7110.pdf Ministerie van LNV, (2008b). Natura 2000 profielendocument: Natuurlijke en halfnatuurlijke graslandformaties, versie 2008. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendat abase.aspx?subj=habtypen&groep=6. Ministerie van LNV, (2008c). Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion (H7150), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_7150.pdf Ministerie van LNV, (2008d). Kalktufbronnen met tufsteenformatie – Cratoneurion (H7220). Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_7220.pdf Ministerie van LNV, (2008e). Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae (H7210), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_7210.pdf Ministerie van LNV, (2008f). Overgangs- en trilveen (H7140), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_7140.pdf Ministerie van LNV, (2008g). Profielen habitattypen

Alkalisch laagveen (H7230), en soorten, eindconcept

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 252 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_7230.pdf Ministerie van LNV, (2008h). Vochtige heiden (H4010), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_4010.pdf Ministerie van LNV, (2008i). Leeswijzer Natura 2000 profielendocument. Voorlopige versie 01 september 2008, Ministerie van LNV, directie Kennis. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/leeswijzer_n2000_profielendocu ment_1_september_2008.pdf Ministerie van LNV, (2008j). Mineraalarme oligotrofe watere van de Atlantische zandvlakten – Littorelletalia uniflorae (H3110), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_3110.pdf Ministerie van LNV, (2008k). Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorende tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea (H3130), Profielen habitattypen en soorten, eindconcept habitattypen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten /profielen/habitattypen/profiel_habitattype_3130.pdf Ministerie van LNV (2009) Natura 2000 profielendocument Versie 1 september 2008, met erratum 24 maart 2009. Ministerie van LNV, Directie Kennis, Ede. https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/H abitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2190.pdf Ministerium LUV Brandenburg, (2004). FFH-Lebensraumtypen in Brandenburg. Bewertung des Erhaltungszustandes-

Entwurf. Ministerium für Ländliche Entwicklung, Umwelt und Verbraucherschutz (MLUV). Land brandenburg, Duitsland. Ministerium UNLV, (2004). Lebensräume und Arten der FFHRichtlinie in NordRhein-Westfalen - Beeinträchtigungen, Erhaltungsund Entwicklungsmaßnahmen sowie Bewertung von Lebensraumtypen und Arten der FFHRichtlinie in Nordrhein-Westfalen - Arbeitshilfe für FFHVerträglichkeitsuntersuchungen. Ministerium für Umwelt und Naturschutz, Landwirtschaft und Verbraucherschutz Nordrhein-Westfalen. Money R.P. & Wheeler B.D. (1999). Some critical questions concerning the restorability of damaged raised bogs. Applied Vegetation Science Vol.2(1), pp. 107-116. Müller

K. (1973). Ökologische und vegetationskundliche Untersuchungen an Niedermoorpflanzen-Standorten des ombrotrophen Moores unter besonderer Berücksichtigung seiner Kolke und Seen in NWDeutschland.(49). pp. 147-235.

Mueller

J. & Gossner M.M. (2010). Three-dimensional partitioning of diversity informs state-wide strategies for the conservation of saproxylic beetles. Biological Conservation 143 (2010) 625–633

Muséum National d'Histoire Naturelle (2002). Cahiers d'habitats Natura 2000. Connaissance et gestion des habitats et des espèces d'intérêt communautaire. Bensettiti F., Gaudillat V. & Haury J. (eds.) Tome 3: Habitats humides. Inventaire national du Patrimoine naturel. La Documentation Française, Paris, 457 p. Nat E., Simons J., de la Haye M.A.A., & Coops H. (1994). Verspreiding van kranswieren in Nederland. Historisch en actueel verspreidingsbeeld van kranswieren in Nederland in samenhang met waterkwaliteitsfactoren. VU & RIZA, Amsterdam & Lelystad.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 253 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Nature Conservancy Council. (1989) . Guidelines for selection of biological SSSIs.. Peterborough, JNCC. 288 p. Neel et al. (2004). Behavior of class-level landscape metrics across gradients of class aggregation and area. LANDSCAPE ECOLOGY Neirynck J., De Ridder K., Langouche D., Wiedeman T., Kowalski A., Ceulemans R., Mensink C., Roskams P. & Van Ranst E. (2001). Kritische lasten en overschrijdingen voor verzuring en eutrofiëring van bosecosystemen in vlaanderen : bijlagen, kaarten, model. Universiteit Gent (RUG), Laboratorium voor Bodemkunde, Gent : Belgium. Niemeyer M., Niemeyer T., Fottner S., Härdtle W. & Abdelmenam M. (2007). Impact of sod-cutting and choppering on nutrient budgets of dry heathlands. Biological conservation 134: pp. 344-353. Nijssen, M., M.J.P.M. Riksen, L.B. Sparrius, R-J. Bijlsma, A.B. van den Burg, H.F. van Dobben, P. Jungerius, R. KetnerOostra, A. Kooijman, L. Kuiters, C. van Swaay, C. van Turnhout & R. de Waal (2011). Onderzoek naar effectgerichte maatregelen voor het herstel en beheer van stuifzanden. OBN rapport.. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Oberdorfer E. (1977). Süddeutsche Pflanzengesellschaften : Teil 1: Fels- und Mauergesellschaften, alpine Fluren, Wasser, Verlandungsund Moorgesellschaften. Fischer, Stuttgart : Germany. 311p. Oberdorfer E. (1978). Süddeutsche Pflanzengesellschaften. Teil 2: Sand- und Trockenrasen, Heide- und BorstgrasGesellschaften, alpine Magerrasen, Saum-Gesellschaften, Schlag- und Hochstauden-Fluren. Fischer, Stuttgart : Germany. 355 p. Oberdorfer E. (1983). Süddeutsche Pflanzengesellschaften : Teil 3: Wirtschaftswiesen und Unkrautgesellschaften. Fischer, Stuttgart : Germany. 455 p.

O'Connell M. (1981). The phytosociology and ecology of Scragh Bog, Co. Westmeath. New Phytologist Vol.87(1), pp.139187. Oosterlynck, P. (2011). Discussienota Indicatoren en meetmethodes voor de kwaliteit van de Natura 2000 habitats. Interne Nota Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek t.b.v. het concipiëren van de monitoring Natura 2000 en beheer. Oosterlynck P., Van Landuyt W. & Paelinckx D. (2013). Selectie habitattypische flora ten behoeve van de artikel 17 rapportage omtrent de staat van instandhouding van de Natura 2000 habitattypen. Rapport Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, INBO.R.2013.20. Brussel. 27 p. Ozinga W.A., Arnolds E., Keizer P.J., Kuyper TW. (2013) OBN preadcies paddestoelen – Deel 2: Mycoflora per natuurtype in Paddestoelen in natuurbeheer. Directie Agrokennis, Ministerie van Economische Zaken. Packet J., Van Looy K., Leyssen A., Denys L. (2012a). Voedselarme vennen en plassen (1). Voedselarme, zwak gebufferde wateren (3110) en voedselarme tot matig voedselarme gebufferde wateren (3130), in: Van Uytvanck J. & De Blust G. (eds.). Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel 1 habitats. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel: p 168-186. Packet J., Van Looy K., Leyssen A., Denys L. (2012b). Voedselarme vennen en plassen (2). Vennen met bruin water (3160), in: Van Uytvanck J. & De Blust G. (eds.). Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel 1 habitats. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel: p 187196. Packet

J., Van Looy K., Leyssen A., Denys L. (2012c). Vegetatierijke plassen. Plassen met kranswieren en pioniersoorten (3140) en voedselrijke plassen met soortenrijke watervegetaties (3150), in: Van Uytvanck J.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 254 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

& De Blust G. (eds.). Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel 1 habitats. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel: p 197-214. Paelinckx D., Sannen K., Goethals V., Louette G., Rutten J., & Hoffmann M. (red.) (2009). Gewestelijke doelstellingen voor de habitats en soorten van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn voor Vlaanderen. Brussel, Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2009.6. 669 p. Paelinckx D., De Saeger S., Oosterlynck P., Vanden Borre J., Westra T., Denys L., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B. & Spanhove T. (2019). Regionale staat van instandhouding voor de habitattypen van de Habitatrichtlijn. Rapportageperiode 2013-2018. Rapporten vanhet Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Brussel. DOI:doi.org/10.21436/inbor.16122667 Panis J., Sterckx G., Paelinckx D., Adriaens A., Adriaens P., Ameeuw G. (2009). Methodiek voor het opstellen van de instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten voor een speciale beschermingszone. Nota van het Agentschap voor Natuur en Bos in overleg met INBO. Paulissen M.P.C.P., Besalu L.E., De Bruijn H., van der Ven P.J.M., & Bobbink R. (2005). Contrasting effects of ammonium enrichment on fen bryophytes. Journal of Bryology Vol.27: pp. 109-117. Pentecost A. & Zhang Z.H. (2002). Bryophytes from some travertine-depositing sites in France and the UK: relationships with climate and water chemistry. Journal of Bryology Vol.24: pp. 233-241. Persson A. (1962). Mire and spring vegetation in an area north of Lake Torneträsk, Torne Lappmark, Sweden. II: Habitat conditions. Opera botanica: a societate botanica lundensi in supplementum seriei "boraniska notiser"

edita 6(3). Almqvist & Wiksell, Stockholm : Sweden. 100 p. Peters B., Van Looy K., & Kurstjens G. (2000). Pioniervegetaties langs grindrivieren: de Allier en de Grensmaas. Natuurhistorisch Maandblad, Vol.89, p. 123-136. Piessens, K., Honnay, O., Devlaeminck, R. & Hermy, M. (2006) Biotic and abiotic edge effects in highly fragmented heathlands adjacent to cropland and forest. Agriculture, Ecosystems and Environment 114:335-342 Poelmans L., Uljee I., Engelen G., Hens M., Adriaens D., Herr C., Lommaert L., Louette G., Wils C., Van Daele T. & Wouters J. (2012). Ecologisch en socio-economisch optimale allocatie van de instandhoudingsdoelstellingen in Vlaanderen. 2012/RMA/R, VITO-INBO, Mol. Poelmans L., Van der Meulen M., Vermeiren K., Engelen G., Adriaens D., Vandegehuchte M. (2015). Eindrapport Zoekzonemodel. Technische beschrijving. Proctor M.C.F. (1974). The vegetation of the Malharn Tarn fens. Field Studies, 4, 1-38. Provoost S., Ampe C., Bonte D., Cosyns E., & Hoffmann M. (2004a). Ecology, management and monitoring of grey dunes in Flanders. Journal of Coastal Conservation Vol.10, p.33-42. Provoost S., Hoffmann M., Bonte D., & Leten M. (2004b). Landschap en beheer van de kustduinen. In: Hermy M.ed., Natuurbeheer: Leuven, Davidsfonds. p. 265-305. Provoost, S. &; Bonte, D. (2004c). Levende duinen : een overzicht van de biodiversiteit aan de Vlaamse kust.[IN.MED.22]. Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud, 22. Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. ISBN 90-403-0205-7. p. 366-415

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 255 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Provoost S. (2004d). Het kustecosysteem. In: Provoost S. & Bonte D. eds., Levende duinen: een overzicht van de biodiversiteit aan de Vlaamse kust. Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud 22, p. 10-45. Prugh L.R. (2009). An evaluation of patch connectivity measures. Ecological Applications. Rabelo R.M., Bicca-Marques J.C., Aragon S., Walker Nelson B. (2017). Are fluvial islands “real” islands for arboreal mammals? Uncovering the effect of patch size under the species–area relationship. Journal of Biogeography 44, 1365-2699. Raman M. (2001). Festuco - Brometea (kalkgraslanden) in Vlaanderen met een casestudie van de Tiendeberg. Universiteit Gent. p.1-121. Raman M., De Becker P. (2012). Biotische afbakening van het Alopecurion in Vlaanderen. What‟s in a name? Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2012 (60). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Rappé G. (1984). The distribution of some lesser known thalassochorous plant species along the Belgian coast, compared with their distribution in Western Europe. Biol.Jb.Dodonaea Vol. 52: p. 35-56. Rappé G. (1997). Vloedmerken. In: Hermy M. & De Blust G. eds., Punten en lijnen in het landschap. Brugge, Marc Van de Wiele. p. 48-49. Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna Robertson H.J. & Jefferson R.G. (2000). Monitoring the conditionof lowland grassland SSSIs .Part1- English Nature's rapid assessment method. Report Number 315, p.1-149. English Nature Research Reports. English Nature External Relations Team, Peterborough.

Rodwell J.S. (ed.) (1991). Mires and heaths. British plant communities (2). Cambridge University Press, Cambridge. 628 p. Rodwell J.S. (1992). Grasslands and montane communities. British plant communities p.540-… . Cambridge University Press, Cambridge. Rodwell J.S., Ratcliffe D.A., & Malloch A.J.C. (1995). Aquatic communities, swamps and tall-herb fens. British plant communities (4). Cambridge University Press, Cambridge. 283 p. Roman CT., Raposa KB., Adamowicz SC., James-Pirri MJ., & Catena JG. (2002). Quantifying vegetation and nekton response to tidal restoration of a New England salt marsh. Restoration Ecology 10(3): 450-460 Roy H., Schonrogge K., Dean H., Peyton J., Branquart E., Vanderhoeven S., Copp G., Stebbing P., Kenis M., Rabitsch W., Essl F., Schindler S., Brunel S., Kettunen M., Mazza L., Nieto A., Kemp J., Genovesi P., Scalera R. & Stewart A. (2014). Invasive alien species – framework for the identification of invasive alien species of EU concern. ENV.B.2/ETU/2013/0026. European Commission-DG Environment. Rozema J., Dueck T., Wesselman H., & Bijl F. (1983). Nitrogen Dependent Growth-Stimulation by Salt in Strand-Line Species. Acta Oecologica-Oecologia Plantarum Vol.4(1), p. 41-52. Rozema J., Laan P., Broekman R., Ernst W.H.O., & Appelo C.A.J. (1985). On the lime transition and decalcification in the coastal dunes of the province of North Holland and the island of Schiermonnikoog. Acta Botanica Neerlandica Vol.34(4), p.393-411. Runhaar J., Gehrels J.C., van der Lee G.E.M., Hennekens S.M., Wamelink G.W.W., van der Linden W., & van der Louw

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 256 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

P.G.M. (2005).Computerprogramma Waternood. Versie 2.2a. Rybnicek K. (1970). Rhynchospora alba (L.) Vahl, its distribution, communities and habitat conditions in Czechoslovakia, part 2. Folia Geobotanica & Phytotaxonomica 5(3/4), pp.221-263. Sanchez J.M., SanLeon D.G., & Izco J. (2001). Primary colonisation of mudflat estuaries by Spartina maritime (Curtis) Fernald in northwest Spain: vegetation structure and sediment accretion. Aquatic Botany 69: 15-25. Schaminée J.H.J. & Zuidhoff A.C. (1995a). Het Galio-Trifolietum: een miskende associatie uit het mergelland. Vol. 84, pp. 90-96. Schaminée J. H. J., Stortelder A. H. F. & Westhoff V. (1995). De vegetatie van Nederland: deel 1. Inleiding tot de plantensociologie grondslagen, methoden en toepassingen. Opulus Press, Leiden. Schaminée J.H.J., Weeda E.J., & Westhoff V. (1995). De vegetatie van Nederland: deel 2: plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden. De vegetatie van Nederland. Opulus, Leiden : The Netherlands. 360 p. Schaminée J.H.J., Stortelder A.H.F., & Weeda E.J. (1996). De vegetatie van Nederland: deel 3: plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. p. 356. Opulus, Leiden : The Netherlands. Schaminée J.H.J., Weeda E.J., & Westhoff V. (1998). De vegetatie van nederland : deel 4 : plantengemeenschappen van de kust en van binnenlandse pioniermilieus. p.1-346. Opulus, Leiden : The Netherlands.

handleiding. Deel 3 : veldsleutel voor het typeren van stilstaande wateren in Vlaanderen. Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Brussel. Schneiders A., Denys L., Jochems H., Vanhecke L., Triest L., Es K., Packet J., Knuysen K., Meire P. (2004). Ontwikkelen van een monitoringsysteem en een beoordelingssysteem voor macrofyten in oppervlaktewateren in Vlaanderen overeenkomstig de Europese Kaderrichtlijn Water. Instituut voor Natuurbehoud, Nationale Plantentuin van België, UA en VUB in opdracht van VMM, Brussel. Schneiders A. (2007). Aanzet tot het opstellen van richtwaarden voor nutriënten in oppervlaktewateren conform de Europese Kaderrichtlijn Water : samenvatting. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 27. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel : Belgium. Schouten M.G.C. (1984). Some aspects of the ecogeographical gradient in Irish ombrotrophic bogs. In: Irish National Peat Committee (ed.), Proceedings of the 7th International Peat Congress. pp. 414-432. Schuboth J., Frank D., Jäger U.G., & Reißmann K. (2004). Kartieranleitung zur Kartierung und Bewertung der Offenlandlebensraumtypen nach Anhang I der FFHRichtlinie im Land Sachsen-Anhalt. Landesamt für Umweltschutz Sachsen-Anhalt, Halle/Saale. 169 p. Seibold S., Bässler C., Brandl R., Fahrig L., Förster B., Heurich M., Hothorn T., Scheipl F., Thorn S., Müller J. (2017). An experimental test of the habitat amount hypothesis for saproxylic beetles in a forested region. Ecology, Vol 98, 1613-1622. Siebel H.N. & Bijlsma R.-J. (2004). Bedreigde en kwetsbare mossen in Nederland: Correcties op het Basisrapport (Buxbaumiella 54). Buxbaumiella Vol. 68, pp. 56-64.

Scheers K., Packet J., Denys L., Smekens V., De Saeger S. (2016). BWK en Habitatkartering, een praktische ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 257 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Siepel H. (1996). The importance of unpredictable and shortterm environmental extremes for biodiversity in oribatid mites. Biodiversity Letters 3, 26-34 Sjörs H. (1950). On the relation between vegetation and electrolytes in North Swedish mire waters. Oikos Vol.2, no.2, pp. 241-258. Slings Q.L. (1994). De kalkgraslanden van de duinen. De Levende Natuur Vol.4, p.120-130. Søgaard B., Skov F., Ejrnæs R., Pihl S., Fredshavn J.R., Nielsen K.E., Clausen P., Laursen K., Bregnballe T., Madsen J., Baatrup-Pedersen A., Søndergaard M., Lauridsen T.L., Aude E., Nygaard B., Møller P., Riis-Nielsen T., & Buttenschøn R.M. (2007). Criteria for favourable conservation status in Denmark. Natural habitat types and species covered by the EEC Habitats Directive and birds covered by the EEC Birds Directive. Asferg T. (edd.). NERI Technical Report No. 647, National Environmental Research Institute, University of Aarhus. 92 p . Spanoghe G., Gyselings R., & Van den Bergh E. (2006). Monitoring van het Linkerscheldeoevergebied in uitvoering van de resolutie van het Vlaams Parlement van 20 februari 2002: resultaten van het derde jaar. Bijlage 8.6 bij het derde jaarverslag van de Beheercommissie Natuurcompensaties Linkerscheldeoevergebied. Verslag IN. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Sparrius L. B. & Kooijman A. M. (2011). Invasiveness of Campylopus introflexus in drift sands depends on nitrogen deposition and soil organic matter. Applied Vegetation Science, 14: 221–229. Spence D.H.N. (1964). The macrophyte vegetation of freshwater lochs, swamps and associated fens. In: Burnett J.H. (ed.), The vegetation of Scotland. Oliver & Boyd, Edinburgh, pp. 306-425.

Speybroeck J., Bonte D., Courtens W., Gheskiere T., Grootaert P., Maelfait J.P., Mathys M., Provoost S., Sabbe K., Stienen E.W.M., Van Lancker V., Vincx M., & Degraer S. (2006). Beach nourishment: an ecologically sound coastal defence alternative? A review: Aquatic Conservation-Marine and Freshwater Ecosystems Vol.16; No.4, p.419-435. Speybroeck, J.; Bonte, D.; Courtens, W.; Gheskiere, T.; Grootaert, P.; Maelfait, J.-P.; Provoost, S.; Sabbe, K.; Stienen, E.W.M.; Van Lancker, V.; Van Landuyt, W.; Vincx, M. & Degraer, S. (2008a). The Belgian sandy beach ecosystem: a review, in: (2008). Mar. ecol. 29(suppl. 1: pp. 171-185. Speybroeck J., Breine J., Vandevoorde B., Van Braeckel A., Van den Bergh E., & Van Thuyne G. (2008b). KRW doelstellingen in de IJzermonding: Afleiden en beschrijven van typespecifiek maximaal ecologisch potentieel en goed ecologisch potentieel in het Vlaams waterlichaam 'Havengeul IJzer vanuit de – overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water - ontwikkelde relevante beoordelingssystemen voor een aantal biologische kwaliteitselementen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2008(55). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel : Belgium. 76 pp. Ssymank A., Hauke U., Rückriem C., & Schröder E. (1998). Das europäische Schutzgebietssystem Natura 2000. BfNHandbuch zur Umsetzung der Fauna-Flora-HabitatRichtlinie und der Vogelschutz-Richtlinie. Schriftenreihe für Landschaftspflege und Naturschutz (53). Bundesamt für Naturschutz, Bonn - Bad Godesberg. P. 560, XVI. Staelens J., Neirynck J., Genouw G., & Roskams P. (2006). Dynamische modellering van streeflasten voor bossen in vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 12, p.1-156. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel : Belgium.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 258 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Stallegger M. (2008). Management of Natura 2000 habitats. 7150 Depressions on peat substrates of the Rhynchosporion. Technical Report 2008 19/24, European Communities. 21 pp. Sterckx, G.; Paelinckx, D.; Decleer, K.; De Saeger, S.; Provoost, S.; Denys, L.; Packet, J.; Wouters, J.; Demolder, H.; Thomaes, A.; Vandekerkhove, K. & De Keersmaeker, L. (2007). Habitattypen Bijlage 1 Habitatrichtlijn, in: Decleer, K. (Ed.) (2007). Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee : habitattypen : dier- en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(1): p. 59-359 Stieperaere, H. & Fransen, K. (1982). Standaardlijst van de Belgische vaatplanten met aanduiding van hun zeldzaamheid en socio-oecologische groep. p. 44. Nationale Plantentuin van België (NPTB), Meise. Stortelder, A.H.F.; Hommel, P.W.F.M.; De Waal, R.W.; Van Dort, K.W.; Vrielink, J.G. & Wolf, R.J.A.M. (1998). Broekbossen. Bosecosystemen van nederland, 1. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging: Utrecht : The Netherlands. ISBN 90-5011-093-2. 216 pp. Stortelder, A.H. F.; Schaminée, J.H. J.; Hommel, P.W. F. M. (1999). De vegetatie van nederland : deel 5 : ruigten, struwelen, bossen. De vegetatie van nederland, 5. Opulus: Uppsala : Sweden. ISBN 90-803988-3-7. 376 pp. Stortelder, A.H.F.; Van Dort, K.W.; Schaminee, J.H.J. & Smits, N.A.C. (1999a). Beheer van bosranden : van scherpe grens naar soortenrijke gradiënt. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging: Utrecht : The Netherlands. ISBN 90 5011 130 0. 88pp.

Streefkerk J.G. & Casparie W.A. (1989). The hydrology of bog ecosystems. Guidelines for management. Staatsbosbeheer, Utrecht, 120 p. Succow M. & Lange E. (1984). The mire types of the German Democratic Republic. In: Moore P.D. (ed.), European mires. Academic Press, London, 149-175. Swertz C.A.S.J.H.J. & Dijk E. (1996). Nardetea. In: Schaminée J.H.J. et al. De vegetatie van Nederland: deel 3: plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. p. 356. Opulus, Leiden : The Netherlands. Sykora K.V. & Rotthier S.L.F., 2014. Stroomdalgrasland, kort en laagdynamisch. De Levende Natuur. Jaargang 115 vol 3: Symoens J.-J., Duvigneaud P., & Vanden Berghen C. (1951). Aperçu sur la végétation des tufs calcaires de la Belgique. Bulletin de la Société Royale de Botanique de Belgique Vol.83, p. 329-352. Tansley, A.G. (1946) Introduction Unwin, Londen

to

plant

&

Thomaes, A. & Vandekerkhove, K. (2004). Een vergelijking van beheerrichtlijnen voor bossen en invulling van verschillende beschermingsstatuten aan de hand van bosbeheerrichtlijnen. Rapporten van het instituut voor bosbouw en wildbeheer - sectie bosbouw, 2004(014). Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer: Geraardsbergen : Belgium. 94 pp. Thomaes A., Vandekerkhove K. , De Keersmaeker L., Oosterlynck P., Paelinckx D. (2013). Advies betreffende de bijmening van exoten in de Natura 2000 habitattypen 9120 en 91E0. INBO.A.2013.31. Thomas P.A., El-Barghathi M. & Polwart A. (2007). Biological Flora of the British Isles: Juniperus communis L. Journal of Ecology 95, pp. 1404-1440.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 259 van 305

ecology. Allen

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

T‟jollyn F., Bosch H., Demolder H., De Saeger S., Leyssen A., Thomaes A., Wouters J., Paelinckx D. & Hoffmann M. (2009). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Torrenta R & Villard M.A. (2017). A test of the habitat amount hypothesis as an explanation for the species richness of forest bird assemblages. Journal of Biogeography Volume 44, Issue 8, 1791–1801. Touber L. (1973). Hydrologisch onderzoek in enige verlande petgaten in het CRM-reservaat 'De Weerribben', N.W.-Overrijsel. Intern rapport Hugo de Vrieslab. nr. 3, Universiteit Amsterdam. UNECE, ICP Modelling and Mapping. (2003). Manual on Methodologies and Criteria for Mapping Critical Levels/Loads and geographical Areas where they are exceeded, Chapter 5.2 Empirical Critical Loads. Van Braeckel A., Vandevoorde B., & Van den Bergh E. (2008). Schorecotopen van de schelde : Aanzet tot de ontwikkeling van één schorecotopenstelsel voor Vlaanderen en Nederland. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (2008) 29. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 54 pp. Van Calster H., Herr C., Oosterlynck P., Verschelde P., Paelinckx D. (2011). Opvolging van de lokale staat van instandhouding van de Europese habitats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – Gegevensinzameling, -opslag en –verwerking: jaar 1, cyclus 1. Rapporten van het Instituut voor Natuuren Bosonderzoek 2011 (INBO.R.2011.56). Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Brussel.

Van Dam H. & Mertens A. (2004). Vennen in weer en wind: lange-termijneffecten van verzuring en klimaatsverandering op chemie en kiezelwieren. De Levende Natuur Vol. 105, p.13-18. Van de Koppel J., van der Wal D., Bakker J.P., & Herman P.M.J. (2005). Self-organization and vegetation collapse in salt marsh ecosystems. The American Naturalist 165(1): E1E12 Van de Moortel, R. & Deckers, J. (1997). Bodemkundige karakterisatie van gecontroleerde overstromingsgebieden en schorren. AMIS.DS8.3bis, 109 pp. + bijl. Van Den Balck, E. (1994). Vegetatiekundige en ecologische studie van de slikken en schorren in het zwin (knokkeheist, west-vlaanderen). Universiteit Gent (RUG), Faculteit Wetenschappen: Gent : Belgium. 167 pp. Van den Bergh, E.; Van Damme, S.; Graveland, J.; De Jong, D.; Baten, I. & Meire, P. (2005). Ecological rehabilitation of the Schelde estuary (The Netherlands–Belgium; Northwest Europe) : linking ecology, safety against floods, and accessibility for port development, in: (2005). Restor. ecol. 13(1). Restoration ecology : the journal of the society for ecological restoration, 13(1): p. 204-214 Van der Molen, D.T. (2000). Natuurlijke levensgemeenschappen van de nederlandse binnenwateren: deel 9, rijksmeren: achtergronddocument bij het 'handboek natuurdoeltypen in nederland'. Rapport ec-lnv, 9. Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte: Lelystad : The Netherlands. 68 pp. Van der Molen D.T. & Pot R. (2007). Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de kaderrichtlijn water. 2007-32. Stowa, Utrecht.

Van Dam H. & Buskens R.F.M. (1993). Ecology and Management of moorland pools: balancing acidification and eutrophication. Hydrobiologia Vol. 265, p.225-263. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 260 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Van der Putten W.H. & Peters B.A.M. (1997). How soil-borne pathogens may affect plant competition. Ecology Vol.78,6, n° 1785-1795. Van Der Werf S. (1991). Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in nederland 5. Pudoc, Wageningen : The Netherlands. ISBN 90-220-1039-2. 375 pp. van Dobben H.F. & van Hinsberg A. (2008). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 1654, Alterra, Wageningen. 78 p. Van Dorp D., Canters K.J., Kalkhoven J.T.R. & Laan P. (1999). Landschapsecologie. Natuur en landschap in een veranderde samenleving. Uitgeverij Boom, Amsterdam. Van Gennip B., Janssen J.A.M., & Weeda E.J. (2007). De kalktufbron, kleinood met een grote status. Stratiotes Vol. 35, p. 22-37. Van Landuyt W., Provoost S., Leten M., Ameeuw G., & Rappé G. (2004). Vaatplaten. In: Provoost S. & Bonte D. eds., Levende duinen: een overzicht van de biodiversiteit aan de Vlaamse kust. Brussel, Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud 22, p. 46-83. Van Landuyt, W.; Hoste, I.; Vanhecke, L.; Van Den Bremt, P.; Vercruysse, W. & De Beer, D. (2006). Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel : Belgium. ISBN 90726-1968-4. 1007 pp. Van Looy, K. & De Blust, G. (1998). Ecotopenstelsel grensmaas: een ecotopenindeling, referentiebeschrijving en vegetatietypering voor de levende grensmaas. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud, 1998(25). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 87 pp.

Van

Looy, K.; De Blust, G. & Ysebaert, T. (1999). Stroomdalgraslanden op de maasdijken : een beheersvisie voor het maasdijkenplan.. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud, 1999(11). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 74 pp.

Van Looy, K.; Honnay, O.; Bossuyt, B.; Hermy, M. (2003). The effects of river embankment and forest fragmentation on the plant species richness and composition of floodplain forests in the Meuse Valley, Belgium, in: (2003). Belg. j. bot. 136(2). Belgian journal of botany, 136(2): pp. 97108 Van Looy K., Leyssen A., Denys L. (2012). Stromende wateren. Waterhabitats van beken en rivieren (3260), in: Van Uytvanck J. & De Blust G. (eds.). Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel 1 habitats. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel: p 216-230. Van Looy, K. & Meire, P. (2009). A conservation paradox for riparian habitats and river corridor species, in: (2009). J. nat. conserv. 17(1). Journal for nature conservation, 17(1): pp. 33-46 Van Splunder, I.; Leemans, J.A.A.M. (1997). Ooibosontwikkeling op rivieroevers : interactie tussen vegetatie en oevermorfologie. Riza rapport, 97(20). RIZA: Lelystad : The Netherlands. ISBN 9036950678. 121 pp. Van Til, M., Ketner P., & Provoost S. (2002). Duinstruwelen in opmars. De Levende Natuur Vol.103, n° 3, p.74-77. Van Uytvanck, J. & Decleer, K. (2004). Natuurontwikkeling in Vlaanderen : een stand van zaken en vuistregels voor de praktijk.[IN.R.2004.3]. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud, 2004(3). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 266 pp.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 261 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Van Uytvanck J & G. De Blust (eds.) (2012). Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein.Deel 1: Habitats. Lannoo Campus. Van Uytvanck J & Goethals V (eds.) (2014). Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel 2: Soorten. Lannoo Campus Van Valckenburg J. (red.) (2014). Invasieve waterplanten in Nederland. Veldgids. Uitgave van Nederlandse Voedselen Warenautoriteit, Utrecht. Van Wijnen H.J., & Bakker J.P. (1997). Nitrogen accumulation and plant species replacement in three salt marsh systems in the Wadden Sea. Journal of Coastal Conservation 3: 19-26.

voor Natuurbehoud, 2002(13). Instituut Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 85 pp.

voor

Vandenbussche, V.; T'jollyn, F.; Zwaenepoel, A.; Vanhecke, L. & Hoffmann, M. (2002b). Systematiek van natuurtypen voor de biotopen heide, moeras, duin, slik en schor : deel 3 : moeras.[IN.R.2002.14]. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud, 2002(14). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 115 pp. Vandenbussche, V.; T'jollyn, F.; Zwaenepoel, A.; Van Den Balck, E. & Hoffmann, M. (2002c). Systematiek van natuurtypen voor de biotopen heide, moeras, duin, slik en schor : deel 5 : slik en schor.[IN.R.2002.16]. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud, 2002(16). Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 121 pp.

Vandekerkhove K. (1998). Criteria voor de selectie van bosreservaten in functie van een betere kadering van de Vlaamse bosreservaten in een Europees network. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Departement leefmilie en infrastructuur.

Vandevoorde B., Van Braeckel A., Mertens W., Piesschaert F. & Van den Bergh E. (in prep.). Schorvegetatiekartering in het Schelde-estuarium. Case Zeeschelde, Durme en Rupel anno 2003. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (INBO.R.2013.15). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

Vanden Berghen C. (1951). Landes tourbeuses et tourbières bombées à sphaignes de Belgique. Bulletin de la Société Royale de Botanique de Belgique Vol.84, p.157-226.

Veer

Vanden Berghen C. (1952). Contribution à l'étude des basmarais de Belgique. Bulletin du Jardin botanique de l'État Vol. 22(1/2), p.1-64. Vanden Borre J., Oosterlynck P., De Saeger S., Guelinckx R., Paelinckx D. (2010). Veldprotocol BioHab/EBONEkarteermethode. Overzicht van de belangrijkste beslissingsregels. Versie 6.1. Interne INBO-nota. 29 pp. + bijlagen. Vandenbussche, V.; T'jollyn, F.; Zwaenepoel, A.; De Blust, G. & Hoffmann, M. (2002a). Systematiek van natuurtypen voor de biotopen heide, moeras, duin, slik en schor : deel 2 : heide.[IN.R.2002.13]. Verslag van het Instituut

M.A.C. & Kooijman A.M. (1997). Effects of grassencroachment on vegetation and soil in Dutch dry dune grasslands. Plant and Soil Vol.192, n° 1, p.119-128.

Verberk W.C.E.P. (2008). Matching species to a changing landscape. Aquatic macroinvertebrates in a heterogeneous landscape. Thesis Radboud University Nijmegen, 7 maart 2008. Verbücheln G., Börth M., Hinterlang D., Hübner T., Michels C., Neitzke A., König H., Pardey A., Raabe U., Röös M., Schiffgens T., Weiss J., & Wolff-Straub R. (2004). Anleitung zur Bewertung des Erhaltungszustandes von FFH-Lebensraumtypen. Landesanstalt für Ökologie, Bodenordnung und Forsten Nordrhein-Westfalen. 54 p.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 262 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Verheyen K., Adriaenssens S., Gruwez R., Michalczyk I.M. Ward L.K., Rosseel Y., Van den Broeck A. & Garcia D. (2009). Juniperus communis: victim of the combined action of climate warming and nitrogen deposition? Plant Biology 11 (Suppl. 1). Pp. 49-59. Verhoeven J.T.A., Koerselman W., & Beltman B. (1988). The vegetation of fens in relation to their hydrology and nutrient dynamics: a case study. In: Symoens J.-J. (ed.). Vegetation of inland waters. pp. 249-282. Verloove F. (2006). Catalogue of neophytes in Belgium (18002005). Scripta botanica belgica. National Botanic Garden of Belgium, Meise : Belgium. ISBN 90-72619-71-4. 89 pp. Vermeersch G., A. Anselin, K. Devos, M. Herremans, J. Stevens, J. GabriĂŤls & B. Van der Krieken (2004). Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23, Brussel, p. 60-75. Vermeersch G., Adriaens P. & Pollet M. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale stand van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten. Versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (26). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

Walleyn, R. (2005). Gewone esdoorn en zwammendiversiteit, in: (2005). Bosrevue 11. Bosrevue, 11: pp. 6 Walleyn R. (2007). De mycoflora van de duinen en de duinbossen in De Haan. In: De Schuyter J. ed., Uitgebreid bosbeheerplan Duinbossen in De Haan, Wenduine en Klemskerke met bosreservaat. Mechelen, Haskoning. Wamelink G.W.W. & Runhaar J. (2001). Abiotische randvoorwaarden voor natuurdoeltypen [cd-rom]. Alterra-rapport 181. Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, Wageningen, The Netherlands. Wang X., Blanchet F.G., Koper N. (2014). Measuring habitat fragmentation: an evaluation of landscape pattern metrics. Methods in Ecology and Evolution, Vol 5, 634646. Wassen M.J. (1990). Water flow as a major landscape ecological factor in fen development. Ph.D, Rijksuniversiteit Utrecht, Utrecht. Wassen M.J. & Barendregt A. (1992). Topographic position and water chemistry of fens in a Dutch river plain. Journal of Vegetation Science Vol.3(4), pp. 447-456.

Vitt D.H. & Chee W.L. (1990). The relationships of vegetation to surface water chemistry and peat chemistry in fens of Alberta, Canada. Plant Ecology Vol. 89(2), pp. 87-106.

Wassen M.J. & Joosten H. (1996). In search of a hydrological explanation for vegetation changes along a fen gradient in the Biebrza Upper Basin (Poland). Plant Ecology Vol.124(2), pp.191-209.

Vriens, L., Oosterlynck, P. & Paelinckx, D. (2010). Advies: protocol gegevensinzameling. Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.A.2010.87. 9 pp. + bijlagen.

Waterinckx, M.& Roelandt, B. (2001). De bosinventarisatie van het vlaamse gewest : resultaten van de eerste inventarisatie 1997-1999. Afdeling Bos en Groen: Brussel : Belgium. 486 pp.

Walleyn, R. (2004). Zeldzame stekelzwammen zijn niet vies van dreven met Amerikaanse eik, in: (2004). Natuur.focus 3(4). Natuur.focus, 3(4): pp. 146-147

Waughman, G.J. (1980). Chemical aspects of the ecology of some south German peatlands. Journal of Ecology Vol. 68(3), pp.1025-1046.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 263 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Weeda, E.J.; Westra, R.; Westra, C. & Westra, T. (1985). Nederlandse oecologische flora : wilde planten en hun relaties 1. herdruk. Nederlandse oecologische flora : wilde planten en hun relaties, 1. IVN. ISBN 90-6301018-4. 304 pp.

Wheeler, B.D., Gowing D.J.G., Shaw S.C., & Mountford J.O. (2004). Ecohydrological guidelines for lowland wetland plant communities. Brooks, A.W., Jose, P.V. and Whiteman, M.I. (eds). Environment Agency (Anglian Region), Peterborough, UK. 100 p.

Weeda, E.J.; Westra, R.; Westra, C. & Westra, T. (1987). Nederlandse oecologische flora : wilde planten en hun relaties 2. herdruk. Nederlandse oecologische flora : wilde planten en hun relaties, 2. IVN. ISBN 90-5011129-7. 304 pp.

Wijdeven, S.M.J.; Van Dort, K.W. & Van Hees, A.F.M. (2002). Beheervisie jeneverbes. Alterra-rapport, 465. Alterra: Wageningen : The Netherlands.

Weeda E.J., Doing H., & Schaminée J.H.J. (1996). KoelerioCorynephoretea. In: Schaminée J.H.J. et al. (1996): De vegetatie van Nederland: deel 3: plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. .De vegetatie van nederland, 3. Opulus: Leiden : The Netherlands. ISBN 91-8871-605-8. 356 pp. Westhoff, V. & Den Held A.J. (1969). Plantengemeenschappen in Nederland. Bibliotheek van de koninklijke nederlandse natuurhistorische vereniging (knnv) 16. W. J. Thieme & cie, Zutphen : The Netherlands. Westhoff V., & Sykora K. (1979). A study of the influence of desalination on the Juncetum geradii. Acta Botanica Neerlandica 28(6): 505-512. Westra, T.; Oosterlynck, P.; Van Calster, H.; Paelinckx, D.; Denys, L.; Leyssen, A.; Packet, J.; Onkelinx, T.; Louette, G.; Waterinckx, M.; Quataert, P. (2014). Monitoring Natura 2000 - habitats: Meetnet habitatkwaliteit. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek(INBO.R.2014.1414229). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO): Brussel. 77 pp. Wheeler B.D. (1984). British fens: A review. In: Moore P.D. (ed.), European mires. Academic Press, London, pp. 237-281.

Wolf R.J.A.M., Stortelder A.H.F., De Waal R.W., Van Dort K.W., Hennekens S.M., Hommel P.W.F.M., Schaminée J.H.J., & Vrielink J.G. (2001). Ooibossen. KNNV, Utrecht. Wortelboer, F.G. (1998). Modelling the effect of atmospheric deposition on shallow heathland lakes in the Netherlands: dry deposition on water: now you see it, now you don't. Environm.Poll. Vol. 102, pp. 539-546. Zechmeister H. & Mucina L. (1994). Vegetation of European springs: high-rank syntaxa of the Montio-Cardaminetea. Journal of Vegetation Science Vol. 5(3), pp. 385-402. Zoltai

S.C. & Vitt D.H. (1995). Canadian wetlands: Environmental gradients and classification. Plant Ecology Vol.118( )1, pp. 131-137.

Zwaenepoel, A. & Stieperaere, H. (2002). Heischraal grasland (Nardo-Galion). eds. A. Zwaenepoel et al., pp. VIII, 532. Instituut voor Natuurbehoud (IN); Universiteit Gent (RUG); West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand (WVI), Brussel; Gent; Brugge. Zwaenepoel, A., T'Jollyn, F., Vandenbussche, V. & Hoffmann, M. (2002). Systematiek van natuurtypen voor het biotoop grasland. pp. VIII, 532. Instituut voor Natuurbehoud (IN); Universiteit Gent (RUG); West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand (WVI), Brussel; Gent; Brugge.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 264 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Referentielijst

Zwaenepoel, A. (2002a). Grasklokje-Steenanjer-vegetaties en kleine klavertjes-toestanden: het Verbond van Gewoon struisgras (Plantagini-Festucion). In Systematiek van natuurtypen voor het biotoop grasland., eds. A. Zwaenepoel et al., pp. VIII,532. Instituut voor Natuurbehoud (IN); Universiteit Gent (RUG); WestVlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand (WVI), Brussel; Gent; Brugge. Zwaenepoel, A. (2002b). Periodiek onder water staande graslanden: het Verbond van Grote vossestaart (Alopecurion pratensis). In Systematiek van natuurtypen voor het biotoop grasland., eds. A. Zwaenepoel et al., pp. VIII,532. Instituut voor Natuurbehoud (IN); Universiteit Gent (RUG); West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand (WVI), Brussel; Gent; Brugge. Zwaenepoel, A. (2003). Ecohydrologische studie voor een natuurinrichtingsproject in het oostends krekengebied: mei 2003. wvi-Geolab, [s.l.]. 376 pp. Zwaenepoel, A. & Hoffmann, M. (2004). Systematiek van natuurtypen voor de biotopen ruigten en zomen. Instituut voor Natuurbehoud: Brussel : Belgium. 224 p.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 265 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Bijlagen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 266 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Bijlage 1: Opsomming van de criteria uit de beoordelingstabellen, de frequentie waarmee ze gebruikt worden en het schaalniveau waarop ze van toepassing zijn

ZILT (n=6)

DUIN (n=10)

STUIFDUIN (n=3)

WATER (n=8)

HEIDE (n=4)

GRASLAND (n=16)

MOERAS (n=9)

BOS (n=13)

TOTAAL (n=69)

Toepassingsschaal

1: habitatlocatie (1a: habitatvlek; 1b: aaneensluitende habitatvlekken van eenzelfde type); 2: geheel van alle vlekken van een habitattype binnen een aaneensluitende vegetatiezone met habitattypen uit dezelfde habitatgroep of met functioneel verweven vegetaties (niet noodzakelijk alle habitatwaardig) (zie ยง 2.2).

MSA dynamiek (inclusief verticale gradient)

0

0

0

0

0

0

0

13

13

2

5

2

0

0

0

0

0

0

7

2 (1b bij 2120)

vorming vloedmerk

0

1

0

0

0

0

0

0

1

horizontale structuur

5

3

3

7

0

0

8

13

39

1a 1b, zeker als structuurfasen afzonderlijke habitatvlekken zijn (anders = 1a); bij wateren en 2120 1a; zilte habitats:2

naakte bodem

0

1

1

0

0

1

0

0

3

1b

(veen)moslaag

0

1

0

0

0

0

5

0

6

1a

kruidlaag

0

1

0

0

0

0

0

0

1

1a

ouderdom struikheide

0

1

1

0

1

0

0

0

3

1a (1b in geval van relatief kleine beheereenheden)

BIOTOOPGROEP

STRUCTUUR

CRITERIUM

dwergstruiken

0

1

1

0

2

0

0

0

4

1a

verticale structuur

0

1

0

6

0

3

0

12

22

1a

aandeel dood hout

0

1

0

0

0

0

0

13

14

1a

hoeveelheid dik dood hout

0

1

0

0

0

0

0

13

14

1a

bosconstantie

0

1

0

0

0

0

0

13

14

1a

sexratio

0

0

0

0

2

0

0

0

2

1a

verjonging

0

0

0

0

2

0

0

0

2

1a

populatiegrootte

0

0

0

0

2

0

0

2

2

dominantie van 1 soort

1

0

0

0

0

0 1 6

3

0

20

1a

levensvorm

0

0

0

0

0

7

1

0

8

1a

breedte zoom

0

0

0

0

0

1

0

0

1

1a

overgang mantel-zoom

0

0

0

0

0

1

0

0

1

1a

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 267 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


ZILT (n=6)

DUIN (n=10)

STUIFDUIN (n=3)

WATER (n=8)

HEIDE (n=4)

GRASLAND (n=16)

MOERAS (n=9)

BOS (n=13)

TOTAAL (n=69)

Toepassingsschaal

aard mantel-zoom

0

0

0

0

0

1

0

0

1

1a

grassen

0

0

0

0

0

3

0

0

3

1a

bloei

0

0

0

0

0

0

1

0

1

1a

reproductie

0

0

0

0

0

0

1

0

1

1a

zuurstof

0

0

0

0

0

0

2

0

2

1a

aard van de kalktufafzetting

0

0

0

0

0

0

1

0

1

1a

bedekking kalktuf

0

0

0

0

0

0

1

0

1

1a

overstromingsregime-frequentie

0

0

0

0

0

0

0

2

2

1a

overstromingsregime-duur

0

0

0

0

0

0

0

1

1

1a

schorklifvorming

3

0

0

0

0

0

0

0

3

2

kreken, oeverwallen en kommen

1

0

0

0

0

0

0

0

1

2 1b

BIOTOOPGROEP

CRITERIUM

S T R U C T U U R

microreliëf

1

0

0

0

0

0

0

0

1

TOTAAL

16

15

6

13

9

33

23

80

195

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 268 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


DUIN (n=10)

STUIFDUIN (n=3)

WATER (n=8)

HEIDE (n=4)

GRASLAND (n=16)

MOERAS (n=9)

BOS (n=13)

TOTAAL (n=69)

0

1

0

0

0

0

0

0

1

2

rijshout

0

2

0

0

0

0

0

0

2

1a

vergrassing

0

4

2

0

4

12

7

2

31

1a

verruiging

2

6

1

0

3

16

7

11

47

1a 1a

Toepassingsschaal

ZILT (n=6)

recreatie

BIOTOOPGROEP

VERSTORING

CRITERIUM

overige exoten

0

5

0

0

0

0

0

0

5

verbossing

0

6

3

0

4

16

8

0

37

1a

invasieve exoten

2

5

3

8

1

4

4

0

27

1a

overbetreding

0

3

0

0

0

0

0

0

3

1a

verzuring

0

0

0

4

0

0

2

0

6

1a

eutrofiëring

0

0

0

7

0

12

8

0

27

1a

verbraming

0

0

0

0

0

12

0

0

12

1a

strooisellaag

0

0

0

0

0

12

4

0

16

1a 1a

vermossing

0

0

0

0

0

7

6

0

13

vernatting

0

0

0

0

0

4

0

0

4

1a

verdroging

0

1

0

0

0

4

1

0

6

1a

dwergstruiken

0

0

0

0

0

0

2

0

2

1a

afname veenvorming

0

0

0

0

0

0

1

0

1

1a

structuurschade

0

0

0

0

0

0

7

0

7

1a

rietontwikkeling

2

0

0

0

0

0

1

0

3

1a

dynamiek

0

0

0

0

0

0

1

0

1

1a 1a

invasieve soorten kruidlaag

0

0

0

0

0

0

0

12

12

invasieve soorten boomlaag

0

0

0

0

0

0

0

12

12

1a

verdonkering

0

0

0

0

0

0

0

1

1

1a

ontzilting

1

0

0

0

0

0

0

0

1

1a

TOTAAL

7

34

9

19

12

99

59

51

290

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 269 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


ZILT (n=6)

DUIN (n=10)

STUIFDUIN (n=3)

WATER (n=8)

HEIDE (n=4)

GRASLAND (n=16)

MOERAS (n=9)

BOS (n=13)

TOTAAL (n=69)

Toepassingsschaal

aantal sleutelsoorten

4

9

2

7

2

16

8

13

61

1a

BIOTOOPGROEP

SLEUTELSOORTEN

CRITERIUM bedekking van de sleutelsoorten

5

9

3

8

0

15

9

11

60

1a

aandeel sleutelsoorten in de vegetatie

2

0

0

0

0

0

0

0

2

1a

sleutelsoorten in de boomlaag (grondvlak)

0

1

0

0

0

0

0

13

14

1a 1a

bedekking begeleidende soorten

0

0

0

0

0

1

1

0

2

TOTAAL

11

19

5

15

2

32

18

37

139

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 270 van 305

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Bijlage 2: Europese aanbevelingen voor indicatoren ter bepaling van habitatkwaliteit en selectie van typische soorten (Evans & Arvela, 2011) ‘Structures are considered to be the physical components of a habitat type, these will often be formed by species (both living and dead), e.g. trees & shrubs in a woodland, corals in some forms of reef but can also include structures such as gravel used for spawning. Functions are the ecological processes occurring at a number of temporal and spatial scales and vary greatly between habitat types. For example tree regeneration and nutrient cycling are important functions in woodland habitats. Functions are often linked to ecosystem services. Although fragmentation is not mentioned in the directive it is clear that fragmentation can disrupt habitat function and is a factor that should be taken into account when assessing structure & function.’ ‘… Given the wide range of habitat types listed on Annex I and their inherent variability it is not possible to give detailed guidance for each individual habitat type but clearly the various ecological processes essential for a habitat type have to be present and functioning for the habitat type to be considered to be at FCS. …’ ‘… Given the variability of habitat types across their range it is very unlikely that all typical species will be present on all examples of a given habitat type. The sum of sites and occurrences of each habitat type should however support viable populations of the typical species on a long term basis to be in Favourable Conservation Status. It is only natural that there will be a turn-over in the species pool, so that local loss and recolonization of distinct species out of the selected group of typical species will occur. As long as these processes balance over the long term for each typical species the structure and function of the habitat type should be regarded as favourable.’ The following table indicates factors of structure & function which should be considered during the assessment of each habitat group and when selecting typical species. Habitat group Coastal & halophytic habitats (1***)

Structures & functions to be considered when assessing this parameter. This group includes a wide variety of habitat types, some of which cover an extremely wide range of inherent variability (eg 1170 Reefs). As such it is not possible to give meaningful guidance for the group as a whole. It should be noted that many of these habitats are related to their physical environment and that geomorphological processes such as sediment transport and deposition are important components of function.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 271

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Coastal dunes (21**, 22**)

Structure Species composition (plant) (esp of dominant species, eg Ammophila arenaria in 2120, Empetrum nigrum in 2140)) Age/height classes (Proportion of old trees for forested dunes 2180, 2270) patch size/distance between patches completeness of dunal zonation, habitat heterogeneity. % open ground Fragmentation Dynamics of dune system (varies with dune type, esp important for e.g. 2110, 2120) Natural vegetation dynamics Fire (esp. for Mediterranean dunes) (signs of fire, frequency of fire) (linked to regeneration of many species) Hydrology (especially for 2190 Humid dune slacks (natural, disturbed). Species (animal): small mammals, ground beetles, Hymenoptera and other psammophytic invertebrates, reptiles, amphibians, birds. Notes Effects of grazing and eutrophication can be seen via other parameters (e.g. species composition, dune dynamics) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species (eg Rosa rugosa in FI), or species which are not natural to the habitat (eg rabbits).

Inland dunes (23**)

Structure Species composition (plant) (esp. of dominant species) Age/height classes patch size/distance between patches Dynamics (% open ground) Fragmentation Fire (signs of fire, frequency of fire) (link to other spp regeneration). Species (animal): small mammals, ground beetles, , Hymenoptera and other psammophytic invertebrates reptiles, amphibians, birds Notes Effects of grazing and eutrophication can be seen via other parameters (e.g. species composition, dune dynamics) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species not normally found in the habitat.

Lakes (31**)

Structure species composition (plant) (esp of dominant species) % open ground/proportion of small vascular plants â&#x20AC;&#x201C; reed or woody plants (for 3110/3130) Naturalness of zonation Water quality (including eutrophication (link to critical loads) Hydrology (natural, disturbed) (note for temporary lakes & associated vegetation). Species (animal): small mammals, dragonflies, fish, reptiles, amphibians, birds , macroinvertebrates/ invertebrates groups with larvae living in the waterbody and at its margins (lakes naturally without fish have specific animal communities). Notes Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species not normally found in the habitat.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 272

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Rivers (32**)

Structure species composition (plant) (esp of dominant species) Hydrology (natural, disturbed) (water flow, sediment erosion/movement/deposition) (eg can fish migrate, dams) Hydromorphology (lining, canalisation) Water quality (including eutrophication (link to critical loads) deadwood & other organic input oxygen regime (especially for lowland, slow flowing rivers). Species (animal): small mammals, dragonflies, fish, reptiles, amphibians, birds. Summer grazing in seasonal rivers Notes Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species not normally found in the habitat.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 273

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Heaths & scrub (4***, 51**)

Structure species composition (plant) Age/height classes Proportion of life forms (chamaephyts, shrubs, trees) Cover of tree layer (maximum %) soils (natural, worked, ploughed, etc) patch size/distance between patches Hydrology (natural, disturbed) Fragmentation Fire (signs of fire, frequency of fire) (link to other spp regeneration) mowing, turf cutting, etc) Species (animal): small mammals, ground beetles (tenebrionids) ) pollinators (Hymenoptera, Syrphidae u.a.), xer- and psammophytic insect groups, birds. Fungi (saprotrophic, mycorhizal) Notes Effects of grazing and eutrophication can be seen via other parameters (eg species composition, dune dynamics) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species (eg Rosa rugosa in FI), or species which are not natural to the habitat (eg rabbits).

Matorral, scrub, etc (52**, 53**, 54**)

Structure species composition (plant) (esp of dominant species) Age/height classes patch size/distance between patches % open ground Fragmentation Hydrology (natural, disturbed) Fire (signs of fire, frequency of fire) (link to other spp regeneration). Species (animal): small mammals, ground beetles (tenebrionids), pollinators and indicators of habitat mosaic (e.g. Hymenoptera, Syrphidae, Lepidoptera), spiders, reptiles, birds. Notes Effects of grazing and eutrophication can be seen via other parameters (e.g. species composition, dune dynamics) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species which are not natural to the habitat.

Grasslands (6***)

Structure (often structure is related to one or few spp for a given habitat â&#x20AC;&#x201C;eg Brachypodium pinnatum for 6210, Nardus sticta for 6230) species composition (plant) soils (natural, worked, ploughed, etc) patch size/distance between patches Fragmentation Fire (signs of fire, frequency of fire) (esp Boreal & Med) (link to other spp regeneration) Hydrology (natural, disturbed). Shrub (often present, at low cover may be considered as a natural component of the habitat but at high cover is a sign of habitat degradation) spp composition Proportion of grass/herb/clover/shrub. Species (animal): small mammals (eg sisliks), ground beetles (e.g.teneobrionids), pollinators and indicators of habitat mosaic (e.g. Hymenoptera, Syrphidae, Lepidoptera), birds.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 274

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Fungi (saprotrophic, mycorhizal) Notes Effects of grazing and eutrophication can be seen via other parameters (eg species composition, dune dynamics) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species which are not natural to the habitat. Bogs, mires, etc (7***)

Structure species composition (plant) (esp of dominant species) morphology (hummock, ridge, pool, lawn) peat body (disturbance) (ice for Palsa mires ) proportion of life forms (bryophyts, herbs, shrubs) Hydrology (natural, disturbed) Water quality Species (animal): small mammals, butterflies, amphibians, birds Notes Effects of drainage, eutrophication and changes due to lack of management (cutting, grazing) can be seen via other parameters (e.g. species composition,) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species which are not natural to the habitat.

Forest (9***)

Structure Species composition (naturalness of tree species: presence and proportion) Canopy (height â&#x20AC;&#x201C;esp for Mediterranean) Shrub spp composition Epiphytes & lianes/creepers Age classes Dead wood (standing & fallen) quantity quality (diversity, etc age, origin, size) holes in living trees soils (natural, worked, ploughed, etc) Fragmentation (patch size/distance between patches) Fire (signs of fire, frequency of fire) (esp for Boreal & Mediterranean types) (link to other spp & tree regeneration). Species (animal): saproxylic groups (e.g. beetles, ants, hoverflies), pollinators and indicators of habitat mosaic (e.g. Hymenoptera, Syrphidae, Lepidoptera), birds Fungi (saprotrophic, mycorhizal) Hydrology (natural, disturbed) (especially for riparian forests such as 91E0 Alluvial forests with Alnus glutinosa and Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) or mire woodlands (eg 91D0 Bog woodland). Notes Effects of eutrophication can be seen via other parameters (e.g. species composition,) Extreme climatic events (drought, etc) considered as threat /pressures Negative indicators may be useful such as alien species or species which are not natural to the habitat.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 275

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Bijlage 3: Overzicht van de procentuele grenswaarden per habitattype voor een aantal criteria Voor uitleg over onderstaande tabellen: zie § 2.3.5 en de inleidende paragrafen per habitatgroep. Indien de subtypes niet afzonderlijk vermeld worden betekent dit dat alle subtypes voor het vermelde criterium volgens een zelfde grenswaarde beoordeeld worden. Eutrofiëring. Gunstig indien: ≤1%

3110 3130_aom 3130_na 3140 3160 6120 6210 6230_ha 6230_hmo 6230_hn 6230_hnk Verruiging. Gunstig indien: ≤1 ≤10% % 711 2310 0

4030 5130_hei 5130_kalk 6120 6210 6230_ha 6230_hmo 6230_hn 6230_hnk 6410_mo 6410_ve 7140_oli 7210 91E0_vc

Vergrassing: gunstig indien ≤1% ≤10%

7110 7140_base 7150

≤10%

≤30%

7110 7140_base 7140_meso 7140_mrd 7140_oli 7150 7220 7230 6410_ve 6410_mo

3150 3260 6510_hu 6510_hua 6510_huk 6510_hus

≤30%

1310_zv 1330_da 2120_helm 2130_had 2130_hd 2150 2170 2190_mp 6430_hf 6430_hw 6430_mr 6430_bz 6510_hu 6510_hua 6510_huk

≤50%

6510_hus 7140_base 7140_meso 7230 91E0_vm 91E0_vo 91E0_vn 91E0_va 9190

≤30%

2120_helm 2130_had 2130_hd 2150 2330_bu 7140_meso 7140_mrd 7140_oli 7230 9120 9190

≤50%

≤70 %

7140_mrd 9110 9120 9130 9150 9160 91E0_sf 91F0

≤50%

2310 4010 4030 5130_hei 5130_kalk 6120 6210 6230_ha

6230_hmo 6230_hn 6230_hnk 6410_mo 6410_ve 6510_hu 6510_hua 6510_huk 6510_hus

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 276

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Invasieve exoten. Gunstig indien: 0%

≤10%

6430_mr 7140_base 7140_meso 7140_mrd 7230 9110 9120 9130 9150 9160 9190 91E0_vc 91E0_vm 91E0_vo 91E0_vn 91E0_va 91F0

1320 2150 2160 2170 2180 3110 3130_aom 3130_na 3140 3150 3160 3260 3270 6430_bz 6430_hf 6430_hw

Overige exoten. Gunstig indien ≤1%

Verzuring Gunstig indien

≤10%

≤30%

2120_helm 2130_hd 2170 2160

2180

≤1%

≤10%

7140_base

Verbossing. Gunstig indien ≤1%

7110

2130_had 2130_hd 2150 2160 2170 2190_mp 2310 2330_bu 2330_dw 4010 4030 6120 6210 6230_ha 6230_hmo

≤30%

≤50%

1310_zk 2130_had 2310 2330_bu 2330_dw 4030

≤30%

≤50%

≤50%

3110 3130_aom 3130_na 3160 6410_mo 6410_ve 7230

≤10%

≤30%

6230_hn 6230_hnk 6410_mo 6410_ve 6510_hu 6510_hua 6510_huk 6510_hus 7140_base 7140_meso 7140_mrd 7140_oli 7150 7210 7230

≤50%

5130_hei 5130_kalk 6430_bz 6430_hf 6430_hw 6430_mr

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 277

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Verbraming. Gunstig indien: ≤1%

≤10%

6120 6210 6230_ha 6230_hmo 6230_hn 6230_hnk 6410_mo 6410_ve 6510_hu Strooisellaag. Gunstig indien: ≤1%

6120 6210 6230_ha 6230_hmo 6230_hn 6230_hnk Vermossing Gunstig indien

≤1%

≤10%

6410_mo 6410_ve 6510_hu 6510_hua 6510_huk 6510_hus

Vernatting Gunstig indien

≤1%

≤50%

≤30%

≤50%

7140_base 7140_meso 7140_mrd 7210 7230

≤10%

7140_base

≤30%

6510_hus 6510_huk 6510_hua

≤30%

≤50%

6120 6230_ha 6230_hmo 6230_hn 6230_hnk 6410_mo 6410_ve 7140_meso 7140_mrd 7140_oli 7150

≤10%

≤30%

≤50%

6230_hmo 6410_mo 6410_ve 6510_hua Verdroging Gunstig indien

≤1%

≤10%

≤30%

≤50%

6230_hmo 6410_mo 6410_ve 6510_hua

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 278

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Bijlage 4: Handleiding bij de beheermonitoringsschaal (Samenvatting van INBO Standaard Vegetatie Protocol SVP-402) Doelstelling en toepassingsgebied De beheermonitoringschaal is in essentie een vorm van de Londo of Braun-Blanquet schaal (zie daarvoor SVP-401) over een grotere oppervlakte. We bevelen opnames van dit type aan voor inventarisaties van gebruikspercelen in de range van 0.1 ha tot 5 ha. Het is daarbij niet de bedoeling om de laatste soort te vinden in een perceel maar eerder om op relatief snelle wijze de vegetatiesamenstelling goed te beschrijven. Bij de beheermonitoringschaal worden de relatieve abundantie en de bedekking van de soort betrokken ter begrenzing van de verschillende categorieën om zo een enigszins eenduidige interpretatie te bevorderen en daarmee vergelijkbaarheid van de gegevens te verhogen. De uitgebreide beheermonitoringschaal ziet er als volgt uit: Code ZS

Naam

Densiteit

(per ha)

Indicatieve bedekking

Zeer schaars

1t.e.m. 3 individu(en)

<< 5%.

Schaars

4 t.e.m. 9 individuen

<< 5%

Weinig talrijk

10 t.e.m. 49 individuen

<< 5%

T

Talrijk

>= 50 individuen

< 5%

B

Bedekkend

Niet van belang

5-25%

KB

Kwartbedekkend

Niet van belang

25-50%

HB

Halfbedekkend

Niet van belang

50-75%

Dominant

Niet van belang

>= 75%

S WT

D

Indien een soort minstens 5% bedekt, worden enkel de codes vanaf B gebruikt (ook al gaat het maar om één of enkele individuen). De densiteiten zijn geformuleerd voor oppervlaktes van om en bij 1 ha. Indien het bestudeerde perceel duidelijk afwijkt van 1 ha, dienen de indicatieve klassegrenzen vermenigvuldigd te worden met een factor evenredig aan de oppervlaktetoename (bv. voor een grasland van 2 ha wordt de ondergrens van talrijk >100 individuen, berekend uit tweemaal >50 individuen). Eén pol van een polvormende soort wordt als 1 teleenheid/individu gerekend. Polvormende soorten zijn bv. pijpenstrootje, pitrus, zompzegge, elzenzegge, pluimzegge, buntgras, veelbloemige veldbies, bochtige smele, e.a. Voor mattenvormende soorten wordt 1 m² als 1 teleenheid gezien. Mattenvormende soorten zijn soorten met uitlopers zoals gewoon struisgras, gewone veldbies, riet, veldrus, zandzegge, heen, e.a. of wortelstokken (rhizomen) zoals bosanemoon, adelaarsvaren, beenbreek, lelietje-van-dalen, dalkruid, eenbes, e.a. Bij het geclusterd voorkomen van soorten die geen pollen- of matten vormen worden echter de individuele bovengrondse delen geteld voor het benaderen van de densiteit (bv. boshyacint).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 279

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Net zoals bij de meeste visuele bedekkingsschalen is de beheermonitoringsschaal opgebouwd volgens een geometrische reeks (afstand tussen opeenvolgende klassen is klein bij lage abundantie en wordt groter bij hogere abundantie). Het menselijk oog kan immers gemakkelijker verschillen in de lagere densiteiten onderscheiden. Een verschil tussen 2 en 8 individuen blijft gemakkelijk waarneembaar, terwijl een verschil tussen 90 en 110 planten visueel amper in te schatten is. In bijlage staan figuren ter visuele ondersteuning van de codes van de beheermonitoringschaal. Deze geven een impressie van de ondergrens van het aantal plantenindividuen per eenheid die je waarneemt tijdens een inventarisatie. Ze zijn niet te interpreteren als de (veronderstelde) effectieve aantallen (die quasi altijd hoger zijn). Door middel van een suffix aan een code toe te voegen, kan het lokaal voorkomen van soorten in afwijkende vegetatiedelen binnen dezelfde inventarisatie-eenheid specifiek geduid worden (bv. de toegangszone van een grasland met tredsoorten, poel, open plek in bossen, …). Suffix /2 heeft betrekking op een afwijkende vegetatiesamenstelling in 1/4de tot 1/2de van de inventarisatie-eenheid, suffix /4 betreft 1/8ste tot 1/4de en suffix /8 1/8ste of minder van de oppervlakte. In bijlage worden enkele figuren ter illustratie van dit principe getoond. Het duiden van dergelijk lokaal voorkomen wordt niet toegepast in min of meer homogene vegetaties of mozaïeken met een uitgesproken herhaalpatroon. Mogelijke voorbeelden waar dit dus niet toegepast wordt zijn bossen op rabatten, buntgrasvegetaties in stuifduin, homogeen zuur bossen waar de typische soorten slechts schaars aanwezig zijn, e.a. Deze methode voor lokale vegetatiepatronen wordt ook niet gehanteerd voor vegetatieverschillen die zich enkel voordoen in de randen. Daartoe maken we gebruik van het suffix R in combinatie met een schaalcode (bv. BR: Bedekkend in de Rand). Zie ook figuren in bijlage. Bijgevolg wordt een zeker breedte vanaf de rand (afhankelijk van de breedte van de waargenomen randeffecten) buiten beschouwing gelaten voor de rest van de opname. Afhankelijk van de doelstellingen van het project kan er voor gekozen worden om de randen al dan niet altijd afzonderlijk te beschrijven of om dat enkel in bepaalde (ecologische relevante) gevallen te doen. Net zoals bij een klassieke opname, kan bij een opname van dit type ook de vegetatiegelaagdheid worden weergegeven. Het betreft meer bepaald: moslaag, kruidlaag, struiklaag, boomlaag. Dit geeft een overzicht van de verticale structuur van de vegetatie in het perceel. Bovendien laat het toe om de individuele plantensoorten te wegen in functie van hun aandeel in de afzonderlijke structuurlagen. De hoeveelheid open bodem (vegetatieloze bodem of water) inschatten geeft bijkomende informatie betreffende de horizontale structuur. De soorten worden per laag ingeschat maar telkens relatief ten opzichte van het gehele perceel. Jonge planten van éénstijlige meidoorn kunnen bijvoorbeeld talrijk voorkomen in de kruidlaag. Maar twee exemplaren zijn uitgegroeid tot een struiklaag en krijgen in deze laag de klasse zeer schaars toegekend (d.i. hun densiteit over het gehele perceel en niet binnen de struiklaag). Een ander voorbeeld: in een bos met een tapijt bosanemoon onder een scherm van zomereik coderen we beide soorten met de code D dominant. Er zijn geen beperking met betrekking to het voorkomen van combinaties van codes, behalve indien mathematisch onmogelijk binnen éénzelfde vegetatielaag (bv. 3 maal de code halfbedekkend in de kruidlaag kan niet). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 280

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Dode exemplaren van planten (bv. éénjarigen) worden als aanwezig genoteerd tenzij het bomen en struiken betreft.

WERKWIJZE A. Foto (optioneel) Om problemen te vermijden bij de latere verwerking van het fotomateriaal wordt aangeraden om per foto een duidelijk zichtbare identificatiecode en de oriëntatie weer te geven. We raden aan om eerst een foto van de identificatiecode op het invulformulier te maken vooraleer het terrein te fotograferen. Indien dit onmogelijk is, codeer dan duidelijk in het daartoe voorziene veld op het veldformulier of bij afwezigheid daarvan in het vrije veld ‘opmerkingen’. Met de nieuwe smartphones is het trouwens mogelijk om de locatie van de genomen foto te taggen. Het is belangrijk om achteraf de fotobestanden een gestructureerde naam (bv. Identificatiecode_Oriëntatie_Datum) te geven. Voor opslag en beheer van fotobestanden zal in een latere fase hiervoor een Digital Asset Management-tool beschikbaar komen.

B. Opname Het perceel/gebied wordt op systematische manier doorkruist, waarbij het de bedoeling is dat elk deel van het terrein in zekere mate ‘gezien is’ voor wat betreft zijn soortensamenstelling. Hierbij is het landschapsecologische inzicht van de waarnemer vaak doorslaggevend. Sommige delen kunnen ‘sneller’ bekeken worden dan andere. Bij homogene soortenarme situaties volstaat het om b.v. een perceel langs beide diagonalen te doorkruisen. Tijdens dit inventariseren worden alle aanwezige soorten per vegetatielaag genoteerd. Indien de inventarisatie herhaald dient te worden i.k.v. monitoring dient het gevolgde traject gedocumenteerd te worden. Bij het noteren van de soortnamen wordt bij voorkeur gewerkt met wetenschappelijke namen. Door het werken met (onvolledige) Nederlandse namen ontstaan vaak verwarring bij het invoeren van de gegevens (bv. bevernel, esdoorn, iep, …) Planten die net buiten het onderzoeksgebied staan maar die een bedekking of presentie halen in het perceel dienen genoteerd te worden voor zover zij niet verwaarloosbaar zijn als randeffect (bv. overhangende takken van bomen). Schat dan per vegetatielaag voor elke soort de juiste schaalcode in. Gebruik hiervoor de visuele ondersteuning in bijlage. De soorten worden per laag ingeschat maar telkens relatief ten opzichte van het gehele perceel. Wanneer een soort een zekere bedekking (circa 5%) inneemt, speelt de densiteit geen rol meer. In de uitgebreide Tansley wordt vanaf de categorie ‘Bedekkend’ dan ook de bedekking (zie definitie) i.p.v. abundantie gebruikt om de klassegrenzen te definiëren. De mate van bedekking krijgt ook voorrang op de densiteit bij het bepalen

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 281

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


van de bijpassende schaalcode. Bv. 4 oude eiken in een grasland, die ongeveer 10% bedekken, krijgen niet de code ‘Schaars’ maar wel ‘Bedekkend’. Bij fijnbladige soorten kan het aangewezen zijn om een correctiefactor toe te passen aangezien de bedekking binnen de contour van deze planten niet 100% is (bv. smalbladige wilgen). Een strategie om de bedekking van zulke soorten in te schatten is dan ook de bedekking voor de verticale projectie van de omhullenden te schatten en deze naar beneden te corrigeren (0 < correctiefactor < 1) voor de ijlheid van het gebladerte. Deze correctiefactor is opnieuw een visuele schatting, maar dan één die éénmalig kan geschat worden en daarna consequent gebruikt. De totale bedekkingen van strooisellaag, algenlaag, moslaag, kruidlaag, boom- en struiklaag worden afzonderlijk ingeschat met telkens maximaal 100% bedekking. Daarnaast wordt ook de totale bedekking over de lagen heen ingeschat (dit is 100% min de bedekking van onbedekte bodem of open water). De standaard INBO-schaal voor de bedekking (INBO-structuur in INBOVEG) is een rechtstreekse schatting van het percentage in sprongen van 10%, 5% en 1%, waarbij op de uiteinden van de schaal kleinere sprongen genomen worden. Dit resulteert in 0, 1, 2, 3, 4, 5, 10, 15, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 85, 90, 95, 96, 97, 98, 99, 100%. De moslaag betreft standaard alle bodembewonende mos- en korstmossoorten, inclusief lever- en hauwmossen. Voor boom- en rotsbewonende soorten zijn bijkomende projectspecifieke afspraken nodig. Kiemplanten van houtige gewassen aanwezig in de kruidlaag worden genoteerd met vermelding kiemplant (k) bij de fenologie. Tot de struiklaag worden de houtige planten van 80 cm tot 6 m gerekend. De boomlaag bestaat uit houtige planten hoger dan 6 m. Lianen worden meegerekend tot de hoogste laag waarin ze opklimmen. Lianen in de kruidlaag worden ook steeds in die laag genoteerd (bv. klimop). Aandachtspunten: - Doorgaans heeft de waarnemer de neiging om opvallende of bloeiende soorten te overschatten. Andere minder opvallende soorten worden doorgaans onderschat (Kent & Coker, 1992). - Bij het toekennen van een code wordt door een waarnemer (al dan niet) onbewust enkel de onmiddellijke omgeving gebruikt als referentiebeeld. Je schat op een deel van het perceel waarover je een overzicht hebt. Afhankelijk van de overzichtelijkheid van het terrein waarvoor je de opname maakt is deze oppervlakte beperkt tot zeer beperkt (enkele tientallen m² tot enkele honderdtallen m²). Wees je hiervan bewust en corrigeer indien overige delen van het perceel afwijken ten opzichte van het deel waarop je tijdens het inschatten zicht hebt. - Overloop aan het einde van de opname de toegekende codes ter controle. Vaak gebeuren nog aanpassingen aan de initiële inschatting door te vergelijken met de ingeschatte klassen van andere soorten (‘relatief schatten’).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 282

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Indicatieve figuren bij de verschillende klassen van de beheermonitoringsschaal.

Indicatie van de range van de categorieĂŤn van de beheermonitoringsschaal waarbij links de ondergrens en rechts de bovengrens van een klasse. Voor de klasses waarbij sprake van een bedekking hoger dan 5% wordt eveneens de variatie in functie van de grootte van de plantensoorten (cf. grootte van de bollen) getoond.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 283

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 284

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 285

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 286

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 287

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 288

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


In het geval van lokaal afwijkende vegetatiepatronen dient vermeld over welk aandeel van de volledige inventarisatie-eenheid de afwijking zich voordoet (suffix/2=tussen Âź en de helft,suffix/4=tussen 1/8 en 1/4, suffix /8=minder dan 1/8). Voor randen gebruik je de suffix R. Hieronder een voorbeeld voor Bedekkend (B)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 289

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Antropogeen: van menselijke oorsprong.

Bijlage 5: Lijst met begrippen- en veldtechnieken

Arenosol: zandige bodems met zwakke profielontwikkeling.

A A-horizont: de minerale donker gekleurde bovenste horizont van het eigenlijke bodemprofiel. Hierin vindt regelmatig aanvoer van organisch materiaal plaats dat door het bodemleven wordt omgezet in humus. Aanwaskust: kust die zeewaarts verplaatst door aanslibbing. Acrotelm: dunne, maximaal 0,4 - 0,5 m dikke, bovenste veenlaag van een intact hoogveensysteem. De acrotelm bestaat grotendeels uit levend en afgestorven maar weinig vergaan veenmos en is zeer doorlatend voor water, periodiek lokaal aĂŤroob. De acrotelm heeft een krimp - en zwelvermogen (inkrimping bij droogte en zwelling bij watertoevoer) en draagt sterk bij aan de stabiliteit van de waterhuishouding van een hoogveensysteem. Akrokreen: of puntbron is een bron waarbij het grondwater op een punt boven de aarde komt en direct een stroompje vormt. Alluvium: door een rivier of beek afgezet fijn bodemmateriaal. Ammoniumvergiftiging: Planten kunnen stikstof opnemen in de vorm van ammonium (-NH4) en nitraat (-NO3). In sommige bodems is alleen ammonium beschikbaar, bijvoorbeeld in permanent natte bodems en in sterk zure bodems. Als planten ammonium opnemen komt bij het inbouwen van stikstof in de plant een overschot aan zuurdeeltjes, oftewel protonen vrij. In scheikundige termen: NH4 wordt omgezet in -NH2 groepen en er blijven H+ deeltjes (protonen) over. In een zure omgeving zijn buiten de plant al veel van deze protonen aanwezig en dan zijn veel planten niet meer in staat om het overschot aan zuurdeeltjes naar buiten te pompen. Het gevolg is dat de plant intern verzuurt en afsterft: dit is ammoniumvergiftiging. Dit kan dus alleen gebeuren in een bodem die tegelijkertijd zuur is en waarin ammonium de dominante minerale stikstofvorm is. Amplitude waterstand: relatieve fluctuatie los van hoe diep oppervlakkig het (grond)water ook staat; verschil tussen GVG en GLG.

Atmoclien (water): regenwaterachtig of waterkwaliteit die overeenkomt met dat van regenwater. Is meestal arm aan ionen en (relatief) zuur. Treedt op als ondiepe kwel. Atmosferische depositie: wil zeggen dat stoffen na over een (korte of grote) afstand door de lucht te zijn verspreid op vegetatie, bodem of water terechtkomen. Het gaat in deze context vooral over stikstof en verzurende stoffen, zware metalen en toxische organische verbindingen uitgestoten door industrie, landbouw en verkeer. Atmotroof: waterkwaliteit die zeer sterk gelijkt op de kwaliteit van regenwater (natuurlijk voorkomend watertype). B B-horizont: horizont.

inspoelingshorizont

of

een

gehomogeniseerde

Batrachiiden: in ondiep water wortelende, amfibische waterplanten met bladdimorfisme (submerse bladeren en luchtbladeren); bv. de meeste waterranonkels (Ranunculus spp.). Beschaduwing: aandeel van het wateroppervlak dat beschaduwd is, met name de verticale projectie van de overhangende bomen t.o.v. het wateroppervlak. Biodiversiteit: biologische diversiteit of de verscheidenheid in alle levensvormen: planten, dieren, schimmels en micro-organismen, de genen die ze bevatten en de ecosystemen waar ze deel van uitmaken. De soortenrijkdom helpt de ecosystemen in stand te houden. Elke soort is immers belangrijk voor de handhaving van het evenwicht in het ecosysteem waarin het leeft. Tot nu toe zijn er ongeveer 1,75 miljoen soorten wetenschappelijk beschreven, maar de totale omvang van de biodiversiteit is veel groter.

of

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 290

volledig

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Biogeografische regio: in Europa zijn er negen biogeografische regio‟s aangeduid waarbinnen de bedreigde habitats en soorten beschermd worden. Deze zijn: de alpiene regio, de Atlantische regio, de regio rond de Zwarte Zee, de boreale regio, de continentale regio, de Macaronesische regio, de mediterrane regio, de Pannonische regio en de stepperegio. Vlaanderen valt voornamelijk in de Atlantische regio Bodemprofiel: verticale doorsnede van de grond door al zijn horizonten en lagen.

C Ceratophylliden: kleine, vrij in het water, nabij het wateroppervlak zwevende planten; bv. Hoornblad (G) (Ceratophyllum spp.) en Blaasjeskruid (G) (Utricularia spp.). Chariden: kranswieren.

Bodemgenese: het ontstaan van de bodem. Bosdecreet van 13 juni 1990. Gecoördineerde versie na wijziging door het decreet van 9 mei 2014 tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos. Breedbladige wilgen: dat zijn de Geoorde wilg (Salix aurita), de Grauwe wilg (Salix cinerea) en de Boswilg (Salix caprea) en al hun onderlinge kruisingen.

Coastal squeezing: het smaller worden van de contactzone tussen zee en land door de harde begrenzing en de inpolderingen enerzijds en de stijgende zeespiegel anderzijds. Colluvium: is de benaming voor fijn bodemmateriaal dat door bodemerosie van een helling is afgespoeld en dat zich aan de voet van de helling heeft geaccumuleerd. D

Breuklijnen: topografische overgangen van zowel natuurlijke (klifwandjes) als antropogene (breuksteen) oorsprong. Bufferend vermogen: De mate waarin een milieu (water, bodem) bestand is tegen de aanvoer van verstorende stoffen zonder zichtbaar effect (bv. opname van verzurende stoffen zonder dat de pH sterk wijzigt. Het zuurbufferend vermogen van water wordt gemeten aan zijn alkaliniteit. Een alkalisch moeras is een moeras waar kalkrijk kwelwater opwelt. BVR 23/7/98 Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Belgisch staatsblad 11/09/1998. Dit besluit regelt het verbod of de vergunningsplicht op vegetatiewijziging. BVR 20/06/2014 Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, de zoekzones en de actiegebieden voor de specifieke instandhoudingsdoelstellingen voor Europees te beschermen soorten en habitats. Belgisch Staatsblad N 287, 15-10-2014, p 80092 – 80095

Depositie: letterlijk „afzetting'; met atmosferische depositie wordt bedoeld: de afzetting van stikstof en verzurende stoffen op de vegetatie, het bodemoppervlak en in het water onder invloed van luchtverontreiniging. Diatomeeënfilm: diatomeeën of kiezelwieren zijn kleine eencellige gele of bruine algen die een kiezelskelet hebben. Ze leven zowel in zoet water als in de zee. Massale aanwezigheid ervan kan waargenomen worden als een flinterdun bruin laagje of film. Dispersiecapaciteit: De afstand die een soort kan afleggen om nieuwe habitatplekken te koloniseren. Voor planten is dit ook de afstand die kan afgelgd worden door het stuifmeel om andere planten te bevruchten Doorzicht: het doorzicht van het water wordt bepaald met behulp van een secchi-schijf, onder normale omstandigheden en in het midden van de plas. Draadalgen: verstrengeling van draadwieren en andere wieren, vrij aan het wateroppervlak zwevend of tussen andere waterplanten. Draadwiermatten: Vaucheria of Nopjeswieren. Dit zijn groene draadvormende wieren die op het slik groeien en er kussens vormen. Het

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 291

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


zijn wieren met slibcapterende eigenschappen die sedimentatie in de hand werken.

recyclage). Het gebruik van FSC claims of labels is aan strikte regels en controle onderworpen (zie bv. http://www.fsc.be/).

Dystroof: oppervlaktewater dat rijk is aan humuszuren en normaal gesproken voedselarm is.

Femelslagstructuur (een bos in vlekken)

E EGV: elektrisch geleidend vermogen, uitgedrukt in µS/cm. Dit is een maat voor de totale ionenhoeveelheid in een oplossing. Hoe lager het EGV, hoe meer het op regenwater lijkt. Elodeïden: wortelende, submerse waterplanten met kleine, soms fijn ingesneden bladeren; al, dan niet boven water bloeiend; bv. waterpest (Elodea spp.) en Klein nimfkruid (Najas minor). Emers: boven de waterspiegel uitgroeiend. Enteromorpha: darmwieren; aan het wateroppervlak vrij drijvende algen, bijna uitsluitend in sterk brak water. Estuarium: een verbrede, veelal trechtervormige riviermonding, waar zoet rivierwater en zout zeewater vermengd worden en zodoende een gradiënt in brak water ontstaat, en waar getijverschil waarneembaar is. Estuarien: zich in het estuarium bevindend

Bij de femelslag worden bomen in groepjes gekapt. De groepen kunnen in grootte verschillen. Wanneer men enkele jaren later opnieuw gaat kappen, kan men kiezen om de bestaande groepen groter te maken of om nieuwe groepen op een andere plek in het bos te maken. Uiteindelijk vloeien de groepen in elkaar over tot het hele bosbestand verjongd is. De grootte van de groepen heeft een invloed op het uiteindelijke uitzicht van het bos. Als de groepen groot genoeg gemaakt worden, kunnen de jonge boompjes van soorten die veel licht nodig hebben (zie lichtboomsoorten) opgroeien. Wanneer slechts kleine groepen weggekapt worden, kunnen alleen soorten die schaduw kunnen verdragen (zie schaduwboomsoorten) verjongen. Door met de grootte van de verjongingsgaten te spelen, kan de bosbeheerder de soortensamenstelling van het bos enigszins sturen. Een belangrijk voordeel van femelslag is dat, door het bos in groepen te kappen, er een bos met een divers uitzicht ontstaat. Zo zijn bijvoorbeeld sommige plekjes in het bos ouder dan andere of komen er verschillende boomsoorten voor. Een bos dat verjongd wordt door femelslag is interessant voor veel planten- en diersoorten. Het beschermende bosklimaat blijft immers altijd behouden. De verjonging van het bos kan door de natuur zelf gebeuren waardoor heel wat tijd en kosten worden bespaard. De mens kan er echter ook voor kiezen om zelf boompjes aan te planten.

Eutrafent: een eutroof (zie hieronder) milieu verkiezend Eutroof: voedselrijk, rijk aan nutriënten (voedingsstoffen) zoals stikstof (in de vorm van nitraat, nitriet of ammonium), fosfor (in de vorm van fosfaat) en/of kalium.

Een nadeel van deze bedrijfssoort bestaat erin dat het zeer belangrijk is dat men het bos goed kent. Men moet weten welke soorten in het bos voorkomen en hoe groot de groepen moeten zijn om er voor te zorgen dat jonge boompjes erin kunnen groeien (bv. eiken hebben meer licht nodig waardoor de groepen groter moeten zijn dan bij beuken).

F In veel openbare bossen in Vlaanderen wordt femelslag toegepast. Men spreekt ook wel eens van groepsgewijze verjonging en beschouwt dit als een kleinschalige en meer ecologisch verantwoorde variant van de kaalslag.

FAO: Food and Agriculture Organization van de Verenigde Naties Fauna: alle diersoorten in een bepaald gebied

Filamenteuze algen: zie draadalgen. FSC-label: een FSC label of claim op een hout- of papierproduct garandeert dat het product afkomstig is uit verantwoord beheerde bossen en/of bijdraagt aan het verantwoorde beheer van onze bossen (bv door

Flora: alle planten in een bepaald gebied

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 292

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Fluvisol: jonge bodems in recente alluviale afzettingen, met weinig profielontwikkeling en zichtbare stratificatie.

borsthoogte) van minstens 7 cm. (Dit zijn de gebruikte definities binnen de bosinventarisatie).

Freatisch grondwater: water onder de grondwaterspiegel in een relatief goed doorlatende laag en boven een eerste, slecht doorlatende of ondoorlatende laag; het bovenste grondwater.

Gemengd bestand: Een bestand is gemengd zodra er minstens twee verschillende boomsoorten aanwezig zijn en de hoofdboomsoort 80% of minder van het bestandsgrondvlak inneemt, of 80% van het totale stamtal voor bestanden jonger dan 30 jaar (CDB 2003).

Freatofyt: is een soort die in zijn voorkomen uitsluitend of voornamelijk beperkt is tot standplaatsen waar de invloed van het freatische grondwater tot in de wortelzone reikt.

GG: gemiddelde grondwaterstand (in cm onder maaiveld). GGG: gereduceerd gecontroleerd getijdengebied

G

GHG: gemiddelde hoogste grondwaterstand (in cm onder maaiveld).

G-IHD: Op 23 juli 2010 heeft de Vlaamse Regering in het besluit tot vaststelling van gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen voor Europees te beschermen soorten en habitats de algemene doelen voor heel Vlaanderen vastgelegd: de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen of GIHD.

GLG: gemiddelde laagste grondwaterstand (in cm onder maaiveld).

De gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen zijn het kader waarbinnen de instandhoudingsdoelstellingen voor Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden worden opgemaakt. Het zijn de verbeter- of behoudopgaven voor het behouden, herstellen of ontwikkelen van een gunstige staat van instandhouding op Vlaams niveau van in het Vlaamse Gewest voorkomende Europees te beschermen habitats of soorten. Ze geven weer wat in totaal in Vlaanderen nodig is om de Europees te beschermen soorten en habitats een veilige toekomst te geven.

Gelaagdheid in een bos: het al of niet voorkomen van de diverse verticale lagen (kruid-, struik- en boomlaag), met soms onderscheid tussen de diverse etages in de boomlaag enerzijds en de horizontale lagen (verschillen in ouderdom en soortensamenstelling van de overlevende houtige soorten, inclusief het voorkomen van zones waar de houtige soorten al of niet tijdelijk ontbreken) anderzijds. Onder de kruidlaag wordt begrepen: laag met kruidachtige gewassen en verjonging van de struik- en boomlaag tot 2 m hoogte. De struiklaag is de laag met houtige gewassen groter dan 2 m maar met een diameter (op borsthoogte) kleiner dan 7cm. De boomlaag is de laag met houtige gewassen met een diameter (op

Goede staat van instandhouding: zie §1.2.3 GOG: gecontroleerd overstromingsgebied Gleysol: bodems met duidelijke kenmerken van extreme natheid (gley). Grenswaarde: zie §1.2.3 Groeiklassen: (Verbücheln et al. 2004) De diameter van een boom wordt standaard gemeten op 1.30m, zijnde DBH (diameter op borsthoogte). Enkel in Frankrijk (en vroeger ook bij ons) werd gewerkt met stamomtrekken op 1.50m. Klasse 1 = Open plek Klasse 2 = Vroege stadia van natuurlijke bebossing met habitat-typische pioniershoutsoorten (gemiddelde hoogte < 2 meter) Klasse 3 = Jonge boompjes (gemiddelde hoogte 2 meter) Klasse 4 = Jong hout (gemiddelde hoogte > 2 m tot diam 13 cm) Klasse 5 = Hout met geringe tot middelmatige dikte (diam 14-49 cm) Klasse 6 = Dik hout (50-79 cm) Klasse 7 = Zeer dik hout (vanaf 80 cm) Groeivormen bij waterhabitattypen: zie onder. Grondroering: grond omroeren, omwerken.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 293

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Grondvlak bos: som van de oppervlaktes van alle stamdoorsnedes op 1,3 m hoogte (borsthoogte) van een hectare bos, uitgedrukt in m2/ha. Grote monocotylen: grote moeras- en oeversoorten, vaak met absolute dominantie in soortenarme vegetaties, vaak formatievormend; diverse levensvormen; bv. Riet (Phragmites australis), Gele lis (Iris pseudacorus) grote zegges (Carex spp.), grote biezen (Scirpus spp.), … Grote pleustofyten: grotere, tijdens het vegetatieseizoen aan de oppervlakte drijvende waterplanten die gedurende de winter naar de bodem zakken; via wortels in contact met de bodem; bv. Kikkerbeet (Hydrocharis morsus-ranae) en Krabbenscheer (Stratiotes aloides). Guanotrofiëring: sterke bemesting door uitwerpselen als resultaat van het geconcentreerd voorkomen van vogels (veelal kolonievormende vogels zoals meeuwen, roeken en aalscholvers of hoge aantallen watervogels zoals eenden en ganzen). Gunstige staat van instandhouding: zie §1.2.3. Op Europees niveau is afgesproken dat de overheid ervoor moet zorgen dat de habitats en soorten van Europees belang duurzaam kunnen overleven. Dat wordt de „gunstige staat van instandhouding‟ genoemd. De term is voorbehouden voor gebruik op regionaal of biogeografisch niveau (bv. Vlaanderen of Atlantisch België). Deze is functie van het areaal, de oppervlakte, de specifieke structuren en functies (incl. typische soorten) en van de toekomstperspectieven. De staat van instandhouding van een habitat wordt als gunstig beschouwd wanneer: - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen; - de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan;de staat van instandhouding van de voor die habitat gunstige typische soorten gunstig is. De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd wanneer: -uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven; -het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden; -er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

GVG: Gemiddelde Voorjaarsgrondwaterstand (in cm onder maaiveld). H Habitat: een land- of waterzone met bijzondere geografische, abiotische of biotische kenmerken, die zowel natuurlijk of halfnatuurlijk kan zijn, waarin een bepaalde soort leeft. - dus wat er op terrein (= habitatvlek of geheel van habitatvlekken in een gebied) is. - OF (in de zin van geen habitat of wel habitat) ook abstract maar dan los van één of meer bepaalde habitattype(n) Habitatkaart: de meest recente INBO-kaart die de ligging habitattypen en de omvang van habitatvlekken weergeeft http://www.geopunt.be/).

van (zie

Habitatlocatie: een individuele habitatvlek of een geheel aaneensluitende vlekken van eenzelfde habitattype (zie § 1.4)

van

Habitatrichtlijn: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora. Na de Vogelrichtlijn uit 1979 werd in 1992 een tweede Europese richtlijn rond natuurbehoud uitgevaardigd. Deze Habitatrichtlijn is er op gericht de biologische diversiteit te garanderen door de natuurlijke Europese habitats en de wilde flora en fauna in stand te houden. De lidstaten moeten speciale beschermingszones aanduiden voor bepaalde habitats en soorten van communautair belang. Deze zones worden Habitatrichtlijngebieden genoemd of, met een afkorting SBZ-H (speciale beschermingszones in het kader van de Habitatrichtlijn). Samen met de Vogelrichtlijn vormt de Habitatrichtlijn de pijler van de Europese wetgeving rond milieubescherming. Habitatrichtlijngebied: gebied die in toepassing van de Habitatrichtlijn definitief zijn vastgesteld krachtens artikel 36bis, § 6 van het natuurdecreet, geacht worden definitief vastgesteld te zijn krachtens artikel 36bis, § 12 van het decreet of aangewezen zijn krachtens artikel 36bis, § 9 van het decreet Habitattype: abstract, niet doelende op een specifieke habitatvlek op terrein (bv. het habitattype komt niet voor in dat gebied, het habitattype heeft een totale oppervlakte van x ha en bevindt zich globaal gezien in een voldoende tot goede toestand, …).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 294

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


I Helofyt: dit is een moerasplant die in de waterbodem wortelt, maar met de stengel en bladeren boven het water uitsteekt. Bekende voorbeelden zijn riet, lisdodde, diverse soorten biezen en gele lis. Helokreen: een soort bron waarbij het water her en der uit de grond opwelt en zodoende een moeraslandschap creëert. Homerange: is het gebied waarbinnen een dier leeft en migreert. Het is niet hetzelfde als een territorium omdat het niet per se actief verdedigd wordt. Homogeen bestand: bestand waar maar één dominante boomsoort in voorkomt (zie gemengd bestand). Hoogwaterlijn (gemiddelde): de grens tot waar het water bij vloed gemiddeld stijgt. Humus: Het materiaal dat onder invloed van chemische of biologische processen uit afgestorven plantaardige of dierlijke biomassa ontstaat. Er worden drie types humus onderscheiden: - Mull humus: goed verteerde, sterk gemineraliseerde humuslaag die meestal geleidelijk overgaat in de onderliggende horizont. - Mor humus: een weinig verteerd organisch dek dat weinig of niet vermengd is met de minerale onderliggende horizont en geen of weinig biologisch leven vertoont. - Moder: een tussenvorm tussen Mull en Mor humus. Humuszuren: zure bestanddelen die vrijkomen uit humus. Hydrodynamiek: omvat alles wat te maken heeft met de fysische beweging van water en de daaraan gelinkte processen. Overstromingsduur, -hoogte, golfslag, stroming, stroomsnelheden, enz. zit vervat onder hydrodynamiek.

Indicator, indicatorsoort: een soort, taxonomische of ecologische21 soortengroep die men ecologisch voldoende kent om uit de aan- of afwezigheid en/of talrijkheid ervan, bepaalde ecologische of milieueigenschappen van een terrein te kunnen afleiden. Infiltratie: indringing van water (vnl. gebruikt met betrekking tot neerslag) in de bodem (in de hogere delen van het landschap). Intertidaal gebied: de zone tussen de gemiddelde laagwater- en hoogwaterlijn. Inklinken: het proces van volumevermindering van grond door verdroging of onttrekken van grondwater. Inklinken kan bijvoorbeeld ontstaan bij bemaling in een polder. Inklinken doet zich vooral voor in veengrond welke voor ongeveer 15 % uit afgestorven plantenmateriaal bestaat en voor de rest grotendeels uit water. Bij ontwatering heeft deze grond de neiging om in te klinken. Dit wordt nog versterkt door het feit dat het afgestorven plantenmateriaal na ontwatering in aanraking komt met zuurstof uit de lucht, waarna bacteriën dit materiaal kunnen oxideren waarbij het volume verder afneemt. Instandhoudingsdoelstellingen: Europese natuurdoelen. In Vlaanderen bestaat er een onderscheid tussen de gewestelijke en de specifieke instandhoudingsdoelstellingen. De gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen, of G-IHD, tonen aan wat in het totaal in Vlaanderen nodig is om de bedreigde Europese soorten en habitats een toekomst te geven. In een volgende stap worden de globale natuurdoelen verfijnd per Natura 2000-gebied. Dit zijn de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, of kortweg S-IHD. Zij zijn van toepassing op de Natura 2000-gebieden. S-IHD vertellen welk deel van de opdracht ieder gebied voor zijn rekening moet nemen. Intertidaal: het intergetijdengebied, de zone tussen eb en vloed

Hydroserie: plantenreeks ontstaan in een natte omgeving. Hypertroof: de overtreffende trap van eutroof. In hypertrofe ecosystemen is er een overaanbod aan voedingsstoffen en krijgen nog maar een paar plantensoorten een kans zoals draadalgen in water of brandnetels op het land.

Inundatie: onder water staan, vooral t.g.v. een hoge grondwatertafel en/of regenwater en niet of niet alleen door overstroming met rivierwater.

21

Bv. freatofyten of waterafhankelijke plantensoorten

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 295

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Invasieve exoten: zijn soorten die van nature niet in Vlaanderen voorkomen, maar zich op sommige plaatsen massaal vestigen. Deze soorten verspreiden zich zeer snel en vertonen een explosieve groei. Ionenratio (IR): De ionenratio geeft de verhouding tussen de Ca- en Clionen. Het is indicatief voor de herkomst van het water. Puur zee- en regenwater geven relatief lage waarden (<0.5), terwijl grondwater een relatief hoge waarde geeft. Isoëtiden: laagblijvende rozetbladige planten met stevige, holle, lijn- of priemvormige bladeren bv. Knolrus (Juncus bulbosus), Oeverkruid (Littorella uniflora), Waterlobelia (Lobelia dortmanna), Pilvaren (Pilularia globulifera ), …

ondiepe plassen vastgelegd tot een diepte van 2 meter en voor diepe plassen tot 4 meter diepte. Komberging: de komberging van een estuarium is de ruimte of het volume dat beschikbaar is om het vloedwater te bergen. Komgrond: kleigrond afgezet buiten het zomerbed van een rivier. Kritische last: een kwantitatieve schatting van een blootstelling aan de depositie of de concentratie van één of meerdere polluenten waaronder geen significante schadelijke effecten optreden aan ecosystemen volgens de huidige kennis naar structuur en functioneren. Kwel: water dat uit de grond omhoog komt, veelal door ondergrondse grondwaterstromingen als gevolg van drukverschillen.

K L Kalibratiemodel: Het kalibratiemodel had tot doel een objectieve verdeling te maken van de oppervlaktedoelen per habitattype, die op Vlaamse niveau waren gesteld in de G-IHD, over elk van de speciale beschermingszones (S-IHD). Deze toewijzing gebeurde aan de hand van een door VITO ontwikkeld ruimtelijk optimalisatiemodel, waarin ecologische randvoorwaarden gecombineerd werden met socio-economische optimalisatie. Als output leverde dit per habitattype en per speciale beschermingszone een oppervlaktewaarde op in tabelvorm. In een vervolgfase (zoekzonemodel) worden die startoppervlakten uit het kalibratiemodel ruimtelijk toegewezen binnen de speciale beschermingszones (met ook ecologische randvoorwaarden en een socioeconomische optimalisatie), vermeerderd met een vooraf gedefinieerde factor (1,5, 2 en 3) afhankelijk van de nog te realiseren oppervlakte, zodat zoekzones bepaald kunnen worden waarin de toekomstige realisaties op het terrein kunnen gebeuren (kaartvorm). Knijpconstructie: een constructie die aangebracht wordt in een waterloop en die er voor zorgt dat als het debiet toeneemt het water tegengehouden wordt en in een bufferbekken loopt.

Laagwaterlijn (gemiddelde): de grens tot waar het water bij eb gemiddeld zakt. Laggzone: randzone van een hoogveen, waar water uit het hoogveen en (mineraalrijker) grondwater zich mengen. Lemniden: zeer kleine, aan het wateroppervlak vrij drijvende waterplantjes met aan lucht aangepaste bladbovenzijde; bv. Klein kroos (Lemna minor), Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza) en Grote kroosvaren (Azolla filiculoides). Lithoclien (water): grondwaterachtig. Is meestal rijk aan ionen en pH neutraal. Treedt op als diepe kwel. Lokaal kwelgebied: gebied waar water dat een korte verblijftijd in de bodem heeft gekend opkwelt (bv. vanuit nabijgelegen duin). Dit kwelwater heeft geen of slechts een zeer beperkte minaralenaanrijking. Luvisol: bodems met een kleiinspoelingshorizont. M

Kolonisatiecapaciteit: het vermogen om nieuwe gebieden te koloniseren, nauw verwant aan dispersiecapaciteit

Maaiveld: bodemoppervlak, grensvlak tussen de ondergrond en de lucht.

Koloniseerbare waterbodem: de waterbodem waar plantengroei mogelijk is; wordt conform de werkwijze van de Kaderrichtlijn Water voor ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 296

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Magnopotamiden: grootbladige fonteinkruiden, meestal submers; bv. Gekroesd fonteinkruid (Potamogeton crispus) en Drijvend fonteinkruid (P. natans),…

Mogelijk habitat: de kans is reëel dat de polygoon of delen ervan (het betreffende) habitat zijn, maar dit moet gecontroleerd worden (al dan niet via veldcontrole).

Mantel-zoomvegetatie: Bosranden zijn de overgang tussen open terreinen en het eigenlijke bos. In het ideale geval is deze overgang geleidelijk en gaat het open veld over in een zone met hogere meerjarige kruiden, de zogenaamde zoomvegetatie. Vanuit deze zoom volgt opnieuw een geleidelijke overgang naar een brede zone van struiken (de mantelvegetatie) die uiteindelijk aansluit op de hoogte van de bomen van het bos zelf. Goed ontwikkelde, geleidelijke bosranden bezitten de grootste soortenrijkdom aan dieren en planten van het hele bosgebied, omdat zij zowel de soorten van het bos als het open terrein bevatten. Daarbij leven veel ongewervelde dieren (bijvoorbeeld vlinders) in bosranden.

Mycoflora: paddenstoelen en zwammen. Mycorhiza-gebonden vaatplanten: planten die in symbiose leven met bepaalde paddenstoelen. Myriophylliden: wortelende, submerse waterplanten met kleine, soms fijn ingesneden bladeren, al, dan niet boven water bloeiend; bv. vederkruid (Myriophyllum spp.) en Waterviolier (Hottonia palustris). N Naakte bodem: vlekken binnen een voorkomen van een habitattype waar de bodem niet begroeid is met een vegetatie die bestaat uit vaatplanten, mossen of korstmossen. Hieronder vallen ook vlekken die wel begroeid zijn met algen en mariene wieren. (leeswijzer Natura 2000 profielendocument, 2008) Natuurdecreet: decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Gecoördineerde versie na wijziging door het decreet van 9 mei 2014 tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos. Natuurdoelen: in Vlaanderen instandhoudingsdoelen

gebruikte

term

voor

de

Europese

Neofyt: Het begrip neofyt op zich wordt vaak in diverse betekenissen gebruikt. In enge historische zin betreft het planten die ingevoerd zijn na 1500. In historisch - ecologische context worden taxa bedoeld die na 1500 in Vlaanderen terecht kwamen en er in slaagden in te burgeren of waarvan het inburgeringsproces momenteel aan de gang is. Nymphaeïden: wortelende waterplanten met drijfbladeren met een lange bladsteel; bv. Gele plomp (Nuphar lutea), watervorm van Veenwortel (Polygonum amphibium), Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides),...

Mesotroof: matig rijk aan voedingsstoffen. Minimum structuurareaal (MSA): Een oppervlakte-eenheid bos (uitgedrukt in ha) dat minimaal nodig is voor het spontaan naast elkaar voorkomen van verschillende ontwikkelingsfasen van een bos zonder ingrijpen van de mens.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 297

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


O Oever-/moerasplanten (klein): kleinere oever- en moerasplanten, soms dominerend, nooit formatievormend; diverse levensvormen; bv. Wolfspoot (Lycopus europaeus), tandzaden (Bidens spp.), russen (juncus spp.), kleine zegges (Carex spp.), â&#x20AC;Ś Oever-/moerasplanten (groot): grote moeras- en oeversoorten, vaak met absolute dominantie in soortenarme vegetaties, vaak formatievormend; diverse levensvormen; bv. grote monocotylen, wilgen (salix spp.), â&#x20AC;Ś Oeverwal: een natuurlijke hoogte langs een rivier, die ontstaat doordat tijdens het buiten haar oevers treden van de stroom het grofste materiaal het dichtst bij de rivier wordt afgezet Oligotroof: voedselarm (milieu), arm aan voedingsstoffen. Ombrotroof: kwalificatie voor een milieu dat niet door het grondwater, maar door hemelwater wordt gevoed, zoals bij hoogvenen het geval is. Op deze wijze is er nauwelijks aanvoer van minerale voedingsstoffen voor de planten, omdat het gehalte ervan in regenwater zeer laag is. Ondergedoken en zwevend: de groepen Ceratophylliden, Riccielliden en watermossen (excl. veenmossen). Ongunstige staat instandhouding.

van

instandhouding:

zie

gunstige

staat

van

Ontwikkelingstijd bij bossen: de tijd dat een bos onafgebroken (als een van de groeiklassen) bebost geweest is. Ouderdomsstructuur degeneratiestadium

heide:

pioniers-,

ontwikkelings-,

climax-

(Bron: SchaminĂŠe, J.H. J.; Stortelder, A.H. F.; Weeda, E.J. (1996). De vegetatie van nederland : deel 3 : plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. De vegetatie van nederland, 3. Opulus: Leiden : The Netherlands. ISBN 91-8871-605-8. 356 pp.)

en

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 298

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


P Passende Beoordeling: naast de opmaak van natuurdoelen en het treffen van geschikte natuurmaatregelen, dient er ook omzichtig omgegaan te worden bij het beoordelen en toestaan van ingrepen in of nabij Speciale Beschermingszones die effecten kunnen hebben op deze gebieden. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo‟n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt rekening houdend met de noodzakelijke instandhouding van het gebied. Deze passende beoordeling is noodzakelijk voor de toestemming van het beoogde plan of project en moet voor elke ingreep met mogelijke invloed op een SBZ worden uitgevoerd. De toestemming kan slechts worden verleend nadat men zeker is dat:

 de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast;  bij een negatieve beoordeling alternatieve/mitigerende oplossingen worden onderzocht en zo nodig uitgevoerd;  indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De passende beoordeling geeft een nauwkeurige beschrijving van het plan of project en geeft aan welke elementen een effect zouden kunnen hebben op de Speciale Beschermingszone. De passende beoordeling analyseert deze effecten, geeft tevens aan of er hierdoor sprake kan zijn van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Speciale Beschermingszone en beschrijft welke maatregelen genomen worden om deze effecten te vermijden. Parvopotamiden: wortelende, submerse waterplanten met kleine, soms fijn ingesneden bladeren, al, dan niet boven water bloeiend; vnl. smalbladige fonteinkruiden zoals Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus), maar ook Zannichellia (Zannichellia palustris). Pepliden: in ondiep water wortelende, amfibische waterplanten met bladdimorfisme (submerse bladeren en luchtbladeren); bv. sterrenkrozen (Callitriche spp.), glaskrozen (Elatine spp.), Waterpostelein (Lythrum portula), …

P-gelimiteerd: (zeer) weinig fosfor beschikbaar voor de planten ofwel omdat het gehalte zeer laag is ofwel door binding aan bv. ijzer-ionen. Pionier: soort die zich als eerste en veelal massaal op een groeiplaats vestigt. Dit zijn meestal lichtminnende soorten. Pithotroof: omschrijving voor organismen (bacteriën, paddenstoelen, hogere planten, dieren) die levende plantenmaterie als voeding gebruiken. Plaggen: het verwijderen van de bovenste bodemlaag en bijhorende vegetatie tot aan de minerale ondergrond. Met het plaggen verdwijnen een groot aantal nutriënten en/of organische stoffen die in de vegetatielaag en het organische deel van het bodemprofiel aanwezig zijn. Planosol: bodems met een zeer dichte, ondoorlatende B-horizont in kleiig materiaal, regelmatig of periodiek nat. Plenterslagstructuur (individuele kapping) Definitie: De plenterslag of plentering is een vorm van individuele eindkap. Het bos is hierbij zeer gevarieerd met alle maten van bomen op erg korte afstand van elkaar. Abstract: Plenterslag lukt alleen met schaduwboomsoorten (bv. beuk, zilverden, fijnspar) omdat die zich kunnen verjongen in de piepkleine gaatjes die ontstaan bij de individuele kappingen. Het gaat hier om een vorm van ongelijkvormig hooghout, aangezien alle formaten van bomen aanwezig zijn. Het is zelfs zo dat er bij plenterslag een theoretische verdeling van boomdiameters vooropgesteld wordt: veel dunne bomen en geleidelijk steeds minder dikke exemplaren. Door altijd verschillende formaten van bomen te oogsten, blijft de complexe bosstructuur bestendigd en komt er een veelzijdig aanbod van houtsortimenten uit het bos. Uitgebreid: De plenterslag is typisch voor bossen in het middengebergte. Een belangrijk voordeel hier is de grote bio-ecologische stabiliteit. Het bos wordt immers nooit grootschalig verstoord, de bodem wordt niet blootgesteld aan plotse lichtinval en het bos zorgt zelf voor nieuwe bomen die aangepast zijn aan de standplaats. Bovendien is er een constante bosbedekking en dat is van levensbelang in bergstreken waar dorpen in het dal bedreigd kunnen worden door lawines. Het belangrijkste nadeel is dat deze manier van werken niet eenvoudig is. Tijdens de houtoogst moet men bijvoorbeeld opletten dat de overblijvende bomen niet te veel beschadigd worden. Een ander knelpunt is de soms

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 299

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


overdreven hoge wilddruk: als er zodanig veel herten en reeĂŤn zitten dat zilverden en beuk categoriek weggegraasd worden, blijft er alleen nog fijnspar over en dat is onvoldoende om een stabiel gemengd bos te maken. In Vlaanderen is plenterslag niet gebruikelijk omdat de geschikte schaduwboomsoorten hier niet groeien en/of onvoldoende verjongen. Podzol: sterk uitgeloogde zandbodem, voorkomend onder heidebegroeiing. Dat zijn gronden met duidelijke humus of/en ijzer B horizont. Kenmerkend is de bovenste laag waarin van boven naar beneden zwarte humeuze grond, lichtgrijs loodzand en een donkerbruine oerbank (ijzer- en humusinspoelingslaag) zijn te onderscheiden.

afgestane elektronen moeten immers opgenomen worden door een andere stof (de oxidator), die dus gereduceerd wordt. Het geheel (oxidatie en reductie samen) noemt men een oxidatie-reductiereactie of redoxreactie. Regionaal belangrijk biotoop (rbb): het betreft zeldzame vegetaties met hoge natuurwaarde die niet vervat zijn in de Natura 2000 habitattypen EN die via het BVR 23.07.98 in uitvoering van het natuurdecreet (verbod of vergunning op vegetatiewijziging) of een andere wetgeving (bv. bosdecreet) op Vlaamse niveau een wettelijke bescherming genieten. Deze vegetaties zijn beschreven in de Natuurtypes van Vlaanderen (www.inbo.be) en/of in de legende van de Biologische Waarderingskaart en in Paelinckx et al. (2007).

Postpodzol: gronden met verbrokkelde humus en/of ijzer B horizont. Poikilotroof: gevoed door water van verschillende oorsprong: water met een regenwaterkarakter enerzijds en met mineraalrijker grondwater anderzijds. Pool-riffle patroon: de afwisseling tussen dieper en trager stromend water met fijn sediment en ondiep snelstromend water met grover sediment. Profielontwikkeling: door chemische en fysische processen ontstaan verschillende lagen of horizonten in de bodem. Menselijk ingrijpen, verwering en uitspoeling of aanrijking zijn plaatsspecifiek en afhankelijk van de textuurklassen en het landschap. Het voorkomen van bepaalde lagen of aanrijkingen kan schadelijk of juist bevorderlijk zijn voor plantengroei. De horizonten worden ingedeeld in drie soorten. Psammofiel: levend of groeiend profielontwikkeling (bv. duin).

in

een

zandbodem

zonder

Pseudogley: bodem waarvan de vorming onder invloed staat van periodieke overmaat van water welke niet samenhangt met de wisseling van de grondwaterstand (indien wel, dan: gleygrond), doch met de aanwezigheid van waterkerende lagen waarop het regenwater stagneert. R Reductie: het scheikundige proces waarbij een deeltje elektronen opneemt, oorspronkelijk het wegnemen van gebonden zuurstof of het binden van waterstof. Met een oxidatie gaat altijd een reductie gepaard. De

Regosol: grond ontwikkeld in redelijk diep onstabiel oorsprongsmateriaal zoals duinzand of vulkanisch as. Rheotroof: groeiwijze (gekromd) in reactie op een water- of luchtstroom. Rheokreen: bron waarbij het grondwater direct te voorschijn komt en zich van een helling stort. Riccielliden: kleine, vrij in het water, nabij het wateroppervlak zwevende planten; bv. Watervorkje (Riccia fluitans) en Puntkroos (Lemna trisulca). Rijshout: takken en twijgen van wilgen of andere taaie rechtscheutige houtsoorten die gebruikt worden als zachte kustverdediging om het stuivend zand tegen te houden en duinvorming te stimuleren. Ruderaal: De klasse der ruderale gemeenschappen omvatten de gemeenschappen van ruderale (= aanduiding voor een milieu dat sterk door de mens met voedingsstoffen is verrijkt) standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd. Steeds is er sprake van extra en schoksgewijze aanvoer van voedingsstoffen, hetzij door mens of dier, hetzij door rivierwater of erosie. Dit kan samenhangen met de aanvoer van stenig materiaal. Bouw- en industrieterreinen, wegbermen, spoorwegterreinen, verwaarloosde tuinen en randen van trottoirs en plantsoenen vormen geschikte milieus. De standplaatsen zijn, tenminste tijdelijk, niet in gebruik voor het verbouwen van landbouwgewassen; hierin ligt het verschil tussen de ruderale gemeenschappen (Artemisietea vulgaris) en de akkergemeenschappen van de Stellarietea mediae. Permanent vochtige tot natte situaties worden gemeden; dit bepaalt de grens van de klasse ten

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 300

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


opzichte van de Bidentetea tripartitae. Algemene soorten als Bijvoet, Canadese fijnstraal, Grote zandkool, Gewone raket en Boerenwormkruid zijn vaak prominent aanwezig, maar ook zeldzaamheden als Brave hendrik, Hartgespan, Malrove en Rode aardbeispinazie horen thuis in ruderale gemeenschappen. Ruderale gemeenschappen zijn, behalve in stedelijke gebieden en langs antropogene infrastructuren, vooral goed vertegenwoordigd langs de grote rivieren en in de kustduinen.

Saliniteit: zoutgehalte van de bodem of water; wordt uitgedrukt in geleidbaarheid en dus in Siemens per cm (s/cm). Schijngrassen: zegges, biezen en russen. Schorklif: bruuske overgang tussen schor en slik.

Ruime oeverzone: afstand van oever (waar het water stopt) tot aaneengesloten bomenrijen aan zuid-westzijde van de plas. S

Secchi-schijf: cirkelvormige schijf die dient om het doorzicht van het water te meten. De schijf wordt bevestigd aan een stok en in het water gelaten. De diepte waarop het patroon op de schijf niet meer zichtbaar is wordt de secchi-diepte genoemd

S-IHD: De S-IHD of “specifieke instandhoudingsdoelstellingen” zijn de maatregelen die nodig zijn om Europees beschermde habitats en soorten in een speciale beschermingszone (SBZ) duurzaam te beschermen zoals opgelegd in de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor elke SBZ ligt daarin vast hoeveel habitatoppervlakte of welke populatiegrootte voor soorten er nodig is en welke de vereiste kwaliteit of welke de vereiste milieuomstandigheden zijn om de gunstige staat van instandhouding voor die gebieden te garanderen. Deze instandhoudingsdoelstellingen kaderen binnen het Natura 2000-programma in Vlaanderen. Op 23 april 2014 keurde de vorige Vlaamse Regering 36 zogenaamde S-IHD-besluiten goed. Er worden doelstellingen opgemaakt voor soorten en habitats die ofwel

  

voor het gebied werden aangemeld aan Europa; in het gebied voorkomen; via de G-IHD aan het gebied werden toegewezen.

Verschillende soorten secchi-schijven (bron: wikipedia)

De doelstellingen worden bepaald op basis van ecologische overwegingen. Het instituut voor Natuur- en Bosonderzoek stelde hiervoor de zogenaamde LSVI-tabellen (lokale staat van instandhouding) op. Via deze tabellen kan op een wetenschappelijk objectieve wijze bepaald worden in welke toestand de habitats en soorten zich bevinden in het gebied. Op basis van het actuele voorkomen, de vereisten van deze habitats en soorten, de potenties in het gebied en de socio-economische overwegingen, worden vervolgens de doelstellingen opgesteld.

Soortenbescherming: is een middel om te komen tot meer biodiversiteit. Het is erop gericht specifieke maatregelen uit te werken voor het beschermen van bedreigde soorten. Het nieuwe Soortenbesluit, dat ongeveer 500 dier- en plantensoorten nieuwe kansen biedt, zorgt voor de juridische fundering van de soortenbescherming. SRP: Soluble Reactive Phosphorus. Afhankelijk van het onderzoeksdomein of van het type rapportering worden voor nutriëntenconcentraties en nutriëntenratio‟s vaak andere eenheden gebruikt. SRP is een maat voor “beschikbaar fosfor”.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 301

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


V Standaardgegevensformulieren: De standaardgegevensformulieren geven per speciale beschermingszone een detailoverzicht rond de identificatie en ligging, ecologische informatie over habitattypen en soorten die erin voorkomen, een beschrijving, de beschermingsstatus, het beheer, en ten slotte een overzichtskaart van het gebied. Strandsuppletie: werken waarbij het strand lokaal opgespoten en/of opgehoogd wordt met zand dat veelal in zee gewonnen wordt. Gezien de grote hoeveelheden die nodig zijn voor strandsuppleties worden deze werken meestal in combinatie uitgevoerd met werken waarbij zand moet uitgegraven worden, zoals het compensatiebaggeren. Klassieke suppleties houden een massaopspuiting op het droogstrand in. Profielsuppleties zijn suppleties waarbij het zand onder zijn natuurlijk profiel over droog- en natstrand uitgespreid wordt. Voedingsbermen zijn onderwatersuppleties.

Vallisneriden: lintvormige, submerse, wortelende waterplanten; bv. Mannagras (Glyceria fluitans), Kleine egelskop (Sparganium emersum),… Vegetatielagen: Horizontale structuurlagen bij gelaagde vegetaties. We onderscheiden de kruidlaag, struiklaag, boomlaag, moslaag. De kruidlaag omvat alle niet-houtige gewassen en houtige gewassen (inclusief lianen) tot maximaal 80 cm voor niet-bossen en tot maximaal 2m voor bossen. De moslaag omvat alle bodembewonende mossen, lever- en hauwmossen (dus niet de epifyitsche). Voor sommige habitattypen (o.a. bossen) wordt de moslaag bij de kruidlaag gerekend. De struiklaag omvat alle houtige gewassen (inclusief lianen) tussen 80 cm en 6m voor niet-bossen en tussen 2m en 8m voor bossen. De boomlaag omvat alle houtige gewassen (inclusief lianen) hoger dan 6m voor niet-bossen en hoger dan 8m voor bossen.

Streefwaarde: zie §1.2.3 Strooisellaag: liggend afgestorven plantenmateriaal bovenop de bodem, niet vasthangend aan de moederplant waarin organisch materiaal nog herkenbaar te vinden is. Strooisel omvat dus bladeren, stengels, twijgen en andere houtachtige plantenresten, zowel intact en herkenbaar materiaal als gedeeltelijk gecomposteerd en gefragmenteerd materiaal. Humus en veen zijn daarbij niet inbegrepen want maken deel uit van de bodem. Structuren en functies: biodiversiteit omvat naast soortendiversiteit ook een structuur- en functionele component (Noss, 1990). Structuur is de fysische organisatie van van het systeem waarbij het ondermeer gaat over habitatcomplexiteit, landschappelijke configuratie en ruimtelijke organisatie. Functies hebben betrekking op ecologische en evolutieve processen zoals bv. biochemische cycli, metabolische processen en geneflow. In het kader van de Habitatrichtlijn worden structuren en functies, tesamen met oppervlakte en typische soorten, beschouwd als de onderdelen die de kwaliteit van een habitatype uitmaken. Submers: onder water groeiend. Subtidaal gebied: onder de laagwaterlijn, de zone die altijd, ook bij eb, overstroomd is.

Vergrassing: vergrassing is een verschijnsel waarbij enkele grassoorten gaan domineren en de andere planten verdringen. Oorzaak van vergrassing is vermesting. Droge heide vergrast bv. met Bochtige smele, struisgrassen of Pijpenstrootje, natte heide, hoogveen en heischrale graslanden met Pijpenstrootje en soms met Biezenknoppen. Vergrassing wordt vaak tegengegaan door de inzet van grazers. Door de achteruitgang van het aantal konijnen in duingebieden kan ook hier sprake zijn van vergrassing. Vermesting: het voedselrijker worden van het milieu, door toename van de hoeveelheid voedingsstoffen (nitraat, fosfaat), waardoor de ecologische processen en de natuurlijke kringlopen in de compartimenten bodem, water en lucht verstoord worden. Verruiging: het criterium „verruiging‟ is in de beoordelingstabellen ruim te interpreteren. Hiermee wordt niet enkel het proces bedoeld dat gewoonlijk optreedt na het wegvallen van het beheer in een bepaald terrein en dat gepaard gaat met de vestiging en/of uitbreiding van forse plantensoorten (zogenaamde ruigtekruiden), die gekenmerkt zijn door hun overblijvende natuur, hun snelle groei en de productie van aanzienlijke hoeveelheden strooisel, waardoor ze andere, vooral kleinere soorten, verdringen en de vestiging van andere soorten verhinderen. Ook de gevolgen die optreden bij een verstoring van de natuurlijke balans als gevolg van een te hoge concentratie aan fosfor en stikstof (vermesting) moeten hieronder verstaan worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 302

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Vervilting: dit is een verstoringscriterium die enkel betrekking heeft op graslandhabitats. Het hangt samen met het gaan domineren van een aantal grassoorten (bv. Gewoon struisgras, Gestreepte witbol) die de grasmat in sterke mate gaan sluiten, veel onverteerd (ruw) strooisel accumuleren en zo de (overige) sleutelsoorten gaan verdringen. Vervilting hangt samen met een te lage beheerdruk, gebrek aan afvoer van maaisel, verzuring en atmosferische stikstofdepositie.

een betekenisvolle aantasting te verwachten is: dan moet de initiatiefnemer geen passende beoordeling opmaken. Is er wel een waarschijnlijkheid of een risico: dan is verder onderzoek door de initiatiefnemer of overleg met het ANB aangewezen om te bepalen of er een betekenisvolle aantasting kan zijn. Hieruit blijkt dan of een passende beoordeling is vereist. Het eindrapport van deze tool geeft in geval van een mogelijk risico ook aan wat de focus zal zijn van een eventuele passende beoordeling.

Vlaams Natura 2000-programma: het voorontwerp van het Vlaams Natura 2000-programma, planperiode 2017 – 2020, principieel voorlopig vastgesteld door de Vlaamse regering op 30/11/2016 (https://www.natura2000.vlaanderen.be/het-vlaams-natura-2000programma). Het omkadert planmatig alle beleidsmatige inspanningen en gebiedsgerichte acties die in Vlaanderen in de eerste programmacyclus van 2017 tot 2020 geleverd zullen worden.

Het instrument voortoets staat online vanaf 2015. Voorlopig is enkel de depositiescan beschikbaar.

Vloedmerk: spoor van aanspoelsel op het strand, door de hoogste waterstanden bijeen `geveegd‟. Vogelrichtlijn: deze richtlijn uit 1979 is een van de pijlers van de Europese natuurwetgeving en heeft als doel alle wilde vogels en hun belangrijkste habitats in de hele Europese Unie te beschermen. Ze verplicht de lidstaten de gebieden te beschermen die belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en voor meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten. Vogelrichtlijngebied: de gebieden die in toepassing van de Vogelrichtlijn definitief zijn vastgesteld krachtens artikel 36bis, § 6 van het natuurdecreet of geacht worden definitief vastgesteld te zijn krachtens artikel 36bis, § 13 van het natuurdecreet, evenals de in artikel 75 van het decreet bedoelde gedeeltes van een in artikel 1, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn bedoelde zone Voortoets:

W Waterlooptypes bb: bronbeken bkK: kleine Kempense beek bk: kleine beek bgK: grote Kempense beek gb: grote beek Watermossen: submers (Drepanocladus fluitans).

groeiende

mossen;

Vensikkelmos

Onder de „overige wortelende caulescente hydrofyten’ worden Parvopotamiden, Myriophylliden, Elodeïden, Batrachiiden en Pepliden gerekend. Z Zoutspray: de aanvoer van zout die in nabijheid van de zee plaatsvindt, door de zoute zeelucht en zoute mist. Het zeewater wordt door golfwerking en branding verneveld en de nevelwolken kunnen enige honderden meters landinwaarts worden geblazen en daar voor toevoer van zout zorgen.

Met het online-instrument voortoets wil het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) aan initiatiefnemers de mogelijkheid bieden om op voorhand in te schatten wat de mogelijke implicaties zijn van een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit op een speciale beschermingszone (SBZ).Aan de hand van deze screening kan de initiatiefnemer nagaan of er een risico bestaat op een betekenisvolle aantasting van de actuele en potentieel te realiseren habitats (en in een verdere fase van de uitwerking ook soorten) die voorkomen in deze SBZ. Geeft de voortoets aan dat er géén risico op ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 303

bv.

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 304

doi.org/10.21436/inbor.14061248

www.inbo.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Oosterlynck_etal_2020_CriteriaVoorDeBeoordelingVanDeLokaleStaatVanInstandhoudingVanDeNatura2000Habit by Vlaanderen-be - Issuu