SECTORCONVENANTS
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Advies op eigen initiatief
Adviesvrager Ontvangst adviesvraag Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)
Goedkeuring raad
20 december 2021
Contactpersoon
Niels Morsink
E-mail nmorsink@serv.be
Mevrouw Hilde CREVITS Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Consciencegebouw Koning Albert II laan 15 B-1210 Sint-Joost-ten-Node
Sectorconvenants Mevrouw de viceminister-president De sociale partners nemen graag de opportuniteit van een mogelijke verbetering van het ‘decreet betreffende de sectorconvenants in het raam van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid van 13 maart 2009’ ten bate om een advies op eigen initiatief te geven omtrent de sectorconvenants. De sociale partners blijven een grote voorstander van dit instrument dat met een beperkt budget een groot bereik heeft. Eén van de grootste problemen voor elke regering is om nieuw beleid tot bij de ondernemingen te krijgen. De sectorconvenants overbruggen deze kloof en maken het verschil op het terrein. De convenantenwerking en de sectorconsulenten zijn goed ingebed in de bredere werking van de sectorfondsen. De decretale thema’s – aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt, levenslang leren en competenties, en diversiteit en inclusie – aangevuld met de thema’s werkbaar werk en loopbanen, zijn en blijven voor de SERV zeer relevant. Daarom vragen ze dat de sectorconvenants worden gecontinueerd, maar wel geoptimaliseerd. Ten eerste, verwelkomen de sociale partners de verlenging van de huidige generatie sectorconvenants met zes maanden. Verder zouden de sociale partners een mogelijke verlenging van de duurtijd van de sectorconvenants ten zeerste verwelkomen. Terwijl de sectorconvenants een langetermijnperspectief zouden moeten ontwikkelen, dwingt de korte looptijd hen vandaag om enkel op de korte termijn te werken. De sociale partners stellen een duurtijd van de legislatuur plus één jaar voor. De looptijd van een sectorconvenant wordt dan vijf jaar. Zo kan er met het vizier op de middellange termijn worden gewerkt en heeft elke nieuwe minister de kans om doordachte prioriteiten uit te werken en hierover op voet van gelijkheid met de sectorale sociale partners in overleg over te gaan. Het proces van de totstandkoming van de sectorconvenants en hun addenda mag niet overhaast noch in een al te strak kader plaats vinden. Daarbij moet er ook worden vermeden dat de onderhandelingen over een sectorconvenant in het vaarwater komen van onderhandelingen over een CAO. De sociale partners stellen voor dat er jaarlijks een voortgangsevaluatie wordt gemaakt, maar het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat er dan plotsklaps nieuwe opdrachten aan de sectorconvenant worden toegevoegd. Addenda 3
zouden een kortere looptijd van twee jaar kunnen hebben en ingaan op specifieke thema’s. Ten tweede, zouden de sociale partners de indexering van de toelagen bijzonder waarderen. Dit is al lang een prangende vraag van de sectoren. Deze indexering zou in het decreet moeten worden ingeschreven. Ten derde zijn de sociale partners tevreden over de goede werking van de intersectorale werking in de schoot van de SERV. Ze zijn ervan overtuigd dat een verdere investering en continuering zijn vruchten zal afwerpen en de samenwerking tussen de verschillende sectoren en fondsen verder zal doen toenemen. De sociale partners vinden dat de intersectorale samenwerking idealiter bottom-up ontstaat, zonder dat er naast de intersectorale adviseurs nieuwe structuren worden opgezet. Ten vierde is de SERV tevreden over de addenda duaal leren. De Vlaams sociale partners gaan ervan uit dat deze en de andere huidige addenda en hun financiering maximaal in de sectorconvenanten worden geïntegreerd om het beleid te continueren. Ten vijfde waarschuwen de sociale partners opnieuw voor resultaatsfinanciering die de ambitie tempert en de innovatie beknot in plaats van bevordert. Ten zesde, om echte resultaten te krijgen en dus impact te bewerkstelligen zijn kwalitatieve, accurate en actuele sectorale arbeidsmarktgegevens essentieel (zoals bv. leeftijdssamenstelling, turn over (instroom en uitstroom). Daarom vragen de sociale partners dat de sectoren vaker een groepssectorfoto krijgen. Een vlotte wisselwerking tussen het beleidsdomein WSE en de sectoren is noodzakelijk. Tenslotte worden de SERV, en de sectorale sociale partners graag proactief betrokken bij de opmaakt van nieuw beleid.
Hoogachtend Pieter Kerremans
Ann Vermorgen
administrateur-generaal
voorzitter
4