L E F A T S D U O H N I
Deel 2 Evaluatie van het gebiedsgericht natuurbeleid in Vlaanderen 16. De internationale bescherming van natuurgebieden in Vlaanderen . . 95 ANNY ANSELIN, NIKO BOONE, AN CLIQUET, KOEN DEVOS, KRIS DECLEER, ECKHART KUIJKEN, PATRICK MEIRE & TOM YSEBAERT - De verschillende internationale beschermingsstatuten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 - De Europese Vogelrichtlijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 - Doelstellingen en juridische achtergronden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 - De situatie in Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97 - Broedvogelsoorten van Bijlage I in Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99 - Vogelrichtlijngebieden : een garantie voor bescherming van Bijlage I-broedvogelsoorten ? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99 - Knelpunten en aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 99 - De Europese Habitatrichtlijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100 - Doelstellingen en juridische achtergronden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100 - De situatie in Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 - Stand van de procedure . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 - Habitats en soorten van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen en de aanduiding van Vlaamse Habitatrichtlijngebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 - Knelpunten en aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 - De Conventie van Ramsar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 - Doelstellingen en juridische achtergronden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 - De situatie in Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108 - Beschermde gebieden en juridische implicaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108 - De bescherming van overwinterende watervogelpopulaties in Vlaanderen . . 108 - Knelpunten en aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109 - De Conventie van Bern . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110 - De Conventie van Bonn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110 - De Conventie van Rio (Biodiversiteitsconventie) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111 - De Benelux-overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Deel 2 Evaluatie van het gebiedsgericht natuurbeleid in Vlaanderen De Europese Vogelrichtlijn
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Doelstellingen
ANNY ANSELIN, NIKO BOONE, AN CLIQUET, KRIS DECLEER, KOEN DEVOS, ECKHART KUIJKEN, PATRICK MEIRE & TOM YSEBAERT
De verschillende internationale beschermingsstatuten Vijf internationale wetgevende initiatieven hebben gevolgen voor het Vlaamse gebiedsgerichte natuurbeleid. Het gaat om twee Europese richtlijnen - de "Vogelrichtlijn" en de "Habitatrichtlijn" -, de Conventie van Ramsar, de Conventie van Bern en de Benelux-overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming. De Europese richtlijnen en de RamsarConventie hebben in de praktijk het zwaarste gewicht. Tabel 16.1 geeft per provincie de oppervlakte met een internationaal beschermingsstatuut. Voor een algemene bespreking van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de betekenis voor het natuurbehoud in Vlaanderen en Nederland kan ook nog worden verwezen naar een themanummer van de Levende Natuur (1998, jg. 99, nr. 6) met o.a. een interessante introductie door OSIECK (1998a).
De Europese Gemeenschap vaardigde in 1979 Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand uit, beter bekend als de Vogelrichtlijn. Het doel ervan is de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied te bevorderen. Volgens artikel 4 van deze richtlijn moeten er speciale beschermingsmaatregelen worden genomen voor de leefgebieden van in Europese context zeldzame of bedreigde vogelsoorten, opgesomd in de Bijlage I. Bovendien moet men ook de broed-, rui-, overwinterings- en rustplaatsen van enkele niet in Bijlage I voorkomende trekvogelsoorten beschermen. De lidstaten zijn er toe gebonden beschermingszones (zogenaamde Vogelrichtlijngebieden), die voldoen aan de vereisten van de richtlijn, af te bakenen en voor te leggen aan de Europese Commissie. Ook buiten de beschermingszones moeten de lidstaten zich inspannen om vervuiling en verslechtering van woongebieden (lees: habitats) van de Bijlage I-soorten, evenals de niet in Bijlage I voorkomende trekvogelsoorten, te voorkomen. De Vogelrichtlijngebieden zullen ook deel uitmaken van het toekomstig Natura2000-Netwerk, een Europees ecologisch netwerk in het kader van de EU-Habitatrichtlijn (zie hiervoor o.a. OSIECK, 1998b).
Tabel 16.1: Overzicht van de oppervlakte (ha) in Vlaanderen met een internationaal beschermingsstatuut, uitgesplitst per provincie.
Vogelrichtlijngebieden (integraal) Vogelrichtlijngebieden (enkel habitats beschermd) Habitatrichtlijngebieden Ramsargebieden
W-VL
O-VL
ANTW
LIMB
VL-B
TOTAAL
1118 16484 4515 10758
740 9604 5144 117
2462 18825 18858 2464
3694 40502 31673 0
0 4154 9750 0
8013 89569 69939 13339
W-VL: West Vlaanderen; O-VL: Oost Vlaanderen; ANTW: Antwerpen; LIMB: Limburg;VL-B:Vlaams-Brabant.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
95
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Tabel 16.2: Overzicht van de 23 Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen met oppervlakte en beschermde habitats. De nummering en habitatterminologie zijn volgens het B.Vl.Ex. van 17/10/1988. Vogelrichtlijngebied
ha
2.1
Westkust
2.2
De Kuifeend en Blokkersdijk
2.3
Kalmthoutse Heide
2.4
De Zegge
2.5
Beschermde habitats
1118
Integraal beschermd
192
Integraal beschermd
2183
Integraal beschermd
86
Integraal beschermd
Bokrijk en omgeving
784
Integraal beschermd
2.6
De Maten
566
Integraal beschermd
2.7
Mechelse Heide en Vallei van de Ziepbeek
2344
Integraal beschermd
3.1
IJzervallei
5136
riet- en zeggevelden, verlaten kleigroeven, oude veenwinningen, broekbossen, dijken, vijvers en moerassen, poldergraslanden en hun microreliĂŤf
3.2
Poldercomplex
9526
Duinmoerassen, oude kleiputten, moerasbosjes, dijken, kreken en hun oevervegetatie, polder-graslanden en hun microreliĂŤf
3.3
Het Zwin
1823
Zeeschorren en slikken, strand, eventueel gefixeerde kustduinen en duinpannen, duingraslanden, duinbosjes, kreken en hun oevervegetatie, poldergraslanden en hun microreliĂŤf
3.4
Krekengebied
781
kreken, plassen en wielen met hun dijken, moerasbosjes, lijn- en puntvormige elementen zoals houtkanten, hagen en plassen
3.5
Durme en Middenloop van de Schelde
3449
Polder van Kruibeke
740
Stromende en stilstaande waters, met hun oevervegetatie en hun slikplaten, in het zoetwater-getijdengebied, rietvelden, zeggevelden en moerassen Integraal beschermd
3.6
Schorren en polders van de Beneden-Schelde
7280
slikken en brakwaterschorren, dijken, kreken en hun oevervegetaties
3.7
De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld
4109
heiden en vennen, moerassen
3.8
Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout
7074
vennen, heiden, loofbossen, lijn- en puntvormige elementen zoals houtkanten, hagen en plassen, ontginningsputten
3.9
De Ronde Put
5400
Moerassen, heiden en heiderelicten, oude turfvijvers en rietvelden, hoogvenen, loofbossen
3.10
Bocholt,Hechtel-Eksel, Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt en Peer
10011
Houtkanten en houtwallen, lijn- en puntvormige elementen zoals houtkanten, hagen en plassen, beken en hun oevers
3.11
Militair domein en vallei van de Zwarte Beek
8741
Beken en hun oevervegetatie, heiden en vennen, landduinen, loofbossen
3.12
Het Vijvercomplex van Midden-Limburg
2563
Vijvers met oevervegetatie, beken met hun oevervegetatie, broekbossen, heiden en heiderelicten
3.13
Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer
2851
Brongebieden, vennen en heiden, rietvelden, loofbossen
3.14
Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof
3.15
De Dijlevallei
1237
Vijvers, moerasssen, loofbossen, bron- en kwelgebieden
3.16
De Demervallei
6457
Ruigten, moerassen, riet- en zeggevelden, heiden en heiderelicten, vijvers, oude riviermeanders en turfputten, loofbossen, holle wegen, broekbossen
SOM
13129
Eventueel gefixeerde landduinen, droge en vochtige heiden, moerassen en vijvers, houtwallen, loofbossen
97580
Instituut voor Natuurbehoud 96
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Figuur 16.1: De Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen. Nummers: zie Tabel 16.2
De situatie in Vlaanderen
- zij het slechts in beperkte mate - genomen in het kader van andere natuur- en milieuwetgeving (DE ROO, 1994):
Juridische achtergronden In Vlaanderen werden pas in 1988 Vogelrichtlijngebieden aangeduid. In een rapport van het Instituut voor Natuurbehoud werd de keuze van elk gebied uitvoerig gestaafd en werd aanvullende informatie verstrekt over te beschermen habitats, bestaande bescherming, grondgebruik en knelpunten (VAN VESSEM & KUIJKEN, 1986). De kaarten werden opgemaakt door de toenmalige AROL (Administratie Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu).
• voor enkele activiteiten (aanleg van een hoofdtransportleiding, ruilverkavelings-, landinrichtings- en waterhuishoudingsprojecten) is een milieueffectrapport (MER) vereist; • de jacht op Smienten mag niet worden uitgeoefend op terreinen gelegen binnen de perimeter van de vogelrichtlijngebieden (1998-2003); • de jacht op alle waterwild is verboden binnen de perimeter van volgende vogelrichtlijngebieden: IJzervallei, Poldercomplex, Zwin, Oost-Vlaams Krekengebied, Kuifeend en Blokkersdijk, Durme en Middenloop van de Schelde, Bokrijk en omgeving, Vijvergebied MiddenLimburg, De Maten. (met uitz. van Wilde Eend voor bepaalde van deze gebieden tussen 15/8 en 15/10). • de bepalingen inzake vegetatiewijziging van het B. Vl. R. 21/10/97 (BS,10/09/98) zijn van toepassing. • volgens het mestdecreet is bemesting met dierlijke mest verboden tussen 2 november en 15 februari; en moeten rond bepaalde kwetsbare habitats bufferzones worden gerespecteerd. • bepaalde delen genieten een bescherming die wordt gerealiseerd via een andere bestaande regelgeving (erkende staatsnatuurreservaten, reservaat- en natuurgebieden op het gewestplan en bosdecreet).
Het Besluit van de Vlaamse Executieve (B.Vl.Ex.) van 17/10/88 (BS, 29/10/88) wijst 'Speciale Beschermingszones' aan in de zin van artikel 4 van de richtlijn. In Vlaanderen werden 23 gebieden met een oppervlakte van 97.580 ha aangeduid. Hiervan liggen er 4 in WestVlaanderen, 3 in Oost-Vlaanderen, 6 in Antwerpen, 1 in Vlaams-Brabant en 9 in Limburg (zie Figuur 16.1). Van de 23 gebieden zijn er 7 waarin alle habitats beschermd zijn, terwijl bij de 16 andere, naast de op het gewestplan voor natuur bestemde gebieden, slechts bepaalde habitats worden beschermd. Een overzicht van de gebieden en hun beschermde habitats wordt gegeven in Tabel 16.2. Door een aanvullend besluit (B.Vl.R. 20/09/96, BS, 12/10/96) werd de habitat 'poldergraslanden en hun microreliëf' ook beschermd binnen de gebieden 'IJzervallei', 'Het Zwin' en 'Poldercomplex'. Het besluit van 1988 bevat geen concrete beschermingsmaatregelen voor de 23 gebieden. Deze werden nadien
Ingevolge het B.Vl.R. van 23/06/98 (BS, 25/07/98) werden de begrenzingen van de vogelrichtlijngebieden 'Durme en middenloop van de Schelde' en 'Schorren en polders van de Beneden-Schelde' hertekend.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
97
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Tabel 16.3: Soorten van Bijlage I die in de periode 1994-1996 broedden in Vlaanderen met aanduiding van hun aanwezigheid binnen en/of buiten de Vogelrichtlijngebieden en hun populatiegrootte in 1996 (*: schatting, °: 1995). Soort
Wetenschappelijke naam
Woudaapje Roerdomp Kwak Kleine Zilverreiger Wespendief Zwarte Wouw Rode Wouw Bruine Kiekendief Blauwe Kiekendief Grauwe Kiekendief° Slechtvalk Korhoen Kwartelkoning° Porseleinhoen Kluut Zwartkopmeeuw Grote Stern Visdief Dwergstern Noordse Stern Nachtzwaluw Ijsvogel Zwarte Specht Boomleeuwerik Blauwborst Grauwe Klauwier Ortolaan
Ixobrychus minutus Botaurus stellaris Nycticorax nycticorax Egretta garzetta Pernis apivorus Milvus migrans Milvus milvus Circus aeruginosus Circus cyaneus Circus pygargus Falco peregrinus Tetrao tetrix Crex crex Porzana porzana Recurvirostra avosetta Larus melanocephalus Sterna sandvicencis Sterna hirundo Sterna albifrons Sterna paradiseae Caprimulgus europaeus Alcedo atthis Dryocopus martius Lullula arborea Luscinia svecica Lanius collurio Emberiza hortulana
pop. 1996
buiten
binnen
4 8 42 3 100-120 1 4 90-95 1 1 1 3m 2w 2 1-2 273 142 607 1864 250 1 250-270* 200-220 600-650* 350* >2000 7 2 zgp
•
• • • • • •
• • • • • • •
• • •
• • • • • • • • • • • •
• • • • • • • • • • • •
Tabel 16.4 : Soorten van Bijlage I en hun broedpercentage binnen Vogelrichtlijngebieden. Met een * zijn soorten aangeduid met lage aantallen die altijd zeldzaam zijn geweest in Vlaanderen. Percentage broedgevallen binnen VRL-gebieden 100% 75-100% 50-75% 32% 5% 0%
Bijlage I-soorten Roerdomp, Kleine Zilverreiger*, Zwarte Wouw*, Korhoen, Noordse Stern*, Grauwe Klauwier, Ortolaan Bruine Kiekendief, Kwak, Nachtzwaluw, Blauwborst Wespendief, Porseleinhoen, Kluut, Zwarte Specht, Boomleeuwerik, Woudaapje, IJsvogel, Grauwe Kiekendief* Zwartkopmeeuw Visdief Rode Wouw*, Blauwe Kiekendief*, Slechtvalk*, Kwartelkoning*, Grote Stern, Dwergstern
Instituut voor Natuurbehoud 98
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Broedvogelsoorten van Bijlage I in Vlaanderen Informatie over populatieaantallen en -trends van Bijlage I-soorten werd verzameld in het kader van het monitoringproject "Bijzondere Broedvogels Vlaanderen" (verder BBV genoemd), opgestart in 1993 als een gezamenlijk initiatief van het Instituut voor Natuurbehoud en Vlavico vzw. Het was de eerste keer dat op Vlaams regionaal niveau werd gepoogd het broedbestand van zeldzame, koloniebroedende en verwilderde vogelsoorten (exoten) via een gestandaardiseerde methode jaarlijks te volgen. Tussentijdse resultaten verschenen in DEVOS & ANSELIN (1996, 1997a) en ANSELIN et al. (1998a,b). In Tabel 16.3 worden de meest recente populatieschattingen weergegeven van de broedvogelsoorten uit de Bijlage I van de Vogelrichtlijn.Tevens is hun aanwezigheid binnen of buiten de beschermde Vogelrichtlijngebieden aangegeven. In de periode 1994-1996 broedden in Vlaanderen 27 vogelsoorten van Bijlage I of van deze soorten was minstens een duidelijk territorium aanwezig. Daarvan broedden 7 soorten alleen binnen de Vogelrichtlijngebieden en 6 soorten alleen daarbuiten. Van 23 van de 27 Bijlage I-soorten wordt de populatietrend sinds 1994 gebiedsdekkend gevolgd via het BBV-monitoringsproject, zodat vrij nauwkeurige gegevens beschikbaar zijn over hun aantallen en verspreiding, zowel binnen als buiten de Vogelrichtlijngebieden.Voor 4 soorten zijn de gegevens niet zo gedetailleerd beschikbaar, maar kunnen toch vrij betrouwbare extrapolaties worden gemaakt, nl. Nachtzwaluw, Zwarte Specht, Boomleeuwerik en Blauwborst. In Tabel 16.4 is weergegeven welk percentage van de Bijlage I-soorten binnen en buiten de Vogelrichtlijngebieden broedt. Van de 21 soorten die geheel of deels in Vlaamse Vogelrichtlijngebieden broeden, komen 12 soorten (57%) met meer dan 75% van hun populatie in deze gebieden voor, of 19 soorten (90%) met meer dan 50% van hun populatie. Dit illustreert duidelijk het belang van deze beschermingszones. Daarentegen zijn er toch soorten zoals de drie sternen, Zwartkopmeeuw, Wespendief, Porseleinhoen, Kluut, Zwarte Specht, Boomleeuwerik,Woudaapje en IJsvogel waarvan hun po-pulaties ofwel praktisch volledig, ofwel toch zeker voor 1/3 buiten de Vogelrichtlijngebieden zijn gelegen. Vogelrichtlijngebieden: een garantie voor bescherming van Bijlage I-broedvogelsoorten? Garanderen de Vogelrichtlijngebieden voldoende de bescherming van Bijlage I-soorten - en dit in de eerste plaats door de bescherming van hun habitats -, of niet? Doen de soorten waarvoor gebieden werden aangeduid het daar nu beter (of minstens even goed) zoals voorheen? En doen ze het er ook beter dan hun populaties erbuiten? Hierover is nog zeer weinig onderzoek gebeurd.Vergelijken met de toestand van 10-15 jaar geleden is ook niet zo eenvoudig als het op het eerste zicht lijkt, want de populatieaantallen opgegeven in VAN VESSEM & KUIJKEN (1986) werden niet altijd op
dezelfde wijze verzameld zoals nu binnen het BBV-project gebeurt. Voor enkele soorten is het echter wel mogelijk via aanvullend literatuuronderzoek en opzoekwerk een betrouwbaar beeld te krijgen van de evolutie van hun populaties binnen bepaalde Vogelrichtlijngebieden. Een dergelijke uitwerking wordt in de nabije toekomst gepland. Een interessante analyse over wijzigingen in het broedvogelbestand in de Vogelrichtlijngebieden van de provincie Limburg vindt men in DE RIDDER & GABRIELS (1994). Aan de hand van de inventarisatiegegevens verzameld in het kader van beide broedvogelatlassen van Limburg (GABRIELS, 1985, GABRIELS et al, 1994), werden de wijzigingen in de aanwezigheid van Bijlage I-broedvogels binnen en buiten de Vogelrichtlijngebieden onderzocht. Hiervoor werden verspreidingsgegevens in kilometerhokken, maar ook tellingen van het aantal broedparen gebruikt. Bij alle regelmatig broedende Bijlage I-soorten (5-13 per gebied), stellen ze per gebied een gemiddelde afname vast van 1/3 van het aantal soorten tussen de periode 1974-1983 en 1991-1992. Daarnaast toonde de analyse van de evolutie van het bestand per soort binnen en buiten de Vogelrichtlijngebieden aan dat de meerderheid van de soorten overal achteruit gaat, en dat voor de meeste soorten deze trend zich in dezelfde mate voordoet zowel binnen als buiten de Vogelrichtlijngebieden. Alhoewel geen voorbarige conclusies mogen worden getrokken, tonen ook de zeer lage populatieaantallen van enkele Bijlage I-soorten, bekomen via recente BBV-gegevens, aan dat onze Vogelrichtlijngebieden nog steeds niet de nodige beschermingsgarantie bieden (geboden hebben) die men zou (moeten) verwachten.
Knelpunten en aanbevelingen Gebrek aan specifieke beschermingsmaatregelen en een globaal handhavingsbeleid In uitvoering van de Vogelrichtijn zijn geen specifieke beschermingsmaatregelen uitgevaardigd, waardoor handhaving van de ecologische waarden onvoldoende kan worden gegarandeerd. De versnipperde regelgeving in uitvoering van andere wetten en decreten ter bescherming van de Vogelrichtlijngebieden heeft niet kunnen verhinderen dat problemen van o.a. verdroging, versnippering, eutrofiĂŤring en verlies aan biodiversiteit voort toenamen (b.v. ten gevolge van ruilverkaveling, autonome ontwikkelingen in de landbouw enz.). Ook in het gemeentelijk beleid werd zeer weinig tot geen rekening gehouden met de aanwezigheid van deze op Europees niveau belangrijke vogelgebieden. Om een goed handhavingsbeleid te kunnen voeren zijn in de eerste plaats voldoende beschermingsmaatregelen noodzakelijk. Het is belangrijk een betere controle te organiseren op de diverse activiteiten in Vogelrichtlijngebieden, gekoppeld aan voldoende strenge juridische sancties bij overtredingen.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
99
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Onvoldoende bekendheid De Vlaamse Vogelrichtlijngebieden zijn bij het groot publiek, en in het bijzonder bij de beleidsdragers en inwoners van de gebieden in kwestie, onvoldoende bekend gemaakt en gepromoot. Dit werkte zeker niet bevorderlijk voor een algemene 'waardering' en positieve opstelling tegenover het begrip en het doel van een Vogelrichtlijngebied. Het is wenselijk meer promotie te voeren rond het bestaan van de Vogelrichtlijngebieden, o.a. via het maken van specifieke brochures, sensibilisatiecampagnes, jaaroverzicht van verwezenlijkingen (aankopen, beheer enz.) en acties. Onvoldoende habitatbescherming en twijfelachtig statuut van de niet-integraal beschermde Vogelrichtlijngebieden Voor verschillende niet-integraal beschermde Vogelrichtlijngebieden werden enkele habitats van de daar aanwezige Bijlage I-soorten helemaal niet in het uitvoeringsbesluit van 1988 opgenomen. Voor de IJsvogel (een soort van ecologisch waardevolle beken) werd dit nagegaan door ANSELIN (1996) en het bleek dat in enkele Vogelrichtlijngebieden waar de soort voorkwam de typische habitat niet eens beschermd was. Het is dus geen verrassing dat de situatie voor veel broedvogels niet zo positief is geĂŤvolueerd. Ook werd bijvoorbeeld de habitat bij uitstek voor overwinterende ganzen, nl. historisch permanente graslanden, pas in 1996 bijgevoegd. Bovendien blijft het bestaan van zgn. niet-integraal beschermde Vogelrichtlijngebieden een maatregel die binnen het kader van de toepassing van de Vogelrichtlijn niet door de Europese Commissie erkend wordt ! Het is van het grootste belang dat de habitatlijst voor de niet-integraal beschermde gebieden wordt vervolledigd, gebaseerd op recente verspreidingsgegevens van Bijlage-I soorten. De controle op de naleving van de habitatbescherming moet worden verhoogd. In het bijzonder indien kwetsbare habitats tussen niet beschermde habitats liggen, is de druk van het omliggende landgebruik groot. Belangrijke gebieden voor Bijlage I-soorten zijn niet beschermd Volgens de Europese Richtlijn is iedere lidstaat verplicht gebieden die in aanmerking komen om als Vogelrichtlijngebied te worden aangeduid, ook te beschermen. Momenteel komen hiervoor zeker enkele zones in aanmerking. Aanduiding van bijkomende Vogelrichtlijngebieden in functie van Bijlage I-soorten en grote concentraties doortrekkende en overwinterende vogels zijn wenselijk. Sinds het midden van de jaren tachtig is er een veel betere kennis van de verspreiding en de status van vogels in Vlaanderen. Dit gebeurde door het ontwikkelen van verschillende monitorings- en 1
telprogramma's op het Instituut voor Natuurbehoud (Overwinterende watervogels en ganzen, Bijzondere Broedvogels, Punt-Transekt Tellingen) (zie o.a. ANSELIN et al, 1998; DEVOS & ANSELIN 1996, DEVOS et al, 1997, KUIJKEN et al, 1997) en dankzij een verhoogde en 'professionelere' ornithologische werking binnen NGO's (met publicatie van resultaten van inventarisatie, regionale broedvogelatlassen enz.). Dit heeft voor gevolg dat het nu niet alleen wenselijk is bepaalde zones op te nemen binnen de afbakening van de Vogelrichtlijngebieden maar zelfs nieuwe zones voor te stellen. Dit moet gebeuren wil Vlaanderen blijven voldoen aan de vereisten van de Vogelrichtlijn en het beleid hieromtrent serieus en met een langetermijnvisie uitvoeren. In het kader van een opdracht tot aanpassing van de perimeter van de Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen en tot uitbreiding van het aantal habitats binnen de niet-integraal beschermde gebieden, werden door het Instituut voor Natuurbehoud aanvullingen van de habitatlijsten gegeven en voorstellen geformuleerd voor nieuwe Vogelrichtlijngebieden of opname van nieuwe gebieden binnen bestaande Vogelrichtlijngebieden (ANSELIN et al, 1998). Uitbreiding monitoringprogramma's Om de trends in de toekomst nauwkeurig te kunnen opvolgen en evalueren (conform de eisen van de richtlijn) is er een fijner ontwikkelde monitoring van de vogelstand noodzakelijk (zowel binnen de Vogelrichtlijngebieden als erbuiten - ter vergelijking). De bestaande broedvogelmonitoring moet worden uitgebreid naar alle Bijlage I-soorten en zeker alle 'Rode Lijst-soorten' (DEVOS & ANSELIN, in voorbereiding). De nodige middelen moeten hiervoor beschikbaar worden gesteld.
De Europese Habitatrichtlijn
Doelstellingen en juridische achtergronden In 1992 werd de Europese Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn) uitgevaardigd. Als uitvoeringsmaatregel moet elk land speciale beschermingszones (Special Areas of Conservation) aanduiden die deel zullen uitmaken van het Europese Natura2000-netwerk. Hierbij moet men rekening houden met de in drie bijlagen opgegeven criteria. Bijlage I is een lijst van habitattypes, Bijlage II geeft soorten en Bijlage III geeft diverse selectiecriteria.1 De procedure ter aanduiding van Special Areas for Conservation is momenteel nog lopende. Ze is vrij lang en gebeurt in samenspraak tussen de Europese Commissie
Bijlage IV van de Habitatrichtlijn geeft nog een opsomming van de soorten die van communautair belang zijn en die niet mogen worden verzameld, opzettelijk gedood, verstoord tijdens de voortplanting, winterslaap of trek en die niet mogen worden verhandeld. Deze lijst is echter van geen betekenis voor de bescherming van hun habitats.
Instituut voor Natuurbehoud 100
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen (DG XI) en de lidstaat rechtstreeks en via het European Topic Centre on Nature Conservation (ETC-NC, Parijs) één van de deelcentra van de European Environment Agency -, de zogenaamde Habitatcommissie en de zogenaamde Wetenschappelijke Habitatwerkgroep samengesteld uit resp. vertegenwoordigers van de administratie en wetenschappers van de verschillende landen. • In de eerste plaats maakt de lidstaat een lijst met gebieden die in aanmerking komen als Habitatrichtlijngebied en keurt die principieel goed. • Deze lijst wordt doorgegeven aan de Commissie die ze laat evalueren door de ETC-NC. • Per lidstaat wordt ook een referentielijst opgesteld met de aanwezige habitats van Bijlage I en soorten van Bijlage II. Aan de hand van deze lijsten wordt nagegaan in hoeverre de door een lidstaat voorgestelde gebiedslijst voldoende representatief is voor de aanwezige habitats en soorten. Indien dit noodzakelijk wordt geacht, wordt aan de lidstaten gevraagd aanvullende gebiedsvoorstellen te doen. • Dan worden uit de lijst van alle voorgestelde gebieden, de zogenaamde Community list geselecteerd. Dit is de lijst van gebieden van communautair belang die moet worden opgenomen binnen het Natura2000-netwerk (de zgn. SCI's of Sites of Community Importance). Dit gebeurt in samenspraak met de lidstaten tijdens speciale workshops per Biogeografisch gebied. Gebieden met prioritaire habitats worden automatisch geselecteerd.Andere criteria zijn o.a.: enig gebied waar habitat/soort voorkomt in lidstaat, diversiteit van habitats en soorten, regionaal belang. • De resultaten van de evaluatie worden vervolgens voor goedkeuring voorgelegd aan het Habitat Committee, waarin vertegenwoordigers van de administratie van de diverse lidstaten zitting hebben. • De goedgekeurde gebieden (de zgn. SAC's of Special Areas of Conservation) worden dan formeel door de lidstaat wettelijk aangeduid. De lidstaat moet dan ook instaan voor
Situatie in Vlaanderen Stand van de procedure • Het Instituut voor Natuurbehoud deed het Vlaams Gewest in 1995 een voorstel van inventaris en afbakening van Speciale Beschermingszones in uitvoering van de Habitatrichtlijn. In totaal werden 40 gebieden of gebiedscomplexen voorgesteld, samen een 70.000 ha. (ANSELIN & KUIJKEN, 1995) • De voorgestelde gebieden en hun afbakening werden goedgekeurd bij Beslissing van de Vlaamse Regering (Vergadering van 14.02.1996). • Conform de voorziene procedure werden de voorstellen in digitale vorm (DATABANK NATURA2000 INSTITUUT VOOR NATUURBEHOUD, 1996) doorgegeven aan de verantwoordelijke diensten binnen de Europese Commissie.
• In mei 1998 werd een referentielijst van habitats en soorten opgesteld zowel voor het Atlantisch als voor het Continentaal Biogeografisch gedeelte van België (ANSELIN & DUFRÈNE, 1998) en tijdens een workshop naar voor gebracht. • De discussie in verband met de selecties van SCI's voor het Atlantisch Biogeografisch gebied, waarbinnen 39 van de 40 voorgestelde Vlaamse gebieden liggen, is nog niet gebeurd. Een workshop hierover is gepland in het voorjaar 1999. De bijeenkomst over het continentaal gebied (één Vlaams gebied), zal pas eind 1999 plaatsvinden.
Habitats en soorten van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen en de aanduiding van Vlaamse Habitatrichtlijngebieden In het totaal werden 40 gebieden of gebiedscomplexen bij de Europese Commissie aangemeld (Tabel 16.5 en Figuur 16.2), met een totale oppervlakte van 69.942 ha. Dit gebeurde op basis van 44 habitattypes uit Bijlage I (Tabel 16.6) en 20 soorten uit Bijlage II (Tabel 16.7) die in Vlaanderen voorkomen. 32 gebieden bezitten ten minste één prioritair habitat. Van de 8 andere is er 1 de enige plaats in Vlaanderen waar 2 bepaalde habitats en 3 bepaalde soorten voorkomen. Daarnaast zijn er nog 6 gebieden met 4 of meer verschillende habitats en 1 gebied waar een habitat het best vertegenwoordigd is (in oppervlakte) voor Vlaanderen. Ongeveer de helft van de oppervlakte heeft een groene bestemming op de gewestplannen.
Knelpunten en aanbevelingen Algemene vertraging De procedure voor het aanduiden van SAC's binnen Europa heeft heel wat vertraging opgelopen, wegens allerlei politieke en administratieve redenen. Volgens de oorspronkelijke planning moest in juni 1998 de volledige lijst van de gebieden van communautair belang klaar zijn. Vlaanderen diende haar lijst in 1996 in, en was hierbij één van de eersten.Verschillende lidstaten hebben pas onlangs hun eerste lijsten van voorgestelde gebieden (soms zelfs voorlopige lijsten) bij de Commissie ingediend. Een selectie van de gebieden uit de Atlantische regio (waaronder dus het merendeel van Vlaamse gebieden vallen) kan hierdoor pas in de loop van 1999 gebeuren.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
101
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Tabel 16.5: Overzicht van de 40 aangemelde Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun benaderende oppervlakte. Naam van de aangemelde habitatrichtlijngebieden
Aantal ha
1. Duingebieden, inclusief IJzermonding en Zwin (plaatselijk met aangrenzend strand) 2. Zilte poldergraslanden 3. West-Vlaams Heuvelland 4. Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: westelijk deel 5. Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel 6. Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent 7. Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen 8. ZoniĂŤnwoud 9. Hallerbos met brongebieden en heiden 10.Valleigebied tussen Melsbroek, Kampenhout, Kortemberg en Veltem 11.Valleien van Dijle, Laan en IJse met aangrenzende bos en moerasgebieden 12.Valleien van Winge en Motte met valleihellingen 13. Demervallei ten westen van Aarschot 14. Demervallei ten oosten van Aarschot 15. Kalmthoutse Heide 16. Klein- en Groot Schietveld 17. Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen 18. Diepteloop-Visbeekvallei-Kindernouw 19. Het Blak, Kievitsheide, Ekstergoor 20. Heesbossen 21. Het Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop 22. Het Goor 23.Vallei van de Vleminksloop met Buitengoor, Meergoor en Sluismeer 24.Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout 25. Liereman en Korhaan 26. Kleine Nete en vallei met brongebieden, moerassen en heiden 27. Den Diel, De Maat, Hoge Maatheide en Blekerheide 28. De Maten 29.Vallei- en brongebied van van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden. 30. Heide- en vengebieden tussen Houthalen en Gruitrode 31.Valleien van de Laarbeek, Zonderikbeek, Slangbeek en Roosterbeek met vijvergebieden en heiden 32. Hageven, met Dommelvallei, Beverbeekse heide met Warmbeek 33. Abeekvallei met aanliggende moerasgebieden 34. Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schotsheide 35. Mechelse Heide en vallei van de Ziepbeek 36. Plateau van Caestert met hellingbossen en mergelgroeven 37. Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek 38. Bossen van Limburgs Haspengouw 39.Voerstreek 40. Bovenloop van de Grote Nete en Zammelsbroek SOM
2905 885 180 404 1012 4149 936 2626 699 928 2906 1259 333 1433 2061 2042 2143 871 497 142 71 202 204 4164 865 2638 2228 562 8689 3882 2812 1905 3147 2254 2381 159 286 2160 1433 1489 69942
Instituut voor Natuurbehoud 102
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Tabel 16.7 : Overzicht van de Bijlage II-soorten aanwezig in Vlaanderen Zoogdieren Rhinolophus ferrumequinum Barbastella barbastellus Myotis bechsteini Myotis dasycneme Myotis emarginatus Myotis myotis Lutra lutra
Grote Hoefijzerneus Dwarsoor of Mopsvleermuis Langoor of Bechsteins Vleermuis Meervleermuis Ingekorven Vleermuis Vale Vleermuis Otter
AmfibieĂŤn Triturus cristatus
Kamsalamander
Vissen Lampetra fluviatilis Lampetra planeri Rhodeus sericeus amarus Cobitis taenia Misgurnis fossilis Cottus gobio
Rivierprik Beekprik Bittervoorn Kleine Modderkruiper Grote Modderkruiper Rivierdonderpad
Insecten Lucanus cervus Leucorrhinia pectoralis
Vliegend Hert Gevlekte Witsnuitlibel
Mollusken Vertigo moulinsiana
Zeggekorfslak
Hogere planten Luronium natans Liparis loeselii Apium repens
Drijvende Waterweegbree Groenknolorchis Kruipend Moerasscherm
Figuur 16.2: De aangemelde Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen. Nummers: zie Tabel 16.5
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
103
104 delen van Ha delen van Ao
Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen
Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten met amfibische vegetatie: Lobelia, Littorellia en Isoëtes
Hk
Cg
Psammofiele heide met Calluna- en Genista-soorten
Gebieden waar zeldzame orchideeën groeien (FestucoBrometalia)
Mp
Vochtige duinvalleien
(Cg)
Qd
Beboste duinen van het Atlantische kustgebied
Juniperus communis-formaties in heidevelden of kalkgrasland
Mp, Hd, (Sd)
Duinen met Salix arenaria
Cg, Hn
Sd
Duinen met Hippophae rhamnoides
Ce
-
Eu-atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)
Droge heide (alle subtypen)
Hd
Vastgelegde duinen met kruidvegetaties (grijze duinen)
Noordatlantische vochtige heide met Erica tetralix
Dd
Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen)
-
-
Embryonale wandelende duinen
De drijvende Ranunculus-vegetatie van submontane en planitiaire rivieren
Da, (Hpr + Da)
Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia)
delen van Ae
delen van Ds
Schorren met slijkgrasvegetaties (Spartinion)
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamium of Hydrocharition
delen van Ds
Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia soorten en andere zoutminnende planten
-
Ds
Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten
Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Characeeënvegetatie
-
Estuaria
delen van Ao
-
Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken
Oligotrofe wateren van het Midden-Europese en peri-alpiene gebied met Littorella- of Isoëtes-vegetatie of met eenjarige vegetatie op drooggevallen oevers (Nanocyperetalia)
BWK-code
Habitattype volgens Bijlage I
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X X
X
X X
X
X
X
X X
X X X X X
X
X X
X X X X X
X X X X X X
X
X
X
X X X
X
X X X X
X
X X X
X X
X
10
X
X
X
X X
X
X X
X
X X X X X X X X X X X X X
X X X
X
X X X X X X X X X X X X X X
X
X
X
X X X X X
X X X X
X X X X X X X
X
X
X
11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40
X X
X X
X
X
X
X
X
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Tabel 16.6 : Overzicht van de Bijlage I-habitattypes in de aangemelde Vlaamse Habitatrichtlijngebieden. Prioritaire habitats zijn aangeduid in het vet. De nummers van de kolommen verwijzen naar Tabel 16.5. De BWK-codes zijn beperkt tot de Vlaamse context. Voor het laatst vernoemde habitattype zijn nog geen gebieden afgebakend en bestaat nog onduidelijkheid of hier wel representatieve gebieden in Vlaanderen voor in aanmerking komen.
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
Instituut voor Natuurbehoud
BWK-code Hm delen van Sp, Sk en Ku* Hu, Hpu T, Ces Tm Md, Ms Ce Mm Mk Fl Qs en delen van Fs (niet Fs°) Fm, Qe, Fe Qa, Fa delen van Qb Vo,Vt,Vm Va,Vc,Vn Ek Ru
Habitattype volgens Bijlage I
Grasland met Molinia op kalkhoudende bodem en kleibodem (Eu-Molinion)
Voedselrijke ruigten
Laaggelegen, schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
Actief hoogveen
Aangetast hoogveen
Overgangs- en trilveen
Slenken in veengronden (Rhynchosporion)
Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en Carex davalliana
Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)
Alkalisch laagveen
Niet voor het publiek opengestelde grotten
Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum
Beukenbossen van het type met Ilex- en Taxus-soorten, rijk aan epifyten (Ilici-Fagetum)
Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum
Eikenbossen van het type Stellario-Carpinetum
Oude zuurminnende bossen met Quercus robur op zandvlakten
Veenbossen
Overblijvende of relictbossen op alluviale grond (Alnion-glutinoso-incanae)
Ravijnbossen met Tilio-Acerion
Gemengde eiken-iepen-essenbossen langs oevers van grote rivieren
X
X
X
10
X X
X X X
X
X X X
X
X
X
X
X X
X X X X
X
X
X
X X
X X X
X X X X
X X
X
X
X
X
X
X
X
X X
X X X X
X X
X X
X
X X
X X
X
X X X
X
X
X
X X X X X X X X X X
X
X
X X X
X
X
X X
X
X
X
X X
X X
X
X X
X X X X X
X
X
11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40
X X X X X
X
X
X
X X X X X X X X X X
X X
X
X
X X
1 2 3 4 5 6 7 8 9
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Instituut voor Natuurbehoud
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
105
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Versnippering van de natuurgebieden in Vlaanderen • Heel wat gebieden zijn complexen van meerdere, soms vrij kleine gebieden die ecologisch, landschappelijk en qua beheer als een eenheid moeten worden beschouwd, maar dit niet noodzakelijk zijn wat hun beschermingsstatuut betreft (zie ook hoofdstuk 19). Om de eenheid en noodzaak van bescherming bij enkele van deze 'versnipperde' gebieden te benadrukken, werd op kaart een perimeter of bufferzone aangeduid rondom enkele kleinere gebieden. Deze (extra)begrenzing is echter nog niet officieel aanvaard. Het is noodzakelijk dat hierover spoedig een beslissing wordt genomen. • Wegens hun zeer lijnvormig of puntvormig karakter konden bepaalde leefgebieden van Bijlage II-soorten niet worden opgenomen in beschermingszones op basis van Bijlage I-habitats. Het is bijvoorbeeld van groot belang dat de deelbekkens van enkele beken, en waterrijke gebieden die leefbare populaties herbergen van vis- en amfibieënsoorten van Bijlage II, vermeld in ANSELIN & KUIJKEN (1995), de nodige bescherming krijgen.
De Conventie van Ramsar
Doelstellingen en juridische achtergronden De "Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels" - beter gekend als de "RamsarConventie" - beoogt het wereldwijd behoud en duurzaam beheer van wetlands, met bijzondere aandacht voor de bescherming van de leefgebieden van watervogels. De Conventie werd opgesteld in 1971 (in het plaatsje Ramsar in Iran) en werd van kracht in 1975. Sindsdien werd de Ramsar-Conventie twee keer aangepast: door het "Paris Protocol" in 1982 en de "Regina Amendments" in 1987. Het "Ramsar Convention Bureau" gevestigd in Genève (Zwitserland) - vormt het permanente secretariaat van de Conventie. "Wetlands International" (het vroegere International Waterfowl Research Bureau) verzorgt technische assistentie. De verdragspartijen aanvaarden enkele verplichtingen en verantwoordelijkheden inzake het behoud en het beheer van waterrijke gebieden. Enkele van de belangrijkste zijn: (1) het aanduiden en erkennen van minstens één wetland als Ramsar-gebied en het behoud van het ecologisch karakter van deze gebieden, (2) het duurzaam beheer van waterrijke gebieden in het algemeen (3) het streven naar een internationale samenwerking bij het beschermen van wetlands (bv. medewerking aan internationaal gecoördineerde watervogeltellingen)
(4) het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek in waterrijke gebieden. Inmiddels hebben 113 landen de Conventie ondertekend, waarbij 957 Ramsar-gebieden werden aangeduid met een oppervlakte van 70,4 miljoen ha (situatie 30/10/98). Driejaarlijks is er een "Conference of Contracting Parties" waar diverse thema's aan bod komen zoals eventuele implementaties van de Conventie, rapportering van de nationale overheden, het evalueren van de toestand van de erkende Ramsar-gebieden enz... In dit kader wordt van elk land een nationaal verslag verwacht met o.a. een overzicht van de actuele toestand in de erkende Ramsar-gebieden (bedreigingen, genomen beheersmaatregelen,...) en een toelichting over het nationaal beleid ten aanzien van waterrijke gebieden ('wetlands'). Ramsar-gebieden die ecologische veranderingen ondergaan of waarschijnlijk zullen ondergaan ingevolge menselijke activiteiten (bv. vervuiling, industriële ontwikkelingen) worden opgenomen in de "Montreux Record".Voor deze gebieden wordt de "Ramsar Monitoring Procedure" opgestart. De landen waarvan één of meer Ramsar-gebieden op deze lijst van bedreigde gebieden zijn opgenomen, worden verondersteld - in overleg met het Ramsar-Bureau - gepaste maatregelen te nemen om de ongewenste ontwikkelingen te stoppen of te verhinderen. Wanneer een land de grenzen van een erkend Ramsar-gebied wil inperken omwille van dringende redenen van nationaal belang, dan moet er in de mate van het mogelijke een compensatie van het verlies aan waterrijke gebieden gebeuren door het aanduiden van bijkomende natuurreservaten voor watervogels of door de bescherming van een vergelijkbaar habitat in de onmiddellijke omgeving of in een ander gebied. Voor het selecteren en aanduiden van Ramsar-gebieden werden vastomlijnde criteria opgesteld. Enkele van de belangrijkste zijn specifiek gebaseerd op de aanwezigheid van watervogels. Zo wordt een wetland als internationaal belangrijk beschouwd indien het: (1) regelmatig meer dan 20.000 watervogels herbergt of (2) regelmatig minstens 1 % van de individuen van een geografische populatie van een of meer watervogelsoorten herbergt (het zogenaamde 1 %-criterium). Meer gedetailleerde informatie over de RamsarConventie (inclusief de tekst van de Conventie) vindt men bij MATTHEWS (1993), DE KLEMM & CRÉTEAUX (1994) en DAVIS (1994).
Instituut voor Natuurbehoud 106
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Figuur 16.3: De erkende Ramsar-gebieden in Vlaanderen (de aangeduide 'Vlaamse Banken' vallen onder federale bevoegdheid). 1. Zwin en omgeving, 2. De Blankaart en de IJzerbroeken, 3. De schorren van de Beneden-Zeeschelde, 4. Kalmthoutse Heide
Tabel 16.8: Procentueel aandeel van de Vlaamse winterpopulaties van de belangrijkste soorten watervogels ten opzichte van de Noordwest-Europese populatie(0), in de huidige Ramsar-gebieden(1), in de huidige Vogelrichtlijngebieden (2) en in alle Vlaamse gebieden die voldoen aan de Ramsar-criteria (periode 1993/94 t.e.m. 1996/97)(3). Onderaan is het aantal soorten weergegeven waarvan meer dan 50% van de Vlaamse populatie in de betrokken gebiedscategorieĂŤn voorkomt. (0) % van de in Vlaanderen internationale populatie in Vlaanderen Kleine Rietgans Krakeend Slobeend Wintertaling Smient Tafeleend Kolgans Pijlstaart Grauwe Gans Aalscholver Kleine Zwaan Meerkoet Bergeend Kuifeend Fuut Wilde Eend Dodaars Aantal soorten > 50 % beschermd
59,1 11,7 7,3 6,2 5,9 5,1 4,9 3,1 2,6 2,3 2,1 1,9 1,8 1,7 1,7 1,2 <1
(1) % Vlaamse populatie in Ramsar
(2) % Vlaamse populatie in Vogelrichtlijn
(3) % Vlaamse populatie in Ramsar +
0,0 4,8 11,6 6,1 39,9 0,8 2,8 13,4 33,2 6,0 17,8 6,0 9,9 2,4 2,2 10,7 2,0
51,6 42,6 49,0 64,1 69,6 31,2 72,0 46,2 83,0 29,4 64,4 32,2 42,3 30,1 40,0 36,9 38,5
65,6 72,1 60,3 85,7 77,0 56,7 75,4 73,1 75,4 50,0 82,2 38,5 57,7 46,8 51,8 40,3 34,8
0/17
6/17
13/17
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
107
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Situatie in Vlaanderen
gebieden vindt men bij o.a. KUIJKEN et al. (1986), KUIJKEN et al. (1992) & KUIJKEN (1996). Een vergelijking met de oorspronkelijke motivatie vindt men in KUIJKEN (1972).
Beschermde gebieden en juridische implicaties België ondertekende de Ramsar-Conventie in 1975. Via het KB van 27/09/84 (BS, 31/10/84) werden zes waterrijke gebieden in België aangeduid en erkend als Ramsargebied. Het "Paris Protocol" en de "Regina Amendments" werden geratificeerd op 28/10/98. Van de zes Belgische Ramsar-gebieden liggen er vier in Vlaanderen en één in Wallonië. Het zesde (mariene) gebied valt onder federale bevoegdheid. De erkende Ramsar-gebieden in Vlaanderen zijn: (1) (2) (3) (4)
Het Zwin en omgeving (530 ha); De Blankaart en de IJzerbroeken (2.460 ha); De Schorren van de Beneden-Zeeschelde (398 ha); Kalmthoutse Heide (2.183 ha).
Alle Ramsar-gebieden (in totaal 5.571 ha) maken ook deel uit van de (meestal ruimer afgebakende) Vogelrichtlijngebieden (B.Vl.Ex. 17/10/88). Een situering van de Vlaamse Ramsar-gebieden vindt men in Figuur 16.3. In 1987-1989 ging een deel van het Galgenschoor, dat deel uitmaakt van het Ramsar-gebied "De Schorren van de Beneden-Zeeschelde", verloren door de aanleg van een containerkade (ongeveer 30 ha op een totaal van 155 ha). De Vlaamse Regering compenseerde dit verlies door het uitbreiden van het Ramsar-gebied "De Blankaart" met de aanpalende overstroombare graslanden in de IJzerbroeken (van 160 ha naar 2.460 ha) (B.Vl.Ex. 27/05/87, BS 01/08/87). Toen in de periode 1994-1996 ook aan het Groot Buitenschoor een containerkade werd ingeplant, pal op de grens van het Ramsar-gebied, werd het gebied opgenomen in de "Montreux Record" omwille van te verwachten ecologische veranderingen in het gebied. In de Ramsar-gebieden legde de Vlaamse overheid enkele beschermingsmaatregelen of beperkingen voor bepaalde activiteiten wettelijk vast. Het gaat om volgende maatregelen: • een vergunningsplicht voor vegetatiewijzigingen; • een milieueffectrapportage-plicht voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden, ruilverkavelingen e.d.; • verstrengde bemestingsnormen/uitrijregeling in het kader van het MAP; • een jachtverbod op Smient; • het sluiten van de watervogeljacht op 15 oktober i.p.v. 31 januari; • een verbod op het gebruik van loodhagel. Meer informatie over de Vlaamse (Belgische) Ramsar-
De bescherming van overwinterende watervogelpopulaties in Vlaanderen Vlaanderen vormt voor diverse watervogelsoorten een belangrijk overwinteringsgebied. Via de Ramsar-Conventie heeft de Vlaamse overheid een internationale verantwoordelijkheid op zich genomen om watervogelpopulaties en waterrijke gebieden te beschermen. Een belangrijk onderdeel hierin is de afbakening en erkenning van Ramsar-gebieden. Beschermingsmaatregelen in deze Ramsar-gebieden resulteren meestal in een lokaal effect, maar het was tot op heden onduidelijk in welke mate deze gebiedsgerichte maatregelen ook een merkbaar effect kunnen hebben op de beschermingsstatus van de totale watervogelpopulaties in Vlaanderen. Daarom werd per soort nagegaan welk aandeel van de Vlaamse winterpopulatie in de internationaal beschermde en erkende gebieden verblijft. In Tabel 16.8 zijn de 17 soorten watervogels weergeven waarvan jaarlijks minstens 1 % van de totale Noordwest-Europese populatie in Vlaanderen overwintert. De soorten zijn gerangschikt volgens het percentage van de internationale populatie dat in Vlaanderen overwintert (kolom 0), gaande van Kleine Rietgans (59,1 %) tot Dodaars (max. 1 %). Voor elke soort werd het gemiddeld percentage berekend dat in de periode 1993/94 t.e.m. 1996/97 overwinterde in (1) de huidige Ramsar-gebieden, (2) de huidige Vogelrichtlijngebieden en (3) alle gebieden die voldoen aan de Ramsar-criteria (huidige en potentiële Ramsar-gebieden). (1) Ramsar-gebieden. Via de 4 erkende Ramsar-gebieden wordt bij de meeste soorten slechts een gering deel van de totale Vlaamse populatie beschermd. Positieve uitzonderingen zijn Smient (39,9 %) en Grauwe Gans (33,2 %). Opvallend is dat de twee soorten waarvoor Vlaanderen de grootste internationale betekenis heeft, weinig of geen bescherming genieten via de RamsarConventie. De Kleine Rietgans - waarvan 60 tot 95 % van de internationale populatie in Vlaanderen overwintert - wordt zelfs helemaal niet aangetroffen in de bestaande Ramsar-gebieden. (2) Vogelrichtlijngebieden. In de Vogelrichtlijngebieden wordt een merkelijk groter aandeel van de Vlaamse watervogelpopulaties aangetroffen. Van zes soorten pleistert meer dan 50% binnen deze gebieden: Grauwe Gans, Kolgans, Smient, Kleine Zwaan, Wintertaling en Kleine Rietgans. Enkele (internationaal) belangrijke watervogelgebieden ontbreken op de lijst van 23 Vogelrichtlijngebieden. De afbakening gebeurde
Instituut voor Natuurbehoud 108
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen immers hoofdzakelijk op basis van de aanwezigheid van broedende Bijlage I - soorten, en niet op overwinterende watervogelpopulaties. Dit verklaart waarom enkele soorten waarvoor Vlaanderen toch een grote internationale betekenis heeft (o.a. Krakeend en Tafeleend) met minder dan de helft van hun populatie aanwezig zijn in de Vogelrichtlijngebieden. (3) Potentiële Ramsar-gebieden. In Deel 1 van dit natuurrapport is nagegaan welke gebieden in Vlaanderen voldoen aan de numerieke criteria van de RamsarConventie (naast de 4 erkende Ramsar-gebieden): 1. Achterhaven Zeebrugge; 2. Poldercomplexen Oost- en Middenkust; 3. Krekengebied/polders Noord-Oost-Vlaanderen; 4. Bourgoyen-Ossemeersen Drongen; 5. Gentse Kanaalzone; 6. Schorren en slikken Zeeschelde, Durme en Rupel; 7. Blokkersdijk en De Kuifeend; 8. Poldercomplexen en havengebied Antwerpen Linkeroever; 9. Rivierengebied Willebroek, Mechelen, Lier; 10.Vijvergebied Midden-Limburg; 11. De Grensmaas-vallei Wanneer deze gebieden het statuut van Ramsargebied zouden verwerven, telt Vlaanderen 14 gebieden. De Gentse Kanaalzone werd buiten beschouwing gelaten omdat het belang van dit gebied vooral gesitueerd is in de aanwezigheid van open water in het kanaal en de dokken tijdens strenge vorstperioden en niét zozeer in de aanwezigheid van belangrijke waterrijke biotopen met een grote natuurwaarde. Het aandeel van de Vlaamse watervogelpopulaties in deze 14 (potentiële) Ramsar-gebieden is eveneens weergegeven in Tabel 16.8. Dertien van de 17 soorten pleisteren met meer dan de helft van hun totale Vlaamse populatie binnen de grenzen van deze gebieden. Bij de soorten waarvoor Vlaanderen de grootste internationale verantwoordelijkheid heeft, komt in bijna alle gevallen 60 tot 85 % van de Vlaamse populatie in de geselecteerde gebieden voor.
Knelpunten en aanbevelingen Op de zesde 'Conference of Contracting Parties' (COP6) in Brisbane, Australië - waar ook een Belgische delegatie aanwezig was - werd het 'Ramsar Strategic Plan' opgesteld voor de periode 1996-2002 waarin 8 algemene doelstellingen werden gefomuleerd. Aangezien België de Ramsar-Conventie ondertekende, worden ook van Vlaanderen inspanningen verwacht om deze doelstellingen op regionaal vlak te realiseren. Rekeninghoudend met het
'Ramsar Strategic Plan' kunnen volgende knelpunten en aanbevelingen worden geformuleerd.
In Vlaanderen wordt onvoldoende gestreefd naar een algemeen duurzaam gebruik ('wise use') van waterrijke gebieden Er zijn vele sectoren die - in toenemende mate - aanspraak maken op water: landbouw, natuur, industrie, drinkwatervoorziening, recreatie enz....Water in voldoende hoeveelheden en met een voldoende kwaliteit wordt bijgevolg steeds schaarser, en de druk op waterrijke gebieden is dan ook zeer groot. Verdroging en watervervuiling kunnen tot de belangrijkste milieuproblemen in Vlaanderen worden gerekend. In het Ramsar Strategic Plan 1996-2002 wordt aan de lidstaten gevraagd om een 'National Wetland Policy/Strategy/Action Plan' op te stellen. In Vlaanderen kan dit door uitvoering te geven aan het Decreet Natuurbehoud. Met name moet prioriteit gaan naar het behoud van overstroombare valleigebieden, waarbij integraal waterbeheer en het principe van "sustainable development" in de relatie met de landbouw (met nadruk op het behoud van historisch permanent grasland en ecologisch meer optimale waterpeilen) de basis vormen voor het beleid.
Er is behoefte aan concrete en effectieve beschermingsmaatregelen voor alle gebieden die opgenomen zijn in de Lijst van Watergebieden van internationale betekenis (de Ramsar-lijst) De Ramsar-Conventie vraagt van de lidstaten dat er voldoende maatregelen worden genomen om het ecologische karakter van erkende Ramsar-gebieden te behouden of te verbeteren. Net als voor de Vogelrichtlijngebieden is het belangrijk dat er in Vlaanderen voor elk Ramsar-gebied een coherente beleidsvisie wordt opgesteld die rekening houdt met het internationale beschermingsstatuut.Veel problemen vragen immers om een gebiedsgerichte en planmatige aanpak. Het opstellen van een gedetailleerd beheersplan voor elk Ramsar- en Vogelrichtlijngebied is hierin een belangrijke eerste stap, en moet de basis vormen voor een concreet uitvoeringsplan. De gebiedsgerichte aanpak via de Ecologische Impulsgebieden 'IJzervallei' en 'Zeeschelde', waarvan twee Vlaamse Ramsar-gebieden integraal deel uitmaakten, heeft op dat vlak zijn nut bewezen en verdient navolging (bv. via natuurinrichtingsplannen in functie van het behoud en beheer van wetlands). Het gebiedsgerichte beleid vergt ook een goede planologische bescherming. Alle internationaal belangrijke wetlands in Vlaanderen komen prioritair in aanmerking voor een inpassing in het Vlaams Ecologisch Netwerk, met daaraan gekoppeld een relevante aanduiding op de gewestplannen (ev. via groene gewestplanwijzigingen).
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
109
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Langetermijnmonitoring en ecologisch onderzoek in Ramsar-gebieden en andere waterrijke gebieden is essentieel Voor de uitvoering en evaluatie van beschermingsmaatregelen is het belangrijk dat de toestand van de natuurwaarden in Ramsar-gebieden op de voet wordt gevolgd. Ook voor een duurzaam beheer van wetlands is een grondig inzicht in het functioneren van het ecosysteem noodzakelijk. Dit vergt een goed uitgebouwd monitoringnetwerk waarin zowel biotische als abiotische componenten worden onderzocht. Pas dan kunnen veranderingen in het ecologisch karakter worden gedocumenteerd. Dit vormt trouwens een essentieel onderdeel van de 'Montreux'-resolutie, waarbij Ramsar-gebieden met negatieve ecologische ontwikkelingen aan een monitoringprocedure worden onderworpen. Van de Vlaamse overheid wordt verwacht dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor langetermijnmonitoringprojecten en ecologisch/hydrologisch onderzoek in Ramsar- (en Vogelrichtlijn-)gebieden.
Alle waterrijke gebieden ('wetlands') die voldoen aan de Ramsar-criteria moeten worden erkend als Ramsar-gebied. Bijna alle Europese landen hebben de oorspronkelijke lijst van erkende Ramsar-gebieden op hun grondgebied gevoelig uitgebreid. In Vlaanderen is dit nog niet gebeurd, hoewel er verschillende niet-erkende gebieden zijn die voldoen aan de officiële Ramsar-criteria. Enkele watervogelsoorten waarvoor Vlaanderen een zeer grote internationale verantwoordelijkheid heeft (bv. Kleine Rietgans, Krakeend) komt zelfs niet of bijna niet voor in de actueel erkende Ramsar-gebieden. De berekeningen in Tabel 16.8 tonen aan dat door de uitbreiding van het aantal Vlaamse Ramsar-gebieden een veel groter aandeel van de Vlaamse watervogelpopulaties kan worden beschermd. In dat geval heeft men de zekerheid dat het nemen van specifieke beschermingsmaatregelen in deze gebieden een gunstig effect heeft op een significant deel van de Vlaamse populaties. Een positief beleid terzake zou ook tegemoet komen aan de doelstellingen van de 'African/Eurasian Migratory Waterbirds Agreement' (1995).
De Conventie van Bern De Conventie van Bern dateert van 1979 en is een initiatief van de Raad van Europa. Het Verdrag beoogt het behoud van bedreigde wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa en het mediteraan gebied, met bijzondere aandacht voor trekkende diersoorten. Het werd door België goedkeurd bij Wet van 20/04/89 (BS, 29/12/90).
De landen die de Conventie ondertekenen, worden geacht alle passende en noodzakelijke maatregelen te nemen om de leefmilieus (habitats) van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten te beschermen, in het bijzonder de soorten van Bijlagen I en II (zeldzame en endemische soorten). De bescherming moet gebeuren in de vorm van wetten en regelgeving en houdt ook expliciet in dat op het gebied van de ruimtelijke ordening en ontwikkeling achteruitgang van deze gebieden zo veel mogelijk wordt vermeden of verminderd. Ieder verdragssluitend land moet bovendien bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van de overwinterings-, rust-, voeder-, broed- of ruiplaatsen die van belang zijn voor de in Bijlagen II en III vermelde trekkende soorten. Van de talrijke bedreigde soorten van Bijlagen I en II, komen slechts enkele soorten in Vlaanderen voor. Bijlage III bevat zeer veel soorten die algemeen tot zeldzaam zijn in Vlaanderen.Voor een overzicht wordt verwezen naar Deel 1 en DE PUE et al. (1998). In de praktijk van het Vlaamse natuurbeleid is nooit of nauwelijks aandacht besteed aan deze Conventie en de potentiële "kapstokfunctie" voor specifieke gebiedsgerichte beschermingsmaatregelen.
De Conventie van Bonn De Conventie van Bonn is opgesteld in 1979 en beoogt de bescherming van trekkende wilde diersoorten. De Conventie werd door België goedgekeurd bij Wet van 27/04/90 (BS, 29/12/90). Voor een reeks bedreigde trekkende soorten (Bijlage I) moet alles in het werk worden gesteld om ze onmiddellijk te beschermen.Voor een tweede en omvangrijke groep van onvoldoende beschermde, trekkende soorten (Bijlage II) moeten internationale overeenkomsten worden afgesloten om het behoud en het beheer te verzekeren. De soortenlijsten overlappen deels met soortenlijsten van de Vogelrichtlijn en soorten waarvan de aantalconcentraties in Vlaanderen tot een erkenning als Ramsar-gebied hebben geleid. In de praktijk van het Vlaamse natuurbeleid werd voor deze of overige soorten nooit of nauwelijks aandacht besteed aan deze Conventie en de potentiële "kapstokfunctie" voor specifieke gebiedsgerichte beschermingsmaatregelen.
Instituut voor Natuurbehoud 110
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
De Conventie van Rio (Biodiversiteitsconventie)
De Benelux-overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming
Het Verdrag inzake biologische diversiteit werd in 1992 afgesloten op de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling. Het Verdrag werd in Vlaanderen goedgekeurd door het Decreet van 19 maart 1996 (BS, 24/05/96). Het Biodiversiteitsverdrag beoogt het behoud van de biodiversiteit en het duurzaam gebruik van de bestanddelen ervan. Het Verdrag voorziet in een reeks maatregelen. Inzake gebiedsbescherming moeten de verdragspartijen onder meer een stelsel van beschermde gebieden instellen of gebieden waarin bijzondere maatregelen moeten worden genomen om de biodiversiteit te behouden. Voorts moeten zij ecosystemen en habitats beschermen, aangetaste ecosystemen herstellen, enz.
Op 8 juni 1982 werd een overeenkomst getekend die enkele intentieverklaringen omvat, in het raam van een actief Benelux-beleid op het vlak van het leefmilieu, tot het behoud van natuurgebieden en de bescherming van waardevolle landschappen. Meer bepaald voor een doeltreffende bescherming van grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen worden maatregelen voorgesteld (DE PUE, et al. 1998).
Het Biodiversiteitsverdrag beoogt veeleer een versterking van bestaande internationale natuurbehoudinstrumenten. De uitvoering van dit verdrag zal in Vlaanderen dan ook zeker ten dele kunnen gebeuren aan de hand van bestaande natuurbehoudwetgeving, die zelf een uitvoering vormt van andere internationale regelgeving. Tot dusver is echter het juridische instrumentarium ontoereikend gebleken om de achteruitgang van de biologische diversiteit in Vlaanderen wezenlijk tegen te gaan (CLIQUET & KUIJKEN, 1996).
Tabel 16.9 en Figuur 16.4 geven een overzicht van de aangeduide grensoverschrijdende Benelux-gebieden. In de praktijk is in Vlaanderen en Nederland van een gebiedsgerichte invulling van de overeenkomst nooit veel terecht gekomen. Enkel het Grenspark "ZoomKalmthoutse Heide" en het Grenspark "StamprooierbroekWijffelterbroek-Laurabossen" zijn in een vergevorderd stadium van realisatie.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
111
16. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen
Figuur 16.4: Overzicht van de 22 Benelux-grensoverschrijdende landschappen in Vlaanderen. Nummers: zie Tabel 16.9
Tabel 16.9: Overzicht van de 22 Benelux-grensoverschrijdende landschappen en hun oppervlakte-aandeel in Vlaanderen. Naam 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22.
ha
Grenspark Noordwest-Vlaanderen Assenede-Braakman-complex Axel-Moerbeke-complex Kieldrecht-Clinge-complex Saeftinge Grenspark Kalmthoutse Heide Dal van de Molenbeek .Ruchpense bos-Horendonk De Maatjes Lange Gooren en Krochten Meerle – Heerle Strijbeekse beek Withagen Merkske Poppelse Ley Grenspark Ravels Hilvarenbeek Grenspark Postel Grenspark Achel-Leende Budel - Dorplein – Lozerheide Grenspark Stamprooierbroek-Wijffelterbroek-Laurabossen Grenspark Vijverbroek Maasvallei Noord Maasvallei Zuid Drielandenpark
14.182 1.838 5.266 3.198 187 2.449 22 135 290 439 1.267 1.742 727 2.824 5.925 1.211 678 3.337 135 298 667 5.063
Totaal
51.880
Instituut voor Natuurbehoud 112
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid