Samenstelling: Vlaamse overheid Agentschap Economie Afdeling Europa Economie Euro Info Centre Verantwoordelijke uitgever: Bernard De Potter Administrateur-generaal Bronnen: Websites: PMV, RSZ, Europa, Scadplus Subsidieleidraad Vlaams Agentschap Ondernemen - VLAO. Druk: Uitgave: 2006 Depotnummer: D/2006/3241/148 2006. Vlaamse overheid – Agentschap Economie – Afdeling Europa Economie - Euro Info Centre.
INLEIDING De nieuwe Subsidiewegwijzer voor ondernemingen biedt u naar jaarlijkse gewoonte een overzicht van de belangrijkste overheidsstimulansen voor ondernemingen op regionaal, federaal en Europees vlak met bijzondere aandacht voor de KMO’s. Hierbij wordt gepoogd om de ondernemingen in het Vlaamse Gewest wegwijs te maken in het labyrint van steunmaatregelen waarvoor zij in aanmerking kunnen komen. Iedere maatregel wordt kort geschetst met aandacht voor de begunstigden, de geldende criteria en de voordelen. Tevens vermeldt deze gids telkens het contactadres voor aanvullende inlichtingen. De redactie van deze nieuwe brochure werd afgesloten op 31 juli 2006. De veertiende editie van deze gids werd samengesteld door het Euro Info Centre, afdeling Europa Economie, geleid door André Van Haver. Dit informatiecentrum maakt deel uit van een netwerk van 280 Europese centra, dat ook buiten Europa contacten heeft. Het Euro Info Centre werd in 1990 opgericht op initiatief van de Europese Commissie. Het heeft als kernopdracht de informatiestroom over Europese aangelegenheden voor KMO’s te bevorderen, met inbegrip van de maatregelen die op federaal en regionaal niveau worden genomen ter uitvoering van Europese beslissingen. De informatie die u in deze brochure terugvindt, kan ook worden geraadpleegd op de website van het Euro Info Centre: http://www.vlaanderen.be/euroinfocentre, en klikken op publicaties. Via deze subsidiedatabank krijgen ondernemingen toegang op maat tot de steunmaatregelen die hen worden aangeboden door de verschillende overheden. Vanaf november 2006 kan deze databank geraadpleegd worden via www.ondernemen.vlaanderen.be en klikken op subsidiedatabank. Geïnteresseerden kunnen voor aanvullende informatie uiteraard steeds terecht bij het Euro Info Centre zelf dat ook over andere Europese materies inlichtingen verstrekt. Alle vragen over Europa, Europese wetgeving, Europese programma’s, en dergelijke worden door de medewerkers snel en efficiënt behandeld. Over de dienstverlening van het Euro Info Centre bestaat een afzonderlijke brochure die op eenvoudig verzoek gratis kan worden bekomen bij de Vlaamse overheid, Agentschap Economie, Euro Info Centre, Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Ik hoop dat de geactualiseerde gids u voldoende inzicht verschaft in het aanbod van steunmaatregelen waarvoor u als onderneming in aanmerking kan komen.
Bernard De Potter Administrateur-generaal
INHOUDSTAFEL DEEL I : STEUN BIJ INVESTERINGEN EN ADVIES, STEUN VOOR STARTERS 1. BUDGET VOOR ECONOMISCH ADVIES (BEA) 2. DE GROEIPREMIE 3. SUBSIDIES VOOR DE AANLEG VAN BEDRIJVENTERREINEN- WETENSCHAPSPARKENBEDRIJFSGEBOUWEN 4. PARTICIPATIEFONDS 4.1 Starteo/Optimeo: beroepskredieten verdeeld tussen uw bankier en het Participatiefonds 4.2 Startlening-solidaire lening: twee microkredieten met professionele begeleiding om de creatie van een eigen job te financieren 4.2.1 Startlening: voor de werkzoekende die zich vestigt als zelfstandige of die een eigen zaak opricht 4.2.2 Solidaire lening: een eigen economische activiteit creëren zonder startkapitaal 4.3 Business Angel +: co-financiering met een Business Angel van een innoverend project 4.4 Privak+ 5. PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ VLAANDEREN NV (PMV) 5.1 KMO-financieringsinstrumenten 5.1.1 Winwinlening 5.1.2 Vinnof 5.1.3 ARKimedes 5.1.4 Waarborgregeling 5.1.4.1 Steun voor KMO’s die hinder ondervinden van openbare werken 5.1.5 Fonds Vlaanderen-Internationaal 6. VLAAMS AGENTSCHAP ONDERNEMEN – VLAO 6.1 VLAO-Bedrijfsadvies 6.2 Design Vlaanderen
DEEL II : FISCALE STEUN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
INVESTERINGSAFTREK NOTIONELE AFTREK FISCALE RULINGS BELASTINGKREDIET VOOR KMO’S EN NATUURLIJKE PERSONEN INVESTERINGSRESERVE BELASTINGSVRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN DIENSTHOOFD VOOR DE UITVOER BELASTINGSVRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL MET EEN LAAG LOON
DEEL III : STEUN BIJ AANWERVINGEN 1.
PARAFISCALE MAATREGELEN 1.1 De vermindering 2004 1.1.1 De structurele vermindering 1.1.2 Doelgroepvermindering 1.1.2.1 Oudere werknemers 1.1.2.2 Nieuwe werkgevers – eerste aanwervingen 1.1.2.3 Werkgevers die een collectieve arbeidsduurvermindering of een vierdagenweek instellen 1.1.2.4 Langdurig werkzoekenden – algemene categorie 1.1.2.5 Langdurig werkzoekenden – de doorstromingsprogramma’s 1.1.2.6 Langdurig werkzoekenden – de sociale inschakelingseconomie 1.1.2.7 Jonge werknemers 1.1.2.8 Herstructurering 1.2 De specifieke verminderingen 1.2.1 Werkbonus
2.
1.2.2 Vermindering van de werknemersbijdragen - herstructurering 1.2.3 Tegemoetkoming aan de non-profitsector tot bevordering van de werkgelegenheid 1.2.4 Bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector (sociale maribel) 1.2.5 Wetenschappelijk onderzoek FINANCIELE MAATREGELEN 2.1 Aanmoedigingspremies in de privé-sector 2.1.1 Opleidingskrediet 2.1.2 Zorgkrediet 2.1.3 Steun aan werknemers van ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering 2.1.4 Suppletieve regeling 2.2 Tegemoetkoming bij de aanwerving van personen met een handicap 2.3 Inschakelingspremie
DEEL IV : STEUN BIJ OPLEIDINGEN 1.
2. 3. 4.
5.
VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB) 1.1 Individuele Beroepsopleiding in de onderneming 1.2 Instap-opleiding 1.3 Bedrijfsopleiding voor personen met een handicap SECTORALE MAATREGELEN EN INITIATIEVEN PROJECTEN TER STIMULERING VAN DE EVENREDIGE ARBEIDSDEELNAME EN DIVERSITEIT IN ONDERNEMINGEN, INSTELLINGEN EN LOKALE BESTUREN (DIVERSITEITSPLANNEN, CLUSTERPLANNEN, INSTAP- EN GROEIPLANNEN) VLAAMS AGENTSCHAP VOOR ONDERNEMERSVORMING – SYNTRA VLAANDEREN 4.1 Vorming 4.1.1 Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Leertijd 4.1.2 Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Ondernemersopleiding (gecertificeerde opleiding) 4.1.3 Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Voortgezette vorming (nietgecertificeerde opleiding) PETERSCHAPSPROJECTEN
DEEL V : STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING 1.
2. 3. 4. 5.
INSTITUUT VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE (IWTVLAANDEREN) 1.1 O&O-projecten van bedrijven – algemeen 1.2 KMO-programma 1.3 Eureka 1.4 Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverbanden 1.5 Onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma van de Europese Unie – 6de en 7de Kaderprogramma 1.6 Strategisch Basisonderzoek (SBO) 1.7 TETRA-Fonds 1.8 Landbouwkundig onderzoek 1.9 Duurzame technologische ontwikkeling 1.10 Grondig technologisch advies 1.11 LURU BIZIDEE ENTERPRIZE INNOVATIEPREMIE VITO
DEEL VI : ENERGIE EN MILIEU 1. 2. 3.
DE ECOLOGIEPREMIE AANMOEDIGINGSMAATREGELEN REG PRESTI 5
4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
SUBSIDIES VOOR KMO’S DIE SELECTIEF AFVAL SORTEREN VLAAMSE GROENESTROOMCERTIFICATEN VLAAMSE WARMTEKRACHTKOPPELINGSCERTIFICATEN VERHOOGDE INVESTERINGSAFTREK VOOR ENERGIEBESPARENDE INVESTERINGEN LIFE III-PROGRAMMA 6de KADERPROGRAMMA: DUURZAME ENERGIESYSTEMEN INTELLIGENT ENERGY FOR EUROPE
DEEL VII : STEUN BIJ EXPORT 1.
2. 3.
4.
5.
FLANDERS INVESTMENT AND TRADE (FIT) 1.1 Financiële tussenkomsten van exportgerichte initiatieven – Kleine en Middelgrote Ondernemingen 1.2 Vlaamse subsidies voor haalbaarheidsstudies 1.3 Ter beschikking stellen van Vlaamse uitrustingsgoederen NATIONALE DELCREDEREDIENST – EXPORTKREDIETVERZEKERING FINEXPO – COMITE VOOR DE FINANCIELE ONDERSTEUNING VAN DE EXPORT 3.1 Stabilisering van de rentevoet 3.2 Intrestbonificaties 3.3 Intrestbonificatie met aanvullende gift 3.4 Leningen van staat tot staat JAPAN EN DE EUROPESE UNIE - EXPROM 4.1 Gateway to Japan 4.2 Executive Training Programme 4.3 Ad-hoc programma' s PRINS ALBERT FONDS
DEEL VIII : EUROPESE STEUN 1.
2. 3.
4. 5. 6. 7.
STRUCTUURFONDSEN 1.1 Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) 1.1.1 Communautaire iniatieven 1.1.1.1 Interreg III 1.1.1.2 Urban II 1.1.1.3 Interact 1.2 Europees Sociaal Fonds (ESF) 1.3 Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) – Afdeling Garantie en Oriëntatie 1.4 Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB) 2.1 Individuele kredieten 2.2 Globale kredieten EUROPEES INVESTERINGSFONDS (EIF) 3.1 Risicokapitaal 3.1.1 ETF-startersregeling 3.1.2 Startkapitaalactie 3.1.3 EIB & EIF-middelen 3.2 KMO-Garantiefaciliteit CENTRUM VOOR DE ONTWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN (COO) 4.1 Samenwerking met de ACS-landen 4.2 ProInvest: een programma voor de promotie van investeringen in de ACS-landen OVERIGE INITIATIEVEN TER BEVORDERING VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING 5.1 Al-Invest III 5.2 Asia-Invest MEDIA-PLUS MARCO POLO
DEEL IX : SAMENWERKING MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA
1. 2. 3. 4. 5.
SAMENWERKINGSPROGRAMMA VLAANDEREN MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA TACIS-PROGRAMMA SAPARD IPA – INSTRUMENT VOOR PRETOETREDINGSSTEUN (2007-2013) - VOORSTEL TEMPUS
TREFWOORDEN
Deel I : STEUN BIJ INVESTERINGEN EN ADVIES, STEUNVOOR STARTERS
1.
BUDGET VOOR ECONOMISCH ADVIES (BEA)
Inhoud steunmaatregel Het Budget voor Economisch Advies (BEA) is een elektronisch betaalmiddel om het geheel van kennisoverdracht, mentorschap voor talentvolle ondernemers, adviezen of opleidingen die erop gericht zijn een ondernemer of onderneming te begeleiden in zijn volledige levenscyclus te betalen. Met dit nieuw geïntegreerd instrument kunnen kleine en middelgrote ondernemingen een beroep doen op de voor hen meest geschikte dienstverlening. Subsidieberekening De subsidie, die berekend wordt als een percentage (35%) van de in aanmerking komende kosten van de ondernemerschapsbevorderende diensten, bedraagt maximaal 5.000 euro per drie kalenderjaren en wordt toegekend binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen. Per pijler wordt de subsidie beperkt tot een maximaal bedrag van 2.500 euro. Pijlers De onderneming kan kiezen voor vier verschillende diensten: opleiding, advies, mentorschap voor talentvolle ondernemers en de aankoop van kennis bij kenniscentra. -
Opleiding
Het onderricht, gevolgd door de werkenden in de onderneming bij de dienstverlener, erkend in de pijler opleiding, en dat uitsluitend of hoofdzakelijk gericht is op het verbeteren van het huidige of toekomstige bedrijfsfunctioneren van de onderneming. -
Advies
Schriftelijke, specifieke, waardevolle raadgevingen en aanbevelingen, verleend door de dienstverlener erkend in de pijler advies, die bestaan uit een analyse van de probleemstelling, een eigenlijk advies, en een implementatiegedeelte, eventueel gevolgd door een begeleiding bij de implementatie ervan, en die uitsluitend of hoofdzakelijk gericht zijn op het verbeteren van het huidige of toekomstige bedrijfsfunctioneren van de onderneming. -
Mentorschap voor talentvolle ondernemers
Een trajectbegeleidingsformule, verleend door de dienstverlener aanvaard in de pijler mentorschap, voor talentvolle ondernemers die risicokapitaal verkrijgen van een risicokapitaalverschaffer, en die uitsluitend of hoofdzakelijk gericht is op het verbeteren van het huidige of toekomstige bedrijfsfunctioneren van de onderneming. -
Kennisoverdracht
Overdracht van kennis door de dienstverlener, erkend in de pijler kennis. Het betreft bestaande, toepassingsgerichte kennis die betrekking heeft op producten, diensten, processen of markten zodat de onderneming ze kan aanwenden voor de vernieuwing en innovatie van haar producten, diensten, processen of markten. Begunstigden (ondernemingen) Worden beschouwd als onderneming: de natuurlijke personen die koopman zijn of een zelfstandig beroep uitoefenen, de handelsvennootschappen met rechtspersoonlijkheid, burgerlijke vennootschappen met handelsvorm, de Europese economische samenwerkingsverbanden en de economische samenwerkingsverbanden, die beschikken over een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest of zich ertoe verbinden in het Vlaamse Gewest een exploitatiezetel te vestigen. Zowel kleine als middelgrote ondernemingen,
alsook een groot aantal vrije beroepen komen in aanmerking voor de maatregel voor zover ze een aanvaarbare activiteit hebben en geen VZW zijn. Vanaf 2005 is de nieuwe definitie van de Europese Commissie inzake de KMO van kracht. Kleine Ondernemingen (KO) zijn ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria: - minder dan 50 werkzamen tewerkstellen; - een jaaromzet hebben van maximum 10 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 10 miljoen euro; - beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium (*) Middelgrote ondernemingen (MO) zijn ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria: - minder dan 250 werkzamen tewerkstellen; - een jaaromzet hebben van maximum 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 43 miljoen euro; - beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium (*); - geen kleine onderneming zijn. (*) Of een onderneming "zelfstandig" is moet tot uiting komen door de samentelling van omzet en balanstotaal van partnerondernemingen en verbonden ondernemingen. Ondernemingen waarin de overheid participeert voor 25% of meer komen niet in aanmerking. Dienstverleners Een dienstverlener in de pijlers opleiding, advies of kennisoverdracht moet erkend worden; een dienstverlener in de pijler mentorschap voor talentvolle ondernemers moet aanvaard worden. -
-
Dienstverleners in de pijler opleiding kunnen erkend worden onder de volgende voorwaarden: ·
opgenomen zijn op de lijst van de publieke dienstverleners, aangebracht door de respectieve functioneel bevoegde ministers of sectorfondsen. De erkenning geldt zolang het systeem BEA loopt.
·
op basis van een kwaliteitscertificaat waarvan de scope de kwaliteit inzake de dienstverlening van de opleiding garandeert. De duur van de erkenning wordt bepaald door de resterende geldigheidsduur van het certificaat..
·
een dienstverlener die een erkende peterschapsorganisator is, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2003. De erkenning is beperkt tot de duur van de subsidieperiode en geldt alleen voor de peterschapsprojecten waarvoor de dienstverlener als peterschapsorganisator werd erkend.
Dienstverleners in de pijler advies kunnen erkend worden onder de volgende voorwaarden: ·
een private dienstverlener kan op basis van een kwaliteitscertificaat, waarvan de scope de kwaliteit inzake de dienstverlening van adviesverstrekking garandeert, een erkenning bekomen. De duur van de erkenning wordt bepaald door de resterende geldigheidsduur van het certificaat.
·
een natuurlijk persoon kan, na het voorleggen van een positieve screening, uitgevoerd door een privaat arbeidsbemiddelingsbureau, een erkenning bekomen voor de duurtijd van twee jaar.
·
een private dienstverlener die een andere door de Vlaamse overheid uitgereikte erkenning kan voorleggen, op voorwaarde dat de erkenning de kwaliteit van de dienstverlening voor advies garandeert en mits de minister en de functioneel bevoegde minister, die allebei voorwaarden kunnen koppelen aan de overdracht van de erkenning, akkoord gaan. De duur van de erkenning wordt bepaald door de geldigheidsduur van de door de andere Vlaamse overheid uitgereikte erkenning.
-
Dienstverlener in de pijler kennis:
Een instantie kan in de pijler kennis erkend worden als dienstverlener indien zij lid is van het Vlaams Innovatienetwerk of opgenomen is in de lijst van kennisinstellingen, opgesteld door de administratie Wetenschap en Innovatie. De erkenning geldt zolang het systeem van het Budget voor Economisch Advies loopt. -
Dienstverlener in de pijler mentorschap voor talentvolle ondernemers:
Een natuurlijk persoon die bij overeenkomst tussen de risicokapitaalverschaffer en de onderneming werd aangewezen, kan worden aanvaard als dienstverlener voor het systeem van de BEA. Als er een familiale of emotionele band bestaat tussen een risicokapitaalverscaffer en een onderneming, kan enkel een erkende dienstverlener uit de pijler advies als mentor optreden. Een risicokapitaalverschaffer, noch zijn aangestelde, kan niet als mentor optreden voor de onderneming waaraan hij risicokapitaal verstrekt. Diversen Registratie dienstverlener en onderneming Budget voor Economisch Advies is een e-government maatregel. De volledige afhandeling van een project verloopt via het internet. Via de website www.beaweb.be vraagt een dienstverlener zijn erkenning aan. Indien hij voor een bepaalde pijler wordt erkend, wordt deze toegevoegd aan de lijst met dienstverleners van die pijler. Vooraleer een onderneming een subsidieaanvraag kan indienen, moet zij zich via de website registreren. Na ontvangst van een login en paswoord kan een subsidieaanvraag worden ingediend. De aanvraagprocedure verloopt overeenkomstig de instructies vermeld op de website, waarbij de aanvraag binnen de veertien kalenderdagen, nadat de overeenkomst is gesloten of de inschrijving is gebeurd, moet worden ingediend. De verdere afhandeling verloopt volledig via de website. In aanmerking komende diensten Alle diensten die gericht zijn op het verbeteren van het huidig of toekomstig bedrijfsfunctioneren met uitzondering van: wettelijk verplichte diensten, adviezen van permanente of periodieke aard zoals routinematig belastingadvies, regelmatige dienstverlening op juridisch gebied, routinematig advies inzake selectie-, aanwervings- en personeelsbeleid of reclame, adviezen die behoren tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming, diensten met betrekking tot subsidies, technische analyses die geen deel uitmaken van een advies en niet-gespecialiseerde adviezen. In aanmerking komende kosten Voor de opleiding van werkenden in de onderneming komen, exclusief btw en de bedragen van de facturen waartegenover geen prestaties staan, volgende kosten gefactureerd door een erkende dienstverlener in de pijler opleiding in aanmerking: personeelskosten van de dienstverlener, werkingskosten van de dienstverlener, verplaatsingskosten van de docent, kosten voor cursusmateriaal en didactische benodigdheden die specifiek voor de gevolgde opleiding worden gebruikt en waarvan het gebruik een functionele relatie heeft met de gevolgde opleiding, voorzover de kosten op één factuur samen met de opleidingskosten worden gefactureerd. Voor advies, kennis en mentorschap komen de kosten, exclusief btw en de bedragen van de facturen waartegenover geen prestaties staan, die gefactureerd worden door een erkende dienstverlener in de pijler advies, kennis of door een mentor in aanmerking voor de ondernemerschapsbevorderende diensten. Kosten met betrekking tot gestandaardiseerde fysische of chemische analyses komen niet in aanmerking bij kennisoverdracht. Het projectbedrag Het aanvaardbaar projectbedrag moet minstens 100 euro bedragen. Is het aanvaardbaar projectbedrag kleiner of gelijk aan 3.000 euro, dan wordt de subsidieaanvraag pas goedgekeurd als de onderneming 65% van dat bedrag betaald heeft. Is het projectbedrag groter dan 3.000 euro dan wordt de subsidieaanvraag goedgekeurd als de onderneming een bedrag heeft betaald dat ligt tussen 65% van 3.000 euro en 65% van het aanvaardbare projectbedrag. Het eventuele resterende saldo kan later gestort worden.
Aanvraagprocedure Per overeenkomst of inschrijving kan slechts één subsidie aangevraagd worden. Indien een onderneming in meerdere pijlers subsidie vraagt, moet de dienstverlener per pijler verschillend zijn. Door een eerste projectaanvraag wordt een driejarige cyclus gestart, waarbinnen enkel in het eerste kalenderjaar (dit is het jaar van de eerste aanvraag) projecten kunnen worden aangevraagd. De eventuele aanvullende stortingen en de betalingen van de kosten, mogen uitgevoerd worden uiterlijk tot het einde van het tweede kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de subsidieaanvragen werden gedaan. Vanaf het derde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de subsidieaanvragen werden gedaan, kan een nieuwe cyclus beginnen. Wettelijk kader Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten. Deze regelgeving valt onder de toepassing van de de minimis-steun zoals vervat in Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EGVerdrag op de de minimis-steun.
Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Agentschap Economie Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel E-mail: bea@vlaanderen.be Website: www.beaweb.be Klantendienst BEA Sodexho-Pass Belgium NV Charles Lemairestraat 1 1160 Brussel Tel. : 02/547 55 65 Fax : 02/547 54 71 E-mail: bea@sodexho-pass.be Telefoon Vlaamse Infolijn : 0800/30201
2.
GROEIPREMIE
Inhoud steunmaatregel Om de economische groei in Vlaanderen te stimuleren heeft de Vlaamse overheid de "Groeipremie" in het leven geroepen. De premie is bedoeld als financiële stimulans voor ondernemingen die in het Vlaamse Gewest investeringen willen realiseren. Voor het toekennen van een groeipremie wordt gebruik gemaakt van een oproepsysteem (“call”) waarbij tijdens een bepaalde periode steunaanvragen kunnen worden ingediend. Deze aanvragen zullen na de indieningperiode in een wedstrijdformule met elkaar worden vergeleken en aan de bestscorende projecten zal een groeipremie worden toegekend, tot uitputting van de vooraf vastgestelde budgettaire steunenveloppe. Begunstigden Zowel kleine als middelgrote ondernemingen, alsook vrije beroepen komen in aanmerking voor de groeipremie. Voorwaarden zijn dat de onderneming: - geen vzw is; - investeringen realiseert in het Vlaamse Gewest; - een aanvaardbare hoofdactiviteit (NACE-code) uitoefent; - geen overheidsparticipaties heeft van 25% of meer. Kleine ondernemingen zijn ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria: - minder dan 50 werkzamen tewerkstellen; - een jaaromzet hebben van maximum 10 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 10 miljoen euro; - beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium∗. Middelgrote ondernemingen zijn ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria: - minder dan 250 werkzamen tewerkstellen; - een jaaromzet hebben van maximum 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 43 miljoen euro; - beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium∗; - en geen kleine onderneming zijn. Projecten Alle beroepsinvesteringen dienstig voor de uitoefening van de activiteit van de onderneming komen in aanmerking voor steun, voor zover ze toelaatbaar zijn door de Europese Commissie en ze aan volgende voorwaarden voldoen: - de uitgaven moeten geboekt worden onder de rubrieken 21 tot 27 van de jaarrekening voor ondernemingen die jaarrekeningplichtig zijn; de andere ondernemingen moeten deze uitgaven opnemen in de afschrijvingstabel, met uitzondering van de grond (waarop niet wordt afgeschreven); - de uitgaven moeten afgeschreven worden conform de boekhoudwetgeving en ten minste over een termijn van 3 jaar; - de uitgaven moeten verworven worden tegen marktvoorwaarden van derden. De steunvragende ondernemingen worden beoordeeld aan de hand van een aantal beleids- en bedrijfseconomische criteria. De criteria en de inhoudelijke invulling ervan, worden bepaald per oproep. De mogelijke beleidscriteria zijn: - het tewerkstellingscriterium: de vergelijking zal worden gemaakt tussen de tewerkstelling in de onderneming drie jaar voor het indienen van het project en de tewerkstelling één jaar voor de ∗
Of een onderneming “zelfstandig” is, moet tot uiting komen door de samenstelling van het aantal werkzamen, omzet en balanstotaal van partner- en verbonden ondernemingen.
-
-
indieningdatum. Dit criterium heeft tot doel te voorkomen dat kapitaalsintensieve investeringen de arbeidsintensieve zouden wegdrukken (hoe groter de gerealiseerde aangroei ten opzichte van de aanvangstewerkstelling hoe hoger de score); duurzaam ondernemen: de ondernemingen kunnen het bewijs leveren dat zij als duurzaam ondernemer erkend zijn (aan de hand van een door de Vlaamse overheid aanvaard certificaat). Dit criterium moet de bedrijven ertoe aanzetten de bedrijfsvoering af te stemmen op de principes van het duurzaam ondernemen (de ondernemingen die dergelijk certificaat kunnen voorleggen scoren hoger); het criterium van de informatie- en communicatietechnologie (ICT): de ondernemingen die kunnen aantonen dat zij beschikken over een eigen website (URL) met communicatiemogelijkheid worden met dit criterium positief beloond; de leeftijd van de onderneming: dit criterium wil de starters en jonge ondernemingen een extra stimulans geven (hoe jonger de onderneming is hoe hoger de score).
De mogelijke bedrijfseconomische criteria zijn: - het percentage van de autofinanciering ten opzichte van het bedrag van de investeringen: dit criterium geeft aan hoeveel eigen middelen de ondernemer potentieel in het project kan investeren en geeft een indicatie over het vertrouwen dat de ondernemer in de slaagkansen van zijn project heeft (hoe hoger dit percentage hoe beter de score). De volgende twee criteria peilen naar de economische leefbaarheid van de onderneming: aan de hand van economische performantie-indicatoren worden de economisch best presterende ondernemingen positief gediscrimineerd: - de bruto toegevoegde waarde versus tewerkstelling; - de cashflowgeneratie voor belastingen versus de totale activa; Steunpercentages Aan kleine ondernemingen kan 10 % steun toegekend worden en aan middelgrote maximum 5 %. steunpercentage wordt bepaald per oproep.
Het
Het wettelijk kader Europees kader: - de EG-verordening nr. 70/2001 van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen; - de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (98/C 74/06); - de Multisectorale Kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten (2002/C70/04). Vlaams kader: - het decreet betreffende het economisch ondersteuningsbeleid van 31 januari 2003 (B.S. van 25 maart 2003), meer in het bijzonder in artikel 2 dat de Vlaamse regering machtigt steun te verlenen aan projecten die passen in het ondersteuningsbeleid met aandacht voor ecologische, sociale en economische aspecten, duurzaamheid, innovatie en kennisbevordering; - meer specifiek wat betreft de investeringssteun voor ondernemingen machtigt hoofdstuk II van geciteerd decreet de Vlaamse regering steun te verlenen aan kleine ondernemingen en middelgrote ondernemingen voor investeringen in het Vlaamse Gewest en aan de grote ondernemingen enkel voor investeringen in de regionale steungebieden; - de bepalingen van dit decreet worden concreet gestalte gegeven door de besluiten van de Vlaamse regering; - per call wordt een ministerieel besluit uitgevaardigd dat alle modaliteiten en voorwaarden voor deze specifieke call vastlegt. Aanvraagprocedure Het project "Groeipremie" is een e-government maatregel. Het aanvragen van een groeipremie voor een subsidiabel investeringsproject tot en met 8 miljoen euro, kan enkel door het intekenen op een call via het internet op: http://www.vlaanderen.be/groeipremie. Vooraleer een onderneming kan intekenen op een call, moet ze zich registreren via voormelde website.
Aanvullende inlichtingen Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid: - via e-mail: groeipremie@vlaanderen.be - via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201 - via de post: Vlaamse overheid Agentschap Economie Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel
3.
SUBSIDIES VOOR DE AANLEG VAN BEDRIJVENTERREINEN- WETENSCHAPSPARKENBEDRIJFSGEBOUWEN
Inhoud steunmaatregel Met het besluit van de Vlaamse regering houdende subsidiëring van bedrijventerreinen, wetenschapsparken en bedrijfsgebouwen wil de Vlaamse regering de (her)aanleg van bedrijventerreinen en wetenschapsparken bevorderen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en de herinrichting van verouderde bedrijventerreinen. Deze laatste categorie krijgt een hoger subsidiepercentage en dit om de heraanleg van bedrijventerreinen te bevorderen. Enkel de infrastructuurwerken (wegenis, riolering…) opgenomen in het openbaar domein worden gesubsidieerd. Om de kwaliteitsvolle aanleg van de terreinen te bevorderen worden er een aantal plannen gevraagd: de ontwikkelaar moet een inrichtings-, uitgifte en terreinbeheersplan opmaken. Kleinhandels- en kantoorzones komen niet in aanmerking voor subsidies. Een tweede deel van het subsidiebesluit omvat de subsidies voor de oprichting of de modernisering van een bedrijfsgebouw. Er worden drie soorten bedrijfsgebouwen gesubsidieerd: een bedrijvencentrum waar jonge starters een plaats én ondersteuning krijgen. Voor doorgroeiers wordt in een multifunctioneel gebouw een plaats voorzien. Ten slotte belanden starters die aan onderzoek en ontwikkeling doen in een incubatie-en innovatiecentrum. SUBSIDIEBEDRAGEN -
Bedrijventerreinen
Er zijn verschillende subsidiepercentages van toepassing. Voor de aanleg van een nieuw terrein wordt 25% gegeven. Worden ook Europese subsidies aan het project toegekend, dan wordt 40% gegeven. Ook nieuwe terreinen waar vooraf substantiële opruimings- en saneringswerken noodzakelijk werden uitgevoerd kunnen rekenen op 40%. Bij de heraanleg van een verouderd terrein waarbij nieuwe kavels op de markt gebracht worden, wordt 40% gegeven. Worden geen nieuwe kavels uitgegeven, wordt 60% gegeven. Een terrein wordt verouderd genoemd als het heraangelegd wordt omwille van economische, ruimtelijke, milieuwetgevings- of bodemsaneringsreden. Bovendien moet de her aan te leggen infrastructuur minstens 20 jaar opgeleverd zijn. Terreinen van strategisch belang krijgen 60% steun. Of een terrein van strategisch belang is, wordt beslist door de Vlaamse regering. -
Wetenschapsparken
Zowel voor de aanleg van een nieuw als voor een verouderd wetenschapspark wordt 85% gegeven. Een wetenschapspark wordt gedefinieerd als een zone bestemd voor de vestiging van onderzoeksintensieve ondernemingen die een band hebben met de universiteit. -
Bedrijfsgebouwen
Oprichting Modernisering
Bedrijvencentrum
Multifunctioneel gebouw
€ 250.000 € 125.000
€ 500.000 € 125.000
Incubatie-en innovatiecentrum € 500.000 € 250.000
De bedragen kunnen ingebracht worden als extra kapitaal in het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap of kunnen rechtstreeks aangewend worden voor de oprichting of modernisering.
Projecten Welke werken kunnen gesubsidieerd worden In het subsidiebesluit worden de werken opgesomd die voor subsidies in aanmerking komen. Hieronder vallen: het bouwrijp maken van het terrein, het aanleggen van wegen en openbare parkeerplaatsen, het aanleggen van rioleringsstelsels, laad- en losplatforms op het openbaar domein, het aanleggen van openbare verlichting, het aanleggen en beplanten van een bufferstrook enz… Eventueel kan de minister beslissen andere werken die bijdragen tot de verduurzaming van het terrein te subsidiëren. De algemene toezichtskosten, uitvoeringsstudies (bv. stabiliteitsstudies),… worden geraamd op 10% van de totale (subsidiabele) kosten. Hierop wordt ook subsidie gegeven. Begunstigden Voor de subsidies voor bedrijventerreinen en wetenschapsparken kunnen zowel publieke ontwikkelaars (intergemeentelijke samenwerkingsvorm, gemeentes, provincies, GOM’s) als privé-ontwikkelaars subsidies aanvragen. Ook PPS-constructies komen in aanmerking. Subsidies voor de oprichting en modernisering van een bedrijfsgebouw (een bedrijvencentrum, een multifunctioneel gebouw of een incubatie- en innovatiecentrum) kunnen enkel gegeven worden aan een GOM, intergemeentelijke samenwerkingsvorm of een daartoe opgerichte vennootschap waarin GOM of intergemeentelijke samenwerkingsvorm participeren. De gecumuleerde participatie van de GOM of de intergemeentelijke samenwerkingsvorm mag niet meer dan 50% van het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap bedragen. VOORWAARDEN Bij de subsidieaanvraag voor een bedrijventerrein of wetenschapspark is het opstellen van een aantal plannen vereist. Er worden drie plannen gevraagd: een inrichtingsplan, een uitgifte- en een terreinbeheersplan. In het uitgifteplan moet o.a. de bestaande toestand, de algemene inrichtingsprincipes met de ontsluitingsinfrastructuur, stedenbouwkundige en economische aspecten van het terrein en de principes van zorgvuldig ruimtegebruik worden beschreven. In het uitgifteplan moet o.a. de bouw- en exploitatieverplichtingen, de evaluatiecriteria voor de investeerders en de voortgangscontrole op de verkoop- of verhuurcontracten beschreven staan. Hiervoor moeten de ontwikkelaars zich richten naar de bepalingen van het decreet van 19/12/2003 houdende bepalingen van de begroting 2004. In het terreinbeheersplan moeten minstens de maatregelen voor een duurzaam onderhoud en de aspecten van het inrichtingsplan met een weerslag op het beheer beschreven staan. Als meerdere eigenaars het terrein ontwikkelen of als een wetenschapspark aangelegd wordt, moet er een beheerscomité opgericht worden. Elke partner betrokken bij de ontwikkeling van het terrein moet hierin vertegenwoordigd zijn. Ook de gemeente zetelt – op haar vraag – in het beheerscomité. Om de subsidie-aanvraag vlotter te doen verlopen en mogelijke problemen al op voorhand op te lossen moet de ontwikkelaar een vooroverleg organiseren. Hierop worden de gemeente, de eigenaar, de ontwikkelaar en de administratie uitgenodigd. De werken aan het terrein moeten gegund worden via een openbare aanbestedingsprocedure. Aanvraagprocedure De aanvraag voor een subsidie van een bedrijventerrein gebeurt in een aantal stappen. In een eerste fase wordt een principiële subsidie toegekend na indiening van de verschillende vereiste plannen, het bestek en de raming en een aanvraagformulier. Daarna kunnen de werken aanbesteed worden. Eens deze fase afgerond wordt een definitieve subsidie toegekend. Er kan een voorschot uitbetaald worden van 60% op voorwaarde dat het bedrag van de al uitgevoerde werken 20% van het aanvaarde gunningsbedrag beloopt.
Voor de aanvraag van een subsidie voor een bedrijfsgebouw geldt een andere procedure. Er moet een aanvraagformulier en een businessplan worden ingediend. Op basis hiervan wordt beslist of een subsidie al dan niet gegeven wordt. Eenmaal de subsidie toegekend kan een voorschot aangevraagd worden. Het voorschot bedraagt 1/4e van de subsidie. De formulieren en de wetgeving kunnen gedownload worden van http://www.ondernemen.vlaanderen.be (achtereenvolgens klikken op ‘vestiging van ondernemingen’, ruimte om te ondernemen, bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen en subsidiëring van bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen). Op deze site is ook een link te vinden naar de ‘handleiding voor het beheer van bedrijventerreinen’. In deze handleiding wordt dieper ingegaan op het opstellen van de verschillende vereiste plannen en worden praktijkvoorbeelden gegeven. Er hoort ook een voorbeeld van een terreinbeheersplan bij.
Aanvullende inlichtingen Voor vragen en problemen kan men terecht bij de Vlaamse overheid: Vlaamse overheid Agentschap Economie Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel E-mail: bedrijventerreinen@vlaanderen.be
NOOT: de nieuwe subsidieregeling is in voorbereiding. Deze regeling zou van start gaan vanaf 2007.
4.
PARTICIPATIEFONDS
4.1
STARTEO/OPTIMEO : BEROEPSKREDIETEN VERDEELD TUSSEN UW BANKIER EN HET PARTICIPATIEFONDS
Inhoud steunmaatregel Starteo/Optimeo zijn aanvullende achtergestelde leningen bij een bankkrediet. Zij bieden een antwoord op de financieringsproblemen van de KMO’s/KO’s door de bank toe te laten een krediet toe te kennen waarbij de gevraagde waarborgen kunnen beperkt worden. Zij maken dus de toegang van de ondernemer tot het bankkrediet gemakkelijker. Starteo voor zelfstandigen, zaakvoerders of bestuurders van ondernemingen die hun activiteiten in hoofdberoep sinds minder dan 4 jaar uitoefenen. Optimeo voor bestaanden ondernemingen, eenmanszaken of rechtspersonen die de uitbreiding van hun activiteiten wensen te financieren. Starteo en Optimeo zijn bestemd voor alle investeringen van zelfstandige ondernemers, vrije beroepen en KMO’s. Begunstigden Deze leningen zijn bedoeld voor zowel natuurlijke als rechtspersonen voor zover zij beantwoorden aan het KMO-criterium. Projecten Deze lening is bedoeld voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen (bijvoorbeeld het verwerven van een meerderheid van de aandelen), of ook de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit of de realisatie van het betrokken investeringsproject. Voor de investeringen in onroerende goederen komt het Fonds enkel tussen voor het beroepsgedeelte van het goed dat is bepaald via een expertise. Bovendien wordt er enkel rekening gehouden met de vastgoedbestemmingen voor beroeps- en persoonlijke ingebruikneming. Het Fonds komt niet tussen voor vastgoed dat (gedeeltelijk) beroepsmatig zal worden verhuurd. Starteo/Optimeo kunnen eveneens de overname van een activiteit financieren, zowel natuurlijke als rechtspersonen voor zover zij, inclusief de over te nemen of de overgenomen onderneming, als KMO kunnen beschouwd worden. De lening dient bestemd te zijn voor de financiering die gepaard gaat met de overdracht van een onderneming. Met dit laatste wordt bedoeld de overdracht onder bezwarende titel van een KMO of zelfstandige activiteit uitgebaat door een natuurlijke of een rechtspersoon. Omvat de overdracht een activiteit uitgeoefend door één of meerdere natuurlijke personen, dan dient het geheel van de handelszaak te worden overgenomen, of dient per overdrager het geheel van zijn aandeel in de handelszaak te worden overgenomen, waarbij de overnemer uiteindelijk de meerderheid bekomt. Betreft de overdracht een rechtspersoon, dan dient het geheel van de handelszaak of de meerderheid van de aandelen te worden overgenomen. Bij de overname van de meerderheid van de aandelen dient de overnemer bovendien het dagelijkse beheer uit te oefenen met uitsluiting van de overdragers. Diversen Voordelige financiële voordelen Starteo en Optimeo verlichten de financiële lasten van het krediet dankzij de voordelige voorwaarden en de afwezigheid van dossierkosten. Maximumbedrag Het maximumbedrag van de lening van het Participatiefonds is gelijk aan het kleinste van de volgende bedragen: - het bedrag van de lening die de bank zelf verstrekt;
-
3 maal de eigen inbreng (Optimeo); 4 maal de eigen inbreng (Starteo); € 250.000.
Evenwel kan voor de overnames van ondernemingen via de aankoop van aandelen dit laatste plafond € 350.000 worden, beperkt tot: - het bedrag van de lening die de bank toekent; - 35% van de beroepsinvestering indien het bedrag van tussenkomst van het Participatiefonds € 250.000 overschrijdt. De eigen inbreng van de aanvrager moet minstens 10% van de globale investering bedragen. Het minimumbedrag van de tussenkomst van het Participatiefonds bedraagt € 7.500. Looptijd De looptijd van de lening is 5, 7 of 10 jaar en hangt af van de aard van te financieren investering. De looptijd van het begeleidende bankkrediet zal in geen geval korter zijn dan de looptijd van het krediet van het Participatiefonds min twee jaar. Zo zou bijvoorbeeld een lening van 7 jaar bij het Participatiefonds kunnen worden gecombineerd met een banklening terugbetaalbaar op 6 of 5 jaar Intrestvoet = intrestvoet van de bank -1,25% De rentevoet van het Participatiefonds is gelijk aan de rentevoet toegepast door de bank min 1,25%, met een minimumrentevoet die gelijk is aan de Belgium Prime Rate. Deze herziening wordt wekelijks bepaald. De rentevoet wordt vanaf de kredietopening toegepast. Deze rentevoet is vast voor de hele looptijd van de lening. Een verlaging van de rentevoet wordt toegestaan voor de eerste twee jaar. Deze verlaagde rentevoet bedraagt momenteel 3%. Na deze periode is de rentevoet vastgelegd bij de kredietopening van toepassing. Terugbetaling Twee aflossingsmethodes zijn mogelijk : - maandelijkse of driemaandelijkse variabele aflossingen (constant kapitaal/degressieve intresten); - maandelijkse constante aflossingen (progressief kapitaal/degressieve intresten). Bovendien kan op vraag van de ondernemer eveneens een vrijstelling in kapitaalsaflossing gedurende 1 of 2 jaar worden toegestaan. Soepele waarborgpolitiek Het Participatiefonds stelt zich soepel op inzake het vragen van waarborgen. Wel wordt een akte van loonsafstand gevraagd indien de aanvragers natuurlijke personen zijn of, in geval van rechtspersonen, indien een borgstelling wordt gevraagd of indien fysieke personen medekredietnemers zijn. Voorbeelden van andere waarborgen die kunnen gevraagd worden zijn: een hypothecair mandaat (in geval van een investering in onroerende goederen), een eventueel beperkte borgstelling van de vennoten. Blokkering en achterstelling van voorschotten van vennoten zijn gebruikelijk. Achtergesteld De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met eigen vermogen. De achterstelling vermindert namelijk het risico voor de andere kredietverleners, waardoor het gewone bankkrediet gemakkelijker kan worden verkregen. Op juridisch vlak kan de achterstelling als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt echter niet voor de zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de nietinstitutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat, met uitzondering van de leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt.
Gemakkelijk bereikbaar Starteo/Optimeo zijn zeer toegankelijk aangezien de ondernemer zich tot zijn bankier richt, die de aanvraag voor hem bij het Participatiefonds indient. Het Participatiefonds heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met alle financiële instellingen die actief zijn op het vlak van beroepskredieten.
Aanvullende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org
4.2
STARTLENING – SOLIDAIRE LENING: TWEE MICROKREDIETEN MET PROFESSIONELE BEGELEIDING OM DE CREATIE VAN EEN EIGEN JOB TE FINANCIEREN
Inhoud steunmaatregel De microkredieten van het Participatiefonds zijn bedoeld voor werkzoekenden en personen in een moeilijke financiële situatie die zich wensen te vestigen als zelfstandige. De Startlening en de Solidaire lening bieden een antwoord op hun financieringsbehoeftes, wat ze door de band genomen niet vinden bij de klassieke spelers.
4.2.1
STARTLENING: VOOR DE WERKZOEKENDE DIE ZICH VESTIGT ALS ZELFSTANDIGE OF DIE EEN EIGEN ZAAK OPRICHT
Begunstigden Deze lening richt zich op de uitkeringsgerechtigde volledige werklozen, de niet-werkende werkzoekende ingeschreven sinds ten minste 3 maanden, en de begunstigde van een wachtuitkering of een leefloon, die zich als zelfstandige in hoofdberoep wil vestigen of een onderneming wil oprichten. Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een vennootschap moet de aanvrager over de meerderheid van de aandelen beschikken en het dagelijkse beheer waarnemen. Zo komen bijvoorbeeld in aanmerking: - zelfstandige worden en alleen werken; - zelfstandige worden en met andere partners, al dan niet werkzoekenden, een onderneming of een feitelijke vereniging oprichten waarin hij/zij werkend vennoot wordt; - zelfstandige en werkend vennoot worden van een bestaande feitelijke vereniging of vennootschap. De startlening kan enkel worden toegekend aan natuurlijke personen. Projecten De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële (bijvoorbeeld de verwerving van een meerderheid van de aandelen) investeringen, evenals desgevallend voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit. Diversen Maximumbedrag Het maximumbedrag van de lening is gelijk aan het kleinste van volgende bedragen: - 4 x maal de inbreng in geld, hetzij via een eigen inbreng, hetzij via een aanvullende lening; - € 30.000. In principe worden er geen minimumbedragen gesteld, doch er wordt vanuit gegaan dat aanvragen van minder dan € 5.000 best op een andere manier worden gefinancierd. Looptijd De looptijd van de lening is 5, 7 of 10 jaar afhankelijk van de aard van het project. Intrestvoet De intrestvoet is vast en bedraagt 4%. De rentevoet wordt de eerste 2 jaren echter tot 3% teruggebracht indien de begunstigde effectief de begeleiding volgt die hem gratis wordt aangeboden in een van de erkende steunpunten. Ondersteuning Het Participatiefonds draagt eveneens bij tot de ondersteuning van de werkzoekende aan wie een lening werd toegekend. Daarom heeft het Participatiefonds een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met diverse instellingen gespecialiseerd in de ondersteuning van starters. Enerzijds helpen zij de aanvrager bij de realisatie
van zijn kredietaanvraag. Anderzijds, zodra de begunstigde het akkoord van het Participatiefonds heeft, kan hij de eerste 18 maanden van de zelfstandige activiteit een ondersteuning volgen. Het steunpunt helpt hem in het bijzonder bij de start van zijn zelfstandige activiteit. Terugbetaling Er is een vrijstelling van kapitaalsaflossing. Deze vrijstelling loopt 1 tot 3 jaar volgens de aard van het project. Enkel de intresten berekend op het opgenomen bedrag worden terugbetaald. Na afloop van de vrijstellingsperiode wordt het kapitaal terugbetaald door middel van constante maandelijkse aflossingen. Waarborgen Geen enkele waarborg wordt gevraagd. Wat bij stopzetting van de activiteit ? Indien de stopzetting binnen de eerste 5 jaar van de activiteit valt en ze gebeurt los van de wil van de betrokkene, dan kan het Participatiefonds ze als onvrijwillig beschouwen en wordt er geen verdere terugbetaling gevraagd. De betrokkene dient wel ter zake het bewijs te leveren en dit uiterlijk binnen drie maanden na de stopzetting. De gevallen waarbij kwijtschelding gebeurt, werden uitdrukkelijk bepaald in een ministerieel besluit: bij faillissement, concordaat met boedelafstand en overlijden; ook bij overmacht of gebrek aan levensvatbaarheid van de opgezette activiteit, gemeten over een significante periode en los van de wil van de betrokkene. Indien de stopzetting voor om het even welke reden gebeurt binnen de 9 jaar volgend op de start van de activiteit, blijft het recht op werkloosheidsuitkering behouden. Cumulatie De "startlening" kan gecumuleerd worden met een Starteo. In het geval van bovenvermelde lening dient de aanvrager wel te voldoen aan de gebruikelijke voorwaarden. Bovendien mag het bedrag van de twee leningen samen niet hoger liggen dan het maximumbedrag van de Starteo. PLAN JONGE ZELFSTANDIGEN Werkzoekenden jonger dan 30 jaar die nog geen zelfstandige activiteit hebben uitgeoefend, kunnen een beroep doen op het plan "Jonge zelfstandigen". -
De geïnteresseerde van wie het project werd goedgekeurd, wordt gedurende 3 tot 6 maanden gratis bijgestaan om zijn project voor te bereiden. Hij krijgt advies over zijn activiteit, de administratieve stappen en de wenselijkheid van bijkomende vorming.
-
Indien de geïnteresseerde zonder inkomen is, ontvangt hij van het Participatiefonds een maandelijkse onkostenvergoeding van 375 euro tijdens de voorbereidingsfase, cumuleerbaar met een vestigingsuitkering van de RVA. De onkostenvergoeding van 375 euro is eveneens cumuleerbaar met een wachtuitkering van de RVA.
-
Na afloop van de voorbereidingsfase kan hij een aanvraag voor een startlening indienen.
-
De jonge starter kan eveneens een lening van € 4.500 bekomen om gedurende de eerste maanden van zijn activiteit wat meer ruimte te scheppen voor zijn levensonderhoud. Dit speciale deel van de startlening is renteloos en dient pas vanaf het 6de jaar terugbetaald te worden.
-
Na de toekenning van de startlening blijft hetzelfde steunpunt hem gedurende 24 maanden bijstaan met raad en advies.
Achtergesteld De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met eigen vermogen. De achterstelling vermindert immers het risico voor andere kredietverleners. Het gewone bankkrediet kan bijgevolg gemakkelijker bekomen worden. Op juridisch vlak kan de achterstelling van de lening als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit
houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt evenwel niet voor de zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de nietinstitutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat met uitzondering van de leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt.
4.2.2
SOLIDAIRE LENING: EEN EIGEN ECONOMISCHE ACTIVITEIT CREËREN ZONDER STARTKAPITAAL
Begunstigden De solidaire lening richt zich op personen die een eigen economische activiteit willen ontplooien, maar die moeilijkheden ondervinden om startkapitaal te verzamelen wegens hun persoonlijke financiële toestand en die geen toegang hebben tot een bankkrediet. Concreet bijvoorbeeld mensen die de sociale steun van het OCMW, een leefloon of werkloosheidsvergoeding ontvangen zonder andere inkomsten in het gezin. De asielzoekers die voor het uitoefenen van een zelfstandige activiteit administratief in orde zijn, mogen ook een aanvraag voor een solidaire lening indienen. De begunstigde van een solidaire lening dient zich als zelfstandige in hoofdberoep te vestigen of een onderneming op te richten. Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een vennootschap, moet de aanvrager hierin over de meerderheid van de aandelen beschikken en het dagelijkse beheer waarnemen. Zo komen bijvoorbeeld in aanmerking: - zelfstandige worden en alleen werken; - zelfstandige worden en met andere partners, al dan niet werkzoekenden, een vennootschap of feitelijke vereniging oprichten, waarin hij/zij werkend vennoot wordt; - zelfstandige en werkend vennoot worden van een bestaande feitelijke vereniging of vennootschap. De solidaire lening kan enkel toegekend worden aan natuurlijke personen. Projecten De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen (bijvoorbeeld de verwerving van de meerderheid van de aandelen) evenals voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit of de realisatie van het desbetreffende investeringsproject. Diversen Maximumbedrag Het maximumbedrag van de lening is € 12.000. Looptijd De looptijd van de lening bedraagt 4 jaar. Rentevoet De rentevoet is vast en bedraagt 3%. Terugbetaling De terugbetaling van de solidaire lening gebeurt door middel van maandelijkse stortingen. Na 3 maanden vrijstelling van aflossing, wordt het kapitaal via 45 gelijke maandelijkse schijven terugbetaald. De intresten worden berekend op het schuldsaldo en zijn degressief, en dienen maandelijks te worden terugbetaald. Waarborgen Geen enkele waarborg is vereist. Evenwel zal een ondersteuning van de omgeving, eventueel in de vorm van een borgstelling of een “peterschap”, beschouwd worden als een positief beoordelingselement voor het project. Begeleiding Een dubbele begeleiding is voorzien: - enerzijds voor het voorbereiden van de aanvraag, waarbij de aanvrager een beroep kan doen op een begeleidingsstructuur;
-
anderzijds, zodra het krediet is toegekend, voor het vervullen van de formaliteiten bij de start van de zelfstandige activiteit, het beheer in het algemeen van de onderneming en de praktische modaliteiten van de solidaire lening.
Achtergesteld De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met eigen vermogen. De achterstelling vermindert immers het risico voor andere kredietverleners. Het gewone bankkrediet kan bijgevolg gemakkelijker bekomen worden. Op juridisch vlak kan de achterstelling van de lening als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt evenwel niet voor de zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de nietinstitutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat met uitzondering van de leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt. Cumulatie De Solidaire lening kan met geen enkele andere lening gecumuleerd worden, ook niet met een ander type lening van het Participatiefonds.
Aanvullende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org
4.3
BUSINESS ANGEL+ : CO-FINANCIERING MET EEN BUSINESS ANGEL VAN EEN INNOVEREND PROJECT
Inhoud steunmaatregel De Business Angel+ is een achtergestelde lening in aanvulling op de investering van een ondernemer en een Business Angel. Opgezet met BeBAN, is hij bedoeld voor innoverende ondernemingen die geen toegang hebben tot klassieke financieringen. Dit partnership biedt een belangrijk hefboomeffect aan de Business Angel en maakt het mogelijk het aantal opgerichte ondernemingen in dit segment te verhogen. Begunstigden Zowel natuurlijke als rechtspersonen komen in aanmerking voor zover zij KO zijn. Deze lening richt zich tot ondernemers waarvan de onderneming in oprichting is of in een strategische ontwikkelingsfase voor haar toekomstige activiteit is getreden en die geen toegang hebben tot het klassieke bankkrediet omwille van de vernieuwende of technologische aard van hun project, maar die daarentegen kunnen rekenen op de financiële begeleiding van één of meer Business Angels. Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een vennootschap, dient de aanvrager hierin over de meerderheid van de aandelen te beschikken en het dagelijkse beheer waar te nemen. Projecten De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen, evenals desgevallend voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit of met de realisatie van het betreffende investeringsproject. Diversen Voordelige financiële voorwaarden: Maximumbedrag Het maximumbedrag van de lening is € 125.000. De tussenkomst van het Participatiefonds moet minstens € 7.500 bedragen. Inbreng van de Business Angel(s) en de oprichters-ondernemers De inbreng gebeurt in principe in contanten. In totaal dient het bedrag van de inbreng van de Business Angel(s) en van de ondernemer(s)-oprichter(s) groter dan of gelijk aan het krediet van het Participatiefonds te zijn. De tussenkomsten van de Business Angels die meetellen in de berekening mogen niet aan derden ontleend zijn en gebeuren in principe als volgestort kapitaal. Indien ze - gedeeltelijk - als voorschotten van vennoten verwezenlijkt worden, dienen deze achtergesteld te zijn aan de lening van het Participatiefonds. Looptijd De looptijd van de lening bedraagt 5,7 of 10 jaar en is afhankelijk van de aard van te financieren investering. Terugbetaling Twee aflossingsmethodes zijn mogelijk: - maandelijkse of driemaandelijkse variabele aflossingen (constant kapitaal/degressieve interesten); - maandelijkse constante aflossingen (progressief kapitaal/degressieve interesten). Bovendien kan op vraag van de ondernemer een vrijstelling van terugbetaling van kapitaal worden toegestaan gedurende 1 tot 3 jaar. Rentevoet Het Participatiefonds past zijn referentierentevoet voor de kredieten op 5,7 of 10 jaar toe, met een extra marge van 1%. Indien de vrijstelling van terugbetaling van kapitaal langer is dan 1 jaar zal de marge 1,25% bedragen.
Soepele waarborgpolitiek De gevraagde waarborgen worden volgens de kenmerken van het voorgestelde project bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om een inschrijving op het handelsfonds, een mandaat of hypothecaire inschrijving op het beroepsgebouw. De (eventueel gedeeltelijke) borgstelling van de ondernemer(s) wordt geval per geval onderzocht. De persoonlijke borg van de Business Angel wordt niet gevraagd. Achtergesteld De achterstelling komt er in de praktijk op neer dat de lening van het Participatiefonds wordt gelijkgesteld met eigen vermogen. De achterstelling vermindert immers het risico voor andere kredietverleners. Het gewone bankkrediet kan bijgevolg gemakkelijker bekomen worden. Op juridisch vlak kan de achtergesteldheid van de lening als volgt worden omschreven: de achterstelling bestaat erin dat het Participatiefonds verzaakt aan de gelijkheid van behandeling ten aanzien van andere schuldeisers. Dit houdt in dat bij samenloop en dus als meerdere schuldeisers gelijktijdig hun aanspraken laten gelden, het Participatiefonds aanvaardt dat de andere schuldeisers eerst worden terugbetaald. Dit geldt evenwel niet voor de zaakvoerders van de onderneming, de vennoten of bestuurders van de vereniging of vennootschap, de nietinstitutionele schuldeisers die geen vordering hebben waarvan de datum vaststaat met uitzondering van de leveranciers waarvan het bewijs van vordering de regels van het handelsrecht volgt. Makkelijk toegankelijk Het Participatiefonds heeft een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met alle Business Angel Netwerken, leden van BeBAN. Voorstelling van het project aan het Participatiefonds De projecten worden voorgeselecteerd door het BAN dat ze aan eventueel geïnteresseerde Business Angels voorstelt. Het Participatiefonds treedt pas op wanneer de geplande samenwerking tussen de ondernemer en de Business Angel zo goed als afgerond is.
Aanvullende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org
4.4
PRIVAK+
Inhoud steunmaatregel Dit product heeft als doel het permanent kapitaal van Private Privaks (private beleggingsvennootschappen die niet op de beurs genoteerd zijn) te verhogen, zodat ze gemakkelijk participaties kunnen nemen in innoverende KMO’s. Met de Privak+ lening verkrijgt de Private Privak een potentieel kredietrecht van 1.500.000 euro op het Participatiefonds. Concreet wordt hiermee aan de Private Privak, onder bepaalde voorwaarden, bij elke participatie in een onderneming een voorschot op termijn van maximum 250.000 euro toegekend. Het bedrag van dat voorschot zal evenredig zijn met de eigen inbreng van de privak. Begunstigden Private Privaks die een participatie nemen in (innoverende) ondernemingen. Diversen Kenmerken Intrestvoet : euribor 12 maanden + 2% Duur : maximum 12 jaar = maximum levensduur van de privak Hoe terugbetalen ? - terugbetaling van het kapitaal : in principe, bij de opheffing van iedere participatie. Vervroegde terugbetaling mogelijk ; - terugbetaling van de intresten : jaarlijks volgens de overeengekomen modaliteiten. Hernemingen van omloop mogelijk. Permanente opvolging door het Fonds zonder tussenkomst in de investeringsbeslissingen en het intern beleid van de privak. Verdeling van de risico’s : indien ‘success story’ gedeeltelijke aanwending van de verkoop van participaties voor vervroegde terugbetalingen. De privak behoudt de mogelijkheid om beroep te doen op andere bronnen van permanent kapitaal.
Aanvullende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org
5.
PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJ VLAANDEREN NV (PMV)
Inhoud steunmaatregel ParticipatieMaatschappij Vlaanderen NV (PMV) draagt bij tot de realisatie van projecten die belangrijk zijn voor de toekomst van Vlaanderen. Als investeringsmaatschappij van de overheid, neemt PMV een unieke positie in, zowel ten opzichte van private kapitaalverschaffers als tegenover andere overheidsorganisaties. Enerzijds kan PMV investeren als het private initiatief achterwege blijft. Private kapitaalverschaffers hebben immers vaak drempelvrees om in een onderneming of project te stappen omdat: - het verwachte rendement te laag is; - het risicogehalte te hoog is; of - de doorlooptijd te lang is. Wat belangrijk is voor PMV, is dat de (ondernemings-)projecten een hoog toekomstpotentieel hebben. PMV zal hierbij zoveel mogelijk streven naar co-financiering met private partijen. Aldus geldt PMV als een springplank voor innovatieve ondernemers en een nieuwe generatie investeerders. Anderzijds kan PMV investeren in projecten die kaderen binnen de opdracht van de overheid (infrastructuurvoorziening, bouw van scholen- en ziekenhuizen,...), maar waarbij de deelname van private partijen nuttig of gewenst is om: - met minder overheidsmiddelen meer te realiseren; - risico’s te spreiden en beter te beheersen - om projecten efficiënter aan te pakken. De deelname van PMV biedt de private partijen de garantie dat bedrijfseconomische regels worden gerespecteerd; voor de overheid biedt PMV de zekerheid dat ook over haar belangen wordt gewaakt. Daarnaast biedt PMV de kans om een rendement te realiseren op het geld van de Vlaamse overheid. De bedoeling is daardoor het investeringspotentieel van PMV en de overheid te doen toenemen om nieuwe ambities met (eigen) middelen te kunnen realiseren. 5.1
KMO-FINANCIERINGSINSTRUMENTEN
Om de financieringskloof te dichten warmee kleine en middelgrote ondernemingen geconfronteerd worden, biedt PMV vanuit haar business unit PMV-kmo een brede waaier van financieringsinstrumenten aan. 5.1.1
WINWINLENING
De Winwinlening is een mechanisme dat particulieren fiscaal aanmoedigt om leningen te verstrekken aan beginnende ondernemers. Verwacht wordt dat de regeling in september 2006 zal worden gelanceerd. Wie als vriend, kennis of familielid een Winwinlening toekent aan een startend bedrijf, zal jaarlijks een belastingkorting van 2,5 % van het geleende bedrag krijgen. Voor jonge ondernemers wordt het dankzij de Winwinlening gemakkelijker om in hun directe omgeving startkapitaal te vinden. De Winwinlening is een achtergestelde lening van maximaal 50.000 euro. Ze moet acht jaar lopen en de som moet in één keer worden terugbetaald. Als het bedrijf de achtergestelde lening uiteindelijk niet kan terugbetalen, krijgt de investeerder 30 procent van het niet terugbetaalde bedrag terug via een eenmalige belastingvermindering.
5.1.2
VINNOF – VLAAMS INNOVATIEFONDS
Vinnof, het Vlaams Innovatiefonds van PMV-kmo, verstrekt risicodragend kapitaal aan innovatieve starters in Vlaanderen, met de bedoeling hen investeringsrijp te maken voor private financiers. Vinnof richt zich in eerste instantie tot startende ondernemingen. Private kapitaalverschaffers zijn vaak niet bereid om innovatieve starters te financieren, omdat zij het risicoprofiel van die bedrijven te hoog inschatten. Het Vlaams Innovatiefonds wil innovatieve ondernemingen in Vlaanderen meer kansen bieden door in hun prille levensfase financiering aan te reiken. Die financiering, aangeduid als “zaaikapitaal”, moet het voor ondernemers gemakkelijker maken om in een volgende fase een beroep te doen op private kapitaalverschaffers. Vinnof is geen subsidie-orgaan. Het fonds investeert in ondernemingen en wil daar ook een rendement op halen. De investering gebeurt onder de vorm van een kapitaalparticipatie, een achtergestelde lening of een hybride tussenvorm. Het beoogde rendement kan bestaan uit meerwaarden, dividenden of interesten. De tussenkomst van Vinnof in een onderneming is steeds van beperkte duur, tijdens de opstart en de initiële groei van de onderneming. Vinnof biedt de volgende 3 financieringsproducten aan: - Incubatiefinanciering De incubatiefinanciering van Vinnof biedt (pre-)starters de mogelijkheid na te gaan of en hoe ze een innovatief idee kunnen realiseren en omzetten in een economische activiteit. Incubatiefinanciering gebeurt onder de vorm van een achtergestelde lening en kan worden toegekend aan ondernemers die van het IWT een subsidie verkrijgen voor een KMO-Innovatiestudie. - Zaaikapitaal Onder de vorm van Zaaikapitaal investeert Vinnof risicodragend in de opstart en initiële groei van innovatieve ondernemingen in Vlaanderen. Om Zaaikapitaal rechtstreeks van Vinnof te kunnen aantrekken, moet uw onderneming een Vlaamse startende micro-onderneming zijn, die een innovatief product of dienst aanbiedt of wil aanbieden. - Projectfinanciering Het Vlaams Innovatiefonds kan innovatieprojecten van KMO' s financieren, in aanvulling tot een IWT-subsidie toegekend in het kader van een KMO-Innovatieproject of een O&O-Bedrijfsproject. Projectfinanciering door Vinnof gebeurt onder de vorm van een achtergestelde lening. 5.1.3
ARKIMEDES
ARKimedes verzamelt middelen bij het publiek en stelt die ter beschikking van erkende risicokapitaalverschaffers. Bovenop elke euro aan private middelen die zij investeren in een Vlaamse KMO, kunnen zij een euro investeren van ARKimedes. Hoe werkt ARKimedes ? -
PMV zal middelen in de markt ophalen en inbrengen in ARKimedes-fondsen. PMV heeft daartoe een dochteronderneming opgericht (ARKimedes Management nv) met als specifieke taak het beheren van de ARKimedes-fondsen.
-
De ARKimedes-fondsen investeren die middelen in professionele risicokapitaalverschaffers of investeringsfondsen. ARKimedes Management nv selecteert die fondsen waarvan verwacht wordt dat ze de middelen op de beste manier investeren. De geselecteerde fondsen worden ARKIV’s genoemd. Een ARKimedes-fonds is één van de financiers van zo’n ARKIV, naast andere financiers.
-
De opdracht van de ARKIV’s bestaat erin om in KMO’s te investeren die het meest geschikt geacht worden met het oog op een goed rendement. Een investering van een ARKIV wordt een ARK-investering genoemd.
Voorwaarden voor een onderneming: - de onderneming is een KMO; - de onderneming heeft een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest (of heeft de intentie er een te vestigen).
Voorwaarden voor een ARK-investering: - de KMO zal de nieuwe middelen aanwenden om in het Vlaamse Gewest investeringen uit te voeren, of er werkgelegenheid of toegevoegde waarde te creëren; -
het maximumbedrag voor ARK-investering in een onderneming is beperkt tot 1 miljoen euro per jaar. Dat verhindert evenwel niet dat de onderneming bij andere risicokapitaalverschaffers beroep kan doen op extra investeringsmiddelen.
5.1.4
WAARBORGREGELING
Met de Waarborgregeling biedt PMV-kmo een overheidswaarborg aan financiële instellingen, die zij kunnen aanwenden voor kredieten aan KMO' s die zelf onvoldoende zekerheden kunnen bieden. De Waarborgregeling wil tegemoet komen aan het tekort aan zekerheden waarmee KMO' s vaak geconfronteerd worden als zij een krediet willen verkrijgen van een bank. Met de regeling stelt de Vlaamse overheid zich borg voor een gedeelte van het krediet dat een KMO nodig heeft. De Waarborgregeling wordt aangeboden door 19 financiële instellingen die in Vlaanderen actief zijn. Jaarlijks kunnen zij een beroep op 150 miljoen EUR aan overheidswaarborgen. Met de nieuwe Waarborgregeling stelt de Vlaamse overheid zich borg voor een deel van het krediet dat u nodig hebt. Daardoor verlaagt het risico voor uw bank en verhoogt uw kredietwaardigheid. De hoogte van de waarborg is afhankelijk van uw kredietbehoefte en uw tekort aan zekerheden. Begunstigden Om van de Waarborgregeling te kunnen genieten, moet uw onderneming een KMO zijn. KMO' s worden gedefinieerd als ondernemingen 1. met minder dan 250 werknemers, waarvan · ofwel de jaaromzet niet hoger is dan 50 miljoen euro; · ofwel het balanstotaal niet hoger is dan 43 miljoen euro; 2. die voldoen aan een vastgelegd zelfstandigheidscriterium. Dat wil zeggen dat niet meerd dan 25 % van uw onderneming in handen mag zijn van een niet-KMO. Projecten De financiering moet leiden tot een investering in het Vlaamse Gewest. De financiële middelen mogen niet gebruikt worden om achterstallige of reeds bestaande schulden te betalen. Ten minste twee derde van het bedrag dat u ontvangt, moet op lange termijn (minstens 1 jaar) worden aangewend. Dat wil zeggen dat niet meer dan één derde van het bedrag binnen het jaar terugbetaalbaar mag zijn. Voorwaarden van de waarborg 1.
Eénzelfde KMO kan via de Waarborgregeling van maximum 500.000 euro aan waarborgen gebruik maken (*). 2. De waarborg kan betrekking hebben op ten hoogste 75 % van het bedrag van uw krediet. 3. Voor de waarborg moet er een éénmalige premie betaald worden. De premie wordt berekend in functie van de omvang en de looptijd van de waarborg. 4. De waarborg heeft een aanvullend karakter en komt bovenop de andere zekerheden die de bank u vraagt. (*) Dat bedrag kan overschreden worden na grondig onderzoek door Waarborgbeheer nv en mits goedkeuring door de Vlaamse minister van Economie. Berekening premie De premie die moet betaald worden om gebruik te kunnen maken van de Waarborgregeling, wordt berekend volgens de volgende formule:
Bedrag van de waarborg X duur van de waarborg in jaren X 0,5 % De premie moet in één keer betaald worden, nog voor de waarborg in werking treedt. Wat als het fout loopt? Stel dat na enkele jaren het noodlot toeslaat en u uw krediet niet meer kan terugbetalen. Uw bank kan dan uw krediet opzeggen. In dat geval betaalt de Vlaamse overheid haar deel (max. 75 %) van het openstaande saldo. Dat wil echter niet zeggen dat u van uw schuld bevrijd wordt. De bank zal de andere waarborgen die u geboden heeft voor uw krediet, uitwinnen en zal de daaruit ontvangen bedragen doorstorten aan de Vlaamse overheid ten belope van het percentage dat gewaarborgd werd. Aanvraagprocedure Uw bank is uw aanspreekpunt als u gebruik wenst te maken van de Waarborgregeling. De regeling wordt door nagenoeg alle banken aangeboden. De bank beslist of u bij de financiering van uw onderneming voor de Waarborgregeling in aanmerking komt. 5.1.4.1 WAARBORGREGELING VOOR KMO' S DIE HINDER ONDERVINDEN VAN OPENBARE WERKEN? Bij openbare werken zijn handelaars soms moeilijk bereikbaar. Daardoor lijden ze inkomensverlies en krijgen ze vaak moeilijk toegang tot bankkredieten. De Vlaamse Regering wil het hen gemakkelijker maken om die moeilijke periode te overbruggen en stelt daarom volgende voorwaarden: -
er moet geen premie betaald worden; de overheidswaarborg kan gebruikt worden voor de financiering van bedrijfskapitaal of de herfinanciering van bankschulden op korte termijn; er moeten geen zekerheden worden geboden; de handelaar moet de hinder als gevolg van openbare werken kunnen aantonen. Een handelaar wordt verondersteld hinder te ondervinden als zijn onderneming in het laatste kwartaal een omzetverlies van minstens 30 % heeft geleden in vergelijking met het gemiddelde van de laatste vier kwartalen voorafgaand aan de start van de openbare werken of, als de handelaar nog niet zo lang actief is, in vergelijking met het gemiddelde van de kwartalen waarin de handelaar reeds actief was voorafgaand aan de start van de openbare werken. De waarborgen die aan een krediet worden gekoppeld, hebben een looptijd van maximaal 5 jaar. De aanvraag tot het bekomen van een overheidswaarborg moet gebeuren binnen de 6 maanden na beëindiging van de wegenwerken.
Voor meer informatie kan men terecht bij: Waarborgbeheer nv PMV-kmo Hooikaai 55 1000 Brussel Tel.: 02/229 52 60 Fax: 02/229 52 61 E-mail: waarborgregeling@pmvlaanderen.be Website: www.waarborgregeling.be 5.1.5
FONDS VLAANDEREN-INTERNATIONAAL
Het Fonds Vlaanderen-Internationaal zal vanaf begin 2007 deelnemen in internationale investeringsprojecten die bijdragen tot de groei van Vlaamse KMO' s.
Aanvullende inlichtingen ParticipatieMaatschappij Vlaanderen nv Hooikaai 55 1000 Brussel Tel.: 02/229.52.30 Fax: 02/229.52.31 E-mail: info@pmvlaanderen.be Website: http://www.pmv-kmo.be
6.
VLAAMS AGENTSCHAP ONDERNEMEN - VLAO
6.1
VLAO-BEDRIJFSADVIES
Inhoud steunmaatregel Het Vlaams Agentschap Ondernemen stelt de ervaring en knowhow van zijn deskundigen tot uw beschikking en begeleidt en adviseert ondernemers in talrijke domeinen:
-
Start: · maakt u wegwijs bij het opstarten van uw onderneming; · helpt u bij het opstellen van uw ondernemingsplan; · onderzoekt de haalbaarheid van uw project.
-
Financiering en steunmaatregelen: · informeert u over de steunmaatregelen en financieringsmechanismen van de overheid; · gaat actief met u op zoek naar de maatregelen waarvan u gebruik kan maken; · onderzoekt of risicokapitaal voor u een oplossing kan zijn; · brengt u in contact met risicokapitaalverschaffers in Vlaanderen.
-
Vestiging en ruimtelijke ordening: · gaat met u op zoek naar een geschikte vestiging voor uw bedrijf; · informeert u over de wetgeving rond stedenbouw en ruimtelijke ordening; · informeert u over de vergunningen die een onderneming moet aanvragen.
-
Groei: · geeft advies in het kader van de uitbreiding van uw onderneming; · adviseert u bij het maken van strategische keuzes; · helpt u bij het bepalen van de sterktes en zwaktes van uw onderneming.
-
Milieu: · informeert u over alle onderwerpen die verband houden met milieuzorg; · helpt u bij het vinden van duurzame bedrijventerreinen; · informeert u over milieuwetgeving, milieuvergunningen en milieutechnologie; · assisteert u bij het aanvragen van de vereiste vergunningen.
-
Efficiënt energiegebruik: · begeleidt ondernemingen die willen besparen op hun energiegebruik; · informeert u over efficiënt energiegebruik in uw onderneming; · helpt u bij het vinden van energie-efficiënte technologie; · zoekt voor uw onderneming gepaste energiesteunmaatregelen.
-
Innovatie: · geeft uw onderneming advies bij innovatietrajecten; · begeleidt uw organisatie bij het afstemmen op vernieuwingen; · brengt u in contact met onderzoekspartners en industriële partners; · adviseert en begeleidt bij het verkrijgen van steunmaatregelen voor innovatieactiviteiten; · informeert u over intellectuele eigendomsrechten; · begeleidt uw onderneming bij het hanteren van design als vernieuwend managementinstrument.
-
Internationaal ondernemen: · begeleidt u bij de lancering van een product of technologie op de buitenlandse markt; · helpt u bij prospectie naar potentiële partners; · organiseert bedrijvencontactdagen met buitenlandse bedrijven voor technologische, commerciële of financiële samenwerking.
-
Werk: · begeleidt u bij uw overstap naar ondernemen; · verwijst door naar andere instanties voor opleiding, begeleiding en steunmaatregelen bij de aanwerving van personeel.
Aanvullende inlichtingen Contacteer de VLAO-directie in uw provincie: ANTWERPEN Lange Lozanastraat 223 2018 ANTWERPEN Tel.: 03 240 68 73 Fax: 03 240 68 68 Email: infoant@vlao.be LIMBURG Kunstlaan 18 3500 HASSELT Tel.: 011 30 01 00 Fax: 011 30 01 01 Email: infolim@vlao.be OOST-VLAANDEREN Seminariestraat 2 9000 GENT Tel.: 09 267 40 00 Fax: 09 267 40 60 E-mail: infoovl@vlao.be VLAAMS-BRABANT Ubicenter, 3de verdieping Philipssite 5 3001 LEUVEN Tel.: 016 31 10 50 Fax: 016 31 10 51 E-mail: infovlbr@vlao.be WEST-VLAANDEREN Baron Ruzettelaan 33 8310 ASSEBROEK-BRUGGE Tel.: 050 36 71 11 Fax: 050 37 77 23 E-mail: infowvl@vlao.be HOOFDZETEL Koloniënstraat 56 – 6de verdieping 1000 BRUSSEL Tel.: 02 227 60 20 Fax: 02 227 60 11 E-mail: info@vlao.be Website: www.vlao.be
6.2
DESIGN VLAANDEREN
Inhoud steunmaatregel Design Vlaanderen promoot designers en hun ontwerpen en stimuleert bedrijven en publiek om design te gebruiken. Begunstigden Design Vlaanderen werkt voor bedrijven en: - informeert bedrijven in hun zoektocht naar designers, - begeleidt managers in het sturen van design in hun bedrijf door middel van workshops in design management, bedrijfsbezoeken en contactdagen, - toont hun nieuwe producten in zijn galerie, - stimuleert deelname aan beurzen, - geeft subsidies aan projecten die op economisch vlak design stimuleren. Design Vlaanderen werkt voor ontwerpers en: - zoekt naar nieuw talent tijdens de Lente- en Herfstselecties, - selecteert en promoot vormgevers die kwalitatief en hedendaags werken in het domein van ambachtelijke, grafische en industriële vormgeving, - toont hun werk in zijn galerie, - geeft subsidies aan ontwerpers die op creatief vlak onderzoek doen, - organiseert tentoonstellingen, colloquia, voordrachten, workshops, internationale wedstrijden, - geeft juridisch en ander advies aan individuele vormgevers en bureaus bij het opstarten van hun ateliers. Design Vlaanderen werkt voor een groot publiek en: - inventariseert het terrein van de hedendaagse vormgeving in de ruimste zin van het woord, - verstrekt actuele en accurate informatie via de databank op zijn website, - publiceert een actueel tijdschrift Kwintessens en een nieuwsbrief, - reikt de ' Henry van de Velde Prijzen'uit, - organiseert de Triënnale voor Vormgeving, - bouwt een Design Bibliotheek uit. Design Vlaanderen werkt wereldwijd: - Via tal van internationale netwerken: European Design Forum (EDF), Bureau of European Design Associations (BEDA), International Council of Societies of Industrial Design (ICSID), World Crafts Council (WCC), European Textile Network (ETN) en Design Management Institute (DMI).
Aanvullende inlichtingen Wil je meer informatie over door Design Vlaanderen erkende Vlaamse vormgevers, kijk dan verder in de Design Database. Hier vind je links naar bedrijven, ontwerpers, galeries en musea die werkzaam zijn rond hedendaagse vormgeving en design. Design Vlaanderen Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.49.60 E-mail: info@designvlaanderen.be Website: www.designvlaanderen.be
DEEL II: FISCALE STEUN
1.
INVESTERINGSAFTREK
Inhoud steunmaatregel Een onderneming, die bij de oprichting of uitbreiding een investering uitvoert, kan onder bepaalde voorwaarden een investeringsaftrek verkrijgen. Dit is een fiscaal voordeel waarbij men een bepaald percentage van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de investeringen uitgevoerd tijdens het belastbaar tijdperk, mag aftrekken van de belastbare winst. Het percentage past men éénmalig toe op de aanschaffings-of beleggingswaarde van de goederen. Bij de ‘gespreide’ investeringsaftrek gebeurt de berekening evenwel op het jaarlijks afschrijvingsbedrag. Indien de winst onvoldoende is, mogen de investeringsaftrekken die niet kunnen worden verricht, onder bepaalde voorwaarden overgedragen worden op de winsten van de volgende belastbare tijdperken. Projecten - investeringen In de algemene regel moet het gaan om materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en om nieuwe immateriële vaste activa. Deze activa-bestanddelen moeten in België uitsluitend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en ze moeten ten minste over drie jaar afschrijfbaar zijn. ‘Leasing’ komt ook in aanmerking. Volgende investeringen zijn uitgesloten van de investeringsaftrek: -
niet uitsluitend voor het beroep gebruikte activa; de investeringen die zijn gefinancierd door tussenkomst van een coördinatiecentrum en waarbij aan de kapitaalverschaffer een fictieve roerende voorheffing wordt toegekend; de gebouwen aangeschaft in het vooruitzicht van wederverkoop; de niet-afschrijfbare activa of activa afschrijfbaar op minder dan drie jaar; de bijkomende lasten indien ze niet samen met de activa waarop ze betrekking hebben, worden afgeschreven; de personenwagens en de wagens voor dubbel gebruik; als het recht van gebruik van een investeringsgoed afgestaan wordt aan een derde, wat het geval is bij verhuur. Een uitzondering wordt echter gemaakt als de gebruiker een natuurlijk persoon is, en hij het gehuurde goed gebruikt voor de uitoefening van zijn zelfstandige beroepsactiviteit.
Voor welke steun komt men in aanmerking ? Voor de investeringen uitgevoerd in 2005 (aanslagjaar 2006) gelden volgende percentages: Aanslagjaar 2006 Natuurlijke personen
KMOvennootschappen (1)
Andere vennootschappen
Gewone investeringen (2)
3,5
3
-
Gespreide aftrek voor gewone investeringen (3)
10,5
10,5
10,5
Energiebesparende investeringen (4)
13,5
13,5
13,5
Octrooien
13,5
13,5
13,5
Milieuvriendelijke investeringen in O&O (5)
13,5
13,5
13,5
Gespreide aftrek voor milieuvriendelijke investeringen in O&O (6) 20,5
20,5
20,5
Investeringen ter bevordering van herbruikbare verpakkingen (7)
-
3
3
Investeringen in beveiliging (8)
20,5
20,5
-
Investeringen in zeeschepen (9)
-
30
30
Toelichting bij de tabel 1.
KMO-vennootschappen zijn Belgische vennootschappen die aan de volgende voorwaarden voldoen: - de aandelen of delen van de vennootschap behoren voor meer dan de helft toe aan één of meer natuurlijke personen, deze aandelen moeten de meerderheid van het stemrecht in de vennootschap vertegenwoordigen; - en de vennootschap mag geen deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort.
2.
De investeringsaftrek van 3% voor gewone investeringen is enkel van toepassing op de eerste schijf van € 7.052.500 voor het aanslagjaar 2006. Vanaf het aanslagjaar 2007 verdwijnt de gewone investeringsaftrek voor KMO-vennootschappen (zowel de éénmalige als de gespreide) als gevolg van de “notionele interestaftrek” die op 1 januari 2006 van kracht werd.
3.
De gespreide aftrek voor gewone investeringen kan enkel worden toegepast indien de onderneming minder dan 20 werknemers tewerkstelt. Vanaf het aanslagjaar 2007 verdwijnt de gespreide aftrek voor vennootschappen. Indien die aftrek echter werd verleend voor een vroeger aanslagjaar, dan blijft de investeringsaftrek lopen voor de resterende periode ervan.
4.
Om te kunnen genieten van de verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen moeten deze investeringen opgenomen zijn in een bepaalde categorie.
5.
Milieuvriendelijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn investeringen in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen negatief effect op het leefmilieu hebben of die het negatieve effect op het leefmilieu beogen te minimaliseren.
6.
Voor de gespreide aftrek voor milieuvriendelijke investeringen in O&O is de voorwaarde van een tewerkstelling van minder dan 20 werknemers niet van toepassing.
7.
Investeringen met betrekking tot productie en recyclage van herbruikbare verpakkingen geven recht op een aftrek van 3%. Dit is niet relevant voor natuurlijke personen gezien het percentage van 3% lager is dan de gewone investeringsaftrek van 3,5%.
8.
Deze categorie betreft de investeringen voor de beveiliging van de beroepslokalen; deze moeten aanbevolen en goedgekeurd zijn door de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de betrokken politiezone. De investeringsaftrek voor de beveiliging van beroepslokalen is vanaf het aanslagjaar 2006 opgetrokken tot 20,5%. Naast de KMO-vennootschappen hebben ook kleine vennootschappen recht op deze aftrek vanaf het aanslagjaar 2006. Kleine vennootschappen zijn vennootschappen met een gemiddeld personeelsbestand van minder dan 100 werknemers en die voor het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden: - gemiddeld personeelsbestand < 50 werknemers; - omzet < € 7.300.000; - en balanstotaal < € 3.650.000.
9.
De investeringsaftrek van 30% voor investeringen in zeeschepen is enkel van toepassing op vennootschappen die uitsluitend winst uit zeescheepvaart verkrijgen.
Aanvraagprocedure -
Formulier 276 U invullen en bij de belastingsaangifte voegen. De belastingplichtige die geopteerd heeft voor de gespreide aftrek moet dit formulier elk jaar bij zijn aangifte voegen tot het volledig investeringsbedrag is afgetrokken. Per categorie van vaste activa een opgave bijvoegen met volgende inlichtingen: · datum van aanschaffing of verwerving; · de juiste benaming; · de aanschaffings- of beleggingswaarde; · de normale gebruiksduur en de afschrijvingsduur.
-
Voor de energiebesparende investeringen moet het attest, om bij de belastingsaangifte te voegen, via het formulier CEB-2 worden aangevraagd, op straffe van verval, binnen drie maanden na de laatste dag van het belastbaar tijdperk waarin de activa zijn verworven, bij: Vlaams Energieagentschap Frank Van Droogenbroeck North Plaza B Koning Albert II-laan 7 1210 Brussel Tel. : 02/553.46.00 Fax : 02/553.46.01 E-mail: frank.vandroogenbroeck@ewbl.vlaanderen.be Website: www.energiesparen.be
-
Voor de milieuvriendelijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling moet bij de aangifte van de inkomstenbelastingen van het tijdperk waarin de bedoelde bestanddelen zijn aangeschaft of tot stand gebracht, een attest worden bijgevoegd. Een aanvraagformulier tot het verkrijgen van dit attest, dat het milieuvriendelijk karakter van de investering moet bevestigen, wordt aangevraagd bij: Vlaamse overheid Departement leefmilieu, Natuur en Energie Graaf de Ferraris-gebouw, 3de verdieping Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 Brussel Tel. : 02/553.80.67 Fax : 02/553.80.55
E-mail: info@lne.be Website: www.mina.be -
De verwerving van de octrooien moet gestaafd worden door: · een afschrift van het contract op grond waarvan de onderneming het octrooi of het recht tot exploitatie ervan heeft aangeschaft; · het bewijs dat het octrooi of het recht tot exploitatie ervan nooit door een andere onderneming voor het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheid in België is gebruikt.
-
Voor de investeringen in beveiliging is er sinds 1 april 2004 een nieuwe procedure van kracht. De procedure omvat drie fasen: aanbeveling (veiligheidscharter), uitvoeren van de investeringen en goedkeuring van de investeringen. Via de website www.vps.fgov.be moet u eerst de risicocategorie van uw onderneming bepalen aan de hand van een aantal vragen. Afhankelijk van de risicocategorie verkrijgt u een veiligheidscharter. Binnen dit charter worden investeringen aanbevolen in een welbepaalde te respecteren volgorde. Indien gewenst, kunt u bijkomend technisch advies inwinnen. Na het uitvoeren van de investeringen moet u deze laten goedkeuren. Onderaan het veiligheidscharter is een vak voorzien voor de aangifte van de gerealiseerde investeringen. Nadat u dit ingevuld heeft, stuurt u het volledige dossier naar de ambtenaar belast met adviezen inzake technopreventie van de politiezone waar de activa worden gebruikt. Dit dossier moet de ambtenaar bereiken voor 31 januari volgend op het jaar waarin de investeringen werden gerealiseerd. De ambtenaar belast met adviezen inzake technopreventie beoordeelt de kwaliteit van de gerealiseerde investeringen en hun conformiteit met het veiligheidscharter. Bij goedkeuring of afkeuring vult de ambtenaar het daarvoor voorziene vak op het veiligheidscharter in en stuurt het dossier naar u terug. Een kopie van de goedkeuring moet u vervolgens bij uw belastingsaangifte voegen. Voor de investeringen gerealiseerd in de periode tussen 1 januari 2003 en 31 maart 2004, die niet vooraf werden aanbevolen, kunt u toch de goedkeuring verkrijgen. Hiertoe vult u via de hoger vermelde website de verklaring in van de gerealiseerde investeringen. Vervolgens stuurt u dit door naar de betreffende ambtenaar die de investeringen zal beoordelen. Info: Vast Secretariaat voor Preventiebeleid Koningsstraat 56 1000 Brussel Tel. 02/500 49 47 Website: www.vps.fgov.be
Aanvullende inlichtingen FOD Financiën Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy-bus 25 Koning Albert II-laan 33 1030 Brussel Tel.: 0257/257.57 (call center) E-mail: info.tax@minfin.fed.be Website: fiscus.fgov.be
2.
NOTIONELE INTRESTAFTREK
Inhoud steunmaatregel De notionele interestaftrek of “aftrek voor risicokapitaal” houdt in dat ondernemingen vanaf het aanslagjaar 2007 (inkomsten 2006) een bepaald percentage van het “gecorrigeerd” eigen vermogen kunnen aftrekken van de belastbare winst. Begunstigden Deze maatregel geldt zowel voor kleine, middelgrote als voor grote ondernemingen. Indien de onderneming echter een vrijgestelde investeringsreserve heeft aangelegd in een bepaald belastbaar tijdperk, dan kan de notionele interestaftrek niet worden toegepast in dat tijdperk, en ook niet in de twee daaropvolgende belastbare tijdperken. Omvang van de belastingvrijstelling Het aftrekbare percentage bedraagt 3,442% voor het aanslagjaar 2007. Dit is de gemiddelde rentevoet van toepassing op de lineaire overheidsobligaties op 10 jaar. Voor kleine vennootschappen1 wordt het tarief met 0,5% verhoogd tot 3,942%. Indien de belastbare winst ontoereikend is (om de notionele interestaftrek te dragen) kan het bedrag gedurende zeven jaar worden overgedragen. Het “gecorrigeerd eigen vermogen” is het eigen vermogen waarvan een aantal rubrieken worden afgetrokken. Bijvoorbeeld de waarde van de aandelen geboekt onder de financiële vaste activa moet in mindering worden gebracht van het eigen vermogen. Ook de niet-verwezenlijkte meerwaarden en de kapitaalsubsidies moeten van het eigen vermogen worden afgetrokken. Aanvraagprocedure Bij de aangifte in de vennootschapsbelasting moet de onderneming een formulier voegen. Een modelformulier wordt door het ministerie van financiën opgemaakt. Opmerking Door de invoering van de notionele interestaftrek verdwijnt voor vennootschappen het belastingskrediet en de “gewone” investeringsaftrek (zowel de éénmalige als de gespreide aftrek). Met betrekking tot de gespreide investeringsaftrek is er een overgangsmaatregel. Indien die aftrek werd verleend voor een aanslagjaar dat het aanslagjaar 2007 voorafgaat, dan blijft de investeringsaftrek lopen voor de resterende periode.
1
Definitie wetboek vennootschappen: kleine vennootschappen zijn vennootschappen met een gemiddeld personeelsbestand van minder dan 100 werknemers die voor het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden: aantal werknemers < 50, omzet < 7,3 miljoen euro, balanstotaal < 3,65 miljoen euro.
3.
FISCALE RULINGS
Inhoud steunmaatregel Belastingplichtigen hebben de mogelijkheid om aan de Federale Overheidsdienst Financiën een voorafgaande bindende beslissing te vragen voor een periode van vijf jaar betreffende de toepassing van de belastingwetten die onder zijn bevoegdheid vallen of waarvan hij de inning en de invordering verzekert. Ook buitenlandse natuurlijke of rechtspersonen die het voornemen hebben zich in België te vestigen of te investeren, kunnen hiervan gebruik maken. De Regering heeft van de hervorming van de vennootschapsbelasting gebruik gemaakt om een alternatief te vinden voor de onder vuur liggende bijzondere Belgische fiscale stelsels voor coördinatiecentra, distributiecentra en dienstencentra. Deze stelsels hebben, na de Europese aanvallen, een uitdovend karakter: de ondernemingen die al een toekenning hebben kunnen daar nog een aantal jaren van genieten, maar er worden geen nieuwe centra goedgekeurd. Via de uitbreiding van het stelsel van voorafgaande fiscale rulings heeft de federale Regering toch nog een instrument ontworpen waarmee tegemoet kan worden gekomen aan de verzuchtingen van deze groepen. Vaak hebben voorafgaandelijke rulings betrekking op transferprijzen of op de manier van samenstelling van de belastbare basis bij de taxatie van kostencentra. Aanvraagprocedure Na ontvangst van een volledige aanvraag zal de Administratie binnen de 15 werkdagen aan de aanvrager laten weten binnen welke termijn een beslissing mag verwacht worden. Alleszins dient dit te gebeuren binnen drie maanden, tenzij deze termijn onderling wordt gewijzigd.
Aanvullende inlichtingen Federale Overheidsdienst Financiën Dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken Wetstraat 62 1040 Brussel Tel.: 02/237.69.40 Fax : 02/237.69.99 E-mail: dvbsda@minfin.fed.be
4.
BELASTINGKREDIET VOOR KMO’S EN NATUURLIJKE PERSONEN
Inhoud steunmaatregel KMO’s die in aanmerking komen voor het verlaagd opklimmend tarief van de vennootschapsbelasting kunnen een belastingkrediet bekomen van 7,5 %, berekend op de toename van het eigen vermogen, met een maximum van € 19.850. Voor natuurlijke personen (zowel ondernemers als beoefenaars van een vrij beroep) bedraagt het tarief van het belastingkrediet 10 %, met een maximum van € 3.750. Opmerking : Ter compensatie van de invoering van de notionele interestaftrek wordt vanaf aanslagjaar 2007 het belastingkrediet voor KMO’s afgeschaft, met uitzondering van het gedeelte dat nog niet verrekend werd vóór het aanslagjaar 2007. Aanvraagprocedure Om van dit voordeel te genieten moet de vennootschap of belastingplichtige bij de belastingaangifte voor het aanslagjaar waarvoor de verrekening wordt gevraagd, een formulier 276J ingevuld, gedagtekend en ondertekend bijvoegen. Dit formulier dient zelf aangevraagd te worden bij het bevoegde controlekantoor. Voor de toepassing van het belastingkrediet in de personenbelasting moet de belastingplichtige tevens een attest bijvoegen waarin het sociaal verzekeringsfonds bevestigt dat hij in orde is met de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen.
Aanvullende inlichtingen FOD Financiën Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy-bus 25 Koning Albert II-laan 33 1030 Brussel Tel.: 0257/257.57 (call center) E-mail: info.tax@minfin.fed.be Website: fiscus.fgov.be
5.
INVESTERINGSRESERVE
Inhoud steunmaatregel KMO' s die in aanmerking komen voor het verlaagd opklimmend tarief kunnen een deel van hun winst vrijstellen van vennootschapsbelasting mits reservering en herinvestering. Begunstigden Vennootschappen die onder toepassing vallen van het verlaagd opklimmend tarief kunnen van deze maatregel genieten. Dit zijn vennootschappen die aan de volgende voorwaarden voldoen: - de uitgekeerde winst van de vennootschap mag niet hoger zijn dan 13% van het gestorte kapitaal bij het begin van het boekjaar; - de participaties van de vennootschap mogen niet meer bedragen dan 50% van haar gestort kapitaal, verhoogd met de belastbare reserves en geboekte meerwaarden; - de vennootschap moet aan minimum één bedrijfsleider een bezoldiging van ten minste € 27.000 toegekend hebben. Wanneer het belastbaar inkomen lager is dan € 27.000, moet de vennootschap aan ten minste één bedrijfsleider een bezoldiging toekennen die niet lager is dan haar belastbaar inkomen; - de vennootschap mag geen deel uitmaken van een groep die een coördinatiecentrum heeft; - de aandelen mogen niet voor minstens 50% in handen zijn van andere vennootschappen; - het belastbaar inkomen mag niet meer bedragen dan € 322.500. Omvang van de belastingvrijstelling De vrijgestelde investeringsreserve bedraagt 50 % van het belastbaar resultaat vóór aanleg van de investeringsreserve. Dit bedrag moet nog worden verminderd met: - de vrijgestelde meerwaarden op aandelen; - 25% van de meerwaarde op personenwagens; - de eventuele verminderingen van het gestort kapitaal; - de verhoging van de vorderingen van de vennootschap op aandeelhouders/bestuurders; - het resultaat van deze berekening is beperkt tot € 37.500. En 50% van dit resultaat is de van belasting vrijgestelde investeringsreserve. Voorwaarden Men kan slechts genieten van de belastingvrijstelling indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: - de investeringsreserve moet voldoen aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde. Dit betekent dat zij op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief moet geboekt zijn en blijven. De reserve mag wel worden ingelijfd in het kapitaal; - een bedrag gelijk aan de investeringsreserve moet worden geherinvesteerd in afschrijfbare materiële of immateriële vaste activa die recht geven op het voordeel van de investeringsaftrek; - de investeringsreserve wordt slechts vrijgesteld indien en in zoverre de belaste reserves, vóór aanleg van de investeringsreserve, op het einde van het belastbaar tijdperk hoger zijn dan de belaste reserves ná aftrek van de investeringsreserve op het einde van het vorig belastbaar tijdperk waarin het laatst het voordeel van het aanleggen van een investeringsreserve werd genoten. De herinvestering moet gebeuren binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarvoor de investeringsreserve is aangelegd, en ten laatste bij de ontbinding van de vennootschap. Zo niet wordt de reserve aangemerkt als winst. Keuzemogelijkheid investeringsreserve/notionele interestaftrek KMO' s, die in aanmerking komen voor het verlaagd opklimmend tarief, hebben de keuze tussen de investeringsreserve en de notionele intrestaftrek (zie verder in deze brochure). Wie kiest voor de investeringsreserve wordt in het jaar zelf waarin de investeringsreserve wordt geboekt, maar ook in de twee daarop volgende jaren uitgesloten voor het toepassen van de notionele intrestaftrek.
Deze driejarige uitsluiting geldt pas vanaf de inwerkingtreding van de notionele intrestaftrek, met name vanaf aanslagjaar 2007. Wie voor aanslagjaar 2006 heeft gekozen voor de investeringsreserve, kan voor aanslagjaar 2007 al onmiddellijk overschakelen op de notionele intrestaftrek. Aanvraagprocedure Bij de aangifte moet de vennootschap een formulier voegen voor het aanslagjaar van aanleg van de reserve en voor de erop volgende aanslagjaren, en dit tot op het moment dat de investering moet uitgevoerd zijn.
Aanvullende inlichtingen FOD Financiën Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy-bus 25 Koning Albert II-laan 33 1030 Brussel Tel.: 0257/257.57 (call center) E-mail: info.tax@minfin.fed.be Website: fiscus.fgov.be
6.
BELASTINGVRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN DIENSTHOOFD VOOR DE UITVOER
Inhoud steunmaatregel Ondernemingen kunnen een belastingvrijstelling bekomen ten belope van € 10.0002 per bijkomende personeelseenheid die in België voor één van volgende doeleinden worden tewerkgesteld: -
het wetenschappelijk onderzoek; de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming; een betrekking van diensthoofd voor de uitvoer; een betrekking van diensthoofd van de afdeling Integrale Kwaliteitszorg (IKZ).
Voor hooggekwalificeerd onderzoekspersoneel wordt deze vermindering verhoogd tot € 20.0003. Begunstigden Alle nijverheids-, landbouw- en handelsbedrijven kunnen van deze vermindering genieten. Vrije beroepen zijn echter uitgesloten. Aanvraagprocedure Om te kunnen genieten van deze vrijstelling dient de onderneming bij de aangifte van de inkomstenbelastingen van elk belastbaar tijdperk, waarvoor de toekenning of het behoud van de vrijstelling wordt aangevraagd, een nominatieve opgave per soort van vrijstelling bij te voegen. Daarnaast dient al naargelang de functie van het personeelslid volgende attesten te worden bijgevoegd. Deze opgaven moeten worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk. -
personeel voor wetenschappelijk onderzoek of de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming: een attest op naam van het wetenschappelijk personeel dat wordt tewerkgesteld, uitgereikt door: Federale diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden (DWTC) Belastingvrijstelling Productie en analyse van O&O-indicatoren Wetenschapsstraat 8 1000 Brussel Tel.: 02/238.36.70 Fax : 02/230.59.12 E-mail: info.fisc@belspo.be Website: www.belspo.be
-
2 3
voor de hooggekwalificeerde onderzoekers moeten hogervermelde diensten eveneens een attest op naam uitreiken.
Door indexering bedraagt de vermindering € 12.440 (aanslagjaar 2006). Door indexering bedraagt de vermindering € 24.870 (aanslagjaar 2006).
-
voor het diensthoofd van de afdeling IKZ moet een attest worden bijgevoegd van de bevoegde Minister ter gelegenheid van de aanwerving van het personeelslid bij een dienst Integrale kwaliteitszorg, opgericht binnen de onderneming. Dit attest moet voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers aangevraagd worden bij: FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie Algemene Directie KMO-Beleid WTC -Toren III (27° verd.) Simon Bolivarlaan 30 1000 Brussel Tel. : 02/208.52.59 Fax : 02/208.52.90 E-mail: robin.verheyden@mineco.fgov.be Website: www.mineco.fgov.be Voor ondernemingen met meer dan 50 werknemers dient het attest aangevraagd te worden bij: FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid Koning Albert II-laan 16 1000 Brussel Tel.: 02/206.47.30 Fax: 02/206.57.44 E-mail: erik.hostens@mineco.fgov.be Website: www.mineco.fgov.be
-
bij de tewerkstelling van een diensthoofd voor de uitvoer moet een attest op naam worden uitgereikt door: Agentschap voor Buitenlandse Handel Arnout Van Wittenberghe Montoyerstraat 3 1000 Brussel Tel. : 02/206.35.06 Fax : 02/203.18.12 E-mail: arnout.van-wittenberghe@abh-ace.org Website: www.abh-ace.org
Aanvullende inlichtingen FOD Financiën Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy-bus 25 Koning Albert II-laan 33 1030 Brussel Tel.: 0257/257.57 (call center) E-mail: info.tax@minfin.fed.be Website: fiscus.fgov.be
7.
VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL MET EEN LAAG LOON
Inhoud steunmaatregel De vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon is een fiscale steunmaatregel van de Federale Overheidsdienst Financiën. Inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting en belasting van niet-inwoners kan een vrijstelling van 3.720 euro (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2006: 4.630,00 euro en 4.630 euro voor het aanslagjaar 2006) worden verleend per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan een bepaald bedrag. Voor de jaren 2003 en vorige mocht het bruto dag- en uurloon niet hoger zijn dan 79,82 euro of 10,51 euro; voor het jaar 2004 werden die bedragen respectievelijk op 81,69 euro en 10,75 euro gebracht, en vanaf 1 januari 2005 bedragen zij respectievelijk 90,32 euro en 11,88 euro. Begunstigden Deze steunmaatregel geldt voor nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan 11 werknemers (andere dan bedrijfsleiders) tewerkstellen. Ook beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden komen in aanmerking voor deze fiscale steunverlening. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - aanwerving van een bijkomende werknemer met een laag loon. Diversen De vrijstelling wordt slechts verleend op de winst of op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 of, wanneer de boekhouding niet per kalenderjaar wordt gevoerd, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007. Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006. Er wordt geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van de overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven: - ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, - ofwel door een belastingplichtige waarvan de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in de artikelen 46 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Indien dergelijke vrijstelling werd verleend voor het aanslagjaar 2005 en het gemiddelde personeelsbestand van het jaar 2005 is verminderd ten opzichte van het jaar 2004, moeten de winsten of baten van het aanslagjaar 2006 worden verhoogd met 4.630,00 EUR per afgevloeid personeelslid, zonder dat die verhoging meer mag bedragen dan het gedeelte van de winst of van de baten dat voor het aanslagjaar 2005 werkelijk is vrijgesteld. Als de vermindering van het personeelsbestand evenwel het gevolg is van een overname van personeel door een nieuwe werkgever in omstandigheden als bedoeld in het derde lid hiervoor, moet de voorheen toegekende vrijstelling nochtans niet worden teruggenomen indien en in de mate dat wordt aangetoond dat de bijkomende tewerkstelling tijdens het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die het personeel heeft overgenomen. Deze vrijstelling voor bijkomend personeel is niet cumuleerbaar met de vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer.
Aanvraagprocedure De belastingplichtigen dienen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarvoor zij de vrijstelling vragen, een tabel 276 T te voegen. Deze tabel is beschikbaar op http://finform.fgov.be en kan eveneens bij de plaatselijke taxatiedienst worden verkregen.
Aanvullende inlichtingen FOD Financiën Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy-bus 25 Koning Albert II-laan 33 1030 Brussel Tel.: 0257/257.57 (call center) E-mail: info.tax@minfin.fed.be Website: fiscus.fgov.be Circulaires in verband met de vrijstelling voor bijkomend personeel met een laag loon (Ci.RH.242/516.233 van 29 oktober 2003 en Ci.RH.242/568.417 van 1 maart 2005 en Ci.RH242/570.116 van 21/9/05) zijn beschikbaar op http://www.minfin.fgov.be onder Fisconet, rubriek directe belastingen, subrubriek circulaires. Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie Informatieambtenaar De heer Bert Van Humbeek City Atrium – Vooruitgangstraat 50 1210 Brussel Tel.: 02/277.82.96
DEEL III : STEUN BIJ AANWERVINGEN
1.
PARAFISCALE MAATREGELEN
1.1
DE VERMINDERING 2004
Inhoud steunmaatregel De Programmawet van 24 december 2002 voorziet in een harmonisering en vereenvoudiging van een aantal sectoronafhankelijke verminderingen van de werkgeversbijdragen door deze onder te brengen in één overkoepelende werkgeversbijdragevermindering. Deze overkoepelende vermindering bestaat uit twee delen, enerzijds een algemene bijdragevermindering die varieert in functie van het referteloon van de werknemer en anderzijds maximaal één doelgroepvermindering, die recht geeft op een forfaitair verminderingsbedrag en die afhankelijk is van bepaalde criteria waaraan de werkgever en/of de werknemer moeten beantwoorden. Diversen Verminderingsbedrag De vermindering wordt steeds aangerekend op het niveau van de tewerkstellingslijn. Zowel bij de berekening van de structurele vermindering (Ps) als bij de doelgroepvermindering (Pg) wordt rekening gehouden met de prestatiebreuk (µ) van de tewerkstellingslijn en een vaste multiplicatiefactor (1/b) die het mogelijk maakt, afhankelijk van de geleverde arbeidsprestaties van de verschillende tewerkstellingen, af te wijken van een strikt proportionele vermindering van de bijdragen. De som van Ps en Pg geeft het bedrag dat men in mindering mag brengen van de voor deze tewerkstellingslijn van de werknemer, verschuldigde werkgeversbijdragen voor volgende regelingen: - de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen; - de werkloosheid, enkel de bijdrage die door iedere werkgever verschuldigd is; - de kinderbijslagen; - de beroepsziekten; - de arbeidsongevallen; - de loonmatigingsbijdrage. De vermindering mag echter niet worden toegepast op het gedeelte van de loonmatigingsbijdrage berekend op de bijdrage betaald educatief verlof, op de bijdrage van 1,60 % wanneer de werkgever minstens 10 personen tewerkstelde en op de basisbijdrage en de bijzondere bijdrage voor het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. In het geval dat de som van Ps en Pg meer bedraagt dan het bedrag van de werkgeversbijdragen van de regelingen waarop de vermindering kan worden toegepast, wordt eerst het bedrag van de doelgroepvermindering afgetopt en vervolgens het bedrag van de structurele vermindering. De vermindering van de bijdragen waar een werkgever recht op heeft, kan geheel of gedeeltelijk worden ingehouden bij de werkgevers die zonder rechtvaardiging hun verplichtingen aangaande betalingen van socialezekerheidsbijdragen niet nakomen of die worden schuldig bevonden aan het doen of laten verrichten van arbeid door een werknemer waarvoor geen bijdragen werden betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Cumulaties Binnen de geharmoniseerde vermindering kan de structurele vermindering per tewerkstelling gecombineerd worden met maximaal één doelgroepvermindering. De structurele vermindering en de doelgroepvermindering zijn niet cumuleerbaar met enige andere werkgeversbijdragevermindering met uitzondering van de vermindering sociale maribel, die eigenlijk een inhouding is op de klassieke werkgeversbijdragen om specifieke tewerkstellingsfondsen van de non-profit sector te financieren. De doelgroepvermindering ' langdurig werkzoekenden' en de ermee verbonden overgangsmaatregelen daarentegen zijn ook met de vermindering sociale maribel niet cumuleerbaar.
Bij het berekenen van het verminderingsbedrag trekt men eerst het bedrag sociale maribel (forfait van 354,92 EUR voor alle werkgevers voor elke werknemer die onder het toepassingsgebied van de sociale maribel valt) af van de verschuldigde werkgeversbijdragen om het maximale bedrag aan werkgeversbijdragen te kennen waarop de geharmoniseerde vermindering in mindering mag worden gebracht. Vermits werknemers waarvoor de werkgever de doelgroepvermindering ' langdurig werkzoekenden'geniet (of één van de voor deze categorie voorziene overgangsmaatregelen) niet tot het toepassingsgebied van de vermindering sociale maribel behoren, moet het forfait bij deze werknemers niet in mindering worden gebracht. Voor hen gelden dus dezelfde aftoppingsregels als voor de werknemers van werkgevers die niet in aanmerking komen voor de sociale maribel. Voor de werknemers van beschutte werkplaatsen geldt een aparte regeling. Het bedrag sociale maribel moet NOOIT vooraf in mindering gebracht worden. Indien er meerdere tewerkstellingslijnen zijn en de prestaties van één van de tewerkstellingslijnen onder het toepassingsgebied van de sociale maribel vallen, wordt het bedrag van de sociale maribel verdeeld rekening houdend met het relatieve aandeel van de prestaties van een bepaalde tewerkstellinglijn in het geheel van de prestaties voor dat kwartaal, gebruik makend van de prestatiebreuken ( µ / µ (glob) ) en dit ook voor de tewerkstellingslijnen waarvoor de prestaties niet onder het toepassingsveld van de sociale maribel vallen. Indien echter voor één van de tewerkstellingslijnen de doelgroepvermindering ' langdurig werkzoekenden'of één van de voor deze categorie voorziene overgangsmaatregelen wordt toegepast, moet voor die werknemer het bedrag van de sociale maribel voor geen van de tewerkstellingslijnen in mindering worden gebracht. Aanvraagprocedure Per tewerkstellingslijn duidt de werkgever de structurele vermindering aan en één doelgroepvermindering waarop hij aanspraak kan maken. De stukken ter staving van de doelgroepvermindering moet hij bijhouden gedurende de verjaringstermijn en op vraag van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kunnen voorleggen. FUSIE, OPSPLITSING EN VOORTZETTING In sommige gevallen van fusie, splitsing of voortzetting, kan de nieuwe werkgever een vermindering verder blijven genieten. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verminderingen die elk kwartaal per werknemer worden toegekend, uitsluitend afhankelijk van criteria waaraan in de loop van dat specifieke kwartaal moet zijn voldaan, en verminderingen die op een bepaald moment zijn geïnitialiseerd op basis van een aantal criteria waar bovenop nog een aantal voorwaarden moeten vervuld zijn in de loop van het kwartaal dat de vermindering wordt aangevraagd. Daarnaast kan een vermindering onlosmakelijk verbonden zijn aan een bepaalde werknemer, zodat het er weinig toe doet bij welke werkgever de werknemer wordt tewerkgesteld. Verminderingen eigen aan de werknemer: - doelgroepvermindering herstructurering: de werknemer opent het recht op een vermindering van de werkgeversbijdrage gedurende een aantal kwartalen, ongeacht bij welke werkgever hij werkt (met uitzondering van de betrokken onderneming in herstructurering zelf, of een onderneming die behoort tot dezelfde groep als de onderneming in herstructurering). Het doet er dus niet toe of (bijvoorbeeld) de onderneming waar hij begint te werken overgaat in een andere onderneming al dan niet volgens één van de artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen (fusie, splitsing, inbreng). Verminderingen enkel op basis van criteria waaraan voldaan moet zijn voor het kwartaal waarvoor de vermindering wordt aangevraagd: -
structurele vermindering; doelgroepvermindering oudere werknemer; collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek, als de werknemer door een fusie of inbreng tot een groep gaat behoren die reeds in een dergelijk systeem zit en waarvoor een vermindering lopend is.
Daar elk kwartaal opnieuw zowel de werkgever als de werknemer aan de voorwaarden moet voldoen, is de vermindering onafhankelijk van een eventuele overname, fusie, omvorming enzovoort. Verminderingen op basis van criteria waaraan voldaan moet zijn voor het kwartaal waarvoor de vermindering wordt aangevraagd en waarvoor ook een aantal voorwaarden moeten vervuld worden op het moment van indiensttreding: -
doelgroepvermindering eerste aanwervingen; doelgroepvermindering langdurig werklozen; doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en 4-dagenweek; doelgroepvermindering jongeren.
Wanneer de juridische entiteit waaraan de werknemer verbonden is, ophoudt te bestaan of niet langer als werkgever van de werknemer die het recht op de vermindering heeft geopend, kan worden beschouwd, gaat in principe het recht op deze verminderingen verloren, behalve wanneer opnieuw aan de beginvoorwaarden zou voldaan worden. De programmawet van 27 december 2004 voorziet echter een aantal gevallen waarin deze doelgroepverminderingen bij een andere juridische entiteit toch kunnen worden voortgezet. Het betreft volgende situaties: - de rechtspersoon (handelsvennootschap) bewijst het resultaat te zijn van één van de verrichtingen bedoeld in artikelen 671 tot 679 van het Wetboek van vennootschappen (fusie, splitsing, inbreng); - de rechtspersoon zonder winstoogmerk bewijst dat zijn vermogen het resultaat is van de samenvoeging van de activa na vereffening van één of meerdere rechtspersoonlijkheden zonder winstoogmerk, waarvan de algemene vergaderingen de wil hebben uitgedrukt om hun vermogen te bestemmen voor de oprichting van de voornoemde nieuwe rechtspersoon zonder winstoogmerk; - de rechtspersoon bewijst dat hij de voortzetting is van de handelsactiviteit van een natuurlijke persoon die zijn handelsfonds heeft toegewezen aan hem heeft toegewezen. Uiteraard zijn deze verminderingen niet zomaar verworven maar moet nog aan een aantal voorwaarden worden voldaan, zoals: - de nieuwe werkgever moet tot de groep werkgevers behoren waarop de doelgroepvermindering betrekking heeft; - in het geval van de doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en 4-dagenweek moet de arbeidsduurvermindering of de arbeidsregeling 4-dagenweek voortgezet worden; - in het geval van de doelgroepvermindering jonge werknemers moet de nieuwe werkgever voldoen aan de startbaanverplichting. Ook zal in deze gevallen de werkgever die aanspraak maakt om verder te kunnen blijven genieten van deze doelgroepverminderingen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de sociale schulden van de preëxistente juridische entiteiten. De werkgever die de vermindering wenst voort te zetten deelt dit voorafgaandelijk uitdrukkelijk mee aan de Controledienst van de RSZ en maakt de nodige documenten waaruit blijkt dat hij zich in één van de situaties bevindt, over aan zijn dossierbeheerder. De Controledienst zal aan de aanvrager zijn beslissing overmaken of indien nodig bijkomende documenten opvragen. De Controledienst zal, in het geval dat de nieuwe werkgever de verminderingen mag voortzetten, eveneens het aantal resterende kwartalen meedelen dat de werkgever nog de vermindering mag toepassen.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
1.1.1
DE STRUCTURELE VERMINDERING
Begunstigden Alle werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen. Projecten Alle werknemers die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen: - de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen; - de werkloosheid; - de kinderbijslagen; - de beroepsziekten; - de arbeidsongevallen; - de jaarlijkse vakantie. Voor de privé-sector komen dus onder andere niet in aanmerking: - de dienstboden; - de jongeren tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken; - de betaalde sportbeoefenaars; - gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouw; - gelegenheidsarbeiders in de horeca tewerkgesteld op piekdagen; - de geneesheren in opleiding tot specialist; - de onthaalouders. De meeste statutaire en contractuele personeelsleden van de openbare sector vallen niet onder alle socialezekerheidsregelingen en komen dus niet in aanmerking voor de vermindering. De mogelijkheid om de vermindering toe te passen is bijgevolg alleen voorzien voor die werkgevers uit de openbare sector die personeelsleden kunnen tewerkstellen die onder alle regelingen vallen (bv. kerkfabrieken, erkende maatschappijen voor het bouwen van goedkope woningen, polders en wateringen, bepaalde plaatselijke vervoermaatschappijen, ...). Diversen Opmerking Categorie waartoe de werknemer kan behoren: - categorie 1: werknemers die niet tot een van de twee volgende categorieën behoren; - categorie 2: werknemers die in aanmerking komen voor de Sociale Maribel met uitzondering van de werknemers onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en zij die worden tewerkgesteld in een erkende beschutte werkplaats; - categorie 3: werknemers die worden tewerkgesteld in een erkende beschutte werkplaats. Meer informatie over het bedrag van de vermindering en de formules om het forfaitaire verminderingsbedrag te berekenen, zie www.rsz.be, Onderrichtingen voor de werkgevers, Consultatie, Deel 4, Titel 2: De vermindering 2004, Hoofdstuk 2: De structurele vermindering.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
1.1.2
DOELGROEPVERMINDERING
Inhoud steunmaatregel Hierna worden de doelgroepverminderingen besproken, die ofwel een bepaalde groep werkgevers beogen te favoriseren, ofwel bepaalde werknemers. De werkgever kan één van deze doelgroepverminderingen per tewerkstellingslijn van de werknemer aanduiden voor zover zowel hijzelf als de werknemer aan de criteria voldoen. In tegenstelling met de structurele vermindering, moet de werknemer niet a priori onderworpen zijn aan alle regelingen. Indien dit criterium bij een doelgroepvermindering meespeelt zal dit bij de bespreking van die doelgroepvermindering worden toegelicht. De doelgroepvermindering (Pg) berekent men, per tewerkstellingslijn, door een forfaitair verminderingsbedrag te vermenigvuldigen met de vaste vermenigvuldigingsfactor en de prestatiebreuk: Pg = G x µ x 1/b Pg wordt afgerond tot op de eurocent waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR. Afhankelijk van de beoogde doelgroep stemt G overeen met G1 of G2. De vermindering wordt toegekend gedurende een aantal kwartalen, eveneens variërend volgens de karakteristieken van de doelgroep. De vermindering G1 bedraagt momenteel 1.000 EUR en G2 400 EUR. Volgende doelgroepen maken het voorwerp uit van deze vermindering: 1.1.2.1 OUDERE WERKNEMERS Begunstigden Alle werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen: - de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen; - de werkloosheid; - de kinderbijslagen; - de beroepsziekten; - de arbeidsongevallen; - de jaarlijkse vakantie. Projecten Het betreft de werknemers die deel uitmaken van categorie 1 zoals omschreven bij de structurele vermindering, die op de laatste dag van het kwartaal ten minste de leeftijd van 57 jaar hebben, zonder evenwel in dienst te moeten zijn op het einde van het kwartaal. Diversen De werkgever geniet voor deze werknemer de vermindering G2 zolang de werknemer in dienst blijft.
1.1.2.2 NIEUWE WERKGEVERS – EERSTE AANWERVINGEN Inhoud steunmaatregel Deze doelgroepvermindering wordt toegekend aan nieuwe werkgevers gedurende een aantal kwartalen voor maximaal drie werknemers. Begunstigden Alle werkgevers uit de privé-sector die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De werkgever kan gedurende 20 kwartalen nadat hij een 1ste, 2de of 3de werknemer in dienst neemt, een aantal kwartalen genieten van deze doelgroepvermindering. Het is belangrijk te bepalen wanneer deze periode van 20 kwartalen aanvangt. Voor alle duidelijkheid zal de situatie voor een 1ste, een 2de en een 3de aanwerving apart worden toegelicht. In de bespreking die volgt wordt voor de kwalificatie ' nieuwe werkgever'en voor het toekennen van de vermindering, nooit rekening gehouden met: - jongeren tot 31 december van het jaar dat zij 18 worden; - werknemers tewerkgesteld met een contract beoogd in artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (leerovereenkomst, stageovereenkomst, overeenkomst socioprofessionele inschakeling); - dienstboden; - gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouwsector; - gelegenheidsarbeiders in de horeca (werknemers waarvoor de socialezekerheidsbijdragen op een aparte manier worden berekend); - alle andere werknemers die niet onder de socialezekerheidswet van 27 juni 1969 vallen (jobstudenten, …). Voor de doelgroepvermindering eerste aanwervingen is het dus alsof werknemers die tot een van deze categorieën behoren niet bestaan. Aanwerving van een 1ste werknemer Op het moment van indienstneming mag de werkgever nooit onderworpen zijn geweest aan de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of, sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen die het kwartaal van indienstneming voorafgaan, hieraan niet meer onderworpen zijn geweest. Is deze voorwaarde vervuld, dan moet men nagaan of de werkgever samen met andere werkgevers geen zelfde technische bedrijfseenheid uitmaken. De 1ste werknemer mag immers geen werknemer vervangen die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Om na te gaan of er geen vervanging is in dezelfde technische bedrijfseenheid, gaat men als volgt tewerk: - eerst bepaalt men het maximum aantal werknemers dat gelijktijdig in dezelfde technische bedrijfseenheid was tewerkgesteld in de loop van de vier kwartalen die de aanwerving voorafgaan (A); - vervolgens neemt men het totaal aantal werknemers dat door de nieuwe werkgever op de eerste dag wordt aangeworven, verhoogd met het aantal werknemers dat eventueel nog is tewerkgesteld door andere werkgevers in dezelfde technische bedrijfseenheid (B). Indien (B) ten minste één meer bedraagt dan (A), wordt het recht op de vermindering voor de aanwerving van de eerste werknemer geopend. Indien de verhoging van het aantal werknemers evenwel kunstmatig wordt veroorzaakt (door bijvoorbeeld de aanwerving van enkele werknemers met een overeenkomst voor één dag), dan zal de RSZ het recht op de vermindering opnieuw ter discussie stellen. De aanwerving van de 1ste werknemer opent voor een periode van 20 kwartalen met ingang van het kwartaal van indienstneming, het recht van de werkgever op deze doelgroepvermindering voor één werknemer.
Aanwerving van een 2de werknemer Op het moment van indienstneming mag de werkgever sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen die het kwartaal van indienstneming voorafgaan, nooit meer dan 1 werknemer onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tegelijkertijd in dienst hebben gehad. De 2de werknemer mag tevens geen werknemer vervangen die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Om na te gaan of er sprake is van een vervanging in dezelfde technische bedrijfseenheid, gaat men op een gelijkaardige manier tewerk als bij de aanwerving van een eerste werknemer. De aanwerving van de 2de werknemer opent voor een periode van 20 kwartalen met ingang van het kwartaal van indienstneming, het recht van de werkgever op de doelgroepvermindering voor een 2de werknemer, in zoverre tijdens het betreffende kwartaal minstens 2 werknemers, al dan niet tegelijkertijd, bij de werkgever tewerkgesteld zijn. Indien 2 werknemers tegelijkertijd in dienst zijn geweest, kan een volgende periode van 20 kwartalen enkel beginnen na een periode van 4 opeenvolgende kwartalen gedurende welke niet meer dan 1 werknemer tegelijkertijd in dienst is geweest. Aanwerving van een 3de werknemer Op het moment van indienstneming mag de werkgever sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen die het kwartaal van indienstneming voorafgaan, nooit meer dan 2 werknemers onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tegelijkertijd in dienst hebben gehad. De 3de werknemer mag tevens geen werknemer vervangen die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Om na te gaan of er sprake is van een vervanging in dezelfde technische bedrijfseenheid, gaat men op een gelijkaardige manier tewerk als bij de aanwerving van een eerste werknemer. De aanwerving van de 3de werknemer opent voor een periode van 20 kwartalen met ingang van het kwartaal van indienstneming, het recht van de werkgever op de doelgroepvermindering voor een 3de werknemer in zoverre tijdens het betreffende kwartaal minstens 3 werknemers, al dan niet tegelijkertijd, bij de werkgever tewerkgesteld zijn. Indien 3 werknemers tegelijkertijd in dienst zijn geweest, kan een volgende periode van 20 kwartalen enkel beginnen na een periode van 4 opeenvolgende kwartalen gedurende welke niet meer dan 2 werknemers tegelijkertijd in dienst zijn geweest. Projecten Het betreft alle werknemers die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 behalve de reeds opgesomde werknemers. De werknemer moet dus aan geen enkele specifieke voorwaarde voldoen vóór zijn aanwerving. Diversen Vermindering 1ste werknemer De werkgever geniet voor één fysieke persoon een forfaitaire vermindering G1 tijdens maximum 5 kwartalen en daarna een forfaitaire vermindering G2 voor maximaal 8 kwartalen op te nemen binnen de 20 kwartalen te rekenen vanaf het kwartaal dat de werkgever voor het eerst recht had op deze doelgroepvermindering. De werkgever bepaalt zelf de kwartalen dat hij de vermindering wenst aan te rekenen, voor zover hij voor het gekozen kwartaal voldoet aan alle voorwaarden.
Indien de werkgever aangesloten is bij een erkend sociaal secretariaat, heeft hij recht op een tussenkomst in de aansluitingskosten van 36,45 EUR voor de kwartalen dat hij een doelgroepvermindering voor de aanwerving van een 1ste werknemer aanvraagt (deze tussenkomst wordt niet geproratiseerd). De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast. Het is dus best mogelijk dat de werknemer die oorspronkelijk het recht opende, niet meer in dienst is. 2de werknemer De werkgever geniet voor één fysieke persoon een forfaitaire vermindering G2 tijdens maximum 13 kwartalen op te nemen binnen de 20 kwartalen te rekenen vanaf het kwartaal dat de werkgever voor het eerst recht had op deze doelgroepvermindering. De werkgever bepaalt zelf de kwartalen dat hij de vermindering wenst aan te rekenen, voor zover hij voor het gekozen kwartaal voldoet aan alle voorwaarden. Deze vermindering kan slechts toegepast worden als in de loop van het kwartaal minstens 2 werknemers werkzaam zijn geweest (tegelijkertijd of opeenvolgend). De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast. Het is dus best mogelijk dat de werknemer die oorspronkelijk het recht opende, niet meer in dienst is. 3de werknemer De werkgever geniet voor één fysieke persoon een forfaitaire vermindering G2 tijdens maximum 9 kwartalen op te nemen binnen de 20 kwartalen te rekenen vanaf het kwartaal dat de werkgever voor het eerst recht had op deze doelgroepvermindering. De werkgever bepaalt zelf de kwartalen dat hij de vermindering wenst aan te rekenen, voor zover hij voor het gekozen kwartaal voldoet aan alle voorwaarden. Deze vermindering kan slechts toegepast worden als in de loop van het kwartaal minstens 3 werknemers werkzaam zijn geweest (tegelijkertijd of opeenvolgend). De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast. Het is dus best mogelijk dat de werknemer die oorspronkelijk het recht opende, niet meer in dienst is.
1.1.2.3 WERKGEVERS DIE EEN COLLECTIEVE VIERDAGENWEEK INSTELLEN
ARBEIDSDUURVERMINDERING
OF
EEN
Begunstigden Het betreft de werkgevers van wie de werknemers onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of onder het toepassingsgebied van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Samengevat zijn dit de werkgevers uit de private sector en de autonome overheidsbedrijven. De werkgever kan de arbeidsduurvermindering en / of vierdagenweek invoeren voor gans zijn personeel of enkel voor (een) bepaalde categorie(ën) van werknemers (voorbeeld: enkel arbeiders, 45-plussers, ...). Projecten De voltijdse werknemers die tot een categorie van werknemers behoren die voor onbepaalde tijd overgegaan zijn, ofwel tot een effectieve arbeidsduurvermindering van ten minste een vol arbeidsuur onder de 38 uren per week, ofwel een vierdagenweek zoals verder bepaald, ofwel beide, kunnen in aanmerking komen voor deze doelgroepvermindering. Deeltijdse werknemers van wie het loon moet worden aangepast wegens de invoering van de arbeidsduurvermindering komen eveneens in aanmerking. Diversen Vermindering De werkgever kan aanspraak maken op een vermindering G2 vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering of vierdagenweek wordt ingesteld en dit voor: - 8 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 37 uur per week of minder; - 12 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 36 uur per week of minder; - 16 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 35 uur per week of minder; - 4 kwartalen bij invoering van een vierdagenweek. Onder ' vierdagenweek'moet worden verstaan: de regeling waarbij de wekelijkse arbeidsduur gespreid wordt hetzij over vier arbeidsdagen per week, hetzij over vijf arbeidsdagen per week welke drie volledige en twee halve arbeidsdagen inhouden. Onder ' halve arbeidsdag'verstaat men: ten hoogste de helft van het aantal arbeidsuren dat voorzien wordt in het werkrooster voor de langste van de drie volledige arbeidsdagen. De werkgever kan aanspraak maken op een vermindering G1 voor het kwartaal waarbij de werknemer in aanmerking komt zowel voor de vermindering als gevolg van het invoeren van de vierdagenweek als voor de vermindering wegens het invoeren van een arbeidsduurvermindering. De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend indien de arbeidsduurvermindering of de invoering van de vierdagenweek gedurende het volledige kwartaal werd gehandhaafd. Opmerking Voltijdse werknemers die in dienst komen na de invoering van de arbeidsduurvermindering hebben eveneens recht op deze vermindering als ze tot een categorie behoren die daarvoor in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor deeltijdse werknemers die na het kwartaal waarin de vermindering voor de eerste maal wordt toegekend, voltijds gaan werken. De feitelijke situatie waarop de tewerkstellingslijn betrekking heeft, is bepalend of de werknemer tot de rechtopenende groep behoort of niet. Elke doelgroepvermindering arbeidsduurvermindering overeenkomend met één van de drie hierboven vernoemde situaties kan voor een werknemer behorende tot een wel gedefinieerde groep slechts één maal worden toegekend en in zoverre de arbeidsduurvermindering minstens een volledig uur bedraagt. Zo kan ook de doelgroepvermindering vierdagenweek voor een bepaalde groep werknemers slechts éénmaal worden toegekend.
Indien door een arbeidsduurvermindering vóór 1 oktober 2003 het recht reeds geopend werd op de vermindering ' collectieve arbeidsduurvermindering na 1 oktober 2001' , kan de werkgever niet opnieuw aanspraak maken op de doelgroepvermindering arbeidsduurvermindering. Er zijn wel overgangsbepalingen voorzien. Zo kan ook de doelgroepvermindering vierdagenweek voor een bepaalde groep werknemers niet worden toegekend indien vóór 1 oktober 2003 het recht reeds werd geopend op de vermindering ' vierdagenweek na 1 oktober 2001' . De toekenning van de vermindering is voorlopig. Zij wordt definitief indien vaststaat dat de werkgever alle voorwaarden voor de toekenning vervult. Aanvraagprocedure Onder arbeidsduur verstaat men de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, berekend over een periode van een jaar, zoals deze tot uiting komt hetzij door het werkrooster dat in het arbeidsreglement is opgenomen en dat eventueel over een cyclus wordt toegepast, hetzij door het werkrooster gecombineerd met de inhaalrustdagen toegekend in het kader van de arbeidsduurvermindering. Zowel het gemiddeld aantal uren vóór als na de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering moet worden meegedeeld in een apart scherm van de webapplicatie of in een apart functioneel blok. In wezen kan dit dus verschillen met het gemiddeld aantal uren van de maatpersoon (indien uren moeten worden opgegeven) bij de definiëring van de tewerkstellingslijn, omdat hier de uren inhaalrust ingevolge een arbeidsduurvermindering wel worden opgenomen. De datum van inwerkingtreding van het stelsel moet eveneens worden meegedeeld.
1.1.2.4 LANGDURIG WERKZOEKENDEN – ALGEMENE CATEGORIE Inhoud steunmaatregel De doelgroepvermindering langdurig werkzoekenden wordt toegekend gedurende een aantal kwartalen aan de werkgevers die een langdurig werkzoekende, een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp aanwerven. Onder bepaalde voorwaarden kunnen de werknemers eveneens genieten van een werkuitkering of een inschakelingsuitkering. De hiernavolgende tekst beoogt enkel de verduidelijking van de bepalingen omtrent de werkgeversbijdragevermindering. Het toekennen van de uitkeringen valt onder de bevoegdheid van de RVA of van het OCMW. Begunstigden Alle werkgevers, zowel van de privé-sector als van de openbare sector, komen in aanmerking voor de vermindering. Zijn evenwel uitgesloten: - het Rijk, met daarin begrepen de Rechterlijke macht, de Raad van State, het leger en de federale politie; - de Gemeenschappen en Gewesten; - de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die van de hiervoor genoemde overheden afhangen. Komen voor de overheidssector wel in aanmerking: - de openbare kredietinstellingen; - de autonome overheidsbedrijven; - de openbare maatschappijen voor personenvervoer; - de openbare instellingen voor het personeel dat zij in dienst nemen als uitzendkrachten, om het ter beschikking te stellen van gebruikers met het oog op het uitvoeren van een tijdelijke arbeid, overeenkomstig de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers; - de polders en wateringen alsook de kerkfabrieken. Ook de in België gevestigde diplomatieke zendingen en de supranationale instellingen komen in aanmerking. Projecten Het gaat om werkzoekenden, waarmee bedoeld wordt de niet-werkende werknemers die als werkzoekende zijn ingeschreven bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Volgende categorieën komen in aanmerking: 1° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand; 2° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 624 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gedurende een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand; 3° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 936 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand;
4° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 1560 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand; 5° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gedurende een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand; 6° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand óf gezien over ten minste 468 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gedurende een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand; 7° hij die op de dag van indienstneming werkzoekend is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - werkzoekend is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand en werkloos is geworden als gevolg van een bedrijfssluiting zoals bedoeld in de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen; de indienstneming moet gebeuren binnen de 24 maanden na de sluiting. Diversen Opmerkingen: De voorwaarde dat zij de hoedanigheid van werkzoekende moeten hebben op het ogenblik van de indienstneming, geldt evenwel niet voor werknemers die verder worden tewerkgesteld na afloop van één van de volgende periodes: - de periode van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; - de periode van deeltijds onderwijs in het kader van de deeltijdse leerplicht; - de periode van alternerende tewerkstelling en opleiding bedoeld in het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de socialezekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd voor deze jongeren; - de werknemer tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de doorstromingsprogramma' s; - de werknemer tewerkgesteld in een erkende arbeidspost in toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen. De werknemers van de volgende categorieën komen voor de vermindering niet in aanmerking: - de werknemer die van het voordeel van de vrijstelling werd uitgesloten door een beslissing van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, genomen op basis van een rapport van de inspectiediensten van de Inspectie van de Sociale Wetten, de Sociale Inspectie, de RVA of de RSZ, indien na klacht werd vastgesteld dat de werknemer werd aangenomen ter vervanging en in eenzelfde functie van een ontslagen werknemer met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit koninklijk besluit te bekomen; - de werknemers die worden aangeworven vanaf het ogenblik dat zij zich in een statutaire toestand bevinden; - de werknemers die worden aangeworven als leden van het academisch en wetenschappelijk personeel door de instellingen van universitair onderwijs of als leden van het onderwijzend personeel in de andere onderwijsinstellingen.
Vermindering De werkgever kan van volgende verminderingen genieten: Voor de werknemer van categorie 1° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4 kwartalen; 2° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8 kwartalen; 3° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8 kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 4 kwartalen; 4° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8 kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 12 kwartalen; 5° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4 kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 16 kwartalen; 6° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 20 kwartalen; 7° Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4 kwartalen.
daarop volgende daarop volgende daarop volgende daarop volgende daarop volgende daarop volgende daarop volgende
Indien een werkgever deze doelgroepvermindering of de overgangsmaatregelen activa reeds genoten heeft voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen de 30 maanden na het einde van de vorige arbeidsovereenkomst en deze werknemer nog een geldige werkkaart kan voorleggen, wordt deze tewerkstelling ononderbroken geacht wat betreft het vaststellen van het recht op de vermindering G1 of G2 en het aantal resterende kwartalen dat hij hierop nog recht heeft. De periode van onderbreking verlengt dus de periode gedurende dewelke de voordelen kunnen worden toegekend, niet. De werkgever kan geen aanspraak maken op deze doelgroepvermindering voor de werknemer die hij terug in dienst neemt binnen een periode van 12 maand na beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst die gesloten was voor onbepaalde duur wanneer hij voor deze tewerkstelling genoten heeft van de voordelen van het banenplan. Aanvraagprocedure De werkzoekenden die voldoen aan de voorwaarden voor deze doelgroepvermindering, kunnen bij het regionaal bureau van de RVA waarvan zij afhangen, een werkkaart bekomen als bewijs van deze hoedanigheid. Indien de werkzoekende op het ogenblik van zijn indienstneming niet in het bezit is van een geldige werkkaart, dan kan ook de werkgever de kaart aanvragen bij de RVA. De aanvraag die van de werkgever uitgaat zal enkel geldig zijn indien zij voor iedere werkzoekende afzonderlijk gebeurt, en wordt slechts aanvaard voor zover op die aanvraag de namen van de werkgever en van de werknemer vermeld zijn, alsook het domicilie van de werknemer, zijn identificatienummer voor de sociale zekerheid en de datum van zijn indiensttreding. De aanvraag voor een werkkaart moet gebeuren bij het regionaal bureau van de RVA, uiterlijk de 30e dag die volgt op de datum van indienstneming. Wanneer de werkgever deze termijn van 30 dagen niet eerbiedigt, wordt de periode van vermindering van bijdragen ingekort met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de laattijdige aanvraag van de werkkaart gebeurde. De werkkaart moet binnen dezelfde termijn worden aangevraagd voor de indienstnemingen die gebeuren bij het beëindigen van één van de hierboven opgesomde periodes waarvoor de hoedanigheid van werkzoekende op het moment van indienstneming niet vereist is. Indien de aanvraag van de werkkaart per post gebeurt, dan wordt de postdatum als datum van indiening beschouwd. De werkkaart draagt als geldigheidsdatum: - de datum waarop de aanvraag wordt ingediend indien de werkzoekende nog niet in dienst is genomen; - de datum van de indienstneming indien de werkzoekende reeds in dienst is genomen.
De werkkaart heeft een geldigheidsduur van drie maanden en is geldig voor elke indienstneming die plaatsvindt tijdens haar geldigheidsperiode. Wanneer een nieuwe werkkaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige werkkaart, wordt een werkkaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige werkkaart. De geldigheid van de werkkaart is verlengbaar met periodes van telkens drie maanden voor zover de werkzoekende aantoont dat hij op de datum van indiening van de nieuwe aanvraag of op de datum van de indienstneming opnieuw voldoet aan de gestelde voorwaarden.
1.1.2.5 LANGDURIG WERKZOEKENDEN – DE DOORSTROMINGSPROGRAMMA’S Inhoud steunmaatregel Deze steunmaatregel heeft betrekking op werknemers die aangenomen werden in het kader van een doorstromingsprogramma. Begunstigden Het betreft de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen en de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die van de hiervoor genoemde overheden afhangen. Het betreft verenigingen zonder winstgevend doel en andere niet-commerciële verenigingen. Projecten Het gaat om werkzoekenden, waarmee bedoeld wordt de niet-werkende werknemers die als werkzoekende zijn ingeschreven bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling. Deze werkzoekenden moeten aangeworven zijn in het kader van een doorstromingsprogramma zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 9 juni 1997 ter uitvoering van het artikel 7 § 1, 3de lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Volgende categorieën komen in aanmerking: 1° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - ofwel geen diploma, getuigschrift of brevet hoger secundair onderwijs heeft, jonger dan 25 is en een wachtof werkloosheidsuitkering gedurende minstens 9 maand zonder onderbreking geniet, ofwel van een wachtuitkering geniet gedurende ten minste 12 maanden; 2° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - zonder onderbreking ten minste 24 maanden een werkloosheidsuitkering geniet; 3° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en - minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - zonder onderbreking ten minste 12 maanden een wachtuitkering geniet; 4° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en - minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - zonder onderbreking ten minste 24 maanden een werkloosheidsuitkering geniet. De werknemers van de volgende categorieën komen voor de vermindering niet in aanmerking: -
-
de werknemer die van het voordeel van de vrijstelling werd uitgesloten door een beslissing van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, genomen op basis van een rapport van de inspectiediensten van de Inspectie van de Sociale Wetten, de Sociale Inspectie, de RVA of de RSZ, indien na klacht werd vastgesteld dat de werknemer werd aangenomen ter vervanging en in eenzelfde functie van een ontslagen werknemer met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit koninklijk besluit te bekomen; de werknemers die worden aangeworven vanaf het ogenblik dat zij zich in een statutaire toestand bevinden.
Diversen Vermindering De werkgever kan van volgende verminderingen genieten: Voor de werknemer van categorie 1°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4 kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 4 kwartalen; 2°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 8 kwartalen; 3°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 4 kwartalen en vervolgens een doelgroepvermindering G2 gedurende 8 kwartalen; 4°: Een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 12 kwartalen.
daarop volgende daarop volgende daarop volgende daarop volgende
Aanvraagprocedure De bepalingen van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma' s moeten gerespecteerd worden.
1.1.2.6 LANGDURIG WERKZOEKENDEN – DE SOCIALE INSCHALINGSECONOMIE Inhoud steunmaatregel Deze steunmaatregel betreft de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen. Begunstigden Het betreft volgende werkgevers: - de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen; - inschakelingsbedrijven, zijnde de ondernemingen en verenigingen met een rechtspersoonlijkheid, als dusdanig erkend en gesubsidieerd door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap, die als sociaal doel de socioprofessionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit van productie van goederen of diensten; de minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent de inschakelingsbedrijven in het kader van dit besluit; - de werkgevers die initiatieven inzake sociale inschakelingseconomie organiseren bedoeld in artikel 59, eerste lid van de wet van 26 maart 1999; - de sociale verhuurkantoren bedoeld bij de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 12 februari 1998 tot oprichting van sociale verhuurkantoren en bij het besluit van 19 november 1998; - de agentschappen voor sociale huisvesting bedoeld bij het besluit van de Waalse regering van 17 maart 1999 houdende erkenning van agentschappen voor sociale huisvesting, gewijzigd bij het besluit van 13 december 2001; - de sociale verhuurkantoren bedoeld bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 1997 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren; - de openbare vastgoedmaatschappijen bedoeld bij de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 9 september 1993 houdende de wijziging van de Huisvestingscode voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en betreffende de sector van de Sociale Huisvesting; - de sociale huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode; - de openbare huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 29 oktober 1998 houdende de Waalse Huisvestingscode; - de invoegbedrijven en invoegafdelingen erkend krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 en 7 december 2001; - de vennootschappen met een sociaal oogmerk bedoeld in artikel 661 van het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999. Projecten Het gaat om uitkeringsgerechtigde volledige werklozen, gerechtigden op maatschappelijke integratie en rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp. Volgende categorieën komen in aanmerking: 1° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - volledig uitkeringsgerechtigd is geweest gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand en - geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft; 2° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - volledig uitkeringsgerechtigd is geweest gedurende ten minste 624 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand en - geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft; 3° hij die op de dag van indienstneming volledig uitkeringsgerechtigd werkloos is en
-
minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en volledig uitkeringsgerechtigd is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand en geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft;
4° hij die op de dag van indienstneming recht heeft op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - recht gehad heeft gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand en - geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft; 5° hij die op de dag van indienstneming recht heeft op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp en - minder dan 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - recht gehad heeft gedurende ten minste 312 dagen gerekend in een regime van 6 dagen op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand en - geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft; 6° hij die op de dag van indienstneming recht heeft op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp en - minstens 45 jaar oud is op datum van indienstneming en - recht gehad heeft gedurende ten minste 156 dagen gerekend in een regime van 6 dagen op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp gezien over een periode overeenkomend met de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand en - geen diploma of getuigschrift hoger secundair onderwijs heeft. Diversen Opmerking: De voorwaarde dat zij de hoedanigheid van volledig uitkeringsgerechtigd werkloze, rechthebbende op maatschappelijke integratie of rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp moeten hebben op het ogenblik van de indienstneming, geldt evenwel niet voor werknemers die verder worden tewerkgesteld na afloop van één van de volgende periodes: - de periode van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; - de periode van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma' s van wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, §1, IX, 2° van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen; - de periode van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer een bepaalde uitkering genoot; - de periode van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer een bepaalde uitkering genoot. Bepaalde periodes worden gelijkgesteld met periodes van uitkeringsgerechtigde werkloosheid, gerechtigde op maatschappelijke integratie of rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp. Vermindering De werkgever kan van volgende verminderingen genieten: Voor de werknemer van categorie 1° en 4°: een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 10 daarop volgende kwartalen (wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen oordeelt dat de werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de gewone arbeidsmarkt, kan de duur van de doelgroepvermindering verlengd worden met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen);
2° en 5°: een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de 20 daarop volgende kwartalen (wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen oordeelt dat de werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de gewone arbeidsmarkt, kan de duur van de doelgroepvermindering verlengd worden met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen); 3° en 6°: een doelgroepvermindering G1 gedurende het kwartaal van indienstneming en de daarop volgende kwartalen. Indien een werkgever deze vermindering reeds heeft genoten voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen de 12 maanden na het einde van de vorige arbeidsovereenkomst, wordt de tewerkstelling geacht ononderbroken te zijn voor wat betreft het vaststellen van het recht op de vermindering G1 en het aantal resterende kwartalen dat hij hierop nog recht heeft. De periode van onderbreking verlengt dus de periode waarin de voordelen kunnen worden toegekend, niet. Aanvraagprocedure De werkgever moet voorafgaandelijk van de directeur-generaal van de administratie Werkgelegenheid van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een attest verkrijgen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van deze maatregel valt. Om in aanmerking te komen voor de vermindering moet de werknemer (of de werkgever indien het gaat om een activering van de tussenkomst vanwege een OCMW) een herinschakelingsuitkering genieten in het kader van de sociale inschakelingseconomie. Bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering voegt de werknemer, respectievelijk de werkgever, het hierboven vermelde attest. De RVA geeft aan de RSZ de gegevens van de werknemers door die recht geven op deze doelgroepvermindering.
1.1.2.7 JONGE WERKNEMERS Inhoud steunmaatregel Deze doelgroepvermindering richt zich naar de aanwerving van jonge werknemers. Voor een groot deel betreft het de werknemers die beoogd werden door de startbanen. Begunstigden Zowel de werkgevers uit de openbare als uit de private sector komen voor de doelgroepvermindering in aanmerking, ongeacht het aantal werknemers dat zij tewerkstellen. Om van de doelgroepvermindering ' jonge werknemers'te kunnen genieten, moeten zij voldoen aan de startbaanverplichting. Onder startbaanverplichting moet worden verstaan de verplichte aanwerving van ten minste 3 % jongeren uitgedrukt in VTE (voltijds equivalent) met een startbaan (sinds 1 januari 2004 uitgebreid tot alle jongeren onder de 26 jaar, al dan niet met een startbaanovereenkomst verbonden) ten opzichte van het 2de kwartaal van het voorgaande jaar. Deze verplichting geldt enkel voor ondernemingen met minstens 50 werknemers in dienst op 30 juni van het voorgaande jaar. De non-profit sector, de openbare sector en de onderwijssector hebben afwijkende percentages of zijn vrijgesteld van deze verplichting. De berekening zowel van het aantal startbaners als van het personeelsbestand voor het refertekwartaal gebeurt op basis van de gegevens van de Dmfa-aangifte. In dit hoofdstuk zal voornamelijk de doelgroepvermindering toegelicht worden. Bijkomende inlichtingen over de startbaanverplichting of over de voorwaarden om vrijstelling te verkrijgen kunt u bekomen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, die de uiteindelijke bevoegdheid hebben na te gaan wie aan de verplichting voldoet en wie niet. Projecten De doelgroep bestaat enerzijds uit laaggeschoolde of erg laaggeschoolde werkzoekende jongeren ( tot en met het kwartaal dat ze 26 jaar worden) tewerkgesteld met een startbaanovereenkomst en anderzijds jongeren in het algemeen die in de loop van het kalenderjaar de leeftijd van 19 jaar niet bereiken. Onder startbaanovereenkomst moet worden verstaan elke overeenkomst zoals hieronder opgedeeld in verschillende types, gesloten met een jongere die op de datum van indiensttreding een geldige startbaankaart heeft (in het geval hij in de loop van het kalenderjaar 19 jaar wordt of ouder): - een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst; - een combinatie van een deeltijdse arbeidsovereenkomst (minstens halftijds) en een door de jongere gevolgde opleiding, met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst; - een industriële leerovereenkomst, een leerovereenkomst middenstandsopleiding, een stageovereenkomst opleiding tot ondernemingshoofd, een overeenkomst socioprofessionele inschakeling en elke andere vorm van opleidings- of inschakelingsovereenkomst door de Koning bepaald. Indien de jongere in de loop van het kalenderjaar nog geen 19 jaar wordt, is een startbaankaart overbodig. Om de startbaanovereenkomst echter te laten doorlopen het jaar dat hij 19 wordt en de daarop volgende jaren, moet zijn werkgever ten laatste op 31 januari van het jaar waarin hij 19 wordt een startbaankaart voor hem aanvragen. Zolang de werkgever de jongere ononderbroken verder in dienst houdt onder één van de drie vermelde types van overeenkomsten, blijft dit beschouwd als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst tot de laatste dag van het kwartaal waarin de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt. Onder jongere in het kader van de startbaanovereenkomst moet worden verstaan eenieder die op het ogenblik van zijn indiensttreding: - ingeschreven is als werkzoekende; - minder dan 26 jaar oud is. De jongere, bij wie de uitvoering van de startbaanovereenkomst aanvangt vóór 1 januari van het jaar waarin hij 19 wordt, moet niet voldoen aan de voorwaarde dat hij ingeschreven moet zijn als werkzoekende.
Diversen Vermindering De doelgroepvermindering jonge werknemers wordt enkel gekoppeld aan de voorwaarde dat de werkgever moet voldoen aan zijn startbaanverplichting. Dit speelt dus in het voordeel van de werkgevers die inspanningen doen zonder daartoe verplicht te zijn (ondernemingen < 50 werknemers, vrijgestelde ondernemingen, ..). De vermindering voor laag- en erg laaggeschoolden loopt door tot het einde van het kwartaal waarin de werknemer 26 jaar wordt. Voor de startbaanverplichting tellen alle jongeren tot die leeftijd mee. Berekening van het personeelsbestand tijdens het 2de kwartaal van het voorgaande jaar: Het personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten (VTE), over het 2de kwartaal van het voorgaande jaar, is de som van de VTE-breuken, van de individuele werknemers. Indien er voor een werknemer in dit 2de kwartaal meerdere tewerkstellingslijnen moeten worden gebruikt, dan gebeurt de berekening van de VTE-breuk voor iedere lijn afzonderlijk. Voor tewerkstellingslijnen waarop vergoedingen wegens onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst (looncode 3) en de erdoor gedekte dagen worden aangegeven, mag geen VTE-breuk berekend worden. - Voor tewerkstellingslijnen waarop alleen dagen moeten worden aangegeven geldt: VTE-breuk = Y1 : T - Voor tewerkstellingslijnen waarop dagen en uren moeten worden aangegeven geldt: VTE-breuk = Z1 : (U x E) Waarbij: Y1 = Het aantal dagen aangegeven met de prestatiecodes 1, 3, 4, 5 en 20, verhoogd met: - de wettelijke vakantiedagen voor arbeiders (prestatiecode 2); - de dagen tijdelijke werkloosheid wegens economische oorzaken (prestatiecode 71); - de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge slecht weer (prestatiecode 72); - de dagen staking/lock out (prestatiecode 21); - de niet door de werkgever betaalde vakantiedagen toegekend ingevolge algemeen verbindend verklaarde CAO en de dagen inhaalrust bouwbedrijf (prestatiecode 12). Z1 = het aantal uren dat overeenkomt met Y1; U = het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon; E = 13 indien de werknemer betaald wordt met een maandelijkse frequentie. Anders bedraagt E het aantal weken begrepen in het betrokken kwartaal; T = E vermenigvuldigd met het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel. De VTE-breuk wordt per tewerkstellingslijn rekenkundig afgerond tot op 2 cijfers na de komma waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond. Het resultaat mag per werknemer ( = de som van de verschillende tewerkstellingslijnen) nooit groter zijn dan 1. De jongeren met een startbaanovereenkomst en werknemers waarvoor geen dagen moeten worden aangegeven worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het personeelsbestand over het 2de kwartaal van het voorgaande jaar. Interimkrachten worden eveneens niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand (niet bij dat van de gebruiker noch voor het personeelsbestand van het interimkantoor zelf). Berekening van het aantal jongeren met een startbaanovereenkomst in het lopende kwartaal: Het aantal jongeren met een startbaanovereenkomst dat tijdens een kwartaal in dienst is, is de som van de VTEbreuken berekend per individuele jongere met een startbaanovereenkomst. Indien er voor de werknemer voor een kwartaal meerdere tewerkstellingslijnen moeten worden gebruikt, dan gebeurt de berekening van de VTE-breuk voor iedere lijn afzonderlijk.
Voor de volgende jongeren met een startbaanovereenkomst, tellen de VTE-breuken dubbel ook indien het gaat om jongeren die vóór 1 juli 2003 werden in dienst genomen (voor de indienstnemingen na 1 januari 2004 moet dit vermeld staan op de startbaankaart): -
Iedereen van buitenlandse afkomst, die net voor zijn indienstneming: · werkzoekende is; · minder dan 26 jaar oud is; Onder een persoon van buitenlandse afkomst wordt verstaan, de persoon die niet de nationaliteit bezit van een Staat die deel uitmaakt van de Europese Unie, of de persoon waarvan ten minste één van de ouders deze nationaliteit niet bezit of niet bezat op het ogenblik van het overlijden, of de persoon waarvan tenminste twee van de grootouders niet deze nationaliteit bezitten of bezaten op het ogenblik van hun overlijden. De jongere kan met elk rechtsmiddel bewijzen dat hij beantwoordt aan deze definitie, de verklaring op eer inbegrepen.
-
Elke persoon met een handicap, die net voor zijn indienstneming: · werkzoekende is; · minder dan 26 jaar oud is. Onder een persoon met een handicap wordt verstaan, de persoon die als dusdanig ingeschreven is bij het ' Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap'of bij ' l' Agence wallonne pour l' Intégration des Personnes handicapées' of bij de ' Service bruxellois francophone des Personnes handicapées' of bij de ' Dienststelle des Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung sowie für die besondere soziale Fürsorge'
De berekening van de VTE-breuken is afhankelijk van het type van startbaanovereenkomst en het al dan niet voltijds tewerkgesteld zijn: - voor een voltijds tewerkgestelde jongere met een type I startbaanovereenkomst (voltijdse arbeidsovereenkomst) is de VTE-breuk = Y2 : T; - voor een deeltijds tewerkgestelde jongere met een type I startbaanovereenkomst (deeltijdse, maar minstens halftijdse arbeidsovereenkomst) is de VTE-breuk = Z2 : (U x E); - Voor een jongere met een type II of type III startbaanovereenkomst (overeenkomst werk-opleiding, leerovereenkomst, stageovereenkomst voor opleiding tot ondernemingshoofd) is de VTE-breuk = Y3 : T. Waarbij: Y2 = al de onder één van de prestatiecodes aangegeven dagen, met uitzondering van de dagen aangegeven met de code 30; Z2 = het aantal uren dat overeenkomt met Y2; Y3 = het aantal kalenderdagen van het betrokken kwartaal verminderd met de dagen waarop de jongere ingevolge zijn arbeidsregeling (feestdagen e.d. spelen dus geen rol) niet moet werken. Enkel de kalenderdagen die vallen in de periode waarin de werknemer verbonden is met een startbaanovereenkomst komen in aanmerking. Voor een jongere die het ganse kwartaal gebonden is door een startbaanovereenkomst is Y3 dus gelijk aan T. De andere factoren zijn dezelfde als deze gebruikt bij het bepalen van het personeelsbestand (zie hiervoor). De VTE-breuk wordt per tewerkstellingslijn rekenkundig afgerond tot op 2 cijfers na de komma waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond. Het totaal van de VTE-breuken van één werknemer ( = de som van al de tewerkstellingslijnen) mag nooit groter zijn dan 1. Naast de jongeren met een startbaanovereenkomst worden ook alle werknemers (met uitzondering van de studenten voor wie alleen een solidariteitsbijdrage verschuldigd is) meegerekend tot en met het kwartaal waarin ze 26 jaar oud worden. De VTE breuk van deze werknemers wordt berekend met dezelfde formules als een jongere met een startbaanovereenkomst van het Type I. Bedrag Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke jongere die hij in dienst neemt tot en met het 4de kwartaal van het kalenderjaar dat zijn werknemer 18 wordt. Het betreft dus zowel
jongeren aangeworven met als zonder startbaanovereenkomst en ongeacht of zij verbonden zijn met een leerovereenkomst of een arbeidsovereenkomst. Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke laaggeschoolde jongere die hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 7 daarop volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt). Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke erg laaggeschoolde jongere die hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 15 daarop volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt). Een forfaitair verminderingsbedrag G1 wordt toegekend aan de werkgever voor elke gehandicapte of van buitenlandse afkomst zijnde, laaggeschoolde jongere die hij in dienst neemt met een startbaanovereenkomst voor het kwartaal van indienstneming en de 15 daarop volgende kwartalen en een forfaitair verminderingsbedrag G2 voor de daaropvolgende kwartalen, en dit voor zolang hij in dienst is met een startbaanovereenkomst (de vermindering eindigt dus in elk geval in het kwartaal waarin de jongere 26 jaar wordt). De vermindering voor erg laaggeschoolde jongeren en voor laaggeschoolde gehandicapte of van het buitenland afkomstige jongeren, kan enkel worden toegepast voor jongeren die bij de werkgever voor het eerst in dienst genomen worden vanaf het 2de kwartaal van 2006. Deze nieuwe regeling zal dus pas vanaf het 2de kwartaal 2008 effect hebben. Als kwartaal van indienstneming wordt het kwartaal in aanmerking genomen waarin de jongere voor de allereerste keer in dienst komt van de betrokken werkgever. Indien de jongere echter reeds in dienst was vóór het eerste kwartaal van het kalenderjaar waarin hij 19 jaar oud wordt, wordt het eerste kwartaal van het jaar waarin hij 19 jaar wordt beschouwd als het kwartaal van indienstneming. Aanvraagprocedure De jongere die in de loop van het kalenderjaar van indiensttreding 19 jaar wordt of ouder, moet op het moment van de indienstneming een geldige startbaankaart kunnen voorleggen die hij kan bekomen op het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van zijn woonplaats om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voldoet. Op de startbaankaart wordt vermeld of de jongere in kwestie dubbel wordt geteld bij de berekening van de startbaanverplichting (zie de berekening van het aantal jongeren met een startbaanovereenkomst in het lopende kwartaal). Daarnaast attesteert de startbaankaart ook of het een laaggeschoolde of erg laaggeschoolde jongere betreft. De aanvraag van de startbaankaart wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs. Indien de werkzoekende op het moment van zijn indienstneming niet in het bezit is van een geldige startbaankaart, dan kan ook de werkgever de kaart aanvragen bij de RVA. De aanvraag die van de werkgever uitgaat, zal enkel geldig zijn indien zij voor iedere werkzoekende afzonderlijk gebeurt, en wordt slechts aanvaard voor zover op die aanvraag de namen van de werkgever en van de jongere vermeld zijn, alsook het domicilie van de jongere, zijn identificatienummer voor de sociale zekerheid en de datum van zijn indienstneming. De aanvraag tot het verkrijgen van een startbaankaart moet ten laatste op de 30ste dag volgend op de dag van de indienstneming gebeuren bij het bevoegde werkloosheidsbureau. Elke aanvraag die later toekomt heeft tot gevolg dat de startbaanovereenkomst pas geldig wordt beschouwd vanaf de 1ste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart gebeurde. De startbaankaart draagt als geldigheidsdatum 1 januari van het jaar waarin de jongere 19 wordt indien hij reeds in dienst is genomen vóór deze datum, anders de datum van indienstneming en indien hij nog niet in dienst is genomen de datum waarop de aanvraag wordt ingediend.
De startbaankaart heeft een maximale geldigheidsduur van 12 maanden (alleszins beperkt tot de dag vóór zijn 26ste verjaardag) en mag gebruikt worden voor elke indienstneming die tijdens de geldigheidsperiode wordt verricht. De geldigheidsduur kan met een zelfde periode verlengd worden als de jongere nog aan de vereiste voorwaarden voldoet. De werkgever van de jongere, die in de loop van het kalenderjaar van indiensttreding de leeftijd van 19 jaar niet bereikt en dus geen startbaankaart moet voorleggen, moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de jongere 19 wordt, een startbaankaart aanvragen bij het bevoegde werkloosheidsbureau als hij de startbaanovereenkomst wil laten doorlopen (o.a. in het kader van de doelgroepvermindering laaggeschoolde jongere). Bij zijn aanvraag vermeldt hij: - de identiteit van de werkgever; - de identiteit van de werknemer; - de woonplaats van de werknemer; - het INSZ-nummer van de werknemer; - de datum van indienstneming. en voegt hij een kopie van de startbaanovereenkomst. Elke aanvraag die later toekomt heeft tot gevolg dat de startbaanovereenkomst pas opnieuw als geldig wordt beschouwd vanaf de 1ste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart gebeurde. De startbaanovereenkomst wordt automatische verlengd wanneer hij na afloop van zijn overeenkomst bij dezelfde werkgever aansluitend in dienst treedt. Een nieuwe aanvraag voor een startbaankaart is in dat geval niet nodig. Om echter bij een onderbroken tewerkstelling bij dezelfde werkgever recht te geven op de doelgroepvermindering jonge laaggeschoolde werknemer, moet hij opnieuw een startbaankaart aanvragen die attesteert dat hij nog aan de voorwaarden voldoet. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de startbaankaarten over aan de RSZ. De startbaanovereenkomst moet niet meer gebeuren volgens een vastgelegd model. Arbeidsovereenkomsten met jongeren, gesloten tijdens de geldigheidsduur van een startbaankaart, krijgen immers ' automatisch'de kwalificatie startbaanovereenkomst. Wel wordt voor het type II startbaanovereenkomst enkele bijkomende gegevens gevraagd betreffende de ' opleiding'die met dit type gepaard gaat. Via de multifunctionele aangifte deelt de werkgever, in het veld ' Maatregelen tot bevordering van de werkgelegenheid'mee met welk type van startbaanovereenkomst de jongere wordt aangeworven en tot welke categorie hij behoort. In het geval een overeenkomst betreft specifiek voor leerlingen of stagiairs, moet de werkgever eveneens aanduiden over welk ' type van leerling'het gaat bij de parameters van de tewerkstellingslijn. In het veld ' begindatum doelgroepvermindering'moet u de datum van allereerste indiensttreding invullen (er wordt voor de berekening van het aantal kwartalen G1 automatisch GEEN rekening gehouden met de kwartalen vóór 1 januari van het jaar dat de werknemer 19 wordt). Deze aanduidingen zijn verplicht en kunnen een impact hebben op de berekening van de startbaanverplichting, het recht op de doelgroepvermindering en/of de berekening van de verschuldigde bijdragen. Daarnaast duidt de werkgever de overeenkomstige doelgroepvermindering aan.
1.1.2.8 HERSTRUCTURERING Inhoud steunmaatregel In het kader van de maatregelen ter ondersteuning van ingevolge een herstructurering ontslagen werknemers, wordt vanaf het 3de kwartaal 2004 een nieuwe doelgroepvermindering gecreëerd, waarbij een financieel voordeel wordt toegekend aan de werkgever die een werknemer aanwerft die door een onderneming in herstructurering werd ontslagen. Daarnaast wordt er eveneens een forfaitaire vermindering van de werknemersbijdrage voorzien. In wat hierna volgt wordt alleen de bijdragevermindering besproken die de werkgever die de ontslagen werknemer aanwerft, kan genieten. Wie meer uitleg wenst over de formaliteiten die nageleefd moeten worden opdat er sprake kan zijn van het ontslag van een werknemer ingevolge herstructurering (oprichting van een tewerkstellingscel, outplacementbegeleiding,…), neemt best contact op met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Begunstigden Iedere werkgever behalve de betrokken onderneming in herstructurering zelf, of een onderneming die behoort tot dezelfde groep als de onderneming in herstructurering. Projecten Al wie ontslagen werd in het kader van een herstructurering en tijdens de geldigheidsperiode van een ' verminderingskaart herstructureringen A'(zie Aanvraagprocedure) in dienst treedt bij een andere werkgever. Diversen Vermindering De werkgever geniet voor deze werknemer de vermindering G2 tijdens de duur van de geldigheid van de ' verminderingskaart herstructureringen B' , wat maximaal 3 kwartalen is (zie hierna). Aanvraagprocedure De RVA reikt spontaan een ' verminderingskaart herstructureringen A'uit aan de werknemers die ontslagen werden in het kader van een herstructurering en die ingegaan zijn op het outplacementaanbod en werden ingeschreven bij de tewerkstellingscel. Op vertoon van een afschrift van zijn arbeidsovereenkomst, kan de werknemer met een geldige ' verminderingskaart herstructureringen A'bij de RVA een ' verminderingskaart herstructureringen B'bekomen met een geldigheidsduur vanaf de datum van de eerste indiensttreding na het ontslag ingevolge herstructurering, tot het einde van het 2de kwartaal volgend op het kwartaal van eerste indiensttreding. Iedere werknemer ontslagen in het kader van een herstructurering kan slechts éénmaal een ' verminderingskaart herstructureringen B'bekomen. De werknemer kan echter steeds een kopie krijgen van deze ' verminderingskaart herstructureringen B' . De ' verminderingskaart herstructurering B'blijft geldig gedurende de vooropgestelde periode bij verandering van werkgever. De verminderingskaart ' herstructureringen B'moet aangevraagd worden bij de RVA ten laatste de 60ste dag volgend op de dag van indienstneming of desgevallend volgend op de dag van ontvangst van de ' verminderingskaart herstructureringen A' . De RVA maakt de nodige gegevens aan de RSZ over betreffende identificatie van de werknemer en geldigheidsduur van de kaart.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt Directie van de inschakeling in het arbeidsproces Katrien Claus Ernest Blerotstraat 1 1070 Brussel Tel.: 02/233.46.58 Fax: 02/233.48.55 E-mail: katrien.claus@meta.fgov.be
1.2
DE SPECIFIEKE VERMINDERINGEN
1.2.1
WERKBONUS
Inhoud steunmaatregel Vanaf 1 januari 2000 is een systeem van vermindering van de werknemersbijdragen van kracht, dat tot doel heeft werknemers met een laag loon een hoger nettoloon te garanderen, zonder daarbij het brutoloon te verhogen. Vanaf 1 januari 2005 loopt deze werknemersbijdragevermindering voort onder de benaming ' Werkbonus' . Projecten Het gaat om de werknemers van de privé-sector en van de openbare sector die een werknemersbijdrage van 13,07 % verschuldigd zijn. Voor de privé-sector komen dus onder andere niet in aanmerking: - de geneesheren in opleiding tot specialist; - de leerlingen, stagiairs en de andere jongeren tijdens de periode van gedeeltelijke onderwerping aan de sociale zekerheid (periode die eindigt op 31 december van het kalenderjaar waarin ze 18 jaar worden). De meeste statutaire personeelsleden van de openbare sector komen evenmin voor de vermindering in aanmerking. Diversen Praktische toepassing van de vermindering De vermindering bestaat uit een forfaitair bedrag dat geleidelijk vermindert naarmate het loon hoger wordt. De werkgever brengt het bedrag in mindering van de normale werknemersbijdragen (13,07% van het brutoloon) bij de betaling van het loon. De werkbonus compenseert de volledige werknemersbijdrage voor een referteloon tot ongeveer 1050 EUR bruto per maand. Indien het loon wordt betaald volgens een andere periodiciteit dan de maandelijkse (per week, per twee weken, per vier weken,...) berekent de werkgever de vermindering bij de laatste betaling die op de kalendermaand betrekking heeft. In dat geval is de berekening gebaseerd op de dagen en de lonen die op die kalendermaand betrekking hebben. Voor werknemers die binnen de maand met opeenvolgende overeenkomsten werken, wordt het verminderingsbedrag verrekend aan het einde van iedere overeenkomst of bij iedere betaling die betrekking heeft op die overeenkomsten. Berekening van de vermindering Men berekent de vermindering voor iedere werknemer apart. Deze berekening omvat drie stappen: - eerst bepaalt men het refertemaandloon van de werknemer - op basis van dat refertemaandloon bepaalt men het basisbedrag van de vermindering; - ten slotte stelt men het verminderingsbedrag vast door het basisbedrag te corrigeren bij onvolledige prestaties en bij deeltijdse werknemers. Vanaf 1 januari 2006 wordt een onderscheid gemaakt wat betreft de vermindering en de loongrenzen, naargelang de werknemer wordt tewerkgesteld bij een werkgever uit de openbare sector of uit de private sector. In de openbare sector zijn dit de werknemers, tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst, bij o.a.: - het Rijk, de Gemeenschappen en de Gewesten; - de openbare instellingen die ervan afhangen, met uitzondering van de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, de ' Vlaamse Vervoermaatschappij'en de ' Société régionale wallonne de Transport' ; - de kerkfabrieken;
-
-
de wateringen en de polders; de maatschappijen voor het bouwen van volkswoningen; de ordes van advocaten, geneesheren enz..
Aanvraagprocedure De gepaste rubrieken van de kwartaalaangifte invullen. Op de website van de RSZ (http://www.rsz.fgov.be) vindt u tevens een downloadbaar programma waarmee u deze vermindering kunt berekenen.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.2
VERMINDERING VAN DE WERKNEMERSBIJDRAGEN – HERSTRUCTURERING
Inhoud steunmaatregel Van 1 juli 2004 is een systeem van vermindering van de werknemersbijdragen van kracht, dat tot doel heeft werknemers die ontslagen zijn als gevolg van een herstructurering, een financiële stimulans te geven wanneer ze terug werk vinden, door hen voor een bepaalde periode een groter nettoloon te garanderen, zonder daarbij het brutoloon te verhogen. Deze maatregel kadert, samen met de doelgroepvermindering herstructurering, in de bevordering van de wedertewerkstelling van ingevolge herstructurering ontslagen werknemers. Begunstigden Het gaat om de werknemers van de privé-sector en van de openbare sector die een werknemersbijdrage van 13,07 % verschuldigd zijn. Enkel de nieuwe werknemers die een geldige ' verminderingskaart herstructureringen A'kunnen voorleggen komen in aanmerking. Een nieuwe tewerkstelling bij de onderneming in herstructurering zelf of bij een onderneming die behoort tot dezelfde groep of dezelfde technische bedrijfseenheid, komt niet in aanmerking voor het bekomen van deze vermindering. Deze kaarten worden door de RVA spontaan uitgereikt aan alle werknemers ontslagen in het kader van een herstructurering die ingegaan zijn op het outplacementaanbod en werden ingeschreven bij de tewerkstellingscel. Diversen Bedrag van de vermindering De vermindering bestaat uit een forfaitair bedrag van 133,33 EUR per maand (133,33 EUR x 1,08 voor de arbeiders aangegeven aan 108 %) en kan enkel tijdens de duur van de geldigheid van de "verminderingskaart herstructureringen B" verkregen worden, wat maximaal 3 kwartalen is. De werkgever brengt het bedrag in mindering van de normale werknemersbijdragen (13,07% van het brutoloon) bij de betaling van het loon. De som van de werknemersbijdragevermindering lage lonen en herstructurering samen, mag de verschuldigde persoonlijke socialezekerheidsbijdragen niet overschrijden. Indien de som van de verminderingen groter is dan de verschuldigde persoonlijke bijdragen, wordt eerst de vermindering herstructurering beperkt. Het verminderingsbedrag wordt geproratiseerd in functie van de prestaties van de werknemer tijdens de maand: - voltijdse werknemers met volledige prestaties : 133,33 euro - voltijdse werknemers met onvolledige prestaties : J/D x 133,33 euro - deeltijdse werknemers en met deeltijdse gelijkgestelden : H/U x 133,33 euro Waarbij: - J = het aantal dagen van de werknemer aangegeven met de prestatiecodes 1, 3, 4, 5 en 20; - D = het maximum aantal dagen prestaties voor de betrokken maand in het betrokken arbeidsstelsel; - H = het aantal aangegeven uren met de prestatiecodes 1, 3, 4, 5 en 20; - U = het aantal uren op maandbasis dat overeenstemt met D. De breuken J/D en H/U worden afgerond op twee decimalen (0,005 wordt 0,01) en het resultaat van die breuken mag nooit groter zijn dan 1.
Worden voor de berekening van de vermindering met deeltijdsen gelijkgesteld: - werknemers die in de loop van de maand bij de werkgever voltijds en deeltijds werken; - voltijdse werknemers die met uren moeten worden aangegeven; het betreft werknemers met gedeeltelijke werkhervatting na ziekte of (arbeids)ongeval, met al dan niet gedeeltelijke (gereglementeerde) onderbreking van de loopbaan, met halftijds brugpensioen, werknemers bij tussenpozen (uitzendkrachten, tijdelijke arbeid, thuisarbeid), werknemers met gelimiteerde prestaties (met een contract van korte duur en voor een tewerkstelling die per dag niet de gewoonlijke dagduur bereikt) en seizoenarbeiders. Indien het loon wordt betaald volgens een andere periodiciteit dan de maandelijkse (per week, per twee weken, per vier weken,...) berekent de werkgever de vermindering bij de laatste betaling die op de kalendermaand betrekking heeft. In dat geval is de berekening gebaseerd op de dagen en de lonen die op die kalendermaand betrekking hebben. Voor werknemers die binnen de maand met opeenvolgende overeenkomsten werken, wordt het verminderingsbedrag verrekend aan het einde van iedere overeenkomst of bij iedere betaling die betrekking heeft op die overeenkomsten. Voor voltijdse werknemers die in de loop van de maand in verschillende arbeidsregelingen werken moet u, uitsluitend voor de toepassing van deze vermindering, alle prestaties omrekenen naar één van de regimes. Aanvraagprocedure De RVA reikt spontaan een ' verminderingskaart herstructureringen A'uit aan de werknemers die ontslagen werden in het kader van een herstructurering en die ingegaan zijn op het outplacementaanbod en werden ingeschreven bij de tewerkstellingscel. Op vertoon van een afschrift van zijn arbeidsovereenkomst, kan de werknemer met een geldige ' verminderingskaart herstructureringen A'bij de RVA een ' verminderingskaart herstructureringen B'bekomen met een geldigheidsduur vanaf de datum van de eerste indiensttreding na het ontslag ingevolge herstructurering, tot het einde van het 2de kwartaal volgend op het kwartaal van eerste indiensttreding. Iedere werknemer ontslagen in het kader van een herstructurering kan slechts éénmaal een ' verminderingskaart herstructureringen B'bekomen. De werknemer kan echter steeds een kopie krijgen van deze ' verminderingskaart herstructureringen B'als hij gedurende de geldigheidsperiode van werkgever zou veranderen. De verminderingskaart ' herstructureringen B'moet aangevraagd worden bij de RVA ten laatste de 60ste dag volgend op de dag van indienstneming of desgevallend volgend op de dag van ontvangst van de ' verminderingskaart herstructureringen A' . De RVA maakt de nodige gegevens aan de RSZ over betreffende identificatie van de werknemer en geldigheidsduur van de kaart.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.3
TEGEMOETKOMING AAN DE NON-PROFITSECTOR TOT BEVORDERING VAN DE WERKGELEGENHEID
Inhoud steunmaatregel Het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, verleent in de vorm van een bijdragevermindering een financiële tegemoetkoming aan de werkgevers van de non-profitsector die zich verbinden daadwerkelijk deel te nemen aan de bevordering van de werkgelegenheid van risicogroepen. Begunstigden Het zijn de betoelaagde instellingen en diensten voor gehandicapte personen ten laste van het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten of zijn rechtsopvolgers, voorzover zij hun activiteit zonder winstoogmerk uitoefenen. Zijn uitgesloten: - de werkgevers uit de overheidssector; - de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen waaronder de universiteiten; - de diensten voor school- en beroepsoriëntering en de vrije psycho-medico-sociale centra. De betrokken instellingen moeten een collectieve arbeidsovereenkomst naleven, afgesloten voor alle instellingen die vallen onder de bevoegdheid van hetzelfde paritair comité. Deze voorwaarde geldt ook voor de instellingen die niet onder de bevoegdheid van enig paritair comité vallen. Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet de bepalingen omvatten die zijn voorgeschreven bij artikel 2, §2, van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector. Zij moeten afgesloten zijn overeenkomstig de Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en bovendien goedgekeurd zijn door de federale minister van Tewerkstelling en Arbeid. Diversen Bedrag van de tegemoetkoming De tegemoetkoming bedraagt 2 % van de loonmassa van de werknemers (voor de werklieden aan 108 %) van elk jaar waarin de overeenkomst wordt toegepast, verhoogd met de werkgeversbijdragen. Vanaf de tegemoetkoming voor het jaar 1998, zijn de tegemoetkomingen maximaal gelijk aan deze voor het jaar 1997. Voor deze verhoging gelden als werkgeversbijdragen, de bijdragen ten laste van de werkgever met betrekking tot: - de werkloosheid, met inbegrip van de bijzondere bijdrage van 1,60 %, verschuldigd door de werkgevers die op 30 juni van het voorgaande jaar minstens tien werknemers tewerkstelden; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector uitkeringen en sector geneeskundige verzorging); - de kinderbijslagen; - de pensioenen; - de jaarlijkse vakantie voor arbeiders, zowel de driemaandelijks verschuldigde bijdrage als de jaarlijkse bijdrage van 10,27%; - de arbeidsongevallen; - de beroepsziekten. In de mate waarin de collectieve overeenkomst niet wordt nageleefd, vermindert de tegemoetkoming proportioneel voor de betrokken maanden. De RSZ berekent deze vermindering overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 8 november 1990 tot uitvoering van artikel 4, alinea 3, van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.
Aanvraagprocedure De betrokken instellingen dienen bij de RSZ schriftelijk een aanvraag in. Bij deze aanvraag voegen zij een attest afgeleverd door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Ernest Blerotstraat 1 te 1070 Brussel, overeenkomstig artikel 1, §2, van het ministerieel besluit van 8 november 1990 tot uitvoering van het artikel 4, §3, van het koninklijk besluit van 22 september 1989. De RSZ zal het bedrag van de tegemoetkoming berekenen, na ontvangst van het attest waaruit blijkt in welke mate de collectieve arbeidsovereenkomst werd nageleefd. Voorzover de RSZ in het bezit is van het attest, wordt het bedrag van de tegemoetkoming aan de betrokken instellingen meegedeeld binnen de twee maanden na ontvangst van de aanvraag. De RSZ verduidelijkt de begunstigden hoe zij het bedrag van de tegemoetkoming kunnen verrekenen.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.4
BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING IN DE NON-PROFITSECTOR (SOCIALE MARIBEL)
Inhoud steunmaatregel Een koninklijk besluit van 18 juli 2002 regelt een nieuw systeem van bijdragevermindering, hoofdzakelijk voor de non-profitsector. De betrokken sector heeft recht op een forfaitaire vermindering voor iedere werknemer die tijdens het kwartaal ten minste 50 % presteert (33 % vanaf 1 juli 2004 voor de sector van de beschutte werkplaatsen, 22 % vóór die datum) van het aantal arbeidsdagen of arbeidsuren van een voltijdse betrekking. Het is dus geen bijdragevermindering op het niveau van de werkgever, maar wel op het niveau van de sector waarin de werkgever actief is. De bedragen die door deze maatregel vrijgemaakt worden binnen een bepaalde sector, worden aangewend om bijkomende tewerkstelling in de sector te subsidiëren. Het bedrag van de vermindering wordt door de RSZ zelf berekend en ingehouden bij de betrokken werkgevers en vervolgens doorgestort aan de daartoe opgerichte sociale fondsen. De werkgever moet evenwel met deze inhouding sociale maribel rekening houden om het maximumbedrag te bepalen dat nog in aanmerking komt voor eventuele andere verminderingen die hij nog kan toepassen. De onderstaande tekst is algemeen opgevat en behandelt alleen de invloed van de vermindering op de RSZaangifte. Precieze inlichtingen over het systeem van de sociale maribel, krijgt u bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Ernest Blerotstraat 1 te 1070 Brussel (tel. 02 233 41 11). Begunstigden De maatregel betreft werkgevers die voor hun aangegeven werknemers ressorteren onder de volgende paritaire comités: - Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen; - Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten; - Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp; - Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap; - Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap; - Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten; - Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Vlaamse Gemeenschap; - Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Franse Gemeenschap; - Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of door de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de sociale werkplaatsen erkend en/of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap met uitzondering van de sociale werkplaatsen; - Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen erkend door de Franse Gemeenschapscommissie; - Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen van het Waalse Gewest en van de Duitstalige Gemeenschap; - Paritair Comité voor de socio-culturele sector. Het toepassingsgebied van de maatregel omvat ook enkele werkgevers die behoren tot de openbare sector. Projecten Voor de privé-sector komen enkel de werknemers die onder alle regelingen vallen in aanmerking voor de inhouding sociale maribel. De werkgever moet rekening houden met een inhouding voor iedere werknemer die voor het kwartaal ten minste 50 % van het aantal arbeidsdagen of arbeidsuren presteert, voorzien in de betreffende sector voor een voltijdse betrekking. Aan deze voorwaarde is geacht voldaan te zijn indien de prestatiebreuk µ (glob) van de werknemer ten minste 0,49 bedraagt. Het bepalen van µ (glob) gebeurt op dezelfde manier als bij de berekening van de geharmoniseerde vermindering 2004.
In afwijking hierop is voor de sector der beschutte werkplaatsen vanaf 1 juli 2004 een minimum van 33 % vereist. Vóór deze datum volstond een tewerkstelling van 22 %. Diversen Bedrag van de vermindering Vanaf 1 januari 2005 bedraagt de inhouding bij de betrokken werkgevers 354,92 EUR per rechtgevende werknemer . Nazicht van het effect op de bijkomende tewerkstelling De opbrengst van de sociale maribel moet worden omgezet in bijkomende tewerkstelling en verhoging van het arbeidsvolume. Voor precieze inlichtingen over de manier waarop zal worden nagezien of aan deze voorwaarde is voldaan, kunt u zich wenden tot de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Toegestane cumulaties Per werknemer die het recht opent op de sociale maribel, moet het totaal bedrag van werkgeversbijdragen dat voor de andere verminderingen beschikbaar is, vooraf verminderd worden met het forfaitaire bedrag van de sociale maribel van 354,92 EUR. In afwijking daarvan moet voor de werknemers van een beschutte werkplaats bij de berekening van de werkgeversbijdragen die in aanmerking komen voor de andere verminderingen GEEN rekening gehouden worden met dit forfaitaire bedrag. Indien er meerdere tewerkstellingslijnen zijn en de prestaties van één van de tewerkstellingslijnen onder het toepassingsgebied van de sociale maribel vallen, wordt het bedrag van de sociale maribel verdeeld rekening houdend met het relatieve aandeel van de prestaties van een bepaalde tewerkstellinglijn in het geheel van de prestaties voor dat kwartaal, gebruik makend van de prestatiebreuken ( µ / µ (glob) ) en dit ook voor de tewerkstellingslijnen waarvoor de prestaties niet onder het toepassingsveld van de sociale maribel vallen. De vermindering van de sociale maribel is niet cumuleerbaar met: - de vrijstelling van werkgeversbijdragen voor gesubsidieerde contractuelen (gesco' s); - de vrijstelling van werkgeversbijdragen voor contractuelen aangeworven ingevolge de herverdeling van de arbeid in de openbare sector; - de doelgroepvermindering ' langdurig werkzoekenden' ; - de overgangsmaatregelen ' langdurig werkzoekenden' (overgangsmaatregelen banenplan voor werkzoekenden, activaplan, herinschakeling van moeilijk te plaatsen werklozen, inschakelingsprojecten). De beide vrijstellingen en de opgesomde verminderingen kunnen dus integraal worden toegepast, zonder voorafgaandelijk het bedrag van de sociale maribel in mindering te brengen. Indien er meerdere tewerkstellingslijnen zijn en voor een tewerkstellingslijn één van beide vrijstellingen of één van de opgesomde verminderingen wordt toegepast, moet er voor geen van de tewerkstellingslijnen voor deze werknemer rekening gehouden worden met de inhouding sociale maribel. Aanvraagprocedure De werkgevers moeten niets in hun aangifte vermelden. De RSZ berekent zelf het bedrag van de vermindering. De werkgevers die behoren tot het paritair subcomité 305.02 (gezondheidszorgen andere dan ziekenhuizen), moeten bij het invullen van hun aangifte verplicht een verdere onderverdeling van het paritair subcomité gebruiken.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
1.2.5
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Inhoud steunmaatregel De Wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen en het KB van 5 maart 1997 tot uitvoering van Titel VI van die wet, regelen, vanaf 1 oktober 1996, een vermindering van de werkgeversbijdragen voor bepaalde werkgevers die overgaan tot bijkomende aanwervingen voor wetenschappelijk onderzoek. Begunstigden Het zijn: - de universiteiten en ermee gelijkgestelde onderwijsinrichtingen; - de wetenschappelijke inrichtingen beheerd door de federale Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten of, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie; - de inrichtingen of instellingen erkend of gesubsidieerd door de federale Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten of, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Projecten Het zijn de werknemers aangeworven in het kader van een overeenkomst afgesloten met de federale ministers van Sociale Zaken en van Wetenschapsbeleid en die aangesteld zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Zij moeten een netto bijkomende aanwerving uitmaken van het aantal werknemers tewerkgesteld binnen de activiteit van wetenschappelijk onderzoek. Diversen Bedrag van de vermindering De vermindering bestaat uit een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de volgende sectoren: - de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen; - de werkloosheid, enkel de bijdrage die door iedere werkgever verschuldigd is; - de kinderbijslagen; - de beroepsziekten; - de arbeidsongevallen; - de loonmatigingsbijdrage. De bijdrage voor werkloosheid die enkel verschuldigd is door de werkgevers die op 30 juni van het voorgaande jaar 10 of meer werknemers tewerkstelden (momenteel 1,60 %) blijft verschuldigd. Aanvraagprocedure De werkgever moet een aanvraag indienen bij de federale diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden, die tevens de nodige inlichtingen kunnen geven over de te vervullen formaliteiten en de na te leven verplichtingen. De verminderingsbedragen worden met de gepaste codes vermeld in de kwartaalaangifte. De Rijksdienst controleert de vermindering aan het eind van ieder jaar op basis van de lijsten van de federale diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden. De werkgever moet aan de RSZ of aan zijn erkend sociaal secretariaat geen attesten bezorgen.
Aanvullende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Victor Hortaplein 11 1060 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax: 02/509.30.19 Website: http://www.rsz.fgov.be
2.
FINANCIELE MAATREGELEN
2.1
AANMOEDIGINGSPREMIES IN DE PRIVE-SECTOR
Inhoud steunmaatregel Met ingang van 1 januari 2002 werd het bestaande stelsel van de aanmoedigingspremies bij arbeidsduurvermindering of loopbaanonderbreking hervormd en werd de aanmoedigingspremie bij opleidingskrediet, zorgkrediet en in ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering ingevoerd ( besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002, B.S. van 20 maart 2002). Het nieuwe premiestelsel vormt een aanvulling op de nieuwe federale regeling inzake tijdskrediet ( CAO nr. 77 van 19 december 2001). Alleen de tekst van het besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002, het wijzigingsbesluit van 20 juni en het wijzigingsbesluit van 25 maart 2005 hebben rechtskracht. Begunstigden De hier beschreven maatregelen zijn van toepassing op de werknemers tewerkgesteld in de privé-sector in het Vlaamse gewest. Voor de werknemers uit de Vlaamse social profit sector (besluit van de Vlaamse regering van 3 mei 2002) en de personeelsleden uit de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs (besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998) bestaat er een apart stelsel aanmoedigingspremies met andere voorwaarden. Projecten De toekenning van de hierna vermelde aanmoedigingspremies wordt afhankelijk gemaakt van het afsluiten van sectorakkoorden (op sectorniveau) of van bedrijfsakkoorden of toetredingsakten (op ondernemingsniveau) waarin gestipuleerd moet worden tot welke maatregel(en) de betrokken sector of onderneming zal toetreden. 2.1.1
OPLEIDINGSKREDIET
Wat De werknemer die een tijdskrediet opneemt om een opleiding te volgen. Duur De werknemer heeft recht op maximum twee jaar opleidingskrediet gedurende zijn volledige beroepsloopbaan. Werknemers met een loopbaananciënniteit van minstens 20 jaar krijgen 6 maanden extra opleidingskrediet. De aanmoedigingspremie kan voor de volledige periode van de opleiding worden toegekend indien het gaat om tweedekansonderwijs of om een opleiding die toegang geeft tot de uitoefening van een knelpuntberoep. Bedrag De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks150, 100 of 50 euro bruto naargelang het gaat om een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan. De alleenstaande werknemer, al dan niet met kinderen ten laste, krijgt maandelijks een extra premie van 37 euro bruto. 2.1.2
ZORGKREDIET
Wat De werknemer die een tijdskrediet of thematisch verlof (ouderschapsverlof, verlof voor medische bijstand, palliatief verlof) opneemt om zorg te verlenen aan een kind ten laste tot en met de leeftijd van 7 jaar (of tot en met de leeftijd van 11 jaar voor kinderen die een handicap hebben van minstens 66%), een vader/moeder ouder dan 70 jaar, een zwaar ziek gezins- of familielid of een persoon die ongeneeslijk ziek is. Duur De werknemer heeft recht op maximum één jaar zorgkrediet gedurende zijn volledige beroepsloopbaan.
Bedrag De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 150, 100 of 50 euro bruto naargelang het gaat om volledige of gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan. De alleenstaande werknemer, al dan niet met kinderen ten laste, krijgt maandelijks een extra premie van 37 euro bruto. 2.1.3
STEUN AAN WERKNEMERS VAN ONDERNEMINGEN IN MOEILIJKHEDEN OF IN HERSTRUCTURERING
Wat De werknemer, tewerkgesteld in een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering, die zijn arbeidsduur vermindert met ten minste 10% van de voltijdse arbeidsregeling en na vermindering nog minstens halftijds werkt. De onderneming moet een federaal attest van erkenning als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering bekomen hebben, ofwel moet de onderneming een herstructureringsplan kunnen voorleggen. Deze aanmoedigingspremie mag niet gecumuleerd worden met de onderbrekingsuitkering van de RVA. Duur De werknemer van een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering kan de premie maximum twee jaar toegekend krijgen gedurende zijn beroepsloopbaan. Bedrag De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 125, 75 of 50 euro bruto naargelang de arbeidstijd wordt verminderd met 50%, 20% of tussen 10 en 20% van de voltijdse arbeidsregeling. 2.1.4
SUPPLETIEVE REGELING
Wat De werknemer die werkt in een sector of onderneming waar geen sectorakkoord, bedrijfsakkoord of toetredingsakte inzake de aanmoedigingspremies is afgesloten, en die ofwel een tijdskrediet opneemt om tweedekansonderwijs te volgen, ofwel een ouderschapsverlof of een thematisch verlof of tijdskrediet voor het verstrekken van palliatieve zorgen of voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid. Duur Idem als bij opleidingskrediet/zorgkrediet. Bedrag Idem als bij opleidingskrediet/zorgkrediet. Aanvraagprocedure De premie kan maximum zes maanden, voorafgaand aan de maand van de aanvraag, met terugwerkende kracht worden toegekend. Uitbetaling De aanmoedigingspremies worden door de administratie maandelijks uitbetaald en zijn bovendien geïndexeerd.
Aanvullende inlichtingen Alle toekenningsvoorwaarden worden toegelicht in de infobrochure die samen met het aanvraagformulier te verkrijgen zijn bij het: Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie Cel aanmoedigingspremies Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel. 0800-3 02 01 ( Vlaamse Infolijn ) E-mail: aanmoedigingspremie@vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/werk
2.2
TEGEMOETKOMING BIJ DE AANWERVING VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP
Inhoud steunmaatregel Werkgevers die personen met een handicap tewerkstellen kunnen - onder bepaalde voorwaarden - in het kader van de toepassing van CAO-26 een loonsubsidie krijgen. In de mate dat het rendement van de werknemers lager ligt dan het normale kan de werkgever gemachtigd zijn een percentage (max 50%) van de loonkost (het loon, de RSZ-bijdragen, de premie arbeidsongevallen), terugvorderen bij de VDAB. Daarnaast kan een tussenkomst worden bekomen in de kosten voor de aanpassing van een arbeidspost, de kosten van arbeidsgereedschap en -kleding. Begunstigden Elke werkgever uit de privé-sector kan een tegemoetkoming ontvangen bij de aanwerving van een persoon met een handicap. De persoon met een handicap moet verblijven in het toepassingsgebied van de Vlaamse Gemeenschap. Voor PmH uit de Franstalige gemeenschap staat AWIPH (Agence wallone pour l' intégration des personnes handicapées) in voor de tegemoetkoming. Projecten Aanwerving van een persoon met een handicap die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt. Diversen De werkgever die een persoon met een handicap tewerkstelt, betaalt het normaal loon volledig uit aan de werknemer. Hij zal een deel hiervan (de financiële tegemoetkoming) recupereren van de VDAB. De subsidie wordt niet toegekend aan de werkgever die een valide werknemer vervangt of ontslaat voor de tewerkstelling van een gehandicapte of als de werkgever niet voldoet aan de wettelijke verplichtingen als werkgever. Aanvraagprocedure Zodra de werkgever iemand in dienst neemt die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt van het Vlaams Fonds, moet de werkgever een aanvraag tot machtiging indienen bij de sociale inspectie waaronder zijn bedrijf ressorteert. De sociale inspectie bepaalt het rendementsverlies (maximum 50%). Dit rendementsverlies wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld en resulteert telkens in een nieuwe machtiging. De werkgever betaalt het normaal loon volledig aan de werknemer, maar recupereert de financiële tegemoetkoming van de VDAB. Daarvoor dient de werkgever op het einde van iedere maand een prestatiestaat in bij de regionale VDAB dienst PmH, die vervolgens de loonsubsidie uitbetaalt.
Aanvullende inlichtingen Regionale VDAB diensten PmH: Antwerpen Brugge Gent Hasselt Leuven
Somersstraat 22 Spanjaardstraat 17 Minnemeers 2 Trichterheideweg 9 Sint-Maartenstraat 5
2018 8000 9000 3500 3000
Website: www.vdab.be/personenmeteenhandicap
Antwerpen Brugge Gent Hasselt Leuven
03/202 19 43 050/44 04 04 09/265 01 30 011/26 48 72 016/29 86 81
2.3
INSCHAKELINGSPREMIE
Inhoud steunmaatregel Werkgevers die een persoon met een handicap tewerkstellen, kunnen een inschakelingspremie krijgen (als alternatief voor CAO-26) die overeenstemt met een terugbetaling van 30% van het referteloon voor de bedrijfssector waartoe het bedrijf behoort, verhoogd met de patronale lasten en verminderd met andere tewerkstellingsbevorderende subsidies. Daarnaast kan een tussenkomst worden bekomen in de kosten voor de aanpassing van een arbeidspost, de kosten van arbeidsgereedschap en -kleding. Begunstigden Elke werkgever uit de privé-sector kan een tegemoetkoming ontvangen bij de aanwerving van een persoon met een handicap. De persoon met een handicap moet verblijven in het toepassingsgebied van de Vlaamse Gemeenschap. Voor PmH uit de Franstalige gemeenschap staat AWIPH (Agence wallone pour l' intégration des personnes handicapées) in voor de tegemoetkoming. Projecten Aanwerving van een persoon met een handicap, die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt. Diversen De persoon met een handicap moet ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds en toelating hebben tot het gebruik van ' Bijstand bij opleiding en werk op de open arbeidsmarkt' . Deze toelating geeft toegang tot meerdere formules die kunnen helpen bij de integratie in het werkmilieu, waaronder de toekenning van een inschakelingspremie aan de werkgever. De toekenning van de inschakelingspremie is niet beperkt in tijd. De toekenning blijft lopen tot het einde van de tewerkstelling. De aanvraag tot uitbetaling en de bewijsstukken worden ingediend bij de regionale afdeling van de VDAB dienst PmH waar de tewerkgestelde persoon met een handicap woont. Deze aanvraag wordt ingediend binnen de veertien dagen na afloop van het kwartaal, het Vlaams Fonds keert de inschakelingspremie uit aan het bedrijf binnen de 45 dagen.
Aanvullende inlichtingen Regionale VDAB diensten PmH: Antwerpen Brugge Gent Hasselt Leuven
Somersstraat 22 Spanjaardstraat 17 Minnemeers 2 Trichterheideweg 9 Sint-Maartenstraat 5
2018 8000 9000 3500 3000
Website: www.vdab.be/personenmeteenhandicap
Antwerpen Brugge Gent Hasselt Leuven
03/202 19 43 050/44 04 04 09/265 01 30 011/26 48 72 016/29 86 81
DEEL IV : STEUN BIJ OPLEIDINGEN
1.
VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB)
1.1
INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN DE ONDERNEMING
Inhoud steunmaatregel De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de individuele beroepsopleiding in de onderneming. Deze opleiding is een vorm van opleiding die in principe gereserveerd blijft voor beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn en waarvoor geen beroepsopleidingscentra van de VDAB opgericht zijn. Een individuele opleiding kan afgesloten worden met het oog op de aanpassing en de vervolmaking van de beroepsbekwaamheden van een werkloze of met het oog op het aanleren van een beroep aan een werkloze om die toe te laten na afloop van de opleiding door de onderneming aangeworven te worden. Iedereen kan een individuele beroepsopleiding in de onderneming volgen. Er zijn geen specifieke doelgroepen. Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen (starters en niet-starters), vzw' s en administratieve overheden kunnen een individuele opleiding in de onderneming organiseren. Alle ondernemingen moeten gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn; - opleiding van werkzoekenden; - opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt; - opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven; - opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); - opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap, migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, exgedetineerden, politiek vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt); - opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze vrouwen met geringe beroepskwalificaties); - … Diversen De opleidingsduur bedraagt minimum 1 en maximum 6 maand en wordt vastgelegd op basis van een gedetailleerd opleidingsprogramma dat in gemeenschappelijk overleg tussen de onderneming en het lokaal klantencentrum van de VDAB wordt vastgelegd, rekening houdend met de geschooldheid van de cursist. Dit programma wordt aan het contract gehecht. Na advies van de Sociaal-economische Raad van de Regio (SERR) kan, omwille van de pedagogische noodzaak, de duurtijd vastgelegd worden tot maximum 12 maanden voor een laaggeschoolde en tevens langdurige uitkeringsgerechtigde werkloze. Tijdens de opleiding ontvangt de cursist, naast zijn werkloosheidsuitkeringen of leefloon vanwege de VDAB een productiviteitspremie. Het bedrag van de premie wordt vastgelegd op basis van het ' normaal loon'dat voor het aangeleerde beroep is vastgelegd. Deze premie wordt uitgedrukt als het verschil tussen het normale loon in het beroep en de uitkering waar de cursist recht op heeft uit hoofde van werkloosheid of leefloon.
Indien de cursist geen uitkering geniet uit hoofde van werkloosheid of leefloon wordt het bedrag van de productiviteitspremie uitgedrukt als een percentage van het verschil tussen het normaal loon in het beroep en een compensatievergoeding. Deze compensatievergoeding is ten laste van de VDAB en kan worden verminderd met het bedrag van een andere financiële tussenkomst toegekend door de federale of de Vlaamse overheid in het kader van opleiding. De hoogte van de compensatievergoeding bedraagt 9,60 euro per dag in een regime van de zesdagenweek. Het bedrag kan worden gewijzigd door de Vlaamse regering na advies van het beheerscomité. De onderneming is aan de VDAB maandelijks een bedrag verschuldigd dat het verschil tussen het normale loon in het beroep en de gemiddelde werkloosheidsuitkering. De gemiddelde werkloosheidsuitkering wordt door het beheerscomité vastgelegd voor een volledig kalenderjaar. De werkgever verbindt er zich toe de cursist, die in de onderneming een beroepsopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding in het aangeleerd beroep in loondienst te werk te stellen met een contract van onbepaalde duur en voor een duur ten minste gelijk aan de duur van de opleiding.
Aanvullende inlichtingen VDAB – Training en Opleiding Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.29.20 Fax: 02/506.29.52
1.2
INSTAP-OPLEIDING
Inhoud steunmaatregel Een instap-opleiding is een bedrijfsgerichte afwerking van een beroepsopleiding of studie. De opleiding duurt 2 maanden en moet starten binnen de 4 maanden na het einde van de beroepsopleiding of studie. Begunstigden Om in aanmerking te komen voor een instap-opleiding moet men uitkeringsgerechtigd volledig werkloos, leefloongerechtigd of door de RVA erkend zijn in het kader van het jongerenactiva opleidingsplan. Men moet bovendien: - een beroepsopleiding, georganiseerd of erkend door de VDAB, van minstens 400 uur gevolgd hebben binnen de 9 maanden voor de instapopleiding; - of ingeschreven zijn bij de VDAB als schoolverlater en maximaal een diploma of studiebewijs hebben van: · eerste graad algemeen secundair onderwijs; · tweede graad technisch, beroeps- of kunstsecundair onderwijs; · middenstandsopleiding; · deeltijds beroepssecundair onderwijs; · alternerend beroepsonderwijs; · buitengewoon secundair onderwijs. De instap-opleiding moet starten: - binnen de 4 maanden na het einde van de beroepsopleiding; - binnen de 4 maanden na inschrijving als werkzoekende als men schoolverlater is. Opgelet: bij wijze van overgangsmaatregel kunnen schoolverlaters die hun studies in het schooljaar 2004-2005 hebben gestopt of beëindigd een instap-opleiding starten binnen de 4 maanden na publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad Diversen Voordelen als werkgever Tijdens de instap-opleiding betaal je geen RSZ of loon; enkel een produktiviteitsvergoeding. Je betaalt wel de verplaatsingskosten van de cursist en verzekert hem of haar tegen arbeidsongevallen. Na de opleiding neem je de persoon in dienst met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. De overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd. Er is geen opleidingsprogramma vereist. Voordelen als werkzoekende Als werkzoekenden krijg je na de instap-opleiding een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Tijdens de opleiding wordt de uitkering aangevuld met het verschil tussen het normale loon en de gemiddelde werkloosheidsuitkering. Aanvullende inlichtingen Bel naar 0800 30 700 voor meer informatie of ga langs bij een VDAB-kantoor in je buurt. Een aanvraagformulier voor een instap-opleiding vind je op www.vdab.be, eveneens kan je op dezelfde site een simulatie maken van de kostprijs van een instap-opleiding in je onderneming. Indien je bedrijf gevestigd is in het Brussels Hoofdstelijk Gewest dan kan je voor de aanvraag van een instapopleiding contact opnemen met de heer Gino Asselman (tel.: 02/505.15.26 – fax: 02/505.77.41 – e-mail: gasselman@bgda.be) VDAB – Training en Opleiding Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.29.20 Fax: 02/506.29.52
1.3
BEDRIJFSOPLEIDING VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP
Inhoud steunmaatregel Een onderneming die een bedrijfsopleiding organiseert ter bevordering van de integratie van een persoon met een handicap in het arbeidsproces kan – onder bepaalde voorwaarden – steun genieten van de VDAB. Deze steun kan de vorm aannemen van een loonsubsidie, een terugbetaling van patronale zekerheidsbijdrage, van verplaatsingskosten, van de aankoopkosten van didactisch materiaal en van de kosten van de aanpassing van de arbeidspost. De persoon met een handicap ontvangt een vergoeding ter vervanging van het loon van het Vlaams Fonds + de eventuele verplaatsingskosten, de werkgever verzekert de persoon voor arbeidsongevallen, betaalt de RSZbijdrage en vordert beide terug van het Vlaams Fonds. In de praktijk wordt de opleiding op de werkvloer georganiseerd via de gespecialiseerde beroepsopleidingscentra voor PmH.
Aanvullende inlichtingen VDAB Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.16.75 Website: www.vdab.be/personenmeteenhandicap
2.
SECTORALE MAATREGELEN EN INITIATIEVEN
Inhoud steunmaatregel De sectoren bieden een ruime waaier aan maatregelen en initiatieven, onder andere kosteloze opleidingen, opleidingspremies, hulp bij stages, opleidingen voor opleidingsverantwoordelijken, ontslagbegeleiding, enz… die gericht zijn op werknemers, werkzoekenden of werkgevers. Begunstigden Momenteel heeft de Vlaamse regering 25 sectorconvenants afgesloten waarvan 24 met de sociale partners van sectoren op basis van de paritaire comités (één convenant is niet met traditionele sectoren afgesloten namelijk de convenants met de lokale besturen). Door het afsluiten van een convenant nemen de sociale partners van de sector en de Vlaamse regering engagementen op in een aantal maatschappelijke domeinen. Deze engagementen hebben betrekking op het verhogen van de arbeidsmarktdeelname van de kansengroepen en het diversiteitsbeleid, het verbeteren van de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt, het bevorderen van opleiding, competentiemanagement en loopbaanontwikkeling en het bieden van begeleiding van herstructurering. De sectoren kunnen ook nog bijkomende modules onderschrijven zoals mobiliteit, vermijden van werkstress,… Alle informatie in verband met de sectorconvenants kunt u vinden op: http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/werk/sectoren_situering.htm
Aanvullende inlichtingen Een overzicht van de websites, adressen en contactpersonen van de 25 sectoren waarmee de Vlaamse regering een sectorconvenant heeft afgesloten kunt u aanvragen bij het Euro Info Centre. Vlaamse overheid Agentschap Economie Euro Info Centre Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.38.77 Fax: 02/502.47.02 E-mail: euroinfocentre@vlaanderen.be
3.
PROJECTEN TER STIMULERING VAN DE EVENREDIGE ARBEIDSDEELNAME EN DIVERSITEIT IN ONDERNEMINGEN, INSTELLINGEN EN LOKALE BESTUREN (DIVERSITEITSPLANNEN, CLUSTERPLANNEN, INSTAP- EN GROEIPLANNEN)
Inhoud steunmaatregel Een centraal uitgangspunt van het Vlaams werkgelegenheidsbeleid is het verhogen van de werkzaamheidsgraad en het streven naar evenredige arbeidsdeelname. Evenredige arbeidsdeelname is gericht op het aanbieden van kansen op de arbeidsmarkt aan groepen die mede omwille van heersende stereotypen, vooroordelen en discriminatie of het hebben van bepaalde kenmerken, geconfronteerd worden met uitsluiting op (delen van) de arbeidsmarkt. Het streven is een personeelsbeleid in ondernemingen en organisaties te stimuleren, dat waardering van verschil als uitgangspunt neemt en de meerwaarde inziet van een personeelsbestand dat een afspiegeling vormt van de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Om de doelstellingen te realiseren wordt er gewerkt met concrete actieplannen ter introductie van een Human-Resources-beleid voor kansengroepen. Vanaf 1999 hebben de Subregionale Tewerkstellingscomités de doelstelling om acties te ondernemen om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt dichter bij elkaar te brengen, in het bijzonder daar waar de integratie van kansengroepen in de reguliere economie betreft. In 1999 werd een eerste begin gemaakt om via de ‘positieve actieplannen allochtonen’ in ondernemingen en instellingen het concept ‘management van diversiteit’ te implementeren in het personeelsbeleid. Inmiddels zijn de positieve actieplannen omgevormd tot diversiteitsplannen die via een geïntegreerde benadering van evenredige participatie voor kansengroepen, tot één van de centrale instrumenten van het Vlaams beleid geworden. De opdracht voor het stimuleren en afstemmen van de arbeidsmarkt op dit vlak, is in in handen van de advies- en overleg-structuren van het socio-economisch streekbeleid, RESOC en SERR. De beide structuren worden in de regio ondersteund door het erkend regionaal samenwerkingsverband (ERSV) dat de bedoelde projecten ter uitvoering van het beleid evenredige arbeidsdeelname en diversiteit door projectontwikkelaars EAD laat begeleiden. De diversiteitsplannen in ondernemingen en organisaties richten zich naar de prioritaire doelgroepen van allochtonen, personen met een arbeidshandicap en ouderen. Ook is er binnen de diversiteitsplannen specifieke aandacht mogelijk voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en voor de kansengroepen ex-gedetineerden, laaggeschoolden, holebi’s en jongeren. Een diversiteitsplan is een geheel van maatregelen en acties, met oog voor het managen van verschil, die op een planmatige manier direct en indirect discriminerende drempels wegnemen en/of voorzieningen scheppen waardoor de verticale en horizontale mobiliteit (instroom, doorstroom en opleiding) van leden van de kansengroepen op de arbeidsmarkt worden vergroot. In het Vesoc-actieplan 2006 evenredige arbeidsdeelname en diversiteit is een Vlaams objectief voor 530 diversiteitsplannen (in verschillende varianten) vastgelegd. De bedrijven en instellingen kunnen voor de voorbereiding en begeleiding een beroep doen op de ondersteuning door de projectontwikkelaar van het ERSV van de desbetreffende regio. Van de 530 diversiteitsplannen zijn er 100 plannen die zich hoofdzakelijk richten naar leeftijdsdiversiteit. Voor het introduceren en bestendigen van diversiteit en evenredige arbeidsdeelname in ondernemingen en organisaties, geeft de Vlaamse regering de mogelijkheid tot subsidiëring van volgende te onderscheiden categorieën diversiteitsplannen: -
Diversiteitsplannen kunnen een subsidie bekomen tot een maximum van 2/3 van de totale subsidiabele kost, met een plafond van 10.000,00 euro.
-
Clusterdiversiteitsplannen kunnen een subsidie bekomen tot een maximum van 2/3 van de totale subsidiabele kost, met een plafond van 3.000,00 euro per clusterlid.
-
Instap- en groeidiversiteitsplannen kunnen een subsidie bekomen tot een maximum van 1/2 van de totale subsidiabele kost, met een plafond van 2.500,00 euro.
Voor aanvragen in dit kader en voor meer informatie kunt u terecht bij het ERSV van uw regio of op www.vlaanderen.be/werk. Begunstigden Kleine en grote ondernemingen, instellingen en lokale besturen (en voor clusterdiversiteitsplannen ook sectorfondsen, beroepsfederaties e.d.) kunnen aankloppen voor ondersteuning en begeleiding van een instapdiversiteitsplan, diversiteitsplan, clusterdiversiteitsplan of groeidiversiteitsplan. Ook bedrijven uit sectoren zoals de social-profit komen in aanmerking. Aanvraagprocedure Aanvragen tot het opstarten van een plan dienen voorgelegd te worden aan de SERR van de regio waar de betreffende organisatie is gelegen. Hiervoor kan men contact opnemen met de projectontwikkelaars van het ERSV. Het aanvraagformulier en de details van de regelgeving zijn vanaf mei 2006 te vinden op www.vlaanderen.be/werk.
Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Departement Werk en Sociale Economie Afdeling Werkgelegenheidsbeleid Beleidscel EAD Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel: 02/553.43.33 Fax: 02/553.40.10 Website: www.vlaanderen.be/werk
4.
VLAAMS AGENTSCHAP VOOR ONDERNEMERSVORMING - SYNTRA VLAANDEREN
4.1
VORMING
4.1.1
VLAAMS AGENTSCHAP VOOR ONDERNEMERSVORMING - LEERTIJD
Inhoud steunmaatregel Het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming werd op 1 april 2006 opgericht. Het is de rechtsopvolger van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO) voor wat betreft de bevordering van het zelfstandig ondernemen door vorming en begeleiding. De vorming van zelfstandigen en KMO’s gebeurt in de 5 SYNTRA (21 lesplaatsen). Er zijn drie niveaus van opleiding te onderscheiden: de leertijd, de ondernemersopleiding en de voortgezette vorming. De leertijd is de initiële beroepsopleiding voor leerjongeren vanaf 15-16 jaar die via een leerovereenkomst met een ondernemingshoofd-opleider een basis verwerven om als medewerker in het bedrijf te functioneren. De leertijd omvat een praktische opleiding in een bedrijf of bij een zelfstandige gedurende 4 dagen per week en 1 dag theoretische opleiding in een SYNTRA-lesplaats. Met het getuigschrift leertijd voldoet men voor de meeste gereglementeerde beroepen aan de vestigingsvoorwaarden inzake beroepskennis. Begunstigden Zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen komen in aanmerking voor het begeleiden van een leerjongere. Het ondernemingshoofd-opleider moet aan de volgende voorwaarden voldoen: - 25 jaar geworden zijn en ten minste 5 jaar beroepspraktijk hebben, waarvan 2 jaar als ondernemingshoofd (23 jaar voor wie een diploma ondernemersopleiding heeft); - beschikken over een ondernemingsnummer (handelsregister en de vestigingswet); - waarborgen bieden dat hij een degelijke praktijkopleiding kan en wil geven; - zich aansluiten bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en zorgen voor een arbeidsongevallenverzekering. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - leerovereenkomst of leerverbintenis voor jongeren (al dan niet leerplichtig). Diversen Het ondernemingshoofd-opleider geeft een leervergoeding aan de leerjongere. Voor jongeren onder 18 jaar bedraagt deze 264,14 euro voor het eerste jaar, 352,18 euro voor het tweede jaar en 440,23 euro voor het derde jaar. Voor leerjongeren boven de 18 jaar zijn de bedragen respectievelijk 352,18 euro, 396,21 en 440,23 euro per maand. Deze bedragen worden elk jaar aan de index aangepast. De erkende leerovereenkomsten vallen gedeeltelijk onder de toepassing van de sociale zekerheid tot en met 31 december van het jaar waarin zij 18 jaar worden. Alleen de regelingen betreffende jaarlijkse vakantie, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten zijn van toepassing op deze leerlingen. De erkende leerovereenkomst is volledig onderworpen aan de sociale zekerheid vanaf 1 januari na de 18de verjaardag. In dat geval moet zowel de leerling (13.07 %) als het ondernemingshoofd-opleider (24.88 % gewone bijdragen + 7.48 % loonmatigingsbijdragen) RSZ-bijdragen betalen. De leerling zal zijn RSZ-bijdragen kunnen recupereren via de wet op de lage lonen en dit voor zover zijn leervergoeding niet meer bedraagt dan 1.071 euro voltijds op maandbasis. Het ondernemingshoofd-opleider zal de meerkost (32.35 %) die de volledige onderwerping met zich meebrengt volledig kunnen recupereren via de structurele vermindering zolang de leervergoeding op maandbasis niet meer bedraagt dan 888 euro voor een bediende en 842 euro voor een arbeider.
De volledige onderwerping opent momenteel voor de leerling enkel bijkomende rechten op het vlak van de pensioenen, arbeidsongeschiktheids- en moederschapsverzekering, niet op het vlak van de werkloosheid. Website: http://www.syntra.be.
Aanvullende inlichtingen Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - SYNTRA Vlaanderen Afdeling Sectorale werking Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.63.93 Fax: 02/227.63.91 E-mail: info@syntravlaanderen.be Website: http://www.syntra.be
4.1.2
VLAAMS AGENTSCHAP VOOR ONDERNEMERSVORMING – ONDERNEMERSOPLEIDING (gecertificeerde opleiding)
Inhoud steunmaatregel De ondernemersopleiding is een twee- of driejarige opleiding voor (jong-)volwassenen die zich willen voorbereiden op de uitoefening van een zelfstandig beroep. De ondernemersopleiding bestaat uit cursussen bedrijfsbeheer of bedrijfsmanagement die de toekomstige bedrijfsleider voorbereiden op het beleid van een KMO en de cursussen beroepskennis die het werk van de zelfstandige in een theoretisch kader plaatsen. De beroepskennis heeft betrekking op een 300-tal beroepen. De ondernemersopleiding kan ook gekoppeld worden aan een stageovereenkomst. Het ondernemingshoofd-opleider kan op die manier een toekomstig werknemer vormen. Steeds meer ondernemersopleidingen worden aangeboden onder de vorm van een modulair ondernemerstraject dat korter of langer kan zijn in functie van reeds verworven voorkennis. Begunstigden Zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen komen in aanmerking voor deze opleidingen. Bijna alle sectoren komen in aanmerking. Via de opleiding voldoen de kandidaat-zelfstandigen aan de reglementeringen die noodzakelijk zijn om zich voor bepaalde beroepen te vestigen (vestigingswet, programmawet). Voor de stageovereenkomst dient het ondernemingshoofd-opleider aan dezelfde voorwaarden te voldoen als voor de leerovereenkomst (cfr. 4.1.1 Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Leertijd). Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding van kandidaat zelfstandigen en ondernemers; - opleiding van startende zelfstandigen en ondernemers; - opleiding gericht op beroepskennis; - opleidingen gericht op de toepassing van de telematica, informatica en logistiek; - opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming; - opleidingen in het kader van de binnenvaart; - stageovereenkomst in combinatie met ondernemersopleiding; - … Diversen In de opleiding bedrijfsbeheer staat de start en de uitbouw van een (eigen) KMO-bedrijf centraal. De opleiding omvat de cursus basiskennis bedrijfsbeheer, die al dan niet in versnelde vorm georganiseerd wordt. De cursus wordt afgesloten met het getuigschrift basiskennis bedrijfsbeheer waarmee aan de wettelijke vestigingsverplichtingen wordt voldaan. In de aansluitende cursus wordt de basiskennis aangevuld met meer doorgedreven inzicht in het verantwoord ondernemerschap. Voor wie bedrijfsleider is of een leidinggevende functie in een KMO heeft met een hogere vooropleiding worden cursussen bedrijfsmanagement voor de KMO georganiseerd. De ondernemersopleiding kan gekoppeld worden aan een praktische opleiding in een onderneming met name de stageovereenkomst. Bij deze overeenkomst betaalt het ondernemingshoofd-opleider een stagevergoeding. Voor een stagiair met onvoldoende vooropleiding is dat 439,87 euro (+ kinderbijslag) voor het eerste jaar, 620,33 euro voor het tweede jaar en 733,11 euro voor het derde jaar. Voor stagiairs met voldoende vooropleiding zijn de bedragen respectievelijk 620,33 euro, 733,11 en 733,11 euro. De cursisten-stagiairs worden vanaf 1 januari na hun 18de verjaardag volledig onderworpen aan de RSZ. Deze volledige onderwerping zal echter geen financiële nadelige gevolgen hebben noch voor de cursist-stagiair noch voor het betrokken ondernemingshoofd-opleider zolang men niet afwijkt van de door het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming vastgestelde minimum stagevergoedingen.
Aanvullende inlichtingen Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - SYNTRA Vlaanderen Afdeling Sectorale werking Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.63.93 Fax: 02/227.63.91 E-mail: info@syntravlaanderen.be Website: http://www.syntra.be
4.1.3
VLAAMS AGENTSCHAP VOOR ONDERNEMERSVORMING - VOORTGEZETTE VORMING (niet-gecertificeerde opleiding)
Inhoud steunmaatregel Onder de noemer voortgezette vorming realiseren de SYNTRA, de organisaties van zelfstandigen en KMO' s en de beroepsorganisaties een brede waaier van verdere opleidings- en vormingsinitiatieven. Een initiatief onder de noemer voortgezette vorming is de ' vervolmaking'onder de vorm van studiedagen en seminaries met als doel de beroepswaarde van de deelnemers te verhogen en zich aan de technische, economische en sociale evolutie aan te passen. Begunstigden Zowel zelfstandigen als kleine en middelgrote ondernemingen en hun naaste medewerkers komen in aanmerking voor betoelaagde opleidingen in de voortgezette vorming. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding van werknemers, naaste medewerkers; - opleidingsprogramma' s internationale economische relaties of exportaangelegenheden; - opleidingen gericht op de toepassing van de telematica, informatica en logistiek; - opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming; - opleidingen gericht op verbetering marktinzicht; - opleidingen gericht op kostprijsverbetering, prijsvorming; - andere opleidingsinitiatieven; - …
Aanvullende inlichtingen Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - SYNTRA Vlaanderen Afdeling Sectorale werking Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.63.93 Fax: 02/227.63.91 E-mail: info@syntravlaanderen.be Website: http://www.syntra.be
5.
PETERSCHAPSPROJECTEN
Inhoud steunmaatregel Peterschapsprojecten zijn projecten waarbij enerzijds beslissingsnemers van deelnemende ondernemingen gedurende een bepaalde periode op regelmatige tijdstippen in groepen begeleid worden door een of meer peters om door ervaringsuitwisseling de bedrijfsvoering van de deelnemende ondernemingen te professionaliseren en waarbij anderzijds bedrijfsgerichte activiteiten worden georganiseerd om de netwerkvorming en de ervaringsuitwisseling tussen alle deelnemende ondernemingen en peters te stimuleren. Begunstigden Elke organisatie, publiek of privaat, die een professionele band heeft met het bedrijfsleven in het beoogde werkingsgebied kan het initiatief nemen voor het organiseren van een peterschapsproject en naar aanleiding van een oproep, door de minister bevoegd voor economie, een subsidieaanvraag indienen. Zelfstandige ondernemers, bedrijfsleiders of beslissingsnemers van ondernemingen kunnen deelnemen aan het project. Projecten Projecten die gericht zijn op technologische innovatie komen niet in aanmerking, evenals projecten die gericht zijn op minder dan 60 deelnemers. Kenmerken van een peterschapsproject zijn: - ervaringsuitwisseling tussen ondernemers staat centraal in het project; - de ervaringsuitwisseling draagt bij tot de professionalisering van de bedrijfsvoering van de deelnemende ondernemingen; - er is een periode afgebakend waarbinnen ondernemers op regelmatige basis onder leiding van peters bijeenkomen in groepen om aan ervaringsuitwisseling te doen; - elke groep krijgt minstens één peter toegewezen die hen begeleid en die zijn kennis en ervaring ter beschikking stelt van de groep; - de netwerkvorming en ervaringsuitwisseling over de groepen heen, wordt gestimuleerd door bedrijfsgerichte activiteiten. Diversen Maximaal twee keer per jaar kan de minister bevoegd voor economie een oproep voor peterschapsprojecten lanceren. Organisatoren van peterschapsprojecten die worden geselecteerd in het kader van de oproep worden erkend als peterschapsorganisator.
Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Afdeling Europa Economie Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.42.81 - 02/553.38.79 Fax: 02/502.47.02 Website: http://www.vlaanderen.be/peterschapsprojecten
DEEL V : STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING
1.
INSTITUUT VOOR INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE (IWT-Vlaanderen)
1.1
O&O-PROJECTEN VAN BEDRIJVEN – ALGEMEEN
Inhoud steunmaatregel Deze financiële steun is bestemd voor bedrijven die d.m.v. een onderzoeks- of ontwikkelingsproject een innovatie wensen door te voeren en die daartoe wetenschappelijk-technologische kennis dienen te verwerven. In deze projecten worden de volgende O&O-activiteiten gesteund: industrieel basisonderzoek en de ontwikkeling van prototypes voor nieuwe of verbeterde producten of productieprocessen of een combinatie van beide (gemengd onderzoek). Begunstigden De projectsteun die het IWT toekent in het kader van deze maatregel is bestemd voor alle in Vlaanderen gevestigde bedrijven, van KMO tot dochter van een multinational. Noodzakelijk is dat het bedrijf een exploitatiezetel in Vlaanderen heeft waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen (creatie van toegevoegde waarde) staat centraal. Alle ondernemingstypes komen in aanmerking, behalve beoefenaars van vrije beroepen of zelfstandigen. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund. De projecten worden uitgevoerd door een onderneming alleen of in samenwerking met één of meerdere ondernemingen en/of onderzoeksinstellingen (onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen). Projecten Met industrieel basisonderzoek wordt bedoeld: wetenschappelijk-technologisch onderzoek gericht op het genereren van nieuwe kennis. Deze kennis kan achteraf gebruikt worden bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten, of kan de basis vormen voor het verbeteren van bestaande producten, processen of diensten. Prototype- of ontwikkelingsactiviteiten: dit type van activiteiten beoogt de omzetting van technologische kennis in ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten. Dit omvat ook het vervaardigen van een eerste prototype of eerste demonstratie- of modelprojecten voor zover de resultaten niet rechtstreeks voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend. Met gemengd onderzoek wordt bedoeld onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zowel aspecten van industrieel basisonderzoek als van ontwikkeling omvatten. Bepaalde activiteiten zoals engineering, opleidingen, marktonderzoek en investeringen, kunnen niet de kern van een IWT-project uitmaken. Steunpercentages en modaliteiten IWT-Vlaanderen verleent voor industrieel basisonderzoek een subsidie van 50% van de aanvaarde brutokosten van het project. Voor ontwikkeling en prototype-onderzoek bedraagt de subsidie 25% van de aanvaarde brutokosten van het project. Voor gemengd onderzoek is het steunpercentage 38%. De brutokosten omvatten personeelskosten en overige niet-personeelskosten. Indien het onderzoek wordt uitgevoerd door een KMO wordt het globale steunpercentage verhoogd met 10%. Een KMO is gedefinieerd als een onderneming met niet meer dan 250 werknemers, een jaaromzet minder dan 50 miljoen euro of een balanstotaal minder dan 43 miljoen euro, en voor niet meer dan 25% gecontroleerd door een ander bedrijf dat zelf geen KMO is. Voor KMO’s bestaat tevens de mogelijkheid om bovenop de subsidie een achtergestelde lening te bekomen tot 80% van de aanvaarde projectkosten.
Indien de activiteiten van de KMO in een van de volgende EFRO-doelstellingsgebieden gehuisvest zijn, wordt het steunpercentage verhoogd met 15% indien samengewerkt wordt met een kenniscentrum, en met 5% indien de KMO het project alleen uitvoert. In aanmerking komende EFRO-doelstellingsgebieden zijn: Limburg, Kustvisserijgebied, Westhoek-Middenkust, gedeelten van de stad Gent, Meetjesland. Ten slotte wordt het steunpercentage ook verhoogd voor projecten in EUREKA-context (zie ook 1.3) of voor projecten binnen specifieke acties beslist door de Vlaamse regering, met name projecten op het gebied van Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO) (zie 1.9) of projecten die passen in de LURU-regeling (zie 1.11). Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en de projectpartners. Deze overeenkomst is in de eerste plaats een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op. De betaling van de steun gebeurt in zesmaandelijkse schijven, die gekoppeld zijn aan verslaggeving. Aanvraagprocedure Voorstellen voor O&O-projecten kunnen doorlopend ingediend worden bij IWT-Vlaanderen. Een projectvoorstel omvat de volgende onderdelen, in te vullen overeenkomstig de handleiding: - algemene administratieve inlichtingen over de aanvrager en eventuele andere deelnemers aan het project; - beschrijving van het innovatiedoel, nl. de probleemstelling, de verwachte, verifieerbare resultaten en de valorisatiemogelijkheden; - de positionering van het bedrijf binnen het project en de state of the art; - het werkprogramma; - de kostenraming en de gevraagde steun per partner; - de motivatie van de mogelijke economische impact van de resultaten; - profiel van de aanvrager en van de eventuele andere deelnemers aan het project. Het IWT-Vlaanderen beschikt over een gedetailleerde handleiding hiervoor, die op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail op het adres: iwt-bedrijfssubsidies@iwt.be IWT-Vlaanderen Peter Verstraeten Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.900 Fax.: 02/22.31.181 Website: http://www.iwt.be
1.2
KMO-PROGRAMMA
Inhoud steunmaatregel Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) heeft met het KMO-Programma als doel het innovatiegebeuren bij de Vlaamse kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren. Innovatie is daarbij gedefinieerd als het tot stand brengen van een nieuw of vernieuwend product, proces of dienst die een technologische vernieuwing bij het bedrijf vereist, en waarbij de activiteiten van kennisverwerving daartoe nodig financieel gesteund worden. In het KMO-Programma bestaan zes specifieke projecttypes, waarbij de administratieve drempel zo laag mogelijk gehouden wordt. Deze zes projecttypes zijn de KMO-Innovatiestudies (type 1, 2, 3, 4 en 5) en de KMO-Innovatieprojecten. Begunstigden De steun die het IWT toekent in het kader van KMO-Innovatiestudies en KMO-Innovatieprojecten is bestemd voor alle in Vlaanderen gevestigde KMO' s. Een KMO is hier gedefinieerd als een onderneming met minder dan 250 werknemers, én met niet meer dan 50 miljoen euro jaaromzet of niet meer dan 43 miljoen euro jaarlijks balanstotaal. Bij de berekening van deze criteria moet er geconsolideerd worden over alle ondernemingen die een deelnemingsrelatie van 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten in bezit hebben. Noodzakelijk is ook dat het bedrijf een exploitatiezetel heeft in Vlaanderen waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen staat centraal. Alle ondernemingstypes komen in aanmerking, behalve beoefenaars van vrije beroepen, zelfstandigen of nationale monopolies. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund. De projecten kunnen worden uitgevoerd door een KMO alleen of in samenwerking met één of meer ondernemingen en/of onderzoeksinstellingen (onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen). Voor KMOInnovatiestudies Type 1 en 3 geldt evenwel een verplichte samenwerking met derden, waarbij voor KMOInnovatiestudies Type 1 de derde partij specifiek een door IWT-Vlaanderen erkend kenniscentrum moet zijn. Projecten KMO-Innovatiestudies Type 1 zijn grondige technologische adviezen van erkende kenniscentra. Dit advies moet een antwoord geven op een technologische vraag in verband met een mogelijke innovatie van een product, proces of dienst bij de KMO. De nadruk ligt op het realiseren van een zinvolle overdracht vanuit een erkend technisch kenniscentrum van voor de technologische probleemstelling relevante technologische kennis. Het advies moet de KMO in staat stellen om op onderbouwde wijze te beslissen om al dan niet verdere stappen voor innovatie te nemen en de wijze waarop dit best kan gebeuren te definiëren. KMO-Innovatiestudies Type 2 betreffen (voor)studies van beperkte omvang die tot doel hebben na te gaan of en op welke wijze een innovatie kan worden gerealiseerd. Door middel van studieactiviteiten wordt relevante kennis opgebouwd of verworven om gericht de verdere innovatieactiviteiten voor te bereiden. Typisch voor een KMO-Innovatiestudie Type 2 is dat de onderneming over voldoende competentie moet beschikken om de studie hoofdzakelijk in eigen beheer uit te voeren. KMO-Innovatiestudies Type 3 zijn inhoudelijk gelijk aan KMO-Innovatiestudies Type 2, waarbij de eigen inbreng van de KMO gecombineerd wordt met een noodzakelijke en substantiële externe inbreng. Deze samenwerking met derden moet een duidelijke technologische kennis en een meerwaarde opleveren KMO-Innovatiestudies Type 4 zijn gericht op het voorbereidingstraject van een Europees onderzoeksvoorstel, een Eureka projectvoorstel of een technologie-transfersamenwerking via IRC-Vlaanderen. De activiteiten die gepaard gaan met het opzetten van dergelijk project van internationale samenwerking worden gesteund. KMO-Innovatiestudies Type 5 zijn er op gericht om binnen nog niet innovatieve KMO’s de capaciteit om tot innovatie te komen significant te verhogen. Concreet worden de op innovatie gerichte activiteiten van een bij de KMO nieuw aan te werven technisch hooggeschoolde ondersteund.
KMO-Innovatieprojecten zijn gericht op het realiseren van een technologische innovatie en het opdoen van de nodige kennis daartoe. Dit tot stand brengen van de innovatie (nieuw of vernieuwd product, proces of dienst) en de bijhorende kennisopbouw/verwerving geschiedt daarbij typisch door middel van technologische ontwikkelings- en/of implementatieactiviteiten. De resultaten van een KMO-Innovatieproject bestaan uit een concreet, geverifieerd ontwerp (eventueel een getest prototype) van een product, proces of dienst en zijn na beëindiging van het project vrij snel toepasbaar of commercialiseerbaar. Zowel in KMO-Innovatiestudies als in KMO-Innovatieprojecten kunnen ook activiteiten van niet-technologische aard uitgevoerd worden. Deze aanverwante activiteiten moeten wel rechtstreeks verband houden met de technologische innovatie die moet uitgewerkt worden (normeringen en reglementeringen, marktaspecten, intellectuele eigendom, ...). Steunpercentages en modaliteiten IWT-Vlaanderen kan voor KMO-Innovatiestudies een subsidie verlenen van 60% van de aanvaarde brutokosten van het project. Deze steun is beperkt tot maximaal 6.500 euro voor KMO-Innovatiestudies Type 1; tot maximaal 22.000 euro voor het type 2 en tot maximaal 33.000 euro voor het type 3. Voor KMOInnovatieprojecten kan een subsidie (tot 200.000 euro) verleend worden van 35% van de aanvaarde brutokosten van het project, waarbij deze brutokosten minimaal 50.000 euro dienen te bedragen. De brutokosten omvatten personeelskosten en overige niet-personeelskosten, beperkt tot 50% van de personeelskosten voor KMOInnovatiestudies en tot maximaal 80% van de personeelskosten voor KMO-Innovatieprojecten. Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en de projectpartners. Deze overeenkomst is een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet) en een valorisatieverbintenis (de projectresultaten moeten in eerste instantie in Vlaanderen worden toegepast). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op. De betaling van de steun gebeurt in twee schijven voor KMO-Innovatiestudies en in zesmaandelijkse schijven voor KMO-Innovatieprojecten, die gekoppeld zijn aan verslaggeving. Aanvraagprocedure Voorstellen voor KMO-Innovatiestudies en KMO-Innovatieprojecten kunnen doorlopend ingediend worden bij IWT-Vlaanderen – KMO-Programma. Per kalenderjaar kunnen per KMO maximaal twee KMO-Innovatiestudies Type 1, twee KMO-Innovatiestudies Type 2 of 3, twee KMO-Innovatiestudies Type 4 en twee KMOInnovatieprojecten voor steun aanvaard worden. Per KMO kan maximaal één KMO-Innovatiestudie Type 5 gesteund worden. Het projectvoorstel omvat de volgende onderdelen: - algemene administratieve inlichtingen over de aanvrager en eventuele andere deelnemers aan het project; - beschrijving van het projectvoorstel; - het valorisatiepotentieel van de projectresultaten; - financiële aspecten van het project: begroting per partner en gevraagde steun; - profiel van de aanvrager en van de eventuele andere deelnemers aan het project. IWT-Vlaanderen beschikt voor elk projecttype in het KMO-Programma over een gedetailleerde handleiding, die op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en vragen kunnen steeds gesteld worden via e-mail op het adres: kmo.programma@iwt.be. IWT-Vlaanderen – KMO-Programma Luc De Buyser Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.900 Fax.: 02/22.31.181 E-mail: kmo.programma@iwt.be Website: http://www.iwt.be
1.3
EUREKA
Inhoud steunmaatregel EUREKA is een stimuleringsprogramma voor toegepast marktgericht onderzoek in de industrie. Het is geen initiatief van de Europese Commissie maar een samenwerkingsverband van 35 Europese landen. In een EUREKA-project werken minstens twee onafhankelijke partners uit twee EUREKA-landen samen. Door EUREKA wordt aan de projecten een label toegekend dat het innovatief en internationaal karakter van het project erkent. De betrokken deelnemers kunnen zich voor financiële ondersteuning van hun aandeel in het project wenden tot hun eigen nationale of regionale overheden. In Vlaanderen staat IWT hiervoor in. Begunstigden Steun in het kader van EUREKA wordt door IWT toegekend aan alle in Vlaanderen gevestigde ondernemingen (van KMO tot dochter van een multinational), en hiermee samenwerkende onderzoekscentra, universiteiten en hogescholen. Voor de ondernemingen is het noodzakelijk dat ze een exploitatiezetel hebben in Vlaanderen waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen staat centraal. Alle ondernemingstypes, met uitzondering van zelfstandigen, beoefenaars van vrije beroepen of nationale monopolies komen in aanmerking. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund. Projecten Vlaamse bedrijven en hiermee samenwerkende onderzoeksinstellingen die partner zijn in een EUREKA-project kunnen bij IWT steun aanvragen voor industrieel basisonderzoek, prototype-onderzoek, of een combinatie van beiden. Steunaanvragen in het kader van EUREKA volgen de gebruikelijke steun- en evaluatieregels van IWT. IWT voorziet een toeslag van 10% wanneer de (Vlaamse) steunaanvraag kadert in een EUREKA-project met een reëel en noodzakelijk internationaal karakter en er een samenwerking is met minstens 1 partner uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Deze toeslag is cumuleerbaar met de bestaande extra 10% voor KMO' s. Diversen EUREKA is een gebruiksvriendelijk kader voor internationale samenwerking in onderzoek en ontwikkeling. Het ' bottom up'karakter van EUREKA laat een grote vrijheid aan de deelnemende partners, die zelf bepalen met wie en waarover zij willen samenwerken. EUREKA-projecten zijn dikwijls bilaterale projecten. Het programma is daarom bijzonder populair bij KMO’s. Aanvraagprocedure De aanvraag omvat een dubbele procedure. Het EUREKA-label wordt aangevraagd via het EUREKA-netwerk en toegekend na evaluatie door de EUREKA-secretariaten van de betrokken landen. De aanvraag tot steunverlening aan de Vlaamse partners wordt ingediend bij, en behandeld door, het IWT. Voor een vlot verloop dienen beide procedures te worden gesynchroniseerd. Contacteer hiervoor, in een zo vroeg mogelijk stadium, de regionale contactpersoon voor EUREKA. Bij de evaluatie van een steunaanvraag in EUREKA-kader, onderzoekt IWT onder meer de meerwaarde van de Europese samenwerking voor de Vlaamse deelnemer(s). Deze meerwaarde is een noodzakelijke voorwaarde voor het bekomen van de financiële toeslag. Indien geen meerwaarde wordt vastgesteld, kan de steunaanvraag verder behandeld worden als een regionaal onderzoeksproject, en gesteund worden volgens het gebruikelijke steunregime.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be onderdeel EUREKA). IWT Danny Van Steenkiste EUREKA Regionaal Contact Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.971 Fax: 02/22.31.181 E-mail: dvs@iwt.be Website: http://www.iwt.be
1.4
VLAAMSE INNOVATIESAMENWERKINGSVERBANDEN
Inhoud steunmaatregel Het VIS-besluit voorziet in de ondersteuning van drie activiteiten: innovatiestimulering, technologisch advies en collectief onderzoek. Deze activiteiten kunnen worden gebundeld, wat aanleiding geeft tot vier projecttypes, te weten: - projecten van collectief onderzoek; - projecten van technologische dienstverlening; - projecten van sub-regionale innovatiestimulering; - projecten van thematische innovatiestimulering. Het VIS-besluit voorziet in een ondersteuning van maximaal 80% van de aanvaardbare kosten voor de activiteiten van technologische dienstverlening en innovatiestimulering en van maximaal 50% van de aanvaardbare kosten voor de activiteiten van collectief onderzoek. Binnen de globale context van innovatie-ondersteuning heeft elk van deze projecttypes een specifieke doelstelling. Deze wordt uitvoerig beschreven in een voor elk type uitgewerkte handleiding. Begunstigden De steun die het IWT toekent in het kader van het VIS-besluit wordt toegekend aan zogenaamde Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverbanden. De definitie van een Vlaams Innovatie-Samenwerkingsverband is de gestructureerde samenwerking van in hoofdzaak Vlaamse bedrijven, met al of niet één of meerdere organisaties of instellingen, met het oog op het uitoefenen van activiteiten van collectief onderzoek, technologie advies en/of technologische innovatie-stimulering. Voor iedere projectcategorie worden specifieke modaliteiten afgesproken. Deze modaliteiten zijn gebaseerd op de doelstellingen die met de projecttypes worden beoogd. Om dus te kunnen nagaan of men voldoet aan de voorwaarden om een project in te dienen, moet men voldoen aan: - de algemene definitie van het begrip Vlaams innovatiesamenwerkingsverband; - de acceptatiecriteria geldig voor het specifieke projecttype (zie daartoe de specifieke handleidingen). Projecten Hierna worden de belangrijkste krachtlijnen gegeven van ieder projecttype: -
-
-
-
collectief onderzoek: onderzoek dat zich kan richten op de korte, de middellange of de lange termijn. Het kan dus het ruime wetenschappelijk-technologisch spectrum tot voorwerp hebben, van strategisch basisonderzoek (zoals bijvoorbeeld terug te vinden in het SBO-programma) tot en met vertaalonderzoek (zoals het bijvoorbeeld aan bod komt in het TETRA-fonds). Het essentieel criterium is dat het voorgestelde onderzoek belangrijk is voor de collectiviteit van bedrijven waarvoor het is opgezet. De betrokken onderzoeksgroep dient reëel in staat te zijn om de wetenschappelijk-technologische ambities van het project waar te maken; technologische dienstverlening: activiteiten waarbij enerzijds de vragen van de bedrijven rond aspecten van een bepaalde technologie worden behandeld, door hetzij zelf hetzij door inschakeling van andere technologische experten de oplossing aan te bieden (reactieve component, technologie-advies). Anderzijds dienen ook een aantal eigen initiatieven te worden uitgevoerd, al dan niet in samenwerking met collega’s intermediairen, om bepaalde innovatieve aspecten van een technologie naar de bedrijven te brengen (proactieve component, innovatiestimulering); sub-regionale innovatiestimulering: activiteiten van innovatiestimulering, specifiek gericht naar alle bedrijven gelegen in een welbepaald gebied waarbij de bedrijven een eerstelijnszorg rond technologische innovatie wordt aangeboden. Belangrijk hierbij is de verbinding naar de tweede lijn (gespecialiseerde kennisdiensten) die op vlotte, ongebonden en efficiënte manier dient te worden georganiseerd; thematische innovatiestimulering: activiteiten van innovatiestimulering, specifiek gericht naar een groep bedrijven verbonden door een gemeenschappelijke thematiek, met als doel de netwerking en de synergie tussen de bedrijven te bevorderen.
Steunpercentages en modaliteiten IWT-Vlaanderen kan voor de projecten van Thematische Innovatiestimulering, Technologische dienstverlening en Sub-regionale Innovatiestimulering een subsidie verlenen van 80% van de aanvaarde brutokosten van het project. Deze steun is beperkt tot de kosten van maximaal 2 voltijds equivalenten gedurende 2 x 2 jaar, verhoogd met een forfaitaire werkingskost van 37.500 euro/VTE/jaar. Voor activiteiten van Collectief Onderzoek bedraagt het steunpercentage 50% van de aanvaarde kosten, activiteiten van innovatiestimulering binnen een project Collectief Onderzoek kunnen rekenen op 80% subsidie. Samenwerking tussen meerdere kenniscentra in een project van Collectief Onderzoek wordt gestimuleerd door een verruiming van de aanvaardbare kosten. Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en de projectpartners. Deze overeenkomst is een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op. De betaling van de steun gebeurt in jaarlijkse schijven, die gekoppeld zijn aan verslaggeving. Aanvraagprocedure Projecten kunnen slechts ingediend worden bij openstelling van een in principe jaarlijkse oproep voor de verschillende projecttypes. IWT-Vlaanderen beschikt voor elk projecttype in het VIS-programma over een gedetailleerde handleiding, die op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail op het adres: vis@iwt.be. IWT-Vlaanderen – VIS-Programma Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.900 Fax.: 02/22.31.181 E-mail: vis@iwt.be Website: http://www.iwt.be
1.5
ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSPROGRAMMA' S VAN DE EUROPESE UNIE
Inhoud steunmaatregel De Europese Unie stelt omvangrijke financiële middelen ter beschikking voor de bevordering van onderzoek-, technologische ontwikkeling- en demonstratieprojecten in diverse domeinen en sectoren. Het is de bedoeling om door het stimuleren van de grensoverschrijdende samenwerking inzake onderzoek en technologische ontwikkeling (O&O) het concurrentievermogen van de Europese industriële ondernemingen op de wereldmarkt te vergroten. Een andere doelstelling is het bevorderen van de samenwerking tussen industriële ondernemingen, universiteiten en onderzoekscentra. De steunverlening verloopt hoofdzakelijk via de zogenaamde ' Kaderprogramma' s voor Onderzoek, Ontwikkeling en Technologische Demonstratie' . Dit zijn meerjarenprogramma' s die de prioriteiten alsook de financiële omvang van diverse actielijnen op middellange termijn aangeven. Zij vormen het beleidsinstrument voor het Europese O&O-beleid. Het Zesde Kaderprogramma, waarvoor een totaal budget is voorzien van 17,5 miljard euro, loopt van 2002 tot 2006. De voordelen van deelname aan Europese programma' s beperken zich niet louter tot financiële steun. Ook de internationale contacten, de waardevolle knowhow, en de toegang tot nieuwe markten die hierbij worden verkregen, zijn zeker niet zonder belang. Begunstigden Het Europese Kaderprogramma en zijn specifieke programma' s staan open voor iedereen (openbare en particuliere instellingen), gevestigd in de 25 lidstaten van de Europese Unie (EU), ongeacht de vorm van de rechtspersoonlijkheid. Dit kunnen dus individuen, industriële en commerciële ondernemingen (inclusief KMO' s), universiteiten, onderzoeksinstellingen en organisaties voor technologieverspreiding zijn. Daarnaast kunnen ook gelijkaardige entiteiten uit geassocieerde staten (onder andere Israël, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein) onder dezelfde voorwaarden aan het kaderprogramma deelnemen. De deelname en financiering van entiteiten uit derde landen (VS, Japan, en dergelijke) worden bepaald door regels voor Internationale samenwerking en de samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en betrokken landen. Indieners van een projectvoorstel moeten kunnen aantonen dat zij over de nodige technische, financiële en personele middelen beschikken voor het succesvol uitvoeren van het project en dat de bekomen projectresultaten zullen geëxploiteerd en/of verspreid worden ten behoeve van de hoger vermelde doelstellingen. Projecten Omdat het Zesde Kaderprogramma gebruikt wordt voor de realisatie van het ruimere concept van de Europese Onderzoeksruimte (ERA) wordt gebruik gemaakt van specifieke instrumenten of uitvoeringsvormen van projecten, nl.: geïntegreerde projecten en topnetwerken. Via deze instrumenten wordt gestreefd naar de realisatie van grootschalige en ambitieuze projecten rond een beperkt aantal voor de EU prioritaire thema' s. Deze zijn voor het Zesde Kaderprogramma: - genomica en biotechnologie voor de gezondheid; - technologieën van de informatiemaatschappij; - nanotechnologieën en nanowetenschappen, kennisgebaseerde multifunctionele materialen, productieprocédés en -apparatuur; - lucht- en ruimtevaart; - voedselkwaliteit en -veiligheid; - duurzame ontwikkeling (energie, transport, milieu); - burgers en governance in een kennismaatschappij. Groot belang wordt gehecht aan de transnationale consortia die de projecten uitvoeren. In het Zesde Kaderprogramma zullen zij kunnen beschikken over een sterk toegenomen autonomie. Voor de meeste onderzoeksprojecten worden de kosten gedeeld door de partners in het project en de EU. De toegekende subsidie van de Europese Commissie bedraagt maximaal 50% van de kosten voor onderzoek- en innovatieactiviteiten.
Om KMO' s te stimuleren tot deelname aan het kaderprogramma bestaat er een specifieke maatregel (de zogenaamde CRAFT-regeling), die het indienen van voorstellen en het deelnemen aan de O&O-activiteiten door KMO' s moet vergemakkelijken. Het betreft ' Onderzoeksprojecten in samenwerkingsverband' (coöperatief onderzoek): hierbij kunnen minimum drie KMO' s uit minstens twee verschillende lidstaten voor een gemeenschappelijk technologisch probleem een projectvoorstel uitwerken dat door minstens twee onderzoeksuitvoerders met aangepaste onderzoekscapaciteit kan worden uitgevoerd. Vanaf 1 januari 2005 geldt een nieuwe KMO-definitie. Deze nieuwe definitie introduceert 3 categorieën van ondernemingen : micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Het zijn allemaal ondernemingen die - minder dan 250 mensen te werk stellen en - ofwel een jaarlijkse omzet van minder dan 50 miljoen euro ofwel een jaarlijks balanstotaal van minder dan 43 miljoen euro hebben. Daarnaast moet ook bepaald worden of de onderneming autonoom is of een partner-onderneming. In geval van een partner-onderneming moet het deel van de verbonden onderneming bijgeteld worden bij het aantal werknemers en de financiële data om de status als KMO te bepalen. Meer informatie over de nieuwe Europese definitie (incl. voorbeelden) is terug te vinden via http://ec.europa.eu./enterprise/enterprise_policy/sme_definition/sme_user_guide.pdf Aanvraagprocedure Naar aanleiding van een officiële oproep voor een bepaald programma kunnen projectvoorstellen ingediend worden bij de diensten van de Europese Commissie; hierbij dienen bepaalde termijnen in acht te worden genomen. Het ingediende projectvoorstel moet aan de specifieke criteria en modaliteiten voldoen, die voor het betrokken programma zijn vastgesteld, bijvoorbeeld: - het onderzoek moet een precommercieel karakter hebben; - er moet transnationale samenwerking zijn tussen ondernemingen, onderzoeksinstellingen of universiteiten uit een andere lidstaat; - het geplande onderzoek moet nieuw zijn. Het project moet kaderen binnen de prioritaire onderzoek- en ontwikkelingsthema' s, die voor de EU zijn vastgesteld. Jaarlijks zal voor elk van deze thema' s het werkprogramma met prioriteiten worden bepaald. Belangrijk is dat hierbij met oproepen wordt gewerkt, en dus enkel tegen bepaalde data voor bepaalde prioriteiten projectvoorstellen kunnen worden ingediend. Het indienen van projecten moet gebeuren volgens een gedetailleerde procedure, die strikt te volgen is om onontvankelijkheid te vermijden. KMO' s kunnen beroep doen op een KMO-Innovatiestudie type 4 (zie 1.2 KMO-programma) voor subsidies bij het voorbereiden van een Europees onderzoeksproject.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie vindt u op de website van het EU-kaderprogramma, die niet alleen de recentste informatie bevat over de komende oproepen, de lopende projecten, onderzoekspartners en projectresultaten maar ook alle nodige documenten voor het indienen van een projectvoorstel (handleidingen, aanvraagdocumenten, evaluatiehandleiding, en dergelijke): http://www.cordis.lu/fp6. Voor meer informatie over het Europese Kaderprogramma en begeleiding bij het indienen van een projectvoorstel kunt u ook terecht bij: IWT-Vlaanderen Alain Deleener Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.09.25 Fax: 02/223.11.81 E-mail: adl@iwt.be Website: http://www.vlaanderen.be/6kp
1.6
STRATEGISCH BASISONDERZOEK (SBO)
Inhoud steunmaatregel Het financieringskanaal voor strategisch basisonderzoek (SBO) is gericht op de uitbouw van ruime kennisplatformen met brede toepassings- en verdere ontwikkelingsmogelijkheden. Strategisch basisonderzoek is kwalitatief hoogwaardig en op langere termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van wetenschappelijke of technologische capaciteit beoogt die de basis vormt voor economische en/of maatschappelijke toepassingen in Vlaanderen. Strategisch basisonderzoek situeert zich tussen het algemeen kennisverruimend onderzoek enerzijds en de specifiek georiënteerde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten anderzijds. Een SBO-project heeft een generische dimensie waardoor de onderzoeksresultaten van belang kunnen zijn voor verschillende toepassingsgebieden en voor verschillende economische (deel)sectoren of/en maatschappelijke doelgroepen in Vlaanderen. De bedoeling is immers niet om direct te kunnen verhelpen aan een punctueel probleem of een specifiek knelpunt op kortere termijn van slechts één of enkele actoren. Wel wordt het leveren van een meer generische onderzoeksbijdrage met het oog op een bredere toepasbaarheid met meerdere concrete utilisaties en/of een meer structurele meerwaarde op termijn, beoogd. Het gewenste vervolgtraject van een geslaagd SBO-project omvat bilaterale projecten met de economische of/en maatschappelijke actoren met inbegrip van de totstandkoming van nieuwe spin-off bedrijven, diensten of organisaties. Van de uitvoerders van een SBO-project wordt verwacht dat zij een actieve inspanning leveren met het oog op de verdere effectieve benutting van de onderzoeksresultaten door (bestaande of toekomstige) economische of maatschappelijke actoren. Deze gevraagde inspanning naar het verdere valorisatietraject overstijgt de klassieke mechanismen voor de verspreiding van academische onderzoeksresultaten (publicaties, congresbijdragen, deelname aan netwerken met academische vakgenoten). Begunstigden Het SBO-kanaal is geconcipieerd als een open en toegankelijk instrument voor alle Vlaamse O&O-actoren. Een Vlaamse O&O-actor wordt hierbij gedefinieerd als een in het Vlaamse Gewest gevestigde O&O-actor (universiteit, hogeschool, bedrijf, collectief centrum, onderzoeksinstelling, ...) evenals een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde Vlaamse universiteit of Vlaamse hogeschool. De primaire bedoeling is om de nodige expertise te mobiliseren en te combineren ongeacht de aard van de O&O-actor waar deze expertise voorhanden is. Een Vlaamse O&O-actor kan ook een projectvoorstel indienen met één of meerdere O&O-actoren van buiten Vlaanderen. De onderzoeksbijdrage van niet in Vlaanderen gevestigde O&O-actoren kan mee gesteund worden voor zover deze cumulatief maximaal 20 procent van de voorgestelde projectbegroting bedraagt. Het is immers de bedoeling dat voldoende expertise binnen Vlaanderen wordt opgebouwd, naast voordelen van kennistransfer van buiten Vlaanderen. Projecten Het financieringskanaal is horizontaal en staat open voor alle domeinen. Hierdoor is het zeer geschikt om multidisciplinaire generische onderzoeksprojecten tot ontplooiing te laten komen. Omdat strategisch basisonderzoek een adequate “kritische massa” aan mensen en middelen vereist, wordt daarbij ook gestreefd naar projecten met een afdoende omvang en duur die bovendien de beste beschikbare krachten bundelen. De projectduur bedraagt in principe vier jaar. De basisbegroting voor een project is vastgelegd op minimaal 185.000 € en maximaal 500.000 € per jaar. In het SBO-kanaal wordt verder een belangrijke aanmoediging ingebouwd tot samenwerking en consortiumvorming over instellingsgrenzen heen. Indien het project in consortiumverband wordt uitgevoerd, kan de projectbegroting worden verhoogd tot een maximum van 500.000 € per jaar vermenigvuldigd met het aantal rechtspersonen die als projectaanvrager optreden op voorwaarde dat de deelprojectbegroting van deze projectaanvragers minimaal 15% van de totale projectbegroting bedraagt. Bij grote consortia met telkens substantiële bijdragen van onderzoekspartners kan dit aanleiding geven tot zeer grote projectbudgetten. Het is immers de expliciete bedoeling om dusdanig tot een afdoende kritische massa te komen, nodig om de grensverleggende onderzoeksambities daadwerkelijk te kunnen waarmaken. Steunpercentages. Het steunpercentage voor een SBO-projectvoorstel of een gedeelte van een SBO-projectvoorstel uitgevoerd door een openbare hoger-onderwijsinstelling of een openbaar onderzoekscentrum bedraagt 100% van de aanvaardbare kosten.
Voor het bepalen van de steun aan een projectvoorstel of gedeelte van een projectvoorstel uitgevoerd door een andere projectaanvrager (bijvoorbeeld een bedrijf), gelden de regels voor de ondersteuning van het industrieel basisonderzoek zoals vastgelegd in het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot regeling van de steun aan projecten van technologisch onderzoek en ontwikkeling van het bedrijfsleven in Vlaanderen. Voor een dergelijke O&O-actor bedraagt het steunpercentage tussen 50% en 75 % van de aanvaardbare kosten. Aanvraagprocedure Projectvoorstellen kunnen worden ingediend in het kader van een jaarlijkse oproep voor projectvoorstellen. De projectselectie wordt uitgevoerd in meerdere fasen. Op basis van het ingediende projectvoorstel wordt eerst een grondige voorselectie uitgevoerd. Daarna volgt een diepgaande, inhoudelijke evaluatie, met o.m. externe deskundigen. De procedure en de modaliteiten zijn nader beschreven in het SBO-oproepdocument.
Aanvullende inlichtingen Informatie over het SBO-steunkanaal is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be/sbo.htm). Voor bijkomende inlichtingen kunt u steeds telefonisch, per fax of e-mail terecht bij : IWT-Vlaanderen SBO-financieringskanaal Paul Schreurs Bischoffsheimlaan 25 1000 BRUSSEL Tel.: 02/209.09.45 Fax: 02/223.11.81 E-mail: sbo@iwt.be Website: http://www.iwt.be
1.7
TETRA-FONDS
Inhoud steunmaatregel Het TETRA-Fonds vervangt vanaf 2004 het vroegere HOBU-Fonds, dat al 7 jaar loopt. Het programma steunt projecten van technologie-verkenning, -vertaling en -verspreiding. Elk project omvat dus zowel onderzoek van problemen als transfer van resultaten. Alle technologieën en toepassingen kunnen aan bod komen, op voorwaarde dat ze economisch en eventueel ook maatschappelijk toepasbaar zijn. Studies met bv. uitsluitend sociale, economische, juridische of medische onderwerpen passen niet in dit programma. Een project kan wel deelaspecten hiervan bevatten. Begunstigden Alle hogescholen en universiteiten in Vlaanderen, die een technologisch probleem kunnen oplossen dat bedrijven en andere organisaties interesseert. Projecten Vlaamse hogescholen of universiteiten stellen zelf projecten voor. Na selectie en goedkeuring betoelaagt de Vlaamse overheid via IWT-Vlaanderen 92,5% van de kosten (cijfers 2004, 2005). De resultaten worden benut bij bedrijven, organisaties en het eigen onderwijs. Aan elk project is een gebruikerscommissie verbonden met geïnteresseerde partners, mogelijks ook universitaire labo' s, onderzoekscentra of (hightech) ondernemingen. Deze gebruikerscommissie betaalt de resterende 7,5% van de kosten. De meeste TETRA-projecten hebben een looptijd van twee jaar. Om de vier maanden organiseert elk project een opvolgvergadering voor zijn gebruikerscommissie. Bedrijven of instellingen kunnen interessante testcases aanbrengen. Het IWT moedigt de uitbreiding van bestaande gebruikerscommissies aan. Bedrijven en andere organisaties kunnen steeds aansluiten bij een lopend project op voorwaarde dat de andere leden geen bezwaren hebben. Organisaties die bereid zijn om een beperkte financiële bijdrage te leveren aan een project, kunnen zich wenden tot de projectleider van hun keuze voor meer informatie en een eventuele vraag tot aansluiting. Bedrijven kunnen contact opnemen met hogescholen of universiteiten om nieuwe projecten te bespreken die een bepaalde groep ernstig zou kunnen interesseren. Zo kunnen zij zich voorbereiden op een toekomstige oproep. Een overzicht van de goedgekeurde HOBU- en TETRA-projecten en andere informatie over het TETRA-Fonds vindt u op de website van IWT-Vlaanderen: www.iwt.be. In de periode 1997-2004 werden 182 projecten gesteund. Over die jaren heen konden gemiddeld 35% van de aanvragen gehonoreerd worden. Jaarlijks besteedde IWT-Vlaanderen zo’n 6 miljoen euro aan deze projecten. Naast de hogescholen zelf zijn meer dan 1300 verschillende organisaties betrokken (geweest) in de gebruikerscommissies van de goedgekeurde projecten. Verscheidene organisaties hebben geparticipeerd aan meer dan één project. Dit heeft geleid tot in totaal 2200 participaties van meestal twee jaar vanwege bedrijven (2/3 KMO' s), universiteiten, beroepsfederaties, andere hogescholen dan aanvrager, vzw’s, ... Vele KMO’s werden aldus - soms voor de eerste maal - betrokken bij innovatieve en overheidsgesteunde projecten. De projecten zelf werden ernstig en grondig uitgevoerd; de resultaten hebben geleid tot vernieuwingen in het onderwijs én bij de bedrijven. Het HOBU-fonds kende ook een zeer belangrijk effect inzake een betere samenwerking tussen universiteiten en hogescholen. Aanvraagprocedure Eenmaal per jaar wordt een oproep gelanceerd voor het indienen van nieuwe projecten. Op basis van bovenstaande criteria beslist IWT-Vlaanderen, in samenspraak met commissies van deskundigen, welke projecten steun toegewezen krijgen. De uitvoering van een project gebeurt bij de aanvragende projectconsortia. De hoofdcriteria die het IWT hanteert bij de selectie, zijn: - de technologisch-wetenschappelijke kwaliteit van het voorstel;
-
het valorisatiepotentieel, zowel algemeen als specifiek voor KMO' s in Vlaanderen; de diffusie van de praktische resultaten, zowel binnen de onderwijsopdracht als naar de Vlaamse bedrijven, i.h.b. de traditionele KMO' s.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op http://www.iwt.be, in het bijzonder bij www.iwt.be/tetra en www.iwt.be/hobu. Van elk goedgekeurd project is tevens een individuele fiche beschikbaar op www.iwt.be/fiche. IWT-Vlaanderen TETRA-Fonds Bruno Krekels Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.29.03 Fax: 02/223.11.81 E-mail: tetra@iwt.be Website: http://www.iwt.be
1.8.
LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK
Inhoud steunmaatregel Op 18 februari 2005 heeft de Vlaamse regering haar goedkeuring gegeven aan een nieuw reglementair besluit voor de projectmatige financiering van het toegepast collectief onderzoek voor de land- en tuinbouwsector. Deze steunverlening kadert in de overheveling van het landbouwonderzoek naar de Gewesten ingevolge het Lambermont-akkoord. Het programma Landbouwkundig Onderzoek beoogt het verwerven, bundelen en vertalen van wetenschappelijk-technologische kennis naar innovatieve toepassingen voor de Vlaamse land- en tuinbouw. Begunstigden Voor deze steunmaatregel komen in aanmerking de onderzoeksgroepen van de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs, de onderzoeksinstellingen en de voor de Vlaamse land- en tuinbouw erkende praktijkcentra. Zij kunnen zelfstandig een projectvoorstel indienen, dan wel in een gestructureerd samenwerkingsverband. Voor elke aanvraag dient een gebruikerscommissie samengesteld te worden die een representatieve vertegenwoordiging moet zijn van de land- en tuinbouwsector waartoe het project zich richt. Projecten De projecten hebben een collectief karakter: ze moeten gericht zijn op de bevordering van de sector en niet op het oplossen van problemen van individuele land- en tuinbouwbedrijven. De onderzoeksresultaten dienen dan ook een aantoonbare economische en -voor zover relevant- ook een sociale en ecologische meerwaarde te creëren. Een project in het programma Landbouwkundig Onderzoek duurt maximum 4 jaar. In dat geval is er na 2 jaar een tussentijdse evaluatie voorzien. De gebruikerscommissie komt om de zes maanden samen voor de opvolging en eventuele bijsturing van het project. Er wordt een zekere prioriteit gegeven aan projecten die: - een substantiële bijdrage leveren aan Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO); - op korte termijn een oplossing willen bieden aan voor de land- en tuinbouw belangrijke problemen en/of waarvan de resultaten in een direct bruikbare vorm moeten doorstromen naar de praktijk (zgn. praktijkonderzoek). Steunpercentage en modaliteiten Het steunpercentage bedraagt minimaal 80 en maximaal 100% van de aanvaardbare kosten. Voor 2004-2005 werd door de voogdijminister beslist om 92,5% steun toe te kennen. De overige 7,5% dient door de leden van de gebruikerscommissie samengebracht te worden. Desgevallend kunnen ook bedrijven uit de agro-voedingsindustrie mede instaan voor de cofinanciering. Er is geen maximum steunbedrag per project voorzien. De budgettaire enveloppe voor het programma Landbouwkundig Onderzoek bedraagt 9.602.000 euro (2005). Aanvraagprocedure Ieder jaar organiseert het IWT in het najaar een oproep om projectvoorstellen in te dienen tegen een welbepaalde datum. Deze verschijnt in het magazine van het IWT, de Innovatiekrant, en wordt ook gepubliceerd op de website. Zolang een oproep loopt, kan u voor concrete informatie en alle details de handleiding voor het indienen van projectaanvragen in het programma Landbouwkundig Onderzoek raadplegen. Voor de evaluatie van de projectvoorstellen wordt beroep gedaan op colleges van onafhankelijke experten uit binnen- en buitenland. De hoofdcriteria die het IWT hanteert bij de beoordeling zijn zowel de wetenschappelijktechnologische kwaliteit als het valorisatiepotentieel van een projectvoorstel. Daar de relevantie van het project voor de Vlaamse land- en tuinbouw een belangrijk selectiecriterium is, nemen ook vertegenwoordigers van de Vlaamse Landbouwadministratie deel aan de colleges.
Aanvullende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail op het adres: landbouwonderzoek@iwt.be. IWT-Vlaanderen Ferdi Soors of Fredy Van Wassenhove Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel: 02/209.09.00 Fax: 02/223.11.81 E-mail: landbouwonderzoek@iwt.be Website: http://www.iwt.be
1.9
DUURZAME TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING
Inhoud steunmaatregel DTO is een aanvullende steunregeling t.o.v. andere IWT-steunmaatregelen waarin het geïntegreerd werd, om onderzoek- en ontwikkelingsprojecten gericht op duurzame technologische ontwikkeling te stimuleren. Een project dat aanspraak wenst te maken op DTO-steun, zal in de eerste plaats moeten voldoen aan de basis selectiecriteria voor IWT-steun aan O&O- en KMO-projecten, men name een voldoende wetenschappelijktechnologische kwaliteit en een voldoende valorisatiepotentieel dienen te worden aangetoond. Indien het project tevens aan bijkomende DTO-voorwaarden voldoet, kan het aanspraak maken op bijkomende extra DTO-steun en/of bijkomende steun voor DTO-studie-activiteiten. Begunstigden Voor ondernemingen die financiële steun aanvragen via KMO-innovatiestudie Type 2/3, type 5, KMOinnovatieprojecten of O&O bedrijfssteun is er, als ze voldoen aan de DTO-regeling, een extra steun van 10 %. Bovendien worden deze projecten prioritair gesteund, op voorwaarde dat ze kwalitatief ‘voldoende’ scoren. Projecten Projecten waarvan de innovatiedoelstelling (deels) gericht is op duurzame technologische ontwikkeling, kunnen genieten van extra-steunvoordelen in de reeds bestaande steunmaatregelen voor onderzoek en technologische innovatie beheerd door het IWT-Vlaanderen. Een project is gericht op duurzame technologische ontwikkeling als één of meerdere van volgende 7 doelstellingen wordt gerealiseerd: -
grondstoffenbesparing; energiebesparing; reductie van de emissies; vermindering van afval en van andere milieuhinder (geluid, geur, licht, elektromagnetische straling, ...); ontwikkeling en gebruik van hernieuwbare grondstoffen- en energiebronnen; hergebruik en recycleerbaarheid van grondstoffen (sluiten van de kringloop); verhogen van de levensduur van producten of processen.
Motivering Om extra steun te krijgen voor projecten met DTO-innovatiedoelstellingen zijn er drie mogelijke motivaties: -
-
Indien een BBT-studie (Best Beschikbare Technologie) of BREF-studie (Europese BBT-studie) beschikbaar is, is het voldoende om aan te tonen dat het project een verbetering van BBT nastreeft en dat deze doelstelling haalbaar is. Er moet hierbij tevens een voldoende (DTO-) valorisatiepotentieel aanwezig zijn. Indien geen BBT-studie beschikbaar is, kan met de ecopuntenmethode worden uitgerekend hoeveel milieukosten dankzij de nieuwe technologie vermeden zouden worden op 10 jaar tijd (t.o.v. de referentie). Indien deze vermeden kosten een factor 4 hoger zijn dan de subsidie, kent IWT-Vlaanderen de extra DTOsteun ook toe. Indien uitzonderlijk de voorgaande methodes ontoereikend zijn, kunnen ook andere gekwantificeerde argumentaties aanvaard worden. Wanneer bijvoorbeeld kan aangetoond worden dat het project opgesteld werd om aan toekomstige strengere milieunormen te voldoen, is dit eveneens aanvaardbaar als argumentatie. Hierbij is dan wel een significante technologische sprong vereist en de normen moeten van toepassing worden na afloop van het project. Ook in dit geval moet het valorisatiepotentieel voldoende hoog zijn, waardoor de geclaimde milieuvoordelen ook in absolute termen voldoende groot uitvallen.
Voor KMO-innovatiestudies is het, gezien de relatief beperkte budgettaire inpakt van de extra DTO-steun, voldoende dat de DTO-innovatiedoelstellingen naar behoren aangepakt worden. Een beperkte a-priori motivering van de mogelijke milieuvoordelen is voldoende voor dit type projecten.
Omvang steun In het kader van ’KMO Innovatiestudies Type 2/3 en 5, KMO Innovatieprojecten en aanvragen voor O&Oprojecten van bedrijven, wordt een extra-subsidie toegekend van 10 % (in totaal tussen 35 % en 75 % subsidie van de projectkosten, al naargelang de aard van het onderzoek). Bovendien genieten deze projecten van prioriteitsstelling t.a.v. het beschikbaar budget, op voorwaarde dat ze kwalitatief ‘voldoende’ scoren: DTO-studie-activiteiten kunnen aan een basissteun van 50% gesteund worden. DTO-studie-activiteiten worden gedefinieerd als onderbouwende studies m.b.t. de 7 weerhouden doelstellingen, waardoor de milieu-impact van een technologische innovatie a priori kan ingeschat worden (voorbeelden hiervan zijn levenscyclus analyse (LCA)-studies.) DTO-studie-activiteiten kunnen maximaal 10% van de totale begroting uitmaken. In KMO-studies type 2/3 en 5 kunnen deze activiteiten tot 50% van de begroting uitmaken. Aanvraagprocedure Het indienen van DTO-projecten gebeurt met de handleiding die u kan terugvinden op de webstek van IWTVlaanderen. Aanvullende inlichtingen IWT-Vlaanderen Kathleen Goris Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.09.89 Fax : 02/223.11.81 E-mail: DTO@iwt.be Website: www.iwt.be/dto
1.10
GRONDIG TECHNOLOGISCH ADVIES VAN BEPERKTE OMVANG (GTA)
Inhoud steunmaatregel Een GTA kadert binnen een project Technologische Dienstverlening, goedgekeurd door het IWT. Een GTA is een gelijkaardig instrument als de KMO-innovatiestudie type 1 in het IWT KMO-programma, maar is beperkter in omvang (begroting bedraagt maximaal € 7.500). Bedrijven die een beroep doen op een technologische adviseerdienst voor het uitvoeren van een grondig technologisch advies kunnen hierbij een financieel voordeel bekomen. Het beoogde advies betreft een advies van beperkte omvang op maat van het bedrijf omtrent een mogelijke innovatie van een product, proces of dienst. GTA streeft kennisoverdracht na vanuit een technologische adviseerdienst, verbonden aan een geaccrediteerd kenniscentrum naar de KMO. Begunstigden Elke onderneming met exploitatiezetel in Vlaanderen kan in principe beroep doen op een technologische adviseerdienst voor een GTA. De adviseerdiensten kunnen zelf selectiecriteria opleggen. Projecten Het grondig technologisch advies, uitgevoerd door een technologische adviseerdienst, verbonden aan een geaccrediteerd kenniscentrum, moet voldoen aan volgende inhoudelijke criteria: - de aanwezigheid en relevantie van een duidelijke technologische vraagstelling die om een technologisch advies door een kenniscentrum vraagt; - de technologische vraag houdt verband met een mogelijke innovatie van een product, proces of dienst; - de expertise van het kenniscentrum voor de gevraagde adviesverlening; - de kennisverwervende aard van de geplande activiteiten in de studie; - het kenniscentrum verricht studiewerk op maat van de noden van het bedrijf. Begroting: maximum € 7.500 (equivalent aan een 10-tal werkdagen). Een lijst van de bestaande adviseerdiensten vindt u op www.iwt.be/downloads/documenten/vis/VIS_TD_GTA_info2002.pdf Omvang steun De adviezen worden voor minimaal 20 % ingeval van KMO' s en voor minstens 50 % voor grote bedrijven gefactureerd, dus de subsidie is maximaal 80 % voor KMO' s en maximaal 50 % voor GO' s. Aanvraagprocedure De technologische adviesdienst beslist omtrent het GTA-karakter van een bepaald advies. Voor specifieke informatie over de projecten van de erkende technologische adviesdiensten, kan men terecht bij de opgegeven contactpersonen. Aanvullende inlichtingen Voor meer informatie kan men terecht bij: IWT-Vlaanderen Annie Renders Bisschoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.09.52 Fax : 02/223.11.81 E-mail: ar@iwt.be Website: www.iwt.be
1.11
LURU: STEUNREGELING VOOR INNOVATIE IN DE LUCHT- EN RUIMTEVAARTSECTOR
Inhoud steunmaatregel Projecten waarvan de innovatiedoelstelling toepassingen heeft in de vliegtuigbouw of ruimtevaart kunnen genieten van extra-steunvoordelen in de reeds bestaande steunmaat-regelen voor onderzoek en technologische innovatie van het IWT-Vlaanderen. Begunstigden Alle KMO' s en grote bedrijven die financiële steun aanvragen via KMO-innovatiestudie Type 2/3, Type 5, KMO-innovatieprojecten en O&O bedrijfsprojecten. Projecten -
LuRu kwalificatietraject: ondersteunt het deel van het innovatietraject dat uitgevoerd wordt met het oog op kwalificatie in de civiele vliegtuigbouw of de commerciële ruimtevaart. LuRu lanceringstraject: ondersteuning van het deel van het innovatietraject dat kadert in concrete samenwerking met betrekking tot civiele vliegtuigbouw of de commerciële ruimtevaart.
Omvang steun Voor de LuRu kwalificatietrajecten is er een extra steun van 10 % bovenop de basissubsidies van het IWT. In het geval van de LuRu lanceringstrajecten is er geen extra steunpercentage van 10 % voorzien maar wordt het steunbare innovatietraject verruimd t.o.v. wat normaal aanvaard wordt. Aanvullende inlichtingen Voor meer informatie over de aanvraagprocedure en modaliteiten kan men terecht bij: IWT-Vlaanderen Annie Renders Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.09.52 Fax : 02/223.11.81 E-mail: luru@iwt.be Website: www.iwt.be/steun/prior/luru
2.
BIZIDEE
Inhoud steunmaatregel Bizidee wil, door de organisatie van een ondernemingsplanwedstrijd, verder helpen bij de creatie van een nieuwe ondernemingsdynamiek. Hiertoe richt Bizidee zich tot Vlaamse studenten, vorsers, jonge en ervaren professionals, die zes maanden de tijd krijgen om zich te buigen over de vraag hoe zij een innovatief idee kunnen omzetten naar een sterk uitgewerkt ondernemingsplan. De wedstrijd, die jaarlijks georganiseerd wordt, bestaat uit drie fases: - in de eerste fase dienen de deelnemers hun meest innovatieve idee voor een onderneming in; - tijdens de tweede fase testen ze dat idee op hun haalbaarheid; - gedurende de laatste fase komen ze tot het uiteindelijke ondernemingsplan. Deelnemers kunnen zich in iedere fase inschrijven. Wel wordt er per fase een rangschikking opgemaakt met prijzen voor de best geklasseerden. De winnaar van de derde fase ontvangt een prijs van € 25.000, de tweede en derde respectievelijk € 10.000 en € 5.000. Studenten worden in een afzonderlijke categorie ingedeeld, waarbij lagere prijzen worden toegekend. Vanaf de tweede fase kunnen deelnemers tevens gratis begeleiding vragen van experts en peters uit tal van sectoren, die hen zullen begeleiden en als klankbord kunnen fungeren gedurende de rest van de wedstrijd. Voor aspirant-ondernemers die pas in de derde fase inschrijven, is samenwerking met een peter verplicht. Aanvraagprocedure De gehele ondernemingsplanwedstrijd verloopt via de website www.bizidee.be, waar tevens het stramien van businessplan (speciaal opgesteld voor deze wedstrijd) van het McKinsey & Company Handboek gratis kan gedownload worden.
Aanvullende inlichtingen Verantwoordelijke voor de organisatie van de wedstrijd is: Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen vzw Moutstraat 52 9000 Gent Tel. : 09/242.52.38 Fax : 09/242.51.52 E-mail: info@bizidee.be Website: www.bizidee.be Deze wedstrijd wordt tevens ondersteund door de Vlaamse overheid.
3.
ENTERPRIZE
Inhoud steunmaatregel EnterPrize is de voortzetting van het Fonds Jonge Ondernemers. Deze nationale wedstrijd heeft als doel vernieuwende ideeën en jonge ondernemers die getuigen van ondernemingszin te erkennen en te belonen. Projecten De ondernemingsprojecten en ondernemingen die opgericht zijn na 1 januari 2002 kunnen deelnemen, indien aan volgende drie criteria wordt voldaan: - het moet gaan om een innovatief project; - het moet een zeker economisch potentieel bevatten; - een Belgische hoofdzetel hebben. Binnen de wedstrijd zijn er vier categorieën: - beste projecten: voor innoverende ondernemingsprojecten; - beste ondernemingen: voor alle jonge, innoverende bedrijven opgericht na 1 januari 2002; - sociale economie: voor bedrijven of projecten waarvan één van de missies de sociale reïntegratie van kansarmen is; - micro-economie: voor eenmanszaken en kleine ondernemingen. Uit de eerste twee categorieën worden drie laureaten gekozen en uit de twee laatste categorieën één laureaat. Diversen Prijzen De zeven laureaten krijgen prijzen voor een totale waarde van meer dan € 150.000: 15.000 euro cash, 7 computers, 120 uren strategic consulting, 120 uren juridisch advies, 120 uren financieel advies, 50 uren HR advies, 1 interimaris gedurende 1 maand, 1 jaar gratis ter beschikking stelling van lokalen en vergaderzalen, 7 opleidingspakketten, de presentatie van uw project of onderneming aan privé-investeerders en 1 VW Golf in leasing gedurende een jaar. Evaluatieprocedure Na het invullen van een inschrijvingsformulier op de website www.enterprize.be waarin het te verwezenlijken project wordt beschreven, dienen de kandidaten te beslissen of ze een beroep wensen te doen op een gratis coach (hiervoor moet een bijkomend aanvraagformulier worden ingevuld). Zo snel mogelijk na de inschrijving ontvangt elke kandidaat een mail waarin wordt bekendgemaakt of haar dossier werd weerhouden. De deelnemers waarvan het dossier werd aanvaard, ontvangen samen met de bevestiging van hun deelname, een login die hen toegang biedt tot de workzone op de website waar het bedrijfsplan moet worden ingediend met of zonder coach (voor de Nederlandstalige inschrijvingen is dit de Vlerick School). Op basis van dit bedrijfsplan wordt een eerste selectie doorgevoerd. De geselecteerde ondernemers moeten dit plan persoonlijk verdedigen voor een jury samengesteld uit professionals uit de bedrijfswereld. De criteria voor de evaluatie van de projecten zijn onder meer: - de originaliteit van het project of de activiteit; - het aanbod van producten/diensten en de afstemming ervan op de markt; - de markt en de concurrentie waarop deze activiteit betrekking heeft; - het businessmodel; - het teamprofiel, … Ten slotte worden hieruit zeven laureaten geselecteerd.
Aanvullende inlichtingen Voor meer informatie over de wedstrijd EnterPrize 2006 kunt u terecht op de website www.enterprize.be of bij de coördinerende instantie: EnterPrize EEBIC Joseph Wybranlaan 40 1070 Brussel Tel.: 02/529.58.11 Fax: 02/529.59.11 E-mail: info@enterprize.be Website: www.enterprize.be
4.
INNOVATIEPREMIE
Inhoud steunmaatregel De eenmalige innovatiepremie is een maatregel die in 2006 ingevoerd wordt als experiment en dus in principe slechts voor één jaar geldig is. Via deze maatregel kan een werkgever een financiële vergoeding toekennen aan een werknemer die innovatie voorstelt met een reële waardetoevoeging voor het bedrijf. Deze financiële vergoeding wordt vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen en is niet belastbaar als aan de voorwaarden wordt voldaan. Begunstigden Deze tegemoetkoming kan toegekend worden aan alle werknemers van een onderneming die door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn met die onderneming. Zelfstandig bedrijfsleiders zijn dus uitgesloten. Projecten Om voor de premie in aanmerking te komen moet het idee aan volgende voorwaarden voldoen: - de nieuwigheid moet een daadwerkelijke meerwaarde betekenen met betrekking tot de normale activiteiten van de werkgever die de premie toekent; - de innovatie mag niet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande offerteaanvraag of vraag tot bestek voor de aanschaf van producten of processen die door een derde aan diegene die de premie toekent werd gericht; - de innovatie moet door de werkgever in zijn onderneming worden ingevoerd of het voorwerp zijn van een prototype, een aanvraag voor de vervaardiging van een prototype of er moeten interne onderrichtingen aanwezig zijn die erop wijzen welke wijzigingen de innovatie zal teweegbrengen in de normale activiteiten van de onderneming. De premie zelf moet voldoen aan volgende voorwaarden: - de premie mag niet toegekend worden ter vervanging of ter omzetting van in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verschuldigd loon, premie of voordeel in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid; - de premie mag enkel toegekend worden aan werknemers die via een arbeidsovereenkomst gebonden zijn aan de werkgever die de premie toekent; - de totale som van de gedurende één kalenderjaar uitgekeerde premies bedraagt gezamenlijk niet meer dan 1% van het geheel van de loonmassa van de onderneming; - de premie is van toepassing op maximaal 10% van het aantal werknemers (hoogstens 3 voor bedrijven met minder dan 30 werknemers); - per innovatie mogen niet meer dan 10 werknemers de premie genieten; - het bedrag van de premies uitbetaald per werknemer mag per kalenderjaar niet meer bedragen dan een maandloon. Omvang steun De aan de werknemers betaalde of toegekende eenmalige innovatiepremies worden vrijgesteld van de personenbelasting of de belasting der niet inwoners en van de sociale zekerheidsbijdragen voor zover aan alle voorwaarden voldaan is. Aanvraagprocedure Wenst u een beroep te doen op dit systeem van innovatiepremie, dan moeten criteria, procedures, en de identificatie van het project waarop de premie betrekking heeft, bekend gemaakt worden binnen de onderneming en aan de minister van Economie meegedeeld worden. Er moet ook een mededeling aan de RSZ gebeuren van de bedragen en de namen van de begunstigden van deze premie in de maand volgend op de toekenning van de premie. De communicatie van de gegevens aan de dienst Concurrentievermogen van de FOD Economie, KMO, Middenstand en energie moet gebeuren via formulieren, die beschikbaar zijn via de website.
Aanvullende inlichtingen FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie WTC III Dienst Concurrentievermogen (5de verdieping) Simon Bolivarlaan 30 1000 Brussel Tel.: 02/277.74.40 Fax: 02/208.36.66 E-mail: innovatiepremie@mineco.fgov.be Website: http://mineco.fgov.be/redir_new.asp?loc=/enterprises/home_nl.htm
5.
VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK (VITO)
Inhoud steunmaatregel (geldig tot eind 2006) De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek verricht klantgericht contractonderzoek en ontwikkelt innovatieve producten en processen ten behoeve van de industrie en de overheid. De bedrijfsleider wordt er geholpen bij onderzoek en ontwikkeling, implementatie van innovatieve technologieën en het optimaliseren van milieu-investeringen. De onderzoeksprojecten van de VITO sluiten aan bij de actuele maatschappelijke tendensen en de reële noden van het bedrijfsleven. Bij alle door de VITO uitgevoerde projecten staan het vrijwaren van het leefmilieu en het bevorderen van het duurzaam gebruik van energie en grondstoffen centraal. Begunstigden De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) heeft een programma bestemd voor alle ondernemingen gevestigd in het Vlaamse Gewest, dit wil zeggen voor zowel startende als bestaande kleine en middelgrote ondernemingen. Dit programma loopt nog tot eind 2006. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - optimaliseren van milieu-investeringen; - grondstoffenbesparing; - optimaliseren van energiebesparende investeringen; - vermindering van milieubelastende effecten; - lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën; - implementatie van innovatieve technologieën; - … Diversen De opdrachtgever kan met zijn specifieke problemen terecht bij een logisch geheel van expertisecentra: procestechnologie, energietechnologie, teledetectie en atmosferische processen, milieutoxicologie, milieumetingen, materiaaltechnologie, milieutechnologie en integrale milieustudies. De wensen en noden van de opdrachtgever staan centraal binnen het contractonderzoek van de VITO. Het verrichten van onderzoek op maat van de klant en met tussentijdse bijsturing beperkt de financiële risico’s van de opdrachtgever.
Aanvullende inlichtingen VITO Jos Sleurs Boeretang 200 2400 Mol Tel.: 014/33.55.11 Fax: 014/33.55.99
DEEL VI : ENERGIE EN MILIEU
1.
DE ECOLOGIEPREMIE
Inhoud steunmaatregel Met de ecologiepremie betaalt de Vlaamse overheid een gedeelte van de ecologische investeringen die een onderneming doet. Deze ecologiepremie, die in het najaar van 2004 van start is gegaan, is de opvolger van de ecologiesteun voor milieuvriendelijke investeringen. Op 20 juli 2006 heeft de Vlaamse Regering beslist de ecologiepremieregeling op volgende punten te wijzigen: - het cumulverbod van de ecologiepremie met andere steunvormen wordt opgeheven; - ecologiesteun kan enkel worden toegekend voor technologieën die voorkomen op de limitatieve technologieënlijst; - de afschaffing van de verplichting om een CO2-emissiereductie engagement aan te gaan bij energiebesparende investeringen; - een vereenvoudiging van de subsidietabel; - de invoering van een uniform steunplafond van 1,5 miljoen euro per steunaanvraag; - het schrappen van van achterstallige schulden bij de Belastingsdienst Vlaanderen inzake onroerende voorheffing als ontvankelijkheids- en uitbetalingscriterium; - de uitbetaling van de tweede schijf kan maar worden aangevraagd nadat 60% van het investeringsprogramma werd uitgevoerd. Projecten Limitatieve technologieënlijst (LTL) De ecologiepremie wordt gekenmerkt door een lijst van technologieën: de limitatieve technologieënlijst (afgekort LTL). Op deze lijst staan een 600-tal technologieën die voor een ecologiepremie in aanmerking komen. De technologieën staan gerangschikt volgens sector (NACE-code). Een ondernemer die een aanvraag wenst te doen, kan best een technologie uit de lijst kiezen. Er staan 4 soorten technologieën op de lijst: - milieutechnologieën; - hernieuwbare energietechnologieën (HE), (waterkracht, windenergie, zonne-energie (zowel foto-voltaïsch als thermisch), biomassa, …); - warmte-kracht-koppelingstechnologieën (WKK); - energiebesparende technologieën; - technologieën voor aanpassing aan nieuwe Europese normen. De volledige LTL is te vinden op http://www.vlaanderen.be/ecologiepremie . Deze lijst is o.a. opgesteld aan de hand van de BBT-studies (BBT = best beschikbare technieken: voor info zie: http://www.emis.vito.be) die voor de verschillende sectoren werden uitgevoerd, gelijkaardige regelgevingen in het buitenland en ervaringsgegevens. Diversen Bepaling van het investeringsbedrag voor de steunberekening De steun wordt niet berekend op het totale investeringsbedrag, maar enkel op een gedeelte van dit bedrag. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende elementen: - Meerkost ten opzichte van een standaardtechnologie; In overeenstemming met de Europese regelgeving met betrekking tot steun voor milieu-investeringen komen enkel de extra investeringskosten ten opzichte van een klassieke of standaardtechnologie, in aanmerking. Wanneer de milieuvriendelijke techniek geen extra investeringskosten met zich meebrengt komt deze technologie niet in aanmerking voor steun. - Gerealiseerde besparingen en opbrengsten; In overeenstemming met de Europese regelgeving met betrekking tot steun voor milieu-investeringen moeten de besparingen en opbrengsten van de milieuvriendelijke techniek gedurende de eerste vijf jaar in mindering gebracht worden van de meerkost. Deze besparingen kunnen zich situeren op het vlak van
-
energie- of grondstoffenbesparing; de opbrengsten kunnen te maken hebben met de verkoop van tussenproducten in een recyclageproces, de opbrengsten uit groenestroomcertificaten, … Milieuperformantie; De milieuperformantie is een factor (tussen 0,6 en 1) die aangeeft in welke mate de investering milieuperformant is. Momenteel staat de milieuperformantiefactor voor alle milieu-investeringen ingesteld op 0,6 wat betekent dat 60% van de meerkost in aanmerking komt voor subsidiëring.
De inrekening van meerkosten, besparingen/opbrengsten en de milieuperformantie gebeurt aan de hand van standaardberekeningen opgemaakt door de administratie. Deze standaardberekeningen geven als resultaat het percentage van het investeringsbedrag dat in aanmerking komt voor de steunberekening.Voor alle technologieën die voorkomen op de lijst werden de meerkosten gestandaardiseerd. Hoogte van de steun De steunhoogte wordt bepaald op basis van de aard van de technologie, zoals hierboven aangehaald, en de grootte van de onderneming. Kleine en middelgrote ondernemingen kunnen tot 35% steun krijgen, grote ondernemingen tot 25%. Deze steun kan met 5% verhoogd worden indien de onderneming een duurzaamheidscertificaat (milieuzorgsysteem) kan voorleggen of zich engageert om dit te behalen voor het einde van de investeringen. De steun bedraagt maximaal 1,5 miljoen euro per aanvraag en per exploitatiezetel. Overzicht van de subsidiepercentages en maximale subsidiebedragen Kleine en middelgrote ondernemingen
Grote ondernemingen
Subsidiepercentage
Maximum subsidiepercentage
Max. in mln €
Subsidiepercentage
Maximum Subsidiepercentage
Max. in mln €
35%
-
1,5
25%
-
1,5
+1,5%
36,5%
1,5
+1,5%
26,5%
1,5
ISO 14001-certificaat
+3%
38%
1,5
+3%
28%
1,5
EMAS-certificaat
+5%
40%
1,5
+5%
30%
1,5
Subsidievoorwaarde
Limitatieve technologieënlijst Milieuchartercertificaat
Snelle uitbetaling van de steun De steun wordt uitbetaald in drie schijven welke ten vroegste 1 maand na beslissing tot steuntoekenning worden uitbetaald: - de eerste schijf (30%) na start van de investering (datum eerste factuur); - de tweede schijf (30%) nadat 60% van de investeringen zijn gerealiseerd; - de derde schijf (40%) na beëindiging van de investeringen en na controle van de inspectiedienst ter plaatse. Aanvraagprocedure De digitale aanvraag Een aanvraag voor een ecologiepremie dient elektronisch (via het internet) te gebeuren via de webstek: http://www.vlaanderen.be/ecologiepremie. Wie al een gebruikersnaam en paswoord heeft via de bestaande steunregimes, kan deze eveneens gebruiken voor de aanvraag van een ecologiepremie. Voor nieuwe klanten, zoekt de webtoepassing de identiteit van de onderneming op in de referentiedatabank (Graydon) en maakt vervolgens een login en paswoord aan. Met de gebruikersnaam en het paswoord wordt toegang verkregen tot de beveiligde site en kan een aanvraag elektronisch worden ingediend en opgevolgd.
Aanvullende inlichtingen Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid: via e-mail: ecologiepremie@vlaanderen.be via internet: www.vlaanderen.be/ecologiepremie via de post: Vlaamse overheid Agentschap Economie Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Cel Ecologiepremie Robert Kinable Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.37.70 E-mail: robert.kinable@ewi.vlaanderen.be
2.
AANMOEDIGINGSMAATREGELEN REG
Inhoud steunmaatregel Ter bevordering van het rationeel energiegebruik (REG) werd door de Vlaamse overheid met de diverse energiedistributienetbeheerders voor 2006 een aantal actieplannen afgesproken. Voorbeelden van acties gericht naar ondernemingen zijn onder andere: - premie snelle energieaudit; - premie grondige energieaudit; - premie één thema-audit; - premie voor snelheidsvariatoren (ventilatoren, compressoren, pompen); - premie voor zonneboiler; - premie voor condensatieketel; - premie voor ventilatiesysteem met warmterecuperatie - premie voor dakisolatie; - premie voor muurisolatie; - premie voor HR-beglazing; - premie voor rechtstreekse aardgasverwarming (luchtverhitters en -generatoren, stralingstoestellen); - premie voor wamtepomp; - premie voor verlichting; - premie voor directe verbranding bij processen; - premie voor warmterecuperatie uit verbrandingsproducten bij processen; - premie voor modulerende branders bij processen; - premie voor aankoop meetapparatuur voor energieverliezen. Voor meer informatie over wat in aanmerking komt en voor de grootte van de premies: contacteer uw energiedistibutienetbeheerder. Premies van de gemeenten Sommige gemeenten geven steun voor de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen en voor de plaatsing van zonneboilers. Beide subsidies liggen meestal tussen € 250 en € 750.
Aanvullende inlichtingen Meer informatie over de acties van de zuivere en gemengde energiedistributienetbeheerders kunt u terugvinden op de website van uw energiedistributienetbeheerder, het overkoepelend orgaan van de gemengde energiedistributienetbeheerders GeDIS (www.gedis.be) of bij: Vlaams Energieagentschap North Plaza B Koning Albert II-laan 7 1210 Brussel Tel. : 02/553.46.00 Fax : 02/553.46.01 E-mail: energie@vlaanderen.be Website: www.energiesparen.be Voor de premies toegekend door de gemeenten kunt u best navraag doen bij uw gemeentebestuur.
3.
PRESTI 5
Inhoud steunmaatregel Presti 5 heeft tot doel eco-efficiënt produceren te stimuleren door een grote verscheidenheid aan lokale, regionale of sectorale projecten te subsidiëren. De uitvoering van de projecten moet leiden tot gedragsverandering en reductie van afvalstoffen. Dit kan door het geven van een beter inzicht in de noodzaak en de mogelijkheden van afvalvoorkoming, of door uitwerking van concrete maatregelen. Begunstigden Het programma staat open voor projecten uitgevoerd door de: beroepsfederaties, kamers voor handel en nijverheid, interprofessionele organisaties, regionale ontwikkelingsmaat- schappijen, werkgeversverenigingen, socio-culturele groeperingen, onderwijs- en onderzoeksinstellingen, milieuverenigingen alsook bedrijven. Deze projecten dienen zich uiteraard te situeren op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Projecttypes en projectthema's De inhoud van een project wordt gekaderd binnen een gekozen projecttype en een gekozen projectthema. Verschillende types van preventieprojecten zijn mogelijk: -
Onderzoeksproject Actieplanning Proefproject Demonstratieproject Ervaringsuitwisseling Informatievoorziening & Sensibilisering Advisering
Binnen elk type van project kan rond een bepaald thema worden gewerkt: -
Meten = weten Milieukosten Milieuzorg & Milieubeheer Maatregelen & Technieken Ketenbeheer Productontwikkeling
Preventiemaatregelen kunnen rond verschillende milieuaspecten worden uitgewerkt (afval, water, lucht, …). Volgende onderwerpen kunnen aan bod komen: rationeel watergebruik, rationeel energiegebruik, rationeel grond- en hulpstoffengebruik, afvalpreventie, bestrijding van luchtemissies en geurhinder, milieugerichte productontwikkeling, milieuvriendelijk verpakken, procesgeïntegreerde maatregelen. De geest van het PRESTI 5-programma bestaat erin de kennis en ervaringen rond eco-efficiënt produceren die voorhanden zijn, te verspreiden. Elk preventieproject moet daarom een verspreidingsfase van de ondernomen acties en resultaten bevatten. De uitvoering van een goedgekeurd project kan maximum 18 maanden duren. Omvang steun Het project kan voor maximum 65 % van de projectkosten worden gesubsidieerd. Aanvraagprocedure Jaarlijks worden een aantal projecttypes en -thema' s, die in aanmerking komen voor subsidie, alsook de prioritaire doelgroep en de oproepperiode, door de minister in een jaarprogramma vastgelegd. Door dit flexibel karakter kan beter ingespeeld worden op de noden en de behoeften van de doelgroep én op de beleidsprioriteiten ter voorkoming van afval. Dit jaarprogramma kan geraadpleegd worden op de website www.presti.be.
Aanvullende inlichtingen Voor de indiening van een project of bijkomende informatie kunt u terecht bij: OVAM PRESTI-team Stationsstraat 110 2800 Mechelen Tel.: 015/28.45.46 - 015/28.43.90 Fax: 015/41.30.72 E-mail: presti@ovam.be Website: www.presti.be
4.
SUBSIDIES VOOR KMO’S DIE SELECTIEF AFVAL SORTEREN
Inhoud steunmaatregel KMO' s die bedrijfsmatig verpakkingsafval sorteren met het oog op recyclage kunnen bij VAL-I-PAC terecht voor een financiële vergoeding. VAL-I-PAC is het officieel orgaan voor de uitvoering van de terugname en informatieplicht van bedrijfsmatig verpakkingsafval. Begunstigden Om als KMO recht te hebben op deze subsidies, moet de verpakking: -
afkomstig zijn van bedrijfsmatig verpakkingsafval; ontstaan zijn op Belgisch grondgebied; selectief gesorteerd worden met het oog op recyclage; opgehaald worden door een operator die officieel erkend is door VAL-I-PAC.
De ontpakkers moeten in geen geval lid zijn of worden van VAL-I-PAC om recht te hebben op een subsidie. Omvang steun De financiële ondersteuning gebeurt op 2 manieren. Het recyclageforfait is bedoeld om de recyclage te stimuleren van bedrijfsmatig verpakkingsafval dat ontstaan is op Belgisch grondgebied, namelijk kunststof en hout. Voor elke ton verzameld verpakkingsafval die gerecycleerd wordt, betaalt VAL-I-PAC een forfaitair bedrag aan de ontpakkers (€ 50 per ton recycleerbare kunststof of € 10 per ton recycleerbaar hout). Het containerforfait is bedoeld om de selectieve inzameling van bedrijfsmatig verpakkingsafval te stimuleren door tussenkomst in de huur van selectieve containers, zakken of andere inzamelsystemen. Deze subsidies variëren in functie van het type container. Concreet gezien stelt VAL-I-PAC de KMO’s voor om de containers die gemengd afval bevatten te vervangen door een systeem met drie specifieke stromen: -
een container voor gemengd afval; een selectieve container voor karton; speciale zakken om plastic folies in te zamelen wanneer de hoeveelheid plastic te beperkt is om een aparte container te gebruiken.
Aanvullende inlichtingen Voor meer informatie kan men terecht bij: VAL-I-PAC Koningin Astridlaan 59, bus 11 1780 Wemmel Tel.: 02/456.83.33/11 Fax: 02/456.83.20 E-mail: info@valipac.be Website: www.valipac.be
5.
VLAAMSE GROENESTROOMCERTIFICATEN
Inhoud steunmaatregel Eigenaars van installaties die elektriciteit produceren in Vlaanderen op basis van hernieuwbare energiebronnen (wind, zon, biomassa, …) kunnen gratis via de VREG groenestroomcertificaten verkrijgen per 1000 kWh elektriciteitsproductie. Deze VGC kunnen verkocht worden aan elektriciteitsleveranciers in Vlaanderen. De elektriciteitsleveranciers in Vlaanderen moeten elk jaar een bepaald percentage elektriciteitsleveringen aan eindverbruikers kunnen aantonen met groenestroomcertificaten. In 2003 bedroeg dit verplicht percentage 2% en neemt toe tot 6% in 2010.
van
hun
Elektriciteitsleveranciers kunnen VGC verkrijgen door zelf elektriciteit op te wekken op basis van hernieuwbare energiebronnen of door VGC te kopen van derden. Elektriciteitsleveranciers die VGC te kort hebben moeten een boete betalen. De marktprijs van de VGC in de afgelopen verhandelperiodes kunt u opvragen bij de VREG. Er wordt een minimale marktwaarde van 60% van de boeteprijs gegarandeerd. Vanaf 1 januari 2006 kunnen VGC van de elektriciteitsopwekking uit fotovoltaïsche zonne-energieinstallaties, verkocht worden aan de energiedistributienetbeheerder voor € 450 per VGC van 1000 kWh.
Aanvullende inlichtingen Voor meer informatie over Vlaamse groenestroomcertificaten kunt u terecht bij: Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt North Plaza B Koning Albert II-laan 7 1210 Brussel Tel. : 02/553.13.53 Fax : 02/553.13.50 E-mail: info@vreg.be Website: www.vreg.be
6.
VLAAMSE WARMTEKRACHTKOPPELINGSCERTIFICATEN
Inhoud steunmaatregel Kwalitatieve WKK-installaties kunnen bij de instantie VREG WKK-certificaten (WKC) verkrijgen per schijf van 1.000 kWh (1 MWh) primair bespaarde energie. Een warmtekrachtkoppeling (WKK) is een installatie die tegelijkertijd kracht (elektriciteit) en warmte opwekt. Een WKK is kwalitatief als de relatieve primaire energiebesparing minimaal 5 % is ten opzichte van een vergelijkbare gescheiden opwekking van warmte (ketel) en elektriciteit (centrale). De maximale relatieve primaire energiebesparing van een WKK is ongeveer 25 %. De berekening van de relatieve primaire energiebesparing en het aantal WKK-certificaten is opgenomen in bijlage. De gratis verkregen WKK-certificaten kunnen vanaf 2004 verkocht worden aan elektriciteitsleveranciers in Vlaanderen. De elektriciteitsleveranciers in Vlaanderen moeten vanaf 2005 elk jaar een bepaald percentage van hun elektriciteitsleveringen aan eindverbruikers kunnen aantonen met WKK-certificaten. Elektriciteitsleveranciers die WKK-certificaten te kort hebben moeten een boete betalen. Per ontbrekend certificaat bedraagt de boete € 40 op 31 maart 2006 en € 45 op 31 maart 2007. De elektriciteitsleveranciers moeten uiterlijk tegen 31 maart 2006 de WKK-certificaten voor het jaar 2005 inleveren. Verwacht wordt dat de marktprijs van WKK-certificaten 80 tot 90% van de boeteprijs zal bedragen. Indien een WKK gebruik maakt van biobrandstoffen zoals onder andere hout, biogas en biofuel, dan kunnen aanvullend op de WKK-certificaten ook groenestroomcertificaten (GSC) verkregen worden voor de geproduceerde elektriciteit (zie fiche groenestroomcertificaten).
Aanvullende inlichtingen Voor meer informatie over Vlaamse WKK-certificaten kunt u terecht bij: Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt North Plaza B Koning Albert II-laan 7 1210 Brussel Tel. :02/553.13.53 Fax : 02/553.13.50 E-mail: info@vreg.be Website: www.vreg.be
7.
VERHOOGDE INVESTERINGSAFTREK VOOR ENERGIEBESPARENDE INVESTERINGEN
Inhoud steunmaatregel Lijst van activa die dienen voor een rationeler energiegebruik, voor de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en voor de terugwinning van energie in de industrie. Voor de toepassing van deze bijlage betekenen de termen: - “bestaande” gebouwen of broeikassen: de gebouwen of broeikassen waarvan op het einde van het belastbaar tijdperk waarin de in categorie 1 of 4 vermelde investeringen zijn gedaan, de voltooiing van de bouw meer dan 5 jaar terug heeft plaatsgevonden; - “bestaande” of “in gebruik zijnde” apparatuur, processen, systemen, enz: de apparatuur, processen, systemen, enz. waarvan op het einde van het belastbaar tijdperk waarin de in de categorie 2, 3, 5, 6, 8 of 9 vermelde investeringen zijn gedaan, de ingebruikneming meer dan drie jaar terug heeft plaatsgehad. De investeringen die niet beantwoorden aan de van toepassing zijnde milieunormen zullen niet in aanmerking worden genomen. Investeringen waar een verplichting van toepassing is komen niet in aanmerking voor verhoogde investeringsaftrek. Zo zijn bijvoorbeeld investeringen die vallen onder de energieprestatie- en binnenklimaateisen uitgesloten. GROEP 1: BEPERKING VAN DE ENERGIEVERLIEZEN Categorie 1: beperking van de energieverliezen in bestaande gebouwen of in bestaande broeikassen Voor zover ze niet door een wettelijke bepaling zijn opgelegd en mits materialen worden gebruikt waarvan de warmtegeleidings-coëfficiënt volgens de Belgische normen NBN van de reeks B62 of volgens bijzondere Belgische normen of dito technische goedkeuringen, kleiner is dan of gelijk is aan 0,05 Watt per meter en per Kelvin, komen de volgende investeringen in aanmerking: - isoleren van buitenmuren, buitendeuren en -poorten, van schuine of platte daken, van vloeren en muren die de scheiding vormen tussen een verwarmd vertrek en een niet-verwarmd vertrek of van vloeren die de scheiding vormen tussen een verwarmd vertrek en de buitenlucht zodanig dat de warmtedoorgangscoëfficiënt (k-waarde) van de wand kleiner is dan of gelijk is aan 0,5 Watt per vierkante meter en per Kelvin, evenals het aanbrengen van de nodige bescherming of van een bekleding om het isolatiemateriaal tegen het binnendringen van stof, lucht of waterdamp te beschermen, materiaal en loonkosten voor afwerking en versiering niet inbegrepen; - vervangen van enkel vensterglas door dubbel of driedubbel vensterglas waarvan de warmtedoorgangscoëfficiënt (k-waarde) kleiner is dan of gelijk is aan 3,2 Watt per vierkante meter en per Kelvin, evenals het aanpassen van de ramen of het vervangen ervan door houten of kunststoframen of door metalen ramen met thermische onderbreking; - plaatsen van wegneembare schermen in broeikassen die een scheiding vormen tussen kweekruimte en dak. Categorie 2: beperking van het energieverlies door in gebruik zijnde apparaten, leidingen, afsluiters en kanalen te isoleren of in gebruik zijnde warme of koude vloeistofbaden af te dekken Investeringen waarbij isolatiemateriaal is gebruikt waarvan de warmtegeleidingscoëfficiënt, volgens de Belgische normen NBN van de reeks B62 of volgens bijzondere Belgische normen of dito technische goedkeuringen, kleiner is dan of gelijk is aan 0,05 Watt per meter en per Kelvin, komen in aanmerking in verhouding tot de erdoor bekomen vermindering van warmteverlies t.o.v. de toestand die bestond vóór de investering. Categorie 3: beperking van het energieverlies in bestaande ovens Enkel de volgende investeringen komen in aanmerking: - het bijkomend isoleren van de ovens;
-
het vervangen van de isolerende of vuurvaste bekleding van de ovens, in verhouding tot de erdoor bekomen vermindering van warmteverlies.
Categorie 4: beperking van het ventilatieverlies in bestaande gebouwen De volgende investeringen komen in aanmerking: - aanbrengen van tochtsluizen, tochtgordijnen of automatisch sluitende deuren en poorten tussen de binnenen buitenkant van het verwarmd gebouw of tussen een verwarmd en een niet-verwarmd gedeelte van het gebouw; - aanbrengen van automatisch sluitende deuren tussen koel- of diepvrieskamers en de rest van het gebouw. GROEP 2: TERUGWINNEN VAN ENERGIE Categorie 5: terugwinnen van afvalwarmte De volgende investeringen, met uitzondering van het materieel en de uitrustingen die bestemd zijn voor warmtekrachtkoppeling, komen in aanmerking wanneer zij het in een bestaand systeem mogelijk maken afvalwarmte te recupereren: - plaatsen van recuperatietoestellen op thermische afvalstromen of uitstoten; - plaatsen van warmteopvangapparatuur nodig om afvalwarmte terug te winnen, productie-toestellen die de teruggewonnen warmte gebruiken niet inbegrepen; - plaatsen van geïsoleerde leidingen en circulatiepompen voor het transport van de teruggewonnen warmte; - plaatsen van geïsoleerde opslagvaten die uitsluitend dienen voor het tijdelijk opslaan van de teruggewonnen warmte; - plaatsen van apparatuur voor het opvangen en naverdampen van stoomcondensaat, evenals de installatie van spuikranen voor de aflaat van condensaat; - plaatsen van warmtepompen; - verlenging van continu-ovens voor een verdere recuperatie van de in de rookgassen aanwezige warmte, bij gelijkblijvende productiecapaciteit. Categorie 6: aanwenden van expansie-energie die vrijkomt bij bestaande productieprocessen of bij de ontspanning van fluïda onder druk gebracht voor transport In aanmerking komen, de investeringen om bestaande installaties en systemen voor het aanwenden van die expansie-energie aan te passen door het plaatsen van: - tegendrukturbines; - expansieturbines; - generatoren, met inbegrip van snelheidsreductoren, waarin de opgewekte mechanische energie wordt omgezet in elektrische energie. GROEP 3: VERBETERING VAN HET ENERGETISCH RENDEMENT Categorie 7: Warmte-krachtkoppelingsapparatuur De volgende investeringen komen in aanmerking, mits de gemiddelde rendementen van kracht ηk en warmte ηw, gelijktijdig voldoen aan: ηk +
2 ηk ηw η ≥ 50% en ≥ 25% en ≥ 25% 3 w ηk + ηw ηk + ηw
ηk is de verhouding, uitgedrukt in procenten, tussen de op jaarbasis geproduceerde mechanische of elektrische energie en de totale aan het systeem op jaarbasis toegevoerde energie, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de brandstof. ηw is de verhouding, uitgedrukt in procenten, tussen de op jaarbasis gebruikte warmte-energie en de totale aan het systeem op jaarbasis toegevoerde energie, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de brandstof.
-
-
installatie van krachtwerktuigen (gasturbines, diesel- en gasmotoren evenals stoomketels gecombineerd met tegendrukstoomturbines of aftapcondensatieturbines) waarin thermische energie wordt omgezet in mechanische energie; installatie van generatoren, met inbegrip van snelheidsreductoren, waarin opgewekte mechanische energie wordt omgezet in elektrische energie; installatie van warmtewisselaars of recuperatieketels (met inbegrip van branders voor verhoging van de stoomproductie) die met uitlaatgassen werken; installatie van warmtewisslaars voor het terugwinnen van de warmte van krachtwerktuigen; investeringen voor: · het opslaan van brandstof binnen de inrichting; · het transport van brandstoffen, verbrandingslucht, uitlaatgassen, koelwater, koellucht of ketelvoedingswater binnen de inrichting; installatie van: · geluidsisolatie; · rookgasreinigingsapparatuur; · apparatuur ter behandeling van ketelvoedingswater; · elektrische en elektronische apparatuur voor aansluiting op het interne elektriciteitsnet.
De sector voor productie, transport en verdeling van elektriciteit valt niet onder het toepassingsveld van deze categorie. Categorie 8: verbrandings-, verwarmings-, klimatisatie- en verlichtingsapparatuur De volgende investeringen komen in aanmerking: - de investeringen, uitsluitend uitgevoerd met het oog op het verhogen van het energetisch rendement van bestaande verbrandings-, verwarmings-, klimatisatie- en verlichtingsapparatuur; - in verhouding tot de erdoor bekomen verhoging van het energetisch rendement, de investeringen in nieuwe verbrandings-, verwarmings-, klimatisatie- en verlichtings-appartuur ter vervanging van bestaande apparatuur. Het gedeelte van de in deze categorie beoogde investeringen dat een capaciteitsverhoging tot gevolg heeft komt niet in aanmerking. Categorie 9: industriële productieprocessen De volgende investeringen komen in aanmerking: - de investeringen uitgevoerd met het oog op het verhogen van het energetisch rendement van bestaande installaties; - in verhouding tot de erdoor bekomen verhoging van het energetisch rendement, de investeringen die een wijziging van bestaande industriële processen of hun vervanging door nieuwe processen beogen. Het gedeelte van de in deze categorie beoogde investeringen dat een capaciteitsverhoging tot gevolg heeft komt niet in aanmerking. GROEP 4: ENERGETISCHE VALORISATIE VAN BIOMASSA EN AFVALSTOFFEN Categorie 10: productie en gebruik van energie door chemische, thermochemische of biochemische omzetting van biomassa en afvalstoffen In aanmerking komen, de investeringen binnen de inrichting in: - uitrusting uitsluitend voor het bewerken, opslaan en transporteren van de in- en uitgaande stoffen; - reactoren gebruikt voor de chemische, thermochemische of biochemische omzetting van de biomassa en de afvalstoffen met inbegrip van verbrandingsapparaten en aangepaste branders of vuurhaarden; - recuperatiestookketels aangesloten op verbrandingsapparaten; ketels of het verbouwen ervan en krachtwerktuigen om de verkregen brandstof te gebruiken; - warmtewisselaars; - meet-, tel- en regelapparatuur; - schoorstenen en apparatuur om rookgas en gasvormige of vloeibare effluenten te reinigen.
GROEP 5: GEBRUIK VAN HERNIEUWBARE ENERGIEëN Categorie 11: energieproductie op basis van hernieuwbare energieën In aanmerking komen, de nodige apparatuur voor de productie van mechanische, thermische of elektrische energie door aanwending of door omzetting van de hernieuwbare energieën. De investeringen in de nodige apparatuur voor de energieproductie door omzetting van biomassa komen niet in aanmerking in het kader van deze categorie. Deze vallen onder categorie 10. De investeringen in de vervanging van apparatuur voor energieproductie door aanwending of door omzetting van hernieuwbare energie vallen niet onder het toepassingsveld van deze categorie. GROEP 6: VERVOER Categorie 12: vervoer via spoor- of waterweg In aanmerking komen, de investeringen binnen de inrichting in nieuwe los- en laadinrichtingen voor vervoer via spoor- of waterweg of in nieuwe uitrustingen voor de aansluiting op het spoorwegnet of de waterweg. De voornoemde investeringen komen slechts in aanmerking in verhouding tot de toename van het relatieve deel van de jaarlijkse tonnage die via spoor- of waterweg wordt vervoerd, met de situatie vóór de investeringen als referentiesituatie genomen. De investeringen in de vervanging van materieel, uitrustingen of installaties vallen niet onder het toepassingsveld van deze categorie.
Aanvullende inlichtingen FOD Financiën Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit North Galaxy-bus 25 Koning Albert II-laan 33 1030 Brussel Tel.: 02/336.23.40 02/336.24.53 02/336.62.62 Fax: 02/366.17.66 E-mail: info.tax@minfin.fed.be Website: fiscus.fgov.be
8.
LIFE III-PROGRAMMA
Inhoud steunmaatregel LIFE (l’Instrument Financier pour L’Environnement) is opgestart in 1992 en bevindt zich momenteel reeds in de derde fase. Het LIFE III-programma is vastgelegd bij Verordening 2000/1655 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 en is een Europees financieringsprogramma. De algemene doelstelling bestaat erin bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautair milieubeleid en de milieuwetgeving met het oog op duurzame ontwikkeling in de Europese Gemeenschap. De Europese Commissie heeft het Life III-programma tot 2006 verlengd. De Commissie voorziet 317 miljoen euro voor de periode vanaf 1 januari 2005 tot 31 december 2006. Projecten De projecten die gefinancierd worden door LIFE moeten voldoen aan de volgende criteria: - van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de algemene doelstelling; - uitgevoerd worden door een technisch betrouwbare en financieel gezonde deelnemer; - haalbaar zijn wat de technische voorstellen, planning, rendement en begroting betreft. Aan projecten met een multinationale opzet kan prioriteit worden verleend. Diversen LIFE bestaat uit drie onderdelen: LIFE-Natuur, LIFE- Milieu en LIFE-Derde Landen. LIFE-Natuur zorgt voor de financiering van een milieubeschermingsactie en in de praktijk moet LIFE-Natuur bijdragen tot de uitvoering van de ' Vogelrichtlijn'(79/409/EEG) en ' Habitatrichtlijn'(92/43/EEG) van de Europese Unie, en in het bijzonder tot de totstandkoming van Natura 2000, het coherent Europees netwerk van beschermde gebieden. LIFE-Natuur viseert het terreingericht beheer en het behoud van de meest waardevolle fauna, flora en habitat binnen de Europese Unie. LIFE-Milieu steunt demonstratieprojecten op milieuvlak en richt zich tot de industrie, de plaatselijke overheden en KMO’s. LIFE-Milieu financiert ook voorbereidende projecten die zijn gericht op de verdere ontwikkeling of bijstelling van het communautaire milieubeleid. Voor deze projecten maakt de Commissie afzonderlijke uitnodigingen tot het indienen van voorstellen bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Begunstigden: Hoewel LIFE-Milieu openstaat voor iedere in de Europese Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, alsmede voor een aantal kandidaat-lidstaten is het programma voornamelijk gericht op de industriële sector en de overheid. Voor de periode 2005-2006 is voor LIFE een totaal budget van 317 miljoen euro voorgesteld, waarvan 47% is gereserveerd voor projecten in het kader van LIFE-Milieu in de Europese Unie. Een LIFE-Milieu subsidie wordt toegekend aan de voorstellen die het best scoren in de zin van innovatieve oplossingen voor belangrijke milieuproblemen en die tot concrete resultaten leiden. De verspreiding van kennis moet deel uitmaken van de projecten. Met name het voorbeeldkarakter is belangrijk. Projecten moeten worden uitgevoerd op een technische schaal die het mogelijk maakt om te beoordelen of grootschalige invoering technisch en economisch haalbaar is. LIFE-Milieu is niet gericht op onderzoek noch op investeringen in bestaande technologie, maar is bedoeld als overbrugging tussen de resultaten van onderzoek en ontwikkeling en de grootschalige toepassing/marktintroductie daarvan. De projecten kunnen volgende thema’s en onderwerpen omvatten: - ruimtelijke ordening en planning; - waterbeheer; - de impact van de economisch activiteit; - het beheer van afvalstromen; - geïntegreerde benadering van de productie.
Voor LIFE-Derde Landen is ongeveer 5% van de begroting van LIFE III voorzien voor de financiering van technische ondersteuning, demonstratieprojecten en acties ter bevordering van het behoud en herstel van belangrijke habitat van bedreigde soorten fauna en flora buiten de Europese Unie. Begunstigden: LIFE-Derde Landen is voornamelijk gericht op nationale overheden en administraties. Het is eveneens open voor personen (natuurlijke of rechtspersonen) die voorstellen lanceren op lokaal, nationaal of regionaal niveau. Aanvraagprocedure LIFE-Natuur In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling, met vermelding van de specifieke criteria, gelanceerd. De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering met een maximum van 50% voor natuurbehoudprojecten en 100% voor begeleidende maatregelen. LIFE-Milieu Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door alle rechtspersonen die in de lidstaten van de Europese Unie zijn gevestigd, zoals particulieren, industriële en commerciële ondernemingen, lokale overheden enzovoort. In het bijzonder wordt de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO) aangemoedigd. Jaarlijks wordt er een oproep gelanceerd om projectvoorstellen in te dienen. Deze oproep verschijnt ook op de Lifewebsite onder ‘Funding’. De projecten worden medegefinancierd. De subsidiegraad kent de volgende verdeling: tot 30% bij projecten met inkomsten en tot 50% bij projecten zonder inkomsten. LIFE-Derde Landen Elk jaar kunnen er voorstellen voor acties en projecten ingediend worden. Medefinanciering is voorzien tot 100% van de aanvaardbare kosten voor technische ondersteuning en tot 50% voor de andere acties. NIEUW ! LIFE+ (2007-2013) Op de vergadering van 27 juni 2006 in Luxemburg bereikte de Europese Milieuraad een overeenkomst voor het programma Life+, betreffende het budget. Op 24 mei 2006 had de Commissie een gewijzigd budget van 2097,9 miljoen euro voorgesteld voor het Life+ programma voor de periode 2007-2013. De Life+ verordening is momenteel in tweede lezing bij het Europees Parlement. Het Life+ programma zal de uitvoering, het up-to-date houden en de ontwikkeling van het EU-milieubeleid en wetgeving aanpakken, met inbegrip van de integratie van het milieu in andere beleidsdomeinen. Life+ zal zich ook toeleggen op de strijd tegen de klimaatwijziging en de achteruitgang van Europa’s biodiversiteit. Life+ zal eveneens instaan voor de promotie van gezondheid en levenskwaliteit en voor het houdbaar beheer van de ongebruikte en de natuurlijke rijkdommen. Aanvullende inlichtingen Belgische ondernemers moeten de projecten indienen bij de heer David van Lochem van het ministerie van Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Bij hem kan u eveneens terecht voor meer gedetailleerde informatie: Ministerie van Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu Diensten voor het Leefmilieu Dienst Studie en Coördinatie David van Lochem Victor Hortaplein 40 bus 10 1060 Brussel Tel.: 02/524.95.04 E-mail: david.vanlochem@health.fgov.be Algemene informatie over het LIFE-programma kan u vinden op volgende website: http://ec.europa.eu/environment/life/
9.
ZESDE KADERPROGRAMMA: DUURZAME ENERGIESYSTEMEN (2002-2006)
Inhoud steunmaatregel Het communautair programma ‘Duurzame energiesystemen’ voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTOD) heeft als doelstellingen de vermindering van de broeikasgassen en de vervuilende uitstoot (Kyoto), de verhoging van de zekerheid van de energiebevoorrading, de verhoging van de energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, alsook de bevordering van de concurrentiekracht van de Europese industrie en de levenskwaliteit in de EU en de wereld. Om deze doelstellingen te bereiken is er een opsplitsing gemaakt tussen OTOD-activiteiten met marktpotentieel op korte tot middellange termijn enerzijds en op middellange tot lange termijn anderzijds. Voor klassieke OTOD-projecten bedraagt de steun 50 %. Coördinatie- en trainingsactiviteiten van projecten worden 100 % gesubsidieerd met een maximum van 7 % van de totale projectkosten. Via een call-systeem maakt de Europese Commissie bekend voor welke periode en domeinen projectvoorstellen kunnen worden ingediend. Begunstigden Een belangrijk uitgangspunt van het Kaderprogramma is het stimuleren van internationale samenwerking. Hiervoor ligt het accent op ' consortia' , waarbij een aantal partners samenwerken rond een bepaald technologisch vraagstuk. Steun Voor specifiek gerichte OTO-projecten en specifieke onderzoeksprojecten voor KMO’s bedraagt het steunpercentage 50 %. Projecten -
Specifiek gerichte OTO-projecten; Projecten voor onderzoek en technologische ontwikkeling die nieuwe kennis moeten opleveren met het oog op nieuwe producten, procédés of diensten, of een demonstratieproject dat de levensvatbaarheid moet aantonen van nieuwe technologieën die voorlopig nog niet kunnen worden omgezet in commerciële toepassingen.
-
Specifieke onderzoeksprojecten ten behoeve van KMO’s; Coöperatieve onderzoeksprojecten uitgevoerd ten behoeve van een groep van KMO' s die een aantal thema' s van gemeenschappelijk belang voor deze KMO’s bestrijken. Collectieve onderzoeksprojecten worden uitgevoerd ten behoeve van industriële verenigingen in sectoren waarin KMO’s prominent vertegenwoordigd zijn.
OTO-domeinen voor projecten met resultaten op korte en middellange termijn met name in stedelijke omgeving: -
schone energie, met name duurzame energiebronnen en de integratie daarvan in het energiesysteem, met inbegrip van opslag, distributie en gebruik: . kostenefficiënte hernieuwbare energiebronnen; . integratie op grote schaal van hernieuwbare energie in de energiebevoorrrading.
-
energiebesparing en energie-efficiëntie, onder andere door het realiseren via het gebruik van hernieuwbare grondstoffen: . eco-gebouwen; . polygeneratie (WKK: co-generatie, tri-generatie, polygeneratie voor gebouwen).
-
alternatieve brandstoffen.
OTO-domeinen voor projecten met resultaten op middelllange en lange termijn: -
brandstofcellen waaronder de toepassing daarvan; nieuwe technologieën voor energiedragers, vervoer en opslag op Europese schaal, met waterstoftechnologie in het bijzonder; nieuwe en geavanceerde concepten voor duurzame energietechnologieën met voor de toekomst voor de EU en de wereld een groot energiepotentieel; verwijdering van CO2 in combinatie met schonere centrales die op fossiele brandstoffen werken; socio-economische instrumenten en concepten voor een energiestrategie.
Aanvullende inlichtingen Voor begeleiding en bijkomende informatie kunt u tevens terecht bij het Vlaams Contactpunt Europees Kaderprogramma erkend door de Europese Commissie. Dit contactpunt is een samenwerkingsverband tussen: -
IWT Vlaanderen (zie hoger) Vlaamse overheid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Boudewijnlaan 30 1000 Brussel Tel.: 02/553.59.85 Fax : 02/533.59.81 E-mail: 6kp@vlaanderen.be Website: www.vlaanderen.be/6kp
Ook op de volgende websites van de Europese Commissie kan informatie over deze programma' s worden bekomen: www.cordis.lu ec.europa.eu/energy/index_nl.html ec.europa.eu/environment/funding/intro_en.htm
10.
INTELLIGENT ENERGY FOR EUROPE (2003-2006)
Inhoud steunmaatregel Het IEE-programma is een financieel instrument voor niet-technologische steunverlening op energiegebied. Het programma voorziet in de verderzetting van acties die zijn ondernomen in de programma’s ALTENER, SAVE en gedeeltelijk SYNERGY en omvat alle acties op energiegebied die bijdragen tot de communautaire doelstellingen voor energie, vervoer (energieaspecten) en duurzame ontwikkeling. In principe bedraagt de financiële steun maximaal 50 % van de totale kosten. In sommige gevallen kan deze steun de totale kosten van de actie dekken zoals onder andere voor studies en andere acties bedoeld om de communautaire strategie en de communautaire beleidsmaatregelen voor te bereiden, aan te vullen en ten uitvoer te leggen en om het effect ervan te evalueren. Actiegebieden: - rationeel gebruik van energie en beheersing van de vraag (SAVE); - nieuwe en duurzame energiebronnen (ALTENER); - energieaspecten van het vervoer (STEER); - bevordering internationaal, in samenwerking met de ontwikkelingslanden, van duurzame energiebronnen en energie-efficiëntie (COOPENER). Acties: - uitvoering van strategieën, opstelling van normen, studies, enz…; - opzetten van structuren en financierings- en marktinstrumenten met inbegrip van locale en regionale planning; - bevordering van systemen en apparatuur om de overgang van demonstratie naar commerciële exploitatie mogelijk te vergemakkelijken; - ontwikkeling van structuren voor informatie en onderwijs en benutting van de resultaten; - monitoring en beoordeling van de effecten van de acties. Aanvraagprocedure Om Vlaamse bedrijven te informeren over opportuniteiten op EU-vlak inzake industrieel wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, verspreidt het IWT het informatieblad “De innovatiekrant”. Systematische toezending van dit informatieblad kan worden aangevraagd bij: IWT Bisschoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209 09 00 Fax : 02/223 11 81 E-mail: innovatiekrant@iwt.be Website: www.iwt.be
Aanvullende inlichtingen Voor begeleiding en bijkomende informatie kunt u tevens terecht bij het Vlaams Contactpunt Europees Kaderprogramma erkend door de Europese Commissie. Dit contactpunt is een samenwerkingsverband tussen: -
IWT Vlaanderen (zie hoger) Vlaamse overheid Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Boudewijnlaan 30 1000 Brussel Tel.: 02/553.59.85 Fax : 02/533.59.81
E-mail: 6kp@vlaanderen.be Website: www.vlaanderen.be/6kp Ook op de volgende websites van de Europese Commissie kan informatie over deze programma' s worden bekomen: Websites: www.cordis.lu ec.europa.eu/energy/index_nl.html ec.europa.eu/environment/funding/intro_en.htm
DEEL VII: STEUN BIJ EXPORT
1.
FLANDERS INVESTMENT AND TRADE – FIT (Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen)
1.1
FINANCIELE TUSSENKOMSTEN VAN EXPORTGERICHTE INITIATIEVEN – KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN
Inhoud steunmaatregel Flanders Investment & Trade, afgekort FIT (voorheen Export Vlaanderen), heeft van de Vlaamse regering de opdracht gekregen om financiële stimuli en subsidies toe te kennen aan Vlaamse kleine en middelgrote ondernemingen voor hun initiatieven ter bevordering van het internationaal ondernemen (Export en Investeringen). Op 27 mei 2005 (BS 26/07/2005) heeft de Vlaamse regering een nieuw besluit goedgekeurd dat de voorwaarden en de regels vaststelt inzake de toekenning van subsidies. De reglementering, die zich specifiek richt naar kleine en middelgrote Vlaamse ondernemingen, kadert in de Europese regelgeving inzake de de minimis. Begunstigden Kleine en middelgrote ondernemingen* die een exploitatiezetel hebben in het Vlaamse Gewest. * Dit zijn ondernemingen die aan de volgende voorwaarden voldoen : - er werken maximaal 250 werknemers; - de onderneming heeft een jaaromzet van maximaal 50 mio euro OF een balanstotaal van maximaal 43 mio euro; - niet meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten is in handen van één onderneming of van verscheidene ondernemingen gezamenlijk die niet aan deze definitie beantwoorden. Ondernemingen waarvan de activiteiten uitgesplitst zijn in verschillende juridische entiteiten worden voor de toepassing van het besluit beschouwd als één onderneming, tenzij er een substantiële tewerkstelling (minstens 10 VTE) is in alle betrokken entiteiten. Projecten Subsidieerbare initiatieven Aan kleine en middelgrote ondernemingen kunnen subsidies worden toegekend voor de volgende initiatieven : - individuele prospectiereizen, deelname aan groepszakenreizen, reizen in het kader van groepsstanden, reizen om een investering in het eigen bedrijf aan te trekken, reizen voor investeringen in het buitenland die geen delocalisatie tot gevolg hebben; - deelname aan buitenlandse beurzen met een internationale uitstraling; - aankoop van een lastenboek voor internationale aanbestedingen en voor aanbestedingen van multilaterale instellingen en multilateraal gefinancierde projecten; - oprichting van een prospectiekantoor; - interne technische opleiding ter uitvoering van een afgesloten contract; - prospectiereizen naar hoofdzetels en regionale zetels van multilaterale instellingen voor projecten die buiten de Europese Economische Ruimte plaatsvinden; - aanmaak van productdocumentatie en technische vertalingen ter ondersteuning van exportinspanningen; - registratie-, homologatie- en certificatiekosten ter ondersteuning van exportinspanningen; - uitnodiging naar Vlaanderen van aankopers en decision makers uit landen buiten de Europese Economische Ruimte; - huur van een ruimte voor de organisatie van publieke presentaties, - workshops, -modeshows en – seminaries; - kosten van een onderneming die een intrek neemt in een dienstencentrum van Flanders Investment & Trade; - éénmalige initiatieven met een uitzonderlijk belang voor de bevordering van de uitvoer/investeringen en een beduidende toegevoegde waarde in Vlaanderen.
Diversen Algemene voorwaarden De belangrijkste voorwaarden om voor subsidiëring in aanmerking te komen zijn: - de goederen en/of diensten waarvoor prospectie wordt gedaan moeten bij de productie, verwerking of prestatie een duidelijke toegevoegde waarde creëren in het Vlaamse Gewest. Zijn uitgesloten van steun : de traders/tussenpersonen en handelsmaatschappijen die niet voor eigen rekening of risico werken, de sector van de banken en andere financiële instellingen, de verzekeringssector, de vastgoedsector, de openbare besturen en ondernemingen waarvan het aandelenkapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks voor meer dan 50% in handen is van de overheid; - de initiatieven waarvoor steun wordt gevraagd moeten gericht zijn op de uitvoer naar landen die gelegen zijn buiten de Europese Economische Ruimte, met uitzondering van de deelname aan internationale beurzen, prospectiereizen naar multilaterale instellingen, de aanmaak van productdocumentatie en technische vertalingen, registratie-, homologatie- en certificatiekosten, en de huur van een ruimte voor de organisatie van publieke evenementen; - voor de meeste initiatieven is enkel steun mogelijk indien ze gericht zijn op landen waar de onderneming geen of een beperkte afzet realiseert. Aanvraagprocedure Aanvragen voor financiële steun moeten uiterlijk 15 kalenderdagen vóór het begin van het initiatief worden ingediend. Voor sommige initiatieven is voorzien in een hoogdringendheidsclausule. Steun wordt echter nooit retroactief toegekend. De gedelegeerd bestuurder van Flanders Investment and Trade beslist over de toekenning van de subsidie. De uitbetalingen gebeuren op basis van de bewijsstukken en de ingediende verslagen. Het bedrag van de steun hangt af van het initiatief en varieert van 250 euro tot 49.500 euro. Flanders Investment & Trade kent subsidies toe ten belope van maximaal 50% van de aanvaarde kosten.
Aanvullende inlichtingen Flanders Investment and Trade Gaucheretstraat 90 1030 Brussel Tel. : 02/504.87.11 Fax : 02/504.88.99 E-mail: yves.roekens@fitagency.be (vanaf 01/10/2006 : finstim@fitagency.be) Website: www.fitagency.be (rubriek ‘aanvraag financiële steun’) Noot : Het gedeelte van het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 2005 dat betrekking had op de subsidiëring van bedrijfsgroeperingen werd opgeheven, en vervangen door het besluit van de Vlaamse regering van 10 februari 2006 tot vaststelling van de voorwaarden en de regels inzake de toekenning van subsidies voor activiteiten ter bevordering van de uitvoer door bedrijfsgroeperingen en gemengde kamers. Tweemaal per jaar doet Flanders Investment and Trade een open oproep waarbij bedrijfsgroeperingen en gemengde kamers worden uitgenodigd om dossiers voor subsidieerbare projecten in te dienen.
1.2
VLAAMSE SUBSIDIES VOOR HAALBAARHEIDSSTUDIES
Inhoud steunmaatregel Vanaf april 2006 kunnen Vlaamse studiebureaus, ingenieursbureaus en consultants bij Flanders Investment and Trade een subsidie krijgen voor het maken van een haalbaarheidsstudie met een ontwikkelingswaarde en met een duidelijke spin-off voor het Vlaamse bedrijfsleven. Projecten Een haalbaarheidsstudie wordt gedefinieerd als een studie, voorafgaand aan de ontwerpstudie, die de technische, economische en financiële haalbaarheid van het project bewijst en meestal verbonden is aan andere studies zoals de financiering en de duurzaamheid van het project. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient het project gerealiseerd te worden in een ontwikkelingsland (OESO-lijst van verkiesbare landen). De Vlaamse Regering besliste op 31 maart definitief tot toekenning van een subsidie voor haalbaarheidsstudies voor bouw- en milieuprojecten in het buitenland met Vlaamse betrokkenheid. Onder bouwprojecten wordt verstaan: infrastructuurprojecten en alle bouwactiviteiten inclusief wegen, bruggen, gebouwen, haven- en waterwegenprojecten, openbaar vervoer, uitrusting van bedrijventerreinen en urbanisatieprojecten en ICT-toepassingen voor de bouwsector. Onder milieuprojecten: alle activiteiten rond drinkwatervoorziening, waterzuivering, slibbehandeling, bodemsanering, grondwatersanering, afvalverwerking, natuurprojecten, luchtemissies, alternatieve energie en ict-toepassingen op het vlak van het milieu. Steun De subsidie voor een haalbaarheidsstudie bedraagt 50% van de kosten van de studie-opdracht, maximaal 500.000 euro op een totale kost van maximaal 1 miljoen euro. Een onderneming kan maximaal één aanvraag per kalenderjaar indienen. In de eerste plaats komen kleine en middelbare ondernemingen in aanmerking voor het indienen van een aanvraag. De studie moet gebeuren door de exploitatiezetel van de onderneming in het Vlaamse Gewest. Een evaluatiecomissie, die wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder van Flanders Investment and Trade, verleent advies over de ontvankelijke aanvragen. De ontvankelijkheid van een aanvraag wordt onderzocht door het secretariaat van deze commissie, dat wordt verzorgd door FIT. De uiteindelijke beslissing over de toekenning wordt genomen door de gedelegeerd bestuurder van FIT. Eenmaal goedgekeurd, wordt de subsidie uitbetaald in drie schijven.
Aanvullende inlichtingen Het aanvraagformulier, alsook de tekst van het betreffende besluit van de Vlaamse Regering en de lijst van in aanmerking komende landen, kunt u downloaden van de website van FIT. Flanders Investment and Trade Johan Malin, secretaris van de evaluatiecommissie Gaucheretstraat 90 1030 Brussel Tel.: 02/504.87.58 Fax: 02/504.88.92 E-mail: johan.malin@fitagency.be Website: www.fitagency.be
1.3
TER BESCHIKKING STELLEN VAN VLAAMSE UITRUSTINGSGOEDEREN
Inhoud steunmaatregel Een nieuw besluit van de Vlaamse overheid van 31 maart 2006 draagt de bevoegdheid voor het verlenen van subsidies ter bevordering van de uitvoer van Vlaamse uitrustingsgoederen over naar Flanders Investment and Trade. Uitrustingsgoederen worden daarbij gedefinieerd als “machines of uitrusting met een hoge stukwaarde voor gebruik in een fabricageproces of in de handel, of andere kapitaalgoederen”. Deze subsidieregeling werd voordien behandeld door het Agentschap Economie van de Vlaamse overheid. Projecten en steun Sinds 2000 heeft de Vlaamse overheid zijn eigen financieel instrument voor het verlenen van exportkredieten en gebonden hulp aan de ontwikkelingslanden, naast het federale subsidie-instrument “Finexpo”. De tussenkomsten bedragen 50% voor de minst ontwikkelde landen (“MOL”-landen) en 35% voor de overige ontwikkelingslanden en de groeilanden. Waar Finexpo tussenkomt om de rentelasten van exportkredieten (aangegaan door de Belgische exporteur of door de buitenlandse importeur) voor de uitvoer van Belgische uitrustingsgoederen te verlichten, biedt de subsidiëring van Flanders Investment and Trade een rechtstreekse korting op de aankoopprijs voor de aankoop van de Vlaamse uitrustingsgoederen aan. FIT biedt daarmee op rechtstreekse wijze een gift aan het ontwikkelingsland dat de goederen ontvangt, en koppelt op die manier exportpromotie aan ontwikkelingssamenwerking. De uitrustingsgoederen moeten door de aanvrager rechtstreeks aan de eindverbruiker worden geleverd. Een bijkomend verschil met Finexpo is dat voor de Vlaamse subsidiëring in principe alleen kmo’s in aanmerking komen, terwijl voor het federale instrument alle bedrijven in aanmerking komen. Voor de begroting 2006 is een vastleggingskrediet ingeschreven van 5.810.000 euro en een ordonnanceringskrediet van 3.700.000 euro. Bij de beoordeling van de dossiers worden de volgende criteria onderzocht: - het project is niet haalbaar op commerciële voorwaarden mede gelet op de potentiële koopkracht van de buitenlandse koper; - het project heeft invloed op de tewerkstelling bij de aanvrager; - de onderneming staat in concurrentie met andere aanbieders; - het project verhoogt de marktkansen van de aanvrager in het land of de regio in kwestie. De steun wordt uitbetaald in twee schijven.
Aanvullende inlichtingen U kunt een aanvraagformulier downloaden van de website van FIT waar u ook alle achtergrondinformatie vindt. Flanders Investment and Trade Johan Malin, secretaris van de evaluatiecommissie Gaucheretstraat 90 1030 Brussel Tel.: 02/504.87.58 Fax: 02/504.88.92 E-mail: johan.malin@fitagency.be Website: www.fitagency.be
2.
NATIONALE DELCREDEREDIENST - EXPORTKREDIETVERZEKERING
Inhoud steunmaatregel De Nationale Delcrederedienst is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. De Nationale Delcrederedienst heeft tot doel de internationale economische betrekkingen te bevorderen door het verzekeren van risico’s verbonden aan export, import en investeringen in het buitenland. De Nationale Delcrederedienst werkt onder staatsgarantie, behalve voor transacties die gewoonlijk verzekerd worden door maatschappijen die niet voor rekening of met de garantie van de Staat werken. Alle exporttransacties komen voor verzekering in aanmerking: levering van consumptiegoederen, kapitaalgoederen of industriële installaties, maar ook de meest diverse contracten, zoals dienstverleningscontracten, verkoop van immateriële goederen (bijvoorbeeld licenties) en knowhow, engineeringcontracten, enzovoort. GEDEKTE RISICO’S - Commercieel risico De dekking van dit soort risico behoedt de verzekerde voor het in gebreke blijven van een buitenlandse debiteur. Zij heeft betrekking op insolventie (faillissement of gerechtelijk akkoord), maar ook op situaties waar de debiteur niet in staat is zijn verplichtingen na te komen of zich zonder wettige reden daaraan onttrekt. - Politiek risico (en daarmee gelijkgestelde risico's) Hieronder verstaat men alle gebeurtenissen die zich in het buitenland voordoen en die voor de verzekerde of de debiteur overmacht vormen (politieke gebeurtenissen, deviezenschaarste, overheidsmaatregelen enz.). VERZEKERDE SCHADE - Resiliatie De verzekering van resiliatieschade dekt de gevallen waar de buitenlandse afnemer het contract verbreekt voordat de goederen zijn geleverd of de voorwaarden niet vervult die nodig zijn voor de uitvoering van het contract. - Schade uit hoofde van non-betaling De verzekering van het betalingsrisico heeft betrekking op het risico dat de exporteur geen betaling ontvangt van vorderingen die uit het contract voortvloeien. Begunstigden Alle ondernemingen komen in aanmerking. Er zijn geen uitgesloten categorieën of sectoren. Diversen GEOGRAFISCHE DEKKING De geografische dekking omvat de hele wereld. Met andere woorden, de kredietverzekeringspolissen van de Nationale Delcrederedienst en zijn dochteronderneming Delcredere NV voor kortlopend, middellang en langlopend krediet, dekken zowel de verkopen op de thuismarkt als de uitvoer naar lidstaten van de OESO en de landen die niet behoren tot de OESO. VERZEKERDE TRANSACTIES Kredietverzekering heeft betrekking op consumptie- of kapitaalgoederen, halffabrikaten, industriële projecten, aannemingswerken, consignatiezendingen, verkoop van technologie en knowhow of dienstverlening in het algemeen. De manieren waarop de exporttransacties kunnen worden gefinancierd, zijn verscheiden: leverancierskrediet, financieringskrediet, kaderkrediet, documentair krediet, leasing enz…
De Nationale Delcrederedienst en zijn dochteronderneming Delcredere NV dekken zowel kortlopende kredieten (minder dan 2 jaar) als middellange (2 tot 5 jaar) of langlopende kredieten (meer dan 5 jaar). Ze verzekeren ook speciale transacties met contante betaling. Die gaan hoofdzakelijk om aannemingswerken of engineering met een ruime uitvoeringstermijn, maar die betaalbaar zijn naargelang ze worden uitgevoerd. Bij contante betaling of leverancierskrediet is de polishouder de exporteur. Bij een financieringskrediet wordt een verzekering voor de dekking van het betalingsrisico afgegeven aan de bank die de financiering toestaat en wordt met de exporteur een aanvullend contract gesloten voor het resiliatierisico. Voorts kan het recht op schadevergoeding op verzoek van de verzekerde worden overgedragen aan een derde. Opgemerkt zij dat de mogelijkheid om de rechten uit de polis over te dragen aan een bank de financiering van de transactie vergemakkelijkt. VERZEKERINGSVORMEN De exporttransacties worden verzekerd in het kader van globale overeenkomsten waarover de verzekerde en de Nationale Delcrederedienst moeten onderhandelen. De verzekeringsgang begint met het natrekken van de solventie van de cliënten en de landen waar die gevestigd zijn. De tweede stap betreft de bijstand bij het integrale incasso van de verzekerde vorderingen wanneer zij onbetaald blijven. Daarop volgt de vergoeding van de verzekerde wanneer het incasso niet geslaagd is. -
Verzekeringspolissen voor transacties met financiering op korte termijn
Alle polissen zijn globale polissen in die zin dat zij alle contracten die ter verzekering moeten worden aangeboden en de te dekken risico’s omvatten. Die polissen berusten op kredietlimieten die worden vastgesteld voor elke debiteur en op periodieke declaraties van de gerealiseerde transacties. Meestal gaat een premietarief of een eenmalige premie bij de polis. · Globale polis Delcredere Deze polis kan worden gesloten door elke onderneming die in een lidstaat van de Europese Unie gevestigd is. · Multinationalpolis Delcredere Deze polis is bestemd voor alle multinationale ondernemingen ongeacht hun activiteit, het aantal dochterondernemingen en het land waar die gevestigd zijn. De multinational zelf of zijn dochtermaatschappij kunnen de polis sluiten. · Globale polis Delcredere voor geconfirmeerde documentairekredieten Deze verzekering is meer specifiek bestemd voor de banken en dekt hen in het kader van de confirmatie van documentaire kredieten tegen het risico dat hun garantie wordt opgevorderd uit hoofde van non-betaling vanwege de emitterende buitenlandse bank. -
Verzekeringspolissen voor speciale transacties met contante betaling en met middellang en langlopend krediet gefinancierde transacties
Voor elk contract wordt op maat van de exporteur een polis opgesteld waarin de bijzondere verzekeringsvoorwaarden en de premies worden bepaald. Die polissen worden afgegeven in het kader van een globale conventie waaronder alle contracten die ter verzekering moeten worden aangeboden en de algemene verzekeringsvoorwaarden worden omschreven. Tijdens de onderhandelingen kan de exporteur een advies of een verzekeringsbelofte krijgen; de belofte geldt als een vaste verzekeringsverbintenis. ·
Bijkomende verzekeringen:
Bankgaranties tot dekking van de verplichtingen van de verzekerde (vooruitbetalingsgarantie, uitvoeringsgarantie enz.) De verzekering dekt de willekeurige opvordering van deze garanties of de opvordering die te wijten is aan politieke en daarmee gelijkgestelde risico’s.
· Inschrijvingsgaranties Buiten de bovengenoemde risico’s dekt de verzekering de opvordering die te wijten is aan de weigering van de exporteur om het contract te sluiten wanneer de Nationale Delcrederedienst besluit geen contractdekking te verlenen wegens de verslechtering van het risico. · Aannemersmateriaal De verzekering dekt de vernieling of het bezitsverlies dat te wijten is aan politieke en daarmee gelijkgestelde risico’s. · Consignatie- en tentoonstellingsgoederen, bruikleen- of stukwerkcontracten De verzekering dekt de aantasting van het eigendomsrecht die te wijten is aan het in gebreke blijven van de medecontractant van de verzekerde of de onmogelijkheid voor de verzekerde om zijn eigendomsrecht tegenover derden te laten gelden. Zij dekt ook de vernieling of het bezitsverlies dat te wijten is aan politieke en darmee gelijkgestelde risico’s. · Fluctuatie in de wisselkoersen van vreemde valuta’s Dekking van het koersrisico Wanneer de transactie betaalbaar is in een vreemde valuta, kan de verzekerde zich indekken tegen een devaluatie ten opzichte van de euro. Als tegenprestatie ontvangt de Nationale Delcrederedienst de koerswinst wanneer de valuta is opgewaardeerd. De gedekte valuta’s zijn: USD, CAD, AUD, JPY, GBP, NOK, DKK, SEK, CHF en HKD. Inzake de vrijelijk converteerbare Arabische valuta’s die gebonden zijn aan de USD, draagt de verzekerde het risico van fluctuatie van die valuta’s ten opzichte van de USD. Het contract treedt in werking op de dag waarop de vaste offerte wordt ingediend of wanneer het contract wordt gesloten. Dekking in deviezen en wederindekking op termijn Wanneer de exporteur een schuld in een buitenlandse valuta aangaat, kan hij bij schadegeval een vergoeding in diezelfde valuta verkrijgen of de tegenwaarde in euro. De dekking in deviezen heeft betrekking op het betalingsrisico wanneer de schuld voortvloeit uit de financiering van de lening in deviezen die aan de debiteur is verleend. Wederindekking op termijn heeft daarentegen betrekking op het resiliatierisico wanneer de schuld volgt uit de termijnverkoop van de deviezen die voortkomen uit het exportcontract. Onder deze dekkingen kunnen de verzekerden ongeacht de koers altijd hun valutaverplichtingen nakomen. · Inconvertibiliteit van de valuta van het land van de debiteur Landen spannen zich almaar meer in om hun nationale valuta op te leggen ter betaling van transacties die niet op middellange of lange termijn zijn gefinancierd. De dekkingsvoorwaarden voor het converteringsrisico op lokale valuta (m.i.v. de premies) zijn aangepast aan de verschillende soorten transacties – courante transacties of speciale transacties – en aan de mate waarin de valuta’s van de debiteurlanden converteerbaar zijn. · Verzekering van investeringen in het buitenland De Nationale Delcrederedienst verleent dekking tegen het politieke risico verbonden aan investeringen in het buitenland. De polis dekt het risico dat de verzekerde de beschikkingsmacht over zijn investering verliest, dat hij geen betaling of transfer kan verkrijgen van de bedragen die hem toekomen en dat de overheid van het gastland haar contractuele verbintenissen niet nakomt (breach of contract). Die verzekering geldt voor kapitaalsparticipaties, leningen en waarborgen die aan buitenlandse ondernemingen zijn toegestaan. · Prefinanciering van importtransacties Wanneer een prefinanciering een voorschot vertegenwoordigt in het kader van een Belgisch importcontract (meestal voor grondstoffen), kan de Nationale Delcrederedienst het risico van nietterugbetaling van dat voorschot verzekeren. Dat voorschot kan worden toegestaan aan de buitenlandse verkoper door de Belgische importeur (handelsprefinanciering)of zijn bank (bankprefinanciering).
· Marktactiviteiten Onder voorwaarden die zijn afgestemd op de marktvoorwaarden kan de Nationale Delcrederedienst ook risico’s dekken die verbonden zijn aan internationale transacties waarbij Belgische operatoren betrokken zijn (banken die deelnemen aan de syndicering van leningen ter financiering van hoofdzakelijk buitenlandse projecten, of ook traders die buitenlandse import prefinancieren). De samenwerking tussen de banken en de Nationale Delcrederedienst valt onder een gentlemen’s agreement waaronder de gedragslijn van het partnerschap is vastgelegd, o.a. een evenwichtige risicoportefeuille aanbieden, volledige doorzichtigheid van informatie en vergoedingen alsook selectienormen. De Nationale Delcrederedienst oefent deze marktactiviteit aanvullend uit. Voor die transacties kan alleen maar een beperkt gedeelte van zijn dekkingscapaciteit worden aangesproken, aangezien het grootste gedeelte bij voorrang naar de traditionele Delcredereactiviteit gaat. Daarenboven zijn risico’s op de meest riskante landenklassen uitgesloten en zijn maximumbedragen per transactie en per tegenpartij vastgesteld. Ten slotte kan de Nationale Delcrederedienst zich niet verbinden voor een groter aandeel dan dat van de betrokken Belgische operator. · Uitgifte van borgtochten De borgtocht is een onherroepelijke verbintenis van de dochteronderneming van de Nationale Delcrederedienst die aan de begunstigde de betaling van een bepaalde som verzekert als een contractuele verplichting door de medecontractant niet wordt nageleefd. De dochteronderneming van de Nationale Delcrederedienst kan borgtochten uitgeven voor rekening van Belgische ondernemingen die actief zijn in het buitenland ten gunste van diverse aanvragers: - douanegarantie: importeurs, internationale expeditiebedrijven, ... moeten douanerechten betalen voor hun invoer-, transit- of opslagtransacties. Als er een uitstel van betaling voor deze douanerechten werd toegestaan of als de douanerechten niet onmiddellijk opeisbaar zijn, eisen de douanediensten dat er een borgtocht wordt aangelegd. Deze borgtocht heeft betrekking op het bedrag van de douanerechten dat voor de goederen verschuldigd is. Als de douanerechten op de vervaldag nog niet zouden zijn betaald, doet de douane een beroep op de borgtocht van de Nationale Delcrederedienst. - borgtocht voor transport: volgens de voorschriften van FOD Mobiliteit en Transport, moet er een borgtocht worden aangelegd om het bedrag van de lopende transportvergunningen te dekken. FOD of bepaalde schuldeisers kunnen een beroep doen op de borgtocht als gerechtelijk wordt vastgesteld dat de transporteur in financiële moeilijkheden verkeert.
Aanvullende inlichtingen Nationale Delcrederedienst Montoyerstraat 3 1000 Brussel Tel.: 02/788 88 00 Fax: 02/788 88 10 E-mail: info@ondd.be Website: http://www.ondd.be Voor de verzekering van traditionele middellange en langlopende exportkredieten, speciale transacties, markttransacties, confirmatie van documentaire kredieten en directe investeringen in het buitenland: Walter Blom - w.blom@ondd.be Dominique Meessen - d.meessen@ondd.be Nele De Peuter - n.depeuter@ondd.be Voor de verzekering van kredieten met een looptijd van minder dan twee jaar, beheerd onder een polis die is afgegeven aan een exporteur of een importeur en voor het stellen van douanegaranties of voor transportgaranties: Eric Joos - e.joos@ondd.be Sylvie Hirn - s.hirn@ondd.be Christian Declerck - c.declerck@ondd.be
3.
FINEXPO – COMITE VOOR DE FINANCIELE ONDERSTEUNING VAN DE EXPORT
3.1
STABILISERING VAN DE RENTEVOET
Inhoud steunmaatregel De federale ministerraad heeft op 22 mei 1997 de oprichting van FINEXPO (Comité voor de financiële ondersteuning van de export) goedgekeurd. Dat Comité zal zowel Copromex (Comité voor de Bevordering van de uitvoer van Belgische uitrustingsgoederen) als het Interdepartementaal Comité voor de staatsleningen bevatten en bepaalde taken ervan overnemen. Eén van deze taken is het tegemoetkomen in de rentelasten die voortvloeien uit de financiering van de export om de Belgische exporteurs in staat te stellen het hoofd te bieden aan de buitenlandse concurrenten. Dat kan onder andere door te zorgen voor een stabilisering van de rentevoeten. Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een stabilisering van de rentevoet. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen. Aanvraagprocedure Om een stabilisering van de rentevoet te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Hij vult hiervoor het gemeenschappelijk aanvraagformulier Finexpo – Delcredere in. Dat moet gebeuren vóór de ondertekening van het commercieel contract. Het officiële aanvraagformulier kan gevonden worden op de website van Finexpo (http://www.finexpo.be). Uit die aanvraag moet blijken dat de exporteur in concurrentie is met andere buitenlandse leveranciers en dat hij, om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden, nood heeft aan een stabilisering van de rentevoet. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister bevoegd voor de Buitenlandse Handel. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de rentestabilisatie. Als er sprake is van een krediet van meer dan 25.000.000 euro, dan is het principieel akkoord van de ministerraad vereist. Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de rentestabilisatie concreet vorm door de uitgifte van een belofte die een bepaalde uitgangsrentevoet (CIRR-rente) voor een periode van vier maanden waarborgt, te rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister. Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de rentestabilisatie definitief toegekend. Indien de transactie niet binnen deze termijn wordt afgesloten, kan de belofte – mits schriftelijke aanvraag – verlengd worden met telkens vier maanden. Indien een exporteur of zijn bankier een financiering in vreemde deviezen moet aanvaarden, garandeert Finexpo een vaste rentevoet op het krediet dat aan de buitenlandse partij toegekend wordt voor de financiering van het uitvoerkrediet. Deze waarborg is van kracht wanneer de bank gebruik maakt van leningen op de eurodeviezenmarkt, waarbij de rentevoet op iedere vervaldag vastgesteld wordt. De vaste rentevoet die aan de koper wordt gegarandeerd, is de commerciële intrest-referentievoet voor deviezen, kortweg CIRR genoemd (Commercial Interest Reference Rate). Deze CIRR-rentevoeten worden maandelijks door het secretariaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgesteld en meegedeeld aan de lidstaten. Finexpo neemt bij elke semestriële aflossing het verschil ten laste tussen de gestabiliseerde rentevoet en de rentevoet waartegen de bank zich de deviezen aanschaft op de eurodeviezenmarkt, indien deze hoger is dan de
CIRR-rente. Indien de rentevoet waartegen de bank zich de deviezen aanschaft lager is dan de CIRR-rente, dan wordt het verschil gestort aan de schatkist.
Aanvullende inlichtingen Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.82.53 - 02/501.89.78 - 02/501.83.98 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be
3.2
INTRESTBONIFICATIES
Inhoud steunmaatregel Naast de gewone rentestabilisaties kent Finexpo intrestbonificaties (vroeger supersubsidies) toe. Daardoor garandeert Finexpo een zeer lage rentevoet die een giftelement van minstens 35% respecteert. Bonificatiedossiers kunnen enkel in euro ingediend worden en moeten aan dezelfde eisen voldoen als de leningen van staat tot staat (commerciële niet-leefbaarheid van het project, ontwikkelingsrelevantie,…). De intrestbonificatie wordt toegekend aan projecten in de ontwikkelingslanden. Een aanbeveling van het DACcomité van de OESO stelt dat alle hulp aan Minst- Ontwikkelde-Landen ongebonden moet zijn. Projecten in de Minst-Ontwikkelde-Landen komen daardoor niet meer in aanmerking voor een intrestbonificatie aangezien dit instrument gedefinieerd wordt als gebonden hulp. Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een intrestbonificatie. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen naar ontwikkelingslanden (niet naar de MinstOntwikkelde-Landen); - het project mag niet commercieel leefbaar zijn. Aanvraagprocedure Om een intrestbonificatie te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister bevoegd voor de Buitenlandse Handel. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de intrestbonificatie. Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de intrestbonificatie concreet vorm door de uitgifte van een belofte die een minimum uitgangsrentevoet waarborgt gedurende 1 jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister. Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de intrestbonificatie definitief toegekend. Indien ze niet binnen deze termijn wordt afgesloten kan ze mits schriftelijke aanvraag tweemaal verlengd worden met telkens één jaar.
Aanvullende inlichtingen Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.82.53 - 02/501.89.78 - 02/501.83.98 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be
3.3
INTRESTBONIFICATIE MET AANVULLENDE GIFT
Inhoud steunmaatregel In de Programmawet die goedgekeurd werd op 24 december 2002 is de mogelijkheid voorzien voor Finexpo “tot het toekennen van een aanvullende gift ten belope van ten hoogste 50% van de kredietverzekeringspremie”. Doel van dit nieuwe instrument is via de aanvullende gift de terugbetalingsperiode te verminderen en alsook de daarmee gepaard gaande Delcrederepremie, die vooral hoog is voor landen geklasseerd in categorie 5 en 6. De gift en de intrestbonificatie dienen samen een concessioneel element van ten minste 35% te respecteren. De berekening van de gift gebeurt in nauw overleg tussen Finexpo en de Nationale Delcrederedienst. Voor de intrestbonificatie garandeert Finexpo een zeer lage rentevoet die - samen met de gift - een concessioneel element van minstens 35% respecteert. Bonificatiedossiers met aanvullende gift kunnen enkel in euro ingediend worden en moeten aan dezelfde eisen voldoen als de leningen van staat tot staat en intrestbonificaties (commerciële nietleefbaarheid van het project, ontwikkelingsrelevantie,…). De intrestbonificatie met aanvulllende gift wordt toegekend aan projecten in ontwikkelingslanden die behoren tot categorie 5 en 6 bij de Nationale Delcrederedienst (na te gaan via de website: http://www.delcredere.be). Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een intrestbonificatie met aanvullende gift. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen naar ontwikkelingslanden (niet naar de MinstOntwikkelde-Landen); - het project mag niet commercieel leefbaar zijn. Aanvraagprocedure Om een intrestbonificatie met aanvullende gift te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister bevoegd voor de Buitenlandse Handel. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de intrestbonificatie met aanvullende gift. Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de intrestbonificatie met aanvullende gift concreet vorm door de uitgifte van een belofte die een minimum uitgangsrentevoet waarborgt gedurende 1 jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister. Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de intrestbonificatie met aanvullende gift definitief toegekend. Indien ze niet binnen deze termijn wordt afgesloten kan ze mits schriftelijke aanvraag tweemaal verlengd worden met telkens één jaar.
Aanvullende inlichtingen Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.89.78 - 02/501.83.98 – 02/501.82.53 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be
3.4
LENINGEN VAN STAAT TOT STAAT
Inhoud steunmaatregel Staatsleningen worden door België toegekend aan ontwikkelingslanden met het oog op de concessionele financiering van de export van Belgische uitrustingsgoederen en aanverwante diensten. De staatsleningen beogen zodoende een dubbel doel: enerzijds bijdragen tot de ontwikkeling in de begunstigde landen en anderzijds de ondersteuning van de Belgische economie door de bevordering van de Belgische verre export. Sinds 1 januari 2002 zijn de Staatsleningen voor de Minst-Ontwikkelde-Landen (MOL) ongebonden. Enkel projecten met een bedrag kleiner dan 700.000 Speciale Trekkingsrechten (STR) komen nog in aanmerking voor gebonden hulp. Aanvraagprocedure De staatsleningen worden aan zeer concessionele voorwaarden toegekend: de krediettermijn bedraagt 30 jaar met een gratieperiode van 10 jaar. De intrest bedraagt 0 of 2% afhankelijk van het BNP/capita van de begunstigde landen. De staatsleningen worden omwille van het grote schenkingsdeel als ontwikkelingshulp erkend door het DAC-comité van de OESO. De staatsleningen worden bijna altijd gecombineerd met commerciële leningen. Er is dus meestal sprake van een ‘gemengde financiering’. De vraag voor een staatslening moet officieel aan het secretariaat van het Finexpo-comité voorgelegd worden. Gebonden hulp Voor projecten in niet-MOL of projecten met een bedrag kleiner dan 700.000 STR in MOL die in aanmerking komen voor een Lening van Staat tot Staat moeten de geïnteresseerde Belgische bedrijven een aanvraag indienen bij het secretariaat van Finexpo en de officiële vragenlijst toesturen (zoals voor intrestbonificaties). De geleverde antwoorden moeten toelaten onder andere de economische en ontwikkelingsrelevantie te onderzoeken van de Staatslening voor het begunstigde land. Ongebonden hulp Grotere projecten in MOL (meer dan 700.000 STR) worden via een specifieke vragenlijst ingediend door de overheid van het geïnteresseerde land of door een organisme in dat land dat staatsgarantie geniet.
Aanvullende inlichtingen Thesaurie Kunstlaan 30 1040 Brussel Tel.: 02/233.74.24 Fax: 02/233.70.83 Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.84.90 – 02/501.82.53 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be
4.
JAPAN EN DE EUROPESE UNIE - EXPROM
Inhoud steunmaatregel Sinds 1979 moedigt de Europese Commissie Europese bedrijven aan om te investeren in de Japanse markt. Daarvoor zette de Commissie een reeks initiatieven op om de export naar Japan te stimuleren. Deze exportsteunende maatregelen worden ondergebracht onder de naam ' EXPROM' . Projecten Volgende activiteiten zijn in dit programma voorzien: 4.1
GATEWAY TO JAPAN
Dit programma richt zich naar bestaande KMO’s in de Europese Unie in de volgende sectoren: voeding en drank, medische sector, bouwmaterialen, informatietechnologieën en communicatie, milieutechnologieën, outdoor lifestyle, modeontwerpers voor jongeren. Bovendien moeten de KMO’s reeds exportervaring hebben en reeds exportmogelijkheden op de Japanse markt reëel achten. De Europese Commissie financiert en beheert Gateway to Japan maar binnen Eurochambres, het Europees Kamernetwerk, coördineert de Federatie der Kamers voor Handel en Nijverheid het programma voor België. Na twee succesvolle reeksen van exportpromotie startte in 2003 de derde fase van Gateway to Japan die loopt tot eind 2006.
EEN HANDELSMISSIE OF BEURS (TM of TF) STAP VOOR STAP De rekrutering
De geïnteresseerde KMO vult het inschrijvingsformulier in en stuurt het op naar zijn Nationale Coördinator met een visitekaart, een brochure van het bedrijf en het product en een beknopte voorstelling van het bedrijf.
De selectie
De Europese Commissie en Eurochambres zijn belast met de selectie. De groepen bestaan uit 25 deelnemende bedrijven, verkozen uit de Europese kandidaten (45 voor Voeding en Drank).
De voorbereiding in Europa
Raad, opleiding , seminaries, ateliers, briefings voor personen en groepen; gepersonaliseerde diensten (vertalingen, marktresearch); contact met sectorexperten in Japan; een speciale sectie op de EU Gateway to Japan website met marktstudies en feedback van andere sectoren
De missie naar Japan
Communicatie: perscommuniqué, persinformatie, interviews, uitnodigingen 1activiteitenweek: briefing; studiebezoeken op de bedrijven of installaties; voorstelling van producten en Europese diensten, zakenafspraken. Logistieke en financiële ondersteuning : hotel (reservatie en bijdrage tot een bedrag van 1000 euro); individuele commerciële diensten (bijdrage tot een bedrag van 1,800 euro en 80% van de kosten die aan het bedrijf worden aangerekend); vertaling Engels/Japans tijdens de groepsevenementen; de catalogus van de Missie in het Japans waarin de profielen van alle Europese bedrijven weergegeven worden, hun producten en hun gegevens.
Na de missie
Gratis gebruik van het Jetro-kantoor in Tokyo.
Aanvullende inlichtingen: Europese CommissieEenheid voor Betrekkingen met Japan, Korea, Australië en Nieuw-Zeeland Directoraat Generaal Externe Betrekkingen CHAR 14/143 – 1049 Brussel Tel: 02/296 49 72 – Fax: 02/299 10 33 e-mail: relex-gatewaytojapan@cec.eu.int Contactpersoon: Dhr. Eric Hamelinck Website: http://www.gatewaytojapan.org Federatie der Kamers voor Handel en Nijverheid van België Fabienne Cleymans Montoyerstraat 3 – B. 2 1210 Brussel Tel.: 02/209.05 50 Fax: 02/209.05.68 E-mail:fcleymans@cci.be
4.2
EXECUTIVE TRAINING PROGRAMME JAPAN-KOREA 2006-2007
Dit programma biedt jaarlijks jonge kaderleden van Europese ondernemingen de kans om de Japanse of Koreaanse markt te ontdekken. Via een stage, een taalcursus en een managementcursus, worden de kaderleden wegwijs gemaakt in de Japanse/Koreaanse markt. Om in aanmerking te komen moet de kandidaat burger zijn van de Europese Unie en gedurende de tijd in Japan volledig ondersteund worden door het moederbedrijf. Daarnaast zijn een universitair diploma en een grondige kennis van het Engels noodzakelijk. De volledige opleiding neemt 1 jaar in beslag en bestaat uit: -
maanden taal- en business culture opleiding in Europa (Londen, Parijs en Milaan); maanden gevorderde taal- en business culture opleiding in Japan (Waseda Universiteit) (Yonsei Universiteit); maanden opleiding in bedrijf in Japan/Korea.
Meer informatie kan u bekomen bij : Marc Vrielynck (ETP-Coordinator voor Vlaanderen) VOKA-Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland Tel: 02/232 22 19 e-mail: marc.vrielynck@kvkaw.voka.be of bij Federatie der Kamers voor Handel en Nijverheid van België Fabienne Cleymans Montoyerstraat 3 – B. 2 1210 Brussel Tel.: 02/209.05 50 Fax: 02/209.05.68 E-mail:fcleymans@cci.be Ga alvast een kijkje nemen op de website: http://www.etp.org Deadline voor inschrijving: 1 juni 2006
of Korea
4.3
AD-HOC PROGRAMMA' S
EXPROM biedt ook ad-hoc programma' s waarbij de Europese Commissie de marktstrategieën van Europese bedrijven in Japan ondersteunt. Het EU-Japan Centrum voor Industriële Samenwerking organiseert opleidingen en handelsmissies voor managers van de Europese Unie naar Japan. Het Vulcanus programma, dat een taalopleiding en stage voorziet voor Europese ingenieursstudenten in Japan en Japanse studenten in Europa, wordt gecoördineerd door dit Centrum. Ook de coördinatie van het Global Venture Forum 2002, dat Japanse en Europese bedrijven in de communicatie, biotechnologie en high-tech sectoren bijeenbrengt met het oog op het vormen van partnerschappen, is in handen van het EU-Japan-Centrum. Meer info kunt u bekomen op volgende website: http://www.eujapan.com.
Aanvullende inlichtingen Voor algemene informatie rond Exprom kunt u terecht op volgend adres: Europese Commissie DG Buitenlandse Betrekkingen, Directie C Wetstraat 200 1040 Brussel Tel.: 02/299.00.96 Fax: 02/299.10.43 Website: http://europa.eu.int/comm/external_relations/japan/intro/exprom.htm
5.
PRINS ALBERT FONDS
Inhoud steunmaatregel Het Prins Albert Fonds heeft tot doel kaderleden te vormen gespecialiseerd in buitenlandse handel en internationaal management. Hiertoe verstrekt het Fonds jaarlijks stagebeurzen aan een aantal jonge kaderleden: Projecten In het programma Business in Asia wordt het accent gelegd op interculturele kennis en ervaring. Niet alleen ontvangen de kandidaten een beurs om gedurende één jaar voor een Belgische onderneming te gaan werken in China en India, ze krijgen ook de gelegenheid om in die periode een drietal maanden te gaan studeren aan één van de toonaangevende business-schools in Azië. In het programma Werkbeurzen ligt het accent volledig op het leren in de praktijk. Met hun beurs kunnen de geselecteerde kandidaten één volledig jaar aan de slag gaan in alle delen van de wereld, uitgezonderd de Europese Unie, China en India. De kandidaten moeten vooraf hun keuze maken uit één van de twee formules, de vereisten zijn voor beide programma' s dezelfde. Aanvraagprocedure Een onderneming die een project wenst in te dienen bij het Prins Albert Fonds moet een voorstelling van de onderneming overmaken aan het Fonds, informatie over de plaats en het land waar de stage zal plaatsvinden alsook informatie over de verantwoordelijke stagemeester en de gewenste startdatum van de stage.
Aanvullende inlichtingen Bijkomende informatie over dit initiatief kan worden bekomen bij: Secretariaat Prins Albert Fonds Brederodestraat 21 1000 Brussel Tel. : 02/549.02.49 Fax : 02/500.54.49 E-mail: fontaine.b@kbs-frb.be Website: www.prinsalbertfonds.be
DEEL VIII : EUROPESE STEUN
1.
DE STRUCTUURFONDSEN
De Europese Structuurfondsen hebben als doelstelling de sociaal-economische ongelijkheden in de Europese Unie weg te werken. Het gaat hierbij om het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) Afdeling Garantie en Oriëntatie en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). Het EFRO is erop gericht de regionale ongelijkheden binnen de EU te verminderen via economische projecten, vooral infrastructuurwerken en begeleiding van de economische ontwikkeling. Het ESF is uitgegroeid tot een beroepsopleidingsfonds en het EOGFL wil de aanpassing van de landbouwstructuur bevorderen, alsook de achterstand van bepaalde plattelandszones wegwerken. Het FIOV beoogt een coherent beleid inzake structuren van visserij en aquacultuur. Sinds de nieuwe hervorming van de Europese Structuurfondsen, goedgekeurd op 21 juni 1999, is het toekennen van steun verbonden aan 3 doelstellingen: Doelstelling 1 Doelstelling 1 is erop gericht de ontwikkeling en de structurele aanpassing te bevorderen van de armste regio' s in de EU. Hieronder wordt verstaan, regio' s waarvan het inkomen per inwoner minder dan 75% bedraagt van het gemiddelde in de Europese Unie. Vlaanderen bezit geen doelstelling 1-gebied. Doelstelling 2 Doelstelling 2 heeft betrekking op zones die met structurele problemen in verband met economische en sociale omschakeling te kampen hebben: zones met sociaal-economische veranderingen in de industrie en dienstensector, plattelandszones in achteruitgang, in moeilijkheden verkerende stedelijke gebieden en van de visserij afhankelijke zones in een crisissituatie. In het kader hiervan kunnen acties worden ondersteund door het EFRO, het ESF, het FIOV en het EOGFL. Wat Vlaanderen betreft werden de volgende gebieden als doelstelling 2-regio erkend voor de periode 2000-2006: - arrondissement Hasselt: Heusden-Zolder en delen van Beringen, Genk, Ham, Diepenbeek, Tessenderlo, Zutendaal en Sint-Truiden; - arrondissement Maaseik: delen van Lommel, Houthalen-Helchteren en Dilsen-Stokkem; - arrondissement Tongeren: Bilzen, Borgloon, Heers, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Tongeren, Voeren en delen van Maasmechelen; - arrondissement Turnhout: Balen, Mol en Dessel; - delen van de steden Antwerpen en Gent; - arrondissement Brugge: delen van Blankenberge, Brugge en Knokke; - arrondissement Oostende: delen van Bredene, Middelkerke, Oostende en De Haan; - arrondissement Veurne: delen van Nieuwpoort, De Panne en Koksijde. Doelstelling 3 Doelstelling 3 beoogt met de bijstand van het ESF het bevorderen van de aanpassing en modernisering van het beleid en de systemen op het vlak van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid. Deze doelstelling is van toepassing voor geheel Vlaanderen voor de periode 2000-2006. Overgangsregeling ('Phasing out') Daarnaast kunnen de regio' s, welke tijdens de periode 1994-1999 voor steun in aanmerking kwamen in het kader van doelstelling 2 (industriële reconversie) en doelstelling 5b (plattelandsontwikkeling) doch niet langer worden erkend in het kader van de nieuwe doelstelling 2, in aanmerking komen voor een overgangsregeling (zogenaamde ' phasing out' ). Zij komen in aanmerking voor overgangssteun uit het EFRO gedurende de periode 2000-2005. Daarnaast kan in deze zones tot eind 2006 eveneens steun worden verleend door het ESF (doelstelling 3), het EOGFL (steun aan plattelandsontwikkeling) en het FIOV.
Dit betreft meer bepaald de resterende gemeenten in de (ex-)doelstelling 2-gebieden Limburg en Turnhout, de resterende gemeenten in het (ex-)doelstelling 5b-gebied Westhoek-Middenkust en het volledige (ex-) doelstelling 5b-gebied Meetjesland. Voor Limburg zijn dit: - arrondissement Hasselt: As, Leopoldsburg, Lummen, Nieuwerkerken, Opglabbeek, Hasselt, Zonhoven, en delen van Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Sint-Truiden en Tessenderlo; - arrondissement Maaseik: Overpelt en delen van Dilsen-Stokkem, Houthalen-Helchteren en Lommel; - arrondissement Tongeren: delen van Maasmechelen. Voor het arrondissement Turnhout betreft dit de gemeenten Laakdal, Geel, Meerhout, Grobbendonk, Herentals, Olen, Herenthout, Turnhout, Kasterlee en Westerlo. Voor het Meetjesland zijn dit 5 gemeenten in het arrondissement Eeklo, namelijk: Assenede, Eeklo, Kaprijke, Maldegem en Sint-Laureins. Voor het Westhoek-Middenkust-Zeevisserijgebied zijn dit de volgende gemeenten: - arrondissement Diksmuide: Diksmuide, Houthulst, Lo-Reninge; - arrondissement Ieper: Ieper, Langemark-Poelkapelle, Poperinge, Zonnebeke; - arrondissement Veurne: Veurne en delen van Nieuwpoort; - arrondissement Oostende: Gistel, Oudenburg en delen van Bredene, Middelkerke en Oostende.
1.1
EUROPEES FONDS VOOR REGIONALE ONTWIKKELING (EFRO)
Inhoud steunmaatregel Het EFRO verleent subsidies voor de medefinanciering van ontwikkelingsacties in de erkende probleemgebieden. Dit gebeurt op basis van meerjarenprogramma' s die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (in casu: het Vlaamse Gewest) bij de Europese Commissie worden ingediend. Ze bestaan uit een samenhangend geheel van projecten, acties en maatregelen in diverse domeinen die elk een bijdrage leveren tot de economische ontwikkeling of omschakeling van het gebied waarvoor het programma is opgesteld. De Europese Commissie spreekt zich dus niet meer uit over individuele projecten. Wat Vlaanderen betreft, werden programma' s opgesteld voor elk van de hierboven vermelde gebieden in het kader van doelstelling 2 en de overgangsregeling. In deze programma' s worden prioriteiten en maatregelen voorzien. De individuele projecten die door de promotoren worden ingediend, moeten hieraan beantwoorden. Voor ieder programma beslist een comité op provinciaal niveau over de toekenning van EFRO-steun aan de individuele projecten. Deze toekenning gebeurt op basis van objectieve criteria die vooraf werden opgesteld. Indiening van een aanvraag • Programma Provincie West-Vlaanderen: Programmasecretariaat doelstelling 2 Kustvisserijgebied Provinciehuis Boeverbos Koning Leopold III-laan 41 8200 Sint-Andries Brugge Tel.: 050/40 34 63 Fax: 050/40 31 06 E-mail: andries.baekelandt@west-vlaanderen.be
Programmasecretariaat 5b phasing out Westhoek-Middenkust Esenkasteel Woumenweg 100 8600 Diksmuide Tel.: 051/51 93 49 Fax: 051/51 93 51 E-mail: ellen.cardoen@west-vlaanderen.be
• Programma Provincie Oost-Vlaanderen: Programmasecretariaat doelstelling 2 Gent Dienst Economie en Externe Relaties P.a. stadhuis Botermarkt 1 9000 Gent Bezoekadres: Onderstraat 22 9000 Gent Tel.: 09/266 58 08 Fax: 09/266 53 31 E-mail: joris.demoor@gent.be
Programmasecretariaat 5b phasing out Meetjesland T.a.v. Tony Verplaetse Industrielaan 9a 9990 Maldegem Tel.: 050/38 17 44 Fax: 050/72 90 91 E-mail: secretariaat.5b@oost-vlaanderen.be
• Programma Provincie Antwerpen: Programma Management Eenheid Doelstelling 2-programma Antwerpen-Kempen Gasthuisstraat 96 2440 Geel Tel.: 014/56 46 36 Fax : 014/56 46 28 E-mail: doelstelling2kempen@admin.provant.be
Programmasecretariaat Doelstelling 2 Antwerpen AG VESPA Generaal Lemanstraat 55 2018 Antwerpen Tel.: 03/259 28 10 Fax: 03/259 28 11 E-mail: ine.goris@vespa.antwerpen.be sarah.helsen@vespa.antwerpen.be
• Programma Provincie Limburg : Programmasecretariaat doelstelling 2 Limburg T.a.v. Vera Boesmans, coördinator Universiteitslaan 1 3500 Hasselt Tel.: 011/23 74 12 Fax: 011/23 74 10 E-mail: vboesmans@limburg.be Begunstigden In principe komt iedere actie, uitgaand van de overheid of de private sector, die een bijdrage kan leveren tot de economische ontwikkeling of omschakeling van een gebied, in aanmerking voor EFRO-steun. Voorwaarde is wel dat zij past binnen het opgestelde programma en binnen het ter beschikking staande budget. 1.1.1
COMMUNAUTAIRE INITIATIEVEN
Naast de toekenning van de Europese steun via bovenvermelde prioritaire doelstellingen, stelt de Europese Commissie, op eigen initiatief, aan de lidstaten specifieke instrumenten voor om acties te ondersteunen die bijdragen tot het oplossen van de problemen met repercussies op Europees niveau. Deze instrumenten worden communautaire initiatieven genoemd. Voor de periode 2000-2006 gaat het binnen het EFRO om de volgende intiatieven: 1.1.1.1
INTERREG III
Aansluitend op de ervaringen van INTERREG I 1991-1993 en INTERREG II 1994-1999 en in het kader van de hervorming van de Europese Structuurfondsen m.b.t. de periode 2000-2006, werd beslist tot de verdere uitvoering van het communautair initiatief Interreg III. Het Interreg III-programma (2000 – 2006) omvat 3 luiken: -
INTERREG III A
Dit luik richt zich op het bevorderen van de grensoverschrijdende samenwerking welke uiteindelijk moet leiden tot een harmonieuze, sociaal-economische ontwikkeling van de grensregio’s. Daarbij wordt gestreefd naar een betekenisvolle impact op de integratie van deze gebieden en een grotere zichtbaarheid van de Europese eenwording bij de betrokken grensbevolkingen. De grensoverschrijdende ontwikkelingsstrategie in het kader van Interreg IIIA beoogt 2 belangrijke doelstellingen: - de eerste doelstelling is bij te dragen tot de toenadering tussen de bevolkingen en de ontwikkelingen van grensoverschrijdende diensten te bevorderen. De bijhorende actieterreinen willen de grensbevolking aanspreken door in te spelen op hun dagelijks leven in de ruime zin van het woord: gezondheid, transport, diensten, opleiding, economie, ICT, technologische innovatie,…; - de tweede doelstelling is het bevorderen van de duurzame ontwikkeling en van de gemeenschappelijke valorisatie van de grensoverschrijdende gebieden. De maatregelen die hiermee gepaard gaan, hebben de bedoeling om op een gecoördineerde en betekenisvolle manier tussen te komen op een pertinente territoriale schaal, in de volgende domeinen: leefmilieu, toeristische of culturele ontwikkeling, plattelandsontwikkeling of ruimtelijke ordening. De programmaprioriteiten zijn gebaseerd op een analyse van de sterke en de zwakke punten van de respectievelijke Interreg IIIA-programmagebieden. Deze prioriteiten zijn: - ontwikkeling van de materiële infrastructuur (bevorderen van grensoverschrijdende bedrijventerreinen en mobiliteit,…); - stimuleren van de economische en wetenschappelijke/technische samenwerking (strategische netwerkvorming, innovatie, valorisatie van het toerisme als economisch hefboom,…);
-
bevorderen van het milieu (verbetering levenskwaliteit, belang landbouw, overstromingsproblematiek, afvalverwerking,…); verbeteren van kwalificaties en de arbeidsmarkt (samenwerking van alle arbeidsmarktfactoren…); bevorderen van de sociaal-culturele integratie (jongeren, gehandicapten, regionale culturele identiteit, gezondheidszorg, openbare diensten,…).
In dit kader is Vlaanderen betrokken bij 4 grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden: •
Euregio Scheldemond
De grensoverschrijdende samenwerking in de Euregio Scheldemond is gericht op het benutten van de kansen die voortkomen uit de geografische ligging en de natuurlijke kenmerken van de Euregio. De aanpak is gericht op het op een integrale wijze stimuleren van de duurzame sociaal-economische ontwikkeling van de Euregio die als gevolg van de grensligging onderbenut zijn gebleven. De nadruk ligt daarbij op het leren van elkaar, het benutten van de schaalvoordelen, het creëren van gelijke kansen voor de verschillende bevolkingsgroepen, het versterken van de arbeidsmarkt en het oplossen van problemen. Het Euregio Scheldemond programma heeft betrekking op verschillende gebieden binnen: Vlaanderen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Nederland Zeeland
Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Euregio Sscheldemond is te bereiken op: Programmasecretariaat Euregio Scheldemond Hans de Jonge Gouvernementstraat 1 B-9000 Gent Tel.: 09/223.88.47 Fax: 09/233.63.21 •
Benelux-Middengebied
Het belangrijkste aandachtspunt binnen de ontwikkelingsvisie is het stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking en economische structuurwerking. De grensregio van het Benelux-Middengebied ondervindt nog steeds de nefaste gevolgen van de historisch gegroeide barrièrewerking en de hierdoor veroorzaakte perifere ligging in de betreffende landen. Deze Euregio streeft er dan ook naar om de door de grenzen veroorzaakte barrière te overwinnen en tussen de afzonderlijke nationale en regionale systemen bestaande verschillen op onder meer administratief gebied op te heffen. Ander aandachtspunt is de betere positionering van het Euregio gebied als samenhangend economisch gebied in het Europa van de regio’s. Het BeneluxMiddengebied Interreg IIIa-programma heeft betrekking op verschillende gebieden binnen: Vlaanderen Provincie Antwerpen Provincie Limburg Arrondissement Leuven
Nederland Provincie Noord-Brabant Provincie Limburg
Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Benelux-Middengebied is te bereiken op: Programmamanagement Grensregio Vlaanderen-Nederland Euregio Benelux – Middengebied Cor van den Bosch Campus Blairon Steenweg op Gierle 100 B –2300 Turnhout Tel.: 014/711.140 Fax: 014/711.149 E-mail: info@euregiobmg.com
•
Euregio Maas-Rijn
Het Euregio Maas-Rijn programma, ontstaan sinds 1976, betreft de grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland, Vlaanderen, Wallonië en Duitsland en omvat 3 lidstaten en 6 regio’s: Vlaanderen Provincie Limburg
Wallonië Provincie Luik Duitstalige Gemeenschap
Duitsland Regio Aken
Nederland Provincie Limburg
De deelnemende partners wensen voornamelijk de positie van dit grensoverschrijdend gebied in het economisch hart van Europa (gebied tussen de Randstad in Nederland, de ‘industriële driehoek’ BrusselAntwerpen-Gent in België, en het Rürhgebied in Duitsland) te versterken en de regionale ontwikkeling van de betrokken grensregio' s te stimuleren. Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Euregio Maas-Rijn is te bereiken op: Stichting Euregio Maas-Rijn Postbus 5700 NL-6202 Maastricht Nederland Tel.: 00 31 43 38 97 476 Fax: 00 3143 38 97 287 E-mail: augustkohl@euregio-mr.nl •
Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen
Het Interreg IIIa-programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen werd in 3 verschillende deelprogramma’s opgesplitst (met elk hun eigen financiële enveloppe en beslissingnemende stuurgroep): Vlaanderen Een gedeelte van de Provincie West-Vlaanderen Een gedeelte van de Provincie Oost-Vlaanderen
-
Wallonië Provincie Henegouwen
Frankrijk Nord-Pas-de-Calais
Provincie Namen
Picardie
Provincie Luxemburg
Aisne Champagne-Ardenne
een Frans-Waals (bilateraal) deelprogramma dat de in aanmerking komende gebieden (zie supra) omvat in Frankrijk en in Wallonië; een Frans-Vlaams (bilateraal) deelprogramma dat de in aanmerking komende gebieden (zie supra) omvat in Frankrijk en in Vlaanderen; een Frans-Waals-Vlaams (tripartiet) deelprogramma dat alle gebieden (zie supra) omvat.
Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen is te bereiken op: Secretariat Conjoint INTERREG III France-Wallonie-Vlaanderen asbl Place d’Armes 1 5000 Namen Tel.: 081/24.94.10 Fax: 081/24.94.19 Website: http://www.interreg-fwvl.org Het provinciaal steunpunt Interreg IIIa-secretariaat Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen is gevestigd op het volgende adres: Programmasecretariaat Interreg IIIA Provinciebestuur West-Vlaanderen Provinciehuis Boeverbos Koning Leopold III-laan 41 8200 Sint-Andries (Brugge) Tel.: 050/40.34.14 - 050/40.34.36 - 050/40.33.71 E-mail: Christophe.Boval@west-vlaanderen.be
-
INTERREG III B
Met ingang van de derde Interregperiode is Vlaanderen opgenomen in twee Europese geografische ruimtes: het gebied Noordwest-Europa en het Noordzeegebied. Interreg III B-programma Noordwest Europa Geografisch wordt in dit programma de Noordwest Europa regio als volgt gedefinieerd: geheel Ierland, geheel Groot-Brittannië, geheel België en geheel het Groot Hertogdom Luxemburg. Nederland kan nagenoeg volledig participeren met uitzondering van het Noorden. Wat Duitsland betreft, kunnen de deelstaten Nordrhein-Westfalen, Rheinland-Pfalz, Saarland, Hessen, Baden-Württemberg en het noorden van Beieren actief participeren. Wat Frankrijk aangaat, nemen alle Franse regio' s uit het noorden deel, inclusief de regio' s Elzas, Bretagne en de Loire. Ook de Zwitserse kantons rond Zürich en Basel zijn opgenomen. Bij de prioriteiten van dit programma zal in deze regio bijzonder aandacht besteed worden aan volgende principes: - de ontwikkeling van aantrekkelijke steden en regio' s; - het optimaliseren van de interne en externe bereikbaarheid; - de ontwikkeling en de uitbouw van het waterbeheer; - het behoud en de actieve ontwikkeling van natuur en cultuur; - de bevordering van de maritieme samenwerking. Het secretariaat van het programma Noordwest-Europa is in Rijsel gevestigd : Interreg III B NWE secretariaat "Les Caryatides", 5de verdieping 24, Boulevard Carnot F-59 800 Lille Frankrijk Tel.: + 33 3 20 78 55 00 Fax: + 33 3 20 55 65 95 E-mail: nwe@nweurope.org Website: http://www.nweurope.org Interreg III B-programma Noordzee Geografisch omvat Interreg III B-programma Noordzee Regio de volgende regio' s: de kustprovincies en de noordelijke provincies in Nederland, de deelstaten Niedersachsen en Schleswig-Holstein en de stadstaten Bremen en Hamburg in Duitsland, gans Denemarken, de zuidelijke kustregio' s in Zweden tot en met Västra Götalands Län, de zuidelijke provincies in Noorwegen, de oostelijke regio' s en provincies in Schotland, de oostelijke en oostkustprovincies in Engeland met Essex en de monding van de Thames als sluitstuk; wat Vlaanderen aangaat, nemen enkel de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen deel. Als prioriteiten in het Noordzee-programma worden de volgende aandachtspunten naar voor geschoven: - de bevordering van de stedelijke gebieden, de plattelandsgebieden en de maritieme regio' s; - de bevordering van de duurzame transportsystemen en de informatie- en communicatietechnologie; - het behoud en het beheer van het cultureel en maritiem erfgoed en de natuurlijke rijkdommen; - de bevordering van het duurzaam en efficiënt waterbeheer. Het secretariaat van het Noordzee-programma is in Viborg gevestigd : Interreg III B North Sea Region Programme Secretariat Iernbanegade 22 D-8800 Viborg Denemarken Tel.: + 45 87 27 19 99 Fax: + 45 86 60 16 80 E-mail: crbbj@vibamt.dk Website: http://www.interregnorthsea.org
-
INTERREG III C – WEST-ZONE
Het Interreg III C-programma beoogt de interregionale samenwerking tussen de regionale en andere overheden te bevorderen als middel om hun eigen ontwikkeling te stimuleren op grond van de kennis- en ervaringsoverdracht van andere overheden. Speciale aandacht wordt besteed aan de nieuwe EU-lidstaten en de EU-toetredingslanden. Met het budget van dit programma kunnen drie soorten acties gefinancierd worden: - regionale kaderprojecten, waarbij diverse kleinere subprojecten kunnen gerealiseerd worden; - individuele projecten, waarbij de partners een welbepaald thema aanpakken; - netwerken die de uitwisseling van ervaringen en kennis beogen. Prioritaire thema’s voor samenwerking in dit programma: - uitwisseling van ervaring en kennis opgedaan in andere Interreg programma’s of structuurfondsenprogramma’s; - samenwerkingsinitiatieven in sectoren als R&D, technologie en innovatie, bedrijfsleven, informatiemaatschappij, toerisme, cultuur, milieu… De Commissie heeft - wat de organisatie en het beheer van dit programma betreft - het grondgebied van de EU opgedeeld in vier programmagebieden, waarbij Vlaanderen opgenomen is in de Westelijke zone. Geografisch sluit deze zone zeer nauw aan bij de definitie van het Interreg III B-programma – Noordwest Europa werkingsgebied. Deze regio wordt als volgt gedefinieerd: geheel België, geheel Nederland, geheel het Groot Hertogdom Luxemburg, geheel Ierland en geheel Groot-Brittannië met uitzondering van Gibraltar. Wat Duitsland betreft, kunnen de deelstaten Nordrhein-Westfalen, Hessen, Rheinland-Pfalz, Saarland en Baden-Württemberg actief participeren. Wat Frankrijk aangaat nemen de volgende regio' s deel: Nord-Pas de Calais, Picardie, Haute-Normandie, Île de France, Basse-Normandie, Centre, ChampagneArdennes, Lorraine, Bourgogne, Alsace, Franche-Comté, Bretagne, Pays de la Loire. Het secretariaat van het programma West Zone is in Rijsel gevestigd: Interreg III C West Zone Joint Technical secretariaat 24, Boulevard Carnot, 3de verdieping F-59800 Lille Frankrijk Tel.: + 33 3 28 38 11 11 Fax: + 33 3 28 38 11 15 E-mail: west@interreg 3c.net Website: http://www.interreg 3c.net
1.1.1.2
URBAN II
Met het Urban II-programma stelt de Europese Commissie middelen ter beschikking voor een geïntegreerde aanpak van sterke concentraties van maatschappelijke, economische en ecologische problemen in de stedelijke agglomeraties. In deze aanpak wordt vernieuwing van verouderde infrastructuur en economische innovatie geflankeerd door maatregelen en acties die sociale uitsluiting bestrijden en de kwaliteit van het stadsmilieu verbeteren. Gericht op de economische en sociale ontwikkeling van in crisis verkerende buurten in grote steden werd door de Europese Commissie het Urban-initiatief in het leven geroepen. In Vlaanderen is de stad Antwerpen, en meer bepaald ' de Zuidrand' , onder dit programma opgenomen. Het projectgebied ' Zuidrand'voor de stad Antwerpen is een perifeer stadsgedeelte langs de oevers van de Schelde en werd scherp afgebakend. Het omvat de woonwijken van het district Hoboken, het Kiel en de flankerende Scheldeboord die zich uitstrekt vanaf de Kennedytunnel tot aan de grens met Hemiksem. Via de verdere ontsluiting van de kern, de Schelde en de grotere regio Antwerpen wil men de Zuidrand laten uitgroeien tot een nieuw soort voorstad met een eigen karakter en een specifieke socio-economische positie binnen de grootstad. De stad Antwerpen wil voor de Zuidrand 3 strategische doelstellingen bereiken: - de Zuidrand verbinden met de kernstad (met de nadruk op mobiliteit en groene complementariteit); - de Zuidrand ' inbreiden' (door ongebruikte oppervlaktes herin te vullen en een milieulabel te ontwikkelen); - de Zuidrand ontwikkelen van de economische hefboomfuncties op grootstedelijke niveau (poorten en bruggen als aangename verblijfplaatsen, nieuwe contactpunten voor economische activiteit,…). Deze worden vertaald aan de hand van een 3-tal strategische prioriteiten: - stimuleren van duurzame economische bedrijvigheid (investeringen in economische heropleving via duurzame werkgelegenheid, versterken van de handelsfuncties,…); - stimuleren van de ecologische activiteiten (herbestemmen van vervuilde terreinen, herstel van de ecologische verbindingsfunctie,…); - ontwikkelen van de actieterreinen voor duurzame mobiliteitsontsluiting (bereikbaarheid projectgebied via multimodale vervoersknooppunten en nieuwe vervoersdragers,…). Elke strategische doelstelling zal slechts kunnen bereikt worden via een intrinsieke verknoping van de prioriteiten en de doelstellingen. Bijgevolg moeten economie, milieu en mobiliteit in een optimale samenhang bijdragen tot een duurzame ontwikkeling. Daarnaast krijgen de economische, milieu- en mobiliteitsmaatregelen een sterke ruimtelijke vertaling in functie van de stedenbouwkundige meerwaarde. 1.1.1.3 INTERACT Interact is een communautair initiatief dat de bestaande regionale knowhow en expertise, aanwezig bij de verschillende lidstaten, wil kanaliseren en ten dienste stellen van alle Interregprogramma' s en actoren. Dit is een steunprogramma dat initiatieven zal realiseren ten voordele van de Interregprogramma' s en gemeenschappelijke problemen zal behandelen. Een afzonderlijk budget werd hiervoor voorzien. Met dit budget kunnen drie soorten acties gefinancierd worden: - steun aan het management van de Interregprogramma' s en andere actoren zoals projectontwikkelaars, evaluatoren, betalingsinstanties, (bijvoorbeeld een Interreg help-desk), enzovoort; - ontwikkeling, promotie en uitwisseling van ervaringen met betrekking tot gemeenschappelijke instrumenten ten dienste van de Interregprogramma' s; - promotie van de betrokkenheid van derde landen. Ondertussen werden reeds een aantal acties doorgevoerd (pre-interact), onder andere de organisatie van een seminarie voor de vier zones van Interreg III C. De voornaamste bestuursorganen van Interact zijn: - het Comité van Toezicht dat de activiteiten zal controleren en als stuurgroep zal fungeren bij de selectie van projecten; - het Management Authority dat verantwoordelijk is voor de coherentie en de coördinatie van het programma en het opstellen van de werkplannen; - het secretariaat; - het Interact Point dat verantwoordelijk is voor de implementatie van de specifieke projecten.
Op het huidig moment wordt de definitieve versie van het Interactprogramma opgesteld. Aanvraagprocedure Projectdossiers kunnen worden ingediend bij de betrokken EFRO-secretariaten aan de hand van standaardaanvraagformulieren. Aanvullende inlichtingen Bij de Vlaamse overheid zijn verdere inlichtingen per programma verkrijgbaar bij de afdeling Europa Economie van het agentschap Economie: Algemeen: Agentschap Economie Afdeling Europa Economie André Van Haver, afdelingshoofd Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.38.64 Fax: 02/502.47.02 E-mail: andre.vanhaver@ewi.vlaanderen.be Programma West-Vlaanderen : Dominiek Dutoo – tel . : 02/553.39.25 – e-mail : dominiek.dutoo@ewi.vlaanderen.be Programma Oost-Vlaanderen : Heidi Minner – tel . : 02/553.38.71 – e-mail : heidi.minner@ewi.vlaanderen.be Gina Vanattenhoven – tel . : 02/553.39.32 – e-mail : gina.vanattenhoven@ewi.vlaanderen.be Programma Antwerpen : Heidi Minner – tel . : 02/553.38.71 – e-mail : heidi.minner@ewi.vlaanderen.be Marlies Peeters – tel . : 02/553.37.25 – e-mail : marlies.peeters@ewi.vlaanderen.be Gina Vanattenhoven – tel . : 02/553.39.32 – e-mail : gina.vanattenhoven@ewi.vlaanderen.be Programma Limburg : Elke Tiebout – tel . : 02/553.39.22 – e-mail : elke.tiebout@ewi.vlaanderen.be Roel Loos – tel . : 02/553.37.30 – e-mail : roel.loos@ewi.vlaanderen.be Euregio Scheldemond : Marc De Frenne – tel . : 02/553.38.57 – e-mail : marc.defrenne@ewi.vlaanderen.be Marlies Peeters – tel . : 02/553.37.25 – e-mail : marlies.peeters@ewi.vlaanderen.be Benelux-Middengebied : Marc De Frenne – tel . : 02/553.38.57 – e-mail : marc.defrenne@ewi.vlaanderen.be Marlies Peeters – tel . : 02/553.37.25 – e-mail : marlies.peeters@ewi.vlaanderen.be Euregio Maas-Rijn : Elke Tiebout – tel . : 02/553.39.22 – e-mail : elke.tiebout@ewi.vlaanderen.be Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen : Dominiek Dutoo – tel . : 02/553.39.25 – e-mail : dominiek.dutoo@ewi.vlaanderen.be David Grzegorzewski – tel . : 02/553.37.31 – e-mail : david.grzegorzewski@ewi.vlaanderen.be Noordwest Europa : David Grzegorzewski – tel . : 02/553.37.31 – e-mail : david.grzegorzewski@ewi.vlaanderen.be Noordzee : Elke Tiebout – tel . : 02/553.39.22 – e-mail : elke.tiebout@ewi.vlaanderen.be III-C-West-zone : Maria Schoomans – tel . : 02/553.37.17 – e-mail : ria.schoomans@ewi.vlaanderen.be
1.2
EUROPEES SOCIAAL FONDS (ESF)
Inhoud steunmaatregel Het ESF wil bijdragen tot de optimale benutting van het menselijk potentieel. Het betreft hier Europese subsidies, die willen verhinderen dat een belangrijk deel van het menselijk potentieel binnen de EU verloren zou gaan voor de arbeidsmarkt. De arbeidskrachten vormen immers de belangrijkste ' grondstof'van het oude continent. De slagzin van het ESF is derhalve: ' Meer en betere jobs voor meer mensen' . Europa ziet het ESF als het voornaamste instrument voor de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Het Fonds is gestructureerd volgens de vier ' pijlers'van deze Europese Werkgelegenheidsstrategie, te weten: - inzetbaarheid van werkzoekenden; - ondernemerschap; - aanpasbaarheid van werknemers; - gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Europa spreekt zich niet meer uit over individuele projecten. Dit wordt overgelaten aan de lidstaten, in ons geval de Vlaamse Gemeenschap. Vlaanderen heeft een aantal programma' s uitgewerkt waarbinnen de individuele projecten geplaatst worden. Deze programma' s, Enkelvoudige ProgrammeringsDocumenten in het jargon (EPD' s), vormen de basis voor de strategie waarmee Vlaanderen de doelstellingen van het ESF wil realiseren. De lidstaat legt deze programma' s ter goedkeuring voor aan de EU. Op deze wijze werken Vlaanderen en Europa samen aan de optimale benutting van het menselijk potentieel. De individuele projecten die door de promotoren worden ingediend, dienen te beantwoorden aan de prioriteiten die in de programma' s zijn opgenomen. Voor elk programma is er een Vlaams Monitoring Comité (VMC) actief, dat objectieve criteria voor projecten vastlegt. Sommige criteria zijn algemeen, andere gelden specifiek voor bepaalde maatregelen. Begunstigden Diverse categorieën van promotoren kunnen projecten indienen: - vzw' s; - institutionele en/of publiekrechtelijke instanties; - bedrijven die hun personeel willen opleiden; - onderzoeksinstellingen. Projecten Doelstelling 2 In Vlaanderen zijn er vier doelstelling 2-programma' s: Limburg, Antwerpen, Kust en Oost-Vlaanderen. Het grootste gedeelte van de Europese steun in deze programma’s komt uit het EFRO. Het ESF participeert in alle doelstelling 2-programma’s behalve in dat van Oost-Vlaanderen. De vier doelstelling 2-programma' s lopen van 2000 tot en met 2006. Alle programma' s hebben eveneens een phasing-out-luik (2000-2005) voor de gebieden die in de periode 1994-1999 steun genoten uit doelstelling 2of 5B-programma' s, maar nu niet langer in het doelstelling 2-gebied (2000-2006) zijn opgenomen. De phasing-out-luiken voorzien nooit in ESF-steun. De doelstelling 2-programma' s zijn regiogebonden. Als algemene regel geldt dat de deelnemers aan de opleidingsprojecten moeten wonen en/of werken in het gebied. De criteria voor de ESF-maatregelen binnen de programma' s zijn voor het overgrote deel voor alle doelstelling 2-programma' s dezelfde. De enkele kleine verschillen werden veroorzaakt omdat er rekening diende te worden gehouden met de specificiteit van de regio' s. Doelstelling 2 Limburg De regio die voor steun in aanmerking komt omvat (delen van) enkele gemeenten in Midden-Limburg (industriële zone) en Zuid-Limburg (plattelandszone). Naast de technische bijstand, is er één ESF-maatregel in het programma. Het maximale steunpercentage in die maatregel bedraagt 45% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 26.332.500 euro aan ESF-steun voorzien.
Doelstelling 2 Antwerpen De regio die voor steun in aanmerking komt omvat de gemeenten Mol, Balen en Dessel in de Kempen, en een gebied in het noordoosten van de stad Antwerpen. Naast de technische bijstand zijn er twee ESF-maatregelen in het programma. Een ervan slaat op de Kempen en heeft een maximaal steunpercentage van 50% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. De andere slaat op Antwerpen Noordoost en heeft een maximaal steunpercentage van 33,3% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 15.005.481 euro aan ESF-steun voorzien voor het volledige programma. Doelstelling 2 Kust De regio die voor steun in aanmerking komt omvat (delen van) de kustgemeenten in West-Vlaanderen. Naast de technische bijstand is er één ESF-maatregel in het programma. Het maximale steunpercentage in die maatregel bedraagt 50% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 5.046.899 euro aan ESF-steun voorzien. Doelstelling 3 Het Vlaamse EPD doelstelling 3 voor de periode 2000-2006 werd door Europa goedgekeurd in december 2000. Het EPD is gestructureerd volgens een aantal zwaartepunten, die de afspiegeling vormen van de vier pijlers van de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Per zwaartepunt is er een regisseur aangeduid. Voor elk zwaartepunt wordt er gewerkt met vaste indieningrondes. De criteria zijn verschillend voor elk zwaartepunt. Het EPD doelstelling 3 is actief in heel Vlaanderen. Zwaartepunt 1 Zwaartepunt 1 wil de inzetbaarheid verhogen van werkzoekenden uit de preventieve doelgroep, dit wil zeggen: - personen jonger dan 25 jaar, die minder dan 6 maanden werkloos zijn; - personen van 25 jaar en ouder, die minder dan 12 maanden werkloos zijn. Zwaartepunt 2 Zwaartepunt 2 wil de inzetbaarheid verhogen van werkzoekenden uit de curatieve doelgroep, dit wil zeggen: - al de werklozen die niet onder zwaartepunt 1 thuishoren. Zwaartepunt 3 Zwaartepunt 3 wil het ondernemerschap bevorderen. Men wil namelijk mensen aanzetten tot het opzetten van een eigen zaak. Zwaartepunt 4 Zwaartepunt 4 wil een bijdrage leveren aan de aanpassing van werknemers aan de snel veranderende omstandigheden op de arbeidsmarkt. Zwaartepunt 4 is gekoppeld aan het Hefboomkrediet. Zwaartepunt 5 Zwaartepunt 5 subsidieert projecten die het betreden van de arbeidsmarkt voor vrouwen vergemakkelijken. Dit zwaartepunt is gekoppeld aan middelen van VESOC. Zwaartepunt 6 In het kader van zwaartepunt 6 kunnen onderzoeksprojecten ingediend worden, alsmede pilootprojecten en experimenten. Dit alles dient natuurlijk verband te houden met de problematiek van het EPD doelstelling 3.
EQUAL Dankzij de samenwerking van partners uit meer dan één lidstaat van de EU wil Equal komen tot de ontwikkeling van nieuwe ideeën en methodieken om discriminatie en uitsluiting op de arbeidsmarkt tegen te gaan. De werking van Equal is gebaseerd op een aantal essentiële ' bouwstenen' . -
Thema’s: de thema' s waarrond Equal werkt, hangen samen met de vier pijlers van de Europese Werkgelegenheidsstrategie (namelijk inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen), alsook de problematiek van de asielzoekers. Ontwikkelingspartnerschap: Equal-projecten moeten toetreden tot een ontwikkelingspartnerschap. Hierin zijn de sleutelactoren in verband met een bepaald thema verenigd. Het kan gaan om sleutelactoren uit een regio of een sector. Transnationale samenwerking: een ontwikkelingspartnerschap zal ten minste één partner uit een andere lidstaat moeten hebben. Aldus wordt er knowhow over de grenzen heen opgebouwd. Innovatie: Equal richt zich tot projecten die een vernieuwing inhouden. Disseminatie: het is de bedoeling dat de ontwikkelde knowhow op grotere schaal verspreid wordt.
Diversen Cofinanciering Het ESF is nooit de enige financieringsbron van projecten. Elk project dient mede gefinancierd te worden door andere instanties, de zogenaamde ' cofinanciering' . Deze cofinanciering kan zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk zijn. Twee financieringsinstrumenten zijn specifiek in het leven geroepen om te functioneren als Vlaamse cofinanciering voor ESF-projecten, namelijk het Hefboomkrediet en VESOC. Hefboom levert vooral cofinanciering voor projecten onder doelstelling 3, zwaartepunt 4, VESOC doet dit voor projecten onder doelstelling 3, zwaartepunt 5. Aanvraagprocedure Het ESF werkt met indieningrondes. Deze variëren per doelstelling en zelfs per zwaartepunt. Het principe is echter steeds hetzelfde. Een promotor dient een aanvraagformulier in, waarna er een beslissing genomen wordt. Indien een project goedgekeurd wordt, kan het opstarten. Naderhand zal de promotor, op basis van de vereiste bewijsstukken, de financiële middelen ontvangen.
Aanvullende inlichtingen ESF-Agentschap Vlaanderen vzw Gasthuisstraat 31 (9de verdieping) 1000 Brussel Tel.: 02/546.22.11 Fax: 02/546.22.40 E-mail: info@esf-agentschap.be Website: http://www.esf-agentschap.be
1.3
EUROPEES ORIENTATIE- EN GARANTIEFONDS VOOR DE LANDBOUW (EOGFL) AFDELING GARANTIE EN ORIENTATIE
Inhoud steunmaatregel Het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw is het instrument voor de financiering van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Het bestaat uit twee afdelingen: - de afdeling ' Garantie' , zal instaan voor de financiering van alle soorten maatregelen ter ondersteuning van structurele aanpassingen en plattelandsontwikkeling; - de afdeling ' Oriëntatie' , voor de bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio' s met een ontwikkelingsachterstand (doelstelling 1-gebieden, komt niet voor in Vlaanderen en de projecten lopende onder het communautair initiatief Leader +). Algemeen kan worden gesteld dat de tussenkomsten van het EOGFL, afdeling Garantie, gericht zijn op de aanpassing van de productie-, de verwerkings- en de verkoopsstructuur in de landbouwsector met het oog op de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en op de ontwikkeling van het platteland. Begunstigden De begunstigden van de EOGFL-steun zijn naast de verschillende particuliere bedrijven (landbouwbedrijven en afzet- en verwerkingsbedrijven) die een structurele actie ondernemen in de landbouwsector, semioverheidsorganen, nationale of regionale vertegenwoordigingsorganisaties, opleidingsinstellingen, vrijwilligersorganisaties of organisaties van ondernemingsbelangen. Projecten -
steun aan de investeringen in de landbouw; steun aan de installatie in de landbouw; steun voor opleiding in de landbouw; steun aan landbouwbedrijven in probleemgebieden en in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied: bemestingsbeperkingen in kwetsbare zones; steun aan milieumaatregelen in de landbouw; steunverlening voor de verbetering van de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten; steun voor bosbouw; steun voor een geïntegreerde plattelandsontwikkeling; bevordering van de aanpassing en de ontwikkeling van het platteland door steun voor de afzet van kwaliteitslandbouwproducten; stimulering biologische landbouw.
Aanvraagprocedure De lidstaat diende een programmeringsdocument ' het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling, periode 2000-2006'in waarin, op basis van de materie, een diagnostische analyse werd voorgesteld op nationaal of regionaal niveau, rekening houdend met de beoogde doelstellingen en de strategie van de lidstaat op dit gebied. Voor Vlaanderen betreft het gebied het hele Vlaamse Gewest voor tal van materies of voor sommige milieumaatregelen welbepaalde afgebakende gebieden. Het definitieve plan werd door de Vlaamse regering goedgekeurd op 08/09/2000. Op basis van dit plan werd een communautair bestek opgesteld in samenwerking met de betrokken lidstaat en de regio’s. Het communautaire bestek geeft een uiteenzetting van de voorziene prioriteiten, de financiering en de begeleidingsvormen. Aansluitend werden individuele aanvragen ingediend binnen de regelgevingen en procedures per ingezet instrument voor de verschillende materies en projectkaders.
Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Departement Landbouw en Visserij Staf Leuvenseplein 4 (7de verdieping) 1000 Brussel Tel.: 02/553.63.63 Fax: 02/553.63.50 E-mail: patricia.declercq@lv.vlaanderen.be
1.4
FINANCIERINGSINSTRUMENT VOOR DE ORIENTATIE VAN DE VISSERIJ (FIOV)
Inhoud steunmaatregel Het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) is het Europese structuurfonds dat specifiek voor de structuurverbetering in de visserij- en aquicultuursector werd opgericht. Ingevolge EUverordening nr. 2792/99 kan het FIOV tussenkomen op volgende actiegebieden: - modernisering van de vissersvaartuigen; - aanpassen van de visserij-inspanning; - gemengde vennootschappen; - kleinschalige kustvisserij; - sociaal-economische maatregelen; - bescherming van de levende rijkdommen van de zee in de marine zones langs de kusten; - aquacultuur; - uitrusting van vissershavens; - verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten; - verkoopbevordering en het zoeken naar nieuwe afzetmogelijkheden; - door het bedrijfsleven uitgevoerde acties; - tijdelijke stillegging van activiteiten en financiële compensaties voor andere maatregelen; - innoverende acties en technische bijstand. Begunstigden De begunstigden van de FIOV-steun zijn, afhankelijk van de maatregel, de verschillende overheden of overheidsinstellingen, particuliere bedrijven of zelf vzw' s die een structurele actie ondernemen in de visserijen aquicultuursector. Projecten De programmering ' Visserij buiten doelstelling 1' werd in december 2000 door de Europese Unie goedgekeurd en heeft betrekking op alle geledingen van de sector, met name: - modernisering van de vissersvloot, aquicultuur; - uitrusting van de vissershavens, verwerking van de afzet van visserij- en aquicultuurproducten, promotie van visserijproducten; - andere ondersteunende projecten van collectief belang. Voor de investeringen van particuliere bedrijven voorziet de Europese Unie een maximum FIOV-steun van 15%. Aanvraagprocedure Voor projecten die kaderen in de maatregelen commercialisering (verwerking en afzet van visserij- en aquicultuurproducten) en havenuitrusting worden de indieningsmodaliteiten via het Belgisch Staatsblad en de pers bekendgemaakt. Aanvragen kunnen slechts tijdens bepaalde periodes ingediend worden. Projecten die tot de overige maatregelen behoren, met name de modernisering van de vissersvloot en aquicultuurbedrijven, promotie, ondersteunende projecten van algemeen belang en eerste installatie van jonge vissers als reder, kunnen doorlopend ingediend worden. De indieningsmodaliteiten zijn beschikbaar op de website van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Departement Landbouw en Visserij Pieter Gabriëls Administratief Centrum Vrijhavenstraat 5 8400 Oostende Tel.: 059/43.19.20
2.
EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB)
De Europese Investeringsbank (EIB), de financieringsinstelling van de Europese Unie, is opgericht met als doel bij te dragen tot de evenwichtige ontwikkeling van de Europese Unie door het toekennen van leningen ter financiering van investeringsprojecten. De steunverlening van de EIB is in de eerste plaats bedoeld voor de ontwikkeling van de minst begunstigde regio’s. Andere doelstellingen zijn de versterking van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, steun aan het midden- en kleinbedrijf (KMO' s), de opzet van transeuropese netwerken voor vervoer, telecommunicatie en energie, milieubescherming en verbetering van het leefklimaat, veiligstelling van de energievoorziening, uitbreiding en modernisering van de infrastructuur in het onderwijs en de gezondheidszorg, het ter beschikking stellen van risicokapitaalfaciliteiten ten behoeve van investeringen van vernieuwende en snelgroeiende KMO' s. De EIB is een financiële instelling zonder winstoogmerk. Zij trekt haar middelen op de kapitaalmarkten aan en leent deze vervolgens weer uit tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Zij kan investeringsprojecten financieren van zowel de overheid als van de opdrachtgevers in de particuliere sector, in alle sectoren van de economie. De EIB streeft er in de eerste plaats naar om als katalysator andere financieringsbronnen te stimuleren of deze aan te vullen. Zelf financiert zij niet meer dan de helft van de investeringskosten van een project en vult met haar lange termijnleningen (kortere) leningen van andere, commerciële banken aan. Doelstellingen 2006-2008 Het bedrijfsplan van de bank (COP) is een strategisch document dat door de Raad van Bestuur wordt goedgekeurd, en waarin een beleid op middellange termijn kan worden uitgestippeld en operationele prioriteiten worden vastgesteld in het kader van de doelstellingen die aan de bank door zijn gouverneurs zijn toegewezen. De leningsactiviteiten zijn, voor de periode 2006-2008, volgens zes prioriteiten gerangschikt: - de economische en sociale samenhang in de uitgebreide EU; - de tenuitvoerlegging van het initiatief "Innovatie 2010" (i2i); - de ontwikkeling van de Trans-Europese netwerken en van de aansluitnetwerken daarvan; - ondersteuning van het communautaire ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid in de partnerlanden; - bescherming en verbetering van het milieu, met inbegrip van de klimaatsveranderingen en hernieuwbare energiebronnen; - ondersteuning van KMO' s, alsook middelgrote bedrijven. 2.1
INDIVIDUELE KREDIETEN
Inhoud steunmaatregel Grotere projecten ter waarde van minimum 25 miljoen euro worden gefinancierd door middel van individuele kredieten die rechtstreeks aan de betrokkenen worden toegekend. Zo werden bijvoorbeeld reeds kredieten toegekend voor waterprojecten van Aquafin, de hogesnelheidslijn van de NMBS, de vernieuwing van het productieapparaat en nieuw R&D-centrum IMEC. Afzonderlijke kredieten komen in onderhandelingen tussen de EIB, de projectopdrachtgever en in voorkomend geval zijn bank(en) tot stand. De kenmerken van de kredieten zijn aangepast aan de aard van het project, de uitvoeringsfase en de economische levensduur. De gebruikelijke looptijd van de kredieten varieert van 4 tot 20 jaar, afhankelijk van de aard en de technische levensduur van het project. Begunstigden De kredieten kunnen worden toegekend aan overheidsinstellingen of particuliere geldnemers in alle sectoren van de economie, met andere woorden private, openbare of semi-openbare ondernemingen, coöperatieven, openbare instellingen of de lidstaat zelf komen in aanmerking (ongeacht statuut of nationaliteit). Projecten Investeringen van meer dan 25 miljoen euro op het gebied van transportinfrastructuur (zoals wegen, spoorwegen, havens en vliegvelden), telecommunicatie, industrie (bedrijfsgebouwen en -terreinen, productie, verwerking,
verpakking, ...), zakelijke dienstverlening, toerisme, energie, milieu, bosbouw, onderwijs en gezondheidszorg kunnen in aanmerking komen voor een EIB-krediet. Deze kunnen niet worden gebruikt voor de aankoop van een onderneming of voor niet-zakelijk onroerend goed. Diversen De EIB besluit tot financiering van een project op basis van een onderzoek naar de intrinsieke eigenschappen ervan. Het projectonderzoek vindt in nauwe samenwerking met de projectopdrachtgever plaats en heeft betrekking op: - de beantwoording van het project aan de doelstelling voor kredietverlening van de EIB; - zijn economische relevantie, financiële gezondheid, technische uitvoerbaarheid en de invloed op het milieu; - de financiële situatie van de projectopdrachtgever, het financieringsplan en de geboden zekerheden. De Europese Investeringsbank financiert maximaal 50% van de totale investeringskosten; de rest moet uit het eigen vermogen of van andere (externe) financieringsbronnen komen. De rente kan naar keuze vast, variabel, herzienbaar of convertibel (van variabel naar vast) zijn. De kredieten worden a pari uitgekeerd. De EIB berekent geen provisies, met uitzondering van een geringe marge ter dekking van haar administratiekosten. De EIB biedt leningen aan in één enkele valuta of in een combinatie van valuta naar gelang van de wensen van de kredietnemer en de bij de Bank beschikbare middelen. De aflossingen van hoofdsom en rente worden meestal in gelijke halfjaarlijkse of jaarlijkse termijnen betaald. De leningen worden terugbetaald in de valuta waarin ze werden verstrekt. Afhankelijk van de aard van de investering kan een aflossingsvrije periode worden overeengekomen die tot een derde van de looptijd van het project kan oplopen. De EIB oefent periodiek toezicht uit op de uitvoering van de werkzaamheden en eventueel de aanbestedingen. Na voltooiing van het project wordt een evaluatieverslag opgesteld, dat voor intern gebruik bij de EIB is bestemd. Aanvraagprocedure Verzoeken om afzonderlijke leningen, kunnen zonder formaliteiten rechtstreeks aan de EIB worden gedaan.
2.2
GLOBALE KREDIETEN
Inhoud steunmaatregel Kleine en middelgrote investeringsprojecten van minder dan 25 miljoen euro in de openbare of de particuliere sector, die niet door middel van een individueel krediet kunnen worden gefinancierd, kunnen in aanmerking komen voor een lening die uit de globale kredieten wordt verstrekt. Globale kredieten zijn kredietlijnen die de Europese Investeringsbank aan lokale banken en andere financieringsinstellingen toekent. Deze lenen de van de EIB afkomstige middelen weer uit in de vorm van kleinere leningen voor de financiering van investeringen die op basis van de criteria van de EIB zijn geselecteerd. De lening bedraagt minimaal 20.000 euro en maximaal 12,5 miljoen euro - voor investeringsprojecten variërend van 40.000 euro tot 25 miljoen euro - en bedekt niet meer dan 50% van de totale investeringskosten. Begunstigden De kredieten kunnen worden toegekend aan KMO' s of lagere overheden. De EIB heeft besloten om haar definitie van KMO aan te passen aan de nieuwe definitie van de Commissie die van kracht is sedert 1 januari 2005: -
er werken maximaal 250 werknemers; de onderneming heeft of een jaaromzet van maximaal 50 miljoen euro, of een balanstotaal van maximaal 43 miljoen euro; niet meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten zijn in handen van één onderneming of van verscheidene ondernemingen die niet aan deze definitie beantwoorden.
Door het toepassen van deze definitie zal de maximale omvang van een KMO-onderneming dalen van 500 naar 250 werknemers. Dit heeft geen grote gevolgen voor de potentiële begunstigden, daar de meeste ondernemingen die in het kader van de KMO-faciliteiten gebruik maken van de globale kredieten van de EIB minder dan 250 personen in dienst hebben Daarnaast heeft de EIB besloten instrumenten te gaan invoeren die geschikt zijn voor de financiering van ondernemingen van middelgrote omvang, dat wil zeggen bedrijven die minder dan 3000 werknemers in dienst hebben. Hierdoor blijft het mogelijk indirecte kredieten te verstrekken aan ondernemingen die ten gevolge van de nieuwe definitie niet meer onder KMO vallen, mits hun projecten in aanmerking komen voor financiering door de EIB. Projecten Investeringen van minder dan 25 miljoen euro van KMO' s in de industrie, dienstverlening, het toerisme, de horeca en de handel in België kunnen in aanmerking komen. Niet-zakelijk onroerend goed valt buiten de financieringsmogelijkheden. Wat betreft investeringen in de overheidssector gaat het om projecten op het gebied van stadsvernieuwing, inclusief stedelijke infrastructuur, milieubescherming, onderwijs en gezondheidszorg. Diversen De leningen uit de globale kredieten worden toegekend door de bemiddelende instantie, tegen de voorwaarden die door haar zijn vastgesteld aan de hand van de criteria van de EIB. Deze instantie is ook verantwoordelijk voor het onderzoeken van de kredietaanvragen, de beoordeling van het risico en het beheer van de kredieten. U kunt banken en andere financiële instellingen die de globale kredieten in België uitvoeren vinden op: http://www.eib.org/attachments/lending/inter_be.pdf . De EIB oefent periodiek toezicht uit op de krediettoewijzingen van de bemiddelende instanties, omdat zij er verzekerd van dient te zijn dat de toegekende fondsen worden gebruikt overeenkomstig de goedgekeurde doelstellingen van het gemeenschappelijk akkoord. Aanvraagprocedure Aanvragen voor leningen in het kader van de globale kredieten dienen rechtstreeks bij de bovengenoemde banken en de andere financiële instanties te worden ingediend.
Aanvullende inlichtingen Algemene inlichtingen over de Europese Investeringsbank: InfoDesk: Tel.: +352 43 79 31 22 Fax: +352 43 79 31 91 E-mail: info@eib.org Algemeen adres en telefoonnummer: European Investment Bank 100, boulevard Konrad Adenauer L-2950 Luxembourg Tel.: +352 43 79 1 Fax: +352 43 77 04 Website: http://www.eib.eu.int Kantoor in België: Wetstraat 227 1040 Brussel Tel.: 02/235.00.70 Fax: 02/230.58.27 Informatie over de activiteiten in België: Sabine Parisse Tel.: +352 43 79 21 46 s.parisse@eib.org Specifieke inlichtingen en aanvragen voor toegang tot documenten: Information and Communications Department Secretariat General 100 boulevard Konrad Adenauer L-2950 Luxembourg Fax: +352 43 79 31 91 infopol@eib.org
3.
EUROPEES INVESTERINGSFONDS (EIF)
Het Europees investeringsfonds (EIF) houdt zich bezig met activiteiten op drieërlei gebied, namelijk risicokapitaal, garanties en adviesdiensten: - de risicokapitaalinstrumenten van het EIF bestaan uit deelnemingen in participatiemaatschappijen en starterscentra ter ondersteuning van KMO' s, in het bijzonder die, welke zich in een vroeg stadium van ontwikkeling bevinden en op technologie gericht zijn; - de garantiefaciliteiten van het EIF bestaan uit het bieden van garanties aan financiële instellingen die kredieten verstrekken aan KMO' s; - adviesdiensten in verband met risicokapitaal, garantiefaciliteiten en complexe financiële structuren worden door het EIF verstrekt tegen markttarieven. Door het hefboomeffect van haar risicokapitaal en garantiefaciliteiten is het EIF in staat bij te dragen aan de ontwikkeling van de KMO' s in de lidstaten van de Europese Unie en de toetredingslanden. Deze bijdrage is in overeenstemming met de conclusies van de ECOFIN-Raad van 7 november 2000, die de nieuwe rol van het EIF benadrukt als de EU' s gespecialiseerd instelling ten behoeve van de KMO' s. De risicokapitaalinstrumenten en de garantiefaciliteiten, die door het EIF worden gebruikt ten behoeve de KMO' s, vormen een aanvulling op de globale kredieten die door de Europese Investeringsbank worden verstrekt aan bemiddelende financiële instellingen ter ondersteuning van kredietverlening aan KMO' s. De aandacht wordt erop gevestigd dat het EIF niet direct in KMO' s investeert, maar in plaats daarvan altijd werkt via bemiddelende tussenpersonen. Aan deze tussenpersonen worden de te verrichten activiteiten volledig gedelegeerd: het EIF is niet betrokken bij individuele investerings- en kredietbeslissingen. KMO' s die op zoek zijn naar financiering moeten contract opnemen met een bemiddelende tussenpersoon voor het EIF in hun land of regio voor informatie over de selectiecriteria en de aanmeldingsprocedures. In het kader van Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor de KMO' s (2001-2005, verlengd tot 2006) beheert het EIF namens de Europese Commissie de financiële instrumenten van dit programma. Daarnaast stelt het EIF ook nog eigen middelen van de EIB en EIF ter beschikking voor risicokapitaaltransacties. 3.1
RISICOKAPITAAL
3.1.1
DE ETF-STARTERSREGELING (2001-2005, verlengd tot 2006)
Inhoud steunmaatregel De ETF-startersregeling maakt het mogelijk MKB-ondernemingen op te richten en in de startfase te financieren met deelnemingen – op gelijke voet met particuliere risicokapitaalbeleggers – in gespecialiseerde risicokapitaalfondsen, met name zaaikapitaalfondsen, fondsen van beperkte omvang, regionaal werkzame fondsen of fondsen die zich op specifieke bedrijfstakken of technologieën concentreren, of risicokapitaalfondsen die de exploitatie van O & O-resultaten financieren, bijvoorbeeld fondsen die aan onderzoekcentra en wetenschapsparken zijn verbonden, die op hun beurt risicokapitaal voor het MKB verschaffen. De ETF-startersregeling participeert ook in het kapitaal van starterscentra, op gelijke voet met particuliere beleggers. In dit opzicht moeten starterscentra op dezelfde manier als risicokapitaalfondsen worden behandeld. Begunstigden Financiële intermediairs voor het MKB (zoals banken, instellingen die garantiestelstels beheren, zaai- en risicokapitaalfondsen en starterscentra). Dit programma staat open voor de lidstaten van de EU, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.
Projecten De bedoeling is: - te investeren in gespecialiseerde risicokapitaalfondsen, met name in kleinere of in recent opgerichte fondsen, regionale fondsen, fondsen die zich op specifieke bedrijfstakken of technologieën concentreren en fondsen die de exploitatie van O & O-resultaten financieren, bijvoorbeeld fondsen die met onderzoekcentra en wetenschappelijke instellingen zijn verbonden; - de oprichting en ontwikkeling van starterscentra te ondersteunen. Diversen De investeringdoelstelling bedraagt 10 tot 25% van de middelen die door het risicokapitaalfonds of het starterscentrum zijn samengebracht. Hierbij geldt normaal gezien een maximum van 10 miljoen euro. Uitzonderlijk kan dit bedrag opgetrokken worden tot 15 miljoen euro. Risicokapitaalfondsen moeten voldoen aan de criteria die zijn vermeld in de ETF Start-up guidelines die op de internetsite van het ETF zijn gepubliceerd: http://www.eif.org/publications/publication.asp?publ=17. Aanvraagprocedure De kleine of middelgrote ondernemingen moeten zich rechtstreeks wenden tot de risicokapitaalfondsen of starterscentra die aan het programma deelnemen. Een lijst van de risicokapitaalfondsen die aan het programma deelnemen, is te vinden op de website van het EIF bij "Venture Capital" en vervolgens "List of investments": http://www.eif.eu.int/venture/vinter/.
Aanvullende inlichtingen Voor het EIF: Europees Investeringsfonds 43 Avenue J.F. Kennedy L-2968 Luxemburg LUXEMBURG Tel.: (352) 42 66 88-1 Fax: (352) 42 66 88-200 E-mail: info@eif.org Website: http://www.eif.org Voor de Europese Commissie: Dietmar Maass Directoraat-generaal Economische en financiële zaken Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep Wagnergebouw, Kirchberg L-2920 Luxemburg Fax: 00352 4301 36609 E-mail: Dietmar.Maass@cec.eu.int
3.1.2
STARTKAPITAALACTIE (2001-2005, verlengd tot 2006)
Inhoud steunmaatregel Het doel van de startkapitaalactie (seed capital action) is de bevordering van de verstrekking van kapitaal voor de oprichting van nieuwe, innovatieve ondernemingen met groei- en banenpotentieel, ook in de traditionele economie, door middel van ondersteuning van zaaikapitaalfondsen, starterscentra en dergelijke organisaties (zoals fondsen met een breed beleggingsspectrum die zaaikapitaal in hun algemene investeringsprogramma’s opnemen) vanaf de eerste jaren waarin zij actief zijn. Begunstigden De begunstigden worden uitsluitend gekozen uit de fondsen, starterscentra en dergelijke organisaties waaraan het EIF steun verleent. Projecten De steun is gericht op het op lange termijn werven van nieuwe investeringsbeheerders, teneinde de capaciteit van de risicokapitaalfondsen om in zaaikapitaal te investeren, te versterken. De steun wordt verleend in de vorm van subsidies die een deel van de beheerskosten in verband met deze arbeidsintensieve investeringen dekken. Diversen De subsidies worden gebruikt om een deel van de beheerskosten te dekken van zaaikapitaalfondsen, starterscentra of soortgelijke organisaties die in hun investeringsprogramma’s zaaikapitaalinvesteringen opnemen. Voor elke geschikte extra aangeworven medewerker moet de begunstigde een subsidieovereenkomst ondertekenen. Per subsidie-overeenkomst is maximaal 100.000 euro beschikbaar; het bedrag wordt uitgekeerd volgens de voorwaarden uiteengezet in de Seed Capital Action guidelines: http://www.eif.org/publications/publication.asp?publ=16 . Aanvraagprocedure Geïnteresseerde risicokapitaalfondsen en/of starterscentra dienen zich tot het EIF te wenden dat zal nagaan of hun aanvraag beantwoordt aan de richtsnoeren van de startkapitaalactie (Seed Capital Action guidelines). Aanvullende inlichtingen Voor het EIF: Europees Investeringsfonds 43 Avenue J.F. Kennedy L-2968 Luxemburg LUXEMBURG Tel.: (352) 42 66 88-1 Fax: (352) 42 66 88-200 E-mail: info@eif.org Website: http://www.eif.org Voor de Europese Commissie: Dietmar Maass Directoraat-generaal Economische en financiële zaken Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep Wagnergebouw, Kirchberg L-2920 Luxemburg Fax: 00352 4301 36609 E-mail: Dietmar.Maass@cec.eu.int
3.1.3
EIB & EIF-MIDDELEN VOOR RISICOKAPITAAL
Inhoud steunmaatregel De EIB groep (EIB en EIF) stellen eigen middelen ter beschikking als risicokapitaal. Het EIF investeert deze gelden in specifieke kapitaalfondsen die zich richten op KMO' s tot 500 werknemers. Het EIF richt zich op onafhankelijke management teams die gelden verzamelen van een grote groep investeerders om risicokapitaal ter beschikking te stellen aan deze kleine en middelgrote ondernemingen. Hierbij wordt er voorkeur gegeven aan fondsen die zich richten op de eerste fases in de ontwikkeling van bedrijven die geavanceerde technologieën implementeren of ontwikkelen, zowel in de industrie als in de dienstensector. Begunstigden Onafhankelijk beheerde fondsen die een toegevoegde waarde kunnen leveren aan de bedrijven waarin geïnvesteerd wordt. Deze faciliteit staat open voor de landen van de EU en voor uitbreidingslanden. Diversen De doelstelling is het verschaffen van tussen de 10 en 35 % van de middelen die door een fonds worden samengebracht. De exacte deelname hangt af van de omvang en de eigenschappen van het fonds. Projecten De bedoeling is te investeren in projecten die zoveel mogelijk vooropgestelde objectieven nastreven. Deze objectieven zijn: - technologische en industriële innovatie gedurende de startfase, ontwikkeling en expansie; - economische groei verhogen en jobs creëren; - transfer van technologische ontwikkelingen; - stimuleren van Regionale ontwikkeling in de in aanmerking komende regio' s; - bijdragen tot een efficiënte risicokapitaalmarkt; - eventueel mag er geïnvesteerd worden in de latere fases in de ontwikkeling van KMO' s op voorwaarde dat voldaan wordt aan een of meer van de objectieven. Aanvraagprocedure De kleine of middelgrote ondernemingen moeten zich rechtstreeks wenden tot de risicokapitaalfondsen die aan het programma deelnemen. Een lijst van de risicokapitaalfondsen die aan het programma deelnemen, is te vinden op de website van het EIF bij "Venture Capital" en vervolgens "List of investments": http://www.eif.eu.int/venture/vinter/.
3.2
KMO-GARANTIEFACILITEIT (2001-2005, verlengd tot 2006)
Inhoud steunmaatregel De KMO-garantiefaciliteit zal tegengaranties of, in voorkomend geval, medegaranties verstrekken voor in de lidstaten en in Noorwegen, IJsland en Liechtenstein functionerende garantiestelsels, en directe garanties in het geval van andere geschikte financiële intermediairs. Begunstigden Het programma is uitsluitend bestemd voor KMO’s, en bij voorrang voor ondernemingen met minder dan 100 werknemers. Projecten De faciliteit omvat vier onderdelen: - garanties voor leningen aan bedrijven met groeipotentieel, met maximaal 100 werknemers. Hieronder vallen door het EIF verstrekte gedeeltelijke garanties ter dekking van leningportefeuilles; - garanties ter dekking van portefeuilles van microleningen voor zeer kleine ondernemingen met maximaal 10 werknemers; - tegen- of medegaranties voor hiervoor in aanmerking komende garantiestelsels ter dekking van deelnemingen met eigen middelen in KMO’s met minder dan 250 werknemers (geen directe garanties aan risicokapitaalfondsen); - garanties ter dekking van portefeuilles van leningen voor de financiering van informatica-uitrusting, software en opleiding in verband met speciale activiteiten ter bevordering van het gebruik van internet en elektronische handel. Er wordt prioriteit gegeven aan kleine ondernemingen met maximaal 50 werknemers. Diversen Het budget wordt gebruikt voor de dekking van een deel van de eventuele verliezen in verband met de garanties die in het kader van de faciliteit worden verstrekt. Aanvraagprocedure De geïnteresseerde bedrijven moeten zich wenden tot een van de financiële instellingen die aan het programma deelnemen. Een lijst van de financiële instellingen die aan het programma deelnemen is te vinden op de website van het Europees Investeringsfonds, onder "Portfolio Guaranties", "List of deals": http://www.eif.org/portfolio/pinter/ Aanvullende inlichtingen Voor het EIF: Europees Investeringsfonds Avenue J.F. Kennedy 43 L-2968 Luxemburg Fax: 00352 426688200 E-mail: info@eif.org Website: http://www.eif.org Voor de Europese Commissie: Georges Floros Directoraat-generaal Economische en financiële zaken Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep Wagnergebouw, Kirchberg L-2920 Luxemburg Fax: 00352 4301 36609 E-mail: Georgios.Floros@cec.eu.int
4.
CENTRUM VOOR DE ONTWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN (COO)
4.1
SAMENWERKING MET DE ACS-LANDEN
Inhoud steunmaatregel In het kader van de Conventie van Lomé, een overeenkomst tussen de Europese Unie en zeventig landen in Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan (Pacific), werd in 1977 het Centrum voor Industriële Ontwikkeling opgericht. Dat Centrum is een ACS-EU-institutie die gefinancierd wordt door het Europees Ontwikkelingsfonds. In het kader van het Cotonou-akkoord, ondertekend op 23 juni 2000 met 77 ACS-landen en de Europese Unie, kreeg het centrum een aantal extra taken op het gebied van toerisme, telecommunicatie en transport. De naam van het centrum werd eveneens gewijzigd in Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen (COO). Het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen biedt ondersteuning bij de oprichting, uitbreiding, diversificatie en de reorganisatie van de productie of diensten van ACS-ondernemingen. Daarnaast helpt het centrum de competitiviteit te verbeteren, de intermediaire organisaties (onder andere de beroepsorganisaties en financiële instellingen) te versterken en de expertise van consultants te ondersteunen. Het centrum moedigt de regionale integratie van de ACS-landen aan, organiseert meetings tussen bedrijven van de Europese Unie en ACS-landen, ondersteunt de partnerschappen tussen partijen in de EU en de ACSlanden en informeert over de business en investeringsmogelijkheden in de ACS-landen. Het centrum richt zijn aandacht op de volgende sectoren: industrie, landbouw, bouw, toerisme, telecommunicatie, transport en het privé-management van alles wat te maken heeft met de infrastructuur en de diensten van deze sectoren. Projecten Het COO beschikt over twee instrumenten voor directe ondersteuning: CDE Development Facility en CDE Assistance Facility. Het eerste instrument biedt ondersteuning bij de voorbereiding van de oprichting van een onderneming: het uitvoeren van haalbaarheids- en marktstudies of ander voorafgaandelijk onderzoek, de financiële structurering en juridische onderbouwing van het project, het opsporen van technologieën en kandidaat-partners. Via het tweede instrument wordt het opstarten en verder ontwikkelen van de onderneming ondersteund. Naast de directe ondersteuning helpt het centrum ook bij de zoektocht naar de eigenlijke financiering voor het project. Elk jaar organiseert het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen een reeks events zoals forums, workshops, ontmoetingen met mogelijke partners. Ook het maken en uitbrengen van studies, artikels en boeken over bepaalde industriële sectoren in de ACS-landen maakt deel uit van de ondersteunende functie van het centrum. Begunstigden In het algemeen komen bedrijven van een ACS-land of van een land in de Europese Unie die alleen of gezamenlijk een industrieel project in een van de ACS-landen willen opstarten in aanmerking voor de diensten van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen. Het gaat om bedrijven die in de opstartfase zitten of bedrijven die willen uitbreiden, diversifiëren of reorganiseren in een ACS-land. Ook consultants en consultancybedrijven die kunnen inspelen op de nieuwe behoeften van bedrijven komen in aanmerking De volgende ACS-landen nemen deel: - West-Afrika: Benin, Burkina Faso, Kaapverdië, Ivoorkust, Gambia, Ghana, Guinea, Guinee Bissau, Liberia, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Togo; - Centraal-Afrika: Burundi, Kameroen, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chad, Kongo, Democratische Republiek Kongo, Equatoriaal Guinee, Gabon, Sao Tomé en Principe; - Oost-Afrika: de Comoren, Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Kenia, Madagaskar, Mauritius, Rwanda, Seychellen, Somalië, Soedan, Tanzania, Oeganda;
-
Zuid-Afrika: Angola, Botswana, Lesotho, Malawi, Mozambique, Namibië, Swaziland, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika; de Caraïben: Antigua en Barbuda, Bahamas, Barbados, Belize, Dominica, Dominicaanse Republiek, Grenada, Guyana, Haïti, Jamaica, St.-Kitts en Nevis, St.-Lucia, St.-Vincent en de Grenadines, Suriname, Trinidad en Tobago; Pacific: Cook-eilanden, Fiji, Kiribati, Marshall-eilanden, Micronesië, Nauru, Niue, Palau, PapoeaNieuw-Guinea, Samoa, Solomons-eilanden, Timor Leste, Tonga, Tuvalu, Vanuatu.
Diversen Om steun te ontvangen voor een onderneming moet die minstens 80.000 euro activa hebben of 50.000 euro jaarlijkse omzet. Verder moet de onderneming financieel en technisch levensvatbaar zijn en minstens vijf personen tewerkstellen. Naargelang van het soort project is de bijdrage van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen maximum 100.000 euro per project per jaar met een limiet van twee derde van de totale kosten. De bijdrage moet ook kleiner zijn dan 20% van de activa of de omzet van de onderneming. Consultants and consultingorganisaties kunnen hun expertise over ACS-landen en samenwerking met collega' s in ACS-landen uitbreiden. Hiervoor kunnen zij maximaal twee derde van de kosten vergoed krijgen, met een maximum van 50.000 euro. Aanvraagprocedure Aanvragen kunnen rechtstreeks ingediend worden bij het Centrum zelf of bij een van de antennes van het ACS-netwerk in de ACS-landen of de Europese Unie. Indieners van een aanvraag (bedrijven of promotors) moeten duidelijk bepalen welke bijstand en steun zij verwachten van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen. De formulieren om een aanvraag in te dienen zijn beschikbaar op de website.
Aanvullende inlichtingen Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen Herrmann Debrouxlaan 52 1160 Brussel Tel.: 02/679.18.50 Fax: 02/679.18.70 E-mail: info@cde.int Website: http://www.cde.int/
4.2
PRO-INVEST: EEN PROGRAMMA VOOR DE PROMOTIE VAN INVESTERINGEN IN DE ACS-LANDEN
Inhoud steunmaatregel Het Pro-Investprogramma is een EU-ACS-partnerschapsprogramma dat ontwikkeld en aangenomen is door de Europese Commissie ten voordele van de ACS-landen. Het programma werd officieel gelanceerd op 22 oktober 2002 in Brussel. Het doel van dit programma is de stroom van investeringen en technologieën naar bedrijven die actief zijn in de kernsectoren in de ACS-landen te bevorderen. Dat zal bereikt worden via een tweedimensionale aanpak: - steun aan intermediaire en professionele organisaties; - ontwikkeling van partnerschappen tussen Noord-Zuid- en Zuid-Zuidbedrijven. Pro-Invest wordt beheerd door het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen onder toezicht van EuropeAid Co-operation Office van de Europese Commissie. Pro-Invest dat een budget van 110 miljoen euro heeft, wordt gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds en zal eindigen op 31/12/08. Begunstigden Intermediaire organisaties uit de ACS-landen, zoals Kamers van Koophandel en Industrie, professionele en sectorale organisaties, werkgeversorganisaties en financiële instellingen en ook regionale organisaties uit de particuliere sector die ten minste twee landen vertegenwoordigen, komen in aanmerking. Afhankelijk van het type project kan de maximale tegemoetkoming tot 250.000 euro bedragen. Bedrijven die hebben deelgenomen aan Pro-Investevenementen kunnen individuele steun (<= 50.000 euro) ontvangen voor mogelijke follow-upprojecten of partnerschappen. De tegemoetkoming via het Pro-Investprogramma is beperkt tot twee derde van de goedgekeurde kosten. Projecten -
activiteiten op het gebied van diensten voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven; initiatieven op het gebied van promotie van de particuliere sector en beleidsdialoog; sectorale partnerschapsinitiatieven organiseren.
Aanvraagprocedure Voor de intermediaire organisaties zijn er vier oproepen per jaar. Meer informatie over de oproepen is te vinden op de website van Pro-Invest: http://www.proinvest-eu.org en op de website van EuropeAid: http://ec.europa.eu./comm/europeaid/tender/index_en.htm . Voor individuele bedrijven is er elke maand een deadline.
Aanvullende inlichtingen Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen ProInvest Management Unit Patrick Keene Herrmann Debrouxlaan 52 1160 Brussel Tel.: 02/679.18.50/51 Fax: 02/679.18.70 E-mail: infos@proinvest-eu.org Website: http://www.proinvest-eu.org
5.
OVERIGE INITIATIEVEN TER BEVORDERING VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING
5.1
AL-INVEST III (2004-2007)
Inhoud steunmaatregel Het AL-Investprogramma werd in 1994 opgestart door de Europese Commissie met als doel de economische samenwerking tussen Europese en Latijns-Amerikaanse bedrijven en de investeringen en handelsrelaties tussen beide regio’s te ondersteunen. De standaardtaal is Spaans, maar de meeste informatie is ook beschikbaar in het Engels en het Portugees. Het programma is er ook op gericht: - steun te verlenen aan KMO' s in de EU en in Latijns-Amerika bij internationale activiteiten; - de investeringen door Europese KMO' s in KMO' s in Latijns-Amerika te bevorderen; - de betrekkingen tussen de twee regio’s te verbeteren door Europese technologieën en knowhow te verspreiden in landen in Latijns-Amerika; - langetermijnbetrekkingen te ondersteunen die alle betrokkenen voordeel opleveren en een duurzaam karakter hebben; - de overdracht van technologie, en de totstandkoming van joint ventures en commerciële akkoorden tussen bedrijven in de EU en in Latijns-Amerika te bevorderen. De betrokken landen zijn: - alle 25 EU-lidstaten; - 18 Latijns-Amerikaanse landen (Argentinië, Bolivië, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, Cuba, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, Uruguay en Venezuela). Begunstigden Het geld van het AL-Investprogramma wordt aan de leden toegekend. In de EU worden de leden COOPECO’s genoemd en in Latijns-Amerika EUROCENTRO’s. De leden organiseren vooral seminaries, conferenties en bedrijfsontmoetingen, en ze verlenen technische ondersteuning aan bedrijven. Organisaties als Kamers van Koophandel, brancheorganisaties, instituten voor buitenlandse handel, ontwikkelingsagentschappen en particuliere adviesverleners kunnen lid worden. Bedrijven kunnen deelnemen aan de voor hen georganiseerde activiteiten of optreden als dienstverlener of expert. Een lijst van de activiteiten kunt u vinden op: http://www.al-invest3.org/ door te klikken op ‘Events’. U kunt daar ook de organisatoren opzoeken. Vervolgens kunt u op http://ec.europa.eu./comm/europeaid/projects/al-invest/network_en.cfm de contactgegevens van die organisatoren vinden door te klikken op ‘Network’ en de juiste zoekcriteria in te geven. Meestal kunt u de organisator vinden door een deel van de naam van de organisator in te voeren bij ‘Name’. Houd er wel rekening mee dat de zoekopdracht hoofdlettergevoelig is. Een alternatieve manier bestaat erin het land te kiezen waar het evenement plaatsvindt via ‘Event Country’. Projecten De projecten kunnen onderverdeeld worden in twee groepen: 1.
Voorzieningen voor KMO' s: budget 41,7 miljoen euro: · CAPYME: seminaries, workshops en training voor KMO' s over internationaliseringsstrategieën en sectorale, technische ondersteuning; · SEU/SLA: Latijns-Amerikaanse weken (SLA) / Europese weken (SEU): internationale handelsbeurzen organiseren en bezoekers bijstaan; · ES: sectorale bedrijfsontmoetingen, vaak in het kader van internationale handelsbeurzen; samen met een technisch seminarie en eventuele technische bezoeken; · FDN: hulp verlenen bij de onderhandelingen over internationale businessplannen en het sluiten van partnerschappen;
· 2.
CEP: ondersteuning van bedrijven die al een project hebben ontwikkeld. Die steun kan helpen bij de uitvoering van projecten die uit de andere activiteiten voortvloeien.
Voorzieningen voor aangesloten leden: budget 6 miljoen euro: · CAP: kennisoverdracht binnen het netwerk; · IFU: uitwisseling van personeelsleden tussen aangesloten organisaties en externe organisaties; · ACO: onderlinge steun tussen aangesloten organisaties om nieuwe dienstverlening op te starten.
Aanvraagprocedure Om steun te kunnen ontvangen moet een organisatie lid zijn van het AL INVEST III-netwerk. De aanvraagprocedure om lid te worden vindt u in de brochure op: http://www.al-invest3.org/Documents/AL_INVEST_III_-_INFO_Sheet_ENGLISH.pdf. Een lid mag per selectiecomité voor iedere activiteit slechts één voorstel indienen. Er is een handleiding beschikbaar om steun te vragen voor de verschillende activiteiten. U kunt die handleiding raadplegen op http://www.al-invest3.org/ onder de rubriek ‘Manuals’.
Aanvullende inlichtingen AL-Invest III: AL-Invest III-Consortium Kunstlaan 19, A/D B-1000 Brussel Tel.: 02/788.48.40 Fax: 02/788.48.49 E-mail: info@al-invest3.org Websites: http://www.al-invest3.org http://ec.europa.eu./comm/europeaid/projects/al-invest/index_en.htm AL-Invest I en II: EuropeAid Co-operation Office (AIDCO) Unit E2 AL INVEST Wetstraat 200 (J54, 4-13) 1049 Brussels Belgium Fax: 02/99.10.80 E-mail: europeaid-al-invest@cec.eu.int Website: http://ec.europa.eu./comm/europeaid/projects/al-invest/index_en.htm
5.2
ASIA-INVEST (2003-2007)
Inhoud steunmaatregel Het Asia-Investprogramma, een initiatief van de Europese Commissie, tracht bedrijven te helpen hun bedrijfsstrategieën te internationaliseren en de samenwerking tussen bedrijven in de Europese Unie en Azië te vergemakkelijken (Zuid- en Zuidoost-Azië en China). Het Asia-Investprogramma in 1998 opgestart, is begonnen aan een tweede uitvoeringsfase voor een periode van vijf jaar: 2003-2007. Voor de periode 2006-2007 voorziet de Europese Commissie 20 miljoen euro om een nieuwe fase van het Asia-Invest Programma uit te voeren. Dit volgt op voorgaande verbintenissen van 67 miljoen euro. Dit geld wordt ingezet via projecten die vallen in drie activiteitendomeinen: - het samenbrengen van bedrijven en het vormen van partnerschappen tussen bedrijven - ondersteuning van de Aziatische private sector - capaciteitsopbouw van Aziatische bedrijfsorganisaties en netwerking met Europese tegenhangers. De betrokken landen zijn: - alle 25 EU-lidstaten - 19 Aziatische landen: Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, China, Timor Leste, India, Indonesië, Laos, Maleisië, Malediven, Mongolië, Nepal, Noord-Korea, Pakistan, Filipijnen, Sri Lanka, Thailand en Vietnam. Begunstigden Voorstellen voor projecten kunnen ingediend worden door non-profitorganisaties die de ontwikkeling van handel en investeringen tussen de EU en Azië stimuleren of vergemakkelijken (kamers van koophandel, sectorale handels- en bedrijfsfederaties, werkgeversorganisaties, enzovoort). For-profit bedrijven kunnen: - deelnemen aan de evenementen in het kader van Asia Interprise en Asia Partenariat. Een lijst met evenementen kunt u vinden op: http://ec.europa.eu/comm/europeaid/projects/asia-invest/html2002/events2002.htm#Events%202003 - marktonderzoeken consulteren over opportuniteiten in de regio: http://ec.europa.eu/comm/europeaid/projects/asia-invest/html2002/publications.htm - meewerken aan projecten, zonder hiervoor geld te ontvangen - als subcontractor diensten leveren aan projecten. Projecten Er zijn zeven soorten projecten binnen de drie activiteitengebieden: -
Het samenbrengen van bedrijven en het vormen van partnerschappen tussen bedrijven · · ·
-
Asia VENTURE: kleinschalige handelsmissies tussen Europa en de minder welvarende Aziatische landen: Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, Timor Leste, Laos, de Malediven, Nepal, Indonesië en Pakistan. Asia INTERPRISE: middelgrote sectorale en multisectorale handelsbijeenkomsten ter bevordering van partnerschappen tussen Europese en Aziatische bedrijven. Asia PARTENARIAT: grote multisectorele handelsbijeenkomsten in Azië om de partnerschappen tussen Aziatische en Europese bedrijven te bevorderen.
Ondersteuning van de privé-sector in Azië · ·
Asia-Invest TECHNISCHE BIJSTAND: capaciteitsopbouw ter voorbereiding van Aziatische bedrijven op internationale samenwerking, die overdracht van knowhow, ontwikkeling van bedrijfsorganisaties en versterking van de banden met Europese bedrijven omvat. Asia-Invest TRADE AND INVESTMENT FACILITATION STUDIES: marktonderzoeken om ondernemingen te voorzien van grondige analyses over het bedrijfsmilieu en de handelsmogelijkheden in Aziatische landen.
-
Capaciteitsopbouw van Aziatische bedrijfsorganisaties en netwerking met Europese tegenhangers · ·
Asia-Invest ALLIANCE: capaciteitsopbouw en networking voor Aziatische intermediairs, die overdracht van knowhow, zoeken van bedrijfspartners, informatienetwerken en uitwisseling van personeel met Europese tegenhangers omvat. Asia-Invest FORUM: uitwisseling van ervaringen via conferenties en workshops voor Europese en Aziatische intermediairs.
Aanvraagprocedure Voor vier soorten projecten, namelijk voor VENTURE, INTERPRISE, TECHNISCHE BIJSTAND en ALLIANCE worden er jaarlijks oproepen uitgeschreven. Belangrijke informatie over het opstellen en indienen van voorstellen vindt u terug op: http://ec.europa.eu/comm/europeaid/projects/asia-invest/html2002/howtoapply.htm. De aanvragen moeten voor de deadline ingediend worden met het standaardformulier dat te vinden is op deze website.
Aanvullende inlichtingen Europese Commissie EuropeAid Co-operation Office Asia-Invest Programme Wetstraat 41, 03/30 B-1049 Brussels Tel.: 02/298 6737 Fax: 02/298 4863 E-mail: europeaid-asia-invest@cec.eu.int Website: http://ec.europa.eu/comm/europeaid/projects/asia-invest
6.
MEDIA PLUS-PROGRAMMA (Mesures pour Encourager le Developpement de l' Industrie Audiovisuelle)
Inhoud steunmaatregel Het MEDIA Plus-Programma gaat uit van de Europese Commissie en heeft tot doel de concurrentiepositie van de Europese film-, tv- en nieuwe media-industrie te verstevigen en om de internationale circulatie van het Europese audiovisuele product te bevorderen aan de hand van een aantal maatregelen. MEDIA Plus ligt vervat in twee besluiten: één voor de aanmoediging van de ontwikkeling, distributie en promotie van Europese audiovisuele werken, goedgekeurd door de Europese Raad op 20 december 2000 (2000/821/EG); een tweede met betrekking tot opleidingsprogramma' s voor vakmensen van de Europese Audiovisuele programma-industrie (Mediaopleiding) is door het Europees Parlement op 19 januari 2001 goedgekeurd (Besluit nummer 163/2001/EG). In het MEDIA Plus-Programma wordt tevens steun aan pilootprojecten voorzien. Dit laatste heeft betrekking op conservatie van het erfgoed, digitalisering van AVarchieven en on-line distributiediensten. Het MEDIA Plus-Programma loopt gedurende een periode van zes jaar, 2001-2006. Daarvoor waren Media I en Media II operationeel, die respectievelijk van 1991-1995 en van 1996-2000 liepen. Projecten Het Media Plus Programma bestaat uit zes maatregelen, elk actief op een ander veld van de audiovisuele industrie: - Maatregel Media Ontwikkeling Het Media Plus-Programma voorziet financiële steun aan Europese onafhankelijke productiebedrijven voor de ontwikkeling van nieuwe projecten in de volgende genres: fictie, documentaire, animatie en multimedia. Steun kan gegeven worden aan een cluster van projecten (slate-funding) of aan een enkel project. - Maatregel I2I Audivisueel Met deze regeling wil de Europese Commissie onafhankelijke Europese audiovisuele productiebedrijven stimulansen geven zodat zij aanspraak zouden kunnen maken op externe financiering van banken of financiële instellingen. Het doel van i2i Audiovisueel is het drukken van de kosten binnen de film en audiovisuele sector op het vlak van verzekeringen, uitvoeringsgarantie en ontwikkeling. - Maatregel Media Distributie Deze maatregel van het Media Plus-Programma voorziet steun voor de distributie en het uitzenden van audiovisuele werken (fictie, documentaires, animatie en interactieve programma' s). Dit via steun aan distributie van de Europese film via bioscopen, op video en on-line, op een digitale drager (DVD), via televisie en via sales agents. - Maatregel Media Promotie Het doel van deze maatregel is voorzien in financiële steun om allerlei soorten promotionele acties aan te moedigen. De promotionele acties moeten bedoeld zijn om Europese producenten en distributeurs makkelijker toegang te laten krijgen op de belangrijkste Europese en internationale gebeurtenissen. Ook steun aan festivals valt onder deze steunmaatregel. Festivals waarvan 70% van hun programmatie uit Europese films bestaat, staan immers in voor de promotie van de Europese film. - Maatregel Media Pilootprojecten Gedurende de hele looptijd van het programma worden er proefprojecten opgezet die gericht zijn op een betere toegang tot Europese audiovisuele inhoud en die profijt trekken van de mogelijkheden welke ontstaan door de ontwikkeling en de introductie van nieuwe en innoverende technologie, waaronder de digitalisering en de nieuwe distributiemethodes. Proefprojecten kunnen met het oog op exploitatie, netwerkvorming en promotie onder meer betrekking hebben op de volgende gebieden: · cinematografisch erfgoed; · archieven van Europese audiovisuele programma' s; · catalogi van Europese audiovisuele werken; · digitaal uitgezonden Europese programma’s zoals bijvoorbeeld geavanceerde distributiediensten.
- Maatregel Media Training Het Media Training-programma heeft als doel het opzetten van opleidings- en trainingsinitiatieven. Professionelen van de audiovisuele sector kunnen via deze manier hun capaciteiten uitbreiden en competitiviteit op de buitenlandse markt opvoeren. Het programma rust op een nauwe samenwerking tussen verschillende scholen en opleidingscentra. Diversen De tussenkomst van het MEDIA-Programma bedraagt nooit meer dan 50% van het budget dat in aanmerking kan worden genomen voor steun. Dit laatste is veranderlijk naargelang het voorwerp van steun. Een festival bijvoorbeeld heeft nood aan een ander soort budget en maakt andere bestedingen dan een productiebedrijf dat de ontwikkeling van een langspeelfilm opstart. In het eerste geval worden bijvoorbeeld kosten van printtraffic, promotie en advertentie, ondertiteling, enzovoort in rekening genomen. In het tweede geval zullen de kosten die kunnen ingebracht worden betrekking hebben op het opstellen van een productieplan en financieringsplan, het schrijven van het scenario, onderzoek, verwerven van de rechten, enzovoort. Aanvraagprocedure Voor elke afdeling worden er ' oproepen tot indien van voorstellen'gelanceerd. Bedrijven worden uitgenodigd hun project voor te stellen en in te dienen voor een specifiek onderdeel van het Programma. Die oproepen kennen een uiterste inschrijvingsdatum. Over de ganse periode van zes jaar (tot 2006) worden er op regelmatige basis oproepen gelanceerd. Op volgende websites vindt u meer informatie: http://ec.europa.eu/comm/avpolicy/media/index_en.html http://www.mediadesk-vlaanderen.be
Aanvullende inlichtingen U kunt bij de MEDIA Desk terecht voor informatie (over regels en procedures) en advies en begeleiding bij het aanvragen van steun. Door het inschakelen van de MEDIA Desks in andere landen kan de MEDIA Desk voor u bemiddelen wanneer u op zoek bent naar specifieke informatie en/of personen uit een ander Europees land. Hieronder vindt u het informatiecentrum van het MEDIA-Programma van de Europese Gemeenschap: MEDIA Desk België - Vlaamse Gemeenschap Nathalie Goethals, coördinator Jonas Tavernier, assistent Communicatie en Informatie Bijlokekaai 7F 9000 Gent Tel.: 09/235.22.65 Fax: 09/233.07.09 E-mail: info@mediadesk-vlaanderen.be Website: http://www.mediadesk-vlaanderen.be
7.
MARCO POLO (2003-2007)
Inhoud steunmaatregel Het doel van het Marco Poloprogramma is het verminderen van verkeersopstoppingen en het verbeteren van de milieu-impact van het vrachtvervoer binnen de Europese Unie. Concreet betekent dit dat projecten ondersteund worden die zorgen voor een omschakeling van wegvervoer naar korte zeevaart, binnenvaart en spoorverkeer. Projecten die zorgen voor een omschakeling tussen korte zeevaart, binnenvaart of spoorverkeer onderling, worden niet ondersteund. Het programma loopt van 2003 tot 2006. Er is een totaal budget uitgetrokken van 100 miljoen euro. De laatste oproep zal in de herfst van 2006 gedaan worden. De Europese Commissie heeft voorgesteld om vanaf 2007 het programma voort te zetten (Marco Polo II), met extra projecten en een verhoogd budget van 400 miljoen euro over 6 jaar. Begunstigden Alleen commerciële ondernemingen kunnen deelnemen aan het programma. Overheden of administraties mogen echter wel 100 % eigenaar zijn van zulke commerciële ondernemingen. Projecten moeten steeds door minstens twee partners in minstens twee landen ingediend worden. Projecten Er zijn drie types van projecten die ondersteund kunnen worden, op voorwaarde dat ze de concurrentie niet onnodig verstoren (vanaf 2007 zijn er 5 types projecten): 1.
Wijziging van vervoersmodus
Ondersteuning bij het opstarten van dienstverlening, waarbij er tonkilometers (tkm) omgezet wordt van de weg naar de andere modi (ook kubiekemeter-kilometers waarbij 1m3 staat voor 1 ton worden aanvaard). Tijdens het project moet in maximaal 3 jaar minimaal 250 miljoen tkm van modus veranderd worden. Het project moet economisch levensvatbaar zijn na de periode van subsidiëring. Dankzij het project moet minstens 250 miljoen tkm van modus veranderd zijn. De minimale subsidie bedraagt 0,5 miljoen euro. De hulpinfrastructuur kan voor maximaal 20 % van de subsidie ondersteund worden. De subsidie zelf bedraagt maximaal 30 % van de kosten die in aanmerking komen. Vanaf 2007 bedraagt de steun 35% van de kosten die in aanmerking komen. 2.
Katalysator
Ondersteuning voor innovatieve projecten die structurele marktbarrières doorbreken. Projecten worden maximaal vier jaar ondersteund. Het project moet economisch leefbaar zijn na het einde van de subsidies. De minimale subsidie bedraagt 1,5 miljoen euro. De hulpinfrastructuur kan voor maximaal 20 % van de subsidie ondersteund worden. De subsidie zelf bedraagt maximum 35 % van de kosten die in aanmerking komen. Voor de periode 2007-2013 wordt het minimumbedrag aan subsidie 1 miljoen euro en de maximale duur 60 maanden. Het steunpercentage zal 35% bedragen, ook voor de aanvullende infrastructuur. 3.
Samenwerking en leren
Het verbeteren van samenwerking en het uitwisselen van know-how voor de complexe transport en logistieke markt. Projecten kunnen maximaal twee jaar subsidie ontvangen. De resultaten van het project moeten aan het doelpubliek beschikbaar gesteld worden. De minimale subsidie bedraagt 0,25 miljoen euro. Tot 50 % van de kosten die in aanmerking komen, kunnen vergoed worden.
4
Snelwegen op zee (vanaf 2007)
Innovatieve acties die een impuls geven aan hoogfrequente intermodale diensten voor zeer grootschalig goederenvervoer via de korte vaart, eventueel ondersteund door spoor- en binnenvaartverbindingen met het hinterland. Er wordt een werkelijke, meetbare en duurzame modal shift verwacht van goederenvervoer op de weg naar de korte vaart en de binnenvaart. De steun bedraagt maximaal 35% van het totaalbedrag van de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de actie, inclusief voorbereidingen en aanvullende infrastructuur. Er is een indicatieve bijdrage van EUR 1 per 500 tonkilometer goederenvervoer over de weg die werd overgeheveld. De minimumdrempel wordt voorzien op EUR 2 000 000 per actie, Te bereiken binnen een termijn van maximum 60 maanden. 5
Verkeersvermijdingsacties (vanaf 2007)
Acties waarbij door integratie van de productielogistiek in de vervoerslogistiek de efficiëntie van het goederenvervoer kan vergroot worden. Hierbij wordt gestreefd naar wijziging van de productie- en/of distributieprocessen, en zodoende te komen tot kortere afstanden, hogere laadfactoren, minder lege ritten, vermindering van de afvalstromen of enig ander effect dat leidt tot een aanzienlijke vermindering van het goederenvervoer over de weg. De steun bedraagt maximaal 35% van het totaalbedrag van de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de actie, inclusief voorbereidingen en aanvullende infrastructuur. Er is een indicatieve bijdrage van EUR 1 per 500 tonkilometer goederenvervoer over de weg die werd overgeheveld. De minimumdrempel wordt voorzien op EUR 500 000 per actie, te bereiken binnen een termijn van maximum 60 maanden. Aanvraagprocedure Ieder jaar wordt er een oproep gedaan, gewoonlijk in de zomer of herfst. De oproep wordt gepubliceerd in het officiële publicatieblad en op de website van het Marco Poloprogramma. Het gaat hier om een competitieve procedure waarbij een rangschikking van de ingediende voorstellen wordt opgemaakt. Afhankelijk van het budget worden er een twintigtal projecten goedgekeurd en gesubsidieerd. Mogelijk stijgt dit aantal vanaf 2007.
Aanvullende inlichtingen Directoraat-generaal voor Energie en Vervoer Tel.: 02/299.64.48 Fax: 02/296.37.65 E-mail: TREN-MARCO-POLO@ec.europa.eu Website: http://ec.europa.eu./transport/marcopolo/index_en.htm
DEEL IX : SAMENWERKING MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA
1.
SAMENWERKINGSPROGRAMMA VLAANDEREN MET CENTRAAL- EN OOSTEUROPA
Inhoud steunmaatregel Op 29 april 2005 besloot de nieuwe Vlaamse regering om het Centraal- en Oost-Europabeleid aan te passen aan de situatie die ontstond na de uitbreiding van de EU. Daarom wordt een onderscheid gemaakt tussen de nieuwe lidstaten enerzijds, en de landen die in de nabije toekomst zullen toetreden (Roemenië, Bulgarije en Kroatië). Ook projecten in de buitengordel kunnen in aanmerking komen voor betoelaging. Het nieuwe Vlaamse buitenlandbeleid ten aanzien van Centraal- en Oost-Europa is dan ook gestoeld op drie pijlers. De eerste pijler, de samenwerking met de nieuwe lidstaten, omvat het zogenaamde post-accessiemodel. Dit wil zeggen het partnerschap verstevigen en specifieke Vlaamse ervaring en kennis ter beschikking stellen, bijvoorbeeld op het vlak van democratie, de kennismaatschappij en bestuurlijk beleid. Voor projecten binnen deze eerste pijler voorziet Vlaanderen 670.000 euro. In 2005 werd gefocust op samenwerkingsprojecten met Polen, Hongarije, Slovenië en Estland. In 2006 komen in de eerste plaats Letland, Litouwen, Slowakije en de Tsjechische Republiek aan bod. (De formule van de focuslanden is echter geen uitsluitingscriterium: de opties blijven open voor projectvoorstellen in alle acht nieuwe lidstaten). De tweede pijler is gericht op de toekomstige nieuwe EU-lidstaten Roemenië, Bulgarije en Kroatië. Hiervoor hanteert Vlaanderen het pre-accessiemodel: nauwe relaties aanknopen met deze landen en hen ondersteunen in hun inspanningen voor de Europese toetreding. Deze staten krijgen dan ook de grootste hap van het voorziene budget: 700.000 euro voor Roemenië, 600.000 voor Bulgarije en 500.000 voor Kroatië. Met een derde pijler wil Vlaanderen nauw samenwerken met landen langs de nieuwe buitengrens van de Europese Unie. De klemtoon wordt gelegd op democratische en economische versterking, conflictpreventie en samenlevingsopbouw. De voorziene 350.000 euro werden in 2005 en 2006 integraal voorbehouden voor initiatieven in Oekraïne. Begunstigden De projecten dienen betrekking te hebben op een samenwerkingsverband tussen de Vlaamse promotor (een Vlaamse administratie, een Vlaamse openbare instelling of een instelling, organisatie of onderneming die haar exploitatiezetel binnen de grenzen van het Vlaamse Gewest of een Nederlandstalige instantie met zetel in Brussel) enerzijds, en minstens een partner in één van de hierboven vermelde landen, anderzijds. Projecten Volgende economische projecten komen in aanmerking voor steun: PIJLER 1 Voorbeelden van projectvoorstellen die in aanmerking komen: - ontwikkeling van netwerken tussen Vlaanderen en de partnerlanden o.m. via samenwerking tussen intermediairs (Kamers van Koophandel, federaties,…); - organisatie van promotionele acties waardoor Vlaanderen meer aanwezig wordt gesteld in het partnerland (bvb. Vlaamse week in samenwerking met diverse actoren als Toerisme Vlaanderen, Vlaams agentschap voor internationaal ondernemen, administratie Cultuur,…); - ontwikkeling van stedenbanden of relaties tussen provinciale en regionale autoriteiten via de intermediaire organisaties of het opzetten van gezamenlijke acties (bvb. samenwerking tussen VVSG en soortgelijke partners in het buitenland of stedenassociaties als bijvoorbeeld Hanzesteden, seminarie van gemeenteontvangers,…). Individuele stedenjumelages worden niet gefinancierd; - valoriseren van projecten die in het verleden werden ontwikkeld (bvb. indienen van projectaanvragen bij de EU als resultaat van een Vlaams project) of het overnemen van deze resultaten en Vlaamse beleidsmodellen in nationale beleids- of actieplannen van het partnerland;
-
-
-
acties in het kader van interregionale samenwerking (INTERREG) waarvoor aanvullende financiering moet worden gevonden. De financiële lasten van deelname van Vlaamse partners aan dergelijke projecten mogen echter niet zomaar afgewenteld worden op de Vlaamse overheid. Ook de Vlaamse partner dient een belangrijke inbreng te doen; stimuleren van bilaterale samenwerking tussen handelskamers, eventueel na voorbereidende samenwerking in het kader van een PLATO-project of landenclubs; trilaterale samenwerking met landen van de buitengordel (samenbrengen van expertise uit Vlaanderen, een nieuwe lidstaat en een nieuw buurland - Oekraïne, Kroatië, ... – met betrekking tot voorbereiden van subsidiedossiers, wetgeving, enz…, bijvoorbeeld ondersteuning van het democratiseringsproces in Kroatië in samenwerking met Hongaarse partners, grensoverschrijdende samenwerking vanuit Polen met grensregio' s in Oekraïne, transponeren van vroegere projecten uit Centraal-Europa naar de buitengordel: bijvoorbeeld samenwerking van Vlaanderen met Hongarije uitbreiden naar Oekraïne); bilaterale filmfestivals of promotionele culturele manifestaties; conferenties en samenwerking rond de regionale realiteit in Europa.
PIJLERS 2 EN 3 Het Vlaamse adviescomité hanteert de volgende inhoudelijke criteria bij de selectie van projecten: - beantwoordt dit project inhoudelijk aan de Vlaamse prioriteiten. (Wat betreft pijler 2 moet de preaccessiesteun bijdragen tot het EU-toetredingsproces en een succesvolle integratie van die landen in de Europese Unie vergemakkelijken. Ook zal Vlaanderen via pijler 3 met de landen van de buitengordel waar mogelijk en zinvol een samenwerkingsverband opstarten. Deze samenwerking zal tot stand komen in de vorm van capaciteitsopbouw, institutionele, democratische en economische versterking, conflictpreventie en samenlevingsopbouw); - gaat het hier om overdracht van kennis in een domein waar Vlaanderen grote expertise heeft opgebouwd; - beantwoordt het aan de EU-prioriteiten; biedt het ondersteuning voor de inspanningen die het partnerland zou moeten leveren om te voldoen aan de eisen die de EU aan het land stelt; - in hoeverre is de overheid in het partnerland (in de eerste plaats het betrokken ministerie, de lokale overheden, …) betrokken bij het tot stand komen van het project en hecht zij belang aan de realisatie ervan; Komen in aanmerking voor subsidiëring: - zendingskosten die verbonden zijn aan de voorbereiding en de uitvoering van het project; - investeringskosten, met uitzondering van infrastructurele werken, bouwprojecten of louter aankoop van investeringsgoederen, tenzij uitdrukkelijk wordt aangetoond dat deze vereist zijn voor het bereiken van de doelstellingen van het project; - personeelskosten; - werkingskosten; - uitgaven die verricht zijn in Vlaanderen voor de beoogde samenwerking: kosten inzake ontvangst en verblijf van partners uit het gastland, kosten inzake opleiding en vorming, uitrustingsuitgaven, studie- of consultancykosten. Komen niet in aanmerking voor subsidiëring: - uitsluitend levering van materialen of goederen; - louter infrastructurele of bouwactiviteiten; - eenmalige uitwisselingen, evenementen en conferenties; - studiebeurzen, studies van algemeen verkennende aard die geen projectgebonden karakter vertonen; - puur academische projecten; - humanitaire hulpacties. De maximale duur van een project is drie jaar. FINANCIËLE TEGEMOETKOMING Pijler 1: de financiële bijdrage van de Vlaamse overheid bedraagt maximaal 50% van het totale budget. Pijlers 2 en 3: de financiële tegemoetkoming kan maximaal 85% van de totale aanvaardbare kosten bedragen.
De partner in Centraal- en Oost-Europa of het partnerland moeten in een cofinanciering van 15% voorzien. Privé-bedrijven met winstoogmerk, die een aanvraag indienen, moeten naast de inbreng vanwege het partnerland, ook zelf een minimale inbreng van 15% garanderen. Voor trilaterale projecten (bijv. Vlaanderen + een nieuwe lidstaat + een kandidaatlidstaat) bedraagt de maximale tegemoetkoming vanwege de Vlaamse overheid 50%. De promotor moet samen met de verschillende partners instaan voor de resterende 50% (waarbij de begunstigde partner tenminste 15% inbrengt). Indien zowel de Vlaamse promotor als de begunstigde in Centraal- en Oost-Europa ondernemingen met winstoogmerk zijn, kan de tegemoetkoming maximaal 50% bedragen en de kosten verbonden aan opleiding en overdracht van technologie en op voorwaarde dat de investering voorheen is gerealiseerd door de promotor. De maximum tegemoetkoming per project wordt beperkt tot 300.000 euro; de maximale steun per jaar per project bedraagt 150.000 euro (met echter als bijkomende beperking het maximale budget dat per land ter beschikking wordt gesteld). Aanvraagprocedure Aanvragen tot tussenkomst moeten per land worden ingediend bij het departement Internationaal Vlaanderen van de Vlaamse overheid, Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel, tel.: 02/553.59.20, http://www.vlaanderen.be/centraalenoosteuropa. De vereiste aanvraagformulieren en bijkomende inlichtingen zijn te verkrijgen bij de Afdeling Buitenlandse Zaken. Vormvereisten De kandidaten voor een project moeten schriftelijk een projectdossier indienen in het Engels, in twee identieke exemplaren, volgens de bepalingen van het aanvraagformulier. Een projectvoorstel moet voorzien zijn van de naam en handtekening van de aanvrager(s), gedateerd zijn en alle gegevens bevatten die nodig zijn voor een beslissing.
Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Departement Internationaal Vlaanderen Afdeling Buitenlandse Zaken Boudewijnlaan 30 1000 Brussel Tel.: 02/553.59.02 - 553.60.34 - 553.48.30 - 553.61.38 Fax: 02/502.60.37 E-mail: freddy.evens@iv.vlaanderen.be projecten-bcoe@vlaanderen.be
2.
TACIS-PROGRAMMA
Inhoud steunmaatregel TACIS (Technical Assistance to the Commonwealth of Independent States) werd beslist in december 1990 en werd formeel opgestart in juli 1991 bij verordening van de Europese Commissie. In 1993 werd een eerste aanpassing aan de verordening aangebracht en in 1996 werd een nieuwe verordening goedgekeurd (1279/96). Een nieuwe EG-Verordening 99/2000 van de Raad van 29 december 1999 betreffende bijstand aan de partnerstaten in Oost-Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië, keurt het programma Tacis voor de periode 2000-2006 goed. Het programma heeft tot doel de grensoverschrijdende samenwerking tussen de partnerstaten en de lidstaten van de EU aan te moedigen en te ondersteunen. Er wordt technische assistentie verleend aan Mongolië en de 12 onafhankelijke staten van het GOS, zijnde Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Moldavië, Oekraïne, Oezbekistan, de Russische Federatie, Tadzjikistan, Turkmenistan en Wit-Rusland. Het Tacis-programma loopt van 1 januari 2000 tot 31 december 2006 en wil de grensoverschrijdende samenwerking tussen onder andere de partnerstaten en de lidstaten van de Europese Unie aanmoedigen en bevorderen. Het Tacis-programma is vooral gericht op het leggen van de fundamenten van de markteconomie en een democratische samenleving, en het zal vooral een programma van technische bijstand blijven. De Tacisfinanciering ondersteunt acties die via technische bijstand aan onmiddellijke behoeften in de partnerlanden tegemoetkomen. De bijstand wordt toegespitst op bepaalde sectoren en geografisch afgebakende gebieden om als spil en voorbeeld te dienen ter ondersteuning van het hervormingsproces. Hierbij probeert men niet alleen de overheid te betrekken, maar ook de ondernemingen en al diegenen die in het economische leven ervaring hebben. Het hoofdelement van Tacis is gericht op een overdracht van knowhow en expertise aan organisaties in de partnerlanden, technische bijstand bij de overgang naar een markteconomie en bij de verdere uitbouw van de democratie en de rechtstaat. Sinds kort is Tacis ook gericht op de promotie van de democratie en op het stimuleren van investeringen in de Tacis-landen. Men wil overstappen van een vraaggerichte samenwerking naar een dialooggerichte samenwerking. 25% van het budget zal daarvoor uitgetrokken worden. De Europese Unie zal 3,138 miljard euro uittrekken voor de Tacis-landen gedurende de periode 2000-2006. Begunstigden Alle natuurlijke en rechtspersonen uit de lidstaten en uit de begunstigde staten kunnen onder gelijke voorwaarden deelnemen aan aanbestedingen en overeenkomsten. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - steun voor institutionele wettelijke en bestuurlijke hervorming; - steun voor de particuliere sector en bijstand voor economische ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf; - steun voor het aanpakken van de sociale gevolgen van het overgangsproces; - ontwikkeling van infrastructuurwerken; - bevordering van milieubescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen; - ontwikkeling van de plattelandseconomie. Diversen Het programma neemt de vorm aan van technische bijstand voor de economische hervormingen waarmee de begunstigde staten bezig zijn, meer bepaald bijstand voor maatregelen die tot doel hebben de overgang naar een markteconomie te bewerkstelligen en zodoende de democratie te versterken. Hierbij zijn ook de redelijke kosten voor leveranties inbegrepen die voor de uitvoering van de technische bijstand nodig zijn. Hieronder vallen ook de kosten van de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van, controle op en evaluatie van de uitvoering van deze acties, alsook kosten in verband met voorlichting.
Er wordt wat betreft de concrete acties rekening gehouden met de wensen van de begunstigden en met milieuoverwegingen. In het kader van de technische bijstand en subsidies wordt voorrang verleend aan: - hervorming van de administratie; - herstructurering van overheidsbedrijven; - ontwikkeling particuliere sector; - vervoer- en telecommunicatie-infrastructuur; - energie; - nucleaire veiligheid; - milieu; - opbouw van een efficiënte voedselproductie; - ontwikkeling van sociale diensten; - onderwijs; - grensoverschrijdende projecten; - kleinschalige infrastructuur in de context van grensoverschrijdende projecten. Voor elk van de begunstigde lidstaten worden zogenaamde indicatieve programma' s opgesteld. Vervolgens leggen de Commissie en de TACIS-landen jaarlijks gezamenlijk een aantal concrete prioriteiten vast in de vorm van actieprogramma' s binnen de hierboven vermelde algemene prioriteiten, en gebaseerd op de zogenaamde indicatieve programma' s. Deze actieprogramma' s bevatten een lijst van de belangrijkste te financieren projecten binnen de indicatieve gebieden. De bijstand van de Unie wordt verleend in de vorm van giften, die in schijven worden vrijgegeven naarmate de projecten worden gerealiseerd. Voor leveringen worden aanbestedingen uitgeschreven. De Commissie van de EU is gestart met een nieuw Tacis-concept; de bedoeling is een nieuw ontwerp van Verordening op te maken na adviesinwinning van alle betrokken partijen. Aanvraagprocedure De door de in aanmerking komende landen opgestelde projecten worden door de Europese Commissie beoordeeld, in samenwerking met het Tacis-comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Het is aangewezen contact te nemen met de nationale coördinatoren voor de betrokken landen. Ook de indiening van de voorstellen moet bij hen gebeuren. Vlaamse ondernemingen kunnen op verschillende manieren deelnemen aan het Tacis-programma: - als reactie op een verzoek tot blijken van belangstelling gepubliceerd in het ' Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen'of in de geregelde publicaties van het Phare- en Tacis-kantoor (Programme and Contract Information) of via de Europe Aid Co-operation office website (publicaties van aanbestedingen in het kader van Tacis, Sapard, Phare): http://www.europa.eu.int/comm/europeaid/cgi/frame12.pl; - door in te schrijven op een bericht van aanbesteding van materiaal gepubliceerd in het ' Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen': http://ted.publications.eu.int/ hier kiest u voor ‘zoeken naar aanbestedingen’ en vervolgens kiest u bij ‘verordening’ voor ‘Phare, Tacis en landen van Midden- en Oost-Europa’; - door projecten in te dienen bij de horizontale Tacis-programma' s; - ...
Aanvullende inlichtingen Information Centre Phare & Tacis Montoyerstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/545.90.10 Fax: 02/545.90.11 E-mail: phare-tacis@cec.eu.int Website: http://www.europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/tacis/index.htm
3.
SAPARD
Inhoud steunmaatregel Dit is een project van de Europese Commissie dat speciaal in het leven geroepen werd ter ondersteuning van de tien nieuwe lidstaten van Centraal- en Oost-Europa bij de structurele aanpassing van hun landbouwzones; daarnaast is het de bedoeling hen evenzo te assisteren bij de aanpassing aan de noden van het acquis communautaire in functie van de Europese landbouwregeling. Dit Europees project is gebaseerd op de Verordening 1268/99 van de Raad van 21 juni 1999, gewijzigd bij Verordening 696/2003 van de Raad van 14 april 2003. Het project loopt van 01/01/00 tot 31/12/06. Let wel: vanaf het moment dat het land dat de steun vraagt, lid wordt van de Europese Unie, vervalt de aanvraag voor steun. Concreet betekent dit dat het nog om Roemenië en Bulgarije gaat. Projecten Het omhelst de co-financiering van: - investeringen in landbouw-holdings; - verbetering en promoveren van de landbouw- en visserijproducten; - verbetering van de controles van voedsel en bescherming van de consumenten; - landbouwproductie-methodes om het milieu te beschermen; - diversificatie van economische activiteiten; - oprichting van producentengroeperingen, - verbetering van de beroepsopleiding; - ontwikkeling en verbetering van de plattelandsinfrastructuur,… De inbreng van de EU moet complementair zijn ten opzichte van de overeenkomstige nationale maatregelen. Aan de programma’s die in het kader van de Verordening worden uitgewerkt, moet in de kandidaat-lidstaten voldoende bekendheid worden gegeven. Die publiciteit moet er toe leiden dat het grote publiek wordt geïnformeerd over de rol die de Gemeenschap bij de toekenning van de steun speelt.
Aanvullende inlichtingen Europese Commissie Directoraat-generaal Landbouw 1049 Brussel Website: http://www.europa.eu.int/comm/dgs/agriculture/index_en.htm
4.
IPA – INSTRUMENT VOOR PRETOETREDINGSSTEUN (2007-2013) - VOORSTEL
Inhoud steunmaatregel Op basis van de belangrijkste ervaringen met het huidige toetredingsproces, streeft de Europese Unie naar een harmonisering van de toetredingssteun die ze toekent aan potentiële kandidaatlidstaten van de EU. In dit kader stelt de Commissie een verordening voor om de diverse afdelingen van de steun te integreren tot één steunregeling: het instrument voor pretoetredingssteun - IPA. De Phare, ISPA en SAPARD-structuur wordt geïntegreerd en aangevuld met een onderdeel "structuurfondsen" en "fondsen voor plattelandsontwikkeling". Het nieuwe instrument heeft tot doel de kandidaatlidstaten beter voor te bereiden op tenuitvoerlegging van de structuurfondsen en de fondsen voor plattelandsontwikeling na de toetreding. Voorstel Voorstel voor een verordening van de Raad van 29 september 2004 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA). SAMENVATTING De ontwerpverordening is een kaderverordening waarbij één enkel instrument voor pretoetredingssteun wordt ingevoerd. Dit instrument vervangt derhalve niet alleen de Phare-verordening, maar onder andere ook de SAPARD-, ISPA-, Phare-CBC- en coördinatieverordeningen, alsmede de verordeningen betreffende Turkije en CARDS. De kaderverordening zal vergezeld gaan van gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften, waarin de werkingsgebieden, zoals vastgelegd in de kaderverordening, nader zullen worden omschreven. De begunstigde landen worden ingedeeld in twee categorieën, afhankelijk van hun status van kandidaatlidstaat of potentiële kandidaatlidstaat. Potentiële kandidaatlidstaten zijn opgenomen in Bijlage I van de Verordening, kandidaatlidstaten in Bijlage II. Potentiële kandidaatlidstaten blijven steun ontvangen volgens het systeem van de CARDS-verordening voor: - institutionele opbouw en democratisering; - economische en sociale ontwikkeling; - regionale en grensoverschrijdende samenwerking; - bepaalde maatregelen met het oog op de aanpassing aan het acquis communautaire, met name wanneer dit in het wederzijdse belang van de EU en het begunstigde land is. Kandidaatlidstaten ontvangen dezelfde steun, maar krijgen bovendien steun om zich voor te bereiden op de tenuitvoerlegging van de Structuurfondsen en de fondsen voor plattelandsontwikkeling na de toetreding, evenals de volledige tenuitvoerlegging van het acquis communautaire. Een land kan pas van Bijlage I overgaan naar Bijlage II na een besluit van de Raad waarbij het de status van kandidaatlidstaat wordt toegekend. De Raad neemt dit besluit via een "vereenvoudigde" procedure (bij gekwalificeerde meerderheid en op voorstel van de Commissie). De verordening heeft tot doel in de erkende kandidaatlidstaten geleidelijk de beginselen en principes voor het beheer van structuurfondsen en fondsen voor plattelandsontwikkeling in te voeren. Er wordt steun toegekend voor drie afzonderlijke afdelingen: - regionale ontwikkeling; - plattelandsontwikkeling; - ontwikkeling van menselijke hulpbronnen. Deze indeling moet ervoor zorgen dat de regels van de Structuurfondsen en de fondsen voor plattelandsontwikkeling (met inbegrip van hun institutionele kader comitologie) door de kandidaatlidstaten zo strikt mogelijk worden nageleefd en tegelijk de basis wordt gelegd voor een nationaal kader ter bevordering van economische en sociale cohesie en leefbare landbouw (dat tevens aansluit bij het vooruitzicht op toetreding tot de Europese Unie). Over het systeem van de Structuur- en plattelandsontwikkelingsfondsen voor de periode na 2007 wordt nog overleg gevoerd. Daarom worden de afdelingen betreffende de "Structuurfondsen" en de "fondsen voor
plattelandsontwikkeling" van de verordening voornamelijk omschreven aan de hand van een dynamische verwijzing naar de verordeningen betreffende de Structuurfondsen en de plattelandsontwikkelingsfondsen. De Commissie krijgt de bevoegdheid om, zodra de nieuwe regels voor de Structuur- en plattelandsontwikkelingsfondsen zijn vastgelegd, de uitvoeringsvoorschriften voor deze afdelingen goed te keuren en per afdeling het kader voor pretoetredingssteun vast te stellen. De verordening bevat tevens een clausule voor de opschorting van de steun. Indien een begunstigd land handelt in strijd met de beginselen of verbintenissen die zijn vastgelegd in het partnerschap met de EU of wanneer onvoldoende vooruitgang werd geboekt met de naleving van de toetredingscriteria, kan de Raad bij gekwalificeerde meerderheid en op voorstel van de Commissie, de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht om de bij deze verordening toegekende steun te herzien. Context Dit voorstel moet gezien worden in de context van de huidige herziening van het kader voor buitenlandse hulp met het oog op de komende financiële voorzichten voor 2007-2013. Hoewel ernaar wordt gestreefd de instrumenten voor buitenlandse hulp van de Gemeenschap (voorzover mogelijk) te harmoniseren, mag niet worden vergeten dat pretoetredingssteun binnen een zeer specifiek kader wordt verleend. Hoeveel steun wordt verleend in het kader voortgang van het pretoetredingsproces onderhandelingen per hoofdstuk, regelmatige waarbij in het bijzonder een flexibele aanpak nieuwe prioriteiten.
van het pretoetredingsinstrument, wordt bepaald door de (Europese partnerschappen, toetredingspartnerschappen, verslagen, enzovoorts) en de specifieke vereisten daarvan, moet worden gevolgd opdat snel kan worden ingespeeld op
Aangezien toetreding voor de begunstigden op zijn minst een middellangetermijndoelstelling is, wordt bij de pretoetredingssteun uitgegaan van vooruitzichten op middellange in plaats van lange termijn, zoals bij traditionele ontwikkelingshulp. Eén van de voornaamste kenmerken van pretoetredingssteun is de overbruggingsfunctie. Hoewel het om ontwikkelingssteun gaat, heeft de steun voornamelijk tot doel de begunstigde landen te helpen zich voor te bereiden op de periode na de toetreding.
Aanvullende inlichtingen Websites: http://ec.europa.eu/comm/enlargement/ipa_en.htm http://europa.eu/scadplus/leg/nl/lvb/e50020.htm
5.
TEMPUS (Phare & Tacis & Meda)
Inhoud steunmaatregel Het Tempus-programma is het EU samenwerkingsprogramma voor het hoger onderwijs, waarmee de Nieuwe Onafhankelijke Staten (TACIS), de West-Balkan-landen (CARDS) en de landen rond de Middellandse Zee (MEDA) worden ondersteund bij de overgang naar een markteconomie en/of de ontwikkeling van een democratische maatschappij, hetgeen in overeenstemming is met de communautaire doelstelling om op een breed terrein met deze landen samen te werken. Er wordt via dit programma naar gestreefd een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de hogeronderwijsstelsels in de partnerlanden en er de interactie van het hoger onderwijs met de burgermaatschappij en de industrie te bevorderen. Op 29 april 1999 gaf de Raad van Ministers zijn goedkeuring aan de nieuwe fase van het programma, Tempus III. In het programma worden 3 categorieën van landen behandeld: - de Nieuwe Onafhankelijke Staten: de TACIS-Landen (vanaf 2006 is Mongolië bij Asia-Link van DG External Relations); - de West-Balkan, CARDS-Landen:Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de federale Republiek Joegoslavië (Republiek Servië, Montenegro en Kosovo); - in 2002 werd het besluit aangepast en ook de MEDA-landen kunnen deelnemen: Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Gebieden, Syrië en Tunesië. Projecten De hoofdinstrumenten voor samenwerking in het kader van Tempus zijn: - Gezamenlijke Europese Projecten (GEP): . GEP voor de ontwikkeling van curricula zijn gericht op de inhoud van hoger onderwijs en hebben als doelstelling het actualiseren van bestaande leerplannen en het ontwikkelen van nieuwe; . GEP voor institutionele opbouw concentreren zich op het versterken van de democratie en de rechtsstaat middels het ondersteunen van de ontwikkeling van vitale maatschappelijke sectoren buiten de academische wereld. - SCM (structurele en aanvullende maatregelen). Het verschil tussen structurele en aanvullende maatregelen en gezamenlijke Europese projecten is dat de structurele en aanvullende maatregelen een kader leveren voor kortetermijn reacties op bijzondere behoeften, die partnerlanden duidelijk als hun prioriteiten moeten hebben aangegeven. Drie soorten projecten: informatie- en verspreidingsprojecten, opleidingsprojecten en pilootprojecten; - individuele mobiliteitsbeurzen (IMG) (3 types). Diversen Door hun toetreding nemen de nieuwe lidstaten deel net als de andere lidstaten. Bij Tempus wordt een “bottom-up” benadering gekoppeld aan een “top-down”-benadering, wat inhoudt dat enerzijds op de specifieke behoeften van individuele universiteiten in de partnerlanden wordt gereageerd en anderzijds de nationale overheden van deze landen en de Europese Commissie middels het vaststellen van nationale prioriteiten, het kader voor het programma definiëren. Teneinde te waarborgen dat Tempus-activiteiten inspelen op de specifieke behoeften van het hoger onderwijs in de partnerlanden, heeft elk partnerland samen met de Europese Commissie prioriteiten vastgesteld die aansluiten op de algemene doelstellingen van Tempus en op het nationale beleid voor de ontwikkeling van het hoger onderwijs. Een aantal TEMPUS-partnerlanden hebben de Bolognaverklaring ondertekend, nl. de Russische Federatie en alle CARDS-landen. Nog een aantal zullen dit in Bergen doen (2005) doen. Dit feit speelt een belangrijke rol bij de prioriteiten (Europese en nationale). Aanvraagprocedure Het Tempus-programma wordt per academiejaar ten uitvoer gelegd. Voor elk academiejaar stelt “Europese Stichting voor Opleiding” in Torino, die de Europese Commissie technische bijstand verleent het beheer van het programma, een “Gids voor Aanvragers” ter beschikking. Deze gids bevat voorwaarden tot deelname en de afsluitdata voor het indienen van de kandidaturen in het kader van
de bij de de
verschillende activiteiten van het programma. Hij bestaat in alle officiële talen van de Europese Unie en kan op het Internet teruggevonden worden: http://ec.europa.eu/education/programmes/tempus/index_en.html. waar ook de oproep, prioriteiten, aanvraagformulieren en deadlines te vinden zijn. Voor SCM- en IMG-aanvragen zijn er meerdere deadlines per jaar, voor GEP-aanvragen is er 1 deadline. 2006 is het laatste jaar van TEMPUS in zijn huidige vorm (de geselecteerde projecten van de oproep 2006, kunnen wel verder lopen in 2007 en/of 2008. Aanvullende inlichtingen Vlaamse overheid Departement Onderwijs & Vorming Afdeling Internationale Relaties J. Geentjens Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel.: 02/553.98.13 Fax: 02/553.98.45 E-mail: chantal.nauwelaers@ond.vlaanderen.be Websites: http://ec.europa.eu/education/programmes/tempus/index_en.html http://www.etf.europa.eu/web.nsf/pages/Tempus_EN?opendocument
TREFWOORDEN Aanmoedigingspremie Aanmoedigingsmaatregelen REG Aanwervingen ACS-landen Advies Ad-hoc programma’s Al-Invest Arbeidsduurvermindering ARKimedes-regeling Asia-Invest Bedrijfsadvies Bedrijfsadviseurs Bedrijfsgebouwen Bedrijfsopleiding Bedrijventerreinen Belastingkrediet Biotech Fonds Vlaanderen Biotechbedrijf BIZIDEE Business Angel + Centraal- en Oost-Europa Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen (COO) CIRR-rente Collectieve opleidingen Comité voor de financiële ondersteuning van de export (Finexpo) Communication technology COO Cost plus-methode Design-Vlaanderen Diversiteitsplannen Doelgroepvermindering Doelstelling 1 Doelstelling 2 Doelstelling 3 Doorstromingsprogramma’s Ecologie-investering EFRO EIF ENTERPRIZE EOGFL Equal ESF ETF-startersregeling Eureka Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) Europees Investeringsbank (EIB) Europees Investeringsfonds (EIF) Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw - Afdeling Oriëntatie (EOGFL) Europees Sociaal Fonds (ESF) Executive Training programme Exportgerichte initiatieven Exportkredietverzekering Exportpromotieprogramma Exprom Externe bedrijfsadviseurs Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) Finexpo Fiscale rulings Flanders Investment and Trade (FIT) Gateway to Japan
Globale kredieten Groeikapitaal Groeipremie Groenestroomcertificaten Grote Ondernemingen, GO Haalbaarheidsstudies Handicap Herstructurering HOBU-Fonds Individuele beroepsopleiding Individuele kredieten Industrieel basisonderzoek Innovatie Innovatiepremie Innovatiesamenwerkingsverbanden Inschakelingspremie Instap-opleiding Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT-Vlaanderen) Intelligent Energy for Europe Interact Interfaceprojecten Internationale samenwerking Interreg III Intrestbonificaties Investeringsaftrek Investeringsreserve IPA IWT-Vlaanderen Jonge werknemers Kapitaalpremie Kleine ondernemingen, KO KMO-Innovatieprojecten Langdurig werkzoekenden Leertijd Leningen van staat tot staat Life III LURU Marco Polo Media Plus Middelgrote ondernemingen, MO Milieuvriendelijk MKB-garantiefaciliteit Nationale Delcredere Dienst Nieuwe werkgevers Non-profit Notionele aftrek Ondernemerschapsportefeuille Ondernemersopleiding Onroerende voorheffing, vrijstelling van Ontwikkelingszone Opleiding Opleidingskrediet Optimeo Oudere werknemers Onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s EU Participatiefonds ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV) Personen met een handicap Peterschapsprojecten Phasing out PMV Prins Albert Fonds
Presti 5 ProInvest Rentetoelage Rentevoet, stabilisering Resale minus-methode Risicodragend kapitaal Samenwerkingsprogramma Vlaanderen met Centraal- en Oost-Europa Sapard Sectorale maatregelen Sociale inschakelingseconomie Sociale Maribel Solidaire lening Startbaanovereenkomsten Startbaanverplichting Starteo Starters Starterssteun Startkapitaalactie Startlening Strategisch basisonderzoek Strategische projecten Structurele vermindering Structuurfondsen Suppletieve regeling SYNTRA Tacis Technologie Technologisch advies Technologische ontwikkeling Tempus Tetra-fonds Urban II VDAB Venture Capital Vermindering 2004 Vierdagenweek VITO Vlaams Agentschap Ondernemen (VLAO) Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – SYNTRA VLAANDEREN Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) Vlaamse uitrustingsgoederen VLAO Voortgezette vorming Vormgeving Vorming Vriendenlening Waarborgregeling Warmtekrachtkoppelingscertificaten Werkbonus Wetenschappelijk onderzoek Wetenschapsparken Zesde Kaderprogramma Zorgkrediet
Vlaamse overheid Agentschap Economie Euro Info Centre Markiesstraat 1 B-1000 Brussel Telefoon: 02/553.38.77 02/553.37.02 02/553.37.30 02/553.37.33 Fax: 02/502.47.02 E-mail: euroinfocentre@vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/euroinfocentre