Skip to main content

Toelatingsexamen_arts_tandarts_2005.pdf

Page 1

TOELATINGSEXAMEN ARTS - TANDARTS 2005

ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement Onderwijs administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek


COLOFON: Samenstelling: ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement Onderwijs administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek

Verantwoordelijke uitgever: Noël Vercruysse, Afdelingshoofd Universiteiten administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek Hendrik Consciencegebouw, kamer 7A7 Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel

Oplage: 12.000 Depotnummer: D/2004/3241/340 U vindt deze brochure op school, in elk CLB en bij de diensten voor studieadvies van de Vlaamse universiteiten. U kan ze ook raadplegen in de openbare bibliotheken, op uw gemeentebestuur of via internet, surf naar www.ond.vlaanderen.be/arts-tandarts. Een gratis exemplaar kan u schriftelijk bestellen op het volgende adres: ‘Toelatingsexamen arts-tandarts 2005’ Departement Onderwijs - cel publicaties Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel telefoon: 02-553 66 53 Aandacht: de cel publicaties verdeelt alleen de brochure. Voor alle andere vragen moet men zich tot het secretariaat van de examencommissie zelf wenden. Het telefoonnummer is in dat geval 02-553 98 29.

2


INHOUD I.

Waarom een toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts? II. Voor wie is het slagen voor het toelatingsexamen een bijkomende toelatingsvoorwaarde? III. Belangrijke aandachtspunten IV. Opvatting van het toelatingsexamen a. Kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW) b. Informatie verwerken en verwerven (IVV) c. Slagen voor het toelatingsexamen d. Waarschuwingen e. Oproep in verband met een mogelijke handicap V. Organisatie van het toelatingsexamen a. Wanneer? b. Waar? c. Dagprogramma d. Hoe inschrijven? e. Wanneer inschrijven? f. Hoeveel maal inschrijven/deelnemen? h. Mededeling van het resultaat VI. Meer over inhoud en beantwoording van vragen VII. Uittreksel van het decreet dat de wettelijke grondslag heeft gelegd voor de organisatie van het toelatingsexamen VIII. De leerstofonderdelen KIW IX. Modellen inschrijvingsformulier

4

5 6 7 7 8 8 9 9 10 10 10 10 10 11 11 11 12 17 19 23

To the attention of the foreign students The restriction of the intake of students to the programmes of medicine and dentistry in Flanders occurs through an entrance examination. Passing this examination is an extra condition for these programmes. Since the decree on the universities in the Flemish community explicitly states that Dutch is the official educational language (with the exception of some cases which are not applicable to the regular programmes of medicine and dentistry), the entrance examination must completely be taken in Dutch. The knowledge of the Dutch language is actually a qualitative prerequisite for the admittance to the programme. All documents regarding the entrance examination and the examination itself are exclusively in Dutch.

3


I.

WAAROM EEN TOELATINGSEXAMEN VOOR DE OPLEIDINGEN VAN ARTS EN TANDARTS?

België kampt met een meer dan behoorlijk aantal artsen en tandartsen in verhouding tot de totale bevolking. De federale overheid stelt daarom jaarlijks het aantal gediplomeerde artsen (vanaf 2004) en tandartsen (vanaf 2002) vast die hun beroep mogen uitoefenen in het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het aantal gediplomeerden artsen dat in de Vlaamse Gemeenschap de toestemming krijgt de opleiding van huisarts of van geneesheer-specialist aan te vatten, is nu reeds vastgesteld op 420 voor de jaren 2004 tot 2011. . Voor de opleiding van tandarts is het aantal gediplomeerden dat in de Vlaamse Gemeenschap toegang krijgt tot het beroep, nu reeds vastgesteld op 84 voor de jaren 2002 tot 2010. Het Vlaams Parlement heeft het onverantwoord geoordeeld dat een kandidaat na vijf of zeven, zo niet meer, jaar studeren een diploma zou behalen en zich dan de toegang tot het beroep in het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering ontzegd zou zien. Het heeft er daarom mee ingestemd het aantal kandidaten, die toegang krijgen tot de opleiding van arts en tandarts, te beheersen door het instellen van het slagen voor een toelatingsexamen als bijkomende toelatingsvoorwaarde, naast de reeds gekende. De decretale (juridische) grondslag daartoe is gelegd in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Een gecoördineerd uittreksel van de belangrijkste bepalingen ervan is te vinden in deze brochure. De Vlaamse regering organiseert het toelatingsexamen met alleen een vooraf bepaalde voorwaarde voor het slagen. Anders uitgedrukt, de Vlaamse regering legt niet bij voorbaat vast hoeveel kandidaten mogen slagen. Er is dus geen numerus fixus voor de opleiding van arts of tandarts ingesteld. Deze brochure vertelt u alles over de organisatie van het toelatingsexamen in 2005. Studie ervan stelt u in staat uzelf ten aanzien van ‘al dan niet deelnemen’ adequaat te positioneren. Ingeval u tot deelname aan dit examen beslist, stelt dit document u bovendien in de gelegenheid – dit in parallel met betreffende website - u optimaal op de examendag in Brussel voor te bereiden.

Prof. em. dr. Piet J. Janssen voorzitter van de examencommissie

4


II. VOOR WIE IS HET SLAGEN VOOR HET TOELATINGSEXAMEN EEN BIJKOMENDE TOELATINGSVOORWAARDE? De algemene regel is dat eenieder die vanaf het academiejaar 1997-1998 wil inschrijven in om het even welk studiejaar van de opleiding van arts of tot tandarts, eerst moet slagen voor het toelatingsexamen, voor zover hij/zij uiteraard ook de gewone toelatingsvoorwaarden vervult. Zijn van het ‘slagen voor het toelatingsexamen’ vrijgesteld: 1. uiteraard de studenten die reeds in 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 of 2004 voor het toelatingsexamen arts en tandarts slaagden én uiterlijk op 31 december van het jaar van slagen hun diploma secundair onderwijs behaalden; 2. de studenten die vóór de aanvang van het academiejaar 1997-1998 in het bezit waren van een getuigschrift dat bevestigt dat zij ten minste één studiejaar van een opleiding van arts of tandarts met succes hadden afgerond en op grond daarvan toegelaten konden worden tot het tweede studiejaar of tot een hoger studiejaar. In principe is de regeling analoog voor de studenten die ingeschreven waren in een opleiding van arts of tandarts aan een buitenlandse universiteit, voor zover het universiteitsbestuur vooraf heeft vastgesteld dat de betrokken student rechtstreeks tot een hoger studiejaar dan het eerste toegelaten kan worden; het komt er dus op aan dat deze studenten hun aanvraag daaromtrent tijdig aan het universiteitsbestuur voorleggen. Voor de volledigheid van de informatie, nog volgende toelichtingen: a) De bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘slagen voor het toelatingsexamen’ geldt ook voor de kandidaten die kiezen voor het stelsel van de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. b) Het slagen voor het toelatingsexamen geeft het recht op inschrijving in de opleiding van arts en/of in de opleiding van tandarts. Mocht een en ander nog onvoldoende duidelijk zijn, leg uw concrete vraag dan schriftelijk voor aan de secretaris van de examencommissie op het adres: Secretaris van de examencommissie ‘toelatingsexamen arts - tandarts’ Hendrik Consciencegebouw, kamer 7A17 Koning Albert II-laan 15 B-1210 Brussel Gelet op het uitermate delicaat karakter van deze kwestie, zullen concrete individuele gevallen niet telefonisch behandeld worden. Alleen het schriftelijk antwoord van de secretaris geldt als definitief uitsluitsel.

5


III. BELANGRIJKE AANDACHTSPUNTEN Het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts is een bijkomende toelatingsvoorwaarde. Kandidaten die eerst een andere opleiding volgen en later wensen over te stappen naar de opleiding van arts of tandarts (en daarbij rekenen op een aantal vrijstellingen van opleidingsonderdelen waarmee zij eventueel een studieverkorting kunnen genieten), zijn niet vrijgesteld van het slagen voor het toelatingsexamen. Het meest optredende voorbeeld is dat van de ‘omweg’ via de opleiding biomedische wetenschappen. De examencommissie legt hierop sterk de nadruk om ontgoochelingen bij de kandidaten te vermijden. Hetzelfde geldt trouwens indien een kandidaat eerst een deel van de opleiding in het buitenland zou volgen of in de Franse Gemeenschap. Het toelatingsexamen arts en tandarts is een instrument tot beperking en volgt dus niet alle normaal te verwachten procedures van de academische examens. Er bestaat geen stelsel van vrijstellingen, noch van één sessie naar een andere, noch op grond van voorgaande curricula. Elke vraag om vrijstelling(en) is derhalve nutteloos, zij krijgt hoe dan ook een negatief antwoord. Hoewel de Vlaamse regering het toelatingsexamen jaarlijks tweemaal organiseert, gaat het toch om het enige examen van dat jaar. Wie niet slaagt voor de eerste sessie, kan uiteraard opnieuw in de tweede sessie proberen, maar het is geenszins verplicht in te schrijven voor de eerste om te kunnen deelnemen aan de tweede sessie. Het is echter niet mogelijk om voor beide sessies tegelijk in te schrijven. Het slaagpercentage voor het betrokken jaar is de verhouding tussen het totaal aantal geslaagde kandidaten in beide sessies samen en het totaal aantal individuen dat heeft deelgenomen (alleen in juli, alleen in augustus, in juli en in augustus). Deze opmerking is belangrijk omdat het slaagpercentage per sessie een fout beeld oplevert. Zo slaagden 542 kandidaten op 1478 in juli 2003 (36,67%) en 317 op 851 (37,3%) in augustus 2003, maar het totaal aantal individuen dat deelnam in 2003 bedroeg 1750. Het slaagpercentage van 2003 was dan ook 895 op 1750 of 49,1%. Vlamingen die hun opleiding in het buitenland zouden willen volgen, zullen in het gekozen land de aldaar geldende toelatingsvoorwaarden moeten vervullen. In Nederland geldt bijvoorbeeld de loting. In geen enkel land maakt men uitzonderingen voor buitenlanders, ook niet in de Europese Unie. Omgekeerd behandelt de Vlaamse regering de buitenlanders op identieke wijze als de Vlamingen (Belgen). Vermits de regelgeving duidelijk de centrale organisatie op één locatie in Brussel oplegt, is er geen mogelijkheid om dit examen bijvoorbeeld af te leggen in een Belgische ambassade of in een Belgisch consulaat. De Vlaamse regering kan evenmin in taalfaciliteiten voorzien omdat het wel degelijk om een beperking gaat in de Vlaamse Gemeenschap waarin de onderwijstaal, in ieder geval in de bachelorsjaren, het Nederlands is.

6


IV. OPVATTING VAN HET TOELATINGSEXAMEN Het toelatingsexamen bestaat uit twee even belangrijke gedeelten, in code KIW (a) en IVV (b). Alle vragen zijn meerkeuzevragen. Op het examen zelf kunnen de kandidaten hun antwoorden eerst aanduiden op een werkblad of in werkboekjes. Nadien brengen ze hun antwoorden over op een optisch leesbaar formulier. Het is bijgevolg aangewezen dat zij zich tijdig vertrouwd maken met deze wijze van examinering, kennisnemen van de slaagvoorwaarde (c) Ên hierbij enkele waarschuwingen (d) – ook i.v.m. handicaps (e) - in acht nemen.

a. Kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW) Dit eerste gedeelte peilt naar de kennis en het inzicht in de wetenschappen, toegespitst op de vakken fysica, scheikunde, biologie en wiskunde. Het niveau van de vragen is afgestemd op wat men redelijkerwijze kan verwachten als het gemiddelde van de leerplannen van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs (ASO). De grote verscheidenheid van deze leerplannen over de onderwijsnetten, maar ook over de scholen binnen eenzelfde net heen, maakt het onmogelijk om met absolute zekerheid te stellen dat elke leerling in de derde graad van het ASO de leerstof, waarover een vraag handelt, in extenso bestudeerd zal hebben. Het gaat daarom niet enkel om kennis, maar ook om inzicht. Op grond van de gegevens moet een kandidaat bijgevolg ook de benodigde afleidingen kunnen maken om tot het gezochte, juiste resultaat te komen. Overigens is het duidelijk dat bepaalde leerstofonderdelen van de derde graad onmogelijk te begrijpen zijn zonder een stevig inzicht in de leerstof van eraan voorafgaande jaren die er de grondslag voor gelegd heeft. Aandacht: de examencommissie, noch de overheid kan ten behoeve van de kandidaten niet tussenbeide komen in het aanleveren van studiemateriaal. De vragen van het gedeelte KIW hebben doorgaans het karakter van een oefening. Zij peilen dus niet naar bewijzen of zuiver theoretische afleidingen. Ook kan een vraagstelling gebaseerd blijken op grafische gegevens; het kunnen analyseren van grafieken is dus een belangrijke vaardigheid. De vragen zullen verder zo opgevat zijn dat men de juiste antwoorden kan vinden zonder ingewikkelde berekeningen. Waar nodig, krijgen de kandidaten op het examen tabellen met nuttige constanten, gegevens en formules aangereikt. Gebruik van elektronische rekentoestellen of andere hulpapparatuur is niet nodig en derhalve verboden. Om optimale leesbaarheid van de vragen te garanderen, noteert de examencommissie grootheden, symbolen en eenheden in principe volgens de geldende SI-normen. Indien verwarring mogelijk zou zijn, zal zij de verschillende mogelijkheden vermelden. Hetzelfde geldt voor begrippen met verschillende synoniemen; in dat laatste geval zal de examencommissie deze synoniemen vermelden, bijvoorbeeld javel (= bleekwater). De examencommissie zal wetmatigheden steeds verduidelijken en er niet van uitgaan dat de kandidaten ze in formulevorm kunnen herkennen.

7


Het examengedeelte KIW bestaat in het totaal uit veertig vragen, tien per wetenschap. De beoordeling gebeurt op dit geheel. Anders uitgedrukt: er dienen geen minimale scores behaald op elke wetenschap afzonderlijk. In deel VIII van deze brochure staat een overzicht van de leerstofonderdelen.

b. Informatie verwerven en verwerken (IVV) Dit tweede examengedeelte peilt naar het vermogen van de kandidaat om informatie adequaat op te nemen én om er vervolgens, dankzij de daarop door hem mentaal toegepaste verwerking, ook nog iets (goeds) mee aan te vangen, d.w.z. problemen op te lossen. Dit laatste is niet enkel relevant voor zijn toekomstig functioneren als arts of tandarts; het bepaalt ook de eigen kansen op succes in de studie. IVV peilt m.a.w. in eerste instantie naar kandidaats leerpotentieel. Wetenschappelijk onderzoek, ook van dit toelatingsexamen, heeft inmiddels uitgewezen dat een hogere score qua leerpotentieel ook na toelating tot de studie nog steeds gepaard gaat met betere studieresultaten in de opleiding. Het examengedeelte IVV bestaat uit drie proeven die leiden tot één totaalscore. Zij behelzen het verwerven van informatie, resp. middels een casus en het verwerken van informatie middels één specifieke proef, te weten ‘redeneren’: De casus (studie van een geval) confronteert de toekomstige student in de geneesdan wel tandheelkunde met twee specifieke taken: een ‘wetenschappelijke’ en een ‘medische’. - De eerste behelst zelfstudie van een wetenschappelijk onderwerp; dat geschiedt in een stilleesproef die het assimilatievermogen van de kandidaat peilt. - De tweede omvat analyse van een ontmoeting tussen een arts of tandarts én een patiënt. Hun dialoog – in de vorm van een geïllustreerde rapportering handelt over een gezondheidsvraag van laatstgenoemde. De toekomstige student wordt hier beoordeeld op het kunnen verwerven en verwerken van de klinische en de verbale informatie zoals voorhanden in deze ontmoeting. De specifieke proef inzake redeneren peilt naar de capaciteit van de kandidaat tot informatie verwerken. Elke verworven informatie dient immers mentaal verwerkt, i.c. beredeneerd, wil op basis daarvan effectief probleemoplossen mogelijk zijn. Deze verwerking dient daarenboven voldoende snel te verlopen, wil er ook in acute probleemsituaties een effectieve probleemaanpak op kunnen volgen. Dat verklaart de relatief stevige tijdsdruk waaronder deze proef wordt afgenomen.

c. Slagen voor het toelatingsexamen Elke kandidaat die ten minste 10 op 20 behaalt voor het examengedeelte kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW), ten minste 10 op 20 voor het examengedeelte informatie verwerven en verwerken (IVV) én ten minste 22 op 40 op het geheel (dit als som) van beide examengedeelten, is geslaagd en mag zich bijgevolg inschrijven in de opleiding van arts of tandarts aan een universiteit binnen de Vlaamse Gemeenschap.

d. Waarschuwingen 8


Het slagen voor het toelatingsexamen is een supplementaire toelatingsvoorwaarde die geen afbreuk doet aan de andere reeds bestaande toelatingsvoorwaarden. Gaat het bijvoorbeeld om de inschrijving in het eerste jaar door een kandidaat die nog geen hoger onderwijs heeft gevolgd, dan moet die kandidaat vanzelfsprekend ook tijdig in het bezit zijn van een diploma van secundair onderwijs. Mocht een kandidaat deelnemen aan het toelatingsexamen en hiervoor slagen, dan nog heeft dat geen enkele waarde indien hij/zij geen diploma van secundair onderwijs kan voorleggen bij zijn/haar inschrijving aan de gekozen universiteit. De formele regel luidt dat dit diploma van secundair onderwijs behaald moet zijn op het einde van het kalenderjaar waarin de kandidaat voor het toelatingsexamen slaagde. Als aan die voorwaarde voldaan is, blijft het slagen voor het toelatingsexamen onbeperkt geldig in de tijd, ook al schrijft de kandidaat zich niet onmiddellijk in de opleiding voor arts of tandarts in. De examencommissie beveelt de kandidaten ten zeerste aan alleen deel te nemen als ze oprecht de intentie hebben de opleiding van arts of tandarts aan te vatten. Elk jaar stelt de examencommissie immers vast dat een omvangrijk aantal kandidaten aan dit toelatingsexamen deelneemt zonder echt deze bedoeling te hebben. Dat geeft telkens een vertekend beeld van de resultaten.

e. Oproep in verband met een mogelijke handicap De examencommissie doet een oproep aan kandidaten die vermoeden dat zij, omwille van hun handicap, niet volwaardig kunnen deelnemen aan dit toelatingsexamen. Met handicap is bedoeld elke langdurige en belangrijke beperking van de kansen tot sociale integratie van een persoon ten gevolge van een aantasting van de mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden (decreet van 27 juni 1970 houdende de oprichting van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap). Om alles voldoende tijdig te kunnen onderzoeken, moeten zulke kandidaten hun handicap melden aan de secretaris van de examencommissie en dit tegelijk met hun inschrijving. Samen met de inschrijving bezorgen zij de secretaris dus een officieel medisch stavingstuk betreffende hun handicap. Zeker in het geval van dyslexie is een zeer recent medisch stavingstuk vereist. De examencommissie zal vervolgens onderzoeken of er voldoende grond is om een afwijking op de normale procedure toe te staan en zal, in het bevestigend geval, voor betrokkene een alternatief, maar gelijkwaardig examen uitwerken. Dat alternatief examen zal op dezelfde datum plaatsvinden als het gewone toelatingsexamen. De examencommissie brengt elke betrokkene tijdig persoonlijk op de hoogte van deze regeling.

9


V. ORGANISATIE VAN HET TOELATINGSEXAMEN a. Wanneer? Voor de inschrijving in het academiejaar 2005-2006 organiseert de Vlaamse regering het toelatingsexamen tweemaal. De eerste keer op dinsdag 5 juli 2005. De tweede keer op dinsdag 30 augustus 2005.

b. Waar? Telkens in paleis 11 van het Tentoonstellingspark van Brussel, Belgiëplein, 1020 Brussel.

c. Dagprogramma Het toelatingsexamen neemt één volledige dag in beslag. In principe is het gedeelte KIW gepland in de ochtend, het gedeelte IVV in de namiddag. De concrete dagindeling verneemt men in de uitnodiging tot deelname aan het examen. Deze uitnodigingsbrief bevestigt de inschrijving.

d. Hoe inschrijven? Wie wil deelnemen aan het toelatingsexamen arts en tandarts 2005 stuurt een volledig ingevuld inschrijvingsformulier naar: Toelatingsexamen arts en tandarts 2005 Hendrik Consciencegebouw, kamer 7A17 Koning Albert II-laan 15 B-1210 BRUSSEL Een model van het inschrijvingsformulier voor elke sessie vindt men achteraan deze brochure. De kandidaat moet dit model gebruiken. De aanmelding moet vergezeld zijn van het bewijs van betaling van het examengeld. Zonder dat betalingsbewijs is de inschrijving ongeldig. Het examengeld (= inschrijvingsrecht) is vastgesteld op 28 euro. Het betaalde inschrijvingsgeld is nooit terugvorderbaar, ook niet in het geval de kandidaat niet echt zou deelnemen of om een of andere reden verhinderd zou zijn. De examencommissie moet dit bedrag wel degelijk netto ontvangen. Wanneer banken (bijvoorbeeld buiten België) kosten aanrekenen, moet de kandidaat ervoor zorgen dat de examencommissie dit bedrag van 28 euro netto ontvangt.

10


De kandidaat maakt het examengeld over op rekening

091 2203005 67 (DEXIA-bank, Pachecolaan 44, 1000 Brussel)

Volgende codes dienen vermeld te worden: IBAN-code: BE93 0912 2030 0567 (voor overschrijvingen tussen buitenlandse rekeningen) BIC-code: GKCCBEBB MVG - Departement Onderwijs Rekenplichtige der ontvangsten Met daarenboven als vermelding EXA2005-1 als het om 5 juli 2005 gaat of EXA2005-2 als het om 30 augustus 2005 gaat.

e. Wanneer inschrijven? Voor het toelatingsexamen georganiseerd op 5 juli 2005 is 8 juni 2005 de uiterste inschrijvingsdatum. Voor het toelatingsexamen georganiseerd op 30 augustus 2005 is 10 augustus 2005 de uiterste inschrijvingsdatum. De datumstempel van de post is het enige geldige bewijs.

AANDACHT: de kandidaten ontvangen niet onmiddellijk het bewijs van hun inschrijving. Dat gebeurt pas aan de hand van de uitnodiging om aan het examen deel te nemen. Mocht deze uitnodiging niet toegekomen zijn op 20 juni 2005 voor het examen op 5 juli 2005, of op 20 augustus 2005 voor het examen op 30 augustus 2005, dan nemen betrokken kandidaten onmiddellijk telefonisch contact op met de examencommissie (02-553 98 29).

f. Hoeveel maal inschrijven/deelnemen? Iedere kandidaat kan per jaar ten hoogste tweemaal inschrijven en deelnemen aan het toelatingsexamen. Verder is er geen beperking.

g. Mededeling van het resultaat Nadat de examencommissie de resultaten van alle kandidaten vastgesteld heeft, deelt zij aan iedere kandidaat schriftelijk mee of hij/zij geslaagd is. In het geval van slagen is dat document het formele bewijsstuk dat de kandidaat moet voorleggen bij de inschrijving aan de universiteit van zijn/haar keuze. De examencommissie voorziet eveneens in de mogelijkheid om de behaalde resultaten aan de hand van een persoonlijk codenummer voordien al te vernemen op de website van het toelatingsexamen of op een speciaal telefoonnummer. Deze informatie zal vermeld staan in de uitnodigingsbrief die kandidaten ontvangen na hun inschrijving. De examencommissie zal meedelen onder welke voorwaarden en volgens welke modaliteiten de kandidaten de stukken kunnen inzien die geleid hebben tot het behaalde resultaat. 11


VI. Meer over inhoud en beantwoording van vragen Alle vragen in alle onderdelen zijn meerkeuzevragen. In de regel zullen telkens vier mogelijke antwoorden aangeboden worden, waarvan slechts één juist is. In het examengedeelte IVV kan het aantal antwoordmogelijkheden meer of minder zijn dan vier, maar telkens wordt er slechts één als juist aanvaard. Het komt er dus op aan elke vraag aandachtig te bestuderen en heel nauwkeurig de instructies te volgen. Het aangereikte materiaal zal voldoende ruimte bieden om aantekeningen te maken. Cruciaal is uiteraard het zorgvuldig overbrengen van de gekozen antwoorden op het formulier dat nadien optisch gelezen en gecontroleerd zal worden. De ervaring leert dat de meeste kleine ‘incidenten’ precies in deze fase optreden. De kandidaten moeten zich daarom heel strikt aan de richtlijnen houden en uitermate zorgvuldig te werk gaan bij het overbrengen van hun antwoorden. Het juiste antwoord levert altijd positieve punten op. Een fout antwoord levert negatieve punten op. In absolute waarde is het aantal punten voor een fout antwoord altijd lager dan dat voor een juist antwoord. Geen antwoord levert geen punten op. Het aankruisen van meer dan één antwoordalternatief op eenzelfde vraag, geldt als een fout antwoord én wordt als dusdanig verrekend. Deze werkwijze is de meest gangbare om het zuiver gokken bij meerkeuzevragen te penaliseren.

Modelvragen van het examengedeelte KIW en van de redeneerproef zijn te vinden op de website: http://www.ond.vlaanderen.be/arts-tandarts.

Beide casusonderdelen van IVV worden hier nader toegelicht. Stilleestekstproef Deze proef meet de kunde om een wetenschappelijke tekst grondig te lezen, te begrijpen en te bepalen wat er eventueel uit af te leiden is. De kandidaat krijgt een tekst gepresenteerd, samen met vragen over deze tekst. Bij het beantwoorden van de vragen mag de kandidaat de tekst zo vaak als nodig herlezen en raadplegen. De vragen moeten beantwoord worden op grond van de informatie die de tekst aanreikt. De stilleestekst bestaat uit ongeveer 12 pagina’s waarover dertig vragen worden gesteld. Onderstaand voorbeeld illustreert waaraan een kandidaat zich kan verwachten. Het betreft een fragment uit een tekst over HOESTEN gevolgd door enkele voorbeelden van meerkeuzevragen. Hoesten is nooit een ziekte op zich, maar een symptoom. Als arts moet men eerst – vooraleer te behandelen - op zoek gaan naar de oorzaak. Bij acute hoest is dit doorgaans eenvoudig : de oorzaak is bijna altijd een virale infectie van de bovenste luchtwegen (verkoudheid) en geneest spontaan. Een behandeling is niet nodig. Bij chronische hoest is dit moeilijker, maar ook belangrijker want er kunnen levensbedreigende aandoeningen achter schuilgaan. 12


Roken is de belangrijkste oorzaak van chronisch hoesten : vooral het roken van sigaretten (meer dan sigaar of pijp) werkt rechtstreeks prikkelend op de hoestreceptoren. Er bestaat een duidelijk verband tussen het hoesten en het aantal sigaretten. Stoppen met roken doet bij 77% van de rokers de hoest verdwijnen. Bij kinderen kan hoest veroorzaakt worden door passief inademen van sigarettenrook afkomstig van rokende ouders. Roken veroorzaakt - naast prikkelhoest - ook chronische bronchitis met een productieve, voornamelijk ochtendlijke, hoest. De gevaarlijkste consequentie van roken is ongetwijfeld longkanker. Zeventig tot 90% van patiënten met longkanker klagen van hoest. Vaak zijn er ook andere symptomen zoals vermagering of bloed in het opgehoeste slijm. Ook 8 tot 14% van niet-rokers heeft last van chronische hoest. De belangrijkste oorzaken zijn post nasale drip (zie verder) en astma . Post nasale drip ontstaat door overproductie van slijm in de neus, wat vervolgens naar achter geëvacueerd wordt (« post nasaal ») naar de keel en daar een hoestprikkel veroorzaakt. Dergelijke overproductie kan ontstaan door een verkoudheid, door acute of chronische sinusitis of door allergie en overprikkelbaarheid van de neus. Patiënten voelen het taai slijm afzakken in de keel, of moeten vaak de keel schrapen. Bovendien gaat dit frequent gepaard met neusklachten zoals verstopte neus, neusloop en/of niezen. De typische symptomen van astma zijn kortademigheid, piepende ademhaling en hoest. Soms is hoesten het enige symptoom. Astma kan veroorzaakt worden door een allergie of overprikkelbaarheid van de onderste luchtwegen. Vaak vermelden patiënten ook het optreden van hoestaanvallen bij contact met zogenaamde aspecifieke prikkels zoals temperatuursveranderingen, lachen, inspanning, mist enz. Dergelijke « overprikkelbaarheid » kan ook voorkomen gedurende enige tijd na een luchtweginfectie om dan spontaan weer te verdwijnen. In dit geval spreekt men van « post-infectieuze hyperreactiviteit ». De oorzaak van chronische hoest ligt niet altijd in de luchtwegen. Bij gastrooesofagale reflux stijgt maagzuur op in de slokdarm waardoor patiënten meestal last krijgen van zure oprispingen, vooral bij vooroverbukken of neerliggen. Hoest kan echter ook het enige symptoom zijn. Bepaalde bloeddrukverlagende medicijnen hebben als nevenwerking prikkelhoest. Bij linkerhartfalen mist het hart de kracht om het bloed in voldoende mate weg te pompen vanuit de longcirculatie naar de grote bloedsomloop. De longen worden overvuld. Dit leidt tot hoest, vooral bij neerliggen. Vaak moeten deze patiënten ‘s nachts gaan rechtzitten om beter te kunnen ademhalen. Elk van bovenstaande ziektebeelden vereist een eigen aanpak (zie schema). Meestal zijn medicijnen niet aan de orde en bestaat de taak van de arts er vooral in om de patiënt te motiveren en te ondersteunen bij het stoppen met roken. Medicamenteus onderdrukken van het symptoom « hoest » zonder de oorzaak te kennen is volstrekt af te raden omdat men hierdoor belangrijke pathologie kan miskennen en de patiënt tevens de kans ontzegt op een adequate behandeling. In bepaalde omstandigheden kunnen hoestremmers wel nuttig zijn. Een acute prikkelhoest kan voor de patiënt overdag erg hinderlijk zijn of ‘s nachts de nachtrust verstoren. Hoesten op zich kan schadelijk zijn wegens een voorafbestaande ziekte of 13


ongeval (bijvoorbeeld een gebroken rib). Soms slaagt een oorzakelijke behandeling er niet in de hoest volledig onder controle te brengen. De keuze in hoestremmers is bijzonder groot. (In het geneesmiddelenrepertorium 1999 staan 94 verschillende merknamen vermeld.) Men kan ze indelen in twee grote groepen : enerzijds middelen die de hoestprikkels proberen te verminderen door ofwel het hoestcentrum in de hersenen te beïnvloeden ofwel de receptoren in de luchtwegen minder gevoelig te maken en anderzijds producten die het evacueren van het slijm proberen te vergemakkelijken waardoor de patiënt ook minder zal hoesten. In hoestflessen worden deze producten vaak gecombineerd. De voorkeur van de arts zal vanzelfsprekend gaan naar producten waarvan de werkzaamheid in wetenschappelijk studies is aangetoond. Het is niet eenvoudig om te bewijzen dat een hoestmiddel echt hoestprikkels dempt : verandering of vermindering in hoesten kan immers ook optreden als gevolg van het verloop van de aandoening zelf. De hoestprikkeldempende werking van verschillende producten werd o.a. bestudeerd door proefpersonen prikkelende stoffen te laten inademen en vervolgens de intensiteit en frequentie van de optredende hoest te meten. Het is ook moeilijk om aan te tonen of er daadwerkelijk een verandering optreedt in de slijmevacuatie ten gevolge van het gebruik van een geneesmiddel. De hoeveelheid opgehoest slijm is hiervoor een onbetrouwbare maat want opgehoest slijm is een mengsel van slijm uit de luchtwegen met speeksel uit de mond, en vaak wordt een deel onbewust ingeslikt. Bovendien moet men zich steeds realiseren dat een product in laboratoriumomstandigheden wel een bepaalde werking kan hebben, maar dat het enige wat echt telt de reële toestand van de patiënt is : voelt hij zich door het gebruik van deze producten beter ? Heeft hij inderdaad het gevoel minder te moeten hoesten ? Kan hij beter ademen ? Geneest hij sneller ? Daarenboven moeten werking en nevenwerkingen altijd tegen elkaar afgewogen worden. Laten we de lange lijst van hoestmiddelen toetsen aan bovenstaande criteria. Wat betreft prikkeldemping, is er slechts één klasse van producten waarvan onomstotelijk vaststaat dat zij inderdaad hoestprikkels onderdrukt, namelijk de « narcotische analgetica ». Dit is de groep van pijnstillers waartoe o.a. ook morfine behoort. De meer krachtige producten uit deze klasse worden niet bij hoest gebruikt, omdat de nevenwerkingen (slaperigheid en verstopping) en het gevaar op verslaving te groot zijn. Codeïne en afgeleiden zijn daarentegen wel geschikt : zij remmen effectief de prikkelhoest, hebben weinig nevenwerkingen en het gevaar op verslaving is zeer gering. De balans tussen voordeel en ongewenste effecten valt positief uit. Voor farmaca uit andere klassen is er ofwel helemaal geen werkzaamheid aangetoond, ofwel zijn de resultaten van verschillende onderzoeken tegenstrijdig. Qua slijmoplossende middelen : er bestaan producten die in laboratoriumomstandigheden het slijm vloeibaarder maken of die het trilhaartransport stimuleren. Het is echter niet op overtuigende wijze aangetoond dat deze middelen in gebruikelijke dosissen bij patiënten effecten hebben zoals veranderingen in volume van het opgehoeste slijm, verandering in de werking van de longen of de gaswisseling. Op dit ogenblik bestaat er dan ook geen argument om deze producten voor te schrijven bij hoest.

14


Tot besluit : hoest is een verdedigingsreflex van het lichaam en wordt best niet onderdrukt. De beste behandeling bij hoest is ongetwijfeld de oorzakelijke. Wanneer omwille van comfort voor de patiënt of bij verwikkelingen toch een hoestremmer wordt voorgeschreven, is de beste keuze codeine of één van zijn afgeleiden. Meerkeuzevragen : 1. Uw collega heeft sinds enkele dagen last van hoest. Wat raad je hem aan? A. hoestsiroop nemen B. zo snel mogelijk een arts raadplegen C. zijn hart laten nakijken D. stoppen met roken 2. Wat blijkt geen gevolg van hoesten? A. medicatie nemen B. astma C. werkverlet D. slapeloosheid 3. Indien een patiënt u zou consulteren naar aanleiding van een aanslepende hoest, bij welk verschijnsel zou u dan onmiddellijk aan het ergste denken? A. tranende ogen B. postnasale drip C. aanwezigheid van een virus D. vermagering 4. Hoestremmers zijn af te raden bij : A. een verkoudheid met hinderlijke prikkelhoest B. een verkoudheid bij een patiënt met een gebroken rib C. een verkoudheid met hoest met slapeloosheid tot gevolg D. een hinderlijke rokershoest 5. Een farmaceutische firma brengt een nieuwe hoestsiroop op de markt. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bij patiënten die dit middel namen het aantal keren dat zij moesten hoesten na twee dagen met de helft verminderd was. A. dit is een goede hoestremmer B. dit is een slechte hoestremmer C. dit is een goede hoestremmer op voorwaarde dat er geen nevenwerkingen zijn D. dit onderzoeksresultaat zegt niets over de waarde van deze hoestremmer

Gesprekken arts/tandarts-patiënt Deze proef meet de capaciteit van een arts-in-spe om een schriftelijke neerslag van een reeks gesprekken tussen een arts of tandarts en één welbepaald patiënt gericht én kritisch te (blijven) volgen. Vertrokken wordt van een uitgangssituatie. Daarin komt een patiënt met een veel voorkomende klacht op consultatie bij een (tand)arts. De (tand)arts, eventueel de door hem/haar aansluitend in te schakelen specialist, komt via in de tijd gespreide gesprekken en/of een zich verder op de klacht toespitsend gebruik van diagnosemiddelen tot een gerichte(r) behandeling. Telkens 15


wordt er gevraagd hoe kandidaat zelf – hij/zij dient zich daartoe met betrokken medisch deskundige te identificeren - betreffend gesprek zou verder zetten. Bij de beoordeling van een dergelijke reeks (tand)arts-patiënt-gesprekken moeten de kandidaten uitgaan van de principes rond communicatie die men in een moderne (tand)arts-patiënt relatie hanteert. (Tand)arts en patiënt, die uiteraard over verschillende informatie beschikken (de (tand)arts is de medische deskundige), ontwikkelen daarbij een horizontaal communicatiemodel. - Dit betekent dat de (tand)arts voldoende ruimte geeft, zodanig dat de patiënt duidelijk zijn/haar hulpvragen kan formuleren. Dit impliceert – in de antwoorden die de kandidaat geeft op respectieve vragen - openheid en luisterbereidheid van de (tand)arts en aandacht voor de bekommernissen van de patiënt. - Tevens informeert de (tand)arts de patiënt op goed verstaanbare wijze wat patiënt in staat stelt om zijn/haar gezondheidssituatie zo adequaat als mogelijk in te schatten. Dit impliceert dat kandidaat als (tand)arts een (voor deze patiënt) begrijpelijke taal hanteert. - Binnen zulke relatie (tand)arts-patiënt moet ook veel aandacht gaan naar het bevorderen van de autonomie van de patiënt en naar zijn/haar eigen beslissing en voorkeuren. Dat impliceert dat de kandidaat eveneens getuigt van een open en respectvolle houding t.o.v. de opvattingen en waarden van de patiënt. Aangezien het in deze proef gaat om het beoordelen van het verloop van de interacties tussen (tand)arts en patiënt, kan het de kandidaten voorkomen dat in een concrete situatie meer dan één antwoordalternatief juist is. In dit geval kiest de kandidaat het volgens hem/haar op dit moment meest juiste antwoord binnen de opeenvolging van deze ontmoetingen. Voorbeeldvraag Tijdens het gesprek laat de patiënt duidelijk blijken dat hij het niet eens is met de behandeling. Hoe zou jij, mocht je de (tand)arts zijn, hierop reageren? Kies het meest juiste antwoord. Ik zou … A. patiënt duidelijk maken dat ik de expert ben en dat hij mijn advies moet volgen. B. niet ingaan op deze weigerachtige houding van patiënt. C. patiënt zelf de kans geven om te kiezen voor het al dan niet toepassen van de behandeling. D. patiënt erop wijzen dat het niet volgen van de behandeling zijn gezondheid schaadt.

(De juiste antwoorden op de vragen bij de stilleestekst zijn 1B, 2B, 3D, 4D, 5D. Op de vraag over het gesprek arts/tandarts-patiënt kan in dit voorbeeld, bij gebrek aan context, geen juist antwoord gegeven worden; in het examen is zulke context per definitie wèl voorhanden )

16


VII. UITTREKSEL VAN HET DECREET DAT DE WETTELIJKE GRONDSLAG HEEFT GELEGD VOOR DE ORGANISATIE VAN HET TOELATINGSEXAMEN

4 april 2003. - Decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen - uittreksel ………

art. 65. §1. Voor de inschrijving voor een bachelorsopleiding geldt als algemene toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van secundair onderwijs, een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend. art. 68. … §2. Voor de inschrijving in een bachelorsopleiding in het studiegebied Geneeskunde of het studiegebied Tandheelkunde, geldt als bijkomende toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn voor een toelatingsexamen, ingericht door één examencommissie, verder genoemd ‘toelatingsexamen arts en tandarts’. Het beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige of tandheelkundige opleiding met succes af te ronden. Het bestaat uit twee gedeelten: 1° kennis en inzicht in de wetenschappen en met name de vakken biologie, fysica, scheikunde en wiskunde ; het niveau is afgestemd op het gemiddelde van de programma’s van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs ; 2° informatie verwerven en verwerken : de themata hiervan sluiten aan bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van deze examengedeelten. §3. Het toelatingsexamen arts en tandarts wordt georganiseerd volgens de hierna opgesomde nadere regels : 1° het wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht ; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt ; 2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste 25 euro vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997 ; 3° de Vlaamse regering organiseert het toelatingsexamen arts en tandarts volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt ; 4° na advies van de examencommissie, bedoeld in §2, regelt de Vlaamse regering de werking van de examencommissie en stelt ze haar huishoudelijk reglement en het examenreglement vast ; 17


5° de examencommissie, bedoeld in §2, stelt de examenvragen op en evalueert de examenresultaten. Het maximumaantal punten van elk examengedeelte is twintig. Geslaagd zijn de studenten die op elk examengedeelte ten minste tien op twintig behalen en ten minste tweeëntwintig op veertig voor beide examengedeelten samen. De voorzitter van de examencommissie maakt de resultaten bekend ; 6° het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt slechts aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde indien de student op uiterlijk 31 december van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs. §4. De Vlaamse regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie, bedoeld in §2. Zij telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal vijftien leden. De leden van de examencommissie worden zo aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken van het eerste examengedeelte, de pedagogiek en de psychologie. §5. De bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘geslaagd zijn voor het toelatingsexamen arts en tandarts’, bedoeld in §2, geldt eveneens voor de inschrijving in om het even welk studiejaar van een bachelors- of mastersopleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde in het geval de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of verkorting van studieduur, op grond van een diploma behaald na een opleiding waarvoor de bijkomende toelatingsvoorwaarde, bedoeld in §2, niet gegolden heeft. Zij geldt niet voor de studenten die voor de aanvang van het academiejaar 19971998 in het bezit waren van een getuigschrift waaruit blijkt dat zij ten minste één studiejaar van een opleiding van arts of van een opleiding van tandarts met succes hebben voltooid en op basis daarvan in het academiejaar 1997-1998 theoretisch konden toegelaten worden tot het tweede studiejaar of een hoger studiejaar. Zij geldt evenmin voor de studenten die in het academiejaar 1996-1997 niet slaagden voor het examen van het eerste studiejaar van de opleiding van kandidaatarts of van kandidaat-tandarts en zich in het academiejaar 1997-1998 opnieuw lieten inschrijven voor het eerste studiejaar van de betreffende opleiding. De vrijstelling van de bijkomende toelatingsvoorwaarde ‘slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts’ blijft voor deze studenten geldig zolang zij ononderbroken officieel ingeschreven blijven in de opleiding van arts of van tandarts aan een Vlaamse universiteit.

18


VIII. DE LEERSTOFONDERDELEN KIW BIOLOGIE 1. De cel • de lichtmicroscopische bouw van de plantaardige en de dierlijke cel • het verschil tussen plantaardige en dierlijke cellen • de submicroscopische structuur van een eukaryote cel • de betekenis van de aërobe en anaërobe ademhaling, en van de fotosynthese 2. De voortplanting • de kern in interfase • het verloop van de verschillende fasen van de mitose • de betekenis van de mitose • het verloop van de verschillende fasen van de meiose • de betekenis van de meiose • de structuur van DNA en RNA • DNA in de interfase: replicatie • de eiwitsynthese • bouw van de voortplantingsorganen van de mens • spermatogenese en ovogenese bij de mens • primaire en secundaire geslachtskenmerken • de hormonale regeling van de zaadvorming bij de man en de menstruatiecyclus bij de vrouw • bevruchting en embryonale ontwikkeling bij de mens 3. Genetica Basisbegrippen van de genetica: chromosoom, gen, genlocus, allel, homozygoot, heterozygoot, genotype en fenotype Wetten van Mendel: • mono- en dihybride kruisingen met intermediaire, dominante en recessieve kenmerken • kruisingsschema's voor de F1 en F2 • terugkruisingen en hun betekenis schijnbare afwijkingen op de wetten van Mendel: • gekoppelde genen en X-chromosoom-gebonden genen • multipele allelen • overkruising of 'crossing-over' erfelijkheid bij de mens: • karyogram • enkele voorbeelden van X-chromosoom-gebonden genen bij de mens • stamboomonderzoek • gevolgen van afwijkingen in genen, in chromosomen en in het genoom 4. Evolutie • modificaties: concrete voorbeelden, betekenis • mutaties: oorzaken, soorten mutaties, concrete voorbeelden, betekenis • wat is evolutie? • Evolutietheorieën: Lamarckisme, Darwinisme, en de moderne evolutietheorie • Evolutie van de mens

19


FYSICA 1. Mechanica • eenparige rechtlijnige beweging • eenparig veranderlijke rechtlijnige beweging • eenvoudige samengestelde bewegingen • wetten van Newton • gravitatiewet • zwaartekracht • veerkracht • wrijvingskracht • samenstellen en ontbinden van krachten • evenwicht • arbeid en vermogen • potentiële en kinetische energie • behoud van energie • eenparige cirkelvormige beweging • centripetale kracht 2. Vloeistoffen en gassen • begrip druk • hydrostatische druk • beginsel van Pascal • evenwicht van vloeistoffen • Archimedes kracht 3. Warmteleer • begrip temperatuur • absolute temperatuur • toestandsvergelijking van een ideaal gas - gaswetten • warmtehoeveelheid en soortelijke warmtecapaciteit • smelten en stollen, soortelijke smeltwarmte • verdampen, koken en condenseren, soortelijke verdampingswarmte 4. Elektriciteitsleer • elektrische ladingen • elektrische influentie • wet van Coulomb • elektrisch veld en potentiaal • elektrische geleiding door elektronen • spanning en stroom, elektrische weerstand • wetten van Ohm, Pouillet en Joule • energie en vermogen van een gelijkstroom • serie- en parallelschakeling van weerstanden, gemengde schakelingen • inwendige weerstand van een bron • magnetische velden: permanente magneet, rechte draad, winding en solenoïde • magnetische krachtwerkingen op stroomvoerende geleiders en bewegende ladingen • magnetische flux • magnetische inductieverschijnselen: wetten en toepassingen 5. Periodieke verschijnselen • harmonische trilling: grafische en mathematische voorstelling, energie • golven: ontstaan, soorten, golflengte, golfsnelheid, grafische en mathematische voorstelling • staande golven: eigenfrequenties, resonantie

20


SCHEIKUNDE 1. Inleiding • elementen, enkelvoudige stoffen, samengestelde stoffen, mengsels • de wetten van Lavoisier • de atoomtheorie van Dalton • atoommassa's • symbolen, formules en chemische vergelijkingen • belangrijkste nomenclatuurregels van de anorganische chemie 2. Stechiometrie • nauwkeurigheid bij metingen en berekeningen • Mol • getal van Avogadro • deeltjesmassa's • procentuele samenstelling • in evenwicht brengen van chemische reactievergelijkingen • berekeningen gesteund op chemische reactievergelijkingen • rendement • concentratie-eenheden en berekeningen • chemische toepassingen met betrekking tot de gaswetten • wet van Avogadro • molair volume • dichtheid 3. Atoomstructuur en periodiek systeem • belangrijke eigenschappen van de deeltjes waaruit atomen zijn samengesteld • isotopen • periodiciteit (groepen en perioden) • de theorie van Bohr in verband met het waterstofatoom • elektronenspin en het verbodsprincipe van Pauli • de elektronenconfiguraties van de elementen • het periodiek systeem en de elektronenconfiguraties 4. Chemische bindingen • ionenbinding - factoren die de vorming van ionenverbindingen bepalen • covalente binding (verschillende types) - Lewisformules • elektronegativiteit • coördinatie-covalente binding • polaire moleculen • oxidatietrappen (of -getallen) • metaalbinding 5. Chemische reacties • reacties tussen ionen (met vorming van een gas of neerslag) • zuur-basereacties in waterig midden • bereiding van zouten • oxidatie en reductie • reactievergelijkingen en redoxreacties 6. Chemische kinetiek • uitdrukken van reactiesnelheid • botsingstheorie - effectieve botsingen • factoren met invloed op de reactiesnelheid 7. Chemisch evenwicht • evenwichtswet • evenwichtsconstanten • kinetiek en evenwicht • chemisch evenwicht en het principe van Le Châtelier • berekeningen in verband met evenwichten

21


Vervolg scheikunde 8. Zuren en basen • zuur-base-evenwichten in water • zuren en basen volgens BrØnsted-Lowry • sterkte van zuren en basen • factoren die de sterkte van een zuur bepalen • ionisatie van water, pH • elektrolytische dissociatie van zwakke elektrolyten • elektrolytische dissociatie van polyprotonische zuren • buffers • zuur-base-titraties: equivalentiepunt 9. Elektrochemie • metaal- en elektrolytische geleiding • elektrolyse en haar praktische toepassingen

WISKUNDE • rekenen met reële getallen en veeltermen • eerste- en tweede graadsvergelijkingen en ongelijkheden • basisconstructies uit de meetkunde (geen ruimtemeetkunde) • rol van formules en grafieken bij het oplossen van problemen • basisprincipes van vlakke analytische meetkunde (rechte en cirkel) • oplossen van stelsels van lineaire vergelijkingen • eigenschappen van driehoeken, vierhoeken en cirkels • onderzoek van functieverloop (veeltermfuncties, rationale, goniometrische, cyclometrische, logaritmische en exponentiële functies) • limieten, afgeleiden en integralen • berekenen van oppervlakten met integralen • machten en logaritmen: getallen en functies • goniometrische getallen en functies, cyclometrische functies • elementaire combinatieleer

Nota Bene Invoering van vernieuwde eindtermen in het secundair onderwijs resulteert vanaf het schooljaar 2005-2006 in het progressief wijzigen van respectieve leerprogramma’s. Deze verandering heeft nog geen impact op het toelatingsexamen in 2005. Mochten zij een impact hebben op het toelatingsexamen in 2006, dan zal dit in de dan te verschijnen brochure uiteraard duidelijk vermeld worden. Betrokken leerlingen én hun leraars dienen hiervoor alert te zijn. Daarom wordt deze dan mogelijke wijziging in KIW nu reeds gesignaleerd!

22


INSCHRIJVINGSFORMULIER Examennummer EXA2005-1

TOELATINGSEXAMEN ARTS EN TANDARTS

5 JULI 2005

Uiterste datum van inschrijving: 8 juni 2005 AANDACHT: dit formulier is een recto-verso-document! Zowel recto als verso volledig invullen! Naam Gebruik duidelijke letters, duid goed de spaties aan en welke letters in hoofdletter moeten.

Voornaam

Geslacht

M(an) of V(rouw)

Geboortedatum Jaar

maand

Nationaliteit

Geboorteplaats dag

Adres Straat, laan, plein, enz…

+ nummer + eventueel nummer van de postbus

Postcode + naam van de gemeente

Land

Nummer Rijksregister

Telefoonnummer

( ↑ Enkel voor Belgen en personen die officieel in België wonen) Dit nummer begint met de opgave van de geboortedatum in de vorm JJMMDD. Indien 13 juli 1985 je geboortedatum is, begint het nummer van het Rijksregister dus met 850713. Dan volgen er nog vijf andere cijfers. Als je twijfelt: het bedoelde nummer staat rechtsboven op je SIS-kaart.

Voeg hierbij het bewijs van betaling van netto 28 euro op rekening 091 2203005 67 (DEXIA-bank, Pachecolaan 44, 1000 Brussel) van MVGDepartement Onderwijs, Rekenplichtige der Ontvangsten, met vermelding EXA2005-1. IBAN-code: BE93 0912 2030 0567 BIC-code: GKCCBEBB

Vul nu verder de verso-zijde in


Vervolg van het inschrijvingsformulier voor het toelatingsexamen op 5 juli 2005. Voor de wetenschappelijke opvolging van het toelatingsexamen moet de examencommissie kunnen beschikken over volgende gegevens. Gelieve uw antwoord op de verschillende vragen te omcirkelen. Dank daarvoor. 1. Het totale eindresultaat dat ik in het laatste jaar van het secundair/voortgezet onderwijs behaalde, lag in vergelijking met mijn klasgenoten â&#x20AC;Ś <A> in het beste kwart van de klas

<C> in het derde kwart van de klas

<B> in het tweede kwart van de klas

<D> in het vierde kwart van de klas.

2. Ik heb mijn secundair/voortgezet onderwijs doorlopen in <A> zes jaren

<B> zeven jaren

<C> acht jaren

<D> meer dan acht jaren

3. Ik was in het laatste jaar van mijn secundair/voortgezet onderwijs ingeschreven in de studierichting Grieks-Latijn Grieks-wiskunde Econ.-mod.talen Gymnasium (NL)

Latijn-wetenschappen Wetensch.-wiskunde mod.talen-wetensch. Atheneum (NL)

Latijn-wiskunde Grieks-wetenschappen mod.talen-wiskunde Economie-wiskunde menswetenschap. VWO (NL) Andere (*)

(*) Vul hier de studierichting in: 4. Heb je reeds deelgenomen aan het toelatingsexamen arts en tandarts? <JA>

<NEEN>

Als u JA geantwoord heeft, duid dan het examen of de examens aan waaraan u effectief heeft deelgenomen, dus niet het aantal keer dat u zich ingeschreven heeft! juli 1997 sept 1997

juli 1998 sept. 1998

juli 1999 sept. 1999

juli 2000 juli 2001 juli 2002 juli 2003 juli 2004 aug 2000 aug 2001 aug 2002 aug 2003 aug 2004

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------OPGELET: dit inschrijvingsformulier is alleen geldig voor het toelatingsexamen op 5 juli 2005. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Zend dit ingevulde formulier en het bewijs van betaling en eventueel het medisch stavingstuk over een handicap onder gesloten omslag naar Toelatingsexamen arts en tandarts 2005 Hendrik Consciencegebouw, kamer 7A17 Koning Albert II-laan 15 B-1210 BRUSSEL

INSCHRIJVINGSFORMULIER Examennummer EXA2005-1


TOELATINGSEXAMEN ARTS EN TANDARTS 30 AUGUSTUS

2005 Uiterste datum van inschrijving: 10 augustus 2005 AANDACHT: dit formulier is een recto-verso-document! Zowel recto als verso volledig invullen! Naam Gebruik duidelijke letters, duid goed de spaties aan en welke letters in hoofdletter moeten.

Voornaam

Geslacht

M(an) of V(rouw)

Geboortedatum Jaar

maand

Nationaliteit

Geboorteplaats dag

Adres Straat, laan, plein, enz…

+ nummer + eventueel nummer van de postbus

Postcode + naam van de gemeente

Land

Nummer Rijksregister

Telefoonnummer

( ↑ Enkel voor Belgen en personen die officieel in België wonen) Dit nummer begint met de opgave van de geboortedatum in de vorm JJMMDD. Indien 13 juli 1985 je geboortedatum is, begint het nummer van het Rijksregister dus met 850713. Dan volgen er nog vijf andere cijfers. Als je twijfelt: het bedoelde nummer staat rechtsboven op je SIS-kaart.

Voeg hierbij het bewijs van betaling van netto 28 euro op rekening 091 2203005 67 (DEXIA-bank, Pachecolaan 44, 1000 Brussel) van MVGDepartement Onderwijs, Rekenplichtige der Ontvangsten, met vermelding EXA2005-2. IBAN-code: BE93 0912 2030 0567 BIC-code: GKCCBEBB

Vul nu verder de verso-zijde in


Vervolg van het inschrijvingsformulier voor het toelatingsexamen op 30 augustus 2005. Voor de wetenschappelijke opvolging van het toelatingsexamen moet de examencommissie kunnen beschikken over volgende gegevens. Gelieve uw antwoord op de verschillende vragen te omcirkelen. Dank daarvoor. 1. Het totale eindresultaat dat ik in het laatste jaar van het secundair/voortgezet onderwijs behaalde, lag in vergelijking met mijn klasgenoten … <A> in het beste kwart van de klas

<C> in het derde kwart van de klas

<B> in het tweede kwart van de klas

<D> in het vierde kwart van de klas.

2. Ik heb mijn secundair/voortgezet onderwijs doorlopen in <A> zes jaren

<B> zeven jaren

<C> acht jaren

<D> meer dan acht jaren

3. Ik was in het laatste jaar van mijn secundair/voortgezet onderwijs ingeschreven in de studierichting Grieks-Latijn Grieks-wiskunde Econ.-mod.talen Gymnasium (NL)

Latijn-wetenschappen Wetensch.-wiskunde mod.talen-wetensch. Atheneum (NL)

Latijn-wiskunde Grieks-wetenschappen mod.talen-wiskunde Economie-wiskunde Menswetenschap. VWO (NL) Andere (*)

(*) Vul hier de studierichting in: 4. Heb je reeds deelgenomen aan het toelatingsexamen arts en tandarts? <JA>

<NEEN>

Als u JA geantwoord heeft, duid dan het examen of de examens aan waaraan u effectief heeft deelgenomen, dus niet het aantal keer dat u zich ingeschreven heeft! juli ‘97 sept ‘97

juli ‘98 sept. ‘98

juli ‘99 sept. ‘99

juli ‘00 aug ‘00

juli ‘01 aug ‘01

juli ‘02 aug ‘02

juli ‘03 aug ‘03

juli ‘04 aug ‘04

juli ‘05

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------OPGELET: dit inschrijvingsformulier is alleen geldig voor het toelatingsexamen op 30 augustus 2005. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Zend dit ingevulde formulier en het bewijs van betaling en eventueel het medisch stavingstuk over een handicap onder gesloten omslag naar Toelatingsexamen arts en tandarts 2005 Hendrik Consciencegebouw, kamer 7A17 Koning Albert II-laan 15 B-1210 BRUSSEL

INSCHRIJVINGSFORMULIER Examennummer EXA2005-2


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook