Skip to main content

M&L_28_2.pdf

Page 1

JNUMENTEN,

It

AART-APRIL 20'

CHAPPEN


RLIJKE K L E U R E N MAKEN H E T V E R S C H I L

hydraulische kalkmortels, kallei en tadelaktbepleistering UN. buitengevelisolatiesystemen L I M E T I L kalkverven CORIC/5 silicaatverven CORISILK en KEU marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLU stucco venetiano PLASTELUX en VENEST''

ivitG VIBE

Arte Constructo bvt Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgiu Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73./ ww.arteconstructo.be - infoParteconstructo.t


Tweemaandelijks tijdschrift van het Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfijord

ISSN 0770-4948 28 jaargang Nr. 2 maart-april 2009

IVI O l\l U IVI E 1\ T E 1M , L A M Ü S C H A P P EN EN ARCHEOLOGIE

Redactie

Cover: Dakvoet ran de kap van de noordelijke buitenzijbeuk, met de zeer verzorgde samensteUing van frekbalken. raveeibaiken en standzonen (foto 0. Pauwels)

Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13-Fax 02-553 16 05 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Celis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Secretariaat: Diane Torbeyns

Advertentiewerving

Website: www.onroerenderfgoed.be

J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be www.jancasier.be

Redactiecomité*

Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68

Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2008". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeYns@rwo.vlaanderen.be

Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman, Oswald Pauwels, Piet Geleyns

Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

* Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulerten van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

Internet

Abonnementsvoorwaarden 2009 België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . CJP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 €

il

-O-U 6

i

Flanders Expo - The Loop, Gent. Archeologische begeleiding van een grootschalig buitenstedelijk herontwikkelingspmject johan Hoorne

2 1 De middeleeuwse sporenkappen van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge Dirk Van Eenhooge

4 6 Friedrich Eduard Keilig en het stadspark van Antwerpen

tol

Katrien Hebbelinck

7 2 Summary

Verantwoordelijke uitgever Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13- Fax:02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter B1RDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.

P.E.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09

... ....

Restauratie en Monumentenzorg


de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's o voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties


Verantwoord omgaan met varend erfgoed veronderstelt regelmatig onderhoud

M e t steun van de Vlaamse overheid

wvwv.monumentenwacht.be I info@monumentenwacht.be Provinciale site I Scheepswerven Baasrode I Sint-Ursmarusstraat 141 I 9200 Baasrode


Generiek The Loop ondergronds Relicten in opstand van het voormalig vliegveld van Sint-Denijs-Westrem en militaria uit WO I en II vormen slechts de meest zichtbare en recente getuigen van wat voorafging aan de site van Flanders Expo. Gericht archeologisch onderzoek, in het kader van de geplande stadsuitbreiding, van de dominerende zandige opduiking met uitzicht op de Leie, bevestigde haar constante aantrekkingskracht voor bewoning - een staakmolen incluis - vanaf het late neolithicum tot de volle middeleeuwen. Bij zijn stand van zaken verheugt Johan Hoorne zich in het bijzonder om een gewijzigde mentaliteit, en de vlotte samenwerking tussen projectontwikkeling en duurzame zorg voor onroerend erfgoed.

Middeleeuwse Brugse kappen e.a. De restauratie van de kapconstructies van de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk vormde voor Dirk van Eenhooge de aanleiding voor een exhaustief bouwhistorisch onderzoek. Niet minder dan 13 (overwegend sporen-jkappen konden hierbij worden geïdentificeerd, gespreid over de 11de tot vroege 16de eeuw: dateringen waarvan de niet steeds betrouwbare typologische aanzet node diende te worden gestaafd door dendrochronologische analyses. Een evenwichtsoefening tussen wetenschappelijk onderzoek en correcte interpretatie.

Un cachet grandiose en general Na zijn bejubelde creatie van het Terkamerenbos in Brussel getuigt Eduard Keilig in 1868 met de aanleg van het Stadspark in Antwerpen van een volleerd meesterschap. Bij de metamorfose van de gedemilitariseerde Spaanse omwallingen en Hollandse lunet van Herentals tot openbaar park, opteert de Duitse landschapsarchitect voor een opmerkelijk contrast tussen de grillige vijver met eiland en hangbrug, en een lange grashelling met steile rotspartijen en kiosk. Anderhalve eeuw en vele weinig respectvolle ingrepen later blijkt dit "levend monument van uitzonderlijke erfgoedwaarde" noq slechts een schaduw van zichzelf doch, volgens Katrien Hebbelinck, mits accuraat beheer niet onomkeerbaar.


Johan

Hoorne

FLANDERS EXPO - THE LOOP, GEMT. ARCHEOLOGISCHE BEGELEIDING VAN EEN GROOTSCHALIG BDITENSTEDELUK HERONTWIKKELINGSPROJECT Zicht op een grote kuil van de nederzetting uit de vroege tot midden bronstijd op zone 2 (© Ename Expertisecenter)

In Cent wordt het ruime gebied Flanders Expo de komende jaren tot een nieuw polyvalent menten en parkeren kantoorcomplexen, wooneenheden.

maar ook voor

archeologisch

site en de voor het

bodemarchief werd gestart

met

vooronderzoek,

gen en opgravingen

stadsdeel evenegroen,

handelszaken

De aanwezigheid

heid van bedreiging dat in 2007

zal zijn voor

bedrijven,

kende archeologische archeologische

herschapen

en bruisend

waar niet alleen plaats

zijn bebouwd

grootschaligaanwezige

zorgde

ervoor

uitgebreid werfbegeleidin-

die tot op heden (1).

en

van een ge-

pen en wellicht nog zullen duren tot de percelen

HETGROOTSCHAHHF 'THE IQQP'-PRQJFCT

rondom

doorlolaatste

Het ongeveer l45ha grote gebied - waarin centraal tussen de verschillende wegen, parkeerterreinen, loodsen, weiden en braakliggende gronden de hallen van Flanders Expo gelegen zijn - is sinds 2007 het decor van grootschalige bouwbedrijvigheid binnen het zogenaamde 'The Loop-project'. De toenmalige situatie werd grondig herrekend met als doel een nieuw stadsdeel te vormen vlakbij de uirvalswegen rond Gent met een zeer verscheiden activiteit van recreatiemogelijkheden over kantoorcomplexen en handelszaken tot wooneenheden. De (her)aanleg van verschillende wegtrajecten en nutsvoorzieningen, de bouwwerken voor alle nieuwe complexen, en de aanleg van nieuwe parkeerrerreinen houden


é,

/\

7 ^l^

fiyXfif)

V

^^^p^s

^^^md^

5Bw \\SK

^ 50

100

ISO

200 Km

i Lokalisatie van de site binnen Vlaanderen (© Johan Hoorne)

Kunstenaarsimpressie van het plangebied,

een zware bedreiging in voor het aanwezige archeologische bodemarchief (2).

OUD ONDERZOEK OP HET VOORMALIGE VLIEGVELD In de jaren 1980 werd het voormalige vliegveld van Sint-Denijs-Westrem omgevormd tot Flanders Expo met hallen en grote parkeerterreinen. Naar aanleiding van deze grote bouwwerf werden onder zeer moeilijke omstandigheden - wegens het ontbreken van wetgeving op het vlak van het archeologische erfgoed - een aantal werfcontroles en opgravingen onder leiding van de Universiteit Gent uitgevoerd. Ondanks de praktische moeilijkheden waren de

resultaten vrij interessant. Er werden resten aangetroffen van een nederzetting uit de late bronstijd, enkele Romeinse boerenerven met hoofdgebouwen en waterputten, twee vermoede Romeinse wegtracés, een Romeins grafveld, en een hoeve met bijhorende waterput uit de volle middeleeuwen (3). Het onderzoek kon echter slechts fragmentarisch uitgevoerd worden en beperkte zich vaak tot waarnemingen.

een zone vol erg verschelden activiteiten (© NV Grondbank The Loop)

ARCHEOLOGISCHE ADVISERING EN AANPAK Het onderzoek van de jaren 1980 toonde duidelijk aan dat er occupaties uit verschillende periodes te verwachten waren binnen de directe omgeving. De

Een overzicht op de voorgrond de zeer

logisch onderzoek

Een volmiddeleeuwse

bouwwerken van de problematische

zich afspeelde

waterput opgegraven

hallen tijdens de

omstandigheden

(© Universiteit Gent)

ti|dens de jaren '80

jaren '80. Op de

waarbinnen archeo-

(© Universiteit Gent) i *•

^

"T 1V1&L


MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN ARCHEOLOGIE Een milieueffeccenrapport of M E R is een instrument dat kadert in het milieubeleid. In een M E R wordt getracht om de mogelijke impact en de effecten van een bepaald project op het milieu in te schatten en te beoordelen. Wanneer blijkt dat het project gepaard kan gaan met een (ernstige) negatieve impact op het milieu, kunnen maatregelen worden voorgesteld om deze impact te milderen. Zo kunnen alternatieve locaties en uitvoeringswijzen of specifieke randvoorwaarden naar voor worden geschoven. Een voorbeeld hiervan is de organisatie van een grondige opgraving, wanneer archeologische waarden bedreigd blijken. De opmaak van een M E R is ingevolge een Europese richtlijn verplicht voor een reeks activiteiten en (grote) bouwprojecten, zoals de aanleg van pijpleidingen, grote industrieterreinen, autosnelwegen en zo meer. De initiatiefnemer dient een goedgekeurd MER bij

zijn '(stedenbouwkundige) vergunningsaanvraag' te voegen. Hoewel de initiatiefnemer de kosten draagt van zo een MER, kan hij dit rapport natuurlijk niet zelf opmaken. Hij moet hiertoe een aantal MER-deskundigen aanstellen die in alle objectiviteit en vanuit hun expertise over de milieu-impact moeten oordelen. Deze deskundigen zijn officieel (maar termijngebonden) erkend via een ministerieel besluit. O m de kwaliteit van het rapport te waarborgen, zijn in de procedure bovendien een aantal adviesmomenten voorzien, waarbij de Vlaamse administraties of andere betrokken instanties een formeel advies kunnen uitbrengen. Het begrip 'milieu' wordt in de milieueffectenrapportage ruim omschreven en omvat verschillende disciplines. Naast disciplines zoals bodem, water, fauna & flora, lucht, geluid en mens wordt ook de discipline 'Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie' afzonderlijk erkend. Wanneer bij de opstart wordt geoordeeld dat een bepaald project een mogelijke impact kan hebben op landschap, bouwkundig erfgoed of archeologie, wordt dit ten volle onderzocht in de milieueffectenrapportage. Dit onderzoek gebeurt volledig in de geest van zowel milieubeleid als van het archeologische beleid, die beide het zogenaamde 'voorkomingprincipe' als leidraad hanteren. De centrale filosofie hierachter is dat het beter is om te voorkomen dan om te genezen. Toegepast op archeologie houdt dit in dat eerst wordt getracht om een maximaal zicht te krijgen op de aanof afwezigheid van archeologische sites of waarden in het gebied. De deskundige kan hierbij beroep doen op tal van bestaande inventarissen en studies, maar kan ook zelf het veld intrekken om bijkomende prospecties uit te voeren. Dit laatste blijft tot op heden echter een utopie. De studies beperken zich in regel tot (grondig) bureauonderzoek en non-destructieve inventarisaties. Dit betekent doorgaans dat het onderzoek onvolledig blijft en grote blinde vlekken vertoont, omdat heel wat archeologische sites zich niet zo gemakkelijk laten opsporen. Essentieel is daarom dat de deskundige die leemtes in zijn kennis ook goed aangeeft in de MER en dat de nodige aanbevelingen worden geformuleerd met betrekking tot verder onderzoek, zoals een doorgedreven inventarisatie en/of opgravingen.

;© ZOLAD)


Vervolgens wordt een gedegen analyse gemaakt van de geplande ingreep, waarbij wordt onderzocht wat de impact kan zijn op eventueel aanwezig archeologisch erfgoed. Belangrijk hierbij is dat grondig wordt bestudeerd welke bodemingrepen zoal gepland zijn in het kader van de werf, zoals de aanleg van tijdelijke werkstroken, voorbereidende egalisatiewerken of verlagingen van de grondwatertafel. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen ingrepen met een tijdelijk en een permanent effect. Het uiteindelijke resultaat van deze twee stappen is de weging van de mogelijke impact van het geplande project (of een afweging van de alternatieve scenario's) op het archeologisch erfgoed. Indien uit deze analyse blijkt dat er archeologisch erfgoed bedreigd wordt of kan worden — ook al zijn geen concrete sites gekend — kunnen een aantal milderende maatregelen worden voorgesteld. Dit kan gaan van het voorstellen van minder ingrijpende uitvoeringswijzen zoals het gebruik van rijplaten of retourbemaling, het vrijwaren van gekende archeologische sites door bijvoorbeeld inpassing van bouwvrije zones, tot het organiseren van grootschalige archeologische prospecties en eventueel hierop volgende opgravingen. Sam De Decker

Meer weten over milieueffectrapportage archeologie?

en

Informatie over de MER-procedures en wetgeving is te vinden op www, mervlaanderen. be. Op deze site vindt u ook de recent vernieuwde versie van het richtlijnenboek voor de discipline "Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie", dat een hulpmiddel is voor zowel deskundigen als initiatiefnemers.

zone 1 zone 2

Ovemchtsplan van

geplande grootschalige veranderingen hebben natuurlijk ook een direct gevolg voor het aanwezige archeologische bodemarchief. Een voorafgaand onderzoek was en is nog steeds noodzakelijk om dit erfgoed te documenteren en inventariseren en zo ex situ te bewaren. De archeologen van de Dienst Stadsarcheologie Gent schreven dan ook een archeologisch advies uit dat in het Milieueffectenrapport (MER) werd opgenomen. Bij elke ontwikkeling werd archeologisch vooronderzoek als verplichting opgelegd. Het is de baathebber of veroorzaker die het onderzoek organiseert en financiert, zoals dit wordt voorgesteld in het Europese Verdrag van Malta (1992) waarin het goede beheer van het archeologische patrimonium beschreven wordt.

alle proefsleuven, wegkoffercontroles en opgravingen met schematische weergave van de verschillende aangetroffen periodes. Beige: finale neolithicum; roodbruin: vroege tot midden bronstijd; bruin: late bronstijd; grijs: ijzertijd; blauw. Romeinse periode; lichtgroen: vroege middeleeuwen; donkergroen: volle middeleeuwen (© Johan Hoorne)

Dit archeologische vooronderzoek omvat zowel werfbegeleidingen als prospectieonderzoek, eventueel gevolgd door opgravingen. Het hele plangebied is in zones opgedeeld. Het eerste onderzoek werd vanaf juni 2007 uitgevoerd in zone 1 en omvatte zowel proefsleuvenonderzoek (4) als een vlakdekkende opgraving (5) voor N . V Grondbank The Loop. In zone 2 werd in 2007 eveneens proefsleuvenonderzoek en een wegkofferbegeleiding (6) uitgevoerd, waarbij het volledige traject wordt afgegraven tot op de moederbodem en verder onderzocht

M&L


wordt zoals een klassieke opgraving. In 2008 werd dit onderzoek gevolgd door de opvolging van de uitbreiding van deze wegkoffer (7). In een deel van deze zone moet in de toekomst nog een vlakdekkende opgraving uitgevoerd worden. Eind 2007 werden de terreinen van de N.V. Ikea, ofwel zone 3, geprospecteerd (8), waarna in januari 2008 een opgraving (9) werd uitgevoerd. Voor de zomer 2008 werd rond deze zone nog een wegkoffer (10) in uitvoering onderworpen aan voorafgaand archeologisch onderzoek voor rekening van N.V. Grondbank The Loop. In de zomer werd werk gemaakt van de aanleg van een bufferbekken en verschillende rioleringen opnieuw voor de N.V. Grondbank The Loop. In totaal is ondertussen ongeveer drie hectare aan wegkoffers onderzocht, een kleine dertien hectare onderworpen aan proefsleuvenonderzoek waarvan al meer dan twee hectare vlakdekkend werd onderzocht en zeker nog een tot twee hectare volgt. Verder vooronderzoek ligt bij verschillende deelprojecten zeker nos in het verschiet.

vnnm OPIGE STAND VAN

ZAKEN VAN HFT RECFNTF ONDFRZOFK

_

De resultaten van al deze archeologische ingrepen vormen samengevoegd met de resultaten uit de jaren 1980 een vrij omvangrijk en indrukwekkend geheel. Bovendien ontstaat er een quasi volledig diachroon overzicht van de occupatiegeschiedenis

Veldopname van het van de site. In deze bijdrage wordt gepoogd een vermoedelijke finaal- s u m r n i e r chronologisch overzicht te presenteren, neolltische vlakgraf op zone I (© Universiteit Gent)

Een selectie van de grafbljgift. Linksboven: vuurstenen schrabber; rechtsboven: stenen gepolijst bijltje; onder: aardewerkfragmenten van een versierde klokbeker ( © Ename Expertisecenter)

IVI&L

zonder daarbij op alle details in te gaan, noch om een volledige vergelijking met de beschikbare archeologische gegevens aan te bieden. Deze synthese handelt over onderzoek dat nog niet volledig is afgerond en is bijgevolg te beschouwen als werk in ontwikkeling, waarbij bepaalde dateringen, hypotheses of stellingen nog kunnen worden bijgesteld.

BODFMKUNDIGF FN TOPOGRAFISCHF SITUERING Flanders Expo bevindt zich tussen de snelweg E40 (vlakbij de afrit Sint-Denijs-Westrem) en Ringvaart, ten zuidwesten van het stadcentrum van Gent. De site is ingeplant op een zandige opduiking van maximaal twaalf meter T.A.W. (Tweede Algemene Waterpassing), die het omliggende landschap van gemiddeld zeven meter T.A.W. domineert en uitkijkt over de Leie die er op gemiddeld 750 meter van verwijderd ligt. Het archeologische onderzoek werd uitgevoerd dicht bij de top, op de noordelijke, westelijke en zuidelijke helling en aan de noordelijke depressie die de opduiking begrenst.

KLEIN GRAFVELDJE UIT HET FINALE NEQUTHICUM Gelegen in zone 1, net in de noordelijke depressie, bevonden zich drie vlak bij elkaar gelegen ovale en zeer gelijkaardige kuilen. Deze sporen waren vrij ondiep (maximaal tien tot vijftien centimeter) be-


waard en moeilijk aflijnbaar door veel bioturbaties en uitloging. Ze meten in het vlak circa 2,5 bij 1,25 meter en waren noordwest-zuidoost georiënteerd. De drie sporen waren op 2,5 tot 5 meter van elkaar verwijderd en lagen vlakbij de sleufwand. In de vulling van één van de sporen zaten aardewerkfragmenten van een finaalneolithische klokbeker (ongeveer 2600-2100 voor Christus), een vuurstenen schrabber en een stenen gepolijst bijltje vervat. Dit ensemble is een typische grafgift in de klokbekertraditie, waardoor verondersteld wordt dat het om graven zou gaan. Vergelijkingen met beter gedocumenteerde klokbekergraven spreken deze veronderstelling niet tegen, hoewel de vermoedelijk aanwezige menselijke overblijfselen volledig zijn vergaan zonder een spoor na te laten. Enkele 14Cdateringen op houtskool uit de kuilen ondersteunen de finaalneolithische dateringen. Mogelijk werd een zeer klein grafveldje van een drietal graven aangesneden en gedocumenteerd. De ligging vlakbij de sleufwand betekent dat er misschien meer kuilen buiten het opgravingvlak te vinden zijn. O p de site zijn het vooralsnog de enige sporen uit het neolithicum, op een geïsoleerde kuil na die temidden de Romeinse nederzetting in de jaren 1980 werd gedocumenteerd (11). Dergelijke grafcontexten zijn vrij uitzonderlijk in zandig Vlaanderen, zeker als het meer dan één exemplaar betreft. Wellicht zijn de sporen bewaard gebleven door hun ligging in de depressie die bedekt werd met een afschermend pakket colluvium.

T Bronstljdscherf

versiering

met verticale lijnen

(© Stad Gent)

^

>

#

In de wegkoffer van zone 2 werd een kleine cluster van zowat veertig paalsporen en twaalf kuilen aangetroffen. Er konden geen gebouwstructuren in herkend worden, maar uit de vulling van de kuilen werden wel een aantal dateerbare stukken aardewerk gerecupereerd, die uit de vroege tot midden bronstijd (ongeveer 2100-1100 voor Christus) blijken te stammen. Deze verzameling grondsporen liggen verspreid over een zone van twintig meter en situeerden zich bij een sleufwand. Ze duiden op de aanwezigheid van een nederzetting uit de bronstijd. Maldegem-Burkel is de enige andere bekende site in zandig Vlaanderen met een duidelijke nederzetting uit de vroege tot midden bronstijd, waar overigens wel gebouwplattegronden werden vastgesteld (12). Het vervolgonderzoek dat in zone 2 net naast deze cluster moet plaatsgrijpen, heeft veel potentieel om nog meer sporen van de bronstijdnederzetting prijs te geven.

GRAFHEUVEL UIT DF MIDDEN BRONSTIJD In de wegkoffer rond zone 3 werd nog een andere aanwezigheid uit de midden bronstijd (ca. 18001100 voor onze tijdrekening) aangetroffen. Alhoewel er geen dateerbare vondsten werden gedaan, kan het spoor op typologische gronden binnen die periode geplaatst worden. Het spoor in kwestie

• Overzichtsopname van de bronstijdgrafcirkel op de wegkoffer van zone 3 (© Ename Expertisecentcr)

met ingedrukte

.

NEDERZETTING UIT DE VROEGE TOT MIDDFN BRQNSTIID

»•

^

• '

0

9 «

•

'

'

tHHP -

HH

HB

WÊÊÊ

P

•ffi IVI&L


Dwarsdoorsnede op

2 met In de vulling

de ronde late

talrijke vondsten

T Selectie van de

sierraad en enigma-

bronstiidkuil uit de

( © Ename

vondsten uit de late

tische steen met

wegkoffer van zone

Expertisecenter)

bronstijdkuil.

groef; rechtsboven

linksboven: vuur-

en onder: selectie

stenen schrabber

van het aardewerk

op ware grootte;

(© Ename

midden bovenaan:

Expertisecenter)

toonde een cirkelvormige gracht met een diameter van 17 meter. De gracht was langs zuidelijke zijde 70 centimeter breed en nog 40 centimeter diep bewaard, maar langs noordelijke kant was ze erg ondiep en verstoord, waardoor slechts drievijfde van het grachttracé met zekerheid gedocumenteerd is. De gracht is te interpreteren als het enige wat rest van een bronstijdgrafheuvel. Dergelijke grafcirkels zijn door de luchtfotografie en enkele opgravingen welbekend in de regio. Voor de hallen van Flanders Expo werden ingeplant, werden van twee vrij dubieuze cirkels luchtfoto's genomen (13). Door één van deze cirkels werd in twee fasen een 30 m brede wegkoffer getrokken, wat alvast geen enkel resultaat opleverde. De andere cirkel bevindt zich tegenwoordig onder de hallen. Toch tonen ze aan dat de tijdens de wegcontrole aangetroffen circulaire gracht mogelijk geen alleenstaand fenomeen op de

ENKELE CONTEXTEN UIT DE LATE BRONSTIID Tijdens de jaren 1980 werd al een nederzetting uit de late bronstijd (ongeveer 1100-750 voor onze tijdrekening) opgegraven (14), en tijdens de wegkoffer controle in zone 2 werden in 2008 nog vijf bijkomende, maar erg verspreid gesitueerde kuilen gedocumenteerd. Het betreft telkens vrij grote kuilen, die voor de rest een erg verscheiden voorkomen

M&L


2

vertonen. In een 1,5 meter grote, ronde kuil van 15 centimeter diep bevond zich een bijzonder vondstenensemble. In de vulling werden 154 scherven aangetroffen van verschillende — al dan niet versierde - aardewerken potten. Karakteristiek voor de late bronstijd is het fragment van twee kommetjes of tassen met oor. Behalve aardewerk werden ook een vuurstenen schrabber, een gepolijste steen met groef waarvan de functie niet duidelijk is en een groot fragment van een klein mooi blinkend steentje, mogelijk een sierraad, opgemerkt. Dergelijke geïsoleerde kuilen, met vaak een behoorlijke hoeveelheid aardewerk, komen vaker voor in het aangrenzende zuidelijk Oost-Vlaanderen (15). De functie of bedoeling van deze kuilen uit de late bronstijd is niet geheel duidelijk. De exemplaren op Flanders Expo zijn waarschijnlijk gelijktijdig met de ai gevonden nederzetting.

3

I Veldopname van een ïan de ijzertijderven op zone I met centraal een gebouw, omringd door enkele bijgebouwen, paalsporen en kuilen (© Universiteit Gent) 2. Dwarsdoorsnede op een mogelijke voorraadkuil van dit ijzertijderf (© Universiteit Gent) 3 Een volledig weefgewicht afkomstig uit een ijzertijdspoor

DE IJZERTIJDQCCUPATIE

(© Ename Expertisecenter)

IJzertijdsporen werden over de hele site teruggevonden. Vaak betreft het nederzettingssporen die verspreid over vrijwel alle zones voorkomen. Tijdens de ijzertijd (ongeveer 7 5 0 - 5 0 voor onze tijdrekening) was de site duidelijk erg in trek voor bewoning. Het betreft zowel geïsoleerde bijgebouwtjes, als volledige erven die bestaan uit een aantal bijgebouwtjes, kuilen en hoofdgebouwen. In de wegkoffers werden vermoedelijk twee erven deels aangesneden, maar in zone 1 is er een duidelijk overzicht op een aantal vermoedelijk volledige en ruimtelijk van elkaar gescheiden erven. In totaal werden een vijftal hoofdgebouwen opgetekend, verspreid over evenveel sporenclusters. Rondom de

gebouwen bevonden zich in totaal een twintigtal als dusdanig te herkennen spiekers of bijgebouwen, vaak nog talrijke palen en kuilen. Centraal in het opgravingvlak meden alle erven consequent één langgerekte zone. In deze zone bevonden zich enkele geïsoleerde kuilen die grotendeels op twee rijen lijken geschikt. Rondom één van de kuilen was nog een kwart van een zeer ondiep bewaarde circulaire greppel (met diameter 10 meter) zichtbaar. In de vulling van deze vaak grote langwerpig rechthoekige kuilen waren de mooiste contexten met de meest volledige aardewerken potten terug te vinden. De

1VI&L


exacte betekenis is nog niet volledig duidelijk, maar mogelijk betreft het een grafveld of andere sacraal/ rituele plaats binnen de nederzetting. Het aardewerk dateert voor het merendeel uit de 8ste tot 3de eeuw voor onze tijdrekening. Dergelijk grootschalig ijzertijdnederzettingsonderzoek is schaars in zandig Vlaanderen. Enkel een site in Sint-GillisWaas die voornamelijk sporen uit de vroege ijzertijd opleverde, is vergelijkbaar (16).

• \

EEN VnilEDIG ROMEINS LANDSCHAP

• Romeins potstalgebouw met iware paalsporen in het

De site Flanders Expo was vóór het recente archeologisch onderzoek vooral bekend omwille van zijn Romeinse nederzetting met twee wegtracés en een grafveld (17). Nieuw onderzoek toonde aan dat de site doorheen verscheidene periodes intensief bewoond en bewerkt werd. Dit neemt niet weg dat, hoewel een aantal oorspronkelijke intetpretaties moeten herzien worden, het nog steeds een erg belangrijke Romeinse landelijke site betreft.

vlak van zone I (© Universiteit Gent)

Uitzonderlijk goed bewaarde maalsteen uit een hoekpaal van het Romeinse potstalgebouw (© Ename Expertisecenter)

Zicht op de houten beschoeimg van een Romeinse waterput tijdens de opgraving op zone I (© Universiteit Gent)

IVI&L

In zone 1 werden drie volledige erven aangetroffen die elkaar kort opvolgden in tijd, namelijk vanaf de late 1ste eeuw tot de vroege 3de eeuw van onze tijdrekening. Deze erven bestonden telkens uit één hoofdgebouw met maximaal op 20 meter afstand een gelijktijdige waterput en mogelijk één of meerdere bijgebouwen. De hoofdgebouwen hadden een gelijkaardige opbouw met telkens twee zware nokstaanders en twee of vier zware dragende zijpalen die het geheel een kruisvorm gaven. De gebouwen meten 11,5 bij 6,5 meter en tweemaal 17 bij 8 meter. Het meest opvallende gebouw was een stevig uitgebouwd exemplaar met potstal. Van de drie waterputten had er één geen beschoeiing meer. Twee exemplaren toonden nog een vierkante houten bekisting van horizontale balken die in elkaar waren gehaakt. Een van deze waterputten — degene die bij het potstalgebouw hoort - was extra versterkt met vier zware hoekbalken en horizontale halfuitgeholde stutten. Uit de verschillende nederzettingssporen werden talrijke vondsten gerecupereerd. Blikvangers zijn een volledig bewaarde maalsteen, enkele wetstenen, en enkele mooie aardewerkfragmenten. In zone 3 werden een aantal grachten aangetroffen, die op een systeem van landindeling kan duiden. Een bijhorende drenkkuil laat vermoeden dat er vee werd gehouden. De herinterpretatie van de oude opgraving (die er vlak bij lag) leidde ertoe dat er andere en bijkomende hoofdgebouwen te herkennen zijn, in totaal een vijftal plattegronden. De scherp afgelijnde nederzetting dient te worden herzien. De


Een lengtedoorsnede op één van de 30 Romeinse brandrestengraven ( e Ename Expertisecenter)

Romeinse nederzettingssporen zijn eerder te interpreteren als een diachrone opeenvolging van verschillende gelijktijdige erven die ingeplant waren binnen het toenmalige landschap. Binnen dit landschap was er ook aandacht voor de doden. De verschillende recente campagnes leverden tot nu toe al dertig brandrestengraven op. Een aantal daarvan betreffen verspreid liggende veldgraven (18), klaarblijkelijk willekeurig in het landschap. Een grotere fractie behoort dan weer tot kleine clusters van vier tot zes graven die duidelijke samen horen. Dergelijke clusters van brandrestengraven zijn mogelijk familiegrafveldjes. Drie van deze grafclusters werden aangetroffen in de wegkoffer van zone 3, in het verlengde van het in de jaren 1980 gedocumenteerde grafveld. Wellicht is ook deze scherp afgelijnde zone te herinterpreteren als een ruime zone met verschillende, al dan niet gelijktijdige familiegrafveldjes die horen bij de talrijke nederzettingsresten. Romeinse nederzettingen en brandrestengraven zijn goed gekend in zandig Vlaanderen, maar het unieke zicht over een uitgebreide oppervlakte zoals bij Flanders Expo wordt enkel overtroffen door de onderzoeksresultaten van Evergem—Kluizendok (19).

VROEGMIDDELEEUWSE ERVEN Tijdens de wegkoffercontrole in zone 2 werd in 2007 al een belangrijke vondst uit de vroege middeleeuwen (ongeveer 5 c tot 10 c eeuw na Christus) gedaan. In de sleuf bevond zich een deels vierschepige, deels tweeschepige houtbouw met afgeronde zijden. Dit gebouw was 17,5 meter langen 7,5 meter breed. O p 20 meter afstand van het gebouw en

Plattegrond ïan het vroegmiddeleeuwse hoofdgebouw op zone 2 ( e Ename Expertisecenter)

M&L


exact in het verlengde ervan bevond zich een vrij grote onregelmatige, ondiepe verkleuring die mogelijk als poel kan geïnterpreteerd worden. Tot dezelfde sporencluster behoren nog talrijke paalsporen en enkele kuilen. Het schaarse aardewerk kan slechts algemeen in de vroege middeleeuwen geplaatst worden.

De waterput met twee bekistingen uti de vroege middeleeuwen, waarbij de linkse (jongere) duidelijk de rechtse (oudere) oversnijdt (© Ename Expertisecenter)

1VI&L

In 2008 werd de werkzone uitgebreid en verder onderzoek toonde de aanwezigheid van nog meer sporenclusters aan. Het betreft een deels aangesneden éénbeukig gebouw van 6 meter breed en minstens 10 meter lang, evenals een iets verder gelegen cluster van zowat vijftig paalsporen en enkele kuilen. In deze cluster werden drie vierpalige spiekers en een achtpalig bijgebouw herkend. O p 15 meter van deze zone bevond er zich een circulair grondspoor met een diameter van 3 meter. In doorsnede bleek het om een waterput te gaan, die werd heraangelegd. Een vierkante houten beschoeiing werd oversneden door de aanlegkuil van een eveneens vierkante houten bekisting van horizontale planken en vier verticale aangepunte hoekbalken. Aarde-

werk uit de vulling van de oudste waterput lijkt Karolingisch te zijn. De sporenclusters kunnen wellicht als erven bestempeld worden. De erven waren ingeplant laag op de helling, een blijkbaar typische plek voor deze periode (20). Dergelijke erven en bijhorende hoofdgebouwen zijn - met uitzondering van sites in het Brugse ommeland (21) - vrij slecht gekend voor de vroege middeleeuwen.

NFDERZETTING UIT DF VOIIF MIDDELEEliWFN Al in 1986 werd een kleine opgraving uitgevoerd waarbij een gebouw en enkele andere nederzettingssporen uit de 10 ^ tot 13 e eeuw werden opgegraven (22). In zone 3 werden tijdens de opgraving in de directe omgeving nog meer middeleeuwse nederzettingssporen aangetroffen. Vermoedelijk werd een volledig erf uit de late 9 c tot vroege 11 e eeuw gedocumenteerd. Een tweeschepig hoofdgebouw van 21 meter lang en 6 meter breed, was noord-


oost-zuidwest georiënteerd. De constructie was geflankeerd door twee vierpalige spiekers met zijden van gemiddeld 4 meter en door een grote kuil. Helaas liep deze zone verder in een door de aanleg van parkings erg verstoorde zone. Enkel de diepste sporen waren bewaard. Het gaat over een goed bewaarde vlechtwerkwaterput uit de late 11 e -12 e eeuw en twee waterputten met een vierkante bekisting en met zware verticale hoekbalken uit de 10 c of vroege 11 e eeuw. De combinatie van de gegevens leert dat een behoorlijke nederzetting was ingeplant op de hoge flank nabij de top van de helling, een typische landschappelijke setting voor een landelijke nederzetting in de volle middeleeuwen (23). Ondertussen komen meer en meer dergelijke nederzettingen aan het licht in westelijk Vlaanderen, waarbij deze site met Evergem-Belsele, Erembodegem en de sites rond Brugge tot de voornaamste behoort.

FFN WINDMOLEN UIT DE 1 2 D r - 1 3 D t EEUW Tijdens de werfcontrole op de wegkoffer rondom zone 3, in juni 2008, werd een opmerkelijke structuur aangetroffen en bijna volledig gedocumenteerd. Een circulaire, gracht van 6 meter breed vertoonde twee duidelijke onderbrekingen en had een diameter van 32 meter. Centraal bevond er zich een kruisvormig spoor met benen van 10 meter lang en 1,5 meter breed, die noordoost-zuidwest en noordwest-zuidoost georiënteerd waren. De gracht was nog maximaal 70 centimeter diep, terwijl het kruisvormige spoor minder diep was bewaard, tot 10 centimeter onder het opgravingvlak. Uit de bovenste vulling van de gracht werden enkele randscherven uit de 13de eeuw gerecupereerd. De structuur valt te interpreteren als een windmolen van het staak- of standerdtype. De kruisvorm lijkt erg goed op de onderbouw van een molen en het is gekend dat vroege types staakmolen nog niet op teerlingen geplaatst maar ingegraven werden (24). De omringende gracht diende mogelijk als afbakening en om het binnenruimte licht op te hogen. De ligging van deze windmolen is eveneens typisch: dicht bij het hoogste punt van de omgeving (gemiddeld 11,35 meter T.A.W.) en niet ver verwijderd van een mogelijk gelijktijdige nederzettingskern. Het tijdskader is echter problematisch; enkel de opgave van de omringende gracht is gedateerd. Dit houdt echter niet in dat de molen heeft opgehouden te bestaan, of dat ze niet een pak ouder


• Fotografische opname vanuit de kraanbak op een gedeelte van de 13

eeuwse molen op zone 3 (© Ename Expertisecenter)

WFRFLDQQRLQGFRFGQED Tijdens de 19de eeuw werden de terreinen omgevormd tot militair oefenterrein. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de site verder ontwikkeld tot militair vliegveld, dat bleef groeien tot na de Tweede Wereldoorlog (26). Net zoals er nog een aantal relicten van deze periodes in opstand bewaard zijn, bevinden zich nog talrijke sporen in de bodem. Zo werden in zone 1 en op de wegkoffer van zone 3 mooie loopgraaftracés gedocumenteerd, waarvan de meeste behoren tot de (laatste) Pools-Britse fase van kort na de bevrijding. Tot de mobiele vondsten behoren een helm, munitietasjes, munitie, metalen platen, een ijzeren kist, en talrijke drankflessen.

WAT BRENGT DE TOFKOMST? A Detailgrondplan van de I3 de eeuwse molenstructuur met jongere sporen (© Ename Expertisecenter)

1VI&L

is. Zeker is dat de molen vlak voor de opgave van de gracht in de 13 e eeuw in gebruik moet zijn geweest. Archeologisch gedocumenteerde windmolens zijn uiterst schaars in Vlaanderen. Een ander (gelijktijdig) exemplaar is gekend uit De Panne (25).

H e t verhaal eindigt niet hier. In de nabije toekomst zullen geplande bouwwerven verder opgevolgd worden met proefsleuven, opgravingen of werfcontroles ten einde deze unieke site verder te documenteren voor het archeologische bodemarchief onherroepelijk verloren gaat. Wellicht zullen nog aanvullende gegevens worden aangesneden.


A Veldopname van lang loopgraaftracé op de wegkoffer van zone 3 (© Ename Expertisecenter)

Door het integreren van archeologische adviezen in de MER-procedures krijgt het noodzakelijke, voorafgaandelijke archeologisch onderzoek meer kan-

Johan Hoorne is als projectarcheoloog verbonden

sen, dit in schril contrast met de voorgeschiedenis

aan het archeologisch onderzoek Flanders Expo —

van de site die tijdens de jaren 1980 bij de hervor-

The Loop.

ming van vliegveld naar hallen en parking van Flanders Expo grondig verstoord werd. Tevens vormt deze site een mooi voorbeeld van hoe projectontwikkeling hand in hand kan gaan met duurzame

EINDNOTEN

zore en aandacht voor onroerend erfgoed. (1) Deze bijdrage kwam tot stand met medewerking van stadsarcheoloog Marie Christine Laieman (Dienst Stadsarcheoiogie van de Stad Gent). De opgravingen werden grotendeels uitgevoerd door het Ename Expertisecentrum voor erfgoedontsiuiting vzw in samenwerking met de Dienst Stadsarcheoiogie, de Universiteit Gent en de provincie Oost-Vlaanderen. Het terreinwerk werd uitgevoerd door een wisselend en ondertussen erg uitgebreid team van projectarcheologen; Bart Bartholomieux, Maarten Berkers, Cateline Clement, Griet De Doncker, Bart De Stnaele, Johan Hoorne, Nele Iserbyt, Sigrid Klinkenborg, Liesbeth Messiaen, Caroline Ryssaert, Evelyn Schynkel en Arne Verbrugge. Voor de verwerking en/of begeleiding kon beroep worden gedaan •

op de diensten van Guy De Mulder (UGent), Wim De Clercq

Hunitietasje

(UGent), Koen De Groote (VIOE), Anton Ervynck (UGent,

gevonden tijdens

VIOE), Luc Bauters (provincie Oost-Vlaanderen), Jean Bour-

de opgraving op zone 3

geois (UGent), Philippe Crombé (UGent) en Joris Sergeant

(© Universiteit Gent)

(UGent). Met dank aan alle betrokken partijen.


(2)

Het Stadsontwikkelingsbedrijf Gent (AG SOB) stond in voor de

(14) BOURGEOIS J. en BAUTERS L , De nederzetting uit de metaal-

hele ontwikkeling. Alle archeologische onderzoek wordt geotga-

tijden van Sint-Denijs-Westrem. Resultaten van de noodopgraving

niseerd en gefinancierd door de bouwheren. In 2007 en 2008

1984 en 1986, in Archeologisch Jaarboek Gent 7 ^ 2 , 1 9 9 3 , p. 131 -

waren dit de N.V. Grondbank The Loop, de N.V. Ikea, de

(3)

(15) Bijvoorbeeld te Erembodegem, persoonlijke communicatie Vin de

zuilen nog andere private partners participeren in dit groorscha-

Vijver M. en Wuyts E; Velzeke: DE MULDER G. en DEWAN-

lige onderzoek.

DEL T , Een nieuwe kuil uit de metaaltijden te Velzeke (O.-VI.), in

BOURGEOIS J. en BAUTERS L , De nederzetting uit de metaal-

Handelingen van het Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en

tijden van Stnt-Denijs-Westrem. Resultaten van de noodopgraving

Oudheidkunde. XII/2, 2007, p. 19-26; en Wetteren: PEDE R. en

1984 en 1986, \n Archeologisch Jaarboek Gent 1992, 1993, p. 131-

VAN DE VIJVER M., Twee kuilen uit de late bronstijd/vroege

155; Vermeulen E, De Gallo-Romeinse nederzetting te Sint-Denijs-

ijzertijd te Wetteren (provincie Oost-Vlaanderen, België), in Lunula.

Westrem (gem. Gent, prov. Oost-Vlaanderen), \n Archeologisch Jaarhoek Gent 1992, Xm,?. (4)

187-303.

HOORNE ] . , DE MULDER G., RYSSAERT C , BARTHO-

Archaeologiaprotohistorica, XVI, 2008, p. 49-52. (16) BOURGEOIS J., Nederzettingen uit de late bronstijd en vroege ijzertijd in westelijk België: Sint-Denijs-Westrem en Sint-Gillis-

LOMIEUX B., BERKERS M , DE DONCKER G., ISERBYT

Waas, in: FOKKENS H. & ROYMANS N. (RED.), Nederzet-

N. en KLINKENBORG S., Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo

tingen uit de bronstijd en de vroege ijzertijd in de lage landen,

Zone 1 & 2: Archeologisch vooronderzoek en wegkofferbegeleiding

Nederlandse Archeologische Rapporten, 13, Amersfoort, 1991,

van 12 tot 25 juni en van 27 augustus tot 28 september 2007 (Stad

p. 171-179.

Gent, provincie Oost-Vlaanderen), Gent, 2008 (onuitgegeven). (5)

155.

N.V. Stassimmo en de N.V. E.C.P.D. Voor de periode 2008-2010

(17) VERMEULEN E, De Gallo-Romeinse nederzetting te Sint-Denijs-

HOORNE J., BARTHOLOMIEUX B., DE MULDER G., DE

Westrem (gem. Gent, prov. Oost-Vlaanderen), in Archeologisch Jaar-

CLERCQ W., RYSSAERT C , DE DONCKER G., BERKERS

boek Gent 1992, 1993, p. 187-303.

M. en ISERBYT N., Sint-Denijs- Westrem - Flanders Expo Zone 1:

(18) DE CLERCQ W., Een blik op een decennium archeologisch

Archeologisch onderzoek van 25 juni tot 15 november 2007 (Stad

onderzoek op Gallo-Romeinse vindplaatsen in Oost-Vlaanderen, in

Gent, provincie Oost-Vlaanderen), Gent, 2008 (in voorbereiding).

VOBOV-Info, 52, 2000, p. 35-46. (19) LALOO P., DE CLERCQ W., PERDAEN Y. en CROMBÉ P,

(6)

Zie noot 3.

(7)

HOORNE ] . , BARTHOLOMIEUX B., CLEMENT C , DE

Grootschalig nederzettingsonderzoek in een inheems-Romeins land-

DONCKER G., MESSIAEN L. en VERBRUGGE A., Sint-Den-

schap. Resultaten 2006-2007 en voorlopig bilan van het preventief

ijs-Westrem - Flanders Expo Zone 2 & 3: Archeologische wegkof-

archeologisch onderzoek 'Kluizendok' in de Gentse haven, in Romei-

ferbegeleiding van 13 mei tot 7 juli 2008 (Stad Gent, provincie Oost-Vlaanderen), Gent, 2008 (onuitgegeven). (8)

BARTHOLOMIEUX B., DE SMAELE B., H O O R N E J. en

zettingen op de zandgronden in Noord-Brabant, in BIJSTERVELD

VERBRUGGE A., Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 31

A. J., Middeleeuwen in beweging, Amersfoort, 1991, p. 59-76.

IKEA : Archeologisch vooronderzoek van 3 tot 21 december 2007

(9)

nendag, 2008, p. 73-84. (20) VERHOEVEN A. en VREENEGOOR E., Middeleeuwse neder-

(21) Bijvoorbeeld: HILLEWAERT B. en HOLLEVOET Y, Ander-

(Stad Gent, provincie Oost-Vlaanderen), Gent, 2007 (onuitgege-

maal Romeins en vroegmiddeleeuws langs de Zandstraal te Sint-

ven).

Andries/Brugge (prov. West-Vlaanderen), in Relicta. Archeologie,

H O O R N E J., SCHYNKEL E., DE SMAELE B. en BARTHO-

Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, 1, 2006,

LOMIEUX B., Sint-Denijs-Westrem - Flanders Expo Zone 3 I

p. 121-140.

IKEA : Archeologisch onderzoek van 2 januari tot 15 februari 2008

(22) Persoonlijke communicatieven

(Stad Gent, provincie Oost-Vlaanderen), Gent, 2008d (onuitgege-

(23) Zie noot 15.

ven).

(24) BAUTERS P, Van zadelsteen tot zetelkruiser. 2000 jaar molens in

Bourgeois.

(10) zie noot 7

Vlaanderen. Boek 1 - Geschiedenis van het malen met natuurlijke

(11) VERMEULEN E, De Gallo-Romeinse nederzetting te Sint-Denijs-

drijfkracht. Gent, 1998: 288.

Westrem (gem. Gent, prov. Oost-Vlaanderen), 'm Archeologisch Jaarboek Gent 1992, \<)<)i:W en m . (12) CROMBÉ PH., DE CLERCQ W., MEGANCK M. en BOUR-

(25) DEWILDE M. en WYFFELS E, Archeologische vondsten in de Oosthoekduinen van De Panne (W.-VL), in Archaeologia Mediaevalis. Kroniek, 26, 2003, p. 37-38.

GEOIS 1., Een meerperiodensite bij de vallei van de Ede te Malde-

(26) ANTHEUNIS G., Het vliegveld van Sint-Denijs-Westrem en het

gem-Burkel (gem. Maldegem). Menselijke aanwezigheid uit de

de Ghellinckdomein te Zwijnaarde tijdens Wereldoorlog 1 en II, in

Steentijd, een nederzetting en grafheuvel uit de Bronstijd en een ne-

Heemkring Scheldeveld. Jaarboek, XXXVI, 2007, p. 5-24.

derzetting uit de Romeinse tijd, in IN 'T VEN I. en DE CLERCQ W. (RED.), Een lijn door het landschap. Archeologie en het VTNproject 1997-1998. Deel II, Brussel, 2005, p. 93-117. (13) BOURGEOIS]., MEGANCKM., SEMEYJ. en VERLAECKT K , Cirkels in heiland. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oost- en West-Vlaanderen III, Gent, 1999.


Dirk Van Eenhooge

DE MIDDELEEUWSE SPOREINIKAPPEN VAN DE ONZE-LIEVE-VRODWEKERK IN BRUGGE

De bijzonder gaaf bewaarde sporenkap met makelaarspanten en hanenbalkfliering boven de noordelijke zijbeuk (ca. 1360) (foto 0. Pauwels)

/n 7 9 6 2 publiceerden hun baanbrekende

H. fansc en L.

Devliegher

studie over de m i d d e l e e u w -

rend Erfgoed een aantal

dendrochronologische

analyses van de belangrijkste

kapconstructies

se b e k a p p i n g e n in h e t v r o e g e r e g r a a f s c h a p

(3). Toen op het einde van de rit bleek dat bij-

V l a a n d e r e n (1). Sindsdien werd er

komende gegevens noodzakelijk

nog omgekeken

nauwelijks

naar de middeleeuwse

kap-

door Onroerend Erfgoed een aantal

constructies die in de Brugse Onze Lieve Vrouwekerk

bewaard

bleven. De restauratie,

2006-2007,

van deze bekappingen

dan ook de ideale gelegenheid

te onderwerpen bouwheer.

in

Vlaanderen

om al deze kap-

pen aan een grondig bouwhistorisch (2). Tegelijkertijd

onderzoek

bestelde de

Stad Brugge, op vraag van Onroe-

werden

analyses

bijbesteld.

was voor

het Team Onroerend Erfgoed West

waren,

Dit alles betekent sporenkappen

dat de 10

die in deze kerk kunnen

teruggevonden,

worden

twee nog oudere kappen

uit hergebruikmateriaal construeerd,

middeleeuwse

konden worden de

en een laat-16 -eeuwse

genkap nu voor het eerst kunnen beschreven én nauwkeurig

gere-

gordin-

worden

gedateerd.

die


• De dakkap boven

HF ONZE-LIEVF-VRQUWFKERK

DE SPQRENKAPPEN

De kerk werd waarschijnlijk in het derde kwart van de 9 eeuw gesticht als hulpkerk van de parochie Sijsele (4). In 1089 wordt zij voor het eerst vermeld als autonome parochiekerk, waarbij in 1091 een kapittel wordt gesticht. Rond dezelfde tijd vangt men de bouw aan van een driebeukige romaanse kerk, die echter vanaf het tweede kwart van de 13 e eeuw geleidelijk vervangen wordt door een grote gotische kerk. In eerste instantie wordt het romaanse koor vervangen door een pseudotransept en de aanzet van een nieuw koor, en iets later wordt de imposante driebeukige benedenkerk gebouwd. Na een pauze van ongeveer 20 jaar wordt er vanaf 1270-1280 verder gebouwd en komt een nieuw koor tot stand, met kooromgang en kranskapellen. Tegelijkertijd wordt de bouw van de monumentale toren aangevat, waar nog tot midden 15 e eeuw zal aan worden verder gewerkt. Van de late 13 c tot in de 16 c eeuw worden ten Noorden en ten Zuiden van de kerk nog extra zijbeuken en kapellen bijgebouwd. In de volgende eeuwen wordt er herhaaldelijk aan de toren gewerkt en gebeuren er ook binnen een aantal transformaties en verbouwingen. De laatste uitbreiding gebeurt in 1911 wanneer aan de Zuidzijde een nieuwe sacristie in neogotische stijl wordt toegevoegd.

De oudste kapconstructies die in onze streken bewaard bleven behoren alle tot het type sporenkap. De oudste dateren uit de 11 e , de jongste uit de eerste helft van de 16 e eeuw. Sporenkappen onderscheiden zich van andere daktypes door het feit dat ze géén nokbalk hebben, maar wel minstens één hanenbalk per sporenpaar (5). Gedurende de minstens zes eeuwen durende toepassing van deze kappen greep er vanzelfsprekend een intense evolutie plaats, waardoor de typologie van sporenkappen een zeer grote verscheidenheid vertoont, en soms tot verwarring leidt. Een bijkomend probleem in de studie van dit kaptype bestaat hieruit, dat oude types soms zeer lang werden toegepast, ondanks het feit dat toen reeds technologisch meer geavanceerde kaptypes gekend waren. Bovendien werden vroege sporenkappen zeer dikwijls in de loop der tijd aangepast en uitgebreid teneinde de nodige stabiliteit en stijfheid te verkrijgen.

de middenbeuk, met de originele daksporen en hanenbalken uit 1250, de langsverbmding met makelaars uit I27S, en de schaargebmten uit 1400 (foto 0. Pauwcis)

De dakkap boven de middenbeuk en hoogkoor, een bouwhistorisch kluwen waarin hout uit vijf verschillende bouwperioden werd aangetroffen (foto 0. Pauwels)

IS/I&L

Dit alles betekent niet alleen dat bij de analyse van een sporenkap bijzonder alert moet gekeken worden naar bijvoorbeeld verbindingen, houtsoort, weggenomen of ontbrekende onderdelen, maar eveneens dat een accurate datering zoals die in veel gevallen via dendrochronologische analyse kan bekomen worden, van essentieel belang is voor een goed eindresultaat.


In deze bijdrage presenteren wij het bekomen resultaat in eerste instantie niet via een chronologische rangschikking, maar zijn de sporenkappen in typologische groepen samengebracht, en wordt er pas nadien een chronologisch overzicht en bouwgeschiedenis aangeboden. Achtereenvolgens komen volgende kaptypes aan bod : • Enkelvoudige sporenkappen met blokkeel en standzoon; • Enkelvoudige sporenkappen met makelaarspanten; • Sporenkappen met makelaarspanten en hanenbalkfliering; • Sporenkappen op schaargebinten; • Gordingenkap met hanenbalken.

FNKELVQUDIfiF SPORENKAPPEN MET BLQKKEFI EN STAND700N Sporenkappen worden enkelvoudig genoemd wanneer er geen enkele langsverbinding tussen de sporenparen aanwezig is, en elk sporenpaar dus volledig los van de andere staat. Enige uitzondering hierop zijn soms windlatten (zie verder) die echter slechts een beperkt aantal sporen met elkaar verbinden en dus niet als een volwaardige langsverbinding kunnen beschouwd worden.

Beconstructietckening van de oudste enkelvoudige sporenkap, waarschijnlijk opgesteld boven het oudste gotische koor uit 1240 (tekening D.Van Eenhooge)

Bij de oudste, zogenaamd romaanse sporenkappen vormt elk sporenpaar een gesloten gelijkbenige driehoek doordat de voeten ervan met elkaar verbonden zijn door een voetbalk. Vanaf het midden van de 12 ,: eeuw echter worden geleidelijk aan minder voetbalken toegepast en worden sporenparen met voetbalk afgewisseld door één of meer sporenparen zonder voetbalk. Tijdens de eerste helft van de 13 '; eeuw wordt de afstand tussen de voetbalken groter om tenslotte samen te vallen met de traveebreedte (6). Vanaf dan spreken we niet meer van voetbalken maar van trekbalken of moerbalken. Waar er geen trekbalk is rust het dakspoor soms rechtstreeks op de muurplaat, maar meestal op een blokkeel dat zelf ofwel op een dubbele muurplaat ligt, ofwel op een voetraveling. Deze laatste bestaat uit een muurplaat en een raveelbalk die tussen of op de trekbalken is aangebracht. Tussen blokkeel en dakspoor wordt dan een standzoon geplaatst die deze verbinding verstijft. Doordat het blokkeel met zwaluwstaartverbindingen op de muurplaten of met een pen-en-gatverbinding in de raveelbalk is vastgezet, bleek deze constructiewijze zeer stabiel en efficiënt tegen het wegschuiven van de kapvoet. De combinatie muur-

plaat/blokkeel/standzoon bleef dan ook zeer lang in gebruik en is zelfs nog toegepast in 16 ''-eeuwse kappen met schaargebinten. De eenvoudigste sporenkappen van het hier beschreven type zijn deze met twee of drie hanenbalken, al dan niet met korbelen onder de onderste hanenbalk. Van dit type zijn er in de Onze-LieveVrouwekerk drie voorbeelden aan te halen, die we hier in chronologische volgorde presenteren.

Reconstructie Kap A In de twee dakkappen die tegen het einde van de 13 l: eeuw boven het hoogkoor werden opgetrokken bemerkten Janse en Devliegher reeds in 1962 zeer veel hergebruikmateriaal uit oudere kappen die volgens hen "wijzen op een constructie van het romaanse type" (7). Deze talrijke hergebruikstukken werden in het kader van ons bouwhistorisch onderzoek nauwkeurig onderzocht, opgemeten en geïnventariseerd. In tegenstelling tot de firma A.M.Consult die in haar eindrapport stelt dat "pas na zeer getrouwe en gedigitaliseerde inmeting enplanverwijzing en extrapolatie van de massa aan bekomen gegevens hypothesen van reconstitutieschema's kunnen opgesteld worden (8), zijn wij er wel in geslaagd wat orde in de chaos te ontwaren, en te kunnen besluiten dat er in het koor hergebruikmateriaal uit twee verschillende kapconstructies werd verwerkt. Ze konden beiden door dendrochronologisch onderzoek gedateerd worden.

Sporenpaar V

beptankino Rj construcl e K ip A

1 2

3

Sm


Van een eerste kap bleven een twintigtal houtstukken bewaard, die hetzij als dakspoor, hetzij als hanenbalk hergebruikt werden. Er werden hoofdzakelijk oude daksporen aangetroffen maar ook één oude hanenbalk. O p basis van de opmetingen van deze houtstukken kunnen we een sporenkap reconstrueren die voorzien was van drie hanenbalken en korbelen onder de onderste hanenbalk. Alle houtverbindingen waren halfhouts en hebben meestal de vorm van een halve zwaluwstaart. De daksporen meten in doorsnede 12 x 18 tot 14 x 22 cm en hebben dus een uitgesproken rechthoekige sectie. Hoe de voet van de dakkap was uitgewerkt valt nu niet meer te achterhalen doordat alle daksporen van de laat-13 c -eeuwse kap onderaan met ongeveer 60 cm werden ingekort (zie verder). Anderzijds werden alle daksporen die in de latere kap opnieuw als daksporen werden gebruikt, toen met 1,5 tot 2 meter verlengd met een eenvoudige schuine las. Dit betekent dat de dakhelling van de oorspronkelijke kap lager moet zijn geweest dan de bestaande kap. Uit de reconstructietekening komt een dakhelling van ongeveer 55° naar voren. Verdere informatie over de oorspronkelijke kap halen we uit twee daksporen die duidelijk tot hetzelfde sporenpaar hebben behoord: zij zijn allebei samengesteld uit twee aanééngelaste houtstukken (9), vertonen tussen eerste en tweede hanenbalk lipinkavelingen voor een extra hanenbalk, en van in de nok tot net onder de onderste hanenbalk, een verticale inkeping waarin de planken van een voorlo-

pige afsluitwand waren vastgezet. Dat deze beplanking niet tot de voet van de kap doorliep doet ons er toe besluiten dat de muurplaten zich lager bevonden dan de kruin van het onderliggende gewelf, en er dus geen trekbalken aanwezig waren. Een typologisch identiek voorbeeld vinden we boven het koor van de Utrechtse Nikolaikerk uit 1225 (10), maar er zijn ook andere 13 c -eeuwse voorbeelden hetzij met slechts twee hanenbalken (11) hetzij zonder korbelen (12). O p vraag van Onroerend Erfgoed werden uit de houtstukken van deze kap vier stalen genomen waaruit moeiteloos een gemiddelde curve kon worden berekend, die zeer goede resultaten gaf bij de vergelijking met de referentiecurven. De jongste gemeten jaarring dateert uit 1228, en het vellen van het hout wotdt door de dendrochronologen gesitueerd tussen 1229 en 1245 (13). Uit deze datering én uit de reconstructie die we van deze kap konden maken blijkt duidelijk dat het hier niet gaat om een " romaanse" kap zoals Janse en Devliegher veronderstelden, maar om een kap die toebehoort aan de eerste gotische bouwcampagne die door L. Devliegher in het tweede kwart van de 13 e eeuw wordt gesitueerd (14). De aanwezigheid van de voorlopige afsluitwand zou kunnen betekenen dat deze kap stond opgesteld boven de toen gebouwde aanzet van het nieuwe koor. Uit het bouwhistorisch én dendrochronologisch onderzoek is immers gebleken dat de veronderstelling van L. Devliegher dat als eerste het schip werd gebouwd, uiteindelijk niet juist is gebleken. Het is veel waarschijnlijker dat eerst het romaans koor werd vervangen door een nieuw pseudotransept en koorpartij, en men onmiddellijk daarna startte met de bouw van een nieuwe benedenkerk.

Rechts van het schaargebinte: hergebruikt dakspoor uit de oudste dakkap (ca. 1240) met inkavelingen

De oorspronkelijke kap van de Middenbeuk De huidige kap boven de middenbeuk (dakenplan, nr. 1) is een moeilijk leesbaar geheel van sporenparen, hanenbalken, makelaars, flieringen en schaargebinten, maar ons onderzoek heeft uitgewezen dat hier oorspronkelijk een zeer sobere enkelvoudige sporenkap werd opgesteld, waarvan de 41 sporenparen en de hanenbalken nagenoeg intact bewaard bleven. Verdwenen zijn wel de oorspronkelijke muurplaten, blokkelen en standzonen, toen omstreeks 1400 de middenbeuk van een borstwering werd voorzien (zie verder). Dat er wel degelijk standzonen aanwezig waren blijkt uit de wel bewaard gebleven schuine lipinkavelingen onderaan de ongeveer 60 cm ingekorte daksporen waarin de

voor een hanenbalk (boven) en een korbeel (onder) (foto 0. Pauwels)


Dakenplan met aanduiding van de besproken sporenkappen uit de 13d' tot de I6'' , eeuw

0 1 3 u iiI I

5

tekening D.Van Eenhooge)

BRUGGE

1V1&L

O.L.V-Kerk

Dakenplan


bovenzijde van de standzonen was vastgemaakt. De daksporen zelf meten gemiddeld 1 8 x 1 6 cm en zijn halfhouts verbonden met twee hanenbalken; deze halfhoutse verbindingen hebben de vorm van een halve zwaluwstaart, en zijn vastgezet met eerstens twee smeedijzeren nagels en vervolgens een houten toognagel (15). De onderdelen van deze sporenkap zijn voorzien van getrokken telmerken die van West naar Oost zijn aangebracht. De 10 stalen die uit deze kap werden genomen leverden een gemiddelde curve die zeer goede resultaten opleverde bij de vergelijking met de stan-

l

i

l

l

l

l

l

l

l

l

l

l

l

l

daardcurven. De jongste gemeten jaarring dateert uit 1239, en aangezien er op vijf stalen nog spinthout aanwezig was, kan de veldatum van de bomen vrij precies tussen 1240 en 1250 worden gesitueerd (16). De oudste bewaarde kappen van dit type bevinden zich in Frankrijk: de kap van het koor van de Eglise Notre-Dame van Puiseaux (Loiret) is gedateerd in 1210 (17), terwijl die van het koor van de StPierre-et-Paul in Gonesse (Val-d'Oise) gedateerd is in 1210-1211 (18). De voorbeelden die we in

* $f I » » t I ' I I I

I

i i \ï l l \ *

I j l l l l

I

I

i i l t i t tii

|—Koor

• Ijl • • • • • •

i N P

• i

<

I

^

O.L.V.- Kerk

Schip

Reconstructie toestand eind 13de eeuw

0 eigendomsmerk

®

Oorspronkelijke opstelling

(B)

Na verbouwing

©

Tijdelijke afsluitwand

XUId

1 2

3

5r


Nederland en Vlaanderen terugvonden zijn later in de 13 c eeuw te situeren: de Sint-Niklaaskerk te Gent (19), en in Utrecht het pand Oude Gracht 187 en de Dekenkapel van de Pieterskerk (20). In Brugge tenslotte werden reeds vier andere sporenkappen van dit type onderzocht en gedateerd: • Spanjaardstraat 16: tussen 1227 en 1267 (21); • Sint-Janshospitaal, noordelijke ziekenzaal: omstreeks 1268 (22); • Sint-Jansstraat 15, rechtervleugel: tussen 1258 en 1278 (23); • Klooster ter Potterie, refter: tussen 1276 en 1296 (24). De derde kap van dit type is de Dakkap boven de Viering (dakenplan, nr. 2) die nagenoeg identiek is aan deze boven de middenbeuk, maar in feite deel uitmaakt van een latere kap boven viering én hoogkoor, en waar we later op terugkomen.

ENKELVOUDIGE SPQRFNKAPPEN MET MAKE! AARSPANTFN Sporenkappen van het hierboven beschreven type werden in enkele schaarse gevallen verstevigd door het plaatsen van makelaars, namelijk stijlen die doorlopen van op de trekbalk tot in de nok, en waarin ook de hanenbalken zijn vastgezet. Een sporenpaar met makelaar duiden we aan als een makelaarspant. Van dit type is er in de O.L.Vrouwekerk één voorbeeld aanwezig, terwijl ouder hergebruikmateriaal hoogstwaarschijnlijk eveneens tot een kap van dit type behoort.

Reconstructie Kap B Zoals reeds vermeld, bevindt er zich in de laat-13 eeeuwse kappen van het hoogkoor hergebruikmateriaal van twee verschillende oudere kapconstructies. Tot één van deze kappen behoren een achttiental daksporen die in doorsnede 1 5 x 1 8 tot 1 6 x 1 9 cm meten en waarin telkens dezelfde inkavelingen te vinden zijn (25). Van onder naar boven zien we achtereenvolgens: (a) een open pengat voor een standzoon, (b) een brede omhoog gerichte lipinkaveling en (c) een kleinere omlaag gerichte lipinkaveling in de vorm van een halve zwaluwstaart waarin respectievelijk onder- en bovenkant van gekruiste of schaarvormige schoren waren vastgemaakt, en tenslotte (d) een lipinkaveling in de vorm van een halve zwaluwstaart voor een hanenbalk nabij de nok. Uit de reconsrructie blijkt dat de blokkelen waarschijnlijk op muurplaten en een voetraveling rustten, en we dus een sporenkap met


i '

i H

ii n

ii H

H H

Sporenpaar Villi

O.L.V.-Kerk

Hergebruikte dak-

voor de standzonen

sporen uit een

en (boven) een

sporenkap van

inkavelmg voor de

ca. 1240 met

grote kraisscboren

(onder) een pengat

(foto 0. Pauwels)

voetraveling kunnen reconstrueren waarvan elk sporenpaar verbonden was door schaarvormige schoren én een hanenbalk. De standzonen waren met een pen-en-gatverbinding in de daksporen vastgemaakt, de verbindingen tussen schoren, hanenbalk en daksporen waren halfhouts. Vier van de vijf stalen die in deze daksporen werden genomen leverden moeiteloos een gemiddelde curve op die uitstekende resultaten gaf bij de vergelijking met de referentiecurven. De jongste gemeten jaarring dateert uit 1229. Het vellen van de bomen moet tussen 1230 en 1240 worden gesitueerd. Het vijfde staal werd afzonderlijk vergeleken met de referentiecurven. De jongste gemeten jaarring dateert hier uit 1209, maar het vellen van het hout wordt tussen 1223 en 1243 gesitueerd (26). Identieke sporenparen zijn nog bewaard in de kerk Saint-Paul te Luik en werden gedateerd in 12511252 (27). In deze kap bevinden zich makelaarspanten, zoals in een klein aantal andere kappen die typologisch zeer verwant zijn maar waarin schaarvormige schoren ofwel de onderste hanenbalk ver-

Makelaarspant (hypothese)

dve Reconstructietekening

stevigen, zoals in de kerk van Saint-Bris-le-Vineux en de kathedraal van Bayeux in Frankrijk (28), ofwel de hanenbalken volledig vervangen, zoals in het koor van de Collegiale Sainte-Croix te Luik (29). De datering van deze kappen ligt tussen ca 1200 en 1256.

van een s l)renl(a

P

P

schoren en waarschijnlijk makelaarspanten (tekening D.Van Eenhooge)

O p basis van de datering van het hergebruikmateriaal uit het hoogkoor in het tweede kwart van de 13 e eeuw, en de typologische verwantschap met gelijktijdige kappen mét makelaarspanten lijkt het ons zeer aannemelijk dat de reconstructie van deze kap kan vervolledigd worden met makelaars op de trekbalken. Net zoals de reeds besproken Kap A behoort ook deze kap tot de vroeg-gotische bouwcampagne uit de tweede helft van de 13 e eeuw. Als kap A boven de nieuwe koorpartij stond, moet deze kap tot het nieuwe pseudotransept hebben toebehoord.

M&L


Oostelijk deel van het hoogkoor In de 37 meter lange bekapping boven viering en hoogkoor zijn duidelijk twee bouwfasen te onderscheiden, en dit zowel in de telmerken als in de typologie. Het meest oostelijk gedeelte van deze bekapping (dakenplan nr. 4) telt 13 sporenparen en de koorafsluiting. De getrokken telmerken zijn van West naar Oost aangebracht. Ook hier werden omstreeks 1400 de oorspronkelijke muurplaten, blokkelen en standzonen weggenomen, en de daksporen met ongeveer 60 cm ingekort. Bewaard bleven enkel de open pengaten voor de standzonen die met een pen-en-gatverbinding in de daksporen waren vastgezet. De blokkelen lagen oorspronkelijk op dubbele muurplaten. De sporenparen zijn telkens verbonden door twee hanenbalken. O p de twee trekbalken staan makelaars opgesteld. Alle verbindingen in deze kap zijn van het pen-en-gat-type. Opmetingstekening

In deze kap werd hoofdzakelijk hergebruikmateriaal uit de twee oudere kappen aangewend. De nieuwe houtstukken zijn van een gematigde kwaliteit en afkomstig uit bomen met een snelle groei, zodat een dendrochronologische analyse onmogelijk was. Aangezien deze kap echter de voltooiing

van de kappen boven viering en hoogkoor, met drie verschillende types van sporenkap, alle daterend uit de periode

van het hoofdkoor betekende, kunnen we deze kap ten laatste rond 1300 dateren. Er zijn weinig vergelijkbare kappen bekend. In de 13 c -eeuwse kappen van de O.L.Vrouw van Pamele te Oudenaarde zijn op enkele, maar niet alle trekbalken makelaars aangebracht (30). Een zeer gelijkende kap vinden we wel terug in de zuidelijke bovenzaal van de Brugse Hallen, én in de oostelijke bovenzaal waar wel onder de onderste hanenbalk korbelen zijn aangebracht (31). Deze twee kappen werden in 2006 op vraag van Onroerend Erfgoed bemonsterd en gedateerd. De zuidelijke kap is te dateren tussen 1270 en 1300, de oostelijke tussen 1281 en 1291 (32).

SPQRENKAPPFN MFT MAKELAARSPANTFN EN HANENBALKFLIERING Een groot probleem bij de vorige, enkelvoudige sporenkappen was, dat door het ontbreken van enige langsverbinding, de los staande sporenparen neiging hadden tot schranken en dus soms vlug on-

1275-1300 (tekening D. Van Eenhooge)

^rhip

Vipring

I - , , ! ?. F

•y

r

pi •

11

wn

. .

-'<

i^ 4

( Lang5door snede naar Noorden

Dwarsdoorsnede A

O.LV.-Kerk

M&L

Viering en Hoogkoor

Dwarsdcorsnede B

Reconstructie toestand eind 13de eeuw

Dwa'-sdoo'-snede C 0

1 2

i-.j

i

I

3

5m

l

I


stabiel werden. Vanaf de tweede helft van de 13 e eeuw zien we dan ook vele voorbeelden van sporenkappen met makelaarspanten waar men een eerste langsverbinding heeft aangebracht onder de vorm van een hanenbalkfliering: een onder de hanenbalken en tussen de makelaars aangebrachte rib in de lengterichting van de kap (33). De verbinding tussen makelaars en flieringen werd verstevigd door schoren onder de hanenbalkfliering. Er ontstaan gaandeweg meerdere variaties op dit basisontwerp: met twee tot drie hanenbalkflieringen, geschoorde makelaars, extra schoren of kruisschoren tussen hanenbalken en sporen, e.a. De vijf sporenkappen in de O.L.Vrouwekerk die tot dit type behoren, kunnen in twee typologische groepen worden ingedeeld. De kappen die tot de eerste groep behoren zijn typologisch identiek aan de kap van het Oostelijk gedeelte van het hoogkoor, maar zijn verstevigd door middel van een hanenbalkfliering.

Verbouwing van de kap van de Middenbeuk Het in de kerk waarschijnlijk oudste voorbeeld van dit kaptype ontstond toen men omstreeks 12701280 na een korte onderbreking verder werkte aan de kerk, en het nieuwe hoogkoor werd gebouwd. Bij die gelegenheid besliste men immers de ongeveer 30 jaar oudere, enkelvoudige sporenkap van de middenbeuk te voorzien van makelaars; deze werden op een nogal onhandige manier halfhouts verbonden met de bestaande hanenbalken en de nok van de sporenparen. De hanenbalkflieringen die tussen de makelaars zijn aangebracht, en de schoren tussen makelaars en flieringen werden wel met een stevige pen-en-gatverbinding vastgemaakt. Bij deze verbouwing werden de twee laatste (oostelijke) sporenparen vervangen en/of aangepast doordat hier een tijdelijke afsluitwand werd opgericht (34). De beplanking van deze wand is nu verdwenen maar liet duidelijke sporen na: in de makelaar bevindt zich aan weerszijden en over de gehele lengte een smalle inkeping waarin de planken waren vastgezet; verder waren de planken genageld op de daksporen en hanenbalken, maar eveneens op vijf (nu verdwenen) horizontale balken die doorheen de makelaar waren gestoken, en met een halfhoutse verbinding in de daksporen waren vastgemaakt. Dat het hier om een nieuw opgericht makelaarspant gaat, blijkt ondermeer uit het feit dat de daksporen hier met een pen-en-gatverbinding in de makelaar zijn vastgezet, terwijl de andere makelaars halfhouts werden verbonden met de bestaande nok.

• De kap boven de middenbeuk, met de

Een dendrochronologische datering van de make- in 1275 ingebrachte makelaar van de laars bleek, wegens de geringe kwaliteit van het tijdelijke afsluitwand. hout, met mogelijk. en de hanenyk . fliering

Westelijk gedeelte van het Hoogkoor

(fotoo.Pauweis)

Eenmaal de verbouwing van de kap van de Middenbeuk was afgerond, en de voorlopige afsluitwand was dichtgemaakt, kon men overgaan tot de (gedeeltelijke ?) sloping van de vroeg-gotische bouwdelen, en de bouw van een nieuw hoogkoor opstarten. De kap die hier in eerste instantie werd gebouwd, telt 33 sporenparen. De daksporen meten in doorsnede 20 x 18 a 20 cm en staan hart-op-hart

M&L


(hoh) gemiddeld 75 cm uit elkaar. De twee hanenbalken zijn met pen-en-gatverbindingen in de daksporen vastgezet. Ook hier verdwenen omstreeks 1400 de oorspronkelijke muurplaten, blokkelen en standzonen en verwijst enkel een open pengat nog naar de verdwenen standzonen. De getrokken telmerken zijn van West naar Oost aangebracht. Het meest westelijk gedeelte van de kap, namelijk de eerste 11 sporenparen (dakenplan, nr. 2), is uitgevoerd als een enkelvoudige sporenkap, de volgende 22 sporenparen (dakenplan, nr. 3) echter zijn voorzien van makelaarspanten en een hanenbalkfliering. Van deze opstelling zijn enkel de makelaars bewaard gebleven, maar de open pengaten in de makelaars tonen aan dat de hanenbalkflieringen en de schoren eronder met pen-en-gatverbindingen waren vastgezet. Ter hoogte van de makelaars zijn de hanenbalken in twee stukken, die er

telkens met een pen-en-gatverbinding zijn in vastgemaakt. In de westelijke zijde van de eerste makelaar zijn eveneens twee open pengaten zichtbaar, die echter afwijken van deze voor de hanenbalkfliering. Dit betekent waarschijnlijk dat zich hier, boven de viering en waar de kap als een enkelvoudige sporenkap is uitgevoerd, een ophaalmechanisme bevond waarmee materiaal door de grote ronde opening in het vieringgewelf kon worden opgehaald. Zoals reeds vermeld werd er in deze kap zeer veel hergebruikmateriaal uit twee oudere kappen verwerkt. De vier stalen die werden genomen in duidelijk nieuwe houtstukken lieten niet toe een gemiddelde curve te berekenen. Eén staal kon echter wel afzonderlijk met de referentiecurven worden vergeleken; bij dit staal dateert de jongste gemeten

Opmetmgstekeningen van de kappen met makelaars en hanenbalkfliering van de HeiligKnmkapel uit 1320, en de zuidelijke buitenzijbeuk uit 1460 (tekening D. Van Eenhooge)

59°

O.L.V. - Kerk

Doorsnede naar Noorden

H.Kruiskapel

0

1 2

1...11 i

i_i

3

5m

i_

56°

O.L.V. - Kerk

Zuidbeuk middendeel

Oostgevel

Doorsnede naar Zuiden

dve


jaarring uit 1241; door de totale afwezigheid van spinthout kan enkel gesteld worden dat de veldatum na 1250 moet worden gesitueerd (35). Deze zwakke dendrochronologische datering is alvast niet in tegenspraak met de aanname dat de werken aan het hoogkoor in 1270-1280 werden aangevat. De twee zojuist besproken kappen met hanenbalkfliering zijn van een zeer eenvoudig type, dat blijkbaar weinig werd toegepast. Wij vonden slechts één vergelijkbare kap, namelijk in het pand Pensmarkt 13-17 in 'sHertogenbosch uit het einde van de 14 e eeuw (36). Het nu volgende type, waar bijkomende versterkingen in de lengterichting van de kap zijn aangebracht, kende iets meer toepassingen.

Heilig-Kruiskapel Ten oosten van de toren bevindt zich een kleine kapel (dakenplan, nr. 6), die traditioneel in de vroege 15 e eeuw wordt gedateerd, dus na de bouw van de torenromp (37). Bij onderzoek van de kapconstructie van deze kapel bleek echter dat deze werd aangepast toen de massieve steunberen van de toren werden gebouwd of uitgebreid, dus zeker tijdens de bouw van de toren: op deze plaats verdwenen de muurplaten, blokkelen en standzonen en werden de sporen ingekort. Hierbij bleven wel de open pengaten en enkele houten toognagels bewaard waarmee de standzonen in de sporen waren vastgemaakt. Ook het baksteenformaat van de kapel (28 x 6 cm) wijst overigens op een vroegere datering.

Afgezien van de daksporen die het koor afsluiten, telt deze sporenkap 18 sporenparen. De sporen zijn rechthoekig in doorsnede (9 a 12 op 15 cm) en staan hart op hart gemiddeld 45 cm uit elkaar. O p één uitzondering na zijn alle houtverbindingen van het pen-en-gat-type, en telkens met achtereenvolgens één of meer smeedijzeren nagels en een houten toognagel geborgen. De blokkelen liggen op een dubbele muurplaat en zijn met een pen vastgezet in een bijkomende raveelbalk (38). Uitzonderlijk zijn de opvallend hoge (lm60) standzonen. De beide hanenbalken en de hanenbalkfliering zijn met pennen in de makelaars vastgezet, en zijn daar dus gedeeld. De verbinding tussen makelaars en hanenbalkfliering wordt verstijfd door schoren onder de fliering, maar eveneens door lange schoren bovenop de fliering die bovenaan halfhouts met de makelaars zijn verbonden. Aan de kant van de toren bevonden zich oorspronkelijk gekruiste schoren die echter werden weggenomen ter gelegenheid van een kleine verbouwing aan de torenwand, toen de makelaar net boven de bovenste hanenbalk werd doorgezaagd. Getuigen zijn nog de open pengaten in de hanenbalkfliering, de lipinkaveling boven in de tweede makelaar, en inkepingen in de hanenbalken om de plaatsing van de schoren mogelijk te maken. De gemiddelde curve die uit vier van de zes genomen stalen kon worden berekend leverde zeer goede resultaten bij de vergelijking met de referentiecurven. De jongste gemeten jaarring dateert uit 1290, en het vellen van de bomen moet tussen 1298 en 1325 gesitueerd worden (39). De dendrochronologische datering bevestigt aldus de resultaten van ons bouwhistorisch onderzoek (40).

Bovenste gedeelte van de kap van de Heilig-Kruiskapel, met de schoren

Dakvoet van de kap

blokkelen die in de

van de Heilig-Kruis-

raveelbalken zijn

tussen hanen-

kapel, met de

ingelaten

balkfliering en

opvallend hoge

(foto 0. Pauwels)

standzonen, en de

makelaars (foto 0. Pauwels)


• De sporenkap van de noordelijke buitenzijbeuk: zicht naar het oosten (foto 0. Pauwels)

IVI&L


wit i n

• Westelijk deel van de kap van de noordelijke buiten zijbeuk, met een aan de buitenkant van de daksporen aangebrachte wlnd-

lat (foto 0. Pauwels)

Opmetlngstekenlng van de kap van de noordelijke buiten

«7

zijbeuk

a * j ! * « s s i ^ ? 5 s ; s ^ ï ï

(tekening D.ïan Eenhooge)

P Sporenpaar

•4

Lanqsdoo"snede naar Noorden : Weste.ijk gedeelte

Noordbeuk : toestand 15de eeuw

Eigendomsmerk

2

Makelaarspant

A/I&L

3

Sm


EGLISE FACADE

Nr. 155 Bijlage bij MetL 28/2 maart-april 2009

Henry Lacoste, ontwerp voorde Sint-Theodarduskerk in Beringen, 1938.

DE EST

BEERINGEN


I

B I N I M E N K R A N T

Literatuur

Marjan

tJ

Buy Ie

RFTABFLBQEKEN Onlangs verschenen twee boeken over Vlaamse retabels. Het ene werd geschreven door Ria De Boodt en Ulrich Schater met als titel Vlaamse retabels. Een internationale reis langs laatmiddeleeuwse beeldsnijwerk, een tweede door Brigitte D'Hainaut-Zveny met als titel Les retables d'autel gothiques sculptés dans les anciens Pays-Bas. De eerste publicatie is bedoeld voor een groter geïnteresseerd publiek en is uitbundig geïllustreerd met grote kleurenfoto's, de tweede is een strikt wetenschappelijke publicatie met een reeks foto's achteraan. Vlaamse retabels Retabels zijn een Europees fenomeen, een vorm van christelijke kunst die ontstaat in de middeleeuwen en populair blijft tot ver in de 19de eeuw. Het verhaal van hun ontstaan en de kenmerken van de Vlaamse retabels leest u in het eerste hoofdstuk. Daarna worden de belangrijkste productiecentra belicht: Brussel, Antwerpen en Mechelen, steden van het oude hertogdom Brabant. Een derde hoofdstuk gaat verder in op de organisatie en het gildewezen, de context waarin deze retabels vervaardigd werden. Ook wordt ingegaan op het sociale leven van de ambachtslieden. Retabels waren het werk van verschillende gespecialiseerde vaklui, te beginnen met de bakmakers over de metselrijsnijders (degenen die de 'architecturale' gedeeltes vervaardigden) en de beeldsnijders tot de stoffeerders en vergulders. De roem van deze productie was ver over de landsgrenzen verspreid en ze zijn nu nog terug te vinden tot in verre uithoeken, zelfs buiten Europa. Dit kadert in de toenmalige organisatie van handel en

economie. Hier wordt ook de theorie gerelativeerd, als zouden deze retabels enkel het eindproduct zijn van een ver doorgedreven en bijna industriële massaproductie. Ook belangrijk is wie de opdrachtgevers en de kopers waren van deze dure luxeproducten. Er wordt ingegaan op de iconografie van de retabels: wat en wie werden er voorgesteld? Wat er de laatste vijfhonderd jaar met deze retabels gebeurde gaat van verdwijning, vernieling en verminking tot soms bijna ongeschonden bewaring. De 19^ eeuw toonde een vernieuwde belangstelling voor deze artefacten: de retabels worden herontdekt en gerestaureerd volgens de toenmalige opvattingen. Thans worden retabels op een heel andere wijze onderzocht, geconserveerd en gerestaureerd en daarmee besluit dan ook dit lijvige boekwerk. Voor wie zich nog verder in het onderwerp wil verdiepen, zijn er ook nog een literatuurlijst en een opsomming van alle nog bewaarde retabels. Men telt er wereldwijd namelijk niet minder dan 328, al is dit ook maar een fractie van de toenmalige productie.

De eruditie en de kennis van beide auteurs werd in vlot leesbare teksten vertaald naar een groot geïnteresseerd publiek. Het boek is helder opgebouwd rond voornoemde thema's, die overzichtelijk worden uiteengezet. De talrijke afbeeldingen helpen uiteraard om het lezen te veraangenamen. Toch ook even enkele schoonheidsfouten vermelden, al doen die niet veel afbreuk aan de grote kwaliteit van de

publicatie: de opmaak van het boek is heel ruim opgevat, maar de verhoudingen tussen de verschillende illustraties op hetzelfde blad zijn soms storend: kleine en vrij onbelangrijke details worden zeer groot uitgemeten, terwijl volledige retabels piepklein afgebeeld zijn. De kwaliteit, scherpte en kleuren van sommige illustraties zijn een dergelijke publicatie onwaardig. Ook misten we de context waarin de retabels zich bevinden, een euvel waar veel publicaties over retabels (en andere kunstobjecten) aan lijden. Een groot aantal retabels is immers nog op zijn oorspronkelijke locatie bewaard, maar door het 'uitsnijden' van vrijwel alle retabels is de context van het altaar waarop ze staan en het interieur waarin ze functioneren, volledig zoek. Ze worden gepresenteerd als geïsoleerde losstaande kunstwerken en uit hun historisch verband gerukt. Enkele slordigheden werden ook genoteerd, zoals de verwarring die geschapen wordt tussen kleine hulsretabels, bedoeld voor persoonlijke devotie, en anderzijds de zeer typische besloten hofjes, zoals die ontstonden in kringen van begijnhoven. Het ontstaan hiervan had wellicht ook (en misschien vooral) een economische reden: een begijnhof kon zich moeilijk een volledig retabel veroorloven en kocht enkele losse beeldjes aan, die ze met handwerk en creativiteit aanvulden tot een 'retabel'. Een uitgave voor groot publiek kan uiteraard niet alle nuances weergeven, maar in het verhaal van het aflogen van retabels was een scherpere veroordeling meer dan welkom geweest. Het aflogen verwijdert niet alleen alle oorspronkelijke afwerkingslagen, maar beschadigt ook onherroepelijk het hout zelf, hetgeen dan bovendien wordt verdoezeld met dikke vettige lagen vernis en wasmengsels. De verwijzing in dit verband naar de 'onbeschilderde' retabels van Tilman Riemenschneider is evenmin terecht. De laatste studies en onderzoeken wijzen er duidelijk op dat het hier gaat om een monochromie, in tegenstelling tot onze polychrome retabels. De beelden van Tilman waren wel degelijk afgewerkt door een subtiel gebruik van kleurtinten en vernissen,


B 1 N N E N K R A N T

en door geschilderde accenten zoals de ogen en de lippen. Recent onderzoek toonde bovendien minieme restanten aan van afwerkingslagen op het Sint-Jorisretabel van het Brusselse Jubelparkmuseum, waarmee de mythe van onbeschilderde retabels wel uit de wereld kan geholpen worden. Beter zou zijn om in het taalgebruik de termen polychrome en monochrome retabels te introduceren. Les retables d'autel gothiques De publicatie van Brigitte D'HainautZveny is gericht op een wetenschappelijk publiek en is het resultaat van jarenlang en bijzonder grondig onderzoek in het domein. De invalshoek is voor één keer niet de datering en lokalisering, de organisatie van de ateliers, de werkverdeling,de technologische aspecten, de markt en de opdrachtgevers, maar wel het ontstaan van het fenomeen, het functioneren van de retabels in hun liturgische, devotionele en theologische context, het statuut van deze altaarbeelden als voorstelling van het sacrale. Ook wordt ingegaan op het gebruik en de functie van deze altaarbeelden. Ze bespreekt bijvoorbeeld hoe het openen en het sluiten van de retabels zich inpaste in de sequenties van de liturgische kalender. Het openen van de luiken viel samen met de grootste plechtigheden. Het afwisselend tonen en verbergen speelde een essentiële rol in het sacrale statuut

Brigitte D'Hainaut-Zveny

Les retables d'autel gothiques sculptés dans les anciens Pays-Bas Raisons, formes et usages

Classe des Beaux-Arts Académie royale de Belgique

van deze beelden. Dit fenomeen was enigszins gelijklopend met het tonen van relieken en andere beelden. Dit openen was trouwens niet noodzakelijk gelijklopend voor alle retabels in de kerken: retabels van gildenpatronen en broederschappen bijvoorbeeld zetten hun patroonsfeesten grote luister bij door het openen van hun specifieke retabels. Vergeten we ook niet dat sommige retabels zelfs twee paar luiken hadden, de ene gesculpteerd en de andere geschilderd, waardoor diverse opstellingen mogelijk waren. De auteur schetst de belangrijkste iconografische thema's en kadert deze in opleving van de meditatieve trend, het realisme van de laatgotiek en de narratieve stijl die daarop volgt. Ze zoekt naar de diepere reden van de religieuze nood om het geloof in beelden uit te drukken. Deze vernieuwde aanpak, heel verschillend van de traditionele geschiedenis van de middeleeuwse sculptuur, opent nieuwe perspectieven voor het onderzoek. Het boek wordt beëindigd met een bibliografische oriëntatie. De publicaties over het onderwerp zijn immers ontelbaar. Alle illustraties zijn achteraan gegroepeerd. Zoals voor de hierboven beschreven publicatie, zijn hier ook een aantal afbeeldingen van ondermaatse kwaliteit. Sommige iconografische documenten tonen heel mooi de originele opstellingen van de retabels, met de vier zuilen met de engelen er rond en meestal ook met de gordijnen om deze precieuze kunstwerken te beschermen. Op deze iconografische illustraties is dan toch tenminste de context te zien, die bij de foto's van de andere retabels meestal ontbreekt. Alhoewel de afbeeldingen duidelijk geen prioriteit waren, zoals - te - vaak bij 'wetenschappelijke' publicaties, zou in het kader van de behandelde onderwerpen van functioneren van de retabels, een foto van een retabel in zijn context, dus in het kerkinterieur, zeker op zijn plaats geweest zijn. Deze opmerkingen willen ook hier geen afbreuk aan de grote inhoudelijke kwaliteiten van de publicatie.

DE BOODT R. en SCHAPER U., Vlaamse retabels. Een internationale reis langs laatmiddeleuws beeldsnijwerk, uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 2007, prijs 64,50 € . Verkrijgbaar in de boekhandel. D'HAINAUT-ZVENY B., Les retables d'autel gothiques sculptés dans les anciens Pays-Bas. Raisons, formes et usages, uitgegeven door de Académie Royale de Belgique, Classe des BeauxArts, Louvain-la-Neuve, 2008.

Marcel M. Celis

A R C H I T F P T H E N R Y I ACOSTE Maurice Culot verwoordt het treffend in zijn inleidend essay: slechts een handvol Belgische architecten zijn er in de voorbije 20ste eeuw in geslaagd ook over de landsgrenzen heen enige naambekendheid te verwerven. Victor Horta, Henry van de Velde, Paul Hankar en Serrurier-Bovy; en later, na de Grote Oorlog, Louis Herman De Koninck en Victor Bourgeois: "C'estbeaucoup etc'estpeu. Beaucoup parce qu'il s'agit d'un petit pays. Peu, carcelui-ci a généré au cours du siècle passé un grand nombre d'architectes talentueux.

Henry Lacoste l®Foto G. van derStraeten)

M&L


B I N N E M K R A ^ T

XÊmÊm

Henry Lacoste, preventorium Familia Henry Lacoste, leeszaal in de centrale biblio- Henry Lacoste, Sint-Theodorduskerk in theek van de Katholieke Universiteit Leuven, Beringen, 1938-1948. Hoofdingang l®Foto 0. in De Haan, 1936-1946. Hoofdingang onder de kapel. Afgebroken. 1944-1953 (® Foto Ph. De Gobertj Pauwels)

Pays insaisissable, créé pourséparer des voisins batailteurs, oü Ie sentiment d'appartenance a une nation n'existe pas, sons grands horizons, oü les foréts sontdes bois, les montagnes des collines, l'océan une mer."

van de Oostendenaar Joseph Naert en architectuurgeschiedenis van Paul Saintenoy: "Proche des idees de Charles Buis, il est l'un des principaux défenseurs d'un urbanisme qui respecte la structure du centre ancien de Bruxelles."

Bij dit select gezelschap hoort ook Henry Lacoste (1885-1968), een mythisch personnage, op de handen gedragen door zijn leerlingen en medewerkers, maar wiens intrigerend en beklijvend oeuvre een discreet bestaan leidt. Zijn zelfrelativerende bescheidenheid was daar overigens niet vreemd aan: "Quant a ma carrière d'architecte, j'aipeu bati, n'ayant été chargé d'aucun edifice public. Jen'ai construit qu'en bois et en paille des pavilions d'exposition et notamment celui du Congo ó {'Exposition de Vincennes en 1931. Rien de tout cela n'est remarquable et ne vaut d'etre rappelé."

Afgestudeerd in 1908 opteert hij voor een bijkomende opleiding aan de Ecole des beaux-arts in Parijs, het cultureel epicentrum van de wereld: "quiconque y a passé une année de sajeunesse en emporte pour la vie un incomparable souvenir de félicité." Hij knoopt er levenslange vriendschapsbanden aan met de architecten Paul Tournon, Louis Madeline, Michel Roux-Spitz en Albert Laprade, maar wordt er ook als katholiek geconfronteerd met een republikeins en vrijzinnig regime, waarbinnen de fco/ezich uitdrukkelijk pluralistisch opstelt. Lacoste ontwikkelt er als gelovige een openheid van geest die hem later in staat stelt met eenzelfde geestdrift het eerste crematorium van België te ontwerpen.

Geboren in Doornik - een eigenzinnige, niet industriële en op Frankrijk geënte provinciestad met hoogstaand historisch en cultureel verleden - als telg van meerdere generaties welgestelde metaalbewerkers, volgt Lacoste na klassieke middelbare studies een opleiding als architect aan de Academie voor Schone Kunsten van Brussel, onder leiding van Ernest Acker (die hij jaren later als directeur opvolgt). Hij krijgt er zijn eerste lessen architectuur

Als buitenlander niet gemachtigd om deel te nemen aan de Grote Prijs van Rome wordt hij desalniettemin door het kringetje winnaars opgenomen en kan hij Fernand Courby drie campagnes lang bijstaan bij de opmeting van de Apollotempel in Delfi; waarop hij zijn eigen Italiaanse Grand Tbi/r aanvat, te voet de ViaAppia volgend van Brindisi tot de poorten van Rome.

De Eerste Wereldoorlog overvalt hem in Delfi. Oorlogsvrijwiliger, wordt hij in 1915 door het ministerie van Wetenschappen en Letteren als tekenaar ingelijfd bij de ploeg die onder leiding van Eugène Dhuicque gelast is met het beveiligen en documenteren van het bouwkundig erfgoed in het Westvlaams lapje niet bezet België. De verstandhouding met Dhuicque, zijn meerdere, maar die Lacoste als een rivaal beschouwt en hem het werken lastig maakt, is ijzig, en de kritiek bij de verantwoordelijke voor de missie niet min: "Je vous serais reconnaissant de decider si après avoir découvert une cheminée ancienne, une poutre sculptée, un fragment quelconque digne d'etre dessiné, il est indispensable de Ie décrire, ce qui est d'ailleurs impossible autrement que par Ie dessin, dans un rapport a Monsieur Dhuicque qui l'enverra a Monsieur Ie Ministre afin d'obtenir l'autorisation de revenir Ie dessiner." Na de oorlog kan Lacoste eindelijk als zelfstandig architect aan de slag: hij is dan 33 jaar.

De recente monografie van Eric Hennaut en Liliane Liesens, graaft niet enkel onderhoudend in de vormingsjaren van Henry Lacoste, maar schenkt vanzelfsprekend uitgebreid aandacht aan zijn oeuvre. Thematisch opgevat opent de Religieuze Architectuur de revue, met de Saint-


B I N N E ^ K R A N T

Aybertkerk in Bléharies {1924-,26), door materiaal en vorm één der vroegste moderne kerken in België; het Paviljoen van het Katholieke Leven op de wereldtentoonstelling van Brussel 1935; de kapellen van het kindersanatorium Barones Lucie Lambert in Buizingen (1936) en van het kinderpreventorium in Den Haan (1936-'46); de Sint-Albertuskerk in Zwartberg (1937'41) en de Sint-Theosdarduskerk in Beringen-Mijn (1938-'48), waarvoor hij een nieuw soort, in beton gegoten glasramen creëerde. Aanzienlijk is zijn bijdrage tot de funeraire architectuur: ruim een honderdtal items, gaande van soldatengraven, individuele graftekens en herdenkingsmonumenten, tot de aanleg van begraafplaatsen. De militaire begraafplaats in het woud van Rossignol, met het herdenkingsmonument voor Ernest Psichari (1920-'24), het Belgisch ossuarium op de Parijse begraafplaats Père Lachaise (1922), de begraafplaats van Lessines (1924-'29), de schuilplaats op de CimetièreduSud 1^927) in Doornik en het crematorium in Ukkel (1930'32) blijven schoolvoorbeelden. Bij de Grote burgerlijke Programma's komt de wederopbouw na WO I van het dorpje Bléharies aan bod, met de ontredderende metamorfose tot gemeentehuis van de oude hoeve Le Cabaret. Volgen het Institut de recherches médicales Fondation Reine Elisabeth in Ukkel (1927-'30), aansluitend op Victor Horta's Brugmann hospitaalcomplex; het sanatorium-preventorium Marie-José in Waver (1927-'38); het kinderpreventorium Familia in Den Haan (1936-'46); de kinderhome in Oostduinkerke (1947-'48) e.a.

Een opvallende plaats in het oeuvre van Lacoste bekleden zijn Congo-paviljoenen voor de Koloniale tentoonstelling van Parijs in 1931, de wereldtentoonstelling van Brussel in 1931 (ontwerp) en de Exposition internationale de l'Eau in Luik 1939. Ze kunnen niet los gezien worden van zijn latere, naoorlogse reeks ontwerpen voor religieuze instellingen in het voormalig Belgisch-Congo en Ruandi-Urundi en zijn stedenbouwkundig ontwikkelingsplan voor de havenstad Banana in Congo (1947-'55).

In de naweeën van WO II verzorgt hij de herinrichting van de grote leeszaal van de na WO I heropgebouwde en in 1940 nogmaals gebombardeerde universiteitsbibliotheek in Leuven. Refererend aan de aldaar verzamelde encyclopedische kennis, realiseert Lacoste er een uniform licht eiken interieur waarmee zijn veelvuldige stijlreferenties zich harmonisch versmelten. In een laatste hoofdstuk schenken de auteurs terecht aandacht aan Lacoste's atelier en discipelen: de architecten André Jacqmain, Claude Strebelle, Julien en Yvan De Ridder e.a., maar niet vooraleer zijn wezenlijke bijdrage te hebben geduid aan de klassieke archeologie. De eerste reeks opgravingen (1930-'38) o.l.v. de Belgische archeoloog Fernand Mayence, van het antieke Apamea in Syrië, voormalige hoofdstad van de romeinse provincie Syria Secunda, inspireren hem reeds na vier maand opgravingscampagne tot de reconstructie -in gips en in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel- van 35 lopende meter van de oorspronkelijke 2 km lange portiek met corintische colonnade aan weerszijden van de 20 meter brede cardo. Ingehuldigd in 1933 zal de reconstructie na de verwoestende brand van 1946 tien jaar later onder gewijzigde vorm worden heropgebouwd. De ruim 70m2 grote maquette van het 4de-eeuwse keizerlijke Rome, levenswerk van de Franse architect Paul Bigot waarvan de KMKG in Brussel het meest volledig en best bewaard exemplaar bezitten, is evenzeer te danken aan de niet aflatende inzet van Lacoste.

Henry Lacoste, zicht op het Parthenon in Athene, 1913

Eric Hennaut en Liliane Liesen (met voorwoord door Maurice Culot), Henry Lacoste architecte 1885-1968, Editions AAM, 2009, 272 p., 310 ill (ISBN 978-2-87143-145-9), prijs 75 € . Het boek wordt in België verdeeld door Altera www.altera.opya.be

Boekcover. Henry Lacoste, sanatorium in Buizingen, gewelf van de kapel, 1936 (® Foto Ph. De Gobert]

Henry Lacoste architecte is niet alleen de eerste omvattende monografie over een uitzonderlijke figuur en kunstenaar, maar naast een ademloos lezend verhaal tevens een streling voor het oog. Archieffoto's en recente opnames nemen het -ruim uitgemeten- immers op tegen de vele presentatiedocumenten van Henry Lacoste zélf, een begenadigd tekenaar maar tevens fascinerend colorist. Het boek is als eerbetoon aan deze humanistische architect en diens humaan oeuvre een voorbeeld in het genre en derhalve een must.

M&L


Bl^NENKRANT

Ankerplaatsen

Hubert

Bats

ANKFRPLAATSFN IN DE REGIO HASPFNGOUW-VOFRFN Dirk Van Mechelen, viceministerpresident van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van financiën en begroting en ruimtelijke ordening, stelde bij ministerieel besluit van 31 december 2007 de voorlopige aanduiding van de volgende in Voeren gelegen ankerplaatsen volgens de landschapsatlas vast: • de vallei van de Berwijn; • 's Graven-, Sint-Martens- en SintPietersvoeren; • de vallei van de Gulp bij Teuven. De besluiten voor de voorlopige aanduidingen van de ankerplaatsen 's Graven-, Sint-Martens- en SintPietersvoeren en de Vallei van de Gulp bij Teuven werden aan de betrokken openbare besturen betekend op 11 maart 2008. Dank zij deze beslissing werd ongeveer 2/3 van Voeren voorlopig als ankerplaats aangeduid. Eind 2008 besliste de Minister tot definitieve aanduiding van deze ankerplaatsen. Elk van de drie ankerplaatsen is representatief voor een bepaald Voerens landschapstype. De vallei van de Berwijn voor het westelijke Maasterrassenlandschap; 's-Graven, Sint-Martens- en Sint-Pietersvoeren voor het centrale Voerense valleilandschap en de vallei van de Gulp die de overgang vormt naar en kenmerken vertoont van het Land van Herve. • Vallei van de Berwijn De ankerplaats wordt ten zuiden begrensd door de grens met Wallonië. De oostgrens van de ankerplaats is deels de Battice-Steenweg, gelegen op het Maasterras tussen de Berwijn en de Voer (het oostelijk gelegen terras), en deels de grens met Wallonië.

Aan deze zijde van de ankerplaats treffen wij overwegend een weidelandschap aan. De noordgrens wordt gevormd door de Voerenweg, de verbinding van het dorp Moelingen met 's Gravenvoeren, waaraan verspreide bebouwing te vinden is. Aan de wegen ten noorden van de ankerplaats gelegen is veelal lintbebouwing van recente datum te vinden. Deze bebouwing valt buiten de afbakening aangezien zij niet bijdraagt tot de waarden van de ankerplaats. In het westen tenslotte vormt de Wezetstraat (de verbinding Visé-Moelingen) de grens. De enige bewoning van de ankerplaats is aan de noordrand te vinden, in de voormalige watermolen. Overigens loopt de grens van de ankerplaats achter de bebouwing aan de Voerenweg en de Wezetstraat door. De Berwijn is de enige vrij meanderende waterloop met groot debiet en met kenmerken van een bergrivier in Vlaanderen. Het dal van de Berwijn vormt de scheidingslijn tussen twee Maasterrasmassieven. De Berwijn samen met het ongeveer 30 meter hoge talud, scheiding tussen twee Maasterrassen, zijn de struktuurbepalende elementen in de ankerplaats. Zij vormen de begrenzing tussen het westelijk ervan gelegen droge akkerbouwplateau en de oostelijk gelegen vallei met beemden, graslanden en hoogstamfruitbomen.

De westelijke dalflank van de Berwijn tussen Moelingen en Berneau is één van de twee locaties in Voeren en één van de weinige locaties in Vlaanderen waar gesteenten uit het Paleozoïsche tijdperk (harde kalksteen uit het Onder Carboon (Viseaan en Frasniaanj daqzomen. Daarnaast zijn er dagzomende secundaire en tertiaire afzettingen in de steile helling en Pleistocene deklagen. Bovendien hebben zich in het gebied talrijke tektonische verschijnselen voorgedaan. Het voorgaande maakt dat deze dalflank als het ware een logboek is voor de studie van de geologische afzettingen vanaf het Paleozoïcum tot op heden. Langs de steile hellingen met kalkrijke bodem en microreliëf (trappenprofiel, zgn. terrassettes) langs de Berwijn

De Berwijn is structuurbepalend voor de ankerplaats

komen talrijke gradiënten voor (onder meer vocht-, temperatuur- en trofiegradiënt), welke leiden tot grote verscheidenheid in vegetatie en landschap. . De weilanden op de plateaurand, bovenaan de helling hebben een hoge mycologische waarde als unieke vindplaats van vele wasplaatsoorten (soort paddestoel) in Vlaanderen. De steile, op het zuidoosten georiënteerde hellingen zijn warm, voedselarm, kalkrijk en bijgevolg floristisch zeer interessant. De grazige vegetatie behoort tot de flora van droge kalkgraslanden. Het bos is een Eiken-Haagbeu kbos (Stellarie Carpinetum) met talrijke voorjaarsbloeiers en waarvan de mantelgemeenschap, het Kornoeljestruweel (Orchio Cornetum), plaatselijk goed te onderscheiden is. De deels beboste en deels grazige helling en de vochtige weiden in de omgeving van de Berwijn zijn historisch stabiel. Zij worden reeds weergegeven op de kaart van Graaf de Ferraris (1771-1778), net als de voormalige watermolen op de Berwijn. De steile dalflank, deels bebost met een goed ontwikkeld eiken-haagbeukenbos met talrijke voorjaarsbloeiers, deels begroeit met een gevarieerd en


B 1 N M E 1 M K R A N T

kleurrijk kalkgrasland, biedt een hoge visuele belevingswaarde. Over praktisch de ganse lengte van de grazige flank komt een trappenprofiel (terrassettes) voor, ontstaan doordat het grazende vee meestal parallel met de helling loopt. Het dal met de vrij meanderende rivier tussen vochtige graslanden en percelen beplant met hoogstamfruitbomen, soms afgesloten met hagen en houtkanten, vormt een enorm kontrast met de steile dalflank en het plateau, doorsneden met holle wegen. Langs de Berwijn vinden we oude knotbomen. • ('s Graven)Voeren, Sint-Marten en Sint-Pieter Deze ankerplaats strekt zich uit over het grootste deel van de deelgemeenten 's Gravenvoeren, Sint-MartensVoeren en Sint-Pieters-Voeren. De ankerplaats wordt in het noorden en het westen begrensd door de landsgrens met Nederland. In het westen wordt de grens getrokken daar waar de Voer Nederland bereikt. Het gebied vormt de centrale ankerplaats in de gemeente Voeren, gelegen rond het bekken van de beek de Voer. In de centrale Voerstreek komen landschapsvormen voor die typisch zijn voor waterdoortatende gesteenten (krijt en grind) zoals droge dalen, dolines, holle wegen en watervoerende holle wegen of grubben. De ondergrond van deze ankerplaats bestaat dan ook praktisch volledig uit krijtgesteente, door de zee in subhorizontale lagen afgezet tijdens Mesozoïcum of Secundair tijdperk (ongeveer 248-65 miljoen jaar geleden). Het is een zachtkorrelig gesteente waarin fossiele resten voorkomen. Belemnieten, zee-egels, koralen en schelpen worden frequent blootgelegd. Voormalige krijtgroeven kunnen een ontsluiting geven op de ondergrond. Het zijn bijgevolg ideale locaties voor de studie van de geologische opbouw van het landschap en van de paleontologie. Onderaan in het krijtmassief komen groene glauconietrijke zanden voor, doorspekt met voor het grondwater ondoorlaatbare kleilagen, het

zogenaamde Vaalser groenzand. Deze afzettingen vinden we enkel langs de bovenloop van de Noorbeek, in de Veursvallei en onder aan de taluds van enkele holle wegen die deze dalen met de plateaus verbinden. Het op de kleilagen stagnerende grondwater bereikt er de oppervlakte onder de vorm van talrijke bronnen. Wanner het kalkrijke bronwater in contact komt met de lucht zien we in bepaalde omstandigheden het zogenaamde kalktuf of bronsteen. In de vallei van de Veurs komen alkalische veenlagen voor, een zeer zeldzaam verschijnsel dat de basis vormt voor specifieke, zeldzame vegetaties. In de oever van de Veurs dagzomen Primaire gesteenten (harde kalksteen uit het Onder Carboon). Naast de Berwijn te Moelingen is dit één van de weinige locaties in Vlaanderen waar primaire gesteenten dagzomen. Bovenaan in de ondergrond van heuveltoppen bevindt zich residueel silexgrind en Maasgrind in dikke pakketten. De geomorfologische verscheidenheid en de zuidelijk georiënteerde hellingen zijn een verklaring voor de zeer grote floristische en faunistische waarden van het gebied. De Voerense vegetatie is uitgesproken soortenrijk en ten dele uniek voor Vlaanderen. Naast de Atlantische soorten zijn er relatief veel Midden-Europese soorten te vinden, die overleven bij meer vorstdagen en een later beginnen van het voorjaar ten opzichte van het Maasdal en het westelijker gelegen Vlaanderen. Ook soorten die normaal gesproken heel wat zuidelijker voorkomen, handhaven zich op de warme hellingen met zuidelijke expositie.

gebracht. Vóór de 14d': eeuw bestond in de streek een autarktisch landbouwsysteem, waarin het accent lag op graanteelt. Na de graancrisis (1880) is de veeteelteconomie op gang gekomen, welke nog steeds in de streek belangrijk is.

I

Wat betreft het bouwkundig erfgoed maakt het landschap deel uit van het Maasland, een historische en culturele entiteit die zich door de eeuwen heen wist te profileren. Talrijke relicten van ontginning van de streek vanuit dorAsymmetrisch valleilandschap met spoorwegviaduct

Veedrinkbak langs de Horstergrubbe te 's Gravenvoeren.

Deze ankerplaats is een op archeologisch vlak rijke streek. De CAI databank meldt maar liefst 44 archeologische vindplaatsen uit verschillende perioden (Paleolithicum, Neolithicum, Steentijd, Bronstijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd). De oudste bewoningssporen dateren uit het Neolithicum, met vindplaatsen onder meer in het Hoogbos en Rullen. Het betreft silexontginningen en werkplaatsen. Tijdens de Romeinse periode wordt het landschap bewoond en in cultuur

1VI&L


B l l V J N E N K R A l M T

pen en grote boerderijen zijn aanwezig. Het historische verband tussen de hoevebouw, het bodemgebruik (akker of weide) en de ondergrond (aanwezigheid van water en silex) is duidelijk zichtbaar. Van belang zijn de aanwezigheid van de talrijke historische kastelen (Altenbroek, Ottegraven, Commanderie, Magis) en een klooster (Klooster en pensionaat der Ursulinen). Vanuit de historische boerderijen (Snauwenberg, Kattenrot, Op de Eiken, Stroevenbos, Vrouwenboshoeve, Brabant) werd de omgeving ontgonnen. Ook het voorkomen van historisch stabiele bossen (Vrouwenbos, Veursbos, Sint-Gillisbos, Broekbos) is van groot belang vanuit historisch oogpunt. Alle elementen zijn nog steeds aanwezig en functioneel in hetVoerense landschap. Ook het historische wegennetwerk is vrijwel nog geheel intact en zichtbaar in het landschap. De vergelijking is gemaakt op basis van kaart opgemaakt door Graaf de Ferraris (17711778) en de Atlas der buurtwegen. Het holle wegenpatrimonium is uniek. Voeren heeft de hoogste dichtheid aan holle wegen in Vlaanderen en de gehele Euregio. Slechts enkele holle wegen zijn verhard. De overige holle wegen en veldwegen, bieden een zicht op de ontsluiting van het landschap door de eeuwen heen. Wegens het uitblijven van een ruilverkaveling is ook de historische percelering en cultuurzonatie duidelijk zichtbaar in het landschap en landgebruik. Op belangrijke perceelsgrenzen staan vaak knotbomen (veelal Haagbeuk), die zeer oud zijn. Ook de vaak oude hagenstructuur bij de diverse percelen is nog goed zichtbaar. Er zijn zeer veel wegkruisen- en kapellen op belangrijke historische punten.

De grote verscheidenheid in het gradiëntrijke landschap met zijn oude Maasterrassen, uitgestrekte leemplateaus en weidegebieden, asymmetrische dalen, poelen, brongebieden, graften, houtkanten, holle wegen, grubben, hoogstamboomgaarden, plateau, helling- en bronbossen en vista's heeft een hoge esthetische belevingswaarde. Kenmerkend is de

gaaf bewaarde, uitsluitend agrarische, uitbouw van het gebied en de harmonieuze verwevenheid van het landschap met het gebouwde patrimonium. De Voer, Noorbeek en Veurs zijn de belangrijke waterlopen met duidelijk structurerende waarden in Voeren. Zij liggen aan de basis van de valleivorming. De meeste dalen in Voeren zijn asymmetrisch: de zuidelijk geëxposeerde hellingen zijn over het algemeen steil en bebost, terwijl de hellingen met noordelijke expositie zachter en vlakker zijn. Langs de waterlopen zijn de meeste dorpen, gehuchten en kastelen gelegen. Rondom de dorpen vinden we de grootste concentraties hoogstamweiden, omgeven met hagen. De Voerstreek is duidelijk een landbouwstreek. Landbouwontginningen vonden veelal plaats vanaf de plateaus. Op de zachtere hellingen en plateaus vinden we vooral landbouwgronden en een enkel plateaubos. Op de steilere hellingen vinden we vooral bos en grasland. In de dalen vinden we nog steeds weilanden met hoogstamboomgaarden. Het duidelijke patroon van asymmetrische valleien, enkele kerkdorpen aan de beken, de cultuurzonatie met landbouwgronden op plateaus en dalen en hellingbossen is nog steeds zeer duidelijk zichtbaar in het hedendaagse landschap. • Vallei van de Gulp bij Teuven De ankerplaats grenst in het noorden (Slenaken) en noordoosten (Eperheide) aan de Nederlandse grens. Iets zuidelijker vormt de gewestgrens in het oosten en zuiden de grens van de ankerplaats. De weg van Hombourg naar Sinnich vormt de zuidwestelijke grens Wat de geomorfologie betreft is deze ankerplaats grosso modo analoog aan deze gesitueerd in de centrale Voerstreek. Wat betreft het bouwkundig patrimonium maakt het landschap eveneens deel uit van het Maasland. Ook hier zijn talrijke relicten van ontginning van de streek vanuit dorpen en grote

Knothaagbeukenrij bij Griesenhofte Teuven.

boerderijen aanwezig. Het historische verband tussen de hoevebouw, het bodemgebruik (akker of weide) en de ondergrond (aanwezigheid van water en silex) is eveneens duidelijk zichtbaar. Van belang zijn de aanwezigheid van de historische kastelen (Hoof, Obsinnich), de Abdij van Sinnich en historische boerderijen (Hoeve Gieveld, Driesenhof, Kloosterhof) van waaruit de omgeving ontgonnen werd. Er komen veel historisch stabiele oude bossen voor (o.a. Sinnicherbos, bos van Obsinnich). In de vallei van de Gulp komen, meer dan in de andere Voerense valleien, restanten van een uitgesproken cultuurzonatie voor. Langs de dalhellingen treft men van onder naar boven achtereenvolgens aan: beemdgronden op de dalbodem, een bewoningsstrook met boomgaardzone onderaan op de helling, een hoger gelegen akkerstrook en een beboste kam. De grote verscheidenheid in het gradiëntrijke landschap met zijn uitgestrekte leemplateaus en weidegebie-


••

B11M^E1\JKRA1MT

i

1

den, asymmetrische dalen, poelen. brongebieden, graften, houtkanten. holle wegen, grubben, hoogstamboomgaarden, plateau-, helling- en bronbossen bieden ook in deze ankerplaats aan de streek een hoge esthetische belevingswaarde. Kenmerkend is ook hier de gaaf bewaarde, uitsluitend agrarische, uitbouw van het gebied en de harmonieuze verwevenheid van het landschap met het gebouwde patrimonium De Gulp is de belangrijkste structurerende waarde voor het gebied. Het Gulpdal is asymmetrisch: de hellingen met westelijke expositie zijn steil en bebost, terwijl de hellingen met oostelijke expositie zachter en vlakker zijn. De landbouwontginningen gebeurden vanuit de verschillende hoeves op het plateau. Op de vlakkere hellingen komt vooral landbouw en veeteelt voor. Ook de hoger genoemde kenmerkende cultuurzonatie is geënt op deze beek. De Gulp ontspringt in Wallonië en loopt via Vlaanderen (Teuven) naar Nederland. In het kader van een Euregionaal project is een groep rondom Geul-Gulp opgericht om projecten in te richten. De Voerstreek is het centrum van het ontwikkelingsperspectief Drielandenpark, een samenwerkingsverband van de Nederlandse provincie Limburg, de

ii

huchten en nederzettingen. De wegen worden gebruikt door zowel lokale inwoners als toeristen. • Omgeving van het Iers Kruis op de Keiberg te Lafelt Eveneens bij Ministerieel Besluit van 31 december 2007 stelde Dirk Van Mechelen, Viceminister-President van de Vlaamse Regering en Vlaams Ministervan Financiën en Begroting en Ruimtelijke ordening, de voorlopige aanduiding van de ankerplaats volgens de landschapsatlas "Omgeving van het Iers Kruis op de Keiberg te Lafelt" op het grondgebied van de Gemeente Riemst vast. Het Besluit voor de voorlopige aanduiding van de ankerplaats werd aan de betrokken openbare besturen betekend op 04 maart 2008. Eind 2008 besliste de Minister tot definitieve aanduiding van deze ankerplaats. De ankerplaats bevindt zich in droog Haspengouw, een gebied in de vierhoek Tienen-Maastricht-Luik-Namen. Zij behoort meer bepaald tot het oostelijke deel ervan, het Krijtland van Millen. Zij wordt als het ware ingesloten door de volgende dorpen: Vlijtingen, Hees, Kesselt, Lafelt, Riemst en Herderen. In het zuiden wordt het gebied, met uitsluiting van de meeste woon- en bedrijvenzones, begrensd door de Maastrichtersteenweg.. In het oosten

de streek over taal, gewest- en landsgrenzen heen. In het kader van een Euregionaal project is een groep rondom Geul-Gulp opgericht om projecten in te richten. De Gulp ontspringt in Wallonië en loopt via Vlaanderen (Teuven) naar Nederland.

vormt de Burgemeester Marresbaan, eveneens met uitsluiting van de meeste woon- en leemontginningsgebieden, de begrenzing. Geomorfologische en hydrografische landschapselementen typisch voor Droog Haspengouw als gevolg van de permeabiliteit van bodem en ondergrond voor regenwater, zoals uitgestrekte, zacht glooiende leemplateaus. de afwezigheid van oppervlaktewater (bronnen, waterlopen), geconcentreerde bebouwing, kenmerken de ankerplaats

Er zijn talrijke, grensoverschrijdende. wandel- en fietspaden in het gebied. Tevens loopt er een GR route (GR 128) door het gebied. Het historische netwerk van oude veldwegen en holle wegen dient als (wandel)verbindingswegen tussen de verschillende ge-

De ankerplaats behoort geomorfologisch tot het Maasterrassenlandschap, ontstaan tijdens het Quartair (Pleistoceen: ongeveer 3 - 0,01 miljoen jaar geleden) door erosie en sedimentatieprocessen van de Maas, veroorzaakt door grote temperatuurschommelin-

Belgische provincies Luik en Limburg, de gewesten Vlaanderen en Wallonië, de Duitstalige gemeenschap in België en de Stadt und Landkreis Aachen. Dit samenwerkingsverband biedt een hoopvol perspectief op een verdere uitbouw van de erfgoedwaarden van

gen tussen de ijstijden en interglaciale perioden. De noordwest-zuidoost verlopende grens tussen het hoog- en het middenterras van de Maas bevindt zich tussen Vlijtingen en Lafelt. Vooral de ongeveer 120 meter hoge Sieberg net ten oosten van Herderen en in mindere mate de ongeveer 90 meter hoge Keiberg met het Iers kruis domineren het landschap. Deze hoogten bieden imponerende perspectieven en vergezichten op het zacht glooiende Haspengouwse open-field landschap tot over de Maas, tevens historisch slagveld. Vanaf de aankomst van de eerste landbouwculturen en bijgevolg het begin van de eerste landname omstreeks 5300 voor Christus (Bandceramiekers) was er een continue occupatie waarvan fragmentarisch sporen gevonden werden. In de streek werden trouwens de oudste sporen (tussen

Sieberg bij Herderen.

a^t-tMfcÉÉfaflfeSL^fS^

- ^ a

" Hfll

Keiberg met het Iers kruis.

~~ ^^èr^L^Ml jflJi.iHEffif

^BBBB^

^ ~ ^Mf^MjiJMMre/' ^rv«l

"SlslwlÉ -ligpsHSH

— —^^^--^^wiy-Piilyjfe

J l r * ^

'"-^^PtïKp^jl

JL

^jB^

MM^^MMIHHBSI

Mfl|HV

^H

ËSfe*&»

1

M&L


B I N N E ^ K R A N T

dien in de nabijheid van het strategische Maastricht, werden Lafelt en omgeving geregeld geconfronteerd met plunderingen, vernielingen, inkwartieringen en opeisingen door vreemde legerbenden

135000 en 35000 BP) van menselijke activiteit (Neanderthalers) in Nederland en Vlaanderen gevonden. De CAI databank meldt een dertigtal gekende archeologische vindplaatsen van artefacten uit de Steen- IJzer en GalloRomeinse tijd.. Hoger gelegen gebieden zoals de Keiberg en de Sieberg met hun omgeving profileren zich als belangrijke vindplaatsen van archeologica uit deze perioden. Het tracé van de vermoedelijk Romeinse heirbaan Tongeren-Maastricht-Keulen bevindt zich in de ankerplaats. Het valt gedeeltelijk samen met de huidige Maastrichtersteenweg. Tijdens de late middeleeuwen werd het landschap opnieuw ontgonnen met het huidige open landschap als resultaat. In de 18de eeuw ontstonden de kenmerkende vierkanthoeven meestal omgeven door met hagen afgesloten hoogstamboomgaarden. Het weidse landschap had een grote strategische betekenis. Het was uitermate geschikt voor het voeren van veldslagen en voor doortochten van legers. Gelegen in het grensgebied tussen het Prinsbisdom Luik en het Hertogdom Brabant en tevens in het grensgebied tussen de zuidelijke en noordelijke Nederlanden en bovendien in de nabijheid van het strategische Maastricht, werden Lafelt en omgeving geregeld geconfronteerd met plunderingen, vernielingen, inkwartieringen en opeisingen door vreemde legerbenden. Gelegen in het grensgebied tussen het Prinsbisdom Luik en het Hertogdom Brabant en tevens in het grensgebied tussen de zuidelijke en noordelijke Nederlanden en boven-

Op 2 juli 1747 was Lafelt het strijdtoneel van één der belangrijkste en beslissende veldslagen uit de Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748). Het Iers Kruis op de Keiberg herinnert aan de beruchte Slag. De omgeving van Lafelt werd tot op heden weinig verstoord. De gelijkenis tussen de zichten van op de Sieberg en historische schilderijen is treffend. Franse troepen van Lodewijk XV onder maarschalk de Saxe en hun bondgenoten (Spanje, Beieren en Pruisen) stonden tegenover de geallieerde legers van Oostenrijk, Engeland, de Nederlandse republiek en Rusland. Toen de Fransen trachtten het vlakbij gelegen Maastricht in te palmen, leidde dat op zondag 2 juli 1747 tot de Slag van Lafelt. Het Iers Kruis op de Keiberg herinnert aan de beruchte Slag van Lafelt. Het is een aanknopingspunt voor de reconstructie van het militaire treffen, dat in zijn tijd van Europees belang was. De plek vormt een panoramische uitkijkpost op de ruime omgeving en biedt educatieve en recreatieve mogelijkheden.

De ankerplaats behoort tot het 'Grensschap Albertkanaal'. Dit is een grensoverschrijdend samenwerkingsverband van vertegenwoordigers van buurtorganisaties, overheden en maatschappelijke groeperingen uit het grensgebied tussen de Belgische gemeenten Lanaken en Riemst en de Nederlandse stad Maastricht. Daarbij werd voortgeborduurd op de ideeën zoals die in het ontwikkelingsperspectief 'Drielandenpark' zijn geformuleerd, een samenwerkingsverband van de Nederlandse provincie Limburg, de Belgische provincies Luik en Limburg, de gewesten Vlaanderen en Wallonië, de Duitstalige gemeenschap in België en de Stadt und Landkrelss Aachen. Dit samenwerkingsverband biedt een hoopvol perspectief op een verdere uitbouw van de erfgoedwaarden van de streek over taal- en landsgrenzen heen.

Grondgebonden landbouw wordt als ruimtelijke drager van het open cultuurlandschap, een van oudsher groot aaneengesloten en samenhangend akkerbouwgebied, erkend. In Vlijtingen werd trouwens de eerste ruilverkaveling in Vlaanderen afgerond. De ongeveer 120 meter hoge Sieberg, net ten oosten van Herderen en in mindere mate de ongeveer 90 meter hoge Keiberg met het Iers kruis, domineren het landschap en kunnen dus als ruimtelijk structurerende bakens beschouwd worden. Een knelpunt is de afgraving van leemgronden voor de baksteennijverheid in de streek. Deze plekken bieden naar de toekomst toe echter ook mogelijkheden voor archeologisch onderzoek en landschapsherstel. Ook de diepte, de vorm en de oriëntatie van de afgraving, en de snelheid waarmee de werken vorderen is relevant voor het latere landschapsherstel.

ANKERPLAATS MOERVAARWFPRFWF TE L Q K E R E N , GENT, MQERBEKE. STEKENF, SINT-NIKIAAS, W A C H T E B E K F FN

LQCHRISTI Eind 2008 besliste Dirk Van Mechelen, viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van financiën en begroting en ruimtelijke ordening, tot definitieve aanduiding van de ankerplaats Moervaartdepress/ete Lokeren, Gent, Moerbeke, Stekene, Sint-Niklaas, Wachtebeke en Lochristi. 'Moervaartdepressie' is een clustering van verschillende ankerplaatsen uit de landschapsatlas: 'Helmisse, VetteMeersbos, Fondatie en Kruiskapel', 'Wulfsdonk, Turfmeersen, Etbos en Zuidlede' en 'Oostdonk' genoemd, gelegen op grondgebied van Eksaarde (Lokeren), Mendonk (Gent), Moerbeke, Kemzeke (Stekene), Sinaai (SintNiklaas), Sint-Kruis-Winkel (Gent),


B 1 N N E N K R A 1 M T

Kleinschalig landschap met eendenkooi aan de Kruiskapel

Stekene, Wachtebeke en Zaffelare (Lochristi), Oost-Vlaanderen. De oppervlakte bedraagt ongeveer 3690 ha. De Moervaartdepressie, met aan de noordelijke zijde de dekzandrug Verrebroek-Gistel en aan de andere zijde de langzamer hogerop hellende gronden en de Zuidlede als fysische grens, is de belangrijkste structuur in dit gebied. Het gebied bevat een afwisseling van bos (zowel loof, naald-, populieren-, hakhout- als wilgenbroekbos en geëxploiteerde wijmenaanplantingen), rietveldstroken, struwelen, weilanden en akkers doorsneden door kaarsrechte dreven en open meersencomplexen. Verder bepalen turfputjes, eendenkooien en waterlopen, en enkele bouwkundig erfgoedelementen sterk het landschap. Verschillende abdijen hebben het gebied op systematische wijze ontgonnen. Deze sporen zijn nog goed herkenbaar aanwezig in het landschap.

In de ankerplaats is de belangrijke geomorfologische sequentie dekzandrug Maldegem-Stekene, Moervaartdepressie en overgang naar zandig Binnen-Vlaanderen opgenomen. De Moervaartdepressie kenmerkt zich door haar asymmetrische vorm, met een ca. 2m hoge steile noordrand (overgang naar dekzandrug) en een zwak hellende zuidrand. In de depressie zelf is een typisch microruggenpatroon van lage oeverwallen/donken aanwezig. Het bodemarchief van de Moervaartdepressie is op geomorfologisch en paleo-ecologisch vlak uniek te noemen. Door de afdamming van de Vlaamse Vallei door de dekzandrug Maldegem-Stekene werd tijdens het laatglaciaal (vanaf 13 000 BP) een ondiep zoetwatermeer gevormd ten zuiden van de dekzandrug. Het afgezette kalkrijke sediment, moeraskalk of gyttja genoemd, is in bijna gans de Moervaartdepressie terug te vinden.

Hierboven ligt een laag gliede (zeepklei) uit het atlanticum (7500 jaar BP), een venige biogene afzetting. Hierboven bevinden zich overstromingsafzettingen bestaande uit veen (vanaf neolithicum), klei en zand (vnl. sinds middeleeuwse overstromingen). Dit door steeds terugkerende winteroverstromingen. Waar omwille van de hogere ligging geen overstromingspakket kon worden afgezet, komt pleistoceen zand tot lemig zand aan de oppervlakte (donken). De Moervaartdepressie heeft zowel paleo-ecologisch, -klimatologisch, geomorfologisch als bodemkundig een unieke betekenis in Zandig-Vlaanderen.

M&L


MftL

citoot

"Nelle numerose mostre d'arti belle, tenutesi nell'ultimo decennia in Italia ed all'estero, Ie opere di statuaria inviatevi del belgio presentavano caratteri cos/ spiccati di nobiltó estetica nell'ideazione e disapienza plastica nella fattura dea obbligare critica e pubblico a riconoscere, con un accordo non frequente che l'attivo ed intelligente popoio, il quale vive, lavora e prospera nella non molto vasta terra, sita f ra Francia, Germania, Olanda ed il mare, non è, nell'ora presente, in fatto di scoltura, inferiore ad alcun altro d'Europa e d'America." "Op de talrijke tentoonstellingen van schone kunsten, die het laatste decennium in Italië en in het buitenland gehouden werden, vertoonden de beelden gezonden vanuit België eigenschappen die zodanig doorspekt waren met esthetische adel in de voorstellingswijze en plastische wijsheid in de uitvoering, dat de critici en het publiek verplicht zullen zijn om te erkennen, met een niet vaak voorkomende eensgezindheid, dat het actieve en intelligente volk, dat leeft, werkt en voorspoedig is in het niet al grote landje tussen Frankrijk, Duitsland, Nederland en de zee, thans niet moet onderdoen voor enig land in Europa en Amerika."

Vittorio PICA, Artisti contemporanei: Pierre Braecke, in Emporium, volume 19, nr. 109, januari 1904, p. 6-7.


Zoals reeds vermeld zijn vergelijkbare kappen met al dan niet gekruiste schoren boven op de hanenbalkfliering minder zeldzaam dan het vorige type zonder deze schoren. We vermelden in chronologische volgorde enkele voorbeelden : • Kortrijk, O.L.Vrouwekerk, schip, ca. 1250 (41) • Parijs, Saint-Leu-Saint-Gilles, schip, 1320 (42); • Parijs, Saint-Nicolas-des-Champs, schip, 13211331 (43); • Kortrijk, O.L.Vrouwekerk, koor, XlVa (44);

Makelaar in de noordelijke buitenzijbeuk met een "vlotgat" waarin tijdens het houttransport een houten pen was vastgezet om het vlothout bijeen te binden (foto 0. Pauwels)

• Kortrijk, O.L.Vrouwekerk, Gravenkapel, 13701374(45). Twee van de hierboven aangehaalde voorbeelden verschillen van de andere door het feit dat er onder de onderste hanenbalken korbelen zijn aangebracht. Dit is eveneens het geval bij de twee volgende kappen in de O.L.Vrouwekerk.

Noordelijke buitenste zijbeuk Deze sporenkap van 55 sporenparen (dakenplan, nr. 5) is nagenoeg intact bewaard gebleven, zonder noemenswaardige verstevigingen of uitbreidingen. De sporen meten in doorsnede 16 op 16 cm en staan hoh gemiddeld 50 cm uit elkaar. Aan de noordzijde liggen de blokkelen op twee muurplaten; de buitenste op de kerkmuur zelf, de binnenste op een smal muurtje bovenop de gewelven van de noordelijke kleine kapellen van de zijbeuk. Uit ons onderzoek is niet helemaal duidelijk geworden of dit de oorspronkelijke toestand is. We neigen er veeleer toe dit als een verbouwde toestand te zien (46). Aan de zuidzijde van de kap zien we immers een volledig andere configuratie die we reeds aantroffen in de Heilig-Kruiskapel: de blokkelen liggen er op een muurplaat én zijn met een pen-engatverbinding ingelaten in een raveelbalk die tussen de trekbalken is aangebracht. Ook hier staan de standzonen dus niet op de blokkelen maar op de raveelbalk. Alle verbindingen in deze kap zijn van het pen-en-gat-type met als enige uitzondering de verbinding tussen makelaars en de bovenste hanenbalk, die halfhouts is. Aan de westelijke zijde van de kap bevinden zich schuine windlatten tussen sporenparen 1 en 19, aan de oostelijke zijde tussen sporenparen 34 en 55. De windlatten zijn halfhouts verbonden met de buitenzijde van de sporen. De getrokken telmerken op sporen, blokkelen en hanenbalken zijn van West naar Oost aangebracht, terwijl die op de hanenbalkfliering in de omgekeerde richting verlopen. Van de negen genomen stalen konden er slechts drie gebruikt worden voor het berekenen van een

gemiddelde curve. De vergelijking met de referentiecurven leverde geen uitstekend maar toch een aanvaardbaar resultaat op. De jongste gemeten jaarring dateert uit 1346, waardoor de veldatum van de bomen tussen 1350 en 1370 moet ingeschat worden (47). Deze datering past mooi binnen de traditionele datering in de tweede helft van de 14 e eeuw (48).

Zuidelijke buitenste zijbeuk, middendeel In het middelste gedeelte van de zuidelijke buitenste zijbeuk (dakenplan, nr. 7) zijn 24 sporenparen bewaard gebleven van een oorspronkelijk waarschijnlijk grotere kapconstructie. In de overgang naar de ten westen hiervan gelegen kap (dakenplan, nr. 8) is immers duidelijk dat er twee bouwfasen aanwezig zijn en dat het middelste gedeelte de oudste kapconstructie is. We nemen dan ook aan dat deze oorspronkelijk verder liep tot tegen de westgevel van deze zijbeuk, en werd afgebroken toen men, omwille van het inbrengen van een inkomportaal (dakenplan, nr. 10) de bestaande kap niet kon behouden (49). Typologisch is deze kap nagenoeg identiek aan deze van de noordelijke zijbeuk, maar hier zijn ook de bovenste hanenbalken in de daksporen en de makelaars gepend.


A

•

kap met schaar-

Dakvoet van de

delijke buitenzijbeuk

Overgang tussen

oorspronkelijke kap

(foto 0. Pauwels)

de oorspronkeli|ke

gebmten en flienn-

kap (1460) van de

gen (ca 1500)

zuidelijke buiten-

(foto 0. Pauwels)

(1460) van de zui-

zi|beuk, en de latere

Bijzonder is hier evenwel dat dit kapgedeelte in twee fasen is uitgevoerd. Elk gedeelte telt nu twaalf sporenparen maar vertoont duidelijke verschillen: de daksporen in het westelijk gedeelte meten in doorsnede 20 x 13 cm, die in het oostelijk gedeelte 16 x 14 cm. Elk deel heeft bovendien zijn eigen nummering waarbij de telmerken op de daksporen telkens van Oost naar West zijn aangebracht. O p de hanenbalkfliering en makelaars echter verloopt de nummering in het oostelijk deel van Oost naar West, in het westelijk deel daarentegen in omgekeerde richting. Bovendien is er tussen beide delen duidelijk een bouwnaad in zowel de muurplaten als de borstwering. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat men nog tijdens de bouw van de zijbeuk heeft beslist deze in oostelijke richting met één travee uit te breiden.

IVI&L

Dit zou immers ook verklaren waarom er aan de zuidzijde twee achter elkaar geplaatste windlatten aanwezig zijn: windlatten vinden we enkel aan de zijde van eindgevels, nooit in het midden van een

kap. Dit alles betekent dat de zijbeuk zoals die oorspronkelijk gebouwd werd slechts vijf traveeën telde, en ter hoogte van het eerste oostelijke sporenpaar afgesloten was door een nu verdwenen eindgevel. Het bestaan van deze oostgevel wordt impliciet ontkend in het eindrapport van A.M.Consult dat stelt dat de huidige "zuidgevel in zijn geheel een medio-15 "eeuwse baksteenmetselwerkconstructie is" (50) en de zuidbeuk van 8 traveeën "de langste travee-aanleg (van de kerk is), éénduidig te dateren midden 15 ' eeuw" (51).


Er kan nochtans gemakkelijk aangetoond worden dat deze aanname ongegrond is. Vooreerst is er ter hoogte van het meest oostelijke sporenpaar in de zuidgevel een duidelijke geblokte bouwnaad die doorloopt over de gehele hoogte van de gevel en aantoont dat de drie traveeën ten Oosten ervan in een latere bouwfase zijn toegevoegd. Overigens verschillen deze drie traveeën ook binnen in de kerk qua grondplan en opbouw duidelijk van de andere vijf. Bovendien is deze toestand duidelijk weergegeven op de stadskaart die Marcus Gerards in 1562 publiceerde: de zuidelijke zijbeuk is merkelijk korter dan de noordelijke en aan de oostkant afgesloten door een puntgevel (52). Voor de datering van deze zijbeuk werden er 10 stalen genomen waarvan er echter slechts drie konden gebruikt worden voor het berekenen van een gemiddelde curve. De vergelijking met de referentiecurven leverde echter wel een uitstekend resultaat, en de jongste gemeten jaarring dateert uit 1446. De veldatum van de bomen wordt geschat tussen 1454 en 1464 (53).

SPORFNKAPPEN OP SCHAARGEBINTEN Een volgende grote stap in de evolutie van de sporenkap was het vervangen van de hanenbalkfliering(en) door flieringen die nu onder de daksporen werden geplaatst, en zelf rusten op schaar-, kromstijl- of stijlgebinten. Schoren tussen stijlen en flieringen, en korbelen tussen stijlen en dekbalken verzekeren een bijkomende stijfheid en dus stabiliteit in de kapconstructie. De eerste voorbeelden dateren uit de 13 c eeuw, en vanaf 1300 zijn ze reeds wijd verspreid, maar zoals we zagen werden ook sporenkappen met enkel een hanenbalkfliering nog tot diep in de 15 e eeuw gebouwd. De oudste schaargebinten in de O.L.Vrouwekerk vinden we terug in de zolder boven middenbeuk en hoogkoor. Eén staal dat hier werd genomen op vraag van A.M.Consult leverde goede dendrochronologische resultaten op waardoor de veldatum van het hout tussen 1380 en 1410 wordt gesitueerd (54). Het inbrengen van flieringen en schaargebinten in de bestaande sporenkap met makelaars en hanenbalkfliering ging toen samen met nog andere verbouwingen. Naar aanleiding van het aanbrengen van een borstwering rondom deze 64 meter lange zolder werden immers de originele muurplaten, blokkelen en standzonen verwijderd en alle daksporen ongeveer 60 cm ingekort. De nieuwe

blokkelen en standzonen zijn van een zeer heterogene aard en bevatten veel hergebruikmateriaal. Een aantal werd in de 18 e eeuw overigens opnieuw vervangen (55). De standzonen zijn met een houten toognagel, smeedijzeren nagels of een combinatie van beiden op de daksporen gespijkerd. De nieuwe flieringen werden net onder de onderste hanenbalken aangebracht en steunen op zware schaargebinten waarvan de poten met een pen in de trekbalken zijn geborgen. De verbindingen tussen gebintpoten, dekbalk en korbelen zijn allen van het pen-en-gat-type. Afgezien van deze kap die door een verbouwing tot stand kwam, zijn er in de kerk eveneens drie originele sporenkappen met schaargebinten aanwezig, waarvan de eerste twee tot hetzelfde subtype behoren.

Sporenkappen op schaargebinten en met 1 hanenbalk De sporenkap boven de Oude Sacristie (dakenplan, nr. 9) telt 29 sporenparen waarvan de daksporen hoh 35 cm uit elkaar staan en in doorsnede 9 x 9 cm meten. De flieringen rusten op drie lichte schaargebinten én twee stijlgebinten tegen de eindgevels. De schaarpoten (of stijlen) zijn in de dekbalken gepend, maar alle andere verbindingen zijn opgespijkerd. Elk sporenpaar is voorzien van een hanenbalk die halfhouts met de daksporen verbonden is. De getrokken telmerken op de daksporen vertonen niet de juiste volgorde. Een zeer analoge kap bevindt zich boven het in de zuidwestelijke hoek gelegen Inkomportaal (dakenplan, nr. 10). De flieringen rusten er op vijf lichte schaargebinten. Beide kappen zijn waarschijnlijk in de late 15 c eeuw te situeren. Van dit vanaf 1300 wijd verspreide type dakkap werden er door Onroerend Erfgoed in Brugge reeds 22 voorbeelden geregistreerd, maar voorlopig konden slechts twee daarvan dendrochronologisch onderzocht worden : • Sint-Jansstraat 15, achterhuis zijvleugel: tussen 1384 en 1404(56); • Klooster ter Potterie, kloostervleugel: tussen 1470 en 1485 (57).

Sporenkappen op gestapelde schaargebinten Zoals we reeds vermeldden, vermoeden we dat bij de bouw van het zuidelijk inkomportaal, de bestaande sporenkap van de zuidelijke zijbeuk gedeel-


Opmetingstekemngen van de dakbppen met schaargebinten (tekening D. Van Eenhooge)

Schaargebinten

®

Stijigebinten

BRUGGE

O.LV.-Kerk

0

Oude Sacristie

0

Zuidbeuk West, deel

(5)

Zuidbeuk

0

1 2

I,,,,! I l I

Oost. deel

3

5m

L

57c

dve

M&L

telijk gesloopt werd, en vervangen door een nieuwe sporenkap (dakenplan, nr. 8). De kap rust op 5 zware schaargebinten én een stijlgebint tegen de westgevel. Alle verbindingen in de gebinten zijn ge-

pend. Dit is echter niet het geval voor de veel lichter uitgevoerde gebinten die hier bovenop zijn geplaatst, en waar alle verbindingen koud opgenageld zijn. Bovendien zien we hier ook vele slordig of niet


De sporenkap mei gestapelde schaargebinten in het westelijk deel van de zuidelijke buitenzijbeuk (foto 0. Pauwels)

gekantrechte houten. Zoals dikwijls het geval is bij dit type dakkap, is het niet onmogelijk dat de bovenste gebinten er pas in een latere fase zijn aan toegevoegd, maar is het zeer moeilijk of onmogelijk

om dit met zekerheid uit te maken. De houten van deze kap vertonen een opvallend vlugge groei, waardoor de drie genomen stalen geen gemiddelde curve opleverden; ook een individuele vergelijking

1VI&L


met de referentiecurven leverde geen resultaat. Een datering of hypothese omtrent de veldatum was bijgevolg onmogelijk (58). O p bouwhistorische gronden dateren we deze kap in de late 15 e eeuw. w

De gordlngenkap met nokgebintcn en hanenbalken m het oostelijk deel van de zuideli|ke buitenzijbeuk; in de achtergrond de vroegere westgevel van de ongeveer één eeuw oudere sacristie (foto 0. Pauwels)

Dit type dakkap werd van de 1 5 t c tot in de 17 e eeuw zeer veel toegepast; in Brugge werden reeds j g voorbeelden geregistreerd, waarvan er opnieuw ~ •• i i s l e c h t s 2 zl n J gedateerd : • Tolhuis, voorhuis: tussen 1458 en 1478; . Tolhuis, achterhuis: tussen 1477 en 1491 (59).

GQRDINGENKAPPEN MFT HANENBALKEN Vanaf het einde van de 13 e eeuw zien we dakkappen met hanenbalken waarin eveneens gordingen zijn toegepast, niet alleen als bijkomende steun tussen de schaargebinten, maar eveneens als nokbalk op een nokgebint (een geschoorde nokstijl). Volgens H . Janse, die we hierin volgen, "moet er dan (niet meer van daksporen maar) van kepers gesproken worden alhoewel er nog hanenbalken voorkomen als teken van vermenging van beide constructieprincipes" (60). We spreken in deze gevallen dus niet meer van sporenkappen maar van gordingenkappen (61). Eén van de oudste voorbeelden vinden we in de uit ca. 1300 daterende Dominicanenkerk in Utrecht (62). Aanzienlijk jonger zijn echter kappen met hanenbalken waar een nokgebint niet op enkele maar op gestapelde schaargebinten is geplaatst. Deze kappen dateren allen van het midden van de 15 e tot het begin van de 16 c eeuw en kunnen niet alleen in Nederland worden aangeduid (63), maar ook in bijvoorbeeld Brugge waar in 1520 drie nieuwe kappen in het Brugse Vrije werden opgericht (64). Het enige voorbeeld van dit type in de O.L.Vrouwekerk is waarschijnlijk iets jonger.

Oostelijk deel van de zuidelijke z i j beuk Deze gordlngenkap (dakenplan, nr. 11) rust op 6 gestapelde schaargebinten en nokgebinten die, net zoals de kepers, in opvallend mooi gekantrecht hout zijn opgebouwd. De schaarbenen zijn telkens met een pen-en-gatverbinding en een toognagel in de onderliggende balken vastgezet. Halverwege de schaarbenen van de onderste schaargebinten zorgt een gording voor een bijkomende verstijving van de constructie. De nokgebinten bestaan uit een nokstijl, in de dwarse richting schoren naar de dekbalk van de bovenste schaargebinten, en in langse richting schoren naar de nokgording. Dichtbij de nok zijn kleine hanenbalkjes ingebracht. In deze kap zijn alle verbindingen van het pen-en-gat-type en met één of twee houten toognagels vastgezet. Zoals we reeds vermeldden staat dit oostelijk deel van de zuidelijke zijbeuk duidelijk nog niet afgebeeld op de stadskaart van Marcus Gerards uit 1562, zodat we deze kap met zekerheid in de tweede helft van de 16 e eeuw kunnen dateren. Er werden geen stalen genomen voor dendrochronologisch onderzoek.

M&L


SAMFNVATTING EN BQUWCHRONQLQGIE Het bouwhistorisch onderzoek dat door Onroerend Erfgoed werd uitgevoerd tijdens de restauratie van de kapconstructies van de Brugse Onze-LieveVrouwekerk kon gelukkig vervolledigd worden door dendrochronologisch onderzoek dat in bijna alle gevallen een zeer goed resultaat gaf. Slechts in enkele gevallen bleek de geringe kwaliteit van het gebruikte hout een goede datering in de weg te staan. De bouwgeschiedenis van de kerk van de vroege 13 tot de late 16 <: eeuw kan in dertien verschillende kapconstructies afgelezen worden. We vermelden achtereenvolgens: • Twee kapconstructies uit de eerste gotische bouwcampagne in het tweede kwart van de 13 e eeuw, die nu enkel in de vorm van hergebruikmateriaal in de kappen van het hoogkoor aanwezig zijn. De dendrochronologische gegevens suggereren een datering rond 1240. • De zeer goed bewaarde oorspronkelijke kap boven de middenbeuk van de benedenkerk, hoogstwaarschijnlijk gebouwd omstreeks 1250. • De verbouwing van deze kap met de inbreng van langsverbindingen (hanenbalkfliering), te dateren rond 1275. Onmiddellijk hierna werd de kap boven de viering en het westelijk deel van het hoogkoor opgericht. • Vervollediging van de kap boven het hoogkoor rond 1300. • Bouw van de Heilig Kruiskapel ten Oosten van de toren, omstreeks 1320. • Bouw van de Noordelijke buitenzijbeuk ten Westen van de toren, rond 1360. • Versteviging van de kappen boven middenbeuk, viering en hoogkoor door de inbreng van schaargebinten, rond 1400. • Bouw van de Zuidelijke buitenzijbeuk, omstreeks 1460. • Bouw van het Zuidelijk inkomportaal, aanpassingswerken met gedeeltelijk nieuwe kapconstructie voor de Zuidelijke buitenzijbeuk, en bouw van de sacristie, allen te situeren in de late 15 e eeuw. • Voltooiing van de Zuidelijke buitenzijbeuk tegen het einde van de 16 e eeuw.

nig verhaal is, en dat een datering op louter typologische of louter dendrochronologische gronden een zeer hachelijke zaak is. Een gedegen bouwhistorisch onderzoek moet immers niet alleen oog hebben voor talrijke details qua uitvoering en materiaalgebruik, maar wordt best aangevuld met een deskundig uitgevoerd dendrochronologisch onderzoek dat zelf ook rekening houdt met de aanwezige bouwhistorische problematiek, en de aanwezigheid van hergebruikmateriaal. Vooral de opsporing en correcte interpretatie van hergebruikmateriaal van middeleeuwse sporenkappen in latere, soms 18 e ' of 19 ^eeuwse kapconstructies, gebeurt intussen nog veel te weinig, waardoor bij sommige restauraties wetenschappelijk waardevol bouwmateriaal verloren gaat, en onze kennis van de bouwgeschiedenis van monumenten nodeloos verminkt wordt.

Dirk Van Eenhooge is archeoloog en bouwhistoricus, en erfgoedconsulent bij de Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen

EINDNOTEN (1) JANSE H. & DEVLIEGHER L, Middeleeuwse bekappingen in het vroegere graafschap Vlaanderen, in Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, deel XIII, 1962, pp. 301-378. (2) De restauratie gebeurde naar ontwerp van architect L Vermeersch, wiens uitstekende opmetingsplannen een ideale basis waren voor onze bouwhistorische opnames. (3) Deze bestelling maakte deel uit van een onderzoeksdossier Bouwhistorisch Onderzoek waarvan de uitvoering werd toegewezen aan de firma A.M.Consult uit Sint-Niklaas. Het dendrochronologisch onderzoek zelf werd uitgevoerd door het Laboratoire de Dendrochronologie van de Université de Liège. (4) Voor een uitvoetiger overzicht van de bouwgeschiedenis verwijzen we naar DEVLIEGHER L., De bouwgeschiedenis van de kerk, in De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge. Kunst en Geschiedenis, Brugge, 1997, pp. 99-108. Enkele dateringen moeten wel aangepast worden aan de nieuwe dendrochronologische gegevens. (3) Bij een sporenkap gebruiken we consequent de term spoor of dakspoor, terwijl we de term ^ervoorbehouden voor gordingenkap-

Uit dit chronologisch overzicht en de voorgaande typologische bespreking is vooral gebleken dat de evolutie en toepassing van de technologie van middeleeuwse sporenkappen een allesbehalve rechtlij-

pen (HASLINGHUIS E.J. & JANSE H., Bouwkundige Termen, Leiden, 1997, p.251). Voor de overige dakonderdelen en terminologie verwijzen we naar NUYTTEN D., Middeleeuwse dakkappen in het voormalige Hertogdom Brabant, in M&L, Monumenten,


Landschappen en Archeologie. 2005, nr. 24/4, pp. 26-28 en 35-36. (31) JANSE & DEVLIEGHER 1962, p. 321, Afb. 24. Ook voor de techniek en terminologie van het dendrochronolo-

(32) EECKHOUT J. & HOUBRECHTS D., De bekappingen van de

gisch onderzoek verwijzen we naar dit artikel.

Hallen te Brugge, onuitgegeven dendrochronologisch rapport, Université de Liège, Laboratoire de dendrochronologie, 2006.

(6) JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p. 319.

De dateringen zijn overigens een bevestiging van de mening van

(7) JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p. 337 en DEVLIEGHER,

JANSE & DEVLIEGHER (1962, p. 320, voetnoot 58) dat de

1997, p. 106. (8) A.M.CONSULT, Onze-Lieve-Vrouwekerk. Bouwhistorisch onder(9) In de huidige opstelling zijn de daksporen dus samengesteld uit

kappen dateren van na de brand van 1280, en niet van 1240 zoals ondermeer A. DUCLOS meende te weten.

zoek. Eindrapport, (s.!., s.d.), p. 277.

(33) Zowel qua terminologie als qua typologie moet er een duidelijk onderscheid gemaakt wotden tussen flieringen (horizontaal ge-

drie aaneengelaste houtstukken.

legd hout in de lengterichting van de kap) en gordingen (houten

(10) jANSEH., Houten kappen m Nederland 1000-1940, Delft, 1989,

ligger in de lengterichting van de kap, waarvan twee zijden even-

afb. 83. (11) JANSE H., 1989, afb. 80, 82 en 86.

wijdig zijn aan het dakvlak) Zie: HASLINGHUIS & JANSE,

(12)JANSEH., 1989,afb. 77en78.

1997, p. 169 en 195.

(13) EECKHOUT J., Fiche d'analyse dendrochronologique, Eglise(34) Reeds vermeld in JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p.337, voetNotre-Dame h Bruges. Universitc de Liège, Laboratoire de den-

noot 87. In een latere publicatie (DEVLIEGHER, 1997, p. 99)

drochronologie, 2006.

wordt deze afsluitwand ten onrechte toegeschreven aan de oorspronkelijke bouwfase van het schip.

(14) DEVLIEGHER L, 1997, p. 99. (15) Zie JANSE H., 1989, p. 80, Afb. 97 voor een beschrijving van dit principe.

(35) EECKHOUT & GALAND, 2005, p. 3 en 6. (36) JANSE. 1989, p. 82, Afb. 100.

(16) EECKHOUT J. & GALAND A., L'église Notre-Dame a Bruges, (37) DEVLIEGHER, 1997, p. 100 en BOUWEN DOOR DE onuitgegeven dendrochronologisch verslag, Université de Liège, Laboratoire de dendrochronologie, 2005, p. 6.

EEUWEN HEEN, Deel 18nb Zuid, 2004, p. 326. (38) Deze constructiewijze, waarbij het blokkeel niet op de raveelbalk ligt, maar er aan een zijkant is in vastgezet, is niet uitzonderlijk

(17) HOFFSUMMER P., La charpente, une evolution, in CORVOLDESSERT A. (e.a.). Les charpentesduXl°auX1X°siècle. Typologie

en komt bijvoorbeeld al voor in de laat-12 '-eeuwse kap van de

et evolution en Frame du Nord eten Belgique, Paris, 2002, p. 171,

kollegiale kerk van Zinnik (JANSE & DEVLIEGHER, 1962,

PI. 4b.

p. 318 en Afb. 21).

(18) HOFFSUMMER P., 2002, p. 171, PL 4c.

(39) EECKHOUT & GALAND, 2005, p. 7.

(19) JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p. 319, afb. 22.

(40) Het eindrapport van A.M.Consult (pp. 248-49) vermeldt enkel

(20) JANSE H., 1989, p. 71, afb. 75 en p. 72, afb. 76.

dat de kap werd gebouwd nadat de oorspronkelijke spitsboogven-

(21) EECKHOUT J. & HOUBRECHTS D., Charpentes et caves

sters van de onderbouw van de toren werden gedicht, maar maakt

médiévales a Bruges. Campagne d'analyses 2001-2002. onuitgege-

geen melding van het feit dat de kap later nog moest aangepast

ven dendrochronologisch verslag, Université de Liège, Laboratoire

worden voor de steunberen van de toren.

de dendrochronologie, 2002. p. 45-49. Ter gelegenheid van de

(41) DEVLIEGHER L, De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kortrijk. Tielt,

staalname werd de kap opgemeten en onderzocht door de auteur.

1973, p. 28 en JANSE H., 1989, p. 81, afb. 98.

(22) JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p. 324, afb. 29; dendrochro-

(42) HOFFSUMMER R, 2002, p, 191, PI. 19b.

nologische datering meegedeeld door Dirk de Vries van de

(43) HOFFSUMMER P., 2002, p. 191, PI. 19a.

Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

(44) DEVLIEGHER L, 1973, ibid.

(23) VAN EENHOOGE D., Twee l^'-eeuwse domeinen in de Sint- (45) DEVLIEGHER L, 1973. p. 43, Fig. 19. Jansstraat te Brugge, in Brugs Ommeland. 2002/3, p. 151 en 157,(46) Het kleine baksteenformaat van het muurtje op de gewelven doet een datering in de 15 c eeuw vermoeden. Het Eindrapport van

en EECKHOUT & HOUBRECHTS, 2002, p. 24-32.

A.M.Consult vermeldt deze problematiek niet.

(24) BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN, Deel 18nb Noord, 2004, p.408-9, en EECKHOUT & HOUBRECHTS, 2002,

(47) EECKHOUT & GALAND, 2005, p. 7.

p. 68-75.

(48) DEVLIEGHER L, 1997, p. 100.

(25) In tegenstelling tot de daksporen uit "Kap A" moesten deze spo-

(49) In geen enkele publicatie over de kerk wordt de vraag gesteld of

ren niet worden verlengd en bleven zij dus intact, met uitzonde-

het inkomportaal slechts in een latere fase aan de zuidbeuk werd toegevoegd.

ring van de voeten die ca 1400 werden ingekort. (26) EECKHOUT & GALLAND, 2005, p.3 en 6.

(50) A.M.Consult, Eindrapport, p. 182.

(27) HOFFSUMMER P., Les charpentes de toitures en Wallonië. (51) A.M.Consult, Eindrapport, p. 207. Een soortgelijke aanname Typologie et dendrochronologie (X1°-XIX° siècle). Namur, 1995, p. 84, afb. 61,1.

vinden we bij DEVLIEGHER, 1997. p. 100 die echter wel stelt dat "een bouwnaad in de zuidmuur en drie verschillende typen

(28) HOFFSUMMER R, 2002, PI. 9a en 9b.

van dakkappen zouden kunnen wijzen op een niet zo vlotte rea-

(29) HOFFSUMMER P., 2002, PI. 9c.

lisatie van deze beuk". Ook hij stelt echter dat de zijbeuk tegen

(30) JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p. 320, Afb. 23.

de bestaande sacristie werd aangebouwd.


(52) In de inventaris BOUWEN... 18na, p. 326 wordt dan ook terecht

(59) VAN EENHOOGE D., Middeleeuwse Brugse huizen: het Heylig

gesteld dat midden XV een zuidbeuk van vijf ttaveeën wordt ge-

Graf, het Pijndershuisje, de Grote Tol en het Wezelkin aan het

bouwd.

Jan Van Eyckplein, in M&L, Monumenten, Landschappen en

(53) EECKHOUT & GALAND, 2005, p. 7. (54) EECKHOUT J. & HOFFSUMMER P., Eglise Notre-Dame a Bruges. Fiche d'analyse dendrochromlogique, février 2006. (55) AM.Consult, Eindrapport, p. 231. (56) VAN EENHOOGE D., 2002, p. 155 en EECKHOUT & HOUBRECHTS, 2002, pp. 24-32. (57) BOUWEN... 18n Noord, p. 408 en EECKHOUT & HOUBRECHTS, 2002, pp. 68-75. (58) EECKHOUT & GALAND, 2005, p. 6. Dit is overigens een frequent voorkomend probleem bij kappen van dit type en deze petiode, die dikwijls met inheems hout van matige kwaliteit zijn opgetrokken.

Archeologie, 25/1, 2006, pp. 35, 37-38, en EECKHOUT & HOUBRECHTS, 2002, pp. 13-18. (60)JANSEH., 1989, p. 134. (61) Dendrochronoloog P. HOFFSUMMER (2002, p. 226) hanteert een ander principe en beschouwt elke kap met hanenbalken als een sporenkap, zelfs als er gordingen in zijn toegepast. (62)JANSEH., 1989, afb. 211. (63) JANSEH., o.c, pp. 137-142. (64) JANSE & DEVLIEGHER, 1962, p. 369, afb. 94


Katrien

Hebbelinck

FR1EÜR1CH EDUARÜ KE1L1G EN HET STADSPARK VAN ANTWERPEN • E ÏAN CUÏCK, Ontwerp voor de promenade op het glacis van de Spaanse omwallmgen

(1845) (O Stadsarchief Antwerpen)

^Mt^.^&:*-^ rt..' •'•w..-

Mv.

Het stadspark

van Antwerpen

digt een zeldzaam

hoogtepunt

eeuwse geschiedenis

transformeerde een ontwerp

de

in de

19 -

van het Belgische

baar groen. Het bewaart uniek voorbeeld

vertegenwoor-

een voor ons land

van een tot stadspark brilschans,

aangelegd

van de Duitse

landschapsarchitect, Dit

vormt een sleutelproject

een lopend doctoraatsonderzoek vre van deze ontwerper We grijpen

van dit

te

in

(1853-1895).

O m de 16 e -eeuwse Spaanse omwallingen van bijkomende versterking te voorzien, wordt in 18181819, op initiatief van het toenmalige Hollandse bewind, het lunet van Herentals gebouwd (1). In het voormalige Sint Magrietendai, tussen de Mechelse en Borgerhoutse poort, komt aldus een brilschans, waarvan de keel halverwege de huidige Rubenslei ligt. Als enige verbinding met de vaste bodem ligt hier de toegang tot een lagergelegen, driehoekig bastion, waarvan de zijden door een wal en vestinggracht worden omringd.

onderzoek

aan, om het concept en de kenmerken in kaart

histo-

naar het oeu-

in België

de bevindingen

groenmonument

genaar

Friedrich Eduard Keilig (1827-1895). rische parkconcept

open-

VAN VFSTFN EN LUNET, TOT PROMENADE OF PARK

brengen.

van dit

In 1844 lanceert de Antwerpse provinciegouverneur Henri De Brouckère de idee om het glacis of


talud van de Spaanse omwallingen als publieke wandeling oipromenade'm te richten (2). Als inspiratiebron verwijst de gouverneur naar Duitse steden, waar sinds de Vrede van Luneville (1801) meerdere stadswallen heraangelegd zijn door ontwerpers als Ludwig Friedrich Von Sckell (17501825), Maximilian Friedrich Weyhe (1775-1846) of Peter Joseph Lenné (1789-1866). Anders dan de Franse verkeersoplossing als regelmatige boulevard, geldt hier een uitgesproken voorkeur voor landschappelijk aangelegde wandeltracés. O p voorwaarde dat de militaire dienstbaarheden op de vesten én het lunet niet in het gedrang komen, stemt ook de Minister van Oorlog, Dupont, met dit voorstel in (3).

SAA, MA 953, Provinciegouverneur de Brouckère aan Minister van Oorlog Dupont, 1 maart 1844: " (...) La ville d'Anvers centre d'un mouvement de population d'environs cent mille Ames en y comprenant la garnison et les habitants de la banlieue est dépourvue de promenades publiques a l'intérieur, objet d'utilité et d'agrément que possede la plupart de nos villes, mèmes celles d'une moindre importance. En parcourant les fortifications. Hm' aparu qu'onpourrait, imitant ce qui a été, si heureusementpratique dansplusieurs localités notamment d'apres ce que l'on m'assuré a Dusseldorf et a Nurembergh, profiter des accidents de terrain qu'elles présentent, et y faire des plantations de telle maniere qu'on les transformerait en un veritable jardin anglais, sans nuire au système de defense de laforteresse (...). » '(...) De stad Antwerpen, centrum van een bevolkingsbeweging van om en bij de honderdduizend zielen waaronder een garnizoen en de bewoners uit de voorsteden, is verstoken van publieke wandelingen binnenin, voorwerp van nut en vermaak dat de meeste steden, zelfs van minder belang, bezitten. Al lopend over de versterkingen, leek het mij dat men, imiterend wat zo gelukkig toegepast is op meerdere locaties met name naar men mij verzekerd heeft in Dusseldorf en in Neurenberg, zou kunnen profiteren van de oneffenheden in het terrein die zich aanbieden en er aanplantingen te doen op zo'n manier dat men ze transformeert in een echte Engelse tuin, zonder schade aan het defensief systeem van het fort aan te brengen (...)'

Uit drie ontwerpen, waarvan twee van de hand van de Duitse landschapsarchitect Carl Heinrich Petersen (1792-1859) (4), kiest men in 1845 het voorstel van architect én gemeenteraadslid Emmanuel Van Cuyck (1786-1863) (5). Over een afstand van bijna anderhalve kilometer biedt een slingerende wandelweg vrije uitkijk op het, tot dan toe, nog schaars bebouwde buitengebied. Naast de door het Ministerie van Oorlog opgelegde boomsoorten als tamme kastanje, gewone plataan, olm, gewone beuk en Amerikaanse eik, staan hier op vraag van de stad ook gewone es en Italiaanse populier (6). Een detaillijst vermeldt tevens moseik, Weymouthden, treurwilg, paardenkastanje, linde, berk, trompetboom, gouden regen, Noorse esdoorn, Judasboom, tulpenboom en gewone robinia. Het geheel wordt bijkomend opgefleurd met talrijke bloeiende heesters als sering, boerenjasmijn, hibiscus, sneeuwbal, kornoelje, vlier, zuurbes, azijnboom, krentenboompje, kamperfoelie, indigostruik, hortensia, rozen, schijnels, spirea, Staphylodendron, Ribes en Amorpha (7). Bijzonder geliefd bij het grote publiek, laat een uitbreiding van deze Promenade du glacis niet lang op zich wachten. In 1853 en opnieuw naar ontwerp van Van Cuyck, worden ook de zijlijnen van de Herentalse schans bij deze wandeling opgenomen (8). Genoemd naar het gelijknamige voorbeeld in het Bois de Boulogne te Parijs, doet de Promenade de Longchamps sindsdien zowel de Rubenslei als de Van Eyck- en Quinten Metsijslei aan. Een niet gesigneerd plan toont de toestand van deze wandeling in 1861 (9). In de Quinten Metsijslei en de Van Eycklei staan inmiddels vierdubbele bomenrijen van olm en tamme kastanje. De beplanting binnen het lunet bestaat in hoofdzaak uit olm en Canadapopulieren, aangevuld met lijsterbes, es, Italiaanse populier, gewone robinia, 2 platanen en een den (10). De gewijzigde oorlogstrategie zal de Belgische overheid echter tot herziening van haar nationaal defensiesysteem dwingen (11). Als niet langer steden, maar economische knooppunten worden belegerd, kan menig stadsbestuur tot ontmanteling van zijn stadswallen overgaan. Antwerpen daarentegen, wordt in 1858 als nationaal reduit aangeduid en zal daarom van extra verdediging worden voorzien. Naar ontwerp van de geniekapitein Henri-Alexis de Brialmont (1821-1903), komt op twee kilometer van de Spaanse vesten een hoofdwal. Nog eens vier kilometer verder volgt een gordel van geïsoleerde forten. Zolang dit nieuwe verdedigingsysteem niet


^

(>><«/»

->-•/.t

,)„•„.„,.„,.1.

De Pramenodede ,„. / „ / / / „, / ,. ,.) /t',,,* Longcfiomps in 1861, met opname / • • • - • • van de zi|li|nen van het lunet

rie—*—*•

f~'

,>„,'//„„.,

'ji'A•„,,•./.:.., ,; ] rni

//#/

(© Stadsarchief Antwerpen)

*• f» "• 't \ tt

voltooid is, moet een zone van 585 meter breedte langsheen de Spaanse vesten, vrij en onbebouwd blijven. Pas na overdracht en ontmanteling van deze krijgsgronden in 1864, kan de herinrichting van deze stadsuitbreidingzone van start gaan (12). Het verkavelingplan van Theodor Van Bever (18211875), ingenieur en hoofd van de dienst Stadsvergroting, voorziet Antwerpen van nieuwe woon-, handel- en nijverheidswijken, monumentale openbare gebouwen en een 60 meter brede ringboulevard op het tracé van de Spaanse vesten (13). De uitvoering van deze vergrotingswerken zal gedeeltelijk worden uitbesteed. Zo verkoopt de stad 65 hectaren van de vrijgekomen terreinen aan de Société Immobilière d'Anvers, opgericht door de Parijse projectontwikkelaar Charles Ybry (14). Met de opbrengst van deze verkoop en een bijzonder geleend krediet (15), zal de stad Antwerpen ook het ontwerp en de aanleg van een nieuw park bekostigen. Want, ter compensatie voor het verdwijnen van de Promenade de Longchamps, herbestemt Van Bever het lunet van Herentals tot openbaar park (16).

EEN OPEN OPROEP OF SPECIALISTEN TER ZAKE Een halfjaar na de goedkeuring van zijn uitbreidingsplan, dringt Van Bever aan op de snelle opmaak van een parkontwerp (17). Ondanks eigen

•fc»^

voorstellen, zoals de overbrenging van de botanische tuin uit de Leopoldstraat of de bouw van een museum voor schone kunsten midden in het park (18), ziet hij deze opdracht bij voorkeur naar specialisten gaan (19). In België komen slechts drie kandidaten hiervoor in aanmerking: de Leuvense landschapsarchitect Egidius Rosseels (1800-1877), de Brusselse groeninspecteur Louis Fuchs (18181904) en Eduard Keilig (1827-1895), de bekroonde ontwerper van het Terkamerenbos in Brussel. Met Charles Ybry als mogelijk raadgever én betrokken partij, wijst Van Bever ook in de richting van de Parijse jardinier en chef,]ean Pierre Barillet Deschamps (1824-1873) (20). Ook over de toewijzingsprocedure heeft Van Bever zo zijn mening (21). In plaats van tijd te verliezen met een wedstrijd van bedenkelijk resultaat, kan men deze ontwerpers beter meteen om een voorstel vragen. Wat hem betreft, mag de gebruikelijke vergoeding voor een niet aangenomen ontwerp niet opwegen tegen een deskundigheid in ontwerp en uitvoering. Het schepencollege meent echter anders te moeten beslissen en lanceert in het najaar van 1865 een open oproep (22). Het resultaat van deze wedstrijd wordt een merkwaardige verzameling plannen, ingezonden door ontwerpers van zeer diverse pluimage: de vreemde Croquis van B.D. (23), Le premier arbre pour le pare d'Anvers van C E Joossens (24), twee schetsen van de plaatselijke hovenier


Hoefkens (25), de Frans getinte inzendingen van E. Jourdan (26) en Ch. Ybry (27) en als laatste een voorstel van de Antwerpse stadsarchitect, Pieter Dens (1819-1901) (28). De regelmatige dreven op het glacis blijven voorlopig buiten beschouwing. Het ontwerpgebied blijkt zich te beperken tot het bastion en zijn gracht: samen goed voor een oppervlakte van zowat 13 hectaren. Enigszins voor de hand liggend, vormt de voormalige keel de toegang tot het nieuwe park. Elk voorstel hoort echter ook rekening te houden met een opmerkelijke perspectieflijn, die de Sint Jozefkerk met de Onze-LieveVrouwkathedraal verbindt. Gevraagd naar een evaluatie van de plannen van Ybry en Dens, geeft Van Bever de belangrijkste knelpunten binnen de opdracht reeds aan (29). Zowel de vestinggracht als de kuip zijn aan een nieuwe vorm en modellering toe. Doet men dit niet of net teveel, dan komen de mogelijke zichten tussen park en omgeving meteen in het gedrang. Het park moet van een aangepast wegennet worden voorzien; in weibemeten verhouding tot de beperkte omvang van het terrein. Als laatste, maar belangrijkste punt vraagt dit ontwerp kennis en visie inzake beplanting. Want wie zich beperkt tot het behouden van de aanwezige beplanting, legt een al te grote hypotheek op de toekomstige uitstraling van het park.

SAA, MA 956/5: "Verslag der commissie openbare werken met betrekking tot de hervorming van fort Herentals in wandelpark, 25 februari 1867: (...) het is op ons verzoek dat het schepencollege met (den heer Keilig) in onderhandeling is getreden, ten einde te weten op welke voorwaarden hij zich zou willen gelasten met het opmaken van een plan. Het opdragen van het maken van een plan aan, eenen bijzonder deskundige, buiten den heer stadsbouwmeester en den heer stadsingenieur, zal, in het huidige geval niet vreemd voorkomen, vermits men voor het daarstellen van wandelparken niet alleen kennis van teekenkunst behoeft te hebben, maar ook nog kennis van boom- en struikgewas, en het is zeer raar bevoegde personen te vinden, welke in die beide vakken bewijzen van bekwaamheid gegeven hebben. Ook is het reeds in alle groote steden, zaals Parijs, Brussel enz. aangenomen, voor het aanleggen van wandelparken bijzondere deskundigen aan te stellen (...)."

Van Bever blijkt geenszins overtuigd van de voorliggende plannen en herneemt daarom zijn stelling als was dit een zaak voor specialisten (30). Toch zal het nog een jaar duren, alvorens de betrokken commissie voor openbare werken hem hierin bijtreedt. Pas in januari 1867 wordt, op haar verzoek, alleen nog Eduard Keilig gecontacteerd (31).

FRIEDRICH EDUARD KFII 10 Evenals zijn voorgangers, Carl Heinrich Petersen en Louis Fuchs, is Friedrich Eduard Keilig afkomstig uit Duitsland. Werkzaam in Leipzig, Berlijn, Elberfeld en Keulen heeft hij met zekerheid het werk van Peter Joseph Lenné of Maximilian Friedrich Weyhe gezien. Toch is hij geen telg uit een ontwerpersfamilie, geen leerling van een meester met naam, noch een student van de vermaarde Potsdam Wildpark school. Als autodidact blijkt hij niettemin vertrouwd met de Duitse traditie en praktijk in openbare groenaanleg: van landschappelijk heraangelegde vestingwallen tot het natuurlijke en sociale programma van de Volksgarten. Een studiereis langsheen de belangrijkste tuinbouwbedrijven van het moment, brengt Keilig in 1853 naar België. Aan de slag bij de gerenommeerde sierteler Jean Linden (1817-1898) in Brussel, maakt hij kennis met de baron Charles Ernest de Man de Lennick (1800-1865), eigenaar van het kasteel van Bierbais te Mont-Saint-Guibert. Keilig vindt hier niet alleen een vroege ontwerpopdracht, maar ook de broodnodige introductie bij zowel vakgenoten, pers als opdrachtgevers. Indirect danken we Keiligs definitieve vestiging als landschaps- en tuinarchitect in België, aan de connecties en overtuigingskracht van deze man. In 1867 heeft Keilig reeds een hele reeks private opdrachten op zijn naam staan. Koning Leopold II heeft zopas een ontwerp voor het openbare park van Laken gevraagd. Naar zijn voorstel is inmiddels de Louizalaan aangeplant. De aanleg van zijn winnend ontwerp voor het Terkamerenbos van Brussel nadert zijn voltooiing. Vooral dit laatste project, waar "M. Keilig parait avoir complètement réussi dans ce travail et a su tirer un excellentpartie du bois et de ce que la nature lui mettait sous la main" (32), zal het Antwerpse stadsbestuur overtuigen om met deze ontwerper, van bewezen ervaring, in zee te gaan (33).


OPEN VOOR VERKFFR OF FFN WANDFIING MET VARIATIF

op een rotspartij nabij de Loosplaats, een cirkelvormig paviljoen op het eiland en andermaal het verkeer op de nabijgelegen rijweg. Een begeleidende doorsnede toont hoe het centrale eiland zal worden opgehoogd. Door het voorgestelde paviljoen en de beplanting aan de rand hiervan te plaatsen, zal de zowat 400 meter lange zichtlijn op de torens van de Sint-Jozefkerk gevrijwaard blijven.

Amper vier maand na de toewijzing, ontvangt het stadsbestuur twee ontwerpen (34). Beide voorstellen vertonen opmerkelijke verschillen in de behandeling van het terrein, de vestinggracht en het circulatiepatroon; met onmiddellijke gevolgen voor de ruimtebeleving en zichten in en om het park.

In het tweede voorstel verwijdert Keilig de centrale rijweg (36). Dit is een fundamenteel verschil waardoor, binnen de beperkte omvang van het terrein, meer ruimte voor park en wandelaars vrijkomt. Door de vestinggracht hier in grotere mate te dempen, ontstaat nu een landtong of schiereiland, gericht naar de Sint-Jozefkerk. Een eerste zichtlijn reikt opnieuw vanaf een parkgebouw, in de hoek van de Quinten Metsijs- en Rubenslei, tot de Van Eycklei (37). O m de overliggende oever te bereiken, wordt hier een hangbrug tussen rotspijlers ingebracht. Een tweede vista toont andermaal de lengteas tussen de toegang in de Rubenslei en de

Een eerste project herrekent de oevers van de vestinggracht tot een grote, grillige vijver met centraal gelegen eiland (35). Een slingerende rijweg, met meerdere in- en uitritten en twee brugconstructies, doet zowel het eiland als de drie zijden van het park aan. Een smaller wandelpad volgt de contouren van de waterpartij. Meerdere zichten, in stippellijn aangeduid op plan, doorkruisen dit geheel. In de zijlijn, langs de Van Eycklei, komen een rotsgrot, een voetgangersbrug en één van de bruggen op de rijweg in beeld. Een parkgebouw, in de hoek van de Quinten Metsijslei en de Rubenslei, biedt uitkijk

;

},

!i/ 5

•

.-

• r-s

.

••HHn

E KEILIG, Wie d'Anvers Pare Public ProjetN°l. (1867). Kelligs eerste ont-

yiLL£ rANVEES

werpvoorstel, met opname van een

PARC

PUIiLlc

rijweg binnen het park (© Stadsarchief

iT.0HÏ H« l

Antwerpen)

/.,&


Het stadspark gezien vanaf het belvedère op het schiereiland. Een terugblik op de stad en de toren van de Onze Lieve Vrouw kathedraal (© Stadsarchief Antwerpen)

Sint-Jozefkerk. Maar anders dan in het eerste project, wordt hier een grashelling voorzien die op de hoogte van het schiereiland eindigt tegen een scherm van beplanting. Het centrale zicht wordt dit keer opgedeeld en uitgesteld. Pas wanneer wandelaars het hoogste punt in het park bereiken, zullen de torens van de Sint-Jozefkerk opduiken. Wie van daaruit terugblikt op de stad, zal in de skyline de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal herkennen. De belangrijkste verschillen tussen beide voorstellen schuilen in het al dan niet opnemen van een rijweg, het meer of minder dempen van de vestinggracht en het ja dan nee opdelen van de zichtlijnen. O m de gevolgen hiervan ten volle te kunnen inschatten, zal de stedelijke commissie Keilig om bijkomende uitleg en doorsneden vragen (38). De begeleidende bestekken vertonen ook een aanzienlijk prijsverschil dat hoofdzakelijk te wijten is aan de rijweg met dubbele brugconstructie in het eerste voorstel (39). Mede hierdoor lijkt de voorkeur van het stadsbestuur in de richting van het tweede project te gaan. Ter voorbereiding van de beslissende gemeenteraad geeft Keilig nadere toelichting bij dit ontwerp: "(...) Il s'agissait de donner au lac une étendue aussi grande que possible, d'abord parce que l'eau est tres-

belle, puis par ce quil faut gagner de la terre pour les parties a remblayer. Cependant l'eau ne doit pas se rencontrer dans toutes les parties du pare, ce qui produirait une grande monotonie. Ce but est atteint par la position que la pièce d'eau occupe suivant Ie plan: elle est placée vers l'une des extrémités du pare, tandis que dans la partie opposée se trouve une grande pelouse. Les bords du lac sont tres varies: tantót ils sont tres escarpés et élevés (8 è 9 metres) tantót la pelouse s'abaisse doucement vers la surface de l'eau. (...) Les principales vues de l'eau sont celle du pavilion, de l'emplacement du kiosque, du rocher en face de l'église et celle sous Ie pont suspendu. La grotte sera disposée de fagon h servir d'un grand ornement pour Ie bord du lac. De l'intérieur de la grotte on jouira des effets tres varies de l'eau, et fespere que l'eau sera assez tramparente pour permettre d'éclairer une partie de la grotte par Ie jour arrivant a travers l'eau. (...) Le mouvement de terrain est disposé de maniere a faireparaitre le pare beaucoup plus grand quil est en réalité. Les boulevards qui longent le pare, et qui en quelque sorte en font partie, doivent offrir des vues dans l'intérieur, mais pas a travers. Il s'agissait done d'exhausser beaucoup la partie central du pare. Ceci donne en mème temps le moyen de placer le pont suspendu a une hauteur eonvenable. Lespelousesprésenteront des ondulations variées et agréables a l'ceil. Les massifs seront


exhaussés. (...) Les beaux arhres qui se trouvent sur Ie terrain seront presque tous épargnés surtout ceux du cóté vers la Ville. Quelques uns seront transplantés. La nouvelle plantation contiendra un choix de plus beaux arbres et arbustes. Beaucoup d'arbustes a feuilles persistantes. Massifs d'Azaleas et Rhododendrons. (...) De l'église St. Joseph on ne verra que les tours de l'intérieur du pare. On aura une vue sur la tour de Notre Dame. En dessinant mon plan j'ai étéguidépar la pensee de donner au pare un cachet grandiose en general et d'imprimer a chaque partie un caractere différent. Les détails dans l'exécution doivent être aussi varies que possible" {A§).

zelf, neemt de volledige aanleg van het park zowat twee jaar in beslag.

In de gemeenteraad van 28 oktober 1867 gaat de keuze van het stadsbestuur inderdaad naar dit tweede project (41). Het stadsbestuur voorziet een krediet van 275.000 frank, of Keiligs initiële raming vermeerderd met een honorarium van 15.000 frank. Voor dit bedrag zal Keilig zowel het ontwerpplan opmaken als het toezicht op de werken op zich nemen. De opdracht behelst evenwel alleen de inrichting van het park. Keiligs bestek en doorsneden beschouwen de opname van een parkgebouw en/of kiosk als facultatieve opties (42). Als het stadspark toch van architectuur zal worden voorzien, dan wordt dit een opdracht voor de stadsarchitect, Pieter Dens.

Naar ontwerp van Van Bever wordt, ter hoogte van de huidige Loosplaats, de Herentalse vaart overwelfd (46). Behalve het grondwater in de vestinggracht, wordt dit de belangrijkste voedingsbron voor de parkvijver. Via de zogeheten Brouwersbuis zal het water van vaart én vijver naar de Brouwersvliet worden afgeleid. O m het water niet alomtegenwoordig te stellen, wordt de vestinggracht langs de Quinten Metsijslei enigszins ingekort. De vijver komt vooral langs de Van Eycklei te liggen, waar hij bijkomend wordt gestoffeerd door de hangbrug en een miniatuureiland. De oevers krijgen een golvende contourlijn en variabele hellingsgraad: nu eens als een grastapijt langzaam afdalend tot het water, dan weer als een klif steil oplopend.

In het voorjaar van 1866, nog vóór de toewijzing van welk ontwerp dan ook, werd de betrokken schans reeds gedeeltelijk ontmanteld (43). De binnenwal is daarbij afgegraven tot 8,10 meter of de inplantinghoogte van de bomenrijen in het bastion. Met de gewonnen aarde is de kuip op een uniforme hoogte van 4,28 meter gebracht (44). Een eerste openbare aanbesteding, uitgeschreven door Keilig in november 1867, regelt dus de nieuwe, kunstmatige vorm en modellering van het terrein (45).

FEN PLAN IN UITVOERING Het lunet van Eens beslist, gaat de uitvoering van Keiligs tweede Herentals in I860, ontwerp vrijwel meteen van start. Via openbare voor de aanleg van aanbestedingen, onder toezicht Van Bever en hemhet stadspark (© Stadsarchief Antwerpen) AXVERS EN 1800

Entre leo remparta et Ie fort Herenthale — A^tuellement Ie Paro 27. «. HWimw, KI. , ANVKKV K.-pro.lurtion iiitci.hh'

M&L

• Een zicht op de parkvijver langs de Quinten Metsijslei (© Stadsarchief Antwerpen)


\illi /Ir re

il'Aiirir.f

E. REILIG, M e d'Amers Porc ft/Mc,

nuèl.

31.7.1868. Het in 1868 reeds in uitvoering zijnde ontwerp, met een nieuw voorstel ter integratie van de aanliggende dreven (© Stadsarchief Antwerpen)

Vanaf het voorjaar van 1868 wordt de kern van het park aangeplant (47). Als belangrijkste plantenleveranciers vinden we Philip Koekens (Perk), de weduwe en zoon van Louis de Bavay (Vilvoorde) en Charles Van Geert (Kalmthout). Drie bewaarde facturen van deze kwekers geven inzage in de plantenkeuze, welke Keilig hier voor ogen heeft (48). Het park krijgt een beplanting met opvallend veel exoten, vaak van recent ingevoerde datum. In zowel loof- als naaldbomen voorziet Keilig verschillende groottes en vormen: bol-, piramidaal-, zuil- of treurvorm; aangevuld met talrijke wintergroene en bloeirijke heesters. Nogal wat planten vertonen een opvallende kleur, bont en gepanacheerd, of ondergaan in de herfst een opvallende verkleuring. Het geheel weerspiegelt een bijzondere aandacht voor variatie en details. Tot de zomer van 1870 worden planten voor het nieuwe park geleverd met als laatste water- en perkplanten zoals witte waterlelies en grote lisdodde of Sedum, Caladium, Fuchsia en gepanacheerde Pelargoniums (49). Als belvedère op het schiereiland voorziet Keilig een rotsgrot met bijzondere lichtspelingen (50). Voor

deze, en ook voor andere rotspartijen in het park, gaat zijn voorkeur naar een natuursteen afkomstig uit de streek rond Brussel (51). Voor zowel het Terkamerenbos als het stadspark wordt deze geleverd door de steeneroevemeester Bandelet uit Ecaussines

• De hangbrug van het stadspark, kort na zijn constructie door de firma CAIL S HALOT uit Brussel (© Stadsarchief Antwerpen)

M&L


• SAA, MA, Mandaten Stadskas, Doos nr. 325: Bewijsstukken Dienstjaar 1867: Factuur van Charles Van Geert, Kalmthout, 23 mei 1868: "foumiture d'arbustes pour Ie pare Herenthals, (...) faites depuis Ie 1 jusqu'au 30 avril 1868", met vermelding van: "Houx verts, Houx panaches, Houx pyramides, Houx laurifolia, Houx varies, Cypressus Lawsonü, Thuya gigantea, Juniperus sinensis, Abies canadensis, Pinus austriaca. Taxus canadensis, Pinus strobus, Abies cilicica, Abies Nordmanniana, Abies grandes, Abies Wilmaniana, Cryptomeria élégans, Cedrus atlantica, Lauriers du Caucase, Rhododendrons." 'levering van heesters voor het park Herentals, (...) gedaan sinds 1 tot 30 april 1868', met vermelding van: 'Groene hulsten (Ilex spec), bontbladige hulsten (Ilex spec), laurierbladige hulst (Ilex heterophylla), verschillende hulsten (Ilex spec), Californische cipres (Chamaecyparis lawsoniana), reuzenlevensboom (Thuya plicata), jeneverbes (Juniperus chinensis), Canadese hemlockspar (Tsuga canadensis), Oostenrijkse den (Pinus nigra var. nigra), Canadese taxus (Taxus candensis), weymouthden (Pinus strobus), Cilicische zilverspar (Abies cilicica) Kaukasische zilverspar (Abies nordmanniana), reuzenzilverspar (Abies grandis), zilverspar (Abies x vilmoriana?, 1867), Japanse ceder (Cryptomeria japonica 'Elegans'), Atlasceder (Cedrus libani spp. atlantica), laurierkers (Prunus laurocerasus), rododendron (Rhodendron spec).' • SAA, MA, Mandaten Stadskas, Doos nr. 325: Bewijsstukken Dienstjaar 1867: Factuur van Weduwe & Zoon L. de Bavay, Vilvoorde, 23meil868: "foumiture d'arbustes pour Ie pare Herenthals, (...) faites depuis 1 mars jusqu'au 30 avril 1868', met vermelding van: Ptelia, Eronymus europeus. Viburnum lantana, Peuplier d'Italie, Vernis du Japon, Rhus cotinus, Ulmuspyramidales, Accacia (en variétés grejfés), Cytisus laburnum, Acer pseudoplatanus, Aesculus rubicunda, Catalpa, Deutzia sanguinea, Oliviers de Bohème, Cornus sanguinea, Amorpha fruticosa, Ste. Lucie, Deutzia crenata, Saules a fl. de romarin, Bureaux laciniés, Sureaux varies, Crataegus dentata, Acer negundo fol. Alba var. forts buiss., Noisetiers pourpres forts buiss., Weigelia rosea. Spirea opulifolia, Tilleuls pleureurs, Cerasus padus racemosa. Lilas en variétés. Spirea Lindleyana, Erables a fles. de frene. Erables pourpres, Saules argentés, Chataigniers, Ber-

beris vulgaris, Colutea arborescens, Deutzia, Philadelphus, Wegelia rosea. Lilas en varieties grejfés, Amorpha, Spirea opulifolia. Viburnum lantana, Epines h fl. Rouges, Epines a fl. Blanches, Cytisus laburnum, Sureaux varies. Prunus padus, Rhus typhinum, Koëlreuteria paniculata, Broussonnetia papyrifera, Ptelia trifoliata, Diospyros Virginiana, Euonymus europeus, Sapins épicea. Pins Weymouth, Sapins épicea. Thuyas. " 'levering van heesters voor het patk (van) Herentals, (...) gedaan sinds 1 tot 30 april 1868', met vermelding van: 'lederboom (Ptelea spec), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), wollige sneeuwbal (Viburnum lantana), Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica'), hemelboom (Ailanthus altissima), pruikeboom (Cotinus coggygria), pluimiep (Ulmus glabra 'Exoniensis'), gewone robina's in geënte variëteiten (Robinia spec .),gouden regen (Laburnum anagyroides), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x carnea), trompetboom (Catalpa spec), bruidsbloem (Deutzia spec), smalle olijfwilg (Elaeagnus angustifolia), rode kornoelje (Cornus sanguinea), amorpha (Amorpha fruticosa), kroosjes (Prunus mahaleb), bruidsbloem (Deutzia x magnifica), rosmarijnbladige wilg (Salix rosmarinifolia), peterselievlier (Sambucus nigra 'Laciniata'), bontbladige gewone vlier (Sambucus nigra 'Albovariegata', S. n. 'Luteovariegata', S. n. 'Marginata'), meelbes (Sorbus latifolia), sterk gestruikte witbontbladige vederesdoorn (Acer negundo 'Variegatum'), sterk gestruikte bruine hazelaar (Coryllus maxima 'Purpurea'; C. avellana 'Purpurea'), weigelia (Weigelia florida), physocarpus (Physocarpus opulifolius), treurlinden (Tilia petiolaris = Tilia tomentosa 'Pendula'), vogelkers (Prunus padus), seringen in geënte variëteiten (Syringa vulgaris), sorbaria (Sorbaria tomentosa), vederesdoorn (Acer negundo), purperbladige gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Purpureum'), zilverbladige wilgen (Salix lanata?), tamme kastanjes (Castanea sativa), gewone zuurbes (Berberis vulgaris), blazenstruik (Colutea arborescens), bruidbloem (Deuztia spec), boerenjasmijn (Philadelphus spec), weigelia (Weigelia florida), seringen in geënte variëteiten (Syringa vulgaris), amorpha (Amorpha spec), physocarpus (Physocarpus opulifolius), wollige sneeuwbal (Viburnum lantana), rode meidoorn (Crataegus laevigata 'Rubra Plena', 1832-Eng.; C. 1. 'Paul Scarlet', +1860-Eng.), een-


stijlige meidoorn (Crataegus monogyna) of tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata), gouden regen (Laburnum anagyroides), bontbladige gewone vlier (Sambucus nigra 'Albovariegata', S. n. 'Luteovariegata', S. n. 'Marginata'), vogelkers (Prunus padus), fluweelboom (Rhus typhina), blaasjesboom (Koelreuteria paniculata), papiermoerbei (Broussonetia papyrifera), lederboom (Ptelea trifoliata), Amerikaanse persimmom (Diospyros virginiana), kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), fijne sparren (Picea abies), weymouthdennen (Pinus strobus), fijne sparren (Picea abies), levensbomen (Thuya spec.).' • SAA, MA, Mandaten Stadskas, Doos nr. 3 3 1 : Bewijsstukken Dienstjaar 1868: Factuur van Ph. Roekens, Perk, 21 januari 1869: "foumitures faites depuis 14 novembre jusqu'au 31 decemhre 1868, (..) transformation de la lunette de Herenthals en pare public', met vermelding van: Ulmus Dampierrii, Ulmus cypres pyramidalis, Tilia missifuensis (?), Tilia latifolia, Tilia heterophylla, Tilia argentea pyramidalis, Sophora pendula, Sophora ordinaires, Indigofera dosua, Weigelia rosea, Weigelia amabilis, Cotoneaster frigidus, Tamarix germanica, Tamarix parvifolia, Tamarix algeriensis, Tamarix de Norbanii, Philadelphus cordata, Spirea floribunda. Spirea Lindleyana, Spirea varies, Cytisus laburnum, Acer dasicarpum, Acer purpurea, Acer negundo fol. Varg, Acer platanoides, Acer negundo, Acer macrophylla, Acer napolitaine, Acer laciniata, Populus argentea, Populus italica, Aralia canescens. Vernis du Japon, Catalpa, Mahonia aquifolia. Platanus, Sumac de Caroline, Sumac glabra, Quercus americana, Quercus pyramidales, Quercus heterophylla, Quercus cucullata, Ulmus h petites feuilles pan., Ulmus a grandes feuilles pan., Ulmus americana, Juglans laciniata, Juglans americana, Cerasus myrthifolia var., Liriodendron, Betuia alha pet. f.lles.. Prunus rubra, Gleditschia horrida, Gleditschia macrocanthos, Gleditschia triacanthos, Argousiers grisot, Ptelea trifoliata, Carpinus ordinaires, Euonymus purpurea, Fagus tetrophylla, Crataegus fl. rubro pi, Crataegus fl. alba pi, Crataegus fl. écarlates, Sureaux elegants, Sureaux laciniés. Acacia cunifolia, Pterocaryafraxinifolia, Ste. Lucie, Ceanothus azurea, Deutzia crenata fl. pi, Deutzia varies. Ginkgo biloba, Diospyrus virginiana, Morus Kampherii, Fagus pendula, Fagus nigra, Syringa fl. alba, Syringa de Marly, Syringa Charles X, Syringa Gloire de Moulins, Tilia argentea haute tige, Ligustrum horizontales, Symphoricarpus racemosa.

Liquidambars copal, Staphyllea pinnata, Cercis siliquastrum, Syringa varies, Ribes varies, Viburnum lantana, Hybiscus syriacus, Epines vinettes pourpres, Corylus purpurea." 'leveringen gedaan sinds 14 november tot 31 december 1868, (...) herinrichting van de lunet van Herentals tot openbaar park' met vermelding van: 'veldiep (Ulmus carpinifolia 'Dampieri', 1863-België), zuilvormige bergiep (Ulmus glabra 'Fastigiata'; Ulmus glabra 'Exoniensis'), Amerikaanse linde (Tilia americana var. mississipiensis), grootbladige linde (Tilia plattyphyllos 'Latifolia' ?), Amerikaanse linde (Tilia americana 'Heterophylla'), zilverlinde 'Tilia tomentosa 'Pyramidalis', treurhoningboom (Sophora japonica 'Pendula', 1827-Eng), honingboom (Sophora japonica), indigostruik (Indigofera gerdardiana, 1840-Eng.), weigelia (Weigelia florida, 1844-Eng.), weigelia (Weigelia florida), cotoneaster (Cotoneaster frigidus, 1824-Eng.), myricaria (Myricaria germanica), tamarisk (Tamarix tetandra), tamarisk (Tamarix gallica), tamarisk van Narbonne (Tamarix gallica), boerenjasmijn (Philadelphus coronaria), spiraea (Spiraea floribunda), sorbaria (Sorbaria tomentosa),verschillende spiraea's (Spiraea spec), gouden regen (Laburnum anagyroides), witte esdoorn (Acer saccharinum), purperbladige gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Purpureum'), witbontbladige vederesdoorn (Acer negundo 'Variegatum'), Noorse esdoorn (Acer platanoides), vederesdoorn (Acer negundo), grootbladige esdoorn (Acer macrophyllum), Italiaanse esdoorn (Acer opalus var. neapolitanum), zilveresdoorn (Acer saccharinum 'Laciniatum') of Noorse esdoorn (Acer platanoides 'Laciniatum'), populier (Populus argentea), Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica'), aralia (Aralia elata), hemelboom (Ailanthus altissima), trompetboom (Catalpa spec), mahonia (Mahonia aquifolium), plataan (Platanus spec), azijnboom (Rhus spec), azijnboom (Rhus glabra), eik (?) (Quercus americana), zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata'), zomereik met ingesneden blad (Quercus robur 'Heterophylla', + 1830-Eng.), Zomereik met lepelvormig blad (Quercus robur 'Cucullata', 1864-D.), bontbladige veldiep (Ulmus carpinifolia 'Variegata'), witbontbladige bergiep (Ulmus glabra 'AlboVariegata), Amerikaanse iep (Ulmus americana), smalbladige walnoot (Juglans regia 'Laciniata'), walnoot (Juglans nigra), eugenia (?) (Eugenia myr-

M&L


ui tifolia 'Variegata'), tulpenboom (Liriodendron tulipifera), Ruwe berk (Betuia pendula cv. ?), Prunus rubra, valse christusdoorn (Gleditsia japonica var. japonica), valse christusdoorn (Gleditsia macracantha), duindoorns (Hippophae spec), lederboom (Ptelea trifoliata), gewone haagbeuk (Carpinus betulus), purperbladige kardinaalsmuts (Euonymus europeus 'Purpureus'), beuk (?) (Fagus spec), gevuldbloemige tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata 'Plena'), rode meidoorn (Crataegus laevigata 'Rubra Plena', 1832Eng.; C. 1. 'Paul Scarlet', +1860-Eng.), elegante vlier (Sambucus spec), peterselievlier (Sambucus nigra 'Laciniata'), acacia (Acacia cuneifolia), gewone vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia), kroosjes (Prunus mahaleb), Amerikaanse sering (Ceanothus azureus), bruidsbloem (Deutzia scabra 'Plena'), verschillende bruidsbloemen (Deutzia spec), Japanse notenboom (Ginkgo biloba), Amerikaanse persimmom (Diospyros virginiana), moerbei (Morus kaempferi), treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula', 1836-Eng.), Amerikaanse beuk (Fagus grandifolia ssp. grandifolia), witte gewone sering (Syringa vulgaris cv.?) of witte Franse sering (Syringa x chinensis 'Alba'), Franse sering van Marly (Syringa x chinensis 'Saugeana'?), gewone sering (Syringa vulgaris 'Charles X'), gewone sering (Syringa x vulgaris 'Gloire de Moulins'), hoogstammige zilverlinde (Tilia tomentosa), liguster (Ligustrum obtusifolium var. regelianum?, 1885-Fr.), sneeuwbes (Symphoricarpus racemosa), amberboom (Liquidambar styraciflua), pimpernoot (Staphylea pinnata), judasboom (Gereis siliquastrum), verschillende seringen (Syringa spec), bes (Ribes spec), wollige sneeuwbal (Viburnum lantana), hibiscus (Hibiscus syriacus), zuurbes (Berberis thunbergii 'Atropurpurea', 1887-Ned.; Berberis vulgaris 'Atropurpurea'), bruine hazelaar (Coryllus maxima 'Purpurea'; C. avellana 'Purpurea').'

M&L

(52). Voor de plaatsing ervan wordt Keilig, ook hier, bijgestaan door de chef enrocheur of steenrotsmeester, Jean Baptiste Gindra (1825-?) (53). In mei 1868 tekent Keilig een detailplan voor de hangbrug van het park (54). Deze zal een spanwijdte van 27,50 meter krijgen en 7,25 meter boven het watervlak zweven. Aan de zijde van het schiereiland komt onder het brugdek een chemin inferieur, die de oever van de vijver zal aandoen. Dit plan vormt de basis van het aanbestedingsdossier en lastenboek, opgemaakt door Keilig en Belpaire, Van Bever's rechterhand (55). De technische vertaling hiervan staat op naam van de mécaniciens-constructeurs].V. Cail en A.Halot uit Brussel (56). Gedurende de aanlegwerken vinden de beelden van de voormalige Promenade de Longchamps tijdelijk onderdak in een stadsdepot. O p voorstel van Keilig zal de beeltenis van Pieter Coudenberg (J. De Cuyper, 1861) een nieuwe en meer toepasselijke plaats krijgen in de botanische tuin in de Leopoldstraat (57). Diana (C.A.Paelinck, 1863), Europa (J.C.Jacobs, 1863) en Amerika (?) daarentegen, keren terug naar hun oorspronkelijke plek langsheen de Rubenslei. Een vierde beeld komt aan de zijde van de Quinten Metsijslei te staan (58). Het architectuurprogramma zal met vertraging tot stand komen. Pas in 1875 krijgt het park 64 kandelabers toéacAte\d (59), alsook een muziekkiosk naar ontwerp van Pieter Dens (60). Zoals voorzien in het plan van Keilig komt deze kiosk in de hoek van de Rubens- en Quinten Metsijslei te staan. Vier jaar later tekent Dens ook een bescheiden hoveniershuisje (61), dat ietwat verder naarde toegang wordt geplaatst. • Een winterwandeling over de hangbrug (© Stadsarchief Antwerpen)


f

E. KEILIG, Ontwerp voor een square in de Louiza Maria lei. 1868. Bestemd als bindende schakel tussen stad en park. (© Stadsarchief Antwerpen)

^ ^ I . ^ l l —^^—•^Hll IM^WilW^^iii

tA.^^t.1. ^ ^ 4 • t. *

V

V

*N

X

, ai

/

7

/-


PARK EN OMGEVING

• Diana door C. E. PAELINCK (1863),

Bij de start van de aanlegwerken is nog lang niet duidelijk hoe het nieuwe park zal aansluiten op de omgeving. In januari 1868 tekent Keilig daarom een detailplan voor de inrichting van de huidige Louiza Marialei (62). Als bindende schakel tussen park en stad, voorziet Keilig hier een square in gemengde vormgeving. Enerzijds sluiten twee cirkelvormige perken, gevat binnen de schouderbogen van een grasvlak, vormelijk aan bij de regelmaat van de architectuur en wegenis binnen de stad. Anderzijds kondigen de landschappelijk ingeplante boomgroepen de natuur en variatie van het park reeds aan. In de woorden van Van Bever leest dit voorstel als "une entree en harmonie avec les sites de notre nouveau pare" {Gi).

eveneens bestemd voor de Promenade ös Longchomps en aldaar teruggeplaatst; maar inmiddels verdwenen (O Stadsarchief Antwerpen)

Invers

Slatut ai. Par»

De kiosk van het

Hetsijslei. Afgebroken

De gehavende beel-

Rubenslei en aldaar

stadspark (P. OENS,

in 1969 en recent

tenis van Amerika,

door Keilig terugge-

1875); zoals voor-

vervangen voor een

ooit bestemd voor

plaatst in 1869

zien in Keiligs ont-

skateramp

de Promenode de

(foto K. Hebbelmck)

werp, geplaatst in

(© Stadsarchief

Longchomps m de

de hoek van de

Antwerpen)

Rubens- en Quinten

M&L

De landschappelijke aanleg van het park vordert inmiddels gestaag. Maar in de Quinten Metsijs- en de Van Eycklei, staan nog steeds de verweesde restanten van de Promenade de Longchamps. Ingeplant op de helling van het oude glacis, herinneren deze regelmatige bomenrijen nog aan de vesting van weleer. H u n olmen en tamme kastanjes zijn echter


leert Keilig een nieuwe en landschappelijke aangelegde parkrand met slingerende rijwegen. Door selectief te rooien en verplanten en zowel beplanting als terrein deskundig aan te vullen, wil Keilig deze oude drevenbestanden integreren in het nieuwe park (66): "Les nouvelles dispositions deM. Keilig, tout en agrandissant Ie périmetre du pare, rendront celui-ci plus agréable en ce sens que les acces et les points de vue seront considémblement augmentés » (67).

fc&PMk"*S&*f*i v

PM JZt

zo sterk uitgegroeid, dat ze elkaar dreigen te verdringen; ook de macadam is dringend aan vernieuwing toe (64). Doch hoe kern en parkrand of wandeling en verkeer hier kunnen samengaan, lijkt een tot dusver uitgesteld ontwerpprobleem. Het plan van Keilig, dat doorgaans geïnterpreteerd wordt als het in 1867 aangenomen ontwerp, dateert pas van juli 1868 (65). Het toont enerzijds het in uitvoering zijnde project. Anderzijds duikt hier voor het eerst een voorstel op met betrekking tot de aanliggende dreven. Een onderliggende tekening in potlood geeft daarom het oude en regelmatige tracé van de bomenrijen weer. In de bovenlaag aquarel-

Een parkfragment langs de Quinten Metsijslei, met wintergroen en perkbeplanting (© Stadsarchief Antwerpen)

Toch raakt dit voorstel meer dan één gevoelige snaar. Buurtbewoners vrezen een dicht beplant gordijn, waarachter de gevel van hun duur gebouwde woning zal verborgen gaan (68). Anderen willen kost wat kost de oude dreven bewaard zien; ook als dit massale verplantingen vraagt (69). O m de kritiek in de kiem te smoren, vraagt Van Bever om een vergelijkende raming op te maken (70). Wat als de dreven buiten het park worden gehouden en op het lager gelegen niveau van de aanliggende straten worden gebracht? Keilig ondermijnt dit alternatief, door zowel de meerkost als het verhoogde risico op schade na verplanting in rekening te brengen (71). Als het behouden en aanvullen van de bestaande beplanting zowel plantveiliger als goedkoper blijkt, kiest uiteindelijk ook het stadsbestuur voor een landschappelijk aangelegde parkrand (72). In het voorjaar van 1869 vinden een aantal grote plantenleveringen plaats, opnieuw verzorgd door Roekens, de Bavay en Van Geert, die zo goed als zeker voor deze zone bestemd waren (73).

• Een luchtfoto van

tussen squares

het stadspark in

en leien

De slingerende rij-

Quinten Metsijslei

1938. De dicht

(© Stadsarchief

weg in de parkrand

( O Stadsarchief

beplante natuur

Antwerpen)

langsheen de

Antwerpen)

in de stad, gevat

1VI&L


KEILIG ALS GROENADVISFUR In januari 1868 wordt Keilig benoemd tot inspecteur van de Brusselse dienst Aanplantingen. In deze functie zal hij onder meer instaan voor het onderhoud en beheer van zijn eigen creaties, zoals de beplanting van de Louizalaan en het Terkamerenbos. Ook in Antwerpen leeft klaarblijkelijk de gedachte om een stedelijke groendienst op te richten, want op verzoek van het stadsbestuur polst Van Bever bij Keilig naar de werking van de Brusselse dienst (74). Of Keiligs reactie een wensdroom of het antwoord op een concrete vraag is, blijft onduidelijk. Doch blijkt hij in november 1869 meer dan bereid om ook in Antwerpen een functie als groeninspecteur op zich te nemen: "(...) L'avenir de ces promenades dépend entierement de lafaqon dont elles sont tmitées. Pour assurer leur développement il est indispensable de les confier a un homme, qui possede autant la connaissance de l'art des jardins que celle de l'arboriculture. Je serais tres heureux si l'Administration de la Ville d'Anvers voudrait me confier les fonctions en question. J'aurais surtout la grande satisfaction de voir se développer et se completer dans Ie sens que je l'ai con$u l'ouvrage, que f ai eu l'honneur d'exécuter pour Anvers. Les communications entre Bruxelles et Anvers sont d'ailleurs si faciles qu'il est a peine plus difficile d'aller a Anvers de me rendre au bois de la Cambre ou a Laeken. Je pense que ces fonctions valent au moins un traitement annuel de deux mille francs. Ce chiffre me parait d'autant plus modéré, que la ville, en acceptant mon offre, s'éviterait a l'avenir de payer des honoraires pour les changements ou les nouvelles creations, qui pourraient se présenter. Dans le cas que l'Administration m'honorait de son choix, fespère pourtant que ma nomination ne serait pas limitée a quelques années. Les premières années seront les plus difficiles, car le service doit être organiser et la transformation grandiose que subit la Ville dAnvers réclamera certainement pendant ce temps encore différent travaux de l'art des jardins; de eet art qui contribue plus qu'aucun autre a l'embellissement de nos villes modernes (...) » (75).

Deze spontane sollicitatie blijft echter zonder gevolg. Pas in 1876 wordt Henri de Bosschere (1824?) als eerste directeur van de Antwerpse dienst Aanplantingen aangesteld. O p vraag van deze laatste wordt Keilig evenwel in 1877 naar Antwerpen gehaald om de aanplantingen van het park te inspecteren (76): "Messieurs, J'ai l'honneur de vous informer que j'ai communiqué h M. De Bosschere mon opinion relativement aux arbres a supprimer au pare de votre ville. Je trouve qu'il est nécessaire d'enlever les

marronniers des avenues extérieures. Dans le pare même on devait se bomer a supprimer un petit nombre d'arbres qui se trouvent trop rapprochés de leurs voisins, a remplacer quelques autres qui ne poussent pas tres bien et h raccourcir les branches de quelques arbustes. LIy a peu de chose a faire et il vaut mieux de faire trop peu que d'en faire trop. Quant a l'élagage des arbres de promenades, j'en suis l'ennemi absolu. Il faut suivant mon opinion laisser a chaque arbre son libre développement (...) » (77). Zijn hele loopbaan ijvert Keilig voor het behoud van waardevolle beplantingselementen. Elke boom verdient optimale groeiomstandigheden, ook als het om een ouder exemplaar gaat. Slechts wanneer de kans op overleven in gevaar komt zal hij ingrijpen middels uitdunnen of verplanten. Van kunstmatige snoei kan echter geen sprake zijn. Het blijkt hier andermaal om de parkrand te gaan. En opnieuw zorgt het voorgestelde rooien van de oude kastanjebomen voor commotie binnen de gemeenteraad. Keilig en de Bosschere worden daarom verzocht om, in het bijzijn van de gemeenteraadsleden, de te rooien bomen te merken en ter plekke hun advies ter zake toe te lichten (78). Na enige discussie wordt een compromis gevonden in het verplanten van de betrokken bomen, onder meer naar de Louiza Marialei (79).

DEAN W., Belgians Nurseries and Gardens, in Gardener's Chronicle, 1872, p. 1167: "(...) Visitors to Belgium should not fail to see the new park at Antwerp, with its fine ornamental water, rockeries, suspension bridge, and natural planting on the lake. Large trees from 20 to 30 feet high were moved here about three our four years since, and are doing well, and the planting of the whole place is perfection, while the graceful curves of the roads are a treat to see. (...)." '(...) Bezoekers van België zouden niet mogen nalaten het nieuwe park van Antwerpen te bekijken met zijn fijn, sierlijk water, rotsen, hangbrug en natuurlijke beplanting aan het meer. Grote bomen van 20 tot 30 voet hoog zijn naar hier drie of vier jaar geleden overgebracht en doen het goed, en de beplanting van de hele plek is perfectie, terwijl de gracieuze curves van de wegen een lust voor het oog zijn. (...).'


BEETEME G., Anvers, métropole du commerce et des arts, Antwerpen, 1886, p. 472-473: "(...) Aujourd'hui les plantations sont dans toute leur vigueur, et cettepromenade délicieuse a revêtu toute sa magnificence. Ses trois cótés sont bordes de larges allées ensoleillées, qu'encadrent des plantations d'arbres magnifiques, ormes, acacias, marronniers, bouleaux, hêtres noirs, etc., etc. Au milieu des pelouses étendent leur tapis vert; il est semé de bosquets, ou les arbustes des essences les plus varices marient leur feuillage aux mille nuances diverses, et émaillé de parterres de fleurs disposes avec un art exquis. Les fossés de Vanden fort découpés en méandres forment un lac charmant, ou des essaims de canards prennent leurs ébats. Il entretient une agréable fraicheur dans les sentiers qui Ie contournent. L'art a embelli ses bords et a su donner des aspects pittoresques. Des percées adroitement ménagées vous réservent de toutes parts des coups d'oeil surprenants; que vous vousplaciez du cóté de la ville ou du cóté de l'église St.-Joseph, vous découvrez des points de vue qui vous ravissent. Ce nest pas grand Ie Pare dAnvers, mais il serait difficile de trouver ailleurs, en pleine ville, quelque chose de plus coquet, de plus enchanteur (...)." '(•••) Vandaag zijn de beplantingen in hun volle groeikracht, en heeft deze heerlijke wandeling zich gehuld in al zijn pracht. Zijn drie zijden zijn afgeboord met brede zonovergoten lanen die aanplantingen van prachtige bomen omlijsten, iepen, gewone robinia's, paardenkastanjes, berken, bruine beuken, enz. enz. In het midden spreiden de grasvelden hun groen tapijt; hij is bezaaid met bosjes waarin struiken van de meest verschillende soorten hun bladeren met duizend verschillende nuances bij elkaar passen en geëmailleerd met bloemenparterres die met een verfijnde kunst verspreid liggen. De in meanders verknipte grachten van het oude fort vormen een charmant meer waar groepen eenden op het water stoeien. Er heerst een aangename frisheid op de paden die er omheen lopen. De kunst heeft de oevers aantrekkelijk gemaakt en heeft er schilderachtige aspecten aan gegeven. Slim aangelegde doorsteken hebben vanuit alle delen verrassende zichten in petto; of u zich plaatst langs de kant van de stad of van de SintJozefkerk, u ontdekt zichtpunten die u verrukken. Het is niet groot, het Stadspark van Antwerpen, maar het zou moeilijk zijn om elders in volle stad iets eleganter en meer betoverend te vinden (...).'

Jaren na datum zal Keilig het Antwerpse stadspark als één van zijn meest geslaagde realisaties omschrijven, in het bijzonder omwille van de uiterst verzorgde en alom geprezen beplanting (80). Mede daarom blijft hij, tot enkele jaren voor zijn dood, de betrokken stadsdienst met advies bijstaan (81).

EEN HISTORISCH PARKCONCEPT MET EIGEN KENMERKEN Keiligs oeuvre wordt gekenmerkt door een reeks ingebouwde contrasten die zelden beter tot hun recht komen dan in zijn ontwerp voor het Antwerpse stadspark. Kaderend in een traditie binnen de Duitse landschappelijke stijl worden verschillende ontwerpaspecten hier verscherpt, maar gescheiden in beeld gebracht. Deze wisselwerking bepaalt zowel de relatie van het park tot zijn omgeving, de structuur en variatie binnenin, als de wijze waarop wandelaars hier bewegen en kijken. De omvang van het terrein bepaalt daarbij de vorm. Waar schaal en bebouwing het zichtbereik beperken tot één enkele zichtlijn, gaat de keuze naar een gemengde vormentaal, in relatie tot de architectuur. Laat een grotere ruimte de uitbouw van meerdere zichten toe, dan kiest Keilig steevast voor een landschappelijke vormgeving. In de voorgestelde inrichting van de Louiza Marialei worden stad en park éénmalig samengebracht. Eens hier voorbij wordt alles in het werk gesteld om het park naar ruimte, vorm en materie, van zijn omgeving te onderscheiden. Stad en park worden door een dicht beplante buffer van elkaar gescheiden. Door aldus de grenzen van het terrein te verbergen, zal de interne ruimte groter ogen dan ze in werkelijkheid is. Het parkreliëf vindt zijn oorsprong in de eigenschappen van de plek én de natuur. Zowel de keel, de vestinggracht, het ravelijn als het bastion leven in dit ontwerp nog door. Maar ook reminiscenties aan natuurbeelden als een berghelling of rivierdal, zijn niet ver weg. Water en bodem worden van nieuwe contouren, profielen en beplanting voorzien. Wat hoger ligt wordt opgehoogd waardoor de lagere zones nog dieper gaan lijken. Het beplantingschema volgt een zelfde, heldere logica. Wat laag ligt, krijgt water of gras toebedeeld en werkt als lichtvang. Hoogten worden door hoge beplanting bekroond. Door boomgroepen systematisch hoger in te planten (massifs exhaussés) reiken alle zichten van bodem tot boomtop. Accenten in kruinvorm, kleur en textuur brengen de natuur letterlijk dichterbij.


». Het hele park krijgt een dubbelzijdige opbouw. Een wandeling Enerzijds primeert de open ruimte als een omzoomnaar de oever van

,

r

n-

i

i

J

J

i_

. de ögrashelline;, oplopend tot de hoogte de vi|ver, langs de o langzaam o r r o van

rotsen van het de rotspartij. Anderzijds duikt watet op, omringd schiereiland of naar door steile rotswanden en overkragende beplanting. e ang rug y w e e j ^ r j ^ e f s v a n uiteenlopende vorm vragen ook (© Stadsarchief

.

r

•;;

r i •

i

Antwerpen) verschillende attractiepolen: een pavilion of kiosk voor de ene, een hangbrug voor de andere. Dit spel van vergelijking maakt alle overgangen tussen stad en park, massa en open ruimte of bodem en water, tot de meest markante elementen binnen Keiligs werk. Net in deze zones komen alle wegen en zichtlijnen te liggen, opgebouwd langs beplantingscontouren met vooruitgeschoven groepen en contrastrijke details. Aan de rand van open ruimte of water wordt een beweeglijk wandelparcours ingebracht: geen opgelegd traject, maar een vrij te kiezen en ontdubbeld circuit, gemotiveerd door natuurlijke obstakels en ingebouwde zichtassen. De centrale hoogte verhindert daarbij het doorkijken. Gezien vanaf de zijlijn komen slechts wisselende fragmenten van een zelfde geheel in beeld: nu eens verlengd door helling of water, maar steeds aankijkend tegen een groene wand. Pas vanaf het belvedère zal de stad weer opduiken als een gekaderde momentopname. Want nog belangrijker dan het baken in de verte, is de variabele inrichting van het voorplan: een lijst van rotsen en wintergroen voor de torens van de SintJozefkerk of een grasvallei met kleuraccenten als aanloop naar de stad.

Reeds vroeg in zijn loopbaan omschrijft Keilig parken en tuinen als kunstwerken, gevormd in, mét en naar de natuur (82). Zijn streefdoel is zowel de eenheid als de variatie binnen de natuur in beeld te brengen. Dichtbij en veraf, hoog en laag, licht en donker, open en gesloten, ...: de bijzondere samenhang en detaillering van het park schuilen in de plaats, dosering en selectie van bodem, water en planten. Wat taakt aan deze bouwstenen, ondermijnt al gauw het hele concept. De onmiddellijke nabijheid van architectuur en verkeer dwingen hier tot een duidelijke stellingname ten opzichte van de stad en haar bewoners. Keiligs antwoord reserveert het park als wandelgebied. Rijwegen en bebouwing worden hier afgeschermd door hoge en dichte beplanting. Achter deze buffer verdwijnt een drukke omgeving voor een eigen wereld;

• De vi|ver langs de

beplanting

Een wandeling tus-

Van Eycklei,

{© Stadsarchief

sen rotsen en water

met hangbrug en

Antwerpen)

(O Stadsarchief

markante oever-

M&L

Antwerpen)


I

2

3 '

4

I. Evarist Allewaert, grondlegger van het Frobelondemijs (F.JORIS, 1890), nabij het eiland in de vijver (@ Stadsarchief Antwerpen)

2 De impressionistische schilder Theodoor Verstraeten (G.CHARLIER, 1909) In het park (© Stadsarchief Antwerpen)

3 De Impressionistische schilder Theodoor Verstraeten (G.CHARLIER, 1909) in het park (© Stadsarchief Antwerpen)

waarvan rust, reliëf, uitgesponnen watet en detailrijke beplanting de karakterbepalende elementen zijn. Wie dit kunstwerk van natuur nader wil ervaren, zal stad en verkeer achter zich moeten laten, maar krijgt in ruil hiervoor ongeacht leeftijd, rang of herkomst, een wandeling met artistieke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorisch waarden.

De Kongo Naasting (E.VAN AÏERBEKE. 1911) in de centrale zichtlijn op het park. vanaf de toegang in de Rubensiel (© Stadsarchief Antwerpen)

140 JAAR PARK- EN GROENBEHEER e

Hoe dit 19 -eeuwse groenpatrimonium gebruikt en beheerd wordt, bevat voer voor een bijkomende studie. Een eerste inzage in stadsarchief, literatuur én terrein geeft echter al snel de grote lijnen weer. Het stadspark is een groene en sociaal gelaagde wandelplek, doorspekt met gedenktekens en geschiedenis; maar bedreigd door verkeer, versteende ingrepen en een minimaal onderhoud. Kort na de aanleg van het park, duiken de eerste beeltenissen op: Quinten Metsijs (J. De Braeckeleer, 1881), Evarist Allewaert (F. Joris, 1890), Jan Van Beers (A.E. Crickx, 1892), Theodoor Verstraete (G. Charlier, 1909) of de Kongo Naasting (E. Van Averbeke, 1911). Gekaderd door een aangepaste beplanting laat deze mengeling van kunst.

lokale politiek en koloniaal verleden zich al bij al goed inpassen. Minstens tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geniet het park een regelmatig onderhoud, met oog voor detail. Het hoveniershuisje blijkt al gauw te klein en wordt daarom in 1894 uitgebreid tot een heuse woning met bergplaats. Ook de kelder van de kiosk is door de groendienst in gebruik. Gedurende de late 19 e eeuw krijgen de belangrijkste wandelwegen een grindbedekking. Voor ruiters worden bijkomende paden en een verbinding met het Albert park voorzien. In 1910 krijgt de parkweg tussen de Lange Kievitstraat en de Louiza Maria lei een mozaiek-verharding. Tegen 1930 zijn ook alle binnenrijwegen van een nieuw wegdek voorzien. Zitbanken, afsluitingen én de parkbrug krijgen op


ger en bergplaats voorzien. In wintertijd verandert het watervlak in een ijspiste voor zowel leek als demonstratieschaatser. De brug doet dienst als eerste balkon. In de kiosk hebben concerten plaats. Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1930 baden zowel het park als de kiosk in een feestverlichting. In 1933 wordt de hovenierswoning verbouwd tot de Melkerij, een drinksalon met speeltuin. Sinds 1923 kunnen wandelaars zich ook wetenschappelijk verdiepen in het park. Een Botanische wandeling van Georges Poma, doctor in de plantkunde, beschrijft 48 bomen en heesters, zoals deze het hele jaar door in het Antwerpse stadspark te bewonderen zijn (83). Een plan in bijlage telt meer dan 100 merkwaardige bomen, hoofdzakelijk ingeplant langs de oevers van de vijver en op de hoogte van het schiereiland. In 1939 wordt deze beplantingslijst verder aangevuld door Frans Amelinckx, werfopzichter bij de stedelijke dienst Parken en Plantsoen en kersvers lid van de Antwerpse Vereniging voor Natuur en Stedeschoon (84). Paard en koets verdwijnen uit het park. In de plaats daarvan komen trotse eigenaars er steeds vaker hun nieuwe automobiel showen. Een afsluiting in beplanting moet hen daar voorlopig van weerhouden. Maar tegen de opkomst van het verkeer zal kruid noch park gewassen blijken. Na een eerste verbreding van de Quinten Metsijslei (1901-1905) en de Van Eycklei (1910), worden tussen 1933 en 1937 alle wegen rond het park heraangelegd. Dan reeds verliest de parkrand een heel stel bomen.

I. Het ruimen van de vijver in late jaren 1920 (© Stadsarchief Antwerpen) 2. Het ruimen van de vijver in late jaren 1920 (co Stadsarchief Antwerpen)

IVI&L

geregelde tijdstippen een schilderbeurt. O m nog onduidelijke redenen wordt in 1926 aan de steunkolommen van de brug gewerkt. De vijver, bevolkt door eenden en begroeid met waterlelies, wordt op regelmatige basis van slijk en slib ontdaan. Dit is een onderneming die niet zonder gevaar is, want tussen de opgedolven specie zit nogal wat oorlogsmateriaal. Het interbellum brengt leven in het park, de vijver vormt daarbij het kloppende hart. Sinds de aanleg wordt hier gevist; al dan niet voor prijskampen. Algauw verschijnen ook modelbootjes en roeiers op het water. O p het eilandje bij de hoek van de Van Eyck- en Rubenslei worden daarom een aanlegstei-

De Tweede Wereldoorlog laat een gehavend park met Duitse bunkers na. Jarenlang zal hier verdwaalde munitie worden opgeslagen. De nagedachtenis aan de oorlog brengt ook nieuwe gedenktekens met zich mee, of liever de verplaatsing ervan. Moeder en kind (G. Minne, 1936) verlaten het Astridplein. Het monument der gesneuvelden van W O I (E. Deckers, 1929) verhuist van de Nationale Bank naar de hoek van de Van Eyck- en de Rubenslei. Na twee kazernes te hebben getooid komt ook het Monument voor het 5 e linieregiment (Lambot, 1929) in het park te staan. In 1960 wordt het kruispunt bij de Loosplaats aangelegd. O m verkeerstechnische redenen moet hier zowel de beeldengroep van Auguste Rodin (18401917) als alle beplanting wijken. Rond 1970 gaat zowat de hele parkrand eraan voor een nieuwe verbreding van de Van Eyck- en de Quinten Metsijslei. In de heraangelegde Metsijslei schemert het tracé


van Keiligs parkweg nog door, doch uitgekleed voor parkeerplaatsen, signalisatie en verkeersvriendelijk groen. De verstening slaat ook toe binnenin het park. In 1969 verdwijnen zowel de kiosk als de Melkerij, om plaats te maken voor de bouw van het sociaal verbruikerspaviljoen City Garden en een rolschaatsbaan. Ook de dienst Groenvoorziening zal hier nieuwe behuizing krijgen. Zeldzame lichtpunten zijn het herstel en de bescherming van de hangbrug (85), alsook de publicaties van J. Moens, het toenmalige hoofd van de Antwerpse groendienst. O p zijn initiatief geeft de stad een vernieuwde wandelbrochure uit, vol wetenswaardigheden over de beelden en bomen in het park (86). De auteur is ook de eerste die op zoek gaat naar de oorsprong van het park en zijn ontwerper (87). De recente geschiedenis van het stadspark is er één van rooi en drooglegging. Wanneer de Belgische Dendrologische Vereniging \n 1986 een eerste opname komt doen, telt ze nog amper 30 vermeldenswaardige bomen. Een tweede meting 2005 strandt

bij 13 overlevenden (88). O m redenen van ziekten, stormschade of veiligheid van mens en verkeer, blijkt meer dan de helft inmiddels gerooid. Maar geldt dit dan ook voor de heesterbeplanting én het wintergroen? Ondanks goed bedoelde oproepen is aan het herstel of de vervanging van deze historische beplanting blijkbaar nooit gedacht (89). Het verlanden van het eiland nabij de Van Eyck- en Rubenslei heeft de vijver een vreemde bocht gegeven. Nog erger wordt het wanneer in 2004, door opgestapeld slib en het aanhoudend droogpompen van zowat de hele binnenstad, de volledige waterpartij kurkdroog komt te staan. De beschermde brug wordt ontsierd, de oeverbeschoeiing ontbloot. Het weinige wat dan nog rest aan oeverbeplanting verliest elke band met het water. Het valt nog af te wachten of het nieuw gewonnen water een blijvende oplossing blijkt.

I

2

3

4

I. Paddelen op de vijver in 1937 (® Stadsarchief Antwerpen)

2 Schaatsers en toeschouwers op de dichtgevroren vi|ver. (© Stadsarchief Antwerpen)

3. De feestverlichting van kiosk en park. naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling in 1930 (© Stadsarchief Antwerpen)

De feestverlichting van kiosk en park,

Met de recente aanleg van een skatemmp of de breed bemeten esplanade bij het monument van de gesneuvelden, wordt langzaam maar zeker aan het groengehalte van dit park geknabbeld. Na de park-

naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling in 1930 (© Stadsarchief Antwerpen)

M&L


De Melkerii van het stadspark. Afgebroken in 1969 voor de bouw van het sociaal verbruikerspavil|oen City Garden of de huidige Café Capital (© Stadsarchief Antwerpen)

rand verdwijnen nu ook alle markante hoekoplossingen. De hoofdtoegang in de Rubenslei, die ooit een unieke inkijk op het park bood, is nu een brede en kale vlakte. Ondanks deze aantastingen bewaart het Antwerpse stadspark alle bestanddelen van zijn oorspronkelijk ontwerp. Een optie naar herstel, met inbegrip van zijn historische beplanting, behoort dus tot de mogelijkheden. De toekomst van dit park is meer dan ooit afhankelijk van de wijze waarop het wordt beheerd. Keilig wees reeds op het belang van een accuraat beheer van bij de aanleg. Zijn deskundig groenadvies indachtig, vraagt de aanpak om inzicht in het ontwerp, kennis en ervaring in de planten en een continu hoogwaardig onderhoud. Dankzij Keiligs bijzondere concept en vooruitziende visie, is het Antwerpse stadspark uitgegroeid tot een levend monument van uitzonderlijke erfgoedwaarde. O m dit groenpatrimonium met respect voor zijn verleden in stand houden, moeten het beleid en beheer aan dezelfde voorwaarden van weleer voldoen.

Katrien HEBBELINCK is licentiate Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, met een diploma in Monumenten- en landschapszorg. Zij is lector in de bachelor Landschaps- en tuinarchitectuur aan de Erasmus hogeschool in Brussel, lesgever binnen de master Monumenten- landschapszorg aan de Artesis hogeschool in Antwerpen en bereidt een doctoraat in de kunstwetenschappen voor over het oeuvre van Eduard Keilig in België.

EINDNOTEN (1) Stadsarchief Antwerpen (SAA), Historische Nota's, (MOENSJ.), 213: Algemeen Rijksarchief, Hulpdepot van de Rijksarchiefdienst Arnhem Schaarsbergen, Contracten van het Ministerie van Oorlog, nr. 123: hestek en condütïn (bouw fort Herenthals), 1818; SAA, Iconografie (ICO) 75/33: M.V., Deparkgronden na 1697, z.d. Voor de geschiedenis die aan de bouw van het lunet voorafgaat, zie: MOENS J., Geschiedenis van het Stadspark van Antwerpen, in Antwerpen, nr. 3, sept. 1981^. 157-162. (2) SAA, Modern Archief (MA) 953: Provinciegouverneur de Brouckère aan Minister van Oorlog Dupont, 1.3.1844. (3) SAA, MA 953: Minister van Oorlog Dupont aan Provinciegouverneur de Brouckère, 9.6.1844.


Het monument aan de gesneuvelden van Eerste Wereldoorlog, o( de versteende parkhoek aan de ïan Eyck- en Rubenslei (foto K. Hebbelmck)

M&L


^.x

•"•aams.**'

/

M?\

^

•

"

-

•

-

.

.

•

-

^HP

Het stadspark in de winter van 2009 (foto K. Hebbelmck)

(4)

SAA, ICO 75/10: PETERSEN C.H., zonder titel, projeté en Novembre 1844; SAA, ICO 75/11: PETERSEN C.H., Plan gene-

(5)

(11) LOMBAERDE P., Een stad kan niet alles bezitten.... in TAVER-

et la porte de Malines h Anvers, projeté en mai 1845 en SAA, ICO

NE E., VISSER I. (red.). Stedebouw. Geschiedenis van de stad in

75/12: PETERSEN C.H., zonder md, projeté en juillet 1845.

de Nederlanden van 1500 tot heden, Nijmegen, p. 202.

SAA, ICO 75/13: VAN CUYCK E., Projet pour la promenade sur MOENS J., Geschiedenis van het Stadspark van Antwerpen, in Antwerpen, nr. 4, dec. 1981, p. 190.

(7)

SAA, MA 953: Opgave der hoornen en arhusten geplant voor rekening van het gemeentebestuer van Antwerpen en door Em. Van Cuyck en dienende tot het maken en herstellen der wandeling op de glacis sedert 25fehruary 1846 tot 15 april 1846.

(8)

SAA, MA 954: Glacis aanleg wandeling rond fort Herentals. 1853-

(9)

SAA, ICO 75/14: Plan de la promenade du glacis entre les partes

1855. St. Georges et de Borgerhout y compris celle autour du fort Heren-

M&L

Antwerpen, nr. 4, dec. 1981, p. 192.

ral des promenades a établir sur les glacis entre la porte de la station

les glacis, z.d. (6)

(10) MOENS J., Geschiedenis van het Stadspark van Antwerpen, in

thals, 1861.

(12) LOMBAERDE P., Antwerpen als IS^'-eeuwse metropool, in TAVERNE E., VISSER I. (red.). Stedebouw. Geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden, Nijmegen, p. 235. (13 VAN BEVER T , Vertoogschrift ter ondersteuning van het ontwerp voor de benutting der militaire gronden van de oude omheining en der hij de nieuwe omheining ingelijfde kwartieren, 30.6.1864, in Gemeenteblad, 1864/2, p. 101-114. (14) LOMBAERDE P, Antwerpen als l^'-eeuwse

metropool, in

TAVERNE E., VISSER I. (red.), Stedehouw. Geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden, Nijmegen, p. 237. (15) VAN DEN NIEUWENHUIZEN ]., De stadsuitbreiding van Antwerpen 1860-1914, in Antwerpen, ]g. 6, 1960, p. 110-121.


(16) VAN BEVER T , Vertoogschrift..., in Gemeenteblad, 1864/2, p. 109-110.

gazon zachtjes af naat het wateroppervlak. (...) De voornaamste zichten van het water zijn deze vanaf het paviljoen, de plaats van

(17) SAA, MA 956/5: Van Bever aan Burgemeester en schepenen,

de kiosk, de rots tegenover de kerk en deze onder de hangbrug. De grot zal zó ingeplant worden dat ze dienstig is als een groot

8.8.1865. (18) Th. VAN BEVER, Vertoogschrift..., in Gemeenteblad. 1864/2,

sieraad aan de oever van het meer. Binnenin de grot zal men genieten van de zeet afgewisselde effecten, en ik hoop dat het water

p. 111. (19) SAA, MA 956/5: Van Bever aan Schepencollege, 30.8.1865 en

transparanr genoeg zal zijn om toe te laten een gedeelte van de grot te vetlichten met daglicht dat vanachtet het watet binnen

Van Bever, Exposé au Conseil, 11.9.1865. (20) SAA, MA 956/5: Van Bever aan Burgemeester en schepenen,

valt. (...) De grondverplaatsing op het terrein is bedoeld om de

8.8.1865; Van Bever aan Schepencollege, 30.8.1865 en Van

het park veel groter te laten uitschijnen dan het in werkelijkheid

Bever, Exposé au Conseil, 11.9.1865.

is. De lanen die langs het patk lopen en er op een manier deel van

(21) SAA, MA 956/5: Van Bever, Exposé au Conseil, 11.9.1865.

uitmaken, moeten zichten naar binnen bieden, niet erdoor heen.

(22) Gemeenteblad), 1865/2, p. 273.

Het gaat dus om de aanzienlijke ophoging van het centrale ge-

(23) SAA, ICO 75/26: Croquispar B.D., z.d..

deelte van het park. Dit biedt tezelfdertijd de kans om de hang-

(24) SAA, ICO 75/30 en 31: JOOSSENS C E , Le premier arbrepour

brug op een voldoende hoogte te plaatsen. De grasvelden zullen afgewisselde en oogstrelende golvingen vertonen. De massieven

Ie pare d'Anvers au fort d'Herenthals, 1865. (25) SAA, ICO 75/25: HOEFKENS A C , Projet de plan nV pour le

zullen bijna alle gespaard blijven, vooral langs de kant richting de

/wn-, 6.12.1865. (26) SAA, ICO 75/27: JOURDAN E., Projet d'approbatwn de l'ancienne lunette d'Herenthals en promenadepubhque,

zullen hoger liggen. De mooie bomen die op het terrein staan

z.d..

(27) SAA, ICO 75/28: YBRY C , Vue perspective du projet (...) pour l'approbatwn de l'ancienne lunette d'Herentals en promenade publique, 1865; SAA, ICO 75/29: YBRY C , Plan topographique du projet (...) pour l'approbation de l'ancienne lunette d'Herenthals en promenade publique, 1865 en SAA, MA 956/5: YBRY C , Toelichting bij ontwerp, 23.11.1865.

stad. Enkele zullen verplant worden. De nieuwe aanplanting zal een keuze van de mooiste bomen en heestets inhouden. Veel heestets met wintetharde bladeren. Massieven van Azalea's en Rododendrons. (...) Van binnenin het park ziet men slechts de torens van de Sint-Jozefkerk. Men zal een zicht op de toren van de Onze-Lieve-Vrouw kathedraal hebben. Tijdens her tekenen van mijn plan weid ik geleid door de gedachte om het park in zijn geheel een grandioos cachet te geven en aan ieder onderdeel een verschillend karakter. De details in de uitvoering moeten ook zo

(28) SAA, MA 956/5: DENS P., Toelichting bij ontwerp, 1865 (plan

gevarieerd mogelijk zijn.'

niet bewaard). (29) SAA, MA 956/5: VAN BEVER T , Rapport sur lesplans de transformation du fort Herenthals en pare publique, 15.12.1865. (30) SAA, MA 956/5: Verwijzing naar de gemeenteraad van 30.1.1866.

(41) Gemeenteblad, 1867/2, p. 972-977; SAA, MA 956/5: Schepencollege aan Keilig, 5.11.1867 en Keilig aan Burgemeestet, 6.11.1867. (42) SAA, ICO 75/24: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public Projet

(31) SAA, MA 956/5: Schepencollege aan Keilig, 15.1.1867.

n" Ilidrk

(32) SAA, MA 956/5: Van Bever aan Schepencollege. 30.8.1865.

MA 954/5: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public Projet n" II,

(33) SAA, MA 956/5: Schepencollege aan Keilig, 16.4.1867 en Keilig

Devis estimatif, 21.10.1867.

aan het Schepencollege, 20.4.1867. (34) SAA, MA 956/5: Verwijzing naar de gemeenteraad van 24.7.1867. (35) SAA, ICO 75/22: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public Projet

doorsneden), schaal 1/500 & 1/1000, z.d. en SAA,

(43) SAA, MA 954/4: Fort Herentals afbraak borstwering en kantelen, 1866. (44) SAA MA 80991: Cahier des charges travaux de terrassements et de

n° I, schaal 1/1000, z.d. en SAA, MA 956/5: KEILIG E., Ville

demolition de mafonnerie a executes a la lunette d'Herenthals, 1866;

d'Anvers Projet de pare public N° I, Devis estimatif z.d..

SAA, MA-PLAN 398: VAN BEVERT, Plan des travaux de terras-

(36) SAA, MA 954/5: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public Projet n ° II, Devis estimatif, 21.10.1867. (37) SAA, ICO 75/24: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public Projet «"//(drie doorsneden), schaal 1/500 & 1/1000, z.d.

sements a executes k la lunette d'Herenthals, 27.3.1866 en SAA, MAPLAN 399: VAN BEVER T , Plan des travaux de demolition de mafonnerie du mur de gorge de la lunette d'Herenthals, 27.3.1866. (45) SAA, MA 954/5 en SAA, MA 81017: KEILIG E., Cahier des char-

(38) SAA, MA 956/5: Schepencollege aan Keilig, 28.9.1867.

ges travaux de terrassement ou de demolition 'a exécuterpour la trans-

(39) SAA, MA 956/5: KEILIG E., Ville d'Anvers Projet de pare public

formation de la lunette d'Herenthals en pare public, 16.11.1867.

n" I, Devis estimatif, z.d. en SAA, MA 954/5: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public Projet n ° II, Devis estimatif, 21.10.1867. (40) SAA, MA 956/5: Keilig aan Van Bever, 21.10.1867.

(46) SAA, MA 81021 en MA-PLAN 408: VAN' BEVERT, Overwelving van het gedeelte van de Herentalse vaatt in het stadspark, 24.3.1868. Voor de geschiedenis van de Herentalse vaart zie:

"Het gaat erom aan het meer een zo groot mogelijke uitgestrekt-

MOENS J., Geschiedenis van het Stadspark van Antwerpen, in

heid te geven, ten eerste omdat water heel mooi is, vervolgens

Antwerpen, nr. 3, sept. 1981, p. 161-162.

omdat men grond moer winnen voor de op te hogen onderdelen.

(47) SAA, MA 3527/31 (1): Grootboek van uitgaven, Dienstjaar 1867,

Toch moet het water niet in alle delen van het park aanwezig zijn

folio 219 en 220; SAA. MA 3527/31 (2): Grootboek van uitgaven.

want dat zou leiden tot een grote monotonie. Dit doel is bereikt door de inplanting die de waterpartij volgens het plan inneemt: zij is geplaatst in de richting van een van de uiteinden van het park, terwijl zich in het tegenoverliggende gedeelte een groot gazon bevindt. De oevers van het meer zijn zeer afgewisseld: nu eens zijn ze heel steil en hoog (8 a 9 meter) dan weer daalt het

Dienstjaar 1868, folio 220. (48) SAA, MA Mandaten, Doos nr. 325: Bewijsstukken Dienstjaar 1867 en Doos nr. 331: Bewijsstukken Dienstjaat 1868. (49) SAA, MA 3527/33: Grootboek van uitgaven, Dienstjaar 1870, folio 175. (50) SAA, MA 956/5: Keilig aan Van Bever, 21.10.1867.


(51) SAA, MA 954/5: KEILIG E., Vilk d'Anvers Pan public Projet n ° II. Devts esttmatif, 21.10.1867.

groeien en te voltooien in de zin zoals ik het werk, waarvan ik de eer had het voor Antwerpen uit te voeren, bedacht heb. De verbin-

(52) SAA MA 954/7: Selectie en levering van natuursteen, 1868 en

dingen tussen Brussel en Antwerpen zijn bovendien zo gemakke-

SAA, MA 3527/31 (2): Groothoek van uitgaven Dienstjaar 1868,

lijk dat het bijna niet moeilijker is om naar Antwerpen te gaan als

folio 215 en 220.

om mij naar het Terkamerenbos of Laken te begeven. Ik denk dat

(53) SAA, MA 3527/31 (2): Groothoek van uitgaven, Dienstjaar 1868, folio 214 tot 224. (54) SAA, MA-PLAN 412: KEILIG E., Plan des culées du pont a étahlir au pare d'Herenthals, 29.5.1868. (55) SAA, MA 81024 en SAA, MA 956/5: KEILIG E. en BELPAIRE E, Devis et cahier des charges pont suspendu et autres ouvrages d'art

die ambten per jaar op zijn minst twee duizend frank waard zijn. Dat bedrag lijkt mij des te bescheidener omdat de stad, door mijn aanbod aan te nemen, vermijdt om in de toekomst erelonen te moeten betalen voor de wijzigingen en de nieuwe ontwerpen die zich zouden aandienen. In het geval dat de Administratie mij met haar keuze vereert, hoop ik nochtans dat mijn aanstelling zich niet

du pare puhlic en Détail estimative de la dépense a faire pour les

tot enkele jaren zou beperken. De eerste jaren zullen de moeilijk-

travaux de mafonnerie du pont suspendu et autres ouvrages dart du

ste zijn omdat de dienst georganiseerd moet worden en dat de

part public,

grootse transformatie, die de Stad Antwerpen ondergaat, gedu-

29.5.1868.

(56) SAA, ICO 75/38: CAIL HALOT & Cie, Pont suspendu a étahltr dans Ie pare Herenthals, 22.06.1868; SAA, MA-PLAN 410: CAIL HALOT & Cie, Ville d'Anvers Pont suspendu a étahlir dans Ie pare

rende die tijd zeker nog verschillende werken van tuinkunst zal noodzaken; van die kunst, die meer dan welke andere bijdraagt tot de verfraaiing van onze moderne steden."

Herenthals, 27.10.1868 en SAA, MA-PLAN 411: CAIS HALOT

(76) SAA, MA 956/5: Schepencollege aan Keilig, 22.9.1877.

& Cie, Plan et coupe des cages d'ammarages, 20.11.1868.

(77) SAA, MA 956/5; Keilig aan Schepencollege, 2.10.1877.

(57) SAA, MA 955/4: Gedenkteken P. Coudenberg, 1860-1869: Keilig aan Schepencollege, 14.3.1869. (58) SAA, MA 955/4: Wandeling Hofbeelden, 1860-1869: Van Bever aan Schepencollege, 24.4.1869. (59) SAA, MA 81233 en MA-PLAN 771: Ontwerp en plaatsing van 64 kandelabers in het park, 1875. (60) SAA, MA 81237 en MA-PLANNEN 740 tot 748: DENS P., Kiosk in het park, 1875. (61) SAA, MA 81540 en MA-PLAN 1148: DENS P, Hoveniershuisje in het park, 1879. (62) SAA, MA 954/6: vermelding van plan de M. KEILIG pour l'approbation de l'avenue de 60 metres entre les Hots 61 et 62 des ter-

"Heten, ik heb de eer u in re lichten dat ik mijn standpunt ten aanzien van het weghalen van bomen in het park van uw srad aan Mr. De Bosschere heb meegedeeld. In het park zelf moet men zich beperken tot het wegnemen van een klein aantal bomen dat zich te dicht tegen hun buren staan, het vervangen van enkele anderen die niet goed groeien en het inkorten van de takken van enkele heesters. Er is weinig te doen en het is beter te weinig dan te veel te doen. Ik ben absolute vijand wat het opsleunen van de boomkruinen betreft. Men moet volgens mijn opinie aan elke boom zijn vrije ontwikkeling laten (...)" (78) SAA, MA 956/5: Schepencollege aan Keilig, 2.11.1877 en Keilig aan Schepencollege, 4 e n 12.11.1877.

rains militatres, kalk in bijlage; SAA, MA 956/5: KEILIG E., plan

(79) SAA, MA 956/5: Verslag van de gemeenteraad van 1.12.1877.

voor een plantsoen ter hoogte van de Louiza Marialei, 9.1.1868.

(80) Archief Koninklijk Paleis, Civiele Lijst Leopold II, 205, Keilig

(63) SAA, MA 954/6: Van Bever aan Schepencollege, 7.1.1868.

aanGoffinet, 13.11.1886.

(64) SAA, MA 954/8: Van Bever aan Schepencollege, 16.10.1868.

(81) SAA, MA 1361/2; Keilig aan Schepencollege, 1890.

(65) SAA, ICO 75/23: KEILIG E., Ville d'Anvers Pare public, schaal

(82) KEILIG, E., Lettres sur l'architecture des jardins, I-V, in Journal

1/1000,31.7.1868. (66) SAA, MA 954/8: KEILIG E., Pare Herenthals Approbation des routes carrossables Devis estimatif, 31.7.1868. (67) SAA, MA 954/8; Van Bever aan Schepencollege, 16.10.1868. (68) SAA, MA 954/8: Petitie ingediend door de bewoners van de Quinten Metsijslei, 7.1.1869. (69) SAA, MA 954/8: Tegenvoorstellen ingediend door de hovenier Hoefkens, 26.12.1868 en 2.1.1869.

dAnvers, februari & maart 1856. (83) POMA G., Botanische wandelingen 1. Het Stadspark van Antwerpen, Gent, 1923. Zie ook de gecommentatieerde overname hiervan in SCHOBBENS J., Les environs dAnvers, I, Brussel, 1931, p. 2-8 (84) AMELINCKX E, De openbare parken der stad Antwerpen. Het Stadspark, in Natuur en Stedenschoon, jg. 18 (1939), nr. 3, p. 3540 en nr. 4, p. 52-55.

(70) SAA, MA 954/8: Van Bever aan Keilig, 26.10.1868.

(85) Beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 30.9.1974

(71) SAA, MA 954/8: Keilig aan Burgemeester, 05.11.1868.

(86) (MOENSJ.), Wandeling doorheen het stadspark, Stzd Antwevpen,

(72) SAA, MA 954/8: Keilig aan Burgemeester, 14.1.1869. (73) SAA, MA 3527/32: Groothoek van uitgaven. Dienstjaar 1869, folio 219 en 220. (74) SAA, MA 1364/1: Schepencollege aan Van Bever, 30.4.1869. (75) SAA, MA 1364/1: Keilig aan Van Bever, 14.11.1869. "(...) De toekomst van die wandelingen hangt helemaal af van de manier waarop ze beheerd worden. Om hun ontwikkeling te verzekeren is het onontbeerlijk om ze toe te vertrouwen aan een man die zowel de kennis van de tuinkunst als die van de boomteelt heeft. Ik zou zeer gelukkig zijn mocht de Administratie van de Stad Antwerpen mij de ambten in kwestie willen toeverrrouwen. Ik zou vooral de genoegdoening hebben om mijn werk te zien

1980. (87) MOENS J., Geschiedenis van het Stadspark van Antwerpen, in Antwerpen, nr. 3, sept. 1981, p. 157-164, nr. 4, dec. 1981, p. 189-192 en nr. 1, maart 1982, p. 47-54. (88) Gegevens verstrekt door de Belgische Dendrologische Vereniging, beheerd door de Stichting Arborerum Wespelaar. (89) LOMBAERDE P., Het ly-eeuws

openbaar groenpatrimonium,

onbemind of onbekend?, in Groeneontact 199912. p. 7-12.


SUM MARY FLANDERS EXPO - THE LOOP, GHENT. ARCHAEOLOGICAL RESEARCH OF A LARGE-SCALE DEVELOPMENT PROJECT ON THE OUTSKIRTS OF THE TOWN In Ghent a I45ha large area including Flanders Expo are being redeveloped to form a new city district with possibilities for recreation, commerce, working and living within the large scale 'The Loop' project. In the 80'ies, during the construction of the halls of Flanders Expo and its parking lots several traces were discovered and excavated under harsh conditions. T h e then know site consisted of several buildings dating from the metal ages, a settlement with graveyard from the Roman period and a medieval settlement. Since 2007 a new archaeological campaign has been started. T h e impact of the new buildings and infrastructural works on the archaeological record is devastating, so archaeologists from the city services formulated binding conditions within the permit system, causing thus far in 13 ha several trial trenches, 3 ha of roadinvestigations and 2,3 ha of open area excavations. T h e results are stunning and able the archaeologists to reconstruct an almost full diachronical overview of the site. T h e oldest traces date back to the Final Neolithic and presumably are to be interpreted as three graves of which one contained a typical burial gift. Dating from the Early till Middle Bronze age are a few remnants of a settlement and a circular ditch with a diameter of 17m. This ditch is the only preserved feature of a burial mound. Five isolated pits are the only remnants of the Late Bronze Age, but maybe they can be linked to the old find of a settlement. T h e Iron Age is well represented with numerous settlement traces (such as 7 main buildings and over 30 smaller buildings and pits). Within the settlement lays a cluster of pits with a possible funeral, sacral or ritual meaning. These finds illustrate the dens occupation of the site during this period. T h e Roman period is as important, if not more, to this site. Several main buildings, smaller buildings, wells and graves are part of a complete Gallo-Roman landscape. During the Early Middle Ages the settlemcn c are relocated lower on the slope. Two main buildings, several smaller ones and a well with two linings were investigated. Later, during the High Middle Ages, a settlement is constructed near the highest point of the site. Although it was severely damaged later onwards, a large building and three wells could be documented. O n the highest point the remnants of a windmill were excavated. During later periods the site was used as military airstrip, especially during both worldwars. The results are impressive, but the project is far from completion, during the coming years more plots are to be developed and investigated.

%^

THE MEDIEVAL COMMON RAFER ROOFS OF THE CHURCH OF OUR LADY IN BRUGES T h e Church of Our Lady was founded in the 9' century, but the earliest building remains can be dated in the early 13' century. At that time, the existing Romanesque church was gradually replaced by an ambitious Gothic building, and construction continued until the late 16' century, when it had become the largest and most monumental of all the churches in the city. In 2006-2007 all the roof constructions of the church were restored, and on this occasion building archaeological research was carried out by the Service for Monuments and Sites, while dendrochronological research was carried out by the University of Liège. The combined results of these investigations offered a complete new insight into the building history and technology of 13 different roof constructions. Of these, eight roofs, built in the early 13' till the middle of the 15 1 century, belong to the single-framed type, while five others, dated early 15 , 1 till late 16' century, belong to the double-framed type. Of the first type, three roofs are very simple trussed rafier roofs, which could be dated between 1240 and 1250. O f these roofs, only the one above the nave of the church is still standing, while the others could be reconstructed from abundantly re-employed building materials that are still present in the late-13" century roof of the choir. A fourth roof of this type, but with kingposts supported from the tie-beams, was erected above the eastern end of the choir ca. 1300. O n of the great defects of the trussed rafter roof however, was the lack of lengthwise stiffening, which could cause the rafters to lean out of line. This problem was remedied by the insertion of a longitudinal beam under the collar (the collar purlin), which was supported from the tiebeam by a kingpost with struts tenoned to the collar purlin. T h e earliest of these roofs in the Church of O u r Lady is the earlier roof of the nave, in which collar purlins and kingposts were inserted ca. 1275, while new roofs of this kingpost rafter type were built above the choir (ca. 1280), a chapel adjacent to the tower (ca. 1320), the northern aisle (ca. 1360) and part of the southern aisle (ca. 1460). Even these kingpost rafter roofs had, despite the presence of a central purlin, still insufficient lengthwise stiffening, and therefore also tended to lean out of line. This problem was solved by the use of a totally new concept in which the central purlin was abandoned and replaced by multiple side-purlins that were supported by principal trusses and wind-braces. From the late 13' century onwards, this type of roof would gradually replace the various older but inefficient types. Of the double-framed roofs built in this church, the one above the nave and choir was created ca. 1400 by the insertion of side-purlins and principal trusses


into the existing roof consttuctions, while three new roofs of this type were built in the late 15' century on the southern side of the church. T h e youngest of all these roofs is not a pure common rafter roof but one in which the use of collar beams is combined with a ridge purlin, supported by strutted kingposts on top of the principal trusses. This roof was built at the completion of the southern aisle in the late 16' century..

FRIEDRICH EDUARD KEILIG AND THE CITY PARK OF ANTWERP In order to add reinforcements to the 16th century Spanish ramparts, the lunette from Herentals was built in 1818-1819. In 1844 the governor ofthe Antwerp province launched the idea to rearrange the glacis of the Spanish ramparts as promenade. T h e Minister of War gave his approval providing the prevailing defense activities on the ramparts as well as the lunette would not be suffer. In 1845 a plan by E. Van Cuyck is chosen. A winding footpath of nearly 1.5 km offers a view on the, until then still sparsely built outskirts of town. In 1853 the sidelines of the lunette are also included in this promenade. In 1858 Antwerp is defined as a national reduit. As long as the new belt of fortifications designed by Henri-Alexis de Brialmont had not been finished, the Spanish ramparts and their surroundings were to remain free and vacant. Not before 1864 could the city extension be properly started. An allotment plan byTheodor Van Bever redefines the Herentals lunette as a public park. In January 1867, followingacompetition with unsatisfying result, the Antwerp city council contacted Eduard Keilig, the awarded designer of Terkameren woods in Brussels. Ten months later, a second design is chosen which is carried out between 1868 and 1870. At the beginning of the works, it is however not yet clear how the new park would connect to the environment. In January 1868 Keilig draws a detailed plan for a connecting square. A plan dating from July 1868 integrates the regular avenues

1V1&L

ofthe former promenade to a densely planted park border, with winding roadways. Typical for Keilig's oeuvre are a series of integrated contrasts, which seldom work better than in his design for the Antwerp city park. This interaction defines the relationship of the park with its environment, as well as the structure and variation within and the way walkers move and view. T h e entire park has a double-faced design. O n the one hand the open space dominates, like a bordered grass slope, slowly building up to the height of a rock formation. O n the other hand water appears, bordered by steep rock walls and corbelling planting. Two characters of various shapes ask for different features: a park building or kiosk for the one, a suspension bridge and an island for the other. This game of comparison makes all transitions, between city and park, mass and open space or soil and water, the most exciting elements in Keilig's work. Ail roads and view lines are precisely in these zones, built up along planted contours with protruding groups and remarkable details. T h e way this 19th century green heritage was used and managed, contains sufficient material for an additional study. A first research into the city archives, literature and on site, quickly reveals the main outlines. The city park is a green and socially layered walking place, dotted with memorials and history, but threatened by traffic, petrified interventions and a minimal maintenance. Opened up and stripped off its valuable planting, the actual park today offers a distorted view on what it used to be. After 140 year of ups and downs, it is a living monument of exceptional heritage value, which first of all demands a sound and culture-historical park management, and on the longer term deserves a restoration of its original concept.

m


• t

• 1 ï!K Sk,

ir

^Tr

%r:

m*

A lil1

=J PJ : ut 3 -Clt- f in '••

•

it-

_

"a^ai. 3

umxKHMVISN

fi

-j i ;

t

•J.

S^tiJ '"

Êk SV

•-

Dö

m.. • ( -

,

:

- < «

%> ^

;

t: IJ

o*<s

' .fiSc

^

o)

il^,

__--. -

; :i.:.

a p^a

11!

irt 3£f

M

*HM|

i

*%£&

R^pP

p

?!llllll


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook