Skip to main content

M&L_15_1.pdf

Page 1

I

ir

will

1 1 I

•

1

1 ' 1i^

HI

1

1

•^gÊr i'.

';i

:'

f

mviWi ENTEN & LANDSCHAPPEN

raföaZ

'Vitr^

.yf^" •''

TWEEMAANDELIJKS //


Hj^fc OVENGRONDS EN ONDERGRONDS MILIEUBEWUST AKTIEF

V^fc ^EQCr

V EILIGHEIDS C HECKLIJST -*

AANNEMERS

VCA**-gecertificeerd bedrijf

DENYS

Pijpleidingen, waterleidingen en collectoren Industriële leidingen en electromechanische uitrustingen Pompstations en waterzuiveringsinstallaties Renovatiewerken en speciale technieken Grondwerken en burgerlijke bouwkunde Tunnels, buisdoorpersingen en boringen Restauratiewerken Spoorwerken Milieutechnieken

Industrieweg 124 - 9032 WONDELGEM (Gent) Tel. 09/254 01 11 - Fax. 09/226 77 71


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Afdeling Monumenten en Landschappen

MONUMENTEN

Afsiftekantoor: Brussel X

EN

LANDSCHAPPEN Redactie Afdeling Monumenten en Landschappen, Pers & Voorlichting. Zandstraal 3,1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37 - Fax: (02) 209 27 05. Eindredactie: M.M. Celis. Vormgeving en productie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns.

Redactlecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M.M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselmck, A. Malliet, G. Plomteux, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L. Wylleman.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.

ISSN 0770-4948 •

15 jaargang Nr. 1 •

januari-februari 1996

Inhoud Planten bij Van Eyck Kristof Van Assche Het Heilig Graf in de Sint-Michielskerk te Bree Christine Vanthillo

26

De herboren samenhang binnen de St.-Mauritiuskerk van Bilzen Tony Waegeman

39

De IJzeren voetgangersbrug over de Dender te Pollare Van constructie tot reconstructie (1912-1995)

49

Dirk Van De Perre

64

Summary M&L Binnenkrant

Druk Die Keure Oude Gentweg 108,8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 68.

Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Zandstraal 3, 1000 Brussel De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden 1996 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.), CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300fr, Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Zandstraat 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1996". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Cover: De ijzeren voetgangersbrug

(foto: 0. Pauwels)

te Pollare, detail


Lr^

cotten er

'

ondernemingen nv

bergstraat 42 8511 kortrijk-aalbeke Tel. (056) 41 37 25 - 41 41 36 Fax. (056) 41 67 59

stelt volgende diensten ter uwer beschikking: 1. ruwbouw en afwerking 2. timmer- en schrijnwerk 3. sleutel op de deur 4. industriebouw 5. utiliteitsbouw 6. residentiële bouw 7. restauraties 8. vernieuwbouw 9. winkel- en interieurinrichting 10. gevelreiniging

SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE + CONSERVATIE.

ff

Remmers

Bouwchemie B.V.

Uw partner voor totale bouwbescherming Onze produkten vinden hun toepassing bij: restauratie, monumentenzorg, renovatie, onderhoud, nieuwbouw, ... • Funcosil Gevelrenovatie - zachte reiniging d.m.v. micronevelreinigen - steenverstevigers- en hydrofoberingsprodukten - anti-grafittisystemen - siliconenemulsie en silicaatverven • Funcosil natuursteen- en restauratiemortels • Aida Kiesol injectie optrekkend vocht, epoxy-injecties • Aidol houtbescherming en polymeerchemische balkkoprestauratie • Viscacid kunststofvloeren epoxy/polyurethaan • Betonreparatiesystemen mineraal/epoxy • Aida kelderafdichting binnen-Zbuitenzijde • Hulpstoffen voor beton en mortel • Invoerder sierpleisters Prolifix-Lafarge

^ypCuteMc&faétvna

• t^féec • ^Zfaefe&Mtt

Bennesteeg 3, 9000 Gent, (09) 223 87 03 Wapcnslraat 12B, 2000 Antwerpen, Tel. & Fax (03) 248 12 97

Industriepark 20 2220 HEIST-OP-DEN-BERG tel.(015)24 19 68 fax (015)24 28 60 Documentatie of gratis advies op aanvraag!


P. NIJS N.V. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ E3-Laan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (09) 386 07 63 - 386 61 50 Fax: (09) 386 04 15

België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager

IMPERPLEX De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mechelsestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23,98.25

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG

AL. BUGGENHOUT BVBA BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt: VAN ARTEVELDESTRAAT 139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55

/farmafi'cfaftif

Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem

Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Der Biest L Vandenborre H. FAX

09/372 03/771 09/372 09/372

63 44 63 63

03 66 03 03

Trekken, gieten en plaateen van lijsten. Restauratie van oude lijsten (staff- en stucwerk). Mouleer- en boet&eerwerk. S c u l p t u n

Hoogstraat 129-9000 Gent tel 09/224 34 05-fax 225 93 77


f^ Sanitec N.V. Health Protection Services Uw professionele partner in: • Houtbescherming, schimmei- en zwambestrijding, zowel voor particuliere woningen als geklasseerde gebouwen en monumenten, kerken, renovatieprojecten, ... Curatieve en preventieve behandelingen van: - hout in dakgebintes, houten vloeren, steunbalken, enz... mbt. houtaantastende insecten, schimmels en zwammen. - Muren en wanden mbt. opkomend vocht, schimmels, zwammen, enz... • Deepcleaning, reiniging van airco- en luchtkanalen, Vooraf degelijk technisch dossier met inspectierapport en boroscopie. • Geïntegreerde hygiènesystemen en ongediertebeheersing. 'In-house' begeleiding & consultancy inzake GMP's, ISO en H.A.C.C.P. procedures. • Kwaliteitsbehandelingen met garantiecertificaat. GRATIS ADVIES & BESTEK PROFESSIONELE BEGELEIDING EN NA-SERVICE

Sociale & Operationele zetel ANTWERPEN Keetberglaan 4 9120 MELSELE Tel. (03)575 03 16 Fax (03)575 08 89

Operationele zetel BRUSSEL Leuvensesteenweg 775 1140 BRUSSEL Tel. (02)705 08 42 Fax (02)705 09 13

ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige SintRomboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

Kleine Breedstraat 33 - 9100 St.-Niklaas

Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding vochtwering - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht - dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.


KUNST- & RESTAURATIEATELIER "3-ART" ALAIN WEERELDS Konservatie & Restauratie van Kunstvoorwerpen & Interieurdecoratie -

Bladgoud & Polychromie Patines & Muurschilderingen Porcelain & Aardewerk Kerkmeubilair Schilderijen & Beelden Trompe l'ceil Marmer- & Hout-imitaties

Beekstraat 16, 3724 Kortessem - Tel./Fax 012/26.23.22

N.V. Restauratiewerken GHIELENS Drijhoekdreef 11 2970 Schilde Tel. 03/383.59.32 Fax 03/384.26.68

(textielen St. Mauntiuskerk Bilzen, beelden Jet Lambeaux, alluren St Amanduskerk Borgloon)

- Uitvoerder van het knipvoegwerk (snijwerk) voorgevel Gemeentehuis Ruiselede. - Specialiteit oude voegwerken. - Alle voegwerk en kleurmortels. - Volledige gevelrenovatie. Uithalen van oude voegen. Reiniging met Torbosysteem. Aanbrengen van vochtwering. Betonherstellingen. Elastische voegenwerken. - Natuursteen herstellingen. Openbare en privéwerken.

RESTAURATIE $ RENOVATIE

Kunstatelier

Gerard Thienpont

van HOUTEN RAMEN, DEUREN

bvba

Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen

en andere konstruktles specialiteit: HOUTEN KOZUNRAMEN ref: Begijnhof HOOSSTRA'EN

B e e l d h o u w w e r k e n • hout en steen

(zie M$L-nov-dec. 1395)

Decoratieve schilderwerken Polycromeerwerken • Bladgoud

VLEUGELS

Kerkmeubilair O n d e r z o e k en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52

V A N AERTSELAERSTRAAT 53» 2 3 2 2 HOOGSTRATEN Tel.: (OS) 314-47 5 0 Fax: ( 0 3 ) 314- 2 3 5 7

M&L-abonnement 1996 U kan uw M&L-abonnement hernieuwen door 1.150,- fr. te storten op rekening: 091-2206040-95 Ook dit jaar is een gezamenlijk abonnement op M&L en Openbaar Kunstbezit mogelijk. Gecombineerde abonnementsprijs: 1.600,- fr. info: (02)209 27 37


Auteurs:

Anne-Marie Delepiere en Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck Claude Delacroix-Vandalle en Pierre-Louis Laget Foto's:

Oswald Pauwels Philippe Dapvril, Olivier Marlard en Pierre Thibaut

Formaat 29,7 x 21 cm 128 pagina's op kunstdrukpapier 135 gr, kleurendruk Algemene historisch-geografische inleiding met 29 afbeeldingen, vergelijkend beeldgedeelte met 219 illustraties. Plaatsnamenregister en overzichtskaart prijs: 950,- bfr.

Verkrijgbaar: Afdeling Monumenten en Landschappen Pers en Voorlichting Zandstraal 3-1000 Brussel - Tel. (02)209 27 36 - Fax (02)209 27 05 Rekeningnummer 091-2206040-95 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap AROHM, Afdeling Monumenten en Landschappen D/1995/3241/65 ISBN 2-908271-17-6 Dit werk verschijnt gelijklopend in het Frans met dezelfde illustraties en titel: Flandre, entre Yser et canal de Fumes (Images du Patrimoine, ISSN 0299-1020), Inventaire General Spadem 1995)


M&L

PLANTEN BIJ VAN EYCK KRISTOF VAN ASSCHE

Jan en Hubert van Eyck, Lam Gods, 1432, centraal paneel (uit: E. Dhanens, Hubert en Jan van Eyck, Antwerpen, p.73)

Met betrekking tot Jan van Eyck

middeleeuwse concept van planten-

(circa 1390-1441) en diens Lam Gods

symboliek tal van problemen oproept,

blijft veel nog onopgehelderd.

en het helemaal niet evident is om te

Onder meer het symbolisch gehalte

stellen dat "plant x stond voor beteke-

van vele realistisch uitgebeelde details

nis y", of zelf "afgebeelde plant x krijgt

vormt nog onderwerp van soms verhitte

naam y". Verder zullen summier de

kunsthistorische discussies. Dit artikel wil

functies geëxploreerd worden die de

één en ander relativeren van wat in het

voorgestelde planten al dan niet

verleden is gezegd over plantensym-

hadden, dit alles om het pad te effenen

boliek in het algemeen en planten op

voor later kunsthistorisch symbolen-

het Lam Gods in het bijzonder.

onderzoek (1).

Bedoeling is aan te tonen dat het


•4 Lam Gods, rechts van het centraal paneel, detail van het bloemhofje

(uit MAL, 1986,4, p. 37) T Paradiesgartlem, 1410-1420, detail. Het bekendste bloemenryke schilderij vóór van Eyck (uit: D. Joyce e.a., Garden Styles, Londen. 1989, p. 17)

VJefascineerd door de florale weelde op het paneel met de aanbidding van het Lam, zijn sommigen er vast van overtuigd dat daar wel een betekenis achter moet zitten, ja misschien zelfs een uitgewerkt iconografisch programma. Anderen staan dan weer in bewondering voor het onovertroffen realisme en de schittering van de kleuren, en verslijten de eersten soms voor fantasten. Wie iets als symbolisch wil interpreteren, heeft in de eerste plaats de naam nodig van wat voorgesteld is. Daartoe probeert men met behulp van een hedendaagse flora de voorgestelde planten te determineren. Daarna wordt er in de literatuur gegraven naar de betekenis van die bepaalde plantesoort en (liefst na interpretatie) besloten of die betekenis al dan niet van toepassing is op de voorstelling in dat ene schilderij. Als men doorgraaft tot de oorspronkelijke - middeleeuwse - bronnen stuit men natuurlijk op plantnamen die omgezet worden naar de huidige. Dergelijke omzetting gebeurt meestal door in de bronnen te zoeken naar plaatsen waar de oude of onbekende namen gelijkgesteld worden aan bekende, veelal jongere namen. Wie niet aan de symbolenindentificatie wenst deel te nemen, houdt zich niettemin vaak bezig met determinaties van de voorgestelde planten en gaat daarbij soms verder dan de eerste. Mogelijk omdat hij niet zoals de vorigen tot zoekwerk in de oude bronnen verplicht is, komt hij soms tot determinaties met een grotere nauwkeurigheid dan voor een middeleeuwser denkbaar was. Daarover straks meer. De meesten die zich vandaag de dag met historische plantkunde bezig houden, zijn het erover eens dat de hoger vermelde manier om de oude tractaten te ontsluiten, lang niet bevredigend is. Vele 16de-eeuwse botanici waren zich weliswaar bewust van de chaotische naamgeving in hun tijd, en deden moeite om zoveel mogelijk synoniemen voor elke plantnaam te geven, maar veroorzaakten daardoor vaak nog grotere verwarring. Waar dat enigszins mogelijk is, probeert men tegenwoordig voort te gaan op gedroogd plantemateriaal, zoals dat sporadisch nog


10

000 Uit Dodoens, 1554 1. Stinkende gouwe 2. Speenkruid 3, Knopig helmkruid 4. Geoord helmkruid 5. Betonie.

M&L

gevonden wordt in de vorm van (17de-eeuwse en jongere) herbaria, waar de echte planten van één of meerdere toenmalige namen voorzien zijn (2).

Jk Het lijkt vanzelfsprekend om met een hedendaagse flora naar een middeleeuws schilderij als het Lam Gods te stappen en daar de nodige determinaties te doen. Toch is het dat niet. Op het Lam Gods treft men tientallen planten en bomen aan. Aangezien noch op vroegere tekeningen of schilderijen, noch bij landbouwkundige, medische of andere tractaten plantvoorstellingen van vergelijkbare gedetailleerdheid te vinden zijn, mag men ervan uitgaan dat naar levend voorbeeld is gewerkt, naar de natuur dus (3). Toch is niet alles even juist en gedetailleerd weergegeven. Over enkele fouten wordt gesproken in Intermezzo, over de gradaties in detaillering zetten we nu een boompje op (4).

HOE DACHTEN ZE? Determineren, het bepalen tot welke soort een bepaalde plant of - in ons geval - plantvoorstelling behoort, gebeurt heden ten dage op een manier die in de late middeleeuwen letterlijk ondenkbaar was. Bij het determineren wordt afgedaald van het algemene naar het bijzondere, volgens de nu vanzelfsprekende taxonomie van ordes, families, geslachten, soorten, eventueel ondersoorten en variëteiten. De noodzakelijke onderscheiden maakt men door vergelijking van in de eerste plaats bloemkenmerken. Deze systematiek is pas in de 18de eeuw uitgewerkt en verving toen een heleboel andere indelingen, de ene al wat geavanceerder dan de andere. Nog in de 16de eeuw bijvoorbeeld bij onze eigen Rembert Dodoens (1517-1585), ziet men als basisindeling een onderscheid tussen nuttige en onnuttige planten, en verder als belangrijkste onderscheiden die naar bladvorm en bloemkleur. Het plantenrijk was dus totaal anders ingedeeld. Dat brengt een andere afbakening met zich mee van de groepen planten die onder één noemer werden gezet, met één term aangeduid werden (5). Het plantenrijk zoals het voorgesteld werd in de botanische geschriften van de late middeleeuwen en het plantenrijk zoals het nu wordt ingedeeld, verhouden zich tot elkaar als twee puzzels met min of meer dezelfde grootte maar op een andere wijze in stukjes verdeeld. Er is geen één-tot-één relatie tussen de stukken van beide puzzels, ook niet tussen groepen stukken. Waarom deze lange uitweiding over indelingen die waarschijnlijk alleen golden voor vroege botanici.

apothekers, dokters en andere alchemisten? Werd zoeven niet gesteld dat Van Eyck zich op de natuur moet hebben gericht? Gaat die puzzelvergelijking trouwens niet mank omdat middeleeuwen en renaissance bijna evenveel indelingen kenden als botanici? Op de derde vraag is een eenvoudig antwoord te even; de vergelijking gaat inderdaad niet volledig op, maar is ons inziens verduidelijkend ge-


M&L

11

tpie ^Souiït oft 'Qppeewcïugïit

Op het eerste zicht is er weinig of geen verband tussen bovenstaande soorten, op 3 en 4 na, die tot hetzelfde geslacht behoren. Vóór Dodoens lagen de verwantschappen vaak helemaal anders, waarbij allerhande kenmerken als onderscheidende criteria dienst konden doen en andere analogieën op de voorgrond traden. Dodoens neemt, van geval tot geval, meer of minder afstand van volkse analogieën; hij neemt ze soms over, vermeldt ze, of laat ze enkel verderleven in namen van gewassen. Speenkruid (2) werd ook Kleine gouwe genoemd, waar Speenkruid en Stinkende gouwe (1) nu tot verschillende families behoren. De naam Speenkruid was vrij recent in 1554; men had nog niet lang ontdekt dat de wortelknolletjes dienstig waren tegen aambeien {"In onse tijd ende wat daer voor,.."). Het huidige Knopig helmkruid (3) bezat vergelijkbare knolletjes, en het lag dan ook voor de hand de plant Groot speenkruid te gaan noemen en de knolletjes - met twijfelachtig succes - te gaan voorschrijven tegen dezelfde kwaal. Dodoens geeft als synoniem voor Groot speenkruid ook de naam Scrofularia, wat nauw aansluit bij de hedendaagse wetenschappelijke naamgeving. Naast die Scrofularia plaatst hij een plant die er volgens hem nauw verwant aan is, het tegenwoordige Geoord helmkruid (4). De in zijn tijd gangbare benamingen waren echter Beekschuim en Waterbetonie. De analogie die voorheen tot de verwantschap met Betonie (5) deed besluiten, lag hem waarschijnlijk in de bladvorm. Die was immers in beide gevallen langwerpig-eivormig met een gekartelde rand, een nogal zeldzame en opvallende vorm. Betonie had al eeuwenlang over heel Europa vergelijkbare en herkenbare namen- de plant was voor zowat alles goed. In 'wetenschappelijke' literatuur voor Dodoens kreeg hij echter vaak een plaats naast Ereprijs-soorten, vermoedelijk omwille van een zekere gesfaft/erwantschap tussen de bloeiwijzen (Betonie met "bloemen... als koren-aren aen malkanderen wassende')

noeg. De eerste twee vraagstellingen zijn minder eenvoudig te beantwoorden dan op het eerste gezicht zou lijken. Op dit punt komen de problemen aan het licht waarover in de inleiding al iets gezegd werd, problemen rond de intrigerende samenhangen tussen zien, zeggen en denken, of - ietwat geleerder uitgedrukt tussen perceptie, expressie en discours. In dit geval

is zien het zien van planten, zeggen het schrijven over en schilderen van planten, denken het indelen van het plantenrijk op begrippelijk niveau. Jan van Eyck keek ongetwijfeld met andere ogen naar de planten rond hem dan de auteur van een medisch-botanisch geschrift dat deed. Hun kennis van het onderwerp was van geheel andere aard en kennis kleurt de waarneming. De menselijke percep-


M&L

tie is immers veel minder een weerkaatsende spiegel dan een zoeklicht dat bepaalde dingen belicht en andere in het donker laat; ze is veeleer actief dan passief. Van de voorwerpen die we waarnemen, nemen we slechts bepaalde trekken waar, trekken die we pertinent noemen. De rest blijft in het duister. Wat pertinent wordt, krijgt die eigenschap door het denken, door voorbeelden, normen, conventies, modellen, stereotypen die in dat denken aanwezig zijn, meestal net onder het niveau van het normale kritische bewustzijn, zodat men ze in de regel als een vaststaand gegeven aanneemt. De mens filtreert zijn waarneming via zijn persoonlijke instelling op de wereld, een focus die voor een groot stuk bepaald wordt door de invloeden die men zijn leven lang ondergaat in zijn milieu, zijn school, in de bredere socio-culturele context. We zouden dus kunnen zeggen dat de waarneming van een individu gekleurd wordt door zijn persoonlijke achtergrond maar tegelijk ook door de stand van zaken in de wereld op dat moment. Anders uitgedrukt: denken en waarnemen hangen samen en zijn beide historisch. Er weze aan herinnerd dat denken hier staat voor het begrippelijk indelen van de wereld. Het voorgaande heeft het interessante gevolg dat van Eyck en de schrijvers ondanks hun verschillende kennis en blik toch een eenheid in verscheidenheid vertonen die er niet is wanneer we ze tegenover de hedendaagse mens zetten. Ze delen met andere woorden bepaalde veronderstellingen die hen samen scheiden van hun respectieve vakgenoten uit latere tijden. Echt interessant wordt het wanneer het zeggen, de expressie hier bij betrokken wordt. Hoe men iets waarneemt (en denkt) bepaalt de manier waarop het gedachte uitgedrukt wordt. De plantvoorstellingen op het Lam Gods en de plantkundige geschriften uit dezelfde periode verwijzen op die manier toch nog naar elkaar, via een zekere gedeelde begrippelikheid en waarneming. Die zou gedeeltelijk kunnen gereconstrueerd worden via geschriften en voorstellingen. Als men tot dusver een conclusie mag trekken is het wel dat schilderen naar de natuur niet zo simpel is als het op het eerste gezicht wel lijkt, en verder dat men in 1432, wanneer Van Eyck het Lam Gods schilderde, geen plantenweergave kan verwachten die een determinatie toelaat in de moderne zin van het woord. Als men aan een voorgestelde plant een symbolische betekenis wil geven, kan het best zijn dat men die betekenis niet moet vasthangen aan wat nu een soort genoemd wordt, maar bijvoorbeeld aan

meerdere van deze soorten, eventueel zelfs uit totaal verschillende geslachten. Het lijkt er sterk op dat enkel een 'determinatie' in de ruime zin van het woord mogelijk is, afgaande op de gestalte, het totaalbeeld van de plant, een werkwijze die meer vertrouwdheid met de verschijnsvorm van de afzonderlijke soorten vraagt. Een werkwijze ook waarbij men subjectieve elementen nooit volledig kan uitbannen onder andere omdat we in de 20ste eeuw leven en wat nu opvallend is niet meer volledig samenvalt met wat in de middeleeuwen opviel. Waarvoor een plant gebruikt werd, waar zij allemaal een rol in speelde, kan natuurlijk niet worden afgeleid uit de voorstelling van dit plant. Niettemin is het belangrijk te beseffen dat gebruik en gestalt een erg innige relatie aangingen, veel meer dan nu. Hiermee is bedoeld dat een bepaald gebruik bepaalde kenmerken kon doen oplichten in het totaalbeeld en dat anderzijds bepaalde gestaltkenmerken een potentieel gebruik deden vermoeden (6).

INTERMEZZO Op het Lam Gods vindt men ook enkele merkwaardige fouten bij de plantvoorstellingen. In enkele gevallen, deze waarin de afwijking van de realiteit het grootst is, ziet men dat de foute details niet op een toevallige wijze verspreid zijn, maar verwijzen naar de gestalte van een andere soort of - waarschijnlijker - groep soorten. Zo zien we dat een plant alle kenmerken vertoont van een Vergeet-mij-nietje, met als belangrijke uitzondering dat de bloemtuiltjes bovenaan zijn weergegeven als schermpjes, en daarmee verwijzen naar de alomtegenwoordige, opvallende en dus qua gestalte aan de schilder welbekende familie der schermbloemigen. Vergelijkbare verschijnselen vindt men her en der in het opkomend realisme en - in ruimere zin - overal waar kunstenaars te maken krijgen met voordien zelden waargenomen, benoemde en uitgebeelde wezens en objecten. Bij planten blijvend, kan men het voorbeeld aanhalen van een Mariavoorstelling uit 1512-1514, waar een soort Reuk- of Pronkerwt in het schema van een Roos is gedwongen. In dit geval is de inpassing van het nieuwe in de schema's van het onbekende geen symtoom van een kinderziekte van het realisme, maar kan men aannemen dat de - anonieme kunstenaar niet met de plantengroep bekend was (7) (reukerwten waren niet nieuw, waren al lang als


M&L

13

r^ • ' ^ *%.:

'«b

«tiffin.

i^C!^ i * , a *'

:0

| .....;

'soort' onderscheiden en ook al regelmatig voorgesteld) (8). Vergelijkbaar zijn verder de leeuwvoorstellingen in kat- of hondgedaante, of de voorstelling van krokodillen als draken. In het laatste geval zijn de krododillen nieuw en de draken bekend. De bekendheid met draken is er natuurlijk één uit fantastische voorstellingen, waar een zekere traditie was opgebouwd, met een aantal weerkerende types 'm family-likeness. Onderhand zou moeten duidelijk worden waarom de tot dusver gepubliceerde lijsten (9) van op het Lam Gods voorkomende planten helemaal niet overeenstemmen. De nieuwere lijsten bevatten over het algemeen niet aleen méér maar ook anders gedetermineerde soorten. Zo spreekt bijvoorbeeld L. Hauman over een Viburnum-soort (soort Sneeuwbal ofwel Gelderse roos), niet aanwezig bij Dierick, terwijl deze laatste ergens Vlier (Sambucus nigra) vernoemt, niet bij Hauman. Zonder twijfel gaat het om dezelfde voorstelling, aangezien de gestalt van de genoemde soorten of groepen dicht bij elkaar ligt. De werkelijke verwantschap is niet sterker dan die van beide met bijvoorbeeld Kamperfoelie-soorten (Lonicera spp.) (10). Ook zijn de auteurs het vaak met elkaar en met zichzelf oneens over de mate waarin determinatie mogelijk is. Dierick spreekt zichzelf tegen door Weegbree (= Plantago) te vermelden en er als wetenschappelijk synoniem Plantago major (= Brede weegbree) naast te schrijven. Voor Hauman is Klaver zonder meer (Trifolium sp) gelijk te stellen aan Witte klaver (Trifolium repens). Wat bij Hauman Acer sp. (Esdoornsoort) is, wordt bij Dierick Acer campestre (Spaanse aak). Wat bij Dierick Viola sp. (soort Viooltje) werd, was bij Hauman Viola odorata. Zo zou men nog eventjes kunnen doorgaan. Over het algemeen mag men zeggen dat de zaken veel zekerder worden voorgesteld dan ze werkelijk zijn, waarschijnlijk in het kader van een soort wetenschappelijkheid die heden ten dage minder in trek is.

00

1. Een moeilijk te identificeren plant, Lam Gods, detail van het bloemenhofje (Uit:M<SL, 1986,4. p. 50) 2. Eerste mogelijke ouder: Vergeet-mij-nietje (uit: J.R. Press e.a.. Wilde planten, Amsterdam, 1982. p. 245) 3. Tweede mogelijke ouder: Zevenblad (uit: E.J. Weeda e.a., Nederlandse oecologlsche flora, dl. 2, Haarlem, 1987, p. 258) Vermoedelijk hebben we hier te maken met ofwel een Vergeet-mij-nietje vermomd als schermbloemige, ofwel een schermbloemige met verkeerde bladeren. Zevenblad is in dat geval een plausibele mogelijkheid.

Zelf stellen wij de volgende werkwijze voor: men definieert vier groepen voorgestelde planten. Groep A bestaat uit planten waar slechts minimale duiding mogelijk is (bijvoorbeeld 'kleine witte rotsplantjes'). Een tweede groep B omvat de gewassen die tot op de familie of tot op enkele geslachten te determineren zijn (bijvoorbeeld witte kruisbloemige). De derde groep, C dus, groepeert de planten die men tot op het geslacht (genus) of tot op enkele soorten kan situeren. Onder D tenslotte vindt men de planten die tot op de soort zijn te determineren.


M&L

Binnen de groepen C en D van deze indeling naar detaillering, maakt men telkens een onderscheid naar de graad van waarschijnlijkheid der uitgevoerde determinaties. C krijgt drie onderverdelingen, waarbij 3 voor een bijna-zekere determinatie staat; D krijgt een meer verfijnde schaal, met zes onderverdelingen, waarbij 6 dan een vrijwel zekere soortbepaling betekent. Uit de onderverdelingen 4, 5 en 6 van D en onderverdelingen 2 en 3 van C stelt men dan de lijst van soorten en geslachten samen waarvan men met enige waarschijnlijkheid kan zeggen dat ze inderdaad voorgesteld zijn op het Lam Gods. Deze soorten worden dan eventueel in aanmerking genomen als drager van een symbolische betekenis, en dit om verschillende redenen. Ten eerste omdat de ge^to/f-determinaties a priori subjectieve elementen bevatten en de geschifte lijst dus korter of langer kan zijn. Ten tweede omdat het theoretisch mogelijk is dat in de groepen A en B voor een middeleeuwer toch planten te vinden zijn die behoren tot een duidelijk afgebakende en benoemde groep. Wat nu geschilderde vaagheid is, kan voor hem voldoende pertinente trekken vertonen om het als totaalbeeld thuis te brengen. Immers, maken we zelf niet gedeeltelijk de fout die daarstraks werd aangeklaagd? Zijn de voorstellingen, op een enigszins versluierde manier weliswaar, niet zelf ingepast in de eigentijdse begrippelijke schema's? Inderdaad... maar het is gebeurd op een wijze die een correcte situering binnen de oude begrippelijke schema's beter mogelijk maakt. De oude tekstbronnen kunnen ons inziens beter ontsloten en geïnterpreteerd worden na een soortbepaling als de vorige. Dergelijke ontsluiting en interpretatie is hier niet ondernomen; dat is werk voor diegenen die zich met de eigenlijke plantensymboliek bezig houden. Alle planten werden gedetermineerd met een hedendaagse flora. Voor de naamgeving van de planten uit de groepen A en B werden de oude bronnen er dan nog eens op nageslagen, waaruit bleek dat zorgen overbodig waren, dat de grote plantengroepen onder A en B hoogstwaarschijnlijk ook in van Eycks tijd in kleinere groepen werden verdeeld. Het waren dan de kleine, en niet de grotere groepen die eventueel een symbolische betekenis droege.

OVER MEDICIJNEN Van de planten op deze lijst werd achterhaald welke voor geneeskrachtig werden aangezien. Daartoe zijn een aantal 16de- en 17de-eeuwse kruidenboeken

Aanvaarde soorten Planten op het Lam Gods 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Zuring (Rumex sp.) Vrouwenmantel (Alchemilla sp.) Boterbloem (Ranunculus sp.) Vergeet-mij-nietje (Myosotis sp.) Paardebloem (Taraxacum sp.) Zure kers of Zoete kers (Prunus Cerasus/Prunus avium) Spar (Picea sp.) Den (Pinus sp.) Jeneverboom of Cipres (Juniperus communis of Cupressus sp.) 10. Pioen (Paeoniasp.) 11. Roos (Rosa sp.) 12. Lis (Iris sp.) 13. Maarts viooltje, Stompsporig bosviooltje of Bosviooltje (Viola odorata, V. riviniana of V. Reichenbachiana 14. Klaver (Trifolium sp.) 15. Braam (Rubussp.) 16. Tongvaren (Asplenium scolopendrium) 17. Madeliefje (Bellis perennis) 18. Aardbei (Fragaria vesca) 19. Wijnstok (Vitis vinifera) 20. Sinaasappel (Citrus aurantium) 21. Akelei (Aquilegia vulgaris) 22. Dadelpalm (Phoenix dactylifera) 23. Zilverschoon (Potentilla anserina) 24. Lelietje-der-dalen (Convallaria majalis) 25. Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum) 26. Lievevrouwebedstro (Asperula odorata) 27. Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) 28. Stinkende gouwe (Chelidonium majus) 29. Vijgeboom (Ficus carica) 30. Gevlek longkruid (Pulmonaria officinalis) 31. Witte Lelie (Lilium candidum)

nagekeken, waarbij genoteerd werd welke Lam Goffoplanten als geneeskrachtig stonden geboekstaafd. De boeken verschenen over een periode van meer dan twee eeuwen, en bestrijken geografisch een groot deel van Europa. Welke werken werden ingekeken toont Kadertekst II. Figuur 1 toont hoeveel soorten/geslachten hoeveel maal als medisch waardevol gepresenteerd worden. Opvallend is dat alle 31 planten minstens éénmaal als geneeskrachtig te boek staan; 30 soorten minstens


M&L

Pioen als middel tegen krankzinnigheid (uit: L. Mackinney. Medical Illustrations in Medieval Manuscripts, Berkeley, 1965, fig. 39) Uiteen lOde-eeuws Zuid-ltaliaans Dicscorides-manuscript. Het mannetje links, radslag makend, is de waanzinnige. Rechts de medische behandeling van dezelfde persoon: overal vastbinden en een krans van pioen om de hals.

15

driemaal (op acht); 24 zelfs in meer dan de helft van de geraadpleegde werken. Nu zou het aanlokkelijk zijn om te tonen dat de meeste van deze planten behoren tot een WesteviopQsefytofarmaceutische koinè, een groep planten waar de consensus omtrent hun helende werking zo groot was dat de Europeaan met enige plantenkennis het woord 'geneeskrachtig' bij voorkeur met net die planten moet geassocieerd hebben. Met koinè (11) is bedoeld een vrij universele, maar tegelijk enigzins verschraalde standaardtaal of standaardkennis. De fytofarmaceutische koinè is dan de meest vanzelfsprekend geachte en meest gedeelde geneeskundig-botanische achtergrondkennis van de Europeaan die iets van planten afwist, een kennis die vrij lang ongewijzigd moet zijn gebleven. Het zou dan erg elegant staan te 'bewijzen' dat Jan van Eyck een aanzienlijk deel van die belangrijke groep soorten/geslachten weergaf. Helaas, zo eenvoudig staan de zaken niet. Eerst en vooral immers zou uit een omvangrijk corpus aan kruidenboeken en andere werken met botanische inslag de koinè statistisch moeten gedistilleerd worden, een werk van uitzonderlijke lange adem. Bovendien laten de bronnen zoiets gewoonweg niet toe. Zowel de nog onvoldoende ontsloten manuscripten als vele 15de- en 16de-eeuwse drukwerken maken te weinig onderscheid tussen weinig en sterk geneeskrachtig, tussen geneeskrachtig en nietgeneeskrachtig zelfs. Vooral het laatste onderscheid is voor ons relevant.

Immers, men zou de totale plantenkennis moeten reconstrueren en daaruit de meest geneeskrachtige categorieën isoleren; de totale plantekennis is dan de kennis van zowel geneeskrachtige als niet-geneeskrachtige planten. Vaak blijft men echter in het ongewisse of de auteur van één of ander tractaat nog andere planten kende dan de door hem beschreven soorten, en dat evengoed in het geval hij ook nietheilzame planten opnam (12). Als de koinè op geen enkele wijze kan afgelijnd worden, is het evenmin mogelijk te achterhalen hoe sterk die plantenverzameling op het Lam Gods aanwezig is. Methodisch onelegant of niet, we kunnen het niet laten sterk te suggereren dat de pas gewraakte koinè moet bestaan hebben, in een groot deel van Europa, van pakweg halverwege de 14de eeuw tot circa 1600. Een nadere verklaring (13). Eerst onrechtstreeks, dan rechtstreeks hadden Plinius (23-79 na Christus) en Dioskorides (Ie eeuw na christus) veruit de belangrijkste invloed op alles wat er over planten gezegd is in middeleeuwen en renaissance. Arabieren hadden de klassieken gecompileerd en aangevuld en waren op hun beurt door voornamelijk 13de-eeuwse westerlingen gecompileerd en weer met dezelfde klassieken vermengd. Vanaf de 14deeeuw stijgt het aantal verhandelingen vrij spectaculair, ondanks de geringe wetenschappelijke vooruitgang. Men ging er vaak van uit dat de flora in heel de gekende wereld gelijk was en dat alle door Dioscorides en Plinius beschreven planten ook bij hen voorkwamen. Eigenlijk trachtte men, deels onbewust, de planten van de antieken terug te vinden in de plaatselijke flora, maar kon men slechts een beperkte groep isoleren die min of meer herkenbaar was (van goede afbeeldingen werd trouwens ook weinig gesproken). Bij de grotere verspreiding van


16

M&L

Viooltje vóór van Eyck, 512na Christus (uit: K. Weitzmann, Laat-antieke en vroeg-christelijke miniaturen. Utrecht, 1977, p. 18) De voorstelling gaat terug op een onbekend Hellenistisch origineel en kan als superieur beschouwd worden tegenover de latere middeleeuwse produktie.

over de flora van bepaalde - meestal afgelegen geografische streken of over bepaalde plantengroepen (bol- en knolgewassen, paddestoelen, orchideeën,...). Om bovenvermelde redenen vermoeden we dat er een koinè bestaan heeft, van halfweg de 14de eeuw tot circa 1600. De nageplozen werken zijn soms jonger, maar in dat geval ofwel sterk afhankelijk van een ouder werk, ofwel in se erg ouderwets van opzet. Als 24 op 31 van de op het Lam Gods voorgestelde gewassen in meer dan de helft van de boeken geneeskrachtig genoemd worden valt er moeilijk aan de indruk te ontsnappen dat de koinè en het door van Eyck geschilderde groen elkaar gedeeltelijk overlappen. Als tweede voorlopige conclusie kan dus gelden dat ongeveer alle planten voorgesteld op het Lam Gods regelmatig als geneeskrachtig te boek stonden. Verder dat er waarschijnlijk zoiets bestaan heeft als een Europese 'fytofarmaceutische koinè en de meeste soorten/geslachten die van Eyck voorstelde daar deel van uitmaakten.

OVER TUINEN

Miniatuur uit de Wiener Dioscorides (uit K. Weitzmann, Laat-antieke miniaturen, Utrecht, 1977, p. 64) Een constante aanwezigheid in de middeleeuwse plantkunde is die van Pedacius Dioscorides. Waar het encyclopedisch werk van Plimus erg nuttig was voor de middeleeuwse encyclopedisten, vormde Dioscorides doorgaans het uitgangspunt van de werken die meer volledig aan planten gewijd waren.

de bestaande plantkennis begin 14de eeuw en het intensiveren van de onderlinge contacten tussen genteresseerden, kon zich dan ook een concensus gaan aftekenen rond die beperkte groep; de koinè was geboren (14). Doordat men niet onbevoordeeld om zich heen keek, maar zich liet leiden door de 'auctoritates' uit het verleden, werden tijdens de late middeleeuwen in een land niet de meest geneeskrachtige planten van dat land met 'geneeskrachtig' geassocieerd, maar wel een aantal over heel Europa voorkomende kruiden, als het ware gecanoniseerd door vorige generaties die de antieken in hun tijd en hun omgeving trachtten weer te vinden. Met de komst van de moderne wetenschap versplinterde deze koinè natuurlijk volledig, om vervangen te worden door een nieuwe concensus, deze keer op wetenschappelijke gronden.

Het is moeilijk na te gaan welke soorten als tuinplant gekweekt werden, onder meer omdat de term 'tuinplant' voor de late middeleeuwen moeilijk te omschrijven is. Over het algemeen hebben de planten in de hof, als die er al is, in de eerste plaats een culinaire functie (15). Kloostertuinen, tuinen van artsen en apothekers en wellicht vele andere hadden hun hoekje heilzame gewassen. Als een tuinplant een sierplant is, kan dat nog altijd een van oorsprong wilde plant zijn die door enkelen

De ontwikkeling van een moderner geneeskunde bracht objectiever criteria om de werking van een (plantaardig) medicijn te beoordelen. Een tweede, nog belangrijker factor was de ontvoogding van de botanie, het loskomen van de antieke modellen halfweg de 16de eeuw. Het is volledig naast de kwestie naar een koinè in de hierboven beschreven zin te gaan zoeken in de botanische monografieën die vanaf Carolus Clusius (1562-1609) zouden verschijnen .e^Hfef* . M M » * * .


M&L

17

Lam Gods. detail uit het bloemhofje, links van het centraal paneel (uit:M,5L1986,p.40) In van Eycks tijd waren viootjes van verschillende soorten erg geliefd als tuinplant. Ze kenden bovendien medicinale en culinaire toepassingen.

van Akelei en Lelietje-der-dalen kan men vermoedelijk wel zeggen dat ze voornamelijk als sierplant werden gekweekt. Ze hebben ofwel erg opvallende bloemen, ofwel een onmiskenbaar elegante gestuit. Voor Rozen, Pioenen en Vergeet-mij-nietjes geldt ongetwijfeld hetzelfde (16).

Viooltjes na van Eyck, Vlaanderen, circa 1480-1490 (uit: G.E. Ferrari e.a., The Gnmani Breviary, Londen, 1972, pi. 46). Detail van een miniatuur uit het Breviarium Grimani (Venetië, Bibliotheca Marciana). Waar alle viooltjes symbool stonden voor nederigheid, werd het driekleurig viooltje ook nog eens als drievuldigheidsplant beschouwd.

voor het plezier wordt gekweekt. Zelfs als het meer dan enkelen waren die zich met de kweek bezighielden, is het niet altijd eenvoudig dat te weten te komen. Als een tuinplant gewoonweg een gekweekte plant is en hij nog een andere functie dan sierfunctie mag hebben, dan nog blijft het een onderneming van lange adem om na te gaan welke van de voorgestelde planten tuinplanten zijn. Aan dergelijke onderneming wagen wij ons hier niet. Hier wordt er, wat schipperend, gezegd dat het merendeel van de voorgestelde (en herkenbare) planten als tuinplant kan beschouwd worden, omdat ze ook voor geneeskrachtig werden aangezien en de meeste geneeskrachtige daartoe gekweekt werden (dat niet alle geneeskrachtige soorten in aanmerking hoeven te komen voor de kweek, bewijst de Braam, hoewel ook van deze plant oude cultivars bekend zijn). Van de Witte lelie en blauwe Lissoorten, beide tijdens de middeleeuwen hier geïmporteerd, alsook

Dat bij de middeleeuwse tuin de sierfunctie überhaupt van belang kon zijn, bewijzen onder meer de voorschriften voor de ideale tuin, circa 1260 opgesteld door Albertus Magnus (17). Als vijfde voorschrift op zeven geeft Albertus de raad "tussen het grasvelden de perken (...) een verhoogde zodenbanh (te zetten, en zo) met lieflijke bloemen de mensen tot rust te laten komen". Albertus spreekt ook over gazonnetjes avant-la-lettre: "Niets bekoort het oog zozeer als fijn kort gras" (Eerste regel). Klaver, Paardebloem en Madeliefje gedijen erg goed op gazon; vooral de twee laatste zijn echte cultuurvolgers, die het nergens anders beter doen dan op kunstmatig kortgehouden grasveldjes. Boterbloem, Zuring en Zilverschoon waren in de 15de eeuw tussen tuingras vermoedelijk veel minder ongewoon dan nu. Ook deze planten kan men cultuurvolgers noemen, hoewel dit keer in een oneigenlijke zin van het woord. Ook over kleurige bloemen (cfr. Supra; sierfunctie) en geurige kruiden laat Albertus zich uit (Vierde regel). Aan rozegeur is al genoeg papier verspild, van Lelietje-der-dalenessence wordt nog steeds parfum gemaakt. Maarts viooltje en Lievevrouwebedstro hebben niet voor niets als wetenschappelijke soortnaam 'odoratum'. Vele van de voorgestelde gewassen werden gebruikt in de (laat-)middeleeuwse keuken (18). Denken we maar aan Zuring, Paardebloem, Boerenwormkruid en Lievevrouwebedstro. Daarnaast natuurlijk de vruchten, voorzover die niet onbetaalbaar waren (19). Men merke op dat ongeveer alle planten voorgesteld op het Lam Gods op een of andere manier door mensen zijn gebruikt. Hoewel de tuinkunst meer efemeer, vergankelik is dan haar zusterkunsten, en daarom moeilijk exact kan bepaald worden wat er groeide in middeleeuwse tuintjes, kan men zeggen dat de meeste afgebeelde planten uit een tuincontext komen. Ofwel gaat het dan om gekweekte planten.


18

John Gerard, The great Herball, Londen, 1636, p. 1190 (uit: M. Rlx, The Art Botanical Illustration. New York, 1990, p, 9), Van de voorgestelde klaversoorten Is de onderste nauwelijks of niet te identificeren. Hij kreeg hier als wetenschappelijke naam Coronopus ex condice Caesareo, De keizerscodex waarover sprake is de Wiener Dioscoridesuit512 na Christus. Het betreft een plant waarvan in 1636 nog het bestaan volledig steunde op antieke bronnen.

M&L

Ol the HiHonc ot Plants.

nyo IkKtTttloilc.

A. Werken waarin naar de geneeskrachtigheid gezocht werd van de voorgestelde gewassen (23) - ANONIEM, Den Herbarius in Dyetsche, facs. v.d. uitg. Antwerpen, voor 1500, inl. facs. door L.J. VANDEWIELE, Gent, 1974. - BLANKAART, S., Den Nederlandschen Herbarius ofte Kruidboek der Voornaamste Kruiden, tot de medicijnen, Spijs-bereidingen en Konst-werken dienstig.... facs. v.d. Ie uitg., Amsterdam, 1698, inl. facs. door D.A. WITTOP KONING, Alphen a/d Rijn-Brussel, 1980. - BOCK, H., Kreutterbuch Darin underscheidt... facs. v.d.

( 6 Ce'e.iefntixc*éceCAfirt>. Ctow footTrcfotlc

doorM. SEBIZIUM bewerkte uitg., Straatsburg, 1577, tbtceon lictlc (IcodcT fom Halit ctxiy little Icife of tbc laihion of a lieart.whctcof it took his name i amongft which come fonh (caly 01 chaffic yellow floutci .- theioocisibickcand threddy. t I take tbcplant wbichour Authom licctc figum! and intended todefenbe vntovs, tobcüfthatw^"whiehc«»w*riii/ calls Arthct.which gitiwcswild mmanypla eti with vi,hauing [he Icauej a littledenteii in at thccndt,fo that they lefemblcthe vnlgai fi glue of an heart ^ and each leaf ii marked w lib a blacklib nr rcdfj.ot: the Hours be fmalland yelloiv the feed is contained in rough buttons wound vp like the ot'..crrnaile Trclorls.wlitrof it is a kinde, 1 banc ;;iucn ; on the figure a little mote nquiittc, I y the addition of the fpots and cods, t 5 Thiskindcofihtcc leaned Gralfc is a low licib creeping i pon tbc ground the leaues arclike tbolc of the common Trefoile.bur leffer.andotagrayillr grecnecolour: the Homes arefiircand yellow, falTiioncd like ihofe of Broome,but IcfTtr ralrercomc three or foure cods.wherein is contained ronud feed the root islongandrcddifli. i Thrsisthc Trr/i/'n» CarmiuUlum.m Mclihlm tttnUU Qi Lakrl La,„f,n.,fl1n„oiC,f>lr. » This codded Trcfoilc islike vntothc lalt dofciibcd ill eucry rcfpcil, lauineibat this plantis altogether tlargci.hauing italksacu-

München, 1964. - DE BOODT, Florum, Herharum. acfrucluum seleciiorum icones, et vires pleraeque; hactenus ignotae, facs. v.d. uitg. Brugge, 1640, in M.C. DE BOODT-MASELIS, Anse/mMi Boetius de Boodt (Brugge 1550-1632). Een Vlaams humanist met Europese faam. Handzame, 1981. - DE LOBEL, M. (LOBELIUS), Cruydtboeck ofbeschrijvinghe van allerlye Ghewassen..., facs. v.d. uitg. Antwerpen, 1581, Kruishoutem. 1983. - DODONAEUS. R. (DODOENS), Cruydeboeck. In den wekken die gheheel historie (...) van Cruyden (...) begrepen ende verclaertes.... facs. v.d. uitg. Antwerpen, 1554, inl. facs. door A. LOUIS, Leuven, 1968 - DODONAEUS, R. (DODOENS), herbarius oft Cruydt-boeck..., facs. v.d. door J. VAN RA VELINGEN bewerkt uitg. (toevoegingen vnl. uit C. CLUS1US), Antwerpen, 1644,

Altus (Jacob Sulat), Mutus liter, La Roebelle, 1677, frontispice (uit: S. Kiossowski de Rola, The Golden Game. New York, 1988, P.267) Niet alleen Vrouwemantel kreeg een betekenis in de alchemie. Ook de roos is er aanwezig. Het lijkt er wel op dat de roos in de alchemie minder werkelijke 'toepassingen' kende dan esoterische betekenissen.

Kruishoutem, 1979. - TABERNAEMONTAN1, D.J., Neu volkommen KrauterBuch, Darinnen ÜberSOOO, krauter..., facs. v.d. 5e uitg. v.d. door C. en H, BAUH1NUM herziene versie, Offenbach am Main, 1731, Grünwald, 1982. B. Mariavoorstellingen waarin planten werden getermineerd a) Hans Burgkmair, Maria en de drie vogels, circa 1500. 204 x 141 cm, privé-coll., bewaard in Straatsburg, Musée des Beaux-Arts. b) Hans Burgkmair, Maria in tuintje, 1509,164 x 160 cm, Nümberg, Deutsches Museum. c) Lucas Cranach sr.. Rust op de vlucht naar Egypte, 1504, 69 x 51 cm, Berlijn, Staatliche Museen d) Matthias Grünewald, Maria en kind, 186 x 150 cm, Stuppach, parochiekerk e) Adriaen Isenbrant. Maria, kind en heiligen, 155 x 142 cm, München, Alte Pinakothek. 0 Stephan Lochner, Maria in de rozenhaag, voor 1450, Keulen, Wallraf-Richartzmuseum g) Meerster v.d. Sint-Lucialegende, Maria, kind en heiligen, 78 x 60 cm, Detroit, The Institute of Arts


M&L

19

cultuurplanten in de strikte zin van het woord, ofwel om cultuurvolgers. Frontispice Dodoens, 1644

De andere duidelijk te onderscheiden groeisels waren meestal ook verweven in het menselijke leven. Om verscheidene redenen gewaardeerd en gebruikt (20), waren ze in het discours sterk aanwezig. Ze hadden hun wildheid verloren, kunnen daarom mét de twee vorige groepen tot de cultuurplanten in ruimere zin gerekend worden (21). Als derde voorlopige conclusie kan men dus poneren dat ongeveer alle planten op het Lam Gods behoren tot die cultuurplanten in ruimere zin. Hier nog geen studies van echt wilde planten, zoals bijvoorbeeld Albrecht Dürer (1471-1528) die zou maken (21). De bostaferelen op de zijpanelen blijven botanisch het onduidelijkst; het minst herbergzame, het minst vermenselijkte blijft het vaagst.

OVER MARIA

h) Meester van Flémalle, De maagd met de maansikkel, na 1438, Brussel, Coll. G. Muller i) Meester v.h. geborduurd loofwerk, Maria en kind in een omsloten hof, 198 x 155 cm. Philadelphia, J.G. Jhonson coll.. j) Idem, idem, 103 x 75 cm, vroeger in Ukkel, Gelder coll. (huidige bewaarplaats onbekend) k) Meester van het paradijstuintje, 1) Quinten Metsijs, Maria en kind, 109 x 70,8 cm. Kasteel Hradec, bij Opava (Silezië) m) Onbekende Elzasser meester, Maria tussen de aardbeien, 1420-1430,141 x 85 cm, Soleure, Musée Municipale n) Pisanello, Maria in de rozenhaag, 50 x 33 cm. Verona, Museo di Castelvecchio... o) Jan Provost, Maria en kind, 153,5 x 127 cm, Londen, National Gallery p) Martin Schongauer, Maria in de rozenhaag, 1473,

Hier wordt onderzocht of de iconografie van Mariavoorstellingen bepalend was voor de vegetatievoorstelling op van Eycks meesterwerk. De vraagstelling komt niet uit het niets; vooral in de Nederlanden en bepaalde delen van Duitsland kende de plantensymboliek een zelden geziene bloei binnen de Mariale literatuur, waarvan talloze laatmiddeleeuwse Mariahymnen als voorbeeld kunnen gelden (24). Beeldtypes als Maria voor de rozenhaag, Maria in de gesloten /ÏO/(hortus conclusus) en de combinatie van beide, kwamen veelvuldig voor in de schilderkunst van dit deel van Europa. In de commentaren op het Hooglied van de liefde, zoals ze - zeker sinds Bemardus van Clairvaux (1090-1153) - de middeleeuwse mystiek - en devotiemarkt overspoelden, wordt in de Hemelse bruid uit dat bijbelboek vaak Maria gezien, en worden vele vergelijkingen en metaforen uit het oudtestamentische werk op haar betrokken. Sommige van die metaforen kregen gaandeweg ook de status van beeldtype. Zo verging het de gesloten hof, waar Maria nog eens in geplaatst wordt.

201 x 112 cm, Colmar, Sint-Martinuskerk.. q) Martin Schongauer. Maria tussen de aardbeien, 1468, 192 x 116 cm, Straatsburg, Musée des Beaux-Arts r) Godfried van der Weyden. Maria en kind (deel van een altaarstuk). Burgos, kathedraalschat.. s) Jan van Eyck, Maria en kind, 1439. Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.

Het hele Hooglied loopt over van de vruchtbaarheids- en maagdelijkheidssymboliek, vaak in erg aardse, al dan niet plantaardige termen weergegeven. De band met Maria was voor latere generaties dan ook niet erg moeilijk te leggen. Eens de link gelegd, ligt het ook in de lijn van de verwachtingen om bij een verhoogde sensibiliteit en interesse voor het plantaardige de Mariavoorstelling uit te kiezen als experimenteerterrein "par excellence" voor een


20

M&L


M&L

21

Martin Schongauer, Maria in de rozenhaag, 1473 (uit: Schilderkunst rarM tof Z, Weert, 1987, p. 655) Een van de bekeken Mariaschilderijen. Vergelijk de schitterende rozen en pioenen met die op de andere figuren, ook met die bij van Eyck.

Tuinvoorstelling in religieuze context (uit: Ferrari 1972, pi. 10) Miniatuur uit het Breviarium Grimam. Deze miniatuur is niet enkel interessant om zijn artistieke waarde, maar ook omdat hier een heel aantal Mariasymbolen bij elkaar geplaatst én benoemd zijn. Vele van deze symbolen vinden hun oorsprong in vroege commentaren op het Hooglied van de liefde.

Daarop werden dan weer 18 soorten/geslachten gesignaleerd die niet te vinden zijn op het Lam Gods. Een en ander werd gebundeld in Figuur 2, een eenvoudig grafiekje, aanloop tot een enigszins complexer Figuur 3. Hij weerspiegelt het voorkomen, op de 19 schilderijen, van de planten die eerder in Gent aangetroffen werden. Weergegeven is de frequentie waarmee een aantal soorten is voorgesteld, de frequenties gerangschikt van hoog naar laag. Met Figuur 3 dan is geprobeerd alles wat meer in reliëf te zetten. 128 determinaties op 19 schilderijen zitten verdeeld over 37 soorten/geslachten. Op de figuur 2-as, onderaan, ziet men welke groepen soorten/geslachten hoeveel maal voorkomen, gerangschikt van lage naar hoge frequentie deze keer. Ook de planten die niet op het Lam Gods voorkomen, zijn opgenomen, donkergrijs (niet-geïdentificeerd evenwel). Lichtgrijs zijn de planten die wél bij van Eyck te vinden zijn. Op de Figuur 3-as leest men het gewicht, het procentueel aandeel van die groep op het totaal aantal waarnemingen. Zo ziet men bijvoorbeeld dat, vijfde van rechts, de plantesoorten die 10 x voorkomen samen bijna 16 % van het aantal determinaties uitmaken, bovendien dat het de soorten met nrs. 17 en 21 betreft (voor de naam: zie tabel 2). Elk blokje komt overeen met een soort/geslacht. nieuwe, realistische plantvoorstelling (25). Een van de redenen met andere woorden om Maria (in de hof, voor de haag,...) te (laten) schilderen was dus ons inziens de geschiktheid van die types om een heel scala aan planten te etaleren. Na deze voorbereidende uitleg, het vervolg: een steekproef van 19 schilderijen, uit de 15de en 16de eeuw, overwegend uit Duitsland en de Nederlanden, met Maria telkens in de voornaamste rol. Daarop zijn, voor zover mogelijk, de afgebeelde plantesoorten gedetermineerd. Volledigheid is niet de eerste vereiste: het is immers de bedoeling een groep soorten/geslachten te isoleren die min of meer consequent met Maria geassocieerd wordt, de Mariaal-iconografische koinè als het ware. En men kan ervan uitgaan dat de exemplaren van deze groep niet in het kleine hoekje werden weggemoffeld of onherkenbaar klein werden weergegeven. Ongetwijfeld is de steefproef te klein om absoluut zekere conclusies te kunnen trekken, maar een ruwe schets kan zijn nut hebben. Welke schilderijen onder de loupe genomen zijn, maakt tabel II b duidelijk Twaalf soorten/geslachten afgebeeld bij van Eyck komen niet voor op de bekeken werken.

Figuur 3 van naderbij bekeken levert het inzicht op dat een kleine groep veel voorkomende soorten instaat voor het leeuwedeel van de waarnemingen: 10 op 37 soorten zijn goed voor 66,5 % van de identificaties. Deze soorten noemen we een Mariaaliconografisch koinè wat planten betreft, een groep planten die in de 15de en 16de eeuw in een groot deel van Europa met Maria geassocieerd werd (26). Opvallend is dat de soorten die bij van Eyck ontbreken nooit met grote frequentie op de Maria-schilderijen te zien zijn, dus niet tot de koinè behoren, en dat de koinè dus quasi-volledig (één uitzondering) op het Lam Gods aanwezig is. En dat terwijl veel soorten op dat laatste werk (12) bij geen van de 19 andere schilderijen kan teruggevonden worden. Misschien is zoiets niet zo vreemd als het moge lijken. Zoals gezegd kende de plantensymboliek een hoge bloei in de laatmiddeleeuwse Mariale literatuur. Vermoedelijk werden de betekenissen die bepaalde planten binnen de context van dat soort literatuur kregen, langzamerhand losgekoppeld van die context, konden de planten dan allerhande goede eigenschappen weerspiegelen van andere deugdzame personages dan Maria.


22

M&L

figuur 2

I

H

to - 1 c

S a

1

x +

N

| „-L 3

i

M

A

N

;— H

Ljuuum x

"

r~

—

—

—

(

N

-

t

u

-

;

i

-

j

"

-

C

!

^

o

>

—

• O r - . ^ ^ c

nummer plantesoort

We denken trouwens dat van alle planten diegene die redundant figureerden binnen de Mariale context ongeveer de sterkste symboolwaarde kregen. Hiermee is bedoeld dat bij die planten de concensus rond hun symbolische inhoud veruit het grootst was, omwille van het grote 'marktaandeel' van de Mariale literatuur bij de literaire plantensymboliek en omwille van de erg grote verspreiding van het genre. Daarom is het enigszins begrijpelijk dat net die planten migreerden naar andere contexten, dat net zij gekozen werden om hun veronderstelde eigenschappen ook elders te etaleren (27). Waarom Maria en niet iemand anders diende omringd te worden met symbolische stukken flora, is weer een andere vraag. Of eigenlijk twee vragen: waarom met Flora; waarom symbolische? Flora staat hierboven niet voor niets met een hoofdletter geschreven; Maria heeft wel degelijk iets te

maken met deze Romeinse bloemen- en lentegodin, een eigenlijk met een hele trits andere heidense godheden van liefde en vruchtbaarheid (28). Vreemd is dat in de oudheid vele planten hun namen rechtstreeks of onrechtstreeks ontleenden aan liefdesgodinnen of vruchtbaarheidsgodinnen. Maria kwam dan ook in de plaats van Venus, Aphrodite en Freya, tenminste wat de associatie met een groot aantal plantesoorten betreft. Bij de verklaring van die associatie komt natuurlijk ook de 'Hooglied-factor' weer om het hoekje kijken. De gewoonte om planten vanuit een of andere mystieke of religieuze interesse te benaderen, is natuurlijk geen exclusiviteit van het christendom, maar toont zich wel een duidelijker breuk tussen christelijke middeleeuwen en antieke oudheid (29). Niet altijd ontmoet men onder middeleeuwse tijdgenoten een gelijklopende visie op het plantenrijk - zo spreekt in de 9de eeuw de vergelijking tussen een allegoriserende Hrabanus Maurus (30) en een nuchterder Walahfrid Strabo (31) boekdelen. Toch toont zich in de laatantieke wereld de nakende omwenteling ook waar er over planten wordt gesproken. Gaandeweg maakt een medische, botanische of agronomische interesse plaats voor een spiritualiserende, vaak symboliserende. Isodorus van Sevilla (circa 570-636) is in die zin een prominente vertegenwoordiger van de vroege middeleeuwen. Met een enorme belezenheid van klassieke én vroegchristelijke auteurs schreef hij zijn groot encyclopedisch werk, vaak getiteld Etymologiae. In het veertiende boek, over landbouw en planten, haalt hij het meeste uit Plinius, deze deels transformerend tot een winkel waarin monsterwezens naast medicijnen in de rekken staan. Isodorus zelf was dan weer de voornaamste bron van wat Bartholomeus Anglicus halfweg de 13de eeuw, meer dan zeshonderd jaar na Isidorus' dood, over planten wist te zeggen. Het Liber de proprietatibus rerum, de encyclopedie van Bartholomeus waar de pasvermelde plantenhoofdstukken te vinden zijn, moet in de 15de eeuw, de eeuw van van Eyck, een succesnummer zijn geweest. Vele manuscriptversies zijn bekend en vóór 1500 kende het boek minstens 26 edities. Na de De naturalis historiae van Plinius, waarop de plantenkapittels zoals gezegd teruggaan, was het het eerste werk met natuurwetenschappelijke inslag dat in druk ging. De eerste druk dateert van 1470, de eerste Nederlandstalige van circa 1485, wat het meteen met de Herbarius in Dyetsche tot het eerste Nederlandstalige boek met botanische aspecten maakt (32).


M&L

23 DE CIRKEL IS ROND De botanie in de Nederlanden tijdens de 14de en 15de eeuw dient echter nog voor een groot deel geschreven te worden. Jan van Eyck heeft de uitvinding van de boekdrukkunst niet meegemaakt; onderzoek dat zich beperkt tot oude drukken extrapoleert altijd naar het verleden. En al kan men zeggen dat het grootste deel van het voor 1500 over planten gedrukte teruggaat op 13de-eeuwse en zelfs oudere verzamelwerken, toch valt daar niet met zekerheid uit af te leiden dat er in de Nederlanden van de eerste helft van de 15de eeuw geen invloedrijke geschriften bestonden die het niet of nauwelijks tot gedrukt werk gebracht hebben. Dat kan onder meer gevolgen hebben voor de hypothese van de fytofarmaceutische koinè. Ook de verluchting van enkel in handschrift bewaarde Mariale literatuur en getijdenboeken is nog onvolledig bestudeerd. De studie van de relatie tussen tekst en afbeelding in die geschriften kan gevolgen hebben voor da Mariale koinè. Ook hier immers is er naar het verleden toe veralgemeend. De weg was lang en het woud duister. Als besluit weze nog eens aangestipt dat het enkel de bedoeling was lijnen uit te zetten voor verder en meer contextgebonden onderzoek, in de eerste plaats kunsthistorisch. Niet-bekeken manuscripten zijn een slecht geweten, alsook de snel evoluerend traktaten der waarnemingspsychologie. Laat ons ervan uitgaan dat niet eenvoud maar complexiteit het kenmerk is van het ware.

(2)

(3)

(4)

(5) (6)

LITERATUUR - ARBOR A., Herbals. Their origin and evolution. A chapter in the (7) history of Botany, 3e druk, Cambridge, 1953. - BEENKEN H., Jan van Eyck und die Landschaft, in Pantheon, 28,1941, p. 173 e.v. (8) - BRAND PH. L, The Ghent Altarpiece and the Art of Jan van Eyck, Princeton, New Yersey, 1971. - COWELL F.R. en J., The Garden as a Fine Art, Londen, 1978. (9) - FRIEDLAENDER M.J., Early Netherlandisch Painting, vert, uit het Duits, It herwerkte uitg. door H. Pauwels e.a., z.p., 1972. - HARVEY J., Mediaeval Gardens, Londen, 1981. - RIX M., The Art of Botanical Illustration, New York, 1990 (eerst uitgegeven als The Art of the Plant World, Londen, 1981). - Tentoonstellingscatalogus, 1983, Lawrence, Kansas, Gardens of the Middle Ages, o.l.v. M. STOCKSTAD EN J. STANNARD.

(10)

EINDNOTEN (1)

Dank zijn we verschuldigd aan vele personen. Vooreerst de professoren M. Smeyers en H. Cardon K.U.Leuven, die mij aangemoedigd hebben het onconventionele ontwerp verder uit te werken. Natuurlijk ook de heren P. Van den Bremt en

(11) (12)

G. Van der Linden, A.M.L., die mij bij de uitwerking terzijde stonden en me vele waardevolle tips aan de hand deden. Jeroen Reyniers voor de opbouwende discussies, en niet te vergeten A. Dierick, voor de fotostudie zonder dewelke dit artikel nauwelijks realiseerbaar was geweest. Zie o. m. DE BACKER W., HUVENNE P., en VAN DEN BOSSCHE H., De tuin van het Rubenshuis in Antwerpen: Een historische evocatie, in Monumenten en Landschappen, jg. 14/3,1995, p. 54; Drie 17de-eeuwse herbaria die in onze streken ontstonden, kregen een uitgebreide bespreking in DE WILDEMAN E., Notes pour Vhistoire de la botanique et de I'horticulture en Belgique, (Koninklijke Belgische Academie. Klasse der wetenschappen. Verhandelingen 25), Brussel, 1950. Er bestaat ook een hier onvermeld verband tussen het 'naturalisme' van een plantweergave en het gebruikte medium. Zo zal een vroege houtsnede zeer zelden de herkenbaarheid hebben van een miniatuur uit dezelfde periode (desalniettemin zijn er in sommige gevallen stijlinvloeden aan te wijzen van miniatuur naar houtsneden). Waar tekeningen bewaard zijn van laatmiddeleeuwse schilders, zijn die in een aantal gevallen meer naturalistisch of meer vooruitwijzend dan hun schilderijen (daar moet dan wel aan toegevoegd worden dat de tekeningen vaak minder complex van compositie zijn en het element kleur afwezig of vereenvoudigd is; met andere woorden dat met minder parameters een beter beheersbare modelwereld werd gecreëerd). De passages tot de plantenlijsten, alsook Intermezzo, steunen sterk op de volgende teksten: BLACK M., How do pictures represent?, in GOMBRICH E.H., HOCHBERG J. en BLACK M., Art, Perception and Reality, 2e uitg., Baltimore-Londen, 1977, p. 95-130. GOMBRICH E.H., Art and Illusion. A Study in the Psychology of Pictorial Representation, 3e uitg., Princeton, 1969. p. 26-28; IDEM, The Sense of Order. A Study in the Psychology of decorative Art, Oxford, 1979, p. 95-117. SKINNER Q., Meaning and understanding in the History of Ideas, in History and Theory, 8, 1969, p. 6-7. Als algemener denkkader, ECO U., A Theory ofSemiotcs, Bloomington, Indiana, 1978. De 'maniere' van de beduidend later levende Dodoens en Clusius valt zelfs nog niet samen met ons begrip 'soort'. De voorgaande uiteenzetting hield misschien te weinig rekening met de communicatieve functie van elk schilderij. Het begrip communicatie is waarschijnlijk nodig om het simplistisch voorgestelde adderkluwen waameming-denkenuitdrukking ten gronde te analyseren. We denken evenwel dat in de context van dit artikel de weggelaten factoren niet erg veel aan de verklaring van het onderzochte.laat staan aan de helderheid van het artikel zouden bijdragen. Het kan dan zijn dat hij de plant nooit gezien had - zoiets kwam voor - of een tijd geleden en toen voor het eest, of niet lang vóór het schilderen voor het eerst. Het laatste geval is dan het meest tekenend voor het beschreven mechanisme. Bloemen van Erwten en Reukerwten werden bijvoorbeeld door miniaturisten van de Gentse-Brugse school graag en veel voorgesteld. HAUMAN L, Etude de la vegetation, in COREMANS P., L'agneau mystique au laboratoire, examen et traitement sous la direction de Paul Coremans {Les primitifs Flamands, 3. Contributions d l'étude des primitifs Flamands, 2), Antwerpen. 1953, p. 123-125. Deze lijst diende als basis voor de opsomming in BEHLING L., die Pflanze in der Mittelalterlich Tafelmalerei, 2e uitg., Keulen-Graz, 1967, p. 45-46. DIERICK A.L., van Eyck-Botanicus, in Monumenten en Landschappen, 1986, nr. 4, p. 38-39 en foto's passim. Alle plantnamen in dit artikel zijn ontleend aan, DE LANGHE J.E., DELVOSALLE L., e.a.. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten), Meise, 1983. In zijn oorspronkelijke Griekse betekenis iets als 'eenheidsmunt' . De Boodt selecteerde een aantal planten, steeds geneeskrachtig, duidelijk in zijn ogen ook de mooiste, in onze ogen eerder de


24

Brussels verduretapijt, 16de eeuw, Wawelburcht, Krakau, detail (uit: J. Szablowski e.a., De Vlaamse wandtapijten van de Wawelburcht te Krakau, Antwerpen, 1972, p. 199). Ook in hun tapijtkunst toonden Zuidnederlanders een zekere voorliefde voor het plantaardige. Op de afbeelding hiernaast ziet men tussen de lisdoddes enkele uitgebloeide aronskelken of siangewortels evenwel met bladeren van lisdodde. Bovendien is ofwel de bloelwijze uitgerokken, ofwel de standplaats vreemd, afhankelijk van de keuze tussen aronskelk en slangewortel. Hier weer eens de wet van de analogie. Detail uit een ander tapijt van dezelfde reeks (uit Szablowski 1972, p. 203) Een hybried wezen, ergens tussen eenhoorn en giraf.

M&L

meest buitenissige. De maniëristische esthetiek met de bijbehorende hang naar het ongewone zullen daar wel voor iets tussen zitten. Anselmus de Boodt maakte immers een tijdlang deel uit van de vreemde collectie kunstenaars, alchemisten en schrijvers die Keizer Rudolf II in Praag rond zich verzameld had. mensen met één ding gemeen: de passie voor het afwijkende. Een ander onvermeld probleem is. naast selectie, de onderlinge afhankelijkheid tussen verscheidene werken, zo bijvoorbeeld tussen Lobelius en Dodoens. Hoe meer een stukje informatie herhaald wordt, hoe kleiner de betekeniswaarde; hoe vaker de veronderstelde geneeskrachtigheid van een plant gekopieerd uit ander werken, hoe minder sprekend over de levende ideeën rond die plant (voor die afhankelijkheid: zie tent. cat., 1993, Antwerpen, De botanica in de Zuidelijke Nederlanden (einde 15de eeuK-circa 1650), onder leiding van F. DE NAVE en D. IMHOF) (13) Voor de historisch-botanische passages in dit artikel, zie LOUIS A.. Geschiedenis van de plantkunde. Eerste periode. De plantkennis in dienst van Farmacie en Landbouw, Oudheid tot Renaissance, Gent-Leuven, 1977 (tenzij anders aangegeven). (14) De renaissance uitte zich in de plantkunde in de eerste plaats door historisch-filologisch onderzoek naar de 'zuivere' Plinius en vooral de zuivere Dioscorides. Botanische traktaten werden in de 16de eeuw vaak uitgegeven onder de vorm van commentaren op Dioscorides. Bekendste commentator was waarschijnlijk Pierandrea Mattioli (1501-1577). Dodoens ging veel meer dan zijn tijdgenoten af op eigen waarnemingen. Toch kan ook hij zich niet volledig aan het gezag van zijn klassieke 'ouders' onttrekken (de term vindt men regelmatig in zijn geschriften terug). De renaissancistische gebondenheid aan de klassieken geeft soms erg grappige resultaten, vooral wanneer die klassieken met de eigen waarnemingen dienen verzoend te worden.

(15)

(16)

(17)

(18)

(19)

Zo zegt Dodoens in 1554 dat men de Pamassiaplant ontmoet op de aan de muzen toegewijde Parnassusberg én in Elewijt (voor de houding van Dodoens ten opzichte van de antieken is - mits enige kritische afstand - interessant: VAN MEERBEECK P.J.. Recherches historiques et critiques sur la vie et les omrages de Remhert Dodoens (Dodonaeus), facs. v.d. uitg. Mechelen. 1841, Utrecht, 1980). Eenvoudiger en beter gesteld: ze stonden in de eerste plaats in functie van het menselijke overleven. Lees er Slicher van Bath maar eens op na (SLICHER VAN BATH B.H., De agrarische geschiedenis van West-Europa 500-1850.2e uitg.. Utrecht 1987). De mooiste planten werden vaak het meest algemeen met geneeskrachtigheid geassocieerd. Zie eerdere passages over de band tussen gebruik en gestalt voor een mogelijke verklaring. De vegetabiUbus libri, 1, 14; geciteerd in tentoonstellingscatalogus Gent, groen van nu en toen. Historische tuinen van de middeleeuwen tot nu. onder leiding van CHESNOT H., Gent, 1982, p. 14; deels dezelfde fragmenten geciteerd in, tentoonstellingscatalogus Brussel, 1962. Hortus Belgicus, onder leiding van BALIS J. Zie hiervoor BORN W., Eten door de eeuwen. De geschiedenis van de culinaire cultuur. Baarn. 1989, p. 90-124; ook GIBAULT G.. Histoire des légumes. Parijs. 1912. passim. Zuring onder meer bij sla. Paardebloem idem dito van Rozeblaadjes onder meer confituur (nu nog bijvoorbeeld in Provins), Lievevrouwebedstro bij de wijn (traditie nu in Belgisch Lotharingen), Boerenwormkruid in de pannekoeken. De vruchtdragende uitheemse gewassen op het Lam Gods. Sinaasappel. Vijg en Dadel, werden bij ons hoogstwaarschijnlijk nog niet gekweekt in van Eycks tijd. Mogelijk (ontbreken van andere reden tot voorstellen) zit alvast hier een symbolische betekenis schuil. De tuin is dan bijvoorbeeld de paradijstuin, waar al hel goede op aarde aan te treffen was (zie onder andere THUN1S-


M&L

25

(20)

(21) (22) (23)

(24)

(25)

(26)

(27)

(28)

SEN C, De tuin van je leven. Een metafoor, in Flora in Leiden. De verborgen tuinen van de stad, red. SCHWARTZ L, 's-Gravenhage, 1990, p. 83-88). Druiven werden zeker vbijvoorbeeld in het Leuvense) bij ons gekweekt ten tijde v?,n van Eyck. Langs deze weg kunnen we dus geen vermoedens krijgen over het symbolisch gehalte van de voorgestelde piant (over wijn in onze streken, Tentoonsteilingscatalogu' 1990, Brussel, Van Rank tot Drank, onder leiding van CÜLLET E. en KEUSTERMANS C). De vemoeinde functies zijn vanzelfsprekend niet de enige. Zo hadden de Vrouwenmantel-soorten een bijzondere betekenis in de alchemie (zie CARON M. EN HUTIN S., The Alchemists, New York, 1961); Zilverschoon speelde een rol in de cosmetica. I.ievebrouwebedstro kan een derde maal vernoemd worden, nu omwille van zijn hygiënisch-zuiverende werking. Men vulde er matrassen mee en strooide het over de vloer. Meer voorbeelden zijn te geven. Deze conclusie is een minstens gedeeltelijke tegenspraak met wat beweerd wordt in tentoonstellingscat. Brussel, 1962, p. 14. Ter vergelijking, GERSTENBERG K., Albrecht Dürer: Blumen und Tiere, Berlijn, 1936. Voor de Nederlanden in de 14de en de 15de eeuw is er een behoorlijke lacune in het onderzoek, althans dat was zo in 1977, toen A. Louis zijn standaardwerk schreef (LOUIS A.. op. cit., passim, in onze tekst: zie verder). Vermoedelijk is die leemte anno 1995 nog niet gevuld. Voor de Mariale literatuur, zeer degelijk maar nogal ontoegankelijk: SZOVERFFY J.. Die Lateinischen Hymnen vom Ende des 11, Jahrlmnderts bis zum Ausgang des Mittelalters (Die Lyrische Dichtung des Mittelalters, 1. Die Annalen der Lateinischen Hymnendichtung. Ein Handbuch, 2), Berlijn, 1965, voor de relatie tussen Mariale literatuur en de Maria's die van Eyck voorsteld, PURTLE C.J., The Marian Paintings of Jan van Eyck, Princeton. New Yersey, 1982. Vanzelfsprekend beperkte de nieuwe plantvoorstelling zich niet tot Mariavoorstellingen. In vele 15de-eeuwse getijdenboeken staan planten op en rond veelsoortige miniaturen. Als bekendste voorbeeld geld het getijdenboek van Anne de Bretagne, waar men meer dan 400 verschillende planten telde, voorzien van hun Franse en Latijnse naam. Mogelijk kunnen we aan de tien opgespoorde 'soorten' er enkele toevoegen die in de literatuur vaak voorkomen maar zelden voorgesteld worden. De gevolgde werkwijze kan vraagtekens oproepen. Nog enkele elementen ter onderbouwing van het beweerde. Een vaste associatie is in de doorgaans gebruikte betekenis een exclusieve associatie; de planten van de Mariale koinè zouden dus niet regelmatig op een schilderij met ander onderwerp te zien mogen zijn. Dat dat inderdaad niet zo is. werd niet aangetoond. Vermoedelijk is het zelfs wél zo. De in de hoofdtekst verwoorde hypothese van symboolmigratie biedt een mogelijk antwoord op dit tegenargument. Voor diepgaander onderzoek is het wellicht nodig de term 'associatie' te specifieren, eventueel door verscheidene termen te vervangen. Voor de band tussen Maria en heidense godinnen in de oude en/of volkse plantnaamgeving, maar vooral voor de grote rol van Maria in die naamgeving: TEIRLINCKI., Plantlore, facs. v.d. uitg. 1904. Amsterdam. 1980, p. 162-200: ook interessant is KLEUN H.. Planten en hun namen, Amsterdam, z.j. Teirlinck beschreef zijn eigen werk als 'veeleer documentarisch dan louter wetenschappelijk' (p. 461). En inderdaad, een literatuurlijst krijgen we niet te zien en hetfilologischonderzoek komt maar magertjes over. Om die redenen valt het moeilijk te achterhalen waarom hij zo'n voorkeur lijkt te hebben voor Duitse plantnamen. Spitste zijn onderzoek zich voornamelijk toe op het (Nederlandse en) Duitse taalgebied, bestonden er in het Duits gewoon uitzonderlijk veel cultusgebonden namen voor planten of wordt veel verklaard door het feit dat de pausen der plantkundige geschiedschrijving 19de-eeuwse Duitsers zijn? Op dit moment valt het nog moeilijk uit te maken, tenzij misschien door het onderzoek opnieuw te doen. Uit zijn ontegenzeglijk indrukwekkende feitenkennis komt toch duidelijk genoeg naar voren dat in de volkse kennis van een lange periode relatief veel meer planten met Maria werden

(29)

(30)

(31)

(32)

verbonden dan met God, Christus, de Heilige Geest of een of andere Heilige. Na de herontdekking van de antieken in de renaissance, blijft het middeleeuwse concept van plantensymboliek toch nog doorleven, zelfs waar het op het eerste zicht niet te verwachten valt (zie LEVI D'ANCONA M., TTie Garden of the Renaissance. Botanical Symbolism in Italian Painting. (Arte e Archeologia. Studi e Documenti. 10), Firenze, 1977). Mogelijk zitten hier Noordelijke wortels - onder meer Van der Goes en zijn naar Firenze verscheepte Portinari-drieluik (zie KOCH R., Flower symbolism in the Portinari Altarpiece, in The Art Bulletin, 64, 1964, p. 70-77). In het eerste hoofdstuk van het negentiende boek van zijn encyclopedisch werk De Universo (circa 844) behandelt de schrijver onder meer de landbouw (Deze en volgende noot VAN VEEN P.A.F., De soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de boucken. Het hofdicht als tak van een georgische literatuur, 2e uitg., Utrecht, 1985, p. 150-152 (Ie uitg. I960?)) Het gaat hier om het gedicht Hortulus. een loflied op de landbouw van ongeveer 500 verzen. Kenmerkend is dat dit werk van Strabo (808/809-849) in de renaissance werd uitgegeven door de humanist Eobanus Hessus. Een en ander wijst er dus sterk op dat de plantkunde gedurende 1000 jaar middeleeuwen er nauwelijks of niet op vooruit is gegaan. Albertus Magnus bleef in de 13de eeuw een aleenstaand geval als wetenschapper avant la lettre. In de 14de en 15de eeuw zien we - zoals eerder gezegd - een sterke interesse in botanie en aanverwante disciplines (getuige het sterk toenemende aantal geschriften), een interesse echter die weinig creativiteit en vernieuwing met zich meebracht. Vermeldenwaard is de vooruitgaande internationalisering van de bestaande kennis, iets waar vele toen verschenen vertaallijsten voor plantnamen een duidelijk teken van zijn. Circa 1330 zag een Glossaire Latin-Flamand het licht, een uiterst waardevolle informatiebron voor vermoedelijk alles wat prerenaissance is in de plantkunde van de Nederlanden (Zie LOUIS A., op. cit., p. 281-352).


26

M&L

HET HEILIG GRAF IN DE SINT-MICHIELSKERK TE BREE CHRISTINE VANTHILLO

Bree, Sint-Michielskerk -Heilig Grafdetail (foto 0. Pauwels)

Wie een tocht maakt langs Limburgse

een organische eenheid vormen met

kerken, staat verbaasd over de indruk-

het gebouw waarvoor zij bestemd zijn.

wekkende reeks devotiebeelden, die

Ondanks de problemen op gebied van

zij nog bezitten.

klimatologie en beveiliging, is het nog

Het is opvallend dat Limburg rijker is

steeds verkieslijker deze beelden te

aan goede sculpturen dan aan schilde-

bewaren in hun lokale omgeving in

rijen van enige betekenis. Zij dragen

plaats van ze onder te brengen in

een religieus karakter en zijn over-

diocesane of andere musea waar zij

wegend middeleeuws van oorsprong.

terecht komen in een toevallige verzameling van diverse herkomst en waar

Een gelukkige vaststelling is dat men

zij, uit hun oorspronkelijk verband

deze beelden kan bekijken in hun

gerukt, nog louter als kunstobject

oorspronkelijke historisch-religieuze

benaderd worden.

context, waar zij thuishoren en waar zij


M&L

Bree, Sint-Michielskerk, gezien vanaf het Vrijthof, waar zich oorspronkelijk het kerkhof met de Heilig Grafkapel bevond

27

De"e rijkdom aan Limburgse beelden kan op

•••••• 1

verschillende manieren verklaard worden: in de Haspengouwse kasteeldorpen werden de kerken begiftigd door de feodale heren; zij lieten er zich ook in begraven onder een figuratieve grafsteen. In het arme Noord-Limburg werden de kerken gesticht en ingericht door abdijen, als Averbode, Herkenrode en Sint-Truiden. Bovendien bleven de kerken er, wellicht meer dan elders, gespaard van de Beeldenstorm en was er geen behoefte om ze na het Concilie van Trente hier in te richten in barokke stijl. Retabels zoals deze van Bocholt, Opitter, Korspel, 's Herenelderen werden meestal aangekocht in Brussel en vooral Antwerpen. Beelden werden in hoofzaak besteld bij Limburgse kunstenaars i.e. in het Maasland waar omstreeks 1500 enkele talentvolle meesters een atelier met een uitgesproken persoonlijke stijl hadden uitgebouwd. Het rijke beeldenpatrimonium van de Sint-Michielskerk in Bree bewijst dat het kerkbestuur of haar weldoeners talrijke bestellingen hebben geplaatst bij Maaslandse beeldsnijders. Een tiental beelden en beeldengroepen uit de 14de tot 16de eeuw bleven er bewaard. Eén van de topstukken is de groep van het Heilig Graf. Het bestaat uit de drie Maria's met hun zalfpotjes en twee engelen met de passiewerktuigen, namelijk de doornenkroon en de drie nagels, verzameld rondom de dode Christus. Het zijn geen houten beelden. Zij zijn gehouwen uit Maastrichtse tufsteen. De groep staat opgesteld onder de toren in een neogotische nis van witte steen (circa 1909-1910), afgesloten met een metalen hek. De boog van de nis is versierd met pinakels, hogels, drielobben en een centrale kruisbloem en steunt op gebundelde pilasters. Uit dezelfde stijlperiode dateert de sarcofaag waarop de grafsteen met Christus ligt. De voorzijde is opengewerkt met vierpassen en lancetten. Christus, bekleed met het lendendoek, ligt uitgestrekt op een stenen plaat waarover de lijkwade hangt. Het hoofd rust op een kussen, de handen liggen gevouwen op de buik en de voeten leunen tegen een steuntje. De vijf wonden dragen zware bloedsporen. De anatomie van het naakte lichaam is met grote zorg uitgevoerd. De vijf treurende figuren staan achter Christus en zijn maar gedeeltelijk zichtbaar; daarom werden zij, zoals vaak bij Heilige Grafvoorstellingen, slechts halflijfs gebeeldhouwd.

De beide engelen aan weerszijden van de drie Maria's dragen de liturgische gewaden: amict, albe en een zware koorkap die sluit met een rijk versierde gesp in de vorm van een drie- en een vierpas. De zoom heeft franjes en de boorden zijn opgesmukt met sculpturaal uitgewerkte borduursels, parels en ruitvormige edelstenen. Het haar valt in weelderige krullen op het voorhoofd. Zij hebben vrij identieke gezichten met een droevige trek rondom de ogen en de mond. De engel aan het voeteinde van Christus toont met opgeheven handen de doornenkroon. Over zijn linkerarm hangt een met twee rijen parels versierde manipel. De engel aan het hoofdeinde houdt in beide handen de drie nagels van de kruisigingDe drie vrouwen - Maria de moeder van Christus, Maria Magdalena en Maria Salome of Maria Jacobe - komen zeer verzorgd voor. De soberste van de drie is Maria; zij staat naast het hoofd van haar Zoon; een mantel met rijk versierde boord is over haar kleed gedrapeerd; een pand wordt opgenomen in de linkerhand waarin zij ook haar decoratief zalfpotje houdt. Een gesteven sluier en een kindoek omsluiten haar gezicht; zij droogt haar betraande ogen met een pand van haar sluier. Maria Magdalena - centraal opgesteld - is de meest


30

Bree, Westgevel van de SintMichielskerk met de romaanse toren en links er tegen aanleunend de Heilige Grafkapel. Toestand vóór de verbouwing van 1901-1902. Pentekening op papier, L Jaminé 1886 (archief K.C.M.L.)

M&L

elegante van de drie dames. Zij is gekleed volgens de burgermode van die tijd: over een onderkleed met driehoekige halsuitsnijding, een keurs met vierkant décolleté en pofmouwen, met splitversiering en kwastjes, die onderaan wijd uitlopen. Haar mantel met rijk versierde boord valt over de rechterschouder en wordt opgenomen onder de linkerarm, zodat de kunstvolle siermouw zichtbaar blijft. Een snoer met een kruisje en een ketting met hartvormig medaillon sieren haar hals. Het haar valt in twee lange vlechten over haar borst. Bijzonder veel zorg heeft de beeldsnijder besteed aan het modieuze hoedje, waarrond een sjaal is gedrapeerd. De voorzijde heeft een hoge opstaande rand met omgeslagen tippen en is bezet met parels en een centraal sierstuk. Met de rechterhand tilt zij het deksel op van haar zalfpotje. De derde dame, Maria Salome of Maria Jacobe, draagt zoals Maria Magdalena een onderkleed met driehoekige halsuitsnijding en een nauw aansluitend keurs met lange mouwen waarover een mantel met sierboord valt. Eén pand wordt opgenomen onder de linkerarm. Als hoofdtooi heeft zij een sluier met tulband waarop een sierspeld is vastgepind. Rondom de tulband is een sjaal gewikkeld die over haar rechterschouder verder loopt. In beide handen houdt zij haar bolvormig zalfpotje. Zij is omgord met een sjerp die eindigt met franjes en een parelrand.

DE SINT-MICHIELSKERK De in oorsprong gotische Sint-Michielskerk bestaat uit een koor met vierkante viering, een middenbeuk van drie traveeën en zijbeuken (1452-1461), een Onze-Lieve-Vrouwekapel aan de zuidzijde (1469-1475) en een Sint-Annakapel aan de noordzijde (1506). De kerk had een vrijstaande romaanse westertoren, bereikbaar via de noordelijk gelegen traptoren. Tegen de buitenzijde van de traptoren was een kapel aangebouwd, waarin het Heilig Graf was opgesteld. Zij had een leien afdakje en was afgesloten met een hekken. De kapel sloot aan bij het voormalig kerkhof, nu het Vrijthof (1). In de aartsdiakonale visitaties van de Sint-Michielskerk, die tussen 1646 en 1726 verscheidene keren plaats vinden, wordt nergens melding gemaakt van de kapel met het Heilig Graf (2). In 1901-1902 werden vergrotingswerken uitgevoerd door de architecten S. Mortier (1857-1934) medewerker van J. Helleputte (1852-1925) en provinciaal architect van Oost-Vlaanderen, en G. Hoste (-1918). Het project voorzag de afbraak van de zijbeuken, de Onze-Lieve-Vrouwekapel en de romaanse toren.

HWJtthnf

JEriKiftp T*rnin]in

De zijbeuken werden verdubbeld, naast het koor werden twee polygonale kapellen toegevoegd en in de noord-westelijke hoek werden een toren en doopkapel toegevoegd. Bij de verbouwing bleven dus enkel het koor, de viering, het schip en de Sint-Annakapel overeind. De Heilig Grafkapel werd eveneens gesloopt en de beeldengroep kreeg een nieuwe opstelling binnen het klokkenhuis. In mei 1909 schreef Th. Michiels deken van Bree, een alarmerende brief aan de Commission Royale des Monuments, nadat de Bestendige Deputatie van Limburg een subsidie voor de restauratie van de beelden had geweigerd: "les bustes tombent de plus en plus en poussière..., j'ai l'honneur de demander l'approbation du plan dressépar l'achitecte Lenertz (pour Ie tombeau du Christ... I'execution seferait par M. Roemaet de Louvain sous la surveillance de Vincent Lenertz ". Nog in hetzelfde jaar gaf de Commissie gunstig advies (3). Het ontwerp voor de nis werd getekend door VincentLenertz (4) en de uitvoering ervan werd toevertrouwd aan de medewerkers van het atelier M. Roemaet(5) voor 2950,27 Fr. Dit atelier had reeds in 1904 een aantal kerkmeubelen - onder andere altaren, biechtstoelen, communiebank... - geleverd aan dezelfde kerk (6). De heilige vrouwen en vooral de engelen, hebben


M&L

31

een wat kinderlijke expressie. Zij hebben een bol gelaat en voorhoofd, hun gezicht mist persoonlijkheid; de kleding van Maria is sober. De twee andere Maria's zijn modieuze vrouwen met kostbare klederdracht en haartooi, die rijk gedetailleerd is uitgewerkt. Borduurwerk, parels, sieraden en juwelen zijn in steen nagebootst. Zij zijn ongekunsteld, vol medeleven en oprecht in hun rol. De verstilde en ingetogen droefheid verbindt de figuren in een dramatische eenheid. Er is nauwelijks uiterlijk vertoon; het verdriet is inwendig. De beelden behoren tot de overgangsfase van laatgotiek naar renaissance. De engelen in hun zware liturgische gewaden en met pijpekrullen horen nog thuis in de religieus-middeleeuwse wereld, terwijl de drie Maria's reeds een stap in de vroege renaissance gezet hebben.

JAN VAN STEFFESWERT Op basis van stijlkritiek kan men de beelden situeren in het tweede kwart van de 16de eeuw in het Maasland, meer bepaald in de omgeving van de Maastrichtenaar Jan van Steffeswert. Vermoedelijk afkomstig van Stevensweert, vestigde deze beeldsnijder zich rond 1500 in Maastricht. Dit werd recentelijk met archivalische bronnen bewezen (7). Het ligt voor de hand dat een kunstenaar zijn atelier in een grotere stad vestigt. Daar was hij gemakkelijker bereikbaar voor opdrachtgevers en was er een markt waar hij zijn grondstoffen - onder andere pigmenten voor de polychromie - kon aankopen. Bovendien was Maastricht ideaal gelegen als afzetmarkt voor producten. Maastricht kende van oudsher een hoogstaande artistieke traditie en was een knooppunt op de handelsweg van Vlaanderen naar het Rijnland. De stad kende een speciaal statuut door haar tweeherigheid : de soevereniteit van de stad moest er gedeeld worden door de prinsbisschop van Luik en de hertog van Brabant. De invloed van de Maasstad op artistiek en economisch vlak strekt zich uit over de ganse regio Limburg. De invloed van Luik op Limburg, die in het verleden al te sterk benadrukt werd moet wellicht toch wat genuanceerder gezien worden. Ook in de 16de eeuw liep er een taalgrens tussen Luik en Limburg, die een economische en artistieke barrière vormde. Het afzetgebied van Jan van Steffeswert ligt in een straal van 40 km rond Maastricht, de ganse provincie Limburg, Nederlands Zuid-en Midden Limburg, Aken en Luik.

De kunsthistoricus die het werk van Jan van Steffeswert bestudeert, mag deze beeldsnijder dankbaar zijn omdat hij een aantal van zijn werken signeerde. Tot hiertoe werd zijn signatuur teruggevonden op 11 beelden of beeldengroepen. Zij komt voor in vijf varianten, soms in combinatie met in het midden eenjaartal en een meesterteken : een horizontaal doorsneden driehoek waaronder een sterretje en getopt met een kruisje. 1. JAN VAN STEFFESWERT op een Sint-Anna-tendrieeën in de Sint-Gertrudiskerk van Tüdderen (Duitsland, Kreis Heinsberg), met meesterteken en datum 1513, en op een reliekbuste van de Heilige Amalberga in de kerk van Siisteren (8). 2. JAN VAN WEERD, op een Maria Magdalena in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, met meesterteken en jaartal 1509, en op een Madonna op maansikkel in het Saint Mary College te Oscott( Engeland). 3. JAN BIELDESNIDER, met meesterteken en jaartal 1524 op de Madonna in de stralenkrans in Aachener Dom. 4. JAN BIELDESNIDER VAN WEERD met meesterteken en jaartal 1508 op een Sint-Jan in disco in bezit van de Compagnie de Charité te Luik. 5. JAN op een Sint-Anna-ten-drieën, in de OnzeLieve-Vrouwekerk van Pey-Echt (NederlandsLimburg) met meesterteken en jaartal 1511; op een mannelijke heilige in de Sint-Pieterskerk van Maastricht, met meesterteken, en op een heilige bisschop in het Bonnefantensuseum te Maastricht, met meesterteken, op de groep De Bekering van Sint-Hubertus, in het kerkje van Erpekom in het Openluchtmuseum van Bokrijk, met meesterteken, en tenslotte op een Sint-Jozef met kind in de Sint-Niklaaskerk van Heythuysen (Nederlands-Limburg). Vijf gesigneerde exemplaren dragen eenjaartal: 1508, 1509, 1511,1513,1524. Het laatste gesigneerde en gedateerde werk is het Marianum voor de Domkerk van Aken. Een dergelijke opdracht wijst erop dat de beeldsnijder op dat ogenblik een behoorlijke reputatie moet opgebouwd hebben. De naam "Jan van Stevensweirde, bieldsnijder" duikt voor het eerst op in de Maastrichtse archieven in 1499. Daarnaast komt in de periode 1501-1525 ook vaak de naam "Jan Bieldesnider" voor. Wellicht gaat het hier om dezelfde kunstenaar (9). Dank zij de gesigneerde stukken kunnen op grond van stijlkenmerken een vrij groot aantal beelden in kerken van de beide Limburgen, in het bijzonder in


32

M&L

Maastricht aan hem, zijn atelier of zijn omgeving worden toegeschreven. In totaal komt men op een 30 a 35 werken (10) Het valt op dat vooral de vrouwelijke heiligen hem nauw aan het hart lagen. Karakteristiek bij zijn vrouwenfiguren is het eivormige gelaat en het gebombeerde voorhoofd, de modieuze en excentrieke hoofdbedekking, de gedetailleerd uitgewerkte kledij met vele kwasten en strikken, de elegantie en de soepelheid in de bewegingen. Zijn modellen zocht hij niet bij de plattelandsvrouwen, maar bij de rijke, stedelijke bourgeoisie, zoals hij ze in de straten van Maastricht zag rondlopen. Zijn vrouwen zijn charmante, bekoorlijke figuren, maar missen de religieuze diepgang, die men van een heilige zou verwachten. Hij was geen vernieuwer, maar had wel oog voor de tendenzen van zijn tijd en voor wat goed in de markt lag. Het onderwerp is nog religieus, maar de uitwerking is profaan. Onder de renaissance-kleding is de laatgotische vorm nog merkbaar. Zijn thema's worden op een stereotiepe en conventionele wijze behandeld. Hetzelfde type van vrouw komt steeds terug, enkel de attributen en de vestimentaire details worden aangepast. Zijn beelden hebben, zoals gebruikelijk in het Maasland, een polychrome afwerking, iets wat in het nabijgelegen Rijnland niet vanzelfsprekend was. Bij de kleine formaten werd de kleurige beschilde-

ring soms achterwege gelaten. Slechts weinige van zijn beelden bevinden zich in museumcollecties, waar zij meestal een restauratieve behandeling kregen. De meeste functioneren nog als devotieobjecten in kerken waar zij door al te ijverige kosters vaak met dikke verflagen overschilderd zijn.

HET HEILIG GRAF In Limburg bleven slechts twee beeldengroepen met de "bewening van het Heilig Graf" bewaard. Behalve in Bree, bevindt zich uit dezelfde periode een vrij identieke voorstelling in de Sint-Trudo-kerk van Grote-Brogel (Peer). De groep werd hier uitgebreid met Johannes die Maria ondersteunt. De houten beelden zijn zwaar overschilderd en de Christusfiguur is niet origineel. De aanwezigheid van beide Heilig Grafvoorstellingen in Noord-Limburg op korte afstand van elkaar is wellicht geen toeval, maar zou kunnen samenhangen met de figuur van Jan van Abroek (Beek bij Bree circa 1440 -Slenaken 1510). Hij werd kanunnik van het Heilig Graf in het klooster van Henegouw te Wimmertingen bij Hasselt en richtte een vijftal mannenkloosters op. Hij was ook de stichter van de vrouwelijke tak van de Heilig Graforde in het prinsbisdom Luik: in Kessenich-Kinrooi, op enkele kilometers van Bree, ontstond het eerste vrouwenkloos-


ML BINNENKRANT Nr. 77 Bijlage bij M&L 16/1 jan.-feb. 1996

Architecture 61 ou I'architecture perdue et retrouvée

|

par Albert Bontridder

REVUE BIMESTRIELLE O'ARCHITEGTÜRE ET D'URBANISME | NUMERO 39/40


2

van deuren en poorten van particuliere woonhuizen. Tijdsgebonden factoren waren de oorzaak van de beperking tot circa 1914. De rijke interbellumperiode komt spijtig genoeg niet aan bod, wat ook door de auteur als een gemiste kans wordt aanzien.

Literatuur VAN IJZER TOT POLDER Zopas verscheen een handige cultuurgids over de streek van IJzer tot polder, beter bekend als Bachten de Kupe. Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort en de tussenliggende dorpen met mooie namen als Stuivenskerke, Booitshoeke, Ramskapelle komen er aan bod. Te vaak wordt gedacht dat er op monumentengebied niet veel overblijft in deze door oorlogen zwaar geteisterde streek, maar niets is minder waar. Dit gebied, dat tussen de 9de en de 13de eeuw door indijken en verlanden heroverd werd op de zee, vormt nu een rijke polder waarvan de aanleg door de vroegere abdijen geleid werd. Het eerste gedeelte van de gids verhaalt de moeizame geschiedenis van de streek, met de heropbouw na de Eerste Wereldoorlog. Het tweede deel beschrijft de verschillende sites met hun monumenten, in de vorm van stads- en dorpswandelingen. De bibliografie nodigt uit tot verdere uitdieping van het thema. De gids is vlot geschreven en in een handig zakformaat uitgegeven. We misten enkel een overzichtskaart van de streek, hetgeen toch prachtig in de uitslaande omslag had gepast.

De tocht door de geschiedenis van de Gentse deuren en poorten start met een beknopte geschiedenis van de rijtuigen, daar deze uiteraard een neerslag hebben op de evolutie van de koetspoorten. Hierop volgt de historische evolutie vanaf de 11de eeuw en onderweg wordt de nodige aandacht besteed aan architectuur, het schrijnwerk en niet te vergeten het beslag. De deur of poort startte in de middeleeuwen als een verdediging van de inwoners en hun bezittingen en werd langzamerhand een statussymbool. De versiering volgde de architectonische trends en dit bouwonderdeel werd het werk van verschillende gespecialiseerde ambachtslui zoals steenhouwers, metsers, stucadoors, ijzergieters, geelgieters, smeden, glazeniers. Het sierlijke beslag kwam het comfort en de beveiliging ten goede. Niet alleen de nog bestaande deuren en poorten worden in het overzicht betrokken, doch ook bevindingen van archeologische aard, iconografisch materiaal zoals prenten, oude foto's, bouwaanvragen en modelboeken helpen het overzicht vollediger te maken. Dank zij de publikaties over de details van het Gentse woonhuis hoopt de

Marjan Buyle ï ' ...,11'" •

' Moons, Van IJzer tot polder, 128 pagina's, zwart-wit foto's en plattegronden van de steden, 395,-fr. uitgegeven door het Davidsfonds, Leuven

DEUREN EN POORTEN Na de publikatie Vensfers in 1993, brengt de Dienst Monumentenzorg van de stad Gent een nieuwe publikatie over deuren en poorten. De auteur Guido Everaert, bijgestaan door Daniël Liévois en Marie-Christine Laleman, biedt ons een overzicht vanaf de 11de eeuw tot circa 1914

' ^ ' ( f t ..ii-ji. .^u.iui.rÉ.i.u

Dienst Monumentenzorg de bewoners bewust te maken van de waarde van het vakmanschap van de diverse onderdelen. De auteur hoopt in zijn besluit dat deze publikatie een aanzet mag betekenen voor het behoud en herstel van het Gentse patrimonium. Een hoop die wij met hem delen.

Everaert G. - Laleman M.C. & Liévois D., Deuren en poorten. Zeven eeuwen techniek en esthetiek. Stad Gent, Dienst Monumentenzorg, 1995,152 pp.; 179 afb., kostprijs 500 fr. Te bekomen Stad Gent, Dienst Monumentenzorg, Ouderstraat 20, 9000 Gent, tel. 09/223.99.22 223.99.77.

BOUWKUNDIG ERFGOED IN HET KEMPENS LANDSCHAP Met de publikatie van het verzamelwerk Bouwkundig Erfgoed in het Kempens Landschap wilde de kamer van het Bouwbedrijf in het arrondissement Turnhout haar 75-jarig bestaan een blijvend aandenken schenken. Vijftien medewerkers verleenden hun medewerking aan dit boek met Jozef Schellekens als eindredacteur. Het is opgevat als een fraai kijk- en leesboek met verzorgde lay-out, mooie illustraties en luchtige bladspiegel, gebonden in een kaft met linnen omslag en glimmend schutblad. Het boek bevat twee luiken: een eerste deel, ongeveer één derde van het corpus, handelt over de Natuurmonumenten- Kempens Landschap, de overige twee derden over de Cultuurmonumenten - Bouwkundig Erfgoed. De Kempen zoals ze in de inleiding worden gesitueerd, bestrijken echter een landstreek die minstens vijfmaal zo groot is als het besproken gebied; in concreto beperkt het boek zich tot de Antwerpse Kempen, en dan nog in hoofdzaak tot het arrondissement Turnhout. Bij de bespreking van het landschap gaat de aandacht naar de gehele Antwerpse Kempen. Dit hoofdstuk biedt een mooie verzameling van een

B I N N E N K R A N T


3

aantal geologische aspecten van de Antwerpse Kempen, met onder andere cuesta's, het zadeldak van de Kleine Nete en de paraboolduinen, maar lijkt ons vrij moeilijk en onoverzichtelijk voor de leek. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat in een zo kort mogelijke tekst, met veel illustraties, zoveel mogelijk informatie van verschillende auteurs werd samengebundeld. Soms ontbreken ook belangrijke details in de afbeeldingen, bijvoorbeeld de preciese situering van sommige dwarsprofielen. Spijtig is ook dat bij de paraboolduinen bijna alle aandacht gaat naar de overbekende duinen in de Kalmthoutse Heide, terwijl de mooiste paraboolduinen - die van Bel en Meerhout - toch heel wat 'centraler' in de Kempen liggen. Het bouwkundig erfgoed is opgedeeld in verschillende thema's: kerken, raadhuizen, abdijen, molens, begijnhoven, kastelen, woon- en werkplaatsen, hout- en glaskunst en interieur, waaraan telkens een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd; voor elk artikel werden een twaalftal pagina's uitgetrokken. De uitwerking, het tijdskader, de geografische omschrijving alsook de kwaliteit van de verschillende bijdragen is nogal uiteenlopend. Wel zijn de meeste teksten levendig en vlot geschreven. Jammer dat heel wat taalfouten niet werden verbeterd en bij de tekstverwerking zoek geraakte woorden in de eindredactie niet terug werden opgevist. In de bijdrage over de kerken wordt de architectuur van de belangwekkendste exemplaren deskundig toegelicht, met een duidelijke nadruk op de typische 'Kempense' kenmerken. Mogelijk door plaatsgebrek is het neogotische oeuvre van de familie Taeymans nogal stiefmoederlijk behandeld. De raadhuizen zijn in een ruimere context geplaatst waarbij zowel het verband tussen functie en vormgeving als de eigen stempel die de provinciale architecten op hun werk hebben gedrukt uit de doeken worden gedaan. Verdienstelijk zijn de plattegronden die de abdijen van Westmalle, Tongerlo en Postel illustreren. De bijdrage over de molens is overzichtelijk, educatief, goed. In zijn bijdrage over de begijnhoven licht de auteur een tip van de sluier op die over het leven van de begijntjes hing. Op zijn wandeling door het begijnhof van Turnhout doet hij terloops ook Herentals en Hoogstraten aan. Vrij oppervlakkig is het artikel over de

kastelen en dat het Herlaarkasteel zijn huidig uitzicht zou gekregen hebben in 1704 strookt in geen geval met de foto in het boek. Niettegenstaande de sterke verstedelijking die ook de Kempen niet onberoerd lieten, vormen de hoeven en boerderijgebouwen toch nog het leeuweaandeel in het hoofdstuk over de woonplaatsen. Lovenswaardig is de aandacht die geschonken wordt aan het hedendaagse oeuvre van de zogenaamde Turnhoutse School maar waarom dit dan ook niet rijkelijk illustreren? Ook het 19de-eeuwse burgerhuis, de Art Deco of de Nieuwe Zakelijkheid werden geen foto waardig geacht. Te kort maar goed, wordt de erfenis van de industriële revolutie geschetst. Interessante informatie bevatten de bijdragen over hout- en glaskunst. Misschien was in een werk als dit ook een artikel over standbeelden en straatmeubilair op zijn plaats geweest. Enigszins verwonderlijk is het feit dat anno 1995 de bespreking van het interieur nog wordt losgekoppeld van het exterieur; afgezien van een aantal onvermijdelijke overlappingen is deze benadering ook achterhaald. Bedoeld als 'aandenken' is het opzet van het boek Bouwkundig Erfgoed in het Kempens Landschap zeker geslaagd. Het oogt mooi, leest vlot en zal zeker vele Kempenaars met trots vervullen maar voor een bevredigend overzicht van en inzicht in de natuuren cultuurmonumenten van de Kempen is er nog wel wat werk aan de winkel. Greet Plomteux m.m.v. Ludo Meesters

Schellekens J., e.a. Bouwkundig Erfgoed in het Kempens Landschap, De Hoogstraatse Pers, Hoogstraten, 1995,175 pp.

LANDSCHAPPEN VAN VLAANDEREN EN WALLONIË IN KAART EN BEELD Bij het Davidsfonds Leuven verscheen onlangs een kijk- en leesboek over landschappen in Vlaanderen en

Wallonië, dat tot stand kwam onder redactie van de professoren Luc Daels, Frans Depuydt, Eduard van Ermen, Modest Goossens en Etienne Paulissen. Zij begeleidden de vele auteurs die meewerkten aan dit boek en namen zelf een aantal teksten voor hun rekening. Het resultaat is een voorstelling van een dertigtal landschappelijke streken uit dit land, waarbij vooral liefhebbers van kaarten aan hun trekken komen. De bedoeling van het werk is drievoudig: allereerst wil men aantonen hoe uit topografische kaarten met variërende schalen een streekbeeld kan gedistilleerd worden, rekening gehouden met de werkelijke verschijningsvorm van het gebied zoals die tot uiting komt op de luchtfoto. Op de tweede plaats wordt

getracht de verscheidenheid van de Belgische landschappen zo goed mogelijk te beschrijven aan de hand van het gebruikte kaartenmateriaal. In derde instanstie wensen de samenstellers een overzicht te geven van de Belgische, systematisch uitgewerkte kaartseries, waarbij zowel topografische kaartreeksen als thematische series en historische kaartbladen (van Mercator tot heden) ter sprake gebracht worden. De luchtopnamen zijn indrukwekkend en er werd naar een grote verscheidenheid gestreefd: er is een afwisseling van klassieke luchtfoto's, luchtfotomozaïeken, orthofotoplannen en satelietbeelden. De dertig hoofdstukken, die verder geïllustreerd zijn met uittreksels uit oude historische kaarten (de onvolprezen Ferrariskaarten I) en prachtige landschapsfoto's (waarvan het een beetje teveel speurwerk vraagt om de fotograaf ervan te identificeren...), kunnen onafhankelijk van elkaar gelezen worden, omdat elke streek-

B I N N E N K R A N T


4

beschrijving een verhaal op zich is. Het geheel wordt, zoals het hoort, afgerond met een uitgebreide bibliografie. Misschien zou een verklarende woordenlijst van moeilijke termen het geheel nog toegankelijker maken voor een breder publiek. Marjan Buyle

BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN. PROVINCIE ANTWERPEN. ARRONDISSEMENT MECHELEN. KANTON PUURS. KLEIN-BRABANT. DEEL 13N3 Op 27 oktober 1995 stelde Vlaams Minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, Luc Martens in het Landhuis van Bornem het zesendertigste boekdeel in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen voor aan pers en publiek. Dit nieuwe inventarisdeel, samengesteld door S. De Sadeleer, H. Kennes, G. Plomteux en R. Steyaert behandelt het kieskanton Puurs van het arrondissement Mechelen. Dit kanton beslaat het zuidwestelijk deel van de provincie Antwerpen met de Rupel en de Schelde als noordelijke en westelijke grenzen. Ten zuiden sluit het kanton aan bij de provincies Brabant en Oost-Vlaanderen, ten oosten bij het kanton Mechelen. Het gebied wordt ten oosten begrensd door de A12 Antwerpen-Brussel. Het kanton omvat de gemeenten Puurs, Bornem en Sint-Amands. Puurs met Breendonk, Liezele, Ruisbroek en de Scheldegemeenten Bornem met Hingene, Mariekerke, Weert en Sint-Amands met Oppuurs en Lippelo zijn vooral gekend als het toeristisch aantrekkelijke Kleln-Brabant, vereeuwigd in de gedichten van Emile Verhaeren. Vooral het polderland met de Scheldedijken en het erbij horende rivierenlandschap genieten een meer dan regionale waardering. De bevaarbare waterwegen de Schelde, de Rupel en de Vliet hadden een grote impact op de geschiedenis en de bebouwing van de streek. De machtsstrijd tussen Vlaanderen en Brabant, die de 'onsamenhangende' geschiedenis en de verschillende juridische en bestuurlijke statuten binnen

het huidige kanton tot op het einde van het Ancien Régime bepaalde is hieraan zeker niet vreemd. Ook in de spreiding en aard der bebouwing speelde de waterhuishouding een belangrijke rol. De algemene aanblik van de bebouwing is vrij heterogeen met naast industriezones en de meer verstedelijkte gemeenten Bornem en Puurs, kleinere verspreide woonkernen in een natuurllijk en ruraal landschap. De eeuwenlange economische Isolatie van het grootste deel van Klein-Brabant resulteerde in een sobere doorsnee-architectuur. Anderzijds getuigen uitschieters zoals de Sint-Pieterskerk van Puurs, het domein d'Ursel te Hingene en enkele grote hoeven in deze 'arme' streek van de bevoorrecht positie van adel en clerus tijdens het Ancien Régime terwijl de 17de- en 18de-eeuwse huizen in de dorpskern van SintAmands er herinneren aan de bloeiende handelpraktijken van weleer. Naast enkele sporen van romaanse en gotische kerkbouw, waaronder vooral de crypte van de Onze-LieveVrouw en Sint-Leodegariuskerk van Bornem dient vermeld, werd het uitzicht van de meeste bedehuizen door voortdurende aanpassingen en uitbreidingen bepaald. De cruciale rol hierin speelde de provinciale bouwmeester J. Schadde die In de tweede helft van de 19de eeuw op tal van kerken zijn stempel drukte. Kenmerkend voor Klein-Brabant is ook de talrijke aanwezigheid van OnzeLieve-Vrouwekapellen, met enkele mooie voorbeelden uit de 17de eeuw. De meeste gemeentehuizen werden In de loop van de 20ste eeuw ondergebracht in voormalige heren- en landhuizen; een verrassende uitzondering is het neoclassicistische gemeentehuis van Oppuurs. Kleine dorpswoningen en eenvoudige boerenhuizen In sobere regionale stijl vormen de rode draad doorheen het patrimonium; fraaiere woningen uit het Ancien Régime komen sporadisch voor in Sint-Amands, Hingene en Lippelo. In de 19de en 20ste eeuw wordt het aanbod groter met bepleisterde en witgeschilderde burgerhuizen In het centrum van Puurs of landhuizen in Bornem en Sint-Amands. Spectaculair is het gehucht Buitenland waar eind 19de eeuw gereconstrueerde gebouwen oud Antwerpen doen herleven. De nieuwe architecturale stromingen van het interbellum beroerden Klein-Brabant nauwelijks.

Het noordelijk deel van het kanton met zijn moerassige bodem telt weinig hoeven; het rijke leemland van het zuidelijk deel daarentegen bezit vele, relatief grote landbouwbedrijven. Hoewel een aantal sites in kern middeleeuws zijn, zijn de oudst bewaarde boerderijen terug te voeren tot de 17de eeuw. Ook een aantal kastelen en buitenplaatsen kunnen op een oude oorsprong bogen. Het meest befaamde is het kasteel d'Ursel te Hingene dat zijn huidige aanblik kreeg door een grootscheepse verbouwingscampagne in de tweede helft van de 18de eeuw en het kasteel van Marnlx van Sint-Aldegonde dat In 1890-1894 door H. Beyaert werd verbouwd. Bijzonder karakteristiek is het jacht-en zomerpaviljoen De Notelaervan 17911794 n.o.v. de Franse hofarchitect Ch. de Wallly. Tot het midden van de 20ste eeuw werd de economie hoofdzakelijk bepaald door ambachtelijke activiteiten en streekgebonden nijverheden met weinig of geen indrukwekkende infrastructuur. Bulten de imposante bedrijfsgebouwen van de 19de-eeuwse brouwindustrie, blijven de sporen van het Industrieel bouwkundig erfgoed bijgevolg beperkt. Daarentegen vormt het 16de-eeuwse Sas van Bornem, de oudst bewaarde mechanische sluis, een belangrijk component binnen de industriële architectuur van ons land. Het opzet van deze snelinventaris is meer dan een archltectuurgids voor de streek. De verzamelde documentatie biedt een overzicht van het bouwkundig erfgoed en vergemakkelijkt de evaluatie voor latere beschermingsvoorstellen. Tenslotte is hij een onontbeerlijk uitgangspunt voor verder wetenschappelijk onderzoek. S. De Sadeleer en G. Plomteux

B I N N E N K R A N T


KLEINE CULTUURGIDSEN De reeks Kleine Cultuurgidsen werd in 1990 opgezet door het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, en telt momenteel 16 deeltjes. Deze bescheiden monografieën behandelen in beknopte vorm een monument of ensemble, een bouwtype of -stijl, uit het bouwkundig erfgoed van OostVlaanderen. Zij combineren een gedegen historische en stylistische situering, met een inventaris- of gidsgedeelte dat uitnodigt tot een bezoek ter plaatse. De samenstellers zijn medewerkers van de afdeling Monumentenzorg en Cultuurpatrimonium, aangevuld met gastauteurs. De boekjes tellen gemiddeld 65 p. en zijn volledig in kleur gellustreerd. Het kleine formaat (A5) houdt in dit opzicht wel een zekere beperking in, hoewel dit nauwelijks als kritiek is op te vatten. De keuze van de onderwerpen is bijzonder gevarieerd, waarbij de aandacht zich vooral richt op het niet zo gekende patrimonium. In 1995 kwamen vier nieuwe deeltjes van de pers. Het Miljoenenkwartier, een Gentse woonwijk uit het interbellum, gaat

HET MILJOENENKWARTIER EEN GENTSE WOONWIJK UIT HET INTERBELLUM

terug op een licentiaatsverhandeling van Leen Meganck, en bevat verder bijdragen van Norbert Poulain en Anthony Demey. Het Miljoenenkwartier werd vanaf 1926 aangelegd op de terreinen van de Gentse Wereldtentoonstelling van 1913. Het verkavelingsplan kenmerkte zich door een prestigieuze parkaanleg met monumentale zichtassen rond het centrale Paul de Smet de Naeyerplein. Strikte bouwvoorschriften moesten het esthetische karakter van deze luxueuze villawijk waarborgen. Tussen 1927 en 1939 werden 252 woningen opgetrokken, die een staalkaart vormen van de Gentse interbellumarchitectuur, van traditionalistische neo-Lodewijk-stijlen en romantische cottagearchitectuur, over Art Deco en expressionistische baksteenarchitectuur, tot cubisme, Nieuwe Zakelijkheid en het zuiverste modernisme van de Internationale Stijl. Om het residentiële karakter en de specifieke eigenheid van deze gaaf bewaarde wijk tegen speculatieve druk en tertiarisering te vrijwaren, werd het Miljoenenkwartier in 1994 als stadsgezicht beschermd. Na een historiek van de wijk, en een bouwkundige situering van het interbellum, komt de architectuur van het Miljoenenkwartier gedetailleerd aan bod, onderverdeeld in de drie hogervermelde stijlgroepen. Kaderteksten bieden bijkomende biografische gegevens over de belangrijkste architecten die de wijk vorm gaven: Maurice Fétu, Charles Hoge, Valentin Vaerwijck, Jean Hebbelynck, Jules Lippens, Geo Henderick, Gaston Eysselinck, Jan-AIbert De Bondt, Mare Neerman en André Claessens. Tot slot wordt stilgestaan bij het meest kwetsbare onderdeel van dit patrimonium, de interieurs die hier en daar bewaard bleven, en het typische fenomeen van de voortuintjes met hekwerk. In Geo Verbanck, beeldhouwer schetst Anthony Demey het leven en werk van deze Gentse kunstenaar, vriend en artistiek 'compagnon de route' van Valentin Vaerwijck. Deze leerling van Louis Van Biesbroeck en Charles Van der Stappen, geldt niet als avant-gardist doch evenmin als epigoon. Het vloeiende Art Nouveau-karakter van zijn vroeg werk, maakt tijdens het interbellum plaats voor een meer lineaire, abstractere tot zelfs classicerende vormgeving, en evolueerde na de Tweede Wereldoorlog naar een realistischer weerga-

ve. Het belang van Verbancks oeuvre komt wellicht het best tot uiting in zijn vrije plastiek, waarbij zijn gezin, vooral zijn kinderen en later zijn kleinkinderen, model stonden voor intimistische, soms ingetogen, dan weer puur sensuele beelden. Zijn talloze portret-

GEO VERBANCK 8BÊU3HOUWEH

A N ^ H . J ^ V OEMEY

bustes en medaillons kenmerken zich door een hoge graad van realisme. In het Gentse straatbeeld is Verbanck nadrukkelijk aanwezig met monumentaal beeldhouwwerk zoals het gedenkteken voor de gebroeders Van Eyck, de versiering van het Provinciehuis en het fronton van het Gerechtsgebouw. Deze beknopte monografie heeft niet de pretentie een definitieve studie te willen zijn, een volledige oeuvrecatalogus moet trouwens nog worden gemaakt. Toch is het werkje gebaseerd op oorspronkelijk bronnenonderzoek, wat toeliet een meer waarheidsgetrouw beeld op te hangen, zij het in grote lijnen, van de carrière van de kunstenaar, gesitueerd in de geschiedenis van de beeldhouwkunst in België. Het Kasteel van Laarne, door Patrick Devos, behandelt een voor menigeen bekend monument, eigendom van de Koninklijke Vereniging der historische Woonsteden van België. Toch werd de bouwgeschiedenis nog nauwelijks bestudeerd. Dit werkje doet een poging de vele vragen die het gebouw oproept, mede door het ontbreken van archiefgegevens, te beantwoorden. Volgens archeologische bevindingen zou het site lange tijd landbouwgrond

B I N N E N K R A N T


De Heilig Kruiskerk te Heusden Auteurs: Patrick Devos en Martine Pieteraerens 72 p. ISBN 90 74311 13 X Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, Afdeling 92-Monumentenzorg en Cultuurpatrimonium P.A.C. Het ZuidWoodrow Wilsonplein 2 te 9000 Gent

Tel. 09/267.72.00 • Fax. 09/267.72.99 Prijs: 130,-Bfr.

zijn geweest. Omstreeks 1300 verrijst een stenen bouwsel, het huidige westelijk poortgebouw. Dit wordt in de 14de eeuw geïntegreerd in een burcht met regelmatig grondplan, drie torens, een donjon en woonvleugel, verbonden door weermuren. Het defensieve complex wordt vanaf de 17de eeuw uitgebouwd voor een residentiële functie. Hierbij wordt de toegang verlegd naar het oosten en via een voorplein en dreef geaxeerd op de dorpskern. Devos brengt een samenvatting van het beschikbare bronnenmateriaal en poogt daarbij feiten van fictie te scheiden. Het wordt vervolgens getoetst aan een gedetailleerde analyse van de verschillende bouwonderdelen in hun historische evolutie. Nauwgezet onderzoek van de talrijke sporen, vaak nochtans verdoezeld door latere verbouwingen of restauraties, laat zo toe het bouwverloop te reconstrueren en te duiden. De bijgevoegde plattegrond vormt een noodzakelijk instrument bij deze complexe, voor de leek misschien wat al te technische beschrijving. De Heilig-Kruiskerk te Heusden, door Patrick Devos en Martine Pieteraerens, verscheen ter gelegenheid van het 150-jarig jubileum van deze bescheiden maar boeiende dorpskerk. Het gebouw, een schepping van Mathias Joseph Wolters, hoofdingenieur van Bruggen en Wegen in OostVlaanderen, illustreert de overgang van het neoclassicisme naar de neogotiek. Dankzij een royaal mecenaat werd ook aan de homogeen neogotische interieuraankleding en het verfijnde meubilair de grootste

zorg besteed. Hierbij vinden we de namen terug van onder meer Pierre De Vigne-Quyo, en de gebroeders Leopold en Leonard Blanchaert. Zowel exterieur als interieur zijn bijzonder goed bewaard gebleven, met uitzondering dan wel van het oorspronkelijke stucgewelf en de glas-inloodramen. Het werkje schetst de onstaansgeschiedenis van de kerk, de protagonisten en de onvermijdelijke dorpsvetes, beschrijft het bouwverloop en vergelijkt het lastenboek en de schaarse iconografische bronnen met het huidige uitzicht. De kerk wordt getoetst aan de neogotiek en het overige werk van Wolters. Een gedetailleerde beschrijving van het gebouw met zijn meubilair en roerend patrimonium sluit het boekje af. Jo Braeken

Hef Miljoenenkwartier Auteurs: Leen Meganck, Norbert Poulain en Anthony Demey 64 p. ISBN 90 74311 11 3 Geo Verbanck Auteur: Anthony Demey 64 p. ISBN 90 74311 14 8 Het Kasteel van Laarne Auteur: Patick Devos 58 p. ISBN 90 74311 15 6

BIBLIOTHEEK MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Na een periode van relatieve inactiviteit, te wijten aan verhuisperikelen en organisatorische moeilijkheden, heeft de Bibliotheek Monumenten en Landschappen sinds een jaar haar werking hervat. De collecties gaan in oorsprong terug op de bibliotheek van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Na de opsplitsing in twee autonome secties, werd de bibliotheek aan Vlaamse zijde vanaf 1975 verder uitgebouwd door de toenmalige Rijksdienst voor Monumentenen Landschapszorg, de huidige Afdeling Monumenten en Landschappen. Vandaag telt de bibliotheek zowat 15.000 volumes, een aantal dat jaarlijks met een 800 eenheden wordt uitgebreid. Het interessegebied omvat in hoofdzaak recente publikaties in verband met geschiedenis en theorie van de Westerse architectuur, stedebouw en tuinkunst, het historische interieur, de industriële archeologie, het historische orgel, theorie en praktijk van de monumenten- en landschapszorg, geschiedenis en architectuur van steden en gemeenten in Vlaanderen. Daarnaast is de bibliotheek geabonneerd op een 160-tal gespecialiseerde tijdschriften rond dezelfde thema's. Een belangrijk aandeel van het boekenbezit vormen de antiquarische collecties, met voornamelijk geïllustreerde architectuurboeken en plaatwerken uit de 17de tot de vroege 20ste eeuw, uitgaven van binnen- en buitenlandse oorsprong, zowel over

B I N N E N K R A N T


jmmmm&'mimmmm^

s

• Lies

m l BRW6LS-18$0

i MSWM^^

eigentijdse als historische bouwkunst. De verdere collectievorming richt zich met name op Belgische architectuurpublikaties, zowel boek- en plaatwerken, brochures als tijdschriften uit de 19de en 20ste eeuw. Tot de meest opvallende aanwinsten van het werkingsjaar 1995 behoren Jacques-Frangois Blondel's De la distribution des maisons de plaisance et de la decoration des edifices en general u\\. 1737, het 18de-eeuwse modellenboek bij uitstek voor de bouw en de inrichting van landhuizen en kastelen, een eerste uitgave van Marc-Antoine Laugier's invloedrijke Essai sur l'architecture uit 1753, en Monuments d'architecture et de sculpture en Belgique, een reeks van 60 chromolitho's met romantische voorstellingen van monumenten en interieurs door Frangois Stroobant uit 1851-53, vergezeld van historische notities door Félix Stappaerts.

zsi* D Z L A

DISTRIBUTION DES MAESONS D E PI -XISAACE-

DECORATION DES

EDIFICES E N I

De verzameling plaatwerken van Belgische architecten werd ondermeer uitgebreid met Souvenir de la fète donnée Ie 26 septembre 1848 par Ie Cercle Artistique et Littéraire, het herdenkingsalbum met de tijdelijke feestversiering van de Magdalenamarkt door Alphonse Balat uit 1849, de Verzameling van bouwkundige ontwerpen door GustafDe Cock gegraveerd door G. Miry, een merkwaardige bundel architectuurontwerpen voor diverse types gebouwen in uiteenlopende neostijlen van een overigens onbekend architect uit 1868, De bouwkunde in België, Vervolg van 25 voorgevels ontworpen in den smaak der Vlaamsche bouwkunstder 16e eeuw, een reeks fantaisistische gevelontwerpen in neoVlaamse-renaissancestijl door architect-kunstschilder J.M. Ryssens De Lauw uit 1878, een ingekleurd exemplaar van de Recue// de tagades primées & constructions diverses, bekroonde ontwerpen voor diverse gevelwedstrijden met name in Schaarbeek en Eisene door Henri Van Massenhove, door de auteur gesigneerd en gedateerd in 1908, en Bouwkundig teekenen het leerboek van Broeder Alfred-Maurice van de Gentse Sint-Lukasschool uit 1937. Naast een reeks eigen geschriften of publikaties van onder meer Henry van de Velde, Paul Jaspar, Victor Bourgeois, Huib Hoste, Cols & De Roeck en Marcel Van Goethem, werd een

GENERAL,

•

, i i Mn; (Om*

Pbrnfaei ta Eji&-doa•

•

r o MI !' IU MI u v

A PARIS, R y g DAUTOfM', CfceeCmwiw-AwTomi! Jmtatx, Libtaire éa W M. DCC XXXVH

RECUBL DE PARADES PimiÊES

&

CONSTRUCTIONS DIVERSES

%

exemplaar verworven van Les vrais principes de l'architecture ogivale ou chrétienne, de Franse vertaling en bewerking van A.W. Pugin's standaardwerk door T.H. King uit 1850, het tweedelige Fermes-types et constructions rurales en West-Flandre door Alfred Ronse en Theo Raison uit

B I N N E N K R A N T


1918 en het vierdelige Les anciennes constructions rurales en Belgique door T. Clément, J. Ghobert en C. Huart uit 1914-1919, beide invloedrijke werken voor de wederopbouw, en Une oeuvre d'architecture moderne par Dom Paul Bellot O.S.B., een overzicht van het vroege werk van deze architect van religieuze gebouwen uit 1927. Uit de categorie Wereldtentoonstellingen vermelden we de albums Oud-Antwerpen en Oud-België van de Wereldtentoonstellingen van 1894 en 1930 te Antwerpen, en Le Livre d'Orvan de Wereldtentoonstelling van 1935 te Brussel. Ter aanvulling van de tijdschriftencollectie werden 36 ontbrekende delen van de Revue de l'Art Chretien aangekocht, naast verschillende jaargangen van L'Emuiation en Vers IArt, een groot aantal losse nummers van onder meer La C/té, Le Document, La Revue Documentaire, Clarté en Opbouwen, en een nagenoeg volledige collectie van La Technique des Travaux. Ook werd een begin gemaakt met het verzamelen van Belgische architectuurtijdschriften uit de naoorlogse periode tot de vroege jaren 1970, die volledig in de collecties ontbraken, met name La Maison, Architecture, Art de Satiren opvolgers ArchitectureHabitation-Urbanisme en Habitat et Habitation. Desondanks is de verzameling Belgische architectuurtijdschriften van de Bibliotheek Monumenten en Landschappen nog verre van volledig. Om dit doel in de toekomst te bereiken maken wij van deze gelegenheid gebruik om mogelijke bezitters of verzamelaars te melden dat de Bibliotheek Monumenten en Landschappen steeds geïnteresseerd is in het verwerven van ontbrekende tijdschriftjaargangen of -nummers, hetzij door schenking, aankoop of ruil. Jo Braeken

De Bibliotheek Monumenten en Landschappen is voor consultatie toegankelijk op werkdagen, na telefonische afspraak. Bibliotheek Monumenten en Landschappen Zandstraal 3 1000 Brussel - Tel. 02.209.27.48

ïentoonstellingen GOUD, BROKAAT EN GLACIS. Het Fonds voor het Roerend Cultureel Erfgoed van de Koning Boudewijnstichting heeft In 1993 een restauratiecampagne S.O.S. Polychromieën gelanceerd. De gerestaureerde werken, geselecteerd uit diverse musea, kerken en verzamelingen van dit land, worden tentoongesteld in het Bijlokemuseum te Gent van 3 februari tot 31 maart 1996. De restauraties werden uitgevoerd door specialisten van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en door zelfstandige restaurateurs. Bij de tentoonstelling hoort een prachtige geïllustreerde catalogus, waarin niet alleen aandacht wordt besteed aan een kunsthistorische situering van de beelden, maar ook - en vooral - aan de uitgevoerde behandeling, die zowel van conserverende als van restauratieve aard kon zijn. Het vooronderzoek en het onderzoek van de stalen in het laboratorium komen ook uitvoerig aan bod. Het zijn uiteraard de resultaten van dit grondig vooronderzoek, die de wijze van behandeling hebben bepaald. Van bepaalde sculpturen werd aldus een oudere (of de oudste) polychromielaag opnieuw vrijgelegd, bij andere werd de huidig zichtbare verflaag behouden en conserverend behandeld. Naast de artistieke schoonheid en het historisch belang van de beelden, willen de organisatoren het belang van de polychromie en de specifieke conservatieproblemen die hiermee gepaard gaan, onderstrepen. Het vergulden, het brokaat en de andere bijzondere decoratietechnieken onthullen zich na de behandeling weer in hun vroegere luister. De tentoongestelde beelden dateren van de 13de tot de 18de eeuw en getuigen van de vaardigheid en het artistiek talent van onze streken. Bepaalde kleinere kunstwerken worden hier voor het eerst voorgesteld, nadat ze lange tijd voor het publiek verborgen gehouden werden uit angst voor diefstal en vandalisme.

Over het ingewikkeld probleem van de restauratie van gepolychromeerd beeldhouwwerk organiseert de Beroepsvereniging voor Restaurateurs van Kunstwerken BRK/APROA een studiedag, in samenwerking met de Vlaamse Museumvereniging en het Bijlokemuseum in Gent. Van deze dag, die doorgaat op vrijdag 15 maart in het museum, is de voormiddag gewijd aan enkele referaten, geïllustreerd met dia's, over de algemene principes van de sculptuurrestauratie, de metodes en technieken, het vooronderzoek en de behandeling. In de namiddag zullen de restaurateurs uitleg verschaffen over de sculptuur die ze behandeld hebben. Op deze studiedag zijn alle belangstellenden welkom, ook diegenen die geen lid zijn van bovengenoemde verenigingen. Inschrijvingsformulieren en het volledig programma kunnen

B I N N E N K R A N T


9

aangevraagd worden bij Marjan Buyle, Afdeling Monumenten en Landschappen, Zandstraal 3,1000 Brussel (schriftelijk ofwel per fax.: 02/209 27 05).

Antwerpen 29% (46)

VlaamsBrabant 12% (78)

Marjan Buyle

S.O.S. Polychromieën. Goud, brokaat en glacis, Bijlokemuseum, Godshuizenlaan 2, 9000 Gent, tel. 09/22511 06 en fax 09/233 34 59, van 3 februari tot 31 maart 1996, open van 9.30 tot 17 uur, gesloten op maandag. Toegang 80 -40 BF. Rondleidingen op aanvraag. Wandelvoordrachten op zondagnamiddag om 14.30 uur.

Oost Vlaanderen 21%

WestVlaanderen 22%

(33)

(35)

Percentage per Vlaamse provincie van het aantal deelnemende gemeenten. Het cijfer tussen haakjes geeft het absoluut aantal deelnemende gemeenten per provincie. De provincie Antwerpen is het best vertegenwoordigd, terwijl de provincies Limburg en Vlaams-Brabant lager scoren dan het gemiddelde.

editie, zoal betekend heeft de Open Monumentendag te organiseren.

Buitenkfant OPEN MONUMENTENDAG EN VLAANDEREN Wie onbezorgd als bezoeker tussen duizenden medebezoekers op de jaarlijkse Open Monumentendag (OMD) rondkuiert, stelt zich geen vragen over wat er zich zoal achter de schermen zou kunnen afspelen. We genieten, met pasklare informatie in de hand, van Vlaanderens cultureel erfgoed, alsof het allemaal de evidentie zelve is. En dat is het allerminst... De jaarlijkse Open Monumentendag Vlaanderen is een grootschalige opzet, waar zowat een half miljoen bezoekers op afkomen. Voor het welslagen ervan is de inzet van duizenden mensen onmisbaar. De hele organisatie steunt enerzijds op de centrale OMD-werking in Brussel (OMD Stuurgroep en Secretariaat) en anderzijds op de decentralisatie naar het lokale vlak, namelijk de Vlaamse gemeenten. Maar liefst 72% van de plaatselijke organisatoren, de zogenaamde Lokale Comités, hebben onmiddellijk na de Open Monumentendag een enquêteformulier ingevuld. Dit artikel geeft de lezer een beeld van wat het blijkens die enquête in 1995, bij de zevende

O M D 1995 Burgerlijke Openbare Gebouwen. Samenleving onder dak In 1995 namen in totaal 159 gemeenten aan de Open Monumentendag Vlaanderen deel. Iets meer dan de helft van de Vlaamse gemeenten organiseerde dus. Die 159 gemeenten stelden tijdens de OMD Vlaanderen 1995 samen 654

monumenten open. Dat betekent gemiddeld vier monumenten per deelnemende gemeente. De gemeentelijke organisatie van de OMD berust bij de Lokale Comités. Die bestaan gemiddeld uit een zestal medewerkers, voornamelijk afkomstig uit de diensten van de betreffende gemeente, de culturele raad, heemkundige kringen en andere verenigingen, gidsen, VVV's en toeristische diensten.

Limburg 10% (66) VlaamsBrabant 12% (78)

WestVlaanderen 22% (146)

Antwerpen 30% (194)

OostVlaanderen 26% (170)

Percentage per Vlaamse provincie van het aantal opengestelde monumenten. Het cijfer tussen haakjes geeft telkens het absolute aantal weer.

B I N N E N K R A N T


10

Er wordt naar gestreefd de teams dynamisch te houden, met het oog op vernieuwing. Het aantal mensen dat op de OMD zelf actief meewerkt is aanzienlijk. In 1995 leidden 3.559 medewerkers in heel Vlaanderen de OMD in goede banen. Het grootste aantal medewerkers staat in voor de bewaking van de gebouwen.

De Stuurgroep OMD pleitte in het voorbije werkjaar voor een intensieve kwaliteitsbewaking zowel bij de keuze van de opengestelde monumenten als bij het onthaal en begeleiding. De randactiviteiten dienen ondergeschikt te blijven aan het doel van de OMD. Die oproep heeft zeker in vergelijking met de vorige editie navolging gekend.

In vergelijking met de vorige editie hebben er meer mensen meegewerkt. Toch blijft het aantal gidsen per opengesteld monument (gemiddeld net geen 2) nog eerder gering, wat betekent dat zij heel de dag lang paraat moeten zijn. In meer dan 90% van de gemeenten was bovendien een infopunt voorzien, al dan niet in een opengesteld monument. De infopunten werden door gemiddeld net geen 2 medewerkers bemand. Op de OMD moet alles vlot kunnen verlopen. Een goede voorbereiding kan wonderen doen. Daar besteden de Lokale Comités dan ook terecht veel aandacht aan: een extra briefing met alle medewerkers van de OMD, bijvoorbeeld een week vooraf, met eventueel een bezoek aan de opengestelde monumenten; een plannetje voor de bezoekers; een goede bewegwijzering in de gebouwen; voldoende parkeergelegenheid...

Pers, media, publikaties Een OMD zet een heuse stroom van bedrukt papier in beweging. Zo is er de centrale programmapublikatie Monumentenmagazine, die in een oplage van 315.000 exemplaren verspreid wordt, naast de vele plaatselijke initiatieven en de weerslag in de geijkte persorganen. Het Monumentenmagazine veranderde in 1995 van opzet. Er was geen uitneembaar agendagedeelte meer. De blikvanger viel weg, maar er kwam bij alle monumenten aansluitend bij het thema meer cultuurhistorische duiding. Omkaderende teksten werden tussengevoegd. Zo sluit het magazine perfect aan bij de verdere taak van de plaatselijke organisatoren: via kleine publikaties vooraf of ter plaatse meer informatie verstrekken over de opengestelde monumenten.

Thematisch werken Het centrale thema van de OMD: Burgerlijke openbare gebouwen. Samenleving onderdak- lokaal vertalen is niet altijd evident. Daar worstelen de gemeentelijke initiatiefnemers wel eens mee; een alternatief is dat de Lokale Comités intergemeentelijk rond het thema samenwerken en gemeenschappelijk een programma, een studiedag of een tentoonstelling opzetten. Er zijn vanuit organisatorisch oogpunt op zo'n OMD immers niet alleen de opengestelde monumenten zelf: men moet tevens zorgen voor een inhoudelijke invulling van de openstelling. Dat doen de Lokale Comités veelal met randactiviteiten. Bij de keuze van die activiteiten rijst prioritair de vraag of de omkadering bijdraagt tot het inzicht in de historische, culturele, sociale of ruimtelijke context van het monument en de site. Terecht streven naar 'het beleven' van het monument betekent nog niet noodzakelijk dat er tot elke prijs ook wat te beleven moet zijn...

academies, OCMW's, sportcentra, heemkundige kringen, bakkers, kappers en bedrijven... Lovenswaardig is dat ongeveer 85 Lokale Comités een eigen publikatie, van een folder tot een brochure, gemaakt hebben. Meer dan de helft ervan werd gratis aan het publiek aangeboden. In totaal zijn er in 1995 over de OMD 790 kranteartikels in de algemene pers opgemerkt. De pers bracht zeer degelijke artikels en katernen. Veel kleine gemeenten vinden nochtans dat de pers nog altijd te veel aandacht besteedt aan alleen maar informatie over de grote steden.

O M D 1996 Zorg en Zin voor Kleur Op zondag 8 september 1996 komt de achtste editie van de OMD Vlaanderen er alweer aan! Het thema is: 'Zorg en Zin voor Kleur'. Ook voor 1997 ligt het thema trouwens al vast: 'Arbeid'. K/eur belooft een boeiende invalshoek te zullen bieden. Het thema kan op zeer uiteenlopende manieren belicht worden: gekleurde gevels, kleur in de stad, bouwen in kleur, kleurillusies, gekleurd licht, marmerkleur, hemelkleur, kleurig gevloerd, gebakken kleur, kleur aan de wand, papieren kleur, interieur met kleur... Kleur alom dus! Door de Afdeling Monumenten en Landschappen werden reeds teksten rond het thema verdeeld aan de Lokale Comités. Tevens werd voor de Lokale Comités een video aangemaakt.

Voor de verspreiding van het magazine deden de Lokale Comités beroep op allerhande kanalen: stedelijke en provinciale diensten, bibliotheken, VVV's en toeristische diensten, ABBkantoren. De Lijn, ziekenhuizen, schouwburgen, culturele centra, musea, scholen, banken, muziek-

Herkomst van de medewerkers in de Lokale Comités: procentuele verdeling in de verschillende Vlaamse provincies

TTTTTT

-j-rrrr

|M|M

• •• ..% *

"

«= " 1»i

// * __iJ Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

PlCemeeme I ICulturele raad H w W T D

VlaamsBrabanr

H H ecmknng

B I N N E N K R A N T

WestVlaanderen

Overemgmg

Vlaanderen

OJGidscn I Undere


11

24

20 medewerkers

16 I per gemeente % 12

1

I per monument

10

bewaking

gidsen

Enkele nieuwe initiatieven De Vlaamse provincies zullen vanaf dit jaar hun positie als schakel tussen de Lokale Comités en de Stuurgroep OMD verder uitbouwen. Vooral de kleinere gemeenten en de 'slapende' gemeenten krijgen extra aandacht. De provinciale ondersteuning is zowel inhoudelijk als materieel. Om een en ander goed op elkaar af te stemmen, komt er per provincie een provinciaal Begeleidingscomité. Het Uitwisselingsproject Vlaanderen Nederland werd vorig jaar boven de doopvont gehouden en enthousiast onthaald en wordt dus ook verdergezet. De Stichting Vlaams Erfgoed organiseert samen met de VTB-VAB, het secretariaat OMD en de Nederlandse partners - Stichting Open Monumentendag en ANWB -uitwisselingsbezoeken op de OMD. De bedoeling is om met Vlamingen aan de OMD in Nederland deel te nemen en omgekeerd. Voor Nederland worden wellicht de steden Amsterdam, Den Haag, Delft, Maastricht en Utrecht aangedaan. De vijf Vlaamse steden en gemeenten die zullen worden bezocht, zijn nog niet gekend. Voor de jongeren plant de Stuurgroep OMD in 1996 extra inspanningen. Jongeren zijn zeker gevoelig voor monumenten en moeten de kans krijgen om op hun eigen manier kennis te maken met het cultureel erfgoed.

infopunt

andere

Gemiddeld aantal medewerkers op de Open Monumentendag per gemeente en per monument. Voor het - enige - infopunt wordt het cijfer per monument niet gegeven daar het om slechts 1 infopunt gaat. Een aantal medewerkers kan tweemaal meegeteld kan zijn (b.v. wie zowel gids als bewaker was).

totaal

Alle scholen in Vlaanderen die kunstsecundair onderwijs inrichten, kregen een vraag om samen met de leerlingen een vernieuwend, plezierig en overtuigend project rond jongeren en OMD uit te werken. Een ander initiatief is een jongerenmagazine, door en voor jongeren, met een voorstelling van de projecten en initiatieven genomen vanuit de Lokale Comités; maar ook alle teksten, foto's, cartoons van de hand van jongeren zijn welkom. De partners in de Stuurgroep OMD, die de realisatie van de Open Monumentendag Vlaanderen 1996 mogelijk maken, zijn: ABB-verzekeringen, BRTN, Koning Boudewijnstichting, De Lijn, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: Afdeling Monumenten en Landschappen, Sigma Coatings, Stichting Vlaams Erfgoed, Toerisme Vlaanderen, Vereniging van de Vlaamse Provincies en de Vlaamse Confederatie Bouw. De Regie der Gebouwen werkt ook mee en er is steun van de Nationale Loterij.

ERRATA Onopzettelijke zetfouten ontsierden tot onze spijt aflevering 14/6, novemberdecember 1995, van M&i, te weten: • pagina 38, in de kadertekst Leuven, het Negende Gebod, 2de alinea, wordt uiteraard een langshuis bedoeld en niet een landhuis, • pagina 39 van de Binnenkrant, 2de kolom, 3de alinea, is het vanzelfsprekend dat de 67 miljoen ECU voorzien voor het Raphael-programma omgerekend een 2,55 miljard Bfr. bedragen en niet 2,55 m;/yoen.

Wie over de OMD meer inlichtingen wil, kan zich altijd wenden tot het Secretariaat Open Monumentendag Vlaanderen, Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat 21, 1000 Brussel, 02/549.02.74 fax: 02/512.00.35.

B I N N E N K R A N T


M&L

33

de doornenkroon en de drie nagels. De voorzijde van de tombe is vaak onderverdeeld in enkele nissen, waarin de slapende wachters in wapenrusting zich hebben teruggetrokken (12). De scène speelt zich af na de graflegging. De omstaanders zijn vertrokken; alleen de heilige vrouwen zijn achtergebleven om de overledene te bewenen nadat zij hem, vóór het begin van de Sabbat, nog haastig een voorlopige balseming hebben gegeven; engelen houden de wacht. De tijdsbepaling is hier eigenlijk van geen belang. De Heilig Grafvoorstelling is een mystiek tafereel en onttrokken aan de historische context. Zij behoort tot de groep van zogenaamde Andachtsbilder, waarbij ook andere passiebeelden zoals de piëta, Christus op de koude steen en de Man van Smarten aansluiten. Dit beeldtype komt tegemoet aan de religieuze noden van het individu, zonder dat de tussenkomst van een geestelijke nodig is, en wil de gelovige aanzetten tot meditatie over de passie (13). Warhem, Kerk Notie-Dame de ÏAssomption (Frans-Vlaanderen), graflegging met pleuranten in Artesische kalksteen (1647) (foto 0. Pauwels)

ter. Andere stichtingen volgden. Door de oprichting van ettelijke sepulchrienenkloosters en door de hervormingen die hij binnen de Heilig Graforde doorvoerde, gaf hij de devotie tot het Heilig Graf in het prinsbisdom Luik i.e. Noord-Limburg een nieuw elan (11). De oorsprong van het thema van het Heilig Graf ligt in de evangelieteksten, waaronder het verslag van Johannes het meest volledige en nauwkeurige is. Daarnaast vormen ook de apocriefe evangelies en de liturgische drama's i.e. het Paasspel een inspiratiebron.

Houtkerque, kerk Saint-Antoine. Retabel en altaar van het Heilig Graf, 18de eeuw (Frans-Vlaanderen) (foto 0. Pauwels)

Het onderwerp wordt reeds in de vroeg-christelijke kunst uitgebeeld op ivoortjes en miniaturen. Vanaf de 14de eeuw verschijnen in de kerken de eerste monumentale, meestal stenen. Heilig Grafvoorstellingen. Hun opkomst houdt wellicht verband met het liturgisch spel dat tijdens de Goede Week werd opgevoerd : met doeken en gordijnen werd in het kerkgebouw "het imaginaire" graf opgericht om de visitatio sepulcri te ensceneren. Dit levendig tafereel kon slechts eenmaal per jaar opgevoerd worden. Tegemoet komend aan het verlangen van de gelovigen om aan deze gebeurtenis een blijvend karakter te geven en om de Christus in het graf steeds voor ogen te hebben, werd het Heilig Graf levensgroot nagebootst: Christus ligt opgebaard op een graftombe en wordt beweend door de heilige vrouwen Maria, Maria Salome en Maria Jacobe en twee engelen, opgesteld aan weerszijden van de sarcofaag; zij dragen een wierooksvat of de passiewerktuigen :

Een vereenvoudigde uitgave van het iconografisch thema vormen de Heilig Grafvoorstellingen waarbij enkel de dode Christus ligt opgebaard, zonder de aanwezigheid van de heilige vrouwen en de engelen: bijvoorbeeld Hakendover, Sint-Salvatorkerk; SintTruiden, Onze-Lieve-Vrouwekerk. In de Sint-Leonarduskerk van Zoutleeuw werden de vrouwen geschilderd op panelen boven het graf en de drie wachters op de voorzijde van het graf.


34

M&L

DE RESTAURATIE V A N HET HEILIG GRAF

M a n e - F r a n c o i s e Bauer

Het hoofdprobleem bij de restauratie van dit meesterlijk ensemble was de keuze van de te valoriseren polychromielaag : men kon ofwel opteren voor het behoud van de laatste overschildering en de behandeling beperken tot een lichte reiniging ofwel kon men één van de oudere polychromielagen vrijleggen, waarvan men de aanwezigheid kende door het onderzoek onder de binoculaire microscoop. De eerste oplossing werd verworpen omdat de recentste overschildering zeer onestetisch was. Het bleek bovendien materieel onmogelijk om de tweede polychromielaag, een mooie neogotische beschildering, vrij te leggen. Deze twee voornoemde lagen bevonden zich op een dikke krijtachtige laag die de fijnheid van het beeldhouwwerk verdoezelde en om deze reden werd besloten deze lagen te verwijderen.

Na de verharding met ethylsilikaat van de plaatselijk afbrokkelende steen (zachte Maastrichtse tufsteen) werd de vrijlegging met scalpel aangevat onder de microscoop, hetgeen vele maanden in beslag nam. Hierna vulde men de gaten met een vulmiddel, samengesteld uit tufsteenpoeder, kalk en polyvinylaeetaatlijm. Om estetische redenen werden toevoegingen van een voorgaande restauratie behouden en aangepast wanneer ze het origineel overdekten. De retouches en de vormelijke integraties van de beeldengroep werden uitgevoerd met aquarel of met droge pigmenten in Paralloïd B72, wanneer een meer dekkende verf vereist was. De uiteindelijke harmonisatie van het geheel werd uitgevoerd na herplaatsing van de beelden.


M&L

35

V O O R O N D E R Z O E K NAAR DE AFWERKINGSLAGEN V A N DE BEELDENGROEP V A N HET HEILIG GRAF Linda Van Dijck

Dit onderzoek werd in 1988-1989 uitgevoerd in het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Het omvatte steekproeven op één borstbeeld uit de groep dat voor dit doel naar Brussel werd overgebracht: het beeld van Maria Salome of Maria Jacobe. Aansluitend werd in het A.C.L. archief iconografisch onderzoek verricht naar de vroegere verschijningsvormen van de beelden. De combinatie van deze gegevens leverde een approximatieve geschiedenis van hun opeenvolgende opstellingen en beschilderingen.

Kortrijk, Onze-LieveVrouwehospitaal. Stenen graflegging onder het altaar van de kapel, begin 16de eeuw

Tijdens de Goede Week kreeg het Heilig Graf vaak een liturgische functie: vanaf de 10de eeuw werd op Goede Vrijdag een houten kruis in processie gedragen naar de plaats in de kerk, waar het Heilig Graf was opgesteld. Dit kon een vaste constructie zijn bijvoorbeeld in een nis of in een altaar, of een mobiele, bijvoorbeeld in de vorm van een soort tent. Deze handeling was bedoeld als een symbolische begrafenis van het lichaam van Christus. In de Paasnacht werd het kruis feestelijk opgenomen en als teken van verrijzenis in de kerk gedragen. Vanaf de 14de eeuw werd het passieverhaal nog concreter uitgebeeld: een crucifix met beweegbare armen werd van het kruis genomen en in processie naar het graf gedragen (14). Soms gebeurde de begraving op een meer symbolische wijze door een geconsacreerde hostie in de zijdewonde van Christus te leggen. Soms was in zijn borst een speciaal hostiedepositorium verwerkt. In de Paasnacht werd de hostie heimelijk weggenomen waardoor het graf "leeg" was en Christus, op het ogenblik dat de gelovigen naar de Paasmis kwamen, verrezen was (15). Met het verdwijnen van de mystieke beweging in de 15de eeuw, geraakte ook de belangstelling voor het Heilig Graf op de achtergrond. In Frans-Vlaanderen

Veurne, Sint-Walburgakerk. Gepolychromeerde graflegging, kalksteen (1638). Grafmonument van Joannes Trysen, kannunik en pastoor van Sint-Walburga

Poperinge, Sint-Bertmuskerk. Jezus in het graf omringd door de drie Maria's, Johannes, Jozef van Arimatea en Nicodemus, geschilderd hout, begin 18de eeuw

In 1988 bleek de steen in goede toestand, maar de recente 'neogotische' polychromie schilferde sterk af. De eerste sonderingen werden verricht in de bestaande lacunes van deze verflaag. Om de ontbrekende gegevens aan te vullen werden bijkomende 'vensters' geopend. Het laeunaire, verweerde karakter van de onderliggende polychromieën maakte het onmogelijk het onderzoek strikt geometrisch te omlijnen. De opeenvolging van verflagen werd afgeleid uit de meest volledige verfdoorsneden. De tussenliggende preparatielagen en de textuur van de verven dienden als herkenningsbakens doorheen het onderzoek. Er bleven leemten in de informatie, zeker wat de onderste lagen betreft. De gebruikte materialen werden niet chemisch ontleed. Bij de studie werden acht opeenvolgende ingrepen onderscheiden, onder te brengen in twee groepen: • matte korrelige temperaverven met daartussen beige slijplagen, waarschijnlijk op basis van olie en krijt; • moderne olie- en latexverven, gescheiden door een witte grondlaag. Beide groepen werden duidelijk van elkaar gescheiden door een witte pleisterlaag, de grond voor de eerste moderne overschildering, die tot doel had de oneffenheden in het oppervlak uit te wissen. Het was vooral deze pasteuze grondering op basis van krijt, die de details in het beeldhouwwerk uitvlakte en/of onleesbaar maakte.


Overzicht van de acht afwerkingslagen op het beeld van Maria Salome of Maria Jacobe (pentekening L Van Dyck) 1. Resten van de originele beschildering, niveau 0; dunne matte verf op olie-isolatie 2. Eerste overschildering, niveau 1 3. Tweede overschildering, niveau 2 4. Derde overschildering, niveau 3 5. Niveau 4, vierde overschildering. Deze overschildering werd vrijgelegd omdat het nat en korrelig aspect van de temperaverf goed samengaat met de textuur van de steen en omdat de oorspronkelijke detaillering opnieuw zichtbaar wordt 6. Vijfde overschildering, niveau 5, waarschijnlijk monochroom blauwgrijs op een witte ondergrond 7. Neogotische polychromie van Roemaet, 191 f, gerestaureerd door Leegenhoek in 1938: niveau 6 8. Laatste overschildering, polychromielaag 7, aangebracht in de periode 1979-1985: latexverf op een dunne grondlaag


M&L

37

Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium bewaart in zijn fotoarchief verschillende zwart-wit opnamen van voor en na deze drastische interventie (1). Na het beëindigen van de vergrotingswerken aan de kerk in 1902, werd de beeldengroep overgebracht naar het 'klokkenhuis', tot hij in 1911 door Roemaet 'opgemaakt en gepolychromeerd' in een neogotisch kader voor het toegangsportaal van de toren werd opgesteld (2). Reeds tijdens de Eerste Wereldoorlog was deze beschildering beschadigd. Ze degradeerde snel en in 1938 werden de beelden door Leegenhoek in de oorspronkelijke kleuren van Roermaet hersteld. In de periode 1979-1985 werden ze een laatste maal polychroom overschilderd. Terwijl men door teksten en beeldmateriaal tamelijk goed gedocumenteerd is over de

leefde de devotie voort tot in de 17de eeuw; de meeste groepen hebben een volkskarakter (16). Vanaf de 15de eeuw wordt het Heilig Graf stilaan verdrongen door de Graflegging, waarbij meer volk aanwezig is. Normaliter zijn bij deze handeling zeven personages betrokken, hoewel slechts twee acteurs noodzakelijk zijn, namelijk Jozef van Arimathea en Nicodemus; zij zijn de twee discipelen die hun diensten hadden aangeboden om het lichaam te begraven. Terwijl zij hun werk doen, kijken Maria, ondersteund door Johannes, en de drie heilige vrouwen treurend toe.

ingrepen van de 20ste eeuw en hun slechte veroudering, leverde het onderzoek slechts fragmentaire gegevens op aangaande de oudere verflagen. Een storende faktor was hier uiteraard de oorspronkelijke opstelling van de groep buiten, weliswaar onder een afdak, maar toch zeer onderhevig aan erosie door de weersomstandigheden. Wat men kon vaststellen op de foto's uit 1905 was een tamelijk goede toestand van het beeldhouwwerk, dat echter plaatselijk met een lichter gekleurde mortel was bijgewerkt. De zwart-wit-opnamen gaven echter geen uitsluitsel voor de polychromie. Een reeks van vijf ingekleurde schetsen geeft een lacunair beeld van de opeenvolgende kleurige afwerkingslagen van deze heilige vrouw, gebaseerd op 69 steekproeven. Details of versieringen konden niet onderkend worden. De eerste polychromie werd bijna rechtstreeks op de steen aangebracht. Een donkere verkleuring aan het steenoppervlak wijst in de richting van een isolerend doordrenking, zoals dat voor stenen beelden die buiten opgesteld werden gebruikelijk was. Na de polychromieën werden resten van een blauwgrijze monochrome laag aangetroffen (interventie 6), die zou kunnen wijzen op een beschildering die de kleur van natuursteen nabootste. Het vooronderzoek omvatte ook het vaststellen van de bewaringstoestand en het formuleren van een behandelingsvoorstel voor de volledige beeldengroep, rekening houdend met alle historische, materieel-technische en esthetische bevindingen. De pasteuze krijtgrond, aangewend door Roemaet in 1911 was blijkbaar niet goed verenigbaar met de hierop aangewende verven. Alle schilfering, zowel in het verleden (fotoreeks en van de periode 1914-1918 en van 1942) als recent, deed zich voor op het niveau van deze preparatielaag.

Het behandelingsvoorstel omschreef de voor en tegen argumentatie van twee opties; 1. het verwijderen van de laatste latex-overschildering en de restauratie van de polychromie van Roemaet, bijgewerkt door Leegenhoek. Dit gold als een zachte aanpak, die zo weinig mogelijk raakte aan het gave polychrome aspect van het beeldhouwwerk. 2. het verwijderen van de 2 laatste overschilderingen tot en met de grondlaag van de polychromie van Roemaet. De oorspronkelijke detaillering van het beeldhouwwerk zou weergevonden worden en de resten van de oudere polychromieën zouden op een esthetische wijze gepresenteerd worden Het tweede voorstel werd verkozen.

Noten (1) 1905: ACLB 2703. B 2704; 1914-1918: ACLB 16903,8 16904 tussen 1914-1918 en 1942, fotoverzameling 'Becker'; ACL B 60099, B 60100; 1942; ACL B 35576, B 35579, B 35580, B 35581 (2) MAES S.F. en DREESEN J., De geschiedenis van Bree: eerste bijdrage. De parochie-De oude kloosters, Bree, Ons Erf. 1946, p. 24-25.

Er bleven in ons land slechts een gering aantal grafleggingen bewaard, onder meer in Kortrijk, Onze-Lieve-Vrouwehospitaal; Poperinge, SintBertinuskerk; Veume, Sint-Walburgiskerk en Vilvoorde, Karmelitessenklooster Onze-LieveVrouw-van-Troost. De meeste bevinden zich in Henegouwen. Met de komst van de graflegging verdwijnt de liturgische functie van het Heilig Graf. Het strengmystiek geladen thema, waarbij de toeschouwer sterk bij de essentie van het gebeuren betrokken was, krijgt een meer verhalend en emotioneel karakter, mede door de dramatiek van de begeleidende figuren (17).


38

4 Beeld van Maria Salome of Maria Jacobe: toestand vóór restauratie (1988)

M&L

De restauratie werd uitgevoerd in het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel door Marie-France Bauer. Linda Van Dijck deed het vooronderzoek naar de opeenvolgende beschilderingslagen. De kostprijs bedroeg 4.107.000,-Bfr. met volgende verdeelsleutel: 60% Vlaamse Gemeenschap, 20% provincie Limburg, 10% gemeente Bree en 10% kerkfabriek Sint-Michiel.

EINDNOTEN (1) CEULAER R. DE. De bouwgeschiedenis van de Sint-Michielskerk te Bree (onuitg. lic.verh.), K.U. Leuven, 1985. MAES S.F. en DREESEN1, De geschiedenis van Bree; eerste bijdrage: de parochie - de oude kloosters. Bree, 1946. p. 23-25. (2) GRAUWELS J.. De aartsdiakonale visitaties van het dekenaat Maaseik (1646-1726). in Het Oude Land van Loon, 28, 1983. p.47-53. (3) Archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, Bree. Sint-Michielskerk. (4) Vincent Lenertz (1864-1914) was werkzaam bij Joris Helleputte in Leuven als directeur van de grafische werken van de universiteit.Hij tekende talrijke ontwerpen voor de inrichting van neogotische kerkinterieurs in Limburg (Religieuze Neogotiek in de Teutendorpen (tent.cat.), Neerpelt, 1989, p.32. (5) Paul Roemaet (Geraardsbergen 1865-Leuven 1938) kreeg een opleiding als beeldhouwer in het atelier van de gebroeders Blanchaert en vestigde zich als zelfstandig beeldhouwer in Leuven in 1891. Hij werkte samen met de architecten Joris Helleputte en vooral Vincent Lenertz; hij was bijzonder actief op het terrein van neogotisch kerkmeubilair. Over het atelier verscheen een licentieverhandeling BRYON /., Een eerste bijdrage tot de studie van het neogotische sculptuuratelier Paul Roemaet (Geraardsbergen 1865-Leuven 1938) in de periode circa 1892-1914 gesitueerd in de Leuvense neogotische kring rond Joris Helleputte. K.U. Leuven, 1993. Met dank aan Mevr. R. Vermeiren (KADOC) voor de vriendelijke mededeling. (6) KADOC. Leuven. Archivalia P. Roemaet. Loonboek 2.5.112 (1903-1910). p.244,245, 246 bis. (7) VAN RENSCH TH. J., Maastrichtse beeldsnijders in het begin van de zestiende eeuw, een terreinverkenning, in het bijzonder aangaande Jan Van Stejfeswert, in Laatgotische beeldsnijkunst in Limburg. Handelingen van het symposium. Sint-Truiden, 1992. p. 40-50. POEL P.J. te en VAN RENSCH TH. J., De Maastrichtse beeldsnijder Jan van Stejfeswert. in Publications de la Societé historique et archéologique du Limbourg. 128,1992, p.38-67. (8) NIEUWDORP H., Ateliers en centra van beeldsnijkunst in Limburg, in idem, p. 28-34; DIDIER R., Legons d'une exposition, in idem, p. 126-131; QUADFLIEG W., Jan Bieldesnider van Weerd. Der Meister der Aachener Strahlenkranz-Madonna. mAachenerKunstblatter, 30, 1965, p. 100-130; SMETS L, Twee genaamtekende en gedateerde beelden uit Limburgse bedehuizen. Bijdrage tot de studie van het werk van Jan van Stejfeswert en Walter Pompe, in Archivum artis Lovaniense. Bijdragen tot de geschiedenis van de kunst der Nederlanden; opgedragen aan prof. em. Dr. J.K. Steppe, Leuven, 1981, p. 189-195; (met uitgebreide bibliografie); Jan van Stejfeswert, vroeg 16de eeuwse Maaslandse beeldhouwer (tent.cat.), Stevensweert-Hasselt..., (1966), Z.p. Jan van Stejfeswert. Maaslands beeldhouwer uit het begin van de 16de eeuw (tent.cat.), Stevensweert, 1988; Laat-gotische beeldsnijkunst uit Limburg en grensland (lenlcsit.], Sint-Truiden, 1990, cat.nr.82. inv. nr. 90; (9) VAN RENSCH TH. J., op.cit.

(10) DIDIER R., schrijft aan Jan van Steffeswert en zijn atelier, enkel in Limburg, _ 42 beelden toe cfr. R. DIDIER, op.cit., p.123. (11) CEYSSENS J., Jan van Abroek. Hervormer van de kloosters der kanunniken van het H.Grafen Stichter der Sepulchrienen in het bisdom Luik (1440-1520), in Limburg, 4, 1922. p. 107110,129-136,157-160,192-197; HERESWITHAZM., De vrouwenkloosters van het H .Graf in het prinsbisdom Luik 1480-1798. Publicaties op het gebied der geschiedenis en der Philologie, 3° reeks, dl. 4, Antwerpen, 1941, p. 20-31; /D£/W Jan van Abroek en de Gedenkdag van de 450ste verjaring van zijn zalig overlijden, in Limburg, 39, 1960, p.258-268. (12) HOFMANN H.D„ Das "Heilige Grab.", die "Grablegung" und "Christus im Grabe". Drei plastische Motive der Passionszeit, in Saarheimat, Vil - 4, 1963, p. 97-105; SIMON G, Die Ikonographie der Grablegung Christi. Untersuchungen der Bildtypen vom 9 - i6/a/ir/iu/ju'ert (Dissertation), Rosock, 1926. (13) MAILLET G.,L'évolution du type du Saint-Sépulcre en Occident et Ie Saint-Tombeau Alsacien, in Bulletin archéologique du comité des Travaux historiques et scientifiques, nouv.série, 4, 1968, p. 123-136. (14) lAUBEKT i.,Farbige Skulpturen. Bedeutung. Fassung, Restaurierung, München, 1978, p.44-50. (15) FORSYTH W.H., The Entombment of Christ. French Sculptures of the ftfteeth and sixteenth centuries, Cambridge (Mass.), 1970, p. 11; SCHWARZWEBER A.- M., Das heilige Grab in der Deutschen Bildnerei des Mittelalters (Forschungen zur Geschichte am Oberrhein, 2), Freiburg, 1940, p. 12. (16) LOTTHE E.Xes églises de la Flandre Frangaise au Nord de la ivi. Rijsel, 1940,p.219-224. (17) DE BORCHGRAVE D'ALTENA J., La passion dans la sculpture en Hainautde 1400 a 1700, 3, Mons 1974; Didier R., La Mise au Tombeau sculptée de Binche. in Bulletin de la Commission Royale des Monuments et des Sites, 15, 1964, p. 229-262; IDEM, la Mise du tombeau de Mainvault provenant de I'ancienne abbaye d'Ath et Ie problème de la sculpture de 1400, in Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, 10,1967-1968, p. 55-90.

Christine Vanthillo is inspecteur Monumenten en Landschappen.


M&L

39

DE HERBOREN SAMENHANG BINNEN DE ST.-MAURITIUSKERK VAN BILZEN TONY WAEGEMAN

Bilzen, Sint-Mauritiuskerk omstreeks 1993, binnenzicht

Met recht en reden gaat onze bewon-

de nederzetting. Religieuze hervormin-

dering en waardering uit naar kerkelij-

gen en bewegingen drongen hun

ke monumenten die hun karakteristieke

fundamentele, soms drastische herden-

bouwstijl ook vertaald zien binnen een

king van ruimte en stoffering op.

homogeen, in dezelfde cultuurperiode

De ingrepen in de nieuwe liturgische

geconcipieerd interieur. Doch veel

taal lijken dikwijls agressief, maar wie

talrijker zijn de bedehuizen waar de

goed toekijkt ontdekt niet zelden een

stoffering, aankleding en bemeubeling

subtiele en betekenisvolle dialoog met

beeld zijn van een cultuurhistorische

geherwaardeerd religieus erfgoed.

ontwikkeling. Pijlers, nissen en kapellen

Het kerkinterieur blijkt dan een geeste-

worden er bevolkt door schaarse

lijk verhaal te zijn, in zijn samenhang

sacrale en devotionele getuigen van

steeds herschreven, ver-beeld in zijn

vergane oudere bouwfasen, opge-

betekenis.

offerd aan de groei en lotgevallen van


40

M&L

De Sinf-Mauritiuskerk te Bilzen (foto 0. Pauwels)

OP ZOEK NAAR EEN COHERENT CULTUURHISTORISCH SCENARIO

Een diepgaand bouw- en kunsthistorisch vooronderzoek kreeg als taak mee de contextuele scenario's vast te stellen waarbinnen alle elementen hun oorsprong, geschiedenis en wisselende samenhang hadden gevonden of verloren. Zo bleek snel hoe ingrijpend de opeenvolgende neogotische ingrepen van de 19de en begin 20ste eeuw zijn geweest die, afgezien van de toren (1662-1667) en het 15deeeuwse koor, ook het interieur van de kerk volledig bepaalden. Van de barokperiode, maar ook van de middeleeuwse gotiek bleven enkel geïsoleerde kunstwerken over. De rijke verzameling gesculpteerde grafstenen werd aan de kant geschoven of verdween als loutere steunelementen onder altaren en ander vast meubilair.

Het interieur van de Sint-Mauritiuskerk in 1993 vóór restauratie (foto 0. Pauwels)

Voorbije eeuw raken klank, woord, ruimte en beeld echter stilaan verdwaald binnen goed bedoelde ingrepen, die elke band met deze samenhang verliezen. Orgels verstommen, biechtstoelen en altaren raken onbewoond, preekstoel en communiebank opgeborgen of... tot vooruitgeschoven altaren versneden. Vaticanum II krijgt geen architecturale noch artistieke implementatie, mist met andere woorden elke kans haar religieus-maatschappelijke herbronning geïntegreerd vorm te geven. Altaren worden naar de gelovigen gekeerd, zonder - in hun bestendigde voorlopigheid - hechte ruimtelijke integratie te ambiëren. Meubilair wordt afgeschoven, de zingevende sacramentale samenhang verbroken. Moderne kunstenaars missen kracht én overtuiging om de vernieuwde religiositeit even krachtig als de traditie te vertolken. Geen wonder dat louter economische overwegingen vervuilde schilderingen onder een egale verflaag laten verdwijnen. Reeds lang ook beperken verlichting, bescherming tegen diefstal en geluidsinstallaties zich tot louter utilitaire nood-zakelijk storende ingrepen. Ze wekken enkel heimwee op naar de koperen hangen wandluchters van weleer, naar feestelijke of deemoedige kandelaars, naar de zicht- en hoorbare boodschap <jp de preekstoel. Zo verkommerde ook het interieur van de Sint-Mauritiuskerk in Bilzen tot een zielloze, kille grijsheid. Samenhang, licht, kleur en leven brengen in dit desolaat landschap was dan ook een unieke uitdaging.

De ontdekking, onder het ontmantelde neogotische hoofdaltaar, van de monumentale grafsteen van Edmond, baron van Bocholtz. landcommandeur van Alden Biezen, leverde meteen de hoofdschakel om het rijke, doch sedert de neogotische ingrepen volledig disparaat geworden barokpatrimonium in een vernieuwde samenhang te valoriseren.


M&L

Herinrichting en herschildering van het interieur van de Sint-Mauritiuskerk te Bilzen, 1995 (foto 0. Pauwels)

41


M&L

Gotiek en barok museaal-religieus geïntegreerd Wie de Sint-Mauritiuskerk van Bilzen bekijkt mag zich niet laten misleiden. Hoe homogeen gotisch ze er aan de buitenzijde ook uitziet, enkel koor (15de eeuw) en toren, een laat-gotische reminiscentie uit de 17de eeuw, herinneren nog aan de 15deeeuwse kerk die in 1636 in de vlammen opging bij de verwoesting van de stad Bilzen door de Croatische huurlingen onder het bevel van Jan van Weert. In opdracht van prinsbisschop Ferdinand van Beieren onderdrukte hij een opstand van de Luikse ambachten en verwoestte daarop een groot deel van Loon (1). Toch is het niet de barokke wederopbouw, vanaf 1662, die de gotische erfstukken als restanten zonder veel betekenis afschoof. De reeds in 1477 vermelde altaarstichtingen bleven immers doorleven, ondanks het feit dat van de gelegenheid gebruik werd gemaakt om de schikking van deze altaren grondig te herzien. Vooral de voor de middeleeuwen zo typische pijleraltaren werden systematisch opgeruimd. Het waren private stichtingen van gilden, ambachten en burgers. Dit ging dan ook niet steeds zonder moeilijkheden, op de eerste plaats vanwege de rectoren der betrokken stichtingen. Aan deze altaren waren voor de bedienaars immers inkomsten verbonden, in ruil voor één of enkele wekelijkse missen (2). Het wegvallen van dit aloude patronaatsrecht bij de val van het Ancien Régime, betekende veelal ook het definitieve einde voor deze altaren en de overgebleven bijhorende beelden werden herleid tot louter sfeerscheppende devotionele citaten binnen de neogotische herinrichting. Tegelijk kregen de meeste beelden een geactualiseerde polychrome face-lift. Vergeten we bovendien niet dat de meeste gotische beelden in de huidige Sint-Mauritiuskerk verzeild raakten na de opheffing van een aantal religieuze instellingen binnen de stadsgrenzen van Bilzen tijdens de Franse Revolutie. Zo stammen de heilige Barbara, de Heilige Cecilia en een heilig Rochusbeeldje uit het vroegere Begijnhof. Het Barbara-altaar in het Begijnhof was overigens reeds in 1593 als stichting verenigd met het altaar van de Heilige Catharina in de hoofdkerk. Nog niet zo lang geleden werd een 16de-eeuwse Piëta om veiligheidsredenen uit de kapel Pijpenhof overgebracht. In de lijn van de betrachting van Jos Roux, interieurarchitect, n zijn onWerpcoWecüef Spectrum, om in het vernieuwd interieur een soort 'Gesamtkunstwerk' te realiseren "als een gelukkige samenhang van alle aanwezige deelopdrachten", werden de

gotische beelden geruisloos maar subtiel in de totaalaankleding opgenomen. De Heilige Anna-ten-Drieën (1520-1530), afkomstig van een voormalige altaarstichting vraagt om herinnerende aandacht in de noordwestelijke zijkapel, naast de toren. De andere beelden volgen aan pijlers en kerkwanden het spoor van hun barokke en neogotische opvolgers. Het vooruitgeschoven nieuw hoofdaltaar biedt tenslotte een nieuwe mogelijkheid de Man van Smarten, iconologisch verbonden met de legende van de Heilige Gregoriusmis, in relatie met de Eucharistieviering inhoudelijk te actualiseren. In de 17de eeuw creëerde het barok interieur, in de lijn van het concilie van Trente van 1563, een hernieuwde samenhang met als belangrijkste accenten de bestendige aanwezigheid van de eucharistie, de verering van de Heiligen en de toediening der Sacramenten. Nog aanschouwelijker en overtuigender dienden de inrichting en aankleding de gelovigen te onderrichten en de geloofswaarheden voor te houden, mede in functie van de weerbaarheid van hun geloofsovertuiging. De verschillende monumentale portiekaltaren vormden eikaars tegenhanger, met als hoogtepunt het hoofdaltaar, triomfantelijke offertafel en troon voor het heilig Sacrament. Elk meubel was een monument met een eigen waarde en betekenis; tegelijk droegen ze samen bij tot de weelderige inrichting van het kerkinterieur als totaalkunstwerk. Het herstel van het katholicisme werd door de definitieve overwinning van Spanje in de Zuidelijke Nederlanden en de scheiding tussen Noord en Zuid vergemakkelijkt. Een grote investeringsdrang ontstond bij de leidende klassen, die hun positie demonstreerden door te voorzien in de grote behoefte aan liturgische voorwerpen, aan kerkelijk meubilair. Zo was het in de 19de eeuw verdwenen meubilair (hoogaltaar, preekstoel en biechtstoelen) binnen het barokke interieur van de Sint-Mauritiuskerk in zijn samenhang de verdienste van Edmond, baron von Bocholtz, landcommandeur van de Duitse Orde in Alden Biezen (3). Het werd door hem geschonken in 1659. Iconologisch en scenografisch regisseerde hij er een zuivere absolutistische en contra-reformatorische ordening en boodschap. Volledig vervreemd door de ingrijpende verbouwingen tijdens de neogotiek, is bij de huidige herinrichting getracht de belangrijkste restanten van dit barokinterieur opnieuw in een enigszins museale maar binnen de nog actuele stedelijke binding met Alden Biezen betekenisvolle samenhang te groeperen binnen en rond de torenruimte. Als een soort


M&L

43

spiegelbeeld van hun oorspronkelijke dispositie vinden ze hun verband rond de herontdekte monumentale familiale grafsteen van von Bocholtz en het door hem geschonken altaarstuk, dat destijds het hoofdaltaar sierde. Zo worden ze functioneel losgeweekt van de zuiver liturgische ruimte. Maar door de schat aan grafstenen en enkele andere barokke kunstwerken tegelijk zinvol op te nemen binnen de totale kerkruimte is de loutere tegenstelling met de overwegend neogotische inrichting gemilderd en de doorlopende historische ontwikkeling binnen het kerkgebouw opnieuw op een geordende wijze aanschouwelijk gemaakt. Zo zijn, binnen het nieuwe, vooruitgeschoven altaar de twee chronogrammen opgenomen die eertijds het barokke altaar dateerden. Zij werden ontdekt bij het demonteren van het huidige neogotisch hoofdaltaar, waar ze binnen het kernmetselwerk gerecycleerd waren. Bescheiden memorieplaten wijzen binnen het koor op de ligging van de bij de herinrichtingwerken ontdekte grafkelders van de familie von Bocholtz en de familie Bosch, burgemeester van Maastricht. De barokke schilderijen kregen nieuwe dragers, door het oprichten van nieuwe muurvlakken, naar vorm contrasterend met de neogotische 'kleinschaligheid', door de schilderwerken echter volkomen geïntegreerd.

De Sint-Mauntiuskerkin1930

Het verdwenen barokke hoofdaltaar werd destijds opgeluisterd met een groot schilderij gerealiseerd door de Luikse barokschilder Walthère Daméry (1614-1678) (4). De knielende heilige Domenicus. die de Rozenkrans ontvangt uit de handen van OnzeLieve-Vrouw, verwijst naar de op 17 september 1661 ingestelde broederschap van de heilige Rozenkrans. Op de voorstelling ontvangt de landcommandeur op

zijn beurt, als schenker, de Rozenkrans van de heilige Domenicus. Op de achtergrond links de heilige Georgius van Cappadocië, die de banier der Duitse Orde vasthoudt. Met dit schilderij bevestigde de landcommandeur zijn contrareformatorisch engagement, weerspiegeld ook in zijn betrokkenheid bij de herinrichting van de kerk van Bilzen. Verwezen werd immers naar de taak van de Duitse Orde en het optreden van de heilige Domenicus in de strijd tegen de ketterij, ter bescherming van het katholieke geloof. Vergeten we niet dat aan de Rozenkrans de overwinning werd toegeschreven op de Albigenzen en, in de slag van Lepanto in 1571, op de Turken. De Rozenkrans was bovendien een ketting, die de aarde met de hemel verbond, een heilsmiddel voor de zielen van levenden en doden. Dezelfde contrareformatorische gedachten werden geuit door twee andere doeken die de landcommandeur tussen 1661-1665 voor de kerk bij Daméry bestelde: de heilige Carolus Borromeus. toonbeeld van toewijding en actieve liefdadigheid, en de heilige Franciscus van Sales, toonbeeld van persoonlijke piëteit, de harmonie tussen innerlijk en uiterlijk leven. De twee heiligen geven de eigenschappen weer, welke vereist werden van de ridders der Duitse Orde. Beide schilderijen zijn opgesteld links en rechts van de toegang tot de torenruimte. Uit dezelfde tijd dateert het schilderij uit de doopkapel: het Doopsel van Christus in de Jordaan. Nu de moderne doopliturgie plaatsgrijpt midden de parochiegemeenschap, heeft het samen met de 17de-eeuwse doopvont een nieuwe plek gekregen naast het Mariaal altaar in de noordelijke zijbeuk. Als pendant hangt, in de zuidelijke zijbeuk De Keizerspenning, een sterk bewogen tafereel, een echte "disputatio", inhoudelijk zeker zijn tijd eigen. Verder schonk de commandeur nog een beeldje van de heilige Jozef (1678) en een al even delicaat en stijlverwant beeldje van Onze-Lieve-Vrouw met Kind. Binnen dit geheel werden ook nog opgenomen: een tweede heilige Rochus (ca. 1660), een heilige Mauritius (ca. 1660) uit de kerkhofkapel, een heilige Antonius van Padua (einde 17de eeuw) en een 18de eeuwse Onze-Lieve-Vrouw op de Wereldbol. Maar de grootste en meest homogene barokke schat van de Sint-Mauritiuskerk te Bilzen vormen de nog resterende monumentale en rijk gesculpteerde grafstenen. Spijtig genoeg bleef van dit uniek ensemble van tweeëntwintig grafstenen slechts een fractie over, in hun samenhang met altaren en ruimtelijke inrichting dan nog uit elkaar gerukt tijdens de gron-


M&L

Herinrichting van het interieur van de Sint-Mauntiuskerk te Bilzen (foto 0. Pauwels)

dige verbouwingswerken in het begin van deze eeuw. Vele stenen zouden (onder de vloer) verdwijnen, naar marginale plekken verplaatst worden of decoratief in de muren ingemetseld. Toen bleven er nog acht over, maar bij de heraanleg van de verwarmingsinstallatie zijn er gelukkig nog vier opnieuw aan de oppervlakte gekomen. Binnen het kerkinterieur manifesteerden de grafstenen de maatschappelijke betekenis en ambities van ambten en families, elk voorzien van hun heraldieke familiewapens. Opvallend is dan ook dat hier een duidelijke geestelijk-wereldlijke hiërarchie ruimtelijk geordend werd. In het koor vond men de pastores (5) en het familiegraf van landcommandeur Edmond van Bocholtz. In het voorkoor de familie Bosch-de Matthys, burgemeester van Maastricht, direct verwant met de eminente Bilzenaar Jacobus Emerix de Matthys, auditeur van de Rota, het pauselijk rechtscollege (6). In de zijbeuk links de families van Hinnisdael, Emerix, de Matthys en het oudere geslacht Plucke: binnen deze families bevonden zich schepenen en secretarissen van de ambten Bilzen en Beverst. In de middenbeuk en rechterzijbeuk lagen de families van der Heggen, Moffarts, van Jonckholt en van der Heyden: tot hun rangen behoorden schepenen van de justities Buiten- en Binnen-Bilzen. In de vroegere Mariakapel tenslotte jonker van Cortenbach, familie van de landcommandeur. Bij de herinrichting heeft men getracht deze orde

opnieuw te herstellen, zij het dat de steen van de commandeur nu in de torenruimte ligt, in samenhang met de door hem opgedragen altaarschildering. In dezelfde torenruimte is ook de grafsteen van Henrick van der Heyden (+ 1636), zijn erfgenaam Christiaen Castermans. zijn vrouw Anna Vaes en hun kinderen, ondergebracht. Zo werd door de ontwerpers van de huidige renovatie voor wie het weet meteen wat betekenis gegeven aan het feit dat precies Henrick van der Heyden bij testament in 1636 een belangrijke som naliet voor de wederopbouw van kerk en toren, in dat jaar door de Croaten van Jan van Weert verwoest. En waar aan de ene zijde van de landcommandeur deze schepen en secretaris van de justitie van Binnen-Bilzen de wereldlijke justitie oproept, herinnert aan de andere zijde de grafsteen van burgemeester Bosch-de Matthys, aan de hogere geestelijke justitie der pauselijke Rota, waar hun illuster Bilzens familielid Jacobus Emerix de Matthys auditeur was. In de onmiddellijke nabijheid van dezelfde schenkers of schenkersfamilie staan, in de voormalige doopkapel, de reliekhouders van de heilige Adrianus en de heilige Mauritius. De eerste werd geschonken, vanuit Rome, door Jacobus Emerix de Matthys, auditeur bij de pauselijke Rota (7). De heilige Mauritius, zijn evenbeeld, werd op 18 maart 1703 geschonken door Maurus van der Heyden, abt van Sint-Truiden.


M&L

45

De neo-gotiek meer dan opgefrist Reeds hoger wezen we op het wezenlijk neogotische karakter van de Bilzense hoofdkerk. Het schip werd immers tweemaal ingrijpend verbouwd, of beter, wederopgebouwd (8). Een eerste maal gebeurde dit vanaf 1845, naar de plannen van de Luikse architect Charles Chevron. Aanleiding was de erbarmelijke bouwfysische toestand waarin de oude gotische kerk zich bevond na de tijdelijke sluiting in 1797, gevolg van de Franse Revolutie. Met het oog op een vergroting van de ruimte werden dak, gewelven, kolommen en muren van middenbeuk en rechterzijbeuk afgebroken en wederopgebouwd. Gelijk verscheen ook stijleigen meubilair. Op een vernieuwd oksaal werd door Pieter Adam Van

Herschildering van het interieur van de Sint-Mauritiuskerk te Bilzen, 1995 (foto 0. Pauwels)

Dinter, orgelmaker in Sint-Truiden, in 1849 een nieuw orgel opgebouwd (9). Slechts één van de twee neogotische zijaltaren is overgebleven welke door beeldsnijder Van Haeff uit Weert, in de jaren 18531855 werden opgericht, namelijk dit in de huidige linkerzijbeuk. Ook twee nieuwe biechtstoelen en de beelden van Sint-Jozef en Sint-Antonius zijn van zijn hand (10). De twee in de huidige kerk opnieuw achteraan opgestelde kerkmeesterbanken werden in 1860 door M. Gielen getimmerd, terwijl de sacristiekast in 1859 geleverd werd door Paulus Peeters, schrijnwerker uit Werm (11). De bevolking van de parochie bleef echter dermate toenemen dat reeds in 1891 principieel werd besloten tot een tweede vergroting van de parochiale kerk. Nu werd bouwmeester Mathieu Christiaens uit


M&L

Tongeren aangezocht om de plannen uit te tekenen. Het begon schoorvoetend met de bouw van een kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdes, aan de noordzijde van de kerk. Tegelijk werd een aanbouw, links van de westtoren en in het verlengde van de noordelijke zijbeuk, afgebroken. Zo kwam de toren opnieuw aan drie zijden vrij te staan. In 1894 wilde men iets doen aan het drukkende uitzicht van de zoldering, te laag in verhouding tot de diepte van het schip. Aanvankelijk werd overwogen enkel het bestaande welfsel in pleisterwerk af te breken en naar plan van Christiaens een nieuw hoog eikenhout beplankt kloostergewelf te construeren binnen een vernieuwde dakstoel. Maar de kerkraad besloot op 7 januari 1900 de kerk opnieuw volledig en ingrijpend te vergroten. Met vereende krachten werden de verbouwingswerken aangepakt op 25 mei 1904 en voltooid op 10 juni 1905. Architect Christiaens uit Tongeren tekende nogmaals voor de plannen. Vergelijkt men het grondplan van 1844 met dit van 1900-1905, dan ziet men hoe ingrijpend de kerk van Bilzen tijdens de eeuwwisseling van uitzicht en ruimtelijk karakter veranderde. Enkel de toren, het koor en de reeds neogotische pijlerwanden van de middenbeuk bleven bewaard. Beide zijbeuken werden drastisch verbreed tot dubbele zijbeuken en gelijk verhoogd, zodat de globale ruimte het midden hield tussen een pseudo-basiliek en een hallenkerk. De vroegere sacristie werd verenigd met het vroegere voorkoor en, door de wanden van dit voorkoor tot spitsbogen open te werken, opgelost tot een nieuwe dwarsbeuk. Daardoor bleef het aloude gotische koor aanzienlijk ingekort achter, gevat tussen twee nieuwe sacristieën die zich tussen haar steunberen kwamen nestelen. Achteraan werd een soort narthex of voorhalle gecreëerd door aan weerszijden van de westtoren portaalruimtes aan te bouwen. In de noordelijke portiek werd bovendien een kleine doopkapel uitgespaard, oorspronkelijk enkel vanuit deze portiek toegankelijk. Toen aan Gustave Meunier, kunstschilder uit Wasseiges bij Luik, de opdracht werd gegeven tot het kunstig schilderen van de nieuwe zolderingen, het koor en de zijbeuken, was het reeds de bedoeling het brede, wat lege zaaleffect, welk de kerkruimte nu dreigde te kenmerken, te milderen en tegelijk de verscheiden deelruimtes te binden. De egale grijstonige beschildering, die de huidige renovatie voorafging, vertoonde deze lege breedschaligheid. Vooral het koor leed hieronder, van elk ruimtelijk effect ontdaan door het oplossen van het voorkoor in de dwarsbeuk.

De huidige, nieuwe polychrome beschildering corrigeert de verhoudingen opnieuw, bindt en ordent de ruimtelijke eenheden en beklemtoont hun geledingen. Het sterk verkorte koor wordt als beeldsluiting terug op het schip betrokken. De ontwerpers hebben zich hierbij precies laten beleren door een grondige analyse van de neogotische schilderprincipes, gekoppeld aan de illustere ideeën van Augustus Pugin, William Morris en Eugène Viollet-le-Duc. Jos Roux, namens ontwerpcollectief Spectrum: "Een mooi voorbeeld is de bouw, in 1850, van 'All Saints Church' in Londen, door William Butterfield". Wat de kleurvormgeving betreft: uitgepuurde geometrie van vlakke decoratieve patronen, een groot pakket aan polychromie en een veelkleurig gebruik van materialen. Daarnaast verstevigt Viollet-le-Duc in Frankrijk de aandacht voor de constructieve logica: de kleur dient de geledingen van de architectuur te ondersteunen, de vormen zijn best strak geometrisch, de kleuren contrastvol. Het hier uitgevoerd kleurontwerp wil echter geen dogmatische simulatie zijn van een soort neogotisch concept maar een specifiek aan deze tijd en deze ruimte verbonden aanpak, een eigentijdse interpretatie waarbinnen ruimtelijke verhoudingen opnieuw gecorrigeerd en geledingen opnieuw geaccentueerd worden. Binnen dit concept zijn de in de jaren '50 eveneens grijs overschilderde kruiswegdoeken van Charles Peeters uit Brussel (12) en de monumentale figurale muurschilderingen van Gustave Meunier uit Wasseiges op de oostelijke wandbekroningen van middenen zijbeuken (13), polychroom en structureel verbonden, in ere hersteld en "en valeur" geplaatst, samen met de mystieke Onze-Lieve-Vrouw van Smarten en Christus met Lijdenskelk boven de westelijke ingangen, eveneens door Meunier geschilderd. Last but not least zijn. door deze doelgericht 'polychroom revival' ook de glasramen, ontworpen door Joseph Osterrath, bekend Luiks neo-gotisch glasschilder uit Tilff, terug actiefin de kerkruimte aanwezig. Alle elementen van ruimte en architectuur, aankleding, meubilair maar ook technieken zoals verlichting, verwarming en beveiliging, spelen op elkaar in. Wanneer ze afgeleid zijn van een gedeeld inhoudelijk principe, vormelijk noch inhoudelijk zonder elkaar kunnen, kunnen we gewagen van een Gesamtkunstwerk. Doch een echt Gesamt- of Totaalkunstwerk wordt de Sint-Mauritiuskerk pas wanneer dat wat de ontwerpers, met de steun van de Gemeenschap, vorm hebben gegeven, ook gedragen en vertolkt wordt door een ganse parochiegemeenschap.


47

VOORONDERZOEK LEIDEND TOT ONDERZOEK, CONCEPTEN EN OPLOSSINGEN Het spreekt vanzelf dat de nu zichtbare oplossingen geenszins 'gratuit' zijn tot stand gekomen, als de loutere vrucht van door Muzen geïnspireerde of uit zeldzaam talent ontsproten ideeën. Het behoort stilaan tot de erkende merites van elk ontwerpteam diepgaand multidisciplinair vooronderzoek onverbrekelijk deel te laten uitmaken van elk optreden binnen een beschermd monument, in casu interieur. Gelijk mag gesteld dat verantwoordelijke besturen niet veeleisend genoeg kunnen zijn in hun aandringen op een in zijn relevantie zo volledig mogelijk bouwen kunsthistorisch vooronderzoek. Zeker wat historische interieurs betreft is een diepgaande, op archieven gestoelde analyse onmisbaar voor elk in uitzicht gesteld renovatiescenario. Het terrein is immers veelal nooit eerder ontgonnen, zeker niet wat de evaluatie betreft van 19de en 20ste-eeuwse ingrepen. Voeg daar nog aan toe dat de bekende inventarissen van ouder roerend erfgoed op zijn minst onvolledig, niet altijd even accuraat en meestal anoniem blijven. Vrijwel nooit steunend op archiefonderzoek blijft het bij vaag gedateerde opsommingen van losse, nooit in hun verband geduide meubelstukken en objecten. Ze blijven dan ook amper bruikbaar om enig zinvol cultuurhistorisch scenario te determineren, waardoor elke toetssteen blijft ontbreken om hieraan hedendaagse engagementen te spiegelen. Hoewel de oudste inventarisfoto's dikwijls uitzonderlijke documenten leveren omtrent deze eeuw verdwenen 19de-eeuwse aankledingen zoals muurschilderingen en stofferingen. Hiermee belanden we echter op het domein van de interieurarcheologie, een enkel de facto bestaande discipline waarbij alle 'hulpwetenschappen' elkaar spijtig genoeg nog steeds al te noodzakelijk en bij toeval, dus al te zelden systematisch ontmoeten. Een ter attentie van orgel en meubilair herzien verwarmingssysteem, op het eerste zicht een louter technisch probleem (14). leidde, via noodopgravingen, niet enkel tot de herontdekking van twee barokke grafkelders en de unieke gesculpteerde grafsteen van de landcommandeur, maar ook tot sluitende informatie over de volledige voorgeschiedenis van de St.-Mauritiuskerk en haar parochie. Voor de volledige resultaten van het archeologisch noodonderzoek, uitgevoerd door het Vlaams Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, onder leiding van archeoloog Werner Wouters, verwijzen we graag

naar hun Archeologisch Jaarboek. Vervaagd tot loutere grondsporen was het bedehuis, dat aan de oorsprong stond van de parochiale ontwikkeling. Twee paalkuilen en een paalgat waren de zeldzame archeologische getuigen van een houten zaalkerkje, dat hier omstreeks de 8ste of 9de eeuw werd opgericht. Vrij snel werd het houten zaalkerkje versteend met een kern van onbewerkte silexblokken, hier en daar een herbruikte Romeinse tegula of dakpan, brokken ijzerzandsteen en afgewerkt met een parement uit grotere silexblokken. Het archeologisch onderzoek bracht ook muurresten aan het licht van de romaanse kerk, die in de plaats is gekomen van het bescheiden zaalkerkje. Dit basilikaal gebouw in silex, met muren van 1,2 m breed, moet 20 op 24 m groot zijn geweest en werd bekroond door een recht afgesloten koor met steunberen. Reeds rond het midden van de 12de eeuw werden de 5 m brede zijbeuken verlengd. Vanaf de gotische wederopbouw worden de schaarse archiefbronnen verder geschraagd en aangevuld door de materiële getuigen. Op eenzelfde wijze stoffeerden archiefbronnen, maar vooral ook een zorgvuldige analyse van al dan niet uitgevoerde iconografische bronnen, zoals oude ontwerptekeningen maar ook zeldzame fotografische documenten, de kennis over de sedert de 19de eeuw steeds gewijzigde aankleding van de binnenruimte. Zorgvuldig geplande muurarcheologische peilingen, uitgevoerd onder leiding van onszelf en kunsthistorica Ingrid Desmedt brachten, onder recente verflagen, opeenvolgende schilderingen en overschilderingen aan het licht. 'Bergings'-archeologie herontdekte de 'missing links' van ontbrekende delen, wat marginaal geborgen door de niet genoeg te waarderen bewarende ijver van opeenvolgende kerkbesturen. Wellicht niemand behoeft nog een tekening bij dit betoog voor de noodzakelijkheid van een, liefst preventief, diepgaand onderzoek van de beschikbare gegevens; zeker wanneer blijkt dat zelfs bij de uitvoering van een zorgvuldig overlegd concept steeds nieuwe verrassingen opduiken ook wat onderzoek en conservering aangaat. Alle betrokkenen bij de renovatie van het interieur van de Sint-Mauritiuskerk te Bilzen, van opdrachtgevend kerkbestuur, uitvoerend ontwerpcollectief tot controlerend bestuur en subsidieverlenende overheden, zijn dan ook overtuigd van de absolute noodzaak van een pluridiscipliaire en interactieve aanpak.


M&L

EINDNOTEN (I

(2i

(3) f4)

(5)

(61

(7) (8)

(91

(101

(11)

(12)

MAURISSEN F. & MEYERS M., De Sint-Mauritiuskerk van Bilzen. Bilzen, 1993. WAEGEMAN T.. De Sint-Mauritiuskerk te Bilzen. Een geestelijk verhaal... herschreven. Bilzen 1995. PAQUAY J., Visitationesanhidiaconaleset réscriptionsdes églises du Concile de Tongres (1477-1761), Liège. 1935, blz. '46-47. Rijksarchief Hasselt, Bilzen. Kerkelijk Archief, 4. WAEGEMAN T, o.c, blz. 9-18. PAQUAY J.. Bilzen voorheen. Bilzen. 1977. blz. 70-80. Rijksarchief Hasselt. Bilzen. Kerkelijk Archief. 4. Walthére Dammer; 1614-1678 (tentoonstellingscatalogus). Leuven-Alden Biezen, 1987. U. Arnold, CO. De Dijn, M. Van der Eycken, J. Mertens en L. De Ren, Ridders en Priesters, Acht eeuwen Duitse Orde in Noordwest-Europa (tentoonstellingscatalogus), Alden Biesen, 1992. blz. 119-124. Bij de herinrichting van de koorruimte werden hun teruggevonden stenen opnieuw in de koorvloer opgenomen. Kort bij de grafkelder van de familie Bosch-de Matthys ligt de steen, in herinnering aan Johannes de Matthys (t 1657), kanunnik in de collegiale Sint-Pieterskerk in het Vlaamse Kassei. Aan de epistelkant vinden we E.H. Edmund Hechtermans (t 1784), kapelaan, samen met zijn broer E.H. Matthaeus Hechtermans (t 1789). pastoor. Aan de evangeliezijde E.H. Willem Nijs (t 1623) en zijn broer Thomas (f 1657). Bij het graven van nieuwe verwarmingskanalen vonden we een zorgvuldig met mergelsteen opgemetselde en overwelfde grafkelder terug, met de stoffelijke overschotten van de burgemeester (t 1689). zijn echtgenote Maria de Matthys (t 1685) en hun vroegtijdig aan tyfus gestorven zoon Jacob Rutger (t 1676). Om de grafsteen te beschermen tegen slijtage, gezien de ligging onmiddellijk aan het nieuwe vooruitgeschoven altaar, en om hem ook stilistisch en hiërarchisch te binden met de steen van de landcommandeur, werd hij eveneens in de torenruimte ondergebracht. Op 13 april 1678 werd de reliekhouder, vanuit Maastricht, door burgemeester Bosch feestelijk naar Bilzen overgebracht. PAQUAY J., Bilzen voorheen. Bilzen. 1977. blz. 80-86. Rijksarchief Hasselt. Bilzen. Kerkelijk Archief. Beraadslagingen van het kerkfabriek, 1837-1960; kerkrekeningen. 1802-1860; Gemeentelijk Archief, 923, Stukken over de gedeeltelijke restauratie van de kerk 1845-1847. Archief Dekenij Bilzen, Beraadslagingen van het kerkfabriek 1870-1962: kerkrekeningen 1882-1928. Archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dossier kerk Bilzen. Het zal in 1876 grondig vernieuwd worden, ditmaal door orgelbouwer M. Peerenboom uit Maastricht. Na de grote verbouwingscampagne van 1904 wordt het een jaar later opnieuw opgesteld door orgelbouwer Constant Leyser. En na de plaatsing van een electrische ventilater in de jaren 1927-1928, zal het een laatste maal worden verbouwd en vernieuwd door de orgelfirma D'Hondt uit Herselt. Archief Dekenij Bilzen, Beraadslagingen van het Kerkfabriek 1872-1960, 20/9/1876. 5/4/1955. 12/8/1956; Journal des recettes et des dépenses 1882-1917, 1905. nr. 113: Rekeningen kerkfabriek 1927-1928. Rijksarchief Hasselt. Bilzen, Kerkelijk Archief. 232. Kerkrekeningen. 1849-1860. Archief Dekenij Bilzen. Kerkrekeningen. 1853-1856. Rijksarchief Hasselt, Bilzen, Kerkelijk Archief, 243. Losse rekeningen en bewijsstukken 1811-1860. 1860; 232. Kerkrekeningen, 1849-1860. Ook in 1901 zal nog een grote eiken kast worden uitbetaald, ditmaal aan schijnwerker Henri Slechten. Archief Dekenij Bilzen, Joemaal inkomsten en uitgaven, 18821917. De op doek geschilderde kruiswegtaferelen werden systematisch van de muren afgenomen en vooraleer verdoekt te worden van hun grijze acrylaatoverschildering bevrijd. Daarop werden ze circa 50 cm lager dan oorspronkelijk terugeplaatst, ter correctie van hun verhouding met structurele elementen zoals kolonnettes. ramen, kapitele. en dergelijke.

(13) In het midden de Verdiensten van Jezus' Dood voor levenden en afgestorvenen, aan de evangeliezijde Jezus' Geboorte en de Aanbidding door Herders en Koningen, aan de epistelzijde Jezus' Verrijzenis. Deze drie taferelen werden tijdens de uitvoeringswerken in een berging opgerold teruggevonden. Op enkele figuren na (de Geboorte) kon deze triptiek opnieuw op zijn originele plaats op de wand aangebracht worden. (14) De bestaande installatie betrof een directe luchtverwarming, waarbij de warme lucht via één centrale rooster in het voorkoor de kerk werd ingeblazen en terugkeerde naar de luchtgroep via twee kleinere roosters in de zuidelijke zijbeuk en het transept. De luchtsnelheden waren onaan\aarbaar hoog en daaraan gekoppeld was het geluidsniveau ver boven het toelaatbare. Dit systeem gaf aanleiding tot een ongelijkmatig temperatuurverloop met de gekende nadelige gevolgen voor de in het interieur opgestelde kunstvoorwerpen en niet in de laatste plaats voor het orgel. Een bijkomend probleem was het gebrek aan degelijke luchtfilters en de carbonatie van stofdeeltjes op de warmtewisselaar, waardoor er een vervuiling van het interieur optrad. De nieuwe installatie steunt op een systeem van luchtverwarming met gepulseerde warme lucht op lage temperatuur, gebruik makend van de reeds aanwezige luchtkanalen. Om een optimale \erdeling van de aangevoerde lucht te verkrijgen, dienden nieuwe kanalen aangebracht in de noordelijke zijbeuk. De installatie bestaat nu uit vier aanvoerroosters van min. 1 nr (twee stuks noord en twee stuks zuid) en één centrale terugvoerrooster achter het hoogaltaar (1.80 nr). Er werd een nieuwe warmeluchtgenerator op lichte stookolie geplaatst, uitgerust met gepulseerde verstuivingsbranders. De aanvoerlucht heeft een gemiddelde temperatuur van 50° aan de uitlaatroosters. De maximale warmteweegave bedraagt 150C.

Tony Waegeman is licentiaat kunstgeschiedenis en oudheidkunde, medewerker Ontwerpcollectief Spectrum.


M&L

49

DE IJZEREN VOETGANGERSBRUG OVER DE DENDER TE POLLARE VAN CONSTRUCTIE TOT RECONSTRUCTIE (1912-1995) DIRK VAN DE PERRE

De Dender en het veer naar het kaartboek van Pollare uit 1762 (R.A. BEVEREN, Wedergrate. nr. 663)

1987 werd de ijzeren voetgangersbrug van Pollare (Nlnove) als monument beschermd. In 1994-1995 werd de brug gerestaureerd en gerenoveerd. Deze bescheiden Denderbrug, gebouwd in 1912, is in Vlaanderen één van de weinig overgebleven voorbeel-

den van de ijzertechnologie bij de bruggenbouw uit het begin van deze eeuw. Ook vandaag nog vervult ze haar oorspronkelijke functie in een intact gebleven landschap. Redenen om én de geschiedenis én de restauratie van deze brug extra in het licht te stellen.


50

M&L

BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN DE BRUG EN DE SITE VAN DE BRUG TOT 1978 De vóórgeschiedenis Pollare (provincie Oost-Vlaanderen, sinds 1978 deelgemeente van de stad Ninove) ligt op de Dender tussen Ninove en Geraadsbergen. Het is geen dorp dat, zoals het naburige Zandbergen, gegroeid is rond een brugovergang. De dorpskern bevindt zich halverwege de heuvelflank op 300 meter van de huidige brug. De voornaamste wegeninfrastructuur loopt parallel met de Denderloop en dwarst de alluviale vlakte van de rivier niet. Voor Pollare is de brug een perifeer, maar toch niet onbelangrijk gegeven. Ook vroeger was dit zo (1). Vóór de kanalisatiewerken van de Dender maakte deze te Pollare, op de plaats waar nu de brug ligt, twee sierlijke meanders. In een bocht daarvan lag de middeleeuwse burcht 't Riddershof, toen in het bezit van de Brabantse heren van Aa. De burcht werd in de tweede helft van de 15de eeuw verwoest, maar de motte bleef zichtbaar in het landschap aanwezig tot 1863. Toen werd de meander rechtgetrokken en de motte, in de 19de eeuw Bleekberg genaamd omwille van de blekersweide die ernaast lag, weggegraven. Ongeveer op de plaats van de motte werd later in 1912 de brug gebouwd. De huidige Schuitstraat, die tot 1863 half zo lang was, vormde vroeger de verbinding tussen

Dendervallei tussen Geraardsbergen en Ninove

burcht en kerk. Maar ze gaf ook uit op een brugje dat Pollare met Eichem en Appelterre verbond. De brug wordt enkele malen genoemd in teksten van de 15de tot de 17de eeuw. Erg belangrijk moet de brugovergang niet geweest zijn, gelet op het ontbreken van een belangrijke wegeninfrastructuur aan de overkant. Vanaf de 18de eeuw is er sprake van een schuyt, die de overzet verzekerde. Dit veer bleef in voege tot de bouw van de huidige brug. De Dendervallei onderging grote verandering in de loop van de 19de eeuw. In 1863-1868 werd de Dender gekanaliseerd en bevaarbaar gemaakt voor schepen tot 300 ton. Door de rechttrekking van de meanderbochten te Pollare werd de Schuitstraat verlengd. Bij de nieuwe vaart werd de herberg In de Zwarte Flesch gebouwd, die de functie van het oude veerhuis 't Schuyt overnam. De nieuwe herberg werd een pleisterplaats voor schippers, schiptrekkers en hun paarden. Aan de herberg lag een kleine loskade, waar steenkool uit Wallonië werd aangevoerd. De herbergier zorgde ook voor de uitbating van een private veerdienst, die op verzoek werkte. Door de aanleg van de spoorlijn Dendre et Waes, was in de tweede helft van de 19de eeuw voor Pollare de overkant van de rivier belangrijker geworden. Het spoorwegtraject Aalst-Geraardsbergen werd op 7 april 1855 ingehuldigd. Op die lijn kwam er te Eichem een stopplaats, die slechts 10 minuten gaan verwijderd was van het dorpscentrum van Pollare.

irwM" Ni^vi

«L_~.

y. /

•

>"

1

-4 •

,.*- - c H ^ '

^„ffv

•w

^_

^

\


M&L

Affiche voor de eerste openbare aanbesteding in 1911 (R.A. BEVEREN, Prov. Oost-Vlaanderen, 3/2179/3) met onderaan de namen van het oude gemeentebestuur

Affiche voor de tweede openbare aanbesteding in 1912 met onderaan de namen van het nieuwe gemeentebestuur (NINOVE, STADSARCHIEF, Oud Gemeentearchief Pollare, nr. 630)

51

In 1900 telde de gemeente 823 inwoners, waarvan een belangrijk deel pendelarbeiders waren, die dagelijks de trein naar Wallonië moesten nemen om er in de koolmijnen, steengroeven of staalfabrieken te gaan werken. Een goede bereikbaarheid van de stopplaats van Eichem werd voor die pendelarbeiders een noodzaak. De veerdienst zorgde echter voor problemen. Bij duisternis, mist of vloed was de overzet gevaarlijk. De veerman hoorde of zag vaak zijn kliënten niet, die aan de overkant op hem riepen of teken deden. Bovendien was de schuit een versleten en wankele boot. De constructie van de brug (1905-1913) Zo groeide in het begin van de 20ste eeuw het verlangen naar een vaste oeververbinding (2). Aanvankelijk dacht het gemeentebestuur van Pollare aan een grote brug, die op kosten van de staat zou worden aangelegd. Het Bestuur van Bruggen en Wegen opteerde in een advies van 4 janauri 1905 aan de minister van Landbouw voor een voetgangersbrug, betaald door de twee aanpalende gemeenten, met subsidie van de Staat. Pollare aanvaardde deze visie en keurde op de gemeenteraad van 12 maart 1905 het principe tot de bouw van een voetgangersbrug goed. Appelterre weigerde, tot grote ergernis en frustratie van Pollare elke medewerking aan het project. In Appelterre stemde de gemeenteraad over deze kwestie drie maal. Een eerste keer op 29 maart 1905. Toen verwierp de raad het project van een voetgangersbrug met 3 tegen 2 stemmen (op 9 verkozenen). Hierop volgde een petitie van 172 ontevreden inwoners, hoofdzakelijk afkomstig van het gehucht Eichem, dat het dichtst bij de brug lag. De petitie werd niet alleen aan het gemeentebestuur, maar ook aan de Oostvlaamse gouverneur bezorgd met de vraag om het gemeentebestuur aan te sporen toch de bouw van de brug goed te keuren. Een nieuwe stemming volgde op 11 december 1905 en gaf als uitslag 5 tegen 3 voor. Ook het gemeentebestuur van Pollare probeerde daarna nog tevergeefs via de gouverneur en de arrondissementscommissaris Appelterre te bewegen zijn deel van de kosten van de brug op zich te nemen. Maar ondanks aandringen van beide instanties bleef de gemeenteraad van Appelterre op zijn standpunt en verwierp op 18 april 1908 andermaal het project van de brug. Pollare besloot dan maar om de brug alleen te bouwen en kon dit zonder de hulp van Appelterre, omdat na de kanalisatiewerken een klein stuk grond over de Dender grondgebied van de gemeente Pollare was gebleven. Het Rijk en de Provinciebeloofden elk voor 1/6 in de kosten te delen. Op 26 februari 1909 keurde de gemeenteraad van Pollare het principe goed om een ontwerper aan te

P R O V I X C I E QOST-VLAANDEREN

Gemeente Polla ere OPENBARE AANBESTEDING viin ecne

OTERünBRl aan den Dender, ter hoogte der gemeente POLLAERE.

H e t G e m a e o t e b e s t u u r v a u Pollaere li'rovinni Oml-VlaaihlciTiii zal. op MAANDAG 17 J U L I 1911, om 10 u r e n v o o r m i d d a g , t e n g e m e e n t e b u i z e aldaar, o v e r g a a n t o t e e n e o p e n b a r e a a n b e s t e d i n g v a n eenen o v e r g a n g a a n d e n Donder.

Het bestek beloopt tot fr. 21.982,48.

Dc niinlieslLHliDR ail ploais licbkn mei op , Rfl pcsclimcMc Imimtshiljoiifn, !rdijk\oiimi(ï aan IK* modi'l vooctEOnKDde len voeic ran li besleMMbln \aii kislui, voor i\o niniiTneming van beiloeid^ werken fasmcsleld. De bipdingsbilji'Ken mncUMi aan dm heer UiirgcmcWor (nwiulcn worden hij aaiibcviilcii brieven. Ion poMkunlnro ii\ei'ham%d lui; lanlslc ilcn lüJnli l'Jll, ouder ilubboteitonislag. ÜÜ binnenste omslag »an hel .laiibjcdiiigssi-hiifl zal u w opsdinR (iragen • \auhmUnii iioaide mdeim-inintj van venen ownjawj uan -kii Duider, door ae tfmiee»lB Polbare uit Ie voeren. * De builenslc omslag zal voor opseliijfi dragon ! • Amhiedinij voor UH aannemen van openbare werketi. <• Niemand viwiil lot de aanIWciliny loc^rial'-n jnd'ni Inj nifl op voorliond, Fn de handOH van den kassier der Nalionuie Dank of \an eer. der agcnctSii, do som gestort Ireell \aii JOO0 franken, zijnde de helft der volledig som door den ondernemer als pnodgeW Ie slorlen. De bicdiiigsbiljcUen, wdker uilwendigi'oiuslaj! een postmerk tal dragen van latere itagteekening dan den laaLslen dag uirtr de nedeiiegging bepaald, zidlin als niet loegokomeji worden beschouwd „„j.",,,, .,„.,„„

• i,„ „,.„ , . . k l \i'i'. '-•J

•www.

Polloere, tien 44 Juni i « l l VARWKGE HET COLLEGE ; De SBt&ttarü,

Hel GoUege oan ÜHi-gemeesier

ScAe/wuc/t,

l'.-J. MeFtens li. De Vos, Fr. De Smet.

C. Arenls.

stellen. Men wendde zich hiervoor tot H. Dutordoir, hoofdingenieur van de provinciale Technische Dienst te Gent. Deze speelde de opdracht door aan zijn ondergeschikte ir. E. Cauterman, arrondisementsingenieur voor de sector Gent en Sint-Niklaas (3). Cauterman, die eveneens een zelfstandige praktijk had, met kantoor in de Kleine Belle-Vuestraat 43, te Gent, trad te Pollare als zelfstandig ontwerper en niet niet als ambtenaar van de provincie op. Plan en bestek werden door hem opgemaakt en ondertekend op 19 mei 1910. Op 24 mei keurde het

piKn^cii: OOST-Vr.vwnEnr.N

« rtioviSa: m. i.v nlivimE omi vi u i

Semeente_Pollaere OPENBARE AANBESTEDING

Commnne_dJB^ Pollaere ADJUDICATION PUBUQUE

01IMGSBRUG PASSERELLE __( den fhiulrr Ier Imgle aer ee^^.ile POLLAERE

au-dèssux de la Dentlrr iiina/uiff a hauteur du vdlage ^ P O L L A E R E

OH Umwrrtf I-

..

I-

•

liesfekl)e'o()pttotfr.21.£

^Le defxs selève a fr 21.882,48. L« «aDminl0U dr, eau CIR «diTum J .Hauihw ]t Bwlninlre.ewtllrci TTCUIII LTQd.

]Je[llfllnJUTrmsh(('.'jn?:ll JJiit'^.'iMS-.'.llr

• il i- •• - • + -.lir," i.-] vu itoJ-.sk,,^

,.,

[.•i i!iillr-..Mi r.m.lii ui .IHÏ .[^Lir.-.lrvi-. i-slii-Jkit n.ir lm i.i.n.i,,., (., n,,., Nlnnud « i j l l « it a o b c n n t i ^ '.iff'ian . M aiQ lunitr ,l v - :,.

niditn M 1*1 op i m r tmi. n il hlD&n . ,,,.„,I,,, i..,.,.:;..-^.,,...^ ..." . . . • ; . . ,

k BMttapw S Di Keek Ubt.'

'BOTR n u ' S'• i


52

M&L

CJJ^I,! t c v c i U c i-ivcvj-i

.•• i v U-g' •> ^ L

N^

'

< irwW

S

\ 0 i--''e„. c * lOv

Een gedeelte van het originele plan uit 1910, opgemaakt door ir. E. Cauterman (NINOVE, STADSARCHIEF)

De gerestaureerde brug met zicht op het linker landhoofd (foto 0. Pauwels)

Pollaarse schepencollege het plan goed. Vervolgens dienden de subsidiërende overheden advies uit te brengen. Het plan werd nog licht gewijzigd na opmerkingen van directeur-generaal Lagasse van het Bestuur van Bruggen en Wegen te Brussel op 24 november 1910. Eind april 1911 was het aanvullende bestek klaar en goedgekeurd. Op 14 juni 1911 volgde eindelijk de openbare aanbesteding. Op 17 juli moest de toewijzing gebeuren, maar niemand had zich ingeschreven. In een advies van 18 augustus 1911 raadde minister van Landbouw en Openbare Werken Helleputte aan om een nieuwe aanbesteding uit te schrijven en daarna, indien dit geen resultaat opleverde, onderhands een aannemer aan te stellen. De gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1911 naderden en aan de bouw van de brug was nog niet

1

\

begonnen. De 78-jarige burgemeester Pieter-Jan Mertens, aan het bestuur sinds 1863, had alles gedaan, maar tevergeefs, om vóór de verkiezingen de werken nog van start te laten gaan. Op 6 mei 1910 had zelfs de pastoor op vraag van het gemeentebestuur bij de provinciale diensten te Gent geïnformeerd naar de stand van zaken in het dossier en op spoed aangedrongen. Op 10 februari 1991 had de Aalsterse volksvertegenwoordiger Romain Moyersoen een parlementaire vraag over de subsidiëring van de brug aan de minister van Landbouw en Openbare Werken gesteld. Alle beslissingen over de brug waren door de gemeenteraad steeds eenparig genomen, in aanwezigheid van de burgemeester. Wel was raadslid Vital De Jonge, veerman en eigenaar van de herberg In de Zwarte Flesch, die tot de partij van de


54

M&L

De toestand van de oude brug in 1979. Algemeen zicht op de brug, de Dender en het jaagpad (Foto D. Van de Perre)

burgemeester behoorde, telkens opvallend aanwezig geweest. In een spotlied, gemaakt tijdens de gemeenteraadverkiezingscampagne van het najaar van 1911, werd de burgemeester - ten onrechte, zoals uit het dossier blijkt - en Vital de Jonge verweten de bouw van de brug te hebben tegengewerkt. Pieter-Jan Mertens overleed op 25 oktober 1911. Het oude bestuur werd overtuigd weggestemd. Wel bleef Vital de Jonge ook na de verkiezingen dwars liggen. Hij weigerde in november 1911 een minnelijke schikking voor de onteigening van een eigendom, zodat de procedure bleef aanslepen tot in het voorjaar van 1912. De veerman, die niet herkozen werd, weigerde ooit een voet over de brug te zetten, verkocht zijn herberg en trok verbitterd uit Pollare weg.

Inplantmgsplan opgemaakt door ir. E. Cauterman in 1910 en ondertekend door burgemeester J.P. Mertens (R.A. BEVEREN)

Het nieuwe bestuur met burgemeester Jozef Cosijns schreef een tweede openbare aanbesteding uit op 7 maart 1912. Waren er ook nu geen inschrijvers ? Vermoedelijk niet, want in een brief van 22 mei 1912 beval ingenieur Cauterman Joseph De Cuyper uit Gent als aannemer aan (4). Deze was bereid voor de som van 29.963,40,-fr. de werken uit te voeren, een bedrag dat gevoelig boven de in het bestek voorziene som van 21.982,48,-fr. lag. Op 1 augustus 1912 gingen de werken van start. De ijzerconstructie werd in onderaanneming gemaakt door de firma Poulet en C° (5). De montage gebeurde ter plaatse in de tweede helft van 1912. De gemetselde landhoofden werden op 9 m lange eiken palen gefundeerd, die met een stoomhamer in de grond werden geheid. Eerst werden de muren van de landhoofden gemetseld en vervolgens de rechterdam aangelegd. Daartoe werd grond uitgestoken uit de nabijgelegen heuvelflank. In door paarden getrokken spoorkarretjes werd de grond aangevoerd. Nadien werd de brug op rollen geplaatst en de dam opgetrokken en door katrollen, die aan stevige boomstammen waren bevestigd, het water overgehesen. Volgens het bestek was in de brug 24.685,47 kilogram ijzer verwerkt. Bij de afwerking bleek dit 1693 kilo meer te zijn. De kostprijs van de ijzerconstructie zelf beliep iets meer dan 1/3 van het totaal. Eens de brug er lag werd met de spoorkarretjes, die over de brug reden, ook de linkerdam (kant Appelterre-Eichem) aangelegd. Op 28 oktober 1913 volgde de defintieve aanvaarding van de werken. Uiteindelijk kostte de brug 32.294,71,-fr. (zonder het ereloon van de ontwerper). Maar reeds eerder, in het voorjaar van 1913, werd de brug met een groot volksfeest ingehuldigd, waarbij ze met kaarsjes verlicht werd.


M&L

55

Situeringsplan van de twee aanloopdammen opgemaakt in augustus 1911 door ir. Cauterman en goedgekeurd door gemeente (onderaan links) en het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1912 (onderaan rechts) (R.A. BEVEREN) ••

Laurent Vanderroost (01899) poseert op de brug in 1979. Hij maakte als kind de constructie van de brug mee. Hij was één van de Pollaarse koolputters die naar Wallonié ging werken en hiertoe gebruik maakte van de stopplaats te Eichem, op de spoorweglijn 'Dendre et Waes' (foto D. Van de Perre)

Vóór, tijdens en na Wereldoorlog II De brug bracht voor de herberg In de Zwarte Flesch niet de verwachte neergang mee, integendeel. De spoorweg, maar ook de trambaan Brussel-Ninove, bracht de vissers tijdens het interbellum naar de Dender. De herberg bij de brug verwierf de herkenning als hotel en werd een geliefde en alom gekende logementsplaats voor de weekendvissers. Zoals alle andere Denderbruggen, werd ook die van Pollare op 19 mei 1940 door de terugtrekkende geallieerde troepen gedynamiteerd, om de opmars van de Duitsers te stoppen. De brug brak in twee ongelijke stukken. Het grootste stuk (kant Eichem) bleef tot na de oorlog in het water steken. Het landhoofd op de rechteroever was volledig vernield. In 1941 werd met balken en planken een voorlopige passage hersteld. Na de oorlog werd reeds in het najaar van 1945 een bestek opgemaakt om de brug te herstellen (6). Ontwerper was de Gentse ingenieur M. Van de Velde. Na een openbare aanbesteding, waarop drie aannemers inschreven, werden de werken toegewezen aan Clement Lievens uit Sint-Lievens-Houtem. De werken werden uitgevoerd in het voorjaar van 1947 voor de som van 479.850,5,-fr. De grootste kost ging naar het herstellen van het rechter landhoofd dat, behalve de fundering, volledig herbouwd werd. Het vijfde veld van de brug (kant Pollare), dat vernield was, werd vervangen. Ook de beide gietijzeren opleggingsstoelen werden vernieuwd. De restauraties gebeurden naar de oorspronkelijke plannen. Alle ijzerwerk werd in onderaanneming uitgevoerd door het constructieatelier van de gebroeders Bury uit Overboelare (Geraardsbergen) (7). Voor de reparatie werden de beide brugdelen onderstut en boven het water aan elkaar gezet. De werken waren volledig ten laste van de Staat (Commissariaat-Generaal voor 's Lands Wederopbouw). Toen is voor het laatst de brug van roest

gereinigd en geverfd. Het herstel van een oude vooroorlogse brug was voor de Dender een uitzondering. Bijna alle vernielde bruggen werden na de oorlog gemoderniseerd. De meeste voetbruggen werden zelfs niet meer heropgebouwd. Zo werd de brug van Pollare een curiosum, een zeldzaamheid, én als voetbrug én als ijzerconstructie, een toevallig industrieelarcheologisch relict. Na 1950 was de glorieperiode van de ijzeren voetbrug en de herberg In de Zwarte Flesch voorbij. De scheepvaart verminderde, de Dender werd een open riool en de vissers bleven weg. De oevers van de Dender kavelden af, het jaagpad zonk weg in het water en werd onbegaanbaar. Het ras van de Vlaamse koolputters, die naar Wallonië pendelden, stierf uit, zodat de stopplaats van Eichem voor de Pollaarse bevolking aan belang inboette. De herberg In de Zwarte Flesch kwam leeg te staan en verkrotte. Het ijzerwerk van de brug zelf roestte weg, de houten vloer verrotte en vertoonde gaten, het metselwerk van de landhoofden brokkelde af. Klein vandalisme hielp dit aftakelingsproces versnellen. Voor Pollare was de brug een lastpost geworden zonder baten. Toen de gemeente in 1978 ophield te bestaan door de fusie met de stad Ninove, gaf ze de stad een vergiftigd geschenk door. De site rond de brug, nog enkele decennia voordien een


Toestand van de brug in 1982. Zowel de landhoofden met de trappen, als de iizerconstructie verkeerde in (toto's ingenieursbureau Lierman-Van Den houwe)


I

v-

IF

**

*»»»

I

3 —

1. Op 21 dec. 1994 werd de oude brug opgetild om vervolgens tot schroot te gebracht. De werken were (foto D. Van de Perre) 2-3. Herstel en verhoging van de landhoofden. De oude brug is nog ter plaatse (foto's ingenieursbureau Lierman-Van Den houwe)

y ; ~è\

i-~ l****' **^

il

V~mê\ wma^m^^^^^^M


M&L

plaats van leven en begankenis, was een probleemplek geworden.

DE IJZEREN VOETGANGERSBRUG : EEN TYPISCH 19DE-EEUWS FENOMEEN Dat in de 19de eeuw, de tijd vóór de fiets en de auto, de voetganger de voornaamste weggebruiker was, ligt voor de hand. IJzer was in de 19de eeuw het nieuwe constructiemateriaal bij uitstek en gaf aanleiding tot nieuwe architecturale vormgeving (de serre, de hall, de grote bruggenbouw...). In de eerste helft van die eeuw werd de ijzerconstructie nog gedomineerd door gietijzeren vormen. Maar na 1850 kon men dank zij verbeterde hoogoventechnieken op grote schaal staal produceren. Zo kwamen lichte profielen op de markt, waarmee bij middel van de klinknageltechniek grote, ingenieuze vakwerkconstructies konden worden samengesteld (8). Vakwerkconstructies hadden de sterkte van gietijzer, maar niet de brosheid ervan. Ze waren veel lichter en konden ook weerstand bieden aan trillingen en trekkracht. In de bruggenbouw vond de nieuwe ijzertechnologie in de 19de eeuw een vruchtbaar en expansief toepassingsveld. Eén van de typische producten was de ijzeren voetgangersbrug. Aanvankelijk was de ijzeren loopbrug hoofdzakelijk een luxefenomeen, een architecturaal element aangewend in de romantische tuin. In deze tuin hoorden, naar Japans voorbeeld, rots- en waterpartijen thuis met een brugje. Het houten boogbrugje werd begin 19de eeuw vervangen door de ijzeren brug, aanvankelijk in gietijzer, na 1850 vooral in vakwerk uitgevoerd. De leuningen werden meestal zeer decoratief uitgewerkt. Zoals de takken van de bomen een skelet vormen, dat grillig en doorzichtig is, bood ijzerwerk de mogelijkheid natuurlijke vormen na te bootsen, die zich visueel gemakkelijk lieten integreren in een omgeving van bomen en planten. Meer dan de kleine boogbrug was de hangbrug het brugtype waarmee grote overspanningen konden worden gerealiseerd, zodat brede waterpartijen zonder tussensteun konden worden overbrugd. De torens, waaraan de kabels werden opgehangen, zorgden voor een poorteffect. De loopvloer van deze brug was licht en vlak. Zo kon de brug fungeren als verheven wandelweg boven het water, met panoramisch uitzicht op de omgeving (9). De lichtheid van de ijzerconstructie, de doorzichtigheid van het skelet en het zwevende karakter van de ophanging onttrekken deze brug aan zwaarte en massiviteit en nemen ze op in de sfeer van wuivende boomkruinen, van

wind en lucht. Bij uitstek werd de ijzeren hangbrug het spectakelstuk bij aanleg van grote parken. De ijzeren voetgangersbrug, die in de parken pure luxe en vermaak was, werd om functionele redenen op het einde van de 19de eeuw ook veelvuldig langs de openbare weg opgetrokken. Door de toename van de scheepvaart waren de draaibruggen in de steden langdurig gesloten. Eenzelfde fenomeen deed zich voor bij drukke spoorwegstations. Ook daar stonden voetgangers al te vaak voor gesloten barelen. Op beide plaatsen verscheen dan ook eind 19de eeuw de ijzeren passerelle (10). Deze constructies waren een combinatie van ijzeren trappen en een balkbrug met vlakke loopvloer. De ijzeren loopbrug op de openbare weg was op de eerste plaats een stedelijk fenomeen. De context van de natuur was afwezig. Het decoratieve detail bleef achterwege. Toch hadden ook deze bruggen het karakter van een verheven galerij boven het water of het spoor en waren ze vaak een monumentaal merkpunt in het straatbeeld.

INDUSTRIEEL-ARCHEOLOGISCHE EN ESTHETISCHE WAARDE Noch qua constructietechniek, noch qua vormgeving sluit de ijzeren voetgangersbrug van Pollare bij de parkburgen of de stedelijke loopbruggen van de 19de eeuw aan. De Pollaarse brug is een balkbrug met halfparaboolvormige vakwerkliggers (11). De brug overspant van opleggings- tot oplegginspunt 31 meter. Vakwerkliggers werden vooral gebruikt bij de spoorwegbruggen. Reeds in 1868 construeerde men in Nederland te Kuilenburg een spoorwegbrug met vakwerkliggers, die 150 meter overspanden. De vakwerkliggers werden onderaan en meestal ook bovenaan verbonden door dwarsverbanden en kruisende windverbanden. Rond 1900 was dit brugtype, dat aan de zware technische eisen voldeed, die aan een openbare brug of aan een spoorwegbrug werden gesteld, een courant gegeven. De brug van Pollare is een eerder klein exemplaar van deze typische ingenieursbrug (12). Toch heeft de brug van Pollare haar eigen karakter en schoonheid, die door een samenloop van omstandigheden zijn bepaald. De mooie inplantingsplaats (water, weilanden, bomen), het lichte materiaal (staalprofielen), de kleine schaal (voetgangers) en de strakke, functionele vorm geven aan de brug een eigen gelaat. De verhouding van de breedte tegenover de hoogte (2,19 tegenover 3,79 meter) en deze beide verhoudingen tegenover de lengte (31,55 meter) geven aan de verschijningsvorm van de brug een


M&L

Een knooppunt van de nieuwe brug, gemaakt in het constructieateiier Aelterman. Naast de oude klinknageltechniek werd ook de lastechniek toegepast (foto firma Aelterman)

59

bijzondere elegantie. De twee opleggingsstoelen (een vaste en een rollende) tillen de brug zichtbaar boven de kussens van de bruggehoofden uit. De paraboolvorm, de omgekeerde curve van de kabel bij de hangbruggen, geeft aan de brug een groot dynamisme. De windverbandportieken zorgen voor een poorteffect. De lichte staalprofielen en de doorzichtigheid van de vakwerkliggers maken dat de brug zich gemakkelijk laat integreren in de bomenrijke omgeving van het natuurgebied van de Dendervallei. Hoewel de brug in haar constructief concept aansluit bij de functionele vorm van de spoorwegbrug van die tijd, heeft ze in haar esthetische kwaliteiten veel gemeen met de ijzeren hangbruggen in de parken en kasteeltuinen.

gerestaureerd worden, de brug zelf gereconstrueerd volgens de oude plannen en met de oude klinknageltechniek. Aldus zou ze een getrouwe kopie zijn van de bestaande constructie. Een nieuw bestek werd opgemaakt, de aanbesteding volgde op 6 december 1993. De werken werden van mei 1994 tot maart 1995 uitgevoerd door de N.V. Daman-Dogaer uit

BESCHERMING, RESTAURATIE EN RENOVATIE (1977-1995) De problematiek van het herstel van de brug werd actueel toen eind 1977 Pollare fusioneerde met de Stad Ninove. Die stond toen voor de keuze: de brug dringend herstellen en restaureren of ze vervangen door een grote brug voor autoverkeer. De eerste optie haalde het en kon rekenen op de steun van zowel de plaatselijke bevolking als van de Ninoofse gemeenteraad en het stadsbestuur. Die keuze leidde tot de aanvraag van de bescherming van de dorpskern van Pollare als dorpsgezicht, ingezet in de lente van 1978 en afgerond met het beschermingsbesluit op 19 augustus 1980. Inmiddels was ook de bescherming van de brug als monument ingediend op 30 september 1979. Over deze bescherming werd eerst een negatieve beslissing genomen door de Vlaamse Executieve op 29 juni 1983, maar na een hernieuwde procedure volgde op 26 juli 1987 de definitieve bescherming van de brug als monument (13). Reeds op 6 januari 1981 stelde het Ninoofse stadsbestuur het ingenieursbureau Lierman-Van Den Houwe uit Aalst als ontwerper aan voor de restauratie. In 1983 was het ontwerp klaar, dat op 4.183.000,-fr. werd geraamd. Toen verkeerde men nog in de overtuiging dat het voldoende zou zijn alleen de zwaar doorroeste delen te vervangen. Omwille van de perikelen rond de bescherming bleef het dossier jarenlang stil liggen. Pas op 5 februari 1991 werd eindelijk de aanbesteding uitgeschreven. Maar de kostprijs voor de vervanging van de doorroeste gedeelten was zo groot, dat de reconstructie van een volledige nieuwe brug goedkoper bleek dan het behoud van de oude ijzerconstructie. In die zin werd dan ook eind 1991 een beslissing getroffen door alle betrokken partijen: de stenen bruggehoofden zouden

Mechelen. In onderaanneming zorgde de firma Aelterman uit Destelbergen voor de reconstructie van de eigenlijke ijzeren brug (14). Ook werden enkele kleine aanpassingen doorgevoerd. De oude brug lag voor de scheepvaart te laag. Daarom werden de landhoofden met 50 centimer verhoogd. Onder de brug werden vier poten gemonteerd tussen de (gerecupereerde) opleggingsstoelen en de brugvloer, teneinde de nieuwe brug op de goede hoogte te brengen. Op een mistige 21 december 1994 werd de oude brug door twee grote hijskranen opgelicht, op de oever gezet en vervolgens werd ze in stukkengebrand. Ze had 82 jaar dienst gedaan. De nieuwe brug, die kant en klaar per vrachtwagen was aangevoerd, werd dezelfde dag nog op de gerestaureerde bruggehoofden gelegd. Alles bij mekaar was aan de restauratie van de brug met de bijhorende renovatie van de landhoofden en de vernieuwing van het wegdek van de twee aanloopdammen een prijskaartje verbonden van 20 miljoen frank, waarvan iets meer dan 1/3 voor de eigenlijke brugconstmctie (15). De subsidiëring door de hogere overheden (Vlaams Gewest en provincie Oost-Vlaanderen) bedroeg 80 %, aanzienlijk meer dan wat het kleine Pollare ten tijde van de constructie had gekregen.


Algemeen zicht op de nieuwe brug anno 1996 • en de gerestaureerde landhoofden (foto 0. Pauwels)

BESLUIT Een monument staat niet alleen. Gelukkig is de Dender sinds 1984 door het Bestuur der Waterwegen grondig gerenoveerd geworden. De oevers zijn versterkt, het jaagpad is hersteld en als wandel- en fietspad aangelegd. Een waterzuiveringsprogramma loopt en begint resultaten af te werpen. De fietser, de voetganger en de visser zijn terug. De voormalige herberg In de Zwarte Flesch is herbouwd en heeft een nieuwe functie gekregen. De site rond de brug is weer een oord van leven geworden. De brug is een merkteken op de tocht van wandelaars en fietsers, het is een plaats van verpozen, van even genieten, van afspraak en samenkomst. De toekomst van de brug, die voor lange tijd gegarandeerd is, is een wissel op de toekomst van de Dendervallei als natuurgebied en stil recreatiegebied. Die samenhang tussen

brug en natuur, tussen brug en wandelaar, geeft aan de bescherming en de restauratie van de brug een onschatbare meerwaarde. Vandaag is de brug meer dan een overgang voor Pollaarse pendelaars naar de stopplaats van Eichem. Zij fungeert als het meest karakteristieke symbool van de vernieuwde Dendervallei tussen Ninove en Geraardsbergen (16).


EINDNOTEN (1)

Voor de geschiedenis van Pollare en de brug zie DE BROUWER J.. Geschiedenis en toponymie van Pollare, Lede. 1973. en VAN DE PERRE D.. De ijzeren voetbrug van Pollare. in Het Land van Aalst. 41. 1989. p. 199-216. (2) Voor de geschiedenis van de constructie van de brug zijn nu twee belangrijke archiefbronnen beschikbaar die vroeger nog niet toegankelijk waren: Beveren. Rijksarchief. Provincie OostVlaanderen, nr. 3/2179/3 (dit omvangrijke administratieve dossier bevat briefwisseling en documenten van 1905 tot 1914. maar geen plannnen):. Ninove. Stadsarchief. Oud Gemeentearchief Pollare. nr. 630 (in dit archief is in 1995 het enige bewaarde oorspronkelijke plan gedeponeerd). Verder zijn de gemeenteraadsnotulen van Pollare en Appelterre (Ninove, Stadhuis) van de desbetreffende periode van belang. Tevens kon ik in 1979 zeven personen ondervragen die als kind de constructie van de brug nog hadden meegemaakt. (3) In vroegere publikaties duidde ik Dutordoir als de ontwerper aan. zie onder meer VAN DE PERRE D.. o.c. p. 204. Dit gegeven is recent nog overgenomen in enkele publikaties (Beschermde monumenten in Oost-Vlaanderen. Arrondissementen Aalst en Oudenaarde. Gent. 1991. p. 98 en Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. 1995. nr. 4. p. 136. Dit foutieve gegeven gaat terug op een door mij in 1979 samengesteld dossier ten behoeve van de bescherming en steunt op een tekst uit de gemeenteraadsnotulen van Pollare van 26 februari 1909. waarin stond dat "projekt en bestek op de wijze en volgens de aanschrijving van den heer hoofdingenieur Dutordoir met het onderhavige werk gelast" werd opgemaakt. Toen kon ik nog niet over de archiefbronnen beschikken die vandaag toegankelijk zijn en waaruit ondubbelzinnig blijkt dat E. Cauterman bestek en ontwerp gemaakt heeft. Als subsidiërende overheid bleef evenwel de provinciale Technische Dienst, in casu Dutordoir. het werk superviseren. (4) Blijkens de briefhoofden was De Cuyper "architecte" en "entrepreneur des travaux publics". Hij was gevestigd in de Begijnhoflaan 91 te Gent. (5) De naam van de constructeur wordt toevallig genoemd in een brief van De Cuyper aan Cauterman van 23 juni 1914; "J'ail'honneur de vous informer que lafirme Poulet et C°. constructeurs de la passerelle de Pollaere. n 'acceptent pas votre décompte relatifaupoids". (6) Het restauratiedossier van de jaren 1945-1947 is volledig bewaard en vormt het eerste deel van het huidige restauratiedossier (Ninove. Stedelijke Technische Dienst. Restauratiedossier brug Pollare).


62

M&I

Giet-smeedijzeren voetgangersbruggen pn 1. Voetgangersbrug aan het Muidestation te Gent in 1979. r——| thans verdwenen (foto D. Van de Perre) L f - J l | 2. Boogbrug van ca. 1860 in het kasteelpark Les Fougères te | 3 11 4 | Gent-Mariakerke (foto D. Van de Perre) 3. 4. Hangbrug uit 1869 in het stadspark van Antwerpen. Beschermd monument sinds 1974


M&L

In de Dendersteden werden tussen 1880 en 1900 bij de draaibruggen ijzeren voetgangersbruggen gebouwd. Al deze bruggen werden in 1940 vernield.

63

Verdwenen Denderbruggen

(7)

(8)

m Geraardsbergen (verzameling R. Van Damme)

m

Ninove (verzameling G. Standaert)

m

(9)

3 N NOVE L» Pont d* i D M

Aalst (verzameling J. Ghysels)

m Dendermonde (verzameling E. Verstrepen)

(10)

•

^p**!-

^•^•'\.v.

^ A-

(11)

'Jryff-..

(12)

(13)

(14)

(15)

(16)

Eén van de twee broers, de heer Paul Bury ( 1913) is nog in leven en woont bij zijn constructieatelier te Geraardsbergen. Hij werd door mij in augustus 1955 ondervraagd en schonk het enige origineel plan van de brug, dat hij in 1947 van de aannemer ontving, aan het stadsarchief van Ninove. NELEMANS J.. art. Brug en art. Klinkverbinding, in Winkler Prins. Algemeene Encyclopaedie (vijfde druk), deel 4 en 10, 1933 en 1936 omschrijft een vakwerkligger als "een samenstel van staven, die een onwrikbaar stelsel van aaneengesloten driehoeken vormen". Het klinken gebeurt met een klinknagel. dit is een nagel met een ronde kop. De klinknagel wordt door de gaten van de aan een te klinken platen en staven gestoken. Vervolgens wordt het uiteinde van de nagel witheet gemaakt en bij middel van een klinkhamer opgestuikt en tot een ronde kop uitgesmeed. Op die manier werden in de periode voor de lasverbinding ijzeren materialen onwrikbaar aan elkaar gezet. Over ijzerarchitectuur en ijzeren bruggen zie Eisenarchitectuur. Die Rolle des Eisens in der historische Architectuur der ersten Halfte des 19. Jahrhunderts. Mainz. 1979. Over bruggen in het algemeen zie eveneens de aflevering Bruggen in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. 1995. nr. 4, p. 131-171 met vermelding p. 136 van de brug van Pollare. Als een representatief voorbeeld voor de hangbrug geldt de brug in het stadspark van Antwerpen, geconstrueerd in 1869 en ontworpen door tuinarchitect F.E. Keilig (1827-1895). Deze brug overspant 27.5 m en hangt 12 m boven het water. Ze werd in 1974 als monument beschermd en nadien gerestaureerd. Zie de brochure Wandeling doorheen het stadspark. Antwerpen. 1980. Dergelijke bruggen werden tussen 1880 en 1900 in alle Dendersteden (Dendermonde. Aalst. Ninove. Geraadsbergen en Lessen) gebouwd. Ze verdwenen alle in 1940 behalve die te Lessen, die thans in een toestand van groot verval verkeert. Een paraboolligger wordt gekenmerkt door de parabolische of positief gekromde curve van de bovenste rand van de vakwerkligger. Voetgangersbruggen met halfparaboolliggers zijn nog te vinden te Brugge (brug over het kanaal Brugge-Gent aan het bedrijf La Brugeoise. door dit bedrijf in 1913 gebouwd) en te Gent over de Nieuwe Vaart bij de Wondelgemse brug (circa 1920 gebouwd). De moeilijkheden voorde bescherming hadden te maken met twee bezwaren van het Bestuur der Waterwegen. De brug lag immers in een zone die in aanmerking kwam voor de herkalibrering van de Dender voor schepen tot 1300 ton en lag volgens de normen van de scheepvaart te laag boven de waterspiegel. De herkalibreringsplannen zijn kort na 1983 in de koelkast gestopt. Aan het tweede bezwaar is met de restauratie tegemoet gekomen. De firma Aelterman voerde ook de ijzerconstructie uit bij de reconstructie van een aantal Gentse draaibruggen. Zie hierover 7 Bruggen. Historiek en Restauratie van Zeven Aalst-Gentse Leiebruggen. Gent. 1987. p. 101-124. De nieuwe brug weegt 33.506 kilo. Er is 18.073 kilo profielstaal in verwerkt. 5.128 kilo plaatstaal en 7.875 kilo klinknagels. De brug kent een uitzetting van circa 2 cm. bij grote warmte. Met dank aan de Provinciegriffier van Oost-Vlaanderen en aan de heer Fons Schorreel. schepen van Openbare Werken van de Stad Ninove voor de toelating tot inzage van alle dossiers en aan de heren Patrick Van Wijnendaele en Pascal De Clercq van de Technische Dienst en Ann De Bruyne van de Culturele Dienst. Ook bijzondere dank aan ir. C. Van Den houwe van het ingenieurs- en architectenbureau Lierman-Van Den houwe uit Aalst voor het bereidwillig ter beschikking stellen van al hun gegevens en documentatie.


M&L

64

SUMMARY THE ENTOMBMENT IN BREE It is remarkable that sculptures are more abundant in Limburg than paintings. They are mostly religious and date from the Middle Ages. Around 1500 some very talented sculptors were active in the Mease region. One of the masterpieces is the group of stone figures of the Holy Sepulchre in the St. Michael's church in Bree. This group consists of the three holy women with their ointment jars and two angels with the instruments of passion, gathered around Christ's body. Originally the group stood outside on the graveyard under a shelter. In 1901-1902 the Gothic church of St. Michael was enlarged and the Holy Sepulchre got a new position in a Gothic revival niche under the tower. The statues date from the transition period between late Gothic and Renaissance. The style allows us to date them around the second quarter of the 16th century in the entourage of the Maastricht sculptor Jan van Steffeswert. He was a highly productive master and his working area had a radius of about 40 km around Maastricht and stretched as far as Liège and Aachen. His signature was found on some 11 statues. As of the 14th century the first monumental entombments appeared in our churches. Their upcoming is probably due to the liturgical passion play which was performed during the Holy Week. Most depictions of the Holy Sepulchre have been preserved in French Flanders and Hainault, their devotion lived on until the end of the 17th century. The preliminary research showed eight consecutive layers of paint, mainly of two kinds: mat, grainy distemper and modem oil and latex paint. For the treatment the option was made to remove the modem layers of paint so as to expose the rest of the old polychromy and the richly detailed sculpturing.

THE REGAINED HARMONY IN THE CHURCH OF ST. MAURICE IN BILZEN Churches with a uniform interior, conceived in one and the same style period, are rather scare. In most houses of prayer the interior and furnishing are the reflection of an evolution in culture and history. The religious reviewing sometimes seems drastic, but the result is often a subtle and meaningful dialogue with a revaluation of the religious heritage. Such interiors are spiritual stories, always adapted to its context, the image of its meaning. However, we still deplore that the fundamental changes in contents and form of the liturgy after Vatican II rarely resulted in an architectural or artistic implementation. It was hardly ever given the chance to integrate its new religious and social sources. Due to the removal of furniture and economic re-painting, the St. Maurice church in Bilzen had gradually lost its coherence, light, colour and life. During the preliminary research and the search for a concept for the renovation, the choice was made to set out the contextual scenarios wherein all elements had gained or lost their origin, history and varying coherence. It is clear how drastic the consecutive Gothic revival alterations in the 19th and early 20th century have been. After a first enlargement in 1845 by Charles Chenon, an architect from Liège, only the choir and the tower of the Gothic church remained. As of 1891 the nave was even enlarged a second time. This time Mathieu Christiaens, an architect from Tongeren, designed the extension of the side aisles to double halls and the church got a wooden ribbed vault. The baroque altar furnishing was replaced with Gothic revival altars by the Antwerp sculptor Pierre Peeters. The whole was painted in Gothic revival style by Gustave Meunier from Wasseiges near Liège. The stained-glass windows were made by the famous master Joseph Osterrath from Tilff. The current painting was applied during the renovation. It corrects the proportions, connects the different volumes and amphasizes their sections. The choir, which had been made smaller is restored as an end point in the view of the nave. The colour design is therefore not

a dogmatic imitation of some Gothic revival concept, but is specifically adapted to these times and this specific place. During the Gothic revival period the baroque furnishing with its monumental portico altars, pulpit and confessionals, was removed. Edmund, baron of Bocholtz, land commander of the Teutonic Order in Alden Biezen, had conceived, iconologically and scenographically, a strictly absolutist order and message in the spirit of Counter Reformation and the Trente Council. The remnants of the baroque interior had completely lost touch with the rest after the drastic alterations in the 19th century. During this renovation these elements have been grouped in a somewhat museological but meaningful context around the tower space. It is conceived as a sort of reflection of the original setting round the re-discovered monumental grave of the Bocholtz family and the donated alter piece which crowned the main altar. By assembling the many gravestones and some other baroque works of art in a meaningful context within the church, the mere contradiction with the mainly Gothic revival interior has been tempered in such a way that it shows the continuous historical evolution of the church building in an orderly way.

VAN EYCK AND HIS PLANTS On the picture of the Mystic Lamb by the Van Eyck brothers, numerous plants are depicted. It would be absurd to try and determine these in a modem way. absurd because we would thus brush aside Medieval perception. Only through Gestalt would the identification be possible, a roundabout which is not fully reliable, but the least distorting. In the 16th and 17th century, almost every known species was attributed some medicinal power. The hypothesis was formulated that there must have been something of a Westem European fytopharmaceutical koine which most of the depicted plants belonged to. If the depicted plants were not known to have any medicinal power, then they served at least one or more purposes in the culture of the period concerned, be it culinary, cosmetic, alchimistic or as decoration. Adding a few acculturated plants, one could say that everything green and identifiable in this picture is a "culture plant in the broad sense". A less hypothetical koine, at least for plants, seems to be the Marian iconography. It concerns a group of more than 10 plants. Ten of these can be traced on the picture of the Mystic Lamb, although most of the plants on this painting do not appear on the pictures studied. This is not really surprising. For several reasons, some of which have their origins in ancient history. Mother Mary was closely associated with plants and vegetable symbols in the Middle Ages. Mary was the centre around which symbolic plants were created, plants which could bear more or less the same symbolic values in another context. Some of the main lacunas in this research have been the botanical studies in the Netherlands during the 14th and 15th century, and - to a lesser extent - the relationship between word and image in Marian literature and breviaries in our region.

THE IRON PEDESTRIAN BRIDGE ACROSS THE DENDER IN POLLARE As early as 1905, there were plans in Pollare (a suburb of Ninove in the province of East Flanders) to replace the ferry with a bridge across the Dender. It was to be an iron pedestrian bridge, designed in 1909-1910 by the engineer E. Cauterman (Ghent) and built in 19101913 by the companies J. De Cuyper (Ghent) and Poulet (for the iron constmction). The bridge (length 31.55 meters; breadth 2.19 m; height 3.79 m) was built as a truss with clinch-nails and is typified by semi-parabolic joists. During World War II. in 1940, the bridge was demolished and in 1947 it was repaired. After that it was neglected. In 1987. it was classified as a monument because of its industrial-archaeological value and because it was the last of a series of iron pedestrian bridges across the Dender. It was fully restored in 1994-1995. The original land abutments were repaired and the iron bridge itself, being completely rust-eaten, was replaced with a faithful copy.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook