Skip to main content

M&L_3_1.pdf

Page 1

MONUMENTEN /•: s^w >^

AW

BSHÏKfyaMB

•

*

JAARGANG. NR. 1 - FEBRUARI 1984 - J W ^ M A A N

yYy

A/\A/\

I 1 1B :

,

B »^

M''«

1/^1

/

B 1

KXX t/

V

\ A / •

JsA

-u^Sfa—-~

Mm


NATUURSTEEN

[RAMINCK M

N.V.

RESTAURATIE VAN MONUMENTALE GEBOUWEN

D 9 D24

klas 7 klas 7

2100 DEURNE • ANTWERPEN VAN AMSTELSTRAAT 63 TEL. 03/325.03.83

9100LOKEREN GASSTRAAT11A TEL. 091/48.12.17


HEDENDAAGSE METHODEN BIJ DE ZACHTE RESTAURATIE VAN GEBOUWEN EN MONUMENTEN

Constructieve scheurinjectie Dichtende scheurinjectie Consolidatie van hout en steen Restauratie van steen Restauratie van beeldhouwwerk Behandeling tegen stijgend muurvocht

Restauratie van hout Constructieve restauratie van houten draagbalken Curatieve en preventieve behandeling van hout Antizwambehandeling

Met behulp van 'zachte' polymeertechnische middelen als: — epoxyharsen — polyurethanen — silicoonharsen

N.V. RESIPLAST Bistweg 80 - 2250 Broechem - Tel. 03/485.62.31

Uitvoering met anorganische produkten. Levering en verwerking van: MINEROS en KEIM produkten

Opgelet f Voortaan dient alle briefwisseling in verband met M&L (redactie, abonnementen, enz.) uitsluitend naar het volgende adres gericht te w o r d e n :

BETONSANERING SPUITBETON GEVELKOSMETIKA WATERDICHTING STEENRESTAURATIE BETONREPARATIES

Belliardstraat 14-18 1040 Brussel tel. 02/513.99.20

bagnat

RIETEN DAKEN

WILLY IBENS P.V.B.A.

Brandbeveiligde daken

ISO-lsoleertechniek

Rietmatten en rietplaten BAGRAT BELGIUM p.v.b.a. Dr. Van de Perrestraat 289 2440 GEEL Tel. 014/58 04 90

OO CD

in

Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslel 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53

M&L


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Monumentenen Landschapszorg

M&L

ISSN 0770-4948

3de jaargang Nr. 1 - januari-februari 1984

INHOUD Redactioneel

MONUMENTEN EN DSCH \PPEN

Mechelen : het verhaal van een binnenstad H. Kennis & L. Mondelaers m.m.v. S. Van Aerschot

Mechelen, Haverwerf nr. 21, houten De Duivels' (foto G. Charlier).

huis

Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Monumenten- en Landschapszorg, Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : H. Stynen. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Produktie en lay-out : M. Ramakers. Administratie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, W. Claes, H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), A. Demey, J. De Schepper, E. De Temmerman (afgevaardigde van Gemeenschapsminister K. Poma), M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, H. Jult, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden. Advertentiewerving : J. Casier, Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. 050/33.82.20.

'De Vijgenboom' (1500-1510) en 'De Duivels' (1545-1550), twee pronkstukken van het unieke laat-middeleeuwse houtbouwpatrimonium te Mechelen J. Grootaers

33

Verdwenen muurschilderingen in de St.-Aldegondiskerk te Alken A. Bergmans

50

Summary

55

M&L Binnenkrant Literatuur Restauraties MLZ-activiteiten K.C.M.L. Wetgeving Buitenkrant

[2] [5] [6] [10] [14] [15]

Abonnementsvoorwaarden JAARABONNEMENT 1984 : België : 720 fr. (losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.) CJP'ers betalen : 600 fr. Buitenland : 840 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 0002001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding ,,M&L-jaarabonnement 1984". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Druk : die Keure, Brugge

M&L


Mecheien : het verhaal van een binnenstad Tentoonstelling naar aanleiding van de publikatie van het deel 9n in de reeks „Bouwen door de eeuwen heen", gewijd aan de Mechelse binnenstad. Deze tentoonstelling gaat door in de voorhal van het stadhuis te Mecheien. Bezoekmogelijkheden : van zaterdag 24 maart tot vrijdag 13 april. open van 9 uur tot 12 uur en van 13 uur tot 17 uur 's zondags gesloten.


Redactioneel Traditiegetrouw grijpt M & L de gelegenheid van het verschijnen van een nieuw deel in de reeks „Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen" aan om bijzondere aandacht te besteden aan het hierin behandelde gebied. Voor het arrondissement Veurne (M & L jg. 1, nr. 3) werd dit een themanummer; bij de voltooiing van de inventarisatie van het grondgebied van Groot-Gent begeleidde het nummer (M & L jg. 2, nr. 1) een tentoonstelling onder het motto „Van winkelen en puien". Beide nummers zijn inmiddels uitgeput. Ook voor dit nummer heeft de redactie geopteerd voor een gelijkaardige formule. De substantiële bijdrage van het inventaristeam over Mechelen : ,,het verhaal van een binnenstad" is bedoeld als begeleiding bij de tentoonstelling die onder hetzelfde motto zal worden opengesteld ter gelegenheid van de voorstelling van het deel over de Mechelse binnenstad op 23 maart e.k. Nuchter, maar daarom niet minder boeiend, wordt de stedebouwkundige en architecturale evolutie tegen de achtergrond van de brede maatschappelijke ontwikkeling gesitueerd. Ook de recente evolutie, o.a. de moeizaam op gang komende stadsvernieuwingsoperaties, wordt aan de orde gesteld. We blijven in de Mechelse binnenstad met de bijdrage van J. Grootaers over twee pronkstukken van het unieke laat-middeleeuwse houtbouwpatrimonium. Mechelen heeft inderdaad nog een tiental van deze zeldzaam geworden houten constructies in situ bewaard. Dit is uitzonderlijk veel als we weten dat de stad in 1627 bouw- en herstelverbod oplegde voor houten gebouwen en vanaf 1822 zelfs premies verstrekte voor de afbraak ervan. Zowel ,,De Vijgenboom" als ,,De Duivels" worden typologisch, morfologisch en iconografisch geanalyseerd. Dat deze, uit zo'n kwetsbaar materiaal opgebouwde huizen, niet zonder herstelling of restauratie tot ons gekomen zijn, zal niemand verwonderen. Deze „restauraties" worden door de auteur kritisch bekeken en hierbij stelt hij tevens vast dat de restauratie van „De Duivels" wellicht de eerste gesubsidieerde particuliere huisgevelrestauratie in België geweest kan zijn. Voor beide panden wordt momenteel een nieuwe restauratie voorbereid. Tenslotte is er nog de korte, maar niet minder belangwekkende bijdrage van A. Bergmans. Belangwekkend omdat impliciet en expliciet de waarde wordt aangetoond van het plannenarchief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen als bron voor de geschiedenis van de binneninrichting en decoratie van onze kerken. Zij zijn niet alleen van nut bij hedendaagse restauraties maar bevatten in sommige gevallen ook unieke informatie over de muurschilderkunst in onze gewesten, wat in haar bijdrage over de verdwenen muurschilderingen van de kerk van Alken wordt aangetoond. Wij hebben met dit o.i. welgevulde nummer een goede start willen geven aan onze derde jaargang - de eerste jaargang in eigen beheer - en hopen op een bevestiging van het vertrouwen en de interesse van onze lezers en abonnees. Voor deze jaargang kunnen we reeds een aantal bijdragen aankondigen die in de volgende nummers aan bod zullen komen : het tweede deel over de St.-Bernardsabdij van Hemiksem, bijdragen over het huis Van 'tSestich in Leuven, het kwartsiet van Tienen als bouwmateriaal, radiokoolstofdatering van mortels, enkele - al of niet verdwenen - vrijmetselaarsloges in Brussel en Antwerpen, de landschapszone Ertbrugge - Zwarte Arend te Wijnegem/Deurne, een voorlichtingsbrochure „Vragen rond Landschapszorg" ... kortom, te veel om op te noemen.

5

M&L


Mechelen : het verhaal van een binnenstad H. Kennis L. Mondelaers m.m.v. S. Van Aerschot Afdeling Inventarisatie

Naar aanleiding van de publikatie van het deel 9n in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, gewijd aan het bouwkundig erfgoed van de Mechelse binnenstad, wordt in dit artikel een overzicht gebracht van de evolutie van stedebouw, bebouwing en architectuur. Terzelfder tijd wordt dit materiaal bedoeld als achtergrondinformatie bij de tentoonstelling die samen met de voorstelling van het boek te Mechelen zal worden gebracht. Door de gunstige geografische ligging aan de goed bevaarbare Dijle was Mechelen al vroeg aangewezen om een belangrijk handelscentrum te worden. De rivier doorkruist het gebied van oost naar west en splitst de huidige binnenstad in twee delen, die aanvankelijk onafhankelijk van elkaar evolueerden. De eerste kern - en vermoedelijk ook de oudste stadskern - bevindt zich op de linkeroever; de tweede kern, op de rechteroever, werd doorsneden door talrijke vlieten - in feite bijriviertjes van de Dijle - en was als dusdanig weinig geschikt voor bewoning. De gunstige situatie van Mechelen, als middelgrote stad tussen Brussel en Antwerpen, heeft ertoe bijgedragen dat zijn bouwkundig erfgoed een interessant voorbeeld biedt van het continue bouwproces vanaf de gotiek tot vandaag. De toonaangevende en stijlbewuste religieuze en burgerlijke architectuur zowel als de doorsneebebouwing, illustreren hierbij de evoluerende tendenzen en variërende bouwvormen.

Ontstaan en groei van de eerste stadskern. De meeste historici situeren de oudste nederzetting op de linker Dijle-oever tijdens de Romeinse periode : een halfcirkelvormig versterkt bevolkingscentrum of castrum op de kruising van twee wegen, de weg Bavay-Breda en de verbinding van Tongeren met de Schelde. Deze wegen zouden later de basis vormen van het Mechelse stratennet. Het centrum zou later uitgroeien tot een vrije nederzetting met handelskarakter. Dit alles blijft echter een hypothese, bij gebrek aan materiële bewijzen. De archeologische vondsten die getuigen van menselijke activiteit tijdens de Romeinse en de Frankische periode, zijn blijkbaar tot op heden meestal afkomstig uit de onmiddellijke omgeving, o.m. uit Nekkerpoel, een gehucht ten oosten van de stadskern, waar sporen van paalwoningen (ca. 500 a.c.n.) werden gevonden in 1904. De ligging op de hogere zuidelijke Dijle-oever bracht een betere bescherming mee tegen overstromingen; het geheel werd afgebakend door brede grachten. Er zou

M&L

een tempel hebben gestaan, vermoedelijk eerst gewijd aan Diana. Met de Dijle als natuurlijke en belangrijke waterweg ontstond later op dezelfde plaats een portus van 12 è 15 ha, met een vrije bevolkingskern en een eigen bedehuis toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. De portus werd als 'parochie' erkend sedert het begin van de 8ste eeuw, of misschien zelfs vroeger. De nederzetting zou oorspronkelijk omgeven zijn geweest door houten palissaden en wallen, vertrekkend van de Dijle en boogvormig lopend over 't Pleintje, de Gebroeders Verhaeghenstraat, de Milsenstraat. de Ganzendries, de De Langhestraat, en langs het Hertshoornstraatje opnieuw uitkomend aan de Dijle, die de natuurlijke grens vormde. Drie poorten verzekerden de toegang : de oude Overste poort, de oude Onze-Lieve-Vrouwepoort en de oude Adegempoort. Het stratentracé vertoont thans nog een typisch Romeins regelmatig blokvormig patroon met de Korenmarkt als centrum, en kleine "Brandstraatjes" naar de Dijle. De geschiedenis van het noordelijk deel is minder duidelijk en verloopt alleszins minder systematisch. Het ontstaan ervan wordt gekoppeld aan de Sint-Rombouts-

Situering oudste nederzetting op de linker Dijle-oever (tekening M. Dierickx).


De weerslag van de economische bloei op de stedebouwkundige ontwikkeling in de 13de - 14de eeuw.

Mechelen rond de 8ste eeuw (uit Berlemont F A . , Mechelse Kronieken, Brussel, 1975).

legende ; Sint-Rombouts zou tijdens de tweede evangelisatieperiode (ca. 750) naar Mechelen gekomen zijn en er een abdij hebben gesticht op de z.g. 'Holm', ten noorden van de stad buiten de latere Sint-Katelijnepoort; hij zou er in 775 in de abdijkapel zijn begraven na zijn marteldood. Rondom deze abdij groeide een nederzetting met feodaal systeem; beide werden vernield tijdens de invallen van de Noormannen in 837. Door het verdrag van Meerssen (870) werd de plaats als abdij domein bij Lotharingen gevoegd; voor het eerst werd hier ook de naam Mechelen vermeld. Na de invallen gingen verschillende bevolkingsgroepen veiligheidshalve samenwonen; het is waarschijnlijk dat de rechter Dijle-oever aldus werd bevolkt in de loop van de 2de helft van de 9de - begin van de 10de eeuw. Dit gebeurde onafhankelijk van de vroegere Sint-Romboutsabdij, die pas ca. 913 werd wederopgebouwd. De samensmelting van diverse woonkernen, o.m. Blijdenberg, Heembeemd en Nieuwland en de aanwezigheid van talrijke vlieten, zijn de oorzaak van het meer onregelmatige stratenpatroon van dit stadsdeel. Het bekwam het altaar van Mechelen in 1134 en ging zich toen ook in het stedelijk gebied vestigen, terwijl Sint-Rombouts tot patroonheilige van Mechelen werd uitgeroepen. Ca. 1150 werden zijn relieken vermoedelijk overgebracht naar een kapel op de hoek van de huidige Sint-Katelijnestraat en het Sint-Romboutskerkhof, in afwachting van de bouw van een nieuwe kerk. De heerlijkheid Mechelen, als zelfstandig geheel waartoe ook Muizen, Heffen, Hever, Hombeek en Leest behoorden, ontstond in de loop van de 11de en 12de eeuw uit de samensmelting van de gronden van de Sint-Rumoldusabdij en de vrije nederzetting op de linker Dijle-oever. Beide kernen groeiden naar elkaar toe langs de bestaande verbindingsas, met name de Steenweg - IJzerenleen. Over de Dijle waren ze verbonden door de zg. 'voorde', een doorwaadbare plaats waar de gotische Hoog- of Grootbrug zou worden gebouwd, op het einde van de 13de eeuw.

Vanaf de 10de eeuw was Mechelen een Luikse enclave in Brabant; de prinsbisschoppen van Luik gaven het goed in leen aan de Berthouts, een familie van grootgrondbezitters. Ondanks machtsconflicten tussen leenheer en vazal kreeg de geschiedenis van Mechelen duidelijke vorm en kende de stad in de 13de-14de eeuw een grote economische bloei. In de 14de eeuw kwam het gebied in handen van de graaf van Vlaanderen; door het huwelijk van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, en Margareta, erfdochter van Brabant (1356) werden de gebieden echter samengevoegd. Mechelen kreeg aldus vrije vaart op de Schelde en vrij verkeer in Vlaanderen en Brabant. In de commerciële ontwikkeling van de stad speelde de Dijle uiteraard een belangrijke rol; in 1259 verwierf de stad het stapelrecht voor vis, zout en haver, waardoor de plaatselijke handel werd gestimuleerd. Mechelen verkreeg aldus een Haver- en Zoutwerf en een Vismarkt (cf. bewaarde plaatsnamen). De belangrijkste bron van inkomsten was evenwel de 'draperij' of lakennijverheid. Mechelse kooplieden werden aangetroffen op belangrijke jaarmarkten in het buitenland. Een eerste lakenhal werd vermoedelijk gebouwd op de Korenmarkt, ter plaatse van het huidige nr. 8. De economische welstand ging onvermijdelijk gepaard met een bevolkingstoename, een drukke bouwactiviteit en de uitbouw van de stedelijke infrastructuur. Zo kreeg Mechelen een definitieve 'stenen' omheining op het einde van de 13de-begin van de 14de eeuw; de haast cirkelvormige ringmuur met omlopende gracht gevoed door de Dijle, was gemarkeerd door een groot aantal muurtorens, waterpoorten over de Dijle en een tiental versterkte stadspoorten voornamelijk aansluitend bij invalswegen. Van deze stadsomheining, die ruim de twee kernen omvatte en samenviel met de huidige ring, bleef nagenoeg alleen de zg. "Brusselpoort" bewaard, echter zonder voorpoort. Het hoofdzakelijk in de loop van de 17de eeuw aangepaste gebouw vertoont twee monumentale

Hoogstraat. Brusselpoort, aquarel door J.B. De Noter

(S.A.M.} 7

M&L


ronde torens verbonden door de overbouwde doorgang en heeft voorts een uitspringend gevelvlak aan de stadszijde en een weergang en een eiken valpoort aan de veldzijde. De reeds vermelde Dijlebruggen, nl. de 'Fonteinbrug' (1371, Bruul - Vijfhoek) en de 'Hoogbrug' (eind 13de eeuw. Guldenstraat - Uzerenleen) dateren eveneens uit deze periode en vertegenwoordigen vrij goed het toenmalige type van stenen boogbrug. Binnen de omwalling was het stratennet op dat moment zo goed als voltooid. Schepenakten van 1311 vermelden reeds een bestrating met kasseien. Verschillende belangrijke wegen verbonden straalsgewijs de stadskern met het platteland via de versterkte poorten; zo was op de heirbaan Bavay-Breda een aftakking ontstaan langs de Befferstraat en de Keizerstraat naar de Nekkerpoelsepoort en het gelijknamige gehucht. De verdere ontwikkeling gebeurde voornamelijk in functie van de verbindingswegen tussen de hoofdassen en hun gediversifieerde bebouwing. Mechelen was uitgegroeid tot een versterkt stadje met radioconcentrisch patroon; typerend is hier de aaneenschakeling van open ruimten in de kern met de Grote Markt als centrum en knooppunt van de voornaamste wegen, o.m. de huidige Frederik de Merodestraat, de Befferstraat uitlopend in de haast driehoekige Veemarkt, de Bruul met terzijde gelegen Botermarkt, de ombuigende Steenweg met ge-

Mechelen, uitgegroeid tot een versterkte stad met radioconcentrisch patroon.

1. de Sint-Romboutskerk, 2. Voormalig Stadhuis, 3. Voormalige Lakenhal, 4. Voormalig Schepenhuis, 5. Sint-Catharinakerk, 6. Kerk Sint-JanBaptist-en-Evangelist, 7. Voormalige Sint-Pieter-en-Pauluskerk, 8. O.-L.-Vrouw-over-de-Dijlekerk, 9. O.-L.-Vrouw-van-Hanswijkkerk, 10. Brusselpoort Luchtopname van de Grote Markt en Sint-Romboutskerk

8

M&L

(foto Stedelijke Dienst Toerisme Mechelen)


oriënteerde Sint-Romboutskerk en Kerkhof en de IJzerenleen die via de Hoogbrug en de Guldenstraat uitloopt in de trechtervormige Korenmarkt, als centrum van de eerste vrije nederzetting; de Hoogstraat in het verlengde werd zoals de andere assen van de eerste kern gewoon doorgetrokken tot aan de stadspoorten. Nieuwe parochiewijken rezen uit de grond : Onze-LieveVrouw-over-de-Dijle (1255), Sint-Pieter-en-Paulus (1308), Sint-Jan (1250-1270), Sint-Kathelijne (13051308), Onze-Lieve-Vrouw-Hanswijk (1289). Aanvankelijk werden hier vrij sobere bedehuizen opgericht; tijdens de 14de-15de eeuw werden ze dan verbouwd tot kerken waarin de evolutie van vroeg- naar hoog-gotiek gevat ligt; hun torens werden herkenningspunten in de stadsuitleg en markeerden definitief het stadssilhouet. Toonaangevend is de Sint-Romboutskerk met een duidelijk contrast tussen het nog sober opgevatte schip en de ca. 1342-1375 verruimde koorpartij naar ontwerp van de Franse bouwmeester Jan van Osy. Deze constructie is van doorslaggevende betekenis geweest voor de verdere ontwikkeling en uitstraling van Brabants gotische kerkbouw. Naast het algemene schema en de opstand naar Franse traditie, zijn het samengaan en de eigen vormgeving van een aantal elementen de basiskarakteristieken van de zg. 'Brabantse Gotiek'. Het gaat in eerste instantie om de rijk versierde kapelgevels en de zuilen met koolbladkapitelen, de kapiteelloze schalken die de gewelfribben opvangen en het verzorgde blinde traceerwerk doorlopend over zwikken, pseudotriforia etc. Al deze elementen accentueren de verticaliserende opbouw en schijnen als zovele compensaties en correcties te fungeren voor de t.o.v. de Franse kathedralen gereduceerde bouwhoogte.

Hogenberg F. en Braun, Plan der stad Mechelen, 1580 (S.A.M.), (foto M.L.Z.).

de Augustijnenstraat, de begijnen groepeerden zich in het Klein Begijnhof in 1259. De ridders van de Commanderij van Pitzemburg, een militaire orde, namen eind 12de-begin 13de eeuw hun intrek in een groot domein aan de Dij Ie, nabij de Fonteinbrug. De oudste dienstverlenende instantie was gevestigd in het Onze-Lieve-Vrouwegasthuis, gesticht ca. 1180-1200 op het zg. 't Plein' in de nabijheid van de gelijkSint-Romboutskerk.

Interieur naar W. (foto A.C.L.).

De gotische principes van scheiding tussen de dragende en de afsluitende bouwonderdelen werden uitdrukkelijk toegepast in de onvoltooide westtoren n.o.v. de Keldermansen (1452-1520). Hier werd tevens gestreefd naar een evenwicht tussen structuur en architectonische versiering. De directe invloed van de opstand van het SintRomboutskoor is in Mechelen duidelijk merkbaar in het schip, transept en koor van de Onze-Lieve-Vrouw-overde-Dijle-kerk (ca. 1451-1566) waar die homogeen werd uitgewerkt, zij het op een iets eenvoudigere wijze. De onversierde westtoren van dezelfde kerk (eind 14de-16de eeuw) vertoont een stoere opbouw met 4 geledingen tus sen zware overhoekse steunberen. De vroege bedaking met peerspits verwees naar de afwerkingsperiode van de 16de eeuw. De kerk Sint-Jan-Baptist-en-Evangelist (1443-1483) beantwoordt meer aan een bescheiden vorm van het Brabantse kerktype met westtoren. De Sint-Catharinakerk, begonnen in 1336 en voltooid einde 15de eeuw, neemt een aparte plaats in doordat zij tevens elementen van de zg. 'Dender'- en 'Scheldegotiek' overneemt, met name de kruisingtoren en de rondvensters. Van de godsdienstige bloei getuigen tevens de verschillende kloosterorden die zich intra muros kwamen vestigen : de beggaarden kwamen eind 12de-begin 13de eeuw in de Nieuwe Beggaardenstraat, de minderbroeders in 1231 in de Minderbroedersgang, de augustijnen in 1252 in

M&L


namige parochiekerk en werd bediend door de Gasthuisbroeders en -zusters tot de afbraak in 1857. De gotische kapel van Heilige Geesttafel (Minderbroedersgang) tegenover de Sint-Romboutskerk biedt, ondanks de archeologische restauratie, nog een vrij zeldzaam voorbeeld van een vroeg - waarschijnlijk 13de-eeuws - zandstenen zaalkerkje met rechte sluiting. Het Sint-Julianusgasthuis (Keizerstraat), dat onderdak verleende aan arme reizigers en pelgrims, werd opgericht in 1293; hiervan rest alleen de meermaals verbouwde kapel met eenvoudige zandstenen gevel aan de straat. Het Drievuldigheidsgodshuis (Nokerstraat) tenslotte werd gesticht in 1348. De gunstige economische situatie en de groeiende stedelijke macht en burgerlijke organisatie drukten eveneens hun stempel op het stadsbeeld : rond de Grote Markt als centrum voor handel en administratie werden de belangrijkste openbare gebouwen opgericht : de nieuwe Lakenhal (1311-1326), de zg. 'Beyaert' (aangekocht in 1378, in 1474 ingericht als stadhuis), het nieuwe Schepenhuis (1374). Deze gotische constructies van zandsteen vertonen nog een sober en vrij gesloten karakter met horizontale belijningen, een gekanteelde weergang en typische hoektorentjes zoals in het voormalig Schepenhuis (huidig Stadsarchief) waarvan de oudste, mogelijk 13de-eeuwse vleugel in 1374-1375 vergroot werd met een ruimer Steenweg nr. 1. Voormalig Schepenhuis, heden Stedelijk Archief.

Panoramisch zicht op Mechelen en omgeving (foto M.L.Z.).

doch analoog gebouw. De 14de-eeuwse Lakenhal volgt de typische inplanting met een massieve centrale Belforttoren, die hier echter onvoltooid gebleven is; het hele complex werd herhaaldelijk verbouwd, o.m. in de 16de eeuw, toen de noordelijke vleugel werd verbouwd als Paleis van de Grote Raad. Parallel met de bevolkingstoename en de intense huizenbouw werkte de prijsstijging van de grond een smalle perceelindeling in de hand, en dit voornamelijk in het centrum en aan de belangrijkste invalswegen. Hierdoor maakte het zg. 'diephuis' opgang, met smalle voorgevel, plattegrond uitgewerkt in functie van deze korte zijde van het pand en dus 'in de diepte' en nokrichting van het hoge zadeldak haaks op de straat. In kleine zijstraten kwam blijkbaar ook het eenkamerwoningtype voor, met de nokrichting echter parallel met de straat; vandaar de naam 'breedhuis'. Steen bleef tot omtrent de 16de-17de eeuw beperkt tot het bouwen van patriciërswoningen, terwijl voor het doorsnee-woonhuis de goedkopere traditionele vakwerkbouw werd toegepast. Ondanks de talrijke stedelijke verordeningen vanaf de 13de eeuw om het aan deze bouwwijze verbonden brandgevaar te beperken, kwam het versteningsproces slechts traag op gang. De oudst bekende ordonnantie met verbod nog houten Grote Markt. Voormalige Lakenhal en Paleis van de Grote Raad, huidig Stadhuis (foto A.C.L., 1893).

10

M&L


gevels op te trekken zou pas dateren van 1627. Ondanks talrijke slopingspremies voor houten gevels, uitgeloofd door de stad ter gelegenheid van het Sint-Romboutsjubileum in 1775 en verder in de loop van de 19de eeuw, bleef de houtbouw nog geruime tijd doorleven. De nog bewaarde voorbeelden behoren blijkbaar tot de eerste helft van de 16de eeuw.

Mechelen binnen de middeleeuwse stadspoorten (15de tot 18de eeuw).

hoofdstad van de Nederlanden. Margareta van York verhief de stad bovendien tot haar voornaamste residentieoord, wat een bloeiperiode voor de luxe-nijverheid met zich bracht. Toen Margareta van Oostenrijk in 1507 landvoogdes der Nederlanden werd en zich eveneens te Mechelen vestigde, werd de stad ook nog het politieke centrum en bereikte ze haar hoogtepunt. De economische bloeiperiode was echter voorbij en de 'draperij' kwam tot verval. Het Hof fungeerde als voornaam cultureel ontmoetingsoord waar talrijke kunstenaars als o.m. Barend van Orley, Pieter Coecke van Aelst, en eminente geleerden werkzaam waren. Dankzij het mecenaat van de landvoogdes groeide het hof uit tot een uitstralingscentrum voor de humanistische cultuur en de renaissancekunst. Ook de bouwbedrijvigheid kende een nieuwe expansie op het vlak van privé- en openbare architectuur. Belangrijk was het geslacht der Keldermansen dat bijna twee eeuwen werkzaam was (1375-1550) en waarvan Rombout II ongetwijfeld de belangrijkste figuur was. Van 1507 tot 1525 werkte hij o.m. aan het paleis van Margareta van Oostenrijk; de voorgevel hiervan lijkt het oudst gekende renaissancevoorbeeld uit de Nederlanden. De structuur en de verhoudingen van de geveltop zijn in feite nog gotisch, terwijl de ordonnantie en de ornamenten aansluiten bij de nieuwe stijlrichting. De gevelvorm en -indeling zijn bovendien van uitzonderlijk belang voor de evolutie van de latere krulgevels. Belangrijk voor de ontwikkeling van de gevel van het toenmalige stadshuis is wel het ambachtshuis 'In de grooten Zalm' (Zoutwerf nr. 5), ca 1530-1535 gebouwd naar ontwerp van Willem van Werchtere. Op het gotische stramien en proportiesysteem wordt hier wellicht voor het eerst de 'klassieke' Italiaanse ordonnantie met gesuperposeerde orden toegepast. Naast deze nieuwe toonaangevende stijlarchitectuur blijft de gotische traditie nog sterk doorleven. Interessant zijn de vermengingen van 'antieke' en 'moderne' (i.e. gotische) vormen zoals ze vaak voorko-

Hanswijkstraat nr. 52 (foto Stedelijke Dienst Monumentenzorg Mechelen).

Keizerstraat. Voormalig Paleis van Margarta van Oostenrijk. Toestand vóór de restauratiecampagne in 1878 o.l.v. L. Blomme (tekening M. Dierickx).

Een nieuwe fase in de Mechelse geschiedenis werd ingeluid door het huwelijk van Margareta van Male met Filips de Stoute in 1383, waarbij de stad werd opgenomen in de Bourgondische Staat. Enerzijds werden pogingen ondernomen om de economische groei te stimuleren; anderzijds werden de gemeentelijke vrijheden aangetast door de centralisatiepolitiek eigen aan de Bourgondische vorsten. Toch zal Mechelen langzamerhand een belangrijke rol toebedeeld krijgen. Wanneer Karel de Stoute in 1473 het 'Opperste Gerechtshof of 'Parlement' sticht, wordt Mechelen - omwille van zijn centrale ligging - uitgekozen als juridische II

M&L


men in de toenmalige schilderkunst maar evenzeer in het door Rombout Keldermans ontworpen Paleis van de Grote Raad, als vernieuwing van de noordervleugel van de Lakenhal, in 1526-1547, voltooid door Ph. Van Boxmeer in 1900-1911. Renaissancemuurschilderingen (16de eeuw) werden bewaard in het zuidertransept van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Bewaarde voorbeelden uit de 16de eeuw en later wijzen op de wisselwerking tussen en wederzijdse beïnvloeding van hout- en steenbouw. De behouden zg. "driekwarthuizen" uit de eerste helft van de 16de eeuw met bakstenen 'brandmuren' en de voorgevel met houten structuur en bebording, vertonen typische overkragende bovenverdiepingen, al dan niet met insteek, vensterregisters met gekoppelde kruiskozijnen, horizontaliserende kordons en puntgevel afgelijnd met windborden. Hun architectonische versiering sluit hierbij nog aan bij traditionele profielen en de uitbeelding van alomgekende volkse thema's. In de sporadische 'stenen' huizen worden als vanzelfsprekend reminiscenties aan of transponeringen van de houtbouw overgenomen, met name de topgevel, de overkragende verdiepingen, de skeletstructuur en de kruiskozijnen. Registerordonnanties ontleend aan de gotische en laatgotische stijlarchitectuur van de openbare gebouwen komen ook voor in een paar zandstenen gevels, zoals de gevel van het huis 'Het Paviljoen' (Grote Markt nr. 26); in het 'Paradijs' (Haverwerf nr. 21, ernaast) wordt de laat-gotische vormentaal aangevuld met de renaissancereliëfs van de timpanen die de toen geliefkoosde thema's van het Aards Paradijs en de Zondeval voorstellen met de nodige zorg voor de uitbeelding van de naaktfiguren. Tijdens de 15de en 16de eeuw werden talrijke patriciërswoningen en refugiehuizen van invloedrijke abdijen opgetrokken in een harmonische materialencombinatie van baksteen voor het opgaand metselwerk en zandsteen voor constructieve elementen, die tevens als decoratie konden worden geïnterpreteerd. Meestal gaat het om ruime complexen met diverse vleugels, opgesteld rondom een binnenplaats en op de begane grond geritmeerd door een bogengalerij. Als dusdanig sluiten deze gebouwen aan bij het ook in Brussel en Antwerpen toegepaste type van complex huis en worden ze soms bestempeld als voorbeelden van Brabantse baksteengotiek, hoewel ze eerder de overgang naar renaissance illustreren. Typerend zijn eveneens de polygonale of vierkante traptoren, en de uitgebouwde huiskapel. Markante voorbeelden zijn het nu grotendeels gereconstrueerde Hof van Busleyden (Frederik de Merodestraat nr. 67), het Hof van Nassau (Berthoudersplein), het Hof van Hoogstraten (Bleekstraat nr. 5), het Hof van Schoofs en het Hof van Cortenbach (Korenmarkt nr. 8 en nr. 23-27), de refugiehuizen van Tongerlo en Sint-Truiden (Schoutetstraat nr. 3 en 7).

Van boven naar onder : - Grote Markt nr. 26. Z.g. ,,Keulen" of „Paviljoen" (foto M.L.Z.). - Haverwerf nr. 21. Z.g. ,,Het Paradijs". Rechter hoogveld (foto M.L.Z.). - Frederik de Merodestraat nr. 67. Hof van Busleyden (foto M.L.Z.).


Deze bouwtrant wordt overigens in vereenvoudigde versie voortgezet in de doorsnee-architectuur van de 16de en 17de eeuw, met weinig of geen verwerking van de eigentijdse stijlornamenten van de renaissance en de barok, en wordt gemakkelijkshalve bestempeld met de benaming van traditionele bak- en zandsteenstijl. Deze 'traditionele' stadshuizen behoren doorgaans tot het diephuistype met trap-, punt- of tuitgevel. Het baksteenmetselwerk is meestal verstevigd en verfraaid met 'speklagen' en afgewerkt met hoekstenen; stenen kruis-, bol-, of kloosterkozijnen zijn meestal opgenomen in registers belijnd door de vermelde muurbanden; de druk boven de muuropeningen wordt opgenomen door een wigvormig ontlastingssysteem in de speklagen en overgedragen op de tussenstijl; als varianten bestaan de gekoppelde ontlastingsboogjes of de meer zeldzame accoladebogen zoals in de Kanunnik de Deckerstraat nr. 26, F. de Merodestraat nr. 16 en Rik Woutersstraat nr. 36. Breedhuizen met lijstgevel en bekronende dakkapellen tussen zijpunt- of trapgevel komen in mindere mate voor, hoewel ze vrij goed vertegenwoordigd zijn in de zijstraten en in de meer afgelegen wijken aan de periferie (bv. de begijnhoven). Na de dood van Margareta van Oostenrijk in 1530 vestigde haar opvolgster, Maria van Hongarije, zich te Brussel; de voordelen verbonden aan het verblijf van de hele hofhouding verdwenen aldus. Het verval werd nog bespoedigd door de blikseminslag op de als buskruitmagazijn ingerichte Zandpoort (1546) en de daaropvolgende ontploffing die een groot deel van de omgeving vernielde. In 1559 verhief Filips II Mechelen tot zetel van het aartsbisdom met Kardinaal Granvelle als eerste waarnemer van dit ambt. Dit verhinderde geenszins de uitbreiding van de godsdiensttroebelen en het Calvinistische bewind tot 1585. Tussen 1585 en 1595 liep de bevolking terug van 25 a 30.000 tot 10.972. Toch affirmeerde de kerkelijke macht zich stilaan opnieuw. Het Groot Seminarie werd opgericht in 1595, het Groot Begijnhof vestigde zich intra muros rond 1595-1596 en de religieuze gebouwen, geplunderd en sterk beschadigd door de Beeldenstorm, werden geleidelijk aan hersteld. Bovendien bracht het bestuur van de aarsthertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) enige herademing met tijdelijk economisch herstel. Veiligheidshalve kwamen zich in de loop van de 2de helft van de 16de en het begin van de 17de eeuw, een aantal bestaande kloosterorden binnen de stad vestigen, hierbij gebruik makend van oudere kloostergebouwen met aanpassingen of nieuwe gebouwen. Onder impuls van de Contrareformatie verschenen nieuwe orden, zoals onder meer de jezuïeten en de dominikanen, die ook zochten naar geschikte panden binnen de stad. Deze religieuze wederopbloei uitte zich in een intense bouwactiviteit tijdens de 17de eeuw en bracht te Mechelen enkele merkwaardige barokke (kloosterkerken tot stand die op treffende wijze de synthese illustreren van traditioneel gotische structuren en barokke vormentaal.

Zakstraat nr. 18-20. Voormalig Hof van Palermo (foto M.L.Z.).

De Sint-Alexius-en-Catharinakerk van het Groot Begijnhof neemt een aparte plaats in in deze ontwikkeling. Ze werd ingeplant in een reeds bestaande wijk met onregelmatig stratenpatroon die geleidelijk zou worden beïnvloed door de traditionele begijnhuizen met barokgetinte rondboogdeurtjes en soms zwaar omlijste bovenlichten zoals in de Hoviusstraat. De bouw van de Kerk werd aangevat door architect J. Franquart in 1629 en na 1640 Groot Begijnhof. Gekleurde pentekening 18de eeuw (S.A.M.).

r

*, 13

M&L


Hanswijkstraat. O.-L.-Vrouw-van-Hanswijkkerk.

Interieur, koepelgewelf

voltooid door L. Fayd'herbe. Kenmerkend zijn de vrij strikte toepassingen van de Italiaanse basisconcepten en vormgeving zoals ze voorkomen in de eenvoudige longitudinale aanleg en de opstand van de middenbeuk geritmeerd door portiektraveeën en Corinthische pilasters onder een sterk geprofileerd, klassiek hoofdgestel; de geplande ook italianiserende overwelving met tongewelf en steekkappen werd door L. Fayd'herbe gewijzigd en herleid tot een traditionele kruisribgewelfconstructie met barokke versiering. Ook de westgevel met drie registers en gesuperposeerde orden mag als typevoorbeeld gelden van de barokke kerkgevelarchitectuur. Van 1642 tot 1652 voltooide J. Franquart de oostpartij van de OnzeLieve-Vrouwekerk; de barokke kooromgang en transkapellen vormen een goed voorbeeld van de toenmalige opvattingen en voltooiing in eigentijdse bouwtrant, en o.m. de 'vertaling' van gotische luchtbogen in uitgelengde barokke voluten. Invloeden van de plastische zg. 'Rubensiaanse' barok zijn te bespeuren in de oostelijke gevel van de eenbeukige kerk van het klooster van Leliëndaal (1662-1672). In de Onze-Lieve-Vrouw-van-Hanswijkkerk (1663-1681) werd door L. Fayd'herbe enigszins geëxperimenteerd met ruimtecombinaties en structuren : hier werd immers een centrale aanleg geënt op een longitudinale, met ietwat theatrale licht- en ruimtewerking en hoge openge14

M&L

(loloM.h.X.).

werkte koepeloverwelving boven eerstgenoemde; in volume echter was dit geheel niet zo bijzonder geslaagd, te meer daar er allerlei verstevigingen en verankeringen nodig waren om de gewaagde constructie te stabiliseren; bovendien ontstond er een wanverhouding tussen de uitstekende bovenbouw en het geheel van de constructie. De voormalige Jezuïetenkerk Sint-Franciscus Xaverius (1670-1677) doet daarentegen eerder traditioneel aan door haar quasi-haliekerkstructuur, de uitgelengde zuilen en de tweeledige voorgevel met hoogoplopende middenpartij . In de privé-architectuur getuigen enkele gevels van belangrijke woningen van duidelijke barokinvloeden in hun opbouw en voornamelijk in hun decoratie. Gevels van de huizen zg. 'de Kat' en 'de Koning van Schotland' (Grote Markt nr. 13 en nr. 17), 'Sint-Jozef (Haverwerf nr. 20), en 'de Koornbloem' (Sint-Katelijnestraat nr. 20) toegeschreven aan L. Fayd'herbe, zijn fraaie tweeledige in- en uitzwenkende halsgevels afgelijnd met soms ietwat stoere voluten en klauwstukken, bolomamenten en frontonbekroning. De licht overstekende bovenverdiepingen worden opgevangen door korfbogen met plastisch uitgewerkte boogvulling; de registerindeling met kruiskozijnen op de bovenverdieping blijft gewoon doorleven. De geschetste bouwactiviteit contrasteert enigszins met de algemene ondertoon van deze 17de eeuw, die geen


bijzonder geschikte periode bleek te zijn voor de bloei van kunst en wetenschap. Vermaard geraakten sommige kunstambachten als kant en het 'Mechels goudleer', als fel gegeerde wandbekleding. De stad had immers nog te kampen met de naweeën van de godsdiensttroebelen en talrijke oorlogen en de hiermee gepaard gaande militaire lasten en epidemieën. Het is tijdens de 17de eeuw dat de middeleeuwse omwalling werd gebastioneerd en hierdoor aangepast aan de toenmalige oorlogvoering. Een 17de-eeuwse stadsplattegrond, bewaard in het stadsarchief, toont duidelijk aan hoe de omtrek hierdoor werd verruimd en hoe de geometrische omlijning met glacis en bastions het contrast accentueerde tussen het stedelijk en het omringende landelijk gebied. De verbindingen bleven echter verzekerd via de invalswegen met omwegen en doorgangen in de glacis en bastions van soms ongelijke afmetingen. De nasleep van de oorlogen tegen Lodewijk XIV was nog voelbaar in het begin van de 18de eeuw. Onder het Oostenrijkse bewind (1713-1792) ontstond echter opnieuw een periode van rust en relatieve bloei met een bewuste aanwakkering van nijverheid en handel, een verbetering van de verkeerswegen en de ontsluiting van de steden ; zo werd in 1729 de Steenweg naar Leuven aangelegd en vanaf 1750 werd de Leuvense vaart gegraven die ten zuidwesten van de stad liep. De invloed ervan was gering, omwille van de ligging en ook omdat het eigenlijke toezicht aan Leuven was toevertrouwd. In 1756 werd de Infanteriekazerne, nu zg. Dossinkazerne, gebouwd en in 1757 de nu verdwenen Ruiterij kazerne aan het Berthoudersplein. Dit was meteen het begin van Mechelen als garnizoenstad.

Groot Begijnhof. St.-Alexius- en Catharinakerk. Interieur naar O.-zijde (foto M.L.Z.). Sint-Katelijnestraat nr. 20, 22. Z.g. ,,Koornbloem" Paard" (foto M.L.Z.).

(1684) en ,, Vliegend

Plan der stad Mechelen door J. Hunin, ± 1800 (Stedelijke Dienst Monumentenzorg Mechelen), (foto M.L.Z.). ,

/

\

••

^

,

a

!

'

•'

De opeenvolgende stijlen en hun interpretaties in de verschillende Europese landen bepaalden geleidelijk aan de privé-architectuur te Mechelen waar een aantal wijzigingen zich voordeden met min of meer provinciale en lokale inslag. De smalle pandenindeling en het diephuistype bleven behouden. Dit blijkt uit de talrijke bouwaan vragen voor gevels, die meestal slechts een aanpassing of een vervanging vertegenwoordigen van een oudere voorgevel met behoud van het diephuis zelf en meestal ook van de achtergevel. De bouwaanvragen wijzen tevens op 15

M&L


een intense bouwactiviteit ca. 1770-1775; onder impuls van de stedelijke overheid werden talrijke gevels vernieuwd en 'gemoderniseerd', waardoor een aantal hoofdstraten een nieuw uitzicht en nieuwe accenten verkregen. De topgevel evolueert naar een eenledige hals- of klokgevel met vindingrijke toepassing van nieuwe ornamenten, en die zich als dusdanig handhaaft tot ca. 1777. De bak- en zandsteenbouw wijkt geleidelijk voor meer monochroom materiaalgebruik; baksteen of natuursteen worden afzonderlijk aangewend waarbij blauwe hardsteen meer en meer wordt gebruikt voor uitgewerkte omlijstingen of zelfs voor volledige gevelbekledingen. Hiernaast zal de bepleisterde lijstgevel meer en meer in zwang komen voor zowel het breedhuis als het diephuis; in laatstgenoemd geval zal dit uiteraard een aanpassing van het zadeldak vergen met gewone afwolving aan de straatzijde; eind 18de- begin 19de eeuw komt een bekronend gevelfronton deze overgang soms afschermen. Voor nieuwe bouw, verreikende verbouwingen of samenvoeging van panden worden meer eigentijdse dakvormen ingevoerd, zoals het schilddak en voornamelijk het mansardedak, refererend naar Franse voorbeelden. In dezelfde context zijn verschuivingen en vernieuwingen merkbaar in de typologie van bouwonderdelen als vensters, deuren etc. Zo wordt het stenen kruiskozijn vanaf ca. 1740 geleidelijk vervangen door een rechthoekig venster met classicerende inslag en door getoogde of schoudervormige muuropeningen met uitgewerkte omlijstingen en rococoversieringen. Naast deze rijhuizen verschijnen nu ook een aantal herenhuizen of zg. 'Hotels' waarvan sommige ruim uitgelegd worden met hoofd- en zijvleugels opgesteld rondom een binnenplaats en voorzien van een koetspoort aan de straatzijde. De classicerende barok (ca. 1700-1740) als versoberd verlengstuk van de 17de-eeuwse barok met vermenging van strengere klassieke elementen, is in Mechelen vertegenwoordigd in enkele kloostergebouwen : in de voormalige Dominikanenkerk (1729, Goswin de Stassartstraat) en de kapel van het voormalig Cellebroedersklooster (1727-1730, Nokerstraat). De vrij eenvoudige gevels zijn hier geordonneerd door kolossale pilasters van natuursteen.

Lange Heergracht nr. 8-10 (1755), (tekening M. Dierickx). Volgende bladzijde : O.-L.-Vrouwekerk.

16

M&L

Interieur, (foto G. Charlier)

In de privé-architectuur komen een aantal hals- en klokgevels voor met muuropeningen in doorgetrokken omlijsting of verdiept tussen typische pilasters, bovenaan opgesmukt met régence-motieven, zoals Vismarkt nr. 16 (1724), en nr. 20 (1728) en Grote Markt nr. 17 (1737). Nagenoeg gelijktijdige bepleisterde lijstgevels vertonen een evenwichtige opbouw geritmeerd door pilasters en geleed door horizontale druiplijsten. Fraaie voorbeelden van deze régence-getinte gevels zijn o.m. het nu wederopgerichte "In het Suykerhuys" (1716, Grote Markt nr. 39) en een hotel met uitgewerkt poortrisaliet (Goswin de Stassartstraat nr. 24). Omtrent 1750 - en dus wellicht even later dan in andere steden - komen de golvende lijnen en asymmetrische motieven van het nu meer verspreide en toegeëigende rococo het uitzicht van talrijke gevels verlevendigen. Gevels als deze van 'De Gulden Ster' (1773, Grote Markt nr. 3),


'In den Boer a la Mode' (Grote Markt nr. 6), 'In den Pelicaen' (1773, Befferstraat nr. 5), de 'Min', (1773, SintKatelijnestraat nr. 63, Guldenstraat nr. 9) illustreren de voornaamste karakteristieken en lokale interpretaties, de accentuering van de middentravee, de bijzondere aandacht voor een verfijnde zwierige decoratie van deuren vensteromlijstingen, tussendorpels en borstweringen waarvoor het ruime vocabularium van de rocaille-ornamenten werd gebruikt en aangevuld met hun vertaling in gesmeed ijzer voor de balkonleuningen en waaiers. Het merkwaardige hotel Lange Heergracht nr. 8-10 met zijn gereduceerd staatsieplein, zijn centrale poort, zijn symmetrische zijvleugels en evenwichtig uitgewerkte voorgevel met balkonhek (1755) lijkt wel een typevoorbeeld van de elegante hotelvorm die blijkbaar zelden voorkwam in Mechelen; het is interessant hierbij aan te stippen dat de hoofdvleugel in feite een oudere kern bevat die duidelijk afleesbaar is in de niet zo coherente achtergevel met verbouwingen en toevoegingen uit diverse perioden. In het laatste kwarteeuw treedt geleidelijk een versobering in, gelijklopend met de verspreiding van het classicisme, de Lodewijk XVI-stijl en het vermengde gebruik van minder edele bouwmaterialen met de hiermee gepaard gaande bepleistering. Deze verschuivingen en het naast elkaar bestaan van 'oude' en 'nieuwe' vormen zijn duidelijk op te maken uit de bewaarde bouwaanvragen die zo dicht bij het toenmalige alledaagse bouwen staan en de gecompartimenteerde stijlontwikkelingen ten zeerste relativeren. Naast enkele voorbeelden van uitgesproken Lodewijk XVI-versiering met de nodige rozetten, festoenen en lamberkijnen zoals in de huizen 'de Arend' Befferstraal nr. 5. Z.g. ,,In den Pelicaen". Bouwaanvraag, 1773 (S.A.M.).

(Befferstraat nr. 37) en 'de Scheer' (Hanswijkstraat nr. 2) vertonen de doorsnee-gevels - hoofdzakelijk lijstgevels - een symmetrische, weinig geornamenteerde opstand bepaald door kolossale pilasters - in vereenvoudigde vorm herleid tot gevelhoge lisenen - alternerend met verdiepte venstertraveeën. Dit type bleef doorleven tot ca. 1825. Een dergelijke opbouw werd ook aangewend voor de stijlvolle pilastergevels van de ruimere hotels, opgenomen in de straatwand als van de residentiële Bruul nr. 78-88 (1788) en nr. 79-81 (1779) en die uiteraard een aantal oudere huizen vervangen en een zekere 'schaalvergroting' brengen in de pandenindeling; het hotel van de Bleekstraat nr. 5 behoort tot dit type. Onder het bestuur van Jozef II (1780-1790) verloor Mechelen haar stapel- en tolrechten (1783) en in het kader van de hervormingspolitiek die het stedelijk particularisme wou bestrijden, begon de geleidelijke ontmanteling van de stad. De voorpoorten van de stadsomwalling werden gesloopt. Overeenkomstig het edict van 26 juni 1784 werd het verboden de doden in of rond de stedelijke kerken te begraven. De kerkhoven werden aldus geleidelijk omgevormd tot openbare pleinen - met bewaarde plaatsnamen - en zijn nu meestal herleid tot parkeerruimten. Het einde van Mechelen als heerlijkheid brak aan met de Franse annexatie (1792/94-1814). De zuidelijke Nederlanden werden ingedeeld in negen departementen, waarbij Mechelen voortaan zou behoren bij het departement der beide Nethen, de latere provincie Antwerpen. Als elders in het land werden kloosters en godshuizen opgeheven, ambachten en gilden ontbonden, kerken ge-

O.-L.-Vrouwestraat nr. 57. Bouwaanvraag, 1788 (S.A.M.), (foto M.L.Z.).

Grote Markt nr. 3. Z.g. ,,In de Steen". Bouwaanvraag, 1773 (S.A.M.)

2531

km

'ir;;! '"r

i

HlJIil . ff

.'ui..

M

!•"" •'"

i

*

18

M&L

4

^ '

*

'

"K


Lange Heergracht nr. 8-10, 1755, (foto M.L.Z.).

Bruul nr. 79-81. Bouwaanvraag, 1779, (S.A.M.), (foto M.L.Z.)

sloten en geplunderd en verkocht als nationaal goed. Voor een stad als Mechelen met talrijke kloosters en religieuze instellingen, réfugié-, gilde- en ambachtshuizen, betekenden deze maatregelen een diepgaande omzwenking met zware problemen omtrent het verdere bestaan en gebruik van deze gebouwen. Sommige kregen meteen een nieuwe bestemming : het reeds in 1773 opgeheven jezuïetenklooster werd ingericht als krijgshospitaal in 1775; het dominikanenklooster werd in 1809 kazerne, nu Lobbeskazerne genoemd; het minderbroedersklooster werd ook kazerne met de kerk als hooimagazijn. Talrijk zijn echter de complexen die na verscheidene tijdelijke functies gehad te hebben, uiteindelijk werden gesloopt in de loop van de 19de eeuw en hiermee ruimte verschaften voor nieuwe openbare bestemmingen of woningbouw. Godshuizen werden overgenomen door het Burgerlijk Bestuur der Godshuizen, opgericht door de Fransen en a.h.w. voorloper van de huidige O.C.M.W. Kleinere gebouwen werden vaak meteen opgesplitst en aangepast als woningen, nijverheidsgebouwen e t c ; tenslotte werden er ook een aantal onmiddellijk vernield.

Ontmanteling, uitbreiding en stedebouwkun dige vernieuwing tijdens de 19de eeuw. In het begin van de 19de eeuw was er nog een duidelijk onderscheid tussen de 'stad' Mechelen met behouden aanleg, aaneengesloten woonkern en 90% van de bevolking binnen de nog grotendeels bestaande middeleeuwse omwalling, en het landelijk gebied 'extra muros' met zijn enkele vrij kleine kernen met landbouwerswoningen. Ca. 1800 telde Mechelen zowat 19.000 inwoners. Binnen de stadsmuren restten er nog een aantal open ruimten in het zuidelijk stadsdeel, bij de zg. Heihoek en aan de periferie, in het bijzonder het deel tussen de vest en de Lange Nieuwstraat, dat voornamelijk was ingenomen door 'Schuttershoven' en ruime tuinen. Bij de Dijle, aan de Fonteinbrug, lag nog steeds het Pitzemburgdomein. In het noordelijk stadsdeel lagen de meeste open plekken aan de Zandpoortvest, voorts kwamen er nog blekerijen voor aan de Ham en de Stompaertshoek en weiden

Wijzigingen in het stadspatroon tijdens de 19de eeuw (tekening M. Dierickx). Legende : 1. Sint-Romboutskerk, 2. Voormalig Stadhuis z.g. „Beyaert", 3. Voormalige Lakenhal, 4. Voormalig Schepenhuis, 5. Sint-Catharinakerk, 6. Kerk Sint-Jan-Baptist-en-Evangelist, 7. Voormalige Sint-Pieter-enPautuskerk (gesloopt ca. 1790), 8. O.-L.-Vrouw-over-de-Dijlekerk, 9. O.-L.-Vrouw-van-Hanswijkkerk, 10. Brusselpoort, 11. Sint-Alexiusen-Catharinakerk, 12. Voormalige infanteriekazerne en kazerne Lt. Gen. Baron Dossin, 13. Voormalig predikheren- of dominikanenklooster, 14. Voormalig refugium van Tongerlo, 15. Voormalig refugium van Sint-Truiden, 16. Hof van Busleyden, 17. Voormalige jezuïetenkerk Sint-Franciscus-Xaverius, heden parochiekerk Sint-Pietér-en-Paulus, 18. Voormalig paleis van Margareta van York, heden Stadsschouwburg, 19. Voormalig paleis van Margareta van Oostenrijk, heden Rechtbank van 1ste aanleg, 20. Voormalige groentenhal, 21. Voormalige norbertinessenpriorij O.-L.-Vrouw-van-Leliëndaal, 22. Voormalige Commanderij van Pitzemburg, 23. Kerk paters minderbroeders, 24. H.-Hartkerk.

19

M&L


achter het Groot Begijnhof; ook hier waren het meestal tuinen die uitzagen op de stadsmuren. In de binnenstad lagen dan de verspreide kloostercomplexen met hun ruime hovingen en kleinere tuinen binnen de bouwblokken. In de loop van de 19de eeuw zal de stadsontwikkeling worden bepaald door een aantal gelijktijdige, op elkaar inwerkende factoren die soms oorzakelijk in mekaar overvloeien; hiermee worden elementen bedoeld als de ontmanteling van de stad (vanaf 1806), de geleidelijke industrialisatie en bevolkingsaangroei tot ca. 35.000 inwoners in 1860, de inbreiding intra muros, de aanleg van de eerste continentale spoorlijn Brussel-Groendreef/Mechelen (1835), de oprichting van een eerste station (1836-1837) en de aanleg van de Stationswijk (1836 e.v.) als eerste geplande stadsuitbreiding buiten de zuidelijke vesten, de bebouwing van de nieuwe 'vesten' vanaf 1860 en de wildgroei van de lintbebouwing aan de belangrijkste uitvalswegen leidend tot een lobvormige agglomeratievorming van ca. 1892... Binnen de systematisch volgebouwde stad diende de infrastructuur aangepast en uitgebouwd en dit met de nodige functieverschuivingen die grotendeels verband hielden met het evoluerende verkeersnet. Na het decreet van 1 juli 1806, uitgevaardigd door Napoleon, werden poorten en stadsmuren systematisch geslecht. Bij de invalswegen werden nu octrooipaviljoenen De Vismarkt (foto P. Somers).

20

M&L

opgericht die op hun beurt zouden worden afgebroken na het decreet van 1860 en de ontwikkeling van de vrijhandel. Alleen de neoclassicistische 'kommiezenhuisjes' van het huidige Kardinaal Mercierplein - en vroegere Egmontpoort - werden tot 1961 behouden, doch moesten toen plots wijken voor de groeiende verkeersstroom van de 'ring'. De aanleg van de 'vesten' als lanen die een soort van gordel rondom de stad zouden vormen, verliep blijkbaar vrij langzaam en duurde zelfs tot het begin van deze eeuw. De bebouwing met residentieel burgerlijk allure - als eerste verschuiving van de 'betere' woonvormen naar de periferie - groeide pas echt aan na 1860. Naargelang van de ligging duurde dit proces tot het eerste kwart van de 20ste eeuw. Op zich veranderde de ontmanteling dus niets aan het wezen en de structuur van de binnenstad; ze opende wel de weg voor de uitbreiding en de suburbanisatie die op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw zouden plaatsvinden. De eerste zuidelijke stadsuitbreiding, nl. de stationswijk, was bedoeld als stedebouwkundige verbinding met het eerste station van 1836-1837, en dit via de Bruul en in het verlengde met de Graaf van Egmontstraat, het Egmontplein - huidig Kardinaal Mercierplein -, de Egmontpoort en de huidige Hendrik Consciencestraat, op het plan van Popp nog duidelijk "Rue d'Egmont extérieure" genaamd, om de continuïteit a.h.w. beter te onderstrepen.


De nieuwe wijk waarvan het tracé opklimt tot 1836 e.v., vertoont een klassiek driehoekig grondplan met waaiervormig stratenpatroon naar ontwerp van de stadsbouwmeester F. Bauwens, die hiermee aansloot bij de urbanistische opvattingen van zijn tijd en wellicht inspirerend heeft gewerkt voor de aanleg van latere stationswijken. Vermeldenswaard is wel dat de hoofdas van het ensemble niet haaks doch noodgedwongen overhoeks uitkomt op het Stationsplein, gezien de ligging van spoorlijn en station t.o.v. de binnenstad. De Leopoldstraat in de as van het station liep schuin uit op de Schuttersvest met als eindperspectief een driehoekig plantsoen opgenomen in de ruimere en grootsere aanleg van de sterk beboomde en als promenade opgevatte vesten tussen de Brusselse en Leuvense Poort. 'Eindpunt' was (volgens de Poppkaart 1858, 1868-69) een grote ronde parterre in de as van de Hanswijkstraat als overgang naar de Leuvensesteenweg. Het vroegere Egmontplein, tussen Bruul en Station, werd opgevat als convergentiepunt van de diverse straalsgewijs doorgetrokken verbindingsassen. Naar toenmalig gebruik werd voor het ensemble een vrij strenge en uniforme gevelarchitectuur opgelegd met vrij monumentaal karakter en neoclassicistische inslag; samen met de huizenrijen van de Egmontstraat (intra muros), de vroegere Kommiezenhuisjes van de Egmontpoort met hun flankerende plantsoenen en de symmetrische, tegenover elkaar gelegen herenhuizen en de hoekpanden van de huidige Hendrik Consciencestraat, vormde dit een evenwichtig en uniek ensemble met een zeker allure en een uitdrukkelijke, 'verbindende functie'. Deze samenhang werd aanzienlijk afgezwakt door de afbraak van de octrooipaviljoenen en de overschakeling van de vest van 'promenade' naar verkeersring. Het stationskwartier werd hierdoor meer geïsoleerd van de stadskern, wat in feite tegenstrijdig was met het oorspronkelijk concept. De langzaam opgebouwde Stationswijk kreeg een uitgesproken residentieel karakter met hotels en andere horecabedrijven aan het Stationsplein. In de Consciencestraat kwam een concentratie van meubelzaken die echter geleidelijk aan het wegkwijnen zijn. Samen met de aanleg van de eerste spoorweg en het station werd vanaf 1835 het zg. 'Arsenaal' gebouwd tussen de Vaart en de Leuvensesteenweg; dit werd het centrale werkhuis voor onderhoud en herstel van wagons en locomotieven, dat voorzag in nieuwe werkgelegenheid en dan ook talrijke arbeiders uit het omliggende aantrok. Een aantal fabrieken kwamen zich in de 2de eeuwhelft in deze omgeving vestigen, waardoor de basis werd gelegd voor de Mechelse metaalnijverheid. Na de onafhankelijkheid van België (1830) brachten de crisisjaren de aftakeling van de traditionele kleine ambachten en nijverheden met zich mee. De geleidelijke en eerder beperkte industrialisatie veroorzaakte te Mechelen geen ommekeer zoals in sommige andere Vlaamse steden. Wel kenden de gemechaniseerde textielindustrie aan de Augustijnenstraat, de stoelmakerij en de daaropvolgende meubelindustrie weldra een vrij aanzienlijke uitbreiding; aan de Dijle en vlieten zoals vnl. de Meiaan, groeide een concentratie van bedrijven van ambachtelij-

Keizerstraat. Voormalige jezuïetenkerk Sint-Franciscus-Xaverius, parochiekerk Sint-Pieter-en-Paulus (foto G. Charller).

heden

ke oorsprong die geleidelijk werden gemechaniseerd zoals o.m. de brouwerijen - en verruimd met aangepaste gebouwen, getuigend van de evolutie van bouwmaterialen en -technieken (bv. ijzerbouw en later betonbouw). Verspreide industriële gebouwen in de stad kenden een gelijkaardige evolutie waarvan het juiste verloop soms moeilijk is na te gaan bij gebrek aan materiële getuigen; de oudste werkplaatsen, loodsen etc. werden immers meestal weggemoderniseerd.

Grootbrug (foto P. Somers).

21

M&L


1862 en de vervangende nieuwe bouw aanleunde bij het doorsnee-patroon met neoclassicistische inslag. Tot ca. 1835 wordt immers voortgebouwd in de laat-classicistische traditie aanknopend bij het eind van de 18de eeuw. Veralgemeend wordt nu het rijhuis van het enkelhuistype, vaak drie traveeën breed met deur, hal en steektrap in een zijtravee. De gevelindeling is hierbij uiterst eenvoudig met rechthoekige muuropeningen, ramen met grote roedenverdeling evoluerend naar T-ramen, en bepleisterde kroonlijst. Uitzondering vormen een paar imposante en rijker opgevatte constructies als de Nauwstraat nr. 9-11 (1804). Heren- en burgerhuizen behoren

Zicht op de Grootbrug, het,, Tolhuis" en de achtergebouwen van brouwerij Lamot (tekening M. Dierickx).

Met een inwonersaantal dat eerst langzaam aangroeide tussen 1800 en 1840 maar omtrent 1860 plots nagenoeg verdubbeld was, deden zich uiteraard ook een aantal wijzigingen voor in de binnenstad en dit zowel wat de woondichtheid als wat de uitrusting betreft. Met uitzondering van het domein Pitzemburg, ingericht als semi-publieke Kruidtuin in de 2de helft van de 19de eeuw, werden de meeste open plekken in de stad systematisch volgebouwd met doorsnee-rijhuizen en kleinere arbeiderswoningen in serie opgetrokken. Ook terreinen binnen de bouwblokken werden in sommige wijken maximaal opgevuld met beluiken of - in Mechelen - 'fortjes' genoemd die omwille van de ellendige woontoestanden meestal werden weggesaneerd. Bouwaanvragen tonen anderzijds dat een aantal oudere panden - en meestal diephuizen - in deze periode werden verbouwd en met een halve of volledige verdieping verhoogd; uit het stadsbeeld verdwenen dan ook een aantal topgevels of 18de-eeuwse dakvensters en kruiskozijnen en de lijstgevels met de nu aangepaste rechthoekige, symmetrische muuropeningen en 'helende' en uniformerende bepleistering vormden geleidelijk de verbindende constante in de 'witte' stad van de 19de eeuw. Voorbeelden van dit proces zijn o.m. Bruul nr. 40 (1849), Onze-Lieve-Vrouwestraat nr. 37 (1842), Guldenstraat nr. 21, G. de Stassartstraat nr. 10. Het voorbeeld van Steenweg nr. 24 toont aan dat nog houten gevels werden versteend in

Zelestraat nr. 19-23 (foto M.L.Z.).

iïüfüi liïi nimiiiïi

iffiw tui ,_]::±f

Til IIT1I m\

I EE -w

-yg

Neoclassicistische pleinwand van het Kardinaal Mercierplein (tekening M. Dierickx).

22

M&L


ofwel tot het ruimere enkelhuis met koetspoort, ofwel tot het 'klassieke' dubbelhuis met centrale toegang. Ook de empirestijl wordt slechts sporadisch nagevolgd en op uiterst sobere wijze geïnterpreteerd door toepassing van de typische rondboogvensters, Venetiaanse drielichten en smeedijzeren balkonhekken als Grote Markt nr. 29 (1818) en de omlopende gevelwand gelegen aan de Nekkerpoelsepoort, Hoogstratenplein nr. 1-2 en Keizerstraat nr. 70-72, die duidelijk de zin voor uniforme scenografie illustreert, zij het dan op beperkte wijze gerealiseerd, ter gelegenheid van de nieuwe aanleg van een plein bij de stadstoegang. De gevels aan het vroegere Egmontplein en de gelijknamige straat met inbegrip van de hoekpanden Hanswijkstraat en Onze-Lieve-Vrouwestraat sluiten zoals reeds vermeld aan bij deze principen van eenheidsbebouwing. Voornamelijk aan het plein werden opstand en afwerking bijzonder verzorgd. Hier is ook de verschuiving naar het neoclassicisme merkbaar in de sobere strakheid, geriemde vensteromlijstingen, hoofdgestellen en frontons en verlevendigd met balkons met uitgewerkte ijzeren hekken. De wijzigingen in het stadspatroon met verbreding of nieuwe aanleg van straten zullen eveneens leiden naar pogingen tot een zekere eenheidsbebouwing. Zo werd de Muntstraat verbreed, de Huidevetterstraat in zuidelijke richting verlengd naar de nieuwe Vleeshal toe; zo werd ook de Groenstraat doorgetrokken naar de vest en de Louizastraat aangelegd als rechte verbinding tussen de Onze-Lieve-Vrouwestraat en de Schuttersvest, die als nieuwe attractiepool moest fungeren. Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt om een klein stedebouwkundig ensemble aan te leggen rondom de Onze-LieveVrouwekerk na het verdwijnen van het kerkhof en het Gasthuis aan de oostzijde (1857). De vervangende nieuwbouw met ruime burgerhuizen uit de 2de helft van de 19de eeuw werd opgevat als een vrij homogene pleinwand met markante balkons en ijzeren hekken aansluitend bij het rijker versierde hoekhuis Onze-Lieve-Vrouwestr aat/Louizastr aat. Vanaf 1840-'50 wordt meer en meer geput uit de vormentaal van het verleden, waardoor verschillende neostijlen naast mekaar zullen bestaan. In de 2de eeuwhelft groeit een zin voor representatieve en monumentale gevelversiering die, naargelang van het vermogen van de bouwheer, wordt uitgewerkt in natuurstenen ornamenten of meestal in serie geproduceerde stucdecoraties. Voor de motieven zelf zal worden teruggegrepen naar rococo en classicisme aangevuld met eigen combinaties en bloemmotieven. Bijkomende basiselementen zijn balkons en ijzeren hek, waarvan de gietijzeren exemplaren ook al tot de serieproduktie behoorden. De bewaarde huizen van de Koningin Astridlaan illustreren goed de doorsnee-opvatting, terwijl het herenhuis Bruul nr. 67 eerder aanknoopt bij de stijlbewuste zg. Louis Philippestijl. In de binnenstad zal het karakter van de verschillende wijken zich meer en meer affirmeren naargelang van hun

Koningin Astridlaan (foto M.L.Z.).

sociale structuur, bewoning en bestemming en dit met mogelijke verschuivingen. Het belangrijkst bleef uiteraard de Grote Markt als administratief centrum met bijkomende concentratie van horecabedrijven. HandelsKeizerstraat. Vooraanzicht en algemeen situeringsplan van het Stedelijk O.-L.-Vrouweziekenhuis door architect Ch. Drossaert jr., 1854, (S.A.M.), (foto M.L.Z.).

MBI'i 11M WM Jt,

r

m*.»**mrtj*b

MM

mt

>

•

.

-

•

•

:

23

M&L


Grote Markt nr. 19. Z.g. „de Beitel, de Fasser, 't Penseel", 1902 (foto M.L.Z.).

Huidevellerstraat nr. 7. Voormalige Stedelijke Vleeshal, 1881. Interieur (foto M.L.Z.).

buurten, oorspronkelijk gelegen aan de verschillende markten en de Uzerenleen kenden een geleidelijke uitbreiding en verschuiving in de richting van het station en de vesten in de loop van de 2de eeuwhelft (o.m. Bruul, Hoogstraat, Onze-Lieve-Vrouwestraat, Befferstraat) zoals nog wordt aangetoond door een paar overblijvende winkelpuien met neoclassicistische en eclectische inslag. Residentiële wijken lagen aan de Wollemarkt, de Goswin de Stassartstraat, de Frederik de Merodestraat en de Sint-Jansstraat. 24

M&L

Typische wijken voor ambachtslui en arbeiders lagen meer aan de Dijle, waar zich een aantal schippers, stoelenmakers en havenarbeiders vestigden (Tichelrij, Dobbelhuizen, Adegemstraat en Onze-Lieve-Vrouwestraat); de armste en dichtst bevolkte wijk was de Sint-Katelijneparochie met het Heembeemdkwartier. Na de onafhankelijkheid, en vnl. in de 2de eeuwhelft werd de stedelijke infrastructuur uitgebouwd. Een aantal specifieke voorzieningen vereisten nieuwe gebouwen, andere werden ondergebracht in complexen van het Ancien Régime, hiervoor - zo nodig - aangepast en uitgebreid. Oude kloosters en hun gronden werden gebruikt voor het onderbrengen van schoolinrichtingen, o.m. het Scheppersinstituut in het vroegere Arme Klaren- en Thaborklooster (1844) en het Atheneum in het Domein Pitzemburg. Het Schepenhuis werd Museum vanaf 1852 en Stadsarchief vanaf 1897; de Schouwburg werd vanzelfsprekend ondergebracht in de oude toneelzaal van het jezuïetenklooster (Keizerstraat) met een nieuwe inrichting van 1893. De diverse bouwstijlen van de nieuwe gebouwen met economische, sociale of culturele functie illustreren bijzonder goed de diversiteit van de toenmalige architectuur en de wijze waarop de neostijlen een betekeniswaarde hadden gekregen in de 19de-eeuwse samenleving. Het monumentale weeshuis n.o.v. Ch. Drossaert (1844-'47) aan de Lange Schipstraat hoort bij de strakke verwerking van het neoclassicisme. Het Onze-LieveVrouwegasthuis (1854-1857) n.o.v. Ch. Drossaert kreeg een sobere vormgeving met neoclassicistische inslag voor de versiering van de baksteenbouw : de aanleg zelf sloot aan bij het patroon van het symmetrisch uitgelegde hospitaalprogramma. Voor kerken, kloosters en colleges werd resoluut teruggegrepen naar de vormentaal van de gotische bouwkunst en vnl. van de zg. 'baksteengotiek' met alle nodige varianten en interpretaties. Voorbeelden voor deze neogotische architectuur zijn o.m. de evenwichtig uitgewerkte minderbroederskerk (1868-1876 n.o.v. architect P. Stoop, Karmelietenstraat); de klasgebouwen van het Klein Seminarie (1893-1894 en 18971898) vertonen een Brugse travee-indeling toegepast op de ruime schaal van de nieuwe Sint-Thomas- en SintMichielsvleugels, terwijl de H. Maagdvleugel van het Sint-Romboutscollege, (1895-1896) n.o.v. architect H. Meyns hier enigszins bij aansluit met een systeem van tudorboogarcaden. Dezelfde architect volgde eerder de traditionele stijl na in het Sint-Jozefinstituut (1899-1901, Nieuwe Beggaardenstraat) en gebruikte diverse romaanse bouwvormen in de eenvoudige Heilig Hartkerk van 1901 aan de Adegemstraat. Voor de nutsgebouwen als groentenhal (1870) en de stedelijke vleeshal (1881) werden de mogelijkheden van de moderne ijzerbouw benut in combinatie met historiserende vormen van de gevels; zo voor de merkwaardige driebeukige Vleeshal n.o.v. V. Louckx met rijzige gietijzeren Corinthische zuiltjes en portiekstructuur. Voor de stadsfeestzaal (1884) ontwierp dezelfde architect een ruime driebeukige ruimte met rondboogarcaden op gecanneleerde Ionische zuilen overspannen door een metalen gebint en een deels beglaasd schilddak.


Rijksgebouwen aan de stadsrand voerden neobarokke elementen in als deze van de monumentale gevangenispoort aan de Liersesteenweg of eerder neotraditionele met 'middeleeuws' karakter als de Kazerne Baron Michel (1898) met typerende hoektorentjes, verdiepte traveeën etc. De zorg om de stadsontwikkeling behelsde tevens gezondheids- en hygiënische overwegingen : zo werd buiten de vesten een slachthuis gebouwd in 1854-1855 om het slachten op straat te voorkomen. Het overwelven van de vlieten omtrent de eeuwwisseling gebeurde vanuit gelijkaardige bekommernissen en maakte deel uit van een ruimer programma van waterwerken die overstromingen moesten tegengaan (bouwen van een sluis op de Dijle (1890), afleidingskanaal van de Dijle ten noordoosten van de stad en tweede sluis en keerdok). Het uitzicht van een aantal straten werd ingrijpend gewijzigd; ze werden tevens meteen verbreed (Meiaan, Lange Heergracht); nieuwe bouwgronden kwamen vrij (o.m. bij de Brouwerij aan de Varkenstraat.) Wat restte van de leerlooierij in de buurt Huidevetterstraat-Leermarkt was ook gedoemd tot verdwijnen.

J

T

i-»

T

'—-ri-^-'~i.rl-•••,•«->-r'-J-;--*

Evolutie sinds het begin van de 20ste eeuw. Ca. 1900 was de bevolking aangegroeid tot 55.765 inwoners, wat grotendeels verband hield met de economische bloei. Omtrent de eeuwwisseling en tot op de vooravond van de eerste wereldoorlog uitten de zeer uiteenlopende tendenzen van die tijd zich in de bouwactiviteiten te Mechelen. In de privé-architectuur bleef het doorsneetype van enkelhuis met lijstgevel bewaard, naast sommige rijker uitgewerkte dubbelhuizen. Alleen de materialen die kleurrijker zullen worden, elementen in de opstand als onregelmatige travee-indeling, erkers en loggia's en voornamelijk de gevelversiering, zullen meer en meer worden gedifferentieerd en evolueren aan de rand van de richtinggevende tendenzen in de architectuur. Zoals in andere provinciesteden bracht de Art Nouveau geen wezenlijke veranderingen in huizentype, plattegronden etc; de oorspronkelijke als 'stijlbevrijdende' bedoelde richting werd herleid tot een nieuwe ornamentiek die in een min of meer doordachte context werd gevoegd bij de historiserende en eclectische composities.

T

«-J",i-^

7

'-f

-I...,-..-..,.-».....,

t

.:i

•.

Nauwstraat nr. 7. Winkelpui (tekening M. Dierickx).

25

M&L


De Meiaan (foto P. Somers).

Enkele gevels als bv. Koningin Astridlaan nr. 60-62 (1911) en nr. 102 (architect B. de Meyer) lijken meer benaderende interpretaties door hun algemene opbouw en verzorgde afwerking : het zijn enkelhuizen met een brede, ietwat uitspringende venstertravee en een smalle deurtravee. Venstervormen als drielichten onder korfbogen of driekwartcirkels, typische Art Nouveau-ornamenten in loggia's en erkers met fraai gesmeed ijzeren leuningen, faïencetegeltableaus en sgraffitopanelen met gestileerd bloem- en loofwerk en allegorische figuren vormen de hoofdbestanddelen van de nieuwe vormentaal. Onderdelen hiervan en details zullen worden verwerkt in winkelpuien van de eerste kwarteeuw, zoals o.m. D. Boucherystraat nr. 5 met zijn sierlijk houtwerk en Nauwstraat nr. 7 met zijn vis- en bloemmotieven en typische lettervormen. Omtrent dezelfde tijd worden fraaie burgerhuizen in eclectische stijl opgetrokken als Grote Markt nr. 19 (1902, architect Ph. Van Boxmeer) en Bruul nr. 96 (1912, architect F. Hemelsoet). Stijlkenmerken ontleend aan gotiek, renaissance, barok, rococo of classicisme worden briljant vermengd tot vrij monumentale composities. In het huis Meiaan nr. 6 (1900, architect P.J. Rooms) zijn het Art-Nouveau-elementen die het eclectisch geheel komen verlevendigen en dit zowel in de gevels als in het interieur.

Li Bruul nr. 94, 96, 98 (tekening M. Dierickx).

26

M&L


Verre invloeden zijn voorts te bespeuren in sommige kleurrijke huizenrijen met verspringende traveeën en bouwhoogten en beperkte versiering, zoals de huizen Van Hoeystraat nr. 28-43, die een schril contrast vormen met de 'klassieke' meer uniforme 'witte' bebouwing van de 19de eeuw. In de staalkaart van diverse stijlen komen ook de neogotische woonhuizen aan bod. Het huis in de F. de Merodestraat nr. 56 (1914) is daar een voorbeeld van. Vertegenwoordigers van de neo-Vlaamse renaissancestijl vindt men o.a. in de G. de Stassartstraat nr. 1-3 (1913) terwijl de Grote Markt nr. 31 (1910) een produkt is van de neobarok. De schoolvleugel van 1902 bij het Scheppersinstituut neemt wel een aparte plaats in door het contrast tussen zijn bakstenen neogevel en zijn eerder traditioneel voorkomen enerzijds en het kleurrijk interieur anderzijds waarin vooruitstrevende vormen van ijzerbouw gecombineerd worden met vereenvoudigde eclectische en Art-Nouveauversiering als bv. in de feestzaal en in het trappenhuis. Deze alomverspreide belangstelling voor 'nationale' en 'historische' bouwstijlen werd te Mechelen zeker gestimuleerd door het aanwezig bouwkundig erfgoed en voornamelijk door de 'grote monumenten' als Sint-Rombouts- en Onze-Lieve-Vrouwekerk die er vanaf 1840 en in de loop van de 2de eeuwhelft werden 'gerestaureerd'. Dit gebeurde hoofdzakelijk volgens de toenmalige principen van 'eenheid van stijl'. Zo voor het Gerechtshof voormalig hof van Margareta van Oostenrijk - overgedragen aan de provincie in 1879 en aansluitend op historiserende en aanvullende wijze gerestaureerd, o.m. door toevoeging van het hoekpand in kopiërende renaissancestijl. Het voormalige stadhuis of Beyaert (Grote Markt nr. 1) werd in 1907-1908 gerestaureerd door Ph. van Boxmeer; hierbij werden de voornaamste 18de-eeuwse verbouwingen en toevoegingen geëlimineerd om het geheel te herstellen in een zg. 'oorspronkelijke' toestand. Dezelfde architect leidde in 1900-1911 de voltooiing van het voormalig Paleis van de Grote Raad uitgevoerd volgens het oorspronkelijk project van Rombout Keldermans. Tot ca. 1910 groeide de bevolking nog geleidelijk aan tot 59.142 inwoners. Mechelen werd fel geteisterd tijdens de eerste wereldoorlog. De Sint-Romboutskerk, het Busleydenhof, de Korenmarkt en de Vijfhoek / Onze-LieveVrouwestraat kregen het hard te verduren. De IJzerenleen werd grotendeels vernield aan de noordzijde met de vroegere Vleeshal, terwijl de zuidzijde eerder gespaard bleef en haar bebouwing behield. In de eerste plannen voor de wederopbouw ging de grootste aandacht uit naar

Van boven naar onder : - Veemarkt nr. 56. Sint-Romboutscollege (foto M.L.Z.). - Van Hoeystraat nr. 28-48 (foto M.L.Z.). - Grote Markt. Huidig stadhuis, N.-vleugel: voormalig „Paleis van de Grote Raad". Geveltekening n.o.v. Rombout II Keldermans (foto M.L.Z.). - IJzerenleen. O.-gevelwand (foto M.L.Z.).

M&L


V -^=^^ *_-L tits^^trrr 1_

-uvM un 4I| nn

FL M i '

^-^ n

L

., MjLraxK-f-Taü-

=1 lED

Pm

u I^^EO 1,

HL

^-•-1

i: r:

, II

DB tXXr>»/MKsJTp(i V A /

^ n M f l Q n v L fruiD)

Schuttersvest nr. 7. Gevelopstand door H. Hoste Brussel), (foto M.L.Z.).

Willem Rosierstraat nr. 23 (foto M.L.Z.).

28

M&L

(Sint-Lukasarchief,

de oplossing van de nieuwe verkeerstechnische problemen. Uiteindelijk werden ze niet uitgevoerd om financiële redenen en de hele operatie werd herleid tot het wederoprichten van de diverse eigendommen op de grosso modo behouden percelen. Wel werd aandacht besteed aan de gevels die haast als een soort van 'decor' werden opgevat waarin de diverse vormen van historiserende interpretaties tot uiting kwamen, zowel in de afwisselende vormen van topgevels als in het eclectisch samenbrengen van bouwvormen en ornamenten met neogotische, neorenaissance, neobarokke en andere dominanten. Modernistische constructies komen slechts sporadisch voor als nr. 2-4 naast de vermelde oude gevels aan de zuidzijde. Het Vleeshuis met Handboogschutterslokaal (1728) werd niet gereconstrueerd : dit vergrootte het plein aanzienlijk aan de noordzijde en stelde het vroegere - nu gerestaureerde (1932-'38) - Schepenhuis als eindperspectief. De Sint-Romboutskerk werd gerestaureerd van 1930 tot 1950 onder leiding van S. Van Craen, en het Busleydenhof werd grotendeels gereconstrueerd en als museum ingehuldigd in 1938. De wederopbouw van de Onze-LieveVrouwestraat verliep volgens dezelfde 'eclectische' en 'regionalistische' principes, doch met een verlegging van de rooilijn. De herziene bouwordeningen van 1933 voorzagen een maximale bouwhoogte, bepaald in functie van de straatbreedte. Tussen de twee wereldoorlogen groeide de Bruul meer en meer uit tot een belangrijk winkelcentrum, mede door de vestiging van zich uitbreidende warenhuizen (Tietz reeds vanaf 1905 en de Galeries Anspach, 1924 en 1936) en twee bioscoopzalen (1910-1932). Aan de nabijliggende Botermarkt kwamen ook amusementslokalen als de 'Cinema Kursaal'. De Grote Markt werd nog duidelijker het administratief centrum na het groeperen van de stedelijke diensten in het huidige Stadhuis en de Post in de zg. Beyaert (na 1914). Voor problemen aangaande de huisvesting werd, zoals het toen gebruikelijk was, gedacht aan oplossingen buiten de stadskern : na 1920 ontstonden aldus een aantal villawijken en sociale woonwijken met vereenvoudigd tuinwijkpatroon, die na de tweede wereldoorlog tot verdere ontwikkeling kwamen en de suburbanisatie voortzetten. Binnen de stadskern werden wel de eerste kleine flatgebouwen opgetrokken zoals aan de hoek Lange Nieuwstraat/Louisastraat en Lange Nieuwstraat/Oude Brusselsestraat, die in min of meer uitgesproken mate aanleunen bij de modernistische architectuur. Deze modernistische tendens, ook wel als "Nieuwe Zakelijkheid" bestempeld, is in Mechelen vertegenwoordigd in enkele toonaangevende realisaties met hun navolgingen. Rijhuizen van Bruul nr. 22 en Schuttersvest nr. 7, beide van architect H. Hoste, tonen aan hoe binnen de traditionele pandenindeling werd gezocht naar een nieuwe organisatie, rekening houdend met functie, oriëntatie enz., gegevens die naar de gevel toe vertaald werden in uiterst strakke en evenwichtige vormen en verhoudingen met uitsluiting van elke overtollige versiering. Typerend is dat elementen uit deze vormentaal als platte


M&L BINNENKRANT

EEN JOURNAAL MET RECENTE INFORMATIE OVER DE MONUMENTEN- EN LANDSCHAPSZORG


M&L BINNENKRANT

LITERATUUR L. Van Heick en A. Impens, Pioengang: van woongang tot meer dan gangbare woning. Bedenkingen bij een ontwerp voor sociale stadsvernieuwing, Brussel, 1983. PIOENGANG:VAN

WOONGANG

MEER DAN GANGBARE

TOT

WONINGEN

BEDENKINGEN BIJ EEN ONTWERP VOOR SOCIALE STADSVERNIEUWING

Lucas Van Herck met medewerking van Andre Impens NMIONXL

INSTITUUT VOOR D l H O i t t t S T INO

Het Nationaal Instituut voor de Huisvesting brengt in het kader van de intenties om inbreiding en sociale stadsvernieuwing te stimuleren een derde publikatie uit. Hierin beschrijven de ontwerpers, de heren Van Herck en Impens, ingenieurarchitecten, het wordingsproces van het vemieuwbouwproject Pioengang tot aan de goedkeuring van de dossiers door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting op 5 januari 1983, datum waarna de ontwerpers met de voorbereiding van de aanbestedingsdossiers begonnen. De publikatie bestaat uit drie onderscheiden delen. In het eerste deel wordt het project gesitueerd binnen zijn huidige en historische stedebouwkundige context. Verder vindt men hierin ook een beschrijving van het fenomeen gangen inhoudende een beknopte historiek typologie en een sfeerbeeld van de Leuvense gangen. Het tweede deel beschrijft het woonproject zelf: de opdracht, analyse en evaluatie van de bestaande toestand, de basisopties voor het opstellen van het ontwerp, een toelichting bij het inplantingsplan en de woningtypes en de kostprijsramingen. In het laatste deel formuleren de auteurs hun bedenkingen bij het verloop van dit proces, inspraak, participatie, opdracht versus stuurplan, en de lange weg tot de goedkeuring van het

[2]

voorontwerp en tenslotte de nabeschouwingen. De prijs voor deze publikatie bedraagt 100 fr. inclusief de verzendkosten. De publikatie is te bekomen door dit bedrag vooraf te storten op PR 000-0039010-16 van het Nationaal Instituut voor de Huisvesting met melding op de strook van; publikatie: 'Pioengang'. AC. Zijderveld, Steden zonder stedelijkheid. Cultuursociologische verkenning van een beleidsprobleem, Van Loghum Slaterus, 1983. Bij van Loghum Slaterus verscheen onlangs dit nieuwe werk in de reeks 'Sociologische Monografieën'. In de meeste stedebouwkundige en stadssociologische studies van de laatste 10 of 20 jaren wordt weinig aandacht besteed aan de culturele dimensie van de stad. Uitgaande van de indringende analyse die Max Weber heeft gegeven, beschrijft dit boek het ontstaan en verder ontwikkelen van de stedelijkheid, die men kan opvatten als het culturele karakter van een stad dat aan haar inwoners een collectieve identiteit en een saamhorigheidsbesef heeft gegeven. Historisch ontstond stedelijkheid in de late middeleeuwen, toen burgers zich op grond van handel en nijverheid aaneensloten en macht verwierven tegenover de heersende standen. Tijdens het daarop volgende moderniseringsproces vervaagde de stedelijkheid steeds meer en maakte

zich ook los van de stad als fysische grootheid. We leven nu in een door de verzorgingsstaat gekenmerkte samenleving, waarin stedelijke conglomeraties voorkomen die nauwelijks nog stedelijkheid bezitten - anomisch, karakterloos, vervreemdend. Dit is een centraal beleidsprobleem. De beleidsvraag wordt aan de orde gesteld, of een moderne stedelijkheid denkbaar en mogelijk is. Indien dit het geval is moeten de condities aangegeven worden die een dergelijke eigentijdse stedelijkheid zouden kunnen bevorderen. Juist deze problematiek rechtvaardigt de ondertitel van het boek.

EJ. Hoogenbeik en B.D. Verbrugge, Bedreigde gebouwen. Bouwen, breken en behouden in Delft 1840-1940, Delftse Universitaire Pers, 1982.

A.C. Zijderveld Steden zonder stedelijkheid Een cultuursociologische studie van een beleidsprobleem

Tussen 1840 en 1940 is een belangrijk deel van de huidige gebouwenvoorraad in Delft tot stand gekomen. Deze gebouwen zijn niet alleen in kwantitieve zin, maar ook door hun bouwkundige en bouwkunstige kwaliteit ieders aandacht waard. Toch zijn ze alle in hun voortbestaan bedreigd met sloop, alhoewel de overheid velerlei subsidiemogelijkheden biedt voor behoud. Deze situatie doet zich natuurlijk niet alleen voor in Delft, maar geldt op dezelfde wijze voor heel Nederland. Veel gebouwen (vooral oude schoolgebouwen) worden of zijn afgebroken, terwijl ze heel goed herbruikt hadden kunnen worden. Die sloop is dus


M&L BINNENKRANT een onnodige kapitaal- en sfeervernietiging. De opstellers van dit boekje tonen aan dat behoud van deze gebouwen hoe dan ook de moeite waard is, zeker óók in economisch opzicht. Daarnaast komt tevens de historie van deze panden uitvoerig aan de orde, tegen de achtergrond van de sociaal-economische, culturele en stedebouwkundige ontwikkeling van Delft in de 19de en vroege 20ste eeuw. Mede door de vele afbeeldingen biedt dit boekje aan iedereen interessant kijk- en leesplezier. Te bestellen bij Delftse Universitaire Pers, Mijnbouwplein 11, 2628 RT Delft (tel. 015/783254) voor ƒ 24.

Geurt Bhnkgreve, Schrijvend in 't Aalsmeerder veerhuis, Zutphen, De Walburg Pers, 1982.

Dit boek bevat een serie opstellen door Geurt Brinkgreve, die hem door vrienden en relaties als publikatie zijn aangeboden ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag (1982). Brinkgreve is vooral bekend geworden als de monumentenzorger met een welversneden en rake pen. De auteur maakt zich vooral zorgen over het stilleggen van restauraties. Hij meent dat de binnensteden alleen overeind kunnen blijven wanneer er miljarden ingepompt worden en hij benadrukt de noodzaak dat het restauratiewerk deel moet uitmaken van de totale stadsvernieuwing. In menig opstel ervaart men Brinkgreves liefde voor de stad en zijn gebouwen. Het interview van Ben Kroon met de au-

Wanneer er gepraat wordt over onze beschermde monumenten dan gaat het over goed 40 000 bouwwerken en een handvol archeologische monumenten, minder dan 1% van het aantal gebouwen dat Nederlanders in dit lage land hebben neergezet. De geschiedenis zou ontstellend verarmd worden wanneer die monumenten er niet meer zouden zijn. In deze tijd van bezuinigingen is het schrijven over het verschijnsel monumentenzorg dan ook dwingender dan ooit. Het gaat er om de zwijgende meerderheid blijvend te interesseren en te activeren. Het gaat er ook om bestuurders en ambtenaren, immer wikkend en wegend tussen de belangen van een monumentenstad (zoals Zutphen) en de beschikbare middelen, blijvend te stimuleren om het steeds weer voor hun stad op te nemen. Met Zutphen als voorbeeld wordt in dit Drs. C.F.J. Schriks, Zorg om het stads- kader door de auteur ingegaan op de beeld. Drieluik, Zutphen. De Walburg mogelijkheden en de onmogelijkheden van de monumentenzorg, waarbij aan de Pers, 1982. Ter gelegenheid van het vijfenvijftig-ja- in voorbereiding zijnde decentralisatie rig bestaan van de actieve stichting van die monumentenzorg en die wenseWijnhuisfonds Zutphen verschijnt deze lijkheid van gemeentelijke monumentenuitgave die gaat over de stad en monu- verordeningen grote aandacht wordt menten in het algemeen en om de monu- besteed. mentenzorg van Zutphen in het bijzonder. Verkrijgbaar in de boekhandel of rechtDe auteur informeert en propageert. Hij streeks bij uitgeverij De Walburg Pers, doet dit in de vorm van een drieluik. Het Postbus 222, 7200 AE Zutphen, tel. 05750eerste deel wil een luik openen naar de 10522, postgiro 2069668, door overschrijstad en het monument. Het tweede deel ving van ƒ 19,50. geeft enig zicht op het instrumentarium dat een rechtsstaat ter beschikking hoort te hebben om , in het algemeen belang, onze cultuurwaarde te kunnen bescher- Rudy Nys, Ecologie - Theorie & Praktijk, men. Het derde luik toont een panorama Antwerpen/Amsterdam, 1982. van 55 jaar Wijnhuisfondsactiviteiten. Waar de laatste jaren te pas en te onpas de term 'ecologie' gebruikt wordt, blijkt er nog steeds de nood te bestaan aan een populair-wetenschappelijke publikatie, waarin inhoud en draagkracht van dit begrip nu eindelijk precies omschreven worden. De stichting Leefmilieu V.Z.W. onder de auspiciën van de Kredietbank, is aan deze behoefte tegemoetgekomen met de monografie 'Ecologie - Theorie & Praktijk' van de hand van Rudy Nys. De auteur komt hier niet aandraven met nieuwe theorieën maar heeft tal van ecologische waarheden en fundamentele begrippen van de ecologie verzameld, vertaald en samengebracht in een handig boek In het eerste deel worden de theoretische grondslagen van de ecologie belicht. Het ingewikkelde gebeuren in de biosfeer wordt daartoe herleid tot een systeem. De daarin werkende kringlopen worden op een beknopte wijze beschreven. Beginnend bij het ecosysteem, bespreekt de auteur de verschillende biotische en abiotische faktoren die de soorten en levensgemeenschappen

teur, dat aan de opstellen voorafgaat, zou verplichte lectuur moeten zijn voor alle stadsbestuurders in Nederland. Maar naast de nood en de bezorgdheid die uit de bijdragen opstijgen zijn de bijdragen in hoge mate boeiend en lezenswaardig. Zij zijn geschreven in een ongecompliceerde stijl en daardoor leesbaar voor iedereen. 'Schrijvend in 't Aalsmeerder Veerhuis' bevat artikelen als; Een stad zonder auto's. Terugkijkend naar de 18de eeuw. Onze Manieren, Mag het Huis de Pinto blijven staan ?, Kanttekeningen bij het restauratiewerk, e.a. Verkrijgbaar in de boekhandel of rechtstreeks bij uitgeverij De Walburg Pers, postbus 222, 7200 AE Zutphen, tel. 0575010522, postgiro 2069668, door overschrijving van ƒ 28,50.

[3]


M&L BINNENKRANT MONOGRAFIEËN LEEFMILIEU NU

ecologie theorie en praktijk

beïnvloeden, om zo te komen tot het populatieniveau. De populatie wordt daarbij als elementaire basiseenheid in de ecologie gezien, die in ruimte en tijd varieert, zodat ook deze aspecten van dichterbij benaderd worden. In het tweede deel komen het doel en de werking van de toegepaste ecologie aan bod. Waar de fundamentele ecologie beschrijft, verkent en veralgemeent, is de toegepaste ecologie toegespitst op welomschreven ecologische problemen en in eerste instantie gericht op operationeel, praktijkgericht onderzoek. Er wordt gezocht naar de gepaste oplossing om het probleem te ondervangen, bij te sturen of weg te werken. Hier wordt duidelijk dat de ecologie zich niet mag beperken tot wat 'natuur' of 'natuurlijk' is, tot wat (nog) niet door de mens is bewerkt, waarbij natuur als tegengestelde van cultuur en techniek wordt beschouwd. De stad en de urbane agglomeraties worden benaderd als ecosystemen met een aantal merkwaardige ecologische aspecten (energie-inbreng, vegetatie en fauna, materiekringlopen). Verder wordt een ecologisch licht geworpen op onderwerpen als recreatie, landverbetering (met een uitgekiend herstelprogramma), verontreiniging van hulpbronnen. Ook worden richtlijnen gegeven voor het ontwerp en de herinrichting van natuurreservaten. Eveneens wordt de nodige aandacht besteed aan de ecologische evaluatie en de milieu-impactanalyse in de beleidsvoorbereiding, om zo de potentiële milieuproblemen en de onomkeerbare ingrepen te ondervangen resp. te verhinderen.

[4]

'Ecologie - Theorie & Praktijk: een verstaanbaar én hanteerbaar boek, kan voor de leek een stap in de ecologische richting betekenen om zich te wagen aan meer gespecialiseerde werken.

Flip Spangenberg en Peter Saai, Kijk op Stations, Elsevier, Amsterdam, april 1983. (144 p., 100 ill. zwart-wit, 100 ill. kleur, form. 28 x 21,5 cm, gebonden met stofomslag, prijs ƒ 35).

L. Van Staeyen.

Brusselse buurtwerken vzw Je rechten als buurtbewoner, EPO. Met dit werk heeft uitgeverij EPO een praktische handleiding op de markt gebracht voor mensen die met de ingewikkelde doolhof van reglementeringen geconfronteerd worden in de strijd voor een leefbare woonomgeving. Het betreft hier o.m. de ruimtelijke ordening, de milieuwetgeving, de strijd tegen de ongezonde woningen, de onteigening, de bescherming van monumenten en landschappen, dorps- en stadsgezichten. Het werk werd opgevat als een direct antwoord op concrete vragen. Om er maar enkele te noemen: -Wat is een B.P.A.? Hoe kan ik een B.P.A. in gunstige zin beïnvloeden? - Wat kan ik doen tegen een bouwaanvraag van een storende hoge bouw? - Hoe de hinder van een bedrijf bestrijden? - Welke rechten heeft de huurder bij onteigening? - Wat is een beschermd monument? Hoe verloopt de beschermingsprocedure? Wat zijn de gevolgen van bescherming? Bestellen kan bij uitgeverij EPO, Lange Pastoorstraat 25-27, 2600 Berchem. Tel. 03/239 68 74.

Dat de belangstelling voor stations ook onze Noorderburen méér en méér te pakken heeft, blijkt uit het aandeel recente publikaties dat ons nu overzicht van en inzicht in de Nederlandse Stationsarchitectuur verschaft. Zo ook het werk van Peter Saai en Flip Spangenberg, dat onlangs bij Elsevier in de reeks 'Kijk op Stations' verscheen. Bij een eerste benadering valt ogenblikkelijk de vrij goede overzichtelijkheid op, inclusief de grote verscheidenheid van de afbeeldingen. Het beeldmateriaal is aangevuld met duidelijke situatieplannen. Wel bevatte ons exemplaar slecht afgedrukte kleurenfoto's. De bibliografie leek ons heel beknopt; zo bijvoorbeeld wordt de catalogus 'Le temps des gares' (Parijs 1979) nergens vermeld. In het register zijn enkel plaatsnamen opgenomen. Het eigenlijke verhaal is opgedeeld in een zevental hoofdstukken, in chronologische opeenvolging; elke besproken periode wordt beknopt gekarakteriseerd door een welsprekende hoofding. Titels als: Het experimentele stadium (1830-1860), De Staat bouwt een Spoorwegnet (1860-1880), Het station als verbeelding van de macht (1880-1900), De nadagen van het monopolie (1900-1920), De versobering (1920-1940), De wederopbouw (1940-1960), Verandering van schaal (1900-heden), zijn even zo vele vlaggen die de lading dekken. Ieder hoofdstuk wordt door een samenvattende tekst ingeleid, waarna de voor die periode geselecteerde stations één voor één besproken worden.


M&L BINNENKRANT Er wordt veel aandacht besteed aan de stedebouwkundige en geografische relaties tussen stations en hun milieu. Vooral de grote stations worden onder de loupe genomen, omdat zij m hogere mate het produkt van hun omgeving zijn dan de kleinere stations. Uit het verhaal kunnen wij opmaken dat het Nederlandse Spoorwegnet tot na de tweede wereldoorlog een gelijkaardige evolutie doormaakt als het Belgische, zij het dan met een aarzelende start. Ook in een recentere fase dragen de Nederlandse ontwikkelingen een eigen karakter, mede door de grotere bevolkingsdichtheid en het randstad-fenomeen. Verder vernemen wij dat rond 1860 ook m Nederland de verlieslatende posten naar de Staat worden doorgespeeld. Zo neemt de overheid de bouwwerken voor haar rekening, wat dan ook resulteert in de oprichting van stations volgens standaardontwerpen met uitzondering van de eerste-klasstations. Waar vanaf 1860 de nadruk ligt op stations in classicistische stijl, zijn na 1900 de invloeden van de Jugendstil en andere in trek zijnde stijlen (cfr. Berlage) zichtbaar. De spoorwegmaatschappijen werken hierbij met een beperkt aantal architecten, zoals van Heukelom en Mardagant. Vóór 1900 stijgt de omvang van het vervoer drastisch: de snelheid wordt opgedreven, de dienstverlening verbeterd, de emplacementen uitgebreid, stations gereconstrueerd. De spoorwegen bekleden nu een sleutelpositie in de maatschappij. Na 1900 ook doen zich geen noemenswaardige uitbreidingen van grote stations meer voor. Bij wijzigingen komt de nadruk te liggen op verbetenng van de technieken (o.a. elektrificatie na 1920). De versoberingsperiode kondigt zich aan. Deze versobering - resultaat van grotere concurrentie met andere vervoermiddelen en verhoogde exploitatiekosten - wordt ook weerspiegeld in een nieuwe 'zakelijke' maar soms ook expressionistische stijl. Er wordt een image van moderniteit en efficiëntie opgebouwd. Het station krijgt meer het aspect van een bedrijfsgebouw. Tevens wordt het nu werkelijk een verkeersknooppunt met een hoge graad van doorstroming, waarbij alle verkeersstromen geïntegreerd worden. In 1937 wordt de volledige exploitatie verslaatst, (in België; 1926, op enkele maatschappijtjes na). De wederopbouw biedt goede kansen voor een verbetering van de relatie station-stad maar dan wel volgens vooroorlogse ideeën. Een evolutie is merkbaar in de beperking van nevenfuncties en overkappingen. Typerend is wel dat voor de wederopbouw ongeschonden gedeelten als aanzet genomen worden (financiële beperkingen?), terwijl men

gedeeltelijk terugkeert naar een meer traditionele vormentaal. Zelden is echter nog sprake van een typische stationsarchitectuur. Het verdieselings- en elektrificatieprogramma vordert met rasse schreden (vlugger dan in België n.v.dr.) Hoewel ook nu de concurrentiepositie van de N.S. verder afbrokkelt, kunnen de auteurs nieuwe ontwikkelingen waarnemen : grote parkeerplaatsen, nieuwe lijnen, vervanging van 19de-eeuwse gebouwen op grote schaal. De huidige architectuur is wel zeer functioneel maar mist toch visuele kracht, vooral waar het de kleinere stations betreft. Het station houdt op te bestaan als zelfstandig element; de ontwerper is gewoon een deel van een projectgroep geworden. Tot zover de hoofdlijnen van 'Kijk op Stations'. Het is in zijn populariserend genre een vnj volledig en overzichtelijk werk geworden. Wij konden een zekere overlapping met het boek van Van Dal opmerken, hoewel deze laatste andere accenten legt en iets overzichtelijker werkt. Hij wijdt onder andere een hoofdstukje aan seinhuisjes, de beschrijvende gedeelten zijn beknopter maar méér op architecturale aspecten gericht; het Stedebouwkundig aspect wordt minder belicht en de kleinere stations worden méér m de verf gezet. Ook vindt men er méér sprekende mteneurafbeeldingen, detailtekeningen en afbeeldingen van oorspronkelijke plannen, interessant in hun verscheidenheid. De lectuur van Saai en Spangenberg kan men op ideale wijze aanvullen met de gedetailleerde inventaris van Romers en de fotografische documentatie van Van de Meene. Het boek slaagt erin om vlotweg een beeld op te hangen van de Nederlandse stations en hun geschiedenis. Wij raden zeer geïnteresseerde lezers wel aan om ook de hieronder in voetnoot vermelde werken te raadplegen. Wij kunnen slechts betreuren dat nog nooit een dergelijk werk aan de Belgische Spoorwegen werd gewijd. J. De Schepper. (1) Romers, Drs. H, De Spoorwegarchitectuur in Nederland, 1841-1938, Zutphen, 1981. Van Paddenburgh, L. en Van de Meene, J.G.C., Spoorwegstations in Nederland, Deventer, Antwerpen, 1981. Van Dal, johan W., Architectuur langs de rails. Overzicht van de stationsarchitectuur m Nederland, Deventer, Antwerpen, 1981.

BoJb Van Reeth. Teksten van en over. 12 geschriften bob van reeth - geert bekaert cast-iron songs & torch ballads.

bOb van reeth teksten van en over

240 p. tekst, 60 p. illustraties, oplage beperkt, genummerd en gesigneerd, uitgegeven door de afdeling architectuur, fakulteit der toegepaste wetenschappen, rijksuniversiteit Gent. J. Plateaustraat 22 9000 Gent, tel. 091/25 75 71 bmnennummer 4410. 1100 fr. (+ 80 fr. verzendingskosten) 800 fr. bij groepsaankoop vanaf 10. Halen en betalen of storten op per. 000-0148406-93 van de heer Ch. Vermeersch.

Prof. Ir. A. Van Haute, Tertiaire zuivering, lagunering en hergebruik van afvalwater, Antwerpen, 1983. Met dit werk bracht de Stichting Leefinilieu vzw, onder de auspiciën van de Kredietbank, haar achtste publikatie uit in de reeks 'Leefmilieu-Dossiers'. Tertiaire zuivering, lagunering en hergebruik van afvalwater zijn systemen waarvan vooral het eerste en het laatste ook in onze streken in de toekomst aan belang zullen winnen. De meeste klassieke zuiveringsinstallaties behandelen het afvalwater in voldoende mate om het te kunnen lozen in het natuurlijke milieu. Nochtans bestaan er gevallen waann de overblijvende verontreiniging (circa 5%) onaanvaardbaar is. In dergelijke gevallen is men aangewezen op een 'tertiaire zuivering', waarbij volgende technieken wor-

[5]


M&L BINNENKRANT den toegepast: het verwijderen van (nog resterende) zwevende stoffen ('polijsten' van het effluent genoemd), de verwijdering van stikstofverbindingen en de fosfaatverwij dering. Waterzuiveringstechnieken zijn ook duur en slorpen heel wat energie op. Een relatief 'goedkoop' systeem is de zgn. 'lagunering', waarbij men het water in één of meerdere vijvers laat stromen waarin zich bacteriën, algen en andere levende organismen ontwikkelen ten koste van organische stoffen en minerale zouten die in het water aanwezig zijn. Men laat als het ware de natuur betijen. Hergebruik van gezuiverd afvalwater dringt zich meer en meer op, vooral in streken met een tekort aan water. Reeds heel wat toepassingen zijn gekend met betrekking tot hergebruik voor irrigatie-

RESTAURATIES Geraardsbergen, westvleugel van de voormalige Sint-Adriaansabdij. Dit gebouw is gelegen in de Abdijstraat nr. 10. -beschrijving en historiek. In deze sterk verwaarloosde vleugel was tot voor kort nog o.m. de manége van de plaatselijke dierentuin ondergebracht. Dit eerdaagse, bakstenen gebouw op gecementeerde plint, telt 13 ongelijk verdeelde traveeën onder een leien mansardedak en heeft een centrale, hogere toren die eveneens met een leien mansardedak wordt beëindigd. Enkele rondboogpoorten met door kleinhouten verdeeld bovenlicht en segmentboogdeurtjes en -raampjes, alle met zandstenen omlijsting of negblokken, geleden de hoofdgevel. De hoofdingang is bovendien verfraaid met zandstenen pilasters met siervazen, bandlijstwerk en een cartouche. Het geheel dateert van de 17de eeuw, doch later in de loop van de 18de en 19de eeuw, grepen vooral inwendige aanpassingen en verbouwingen plaats. -juridische gegevens: De restauratie van dit gebouw werd aangevat op 1 juni 1980, in opdracht van het stadsbestuur van Geraardsbergen. De kostprijs werd geraamd op 17.395.854 fr. (exclusief B.T.W.). De architect is het bureau Bressers, Gent, de aannemer is Mesdagh, NV, Zottegem. -restauratie: Door onoordeelkundig gebruik in de loop van eeuwen had de constructie heel wat te lijden en werd de oorspronkelijke toestand vervormd door vooral inwen-

[6]

doeleinden, voor recreatiedoeleinden, voor industriële toepassingen en voor kunstmatige infiltratie. In sommige gebieden laat de nood zich ook voelen om water voor drmkwaterbereiding te hergebruiken; hier zijn alle gezondheidsrisico's evenwel nog niet opgelost en verdere diepgaande studie is nodig. Op de voordelen van en problemen bij elk van deze themata wordt dieper ingegaan. Dit werk is een 'toekomstgencht' dossier dat, ondanks de soms moeilijke materie, in een zeer vlotte en verstaanbare taal werd geschreven en rijk werd geïllustreerd. Aanbevolen voor al wie de waterproblematiek ter harte gaat. Te bestellen voor 450 bfr. bij de Stichting Leefmilieu vzw, p/a Rockoxhms - Kredietbank, Keizersstraat 8 - 2000 Antwerpen (tel: 03/231 64 48).


M&L BINNENKRANT dige ingrepen en wijzigingen. De restauratie was hoofdzakelijk een zaak van bouwfysische consolidatie en het geven van een nieuwe bestemming aan het gebouw. Er werd gesteld dat alleen de structureel zeer slechte bouwmaterialen zouden worden vervangen en de storende en/of niet oorspronkelijke elementen zouden worden verwijderd, deze laatste voor zover de nieuwe affectatie van het gebouw ze overbodig maakt. Als nieuw element werd een houten trap voorzien die leidt naar de zolder en de toren; van een aanvankelijk geplande tweede trap ten behoeve van publieke toegang tot de zolderruimte werd afgezien teneinde de structuur, mede de door kolommen gedragen baksteengewelven, niet nodeloos te belasten. Alleen de gelijkvloerse verdieping krijgt aldus een nieuwe polyvalente bestemming (vergaderingen, tentoonstellingen), waarbij het in de loop van de vorige eeuw meest verbouwde gedeelte voorbehouden is voor de vereiste accommodaties. Hedwig Van den Bossche.

Toestand na de restauratie (foto M.L.Z.).

M.L.Z.-ACTIVITEITEN Richtlijnen m.b.t. het opstellen van de gemeenteraadsbesluiten betreffende gemeentewapens en -vlaggen. (decreet van 28 januari 1977, art. 2). Het decreet van 28 januari 1977 houdende de vaststelling van het wapen en de vlag van de gemeenten bepaalt dat elke gemeente een wapen en een vlag heeft. Het gemeenteraadsbesluit dat het wapen en de vlag bepaalt, wordt bekrachtigd door de Koning op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken. Ingevolge de bijzondere wet van 8 augustus 1981 op de staatshervorming wordt deze culturele aangelegenheid van de Nationale Regering overgedragen aan de Vlaamse Executieve, waar op basis van het delegatiebesluit van 22 december 1982 de bevoegdheid voor de uitvoering van dit decreet is toegewezen aan de Heer K. Poma, Gemeenschapsminister van Cultuur. Na de goedkeuring van het decreet van 28 januari 1977 en vóór het in-werkingtreden van de bijzondere wet van 1981 werden gemeentewapens en -vlaggen bij Koninklijk Besluit bekrachtigd terwijl gemeenten een besluit voorlegden dat niet bekrachtigd werd. Gemeenten gaven geen gevolg aan de hun opgelegde verplichting om binnen het jaar na het van kracht worden van het decreet (1977) een wapen en een vlag te bezitten.

De Gemeenschapsminister van Cultuur laat zich voor het onderzoek van de gemeentewapens en -vlaggen adviseren, bijstaan door de 'Subcommissie voor Heraldiek' van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Deze Subcommissie zal eerlang omgevormd worden tot een volwaardige Vlaamse Heraldische Raad. Aangezien de dossiers in verband met gemeentewapens en -vlaggen slechts onlangs door de nationale regering aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werden overgemaakt, werd een gevoelige vertraging opgelopen bij hun behandeling. Nu er van deze aangelegenheid opnieuw werk kan worden gemaakt is het gepast om de criteria te publiceren die de 'Subcommissie voor Heraldiek' gebruikt bij het herverdelen van de voorgelegde gemeenteraadsbesluiten. De hiernavolgende richtlijnen werden op basis van besprekingen in de Subcommissie samengesteld door Dr. E. Warlop, Lid van de Subcommissie voor Heraldiek. E. Goedleven.

Bij de keuze door de gemeenteraden van een wapen en een vlag, dienen een aantal dwingende criteria, in casu van historische, heraldische, vlaggenkundige en taalkundige aard, in acht genomen te worden. Formele, esthetische en technische criteria zijn daarentegen eerder op de praktijk gebaseerde raadgevingen en tips die duidelijkheid en uniformiteit brengen. A Historische criteria. 1. De historische elementen die in een wapen voorkomen, moeten verantwoord zijn volgens en geput uit authentieke bronnen (wapenzegels, familiewapens, wapenboeken, enz.). Dit geldt zowel voor de vroeger erkende of toegekende wapens als voor de nieuwe. 2. Niet-historische wapens moeten bijgevolg - zelfs indien zij vroeger erkend werden - in de mate van het mogelijke door historisch gefundeerde worden vervangen. 3. Het gekozen wapen moet bij voorkeur representatief zijn voor een zo groot mogelijk gedeelte van het gebied van de nieuwe gemeente. Het vroegere wapen van een stad of voormalige stad die bij de fusie betrokken was, verdient de voorkeur om behouden te worden als wapen van de nieuwe entiteit. 4. Voor gemeenten die niet bij een fusie betrokken waren, gelden dezelfde historische criteria, zeker ingeval zij vóór de

[7]


M&L BINNENKRANT samenvoeging geen wapen hadden en er thans een moeten kiezen. Hadden zij vóór de fusie wel een wapen maar beantwoordt dit niet aan de hier vermelde historische - en andere - criteria, dan kunnen zij een gemeenteraadsbesluit treffen en ter bekrachtiging indienen om dat aan te passen of te vervangen door een ander, historisch meer gefundeerd wapen. B. Heraldische criteria. 1. Teneinde een zekere uniformiteit in het afbeelden van wapens te bekomen, kiest men bij voorkeur uit slechts 3 schüdvormen, namelijk het gotische (met scherpe punt), het Spaanse (met ronde punt) en het accoladeschild (punt in de vorm van een accolade). De inhoud van het wapen is vaak bepalend voor de vorm van het schild, (bv. zo is een accoladeschild het best geschikt voor een gevierendeeld wapen). 2. De verhouding van de afmetingen van het schild is steeds: 7 breed bij 8 hoog (punt van het schild inbegrepen). Deze regel - die uitzonderingen niet uitsluit beoogt de eenvormigheid bij het afbeelden van wapens. De verhouding van de breedte van de meeste herautstukken (paal, dwarsbalk, schuinbalk, enz.) t.o.v. de breedte van het schild, staat tevens vast (2/7). 3. Natuurlijke heraldische figuren dienen altijd gestileerd, herkenbaar en esthetisch verantwoord getekend te zijn. 4. De verhouding van de afinetingen van de buitenversierselen t.o.v. die van het schild, is met onderworpen aan de vaste regels doch dient zo te zijn dat ze niet afdoet aan de waarde van het schild, dat toch het belangrijkste element van het wapen blijft. Een redelijke verhouding is wanneer de hoogte van het schild zich tot die van de helm + helmteken verhoudt als 3 tot 4. 5. Het gebruik van de heraldische kleuren en metalen is streng gereglementeerd. De voornaamste regel luidt: nooit kleur op kleur, nooit metaal op metaal. C. Vlaggenkundige criteria. 1. Er mag geen tegenspraak zijn met de richtlijnen geformuleerd in K. Sierksma, Nederlands vlaggenboek, Utrecht, 1962. 2. Om te vermijden dat te veel gemeenten dezelfde eenvoudige vlaggen zouden gebruiken, zal vaak uitgekeken dienen te worden naar andere mogelijkheden. 3. Té overladen vlaggen kunnen vaak vermeden worden door gebruik te maken van de kleuren uit het gemeentewapen en ze te schikken volgens een geometrisch en vlaggenkundig patroon. 4. Goud en zilver, gebruikt in het wapen, worden geel en wit in de vlag. 5. De vlag wordt getekend als een rechthoek, met als verhoudingen : 2 hoog

[8]

bij 3 breed, niet wapperend en zonder franjes. Een vlaggestok aansluitend bij het vlaggedoek moet tevens getekend worden.

Kortrijk, tel. 056/21 32 68 (tussen 9 en 11 uur).

D Taalkundige criteria. De gebruikte termen en beschrijvingen dienen zowel taalkundig als heraldisch/ vlaggenkundig correct te zijn. De gemeenten kunnen hierover advies vragen (adres in fine) alvorens hun besluit te treffen.

Cinquiéme Colloque National sur Ie Patnmome Industrielle, Frankrijk, Alès, 19, 20 en 21 oktober 1983.

E. Formele criteria. De tekening van het wapen en van de vlag - telkens in tweevoud als bijlage bij het gemeenteraadsbesluit - wordt uitgevoerd op de voorgeschreven formulieren, met inachtneming van volgende punten: 1. Wapenschild en eventuele uitwendige versierselen worden uitgevoerd in kleurkrachtige verf. Hetzelfde geldt voor de vlag. Collages zijn niet toegelaten. 2. De tekeningen mogen de begrenzingen aangeduid door de blinddruk op het formulier niet overschrijden. Aangaande het formaat enkele vuistregels. Wapens worden steeds in het midden van de door de blinddruk begrensde ruimte geplaatst. Bestaat het wapen uit enkel een schild, dan is 10 cm de maximale hoogte. Een schild gedekt met een kroon meet best niet meer dan 12 cm. Gaat het om een wapen met schild, helm, helmteken, dekkleden, schildhouders e.d.m., dan mag de volledige hoogte van het vak binnen de blinddruk gebruikt worden. 3. Omwille van de eenvormigheid worden de teksten en de stempels op het formulier uitsluitend door de Hogere Overheid aangebracht. 4. Bij vlaggen mag evenmin buiten de door de blinddruk omgrensde ruimte getekend worden. Het vlaggedoek wordt bij voorkeur getekend in het midden van deze ruimte, 8 cm hoog bij 12 cm lang. F. Esthetische en technische criteria. 1. Aangezien het gemeentewapen moet kunnen worden gereproduceerd op het gemeentezegel - dat uiteraard zeer beperkte afinetingen heeft - dienen té overladen of té ingewikkelde ontwerpen in de mate van het mogelijke vermeden te worden. 2. Een graad van originaliteit is toegelaten bij het ontwerpen van de vlag. Het resultaat moet echter steeds esthetisch verantwoord blijven. Met het oog op het oplossen van eventuele problemen bij de keuze of het vermijden van fouten bij de uitvoering van de tekening van wapen en/of vlag, kunnen de gemeenten voorafgaandelijk schriftelijk of telefonisch contact opnemen met Dr. E. Warlop, Afdelingshoofd Rijksarchief, Guido Gezellestraat, 8500

Het colloquium te Alès werd georganiseerd door GILAC (Comité d'Information et de Liaison pour l'Archéologie, d'étude et la mise en valeur du patrimoine industriel) 48, rue Saint Lambert te 75015 Parijs. Het lag duidelijk in de bedoeling van de organisatoren om tijdens deze bijeenkomst een maximaal aantal bedrijfssectoren uit Zuid-Frankrijk aan de beurt te laten komen. Hydraulica, zijde, metallurgie, steenkool en spoorwegen vormden de verschillende themata van deze driedaagse. Het eerste thema 'Industrieel erfgoed en Cultuur in de onderneming' droeg echter een meeromvattend karakter. Het middelpunt van dit aspect was een ergonomische studie door Prof. Gaussin (Louvain-la-Neuve), waarbij de culturele behoeften en activiteiten van de arbeiders uit het bedrijf 'La Frangaise de Mécanique de Douvrin' en de respons hierop zowel van binnen als van buiten het bedrijf aan de orde kwamen. Hoewel de studie van het industrieel erfgoed m deze bijdrage te weinig aan bod kwam, zat hier toch een interessant aanknopingspunt in, n l : hoe brengen de arbeiders hun 'savoir-faire' over naar de privésfeer? Uit het onderzoek bleek dat zij zich in hun vrije tijd bijvoorbeeld soms bezighouden met het maken van maquetten van machines of bedrijven en dat zij op die wijze een tweeledig doel bereiken: - zij leggen documenten met betrekking tot de hedendaagse en ooit nog 'historische' praktijk in het bedrijf vast voor de toekomst, zij het dan op gereduceerde schaal; - het construeren zelf van de maquetten betekent het voortleven van bepaalde technieken die reeds voorbijgestreefd of ooit voorbijgestreefd zullen zijn. Belangrijk is ook dat zij in hun streven uiterst moderne technieken zoals elektronisch animeren van de maquetten, film en Video betrekken en aldus verschillende fases van de technologische evolutie met elkaar verweven. Tot onze spijt werd in het betoog niet verwezen naar gelijkaardige praktijken uit het verleden of naar andere transfertgebieden in het levenspatroon van de arbeider zoals taalgebruik, toneel, poppenkasten e.d. (zie het colloquium te Rijsel, oktober 1979). Laurent Ghilini trachtte hier enigszins aan te verhelpen door de nadruk te leggen op het aspect van


M&L BINNENKRANT de overdracht zelf - de overdracht van 'savoir-faire' is zelden mogelijk op verbale wijze. De weinige alternatieven zijn handelingen en beelden. Waar de objecten zelf niet bewaard kunnen blijven, laat staan als 'levend museum' kunnen blijven werken - bv. in het geval van hoogovens - moeten moderne technieken als film of video bij de overdracht betrokken worden. Dit stuit dan echter weer op het wantrouwen van de bedrijven die zekere 'beroepsgeheimen' willen beschermen. Beeldmateriaal is bovendien belangrijk als 'feed-back stimulus bij de betrokken werknemers. Zo kan het vertonen van dergelijke films leerrijke reacties ontlokken aan mensen van het vak. Deze reacties kunnen dan op hun beurt als document vastgelegd worden. Met 'hydraulica' en 'de zijde-industrie' werd de thematiek van het Internationaal Congres te Grenoble-Lyon (1981) verder uitgesponnen. Met 'hydraulica' werd vooral ingegaan op de opwekking van elektriciteit d.m.v. waterkrachtcentrales. De vroegtijdige ontwikkelingen in de buurt van Grenoble en de meer aanvullende toepassing te St.-Etienne kregen de volle belangstelling. In het eerste geval legde men o.a de nadruk op de eerste monopoliseringsverschijnselen en op de spanningen tussen de eerste (en toen eigenlijk miskende) initiatiefnemers en de agrarische gemeenschap die willens nillens haar rol speelde als scène voor de inplanting van krachtcentrales. Het tweede geval kwam naar voren als een goede illustratie van het samenspel tussen politiek, techniek, en sociale voorzieningen. Uit de tussenkomsten bleek dat de energiemaatschappij EDF op dit ogenblik een aanzienlijke inspanning levert op het vlak van de inventarisatie en het eventuele behoud van waardevolle objecten en documenten. De deelnemers aan het thema 'zijde-industrie' belichtten vooral de opkomst van de mechanisering. Die veroorzaakte een opsplitsing en meteen ook een meesterknecht relatie tussen opkoper en producent. Dit sloot niet uit dat de producent zich rond 1880 reeds met de modernste middelen moest uitrusten en niet enkel op het vlak van de zuivere produktie. Ze vergde toen ook het zoeken naar betere kwaliteit en de aanschaffing van microscopen door de 'zijdeboeren' en dit een eeuw geleden. De afdeling 'Metallurgie' beperkte zich praktisch tot de bespreking van twee sites die nu het voorwerp uitmaken van intensieve studie en van een constante conserveringsactie. Wat betreft de steenkoolwinning is vooral een bezoek aan de Museummijn te Alès vermeldenswaard Het gaat hier om een in de rotsen gehouwen, 19de-eeuws

simulatiemodel ten behoeve van de studenten aan de plaatselijke mijnschool. Hoewel het tentoongestelde materiaal zich niet in erg goede staat bevindt, is het aanwezige uiterst interessant in zijn volledigheid alsook in zijn diversiteit. Als deelnemer aan dit colloquium kon men het spijtig vinden dat de veelheid aan onderwerpen niet in verhouding stond tot de beperkte tijd. Dit had voor

gevolg dat niets werkelijk uitgediept kon worden. Een belangrijk voordeel was daarentegen dat een monumentenzorger veelvuldige contacten kon leggen inzake de vele domeinen waarmee hij dagelijks geconfronteerd wordt: een belangrijke stap vooruit dus op het vlak van de informatiewinning. J. De Schepper. Inspecteur industrieel erfgoed.

Principiële beloften van toelage

-Temse: 'Huis de Clocke'. Architect L. Van Raemdonck. - Temse. 4.648.313. - Sint-Truiden: 'Hoogmolenboerderij.' Architect Groep P.S.K. R. Pérard en Kesenne. - Sint-Truiden. 9.612.219.

Het betreft dossiers die goedgekeurd zijn en vatbaar voor aanbesteding. De vermelde bedragen zijn die van de raming. Restauraties in opdracht van openbare besturen - Deume; Bisschoppenhof. Technische dienst - Deume . 10.S11.113. -Sint-Truiden: Kapel van het Heilig Kruis te Govelingen. Architectenbureau Creten en Troyen - Sint-Truiden. 1.879.989. - Izegem: Elektriciteitscentrale met stoommachine, verbeterings- en instandhoudingswerken. Architect F. Wylein Izegem. 2.009.879. -Brugge : Heilige Bloedkapel, voorgevel. 3.373.777. -Antwerpen; O.C.M.W. - Sint-Annakapel en godshuis. Technische dienst O.C.M.W. 703.065, - Halle: Scherpenbergmolen. Architect P. Gevers - Kasterlee. 3.239.030. - Brugge: Stadhuis - daken, zij- en achtergevels. Stedelijke Technische Dienst. 8.108.845. - Beveren; Kasteel Cortewalle - geschilderde panelen in de Goubauzaal. Architect R Steenmeiyer. Brasschaat. 5.973.750. - Poperinge: Stadsschool. Architect Ingelaere - Poperinge. 4.990.974. -Kortrijk: O.C.M.W. - O.-L.-Vrouwhospitaal - gevels. Architecten P.A. en P.H. Pauwels - Kortrijk . 9.258.665. - Tielt: Halletoren en Beiaard. Architect L. Vande Weghe - Tielt: Halletoren 7.432.610. Beiaard 1.849.500. Fotogrammetrische opmeting: 309.995. -As: St.-Aldegondiskerk - verlichting. Architect M. Driessen - As. 248.440. Restauraties van privé-gebouwen - Torhout: 'Hof van Engeland'. Architect D. Laethem - Oostkamp. 3.591.850. - Aalst: Sint-Jobskapel. Architect P. Blanckaert - Aalst. 2.501.098.

Ministeriële Besluiten Na deze besluiten kunnen de werken aangevat worden. De bedragen verwijzen naar het aandeel van de Vlaamse Gemeenschap. Restauraties in opdracht van openbare besturen -Antwerpen: Leguit - dringende wer ken. 59.148. - Leuven: Augustinessenklooster - muurbekleding in abtskwartier. 307.272. - Ovenjse: Justus Lipsiushuis - dringende werken. 196.044. - Blankenberge: Stadhuis - meerwerken. 85.303. - Meerhout: Prinskensmolen. 820.275. (saldo eindafrekening). -Brugge: Godshuizen De Generaliteit lot 1.691.356 (saldo eindafrekening). - Lede: Fauconniersmolen - bijkomend werken. 20.509. - Geraardsbergen: O. -L. -Vrouwhospitaal. 268.934 (saldo eindafrekening). - Leuven: Augustinessenklooster - dak. 4.161.819 (saldo eindafrekening). -Peer: Deusterkapel. 147.265 (said einddafrekening). - Antwerpen: Etaografische musea 1.802.958. (verrekening 1) - Antwerpen: Kleine Klauwenberg dringende werken. 371.122. -Meerhout: Gemeentehuis - dringend werken. 173.772. - Sint-Niklaas: Witte Molen. 1.714.47 (saldo eindafrekening). - Sint-Niklaas: Ciferage. 1.799.387 (said eindafrekening). - Brugge: Sint-Pieterskapel. 1.684.78c (verrekening 1 en 2). - Wemmei: Gemeentehuis. 3.304.609. -Asse: Oud Gasthuis. 375.985 (said eindafrekening).

[9]


M&L BINNENKRANT - Mol; Ezaartmolen. 2.056.602. - Leuven: St-Jan-De-Doperkerk - elektrische installatie. 566.613. - Leuven; Begijnhofkerk - bepleistering. 2.377.193. - Kortrijk: Begijnhof. 8.506.848. - Harelbeke: Koutermolen. 684.689 (verrekening 1 en 2)

- Antwerpen: Torenhof. 798.302. -Damme; Smt-Janshospitaal. 6.726.197. -Zonhoven: Kapel ten Eikenen. 147.524 (eindafrekening). - Overijse: Den Bonten Os - meerwerken. 491.511. Bijkomende werken. 281.583. -Kuume: Stokerijmolen. 174.765 (verre-

kenmg 4). - Gent: Caermesklooster - afsluiting doorgang naast de infirmerie. 24.888. - Antwerpen: Plantin-Moretus. 29.003 (af rekening). - Knesselare; Pietendriesmolen. -Damme: Stadhuis. 14.231.455 (saldo eindafrekening).

KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Jaarvergadering van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. "Tot voor kort was de vrees gegrond, dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zou opgeslorpt worden in een globale raad, met daarin afdelingen voor ruimtelijke ordening, natuurbehoud, landschapszorg en zo meer. Alhoewel een coördinatie terzake tussen de raden en commissies nodig is, meen ik dat het bestaan van de Koninklijke Commissie dient gevrijwaard te worden. (...) De Koninklijke Commissie heeft sinds 1835 een onvervangbare rol gespeeld voor de vrijwaring van de ons omringende natuurlijke en bebouwde omgeving. Zij moet deze rol kunnen blijven vervullen." Met deze woorden besloot Gemeenschapsminster van Cultuur, Karel Poma, zijn toespraak op de plechtige jaarvergadering van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen op donderdag 24 november 11. Gemeenschapsminister Poma tijdens zijn toespraak (foto MLZ).

[10]

Toehoorders van K.C.M.L. en de M.L.Z. luisteren aandachtig naar de toespraken (foto M.L.Z.). Ruim tweehonderd geïnteresseerden waren naar de Gotische Zaal van het Brusselse stadhuis gekomen om deze academische zitting bij te wonen; leden van het kabinet van d e Gemeenschapsminister, de Provinciegouverneurs van Antwerpen en West-Vlaanderen, de leden van de Centrale en van de Provinciale Koninklijke Commissie, de ambtenaren van de dienst voor Monumentenen Landschapszorg en talrijke vertegenwoordigers van besturen en verenigingen, die zich op nationaal, provinciaal en gemeentelijk vlak met dezelfde problematiek bezighouden. Als eerste spreker maakte de Gemeenschapsminister een bilan op van zijn beleid gedurende de twee eerste jaren van zijn ambtstermijn; de subsidieregeling voor werken aan beschermde monumenten werd op 17 november 1982 bij Decreet bekrachtigd; het Decreet houdende de bescherming van het roerend cultureel patrimonium werd eveneens op 17 november door de Vlaamse Raad goedgekeurd; het Decreet op de landschappen werd op-

nieuw ter hand genomen; het mecenaat ten gunste van de monumenten- en landschapszorg begint resultaten op te leveren (cf. beveiliging van het Lam Godsretabel); de Rijksdienst voor Monumentenen Landschapszorg werd volwaardig opgenomen in de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Anderzijds moest het de Gemeenschapsminister toch van het hart, dat het tempo waarmee de beschermingen sinds twee jaar tot stand komen, gedaald is. Dit zou een gevolg zijn van de Bijzondere Wet van augustus 1980 waarbij de beschermingen niet meer getroffen worden bij Koninklijk Besluit, maar bij Besluit van de Vlaamse Executieve. "Waar vroeger de bescherming de bevoegdheid van één Minister was", legde Minister Poma uit, "moet nu de instemming verkregen worden van negen ministers". Hij beloofde evenwel te onderzoeken of deze procedure met aanzienlijk kon worden versneld.


M&L BINNENKRANT Na een muzikaal intermezzo door de heren Antoon Fauconnier en Patrick Roose, op een naar 17de-eeuws model nagebouwd orgel, ving de Voorzitter van de Koninklijke Commissie, Herman Craeybeckx zijn toespraak aan met een indringende en zeer persoonlijke hulde aan het op 6 augustus 1983 overleden Commissielid, Herman Delaunois. De daarop volgende minuut stilte bewees ten overvloede, dat zijn woorden uit het hart van velen gegrepen waren. Daarna behandelde hij puntsgewijze de werkzaamheden van de Koninklijke Commissie. De periode van de zwaar overladen agenda's is thans min of meer voorbij en geeft de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen de gelegenheid opnieuw dieper in te gaan op "pilootdossiers". Hierdoor kan een beter inzicht worden bekomen in de algemene problematiek met betrekking tot de filosofie van een bescherming en de toe te passen restauratietechnieken en beheersmaatregelen. Aan deze problematiek wijdde de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen trouwens talrijke werkgroepvergaderingen, die resulteerden in een document van 65 p.: "Uitgangspunten voor het beleid (voorlopige nota)". Ook met de Provinciale Commissies werd herhaalde malen samengekomen, hetzij om de organisatie en het hiërarchisch verband te bespreken, hetzij om gezamenlijk belangrijke dossiers te onderzoeken. De Centrale Commissie vormt immers samen met de Provinciale Commissies één advieslichaam en dient in haar werkzaamheden eenzelfde visie te hanteren. Over dossiers mbt. het Brusselse Gewest, moet de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen samen met de Commission Royale des Monuments et des Sites beraadslagen en de beide Nationale Ministers van Onderwijs adviseren. Hiervoor dient in de toekomst meer ruimte geschapen te worden dan heden het geval is. Het decreet van 3 maart 1976 bevat een belangrijke tegenstrijdigheid, die bijzonder hinderlijk is voor de goede werking van adviesorgaan en administratie. Monumenten- en Landschapszorg moet immers de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - het onafhankelijk adviesorgaan van de Minister in haar werkzaamheden begeleiden, maar tevens het beleid van de Minister voorbereiden en diens beslissingen uitvoeren. Zodoende is Monumenten- en Landschapszorg tegelijk partij en rechter. Deze dubbelzinnige toestand geeft vaak aanleiding tot misverstanden en wordt thans stilaan geregulariseerd via de uitbouw van een autonoom secretariaat van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Dit is

van het grootste belang om een onafhankelijke houding te kunnen aannemen ten opzichte van bepaalde beleidsopties. Zo kan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen niet akkoord gaan met de filosofie van de Gemeenschapsminister om een gebouw alleen dan te beschermen wanneer het een passende bestemming heeft. Op deze wijze kunnen immers belangrijke monumenten, "bakens om onze identiteit te bewaren in het zo noodzakelijk historische perspectief' verloren gaan. Ook

de privatisering in de bescherming van het cultuurpatrimonium is volgens de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ongewenst. In dit verband protesteert zij tegen het feit, dat één van de belangrijkste Westeuropese kunstwerken, met name het Lam Godsretabel te Gent, thans wordt beveiligd door een buitenlandse sponsor en niet door de Vlaamse Gemeenschap. Tenslotte stelde de Voorzitter, dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ook als dwingende

[11]


M&L BINNENKRANT

De heien Fauconmer en Roose luisteren plechtigheid op. (foto M.L.Z.). plicht had mee te helpen aan de verdediging van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, om dit uniek wetenschappelijk instrument voor de conservering van ons kunstbezit niet te laten verloren gaan. Andries Van den Abeele, ondervoorzitter van de eerste afdeling (monumenten, stads- en dorpsgezichten) opende de rij werkingsverslagen. Hij merkte op, dat de daling van het aantal beschermingsdossiers slechts relatief is. De voorgelegde adviesvoorstellen hadden een veel grotere omvang dan voorheen (cf de Antwerpse Cogels Osylei met 214 afzonderlijke panden) en werden telkens op uitvoerige wijze behandeld in een ruimer perspectief. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen boog zich tevens over een belangrijk aantal restauratieontwerpen, hetzij in de vergaderzaal, hetzij ter plaatse om op de beste wijze adviezen te kunnen verstrekken. "Bescherming van monumenten en stadsgezichten is zeker geen gemakkelijke bedoening, voor ons niet en voor de bevoegde ministers evenmin", zei de ondervoorzitter, "dit moet ons niet beletten om zonder aarzelen de getrokken lijnen door te zetten". De ondervoorzitter van de tweede afdeling (interieur en roerend cultureel patrimonium), de heer Aguilin Janssens de Bisthoven, ving zijn verslag op vrij pessimistische toon aan. Kunstdiefstallen, zoals o.m. in de kerk van Zoutleeuw, hebben nog steeds bijna dagelijks plaats bij gebrek aan adequate beveiligingsapparatuur. Het op 17 noverber 1982 gestemde decreet tot bescherming van het roerend cultureel patrimonium werd in

[12]

zijn uiteindelijke versie zozeer afgezwakt ten opzichte van de oorspronkelijke tekst, dat talrijke onvolkomenheden er in zijn geslopen. Het patrimonium in privébezit kan slechts worden beschermd op aanvraag van de eigenaar zelf. Beschermde voorwerpen kunnen niet vrij in het buitenland verkocht worden, maar kunnen wel het land verlaten via Wallonië, waar de bepalingen van dit decreet niet van kracht zijn. Definities over de termen "roerend" patrimonium en "onroerend door bestemming" worden niet gegeven, zodat hierover fundamentele meningsverschillen kunnen rijzen. Voorts heeft de wetgever de opleiding van de restaurateurs niet geregeld, zodat men niet weet hoe de erkende ateliers op deskundige wijze kunnen worden bediend. De heer Janssens de Bisthoven vervolgde zijn verslag met felicitaties aan de conserveringsploeg van Monumenten- en Landschapszorg, die instaat voor de voorlopige behandeling van kunstwerdeken. De 2de afdeling staat in voor de nauwe begeleiding van deze ploeg. Drie hoofddossiers liggen nog gedeeltelijk ter studie; de kathedraal van Antwerpen, de Sint-Pieterskerk te Leuven, het Lam Gods. Voor de binnenrestauratie van de Antwerpse kathedraal werd een speciale werkgroep opgericht alsook voor de herinrichting van het koor van de Sint-Pieterskerk te Leuven. Voor de beveiliging van het Lam Gods zijn thans, na zovele beraadslagingen, alle elementen aanwezig om te komen tot een aanvaardbare vrijwaring.

Rudy Verheyen, ondervoorzitter van de derde afdeling (landschappen) klaagde de sterke daling van het aantal rangschikkingen van landschappen fel aan. Hij zei o.m. dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zich moeilijk kan verzoenen met deze gang van zaken en het niet eens is met de visie van de Gemeenschapsminister om een rangschikkingsvoorstel te wijzigen wanneer het niet volkomen in overeenstemming is met de bestemming volgens het Gewestplan. Hierdoor wordt immers maar al te dikwijls de essentie van het voorstel teniet gedaan. De ondervoorzitter drong er daarom met klem bij de Gemeenschapsminister op aan de door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen gunstig geadviseerde rangschikkingsvoorstellen te willen ondertekenen en met kracht van argumenten te bepleiten bij de Vlaamse Executieve. Ook vroeg hij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen officieel te willen betrekken bij de eindredactie van het ontwerpdecreet tot bescherming van de landschappen, en de 3de afdeling steeds in de gelegenheid te stellen ontwerpdecreten met ruimtelijke implicaties te kunnen adviseren. Als laatste kwam de heer Andries Kinsbergen. Gouverneur van de provincie Antwerpen en Voorzitter van de Antwerpse Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen aan het woord. Hij sprak tevens in naam van zijn achtbare collega's. De heer Kinsbergen belichtte de taak van de Provinciale

De heer A Kinsbergen sprak in naam van de provinciale commissies, (foto M.L.Z.).


M&L BINNENKRANT Commissie voor Monumenten en Landschappen als adviesorgaan van de Gemeenschapsminister van Cultuur m.b.t. de voorontwerpen van lijst van monumenten, stads- en dorpsgezichten, die voor bescherming m aanmerking komen. Tevens staat de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen de Centrale Commissie bij in haar werkzaamheden, via gezamenlijke vergaderingen. De Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen kan echter ook autonoom adviezen fomuleren over ontwerpen die de onmiddellijke omgeving van een beschermd goed raken. Anderzijds worden door de Gouverneurs-Voorzitters herhaaldelijk aan de Provinciale Commissie voor Monumen-

ten en Landschappen adviezen gevraagd over niet beschermde openbare gebouwen en dit voornamelijk m het belang van de eenheid in beoordeling en advisering. De heer Kinsbergen onderstreepte voorts met genoegen de grote inspanningen van Voorzitter Herman Craeybeckx om te komen tot een gestructureerde samenwerking tussen de Provinciale en de Centrale geledingen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Tenslotte pleitte de Gouverneur-Voorzitter voor redelijkheid bij de behandeling van beschermmgsdossiers; "Er moet steeds over gewaakt worden, dat iets wat aan het verleden herinnert, niet louter omwille van zijn ouderdom wordt geklasseerd.

Dit zou immers kunnen leiden tot onredelijke behoudstendenzen. (...) Geschiedenis is weliswaar een belangrijk en leerrijk deel van onze cultuur, maar mag anderzijds geen hypotheek leggen op het maatschappelijk streven om te werken aan de toekomst. Na deze reeks toespraken besloot Voorzitter Craeybeckx deze academische zitting met een uitvoerig dankwoord aan de leden van Monumenten- en Landschapszorg en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en niet in het minst aan de vier personen die het secretariaat van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen bemannen. Anthony Demey.

Vlnr : de heer A Van den Abeele, ondervoorzitter van de eerste afdeling; de heer A Janssens de Bisthoven, ondervoorzitter van de afdeling en de heer R. Verheyen, ondervoorzitter van de derde afdeling, (foto M.L.Z.).

[13]


M&L BINNENKRANT

WETGEVING 25 mei 1983 - Besluit van de Vlaamse Executieve tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 16 december 1981 houdende oplichting van een Vlaamse Raad voor het Leefmilieu. De Vlaamse Executieve. Gelet op d e bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting d.d. 20 mei 1983; Op voordracht van d e Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Waterbeleid en Onderwijs; Na beraadslaging, Besluit; Artikel 1. Artikel 4, §1, van het Koninklijk Besluit van 16 december 1981 houdende oprichting van een Vlaamse Raad voor het Leefmilieu wordt gewijzigd als volgt: Artikel 4. §1. De raad is samengesteld uit een voorzitter, twee ondervoorzitters en drieëntwintig leden. Elk lid heeft een plaatsvervanger. Art. 2. Artikel 4, §2, b van het m artikel 1 genoemd Koninklijk Besluit van 16 december 1981 wordt gewijzigd als volgt; Artikel 4. §2,b, drie vertegenwoordigers van de organisaties van werknemers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van de organisaties van werkgevers die in de Nationale Arbeidsraad zetelen. Art. 3. De Gemeenschapsminister die bevoegd is inzake leefiiiilieu is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 25 mei 1983, De Voorzitter, G. GEENS. De Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Waterbeleid en Onderwijs, J. LENSSENS 25 mei 1983 - Besluit van de Vlaamse Executieve houdende benoeming tot leden van de Vlaamse Raad voor het Leefmilieu bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap De Vlaamse Executieve, Gelet op artikel 107 quater van de Grondwet; Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; Gelet op het Koninklijk Besluit van 16 december 1981 houdende oprichting van een Vlaamse Raad voor het Leefmilieu; Gelet op het besluit van de Vlaamse Executieve van 18 januari 1982, houdende bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Executieve; Gelet op het besluit van de Vlaamse Executieve van 28 januari 1982, houden-

[14]

d e organisatie van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Executieve; Op de voordracht van d e Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Waterbeleid en Onderwijs; Na beraadslaging. Besluit: Art. 1. §1. Wordt benoemd tot voorzitter van de Vlaamse Raad voor het Leefmilieu, bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: L.P. Suetens. §2. Worden benoemd tot ondervoorzitters: - S. Amelinckx; - R. Verheyen. §3. Wordt benoemd tot secretaris: A Denteneer. Art. 2. Worden benoemd tot leden van d e Vlaamse Raad voor het Leefmilieu, bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; 1. In hoedanigheid van vertegenwoordigers van verenigingen zonder winstoogmerk en van instellingen van openbaar nut, die volgens hun statuten zich beijveren om het leefmilieu: - Gewone leden: -J. Bultinck; - R. De Boeck; - G Knops; - G. Van Steenbergen. - Plaatsvervangende leden: -Y. Cappaert; - F. Van Sevencoten; - P.Staels; - D. Van Melkebeke. 2. In hoedanigheid van vertegenwoordigers van de organisatie van werknemers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van d e organisaties van werkgevers die in de nationale Arbeidsraad zetelen: - Gewone leden: - G Adriaensen; - P. Brulez; - F. Pottie; - T. Vanhuysse; - G. Rosseel; -J. Boden. - Plaatsvervangende leden: -J. Maes; - M Cortois; - W. Strobbe; - Mevr. M. Offeciers- Van De Wiele; - L. JoDy; - F. Jacobs. 3. in d e hoedanigheid van deskundigen die in d e problemen in verband met de bescherming van het leefmilieu gespecialiseerd zijn en die respectievelijk zijn voorgedragen door: de Rijksuniversiteit Gent, de Katholieke Universiteit Leuven, de Universitaire Instelling Antwerpen en de Vrije Universiteit Brussel:

- Gewone leden: - N. Schamp; - A. Van Haute; -W. Verheyen; - A. Van der Beken. - Plaatsvervangende leden; - G. Persoone; - J. Van Assche; - F. Alderweireldt; -A. Buekens. 4. in de hoedanigheid van ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die respectievelijk het leefmilieu en/of de landinrichting, de streekeconomie, d e ruimtelijke ordening en de politie of de ongezonde en hinderlijke bedrijven onder hun bevoegdheid hebben; - Gewone leden: - R. Grijp; - M. Van Welden; - S. Van Nuffel; - Th. Hendrickx. - Plaatsvervangende leden: - P Van Steelandt; - S. Tys; - R. Van de Sande; - Mevr. Ch. Minne. 5. m de hoedanigheid van vertegenwoordigers van respectievelijk; d e provincie Antwerpen, de provincie Limburg, de provincie Oost-Vlaanderen, de provincie West-Vlaanderen, de administratieve arrondissementen Halle-Vilvoorde en Leuven: - Gewone leden: - L. Verschooten; -A. Huygh; - A De Mol; -S. Beemaert; -V. Vercruysse. - Plaatsvervangende leden: - H. Delaunois; - B. Beckers; - H. De Boeck; -J. Theys; - A Raspoet. 6. In de hoedanigheid van afgevaardigde van de Vereniging voor Belgische Steden en Gemeenten: - Gewoon lid: G. Blanquart. - Plaatsvervangend lid: Mevr. K. Colpaert. Brussel, 25 mei 1983. De Voorzitter, G. GEENS De Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Waterbeleid en Onderwijs, J. LENSSENS.


M&L BINNENKRANT

BUITENKRANT Uit de toespraak van Jean-Luc Dehaene, Minister van Sociale Zaken, tijdens de Rerum-Novarumviering te Gent, op woensdag 11 mei 1983: ...Anders uitgedrukt; de sociale zekerheid is een geklasseerd historisch gebouw, dat niet mag worden gesloopt, maar wel dringend aan een aantal herstellingswerken toe is om te beletten dat het ineenstort. Wie weigert deze herstellingswerken uit te voeren en hiertoe de nodige offers te brengen, bekomt uiteindelijk hetzelfde resultaat als wie het gebouw afbreekt. Aan niets willen raken en alles staande willen houden leidt tot een ineenstorting. Alles willen afbreken omdat er herstellingswerken nodig zijn is even onaanvaardbaar ...

Reizende tentoonstelling 'Open Ruimte'. Op vrijdag 18 november werd de vooropening voor de pers gehouden van de reizende tentoonstelling 'Open Ruimte in Vlaanderen' van de Koning Boudewijnstichting. Deze tentoonstelling zal ongeveer twee jaar rondreizen m Vlaanderen, telkens gedurende twee weken. Aan de tentoonstelling is een animatiepakket verbonden ten gerieve van het onderwijs, de verenigingen, enz. Het is wellicht voor de eerste maal in dit land dat gepoogd wordt de hoe dan ook ingewikkelde situatie van de planning en het beheer van de open ruimte in Vlaanderen in één samenhangend geheel te benaderen. Hierbij komen aspecten aan bod van verstedelijking, landbouw, natuurbescherming, ruimtelijke ordening, recreatie, verkeer, stadsvernieuwing, enz. Daarnaast werd aandacht besteed aan de huidige stand van de wetgeving, de voorstellen in dit verband die hangende zijn en aan aspecten van planning. Voor de invulling van lokale situaties werd eveneens ruimte voorzien, afhankelijk van de gemeente waar de tentoonstelling zal worden opgesteld. Een brochure begeleidt de tentoonstelling. Daarin worden de verschillende elementen van de problematiek beschreven.

Prijs Paul de Pessemier Paul de Pessemier werd geboren op 17 juli 1951 uit een oude Vlaamse familie wier naamvoering teruggaat tot 1337. Tijdens de 16de en 17de eeuw bekleedden zijn voorouders een groot aantal ambtelijke posten, inzonderheid in de streek van Michelbeke (Brakel), waar deze familie sinds 1399 gevestigd is. Vanaf de 18de eeuw namen zij tevens veelal deel aan het openbare leven in de Zuidoostvlaamse gemeenten. Paul de Pessemier richtte, na een opleiding te hebben genoten in de grafische nijverheid, een bedrijf op gespecialiseerd in de bedrukking van textielprodukten. Later werd, met de hulp van zijn vennoot de heer J.L. Stas de Richelle, ook de fabrikatie van sport- en vrijetijdskledij aangevangen. Onlangs gingen zij over tot het opstarten van een bijkomend bedrijf dat weefsels fabriceert die tot voor kort hoofdzakelijk uit het buitenland betrokken dienden te worden. Hij is gehuwd en vader van twee kinderen. Als bestuurslid van de Heemkring Triverius is hij tevens medewerker aan het gelijknamige tijdschrift. Zijn verhandeling „Bijdrage tot de genealogie van de misdaad" werd onlangs gepubliceerd in ,,De Vlaamse Gids". Paul de Pessemier wil met de stichting van de prijs bijdragen tot het bewustwordingsproces van het grote publiek van de artistieke en intellectuele rijkdom van onze gewesten en hoopt aldus de scheppingskracht en vindingrijkheid van de mens door de eeuwen heen, in het daglicht te stellen. De heer de Pessemier heeft de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België opgedragen jaarlijks een prijs toe te kennen ten bedrage van 50.000 fr. aan de auteur van het, omwille van het literaire en wetenschappelijke niveau, beste artikel;

- het artikel dient tien tot vijftien bladzijden te tellen; - opgesteld te zijn in de Nederlandse of Franse taal; - betrekking te hebben op een gebouw, of een geheel van gebouwen, of op een bouwkunstig bestanddeel (glasramen, smeedwerk, muurschilderingen, houtsnijkunst, ...), dat zich in het Nederlandstalige landsgedeelte bevindt en nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een diepgaande studie. - samengesteld te zijn uit een historische studie, zo het onderwerp zich daartoe leent; uit een beschrijvend overzicht; een stijlbepaling en een bespreking te omvatten. Bijkomende inlichtingen kunnen bekomen worden op het secretariaat van ,,De Woonstede door de Eeuwen Heen". De prijs zal jaarlijks worden toegekend ter gelegenheid van de Algemene Vergadering van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België, in de loop van de maand juni. De manuscripten en foto's, bij voorkeur in zwart-wit en van het formaat 13 x 18 cm, dienen ten laatste op 25 maart van het lopende jaar te worden ingediend op het secretariaat van het tijdschrift. De prijs zal voor het eerst in juni 1984 worden toegekend. Het bekroonde artikel zal worden gepubliceerd in „De Woonstede door de Eeuwen Heen", behalve als een eerdere publikatie in het bovengenoemde tijdschrift al plaats gevonden heeft. Wij houden eraan de heer de Pessemier van harte te danken voor dit gelukkig initiatief waarvan het streefdoel is het groot publiek warm te maken voor het architecturaal en bouwkundig erfgoed van onze gewesten. Het helpt het tijdschrift een publikatie te blijven dat, niettegenstaande haar wetenschappelijk peil, aangenaam om lezen is.

Nadere gegevens over deze tentoonstelling, de behandelde problematiek en de wijze van aanpak, alsook illustratiemateriaal, kunnen verkregen worden bij P. Staes, Pers- en Communicatieraad, op het adres van de Koning Boudewijnstichting, Brederostraat 21, 1000 Brussel.

[IS]


Meiaan. Scheppersinstituut. Schoolvleugel 1902. Interieur, trappenhuis (foto P. Somers).

M&L


daken, geometrisch uitgelengde vensterregisters, afgeronde hoeken, vlakke gevelbehandeling, rondvensters enz. eveneens voorkomen in een aantal woonhuizen van tot op heden minder gekende architecten met lokale betekenis als J. Chabot, en in de vroege werken van J. Lauwers als aan de Uzerenleen en de interessante delen van de Brouwerij Lamot gelegen aan de Van Beethovenstraat/Adegemstraat. Vermeldenswaardig is eveneens het huis in de Rosierstraat nr. 23, dat een opvallende gelijkenis vertoont met het huis Koning Albertlaan nr. 97 in Gent, n.o.v. architect A. Claessens (1936). Deze neiging tot verstrakken, de voorliefde voor meer gestileerde, geometrische vormen, voor erkers en gevelaflijning, voor vlakke, 'monolithische' gevelbehandeling, vinden hun populaire, meer decoratieve vertaling in een architectuur met zg. Art-Deco-inslag, zoals ze in de jaren twintig en dertig o.m. voorkomt in de beraapte gevels van Grote Markt nr. 30 en Botermarkt nr. 1 en 7. De gestileerde bloemmotieven of strakke bloemenkorven en geometrische motieven kunnen ook in de kleurrijke glasramen van bovenlichten en winkelpuien voorkomen als in de Hoogstraat nr. 42, Zakstraat nr. 4, F. de Merodestraat nr. 42 en R. Woutersstraat nr. 26. Het huis Willem Geetsstraat nr. 25 illustreert goed de bouwtrant met strakke monochrome gevelbehandeling verhoogd door het spel van uitspringende bovenverdiepingen, ijzerwerk en kleurrijk glas in lood. Tijdens de tweede wereldoorlog werd de stad het zwaarst getroffen in de buurt van de Leuvense Poort, Hanswijkstraat en Raghenoplein, het station, de Tichelrij, de Zoutwerf en de kerk Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle. Na 1945 begon het herstel van belangrijke monumenten als de Onze-Lieve-Vrouwekerk (1944-'45, 1962-'68), de Hanswijkkerk en pastorie (1949-'54) en Leliëndaal met 'Het Pleintje'-O.C.M.W. (1965). Terzelfder tijd vatte de wederopbouw aan in de geteisterde wijken. Ook werd de strijd tegen de verkrotting ingezet met de toen gebruikelijke middelen als afbraak en nieuwe bouw, waarvoor zo nodig beperkte plans van aanleg werden opgemaakt. Een dergelijke politiek was kenschetsend voor de jaren vijftig en zestig, en kreeg vorm mede door de tussenkomst van de maatschappij voor Goedkope Woningen aan de De LangheStraat en het toenmalige C O . O . aan de Sint-Jacobsstraat, de Moensstraat en de Milsenstraat. Op privé-initiatief werden meestal meergezinswoningen ingeplant op de nog vrijstaande of vrijgekomen panden van bestaande straten in de binnenstad, terwijl de verkavelingen nog steeds aangroeiden in de omgeving van Mechelen en voornamelijk in de bosrijke gemeenten ten oosten en ten zuiden. Vanaf 1952 probeerde het stadsbestuur de industrialisatie te stimuleren en te diversifiëren door de aanleg van het eerste industrieterrein in Mechelen-Zuid, volgebouwd in 1961 en gevolgd door de inplanting van Mechelen-Noord. Vanaf de jaren '60 kreeg de binnenstad een meer en meer afgetekende rol toegekend als regionaal centrum met handelsfunctie en dienstenvoorzieningen, wat een zekere verdringing van de woonfunctie tot gevolg had. In het gewestplan werd de hele binnenstad, 30

M&L

met uitzondering van de Stationswijk, aangeduid als woongebied met culturele, historische en esthetische waarde. Een vijftal bijzondere plans van aanleg werden vanaf 1947 voor beperkte, meestal centrale bouwblokken opgemaakt naar gelang van de zich voordoende problemen in .verband met schaalvergrotingen en mogelijke wijzigiiigen van bestemming; de bouwhoogten werden doorgaans tot 4 a 5 bouwlagen beperkt en platte of schuine bedaking was toegelaten. Er waren tevens een aantal beperkingen qua gevelmaterialen. Dezelfde basisregels werden normaliter aangehouden voor de andere wijken, waarbij eerder rekening werd gehouden met recente 'precedenten' dan met oudere bebouwing. Hierdoor kwam nooit echte hoge bouw in de Mechelse binnenstad, maar zijn de verspreide punctuele vernieuwingen uit die tijd wel duidelijk merkbaar in het stadsbeeld. Het toenemende verkeer in en om de binnenstad gaf aanleiding tot het verbreden van de rijvakken van de vesten in de jaren 1960 en volgende. De laatste octrooipaviljoenen op het Kardinaal Mercierplein werden hiertoe afgebroken. Er was zelfs sprake om de nog enige resterende middeleeuwse poort, - de Brusselse Poort - af te breken en over te brengen naar het Provinciaal Domein. Maar het protest van 1964-'65 verhinderde deze ingreep. De kleine ring rond Mechelen die aldus ontstond, werd recent voltooid met het doortrekken ervan tot aan het Raghenoplein. In de bebouwing aan deze ring voltrok zich een geleidelijke vernieuwing : flats van 8 bouwlagen hoog vormden geen uitzondering, wat sterk contrasteerde met de veel lagere villa- en sociale woonwijken in de buitenstad. De aanleg van de E 10 met een noordelijke en een zuidelijke aftakking naar de stad bracht ingrijpende veranderingen teweeg in haar benadering en ruimtelijke structuur. Verkeer, handel en onderwijs werkten als verdringingsfactoren voor de woonfunctie intra muros. De Bruul en de Botermarkt waren het felst onderhevig aan de toegenomen handelsfunctie; de zg. 'Amusementslokalen' van het interbellum moesten plaats ruimen voor warenhuizen; vroegere heren- en burgerhuizen werden meer en meer verbouwd tot of vervangen door winkels. Ook vestigden zich een aantal banken in deze buurt, meestal in grote herenhuizen en uitzonderlijk in nieuwe bouw (Bruul nr. 79). Het winkelcentrum met stadsfeestzaal en parkeergebouw werd in 1969 gebouwd op de plaats van de vroegere groentenhal (1870) en vormt het hoogste volume met zijn 9 bouwlagen. De aanleg van de winkelwandelstraten (Geitestraat-Borzestraat) in 1977 als horizontale verbinding van Botermarkt-Bruul-IJzerenleen, onderstreepte nogmaals het overwegend commercieel karakter van deze buurt. De uitbreiding van het gediversifieerde net van onderwijsinstellingen met meer dan lokale betekenis bracht ook nieuwe bouw in de binnenstad die huisvesting vaak verdrong. Eigenlijke 'speculatie'-kantoorgebouwen werden te Mechelen niet gebouwd; die aan de D. Boucherystraat (ca. 1966) zijn vermengd met winkels en loketfuncties op de begane grond; andere aan de Begijnenstraat


Hoek Zelestraat-Bomstraat. Z.g. „Dymfnarium".

(foto M.L.Z.).

met gelijkaardige diensten passen eigenlijk binnen de verzorgingssector van de binnenstad. Om ook een rol te kunnen spelen in de wereld van Kunst en Cultuur werd in de jaren vijftig het cultureel centrum A. Spinoy opgericht - met uitbreiding in 1968 - op de centraal gelegen plaats van het vroegere - en inmiddels tot kazerne verworden - minderbroedersklooster, dat hiervoor werd afgebroken. In het gerestaureerde huis 'De Zalm' werd het Museum voor Kunstambachten ondergebracht in 1959. Omtrent de jaren '70 groeide de bezorgdheid om de binnenstad met haar stagnerende en zelfs enigszins afnemende en verouderde bevolking - met haar groeiend aantal migranten, haar veroudering van het woningbestand en de soms zorgwekkende toestand van het bouwkundig erfgoed. Dientengevolge leek het dringend noodzakelijk de tot dan toe gevoerde politiek om te buigen en meer aandacht te besteden aan het centrum. In 1973 werd de 'Survey Mechels stadsgewest' uitgegeven door het Ministerie van Openbare Werken; onderzoek en verwerking gebeurden door het instituut voor sociale en economische geografie van de K.U.Leuven. De eerste fase bevatte een structuurschets van Mechelen en basisgegevens in verband met de saneringswijk BegijnhofHeembeemd. Dit materiaal werd gebruikt voor de Stedebouwkundige Wedstrijd voor deze saneringswijk in 1974-75, waarmee - zeer vroeg in feite - duidelijk werd geopteerd voor de sociale stadsvernieuwing met inspraak van de bevolking. Rond dezelfde tijd werd de bekommernis om de wijk gematerialiseerd door de aanleg van een ontmoetingspleintje, het zg. 'Dymfnarium' op de hoek van de Zelestraat en de Bornstraat (1974), door sporadische vernieuwing van oude panden, voornamelijk op privé-initiatief en door kleine woonverbeteringen vanaf 1977. De realisatie ervan verliep echter trager dan gehoopt ten gevolge van de ingewikkelde procedure die ermee gepaard ging. Het gebied kreeg een officiële erkenning bij K.B. van 15 december 1978; ca. 3 jaar later kreeg het het statuut van erkende wijk en bij decreet van de Vlaamse Executieve van 30 juni 1982 werd het uiteindelijk gerekend tot de officiële herwaarderingsgebieden, wat de betoelaging van de volledige operatie impliceert.

Vismarkt. De ambiguïteit van de z.g. „invularchitectuur" (foto M.L.Z.).

De vooropgestelde planning loopt nu tot 1986 en behelst fragmentaire bouw van zowat 20 woningen en kleine complexen voor bejaardenhuisvesting in een eerste fase (1984-'86) en een 90-tal sociale woningen in een tweede fase (1985-'86). De ontsluiting van de Lobbeskazerne met aanleg van de open ruimten als speelpleintjes e.d., zou in de loop van 1984 gebeuren. Anderzijds werd krachtens het besluit van de Vlaamse Executieve van 8 december 1982 ook het gebied Hoogstraat-Kapucijnenstraat als herwaarderingsgebied erkend. In de loop van de laatste twintig jaar werden nog belangrijke restauraties van beschermde monumenten verdergezet, zoals van de toren van de Sint-Romboutskerk (vanaf 1963) en het koor en transept van dezelfde kerk (1982), de restauratie van het Stadhuis met de toen gecontesteerde aanpassing en nieuwe bouw (1975) en de restauratie van de Sint-Pieter-en-Pauluskerk, waarvan het interieur dient afgewerkt. Problemen rezen ook bij de uitbreiding van het Gerechtshof en de wederopbouw van de huizen aan de Keizerstraat met gedeeltelijk oorspronkelijk materiaal (1979 e.v.). Van de grote leegstaande complexen in de stad - kazernes, vroegere kloosters... - werden er een aantal aangekocht door de Stad met de bedoeling er nieuwe bestemmingen aan te geven : zo zal de in 1964 beschermde minderbroederskerk worden hersteld en geïntegreerd in het programma van de uitbreiding van het Cultureel Centrum en zal het gesticht 'Cellekens' worden ingericht als Folkloremuseum. Voor de leegstaande beschermde refugiehuizen van SintTruiden en Tongerlo in privé-bezit dienen nog een oplossing en bestemming gezocht te worden. Anderzijds wordt het privé-initiatief aangemoedigd en alleszins financieel gesteund door de lokale overheid en de Vlaamse Gemeenschap, wanneer het om beschermde monumenten gaat. Een ruim opgezet privé-project zou voor de restauratie-rehabilitatie instaan van de brouwerijgebouwen en het huizenblok Drabstraat-PersoonshoekDijle. De eerste beschermingen in Mechelen dateren van na de wet van 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, die voor het eerst een wettelijk instrument ter beschikking stelde voor "rangschikkingen"(sic). Tussen 31

M&L


1936 en '39 werden een dertigtal 'grote monumenten' beschermd. Na de tweede wereldoorlog werden 15 monumenten en 2 landschappen aan de lijst toegevoegd. Na het decreet tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten (3 maart 1976) werden een vijftigtal kleinere gebouwen en een paar - bedreigde - complexen beschermd. Uit een eerste evaluatie na de inventarisatie van het Mechels patrimonium groeide een aanvullende lijst van een honderd beschermingsvoorstellen waartoe de procedure werd ingezet op 25 augustus 1982. De zorg om het geheel van stadsgezicht uit zich tevens in de geleidelijke uitbouw van adviesorganen en Stedelijke Diensten. Binnen de Koninklijke Kring van Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen - gesticht in 1886 - werd een Commissie voor het Mechels Cultureel Patrimonium ingesteld; ze is vertegenwoordigd in de Stedelijke Commissie voor Monumentenzorg die in 1968 door de stad werd opgericht met de bedoeling advies uit te brengen over bouwaanvragen binnen de historisch belangrijke stadsdelen. De Stad Mechelen heeft sinds 1976 een dienst voor Stadsvernieuwing; de dienst voor Monumentenzorg dateert van 1981. Bouwaanvragen worden grondig afgewogen geval per geval en rekening houdend met de onmiddellijke en ruimere omgeving. Kleinere ingrepen, zoals systematische ontpleistering, garage-inrichting of -inplantingen e.d. worden afgeremd. Vernieuwbouw van panden of gebouwonderdelen, als o.m. oude winkelpuien, binnenhoven... worden daarentegen gestimuleerd. Ook wordt normaliter geen afbraakvergunning toegekend zonder goedgekeurde bouwvergunning. In het Mechelse stadsbeeld wordt deze invloed wel merkbaar in het gereduceerde aantal bouwlagen voor nieuwe bouw, de schuine bedakingen en diverse vormen van zg. 'invularchitectuur' die vanaf de jaren 1975-'78 sporadisch opduiken.

Goswin de Stassartstraat nr. 10. Huidige toestand n.o.v. architect M. Pluymers (1980) en toestand vóór de aanpassing (rechts).

Besluit. Te Mechelen is een gunstig klimaat ontstaan voor een groeiende bewustwording van het belang van het historisch leefmilieu. De overheid op het lokale en regionale vlak is nu bereid om dit bewustzijn in een monumentvriendelijk stedebouwkundig beleid te vertalen en wil hiervoor de nodige wetenschappenlijke en materiële middelen ter beschikking stellen. Er rest dan nog de hoop dat de architecten en andere verantwoordelijken voldoende inzicht en inspiratie zouden opbrengen om het dynamisch proces van de stad voort te zetten op een voor onze tijd relevante wijze en dat ze op die manier een boeiend hoofdstuk zouden toevoegen aan het lange verhaal van de Mechelse binnenstad.

Bibliografie - Algemeen : Lemaire, R., Bouwkunst. Gids voor de kunst Antwerpen, 19632. Plantenga, J.H., L'architecture religieuse dans Brabant, depuis Ie règne des archiducs, jusqu'au chien (1598-1713), Den Haag, 1926. Van Aerschot, S. en Van Tyghem, F., Gotisch Openbaar Kunstbezit, 1980.

in België, Utrechtl'Ancien Duché de gouvernement autribouwen in Brabant,

- Betreffende Mechelen : Berlemont, F.A., Mechelse kronieken van het jaar 1 tot 1945, Brussel, 1975. Coninckx, H., Cinq siècles d'architecture civile a Malines, du 13ième au 18ième siècle, Mechelen, 1938. Foncke, R. (o.l.v.), Mechelen de Heerlijke, Mechelen, 1938-1947. Godenne, L., Malines, jadis et aujourd'hui, Mechelen, 1908', Antwerpen, 1973 (facsimile). Grootaers, J., Houten gevels van laatmiddeleeuwse huizen te Mechelen, onuitgegeven licentiaatsverhandeling aan de K.U. Leuven (in voorbereiding 1982). Knops, G, Stad en stadsgewest. Overdruk uit België in EG-perspectief, Antwerpen-Amsterdam, 1975, p. 157-172. Koeken, M., Gids voor oud Mechelen, Antwerpen, 1981. Leurs, S., Mechelen, Antwerpen, 1923. Marchau, J., Schets van het Mechels stadsbeeld bij de aanvang van de XIXde eeuw. Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 1963, p. 121-152. Reydams, A., De namen en de korte geschiedenis der huizen van Mechelen, Mechelen, 1896. Steurs, Het keizershof en het hof van Margareta van Oostenrijk te Mechelen, 1879. Verbeemen, J., De Bruul, van patriciërs tot handelsstaat. Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 1956, p. 130-154.

32

M&L


'De Vijgenboom' (1500-1510) en 'De Duivels' (1545-1550), twee pronkstukken van het unieke laat-middeleeuwse houtbouwpatrimonium te Mechelen (1). J. Grootaers Licentiaat in de kunstgeschiedenis.

Mechelen is de enige stad in de Nederlanden die tot op vandaag nog een tiental 16de-eeuwse huizen met houten gevel in situ heeft weten te bewaren. Daarnaast is er nog een onbekend aantal woningen met resten van getimmerde constructies die pas aan het licht zullen komen tijdens verbouwings- en restauratiewerken. Voor de kennis van een haast vergeten burgerlijke, houten bouwtechniek biedt deze stad een enig exploratieterrein. Het architectuurhistorisch belang van dit patrimonium werd reeds in 1919 onderstreept in de in ons land onbekend gebleven doctoraatsscriptie Der Flamische Holzbau (2) van de Duitse ingenieur Ernst Grabbe, een Wehrmachtoff icier die tijdens de eerste wereldoorlog in Diest verbleef Hij bestudeerde als eerste de Mechelse houtbouw in een heldere, rationalistische traditie van een E. Viollet-le-Duc. Mechelen werd door hem bestempeld als 'Die Hauptfundstatte für den flamische Holzbau', en dat op een ogenblik dat de houten woningbouw nauwelijks enige aandacht genoot in de 'stijlvergelijkende' architectuurliteratuur van ons land. De studie van de Vlaamse stedelijke houtbouw is niet enkel van belang voor de geschiedenis van de bouwtechnologie strictu senso, maar geeft een fundamenteel inzicht in de architectonische aspecten van de stenen woonhuisbouw uit de postmiddeleeuwse periode (3). We laten U kennis maken met twee markante specimens Vlaamse timmermanskunst. We gaan hierbij niet intensief in op alle technische kenmerken van 'De Vijgenboom' en 'De Duivels' (4). Aan de hand van enkele aanschouwelijke tekeningen wordt de tekst gevisualiseerd. Signaleren we nog dat voor beide beschermde huizen de restauratieprocedure werd ingezet. Over het resultaat van deze werken wordt te gelegener tijd verslag uitgebracht in M & L. .

muren, de stenen voeting (basement), door de invoering van gemetselde wandhaarden en de veralgemening van

Het versteningsproces in Mechelen.

harde daken (5)

Zoals in de meeste steden van ons land, werd ook in Mechelen de geleidelijke verstening van het stadswoonhuis gestimuleerd en versneld door allerlei voorschriften die de magistraat uitvaardigde om het gebruik van brandbare bouwmaterialen te reglementeren. De vroegste bepalingen van 1268-'78 en 1344-'48, beoogden het doen verdwijnen van rieten en strooien daken en stipuleerden het 'plecken' als een goede preventieve maatregel om het ontstaan van brand in en om het houten huis tegen te gaan. Het versteningsproces in de Nederlanden zal pas goed op gang komen in de 15de en de 16de eeuw, door het opkomen en soms verplicht stellen van gemene

eeuwse context dat de in situ bewaarde Mechelse huizen met houten gevel thuishoren. De bouwwijze van de dateerbare constructies uit de 16de eeuw, manifesteert zich aan de ene kant in de zuivere beplankte frontgevelbouw (6). Het zijn (bak-)stenen huizen die buiten de bekapping en de balklagen, enkel langs de straatzijde een integraal getimmerde constructie bezitten, begrepen tussen licht vooruitgeschoven scheidsmuren. Men noemt ze ook wel '3/4-huizen' (7). Het stijlen regelwerk is enkel zichtbaar in de opengewerkte wandvlakken; de rest is bezet met reeksen van staande planken. Daarnaast zijn er de woningen met een houtskelet (8), waar minstens twee van de vier wanden van hout

H e t is m e t n a m e i n d e z e l a a t . m i d d e l .

33

M&L


De noordkant van de Grote Markt omstreeks 1650 door N.I. Van Eyck (Stadsmuseum Busleyden), (copyright, A.C.L.).

zijn, en waar de kap en ten minste de onderstaande bouwlaag een uitgesproken constructieve binding vertonen. Deze gebouwen zijn niet noodzakelijk voorzien van een houten beschot. Het zichtbaar gelaten houtwerk is dan opgevuld met (bepleisterd) metselwerk, dat eventueel een oudere lemen vulling vervangt. Deze huizen roepen in hun constructiewijze nog duidelijke reminiscenties op aan de oudste stadswoningen die in een voleinde vakwerktechniek waren opgezet. In tegenstelling met steden als Antwerpen, Gent en Brussel, waar het verbod nog hout te gebruiken in de gevelbouw reeds doorgang vond in de 16de eeuw, stipuleerde Mechelen haar eerste ordonnantie pas in 1627 (9). Op straf van boete was het verboden nog houten of lemen huisgevels op te richten en tegelijk ging een herstelverbod van kracht voor de nog bestaande gevelconstructies. De bouwstop viseerde niet meteen de grote meerderheid van de bouwlustigen, want op dat ogenblik was de houten gevelbouw reeds lang over zijn hoogtepunt (1500-1550) heen. Het verbod bevestigde in feite het in onbruik raken van de hoog ontwikkelde timmertechnieken. Het reparatieverbod daarentegen had meer ingrijpende gevolgen voor de burgers, omdat het de materiële aftakeling en de uiteindelijke sloping van honderden houten gevels op gang bracht. Het niet-naleven van de eerste ordonnantie leidde tot een herhaling in 1630 (10) en 1687 (11). In het laatste besluit bestreed men tevens de ingeburgerde gewoonte waarbij men in aftakelende gevels de vakken met baksteen ging opvullen om hun 'levensduur' te verlengen, wat dan echter instortingsgevaar kon opleveren; de meeste gevels waren aanvankelijk immers niet berekend op de last van een geheel stenen vulling. Dat de verdwijning van de houtconstructies 34

M&L

in de 17de eeuw slechts langzaam vorderde, moge blijken uit de documentair interessante panoramische gezichten van de Grote Markt omstreeks 1650 van de Antwerpse genreschilder N.I. Van Eyck. Het forum van de stad was toen op enkele ambachtshuizen na, een aaneenschakeling van getimmerde wanden, die pas grotendeels werden neergehaald in de loop van de 18de eeuw. In die tijd maakte de stadsmagistraat zich herhaaldelijk zorgen over de talrijke houten gevels 'die het gesight van de stadt defigureren' (12). Ze vormden algauw een doorn in het oog op de verfraaiing aansturende stadsoverheid. Het representatieve karakter van de belangrijkste straten kon er maar beter op worden als deze bouwsels uit het zicht verdwenen. Men stelde van stadswege bouwlieden aan om de houten huizen naar hun bouwvalligheid te 'visiteren' en in vele gevallen eiste de magistraat een verplichte sloop en nieuwe bouw. Blijkens een visitatieverslag van 1737 verkeerde menige gevel in 'menacerende peryckel' (13). Het begrip 'publieke veiligheid' werd voor het eerst expliciet ingeroepen voor de 'amelioratie' en het 'embellissement' van de stad. Uit berekeningen is gebleken dat in 1772 liefst 468 houten (straat-)gevels naar hun stabiliteit werden onderzocht; dit is zowat één zesde van het totale Mechelse huizenbestand! In de jaren 1770-1775 situeerde zich een intense slopingsactiviteit langsheen de Uzerenleen, de Steenweg en de Grote Markt. Aanleiding tot de verhoogde bouwactiviteit was het millennium van de stadspatroon (1775), waarbij voorzien werd in grootse optochten en stoeten. Tijdens de eerste helft van de 19de eeuw ging de afbraak in regelmaat voort, mede gestimuleerd door een plak-


kaat van 1822 (14) dat voorzag in effectieve geldpremies van zodra een houten gevel vervangen werd door steen. Van het twintigtal exemplaren dat circa 1865 nog overeind was gebleven, is bijna de helft tot op vandaag bewaard. Ofschoon de stad in belangrijke mate bijgedragen heeft tot de restauratie van de gevels van 'De Duivels' (1867), 'De Prins van Parma (1903) en 'De Pekton' (1917), werd er na de eerste wereldoorlog geen specifiek conservatiebeleid meer gevoerd. Het accidentele behoud van de huidige constructies is zelfs voor een deel te danken aan hun gunstige noordoostelijke oriëntatie, waardoor ze minder te lijden hebben gehad van nefaste westelijke weersinvloeden.

'De Vijgenboom' : het evenwicht tussen architectuur en constructie. Situering Voor een eerste kennismaking met het Mechelse houtbouwpatrimonium leent de monumentale voorgevel van het brede diepe huis 'De Vijgenboom', gelegen op de hoek van de Katelijnestraat en de A.B.-straat, zich uitstekend. Het gebouw werd opgetrokken circa 1500-1510, op de vooravond dat de stad onder Margareta van Oostenrijk de bestuurlijke hoofdplaats werd van de Nederlanden. De houten straatgevel, met zijn heel eigen architectonische zeggingskracht, is voor de kennis van de lo-

kale architectuur uitzonderlijk, gezien de hoge materiële authenticiteit en de structurele integraliteit. Het is tegelijk de oudst bewaarde burgerlijke gevelconstructie van Mechelen met een bouwwijze die nog representatief is voor de tweede helft van de 15de eeuw. 'De Vijgenboom' verenigt alle essentiële kenmerken van de plaatselijke bouwtechniek die in de loop van de 16de eeuw een bescheiden evolutie zal doormaken. Ten opzichte van het befaamde Duivelshuis, dat bijna een halve eeuw later werd opgetrokken, mogen we zeggen dat de timmermanskunst voor vooruitgang vatbaar bleef, zelfs in een tijdvak waar de metselaars stilaan de overhand kregen in de woningbouw. Het telkens bijschaven van de traditie is eigen aan de houtbouw in de stad, waar de drang naar perfectie, degelijkheid en vormschoonheid, juist mogelijk was door de corporatieve organisatie van de timmerlui. Vandaag omvat 'De Vijgenboom' twee nauw bij elkaar aansluitende bouwlichamen. Op het hoekperceel Katelij nestraat 23 staat het imposante voorgebouw met de twee maal overkragende houten gevel, die aan de rechter zijde begrensd wordt door een vrijstaande bakstenen zijgevel in de A.B.-straat. Typologisch hoort het voorgebouw tot het middeleeuwse brede, diepe huis met een kavelbreedte die de 27 voet ruim overschrijdt (15). De inwendige morfologie verschilt in wezen niet van de volledige stenen woningen die in de 16de eeuw werden gebouwd. De plattegrond van het voorgebouw is enigszins parallellogramvormig met een opvallend geringe diepte van slechts twee vakken (20,8 voet) ten opzichte van de veel bredere straatgevel (30,8 voet). Dit huisdeel is door

^ „De Vijgenboom", grondplan van voor- en achtergebouw (verdieping), (Ir. D.V. Depoorter, 1981).

35

M&L


een massieve brandmuur gescheiden van het aansluitende achtergebouw in de A.B.-straat nr. 1. Op de scheiding van voor- en achtergebouw is centraal in de tussenmuur een veelhoekige trapkoker gemetseld, waarin de originele eikehouten spiltrap van de woning is opgehangen. Het twee vakken diepe achtergebouw met zijn lagere dakstructuur heeft een laat-18de-eeuwse binnenafwerking (resten van stucwerk) en een vroeg-19de-eeuwse afgebikte lijstgevel. In de kern is het achtergebouw evenwel even oud als het 16de-eeuwse voorgebouw, te oordelen naar balkelementen, consoles, muurverdikkingen enz.. Een grondig bouwhistorisch onderzoek, dat plaats zal vinden tijdens de geplande restauratie, zal deze verbouwing blootleggen. Niettegenstaande de oorspronkelijke 'Vijgenboom' met minstens twee vakken werd ingekort, blijft men onder de indruk van het machtige voorgebouw dat als een 'voorpost' het straatbeeld beheerst op het punt waar de Katelijnestraat haar smalste bocht maakt. Over de geschiedenis van het pand is voor de 16de eeuw nog niets met zekerheid bekend. Het stadswijkboek van 1647 vermeldt dat de "vyghboom op den hoeck van de milaene" (17) eigendom is van schaliedekker Jan Pauwels. Vanaf 1665 werd het huis geërfd door advocaat Jos de Jonghe en in 1710 werd het betrokken door begijn Anna van Sande. In 1774 verhuurde Egidius Geens het voorgebouw (17). De houten gevelconstructie

De zuidkant van de Grote Markt circa 1650 door N.I. Van Eyck (Stadsmuseum Busleyden), (foto G. Charlier).

De totale constructie omvat drie niveaus : een benedengevel, een overkragende bovengevel en een op zijn beurt overstekende puntgevel die twee zolderruimten afschermt. Deze wanden zijn als autonome geraamten van stijl- en regelwerk ten opzichte van elkaar opgezet. De beneden- en bovenwand zijn geheel opengewerkt en in de volumineuze punt is er een geproportioneerde afname van de doorbrekingen van onder naar boven toe. De hoogte van de eerste verdieping neemt toe ten opzichte van de gelijkvloerse verdieping, wat de architectonische binding met de grote dakruimte ten goede komt. De gevel is tot aan de dakvoeten begrepen tussen bakstenen scheidsmuren (1 1/2 steen breed) die aan de voorkant afgewerkt zijn met witte zandsteen. Dit verzorgde metselwerk, dat ter bescherming enkele cm vóór de houtconstructie uitkomt, leidt de overkragingen in met uitkragingen en profileringen. Het zichtbaar laten van scheidsmuren houdt in de late middeleeuwen ook verband met het wettelijke belang dat "ghemeynen mueren" hadden in de ingewikkelde aangelegenheden van erfscheidingen en erfdienstbaarheid. In de benedenwand is de initiële configuratie van deurpartij en kruisvensters verstoord onder het peil van de tussendorpels, een ingreep die dateert van vóór circa 1870. De rest van de gevel onderging omstreeks 1900 een uitwendige restauratie, die gelukkig heeft verhinderd dat de kern van het authentieke geraamte met zijn goed be,,De Vijgenboom", Grabbe, 1919).

36

M&L

opstand en doorsnede van de houten gevel (E.


waarde constructiesystemen werd aangetast. Er zijn geen aanwijzingen dat het stadsbestuur deze herstelling zou hebben gesubsidieerd met haar jaarlijkse uitgavenpost betreffende 'kunstgevels'. Op de verdieping en in de puntgevel werd een geheel nieuwe buitenbeplanking aangebracht en de meeste volhouts geprofileerde wandregels kregen langs de voorkant nieuw opgespijkerde lijsten, de rest van de originele balken liet men onaangeroerd. Deze oppervlakkige wijze van restaureren vindt men terug in alle beplankte gevels van de stad. Ze kadert in een verouderde restauratievisie die niet maximaal conserverend te werk ging, maar enkel beoogde de gevel een zo homogeen en pittoresk mogelijk cachet te geven. Het bewaren van de historische bouwtechniek in al haar verscheidenheid was toen minder van belang. Voor 'De Vijgenboom', waar de buitenrestauratie minder "hard" overkomt, kon een reconstitutie van de oorspronkelijke gevelstructuur zonder veel problemen worden opgesteld op basis van vergaringssporen (penresten, tooggaten, kepen enz.). Zo'n houten gebouw reveleert dan zijn meest wezenlijke kenmerken van repetitiviteit, evenwichtige compositie en subtiele symmetrie. Vergelijkt men het reconstitutieplan van het stijl- en regelwerk met de beplankte gevel zoals die uitwendig voorkomt, dan valt op dat het principe van het 'constructief zichtbaar vakwerk', zoals bekend uit onze landelijke hout-

^

1

/

L

X

2

4m „De Vijgenboom' auteur, 1981).

,De Vijgenboom", achtergebouw in de A.B.-straat (foto auteur).

reconstitutie van het originele gevelgeraamte (tek.

bouw, wordt verlaten. De autonomie van de architectonische verschijningsvorm ten opzichte van het ingewikkelde gevelgeraamte, is een essentieel kenmerk van de beplankte frontgevelbouw. Men kan eerder gewagen van een houtbouw met dragende en afsluitende onderdelen, in casu het beschot dat niet bedoeld is om de vakken te vullen dan wel af te schermen. Dit evenwichtige samengaan van het architectonische en het constructieve zal in de stenen gevelarchitectuur van de 17de en de 18de eeuw langzamerhand verwateren door de invoering van geïmporteerde 'stijlen'. De architectuur van de 16de-eeuwse timmerlui te Mechelen is geen 'stijl' maar een anonieme bouwwijze (vernacular) die zijn oorsprong vindt in een lokale corporatieve gemeenschap. Het timmermansmerk dat voorkomt in de bekapping van 'De Vijgenboom' is in die zin geen signatuur van een individueel architect maar het symbool van een op traditie gestoelde ambachtelijke wijze van bouwen (constructie) én ontwerpen (architectuur). 37

M&L


links : „De Vijgenboom", timmermansmerk (± 1500) in de bekapping (tek. auteur). boven : doorsnede vensterkatf (tek. auteur).

De onderbouw waar de houten gevel op rust, is een eenvoudig vrij laag basement (2 voet) van witte zandsteen zonder keellijst. Zo'n plint is eigen aan de laat-middeleeuwse houten gevelbouw en vormt het enige gevelonderdeel dat reeds door het versteningsproces aangetast werd. Het basement behoedt de houtconstructie niet enkel voor capilair vocht, maar is ook bedoeld vanuit hy-

,,De Vijgenboom", totaalaanzicht benedengevel, (foto auteur)

38

M&L

giënische overwegingen. Het werd trouwens oorspronkelijk dun bepleisterd. Het geraamte van de gereconstitueerde benedenverdieping is, in tegenstelling tot de bovenstaande wanden, geheel apparent en de configuratie verraadt het mercantiele aspect van dit ruime stadshuis. Zoals verder wordt aangetoond, zijn er aanwijzingen dat hier aanvankelijk een metaalverwerkend bedrijf was gevestigd. De twee vakken brede deurtravee is rechts van het gevelmidden asymmetrisch gesitueerd en verhoudt zich afgewogen ten opzichte van de aanzienlijke huisbreedte. De twee brede deurposten starten op het maaiveld en zijn vitale lastafwentelende staanders die rechtstreeks de doorlopende dekbalk bovenaan de wand dragen. Ook de twee smallere eindstijlen, die de scheidsmuren flankeren, zijn doorgaande structuren. Ze vertrekken op de muurplaten van het gevelbasement. De massieve afsluitende dekbalk is het enige wandonderdeel dat specifiek in de scheidsmuren verankerd is. In feite is hij de voorste moerbalk van de gelijkvloerse balklaag en is hij berekend op het torsen van de kinderbalken. Binnen het hoofdgeraamte van deur- en eindstijlen, muurplaten en dekbalk, worden bezijden de toegang autonome vensterpartijen gemaakt. Links een vierledig kruisraam, rechts een enkelvoudig kruisvenster. Kenmerkend voor de Mechelse bouwtechniek zijn de eendelige doorlopende kalven, die de kruispenanten van de vensters steeds in twee onderscheiden stukken verdelen. Door het lage basement creëren de onderste venstergeledingen een maximale lichtgeving. Het plaatsen van uitstalbanken voor koopwaar werd hierdoor eveneens


links : ,,De Vijgenboom", uitkraging van de linker scheidsmuur (E. Grabbe, 1919). Hiernaast : wandstijlconsole in perspectief (naar E. Grabbe, 1919).

begunstigd. Gezien het belang van de deurpartij in een woning als deze, krijgt het deurkalf een meer monumentale vormgeving. Het bovendeel ligt op het peil van de aangrenzende vensterkalven, terwijl het massieve onderdeel een naar onderen toe nisvormig uitgehold element is dat met schuine tanden tussen de stijlen is gevat. Over het precieuze laat-gotische snijwerk dat er in voorkomt spreken we straks. Daar waar de twee vensterkalfdelen en het bovendeel van het deurkalf als drie onderscheiden elementen in de hoofdstijlen zijn vergaard, zijn ze aan de straatkant evenwel volhouts bewerkt met een eenvoudig profiel, dat doorgetrokken is op de stijlvoorkanten. Tot vóór 1918 werd dit kalfprofiel hernomen in het witstenen metselwerk van de scheidsmuren. Dit continue profiel geeft een uitgesproken horizontaliserend verband in de compositie van de wand en tegelijk tekent de bovenlichtzone zich duidelijker af. Het architectonisch afzonderen van de bovenlichten is deels ook ontstaan uit een functionele bekommernis. Ter hoogte van de uitkragende kalflijsten werden immers houten luifels en afdakjes opgehangen die de onderstaande (winkel-)pui beschutting moesten geven. Op de reeds genoemde schilderijen van de Grote Markt van omstreeks 1650 is zulks goed te zien. Merken we nog op dat de onderlichten van de kruisramen oorspronkelijk, naar gelang van de behoefte, geopend of gedicht werden met luiken. Het ontbreken van slagsponningen op de stijlkanten laat vermoeden dat hier binnenwaarts draaiende luikbeschotten werden aangewend. De overgang naar de bovengevel gebeurt met een overkraging of overstek, een fenomeen dat wellicht het meest de houtbouw in de stad kenmerkt. Over de functie en de oorsprong ervan bestaan verschillende opvattingen maar in casu 'De Vijgenboom', waar de oversprong slechts 26 cm bedraagt, was ze vooral bedacht om de onderstaande wand te beschermen tegen nefaste weersinvloeden. Het winnen van plaatsruimte lijkt hier minder aannemelijk. Daarnaast is ook het zuiver architectonisch-esthetische aspect verantwoordelijk voor de toepassing van de overkraging. In de middeleeuwse woonhuisbouw is er een diep ingewortelde traditie om bouwlagen over elkaar te 'stapelen', wat meteen de ruimtelijke dimensie van het huis veruitwendigt.

De meest gangbare techniek van overkraging in Mechelen is deze met consoles die bovenaan de wandstijlen, in de bovenlichtzone, volhouts uitgesneden zijn. Dit systeem bood voor de timmerlui het voordeel dat tijdens het oprichten van de gevel geen afzonderlijke elementen meer in elkaar dienden gevoegd te worden. Zo'n console heeft een gekromde voorkant en een bijna vierkant kopstuk dat rechtstreeks de platte stijlvoetplaat van de bovenstaande wand draagt. In 'De Vijgenboom' is de dekbalk van de benedengevel achter elke consolekop over zijn volledige dikte neergelaten in een uitgekapte inkeping. In het draagvlak van de console is dan een dwarse pen uitgehaald die onderin de opgelegde balk zorgt voor de verbinding. De aanzet van elke consolekromming is een fraai laat-gotisch profiel (hielojief + velling) dat zijn oorsprong vindt in een functionele noodzaak : de afstand overbruggen tussen de verticale stijlvoorkant en de voor-

^m^simuÊS^Êmt.:.

__

„De Vijgenboom", detail borstweringsraam bovengevel (foto auteur).

uitgeschoven consoleverdikking. Naast consoles zijn in deze gevel echter ook overstekende kinderbalken aangewend voor de overstek. Ze kruisen volledig verkeept de dekbalk en bezorgen de stijlvoetplaat aldus een maximaal draagvlak. Dit gecombineerd systeem, dat de constructieve binding tussen gevel en balklagen verhoogt, stamt vermoedelijk uit de 15de eeuw en wordt in de loop van de 16de eeuw verlaten. De overkraging van de verdieping wordt in de scheidsmuren ingeleid door middel van uitkragingen in witte zandsteen. Het originele metselwerk werd evenwel onoordeelkundig vernieuwd na 1918. Dank zij een perspec,,De Vijgenboom", auteur).

onderaanzicht

overkraging

bovengevel

(foto

39

M&L


tieftekening van E. Grabbe uit 1914 is de oorspronkelijke vorm van de linkse muuroversprong bekend. Beschouwt men de scheidsmuur in vooraanzicht, dan is deze opgesplitst in twee helften die elk op een verschillend peil uitkragen. De rechtse uitkraging volgt het tracé van de aangrenzende houten console en eindigt bovenaan in een neerhangende peerkraal. De linkse muurhelft is identiek en vormt een wang. Het is met name bij de creatie van dergelijk verzorgd metselwerk dat metselaars rechtstreeks in contact kwamen met de vormentaal van de houtbewerkers. De fel opengewerkte bovengevel is opgezet volgens het ontdubbelingsprincipe waarbij twee wandhelften, die aan weerszijden begrensd zijn door eindstijlen, zich in spiegelbeeld verhouden ten opzichte van een brede middenstijl. De doorgaande hoofdstijlen zijn met open penen gatverbindingen ingeplant op een eendelige stijlvoetplaat en torsen boven de zware dekbalk. De onderste wandzone is een beplankte borstwering, bedekt met twee plaathelften die zijlings in de hoofdstijlen vergaard zijn. Beide balkdelen hebben vanwege hun aanzienlijke lengte halverwege een bijkomende ondersteuning met een korte forse tussenstijl. De dekplaten, die nu vernieuwde lijsten hebben, hadden aanvankelijk volhouts bewerkte profielen die continu doorliepen tot tegen de scheidsmuren. Deze licht overspelende balkprofielen zijn tevens functioneel bedoeld. Ze moeten het borstweringsbeschot, dat onderin de balken in groeven wordt geschoven, een behoorlijke afdekking bieden tegen in-

yyDe Duivels", negroïde consolefiguur (meersman ?), (foto auteur)

,,De Vijgenboom", detailpuntgevel (foto auteur).

40

M&L

watering. Zeer kenmerkend voor de lokale houtbouw is de structurele ongebondenheid van de beplanking t.o.v. de verticalen. Tussen de zijmuren wordt een doorlopend plankenveld aangebracht dat de dragende midden- en eindstijlen volledig bedekt. De stijlen worden dus niet aangewend voor een zijlingse invoeging van de panelen, wat de architectonische autonomie van de borstwering benadrukt. In elke wandhelft is de beplanking vastgenageld op twee halfhoog zittende regels en twee schuine posten die de hoofdstijlen verbinden met de stijlvoetplaat. Deze schuine verbanden vervullen een subtiele hoekstabiliserende functie in het krachtenspel van het gevelgeraamte. Tijdens het opzetten van de houtconstructie vervulden ze eveneens een rol. Het bovenste wandgedeelte is geheel opengewerkt met twee stelsels van vijf gekoppelde kruisvensters die een ietwat gedrongener modulatie hebben als de ramen van de benedenverdieping. De onderste venstergeledingen waren tot 1918 gedicht met binnenluiken, die nadien werden vervangen door het huidige glas in lood. Luiken bezorgen houten gevels een eigen flexibiliteit en ze drukken een niet te onderschatten stempel op hun totale verschij ningsvorm. De indrukwekkende puntgevel kraagt op een gelijkaardige wijze over als de verdieping. Zoals in de bovengevel


wordt ook hier de onderste zone ingenomen door een volwaardige beplankte borstwering. Daarboven verheft zich de eigenlijke met windveren omgrensde geveldriehoek. De zolderwand is bezet met vijf reeksen staande planken die onder en boven gevat zijn tussen doorlopende geprofileerde wandregels. Ze scheppen een evenwichtige horizontaliteit, die overigens in heel de gevel de boventoon haalt. De twee zolderniveaus krijgen licht via (aanvankelijk beluikte) symmetrische lichtopeningen, waarvan de afmetingen van onder naar boven toe verhoudingsgewijs afnemen. Een fundamenteel bouwprincipe dat in Mechelen voor gelijk welke puntgevel geldt, is dat het eerste (voorste) dakgebinte van het huis tegelijk de basistructuur vormt waarbinnen en waarrond het stijlen regelwerk wordt gemaakt. Dit resulteert in een hechte binding tussen kap en gevel, een bouwwijze die wellicht zijn oorsprong vindt in de rurale houtbouw. In 'De Vijgenboom' zijn in het gevelgebinte liefst drie jukken gestapeld, waarvan de onderste twee met kromme poten. Een nokgording ontbreekt, een eigenschap die de meeste Mechelse gevels gemeen hebben. Het ontdubbelingsprincipe, dat ingezet werd in de bovengevel, houdt aan tot halverwege de vlieringzolder. Van een continu ontwikkelde en uitwendig zichtbare "dakzuil" is hier geen sprake meer. In de as van de middenpost van de verdieping zijn in de eerste twee jukken middenstijlen opgesteld van waaruit borstweringsplaten en wandregels vertrekken naar de jukpoten. De kromme stijlen van het basisjuk wentelen indirect hun druk af op de eindstijlen van de onderstaande bouwlaag. De twee enorme eendelige windplanken van de geveldriehoek beschrijven met hun uitsnijdingen samen een "laat-gotische" spitse driepas, een tracering typisch voor de Mechelse puntgevels die gebouwd werden vóór circa 1525. Het veld dat ze omschrijven staat autonoom ten opzichte van de horizontale plankenreeksen, een architectonisch beeld dat in het tweede kwart van de 16de eeuw zal verdwijnen. De licht vooruitgeschoven windveren transponeren in feite het principe van de overkraging op de dakschilden. De punt lost zich daardoor a.h.w. op in de omringende ruimte. De windplanken zijn hier vooral bedoeld om de onbeschermde plaatsen, waar het beschot de schuine daklijn volgt, te behoeden voor inwatering. Beide veren zijn met smeedijzeren nagels verankerd op de uitkragende koppen van de dakgordingen. Van de originele makelaar die "De Vijgenboom" bekroonde, zijn er jammer genoeg geen sporen meer.

De geveldecoratie (18) Het decoratieve manifesteert zich in de houten gevelbouw op verschillende vlakken. Kenschetsend is de wil tot functioneel-constructieve vormschoonheid. Het zuiver decoratieve en figuratieve snijwerk, dat niet door de timmerlui zelf werd uitgevoerd, beperkt zich in de laatgotische gevels van Mechelen tot de deurkalven en de hollijsten van de wandregels. De bewaarde rechter helft van het deurkalf van "De Vijgenboom" bevat een zeldzaam specimen profane beeldsnij kunst waarvan de hoogstaande stilistische kwaliteit kan wedijveren met de

.,De Vijgenboom" beschadigde knielende banderolfiguur van het deurkalf (tek. auteur).

sculptuur van de laat-gotische retabelindustrie. De basisvorm van het kalf is een gedrukte uitgeholde korfboog met maaswerk in de rechter hoek en een dubbelpandig wapenschild, dat verwijst naar de gegoede status van de oorspronkelijke bewoners. In het midden van het kalf is een zittende Heilige Maagd voorgesteld onder een gedrapeerd baldakijn dat opengetrokken wordt door een kleine engel met enorme vleugels. Rechts daarvan verschijnt een knielende banderoldrager die zijn tekstbanderol verloren is. Dit tafereeltje hoort thuis in de laatmiddeleeuwse Mariale volksdevotie. Een onderzoek naar de originele polychromie van dit snijwerk zal gebeu-

^isn ,De Vijgenboom", smidalaam (hamer, tang, aambeeld) in de vensterkalven van de verdieping (foto's auteur).

41

M&L


ren tijdens de restauratie. In de keellijst van de vensterkalflijst op de verdieping is afwisselend eikelover en gereedschap uitgestoken van eenzelfde sculpturale finesse. De tang, de hamer en het aambeeld zijn het alaam van een smid, maar het is nog niet met zekerheid bekend of hier aanvankelijk een smid was gevestigd. Te Mechelen ressorteerden de bloeiende klok-, kanon- en geelgieterijen onder het smedenambacht. Een soortgelijk bedrijf kan dus eventueel ook in verband gebracht worden met het alaam in de kalven. Signaleren we dat in de niet gerestaureerde uiteinden van de wandregels van de puntgevel, eveneens resten van snijwerk werden aangetroffen, wat laat vermoeden dat alle balklijsten van "De Vijgenboom" daar aanvankelijk mee opgesmukt waren. Tenslotte nog dit. Een wetenschappelijk te weinig onderzocht aspect van de historische houtarchitectuur is dat van het beschilderen, al dan niet decoratief. Zowel uit archivalia als uit de iconografie van Mechelen zijn er aanwijzingen dat houten gevels werden geschilderd bij wijze van noodzakelijke afwerking. In de middeleeuwse mentaliteit betekende schilderen het "dematerialiseren" van het ruwe materiaal, het vergeestelijken van het bouwen. Tijdens de geplande restauratie van de houten gevels te Mechelen zal men speciale aandacht moeten hebben voor dit aspect. Ons beeld over de architectonische zeggingskracht van de houten gevelbouw in de 16de eeuw, zal daardoor meer genuanceerd worden (19).

Het renaissancistische Duiveishuis : een exuberant kijkspel Het Duiveishuis, gelegen aan de Haverwerf 21, is één van die merkwaardige gebouwen die bijna iedere Mechelaar kent en waar hij zo zijn eigen verhaaltje rond weet te weven wanneer hem gevraagd wordt wat die bonte stoet houten consolebeelden te betekenen heeft. Hij zal u spreken van "düuveltjes", engelen of zelfs draken! Over de vroegste geschiedenis van het huis tasten we voorlopig nog in het duister bij gebrek aan gedegen archiefonderzoek. Informatie omtrent de bouw van de gevel of de eerste bewoners, ontbreekt vooralsnog. Het stadswijkboek van 1647 geeft als eigenaars de weduwe en kinderen David de Gorttere op (20). In 1662 wordt het pand geërfd door griffier Sanguessa en in 1692 door advocaat Rigaut. Wanneer het gebouw in 1833 te koop wordt aangeboden, prijst men de uitstekende graanzolders "waeruyt bij middel van buyzen de graenen direct in de schepen worden afgeladen" (21). In de loop van de 19de eeuw, als er een herberg in gevestigd wordt, komen de Haverwerf en de omgeving van het Kraanstraatje erg in trek als pittoresk hoekje voor tekenaars, schilders en graveurs uit binnen- en buitenland. De romantisch getinte etsen van Samuel Prout (1833), Lemaitre (1840) en

Zicht op het Duiveishuis en omgeving door W. Linnig Sr., 1833, (copyright. Kon. Bib. Brussel).

I tflB A w -V"

—(c

m

•r^

/,-ei Vice /g3i •-'

42

M&L

'..

•

i,-

.

/llSl/'l'>lt


Browit (1855) met de Duivelsgevel en de aanpalende oude huizen, werden gretig verspreid in populaire Engelse en Franse platenalbums. In eigen land is het oudst bekende gezicht met de gevel vanaf de verdieping, een suggestieve potloodschets van Willem Linnig Sr. (1833) uit de Koninklijke Bibliotheek (22). Op dat ogenblik was er reeds verval ingetreden in de geveldriehoek. Uiterst links merkt men de brede houten gevel van het dwarshuis "De Rozenhoed", een houtconstructie die in 1843 verdween (23).De lokale stadstekenaar, J. B. De Noter, liet twee aquarellen na van het huis : een globaal gezicht op de Haverwerf vanop de Kraanbrug (24) en een afzonderlijke opstand van de gevel in vooraanzicht (25). Deze laatste tekening stemt tot nadenken voor wat betreft de natuurgetrouwheid van De Noter. In detaillering wordt op bepaalde punten afgeweken van de realiteit, een aanwijzing dat De Noter zijn tekeningen concipieerde op basis van onnauwkeurige schetsen die hij in het atelier afwerkte. De massale afbraak van houten gevels die te Mechelen bleef aanhouden tijdens de eerste helft van de 19de eeuw, scheen in 1836 ook het Duivelshuis te zullen treffen. De toenmalige eigenaar Cergeys vroeg een officiële vergunning om de gevel neer te halen en te vervangen door een bepleisterde lijstgevel "dans Ie style moderne" (26). Stadsbouwmeester C.J. Scheppers stond de afbraak probleemloos toe. Waarom de sloop dan uiteindelijk toch geen doorgang gevonden heeft, is niet bekend.

De eigenaar, die nog verzet aantekende, kon uiteindelijk overgehaald worden en het is vooral dank zij raadslid Verhaegen dat het restauratieplan werd goedgekeurd eind 1866.De werken startten in 1867 en waren nagenoeg hetzelfde jaar voltooid. Deze ingreep mag beschouwd

Eerste Belgische huisgevelrestauratie (1867) In het voorjaar van 1866 werd opnieuw een verzoek tot sloop en nieuwe bouw ingediend bij de stadsoverheid, maar deze keer lokte de aanvraag evenwel een dicussie uit in de gemeenteraad (27). De stad opteerde van meet af aan voor het behoud en de restauratie van de houten gevel, gezien zijn uitzonderlijke architectuurhistorische waarde (28). De stadsarchitect raamde de kosten op niet minder dan 1500 frank. De pennestrijd die volgde tussen de stad, de eigenaar, de Commission Royale des Monuments en het Ministerie van Binnenlandse Zaken, karakteriseert schitterend de onzekerheid waarin onze prille nationale monumentenzorg verkeerde, om op passende wijze het behoud en de restauratie van niet-beschermde privé-gebouwen te regelen. Op gunstig advies van de Commission vroeg Mechelen restauratiesubsidie aan bij het bevoegde ministerie, doch het antwoord luidde lakoniek : "l'Etat ne peut, ni doit intervenir dans les frais de conservation ou de restauration des propriétés appartenant a des particuliers, même alors qu'elles sont remarquables sous Ie rapport historique ou au point de vue de Tart. Les constructions de l'espèce ont avant tout, un intérêt local...". Het probleem van het behoud van waardevolle niet-beschermde gebouwen, blijft overigens tot op vandaag doorwegen in de monumentenzorg. Men lost het niet volledig op door privé-panden op grote schaal op de monumentenlijst te plaatsen.Hoe dan ook, de Mechelse gemeenteraad zag zich gedwongen om de kosten gelijkmatig te delen met de onder druk gezette eigenaar.

„De Duivels", fotografische opname circa 1865, vóór de restauratie (fotoverz. J. Somers, Mechelen).

worden als de eerste gevelrestauratie in ons land die mede gefinancierd werd door een lokale overheid. De herstelling van 1867 is de enige belangrijke geweest die de houtconstructie tot op heden heeft ondergaan, behoudens het partieel vernieuwen van de benedenvensters kort na 1918, en het steken van nieuw raamschrijnwerk. De wijze van restaureren gebeurde in de zin zoals vermeld voor "De Vijgenboom". Aan het originele inwendige stijl- en regelwerk werd weinig geraakt, enkel de "huid" van de gevel werd materieel vernieuwd. Zo ook het houtwerk en de lijsten van beide erkers op de verdieping, het beschot en de lijsten waartussen het begrepen is, en de integrale beplanking samen met de eerste drie met snijwerk versierde lijsten van de puntgevel. Het deurkalf, de twaalf consolebeelden en de windplanken bleven onaangeroerd in 1867. Een unieke fotografische opname van het Duivelshuis van circa 1865 - een 43

M&L


Hf* tot

Jl^/tcb^ltAV.

i

CC

JlC(X.lA/lMl5.

v.

2

Ü _•

5<8»^C \^

M&L

'!

Ü_


tot voor kort onbekend document - vergemakkelijkt de authenticiteitskritiek van de bestaande gevel. Onder meer is gebleken dat sommige siermotieven met renaissance-inslag niet strikt werden gecopieerd naar de originele ornamenten, wat voor verwarring zorgt bij een stijlkritische analyse van de gevel. De aanzienlijke restauratiekosten die in 1866 werden geraamd op 1500 frank, zijn deels toe te schrijven aan het geduldige werk van de toenmalige restaurateurs-beeldsnijders. Voor die tijd was het ongetwijfeld een zorgvuldig uitgevoerde herstelling, gezien de toenmalige beperkte ervaring in het herstellen van houten monumenten. We treffen er het metier van de houtbewerkers die hun stempel hebben gedrukt op talloze eclectische woningen uit de tweede helft van de vorige eeuw. De geplande restauratie zou er met de huidige technologie in moeten kunnen slagen de 16de-eeuwse constructiewijzen, die in 1867 op een onlogische manier werden "gecopieerd", zo te herstellen dat ze weer ten volle hun functionele betekenis krijgen. We denken hier vooral aan het lijstwerk en het beschot. De definitieve restauratie van dit voor de Nederlanden unieke gebouw, zou het evenwicht tussen architectuur en constructie moeten herstellen, één van de meest essentiële eigenschappen van de historische houtbouw. De Duivelsgevel mag geenszins het resultaat worden van een theoretische en geestloze ingreep, zoals het de houten gevels van de Volmolen in Mechelen en de Stoelstraat in Antwerpen recent is vergaan. Het succes van de in 1867 herstelde gevel bleef niet uit. In 1874-'75 gaf Ed. Colinet in de bekende Verzameling der overblijfsels onzer nationele kunst een plan uit in vooraanzicht en in doorsnede (29), en in 1880 publiceerde J.J. Van Ysendyck in zijn Documents Classes de beste fotografische opname die ooit van het huis werd gemaakt (30). Dat "De Duivels" met zijn weelderige versiering de verbeelding van enkele eclectische architecten heeft geprikkeld is minder bekend. Vermoedelijk als gevolg van Colinets uitgave, ontwierp architect A. Menessier in 1875 het "Lucashuys" aan de Hertogstraat in Brussel (nu gesloopt) (31). Bepaalde architecturale en decoratieve onderdelen van de Duivelsgevel werden er fantasierijk in verwerkt. In "Oud-Antwerpen" van de wereldtentoonstelling van 1894 dook de gevel opnieuw op (32) en enkele jaren later verschenen ontleende ornamenten in de houten puntgevels van de Transvaalstraat te Berchem. In Brugge staat een vrije kopie (1890) van de gevel in het Astridpark en achter de hal aan de Oude Burg 7-9 pronken de saters uit Mechelen in de "middeleeuwse" houten puntgevels die daar in 1965 werden opgetrokken! De constructie van de gevel De woning behoort tot de groep diepe stadshuizen die qua afmetingen het meest verspreid waren in de 16de eeuw : een totale straatgevel van 22,5 voet breed op een kaveldiepte van 41 voet, bijna een verhouding 1:2. Vooraan is het gebouw niet onderkelderd, het heeft één bovenverdieping en een zolder mét vliering. De houtconstructie kraagt tweemaal over en is gevat tussen scheids-

AISON XVI

w...

Je b'i i< ttiK'elwrvel * quat atix Aptamet a iïatincs la maismt ad/mée e Jrvte • lePaiadii Wreiite - ru aitriti<i\ •' K wrtwH AV/io mam arckitttie mah'ian Wl MM.'. yfVfrWfUt df Plantin a AHvers

nu «

n M

Plaat nr. 14 uit J.J. Van Ysendyck, Documents classes de l'art dans les Pays-Bas, Antwerpen, 1880.

muren. De linker bakstenen zijmuur werd in 1867 volledig vernieuwd aan de straatkant. De rechter wand, die afgewerkt is met nog originele witte zandsteen, is tegelijk gemene muur met het buurhuis "Het Paradijs", dat enkele decennia eerder werd opgericht (1525). Karakteristiek is de in de hoogte uitgebouwde benedengevel met aan weerskanten van de hoge centrale deurpartij driedelige vensters met daarboven een uitkragende erker. Deze erkers die het woonconfort ten goede kwamen, verlichtten aanvankelijk een integrale insteekverdieping, ofwel correspondeerde elke uitbouw met een afzonderlijke hangkamer. In Mechelen worden deze insteken reeds vermeld in de stadsordonnantie van 1466 over de "ghemeynen mueren". Zo'n "uytgespannen veynster" moest minstens acht voet boven het maaiveld blijven. Het is vooral in Antwerpen dat erkers populair werden in de houten gevelbouw. De timmerlui van het Duivelshuis zijn voor de constructie van de benedengevel vertrokken van een compositieschema dat in Mechelen reeds bekend was in de vroege 16de eeuw : een centraal gesitueerde toegang met aan weerskanten een identiek aantal kruisramen. De bovenlichten van de traditionele kruisvensters werden hier echter ontwikkeld tot erkers, waarvan de grondvorm bestaat uit een holle uit45

M&L


„De Duivels", detailopname van de benedengevel circa 1918 (copyright A.C.L.).

,,Het Lucashuys" (1875) in de Hertogstraat te Brussel van arch. A Menessier (Uit L'Emulation, 1886, 30).

kragende beplanking, een opstaande wand met borstwering en raampjes, en aan weerskanten smalhouten wangen. Jammer genoeg rest vandaag niets meer van de originele constructiewijze van de uitbouwsels en evenmin zijn er nog aanwijzingen van de ophangsystemen van deze kasten. In 1957 werd enkel de gevel van het huis beschermd, zodat de inwendige modernisering van het gebouw (1963) vrij kon geschieden. Zoals in "De Vijgenboom" zijn de vitale, dragende staanders in de benedenwand ook hier de twee massieve deurposten en de twee eindstijlen die tegen de scheidsmuren aanleunen. De toegang, met zijn zeer hoog, tweeledig bovenlicht, heeft een ontwikkeld deurkalf met twee geledingen, allebei met snijwerk getooid. De foto van 1865 toont vermoedelijk nog de historische deurconstructie die in 1867 werd vervangen door een 'klassieke' tweevleugelige poort. Het was een typische asymmetrische constructie met rechts en boven vaststaande delen waarbinnen een kleinere eendelige panelenvleugel was opgehangen. Wellicht hoorde oorspronkelijk ook zo een 46

M&L

deurvulling in "De Vijgenboom". De erkers aan weerskanten van de deurtravee zijn met hun wangen door middel van opgelegde klampen opgehangen aan de deur- en eindstijlen. Wie goed kijkt, merkt dat de eindstijlen met hun bovendeel verdwijnen binnenin de erkers. Een onmiskenbare architectonische vondst. De hele compositie van de wand getuigt overigens van een subtiele proportie, die misschien ingegeven werd door de verhoudingsleer van de renaissance. Men lette op de berekende hoogte van het deurgat en de erkers enerzijds, en die van de vensters en het deurbovenlicht anderzijds. Voor de overstek van de verdiepingswand is het bekende stelsel met consoles aangewend, doch niet gecombineerd met overkragende kinderbalken. De zolderingsbalkjes werden hier volledig verkeept opgelegd op de achterkant van de dekbalk. De overkragende bovengevel is volgens hetzelfde ontdubbelingsprincipe opgezet als van in "De Vijgenboom". Een frappant verschil, dat eigen is aan de houten gevels van na circa 1525, zijn de slanke kruisvensters met hun dalend kalfpeil en hoge bovenlichten. Dit drukkere vensterritme is geheel in overeenstemming met de 'uitgerekte' benedenwand. De beplanking van de borstwering vertoont een eigenaardigheid die in Mechelen eerder ongebruikelijk is. Op het doorlopende plankenveld zijn in het verlengde van de vensterstijlen platte, op de hoeken hol geprofileerde, stijltjes opgespijkerd. Dit geritmeerde


binnen de zolderborstwering. Als doorbrekingen krijgen we een traditioneel tweelicht onder en een enkelvoudig vlieringraampje in de nok. Op de oude foto ziet men ze nog met hun inwendige beluiking. De fraai bewerkte windplanken beschrijven met hun uithollingen elk één accolade, waarvan de punt een uitstulpend bloemmotief is. In de puntgevel van Zoutwerf 7 toont de accolade nog haar gave grondvorm. De makelaar werd in 1867 volledig vernieuwd en kreeg een imposante fleuron, die vandaag verdwenen is. Het beeldsnijwerk

2 ^L

De Duivelsgevel wordt in de literatuur op basis van de ornamenten gewoonlijk gedateerd circa 1530-'35, het tijdvak waarin de lokale vroegrenaissance onder Margareta van Oostenrijk een bloeiende uitstraling kende in de architectuur van de Nederlanden. Uit recente detailstudies is evenwel gebleken dat enkele siervormen thuishoren in de groteskenstijl van de ontluikende nationale hoog-renaissance zoals die vooral in Antwerpen omstreeks 1540-1555 werd verspreid door de prentkunst van een C. Bos en een P. Coecke van Aalst. Ook de kostuumanalyse van het deurkalf verwijst naar 1540 en later. Een chronologie van deze houtconstructie circa 15451550 is daarom meer aannemelijk. Het huis werd dus kennelijk niet opgetrokken wanneer de burgerlijke stenen renaissancearchitectuur in Mechelen haar hoogtepunt kende. We staan evenmin voor een representant %.

3

5.

iti'

i

3

mii4'-.i>Al in'.f i'<>,'''t''Sh^i^\

4m

,,De Duivels", reconstitutie van het originele gevelgeraamte (tek. auteur, 1981).

o

beschot, dat ook voorkwam vóór 1867, is enkel decoratief bedoeld, want de stijltjes vervullen geen constructieve rol in het verband van de beplanking. Beschouwen we tenslotte de puntgevel. Het gevelgebint omvat hier maar twee gestapelde jukken, deze keer niet met de gebruikelijke krommers maar met schuine poten die aan de basis een geknikte verdikking hebben om uitwijken te verhinderen. Karakteristiek is de gedeeltelijke integratie van de door windplanken omgeven driehoek 47

M&L


,,De Duivels", detail consolefiguur op de verdieping (vrouw met hond), (foto auteur).

van een echte renaissancistische houtsnijtraditie in de lokale houtbouw zoals we die bv. kennen in leper of in Frans-Vlaanderen. Deze overdadige gevelsculptuur is een voor Mechelen merkwaardige 'outlaw'. De middelmatige kwaliteit van vooral de consolebeelden op de verdieping bewijst dat hier een tweederangsbeeldsnijder aan het werk is geweest. In de laat-gotische traditie van "De Vijgenboom" is in de hollijsten van de wandregels decoratief én figuratief snijwerk in hoogreliëf uitgestoken. In scherp contrast met de sobere en voorname sculptuur van rond 1500 gaat het ornament hier in een 'horror vacui' voortwoekeren; we treffen er een ware staalkaart aan van putti, vruchtenkorfjes, sappige snoeren, voluten, maskers, vogels, dolfijnen, saters enz. In het deurkalf met de parabel van de Verloren Zoon ligt de essentie van de symboliek van de gevel vervat : wie losbandig leeft staat geen hoop te wachten, hoezeer hij ook berouw toont. Dit tafereeltje is een soort zedenprent met de nadruk op de galante scene, losgerukt uit zijn testamentische context. De wuivende genii op de kandelaberzuiltjes van de deurposten hebben als bewakers van het huis kennelijk geen moeite met de zedenles. De drie prachtige, grijnzende saterfiguren in het deurbovenlicht monumentaliseren letterlijk en figuurlijk de idee van de duivel. Het zijn typische antropomorfe wezens met een naïef en minzaam karakter, waardoor ze het angstwekkende verliezen. De symbolische betekenis van de bonte 48

M&L

,,De Duivels", auteur).

detail consolefiguur op de verdieping (de zot ?), (foto

stoet alternerende mannen en vrouwen op de verdieping, blijft nog een raadsel. De identificatie van H. Coninckx (1923) als zouden ze deugden en ondeugden voorstellen, is achterhaald, want hun attributen en kledij passen niet in de gebruikelijke religieuze en profane iconografie van de renaissance. Wellicht heeft de beeldsnijder zijn modellen gezocht in de volkse verbeelding. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat stoeten en optochten die erg in trek waren in de late middeleeuwen, inspirerend hebben gewerkt. De twee zotten op het einde van de reeks, de exotische negroïde jongen, de vrouwen met kussens op het hoofd en de archaïserende kostumering, zijn allemaal facetten van een theatraal gebeuren. Ook de basisfiguren van de windplanken wijken enigzins af van de geëikte iconografie; rechts een sirene met als pendant niet de verwachte zeeridder, maar een sater met een vissestaart die uitloopt in een vervaarlijke angel. Kortom, de sculptuur van "De Duivels" is een verduiveld kijkspel waarin de spanning tussen goed en kwaad in de mens zich manifesteert in het hybridische en de metamorfose van het ornament. Voetnoten (1) Deze bijdrage is een aangepaste en gesynthetiseerde tekst van J. Grootaers, Houten gevels van laatmiddeleeuwse huizen te Mechelen. Bijdrage tot de studie van de Stedelijke burgerlijke houtbouw in Vlaanderen , 2 bdn, onuitgegeven lic. verhandeling K.U.Leuven, 1983.


,,De Duivels", fotogrammetrische opname van de puntgevel (1975), (copyright Vlaams Openluchtmuseum Bokrijk).

(2) E. Grabbe, Der Fïamische Holzbau, Berlijn, 1919. Dit proefschrift, verdedigd aan de Technischen Hochschule Carolo-Wilhelmina zu Braunschweig, is vergezeld van oorspronkelijke plans en detailtekeningen, waarvan enkele hier worden afgedrukt. Naast Mechelen besteedt de auteur ook aandacht aan houten gevels uit Antwerpen, Leuven, Hasselt, Gent, Brugge, leper en Frans-Vlaanderen. (3) Voor Antwerpen verwijzen we naar M. Laenen, Middeleeuwse houten gevels te Antwerpen, in Volkskunde 82, 1981, p. 269-385. Voor leper naar H.J. Constandt, leperse middeleeuwse kuizen met houten gevel, (Verhand. van de Koninklijke Academie voor wetenschappen, letteren en schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, 43, 44), Brussel, 1981. (4) Voor de detailstudie van beide gebouwen, zie J. Grootaers, Houten Gevels, bd. 1, p. 98-192. (5) R. Meischke, Huizen en Keuren, in Rotterdam papers II. A contribution to medieval archeology, Rotterdam, 1975, p. 112. (6) Hiertoe behoren volgende gevels : 1) 'De Vijgenboom', Katelijnestraat 23 (1500-10) 2) 'De Prins van Parma', Katelijnestraat 115 (2de kw. 16de eeuw) 3) Standonckstraat 13 (Ie kw. 16de eeuw) 4) 'De Waag', Zoutwerf 7 (±1540) 5) 'De Steur', Zoutwerf 8 (±1540) 6) 'De Duivels', Haverwerf 21 (1545-50). De houten gevel van de 'De Pekton', Van Beethovenstraal 1, rekenen we niet tot de oorspronkelijke in situ bewaarde frontgevelbouw. Het is een moderne en historisch weinig verantwoorde kopie (1953) van het voormalige huis Stoofstraat 2-4 (hoek Steenstraat), dat in september 1914 grotendeels werd verwoest. Het werd volgens de (bewaarde) plans van architect A. Minner aldaar heropgericht in 1917 en kort vóór de Tweede Wereldoorlog weer afgebroken toen de brouwerij Lamot ging uitbreiden. (7) Deze kernachtige benaming werd ingevoerd door de Nederlandse architectuurhistoricus C.L. Temminck Groll. Hiermee wordt bedoeld dat drie huiswanden gemetseld zijn en één van hout is. (8) Hiertoe behoren volgende gevels : 1) Voorgebouw van 'De Korenbloem', Katelijnestraat 20 (midden 16de eeuw) 2) Voorgebouw Hanswijckstraat 52 (eind 16de eeuw) 3) Goudbloemstraat 19 (eind 16de eeuw). (9) Stadsarchief Mechelen = S.A.M., Magistrale ordonnanties, S V dl. F, fol. 144 : 'dat men nu voordaene nyet en sal vermogen te maecken binnen deser stede eenige houten oft leemen ghevels noch oock die ghene als nu syn te vermaken oft repareren noch oock die selve vermaken met olie oft verwe te bestryken..' (10) S.A.M., Magistrale ordonnanties, S V dl. F, fol. 130. (11) S.A.M., Magistrale ordonnanties, S V dl. H, fol. 138v0-139 :"..selfs niet te maecken eenige metselrijen tusschen de steylen ofte houten van de ghevels.". (12) S.A.M., Magistrale resoluties, S I, dl. 12, fol. 50. (13) S.A.M., zonder inv. nr. : Visitatie van de haute gevels gedaen door de stadsmeesters den 9. april 1737. Over een houtconstructie in de Lange Schipstraat rapporteert men het volgende : "den gevel van heerfgename haerenaet laccoo is bevonde van haen de tweede den overspronck ende plaet daer den gevel van den

halven steen opgemest staet isser een groodt stuck van de miedel venster huijt gerot soo dat den muer die daer op staet in groodt perrijckel is van te valle naer de straet en groots hongelucken af kan kome enden mensse konne doodt blijven..." (14) S.A.M., Modem Archief, doos 409, los stuk. (15) Het huis met houten gevel "De Prins van Parma" Katelijnestraat 115 behoort tot hetzelfde type. (16) S.A.M., Wijkboeken, S I, dl. G, fol. 70. (17) Wekelijks bericht voor de stad en de provincie van Mechelen, 1774, p. 87. (18) Zie J. Grootaers, Houten gevels, bd. 1, p. 132-138. (19) In de recente studieuitgave van het Keldermansgenootschap Mechelen (H. Sermeus en F. Janssen, De houten huizen van Mechelen, 1981) wordt speciaal de nadruk gelegd op de kleureigenschappen van de houtbouw, vanuit een archetypische en gestaltpsychologische visie. Deze publikatie is tegelijk te hanteren als bondige gids voor het houten gevelpatrimonium te Mechelen. (20) S.A.M., Wijkboeken, S I, dl. G, fol. 153. (21) Wekelijks bericht..... 1833, nr. 44, p. 1. (22) Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Prentenkabinet, S V 20076. (23) S.A.M., Bouwaanvragen (Kelderdepot), 1843, nr. 34. (24) S.A.M., Iconografie, Verzameling Schoeffer, nr. 435. (25) S.A.M., Iconografie, Verzameling Schoeffer, nr. 437. (26) S.A.M., Bouwaanvragen, 1836, nr. 1. (27) Bulletin communal de Malines, Mechelen, 1866, p. 141-142. (28) Bulletin communal de Malines, Mechelen, 1866, p. 141 : "Le pignon du batiment présente, au dire des connaisseurs, un type tres remarquable d'architecture civile du moyen-age; les statuettes en bois au dessus de la porte d'entrée et celles qui soutiennent l'encorbellement du second étage ont, sous le rapport de l'art et de l'originalité, une valeur inappreciable. Comme l'autorité supérieur attache de l'importance au maintien de ces antiques constructions, et que nous désirerions également conserver ce curieux specimen de notre ancienne architecture domestique, nous serions disposes a faire un sacrifice pour que la facade dont il s'agit puisse être restaurée au lieu d'etre démolie". (29) Ed. Colinet, Recueil des restes de notre art national. Verzameling der overblijfsels onzer nationale kunst der Xlste tot der XVIIde eeuw, jg. 2, Brussel, 187475, pi. 67 en 68. (30) J.J. Van Ysendyck, Documents classes de l'art dans les Pays-Bas du Xième au XVIIIième siècle, Antwerpen, november 1880, pi. 14. (31) Voor een afbeelding zie L'Emulation, 11, 1886, pi. 30. (32) Zie M. Rooses en F. Vankuyck, Oud Antwerpen. Le Vieil Anvers, Brussel, 1894. Met dank aan het Vlaams Openluchtmuseum Bokrijk dat ons bereidwillig het copyright toestond voor het plan van het Duivelshuis, en aan Dhr. M. Laenen, Conservator, die ons introduceerde in de studie van de houtbouw.

49

M&L


JCgllse d'AUcen. Jr* cjtt

««

r€Si*Lir*.iiaix.

<

ftattmuxUltCimmiuknRmii iet KeiummU, 1* &jfcS*> /f/frémmfttm rf maiuméa dfQt notn rapport iu^J^L^^^ ^SS'f/f*/: USlcrlUm, Urrétidai,

l

M&L


Verdwenen muurschilderingen in de St.-Aldegondiskerk te Alken. A. Bergmans

"En tout cas on ne saurait les laisser disparaitre sans les signaler comme un nouveau document apporté d l'histoire de la polychromie au moyen-dge..." P. Daniels, 28 oktober 1900 (1).

Niettegenstaande deze wens van P. Daniels verdwenen de in 1900 ontdekte muurschilderingen van de St.-Aldegondiskerk te Alken zonder dat er veel aandacht aan besteed werd. Dit is geen alleenstaand geval. Talrijke schilderingen op muren, gewelven, zuilen en andere architecturale elementen van onze middeleeuwse kerkinterieurs, ondergingen hetzelfde lot. De huidige, doorgaans kale aanblik van onze kerkinterieurs laat nauwelijks vermoeden dat zij eertijds vaak versierd waren met decoratieve en/of figuratieve voorstellingen. Dit was nochtans een zeer gebruikelijke werkwijze. Hoewel er nog weinig muurschilderingen zichtbaar aanwezig zijn op hun oorspronkelijke plaats, lichten diverse bronnen ons in over hun bestaan in vroegere tijden. Vele van deze schilderingen die in de loop der tijden overkalkt of overpleisterd waren, werden herontdekt tijdens de eerste grote restauratiecampagnes in de tweede helft van de 19de eeuw en rond de eeuwwisseling. De onderzoeksmethoden en conserveringstechnieken waren op dat ogenblik echter nog zo weinig gevorderd dat meerdere ensembles toen, juist ingevolge hun ontdekking, verloren gingen. Waar bijgevolg de originele kunstwerken veelal verdwenen zijn, moeten we noodzakelijk een beroep doen op andere bronnen om de geschiedenis van de muurschilderkunst in onze gewesten te leren kennen. Dat hierbij het archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen belangrijke aanduidingen en gegevens kan verschaffen, blijkt uit deze korte bijdrage over de verdwenen muurschilderingen in de St.Aldegondiskerk te Alken (2). Op verzoek van de Gouverneur van Limburg reisde de archeoloog P. Daniels, briefwisselend lid van de Commission royale des Monuments, in oktober 1900 naar de St.-Aldegondiskerk te Alken (3). Op dat ogenblik waren ingrijpende restauratiewerken in uitvoering o.l.v. architect E. Serrure uit St.-Truiden. Hierbij onderging het inwendige van het kerkgebouw een ware gedaanteverwisseling. Zo werden de koorvensters - op advies van de Hiernaast: afb. 1 : Alken, Sint-Aldegondiskerk, archief K.C.M.L.).

vermelde Commissie - opnieuw geopend, waarvoor het hoofdaltaar, encombrant et sans valeur, moest verdwijnen (4). Aan de noordzijde van het koor werd een kapel gebouwd. Het gewelf van het koor werd bijna volledig vernieuwd, en de vloer in Maaslandse kalksteen werd vervangen door een kleurige ceramiek. Het oude meubilair moest plaatsmaken voor een neogotisch ensemble. Bij de verplaatsing van een altaar in het zuidertransept kwamen daar muurschilderingen te voorschijn. Het was de taak van P. Daniels hierover verslag uit te brengen bij de Gouverneur. In zijn brief van 28 oktober 1900 licht hij de ontdekking uitvoerig toe. Omdat de beschrijving van de schilderingen nooit uitgebreid gepubliceerd werd, geven wij het verslag aan de Gouverneur in bijlage. Nauwkeurig beschrijft Daniels hoe een beschilderde oppervlakte van 2,50 m hoog en 2,90 m breed, met daaronder nog een kleiner paneel van 1 m hoog en 0,90 m breed, getuigden dat hier eertijds een monumentaal iconografisch programma was uitgewerkt, met als onderwerp de zeven werken van barmhartigheid en het laatste Oordeel. Dat de gevonden resten deel hadden uitgemaakt van een groter geheel, zag hij duidelijk aan een personage rechts, waarvan de helft verdwenen was, en aan een gedeeltelijk opschrift dat hij moeiteloos kon vervolledigen : dit syn die seven ...werken van barmhartigheid. Het bovenste en grootste paneel was onderverdeeld in twee zones. De onderste - en tevens de best bewaarde - zone bevatte drie taferelen, van elkaar gescheiden door dubbele balusterzuiltjes met gele mouluren, basissen en kapitelen. Telkens vóór een klein gebouwtje met driehoekige puntgevel speelden zich drie scènes af, met als hoofdfiguur een voornaam, rijk personage. Hij is gekleed in een kort, bruinrood kleed dat in de lende is ingesnoerd en met een beurs aan de ceintuur. Hij draagt brede, zwarte schoenen. Op het eerste tafereel geeft deze man een voorwerp - dat Daniels niet kon identificeren - aan een ander persoon. In de tweede scène schenkt hij een bruinrood kleed zoals het zijne aan twee schamel geklede mensen met nimbus, waarvan één

plattegrond. E. Serrure, 1898. Ontwerp voor de uitbreiding en de restauratie van het kerkgebouw (Brussel,

51

M&L


een bedevaartstaf en kalebas draagt. Op de derde voorstelling ontvangt hij die twee personages; de eerste is thans in het gekregen kleed gehuld. De reeds vermelde inscriptie onderaan, vanaf de tweede scène (dit syn die seven...) laat geen twijfel over de iconografie der zeven werken van barmhartigheid. De ontdekte scènes stelden wellicht voor : het spijzen van de hongerigen, het kleden van de naakten, en het herbergen van de vreemdelingen. Daniels' beschrijving van de zone boven de zeven werken, waarin engelen, duivels, verdoemden en gelukzaligen voorkomen, wijst duidelijk op een laatste Oordeel. De combinatie van beide iconografische thema's komt frequent voor sedert de 12de eeuw (5) en is ontleend aan de H. Schrift : Mattheus 25, 31-46, verhaalt hoe de Mensenzoon zal oordelen op grond van de uitgevoerde werken van barmhartigheid : "Wat gij voor de minste der mijnen gedaan hebt, dat hebt ge voor mij gedaan". Bekende voorbeelden van bij ons zijn het retabel van het laatste Oordeel (Antwerpen, ca. 1500) en het drieluik van Barend van Orley (ca. 1519) met hetzelfde onderwerp in het Koninklijk museum voor schone kunsten te Antwerpen (6). De kostuumhistorische details - de brede zwarte schoenen, koemuilen genaamd, en het ingesnoerde kleed - alsook de beschrijving van de dubbele balusterzuiltjes, situeren de muurschilderingen van Alken in de eerste helft van de 16de eeuw (7).

afb. 3 : Alken, Sint-Aldegondiskerk, de neogotische schilderingen van ca. 1920 in het zuidertransept, (foto van 1945, copyright A.C.L.).

52

M&L

Om de beschrijving van Daniels te vervolledigen dient nog het kleine paneel vermeld van 1 m hoog bij 0,90 m breed, dat zich bevond onder de zeven werken. De voorstelling was gevat tussen twee zwarte zuiltjes met gele basis en kapiteel. Er was een vrouw zichtbaar in een wit kleed, geknield voor een persoon in een rood kleed. De details van deze laatste (baard, blote voeten en nimbus) schenen er op te wijzen dat Christus hier was afgebeeld. P. Daniels drong er bij de Gouverneur op aan dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten zou worden ingelicht om een beslissing te treffen over de eventuele bewaring, het nemen van een kalk, of het uitvoeren van restauratiewerken. In ieder geval - zo schreef hij - mocht men ze niet laten verdwijnen zonder ze te signaleren als een nieuw document voor de geschiedenis van de polychromie in de middeleeuwse kerken. Namens de Commissie deden de heren Helbig en Blomme een onderzoek op 10 januari 1901. Zij waren vergezeld van de briefwisselende leden Jaminé en Serrure. Hun beoordeling van de schilderingen was negatief : "lis n'ont aucune importance au point de vue de l'art; d'autre part leur état de deterioration est tres avance. Dans un rapport du 28 octobre 1900, M. l'abbé Daniels les a décrit dans la mesure du possible, sans toutefois pouvoir determiner exactement les sujets représentés. Il semble qu'il n'y ait d'autre partie a prendre que de conserver les vestiges tels qu'ils sont" (7). Wellicht vertoonden de schilderingen volgens hun esthetische normen een "hybried laatgotisch karakter", en was dit de reden waarom ze onbelangrijk genoemd werden. Drie maanden later (20 april 1901), keurde de Koninklijke Commissie de ontwerpen goed voor verschillende meubels waaronder de nieuwe altaren (8). Op het ontwerp voor het zuidelijk zijaltaar (Pierre Peeters, Antwerpen, 28 oktober 1900), dat bewaard wordt in het archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, vonden wij een - zij het onnauwkeurige - schets terug van de toen pas ontdekte schilderingen (afb. 2). Het betreft hier duidelijk geen kopie, maar een tekening, vertaald en vervolledigd in neogotische stijl. Overeenstemmend met de beschrijving van Daniels zijn de balusterzuiltjes en het gebouwtje met driehoekig fronton, dat telkens op de achtergrond staat. De vondst van de muurschilderingen werd bekendgemaakt in L'ancien comté de Looz (9) maar er werd weinig méér aandacht aan besteed. Op 31 maart 1920 gaf de Commissie een gunstig advies voor een volledig nieuwe picturale decoratie (10). De kerk werd toen neogotisch uitgemonsterd, deels met taferelen op doek gemaroufleerd. Dit gold o.m. de voorstellingen met het Leven van de H. Aldegondis in de zuidelijke dwarsbeuk, op de plaats van de vroegere zeven werken van barmhartigheid (afb. 3). Die taferelen herinnerden qua indeling - diverse scènes tussen zuiltjes - nog aan de 16de-eeuwse schilderingen. Later verdween deze decoratie op haar beurt onder monochroom grijze verflagen. Een recent onderzoek door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium bracht in het zuidertransept resten van de neogotische stoffering uit 1920 aan het licht.


-*it-

i 'M v, ,•< •'51-':f*'-M

"E^^ r\a

m

MM J .v

H

»

e» i ^ e » #e la Cemm . .• M Koy*k re

Aw**^^

^fs

, '

sfS*

afb. 2 : Alken, Sint-Aldegondiskerk, ontwerp voor het zuidelijk zijaltaar, P. Peeters, 1900. Op de achtergrond een schets van de toen pas ontdekte muurschilderingen (Brussel, archief K.C.M.L.). 53

M&L


Sonderingen naar de hierboven besproken 16de-eeuwse schilderingen, waren negatief. Steekproeven uitgevoerd in het noordertransept, konden echter bevestigen dat ook de oostmuur daar een oude beschildering heeft gehad (11). Het onderzoek zal worden verdergezet tijdens de in het vooruitzicht gestelde restauratiewerken aan het kerkgebouw. De besproken schilderingen in de St.-Aldegondiskerk van Alken, zijn slechts één voorbeeld uit een lange reeks van verdwenen muurschilderingen. Ontpleisteringen, onkundig uitgevoerde restauraties, gebrek aan kennis, aan technische middelen, of aan interesse, waren en zijn nog steeds verantwoordelijk voor de systematische verdwijning van deze belangrijke relicten van ons patrimonium. Naast het streven naar wetenschappelijk verantwoorde restauraties van wat ons nog rest, is het materieel en historisch onderzoek naar verdwenen of nog niet ontdekte schilderingen een dwingende noodzaak geworden.

Voetnoten (1) Slotzin van het verslag van P. Daniels aan de Gouverneur van Limburg. Brussel, Archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (K.C.M.L.), dossier 6024, document 28. bijlage. (2) Het belang van dit archief als bron van documentatie voor de geschiedenis van de muurschilderkunst, hebben wij - voor wat de provincie Limburg betreft toegelicht op de Informatiedag Muurschilderingen in het Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst te Sint-Truiden op 5 oktober jl. Naast de in dit artikel aan bod komende muurschilderingen van Alken, werden ter illustratie de kerken van Loksbergen (Halen), Berg (Tongeren), Eksel (Hechtel-Eksel), Sluizen (Tongeren) en Neeroeteren (Maaseik) besproken. Wij komen hierop later terug. (3) De Commission royale des Monuments, opgericht bij K.B. van 7 januari 1835 werd in 1860 uitgebreid met briefwisselende leden in elke provincie. Uit praktisch oogpunt - omdat hun verplaatsingen sneller konden gebeuren - waren zij vaak veel directer bij de zaak betrokken, vooral als het om vondsten ging. (4) Brussel, Archief K.C.ML., dossier 6024, document 14. Verslag van een plaatsbezoek op vraag van de kerkfabriek van Alken, met het oog op de uitbreiding van de kerk en haar rangschikking in klasse 2 in plaats van klasse 3. Afgevaardigd werden de heren leden Helleputte, Helbig, Bordiau en Van Wint. (5) E. Kirschbaum ( e d ) , Lexikon der Christlichen Ikonographie, 1, Rome-Wenen, 1968, p. 245-251. (6) Beide kunstwerken zijn afkomstig van de Aalmoezeniers der Antwerpse Armenkamer gesticht in 1458. Voor uitgebreide documentatie hieromtrent danken wij Drs. P. Vandenbroeck. Het verband tussen de armenzorg en de zeven werken van barmhartigheid ligt voor de hand. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom de H.-Geesttafel van de Leuvense St.-Pieterskerk in 1414 een polyptiek liet schilderen waarop de zeven werken van barmhartigheid, de zeven sacramenten en de H. Drievuldigheid waren afgebeeld. E. Van Even, L'ancienne école de peinture de Louvain, Leuven, 1870, p. 439-440. De combinatie van het laatste Oordeel met de zeven werken van barmhartigheid kwam vermoedelijk voor op verdwenen muurschilderingen uit de eerste helft van de 15de eeuw in de St.-Martinuskerk te Berg (Tongeren). Revue de Van chrétien, 1887, p. 397. Mededeling van Mevr. M.A. Buyle, waarvoor dank. Als burgerlijk voorbeeld citeren we de recent ontdekte gewelfschilderingen (ca. 1600?) van het Arenbergkasteel te Heverlee (Leuven). (7) Brussel, Archief K.C.M. L., dossier 6024, document 29. (8) Deze ontwerpen worden bewaard in het vooralsnog niet geïnventariseerde plannenarchief van de K.C.M.L. (9) Landen pays de Looz, jg. 4, 1900, p. 83-84. (10) Brussel. Archief K.C.M.L., dossier 6024, document 57. (11) Onderzoek uitgevoerd door Mevr. I. Hennebert op 10.5.1983.

54

M&L

Bijlage Brief van P.Daniels, brie fwisse lend lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten, aan de Gouverneur van Limburg. Daniels brengt verslag uit over de ontdekte muurschilderingen in de St.-Aldegondiskerk te Alken. Zolder, 28 oktober 1900. Monsieur Ie Gouverneur, Conformément a votre dépêche du 16 octobre dernier, je me suis rendu a Alken a Teffet d'examiner les peintures murales découvertes dans le transept meridional de Teglise paroissiale. Cast en dépla^ant un haul rotable moderne que Ton s'est trouvé devant une surface peinte de 2,50 de haut sur 2,90 de large, et en dessous de celle-ci, d'un petit panneau de 1,00 de haut sur 0,90 de large. Incontestablement le grand panneau ne constitue qu'une partie de la polychromie primitive : d'abord, a la droite inférieure un personnage n'apparait qu'a demi; ensuite, un fragment d'inscription dont nous parlerons plus loin démontre que d'autres scènes devaient completer Ie sujet. Malheureusement lorsqu'on a place le rétable aujourd'hui enlevé et avant d'appliquer les couches de badigeon, on a couvert le mur d'une couche de mortier tellement épaissc qu'il sera, je le crains a raison, impossible de découvrir Ie reste des peintures primitives. Le grand panneau est partagé en deux zones; la zone inférieure est la mieux conservée; celle-ci est divisée en trois compartiments, de 1,30 de haut sur 0,95 de large, par des balustres a double renflement blanc couvert de résille noire; les renflements sont séparés par des moulures jaunes; les bases et les moulures formant les chapiteaux sont jaunes également. Chaque compartiment renferme une scène dans taquelle on voit. place devant un édicule a pignon triangulaire terminé par un fleuron, un personnage, seigneur ou riche bourgeois, en robe courte rouge brun serrée a la taille au moyen d'une ceinture a laquelle pend une aumónière; il est chaussé des souliers a gros bouts de la fin du xve siècle, de couleur noire. Dans la lère scène ce personnage tend un objet que je n'ai pu suffisamment determiner a un autre personnage qui n'apparait qu'en partie. Dans la 2e scène, deux personnages sommairemenl vêtucs, nimbés, le second tenant un bourdon de pélerin et portant la gourde, s'avancent vers le personnage devant Tedicule; celui-ci tend au permier des deux susdits une robe rouge brun pareille a celle qu'il porte lui-même. Dans la 3e scène, I'homme devant Tédicule acceuille les deux personnages de la seconde scène; le premier est vêtu de la robe re^ue. Un reste d'inscription commen^ant sous la seconde scène ne peut laisser aucun doute sur les sujets représentés. On lit encore ... dit sijn die seven ... fragment a completer par : wereken van bermherticheyt; et nous nous trouvons devant une suite prise dans une representation des oeuvres de miséricorde. La zone supérieure est plus difficile a déchiffrer et sa signification plus difficile a determiner. On y voit un ange vêtu de la robe blanche, brandissant de la droite une croix noire a tres longue tige, dans la direction d'un demon jaune a tête de griffon rouge-bronze, qui s'en va vers la gauche brouettant un personnage rougebronze semblant faire un geste de désespoir; devant la roue de la brouette on voit un second personnage rouge-brun - un second damné? - rampant vers la gauche; sous la longue tige de la croix, un troisième personnage rouge-bronze s'élance dans la direction de I'ange vers une femme nue protegee par le corps de I'ange; cette femme est tournee vers la droite. Un examen plus minutieux, que je n'ai pu faire faute d'échelle suffisante, permettra de voir si d'autres personnages occupent cette droite. S'agit-il dans cette scène, occupant toute la largeur du panneau et mesurant environ 0,90 de haut, d'une femme, d'une ame protegee contre les malins esprits? Est-ce un fragment se rapportant a une representation du jugement dernier? Je ne saurais le dire. La scène unique du panneau inférieur mesurant 1,00 de haut sur 0,90 de large, est bordée de deux colonettes noires a base et a chapiteau jaunes. On y voit une femme en robe blanche agenouillée devant un personnage a robe rouge-sombre laissant passer le bas de la jambe; les pieds nus. la barbe, semblent indiquer le Christ, mais le nimbe est trop peu distinct pour pouvoir assurer la presence de la croix. Ces peintures présentent assez d'intérêt. Monsieur le Gouverneur, pour que vous appeliez sur elles I'attention de la Commission Royale des Monuments; ce college jugera s'il y a lieu de les conserver, d'en prendre un caique, ou de faire effectuer des travaux de restauration; en tout cas on ne saurait les laisser disparaitre sans les signaler comme un nouveau document apporté a l'histoire de la polychromie des églises au moyen-age, même a sa dernière période. Agréez. je vous prie. Monsieur le Gouverneur, l'expression de mes sentiments re speet ueux. Brussel, Archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dossier 6024, document 28 bijlage.


Summary The Story of Mechelen Mechelen owes its historical importance and development to its favourable situation onto the river Dijle. For as such the town was indeed predestined to develop into a trade centre. The river running from the east to the south, intersects the present town in two parts that - most probably - originated independently from one another, but gradually grew into one unit. On the right bank, in the north, there is the lower town, generated on alluvial deposits and transversed by many brooks. On the more elevated left bank, in the south, lies the upper town, where the first town centre, dating back to the Roman era, is to be located. The economic welfare of the 13th-14th century was inevitably accompanied with the development of urban infrastructure and of architecture, the latter reflecting a continuous process from Gothic times till contemporary building. Mechelen became a fortified town with concentric street-pattern and the „Market" as its nucleus. The chapels in the new parishes, originated in the 2nd half of the 13th and the beginning of the 14th century, were all replaced by Gothic churches in the course of the 14th and 15th century, among which Saint Rombout's was most notorious and important to the further evolution and emanation of Brabant's Gothic church building. Public buildings came about on and around the „Market" : the new „Cloth-hall" was built in 1311-1326, the „Councillor's House" in 1374 and the town-hall „Beyaert" in 1383. In spite of the economic decline during the 15th-16th century, Mechelen gained political and cultural importance, as the capital of the Netherlands. Out of this period dates the Keldermans family of architects, being active for almost two centuries. In the 16th century the court of Margaret of Austria gathered humanists and progressive architects; her own residence introduced forms of Renaissance architecture in the Netherlands. Renaissance had become the new leading style of polite architecture, although the Gothic tradition was not yet forsworn, and elements of both styles were often found combined. Wood, thé building material for vernacular houses until those days, was gradually superseded by brick and stone, but the reciprocal influence would still last for a long time. The religious recovery after the troubles of the 2nd half of the 16th and the beginning of the 17th century, entailed architectural consequences ; new congregations were founded, old monasteries were adapted and used again, and new churches, displaying Gothic and Baroque characteristics, were built. The 18th-century fluctuations in the European architectural styles influenced the Mechelen building activities, although local characteristics would always be present. Classical Baroque dates from 1700-1740; top gables became bottle-neck or bell gables; brick and sandstone were used separately; the plastered cornice gables gained ground... The exuberant Rococo broke through only in 1750, whereas Classicism was announced in the last quarter of the same century. The architectural activity was stimulated by local authorities on the occasion of the 1000 year-jubilee in honour of Saint Rombout in 1775. The French annexation (1794-1814) brought religious architecture into trouble : the buildings, having lost their initial destination, either acquired a new private or public function or were demolished. The interplay of several factors in the 19th century, entailed the adaptation of the infrastructure. The dismantlement of Mechelen together with the lay-out of the first railroad on the continent Brussels-Mechelen (1835), prepared the way to suburbanization, the Station's Quarter being the first southern extension. Industrialization was directly stimulated by the further elaboration of the railwaysystem. The almost doubled population density induced additional housing : in the town centre, rowhouses and working-class houses appeared on the few open spaces left; older houses were mostly rebuilt and heightened, what often involved the disappearance of the top gables. These phenomena contributed to the harmonious and homogeneous aspect of the white 19th-century town. On the other hand the centre became more and more subdivided into either administrative, trade or residential quarters, the latter according to social structures. The buildings raised out of economic, social or cultural purpose reflect extremely well the then diversity of architectural styles and the value of neostyles and Eclecticism, involving new materials like cast-iron and glass. The overarching of the brooks out of sanitary reasons was one of the inducements to the widening of old streets and the construction of new ones. They became occupied by new houses reflecting again the tendency towards building units. The private architecture of the 20th century stuck to the traditional single house type or the more elaborate town-houses with cornice gable, but brought about changes especially to the ornamentation according to the styles used : Art Nouveau, Eclecticism, Gothic Revival, Neo-Flemish Renaissance... got through simultaneously. The interest for national and historical buildings in those days found expression in the numerous restorations of important monuments since 1840. In the interwar period residential and working-class quarters generated at the outskirts of the town, whereas the first flats were built in the centre, referring to the more functionalist tendency. The reconstruction program after the first world war included slum-clearance for the purpose of which small construction plans were drawn. One had to cope besides with more serious housing problems as the years went by, considering the ever increasing administrative, commercial and cultural imperatives. The most

endamaged IJzerenleen - a main street near the Market - was reconstructed according to interpretations of traditional and regional architecture. After the 2nd world war, Mechelen gained regional importance with the rising of commercial, educational and cultural functions, and the simultaneous decrease of housing in the centre. The general lay-out was maintamed and the urban renewal was rather limited and spread. The new attitude towards the centre and its architectural heritage has recently been translated in the foundation of several organizations and in the increasing number of listed buildings, conservation areas and renovation areas for social housing. One might express the hope that the favourable climate of the last years with respect to the problems of the historic centre be the instigation to continuing the dynamic process in the years to come. The „Vijgenboom" (Figtree) and the „Duivels" (Devils). Two Fine Specimen of the Unique Late-Medieval Timber-Construction Heritage in Mechelen. The evolution from wood to stone building in Mechelen was, like in most other towns, accelerated by the promulgation of fire-preventive measures, dating from 1268-78 and 1344-48. It was not before the 15th-16th century however that the process knew a real breakthrough. The 1627 ordinance was nevertheless the first to effectively forbid any new timber construction with wattle and daub infills and the repair of old ones. The latter was the most radical, as timber constructions were already out of use by then. In spite of these measures, timber houses were still omnipresent in the 18th century. But as they were considered then to disfigure the outlook of the town, many of them were demolished „because of their ruinous condition". Rewards were even offered for each substitution of a wooden by a stone house. As such it is not surprising that Mechelen counted no more than 20 wooden houses in 1865; the 10 that are left at present, owe their preservation mainly to their northeast orientation, protected against the rough weather-conditions from the west. Two of them deserve a further discussion, the more as their restorationprocess has recently been started. The „Vijgenboom" (1500-1510), the oldest wooden front preserved in Mechelen, combines the essential characteristics of the vernacular construction techniques. It consists now of an impressive front part with double oversailing - here in the first place intended to protect the lower part against the weather-conditions, a „fire-proof" brick side, and a lower annex at the rear. Former restorations have altered the fenestration but were confined to the walling. The initial front composition could as such fairly easily be reconstructed out of the remnants. The combination of the timber framing and the walling ranges the „Vijgenboom" among the wood constructions with „supporting and screening constituents", displaying an equilibrium between the architectonic and the constructive aspect. As to the construction and the early history of the „Duivelshuis" (1545-1550), no concrete data are known up to now. This Renaissance building has twice been threatened by demolition, respectively in the first half of the 19th century and in 1866. One opted finally for its restoration, that found place in 1867. Only the walling of the house has been treated again. The „Duivelshuis" belongs to the „deep housetype" (ridge perpendicular to the street) and combines the characteristic elements like the overhang, the top gable, cross windows and the skeleton structure. The front composition is most likely to have been inspired by the Renaissance proportion theory. The house is notorious besides for its carving, that is rather exceptional for Mechelen because of its excessiveness : whereas the „Vijgenboom" displays rather bare decorative and figurative carving in high relief, the ornamentation of the „Duivelshuis" festers in a horror vacui. The carving as a whole offers a „devilish" show-piece reflecting the tension between good and evil. The restoration-works on these remarkable timber-houses are due to start in the near future. The „Vijgenboom" and the „Duivelshuis" shall thus be secured as unimpeachable evidences of an undeniable phase in the historical architectural evolution that is yet doomed ever to pass into oblivion. Vanished Mural Paintings in Saint Aldegondis' Church in Aiken The present bare outlook of most medieval churches bear no longer reference to the former presence of mural paintings, a phenomenon that used to be very common. Many of the paintings, being plastered in the course of years, were discovered again during the large restoration campaign in the 2nd half of the 19th and at the turn of the century; but the then inadequate research and conservation techniques were often fatal to the new founds. A similar story applies to the church in Aiken (province of Limburg) : a comprehensive restoration in 1900 revealed remnants of mural paintings that must have occupied - according to the account of P. Daniels to the governor - two surfaces of respectively 2,50 m high by 2,90 m wide, and 1 m high by 0,90 m wide. It further appears from the account that, judging form the details, the Seven Works of Mercy and the Day of Judgement can be derived out of the traces, quite a current combination since the 12th century. The paintings have been situated in the 16th century, based on clothes and attributes. In spite of the hard endeavours of Daniels to preserve these mural paintings - as a unique document contributing to the history of medieval polychrome decoration they have disappeared. An entirely new pictural decoration, put over the 16thcentury paintings in 1920, has vanished by now as well. The research planned during the restoration (that is soon to be expected) should yield more conclusive data as to the medieval paintings in this church.

55

M&L


Gelegen op het kruispunt van de Europese Kunst en Geschiedenis, bezitten België, Nederland en Luxemburg indrukwekkende kastelen en historische monumenten in privé-bezit, die voor de meeste mensen onbekend zijn.

ONTDEK ZE DOOR ONZE BEMIDDELING EN DRAAG ZO BU TOT HUN BEHOUD. - Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België - Nederlandse Kastelenstichting - „Icomos" Luxemburg Secretariaat van het tijdschrift : Mevrouw Bouvy Coupery de Saint-Georges Kasteel Ayeneux, 4622 Ayeneux (tel. 041/58.35.98).

De eerste tien lezers, die met zekerheid deze twee foto's identificeren, zullen een gratis abonnement ontvangen voor het jaar 1984. Antwoorden te versturen naar het secretariaat van het tijdschrift : Kasteel van en te 4622 Ayeneux (zie hierboven). Hier uitknippen en opsturen naar het secretariaat van het tijdschrift (zie hierboven). ,,De Woonstede door de eeuwen heen" stelt voor : oudheidkundige, historische en letterkundige bijdragen; juridische, fiscale en bibliografische kronieken; verslagen van de activiteiten van andere verenigingen, enz. 90 blz., illustraties in kleur en zwart-wit, talrijke auteurs. Naam: Adres: Ik schrijf in voor D Abonnement 1984 (4 nrs.) 750 frs. : D Abonnement 1983 en 1984 (8 nrs.) 1300 fr. : totaal : Het gewenste bedrag stort ik op bankrekening 310-0007827-56 of 550-323001-88 van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België Datum ; Handtekening :

56


j i i l i i i l i i i : : Spectron herstelt, onderhoudt • B ^ en injekteert alle soorten bouwwerken. Spectron N.V. Injekteerbedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02

S o l a ?

POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURA

Afd. Restauratietechnieken f=^ Kleine Breedstraat 51 P 2700 SINTNIKLAAS 03/776.91.62-777.62.23

vol

9 e n s g r e e d s in meer dan duizend kerken, kastelen,raadhuizen,paleizen en woonhuizen toegepaste renofors - bèta - systeem (Belgisch Octrooi nr 793.103)

Cd -.'" i -

h

Officieel licentiehouder Renotors Betasysteem

OOk Sterk in: gevelreiniging-steenverharding-vochtwering-drooglegging van muren met capillair stijgend vocht-dichtingswerken-betonrestauratie-houtbehandeling-brandremming

k'

£E£^

Pi

-J ^

f

3ratis advies & bestek

•4.iE.mm/

Voor net reinigen en onoerhouden van gevels, terassen, daken, zwembaden, enz., alsook het zandstralen van betonresten, roest, oude verf, enz. • koud- warmwater en of stoom tot 150° • reinigingseffect van 1,9 tot 26,4 kW • regelbaar waterdebiet van 900 I. tot 7.000 I. per uur • vaste en mobiele reinigingsinstallaties • regelbare werkdruk van 20 tot 180 atm. • beantwoorden volledig aan de veiligheidsvoorschriften van het arbeidsreglement. VRAAG GRATIS DEMONSTRATIE J. ZAMAN pvba - Industriepark E3 9100 Lokeren - Tel. 091/48 48 53 • Telex 126.54 M. KATHAGEN - Limburg - Tel. 011/46 37 94 J. AMELOOT - W.-Vlaanderen - Tel. 057/40 00 96

hogedrukreinigers


OUDE KERK DOOR EN DOOR GESCHEURD. SCHADE GENOEG OM HET GEHELE KUNSTWERK VOLLEDIG TE SLOPEN EN TERUG OP TE BOUWEN.

foto: O.L. V. Kathedraal van Antwerpen

Slopen hoeft niet: N.V. E.C.C, restaureert oude metselwerken, houten balken, natuursteen, beton, enz... Lost extreme problemen probleemloos op. En brengt tevens het herstelde op zijn oorspronkelijke sterkte terug. Zonder hak- en breekwerk. Snel en zeker.

NEEM LIEVER DE TELEFOON EN BEL N.V. E.C.C. 03-828.94.95 (5 L.) N.V. E.C.C. Terbekehofdreef 50-52 - 2610 Wilrijk Tel. 03/828.94.95 (5 I.) - Telex 73332 ECC


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook