L E F A T S D U O H N I
4. Broedvogels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . KOEN DEVOS & ANNY ANSELIN - Soortenaantal en veranderingen in status - Vlaanderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Soortenaantal en veranderingen in status – Ecoregio’s . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Voorbeeldsoort uit moerasgebieden: Woudaapje (Ixobrychus minutus) . . . . . . . . - Voorbeeldsoort uit droge gronden:Tapuit (Oenanthe oenanthe) . . . . . . . . . . . . . - Voorbeeldsoort uit natte, extensief bewerkte en/of verruigde landschappen: Paapje (Saxicola rubetra) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Voorbeeldsoort uit al dan niet kleinschalige landbouwgebieden met lineaire landschapselementen en/of specifieke, traditionele teeltwijzen: Grauwe Klauwier (Lanius collurio). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - Wettelijke soortbescherming en internationaal belang . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
48 48 50 50 50 50
51 51
4. Broedvogels agrarische landschap (bv. Patrijs,Veldleeuwerik, Grauwe Gors) onvoldoende gedocumenteerd.Wegens het grotendeels ontbreken van specifieke monitoringgegevens kan hier in dit natuurrapport niet dieper worden op ingaan, en wordt slechts een kort overzicht van de Rode-Lijstsoorten gegeven.
4. Broedvogels KOEN DEVOS & ANNY ANSELIN
Recente informatie over broedvogels in Vlaanderen is vrij schaars. De laatste algemene inventarisatie van broedvogels in Vlaanderen dateert al van in de jaren '70 (DEVILLERS et al. 1988). Een groot aantal initiatieven op lokale, regionale of provinciale schaal leverden daarna wel heel wat aanvullende inventarisatiegegevens op, maar een globaal overzicht van de Vlaamse broedvogelpopulaties ontbrak voor bijna alle soorten. In deze situatie kwam slechts verandering in 1993 toen door het Instituut voor Natuurbehoud en de Vlaamse Avifauna Commissie vzw een monitoring-project werd opgestart voor zeldzame soorten, koloniebroeders en exoten: het project "Bijzondere Broedvogels Vlaanderen".Van deze soorten zijn gedetailleerde gegevens beschikbaar over aantallen en verspreiding in de periode 1994-1996 (DEVOS & ANSELIN 1996; ANSELIN et al. 1998). Deze gegevens vormden ook de belangrijkste basis voor het opstellen van een Rode Lijst van de broedvogels in Vlaanderen (DEVOS & ANSELIN in voorbereiding). Er zijn helaas nog steeds zeer weinig gestandardiseerde gegevens beschikbaar over meer algemene broedvogelsoorten.Toch doen zich ook in deze groep van vogels belangrijke veranderingen voor die relevant zijn voor het Vlaamse natuurbeleid. Zo is de afname van typische soorten van het
Soortenaantal en veranderingen in status - Vlaanderen In de loop van deze eeuw zijn in Vlaanderen 163 vogelsoorten regelmatig (in minstens tien jaren) tot broeden gekomen. Niet-inheemse soorten worden hierbij buiten beschouwing gelaten. In Tabel 4.1 en Figuur 4.1 wordt de verdeling van deze soorten over de verschillende Rode-LijstcategorieĂŤn en over de verschillende ecoregio's weergegeven. Het aantal soorten in de categorie Achteruitgaand moet als een strikt minimum worden beschouwd.Van heel wat soorten in de categorie Momenteel niet bedreigd is immers onvoldoende informatie voorhanden om de aantalstrend te kunnen bepalen. In Vlaanderen zijn in de loop van deze eeuw vier inheemse broedvogels uitgestorven, iets meer dan een kwart van de soorten is in mindere of meerdere mate bedreigd, 10 % is zeldzaam en iets meer dan de helft van de soorten is momenteel niet bedreigd (DEVOS & ANSELIN in voorbereiding). Vier soorten komen niet jaarlijks meer tot broeden.
Tabel 4.1: Aantal soorten broedvogels per Rode-Lijstcategorie in Vlaanderen en in de vijf ecoregio's. Vlaanderen
Duinen
Polders
Zandleem
Leemstreek
Kempen
Uitgestorven Met uitsterven bedreigd Bedreigd Kwetsbaar Zeldzaam Onvoldoende gekend Achteruitgaand Momenteel niet bedreigd
4 19 9 16 17 3 11 84
1 9 5 11 7 -
2 9 8 15 10 -
1 6 8 13 6 -
1 2 6 9 3 -
4 16 8 15 8 -
Aantal Rode-Lijstsoorten Totaal aantal soorten
48 163
26 -
34 -
28 -
18 -
43 -
Instituut voor Natuurbehoud 48
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
4. Broedvogels
9%
2% 12%
6% Uitgestorven Met uitsterven bedreigd 10%
Bedreigd Kwetsbaar
51%
Zeldzaam Momenteel niet bedreigd 10%
Overige categorieĂŤn
Figuur 4.1: Procentuele verdeling van het aantal soorten broedvogels over de verschillende Rode-LijstcategorieĂŤn in Vlaanderen.
160 140 120 100 80 60 40 20 0 <1960 1973-1977
1983
1987
1994
1996
Figuur 4.2: Aantal broedparen van het Woudaapje in Vlaanderen in de tweede helft van de 20ste eeuw.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
49
4. Broedvogels
Soortenaantal en veranderingen in status - Ecoregio's
Voorbeeldsoort uit moerasgebieden: Woudaapje (Ixobrychus minutus)
De gegevens van het project 'Bijzondere Broedvogels Vlaanderen' laten momenteel nog geen gedetailleerde bespreking toe van de verschillende ecoregio's en de belangrijkste gebieden. Dit wordt voorzien in een latere fase.
Met het Woudaapje gaat het al geruime tijd slecht. In Figuur 4.2 is in grote lijnen de aantalsevolutie in de tweede helft van deze eeuw weergegeven. Tot de jaren '60 nestelden ongeveer 150 paar in Vlaanderen. Vanaf dan deed zich een gestage afname voor. Midden de jaren '70 ging het nog om hooguit een 60-tal koppels (DRAULANS 1988). De soort hield het langst stand in Midden-Limburg waar in 1983 maximum 15 paar overbleven. In 1987 bleven daar slechts enkele paren van over (GABRIËLS et al. 1994). In de jaren '90 is er in Vlaanderen nog nauwelijks sprake van vaste broedgebieden en lijkt de soort niet meer te kunnen ontsnappen aan de status van 'onregelmatige broedvogel'. In 1992 werd nog een geslaagd broedgeval genoteerd in het Molsbroek te Lokeren. Momenteel broeden er minder dan 5 paar Woudaapje in Vlaanderen. Dat de soort in enkele Limburgse gebieden de laatste drie jaar een territorium heeft (en/of broedt) is alvast hoopgevend, maar kan een tijdelijke situatie zijn.
Alhoewel er van een groot aantal broedvogelsoorten geen kwantitatieve gegevens over trends voorhanden zijn, kunnen van enkele soorten die vallen onder het project Bijzondere Broedvogels Vlaanderen toch algemene uitspraken worden gedaan over de evolutie van hun toestand gedurende de laatste decaden.Vergelijkingen van de huidige populatieaantallen met aantalsschattingen (soms vrij grof) en/of extrapolaties van broedaantallen voor Vlaanderen uit het verleden, tonen aan dat het voor heel wat soorten zeker niet zo positief is gesteld. Eén van de opvallendste vaststellingen is de dramatische achteruitgang van veel rieten moerasvogels, waarbij kwantitatief kan worden aangetonen dat o.a. soorten als Roerdomp, Woudaapje, Snor en Grote Karekiet zeer sterk in aantal zijn gedaald. Ook is er zeker een achteruitgang bij bv. Rietzanger en Rietgors, maar hierover is geen gedetailleerd cijfermateriaal beschikbaar. De afname van deze soortengroep is grotendeels het gevolg van aantasting of verdwijnen van tal van moerasbiotopen, gedeeltelijk misschien ook van een verslechterde situatie in de overwinteringsgebieden. Voor soorten van drogere gebieden zoals o.a. Tapuit, Korhoen en Kuifleeuwerik (en voor o.a. Boomleeuwerik, Nachtzwaluw, Boompieper en Roodborsttapuit) is de situatie ook verre van rooskleurig. De Duinpieper is zelfs sinds 1987 als broedvogel volledige uit Vlaanderen verdwenen. Voor Tapuit, Boomleeuwerik en Kuifleeuwerik zijn niet alleen de populaties sterk gedaald maar is ook het broedareaal sterk ingekrompen.Vooral aan de kust hebben deze soorten sterk te lijden onder de toenemende recreatiedruk. Vogelsoorten die in sterke mate gebonden zijn aan agrarische landschappen, hebben het eveneens moeilijk om zich te handhaven. Sterk afgenomen soorten van natte, extensief bewerkte of verruigde landschappen zijn ondermeer Kwartelkoning, Watersnip en Paapje, Zomertaling . Ook van veel soorten van eventueel kleinschalige landbouwgebieden met lineaire landschapselementen en/of specifieke, traditionele teeltwijzen kan kwantitatief worden aangetoond dat ze sterk bedreigd zijn, zoals Grauwe Klauwier, Klapekster en Ortolaan. Uit diverse gegevens blijkt dat soorten als Veldleeuwerik, Patrijs, Ringmus, Grauwe Gors en Geelgors (alhoewel beiden plaatselijk soms nog in relatief hoge dichtheden voorkomen), de laatste twintig jaar in Vlaanderen een sterke afname kennen en een sterke areaalsinkrimping hebben ondergaan. In hetgeen volgt, wordt in detail de aantalsevolutie van enkele typische vertegenwoordigers uit verschillende habitattypes gegeven.
Voorbeeldsoort uit droge gronden: Tapuit (Oenanthe oenanthe) Dankzij eerder gepubliceerde gegevens is de sterke achteruitgang van de Tapuit in Vlaanderen vrij goed gedocumenteerd (Figuur 4.3). Rond het midden van de jaren '70 leverde het inventarisatiewerk ten behoeve van de Belgische broedvogelatlas minstens een 230-tal paren op voor Vlaanderen (DEVILLERS & ROGGEMAN 1988).Voor de periode 1980-1982 komen MAES et al. (1985) nog tot een cijfer van ongeveer 170 broedparen. In de daaropvolgende jaren heeft de afname zich in versneld tempo voortgezet, en vanaf 1985 komen schattingen niet meer boven de 50 paar (ANSELIN & DEVOS 1992). Momenteel wordt de populatie op 30-35 broedparen, geconcentreerd in de kustduinen en enkele zandige terreinen in Limburg.
Voorbeeldsoort uit natte, extensief bewerkte en/of verruigde landschappen: Paapje (Saxicola rubetra) De resultaten voor 1994 bevestigen dat het Paapje één van de meest bedreigde broedvogels is in Vlaanderen. LIPPENS & WILLE (1972) geven ongeveer 300 paar op, wat zou betekenen dat de soort sinds de jaren '60 en '70 een dramatische achteruitgang van minstens 90 % kende. Schattingen voor 1985-1988 en 1989-1991 leverden resp. 20 en 9-17 paar op (VAN VESSEM & MEIRE 1990; ANSELIN & DEVOS 1992). Momenteel lijkt het er op dat het Paapje de laatste tien jaar voorlopig stand houdt met 20-25 paartjes, met sterke concentraties o.a. in de IJzerbroeken.
Instituut voor Natuurbehoud 50
Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
4. Broedvogels Het Paapje vertoont in alle West-Europese landen een negatieve tendens (TUCKER & HEATH 1994). Deze broedvogel van kruidenrijke hooilanden heeft sterk te leiden onder de veranderingen in de landbouw, vooral de intensivering van graslandgebruik. Onder meer het vroegtijdig inkuilen van de grasoogst is rampzalig voor deze vrij late broeder. Het wordt dringend tijd enkele geschikte hooilandgebieden tijdens de broedperiode veilig te stellen, wil men deze soort als broedvogel behouden.
Voorbeeldsoort uit al dan niet kleinschalige landbouwgebieden met lineaire landschapselementen en/of specifieke, traditionele teeltwijzen: Grauwe Klauwier (Lanius collurio). Tijdens de laatste 25 jaar is de populatie in Vlaanderen met minstens 90 % afgenomen. Rond 1970 schatten LIPPENS & WILLE (1972) het aantal broedende Grauwe Klauwieren nog op ongeveer 340 paar. Globaal gezien gaat de soort in het grootste deel van Europa behoorlijk achteruit, waarbij ook het broedareaal is ingekrompen (vooral in het noordwesten) (VANDEKERKHOVE 1993). Na het gunstige jaar 1989 (14-15 broedparen) deed de Limburgse populatie het opnieuw minder goed. Tijdens de periode 1990-1994 bedroeg het aantal territoria steeds minder dan 10, waarvan maximal 6 tot 7 'echte' broedparen (GABRIËLS et al. 1994).Verontrustend is bovendien dat het aantal lokaties waar de soort tot broeden komt, verder afneemt. In 1994 bleef de soort beperkt tot één gebied,
daar waar GABRIËLS et al. (1994) voor Limburg nog drie broedgebieden vermelden. Broedgevallen zoals recent vastgesteld in de Zwinbosjes bewijzen dat de soort occassioneel nog tot broeden kan komen buiten de traditionele Limburgse gebieden, maar of dit een verdere afname van het Vlaamse broedbestand kan verhinderen, is zeer twijfelachtig. Momenteel zijn er in Vlaanderen niet meer dan 10 broedparen, allen in Limburg.
Wettelijke soortbescherming en internationaal belang In bijlage 2 wordt voor alle Rode-Lijstsoorten aangeduid tot welke Rode-Lijstcategorie op Vlaams niveau ze behoren (DEVOS & ANSELIN in voorbereiding). Vervolgens wordt vermeld of de soorten eventueel zijn opgenomen in Bijlage I van de EU-Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand), tot welke 'bedreigingscategorie' ze op Europees vlak behoren volgens de normen gebruikt door BirdLife International (TUCKER & HEATH 1994). In de laatste kolom wordt een nauwkeurige populatieschatting gegeven uit 1996 (recentste volledige dataset voor Vlaanderen) volgens ANSELIN et al. (1998a) en voor Boerenzwaluw en Huiszwaluw volgens WINDIG & FLORUS (1997). Voor de soorten waar dergelijke schatting niet voorhanden is, staat een zeer ruwe aantalsschatting gebaseerd op ANSELIN & DEVOS (1992) en VLAVICO (1989). Alle in het wild levende vogels zijn wettelijk beschermd in Vlaanderen.
AANTAL BROEDPAREN
250 200 150 100
50 0 <1960
1973-1977
1983
1987
1994
PERIODE Figuur 4.3. Aantal broedparen van de Tapuit in Vlaanderen in de tweede helft van de 20ste eeuw.
Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid
51