Skip to main content

dossier 2020-210.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/210

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/210

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 7 juli 2020 diende xxx een verzoek in bij de Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn (verder vermeld als: De Lijn), waarbij werd verzocht om een afschrift te verlenen van de verslagen van de vergaderingen van de Raad van Bestuur bij De Lijn in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 (uitsluitend de verslagen, zonder de bijlagen). De Lijn heeft nagelaten om binnen de decretaal voorgeschreven termijn een beslissing te treffen. Op 10 augustus 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing vanwege De Lijn. Dit beroep werd geregistreerd op 11 augustus 2020. Op 4 september 2020 werd, in toepassing van artikel II.50, ยง1, tweede lid van het Bestuursdecreet, de beroepstermijn van dertig kalenderdagen verlengd tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 7 juli 2020. Op de datum van het ingestelde beroep, was de in artikel II.43, ยง 1, 2e lid van het Bestuursdecreet bepaalde beslissingstermijn van 20 kalenderdagen verstreken. In overeenstemming met artikel II.48, ยง1 van het Bestuursdecreet heeft de termijn om een beroep in te stellen, ingevolge het uitblijven van een tijdige beslissing, geen aanvang genomen. Het beroepschrift van 10 augustus 2020 werd tijdig ingediend en is bijgevolg ontvankelijk.

www.vlaanderen.be


Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Inhoud van het beroepschrift

Verzoeker geeft aan dat hij nooit een antwoord heeft gekregen op zijn openbaarheidsverzoek d.d. 7 juli 2020 aan De Lijn en dat hij daarom beroep instelt. 2. Toelichting door De Lijn De beroepsinstantie nam contact op met De Lijn, om hun standpunt kenbaar te maken ten aanzien van dit openbaarheidsverzoek. Bij mail van 3 september 2020 en 15 september 2020 werd de noodzakelijke informatie bezorgd door De Lijn aan de beroepsinstantie.

3. Beoordeling door de beroepsinstantie De beroepsinstantie werd in kennis gesteld van het feit dat vanuit De Lijn aan verzoeker alsnog op 15 september 2020 de gevraagde verslagen van de Raad van Bestuur uit de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 werden toegestuurd, met weglating van een aantal gegevens, in toepassing van de artikelen II.34, 3° (geheim van de beraadslaging van de Raad van Bestuur van De Lijn) en II.35, 1° (bescherming van het economisch, commercieel en financieel belang van De Lijn) van het Bestuursdecreet. Het gaat hierbij om de verslagen van de Raad van Bestuur van De Lijn d.d. 18 maart 2020, 29 april 2020 en 20 mei 2020. De beroepsinstantie heeft een afschrift ontvangen van de mail d.d. 15 september 2020 waarmee de voormelde documenten werden bezorgd aan verzoeker. De beroepsinstantie stelt dan ook vast dat het ingestelde beroep, wat betreft de op 15 september 2020 openbaar gemaakt verslagen van de Raad van Bestuur van De Lijn, als zonder voorwerp moet worden beschouwd. De beroepsinstantie kon daarbij vaststellen dat het overgrote deel van de verslagen van de Raad van Bestuur werd toegestuurd aan verzoeker, waarbij hier en daar bepaalde informatie onleesbaar werd gemaakt in toepassing van de uitzonderingsgronden zoals voorzien in artikel II.34, 3° (geheim van de beraadslaging van de organen van De Lijn) en II.35, 1° (economisch, financieel en commercieel belang van De Lijn) van het Bestuursdecreet. Dit gebeurde conform de zienswijze van de beroepsinstantie, zoals eerder ingenomen in de beslissingen OVB/2019/8 en OVB/2019/45 (gelijkaardige dossiers waarbij verslagen van de Raad van Bestuur bij De Lijn en LijnCom werden opgevraagd). De beroepsinstantie werd in kennis gesteld van de volledige verslagen van de drie voormelde vergaderingen van de Raad van Bestuur bij De Lijn. De beroepsinstantie sluit zich aan bij de gedeeltelijke openbaarmaking van de verslagen van de Raad van Bestuur van De Lijn, zoals dit op 15 september 2020 is gebeurd. De beperkte informatie die in de drie verslagen onleesbaar werd gemaakt door De Lijn, werd terecht

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/210

pagina 2 van 4


uitgesloten van openbaarmaking, met verwijzing naar de toepassing van de twee voormelde uitzonderingsgronden : De beroepsinstantie stelt vast dat doorheen de drie verzonden verslagen van de Raden van Bestuur van De Lijn, bij veel agendapunten de interne beraadslaging rond dat item wordt weergegeven. Om te vermijden dat makkelijk kan worden achterhaald wie welk concreet standpunt heeft ingenomen binnen de Raad van Bestuur van De Lijn (de naam van de betrokkene wordt immers vermeld of de functie van de bestuurder wordt vermeld: voorzitter, ondervoorzitter, gedelegeerd bestuurder, directeur, secretaris … en dit bij elk agendapunt in de verslagen), is de beroepsinstantie van oordeel dat in casu terecht die gegevens overal onleesbaar werden gemaakt in de verslagen van de Raad van Bestuur van De Lijn. Daarvoor wordt verwezen naar de toepassing van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet, volgens welke bepaling een aanvraag tot openbaarmaking (gedeeltelijk) moet afgewezen worden als die openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen van de organen van de overheidsinstanties die zijn genoemd in artikel II.28, §1 van het Bestuursdecreet. De voormelde uitzonderingsgrond heeft tot doel te vermijden dat een bepaalde discussie zou worden lamgelegd en in de memorie van toelichting bij dat decreetartikel is gestipuleerd dat een document of een deel ervan aan de openbaarheid moet onttrokken worden wanneer, na afweging blijkt dat de lectuur ervan de inhoud van de discussie tijdens een beraadslaging kenbaar maakt, terwijl het een vertrouwelijke discussie betrof. De bepaling van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet moet strikt worden geïnterpreteerd. Deze uitzondering werd dus in het leven geroepen om de eigenlijke beraadslaging zelf geheim te houden, zodat er niet mag achterhaald kunnen worden, via de openbaarmaking van een document, wie nu precies welk standpunt heeft ingenomen bij de bespreking van een agendapunt binnen een orgaan van een bestuursinstantie. De beroepsinstantie is van oordeel dat in casu deze uitzonderingsgrond van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet dan ook van toepassing is, daar de bijeenkomsten van de Raad van Bestuur van De Lijn in besloten vergadering plaatsvinden en de Raad van Bestuur één van de officiële organen van De Lijn is, dat zelf ontegensprekelijk een overheidsinstantie is in de zin van het Bestuursdecreet. Daarom bevestigt de beroepsinstantie het standpunt van de Lijn dat in de verschillende notulen bij elke bespreking van een agendapunt, de concrete aanduiding van de bestuurder (voorzitter, ondervoorzitter, gedelegeerd bestuurder, directeur, secretaris …) onleesbaar moet worden gemaakt, zodat niet kan achterhaald worden welk bepaald standpunt die betrokken bestuurder heeft ingenomen, dit alles in toepassing van artikel II.34, 3° van het Bestuursdecreet. De vermelding “een bestuurder” kon gerust wel zichtbaar blijven, doordat hiermee niet kan worden achterhaald om welk bestuurslid het in concreto gaat. De beroepsinstantie stelt daarnaast ook vast dat in de drie voormelde verslagen van de Raad van Bestuur van De Lijn op enkele plaatsen specifieke gevoelige financiële of commerciële informatie onleesbaar werd gemaakt. De beroepsinstantie is van oordeel dat in casu eveneens terecht die gegevens onleesbaar werden gemaakt in de diverse verslagen. Daarvoor wordt verwezen naar de toepassing van artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet, volgens welke bepaling een overheidsinstantie een verzoek om openbaarmaking dient af te wijzen als ze van oordeel is dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een economisch, financieel of commercieel belang van de desbetreffende instantie. De beroepsinstantie kon zelf vaststellen dat de hier en daar weggelaten informatie betrekking heeft op financieel gevoelige informatie binnen De Lijn, onder meer de aanwending van mediabestedingen, boekhoudkundige omzetcijfers binnen De Lijn, uitgekeerde vergoedingen op basis van de financiële jaarresultaten, uitgekeerde bonusvergoedingen en onkostenvergoedingen, concrete looncijfers van personeelsleden van De Lijn, resultaten van Auditrapporten … De beroepsinstantie is van oordeel dat het

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/210

pagina 3 van 4


hier gaat om bedrijfsgevoelige commerciële en financiële informatie van De Lijn, die dient afgeschermd te worden. De beroepsinstantie is in casu van oordeel dat de belangenafweging waartoe artikel II.35, 1° van het Bestuursdecreet, zoals elke relatieve uitzonderingsgrond, verplicht, niet tot een oordeel in het voordeel van de beroeper leidt. De weigering van het openbaar maken van die hiervoor vermelde financiële en commerciële gegevens van De Lijn is ingegeven door de vrijwaring van het eigen financieel, commercieel en economisch belang van De Lijn, dat het belang van het integraal openbaar maken van de opgevraagde notulen van de vergaderingen van de Raad van Bestuur binnen De Lijn in casu overstijgt. De beroepsinstantie moet dan ook vaststellen dat het ingestelde beroep als ongegrond moet worden beschouwd, wat betreft de op 15 september 2020 onleesbaar gemaakte informatie in de drie verslagen van de Raad van Bestuur van De Lijn. Na beraadslaging,

BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 10 augustus 2020 tegen de ontstentenis van beslissing vanwege De Lijn wordt als ontvankelijk en deels zonder voorwerp, deels ongegrond beschouwd. Brussel, 22 september 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/210

pagina 4 van 4


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
dossier 2020-210.pdf by Vlaanderen-be - Issuu