Skip to main content

M&L_32_2.pdf

Page 1

^-réy ' •

:

' "

•iëèrmi

:

'

1


f-r&\

I •

• •

HHHBnH^B^^B

•^fóh

Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk

Z&?^5^\

EJ^ Arte Constructo Molc

+32(0)3 880 73 73 ^627 Schc

info@arteconstructo.be


Mil

M.L

EN, L A N D S C H A P P E N EN A R C H E O L O G I E

Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid, Onroerend Erfgoed ISSN 0770-4948

Jaargang 32 nr. 2 M A A R T - A P R I L 2013

Inhoud

De portiek van het Rubenshuis vóór de Eerste Wereldoorlog { © KIK Brussel)

MrzHter is Bouve dredactie irjan Buyle en er Van den Hove 'n redactie irjan Buyle dy De Craef rman Van den Bossche ter Van den Hove dactie na Bergmans Braeken irc De Borgher ton Ervynck i Gyselinck, theline Metdepenninghen 5ter Nuytten ui Van den Bremt tarten Van Dijck omas Van Dnessche ristine Vanthillo je Verdurme m Verhofstadt ida Wylleman sleden gard Goedleven arcel M. Celis De Schepper Hedwig Van den Bossche Suzanne Van Aerschot

,et tijdschrift M&L 15 opgenomen in bet Vlaams Academisch Bibliografisch stand voor de Sociale en Humane Genschappen en gevalideerd als tijdirift met peer review. 1

verantwoordelijkheid voor de publiceerde artikels berust uitluitend bij de auteurs. Alle rechten ^oor het reproduceren, vertalen of verwerken ziin voorbehouden.

Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 40 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. I B A N B E 4 8 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten &. Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel

De dries van Sinaai. Een plein met erfgoedwaarde Regi De Meirsman en Geert Van der Linden

* Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar. wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

12

44

"Teneinde de historische werkelijkheid op een zo volmaakt mogelijke wijze te benaderen". Emiel Van Averbeke en de 'herschepping' van hel Rubenshuis

Archeologisch onderzoek op het plateau van Caestert Mare Verhoeven

Thomas Van Driessche

Website www.menl.be Ad verte n ti e we rv i ng J. Casier • Brugge jancasier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure- Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel

M&L I

1


Restauratie en Monumentenzorg

'TT

SONCK Frédéric

A, M. C O N S U L T AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 766 18 52 a. m .consult@skynet. be www.amconsult.be

Restoratie & Renovatie ' S iermetselwerk • Ruwbouw » Gewelfbouw • Bekisten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen • Steenkapperij: monelen, maaswerk, hogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling met minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • Lijstwerk - Consolidatie van verpoederd pleisterwerk • Eigen productie van gebluste kalkdeeg • Vloer- en wandbetegeling

Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvorming Houtaantasting door insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrische vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopie Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo ifv de onderzoeksmethoden

Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/234.33.46 Registratienr.: 06.18.1.0

Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte aanpak van het probleem


-» M&L ONLINE <-

IVI&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!

Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!


Koninklijke wastine wordt kerkelijke dries Regi De Meirsman en Geert Van der Linden wijden een artikel aan de geschiedenis en het wel en wee van de Dries van Sinaai, in oorsprong een gedegradeerd stuk bos, wastine genoemd, gelegen in het aloude Koningsforeest en dat in het begin van de i3de eeuw aan de Sint-Catharinakerk geschonken is. Vanaf de 16^ eeuw duikt de benaming dries op. Er stonden opbrengstbomen, er weidde vee op het gras en er stond zelfs een staande wip opgesteld. In de loop der tijden werd het gebruik van de Dries ettelijke keren verkleind onder invloed van koning auto: de laatste keer in de 20ste eeuw. Ook een vrijheidsboom mocht niet ontbreken. Het is een vermoedelijk flink uit de kluiten gewassen zomereik.

"het huis zooals het was toen Rubens het

bewoonde"

Weinig bezoekers van het Rubenshuis in Antwerpen zullen beseffen dat ze door een 'herschepping' uit de dertiger jaren van de 20ste eeuw lopen, en dan vooral wat het woonhuis en het schilderhuys betreft. De grootschalige restauratiecampagne en de bijhorende discussies en convergerende meningen worden tot in detail gereconstrueerd door Thomas van Driessche, die als voorbereiding op de restauratie van de portiek en het tuinpaviljoen de archiefbronnen en het iconografisch materiaal aan een nauwgezet onderzoek onderwierp.

Een versterking uit de ijzertijd Een site uit de ijzertijd, op een indrukwekkende hoogte gelegen en met aarden wallen omgeven. Het is niet zo verwonderlijk dat aan de archeologische sporen op het plateau van Caestert traditioneel een militaire functie wordt toegekend. Maar is dat ook zo? In de jaren '70 van vorige eeuw werden er reeds opgravingen verricht op deze tot de verbeelding sprekende locatie. Recent gingen archeologen er opnieuw aan de slag. Archeoloog Mare Verhoeven legt een aantal puzzelstukken naast elkaar, geeft antwoorden, maar stelt ook heel wat nieuwe vragen.


De Dries van Sinaai. Een plein met erfgoedwaarde eert Van der Linden en Regi De Meirsman

In het dorpscentrum van Sinaai, deelgemeente van Sint-Niklaas, ligt een plein dat Dries wordt genoemd. De geschiedenis van dit plein is sterk gekleurd door het gebruik door de mens in het verleden. De opbrengst van het plein stond hierbij centraal. Zo werd het gras doorgaans verkocht aan de meest biedende en werden er bomen geplant voor de houtopbrengst o f voor de verkoop van hun vruchten. In de tweede helft van de 20 5te eeuw veranderde het gebruik van de Dries en werden er sierbomen aangeplant. De Dries werd op 3 februari 1983 opgenomen in de bescherming als dorpsgezicht van het centrum van Sinaai. In deze bijdrage wordt ook aandacht besteed aan de eigenaar van dit plein door de eeuwen heen, aan de hand van de beschikbare documenten hierover.

6

I M&L

De Dries van Sinaai anno 2011 (foto G. Van der Linden)


De eigendomstoestand van de Dries Tijdens de vroege middeleeuwen ligt het gebied waarin het dorp Sinaai ontstaan is in het Koningsforeest. Eenforeest is een jachtgebied dat sinds het in werking treden van het wildemisregaal toebehoort aan de Merovingische en Karolingische vorsten. Dit regaal bepaalt dat onbewoonde of schaars bewoonde gebieden eigendom zijn van de vorst. In onze streken zwaait later, door usurpatie of delegatie, de graaf van Vlaanderen er de scepter. Eenforeest is dan ook in eerste instantie een juridisch begrip en kan bestaan uit bossen, wastines, waterpartijen en zelfs bewoningskemen. De bewoners kunnen echter wel gebruiksrechten laten gelden op gronden van de graaf. In de middeleeuwen is het de gewoonte om vee te laten grazen rondom een bewoningskern. Als dit een bos is, dan kan dit na verloop van tijd, door een te hoge begrazingsdruk, 'degraderen' tot een wastine. Het landschapsbeeld van een wastine is dus een weinig beboomde vlakte met een overwegend grazige plantengroei (i). De vroegste vermelding van de Sinaaise dries dateert uit het begin van de i}ie eeuw. In 1219 schenkt Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, aan de Sint-Catharinakerk van Sinaai 6 bunder wastine of 8 ha in de onmiddellijke omgeving van dit gebouw. De schenking dient voor het onderhoud van de priesters, die in deze kerk instaan voor de eredienst. De grond moet altijd vast en verzekerd eigendom blijven van de kerk, waaraan de gravin deze oorkonde verleent (2). Slechts in 1571 wordt voor de eerste maal voor de bovenvermelde wastine het woordje dries gebruikt, in een document dat over Sinaai handelt (3).

Aangezien de naam dries dan pas opduikt, gaat het wellicht om de overname van het woord, naar analogie met de Doornzeledries en waarschijnlijk ook andere pleinen in het noorden van OostVlaanderen (4). De percelen in kwestie blijven in het bezit van de kerk. In de i7de en de i8d<' eeuw wordt de dries Kerkendries genoemd en de eigenaar wordt als pro memorie vermeld volgens het land- en kaartenboek van de hand van landmeter Anthonis Van Landeghem uit 1668-1670 (5). De Kerkendries is dus openbaar bezit. Uit de kerkrekeningen van de Sint-Catharinakerk blijkt dat de opbrengsten van kerkhof en dries naar de kerk vloeien (6). Voor deze kerk zijn de kerkrekeningen uit het Ancien Regime bewaard tussen 1648 en 1792. Toch wordt de Dries ook gebruikt voor activiteiten die niet vermeld zijn als inkomsten of uitgaven in de kerkrekeningen of, met andere woorden, activiteiten waarop de kerk geen vat heeft. Wat wel nog te traceren is via het kerkarchief, is de staande wip of gaeipers, die er nog stond in de 20s,<' eeuw. Deze wip is ook ingetekend op de kaart van graaf de Ferraris van circa 1775. Ook in de kerkrekeningen wordt terloops melding gemaakt van de boogschutters. Zo lezen we in de rekeningen van de i8 de eeuw dat de schutters schade hebben toegebracht aan de noten! In het midden van de i9 de eeuw ontstaat een polemiek over de eigendomstoestand van de dries, ingezet door de pastoor van Sinaai (7). Op basis van de oorkonde van de gravin uit 1219 beschouwt hij de dries eigendom van de kerk. Hij schrijft op 9 september 1858 een brief naar de arrondissementscommissaris. Al op 24 september vergadert de gemeenteraad over het schrijven van 18 september van de arrondissementscommissaris.


De Dries ca. 1904, gezicht op de zuidoosthoek met dubbele rij olmen langs de zijden en de Vrijheidsboom (fotoarchief G. Tallir)

De gemeenteraad machtigt het college van burgemeester en schepenen om een overeenkomst uit te werken met de kerkfabriek, om eens en voor altijd de rechten van de gemeente onbetwistbaar te doen vaststellen. In hun overweging stellen ze onder andere dat de gemeente sinds ongeheugelyken tyd eigenaar is van het dorpsplein. Om hun bewering kracht bij te zetten, vermelden ze diverse activiteiten, die doorgaan op het plein zonder de tussenkomst van de kerk. We citeren in dit verband dat er een jaarmarkt en een kermis georganiseerd worden; dat er verschillende publieke gebouwen staan; dat het plein gebruikt wordt door bijna iedereen om te vlassen, hooi te drogen; dat er op het plein een gaeipers van de handboogmaatschappij geplaatst is. In de gemeenteraadszitting van 20 oktober 1876 wordt de overeenkomst bezegeld. De kerkfabriek krijgt een subsidie van 2300 Belgische franken (8) en ziet af van de rechten op de dries. Ze behoudt even wel haar rechten op het

5inay (Waes)

kerkhof en de straat met haar beplanting tussen de kerk en de pastorie. De subsidie zal gebruikt worden voor de aankoop van een nieuw orgel.

Houtig erfgoed op de Dries De oudste kaart waarop de Dries van Sinaai is afgebeeld, is de figuratieve kaart van 1668-1670 van de parochie Sinaai. Hierop is te zien dat de dries met bomen beplant is en doorkruist wordt door een diagonaal pad van het noordwesten naar het zuidoosten. Tussen de kerk met kerkhof en de dries zijn twee gebouwen ingetekend. Vermoedelijk is één daarvan het parochiehuis. Ook op de kaart van graaf de Ferraris van circa 1775 staan bomen vermeld op de Dries én op het kerkhof. De kerkrekeningen bevestigen dat er ook bomen op het kerkhof staan. De oudste vermelding in deze rekeningen dateert uit 1655, waarbij er sprake is van het omhakken van bomen. Een interessant resultaat van dit archiefonderzoek was dat de boomsoorten vermeld worden en voor het kerkhof gebeurt dat al in 1666. Er worden olmen, sparren en notelaars aangeplant. In 1668 worden tevens 23 opgaande eiken geplant in de buurt van de kerk. Vanaf 1670 brengen de notelaars op het kerkhof op: de noten worden verkocht aan de meest biedende. Uit de teksten is niet af te leiden welk beroep de verschillende kopers hebben. Natuurlijk worden de okkernoten in de eerste plaats gekocht om ze op te eten. Daarnaast worden de bolsters van de noten gebruikt om wol te kleuren en halfrijpe noten kunnen ingemaakt worden (9). In 1694 wordt gestart met een jaarlijkse verkoop van

Dries.

De Dries ca. 1930 gezicht van uit de noordwesthoek met een dubbele rij olmen langs de zijden, de Vrijheidsboom, de gaeipers (staande wip) en de kiosk (fotoarchief G. Tallir)

8

I M ^L


noten die op de kerkendries geoogst worden. Door de jaren heen wordt al eens melding gemaakt van aanplanten van jonge notenbomen. De verkoop van noten stopt na 1776. Men kan veronderstellen dat de opbrengst van de notenverkoop zo sterk gedaald is, dat het niet meer de moeite loont. Al in 1767 worden notelaars verkocht. Vermits in 1776 voor de eerste maal beuken vermeld worden, is het aannemelijk dat de notelaars vervangen worden door beuken. Nu nog staan er beuken langsheen het kerkhof ter hoogte van de Edgard Tinelstraat.

De dries in 1947, gezicht langs de oostelijke zijde met een dubbele rij pas aangeplante bomen achter de stoet ter ere van Edgard Tine! (fotoarchief G. Tallir)

Tijdens de itf' eeuw en het begin van de 20s,e eeuw vernemen we weinig over het reilen en zeilen van de Dries. Wel keurt de gemeenteraad in zitting van 18 december 1883 de verkoop van 22 olmen goed, die langs de noord- en oostzijde van het marktplein staan. In potlood staat genoteerd dat ze 40 jaar oud zijn (10). De toestand van de beplanting van de Dries in het begin van de 20sle eeuw kunnen we aflezen op een reeks foto's uit die tijd. Maar in de zitting van 30 oktober 1919 wordt beslist de volgende generatie olmenbomen te laten vellen. Tussen de twee grote oorlogen worden opnieuw olmen in dubbele rij aangeplant.. In volle oorlogstijd verzoekt de provinciegouverneur ad interim in zijn brief van 30 maart 1944 aan al zijn Oostvlaamse gemeentebesturen om beplantingen uit te voeren. De Koninklijke commissie voor monumenten en landschappen had de aandacht van de gouverneur op het aanplanten van bomen gevestigd, omdat er overal te lande zoveel bomen geveld waren. Het gemeentebestuur van Sinaai neemt deze aanbeveling meer dan ter harte. Al voordat het bericht op de gemeentelijke administratie belandt, heeft het gemeentebestuur een plan laten opstellen door Florent Hutsebaut-De Cock, aannemer van openbare werken. Het voorstel van deze aannemer dateert van 29 februari 1944. Langs beide zijden van de Dorpsstraat, de westzijde van de Dries, zouden kogelacacia's (Robinia pseudoacacia L. 'Umbraculifera'j (11) geplant worden. Behalve aan de noordzijde van de Dries, de kant van het gemeentehuis, werd aan de andere zijden een dubbele rij linden (Tilia platyphyllos Scop.) {12) voorzien. De boomkwekerij die de bomen zou leveren was A. Raman en zonen, Boschkant 3 in Wetteren (13). Dit plan is uitgevoerd. Op een foto uit 1947 (14) staat een dubbele rij pas aangeplante bomen te pronken. De lindebomen zijn later verwijderd ter gelegenheid van aanpassingen aan de breedte van de omliggende rijbanen in het begin van de jaren 50. Slechts één rij linden werd behouden langsheen de vroegere Dorpsstraat aan de westkant van de dries. De kogelacacia's zijn aangeplant, maar ze zijn bij de heraanleg van de Dorpsstraat in het begin van de 2is'e eeuw verwijderd.

Ter hoogte van het kerkhof werd toen een dubbele rij Hollandse linde (Tilia x europaea L.) aangeplant.

De Dries in 1965, gezicht vanuit de noordwesthoek: van rechts naar links de rij overgebleven linden uit 1947 en de rij platanen

Op basis van het gemeenteraadsbesluit van 2 augustus 1952 (15) waarin de gemeenteraad akkoord gaat om 30 sierraadbomen aan te planten, zijn 30 gewone platanen {Platanus x hispanica Münchh.) aangeplant die er nu nog staan. Wie de beplanting heeft uitgevoerd is moeilijk te achterhalen, omdat de archiefgegevens te beperkt zijn. Op de foto prijkt alleszins een pas aangeplante bomenrij naast de oudere lindenrij.

uit 1952 (fotoarchief G. Tallir)

De grazige dries Ook uit de kerkrekeningen vernemen we dat dries en kerkhof met gras zijn ingezaaid. Uit die rekeningen blijkt ook de jaarlijkse verpachting of verhuring van het gras. Of de pachters of huurders het gras maaiden of hun vee lieten grazen, is niet helemaal duidelijk. Wel staat vast dat pas aangeplante bomen met doornig materiaal of met boekweitstro omwikkeld werden om schorsvraat tegen te gaan. Er was dus duidelijk een vorm van begrazing. Meer dan waarschijnlijk gaat het om een nabegrazing onder begeleiding van een herder. In de i7de en de i8cle eeuw is het immers gebruikelijk het vee op stal te houden om daar gevoederd te worden. Schapen zullen er waarschijnlijk wel altijd

M&LI 9


hout. Daarna is het definitief gedaan met de cijnsverpachting aan specifieke personen. Het grasveld van de Dries zelf is in de tweede helft van de 20s"' eeuw verkleind ten voordele van 'koning auto', een laatste maal rond 1968. Een plan in het stadsarchief toont ons ook nog een voorstel om de Dries bijna helemaal te vertuinen, met aanleg van siertuintjes langs de oostzijde. Een negatief advies van de Dienst van het Groenplan (Ministerie van openbare werken) heeft dit plan gelukkig doen stopzetten, zodat de eenvoud van de Dries bewaard is (17).

Een vrijheidsboom

De Dries ca. 1910 begrazing

gegraasd hebben. Minstens tot in het begin van de

met schapen

20 ste e e u w

(fotoarchief G. Tallir)

Huidig uitzicht van de Dries met de vrijheidsboom (foto G. Van der Linden)

i s jit gebeurd.

Naast de inkomsten van de algemene verhuur van het gras en de verkoop van bomen, zijn er nog andere inkomsten gerelateerd aan de kerkendries. Stukken driesgrond worden verpacht aan mensen die aan de Dries wonen. Voor enkele pachters wordt gespecifieerd waarvoor ze hun stukje dries gebruiken. Cornelis Eeckelaert heeft er een cuyphuys (16). We vermoeden dat deze Eeckelaert een azijnmaker is. Daarnaast zijn er jaarlijks twee personen die op de Dries een kaatsspel hebben en eentje zelfs met een rollebaan. Alles gebeurt op basis van cijnspacht, meestal met een looptijd van negen jaar. Deze verpachting neemt een einde in 1686. Eventjes kan Simon Duyck, wagenmaker van beroep, nog een stukje van de Dries huren voor het leggen van zijn

Vanaf de verovering van 'België' door de Franse Republiek komt het gebruik in voege om vrijheidsbomen aan te planten. Al in 1792 planten de Franse troepen bij hun veroveringstocht vrijheidsbomen. Op 20 Ventose van het jaar III (18) verplicht de leiding van de provincie Oost- en Zeeuws-Vlaanderen (het latere Scheldedepartement) alle schepencolleges een vrijheidsboom aan te planten indien die van 1792 verdwenen is. Dit bevel wordt vermeld in de resolutieboeken van Sinaai en de meier zal deze boom aanplanten zoals opgenomen is in actum van 7 april 1795 (19). Volgens de kroniek van bakker Geubels, inwoner van Sinaai, wordt hij tijdens de boerenkrijg in 1798 omgehakt (20). In het archief van de gemeente Sinaai is hiervan niets terug te vinden. Maar volgens De Smaele en Tollebeek worden de bomen opnieuw aangeplant na de boerenopstand (21). Inderdaad meldt bakker Geubels in zijn kroniek dat hij opnieuw werd aangeplant op 10 november 1799. Of de zomereik die ongeveer in het midden van de Dries geplant werd, de vrijheidsboom uit 1799 is kunnen we niet hard maken. Even wel wordt in latere notulen van de gemeenteraad en beraadslagingen van het schepencollege nergens nog melding gemaakt van een aanplanting van een vrijheidsboom. Wanneer de gemeenteraad van 30 oktober 1919 beslist om de olmen op de Dries te kappen, valt dit niet bij iedereen in goede aarde. Getuige daarvan is een pamflet opgesteld als een overlijdensbericht, waarin de olmen ten grave gedragen worden. Interessant in deze tekst is dat de zomereik hierin als een Oranje Vrijboom wordt aangeduid. Bijna een halve eeuw later, op 23 februari 1950, gebruikt provinciaal raadslid Weytens het woord vrijheidsboom in zijn schrijven aan de gemeente Sinaai. Al bij al is de mening op basis van de stamomtrek dat deze boom een respectabele leeftijd heeft. In het Waasland is hij daardoor een van de hoogste, dikste en oudste zomereiken. Bovendien is hij op de Dries een beeldbepalend object met een mooie representatieve groeivorm.


'M s

hÊÊ 1

Eindnoten DEVRIJHEIDSBOOM De op 14 september 2011 geactualiseerde meetgegevens uit de inventaris Houtige Beplantingen met erfgoedwaarde: Quercus rohur L. (zomereik) Stamomtrek gemeten op een hoogte van 150 cm boven het maaiveld: 413 cm De kruindiameter: 22 meter Totale hoogte: 26 meter Hoogte takvrije stam: 6,5 meter

Als besluit kan gesteld worden dat op de 'altijd groene' Dries van Sinaai steeds bomen stonden. In oorsprong zijn het opbrengstbomen, maar vanaf het midden van de 20ste eeuw zijn het sierbomen. De combinatie van vrijheidsboom met de bomen en het grasveld heeft een verankering in vroeger tijden, waardoor de erfgoedwaarde van de Dries van Sinaai duidelijk is aangetoond.

Geert Van der Linden is tuin- en landschapsarchitect en erfgoedonderzoeker bij het agentschap Onroerend Erfgoed. Regi De Meirsman is als landbouwkundig ingenieur en gepensioneerd erfgoedonderzoeker.

De Dries van Sinaai (foto G. Van der Linden}

(1) TACK G., VAN DEN BREMT P. en HERMY M., Bossen van Vlaanderen: een historische ecologie, Leuven, 1993; VAN DEN BREMT P. en DE MEIRSMAN R., De Stroopers in het vizier, in MefI, jg. 29, nr. 4, 2010, p. 33. (2) VLEESCHOUWERS C, Het archief van de Abdij van Boudelo te Sinaai-Waas en te Gent. Deel U Regesten der Oorkonden, band 1, 1983, p. 181 (Oorkonde nr. 20); Stadsarchief Sint-Niklaas (SASN), Modern Archief Sinaai, nr. 1933. (3) Mededeling van Luc Van Durme: Stadsarchief Gent (SAG), Penningkohieren (PK) 28/274, 48 v.1571: lygghende tsynaey aenden driesch (4) VAN DURME L, Dries, vooral in Centraal- en Zuid-OostVlaanderen, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, 70,1998, p. 168. (5) Rijksarchief Beveren (RAB), Gemeentelijk Oud Archief Sinaai, nr. 78 (Toegang GO38). (6) RAB, Kerkfabriek Sinaai nrs. 23-144 (Toegang KF43). (7) Een omstandig relaas van dit feit vinden we terug in: Twisten om de Sinaaise Dries, in Synai- Sinoy- Sinaai; een dorp rond de Dries, 2010, p. 39-52. (8) Omgerekend komt dit op ongeveer 400.000 Belgische franken (mededeling Ludo Hemelaer) (9) CHOMEL N., Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundigen konstwoordenhoek. Leiden, 1778, p. 2328-2332. (10) SASN, Modern Archief Sinaai, nr. 43. (n) Nomenclatuur van de soorten volgens: DE KONING J. en VAN DEN BROEK W., Dendrologie van de Lage Landen, I4de druk, Zeist, 2009. De aannemer vermeldt het synoniem Bolacacia {Acacia inermis). (12) De soort wordt door de firma Hutsebaut in de omgangstaal als Hollandse linde aangeboden. T. platyphyllos is echter de zomerlinde, terwijl de bastaard T. x europaea L. de Hollandse linde is. Deze verwarring kwam vaak voor in vroeger tijden. (13) SASN, Modern Archief Sinaai, nr. 2029. (14) De foto wordt gedateerd op basis van het huldigingfeest ter ere van Edgard Tinel dat in 1947 plaatsvond. (15) SASN, Modern Archief Sinaai, nr. 48. (16) Ons baserend op het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) heeft Cornells Eeckelaert een azijnmakerij. Ook niet helemaal uit te sluiten is dat deze Cornells een kuiper is. (17) SASN, Modern Archief Sinaai, nr. 2107. (18) RAB, Fonds Scheldedepartement (toegang nr. 9), nr. 3088/2. (19) RAB, Oud Gemeentearchief Sinaai, nr. 23. (20) BOGAERT A., De kroniek van bakker Geubels, in Smoiek, jg. 1, 2005, p. 23-25. (21) DE SMAELE H. en TOLLEBEEK )., Politieke representatie. Leuven, 2002, p. 286. 11


"Teneinde de historische werkelijkheid op een zo volmaakt mogelijke wijze te benaderen". Emiel Van Averbeke en de 'herschepping' van het Rubenshuis omas Van Driessche

12 I M & L


Het Rubenshuis in Antwerpen, dat sinds 1936 beschermd is als monument, is een van de meest bezochte musea in Vlaanderen. Slechts weinige bezoekers staan erbij stil dat de portiek en het tuinpaviljoen de enige onderdelen uit de tijd van Rubens zijn, die min of meer intact bewaard bleven. Het woonhuis en het atelier zijn grotendeels herbouwd in de jaren 1939-1946 naar een ontwerp van stadshoofdbouwmeester Emiel Van Averbeke. Vandaag zijn de portiek en het tuinpaviljoen opnieuw aan restauratie toe. Op verzoek van Ben van Beneden, conservator van het Rubenshuis, voerde het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed in 2009 een archiefonderzoek uit naar de herschepping van het Rubenshuis, ter voorbereiding van de geplande restauratie. De opzet ervan was tweeledig: enerzijds achterhalen hoe de restauratie van de portiek en het tuinpaviljoen in de jaren 1939-1946 verlopen was; anderzijds nagaan wat de restauratieopvattingen van Emiel Van Averbeke waren, en hoe hij zijn keuzes gemotiveerd heeft. In deze bijdrage worden de onderzoeksresultaten samengevat en wordt de herschepping in een bredere historische context gesitueerd (1).

Beknopte geschiedenis van het Rubenshuis (i7 de -i9 d6 eeuw) In 1608 keerde Peter Paul Rubens (1577-1640) na een verblijf van acht jaar in Italië terug naar Antwerpen, waar hij het jaar daarna trouwde met Isabella Brandt. Hij nam toen tijdelijk zijn intrek bij zijn schoonouders in de Kloosterstraat. In 1610 kocht hij een huis met een bijbehorend grondstuk aan de Vaartstraat, die nu Wapper heet. In de verkoopakte wordt het pand beschreven als "eene huysinge met eender grooter poorten, plaetse, gaelderije, coeckene, earners, gronde ende allen den toebehoorten met noch eenen bleijckhove daemejfens suytwaert gelegen" (2). In de volgende jaren liet Rubens zijn huis verbouwen en uitbreiden in Italiaanse stijl. Hij stond bekend als liefhebber en kenner van zowel de antieke als de eigentijdse Italiaanse architectuur. Tijdens zijn verblijf in Italië had hij een studie gemaakt van de paleizen in Genua die hij in 1622 in boekvorm zou publiceren (Palazzi di Genova). In zijn bibliotheek stonden architectuurtraktaten van Vitruvius, Sebastiano Serlio, Vincenzo Scamozzi, Jacob Francart en Salomon de Caus (3). Toen Rubens en zijn echtgenote in 1615 of begin 1616 naar het huis aan de Vaartstraat verhuisden, waren de bouwwerkzaamheden nog volop aan de gang. Zo sloot de beeldhouwer Hans van Mildert op 2 november 1616 namens Rubens een contract af met een schrijnwerker voor het maken van twee trappen in Rubens' huis. Op 12 mei 1618 schreef Rubens aan sir Dudley Carleton, de Engelse ambassadeur in Den Haag, dat hij dat jaar 'nog enkele duizenden guldens' aan de verbouwing van zijn huis had uitgegeven (4). De exacte chronologie van de werkzaamheden is niet bekend bij gebrek aan archiefbronnen.


In 1621 waren het huis en de tuin zo goed als voltooid. Het geheel bood een prachtige aanblik. Het huis bestond uit twee vleugels die door een monumentale portiek in barokstijl met elkaar verbonden waren. De rechtervleugel bestond uit een nieuw gebouwd atelier of schilderhuys, waarvan de gevels grotendeels met trompe-l'oeilschilderingen versierd waren. De linkervleugel bestond uit het i6de-eeuwse woonhuis in Brabantse bak- en zandsteenstijl. Rubens had er een kunstkamer aan toegevoegd alsook een halfronde en overkoepelde beeldengalerij voor zijn collectie antieke beeldhouwkunst. Achter in de tuin stond een tuinpaviljoen, precies op de aslijn van de middelste arcade van de portiek (5).

Mfl/son Hiivewe ö Anvers dit l'hostel Rubens 1684, gravure van Jacob Harrewijn naar een tekening van Jacob van Croes

Parties de la Maison Hilverue ü Anvers 1692, gravure van Jacob Harrewijn naar een tekening van Jacob van Croes: de portiek is weggelaten om de blik op het schilderhuys vrij te maken

In zijn huis aan de Wapper heeft Rubens het grootste deel van zijn leven gewerkt en gewoond. De meeste van zijn kinderen werden er geboren. Zijn eerste echtgenote Isabella Brandt en zijn oudste dochtertje overleden er. In dit huis kwam het grootste deel van zijn meesterwerken tot stand. Hij ontving er de groten van zijn tijd: de aartshertogen Albrecht en Isabella, de koningin-moeder van Frankrijk Maria de' Medici, de hertog van Buckingham en de kardinaal-infant (6). Hij zelf overleed er op 30 mei 1640, dertig jaar nadat hij het huis aan de Wapper had gekocht. Na zijn dood woonde zijn tweede echtgenote Helena Fourment nog vijfjaar in het huis. Na haar huwelijk met Jan Baptist van Broeckhoven verhuurden de erfgenamen van Rubens het pand. Van 1648 tot 1660 werd het huis bewoond door William en Margaret Cavendish, die voor het bewind van Oliver Cromwell naar Antwerpen gevlucht waren (7). In 1660 verkochten de erfgenamen van Rubens het huis aan Jacomo van Eyck. Diens weduwe verkocht het in 1680 aan haar broer, de priester Hendrik Hillewerve. Van beide transacties zijn de verkoopakten bewaard gebleven, met een beschrijving van de gebouwen (8). Hillewerve liet twee gravures van het huis maken door Jacob Harrewijn naar tekeningen van Jacob van Croes, de eerste in 1684, de tweede in 1692. Op de eerste zijn de portiek en het achterliggende tuinpaviljoen afgebeeld, met aan de rechterzijde het schilderhuys en aan de linkerzijde het woonhuis. De tweede gravure toont de tuin met aan de rechterkant het schilderhuys en aan de linkerkant het tuinpaviljoen. Op deze gravure zijn ook de straatgevels, een tot huiskapel omgevormde beeldengalerij en een vertrek met een koepelvormige zoldering afgebeeld. De prenten van Harrewijn zijn de enige iconografische bronnen uit de ij0'' eeuw waarop het Rubenshuis in zijn geheel te zien is. Ze waren dan ook de belangrijkste inspiratiebron voor de herschepping van het Rubenshuis in de jaren 19391946, al stond Emiel Van Averbeke tamelijk sceptisch tegenover deze prenten, zoals verder zal blijken. Tijdens de eerste helft van de i8 dc eeuw wisselde het Rubenshuis nog enkele keren van eigenaar, maar voor zover bekend gaf dit geen aanleiding tot grootschalige verbouwingen. De trompe-l'oeilschilderingen van het schilderhuys waren omstreeks 1750 nog steeds zichtbaar, zoals Jacobus van der Sanden (1726-1799), secretaris van de Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, getuigt (9). In 1763 kwam het huis in het bezit van ridder Charles Nicolas Joseph de Bosschaert de Pret, die

M

M&L


De portiek vóór de Eerste Wereldoorlog (foto KIK)

het ingrijpend liet verbouwen. De gevels aan de straatzijde werden afgebroken en herbouwd volgens de toenmalige mode. Het oude i6de-eeuwse woonhuis werd grotendeels gesloopt en vervangen door een nieuwbouw. De halfronde beeldengalerij die Rubens tegen het woonhuis had aangebouwd en die Hillewerve tot huiskapel had omgevormd, bleef evenwel behouden. De achtergevel van het atelier werd twee meter verder in de tuin gebracht en het dak werd in verhouding verlengd. Tegen de achterzijde van de portiek werd een gang gebouwd om de beide vleugels van het huis met elkaar te verbinden. Hiervoor moest de portiek verhoogd worden. Het atelier kreeg een nieuwe tussenverdieping met bijbehorende vensteropeningen. De gevels werden opnieuw bepleisterd en de trap van Hans van Mildert werd uitgebroken (10). Na de verbouwingen maakte Francois Mols, een kunstliefhebber die de situatie vóór 1763 nog gekend had, een plattegrond van de vroegere toestand, louter op basis van zijn herinnering, en hij voegde er een beschrijving van de vertrekken aan toe. Het plan van Mols werd in de i9 de eeuw door architect Jos Schadde omgezet in een grondplan, dat later gepubliceerd werd door Max Rooses (11). Toen ridder Charles Nicolas Joseph de Bosschaert in 1792 overleed, kwam het huis in het bezit van zijn zoon Charles-Jean-Joseph. In 1798 werden de gebouwen door de Fransen opgeëist, die ze als gevangenis gebruikten voor tot verbanning veroor-

deelde geestelijken. Later kwam het huis weer in het bezit van de familie de Bosschaert, die het andermaal liet aanpassen aan de noden van de tijd. Kort vóór 1840 werd het huis in twee helften opgesplitst, die als afzonderlijke woningen verhuurd werden. De huiskapel werd gesloopt en op de binnenplaats werd een scheidsmuur opgetrokken (12).

Uiteenlopende restauratieopvattingen: Henri Blomme versus Paul Buschmann In de i9 de eeuw ontstond in Antwerpen een ware Rubenscultus (13). Het tweede eeuwfeest van Rubens' overlijden in 1840 en het derde eeuwfeest van zijn geboorte in 1877 gaven telkens aanleiding tot grote feestelijkheden. Nadat het stadsbestuur in 1876 op initiatief van burgemeester Leopold de Wael het woonhuis en de bijbehorende drukkerij van de familie Plantin-Moretus had aangekocht om het als museum in te richten, ontstond het idee om ook het Rubenshuis te verwerven en in zijn oude glorie te herstellen. In 1880 deed het stadsbestuur een eerste bod op het pand, maar de familie de Bosschaert ging er niet op in (14). In 1908 deed de stad een nieuwe poging om het Rubenshuis aan te kopen. Er werd een comité opgericht om de aankoop en de restauratie voor te bereiden. Tot dit comité behoorden onder meer Max Rooses (1839-1914), conservator van het museum Plantin-Moretus en eminent Rubenskenner, en

1VI&LI ns


Replica van het Rubenshuis op

Replica van het Rubenshuis op

de Wereldtentoonstelling van

de Wereldtentoonstelling van

1910 in Brussel. De versieringen van het schilderhuys werden

^ipj

W^^^^iii

1910 in Brussel. Biomme wist nog niet dat de portiek aan het

uitgevoerd in halfverheven

eind van de i8 de eeuw verhoogd

beeldhouwwerk

was. In 1939 werd de portiek

(uit BLOMME H-, La maison de

tot de oorspronkelijke hoogte

Rubens, pavilion de la Ville d'Anvers ö

teruggebracht

l'Exposiiion Universelie de Bruxelles

(uitBLOMMEH .op cit)

1910, reconstitution par Henn Biomme, Antwerpen, 1910}

r

il Eipfei ,,,">

Replica van het Rubenshuis op de Wereldtentoonstelling van 1910 in Brussel. Het interieur was weelderig gedecoreerd met nagemaakt marmer, goudleer en gebeeldhouwd eikenhout

WÊimm

n

^:::£M ^ ^^^^* . ^

(uit BLOMME H., op. c/t.)

Henri Biomme (1845-1923), architect en leraar architectuur aan de Koninklijke Academie van Antwerpen. Op initiatief van deze laatste besloot de stad een replica van het Rubenshuis te bouwen op de Wereldtentoonstelling van 1910 in Brussel, die als Antwerps paviljoen zou fungeren. Biomme zelf leverde de bouwtekeningen voor het paviljoen, dat grotendeels werd uitgevoerd in sto/f (gewapend gips) en pleister (15). Het nabootsen van historische gebouwen op wereldtentoonstellingen was in die tijd niet ongebruikelijk (16). Biomme baseerde zich voor zijn replica op de prenten van Harrewijn, het plan van Mols, diverse schilderijen van Rubens en zijn tijdgenoten en de archiefbronnen die Max Rooses aan het licht gebracht had. Het beeld van het Rubenshuis dat uit deze bronnen naar voren kwam, was echter verre van volledig. De lacunes in de historische kennis

16 I 1VK L

vulde Biomme naar eigen zeggen aan "doorziek in te leven in de stijl van Rubens" (17). Hij veroorloofde zich hierbij een ruime artistieke vrijheid. Zo liet hij de gevels van het schilderhuys versieren met basreliëfs en borstbeelden, hoewel Max Rooses van mening was dat de versieringen oorspronkelijk uit trompe-l'oeilschilderingen bestonden. Het interieur liet hij weelderig decoreren met imitatiemarmer en imitatiegoudleer. Van het atelier van Rubens maakte hij een 'salon' met luchters, een schrijftafel en een klavecimbel. Zijn fantasievolle en romantische 'reconstructie' oogstte veel succes bij het publiek. Blijkbaar wilden vele bezoekers maar al te graag geloven dat de prins der schilders in een echt paleis woonde. Na afloop van de Wereldtentoonstelling werden de pleisteren borstbeelden en bas-reliëfs naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen overgebracht, om ze later te gebruiken voor de herschepping van het echte Rubenshuis, als de stad het eenmaal verworven zou hebben (18). Dat het stadsbestuur hiervoor de plannen van Biomme zou gebruiken, leek vanzelfsprekend. Dit was echter niet naar de zin van Paul Buschmann (1877-1924), de hoofdconservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. In zijn studie Over Herstelling en Bestemming van het huis-Ruhens van 1914, die in 1938 postuum gepubliceerd werd, uitte hij felle kritiek op de plannen van Biomme: " Wij gevoelen de behoefte niet, om in steen en marmer vereeuwigd te zien, hoe een negentiend'eeuwsch bouwmeester en zijne mede-


werkers Rubens' stijl hebben opgevat, en met hoeveel De familie de Bosschaert had ondertussen te kennen handigheid zij zich hebben gewrongen in een kunstgegeven dat ze bereid was het pand te verkopen (24). vorm, die de hunne niet was. En het nageslacht Maar kort daarop brak de Eerste Wereldoorlog uit verwacht ook niet van ons, dat wij het zoo'n kunstzodat de verkoop niet kon doorgaan. matige, willekeurige en onvermijdelijk valsche herschepping zullen nalaten. (...). Mijn hoofdargument Na de oorlog was er geen geld meer beschikbaar tegen de voorgestelde restauratie is echter, dat ons daarinvoor een eventuele aankoop van het pand. Bij zijn overlijden in 1923 liet Henri Blomme 200.000 niet duidelijk zou worden gemaakt, wat echt en wat onecht is; integendeel, men zou bedrieglijke illusies bij Belgische frank na aan de stad op voorwaarde dat deze som gebruikt zou worden voor de restauratie ons willen opwekken. Men zou ons den indruk willen geven van een volledig, oorspronkelijk geheel; men zou van het Rubenshuis (25). De herdenking van de 350^ verjaardag van Rubens' geboorte in 1927 zette ons willen doen gelooven dat Rubens' stappen hebben het Rubenshuis opnieuw op de politieke agenda. weerklonken door die gangen en galerijen, dat hij geleefd Bij de opening van een tentoonstelling verklaarde heeft in die kamers, gewerkt in dat atelier; men zou een schepen Lebon: "Het is een vlek op Antwerpen's schijn van authenticiteit willen geven aan een geheel, kunstfaam dit Rubenshuis nog altijd te moeten missen" dat deze slechts ten deele bezit." (19). (26). Omdat de onderhandelingen met de eigenaar niets hadden opgeleverd, besloot de gemeenteraad Volgens Buschmann waren er onvoldoende sporen in 1931 uiteindelijk het Rubenshuis te onteigenen. van het oorspronkelijke huis van Rubens bewaard om een historische reconstructie mogelijk te maken. De gegevens uit de iconografische en archivalische bronnen konden de lacunes in de historische kennis niet aanvullen: "Deze gegevens zijn echter verre van volledig; in menig opzicht schieten zij tekort: zij spreken elkaar zelfs herhaaldelijk tegen, en, alles bij elkaar genomen, zijn zij onvoldoende om ons een duidelijk beeld te geven van het huis zooals het was toen Rubens het bewoonde". Hij pleitte er dan ook voor om alleen de portiek en het tuinpaviljoen te restaureren en de bestaande gebouwen van het huis Bosschaert in te richten als museum. Hiervoor was geen dure restauratie nodig. Het kwam er integendeel op aan te zoeken naar een praktische, doeltreffende en degelijke inrichting, waarbij overbodige, opdringerige luxe vermeden werd (20). Buschmann raadde het stadsbestuur aan een voorbeeld te nemen aan het Rembrandthuis in Amsterdam, dat tussen 1907 en 1911 gerestaureerd was door Karel de Bazel (1869-1923). Deze had de voor- en achtergevel van het Rembrandthuis gerestaureerd, maar had afgezien van een reconstructie van het i7de-eeuwse interieur. Hij had bewust gekozen voor een eigentijdse inrichting die het pand geschikt maakte voor het tentoonstellen van prenten en tekeningen (21).

In juli 1935 kende de rechtbank van eerste aanleg de eigenaar een onteigeningsvergoeding van ruim 4,3 miljoen frank toe, maar die nam hier geen genoegen mee en ging in hoger beroep (29). Het college van burgemeester en schepenen wachtte het eindvonnis niet af en gaf op 19 juli 1935 opdracht aan stadshoofdbouwmeester Emiel Van Averbeke om een ontwerp in te dienen voor de restauratie van het Rubenshuis (30).

Begin 1914 vroeg de huurder van het Rubenshuis een vergunning aan voor de inrichting van een 'stoom-schrijnwerkerij' en een houtopslagplaats in de gebouwen. De aanvraag werd door de stad in eerste instantie geweigerd maar de huurder ging in hoger beroep bij de bestendige deputatie. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) besloot hierop het Rubenshuis te promoveren van de derde naar de eerste klasse der burgerlijke gebouwen. Ze raadde de stad tevens aan het pand desnoods te onteigenen (22). Begin juli werd het hoger beroep van de huurder door de bestendige deputatie verworpen (23).

Emiel Van Averbeke (1876-1946) had op dat ogenblik al een lange staat van dienst (31). Hij was zijn loopbaan begonnen in 1892 op het bureau van architect Emile Thielens. Van 1897 tot 1905 ontwierp hij als zelfstandig architect verschillende art nouveau-herenhuizen. In 1905 trad hij in dienst van de stad Antwerpen, waar hij zich opwerkte tot stadshoofdbouwmeester (1920). In het interbellum evolueerde zijn stijl naar de art deco en begon hij zich ook toe te leggen op de monumentenzorg. In 1925 werd hij lid van de KCML en tussen 1926 en 1930 leidde hij de restauratie van de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (32).

Terwijl het onteigeningsproces aan de gang was, kreeg het restauratieconcept van Blomme steeds meer kritiek. In 1933 publiceerde Adriaan 'Ary' Delen, op dat ogenblik adjunct-conservator van het museum Plantin-Moretus, een boek met als titel Het huis van P.P. Rubens, wat het was, wat het werd, wat het worden kan (27). In navolging van Paul Buschmann pleitte hij ervoor het Rubenshuis een bestemming te geven als museum en als Rubensbibliotheek en Rubens-archief (28). Om dit doel te bereiken, was het volgens hem voldoende alleen de portiek en het tuinpaviljoen te restaureren en de bestaande gebouwen te bewaren en aan te passen aan de nieuwe bestemming.


Architect Emiel Van Averbeke (foto AMVC-Letterenhuis Antwerpen)

Het voormalige atelier van Rubens vóór de restauratie, ca. 1938 (foto Stadsarchief Antwerpen, SA418093) ^

—

•

g

£r

BS»*! Het uitwerken van de voorstudie voor de restauratie van het Rubenshuis nam ongeveer tien maanden in beslag. Op 28 mei 1936 stuurde Van Averbeke een verslag naar het college waarin hij een analyse van de bestaande toestand maakte en verschillende restauratieopties formuleerde (33). Hij maakte al op de eerste bladzijde duidelijk dat er behalve de portiek en het tuinpaviljoen niets overgebleven was van het oorspronkelijke Rubenshuis. Het oude woonhuis was gesloopt en het atelier was ingrijpend verbouwd. Alleen het dak van het atelier scheen nog intact te zijn. Over het oorspronkelijke uitzicht van het Rubenshuis was bovendien erg weinig geweten. Zo waren de gevels van het atelier volgens sommigen beschilderd en volgens anderen versierd met halfverheven beeldhouwwerk. Hijzelf achtte een eenvoudige beschildering het meest waarschijnlijk. De gravures van Harrewijn, waarvan de eerste 44 jaar en de tweede 52 jaar na het overlijden van Rubens gemaakt werden, waren volgens hem weinig betrouwbaar. Hij sloot zelfs niet uit dat de versieringen pas na de dood van Rubens aangebracht werden. Mogelijk waren er nog sporen van de oorspronkelijke versieringen aanwezig onder de huidige bezetting. Maar het was verre van zeker dat deze sporen voldoende informatie zouden opleveren. Wie het Rubenshuis wilde herscheppen, zou

18 I M&L

bijgevolg onvermijdelijk moeten terugvallen op veronderstellingen en louter fantasie. Een restauratie 'genre Blomme' wees Van Averbeke af. Als het college hem opdracht gaf het Rubenshuis te restaureren "volgens hetgeen naar allen schijn bestaan heeft", dan kon hij "vanzelfsprekend geen kopie leveren van het werk van Blomme, wiens opvattingen niet met de werkelijkheid overeenstemden". Het Rubenshuis kon volgens hem het best worden omgevormd tot een Ruhensseum, een museum in combinatie met een documentatiecentrum, zoals wijlen Paul Buschmann voorgesteld had. Dit Ruhensseum zou kunnen bestaan uit een tentoonstellingszaal voor schilderijen, een prentenkabinet, een afdeling chalcografie, een Rubensbibliotheek en een Rubensarchief. Het Rembrandthuis in Amsterdam kon daarbij als voorbeeld dienen. Dit pand was niet in zijn oorspronkelijke toestand hersteld maar wel aangepast voor tentoonstellingen. Van Averbeke raadde het college aan alleen de portiek en het tuinpaviljoen te restaureren en de andere gebouwen ongewijzigd te laten: "M.i. moet dus de herstelling van het Rubenshuis zich beperken tot het opknappen van de Arcade en het Paviljoen. Ik meen dat het verstandig ware de andere gebouwen ongewijzigd te laten en ze tot Museum in te richten!'. Hij vroeg het college uitdrukkelijk "aftte zien van een restauratie genre Blomme. Het ware dan beter de niet-voortzetting van het onteigeningsgeding in overweging te nemen en de geheele zaak onverlet te laten."

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat Van Averbeke aanvankelijk geen voorstander was van een 'herschepping'. Hij deelde eerder de restauratieopvattingen van Buschmann en Delen. Het college van burgemeester en schepenen hield echter vast aan het plan om het Rubenshuis in zijn 'oorspronkelijke staat' te herstellen, een beslissing die al voor de Eerste Wereldoorlog genomen was. Het college zag wel af van een herschepping 'genre Blomme', rekening houdend met de kritiek van Delen en Van Averbeke. In plaats daarvan namen de beleidsmakers zich voor "het huis van Rubens te doen restaureeren zooals het was ten tijde dat Rubens er zijn verblijf hield". Om dat doel te bereiken, moesten "ernstige studies aangevat worden opdat vroegere onnauwkeurige opvattingen zouden worden vermeden en opdat de historische werkelijkheid op zoo volmaakt mogelijke wijze zou benaderd worden" (34). Dit restauratieconcept was in zekere zin een compromis tussen de restauratievisies van Blomme en Buschmann. Het concept van de algehele herschepping bleef gehandhaafd, maar de herschepping moest wel met de historische werkelijkheid overeenstemmen. Emiel Van Averbeke kon zich met dit compromis verzoenen. Hij was trouwens niet zozeer gekant geweest tegen een


herschepping op zich als wel tegen een herschepping 'genre Blomme', die niet met de werkelijkheid overeenstemde. In plaats van het ontwerp van Blomme te moeten uitvoeren, kreeg hij nu de mogelijkheid om zelf een ontwerp uit te werken.

Het onderzoek naar de bouwsporen van het oorspronkelijke huis Op 15 juli 1937 werd het Rubenshuis eindelijk eigendom van de stad. De kosten voor de onteigening beliepen ruim 5,3 miljoen frank (35). Het Rubenshuis was ondertussen ook beschermd als monument volgens de nieuwe wet van 1931 (36). Het college gaf meteen opdracht aan Van Averbeke om de bestaande gebouwen te onderzoeken op sporen van het oorspronkelijke huis, zoals dichtgemetselde ramen, deuren en balkgaten. Alles wat door latere eigenaars was bijgebouwd, moest gesloopt worden. In zijn verslag aan het college van 28 mei 1936 had Van Averbeke er reeds op gewezen dat de geschreven en iconografische bronnen elkaar tegenspraken en dat hij zich voor de restauratie in de eerste plaats zou moeten baseren op de bouwsporen die bij de afbraak van de latere toevoegingen aan het licht zouden komen. Het kwam er nu op aan zoveel mogelijk sporen terug te vinden. De beslissing om het Rubenshuis in zijn 'oorspronkelijke staat' te herstellen, was reeds genomen en het was onwaarschijnlijk dat het college erop zou terugkomen als de resultaten van het onderzoek tegenvielen. Op 5 augustus 1937 begon de Dienst der Stadsgebouwen met het verwijderen van de bepleistering van de voorgevels. Er werden geen sporen van de oude gevels teruggevonden: de voorgevels aan de straatzijde bleken afgebroken en volledig herbouwd te zijn. Halverwege december 1937, toen het huis volledig ontruimd was, ging de afbraak van de bestaande gebouwen van start. Deze werken duurden ongeveer een jaar. Alle latere toevoegingen zoals tussenverdiepingen en tussenschotten werden stapsgewijze afgebroken. De pleisterlagen werden systematisch afgekapt om sporen van de oude roostervloeren terug te vinden. Tijdens het onderzoek werd het i9de-eeuwse woonhuis grotendeels afgebroken. Van het atelier bleef slechts de ruwbouw over. De hoeveelheid puin was zo groot dat Dienst der Stadsgebouwen voor het wegvoeren ervan een beroep moest doen op een gespecialiseerd transportbedrijf. De stad beschikte niet over de nodige middelen om dit werk in eigen beheer uit te voeren (37). De nog bruikbare bouwmaterialen werden naar een magazijn gevoerd om ze later te hergebruiken. Tijdens de afbraak van de

oude gebouwen werden tal van foto's gemaakt, die men nu online kan consulteren via de Beeldbank van het Felixarchief (38).

De achterzijde van de portiek in 1938 (foto Stadsarchief Antwerpen. SA418095)

Op 21 januari 1938 besloot het college een Comité voor de restauratie van het Rubenshuis op te richten, teneinde een studie naar het oorspronkelijke Rubenshuis uit te voeren. In de vakliteratuur wordt dit comité meestal 'de Studiecommissie' genoemd. Van Averbeke had in zijn verslag van 28 mei 1936 de oprichting van een dergelijke commissie gevraagd, om hem bij te staan bij het opmaken van de plannen (39). De leden van de commissie waren: Camille Huysmans, burgemeester; Jules Somers, schepen van Openbare Werken; Olivier van Stratum, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen; Isidore Opsomer, directeur van het Hoger Instituut van Schone Kunsten; Emile Vloors, oud-directeur van de Academie van Schone Kunsten; Adriaan Delen, conservator van het Stedelijk Prentenkabinet en Emiel Van Averbeke zelf (40). De commissie kwam voor het eerst bijeen op 23 mei 1938 (41). Camille Huysmans zat de eerste vergaderingen voor maar droeg het voorzitterschap daarna over aan Olivier van Stratum. Van Averbeke was secretaris van de commissie (42). In 1941 zou de Studiecommissie nog worden uitgebreid met Jozef Muls, directeur-generaal van het Bestuur der Schone Kunsten (43). Over de discussies die binnen de commissie gevoerd werden, is helaas weinig terug te vinden. Het verslagenboek van de commissie is niet meer aanwezig, noch in het Rubenshuis noch in het stadsarchief.

Op 23 juli 1938 zond Van Averbeke een verslag met zijn bevindingen naar burgemeester Camille Huysmans. Het was ongeveer 60 bladzijden lang en voorzien van 15 plannen (44). Voor elk onderdeel

M&LI 19


van het huis probeerde Van Averbeke de oorspronkelijke toestand te achterhalen. Waar mogelijk toetste hij de informatie uit het bouwsporenonderzoek aan de geschreven en iconografische bronnen. Bij het verslag was een vragenlijst voor de leden van de Studiecommissie gevoegd waarin hij verschillende restauratieopties formuleerde met hun voor- en nadelen. Hij sprak slechts af en toe zijn persoonlijke voorkeur uit en liet de keuze meestal over aan de andere commissieleden. Het onderzoek naar de bouwsporen had heel wat nieuwe gegevens opgeleverd, maar al bij al had Van Averbeke toch minder sporen teruggevonden dan hij gehoopt had. Er bleven nog heel wat vragen en onzekerheden omtrent het oorspronkelijke Rubenshuis bestaan. Dit moest onvermijdelijk aanleiding geven tot uiteenlopende interpretaties. Met name tussen Van Averbeke en Delen bestonden heel wat meningsverschillen. Begin 1938 vroeg Frederik Clijmans, de directeur van de dienst voor Propaganda en Toerisme, zowel aan Delen als Van Averbeke een bijdrage te schrijven voor het nieuwe periodieke Bulletin, dat door zijn dienst werd uitgegeven om het brede publiek te informeren over de restauratie van het Rubenshuis. Delen schreef een bijdrage over de geschiedenis van het huis en Van Averbeke vatte de resultaten van zijn bouwsporenonderzoek samen (45). Toen Clijmans de bijdragen naast elkaar legde, constateerde hij dat beide auteurs elkaar op een aantal punten tegenspraken. Zo konden de bijdragen uiteraard niet gepubliceerd worden. Clijmans legde de kwestie voor aan de burgemeester, die de beide auteurs aanmaande om geen pennenstrijd met elkaar aan te gaan. Van Averbeke ging er uiteindelijk mee akkoord zijn tekst aan te passen (46).

De financiering In het najaar van 1938 gaf het college opdracht aan Van Averbeke om de plannen voor de herschepping van het Rubenshuis te ontwerpen. Die opdracht was dringend: het college hoopte dat het Rubenshuis nog vóór 30 mei 1940 voltooid zou zijn, wanneer de 300ste verjaardag van Rubens' overlijden zou worden herdacht (47). De financiële toestand van de stad liet echter niet toe om zowel de kosten van de onteigening als de kosten van de restauratie te dragen en daarbovenop de organisatie van de Rubensfeesten te financieren. Het college van burgemeester en schepenen vestigde zijn hoop dan ook op de regering. In het kader van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen kon de stad een beroep doen op subsidies van de staat en de provincie. De stad hoopte daarenboven dat de

regering een bijzondere rijkssubsidie voor werkverschaffing zou toekennen. Dat laatste was echter niet zo vanzelfsprekend omdat de stad de restauratiewerkzaamheden in eigen beheer wilde uitvoeren terwijl de subsidies voor werkverschaffing in principe alleen aan ondernemingen toegekend konden worden. Het college hoopte echter dat de regering een uitzondering zou maken (48). Begin 1936 schreef burgemeester Camille Huysmans een brief aan Philip Van Isacker, minister van Economische Zaken, waarin hij zijn bemiddeling vroeg om een beduidende som voor de restauratie van het Rubenshuis te verkrijgen (49). Van Isacker legde de aanvraag op 21 april 1936 voor aan de ministerraad. Die gaf opdracht aan minister Francois Bovesse, bevoegd voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, om de aanvraag verder te onderzoeken (50). Begin mei 1936 zegde Bovesse toe zowel de onteigening als de restauratie van het Rubenshuis te subsidiëren (51). Maar zijn opvolger, Julius Hoste, achtte zich niet gebonden door deze mondelinge toezegging. Toen schepen Jules Somers begin 1937 bij Hoste informeerde naar de mogelijkheid om een subsidie voor de onteigening en de restauratie van het Rubenshuis te verkrijgen, kreeg hij te horen dat er geen kredieten beschikbaar waren "voor den aankoop van monumenten die stadseigendom worden". De restauratiewerkzaamheden konden wel gesubsidieerd worden, maar alleen conform de wet van 7 augustus 1931. Een buitengewone subsidie kon de regering niet toekennen (52). Huysmans nam hier geen genoegen mee en drong aan op een grotere bijdrage van de regering. Hij kon hierbij rekenen op de steun van de Antwerpse pers en de publieke opinie. Op 23 november 1938 zond het college een brief aan de premier, Paul Henri Spaak, om "een soliede hulp van den Staat" voor de restauratie van het Rubenshuis te vragen. Het college betoogde dat de restauratie in het belang was van het hele land. Het was tenslotte "een onderneming, waarvan het belang ver buiten onze stadsgrenzen reikt. Heel ons land is er bij betrokken. En het ontwerp heeft ook, internationaal, iets te beteekenen". Het college wilde ook een Rubenstentoonstelling organiseren en "ten minste een documentairefilm laten maken en, als het kan, een groot aangelegdefilmlaten vervaardigen, in den trant van de Rembrant-film of nog beter,- die reklaam voor ons land zou kunnen maken over de gansche wereld" (53).

Het college deed voor de financiering van de restauratie ook een beroep op de bevolking. Op het stadhuis werd daartoe een inschrijvingslijst geopend. Een inwoner van Antwerpen die anoniem wenste te blijven, gaf het goede voorbeeld door 25.000 frank te schenken. Volgens een pers-


mededeling van de stad drukte hij daarbij de wens uit "dat zijn gebaar navolging zal vinden bij het Antwerpsche maecenaat" (54). Begin 1939 werd een Financieel Comité voor het Rubenshuis opgericht om particuliere giften in te zamelen in binnen- en buitenland. Het bestond uit een veertigtal leden, vertegenwoordigers van Antwerpse kunstkringen en kunstliefhebbers die in het verleden de Antwerpse kunstcollecties verrijkt hadden. De voorzitter was Eric Sasse, schepen van Stadseigendommen en Propaganda. De ondervoorzitters waren Alfred Martougin, Willy Friling en Joseph Gevaert. Het comité lanceerde op zijn eerste vergadering het idee om een reeks bijzondere postzegels ten gunste van het Rubenshuis uit te geven. De minister van Posterijen was dit idee genegen en zette het licht op groen voor de uitgifte van een reeks Rubenszegels in de zomer van 1939 (55). De opbrengst van de Rubenszegels werd in een Bijzonder Fonds voor de restauratie van het Rubenshuis gestort, samen met de particuliere giften en het legaat Blomme. Op die manier werd de niet onaanzienlijke som van 1,7 miljoen Belgische frank bijeengebracht (56).

deze betreurde dat de stad een aanvang had gemaakt met de werkzaamheden zonder de KCML te raadplegen en zonder dat de stad daartoe bij Koninklijk Besluit was gemachtigd. Dit was in strijd met artikel 3 van de wet van 7 augustus 1931 (59). Hij verzocht de burgemeester de plannen zo spoedig mogelijk voor te leggen aan de KCML. Huysmans antwoordde enigszins gepikeerd dat het niet zijn bedoeling geweest was de wettelijke procedures te negeren: verschillende leden van de Studiecommissie, onder wie Emiel Van Averbeke, hadden namelijk ook zitting in de KCML en hij was ervan uitgegaan dat zij hun confraters op de hoogte hielden van de voortgang van het dossier. Daarenboven hadden de leden van de provinciale afdeling van de KCML geen opmerkingen gemaakt toen ze het Rubenshuis enkele weken eerder hadden bezocht (60).

Nogmaals uiteenlopende restauratieopvattingen: Ary Delen versus Emiel Van Averbeke

Toen de restauratiewerkzaamheden van start gingen, werden de meningsverschillen tussen Van Averbeke en Delen steeds groter. Op 30 maart 1939 De kosten voor de restauratie werden in 1939 op schreef Delen een vertrouwelijke brief aan circa 7 3 8 miljoen frank geschat. De totale kosten, burgemeester Huysmans, waarin hij kritiek uitte op inclusief de kosten voor de onteigening en de de restauratieopvattingen van de stadshoofdbouwbijkomende werken zoals verwarming en meester en zijn medewerkers: "Ik wil de technische elektriciteit werden geraamd op 15 miljoen frank. kennis van de architekten niet in twijfel trekken, maar... Daarbij kwamen nog de kosten voor de meubilering het mangelt deze heeren aan gezond esthetisch begrip. en verdere inrichting (57). De stad rekende voor de Het zal U, meen ik, wel zijn opgevallen dat er in den restauratie op de steun van de regering. Maar om de schoot der Commissie twee strekkingen tegenover elkaar gewenste subsidies te verkrijgen, moesten tijdstaan, aan den eenen kant die welke het Rubenshuis niet rovende procedures gevolgd worden. Zo had de stad wil herstellen zooals Rubens zelf het had gemaakt (dit is de voorafgaande toestemming nodig van het met een overwegend schilderachtig karakter) maar wel Ministerie van Openbaar Onderwijs, bevoegd voor herbouwen met de mathematische droogheid van den monumentenzorg, en de provincie Antwerpen. architekt die wil verbeteren wat hij meent "bouwkundige Daarenboven moesten de plannen vooraf ter fouten van Rubens" te zijn geweest, aan den anderen goedkeuring aan de KCML voorgelegd worden. In januari 1939 waren de plannen nog niet helemaal kant die welke gewetensvol en volgens de bestaande dokumenten het huis van Rubens uit zijn puinen wil klaar omdat er binnen de Studiecommissie nog doen oprijzen." Delen vroeg aan de burgemeester dat enkele 'onopgeloste punten' waren. Het college was de Studiecommissie voortaan elke veertien dagen echter van mening dat dit geen beletsel mocht zijn "om van nu af de voorbereidende en de grove werken te zou vergaderen. Zonder het voorafgaandelijke advies doen aanvatten, vermits geen tijd mag verloren gaan zoo van de commissie zouden er geen bouw- of afbraakmen, tegen 3940, iets positiefs wil verwezenlijkt hebben". werkzaamheden meer mogen plaatsvinden. De plannen van Van Averbeke zouden eerst ter Op 13 januari 1939 gaf het college opdracht aan goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de de Dienst der Stadsgebouwen om met de voorbereidende werkzaamheden te beginnen, hoewel het Studiecommissie en pas daarna aan de KCML. bevoegde ministerie hiervoor nog geen toestemming Delen was graag bereid deze kwestie nader te bespreken met de burgemeester. Hij stelde voor dat gegeven had. Het college wilde per se met de werkook Opsomer en Vloors aan deze bespreking zouden zaamheden beginnen om het Rubenshuis nog vóór deelnemen (61). het begin van de Rubensfeesten te kunnen voltooien (58)Begin maart 1939 ontving burgemeester Huysmans een brief van Edmond Glesener, directeur-generaal bij het Ministerie van Openbaar Onderwijs, waarin

Begin april kwam het tot een open confrontatie tussen Van Averbeke en Delen naar aanleiding van de restauratie van het schilderhuys. De plannen van Van Averbeke voorzagen in een verhoging van het


niveau van de zoldering. Delen en Vloors waren het hier niet mee eens en vroegen aan Van Averbeke om zijn plannen te wijzigen (62). Van Averbeke was daar niet toe bereid en protesteerde bij het college tegen de bemoeienissen van de twee commissieleden. Hij wenste zijn instructies van het college te krijgen en van niemand anders (63). Nadat Delen de burgemeester meegedeeld had dat hij zich met de werken zou blijven bemoeien zolang hij lid was van de Studiecommissie, schreef Van Averbeke op 20 april 1939 een brief aan de burgemeester waarin hij onomwonden met ontslag dreigde: "Indien het werkelijk zoover komen moest, zou dit voor gevolg hebben dat de toestand daar voor mij onhoudbaar wordt en in dit geval zou ik, hoezeer het mij ook spijten zou, liever van dit uiterst moeilijk werk totaal afzien en iemand anders met hetzelve gelast zien, n.l. iemand die de lieflijke namen verdragen kan welke Mr. Delen zoo maar iedereen, die hem niet in alles zijn zin geefl, naar het hoofd slingert. Als vakman, met circa veertigjaren praktijk achter den rug, heb ik wel het recht te beweren dat het niet Mr. Delen is welke kan oordeelen of ik een goed of slecht hersteller van oude gebouwen ben. De herstelling der torenspits van onze kathedraal en van andere monumenten, schijnen mij voldoende waarborgen te geven, waarvoor ik mij niet te schamen heb. Wat het Rubenshuis betreft, hier kan niet hersteld aangezien alles om zoo te zeggen verdwenen is; het gaat hier echter om een herbouwing. Bij gebrek aan positieve gegevens ofplannen kan iedereen de herbouwing volgens zijn persoonlijke fantazie opvatten en hieromtrent van meening verschillen; zulks is trouwens het geval met al de auteurs die over het huis geschreven hebben" (64).

Plattegrond van de benedenverdieping het Rubenshuis door Emiel Van Averbeke, 1938 (Planarchief KCML. A0 279_M)

22 I M V L

In zijn conflict met Delen kon Van Averbeke rekenen op de steun van Jules Somers, schepen van Openbare Werken. In een nota aan het college wees Somers erop dat de Studiecommissie slechts een adviserende bevoegdheid had. Het college had namelijk geen beslissingsbevoegdheid aan de commissie gedelegeerd. Als de plannen eenmaal waren goedgekeurd door het college en de KCML, mochten de leden van de Studiecommissie ze niet meer ter discussie stellen (65). Op 7 april 1939 deelde Van Averbeke het college mee dat de plannen klaar waren en dat hij ze op de eerstvolgende zitting van de KCML, gepland voor 22 april, zou toelichten (66). Op 27 april bracht een delegatie van de KCML een bezoek aan het Rubenshuis en twee weken later keurde de KCML de plannen goed. Ze feliciteerde Van Averbeke en vroeg slechts enkele kleinere aanpassingen (67). Het college had de plannen al goedgekeurd op 4 mei 1939 (68). Op 14 augustus 1939 verleende het Ministerie van Openbaar Onderwijs de machtiging voor de restauratie (69). Er werd echter geen subsidie toegekend omdat het college niet op de machtiging had gewacht om met de werkzaamheden te beginnen. Bij de herschepping van het Rubenshuis werd Emiel Van Averbeke geholpen door drie architecten die verbonden waren aan de Dienst der Stadsgebouwen: Louis Huybrechts (1883-1952), Antoon De Mol (1891-1962) en Victor Blommaert (1912-1990). Over hun respectieve aandeel in de herschepping is slechts weinig bekend. Huybrechts voerde samen


Plan van de voorgevels van het

BLAD!

HET HUIS VAN P. P. RUBENS

3;

Rubenshuis aan de straatzijde, Emiel Van Averbeke 1938 (Planarchief KCML. nr. 281-3)

•

•

CE SrADaKtTOBOUW: : EM VAN AVERBEKE

I

ij y J g' r'

,

J-~^-*r'^T'^-tt'—^T~^yr

, <

~r rr r

g

y u n [

met Van Averbeke het onderzoek naar de bouwsporen uit (70). De Mol nam de leiding van de werkzaamheden op zich na de dood van Van Averbeke in 1946 maar hij was reeds eerder bij de herschepping van het Rubenshuis betrokken (71). Blommaert ontwierp diverse architecturale en ornamentele details voor het schilderhuys en leverde ook de bouwtekeningen voor het interieur van de halfronde beeldengalerij van Rubens (72). Een andere naaste medewerker van Van Averbeke was hoofdconducteur Theo Ruyten, die belast was met het dagelijks toezicht op het bouwterrein.

De Tweede Wereldoorlog Door de Duitse inval in België op 10 mei 1940 werden de werkzaamheden opgeschort maar reeds op 18 juni 1940 werden ze hervat (73). De Rubensfeesten, die gepland waren voor 20 mei, gingen uiteraard niet door, maar in augustus 1940 eiste de Duitse militaire overheid dat de stad alsnog een herdenkingsplechtigheid zou organiseren. Waarnemend burgemeester Leo Delwaide, die de naar Londen uitgeweken Camille Huysmans verving, weigerde en verklaarde nog liever ontslag te nemen. De Militarverwaltung stelde daarop zelf een programma voor de feestelijkheden samen. Er werd een vergadering op het stadhuis belegd, waaraan van Belgische zijde burgemeester Delwaide, van Stratum en Opsomer deelnamen en van Duitse zijde Stadtkommissar dr. Walter Delius (74) en Kulturreferent dr. Werner Reese. Er volgde een heftige discussie. De Belgische zijde trachtte de feestelijkheden tot een minimum te beperken en wilde geen ontvangst op het stadhuis. De burgemeester stelde als sprekers

Van Zype en Muls voor; de Duitsers weigerden de eerste en stonden erop dat de Duitsgezinde historicus Rob Van Roosbroeck een toespraak zou houden. Om zijn eisen kracht bij te zetten, zou Reese naar verluidt zijn pistool op het bureau van de burgemeester gelegd hebben (75). De Rubensherdenking vond uiteindelijk plaats op 16 en 17 november 1940. Het programma omvatte onder meer een uitvoering van de Rubenscantate van Peter Benoit en een tentoonstelling van Rubensgrafiek in het Museum voor Schone Kunsten. Er werden ook vier Rubenslezingen gehouden door respectievelijk twee Duitse en twee Vlaamse academici: dr. Hans Kruse uit Siegen, prof. Wilhelm Pinder uit Berlijn, Jozef Muls en Rob Van Roosbroeck. De Rubensherdenking werd duidelijk ingeschakeld in de cultuurpolitiek van de Militarverwaltung. In zijn welkomstwoord wees Stadtkommissar Walter Delius, die evenals Rubens in Siegen geboren was, op de nauwe verwantschap tussen de Vlaamse en Duitse kunst. Hij dankte de stad Antwerpen ook voor de herschepping van het Rubenshuis: "Rubens ist uns damit dergrqjie Beweis, dajL deutsche und flamische Kunst und weitergehmd deutsche und flamische Kulturauffassung aufs engste miteinander verwandt sind, da sie aus dem gleichen Quell des nordisch-germanischen Lehensgefühls stromen. Insofem begrüflen wires, dafl uns das joo. Todesjahr desgrojien Kunstmalers und nicht minder grojien Menschen Gelegenheit hietet, die enge Verhindung des Deutschtums mit dem Flamentum aufdiesem Gehiet der Kunst zu betonen und herauszustellen. (...) Der Stadt Antwerpen danken wir, daji sie uns durch die Veranstaltung dieser Gedenkfeier solche Stunden der

M & L I 23


De gerestaureerde straatgevels van het Rubenshuis in mei 1941 (uit CLIJMANS F„ Rondom den wederopbouw van hei Rubenshuis, Antwerpen, 1941, nr. 20)

De gevel van het atelier op de binnenplaats in maart 1941 {Ibidem, nr, 17)

24 I M

L

stopgezet bij gebrek aan lijnolie. Al het schrijnwerk voor het Rubenshuis, zowel binnen- als buitenwerk, werd gemaakt van eikenhout. Het buitenhoutwerk werd, vóór de plaatsing, bestreken met twee lagen lijnolie voor de goede bewaring. Van Averbeke deelde het college mee dat hij geen lijnolie meer kon vinden. Deze olie mocht niet meer verkocht worden zonder de toestemming van de Warencentrale voor Scheikundige Producten in Brussel. Hij verzocht het college dan ook "aan deze Warencentrale een vraag te willen zenden tot het bekomen van 100 l. lijnolie" en hij voegde eraan toe: "Deze vraag moet officieel door het Stadsbestuur gedaan worden en er dient in het bijzonder vermeld dat deze olie bestemd is voor de restauratie werken van het Rubenshuis.- Het ware wellicht gewenscht de tusschenkomst van den Heer Dr. Delias, Kommissar voor de Stad Antwerpen, in te roepen" (79). Drie weken later kreeg de stad toestemming om 100 liter lijnolie voor het Rubenshuis aan te kopen (80). Volgens Floris Prims, de toenmalige archivaris van de stad Antwerpen, heeft Walter Delius ervoor gezorgd dat de restauratie van het Rubenshuis kon worden voortgezet terwijl bijna alle andere bouwwerkzaamheden aan stadsgebouwen werden stilgelegd (81).

Begin 1942 - de ruwbouw was bijna klaar moesten de werkzaamheden worden stilgelegd bij gebrek aan geld. Verschillende steenhouwers kregen een ontslagaanzegging (82). De stad vestigde nu al haar hoop op de staat. Op 4 maart 1942 schreef burgemeester Delwaide een brief aan de commissarisgeneraal voor 's Lands Wederopbouw met een vraag om subsidie. Hij wees erop dat de stad reeds 10 miljoen frank besteed had, nagenoeg 75 procent van het totaal bedrag van meer dan 13 miljoen frank dat voor de restauratie, met uitzondering van de meubilering, nodig was. Hij sprak de hoop uit dat het Commissariaat-Generaal de resterende 25 procent zou subsidiëren (83). De burgemeester herinnerde aan "de hooge cultureele en nationale beteekenis van de restauratie van het huis van Rubens" Erhebung und Besinnung ermöglicht, wie wir Deutschm en merkte tevens op "dat zonder dezen financieelen steun vanwege het Rijk, de restauratiewerken ihr auch dafur dankbar sind, daji sie das Andenken ihres gröjiten Sohnes der Nachwelt durch die Errichtung onherroepelijk zullen moeten stilgelegd worden". De stad diende tevens een dossier in met de plannen des Rubenshauses in einer wundervollen Form fur van Van Averbeke en berekeningsnota's van de immer erhalten wird " (77). kosten van de uitgevoerde en nog uit te voeren werkzaamheden. In het najaar van 1940 deed zich op het bouwterrein een nijpend tekort aan bepaalde bouwmaterialen voor, waardoor de werkzaamheden vertraging Het Commissariaat-Generaal voor 's Lands Wederdreigden op te lopen. De beeldhouwer August opbouw (CGLW) was op 29 juni 1940 door de Amorgasti bijvoorbeeld kon zijn werkzaamheden in bezetter opgericht om de oorlogsschade te herstellen november 1940 niet meer voortzetten bij gebrek aan en de economie weer op gang te brengen. Op lange pleister. Van Averbeke verzocht het college daarom termijn had het CGLW tot taak de Belgische een aanvraag voor het vrijgeven van 600 kg pleister industrie in te schakelen in de Duitse economie te richten tot de Militarverwaltung (78). In april 1941 (84). Aan het hoofd ervan stond Charles Verwilghen, moest de plaatsing van het buitenhoutwerk worden vóór de oorlog secretaris-generaal van het Ministerie


van Arbeid en Sociale Voorzorg. Het CGLW bestond uit drie diensten, Tewerkstelling, Wederopbouw en Oorlogsschade. De Dienst voor Wederopbouw omvatte vier onderafdelingen: Planologie, Stedebouw, Architectuur en Monumentenzorg (85). Op 22 april 1942 zegde het CGLW toe de resterende werken, geraamd op 3.165.000 frank, voor 100 procent te subsidiëren. De stad Antwerpen diende hetzelfde jaar nog een aangepaste - hogere raming in, en ook hiermee ging het CGLW akkoord. Het totale bedrag van de subsidie steeg uiteindelijk tot 5,6 miljoen frank (86). Dankzij deze financiële steun konden de werkzaamheden voortgezet worden. Menige arbeider die op het bouwterrein werkte, ontsnapte zo aan verplichte tewerkstelling in Duitsland. In september 1942 werkten ongeveer 45 arbeiders aan het Rubenshuis. De meesten onder hen waren specialisten (87). In de week van 19-24 april 1943 werkten nog 34 arbeiders op het bouwterrein, 26 geschoolde en 8 ongeschoolde (88). De restauratie verschafte ook werk aan een achttiental beeldhouwers die tijdens de oorlog nauwelijks opdrachten kregen. Met de steun van het CGLW kon nu ook werk gemaakt worden van de aanleg van de tuin. Op advies van Van Averbeke gunde het college de opdracht daartoe aan de tuinarchitect Georges Wachtelaer en de tuinbouwkundige Emile Draps (89). Emiel Van Averbeke had zijn atelier ondertussen naar het Rubenshuis overgebracht. Zo kon hij de voortgang van de werkzaamheden van nabij volgen. Hij betrok eerst een lokaal op de benedenverdieping

maar toen het daar te rumoerig bleek, verhuisde hij naar een ruim vertrek op de eerste verdieping. Aan de toen nog kale muren hingen zijn schetsen en tekeningen (90). In 1942 nam de Studiecommissie het initiatief om een tentoonstelling aan de wederopbouw van het Rubenshuis te wijden. Deze tentoonstelling vond plaats van 29 augustus tot 13 september 1942 in het huis Osterrieth. De grote blikvanger was een maquette van 4 x 4 m van het toekomstige Rubenshuis. De tentoonstelling bestond verder uit foto's van de toestand vóór en tijdens de restauratie, de restauratieplannen van Van Averbeke, een selectie van de kunstwerken die aan de stad geschonken waren ten behoeve van het Rubenshuis en enkele archeologische vondsten. Er werden 5922 toegangskaartjes verkocht, ter waarde van 11.849 frank. Dit bedrag werd gebruikt voor de meubilering en stoffering van het Rubenshuis (91). Op 5 augustus 1942 vaardigde de Duitse militaire overheid een verordening uit waarbij bouwwerkzaamheden waarvan de totale kosten hoger waren dan 10.000 frank, aan een voorafgaande vergunning onderworpen werden. In de praktijk werden de meeste bouwaanvragen geweigerd en ook de aanvragen onder dit bedrag werden afgeremd. Het bouwverbod hield verband met de schaarste aan bouwmaterialen en de bouw van de Atlantikwall (92). Voor het Rubenshuis vroeg en kreeg de stad Antwerpen een tijdelijke opheffing van het bouwverbod (93). Toen de stad eind 1942 een aanvraag indiende om de Baugenehmigung te verlengen, rees er echter een probleem. Dr. Rosemann, Chef des Kunstschutzdienstes beim Militan>etwaltungschef{g^), vond de door Van Averbeke opgestelde kostenraming ten bedrage van 3.165.000 frank te hoog. De raming omvatte daarenboven uitgaven voor de inrichting van het interieur die niet als bouwwerkzaamheden beschouwd konden worden. Hij verzocht hem dan ook om een onderhoud (95). Op 5 januari 1943 begaven Van Averbeke en hoofdconducteur Theo Ruyten zich naar Brussel om Rosemann tekst en uitleg te verschaffen. Na dit onderhoud maakten ze een raming van de nog uit te voeren restauratiewerkzaamheden, die Ruyten op 14 januari 1943 voorlegde aan Rosemann (96). Van Averbeke schijnt echter onvoldoende tegemoet gekomen te zijn aan diens wensen want op 2 maart 1943 besliste de Militdrverwaltung de Baugenehmigung niet te verlengen (97). Echt verrassend was dat niet want de raming vermeldde grote hoeveelheden bouwmaterialen die door de bezetter als kriegswichtig werden beschouwd: 14 m' grint, 7 m3 Rijnzand, 18 m' wit zand, 50 m' Scheldezand, 15 m3 zavel, 30 ton cement, 1000 kg wit cement, 5 m3 gemalen kalk, 3500 kg pleister, 10 m3 eikenhout, 4667 kg

Toestand in 1995 van de tuin, de tuingevel van het schilderhuys en de achterzijde van de portiek (foto O. Pauweis}

M & L I 25


ijzer, 160 m eternietbuizen, 25 stuks T-stukken en dbogen (98) en 200 kg nagels. De totale kosten werden geraamd op 552.150 frank. Bijna al deze materialen konden ook gebruikt worden voor de bouw van bunkers. Daarbij kwam nog een raming voor de aanleg van de tuin ten bedrage van 328.000 frank (99). Even zag het ernaar uit dat de werkzaamheden definitief stilgelegd zouden worden, maar op 15 april 1943 besloot de Militarverwaltung de bouwvergunning tot eind 1943 te verlengen (100). De werkzaamheden konden dus voortgezet worden. Op 6 december 1943 verkreeg de stad andermaal een verlenging. Die was geldig tot 1 mei 1944 en de genehmigte Bausumme bedroeg 3.165.000 frank. Op 28 april 1944 diende de stad opnieuw een aanvraag tot verlenging van de bouwvergunning in bij het CGLW. De Militarverwaltungschefkemde ze op 8 juni 1944 goed. Het betrof BiWhauer- und Spezialarbeiten am Rubenshaus voor een bedrag van 250.000 frank. De vergunning was geldig tot 31 december 1944 (IOI).

Na de Bevrijding werd het CGLW afgeschaft en werden zijn leidende ambtenaren ontslagen. De taken van deze dienst werden grotendeels overgenomen door het Ministerie van Openbare Werken. Voor de restauratie van het Rubenshuis had dit echter geen gevolgen. De door het CGLW toegekende subsidies werden verder uitbetaald (102).

In 1958 werd een medaillon in brons met de buste van Emiel Van Averbeke op de tuingevel van de portiek aangebracht. De gedenkplaat werd ontworpen door de beeldhouwer Mare Macken

Van 7 oktober 1944 tot 30 maart 1945 sloegen ruim 500 Vi- en V2-bommen op de stad Antwerpen in, maar in het Rubenshuis werkten Van Averbeke en zijn medewerkers onverstoorbaar voort (103). Als blijk van erkentelijkheid voor zijn deskundigheid en toewijding verleende de stad Antwerpen hem op 26 maart 1945 de eretitel van Conservator van het Rubenshuis (104). Na zijn dood op 1 februari 1946 werden de werkzaamheden voortgezet onder de leiding van zijn medewerker Antoon De Mol. Op 21 juli 1946 werd het Rubenshuis ingewijd door burgemeester Camille Huysmans. In de daaropvolgende weken bezochten meer dan 50.000 belangstellenden het pand. Op 20 oktober werd het Rubenshuis weer gesloten om een centrale verwarmingsinstallatie te plaatsen en om de grote trap te voltooien (105). Eind 1946 vroeg de stad een bijkomende subsidie aan de regering voor de voltooiing van de restauratie en voor de interieurinrichting. De toenmalige premier Paul-Henri Spaak beloofde de nodige middelen snel beschikbaar te stellen (106). Op 14 juli 1947 zegde de minister van Openbare Werken een subsidie van 4,5 miljoen frank toe, die in de begroting werd opgenomen onder de rubriek Rijksgelden voor Werkverschaffing (107). In de lente van 1947 werd het Rubenshuis definitief opengesteld voor het publiek.

De restauratie van de portiek Na deze toelichting van de historische context van het restauratieproject kan worden ingegaan op de restauratie van de portiek en het tuinpaviljoen. Centraal staat hierbij de vraag hoe Van Averbeke en de Studiecommissie hun keuzes gemotiveerd hebben. De eigenlijke restauratiewerkzaamheden zullen hier slechts summier behandeld worden (108).

{foto O. Pauwels)

In zijn tweede verslag aan het college van 22 juli 1938 besteedde Van Averbeke veel aandacht aan de portiek. Tijdens het onderzoek van de portiek had hij het oorspronkelijke draagvlak van de balusters van de bekroning teruggevonden. De beelden en de vazen die volgens de gravures van Harrewijn op de portiek stonden, konden er volgens hem nooit op gestaan hebben omdat de basis ervoor te smal was. De achterzijde van de portiek was niet architectonisch uitgewerkt en bestond in de tijd van Rubens uit een gewone muur die allicht met een pleisterlaag was afgewerkt. De arcades van de portiek waren oorspronkelijk met ijzeren hekken (grillies) afgesloten en de portiek was door de eeuwen heen van opeenvolgende verflagen voorzien. In zijn verslag aan het college nam Van Averbeke vier vragen op in verband met de arkade, zoals hij de portiek noemde: "Moet de natuurlijke kleur der

26 I M & L


materialen behouden blijven of dient zij beschilderd? Moeten wij de arkade verlagen tot haar oorspronkelijke hoogte? Moeten wij de arkade langs den tuin een bouwkundige bewerking geven in den aard van den voorgevel? Moeten de grillies terug worden geplaatst? (er bestaat geen de minste teekening of aanduiding daarover)." Van Averbeke adviseerde het college de portiek te verlagen, de verflagen te verwijderen en een architecturaal uitgewerkte achtergevel op te trekken. Deze laatste keuze motiveerde hij als volgt: " Om een goeden steun aan de arkade te geven, moet deze toch langs de tuinzijde verzwaard worden en ter wille van het uitzicht langs daar is zekere bewerking toch gewenscht, wel niet zoo rijk als langs de binnenplaats, maar toch waardig genoeg om den tuin niet te ontsieren." (109). Uit het dagboek der werken blijkt dat de eerste werkzaamheden aan de portiek plaatshadden op vrijdag 21 april 1939: verf afbranden arkaden (110). Een nota uit 1942, waarin Van Averbeke een overzicht geeft van alle werkzaamheden die sinds

augustus 1937 waren uitgevoerd, bevestigt dat de verflagen verwijderd werden (in). Toch zijn er vandaag nog altijd sporen van de vroegere afwerkingslagen aanwezig (112). De eigenlijke restauratie ging van start in mei 1939. De portiek werd tot haar oorspronkelijke hoogte teruggebracht. In augustus en september 1939 kreeg de portiek een nieuwe achterzijde, naar een ontwerp van Van Averbeke, bestaande uit Franse kalkzandsteen en blauwe hardsteen uit Henegouwen (113). Op 3 oktober 1939 werden betonnen balken in de portiek aangebracht voor het ontlasten van de bogen (114)Op 10 en 11 mei 1940 werden al de werklieden - het waren er op dat ogenblik negen - opgevorderd "om dringende werken uit te voeren in het Museum voor Schone Kunsten" (115). De volgende dag werden maatregelen genomen om het beeldhouwwerk van de portiek te beschermen tegen oorlogsschade (116). De werkzaamheden aan de portiek werden vervolgens stopgezet en pas op 22 juli hervat (117).

De portiek en het tuinpaviljoen; in 1996 werd een luifel boven de portiek aangebracht om de degradatie van het beeldhouwwerk tegen te gaan (foto O. Pauweis)

M

L I 27


De tuingevel van het schilderhuys en de achterzijde van de portiek (foto O. Pauwels)

Detailfoto van de portiek (foto O. Pauwels)


Volgens de gravures van Harrewijn stonden er op de portiek twee beelden, die Mercurius en Minerva voorstelden (118). Hoewel Van Averbeke geen aanwijzingen had gevonden dat er ooit beelden op de portiek gestaan hadden, wenste de Studiecommissie toch bronzen replica's van deze beelden te laten maken. De beeldhouwer Edward Deckers kreeg opdracht om van elk beeld een model in klei maken, op een derde van de ware grootte. Na goedkeuring door de Studiecommissie moest hij de beelden op volle grootte in klei uitvoeren, uiterlijk op 15 maart 1940. Daarna zouden ze gegoten worden door de NV Compagnie des Bronzes in Brussel, en dit uiterlijk op 1 juli 1940. De totale prijs bedroeg 137.000 frank (119). Ten gevolge van de Duitse bezetting kon de Compagnie des Bronzes de vooropgestelde einddatum niet halen en moest ze meermaals om uitstel verzoeken. Het beeld Mercurius werd uiteindelijk pas op 24 maart 1942 op de portiek geplaatst, het beeld Minerva een dag later (120).

Het voorstel om het paviljoen volledig te slopen en te herbouwen, werd door de Studiecommissie verworpen. In plaats daarvan raadde zij het college aan het bestaande metselwerk te restaureren en daarna opnieuw te bezetten. Het college volgde het advies van de Studiecommissie. Alvorens met de restauratie van start te gaan, liet Van Averbeke eerst een gedeelte van het beeldhouwwerk vernieuwen. De opdracht hiervoor werd gegund aan de beeldhouwer Frans Claessens, leraar aan de Koninklijke Academie van Schone Kunsten. Zijn offerte ten bedrage van 15.000 frank voorzag in de vernieuwing van het onderste deel van het Honosbeeld in de nis, het voetstuk van dit beeld, de twee hermen (kariatiden), de kapitelen naast deze hermen en de twee voluten van de balustrade. In de offerte was bepaald dat het beeldhouwwerk zou worden uitgevoerd in witte Vaurionsteen (Massangis) (124). De restauratie van het paviljoen ging in november 1939 van start en duurde ongeveer een jaar (125). Op 7 november 1940 besloot het college een nieuw Ceresbeeld voor het tuinpaviljoen te laten maken

Het tuinpaviljoen (foto O. Pauwels)

Op wens van de Studiecommissie liet Van Averbeke ook bronzen replica's van de twee vazen maken die volgens de gravures van Harrewijn op de portiek stonden. Uit een brief van Van Averbeke aan het college van 4 februari 1941 blijkt dat de vazen toen reeds op de portiek geïnstalleerd waren en dat ze een gunstige indruk maakten (121). Uit vrees voor mogelijke beschadiging door luchtaanvallen in 1942 liet het college gipsen gietvormen en afgietsels van het beeldhouwwerk van de portiek maken door Antoine Hoefnagels (122).

De restauratie van het tuinpaviljoen Bij het onderzoek van het tuinpaviljoen in 1938 constateerde Van Averbeke tot zijn verwondering dat het niet uit 'duurzame materialen' was opgetrokken. De muren en de gewelven waren opgetrokken uit baksteen en daarna bezet. Hij verklaarde deze materiaalkeuze als volgt: "Depoorten der arkade waren met ijzeren grillies afgesloten (de oude sporen ervan werden teruggevonden) en wanneer de bezoekers alléén op de binnenplaats bleven was de keuze van de materialen, wat het paviljoen betreft dat ver in den hofgelegen was, van minder belang; het uitzicht was het voornaamste." Wat de restauratie van het paviljoen betrof, waren er volgens hem twee opties. "Aan dit paviljoen-zelf is niet veel te onderzoeken; het is bouwvallig en moet geheel gesloopt en herbouwd worden. Het vraagstuk is of deze herbouwing moet geschieden uit dezelfde materialen als de bestaande, d.i.t.z. uit baksteen en bezettingen, hetgeen onderhoud en na enkele jaren vernieuwing zal vergen, ofwel of wij voor de herbouwing enkel hardsteen zullen aanwenden?' (123).

A/I&L I 29


door de beeldhouwer Willy Kreitz. Een anonieme schenker had zich bereid verklaard de kosten voor dit beeld op zich te nemen op voorwaarde dat de stad het door Kreitz liet maken (126). Toen deze het model in gips gemaakt had, werd de bestelling van het beeld geannuleerd. De Studiecommissie was namelijk tot het inzicht gekomen dat het beeld dat ten tijde van Rubens in het paviljoen stond, niet Ceres maar wel Venus voorstelde. Daarop werd besloten een Venusbeeld door dezelfde beeldhouwer te laten maken. Het werd opgeleverd op 21 april 1944 voor 48.000 frank (127).

De herschepping van het schilderhuys In tegenstelling tot het woonhuis, dat tussen 176} en 1840 volledig gesloopt werd, bleven er van het schilderhuys twee opgaande muren bewaard, meer bepaald aan de noordzijde en de zuidzijde. Ook de dakkap bleef bewaard. De herscheppers van het Rubenshuis koesterden de hoop dat er ook sporen van de vroegere gevelafwerking zouden worden teruggevonden. Zoals gezegd was Max Rooses van mening dat de gevels van het schilderhuys in Rubens' tijd grotendeels met trompe-l'oeilschilderingen versierd waren.

Hij beriep zich hiervoor onder meer op de getuigenis van de Zweedse architect Nicodemus Tessin, die het Rubenshuis in 1687 bezocht had en wiens reisverslag in 1900 gepubliceerd was: "Rubens hauss darinnen er gewohnt, undt seine Werkegemahlt hat, welcher alfresco aufettzliche stellen ausswendig wahrgeschillert, hahen wir auch gesehen" (128). Rooses' stelling is vandaag algemeen aanvaard maar in zijn tijd was ze dat nog niet. Henri Blomme bijvoorbeeld hield vast aan de oude opvatting dat de gevels met borstbeelden en bas-reliëfs versierd waren. Paul Buschmann was evenals Max Rooses van mening dat de gevels grotendeels beschilderd waren en hij pleitte er dan ook voor de versieringen "20 weinig mogelijk in architecturaal en plastisch ornament" uit te voeren (129). Ary Delen sloot zich hierbij aan (130). Bij het bouwsporenonderzoek in 1938 bleek dat de ronde bogen van de noordergevel gedeeltelijk bewaard gebleven waren, net zoals het ronde raam boven de toegangsdeur. Er werden ook restanten van de oorspronkelijke bepleistering aangetroffen. Maar van de versieringen die op de prenten van Harrewijn te zien waren, vond Van Averbeke niets terug. Hij schreef hierover in zijn verslag aan het college: "Wat deze versieringen nu ook kunnen geweest

De gevels van het schilderhuys hebben in de loop der jaren een zeker patina gekregen, waardoor het contrast met de portiek nu minder groot is dan in 1946 {foto O. Pauwels)


Blik vanaf de binnenplaats op de hoofdingang met aan de linkerzijde het schiïderhuys en aan de rechterzijde het woonhuis (foto O. Pauwels)

zijn: beschildering of beeldhouwwerk, moeten wij veronderstellen dat met uitzondering van enkele vage gegevens voor het gelijkvloers, niets is kunnen gevonden worden dat beschildering of beeldhouwwerk doet vermoeden." Hij trok hieruit de opmerkelijke conclusie dat de noordergevel van het schiïderhuys oorspronkelijk helemaal niet versierd was: "Naar allen schijn was de noordergevel der werkplaats zeer eenvoudig opgevat; hij was denkelijk slechts bezet en gekalkt. De opzoekingen hebben bovendien het bestaan doen vermoeden van slagvensters {blafturenj, die - wanneer zij openstonden - al de schilderingen zouden bedekt hebben." Hij achtte het echter niet wenselijk de gevels opnieuw te bepleisteren: "De opzoekingen doen vermoeden dat de buitengevels van het schildershuis eenvoudig bezet waren. Daar bezetting voor de herstellingswerken geen degelijk materiaal is, moet hier dus iets blijvends worden aangewend." (131). Door het gebruik van 'iets blijvends' aan te raden, sprak hij zich indirect uit tegen muurschilderingen en voor een architecturaal uitgewerkte gevel. De kwestie van de versieringen gaf aanleiding tot felle discussies binnen de Studiecommissie. Delen vond dat de gevels van het schiïderhuys

32 I IVM L

opnieuw met muurschilderingen versierd moesten worden, zoals oorspronkelijk het geval was (132). Van Averbeke argumenteerde dat dit vanuit bouwkundig oogpunt niet wenselijk was omdat muurschilderingen in ons klimaat niet duurzaam waren (133). Zoals bekend volgde het college het advies van Van Averbeke. Voor het iconografisch programma moesten de herscheppers van het Rubenshuis terugvallen op de prenten van Harrewijn, andere iconografische bronnen waren er immers niet. De meeste beelden en bas-reliëfs van het schiïderhuys kwamen tot stand tijdens de Tweede Wereldoorlog en werden voor 100 procent gesubsidieerd door het CGLW. Bij de herschepping van het Rubenshuis waren niet minder dan 18 Antwerpse beeldhouwers betrokken (134). Dit grote aantal houdt verband met het feit dat het restauratieproject tevens een tewerkstellingsproject was. Vele beeldhouwers in de stad hadden het tijdens de oorlogsjaren moeilijk bij gebrek aan opdrachten. De stad wilde hen indirect steunen door elk van hen een opdracht voor het Rubenshuis te geven. Het grote aantal beeldhouwers bracht echter een praktisch probleem met zich mee. Aangezien elke


Binnenkrant Nr. 178 Bijlage bij M&L32/2 maart-april 2013

-iken Land eftinghe Verdunnen)


Chronologisch van opzet worden de verschillende hoofdstuk-

Literatuur

ken afgewisseld met een ruim geïllustreerde selectie van de belangrijkste projecten van het bureau. Ook het werk van Michiel Brinkman, de vroege zelfstandige realisaties van van der Vlugt, en de intrede van Joh. H. van den Broek die het

Jo Braeken

bureau na de Tweede Wereldoorlog samen met Jaap Bakema een internationaal elan zou geven, komen aan bod.

PQ

DE KEUZE VAN M&L Brinkman & van der Vlugt Architecten Rotterdams city-Ideaal In International Style Joris Molenaar Rotterdam, naioio uitgevers, 2012, 272 p., ISBN 978-94-6208-010-2

Restauraties

Overzichtswerk van het architectenbureau J.A. Brinkman &, L.C. van der Vlugt (1925-1936), pionier van het Nieuwe Bouwen

Dieter Nuytten

in Nederland, dat vooral bekend is van de als werelderfgoed genomineerde Van Nellefabriek in Rotterdam. Medeoprichter Jan Brinkman (1902-1949) erfde in 1925 het bureau van zijn vader Michiel Brinkman (1873-1925), een prominent Rotter-

GEPLANDE RESTAURATIE VAN DE SINT-DONAASTOREN TE LEUVEN

dams architect gespecialiseerd in utiliteitsbouw. Deze was overleden in volle voorbereiding van zijn meest prestigieuze

De Sint-Donaastoren geldt als één der oudste monumenten

opdracht, de nieuwe Van Nellefabriek. Als voorwaarde voor de

van Leuven en is gesitueerd in het historische stadscen-

voortzetting van het project, droeg opdrachtgever en Kees van

trum. De toren maakte deel uit van de eerste romaanse

der Leeuw de jonge Brinkman op zich te associëren met de

stadsomwalling, die vermoedelijk rond 1150 werd aangelegd

meer ervaren en ambitieuze Leen van der Vlugt (1894-1936),

en oorspronkelijk 31 torens telde. Na de aanleg van een nieuw

auteur van enkele opgemerkte Rotterdamse woningbouwpro-

verdedigingssysteem rond 1360 werd de oude stadsomwal-

jecten en van de Ambachts- en Nijverheidsscholen in Gronin-

ling niet meer gebruikt. De meeste oude verdedigingstorens

gen. Eens voltooid maakte de Van Nellefabriek grote indruk op

werden in de loop der tijden afgebroken, vandaag bestaan

de grootmeesters van het modernisme Walter Cropius, Le Cor-

geheel of gedeeltelijk nog zes torens. De Sint-Donaastoren is

busier en Richard Neutra. Het gehele oeuvre van het bureau

gelegen in het gelijknamige Sint-Donatuspark, het stadspark

Brinkman & van der Vlugt in Rotterdam kan worden aanzien

van Leuven.

als radicale expressie van een Modern C/fy-ideaal, mede bepalend voor de internationale uitstraling van de havenstad. De gestroomlijnde International Style waarvan het bureau zich tijdens zijn succesvolle zij het kortstondige bestaan bediende, vormt als het ware het beeldmerk van de nieuwe tijd. Naast architectuuriconen als de Van Nellefabriek, de Bergpolderflat, het Feijenoordstadion en de Nederlandse Rijkstelefooncel, spreekt vooral de onderkoelde luxe van de villa's Van der Leeuw en Sonneveld tot de verbeelding, waarvoor het bureau samen met de firma Cispen het complete interieur ontwierp.

De idee om een nieuw stadspark in te richten is ontstaan omstreeks het midden van de 19* eeuw. Sinds 1848 bestond een wandelpark langs de Tiensevest op gronden die eigendom waren van de Engelse Maatschappij voor de aanleg van Spoorwegen. Deze gronden werden ter beschikking gesteld van de stad zolang de maatschappij er zelf geen gebruik van maakte. In 1858 echter moest de stad de gronden teruggeven ten behoeve van de aanleg van de geplande spoorlijn naar Charleroi. Het plan werd dan ook opgevat om op de gronden van het Cildehof een nieuw park aan te leggen. Het Cildehof was gelegen langsheen de overgebleven muurresten van de eerste

BRINKMAN AN&& VANDERVLU( ER VLUGT ARCHITECTEN ECTENZJ

In dit fraai vormgegeven boek wordt

stadsomwalling. De schuttersgilde van Sint-Joris gebruikte

het oeuvre van Brinkman &. van

de gronden als oefenterrein sinds 1433: de eerste ringmuur

der Vlugt boeiend en toegankelijk

was toen buiten gebruik gesteld door de bouw van de tweede

beschreven vanuit het stedenbouw-

omwalling. Tijdens de Franse Revolutie werd de aanpalende

kundige perspectief van het zich

tuin van het Hoge Heuvelcollege aan het terrein toegevoegd:

vernieuwende Rotterdam, en in rela-

het geheel kreeg de naam Jardin Saint-Ceorges. Vanaf 1798

tie tot de radicalisering van de inter-

werd de tuin verhuurd aan gezelschappen ter organisatie van

nationale moderne architectuur vanaf

feesten en in 1835 werd er een Chinese kiosk in opgericht. In

de jaren 1920.

1867 werden de gronden van het uitgebrande Sint-Donatus-


college en In 1871 de tuin van het voormalige Atrechtcollege

metselwerk die de toren afsloot, schakelde de verweringproble-

en een deel van de tuin van het Premonstreitcollege aan het

matiek een versnelling hoger.

geheel toegevoegd. Ook enkele private tuinen werden aangekocht ter uitbreiding van het geheel.

Na de instorting ging de beheerder van de toren, de nieuwe erfgoedorganisatie Herita vzw (vroeger Erfgoed Vlaanderen)

Op 7 augustus 1868 schreef de gemeenteraad een ontwerp-

die de toren van de stad Leuven in erfpacht had genomen, over

wedstrijd uit voor de Inrichting van het nieuwe park. Het plan

tot enkele dringende noodingrepen (1). De struiken en planten

van Jacques Rosseels werd hierbij gekozen. Het ontwerp sluit

werden verwijderd en van een digitaal beeld van de toren - een

aan bij de traditie van het landschappelijk aangelegd park

'fotogrammetrische opname' - werd een gedetailleerde werk-

waarbij het behoud van de stadsmuur en toren vooropston-

tekening gemaakt. De aarde in de toren werd uitgegraven, de

den. De inrichting van het stadspark in de tweede helft van de

vrijgekomen gewelfresten werden gestut en een overdekking

19* eeuw gebeurde onder leiding van tuinarchitect Fuchs, die

tegen de regen werd aangebracht. Daarna kon het plan tot een

als voorzitter van de jury de leiding overnam na het overlijden

algehele restauratie worden opgevat. In overleg en samen-

van Rosseels. De werken duurden tot omstreeks 1875. Hierbij

spraak met de diensten van Onroerend Erfgoed en van de stad

werden delen van de resten van de in het stadspark gelegen

Leuven, werden de restauratieopties vastgelegd. Er wordt geko-

stadsmuur gesloopt omwille van dreigende stabiliteitsproble-

zen voor een zeer conserverende restauratie met als uitgangs-

men waardoor de overblijvende toren in 1884-1885 volledig vrij

punt de toren te consolideren als ruïne binnen het stadspark.

kwam te staan. Met recuperatiesteen werd rond de voortaan

Het ingestorte gewelf van de torenkamer zal gereconstrueerd

geïsoleerde toren een trap aangelegd van aan de veldzijde tot

worden met gebruik van de uit de instorting gerecupereerde

aan de stadszijde. Hoewel het oorspronkelijke ontwerp van

stenen. Bovenop het gewelf zal een waterdichting aangebracht

Rosseels hierin niet voorzag, werden in 1890-1891 bijkomend

worden, beplant met zorgvuldig uitgekozen vegetatie in aan-

waterpartijen aangelegd. In 1898 werd naar ontwerp van stads-

sluiting op de spontane begroeiingen voorkomend op oude

ingenieur Frische de huidige halfronde kiosk aangelegd aan de

muren en ruïnes. Het natuurstenen parement zal mild gerei-

westzijde van het park.

nigd worden en het kernmetselwerk van de muren van de toren verstevigd om het verder opengaan van de constructie tegen

Op 1 maart 1978 is de Sint-Donaastoren bij Koninklijk Besluit beschermd als monument, samen met de muziekkiosk en de poort van het voormalige Van den Winckele college. Het Sint-

te gaan. Als randvoorwaarde bij de restauratie is ook gesteld om de fraaie en imposante treurbeuk net naast de toren bij de werken te ontzien.

Donatuspark werd gelijktijdig beschermd als stadsgezicht. Om veiligheidsredenen werd de toren, die voorheen toegankelijk

Om het ontwerp concreet uit te werken zijn door vzw Herita de

was voor het publiek, gesloten. In 2004 stortte aan de stad-

ontwerpers Barbara Van der Wee voor de toren en Erik Dhont

zijde een deel van de toren in: hierbij verdween een gedeelte

voor de omgevingsaanleg in het park aangesteld. Zij voerden

van de ^"-eeuwse invullingswerken en een groot stuk van

een gedegen studie uit naar de bouwgeschiedenis van de toren

het bolronde gewelf van de nog aanwezige torenkamer. Als

en stelden een digitaal 3D-model op. Op die wijze kon inzicht

oorzaak van de instorting golden de struiken en klimop op de

verworven worden hoe het torenvolume zich verhoudt tot de

bovenste rand van de toren die met hun wortels de bovenste

verdwenen stadsomwalling. Een maquette werd gemaakt ter

rand van de steenblokken naar buiten duwden. Binnenin de

ondersteuning van het landschapsontwerp, dat voorziet om de

toren had zich aarde en zand opgehoopt, dat voor een extra

toren via een nieuw wandelpad te kunnen benaderen.

druk en belasting zorgde. Deze aarde, aangevuld met het

De aanleg van taluds aan veld- en stadzijde leidt tot een land-

regenwater dat via de bovenzijde in de toren liep, zette druk

schappelijke integratie van de toren terwijl nieuwe vegetatie

op de muren van de toren, waardoor de romp op verschillende

aan de voet het verdwenen deel van de stadsmuur zullen

plaatsen dreigde open te splijten. Naast de gevolgen van de

evoceren. Op 17 december 2012 kende Vlaams minister Geert

instorting omvat de problematiek van de toren voornamelijk

Bourgeois, bevoegd voor Onroerend Erfgoed, een premie van

problemen van conservatie van de toren (regeninsijpeling,

326.287,26 euro toe voor restauratie van de Sint-Donaastoren (2).

verwering van het parement...) gecombineerd met een fun-

Dankzij de restauratie zal de torenruïne haar dubbele rol als

deringsprobleem. Rekenkundig gezien is het gewicht van de

enerzijds een historisch zeer waardevolle bouwkundige getuige

toren namelijk te hoog in functie van de draagkracht van de

van de romaanse stadsomwalling en anderzijds als 'folie' in

bodem. Door de aanleg van het stadspark zijn eveneens de

het landschapspark van Leuven opnieuw ten volle kunnen

oorspronkelijke taluds aan de voormalige veldzijde en stad-

waarmaken.

zijde weg gegraven waardoor de funderingen van de toren volledig vrij zijn komen te liggen: de toren heeft met andere woorden geen ingegraven funderingen meer met problemen rond vorst en onderspoeling tot gevolg. Door de instorting van het gewelf van de torenkamer, een half koepelgewelf dat overgaat in een tongewelf, en de i9de-eeuwse wand met invul-

(1) Zie tevens de website van de nieuwe erfgoedvereniging; www.herita.be {2) Persbericht van Vlaams Minister voor Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois van 17 september 2012. De raming van de totale werken bedraagt 526.673,90 euro (excl. BTW) waarvan 490.288,90 euro voor betoelaging in aanmerking komt.


ingrijpende interventies. De onderlaag vertoonde talrijke ano-

Congres

malieën en verstoringen met een uiteenlopend karakter ten gevolge van opvullingen en mortelherstellingen. De eigenlijke picturale laag was vervuild en verkleurd en het totaalbeeld werd bepaald door vele bij- en overschilderingen. Voorafgaand

Dieter Nuytten

aan de conserverende restauratie is een uitgebreid archief- en materiaaltechnisch onderzoek gevoerd. Er werden monsters genomen ter identificatie van bindmiddel en laagopbouw. Het

PQ

STUDIEDAG 'CONSERVATION ISSUES ON PAINTINGS IN SITU' DOOR HET KLEURHISTORISCH PLATFORM, RIJKSDIENST CULTUREEL ERFGOED TE BREDA op 13 december 2012

onderzoek in situ had een meerledig doel: de materiaaltechnische opbouw begrijpen, inzicht verschaffen in de impact van de verschillende 20s,e-eeuwse restauratieve ingrepen en de bewaringstoestand evalueren. Er werd een gedetailleerd schadebeeld opgemaakt dat als basis diende voor de verdere aanpak, Perla Colombini, professor analytische scheikunde aan het

Om kennisuitwisseling te bevorderen organiseert de Rijks-

departement Scheikunde van de universiteit van Pisa, lichtte

dienst sinds 2005 drie maal per jaar een Kleurhistorisch

hierop aansluitend uitgebreid de resultaten van de laboratori-

Platform. Uiteenlopende onderwerpen op het gebied van res-

umonderzoeken van de ontnomen monsters toe.

tauratie en conservatie van schilderwerk in en op gebouwen komen aan bod. Het platform staat open voor elke professio-

Marjan Buyle presenteerde het onderzoek naar en de restaura-

neel geïnteresseerde. Het beoogt, behalve kennisuitwisseling,

tie van de Christoffelschildering in Mechelen onder leiding van

het werkterrein van de diverse disciplines te leren kennen. Een

haarzelf en Anna Bergmans, erfgoedonderzoekers bij Onroe-

actieve bijdrage van de deelnemers wordt daarom verwacht.

rend Erfgoed. De schildering te Mechelen werd rond 1400

Per bijeenkomst geeft een aantal sprekers een voordracht met

geschilderd, ruim een eeuw eerder dan deze te Breda. Tijdens

aansluitend ruimte voor discussie. Op die manier wil het plat-

restauratiewerkzaamheden van de gotische Sint-janskerk te

form het beheer en de instandhouding van kleur en schilderingen op een hoger plan brengen. Het vindt drie keer per jaar plaats op de tweede donderdag in februari en oktober en op de tweede woensdag van juni. Het hoofdonderwerp op het platform van december 2012 was de muurschildering van de Heilige Christoffel in de Grote Kerk van Breda. Deze werd in de 20stc eeuw tweemaal gerestaureerd. Een eerste maal na de vrijlegging in 1908 door restaurator Helwegen (atelier Cuypers) en een tweede maal tussen 1956 en 1963 door kunstschilder-restaurator Rovers. Daarbij werden ontbrekende delen van de onderlaag of de bepleistering terug aangevuld en gecompleteerd, en de schildering zelf ten dele op soms wat (te) kunstzinnige wijze gereconstrueerd. Onlangs werd de schildering een derde maal conserverend gerestaureerd. De schildering was ernstig vervuild, voornamelijk ten gevolge van de aard en de eigenschappen van de aangebrachte en getinte protectielaag.

Bernard Delmotte presenteerde de mogelijkheden en oplossingen van de conservering en restauratie van de schildering. Vanuit conservatorisch standpunt konden de opvullingen uit vroegere restauraties (gipsstopsels en cementvullingen) en de verkleurde laag best verwijderd worden. Dit had voor gevolg dat vroegere retouches werden weggenomen en de originele, weliswaar gehavende, schildering beter tot haar recht kwam. De opdracht bestond er aansluitend in een kleurretouche en -integratie uit te voeren zonder te concurreren met de oorspronkelijke schildering en zonder afbreuk te doen aan de authenticiteit ervan. Karin Keutgens verduidelijkte de schadeinventarisatie en in situ opname. De schildering was gecontamineerd door de vorige.

Muurschildering met St.-Christoffel in de St.-Janskerk te Mechelen (foto K. Vandevorst)


Mechelen werden fragmenten van de muurschildering aange-

territoria en samenleving' en Artistieke creatie-media en

troffen achter het i8de-eeuwse orgel en bij het verder blootleg-

communicatie'. Er worden nationale en internationale samen-

gen door het conserveringsteam kwamen twee monumentale

werkingsverbanden opgebouwd ter bevordering van beheer,

figuren te voorschijn, samen met architectuurpolychromie en

conservatie en valorisatie van het natuurlijke, artistieke en

geschilderde stenen consoles. De schilderingen representeren

architecturale patrimonium van Wallonië.

St. Christoffel en St. Joris met de draak en hebben een grote artistieke kwaliteit. Tijdens de restauratie zijn analyses verricht

Het onderwerp van deze eerste studiedag uit een geplande

naar de schildertechniek en de gebruikte materialen. Het histo-

reeks, focuste op de techniciteit van stuc- en staffwerk en aan-

risch- en kunsthistorisch onderzoek van de schilderingen lijkt

verwante technieken en de evolutie binnen de toepassing ervan

het mogelijk te maken om de schilderingen te plaatsen binnen

in historische interieurs. Doel van het symposium, dat weten-

de context van de Bourgondische periode en het artistieke

schappelijk werd voorgezeten door gerenommeerde academici

klimaat rond de eeuwwisseling (ca 1400). Zij zijn daarmee een

van enkele Belgische universiteiten (Leuven, Cent, Namen,

unieke getuigenis van de schildertraditie uit de periode vóór

Louvain-la-Neuve) is om archeologen, architecten, (kunst)

die van Jan van Eyck.

historici, ingenieurs en restaurateurs samen te brengen en in dit domein nieuwe inzichten uit te wisselen. De concentratie

In het namiddagprogramma kwamen diverse onderwerpen

ligt op het verkennen van (ver)nieuw(end)e onderzoekstech-

aan bod: Making Art in Tudor Britain, a technical analysis of

nieken, al is er nog steeds ruimte voor traditionele kunsthisto-

early vf* century royal portraits in the NPC and at Knole house in

rische aspecten als stijl (kunde) en vergelijkend iconografisch

Kent (door Catherine Daunt, London); Darkening of gilt leather

onderzoek.

hangings in the Netherlands, a characterising degradation phenomena of two case-studies, Sint Pietershof Hoorn and Weeshuis

De studiedag werd ingericht in drie thematische onderwerpen,

der Hervormden Schiedam (door Martina Posthuma de Boer,

te weten de atelierpraktijk en de werforganisatie (voorgezeten

universiteit van Amsterdam); The Application ofSohent Cels

door Krista De Jonge en Yvette Vanden Bemden), de vormen

in the Conservation of Historic Interiors (door Willianne van der

en modellen (voorgezeten door Anna Bergmans) en tenslotte

Sar, University of Amsterdam); Monumental Art, Technique

de hedendaagse praktijk van onderzoek en restauratie (Pierre-

and Experiment (door Rutger Morelissen en Simone Vermaat,

Yves Kairis).

Rijksdienst Cultrueel Erfgoed Nederland); Efflorescence, an investigation of selected paintings from the ig'*' to 21st century

Binnen het eerste thema belichtte Conor Lucey van het Uni-

with a preliminary experimental study of the role of moisture in

versity College Dublin in de eerste lezing, de traditie van de

the development of efflorescence (door Luciana Akerlund, SRAL-

historische decoratiepraktijk aan de hand van historische

Courtauld).

(geschreven) bronnen in Ierland. Vele historische interieurs in moderne stadswoningen, werden serieel vervaardigd tijdens de bouw van het pand door investeerders met het oog op latere

Dieter Nuytten

verkoop, zodat zij niet gestuurd werden door de smaak van de individuele eigenaar maar door de heersende markt. Nicolas Cordon, verbonden aan de universiteit van Parijs {Panthéon-

STUDIEDAG 'DECORS INTÉRIEURS DANS L'ARCHITECTURE DE L'ÉPOQUE MODERNE (XIVE-XIXE SIÈCLES): STUCS, STAFF ET TECHNIQUES APPARENTÉES'TE NAMEN, 14 december 2012

Sorbonne) belichtte het uitgelezen kunstzinnige ambacht van de stucwerkartiesten die aan het werk waren in de Sala Regia van het Vaticaans Paleis te Rome. De derde spreker ging dieper in op de nog niet afgesloten discussie of uitvoerders van stucwerkdecoratie, in dit geval in de context en tijdperiode van de Florentijnse barok, eenvoudige uitvoerders dan wel crea-

Dit symposium omtrent decoratietechnieken in historische de

interieurs in de moderne tijd, zijnde de periode van de T6 tot de i9

de

eeuw, werd georganiseerd door de onderzoeksgroep

tieve ontwerpers waren. Rafaella Fontanarossa (universiteit Bologna) gaf een overzicht van decoratieve aspecten in de interieurs van de i8de-eeuwse particuliere grote stedelijke resi-

AcanthuM binnen het departement Kunstgeschiedenis en

denties {'hotels') in Genua. Joris Snaet en Lode De Clercq licht-

Archeologie van de Faculteit Filosofie en Letteren van de uni-

ten hun interessante onderzoek toe van het stucwerkplafond

versiteit van Namen. AcanthuM groepeert onderzoekers in de

van het lustpaviljoen van het kasteel van Gaasbeek, dat wat te

domeinen van kunstgeschiedenis, archeologie, geschiedenis

zijner tijd op het gebied van de italianiserende typologie van

en geografie met als doel om de onderzoeksmethodiek naar

de decoratieve motieven een buitenbeentje blijkt te zijn in de

de menselijke impact op de loop van de geschiedenis meer

context van de Zuidelijke Nederlanden. Laura Goedert behan-

te diversifiëren en een nieuw elan te geven. Hierbij wordt een

delde de overgang van de techniek van stucwerk naar deze van

diachronische en interdisciplinaire benadering nagestreefd. De

staffwerk aan de hand van voorbeelden van de rijkelijke inte-

projecten van de onderzoeksgroep belichten drie thematische

rieurs van de particuliere stadsresidenties uit de i9 de eeuw in

polen: 'Architectuuren monumentale omgeving', 'Milieu-

de historische binnenstad van Namen.


Binnen het tweede thema, gaf Fabrice Ciot (universiteit Louvain-la-Neuve) een panoramisch overzicht van de kunst van het stucwerk in de toegepaste kunst van de Zuidelijke Nederlanden van de i / 1 ' en i8 de eeuw. Hij roept op tot grotere

Ö

aandacht voor de realisaties van de vele lokale stucartiesten,

CU

die kaderen in een ruime Noord-Europese stuctraditie. Viviane

ö

op de uitbundige en kleurrijke stucdecoratie van het kasteel

PQ

Delpech (universiteit Pau) concentreerde zich in haar bijdrage van Abbadia te Hendaye (Baskenland), een schitterend voorbeeld van I9de-eeuwse oriëntalisme. In de lezing van Linda Van Santvoort (universiteit Gent) maakten we kennis met een nog weinig gekende grote naam uit de i9 de Belgische interieurkunst: de Fransman Georges Houtstont (1832-1912) bleek in zijn tijd een zeer geapprecieerde stuckunstenaar te zijn waar alle grote architecten graag beroep op deden bij de realisatie van belangrijke openbare gebouwen. Zijn rol in de architecturale expressie van de openbare interieurarchitectuur te Brussel bleek in de periode begrepen tussen 1865 en 1910 dan ook

Reliëf met de voorstelling van de Roem van het paviljoen van de Belgische sectie voor Moderne Sierkunst op de internationale tentoonstelling van Milaan in 1906. Het paviljoen werd ontworpen door Horta (© KIK)

aanzienlijk te zijn geweest. van beeldend kunstenaar Pieter Braecke (1858-1938), waarop Binnen het derde thema, gaf als eerste Eloy Koldewij (interieur-

Victor Horta vaak een beroep deed en die een hevig voorstan-

specialist van de Nederlandse Rijksdienst voor het Cultureel

der was van de integratie van beeldhouwkunst en architectuur.

Erfgoed) een overzicht van de stand van zaken van het onder-

De poster houdt terecht een warm pleidooi om aandacht voor

zoek naar historisch interieurs bij onze dierbare Noorderburen.

de door zijn weduwe aan de stad Nieuwpoort geschonken

Het blijkt dat hier de laatst decennia een hoge vlucht wordt

waardevolle collectie gipsmodellen.

genomen, die zich vertaald in een gevoelige toename van het aantal wetenschappelijke publicaties rond het thema: een

De studiedag was de eerste van een geplande reeks van een

ontwikkeling die ook bij ons hopelijk niet lang meer op zich

cyclus van wetenschappelijke overlegplatforms met als onder-

laat wachten. Laurence Lavergne en Georges-Louis Barthe

werp de decoratietechnieken in historische Interieurs in de

gaven een uitvoerig inzicht in de concrete restauratie van de

moderne tijd. Laat ons hopen op een vervolg op hetzelfde

historische interieurs van het indrukwekkende kasteel van

wetenschappelijke niveau zodat een mooie traditie kan worden

Suze-la-Rousse in de Drómestreek: een op het eerste gezicht

Ingezet waardoor de studie, het behoud en de restauratie van

forse middeleeuwse verdedigingsburcht waarvan de inwendige

waardevolle historische interieurs een verhoogde, meer dan

gebouwen door een fijnzinnige architectuur van de italiani-

verdiende en noodzakelijke aandacht krijgt.

serende renaissance zijn vormgegeven. De interieurs werden meermaals getransformeerd waarbij tot vandaag de luchtige rococo stucwerken zijn bewaard gebleven en onderwerp uitmaakten van een doorgedreven restauratie. Restauratiearchi-

Inge Verdunnen

tect Paul Hauteclerc (universiteit Luik) ging als laatste spreker de niet eenvoudige discussie tot waar en op basis waarvan een verdwenen historisch decor kan gereconstrueerd worden niet uit de weg.

HEDWICE-PROSPERPOLDER: GESCHIEDENIS ONDER WATER? ONTPOLDERING IN HISTORISCH PERSPECTIEF

Naast boeiende lezingen, werden tijdens de studiedag ook enkele posters gepresenteerd. De poster van Ines Castaldo

Op 8 maart 2013 werd in Middelburg een studiemiddag geor-

behandelde de veelvuldig toegepaste techniek van de imitatie

ganiseerd met als titel 'Hedwige-Prosperpolder: geschiedenis

van materialen, en meer bepaalde de marmerimitatie in de

onderwater? Ontpoldering in historisch perspectief'. Deze

Franse interieurkunst van de ly"*6 en i8 de eeuw, die niet louter

dag kaderde In het onderzoeksprogramma People, Spaces

om redenen van financiële spaarzaamheid werd toegepast. Het

and Places van het Posthumus Instituut van de Universiteiten

onderwerp van de poster van Barbara Rinn belicht een onlangs

Antwerpen en Utrecht.

ontdekt stucplafond uit 1610 te Lübeck, kaderend binnen de recente ontdekkingen van een aantal zeldzame i7 de eeuwse

Het dossier 'Hedwige-Prosperpolder' en de nakende ont-

stucplafonds in Duitsland. De poster van collega Catheline

poldering is een druk besproken onderwerp dat niemand

Metdepenninghen en oud-collega Marcel Cells toont de resul-

onberoerd laat. In dit debat kwam de stem van historici en

taten van hun waardevolle onderzoek naar het leven en werk

historisch-geografen tot nu toe slechts weinig aan bod, hoewel


het proces van ontpoldehng ook voor hen de aanleiding vormt

Wat het tweede vraagstuk betreft, heeft de Zeeuwse bevolking

tot een aantal reflecties. Om die reden werd een studiemiddag

een traditie van ruim 500 jaar in de omgang met het water.

georganiseerd uitgaande van een aantal relevante thema's en

Eens een stuk grond op het water veroverd was, werd het niet

vragen. De focus lag daarbij enerzijds op het historisch belang

gemakkelijk opgegeven, tenzij het economisch of technisch

van polders en het proces van ontpoldering. Anderzijds werd

niet meer houdbaar was. De grote inpolderingen in de I5de en

ook gewezen op de nood aan duurzame reflectie over de rol

i6 de eeuw gingen ook gepaard met een mentaliteitswijziging

ö ö

van het verleden in actuele debatten rond de ontwikkeling van

waarbij de zee als vijand werd beschouwd die bestreden moest

de Noordzeekust en het mondingsgebied van de grote rivie-

worden. Deze offensieve houding t.o.v. het water bleef lange

ö

ren. Met een afsluitend debat hoopte de organisatie van deze

tijd een paradigma in Zeeuws-Vlaanderen. Zelfs wanneer de

•rH

studiedag tot een aantal bedenkingen te komen waar zowel

rendabiliteit van de polders achteruitging in de ^•J''e eeuw bleef

belanghebbenden, beleidsmakers als politici, in het kader van

men standhouden omwille van de veiligheid van de achterlig-

het dossier Hedwige-Prosperpolder en andere vergelijkbare

gende polders. Het fenomeen van de calamiteuze polders,

dossiers, hun voordeel mee kunnen doen.

die in de i8 de eeuw enkel door staatssteun in stand gehouden

Als eerste spreker boog Piet van Cruyningen (Huygens-INC,

opgegeven. Het huidige idee van ontpoldering in functie van

Wageningen University) zich over de vraag in welke mate de

de veiligheid gaat lijnrecht in tegen deze jarenlange heersende

hardnekkige weerstand tegen ontpoldering in het kustgebied

opvatting, waarbij bedijking en inpoldering in teken van veilig-

konden worden, toont aan dat bedijkt land in geen geval werd

historisch te verklaren is en hoe groot die 'angst voor het

heid werden gezien, en kan dus op weinig begrip rekenen bij

water' in werkelijkheid is.

de Zeeuwse bevolking,

Een historisch voorbeeld van dergelijk hardnekkig verzet, is

Hoe zit het tenslotte met de argumenten pro ontpoldering?

de Arkenheemse Polder waar in 1958 een plan tot ruilverkave-

Het creëren van een estuariene natuur door actieve natuur-

ling uiteindelijk werd afgevoerd, na grootschalig protest van

bouw roep tegelijk de vraag naar duurzaamheid op. Zonder

de polderboeren. Deze door de beleidsmakers goed bedoelde

beheer riskeert het gebied immers volledig dicht te slibben.

poging tot modernisering vond geen gehoor bij de boerenbe-

Er zijn ook bedenkingen omtrent het argument van veiligheid.

volking die een totaal andere redenering volgde. Voor zelfstan-

Wat dat betreft stellen Lases &, De Kraker (2009) dat in de

dige landbouwers was het idee van de eigen grond te verliezen

nasleep van de ontpoldering het uit veiligheidsoverwegingen

immers onaanvaardbaar. Daarenboven was het ook cruciaal

noodzakelijk zal zijn, een kering te maken in de monding van

om als boer schuldenvrij te zijn. Door een gebrek aan inzicht

de Westerschelde.

in deze manier van denken, bleven politici en boeren in deze kwestie lijnrecht tegenover elkaar staan. De plannen werden

Tim Soens (Universiteit Antwerpen) focuste in zijn lezing op

definitief afgevoerd en de polder bleef onveranderd. Door het

de lange voorgeschiedenis van ontpoldering en daaruit voort-

behouden van het kleinschalige karakter werd deze polder veel

vloeiend de moeilijke positie van de polder vandaag, tussen

later uiteindelijk omgezet in een Natura 2000-gebied.

haven en natuur. Uitgangspunt was de aliënatie of vervreemding tussen mens en natuur, hoewel de impact van de mens

Het huidige Zeeuwse verzet tegen de ontpoldering bevat twee elementen die nader moeten bekeken worden. Enerzijds is er het agrarische belang van de gronden, anderzijds is er de 'problematische' relatie van de Zeeuwen met het water. Wat de eerste kwestie betreft, lijkt het logisch dat het verlies van kwaliteitsvolle landbouwgrond bij de boeren op weinig begrip kan rekenen. Waar in het buitenland meer en meer het signaal wordt gegeven dat het areaal landbouwgrond moet worden uitgebreid, kiest Nederland voor een omzetting naar natuurgebied. Bij veel landbouwers leeft daarenboven het gevoel dat de landbouw geleidelijk aan wordt opgeslokt door grote natuurprojecten en dat dit een onomkeerbaar proces is waar ze geen vat op hebben. Naast dit logisch verzet van de boeren, blijkt echter dat de ontpoldering ook bij een breder publiek op verzet stuit. De angst voor het water of beter gezegd, het bewustzijn van het risico op overstromingen, is namelijk iets dat leeft bij alle Zeeuwen. Men zou kunnen spreken van een voortleven van het overstromingsgevaar in het collectieve geheugen van alle inwoners van laaglandgebieden. Dit toont aan dat ook andere sectoren naast de landbouw gemobiliseerd kunnen worden voor een breed verzet.

Het Verdronken Land van Saeftinghe (foto I. Verdurmen)


overal aanwezig is. De spreker ziet deze ecologische vervreem-

worden. In tegenstelling tot een opsplitsing van het gebied

ding als het resultaat van een historisch proces, waarbij de

in verschillende zones en een radicale ontpoldering, wordt er

bewoners van het estuarium losgekoppeld werden van hun

gepleit voor een geleidelijke vernatting van een groot gebied.

leefomgeving en de mens steeds meer afstand nam van de

Het historisch verhaal kan hierbij een meerwaarde vormen

rivier. In dit proces van ongeveer 1000 jaar kunnen vier grote

voor de toekomstige inrichting, door een verhoging van de

stappen onderscheiden worden.

betrokkenheid van de lokale gemeenschap, van de draagkracht van het project en van de aantrekkelijkheid van het gebied voor

• 1—1

PQ

Een eerste stap omvat de lange periode voor de definitieve

bezoekers. De rol van het verleden, zowel van het water als van

inpoldering, toen er sprake was van tijdelijke bewoning en

de menselijke getuigen, moet geïntegreerd worden, want het

buitendijks landgebruik. Reeds sinds de prehistorie werd het

gaat om een bijzonder leesbaar historisch landschap. De spre-

natte ecosysteem extensief gebruikt onder de vorm van vis-

ker houdt ten slotte ook een pleidooi voor een cursus 'water-

en vogelvangst, weiden van schapen etc. Vanaf de I2 de -i4 de

educatie' voor inwijkelingen, om zo de kennis van ecologie en

eeuw werd in deze gebieden de wet van het wildernisregaal

overstromingsgeschiedenis te verhogen en opnieuw een lokale

van kracht wat een monopolie door de graven van Vlaanderen

betrokkenheid bij de polder te creëren.

inhield. Alle woeste gronden werden bij wet opgeëist waardoor veel mensen plots afgesloten werden van het gebruik van deze

Peter Vos (Deltares) schetste de evolutie van natuurlandschap

gronden. Een tweede stap in het proces van vervreemding is

naar cultuurlandschap in het Holoceen, als historisch kader

de inpoldering van deze gronden in de i6 de eeuw waardoor een

voor het huidige landschap. De ontstaansgeschiedenis van

enclosure optreedt. Door de in te polderen gronden te verkopen

het Scheldegebied moet immers mee in rekening gebracht

aan rijke families, verschuift de macht over deze gebieden van

worden, bij huidige en toekomstige ingrepen in de Zeeuwse

de graaf naar de steden. De militaire inundaties door Farnese

kustdelta.

in 1583 zorgen voor een tijdelijk intermezzo gekenmerkt door een terugkeer naar het oorspronkelijk gebruik van de natte

Aan het begin van het Holoceen is er sprake van een 'verdrin-

gronden en een minder intensief gebruik van het ecosysteem.

king' van de Noordzee waarbij de landschapsvorming bepaald

In het begin van de i7 de eeuw start men met de definitieve

wordt door een stijgende zeespiegel. De huidige polder

bedijking van de polders en worden de gronden omgezet naar

bestond rond 5500 vC uit een grote zandtong met een steeds

grote commerciële akkerbouwpolders. Hoewel de buitendijkse

verder opschuivende veengordel. Vanaf 2750 vC leidde een

activiteiten nog blijven bestaan, kennen ze een duidelijke ach-

dalende zeespiegel tot de verlanding van heel West-Nederland

teruitgang. De huidige relicten en het hedendaagse landschap

met een stijgende opslibbing in de bekkens. Dit ging gepaard

dateren in hoofdzaak uit deze periode. Een derde stap in de

met een sterke uitbreiding van de reeds aanwezige veenlaag.

vervreemding wordt omschreven als de professionalisering van

Zo ontstond de gesloten kustlijn van Nederland, waarbij enkel

de waterstaat en wordt getekend door een 'negatief' contact

de grote rivieren nog uitliepen op de zee. Deze situatie bleef

tussen boer en waterstaat. Van de i7 de tot de 20 !,e eeuw waren

onveranderd tot aan de Romeinse periode waarin sprake was

de polderbesturen in feite kleine clubs van grote eigenaars met

van een grootschalige veenvorming. In dit uitgestrekt veenge-

een concentratie aan lokale kennis. Doorheen de jaren was hier

bied vond een dichte Romeinse (ontginnings)activiteit plaats

immers een expertise opgebouwd over de waterstaat, het leef-

met verregaande gevolgen voor het landschap. Door de ontwa-

milieu en de omgang met overstromingen. De beruchte over-

tering (en turfwinning) van het gebied trad een daling van het

stroming van 1953 leidde tot een schaalvergroting in bedijking

maaiveld op. Het grondoppervlak kwam onder het zeeniveau

en beveiliging tegen overstromingen die gepaard ging met een

te liggen waardoor de zee landinwaarts kon binnendringen. Dit

hoge kostprijs. De professionalisering van de waterstaat was

resulteerde in sterk verdronken gebieden die tijdens de vroege

een feit. Een sterk overheidsingrijpen maakte echter ook een

middeleeuwen onder getijdeninvloed kwamen, zodat een land-

einde aan de lokale betrokkenheid bij de waterstaat en bete-

schap van slikken en schorren en terpen ontstond. Tijdens de

kende dus een teloorgang van de jarenlang opgebouwde exper-

daaropvolgende periodes vonden grootschalige bedijking en

tise en kennis. Met de vierde en laatste stap wordt gekeken

inpoldering plaats zodat tegen ca 1500 alle schorren bedijkt

naar de recent geplande ontpoldering en mogelijk een nieuwe

waren. Vandaag wordt het gebied vooral bepaald door een

golf van vervreemding.

sterke verstedelijking en grootschalige deltawerken.

De spreker is van mening dat door lessen te trekken uit het

Wat is nu de rol van de mens op de landschapsvorming door-

historisch verhaal, deze aliënatie mogelijk vermeden kan wor-

heen al deze periodes? Tijdens de Romeinse bezetting van

den. De hamvraag is dan hoe we meer ruimte kunnen geven

het gebied was er reeds sprake van intensieve bewoning en

aan het water, maar tegelijk ook mens en water dichter bij

grootschalige ontginning, wat leidde tot de 'veenverdrinking'

elkaar brengen? Door de natuur te integreren in menselijke

van Zeeland. Het uitgraven van een uitgebreid slotennetwerk

activiteit i.p.v. de natuur af te schermen van de mens. Hierbij is

zorgde immers voor een reliëfinversie, waarbij de sloten uitein-

lokale betrokkenheid essentieel. De mens moet in de toekom-

delijk voorlopers waren van de latere getijdengeulen. Tijdens

stige ontwikkeling van het overstromingsgebied geïntegreerd

de middeleeuwen werd dit proces van veenafgraving verder


gezet. De antropogene invloed op het landschap veroorzaakte

gebracht. Dat er ook voor de veengroei menselijke activiteit is

een zelfversterkend proces van bodemdaling en een toene-

geweest, valt echter niet te betwijfelen. Vanaf de io de eeuw is er

mende invloed van de getijden. De spreker concludeerde met

ook sprake van bewoning op het veen dus de polder herbergt

de stelling dat ook het getijdenlandschap in Zeeuws-Vlaan-

een grote verzameling aan sporen van verschillende fasen in

deren enkel in stand kan worden gehouden door een actieve

het landgebruik (mesolithicum, neolithicum, middeleeuwen,

en constante betrokkenheid van de mens. Zonder op syste-

i7 de eeuw).

matische wijze aan natuurbouw te doen, zullen de natuurlijke processen immers leiden tot een volledig dichtslibben van het

Dankzij de herhaalde overstromingen werden deze archeo-

estuariene gebied.

logische sporen afgedekt wat hun bewaartoestand ten goede

Als vierde thema werd gekeken naar de cultuurhistorische

de bodem hier dus gepaard moeten gaan met archeologische

waarde van de polders en hoe deze aspecten een rol kunnen

begeleiding. De nakende ontpoldering betekent concreet dat

kwam. Omwille van deze bodemrijkdom zou elke ingreep in

spelen in de plannen rond ontpoldering. Hans Renes (VU

het volledige gebied wordt afgegraven. In tegenstelling tot deze

Amsterdam) ging dieper in op het belang van landschap en

tabula rasa pleit de spreker voor een integratie van de histori-

erfgoed, twee aspecten die aanvankelijk in het dossier en

sche lagen in het gebied. De mens moet, net zoals in het ver-

besluitvormingsproces weinig aandacht kregen. Inzicht in de

leden, leren omgaan met ruïnes. Er wordt dan ook voorgesteld

historische processen van het gebied kan echter de discussie

het proces van ontpoldering en verval meer geleidelijk te laten

nuanceren en een bijdrage leveren. Onder erfgoed verstaan

verlopen, zodat de verschillende tijdslagen herkenbaar blijven

we immers sporen van het verleden maar deze zijn ook van

in het landschap.

belang voor het heden. In de laatste lezing focuste Jozef Keulartz [Wageningen UniverWelke sporen zijn er concreet terug te vinden in de polder?

sity) op de vraag of de aanleg van estuariene natuur en dus het

De oudste menselijke activiteit in het gebied, daterend uit de

teruggeven van moeizaam gewonnen land aan het water wel

prehistorie, werd gevolgd door een ingrijpende vernatting.

noodzakelijk is.

Doorheen de volgende periodes waren er verschillende opeen-

Het dossier van de Hedwige-Prosperpolder kadert in het

volgende fasen van bewoning en bleven er in opnieuw over-

project van Natura 2000 dat een antwoord wil bieden op het

stroomde gebieden vaak ruïnes zichtbaar, als herinnering aan

snelle uitsterven van talrijke soorten in Europa. Het enorme

vroegere menselijke aanwezigheid. Door deze restanten van

verlies van biodiversiteit en de erosie van ecosystemen, zijn

bijvoorbeeld kerktorens en dorpen te midden van het over-

twee gevaarlijke processen die kunnen leiden tot ecologische

stroomd gebied, was de mens zich steeds zeer sterk bewust

rampen. Om dit tegen te gaan werden habitattypen en -soorten

van de dreiging van het water. Deze relicten vormden als het

opgelijst die prioriteit krijgen bij natuurontwikkeling. Estua-

ware verbindingen tussen de verschillende tijdslagen en wer-

riene natuur met getijdenwerking is een van deze habitattypen

den vaak ook herbruikt in latere periodes. Na een eerste bedij-

en erg zeldzaam in West-Europa. De Westerschelde is het

kingspoging in de i7de eeuw werd de Prosperpolder definitief

grootste gebied waar dit habitattype nog voorkomt. De ontpol-

bedijkt op het einde van de i9 de eeuw. Na WOI kwam de polder

dering van de Hedwige-Prosperpolder vormt compensatie voor

echter in handen van een nieuwe eigenaar die het gebied deels

de verdieping van de Schelde en het verloren gaan van een

inrichtte in functie van de jacht. Er werden populierbosjes aan-

hoeveelheid slikken en schorren. Tegen deze achtergrond wer-

geplant en een eendenkooi ingericht, zodat in dit gebied een

den door de spreker een aantal stellingen gelanceerd.

combinatie van elementen aanwezig is refererend aan jacht en landbouw.

Ten gevolge van de dreigende achteruitgang van ecosystemen, vindt er binnen de natuurwerking een duidelijke verschuiving

Wat zijn vervolgens de erfgoedwaarden van dit gebied? Op de

plaats, van het beschermen naar het ontwikkelen van natuur.

vraag of het hier gaat om een historisch landschap, geldt als

Deze offensieve aanpak, waarbij wordt gekozen voor het creë-

eerste antwoord dat het om een vrij recent ingepolderd gebied

ren van nieuwe natuur, vereist ook een sterk beheer. Zo wordt

gaat. Het gebied wordt echter wel gekenmerkt door een hoge

het voorbeeld aangehaald van de Oostvaarderplassen, met de

mate van gaafheid met een hoog aantal relicten (dijken, wegen

introductie van de grauwe gans als belangrijke grazer naast

en verkavelingspatronen) die nog zeer goed herkenbaar zijn.

de grote grazers zoals het konikpaard. Andere voorbeelden uit

Deze elementen passen in het historisch verhaal van de opeen-

de praktijk tonen ook aan dat de natuur wat dat betreft min of

volgende inpolderingen in dit gebied. Daarenboven vormt het

meer zelfregulerend kan zijn. Een tweede idee is dat van de

hedendaags gecombineerd grondgebruik in functie van jacht

ontwikkeling van een ecologisch netwerk om versnippering

en landbouw een eigen verhaal met bijkomende waarde. Als

tegen te gaan. Door robuuste verbindingen te ontwikkelen,

historisch gebied gaat het misschien niet om een 'topgebied',

kunnen verschillende natuurgebieden aan elkaar worden

maar feit is dat deze polder tot nu toe onvoldoende is onder-

gelinkt en wordt er ruimte gecreëerd voor dynamiek. Een te

zocht en vergeleken met andere polders. Wat betreft de archeo-

grote stabiliteit vermindert immers de veerkracht van een

logische waarde van het gebied, is er tot nu toe niets in kaart

gebied en leidt tot grotere kwetsbaarheid.


Toegepast op het overstromingsgebied, hield de spreker een pleidooi voor een dialoog met het water in plaats van te

Tentoonstelling

strijden tegen het water. Daarbij maakte de spreker ook de bedenking dat de oorspronkelijke doelstellingen voor natuur (in veel gebieden waar natuur ontwikkeld zou worden) sterk

ö •rH

zijn afgezwakt en dat er sprake is van een kwalitatieve en kwanvoortrekkersrol in het Europese natuurbeleid, maar loopt nu achter op de rest van Europa wat betreft natuurontwikkeling en biodiversiteitsbeleid. Een belangrijke oorzaak hiervoor is

TO

Marjan Buyle

titatieve achteruitgang. Nederland speelde aanvankelijk een

HIERONYMUSCOCK. DE RENAISSANCE IN PRENT

het wijdverbreide protest tegen grote natuurprojecten zoals de ontpoldering van de Hedwige-Prosperpolder. De natuur komt

De tentoonstelling in Leuven vestigt de aandacht op de acti-

hier als verliezer uit de strijd, maar op lange termijn is dit zeker

viteiten van het beroemde Antwerpse uitgevershuis In de Vier

ook nefast voor het algemeen welzijn.

Winden. Aan de hand van meer dan honderdvijftig zeldzame en kwetsbare werken op papier, worden de activiteiten van uit-

Afsluitend debat

gever Hieronymus Cock en zijn medewerkers aan het publiek

Na de lezingen werd een discussie georganiseerd waarbij het

voorgesteld. Geboren in Antwerpen in 1518 en aldaar overleden

publiek kon reageren en gerichte vragen stellen aan de spre-

in 1570, was Cock zonder twijfel de meest succesvolle prentuit-

kers. Uit de verschillende reacties uit het publiek bleek dat het

gever van zijn tijd.

vraagstuk naar het nut van de ontpoldering nog steeds sterk leeft. Hoewel de meeste van de sprekers zich (bewust) niet

Hieronymus Cock was schilder, kopergraveur en prentmaker

uitspraken als voorstander van de ontpolderingen, bleek dat de

en begon samen met zijn vrouw Volcxken Diericx als een van

aanwezige betrokkenen dit duidelijk wel zo concipieerden. Een

de eersten buiten Italië op grote schaal prenten te drukken en

aantal landbouwers reageerden bijzonder heftig op de verschil-

uit te geven. Vanaf 1548 vormde hun huis In de Vier Winden in

lende ideeën die in de lezingen naar voren waren gebracht.

Antwerpen het kloppend hart van een bloeiende uitgeversacti-

Ze hadden vooral hun twijfels bij de duurzaamheid van het

viteit. Zelfwas Cock de belangrijkste kopergraveur van de i6 de

voorgestelde natuurgebied, aangezien het door de verwachte

eeuw. Samen met zijn vrouw zorgde hij voor de productie van

aanslibbing spoedig zijn functie (als overstromings- en slikken-

honderden belangrijke etsen en gravures, waaronder prenten

gebied) zou verliezen. Wat bovendien met het kostenplaatje

naar fresco's en schilderijen van Rafaël,Bronzino, il Primaticcio

van het noodzakelijke en constante beheer van het gebied?

en Andrea del Sarto. Hij publiceerde een reeks met weergaven

Ook de motivatie van de keuze van deze locatie als overstro-

van de ruïnes van Rome en gravures naar antieke beeldhouw-

mingsgebied werd sterk in vraag gesteld. Waarom net deze

werken. Op die manier konden ook de plaatselijke kunste-

polder, waar nog veel actieve landbouwbedrijven liggen die

naars, die geen Italiëreizen konden ondernemen, kennismaken

op hun eigen manier ook zorg proberen dragen voor het land-

met de Italiaanse renaissancekunst. Tal van werken werden

schap?

hierdoor beïnvloed en de verspreiding van de renaissancestijl

Hoewel deze studiemiddag bedoeld was als reflectie op de erfgoedwaarde van het gebied en de problematiek bij de ontpoldering, ging de discussie een andere kant op. Hieruit bleek dat er nog steeds een grote afstand bestaat tussen de perceptie van de 'academici uit de Randstad' en de inwoners van het gebied. Er is een duidelijke nood aan meer debat en dialoog met de getroffen boeren, die zich nu vaak volledig gepasseerd voelen. Tot slot werd door de sprekers nogmaals benadrukt dat deze studiemiddag duidelijk niet bedoeld was om een pleidooi te houden pro of contra ontpoldering. Wel hebben de sprekers geprobeerd een historisch kader te bieden en een ruimer inzicht in de belangrijke processen in dit gebied, zowel natuurlijk als door de mens gestuurd. Tegelijk willen ze een pleidooi houden voor meer detailonderzoek van het gebied, om uit het verleden informatie te halen die kan helpen om het huidige landschap beter te begrijpen.

Imaginair zicht op een straat met de winkel van Hieronymus Cock (© Koninklijke Bibliotheek van België)


Varia

Madeleine Manderyck

Pieter I Bruegel, De hazenjacht (© Koninklijke Bibliotheek van België)

OVER NUT EN NOODZAAK VAN BOUWHISTORIE EN BOUWBLOKKENONDERZOEK IN DE ERFGOEDZORG. Ad Van Drunen, gemeentelijk bouwhistoricus in 's-Hertogenbosch en pionier van het bouwblokkenonderzoek in Nederland aan het woord naar aanleiding van zijn oppensioenstelling Op 16 november 2012 nam Dr. ir. Ad Van Drunen afscheid als

ten noorden van de Alpen werd hier duidelijk door bevorderd.

gemeentelijk bouwhistoricus in 's-Hertogenbosch. Naar zijn

Gravures van onder andere de belangrijke frescoreeks in de

wens organiseerde de afdeling Bouwhistorie, Archeologie en

Stanze van het Vaticaan door Rafaël werden plots voor ieder-

Monumenten (BAM) van deze stad een kort en, passend bij Ad,

een toegankelijk. Prenten naar ontwerp van vooraanstaande

ook kritisch symposium over woonhuisonderzoek, bouwblokin-

renaissancemeesters uit de Nederlanden als Maarten van

ventarisatie en de toekomst van dat onderzoek. De ontvangst

Heemskerck, Frans Floris en Hans Vredeman de Vries wer-

vond plaats in de voormalige Sint-Jacobskerk, sinds 2006 het

den door hun zorgen over Europa verspreid en hielpen het

BAM-kantoorgebouw met Open Depot, een mooi voorbeeld

schoonheidsideaal van de renaissance verder uit te dragen.

van hergebruik van religieus erfgoed. Aansluitend was er een

Cock ontdekte het talent van Pieter Bruegel de Oude die voor

officiële ontvangt in de oude raadzaal van het Bossche stadhuis

de uitgeverij meer dan zestig meesterlijke ontwerpen voor

met toespraken van Willem van de Made, directeur Stadsont-

prenten zou leveren. De landschapsschilderkunst bijvoorbeeld

wikkeling en jan van Heijningen, voorzitter van de Stichting

werd hierdoor ingrijpend beïnvloed. Daarnaast liet Cock ook

's-Hertogenbossche Monumentenzorg. Tot slot gaf Ad Van

prenten maken naar de succesrijke en fantasievolle composi-

Drunen zelf een toespraak. Hij schetste zijn persoonlijke visie

ties van Jheronlmus Bosch.

over de evolutie van de monumentenzorg in het algemeen, over de restauratiepraktijk en vooral over zijn levenswerk, het bouw-

Veel van de tentoongestelde werken zijn afkomstig uit de rijke

blokkenonderzoek. Aangezien er heel wat herkenningspunten

collectie prenten en tekeningen van de Koninklijke Bibliotheek

zijn met evoluties in de monumentenzorg in Vlaanderen en zijn

van België. De Fondation Custodia voegt daar enkele uitzonder-

ervaring ongetwijfeld inspirerend is, wordt de verkorte toe-

lijke tekeningen en prenten aan toe. Verder zijn er stukken te

spraak - met goedkeuring van de spreker - hierna afgedrukt.

zien uit andere binnen- en buitenlandse collecties. Illuminare, het Studiecentrum voor Middeleeuwse Kunst van de KULeuven

Bouwhistoricus Ad Van Drunen ontwikkelde de bouwblokken-

is een andere belangrijke partner in het totstandkomen van

methode vanaf de jaren 1975 en zijn baanbrekende artikel

deze tentoonstelling.

Bouwblokinventarisaties ter bescherming van het stedebouwkundig monument, verschenen in het Bulletin KNOB in 1995, was voor menig monumentenzorger in Nederland en Vlaanderen een echte eyeopener. Hij was hier dan ook meermaals te gast als spreker op studiedagen om de mogelijkheden van het bouwblokken-

De tentoonstelling loopt van 14 maart tot en met 9 juni

onderzoek toe te lichten en onderhield goede contacten met

2013 in M - Museum Leuven, Leopold Vanderkelenstraat

collega bouwhistorici vooral in Antwerpen, Brugge en Gent. Er

28. De tentoonstelling wordt begeleid door een rijk geïllus-

was interesse vanuit Antwerpen en in het najaar van 1995 gingen

treerde wetenschappelijke catalogus die beschikbaar

Schepen Eric Antonis met enkele stedelijke en gewestelijke monu-

is in drie talen: VAN GRIEKEN )., LUIJTEN G. en VAN

mentenverantwoordelijken naar Den Bosch om zich te vergewis-

DER STOCK J., Hieronymus Cock. De renaissance in prent,

sen van het praktische nut van het bouwblokonderzoek en na te

Brussel, 2013. Prijs: € 64,95.

gaan op welke manier dat in Antwerpen kon toegepast worden. Naar aanleiding van de erkenning in 1998 van de historische binnenstad als CHE-zone (zone met culturele-, historische


en/of esthetische waarde) in het gewestplan, ondersteunde Ad een eerste bouwblokonderzoek in Antwerpen. Dankzij zijn inspirerende medewerking werd er toen bij wijze van proefproject een bouwblokinventaris gerealiseerd op de plaats van het voormalige Pieter Potklooster, begrensd door de Hoogstraat, Vlasmarkt, Grote- en Kleine Pieter Potstraat en Haarstraat. Bouwhistorica Petra Maclot en restauratiearchitect Rutger Steenmeijer verzamelden historisch en recenter kaartenmateriaal. Ze verwerkten dat digitaal, samen met de gegevens van eerder uitgevoerd historisch en archeologisch onderzoek; 12

panden werden vervolgens bezocht en opgemeten. Al deze gegevens werden gevisualiseerd via het computerprogramma Descartes. Men kwam tot het besluit dat zeker wat de kel-

Ad Van Drunen (foto M. Manderyck)

derplannen en de scheimuren betreft, het voormalige Pieter Potklooster vandaag nog steeds de ruggengraat vormt van het bouwblok. Talrijke huizen bleken in structuur nog middel-

i april 1975 een aanstelling bij de gemeente kreeg. In de peri-

eeuwse huizen achter recentere gevels. Ondanks het feit dat

ode van ruim 45 jaar heb ik de Nederlandse monumentenzorg

toen naar voor kwam dat bouwblokinventarisatie noodzakelijk

sterk zien veranderen. Den Bosch heeft in dit veranderingspro-

is voor het wetenschappelijk onderzoek en documentatie en

ces, gewild en ongewild, een rol gespeeld. Ik zal enkele punten

ondanks het feit dat het een doeltreffend instrument bleek

waarbij de landelijke èn Bossche ontwikkelingen elkaar raakten

voor de integratie van monumentenzorg in de ruimtelijke

en beïnvloeden, hier kort aan de orde stellen.

planning, bleef het in Antwerpen, ondanks veel goede wil, toch bij dat ene bouwblokonderzoek... Het project gaf gelukkig wel

De belangrijkste verandering die plaatsvond is mijns inziens:

aanleiding tot de stedelijke verplichting om bij een verbouwing van een historisch pand een zogenaamd CHE-rapport te laten opmaken door een bouwhistoricus. Laat ons hopen dat al die verzamelde informatie ooit kan samengebracht worden en aanleiding geeft tot publicaties als het magistrale werk van Ad Van Drunen, 's-Hertogenbosch van straet tot stroom, uitgegeven door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in 2006. Deze heuse 'huizenatlas' maakt het erfgoed bij alle betrokkenen ongetwijfeld bekend en geliefd!

De voortschrijdende decentralisatie In de monumentenzorg De Monumentenwet van 1961 ging uit van een centrale, door het rijk geregelde monumentenzorg. De Minister bepaalde welke gebouwen en stadsgezichten beschermd dienden te worden en beoordeelde de monumentenvergunningen. Hierbij werd hij bijgestaan door een sterke en deskundige rijksdienst. Gemeenten deden toen nog weinig aan monumentenzorg, enkele uitzonderingen zoals Amsterdam en Utrecht, daargelaten. In de jaren '60 stonden veel gemeenten zelfs afkerig

Maar laten we nu Ad Van Drunen zelf aan het woord. Hij doet

tegenover monumenten. Men vond ze een belemmering voor

ons het verhaal over de uitbouw van de vakdiscipline bouw-

de economische ontwikkeling van de stad. Zo ook in Den

historie en het bijbehorende bouwblokkenonderzoek bij de

Bosch. De waarde van de binnenstad en de Binnendieze werd

Nederlandse collega's. In zijn betoog pleit hij ervoor om bouw-

toen nog niet zo gezien.

historie binnen de regelgeving op te nemen overeenkomstig

De discussies over het Structuurplan Binnenstad en de dem-

het Europees Verdrag van Malta inzake de bescherming van

ping van de Binnendieze brachten hierin verandering. Dankzij

het archeologische erfgoed (1992), dat zich in artikel 1 zeker

deze discussies werd de binnenstad van Den Bosch als één

niet beperkt tot louter het ondergrondse erfgoed, maar even-

van de eerste grotere steden in Nederland voorgedragen tot

goed betrekking heeft op "bouwwerken, gebouwen, complexen,

Beschermd Stadsgezicht. Dat gebeurde in eerste instantie

aangelegde terreinen, roerende zaken, monumenten van andere

door een brief van de rijksdienst uitgerekend op de dag van de

aard, alsmede hun context, ongeacht of zij op het land of onder

raadsdebatten over de Binnendieze. Niet toevallig lag de grens

water zijn gelegen"\

van het beschermd gezicht midden in het riviertje... Tja, toen durfden de medewerkers van de rijksdienst nog hun nek uit te steken.... Het mocht echter nog niet baten. Het latere, grotere

TOESPRAAK GEHOUDEN BIJ HET AFSCHEID

beschermd gezicht, heeft wèl een belangrijke invloed op het

ALS GEMEENTELIJK BOUWHISTORICUS

gemeentelijk beleid gehad.

VAN 'S-HERTOCENBOSCH OP 16 NOVEMBER 2012 Enkele jaren daarvoor, in 1965, had Den Bosch ook al de twijMijn betrokkenheid met monumenten gaat terug tot het mid-

felachtige eer als eerste grotere stad een lijst met beschermde

den van de jaren zestig toen ik aan de Bossche HTS studeerde.

monumenten gedicteerd te krijgen. Op deze lijst stonden in

Mijn actieve loopbaan in Den Bosch begon in 1972 met een

eerste instantie 660 panden. De verontwaardiging in Den

stageopdracht voor de TU Delft. Dat beviel zo goed, dat ik op

Bosch was groot. De stad kwam met een tegenvoorstel: 100


panden. Uiteindelijk rolden er - na tussenkomst van de staats-

minimaal 100.000 inwoners is in dit kader niet zo'n slecht

secretaris van CRM (een Bosschenaar overigens) - 239 rijks-

voornemen van de nieuwe regering.

monumenten uit. Zo ging dat in die tijd.

Den Bosch is gelukkig al goed uitgerust voor de nieuwe taken.

Maar het tij keerde. In 1975, toen ik in Den Bosch begon,

Het bouwhistorisch en archeologisch onderzoek is hier één

was mijn eerste opdracht om samen met de rijksdienst deze

geheel met monumentenzorg: de afdeling B.A.M.

beperkte lijst met monumenten uit te breiden. Het beleid in

Onze archeologische en bouwhistorische waardenkaarten

de stad was blijkbaar helemaal 'om'. Deze ommekeer had

zijn ingebed in het gemeentelijk beleid en de verordening.

zeker ook te maken met de, in het Europese Monumentenjaar

Het nieuwe bestemmingsplan Binnenstad is redelijk 'M0M0-

beschikbaar gestelde, subsidiegelden. Den Bosch heeft hier

proof. We beschikken over een goed instrumentarium om het

'rijkelijk' van geprofiteerd.

Moderne Monumentenbeleid afgewogen uit te voeren. De conclusie mag dan ook worden getrokken dat Den Bosch

In heel Nederland voltrok zich tussen 1965 en 1975 een grote

veel sterker uit het decentralisatieproces gekomen is: de aan-

omzwaai in de gemeentelijke monumentenzorg. Den Bosch

vankelijk achterstand is omgebouwd tot een voorsprong. Dit is

pakte dit heel degelijk aan. De stad ging aan de slag met inte-

de belangrijke extra winst die de strijd in de jaren '60 de stad

graal binnenstadsbeleid. Er kwam een afdeling Binnenstad,

heeft opgeleverd.

waar monumentenzorg en stedenbouw in één afdeling werden samengevoegd. De rijksdienst zag dit met bewondering aan en

Als tweede punt wil ik de veranderingen in de restauratieprak-

vroeg de aanvoerder van de nieuwe aanpak, Leo van Nispen

tijk aan de orde stellen

tot Sevenaer al snel om directeur bij de dienst in Zeist te wor-

In de jaren '70 nam het aantal restauraties sterk toe. Particu-

den. Het lijkt wel een transfer uit het voetbal. Een van de eerste

liere restauratie-architecten en rayonmedewerkers van de rijks-

zaken die de nieuwe directeur regelde was een stafafdeling

dienst, tot dan toe dé specialisten met kennis van historische

Onderzoek en Documentatie, waardoor het bouwhistorisch

bouwconstructies en materialen, kregen steeds minder tijd om

werk van Herman janse, Dick Berends en hun collega's een

in de gebouwen te komen en op de steigers. Hun werk werd

duidelijke plaats kregen binnen de rijksdienst. Van Nispen had

meer en meer een papieren zaak van subsidieaanvraag, plan-

in Den Bosch ervaren dat onderzoek een wezenlijk onderdeel

ning en administratie. Kennis en onderzoek verdwenen naar de

van monumentenzorg is. Hij heeft overigens na zijn vertrek

achtergrond.

nog jaren in de Bossche gemeenteraad gezeten.

In deze lacune is de vakdiscipline bouwhistorie gesprongen,

Het was die zelfde Van Nispen die mij op 1 april 1975 naar de

zo niet ontsprongen. Dit proces is heel goed begeleid door

gemeente gehaald had. Precies op het goede moment. Ik zag

de Stichting Bouwhistorie Nederland, (de SBN). Wat deze

mijn kans om faciliteiten voor historisch onderzoek in het

stichting tot stand heeft gebracht is een grote prestatie.

gemeentelijk apparaat op te bouwen. Daar kan ik met tevre-

Bouwhistorie is niet meer weg te denken uit de Nederlandse

denheid op terug zien.

monumentenzorg. Voor de Bossche bouwhistorici was het een voorrecht om de vakdiscipline mee op te bouwen. Ik hoop

De decentralisatie ging verder;

dat de SBN doorgaat op de ingeslagen weg en alert blijft voor

Bij de wijziging van de Monumentenwet in 1988 kregen

nieuwe ontwikkelingen.

gemeenten een veel belangrijker rol. Zij moesten voortaan zelf monumentenvergunningen beoordelen en verstrekken. Den

Zo vindt op dit moment bijvoorbeeld binnen bouwhistorie een

Bosch had daarvoor ondertussen de kennis en de faciliteiten in

verschuiving plaats van diepgaand documentair onderzoek

het gemeentelijk apparaat opgebouwd. Dit heeft de stad heel

naar waarde stellend vooronderzoek en quick scans. Opdracht-

wat profijt opgeleverd.

gevers vragen hierom. Heel nuttig voor de praktische monu-

Bij de recente veranderingen in het kader van het Moderne

onderzoeken vereisen namelijk veel praktijkervaringen kennis.

mentenzorg, maar minder voor de bouwhistorie. Deze snelle Monumentenzorg (M0M0) beleid, zijn per 1 januari jongst-

Maar waar doe je die op? De opleidingsmogelijkheden zijn

leden nog meer monumentenzorgtaken naar de gemeenten

beperkt en theoretisch van aard. Praktijkonderwijs was, en is,

geschoven. Naast de minder positieve kanten van M0M0,

er nauwelijks.

zoals het verruimen van vergunningvrij verbouwen, dienen

In Den Bosch zijn Harrie Boekwijt en ik daarom al in de jaren

zich ook nieuwe kansen aan, met name op het vlak van de

'80, zelf bouwhistorici gaan opleiden. In die tijd, de vorige

ruimtelijke ordening.

crises!, konden veel mensen geen baan krijgen. Wij maakten

Gemeenten moeten nu het cultuurhistorisch erfgoed in de

van de nood een deugd. Met behulp van regelingen zoals

bestemmingsplannen beschermen. Hiervoor moeten zij de

werken met behoud van uitkering. Banenpool en WSW (nvdr.:

inhoudelijke historische kennis zelf in huis hebben, of halen.

Wet sociale werkvoorziening), wisten we bouwkundigen, water-

Voor grote gemeenten betekent dit dat ze naast de al aanwe-

bouwkundigen, historici en kunsthistorici binnen de dienst te

zige archeologische-, ook bouwhistorische kennis moeten

halen en hen op te leiden in de bouwhistorie. En dat betaalde

binnenhalen. Veel gemeenten, vooral de kleinere, zijn nog op

zich dik terug: in die tijd is er door hen veel veldonderzoek

zoek naar deze kennis. Het vergroten van de gemeenten tot

verricht. Zij stonden ook klaar om het historisch stedenbouw-


kundig onderzoeksproject van de Bossche binnenstad, het

Hiermee kom ik bij mijn derde punt; bouwhistorisch onderzoek

bouwblokonderzoek, uitte voeren. Dit omvangrijke project

bij gemeenten

loopt nog steeds en slaat nieuwe wegen in, zo hebben we

Dit lijkt vanzelfsprekend, maar is het nog steeds niet. En was

vanmorgen gezien,

het zeker niet toen ik hier in 1975 begon. Het beroep bouwhistoricus bestond nog niet. Hoe moesten wij, gemeentelijke

In de jaren '80 zijn ook veel onderzoeksexperimenten uitge-

'4

pioniers als Bart Kluck en Frans Kipp in Utrecht en ik in Den

voerd, de aanzetten voor de latere Leidraad voor Bouwhis-

Bosch, ons noemen om een plaatsje te krijgen in de gemeente-

torisch onderzoek. Met veel genoegen kijk ik terug op deze

lijke organisatie? We hebben toen maar 'leentje buur' gespeeld

pionierstijd. De tijd van de Bouwhistorische en Archeologische

en de Duitse titel BauWstori/cer vertaald door 'gemeentelijk

Dienst, kortweg BAD. Voor mij was het een warm BAD.

bouwhistoricus'.

De meeste van de hier opgeleide mensen hebben nu een

In het centralistische tijdperk was bouwhistorisch onderzoek

betaalde baan bij de overheid of hebben een eigen bedrijf Een

wèl een belangrijke taak binnen de Rijksdienst voor de Monu-

firma zoals BAAC, een ICT bureau en zzp'ers (nvdr.: zelfstan-

mentenzorg. Diir

dig zonder personeel) zijn in Den Bosch gevestigd, maar ook

bouwhistorie in Nederland. Er is veel kennis en expertise opge-

elders in het land. Een crisis kan dus ook goede zaken ople-

bouwd. Nu zien we bij de rijksdienst de aandacht afnemen,

is de kiem gelegd voor de vakdiscipline

veren, zo blijkt. De huidige crisis kan mogelijk aangegrepen

vacatures voor bouwhistorie worden niet meer ingevuld; een

worden om opnieuw talent op te leiden. Niet alleen bij de

zorgelijke ontwikkeling. Waar moeten de gemeenten de ken-

BAM, maar ook bij andere gemeenten.

nis nu vandaan halen? Praktijkkennis doe je niet alleen op uit boeken en congressen. Mijn stelling is dat de Rijksdienst Cultureel Erfgoed zich niet mag terugtrekken uit de bouwhistorie.

Kelderkaart van het onderzochte stadskerngebied met de loop van de oudste stadsmuur en de Binnendieze in 's Hertogenbosch, uit VAN DRUNEN A., 's-Hertogenbosch van straet tot stroom, p. 25

Per regio moet een team van specialisten de gemeenten kunnen bijstaan bij het bouwhistorisch onderzoek, als basis voor verantwoord restaureren.

De huidige crisis houdt in deze gevaren in. Gemeenten, dè uitvoerders van Moderne Monumentenzorg, gaan zich beperken tot hun wettelijke taken. Bouwhistorie is, anders dan archeologie, niet in de wet opgenomen. Geheel ten onrechte, gezien het Verdrag van Malta. Maar Nederland heeft het Maltaverdrag beperkt tot het ondergrondse archeologisch onderzoek. Het bouwhistorisch onderzoek werd hierbij als het ware onder het maaiveld geschoven. De bouwhistorici (en eigenlijk èlle monumentenzorgers) hebben indertijd verzuimd deze omissie bij de Haagse politiek, maar ook bij de Rijksdienst aan te vechten. Zij waren te veel naar binnen gericht bezig. De huidige bouwhistorici moeten zich opener en beleidsmatiger opstellen. Mogelijk valt er nog iets te repareren binnen M0M0. Bouwhistorie dient, overeenkomstig archeologie, in regelgeving te worden vastgelegd om een structurele plaats in de monumentenzorg te krijgen, bij gemeenten, maar ook bij het Rijk en de provinciale steunpunten.

De laatste verandering in de monumentenzorg die ik hier wil bespreken is de toenemende aandacht voor wat zich achter de gevels bevindt. Ik kan dat het beste met een anekdote toelichten Cees Peeters, opsteller van de eerste Bossche monumentenlijst in de jaren zestig, waarover ik zojuist sprak, vertelde me eens dat hij indertijd door de burgemeester voor 'lijstenmaker' werd uitgemaakt. Niet alleen omdat hij de lijst van monumenten had opgesteld, maar ook omdat er veel 'lijstgevels' op stonden. Het was toen in de monumentenzorg nog heel gebruikelijk dat er alleen op uiterlijke kenmerken werd geselecteerd. Wat er achter deze veelal i9 de eeuwse gevels zat, kwam niet ter sprake... (Cees realiseerde zich dat toen al wel hoor.


u ö • 1—1

PQ

Reconstructietekening van een smal 16de eeuws Bosch woon- en werkhuis, uit VAN DRUNEN A., 's-Hertogenbosch van straet tot stroom, P-55

Zijn relatie met Den Bosch is overigens weer goed gekomen

Kom ik aan het eind

door zijn Geïllustreerde Beschrijving van de Sint Jan. En met hem

De grote opkomst hier in de oude raadzaal, vandaag onder-

zelf trouwens ook; hij werd hoogleraar in Nijmegen en Amster-

streept de band die er is gegroeid tussen Bosschenaren en hun

dam. Maar dit terzijde.)

cultureel erfgoed (en ook een beetje met mij, hoop ik).... In de

We kunnen vaststellen dat er in de afgelopen halve eeuw

roerige jaren '60 is deze betrokkenheid ontstaan. Ik heb het

steeds meer aandacht gekomen is voor het inwendige van

zien groeien tot een omvangrijk en kleurrijk geheel van ver-

gebouwen. Het bouwhistorisch onderzoek heeft hier een

enigingen en stichtingen. Zij hebben de stad een grote toeris-

belangrijke rol in gespeeld. Waren de eerste redengevende

tische impuls gegeven. Onlangs werd Den Bosch weer tot de

omschrijvingen nog niet veel meer dan; 'pand met lijstgevel

meest gastvrije stad van ons land gekozen. En de stad staat

van eenvoudige doch harmonische architectuur', schertsend

in de top drie van de meest aantrekkelijke vestigingsplaatsen.

wel 'edocha- architectuur' genoemd, de huidige beschrijvingen

Het lijkt me niet toevallig dat in deze drie steden: Amsterdam,

vermelden ook interieurs en constructies.

Utrecht en Den Bosch archeologie sèmen met bouwhistorie

De aandacht voor het inwendige van de gebouwen heeft in

verankerd zijn in het gemeentelijk bestel... De afdeling BAM

Den Bosch honderden kappen en andere houtconstructies

gaat de komende tijd de mogelijkheden van het nieuwe Open

in beeld gebracht. Mijn opvolgers, laat ik ze even noemen:

Depot optimaal benutten, zodat we de Bossche bevolking en

Ronald Claudemans, Johan van den Eijnden, Bianca Eikhoudt

de toeristen goed kunnen voorlichten. Maar de BAM gaat met

en Maarten Enderman zullen deze schat aan gegevens verder

het Open Depot ook het wetenschappelijk nut van het onder-

moeten verzilveren.

zoek uitbouwen. Een prachtuitdaging, jammer dat ik daar niet

En dan zijn er nog de vele tientallen wand- en plafondschil-

meer aan mee kan doen.

deringen uit verschillende tijden. Door de vaste hand en het scherpe oog van Maike Tjon A Kauw zijn er veel vrij gelegd

Rest mij, jullie, collega's in Nederland en Vlaanderen

en gedocumenteerd. Een buitengewoon rijk bestand dat om

te bedanken voor de jarenlange samenwerking en het delen

wetenschappelijke uitwerking vraagt. Het Jeroen Boschjaar

in eikaars kennis.

2016 nadert. Er zijn geen schilderijen van onze beroemde stad-

's-Hertogenbosch, 16 november 2012

genoot ter plaatse bewaard gebleven. Schilderingen uit zijn tijd des te meer. Misschien wel uit zijn atelier, wie zal het zeggen. Een uitgelezen kans om daar iets mee te doen voor 2016.

Ad van Drunen, (gemeentelijk bouwhistoricus in ruste)


Architect Stephane Beel over zijn restyling van het Rubenshuis, n gebouw dat niet als museum maar als woning werd geconcipit "Dat was een eerste, belangrijk probleem, je zou dan kunnen overwegen om het bezoek te beperken, zoals tijdens het Rubensjaar is gebeurd. Maar er zijn zoveel geïnteresseerden dat zou geen echte oplossing bieden. Maar waar blijf je dan met het onthaal en alles wat daarbij hoort: ticketverkoop, vestiaire, enzovoort? Terzelfder tijd wou ik de logica van het huis bewaren, met het perspectief zoals Rubens het heeft bedoeld. Het is de enige manier om te begrijpen hoe die man heeft geleefd, want precies dat is de aantrekkingskracht van het Rubenshuis. In andere musea, van Spanje tot de Verenigde Staten, hangen er veel meer schilderijen van Rubens dan hier. Mensen komen naar het Rubenshuis voor het huis, het interieur, de sfeer. In dat opzicht heb ik ook rekening willen houden met de informatieverstrekking over het museum. In de meeste musea vind je wat ik noem een soort inlevingsruimte. Een plek waar groepen of klassen een inleiding kunnen krijgen. Ook daarvoor is er in het Rubenshuis geen plaats, je kan daarvoor toch moeilijk een tuinhuis op de binnenplaats zetten." "Uiteindelijk is het idee ontstaan om de entree volledig buiten het museum te plaatsen. Dat biedt specifieke voordelen. De onthaalfunctie blijft duidelijk gescheiden. In het paviljoen zal je het perspectief naar de tuin al kunnen ervaren door de glazen deuren. Het klopt ook met het feit dat je in het parcours binnen het museum op een bepaald moment weer naar buiten moet: over de binnenplaats. Ook die logica wordt dus gevolgd."

Architect Stephane Beel over het Rubenshuis, De Wapperen de Antwerpse musea, De Morgen, 26 februari 1999


beeldhouwer zijn eigen stijl en manier van werken had, was het gevaar niet denkbeeldig dat het eindresultaat zeer heterogeen zou zijn. Van Averbeke was zich hier terdege van bewust en zag er daarom nauwlettend op toe dat het beeldhouwwerk een eenvormig ensemble vormde (135). Voor de bas-reliëfs werd Botticino-marmer gebruikt, afkomstig uit het depot van de firma R. & G. Peeters in Berchem. Het was de enige marmersoort die tijdens de oorlog in voldoende hoeveelheden beschikbaar was (136). De beslissing om de gevels van het atelier uitsluitend met beeldhouwwerk te versieren en beschildering achterwege te laten, was duidelijk niet gebaseerd op historische argumenten. Ook bij de inrichting van het interieur week Van Averbeke af van het voornemen om de historische werkelijkheid op een zo volmaakt mogelijke wijze te benaderen. Zo was hij van mening dat de vloer van het atelier oorspronkelijk uit gebakken tegels of bakstenen bestond. Maar hij achtte het niet wenselijk de vloer met deze materialen te restaureren: "Zulke bevloering was uiterst geschikt voor de bestemming van het atelier. Doch het valt niet te betwijfelen dat het thans noodzakelijk is een rijkere bevloering aan te brengen, b.v. parket of marmer: eene bevloering met witte en zwarte marmeren zerken van ongeveer omjo x omjo, in dambord gelegd tusschen zwarten boord, voor de werkplaats van het gelijkvloers en verder voor de werkplaats op de verdieping en voor alle overige plaatsen parket." (137).

zame materialen te beschilderen. (...). Door hardsteen te beschilderen volgde Rubens de mode en de gebruiken van zijn tijd; door te bezetten, te kalken deed Rubens niets anders dan de bouwwijze, toenmaals in zwang, volgen. Doch deze wijze van bewerking was soms niet in harmonie met de samenstelling van het materiaal of de weelderigheid van versieringen en lijsten." Van Averbeke raadde de Studiecommissie dan ook aan voor 'duurzame materialen' te kiezen: "Voor een publiek gebouw, dat in een Museum wordt herschapen, is bezetting natuurlijk een minder duurzaam product, dat onderhoud, beschildering en na zekeren tijd vernieuwing vergt. Daarom is het raadzaam dat de Commissie de keus van duurzame materialen zou in overweging nemen" (138).

Blik op de gevels van het woonhuis, dat volledig herbouwd werd in 1939-1946 (foto O. Pauwels)

De keuze voor 'duurzame materialen' Zoals de meeste architecten van zijn generatie had Emiel Van Averbeke een afkeer van bepleisterde gevels, die hij als weinig duurzaam beschouwde. In de i7d': eeuw was het echter niet ongebruikelijk gevels te bepleisteren en ook Rubens zelf had de gevels van zijn huis laten bepleisteren. Bij het verwijderen van de ig^-eeuwse afwerkingslagen in 1938 vond Van Averbeke verschillende sporen van de oorspronkelijke afwerkingslagen terug, meer bepaald op de portiek, het tuinpaviljoen en enkele gevels van het schilderhuys. In zijn verslag van 22 juli 1938 aan het college schreef hij hierover het volgende: "Wij zijn tevens de meening toegedaan dat Rubens deed werken volgens een bouwwijze, die thans zou verworpen worden. Wij spraken reeds vroeger over bezetten en kalken. Vóór de opzoekingen zou niemand durven vermoed hebhen dat Rubens zulke weinig duurzame materialen aan zijn "Paleis" zou gebruikt hebben. Doch er is méér: wij vinden overal beschildering, blauwe beschildering op blauwen hardsteen, en niet alléén op de arkade, doch op al den blauwen hardsteen, dien wij tijdens de opgravingen terugvonden. In die periode was het een algemeen gebruik geworden duur-

De straatgevels van het Rubenshuis (foto O. Pauwels)

M & L I 33


^

•

Het interieur van het schilderhuys. Voor de vloer werden zerken van blauwe hardsteen hergebruikt, die afkomstig waren van het Schoonselhof (foto O. Pauwels)

De keuken van het Rubenshuis (foto O. Pauwels 2012)

»

Emiel Van Averbeke hechtte veel belang aan het gebruik van traditionele bouwmaterialen. Zo werden de straatgevel van het woonhuis en het halfronde 'museum van Rubens' opgetrokken met de oude bakstenen van het huis Bosschaert. De balken van het oude huis werden hergebruikt voor het roosterwerk van het woonhuis en het atelier. Toen de oude Edegempoort werd afgebroken, zorgde Van Averbeke ervoor dat een deel van de blauwe steen ter beschikking werd gesteld van het Rubenshuis (139). Toen hij in 1943 vernam dat een perk van de begraafplaats Schoonselhof zou worden opgeruimd, verzocht hij de bestuurder der stedelijke begraafplaatsen "om de blauwe steen van de niet teruggeeischte zerken te willen voorbehouden voor den wederopbouw van het Rubenshuis." (140). De grafzerken werden gebruikt voor de vloer in het atelier van het schilderhuys (141). Sommige traditionele bouwmaterialen zoals Balegemse steen en Gobertangesteen waren echter niet meer in voldoende hoeveelheden verkrijgbaar. Als vervangingsmateriaal gebruikte Van Averbeke Vaurion dair, beter bekend als Masscmgis (142). Hij liet de natuursteen kappen door een ploeg van 23 steenhouwers, "volgens het procédé in zwang in de i-f1 eeuw" (143). Tegen het gebruik van moderne bouwmaterialen zoals eterniet (144) en gewapend beton (145) had Van Averbeke geen bezwaar, voor zover ze niet zichtbaar waren voor de bezoekers.

34 I M & L

^

De herschepping van het interieur Over het interieur van het huis van Rubens was slechts weinig bekend. Voor de indeling van het huis kon Van Averbeke terugvallen op het plan van Mols, waarvan de betrouwbaarheid echter door velen in twijfel getrokken werd. Wat de interieurinrichting betreft, was er zo goed als geen informatie beschikbaar, afgezien van de prent van Harrewijn van 1692 waarop een huiskapel en een vertrek met een koepelvormige zoldering te zien waren. Deze prent was echter ruim een halve eeuw na Rubens'


Het interieur van het woonhuis. Het imitatiegoudleer werd geleverd

De kunstkamer en de halfronde

door de firma Eugène Van Herck & Zonen

en overkoepelde beeldengalerij

(foto O. Pauwels 2012)

van Rubens (foto O. Pauwels 2012)

overlijden tot stand gekomen en het was onduidelijk hoe deze vertrekken er ten tijde van Rubens hadden uitgezien. Het beschikbare bronnenmateriaal was volstrekt onvoldoende om het originele interieur van het Rubenshuis te reconstrueren. Paul Buschmann en Ary Delen hadden het stadsbestuur daarom aangeraden het Rubenshuis in te richten als museum, in een eigentijdse, functionele stijl, naar het voorbeeld van het Rembrandthuis in Amsterdam. Ook Emiel Van Averbeke was aanvankelijk voorstander van dit idee. Zijn verslag aan het stadsbestuur van 22 april 1938 voorzag in grote zalen, die geschikt waren als museumlokalen (146). Toch hield het college van burgemeester en schepenen vast aan zijn voornemen om het interieur een i7de-eeuws uitzicht te geven. Als het niet mogelijk was het oorspronkelijke interieur te reconstrueren, dan wilde het stadsbestuur de bezoekers toch een sfeerbeeld van de woning van Rubens geven. Tijdens de afbraak van het huis Bosschaert probeerde Van Averbeke zoveel mogelijk sporen van de oorspronkelijke indeling van het Rubenshuis terug te vinden. Zo vond hij de vermoedelijke funderingen terug van het 'museum van Rubens', de halfronde zaal waar Rubens zijn collectie antieke beelden tentoonstelde. Op basis van deze vondst kon hij aantonen dat Mols zich vergist had wat de ligging en de afmetingen van dit museum betreft (147).

Het onderzoek van de bouwsporen kon echter niet alle vragen beantwoorden. Zo had het Rubenshuis volgens de gravures van Harrewijn een monumentaal trappenhuis dat de gelijkvloerse verdieping verbond met een open galerij. Maar volgens Van Averbeke kon er ten tijde van Rubens nooit een galerij geweest zijn: "De trap wordt door Van den Branden (148) toegeschreven aan Hans van Mildert. Wel te verstaan de

TUIN,

II il

U'

.o^-

ii .r

n

ii'/

!l

li'-h

U-JtfttK-WE-

k^

YAn

y s o tMWAADLnml)-

I 1

^ i -

•A

'^--d I

^i5^fc«r5*'"KS^«« , , M W

TOE-iTAriD v o u E - m - f t L o n r i t . TE-E-KC-niMÖ.5

Grondplan van het 'museum' van Rubens (uit VAN AVERBEKE E., Hel huis van P. P. Rubens. De eerste bevindingen, in Maandschrift der Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen, jg. 9, 1938, nr. 9, p. 240)

M&L I 35


De trappen van het oorspronkelijke huis werden toegeschreven aan de beeldhouwer Hans van Mildert. Over hun uitzicht was slechts weinig bekend. De huidige trappen werden ontworpen door Emiel van Averbeke 'in de geest van Hans van Mildert' (foto O. Pauwels 2012)

trap die van het gelijkvloers tot de eerste gaanderij voert. Rubens. Alleen werd hier een oplossing betracht, welke Doch de opzoekingen hebben bewezen dat de gaanderij een goede verbinding tusschen de lokalen zou er ten tijde van Rubens nooit heeft bestaan. Dus mogen verwezenlijken en deze, om de overlevering niet te wij hier ook de aanduiding der gravure betwijfelen. schaden, min of meer ontworpen in den geest der Wij weten dat van Mildert veel voor Rubens heeft gewerkt,trappen van van Mildert" (149). doch wij moeten besluiten dat de trap afgebeeld op de gravure, als opvatting, als teekening, als perspectief, Met het oog op de inwijding van het Rubenshuis al even slecht is als al de overige aanduidingen, inzake werd al in 1941 begonnen met de aankoop van versieringen en bekleedingen van het huis Hillewerve." antieke meubels (150). De meeste opdrachten voor Van Averbeke stelde daarom een pragmatische de interieurinrichting werden toegewezen aan de oplossing voor: "Er moeten natuurlijk goede trappen, bekende Antwerpse firma Eugène Van Herck en waardig van hun bestemming, in het Rubenshuis Zonen (151). Deze firma verhandelde niet alleen geplaatst worden. Wij moeten bekennen dat de kunstwerken van diverse aard maar voerde ook opzoekingen niet hebben doen uitschijnen, waar de expertises uit (152). In 1942 leverde ze onder meer trappen stonden en hoe ze waren. Enkele oude stukken 85 vellen imitatiegoudleer voor het Rubenshuis werden in de huidige trapzalen verwerkt, doch deze (153)hebben niet de afmetingen, welke een trap als deze afgebeeld op de gravure, zou vereischt hebben. Camille Huysmans en het Rubenshuis De oplossingen, aan de Commissie voorgelegd, zijn dus denkelijk geen waar beeld van den trap ten tijde van Camille Huysmans (1871-1968) had een lange en rijk gevulde politieke loopbaan. Hij was volksvertegenwoordiger voor de Belgische Socialistische Partij (1910-65), voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (1936-39 en 1954-58), minister van Kunsten en Wetenschappen (1925-27), minister van Openbaar Onderwijs (1947-49) e n premier (1946-47). Van 1932 tot 1940 en van 1944 tot 1946 was hij tevens burgemeester van Antwerpen (154). In die hoedanigheid en als voorzitter van de Studiecommissie speelde hij een belangrijke rol in de besluitvorming rond de herschepping van het Rubenshuis. Huysmans zelf noemde zich in de jaren 1950 Ie reconstructed responsable de cette maison (155). Reden genoeg dus om zijn opvattingen over de restauratie en de bestemming van het Rubenshuis nader te onderzoeken. Huysmans was een groot bewonderaar van Rubens. In 1939 koos hij Rubens als thema voor zijn 21 julitoespraak tot de Antwerpse schooljeugd en in 1945 publiceerde hij een artikel over Rubens als diplomaat. Volgens zijn biografen zocht hij in de figuur van Rubens punten van gelijkenis met zichzelf (156). Hij was vastbesloten het Rubenshuis in zijn 'oorspronkelijke staat' te herstellen, met inbegrip van het interieur. Het huis moest er opnieuw uitzien zoals in de tijd dat Rubens er woonde en werkte. Met dit standpunt stond hij niet alleen: de beslissing om het Rubenshuis in zijn 'oorspronkelijke staat' te herstellen, was al voor de Eerste Wereldoorlog genomen en de lokale pers en de publieke opinie verwachtten dat het stadsbestuur het huis in zijn oude glorie zou doen herrijzen (157). Het beeld van het Rubenshuis zoals het te zien was op de wereldtentoonstelling van 1910 werkte nog steeds door. Ook de KCML wilde het huis in zijn oorspronkelijke staat herstellen. Huysmans deelde de kritiek van

36 I M&L


Buschmann, Delen en Van Averbeke op de fantasievolle plannen van Blomme. Hij was er zich ook van bewust dat er lacunes waren in de historische kennis omtrent het oorspronkelijke huis. Maar dat was voor hem nog geen reden om van een herschepping af te zien. Als de experts niet wisten hoe het oorspronkelijke huis er precies had uitgezien, dan moesten ze ernaar streven "de historische werkelijkheid op een zo volmaakt mogelijke wijze te benaderen".

Camille Huysmans (foto AMVC-Letterenhuis Antwerpen)

Huysmans had ook een uitgesproken mening over de toekomstige bestemming van het Rubenshuis. In het najaar van 1945 publiceerde hij een bijdrage over de restauratie van het Rubenshuis in het tijdschrift van de Union nationale des prisonniers politiques. Over de toekomstige bestemming liet hij geen misverstand bestaan: "La Maison de Rubens ne sera pas un musée. Elle restera la maison de Pierre Paul. On y verra certes des tableaux du maitre. Mais elle permettra au visiteur de revivre par l'esprit et par Ie cceur une époque mouvementée de notre histoire nationale.» (158). De rede die Huysmans hield op 21 juli 1946 bij de inwijding van het Rubenshuis had dezelfde teneur: «Niet alleen lag het in de bedoeling van het Antwerpsch gemeentebestuur, één van de mooiste particuliere qualité de bourgmèstre et d'animateur de la Commission woningen van België in haar vroegere glorie te herstellen, qui a recrée cette maison avec la collaboration de VArchitecte Van Haverbeke, qui était un artiste de het wil er tevens een atmosfeer oproepen die aan het haute valeur. A nous trois. Van Haverbeke, Opsomer et verblijf herinnert van den geniaalsten van onze kunstmoi nous avons pris les resolutions relatives d cette schilders. Zoo worden van lieverlede kamers en vertrekken gemeubeld en gestoffeerd. Orgineele stukken, maison: achat - études - construction.» (161). Isidore Opsomer (1875-1967) is vandaag vooral bekend als die eenmaal het eigendom zijn geweest van den schilder van officiële portretten. Hij was sinds 1926 Vlaamschen Meester, prijken er naast andere, die dagteekenen uit hetzelfde tijdperk. Aankoopen en giften directeur van het Hoger Instituut voor Schone zullen verder de collectie helpen verrijken, waarvoor zich Kunsten in Antwerpen. Van 1937 tot 1946 was hij tevens directeur van de Koninklijke Academie. overigens reeds menig mild donateur interesseerde.» Hij was nauw bevriend met Huysmans en had een (159)grote invloed op diens artistieke opvattingen (162). Hij was evenals Van Averbeke lid van de StudieOp 21 oktober 1947 werd de vzw De Vrienden van het commissie en van de KCML (163). Van Averbeke Rubenshuis opgericht, die tot doel had de collectie won tijdens de restauratie regelmatig zijn advies in van het Rubenshuis te verrijken en de faam van voor de uitwerking van ornamentele elementen Rubens te vergroten (160). In 1955 wilden zij een (164). olieverfschets van Rubens aankopen. Omdat ze niet over de nodige middelen beschikten, vroegen ze steun aan het stadsbestuur en aan Leo Collard, Op 25 oktober 1955 schreef Huysmans een brief minister van Openbaar Onderwijs. Dit was echter aan schepen John Wilms, waarin hij hem eraan niet naar de zin van Camille Huysmans. Hij schreef herinnerde dat de commissie die het Rubenshuis een brief aan Collard om hem erop te wijzen dat het had herbouwd, steeds unaniem van oordeel geweest nooit de bedoeling geweest was dat het Rubenshuis was "dat het Rubens-Huis niet moest veranderd worden in een Rubens-Museum. Dat was het oordeel van Van een museum zou worden. Als de Vrienden van het Haverbeke, de geniale man die de plans heeft opgemaakt Rubenshuis werken van Rubens wilden aankopen, en de uitvoering verzorgd, - het oordeel van Schepen moesten ze die in het Koninklijk Museum voor van Put, - van de nu overleden voorzitter van de Schone Kunsten tentoonstellen. In deze brief legde Rechtbank, die zich in die zaak gespecialiseerd had, Huysmans ook uit hoe de besluitvorming rond de - het oordeel van Schilder Opsomer, - en ook van mij, herschepping van het Rubenshuis verlopen was: "je suis Ie reconstructeur responsable de cette maison, en die ervoor gezorgd heeft dat het huis er kwam." (165).

M&L

37


Slotbeschouwing

De pomp op de binnenplaats (foto O. Pauwels)

In de vakliteratuur wordt vaak aangenomen dat Emiel Van Averbeke een grote vrijheid van handelen had bij de herschepping van het Rubenshuis. Dit beeld moet enigszins genuanceerd worden. Het klopt dat Van Averbeke de plannen ontworpen heeft en dat hij de leiding van de werkzaamheden had, maar het concept dat aan de basis lag van de herschepping, was niet door hem bedacht. Hij wilde aanvankelijk alleen de portiek en het tuinpaviljoen restaureren en de bestaande gebouwen als museum inrichten, zoals Paul Buschmann en Ary Delen reeds in 1914 respectievelijk 1933 voorgesteld hadden. Het college van burgemeester en schepenen hield echter vast aan het plan om het Rubenshuis in zijn 'oorspronkelijke staat' te herstellen, met inbegrip van het interieur. Met name burgemeester Huysmans was voorstander van een algehele herschepping. Ook wat de toekomstige bestemming van het Rubenshuis betreft, had Huysmans het

laatste woord. Terwijl Van Averbeke aanvankelijk pleitte voor een modern ingericht museum, koos Huysmans resoluut voor een kunstenaarswoning met een i7de-eeuws interieur. In de ontwerp- en uitvoeringsfase werd de speelruimte van Van Averbeke daarenboven ingeperkt door de Studiecommissie. Deze had zelf geen beslissingsbevoegdheid, maar was wel degelijk bij machte om voorstellen van Van Averbeke te laten afwijzen door het college, zoals zijn voorstel om het tuinpaviljoen te slopen en te herbouwen in plaats van het te restaureren.

Thomas Van Driessche is erfgoedonderzoeker bij het agentschap Onroerend Erfgoed

Eindnoten (1)

(2) (3)

(4)

(5)

(6) (7)

(8) (9) (10) (n) (12) (13)

(14) (15)

38 I M & L

Gebruikte afkortingen: ARA: Algemeen Rijksarchief; SAA: Stadsarchief Antwerpen; AMVC: Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven - Letterenhuis. TIJS R., Rubens enjordaens. Barok in eigen huis, Antwerpen, 1983, p. 90-93. VAN BENEDEN B., Inleiding: Rubens en de architectuur, in UPPENKAMP B. en VAN BENEDEN B., Palazzo Rubens. De meester als architect, Antwerpen, 2011, p. 8; ROMBAUT H. en TI|S R., Peter Paul Rubens, in Nationaal Biografisch Woordenboek, 20, Brussel, 2011, kol. 785-793; TI)S R., Renaissance- en barokarchitectuur in België. Vitruvius' erfenis en de ontwikkeling van de bouwkunst in de Zuidelijke Nederlanden van renaissance tot barok, Tielt, 1999, p. 123-136. BAUDOUIN F., De fresco's op de gevels van Rubens' werkplaats: enkele addenda, in Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, Academiae Analecta, 1998, p. 6. ROMBAUT H. en TIJS R., op. rit., kol. 785-793; VAN BENEDEN B., op.cit., p. 13-25; MULLER]., De verzameling van Rubens in historisch perspectief in BELKIN K. en HEALY F., Een huis vol kunst. Rubens als verzamelaar, Antwerpen, 2004, p. 35-41; H A R T I N G U., Rubens Garten in Antwerpen, in HARTING U. (red.), Garten und Höfe der Rubenszeit im Spiegel der Malerfamilie Brueghel und der Künstler um Peter Paul Rubens, München, 2 0 0 0 , p. 6 0 ; BAUDOUIN F., op. rit., p. 7-22. HUVENNE P., Het Rubenshuis, in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, jg. 26, nr. 4 , 1 9 8 8 , p. 122. VAN BENEDEN B. en DE POORTER N., Vorstelijke vluchtelingen. William en Margaret Cavendish in het Rubenshuis 1648-1660, Antwerpen, 2 0 0 6 . TIJS R., op. cit, p. 147-149. BAUDOUIN F., op. cit., p. 8-9. DELEN A., De geschiedenis van het huis van Rubens, in Het Huis van Rubens. Periodisch Bulletin, nr. 1,1938, p. 15-17. TIJS R., op. cit., p. 158-161. DELEN A., op. cit., p. 16. COOLS H., Antwerpen: het Rubenshuis, in TOLLEBEEK J. e.a. (red.), België, een parcours van herinnering. Plaatsen van geschiedenis en expansie, Amsterdam, 2 0 0 8 , p. 137-149. COOLS H., op. cit., p. 140-141; HUVENNE P., op. cit., p. 129. BLOMME H., La maison de Rubens, pavilion de la Ville d'Anvers d l'Exposition Universelle de Bruxelles igio, reconstitutionpar Henri Blomme, Antwerpen, 1910, p. 7.


De beelden van Mercurius vator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te (.6) UYTTENHOVE P., De ruïne en het feest. De moderniteit van Oud Antwerpen en Oud België, in De Panoramische Droom. Antwerpen (1944-1948). Hij was tevens leraar aan de Minerva op de portiek Antwerpen en de wereldtentoonstellingen i88<j,i8g4,ic)}0, Ant- Koninklijke Academie. GOOVAERTS A. en SOMERS M., (foto O. Pauwels) werpen, 1993, p. 249-258. Ary Delen, in Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, BLOMME H., op. at., p. 7. dl. 1, Tielt, 1998, p. 894; L1SSENS R., Adriaan Jan jozef (i7) Delen, in Winkler Prins Encyclopedie van Vlaanderen, dl. 2, (i8) In een brief aan het Academisch Corps van Antwerpen van 20 januari 1910 had het college van burgemeester en scheBrussel, 1973, p. 255. penen reeds aangekondigd dat "de heelden en versieringen (28)VAN BOOVEN H., Een Rubenaeum, in Elsevier's Maandvan dit paviljoen bewaard zullen blijven, ten einde te kunnen schrift, 99, juni 1940, p. 447. gebruikt worden bij de mogelijke herbouwing van het paleis in ARA, (29) Bestuur Schone Kunsten, nr. 29, krantenknipsels uit onze stad'. Op 13 februari 1911 gaf de schepen van Openhe Matin (10 mei 1936) en Le Soir (25 mei 1936). bare Werken opdracht aan zijn dienst om de beeldhouw- (30) SAA, MA-KAB 1713, nota van Van Averbeke aan het collewerken in verzekerde bewaring te brengen omdat zij "zulge, 28 mei 1936. len moeten dienen bij de mogelijke latere herbouwing van het (31) De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed van de Vlaamwoonhuis van Rubens". SAA, MA 11787. se Overheid bevat momenteel 52 gebouwen die door Van BUSCHMANN P., Over herstelling en bestemming van het Averbeke zijn ontworpen, al dan niet in samenwerking (•9) huls-Rubens, in Het Huis van P.P. Rubens, Periodisch Bullemet andere architecten: http://inventaris.onroerenderftin, nr. 2,1938, p. 59. goed.be/dibe/persoon/1188 (20) BUSCHMANN P., op. rit., p. 75. (32) STRAUVEN F., Van Averbeke, Emiel. in VAN LOO A. (red.). Ontwerpen (21) BRENTJENS Y., K.P.C, de Bazel (Mc)-^}). Repertorium van de architectuur in België, Antwerpen, 2003, voor het interieur, Zwolle, 2006, p. 161-165. Over het prop. 548-549; STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een gebleem van authenticiteit en interpretatie van museumwoschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België , ningen, zie ook: VAN HAK C, Van "authentieke staat" tot ^35' ] 94 0 ' Brussel, 1998, p. 382; AERTS W., Emiel Van "valsche herschepping". Authenticiteit en interpretatie van mu- Averbeke 1876-1946, Stadshoofdbouwmeester. Zijn bijdrage tot seumwoningen in Europese context, in BUYLE M. (ed.). De de moderne bouwkunst in Antwerpen (onuitg. lic. verh.) mythe van de retour a ('origine. Authenticiteit en interpretatie RUGent, 1978; VAN AVERBEKE M., Emiel van Averbeke in de conservatie-restauratie {BRK-APROA Postprints, 4), {1876-11)46), in Vlaamse Stam, 1977, p. 265-270; BRAEM Brussel, 2008, p. 69-81 (over het Rembrandthuis en het R., Emiel van Averbeke, in Nationaal Biografisch WoordenRubenshuis: p. 75). boek, 6, Brussel, 1974, kol. 7-10. (22) De KCML aan de minister, 12 februari 1914. ARA, Bestuur (33) SAA, MA-KAB 1713. der Schone Kunsten, 29. (34) SAA, MA 11788, Vertoog van het college aan de gemeenteraad, 5 augustus 1939. (23) SAA, MA 11787, krantenknipsels uit Het Handelsblad (16 juli 1914); La Métropole (16 juli 1914) en Gazet van Ant- (35)SAA, MA 11788, Vertoog van het college aan de gemeentewerpen (18 juli 1914). raad, 5 augustus 1939. (36)Koninklijk Besluit van 6 februari 1936. Bij (24) Het Rubenshuis. Een blik in 't verleden en de toekomst, in Het Handelsblad, 12 mei 1936 (krantenknipsel in ARA, Bestuur (37)SAA, MA 11787, college van burgemeester en schepenen, Schone Kunsten, nr. 29). zitting van 20 januari 1939. (38) http://www.felixarchief.be (25) SAA, MA41140B. (26) DELEN A., op. cit., p. 20. (39)SAA, MA-KAB 1713, nota van Van Averbeke aan het colle(27) A. Delen was achtereenvolgens adjunct-conservator van ge, 28 mei 1936, p. 12. het Museum Plantin-Moretus (1920-1935), conservator van (40) SAA, MA 11788, Vertoog van het college aan de gemeentehet Stedelijk Prentenkabinet (1935-1944) en hoofdconserraad, 5 aug. 1939.

en

M&L I 39


Het interieur van het woonhuis (foto O. Pauwels)

40

M&L

(59) Glesener aan Huysmans, 28 februari 1939. AMVC, archief (41) TIJS R., op. cit., p. 199. Opsomer, O 345 / B, nr. 90546/2. (42) SAA, MA 41140 en SAA, MA 22683. (43) SAA, MA22683 (college van burgemeester en schepenen, {60) Huysmans aan Glesener, 3 maart 1939 en 4 maart 1939. AMVC, archief Opsomer, O 345 / B, nr. 9 0 5 4 6 ^ ^ ) proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 1941); BAU(3 maart 1939) en 90546/6 (4 maart 1939). DOUIN F., Jozef Muls, Rubens en het Rubenshuis, in Jozef (61) Delen aan Huysmans 30 maart 1939 (kopie aan Opsomer). Muls herdacht, Antwerpen, 1964, p. 101-109. AMVC, archief Opsomer, O345, Bien B2, nr. 90546/18. (44) SAA, MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke, (62) "Het feit dat zonder deze verhooging het peil van verschillende 22 juli 1938. vertrekken niet hetzelfde zou zijn, is geen argument. Integen(45) Het Huis van P.P. Rubens, in Periodisch Bulletin, nr. 1, juli deel, dat men om van de eene zaal in de andere te gaan een 1938. paar treden op-en af moet stappen, is geen bezwaar en geeft zel (46) Clijmans aan Delen, 17 mei 1938 en 23 mei 1938. Delen aan dit 16' eeuwsche woonhuis een intiem, schilderachtig aan Clijmans, 24 mei 1938. SAA, MA 22683. karakter dat men eveneens terugvindt in het zoo stemmige (47) Het college aan de eerste minister, 23 november 1938, Plantinmuseum." Delen aan Van Averbeke, 30 maart 1939 SAA, MA 11788. (kopie aan Opsomer). AMVC, archief Opsomer, O 345/B. (48) SAA, MA 11788, Vertoog van het college aan de gemeenteraad, 5 augustus 1939. (63) Van Averbeke aan het college, 7 april 1939, SAA, MA 11788. (49) Huysmans aan Van Isacker, 19 maart 1936, ARA, Bestuur (64) Van Averbeke aan Huysmans, 20 april 1939, SAA, MA Schone Kunsten, nr. 29. 11788. (50) ARA, Notulen van de ministerraad, zitting van dinsdag (65) Nota van Jules Somers, schepen van Openbare Werken, 21 april 1936, online beschikbaar op http://arch.arch.be/ aan het college, 25 april 1939. SAA, MA 11788. content/view/405/207/lang,nl_BE/ (66) Van Averbeke aan het college, 7 april 1939, SAA, MA (51) ARA, Bestuur Schone Kunsten, nr. 29, krantenknipsels uit 11788. De plannen die aan de KCML voorgelegd werden, Le Matin (10 mei 1936); Het Handelsblad (12 mei 1936); Le bevinden zich nu in het planarchief van de KCML, dat Soir, 25 mei 1936. beheerd wordt door het Agentschap Onroerend Erfgoed (52) Hoste aan Somers, 29 april 1937, SAA, MA 11788. (nrs. A 0279 - A 290). (53) Het college aan de eerste minister, 23 november 1938, (67) De KCML aan het college, 18 mei 1939. SAA, MA 11788. SAA, MA, 11788. (68) SAA, MA 11788. college van burgemeester en schepenen, (54) SAA, MA 5470, persmededeling van 7 september 1938. beraadslaging, proces-verbaal, 4 mei 1939. (55) SAA, MA 5470, Noto over de herstelling van het Rubenshuis (69) SAA, MA 11788. (18 februari 1939). (56) Toen het fonds tijdens de oorlog werd opgeheven, bevatte (70) DE LATTIN A., De restauratie van het Rubenshuis, in Natuuren Stedenschoon, 18,1939, nr. 3, p. 33. het 1.757.087,01 frank: SAA, MA 11788, college van burgemeester en schepenen, proces-verbaal van de beraadsla- (71) Een eeuw openbare werken te Antwerpen. Gedenkboek en cata logus, Antwerpen, 1964, p. 68. ging van 30 april 1942. (72) TIJS R., op. cit, p. 202 en p. 224-227. Het archief van Vic(57) SAA, MA 11788, vertoog van het college, 5 augustus 1939. tor Blommaert berust thans op het Architectuurarchief van (58) SAA, MA 11788, college van burgemeester en schepenen, de provincie Antwerpen. proces-verbaal van de zitting van 13 januari 1939.


(73) SAA, MA 9879, nr. 11, tweede werkboek. Beurteilung vorzulegen". Van Averbeke aan Rosemann, {74) Walter Delius (1884-1945) was van 1940 tot 1942 Stadt12 januari 1943, SAA, MA 9880. kommissar voor Antwerpen. Onder zijn impuls kwam de (97) "Da die Zuspitzung der Kriegslage zwingt, die noch zur Verfiiagglomeratie Groot-Antwerpen tot stand. Als burgemeesgung stehenden Baumaterialen und Arbeitskrafie nur in drinter van Wesermünde had hij in 1939 reeds de fusie met gend notwendigen Fallen einzusetzen, kann die geplante WeiBremerhaven bewerkstelligd. WOUTERS N. 2004: terführung der Wiederherstellung des Rubenshauses nicht genehOorlogsburgemeestsrs 40/44: lokaal bestuur en collaboratie in migt werden. In einer Ortshesichtigung am Freitag. dem 5.3., België, Tielt, 2004, p. 290. um 9.30 Uhr, soil die Frage gekldrt werden, welche Arbeiten (75) PRIMS F., Antwerpsche oorlogsephemeriden (10 mei 1940 noch unbedingt vor einer Stillegung erledigt werden mussen". 30 maart 1945J. Chronologische opteekeningen met alfabetisch SAA, MA 9880. map 32. (98) T-stukken en ellebogen dienen voor rioleringen. De raming register op personen en zaken en algemeene oorlogskalender, voorzag in de aanleg van een riolering in de tuin. Antwerpen, 1946, p. 53. (99) SAA, MA 9880, map 32 (raming van Van Averbeke d.d. 12 (76) PRIMS F., op. rit., p. 36. januari 1943). (77) DELIUS W., Als deutscher Stadtkommissar in Antwerpen 1940/1941, onuitg. typoscript, z.p., z.d., p. 93. Een kopie van (100) Het CGLW aan het college van burgemeester en schepehet typoscript wordt bewaard in de Erfgoedbibliotheek nen, 21 mei 1943. SAA, MA 9880. Hendrik Conscience. (101) SAA, MA 9880, map 32. (78) Van Averbeke aan het college, 12 november 1940, SAA, (102) Op 15 februari 1945 had de stad in totaal 4.023.500 frank ontvangen, zoals blijkt uit een nota van de stadsontvanger MA 9880, voor de burgemeester d.d. 13 juli 1946. SAA, MA 11788. (79) Van Averbeke aan het college, 19 april 1941, SAA, MA (103) SAA, MA-KAB 1714, nota van Fritz Francken; SAA, 9879. MA9879 (zesde werkboek). (80) De Warencentrale der Nijverheidsvetstoffen aan het stadsbestuur van Antwerpen, 14 mei 1941. SAA, MA 11787. (104) AERTS W., op. cit., p. 9. (105) Persmededeling van de stad Antwerpen, 23 oktober 1946, (81) PRIMS F., op. rit., p. 53. SAA, MA 22684 (B). (82) SAA, MA 9880. (83) SAA, MAA11788, DelwaideaanVerwilghen,4 maart 1942, (106) "de h. Eerste-Minister heeji mij verzekerd dat hij alles in het werk zal stellen om de financiële tussenkomst van de Staat te alsook college van burgemeester en schepenen, procesbespoedigen": Edm. Struyf, kabinetssecretaris, aan de burverbaal van de beraadslaging van 30 april 1942. gemeester van Antwerpen. 7 juli 1947. SAA, MA 11789. (84) STRAUVEN F., De rol van het commissariaat-generaal voor (107) Het Ministerie van Openbare Werken aan de stad Ant's lands wederopbouw. Een inleidende beschouwing, in Interbelwerpen, 14 juli 1947. SAA, MA 11789. lum cahier 9-10. Planning en contingentie: aspecten van ste(108) Voor een chronologisch overzicht van de uitgevoerde denbouw, planologie en architectuur tijdens de Tweede Wereldwerkzaamheden, zie: VAN DRIESSCHE T., De herschepoorlog, 4-6. Gent, Brussel, 1997, p. 4. ping van Rubens' huis. Over de restauratie van het Rubens(85) UYTTENHOVE P., Architectuur, stedebouw en planologie tijdens de Duitse bezetting: de moderne beweging en het Commis- huis door Emiel Van Averbeke (1939-1946^), Brussel, 2009 sariaat-Generaal voor 's Lands Wederopbouw, in Belgisch Tijd- (onuitg. onderzoeksrapport), p. 18-23. schriji voor Nieuwste Geschiedenis, 20,1989, 3-4, p. 471. (109) SAA. MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke, 22 juli 1938, p. 15-18 en p. 56. (86) SAA, MA 11788, college van burgemeester en schepenen, proces-verbaal van de zitting van 28 oktober. 1943. Alle in- (110) SAA, MA 9878, nr. 10 (eerste werkboek). formatie over de door het CGLW toegekende subsidies is (in) SAA, MA 9878, nr. 6, 'Restauratie Rubenshuis - staat der uitgevoerde werken', 22 april 1942. afkomstig uit het stadsarchief Antwerpen. Het archief van het CGLW, dat op het Algemeen Rijksarchief berust, is (112) DE CLERCQ L., Rubenshuis. Tuinportiek. Antwerpen. Aanvulling op het materieel-technisch onderzoek en restauratieslechts beperkt toegankelijk voor het publiek. In het toeadvies in opdracht van het stadsbestuur Antwerpen, onuitg. gankelijke gedeelte is geen dossier in verband met het rapport, 1997, p. 4. Rubenshuis terug te vinden. (113) De blauwe hardsteen, in totaal 17 m', werd geleverd door (87) Hoofdingenieur Bollengier aan Rosemann, 19 september de S.A. Carrières du Hainaut te Soignies SAA, MA 9878, 1942. SAA, MA 9880, map 32. nr. 7 (bestek), nr. 10 (eerste werkboek) en MA 9879, nr. 11 (88) SAA, MA, 9880, weekverslag nr. 19. (tweede werkboek). (89) SAA, MA 11788, Van Averbeke aan het college, 17 decem(114) "maken beton balken aan arkade voor het ontlasten van blouwe ber 1942. Zie ook: DE BACKER W., HUVENNE, P. EN hardsteen bogen" SAA, MA 9879, nr. 11 (tweede werkboek). VAN DEN BOSSCHE H. 1995: De tuin van het Rubenshuis in Antwerpen: een historische evocatie, MajL, jg. 14, (115) SAA, MA 9879, nr. n (tweede werkboek). (116) "Hel plaatsen van schooren met platform, om het te kunnen nr. 3,1995, p. 41-55. plaatsen van zakjes met zand. om het te kunnen vrijwaren (90) CLIjMANS F., Rondom den wederopbouw van het Rubensvan het gebeeldhouwd werk aan de voorzijde van de arkade" huis, Antwerpen, 1941, p. 48. SAA, MA 9879, nr. 11 (tweede werkboek). (91) SAA, MA41140 B. (92) LOMBAERDE P. 1997: De verkeersring rond Antwerpen (117) SAA, MA 9879, nr. 11 (tweede werkboek). als onderdeel van het Duitse R.A.B.-net, in: Interbellum (118) Binnen de Studiecommissie bestond er onenigheid over de identificatie van de beelden. Delen meende dat het cahier g-10. Planning en contingentie: aspecten van stedenbouw, planologie en architectuur tijdens de Tweede Wereldoor- beeld van Mercurius in werkelijkheid Pictura voorstelde. DELEN A., Het huis van Rubens. De invloed van Rubens op log, 55-76, Gent, Brussel, 1997, p. 57. de Vlaamsche barokarchitectuur, Diest, 1940, p. 32. (93) SAA, MA 9880. (119) SAA, MA 9878, nr. 8. {94) Heinz Rudolf Rosemann (1900-1977) was in 1936 tot hoogleraar kunstgeschiedenis benoemd aan de Technische (120) SAA, MA 9879, vierde werkboek, 24 en 25 maart 1942. Hochschule Darmstadt. BEYEN M., Wetenschap, politiek, (121) Van Averbeke aan het college, 4 februari 1941. SAA, MA 9878, nr. 8. nationaal-sodalisme. De cultuurpolitiek van het Duits militair bezettingsbestuur in België, 1940-1944, in: Cahiers (122) DE CLERCQ L, Vooronderzoek portiek Rubenshuis (onuitg. rapport), Antwerpen, 1991, p. 4. d'Histoire du Temps Présent (30/60) - Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis (}o/6o), 2003,11, p. 52. Voor meer infor- (123) SAA, MA-KAB 1713, p. 17 (tweede verslag van Van Averbeke d.d. 22 juli 1938). matie over Rosemann, zie: http://www.ikg.uni-karlsruhe. (124) Claessens aan Van Averbeke, 12 januari 1939 en Van de/projekte/kgns/bibliographie/rosemann.htm Averbeke aan het college, 25 januari 1939, SAA, M A11789. (95) Rosemann aan Bollengier, 13 december 1942 (door BollenUit een bouwtechnisch onderzoek uitgevoerd door het gier vertaald en doorgestuurd naar Van Averbeke). SAA, KIK in samenwerking met TNO en TU Delft is echter geMA 9880. bleken dat de voluten van de balustrade alsook de onder(96) "Mit Bezug aufunsere Rücksprache von 5 Januar beehre ioh zijde van het Honosbeeld in Savonnièressteen werden mich Ihnen mitzuteilen dasz Hauptleiter Hen T. Ruyten am uitgevoerd. Tuinpaviljoen. Bouwtechnisch en bouwhistorisch Donnerstag 14 Januar, 11 Uhr vormittags bei Ihnen anmelden onderzoek ter definiëring van een conserveringsconcept. Deel möchte zwecks der von uns aujgemachter Rahmungsentwurf hetr. weitere Restaurationsarbeite an dass Rubenshaus an Ihre I., onuitg. rapport van KIK, TNO en TU Delft, 2010, p. r2.


'••«'i-V . X . . .


(125) Voor een gedetailleerde beschrijving van de werkzaam- (144) Een door van Averbeke opgestelde kostenraming voor de Het interieur van het schilderhuys werkzaamheden aan het Rubenshuis d.d. 12 januari 1943 {foto O, Pauwels} heden, zie: DE CLERCQ L, Bouwhistorische gegevens tuinvermeldt: "aankoop van eternitplaten voor afdekking en dichtpaviljoen (onuitg. onderzoeksrapport), Antwerpen, 2012 werken der houten vullingen onder de steenen vloeren der veren VAN DRIESSCHE T., op. rit., p. 23-26. diepingen 10.000". Bij gebrek aan etemietplaten werden (126) SAA, MA 5470, college van burgemeester en schepenen, 150 'Litocel-platen' besteld. Van Averbeke aan nv Bouwproces-verbaal van de zitting van 8 okt. 1941. materialen Jos. Moons, 7 april 1943. SAA, MA 9880. (127) Van Averbeke aan het college, 23 april 1944; SAA, MA 11789. Zie ook; MA-KAB 1714, nota van Fritz Francken; (145) SAA, MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke d.d. 22 juli 1938, p. 37. VAN RUYSSEVELT A. en SOMERS M., Wiüy Kreitz igoy ig&. Klassiek en modernistisch beeldhouwer. Antwerpen,(146) SAA, MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke d.d. 22 juli 1938, p. 47. 1998, p. 155. De gipsen modellen van het Venusbeeld en het Ceresbeeld staan vandaag in de kapel van het voorma- (147) VAN AVERBEKE E., Het huis van P.P. Rubens. De eerste bevindingen. Het plan van Bomme. De dwalingen van Mols. lige godshuis Lantschot. Wat er dient gedaan te worden, in Het Huis van Rubens, (128) UPMARK G., Ein Besuch in Holland i6Sj aus den Reisean schilderungen des schwedischen Architekten Nicodemus Tes- Periodisch Bulletin, nr. 1, juli 1938, p. 23-45. ^' Averbeke publiceerde hetzelfde artikel ook in het Maandschrift der sin d.J., in Oud-Holland, 1900, dl. 18, geciteerd door TIJS, Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen, op. cit, p. 151. jg. 9, nr. 9 (september 1938), p. 230-246. (129) BUSCHMANN P., op. cit, p. 76-77. (130) DELEN A., De geschiedenis van het huis van Rubens, in Het 148) VAN DEN BRANDEN F.J., Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool, Antwerpen. 1883. Huis van Rubens. Periodisch Bulletin, nr. 1, juli 1938, p. n. 149) SAA, MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke (131) SAA, MA-KAB T713, tweede verslag van Van Averbeke d.d. 22 juli 1938, p. 41, p. 44-45. d.d. 22 juli 1938, p. 3, p. 10, p. 13, p. 14, p. 55. 150) Van Averbeke aan het college, 7 juni 1941, SAA, MA (132) DELEN A., Het huis van P.P. Rubens. De invloed van Rubens 9880. op de Vlaamsche barokarchitectuur, Diest, 1940, p. 29-30. 0 SAA, MA 9880 en MA 11789. (133) CLIJMANS F., op. cit., p. 49. 2) BAUDOUIN F., Charles Van Herck en zijn verzameling (r34) Hun namen waren: August en Marcel Amorgasti, Frans tekeningen en terracotta's, in Tekeningen uit de i/" en Claessens, Georges Collard, Jan Collard, Eduard Deckers, iS1" eeuw. De verzameling Van Herck. Brussel, 2000, p. 14-22. Floris De Cuyper, jan De Cuyper, Arthur Dupon, Simon J) SAA, MA 9880, Van Averbeke aan het college, 20 juli Goossens, Frans Jochems, Willy Kreitz, Gaston Pierre, 1942. Karel Schuermans, Leopold Van Esbroeck en Lode Vlees4) DE WEERDT D., Camille Huysmans, in Nationaal Biograhouwers. Aan deze lijst moeten nog Antoine Hoefnagels fisch Woordenboek. 13,1990, 410-426. en Nestor Gerrits worden toegevoegd. De eerste maakte 5) DE WEERDT D. EN GELDOLF W., Camille Huysmans en een aantal gietvormen en afgietsels van het beeldhouwde cultuur, in Camille Huysmans geschriften en documenten werk van de portiek en de tweede maakte een afgietsel van VIA, Antwerpen, Amsterdam, 1979, p. 225-231. het Bacchusbeeld in het paviljoen. TIJS R., op. cit., p. 2556) DE WEERDT EN GELDOLF, op. cit, p. 219-224. 258. 7) De dienst voor Propaganda en Toerisme volgde de (135) Zie bijvoorbeeld SAA, MA 9880, nota van Van Averbeke berichtgeving over het Rubenshuis op de voet. Talrijke aan de beeldhouwers Arthur Dupon, Willy Kreitz, Leokrantenknipsels zijn te vinden in de dossiers SAA, MA pold Van Esbroeck, Floris De Cuyper en Jan De Cuyper 22685 e n MA41140. d.d. 24 september 1941. 8) SAA, MA-KAB, 1714. (136) Van Averbeke aan het college, 21 februari 1941. SAA, MA 9) Toespraak gehouden door Camille Huysmans naar aan11787. leiding van de inwijding van het Rubenshuis op 21 juli (137) SAA, MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke 1946, SAA, MA 22684(A). d.d. 22 juli 1938, p. 37. 160) DE WEERDT D. EN GELDOLF W., op. cit., p. 224. (138) SAA, MA-KAB 1713, tweede verslag van Van Averbeke 161) Ibidem, p. 224-225. d.d. 22 juli 1938, p. 10, p. 51-53. 162) Ibidem, p. 156. (139) SAA, MA 9879, vijfde werkboek (13 juni 1942). 163) AVERMAETE R., Opsomer, Isidore Edmond Henri, in (140) Van Averbeke aan de bestuurder der stedelijke begraafNationaal Biografisch Woordenboek, dl. 11, Brussel, 1985, plaats Schoonselhof, 27 oktober 1943, SAA, MA 9878. kol. 577-583; STYNEN H., op. cit, p. 372. (141) SAA, MA 9879, zesde werkboek. Wekelijks voortgangs164) AMVC, archief Opsomer, O345/B1+B2. rapport van brigadier Wynant d.d. 3 april 1943. 165) DEWEERDT D. en GELDOLF W., op. cit, p. 225-226. Met (142) SAA, MA 9878 en MA 9879. de voorzitter van de rechtbank bedoelt Huysmans Olivier van Stratum. (143) SAA, MA-KAB, 1714.

1VI&L I 43


Archeologisch onderzoek op het plateau van Caestert Mare Verhoeven

Op het plateau van Caestert, gelegen langs de Maas in de gemeente Riemst, ligt onder bossen en weilanden een 35 ha grote versterking uit de ijzertijd verscholen. De omvang doet vermoeden dat het een belangrijke locatie was. Mogelijk is de plaats zelfs te identificeren met het in Julius Caesar's Commentarii de bello Callico vermelde Atuatuca. Dit was een vesting van de stam van de Eburonen, waar Caesar tijdens de Gallische Oorlogen manschappen liet inkwartieren. Onder leiding van Ambiorix werden deze in 54 v. Chr. verpletterend verslagen. De site werd aanvankelijk in de jaren '70 van de vorige eeuw archeologisch onderzocht door middel van proefsleuven. Vanwege het wetenschappelijke belang en met het oog op een archeologische bescherming, werd er in opdracht van het agentschap Onroerend Erfgoed de laatste jaren opnieuw archeologisch onderzoek uitgevoerd (1). Dit onderzoek resulteerde in belangrijke nieuwe informatie en inzichten met betrekking tot de geschiedenis van het plateau van Caestert.

Gezicht op de meanderende Jeker vanuit het westen (foto M. Verhoeven)

44 I M hl


Het beboste zuidelijk deel van het plateau van Caestert ffoto O. Pauwels)

Het plateau van Caestert Het grootste en meest westelijke deel van het plateau van Caestert bevindt zich in het Haspengouwse Mergelland, nabij Kanne in de gemeente Riemst. Het oostelijke deel ligt in Wallonië. Het hooggelegen plateau ligt ingesnoerd tussen het Albertkanaal in het westen en de Maas in het oosten. Iets verder naar het westen liggen de rivierdalen van

de jeker en de Geer. Langs de oostzijde, de kant van de Maas, is het plateau begrensd door een ongeveer 60 m hoge en zeer steile helling. Het plateau bezit een grote biodiversiteit en is daarom ook als natuurgebied beschermd. Typisch voor het plateau van Caestert, met name het zuidelijk beboste gedeelte, zijn de zogenaamde dolines. Dit zijn trechtervormige depressies,

M&L I 45


Situering van het plateau van Caestert en het onderzoeksgebied

Een trechtervormige depressie of doline bovenop het plateau van Caestert (foto K. Vandevorst)

46 I IVI^L


BLOKBREKERS EN MAMELOUQUES De mergelgroeven onder

De mergelontginningen onder en rondom het plateau van Caestert zijn waarschijnlijk al zeer oud. De eerste mergelontginningen vonden plaats ten behoeve van het bemesten van akkerbouwlanden, waarschijnlijk in dagbouw. De Romeinen gebruikten vooral natuur- en baksteen voor hun gebouwen, maar soms ook mergelblokken.

het plateau van Caestert (foto O. Pauwels)

De ondergrondse mergelgroeven dateren ten laatste uit de i5de eeuw, toen er vanwege de bouw van versterkingen veel behoefte aan bouwmateriaal was. Vanaf de i6de tot en met de i8de eeuw waren er grootschalige ontginningen. De mergel werd gezaagd door zogenaamde blokbrekers. De ontginning gebeurde in een systeem van loodrecht op elkaar staande gangen en pilaren, die zich voornamelijk op een diepte van 6m tot 25 m onder de grond bevinden. Er werd steeds vanaf het plafond begonnen, zodat de vloer voortdurend werd verlaagd (1). Na de i8de eeuw nam de productie geleidelijk af en na de Tweede Wereldoorlog was het vrijwel volledig gedaan met de ondergrondse mergelwinning. Vanaf toen werden er gigantische hoeveelheden mergel ontgonnen in reusachtige dagbouwgroeves, zoals de groeve Belvédère bij Maastricht (2). In geschiedkundig en kunsthistorisch opzicht zijn de groeven onder het plateau van Caestert waardevol vanwege de vele bijzondere inscripties en tekeningen, waarvan sommige waarschijnlijk teruggaan tot de late middeleeuwen. De tekens zijn in de meeste gevallen aangebracht met houtskool of rood krijt. Door de ontginningsmethode bevinden de oudste tekens zich bovenaan. Veel van de tekens houden verband met het beroep van blokbreker. Zo zijn er handen waarvan de wijsvingers naar genummerde ateliers verwijzen en stelsels van strepen die gebruikt werden voor het tellen van uitgezaagde mergelblokken. Voorts hadden de verschillende exploitanten hun eigen merktekens, waarbij kruisen in verschillende uitvoeringen het meeste voorkomen. Behalve deze ambachtelijke tekens zijn er talrijke andere afbeeldingen, die meestal te maken hebben met religie en de dood. Zo komen er afbeeldingen van galg en rad voor en ook een voorstelling van een vrouw die haar ziel aan de duivel verkoopt. Voorts zijn er de zogenaamde Mamelouques. Dit zijn afbeeldingen van krijgers met opvallende oosterse hoofdtooien en kleding. De bijgaande opschriften, die Napoleon vermelden, doen vermoeden dat het om soldaten uit zijn leger gaat.

Laatmiddeleeuwse voorstelling van een nar als blokbreker (foto O. Pauwels)

(1) DE GROOD E. en HILLEGERS H., Van potsjesjtoete m ratnakke: techniek en gevolg van de onderaardse mergelwinning, Maastricht, 1978. (2) DIJK P., De gouden berg, in National Geographic, februari 2 0 0 8 , p. 30-41.

Laatmiddeleeuwse voorstelling van een r als blokbreker (foto o. Pauwels)

M & L I 47


sommige met een doorsnede van wel 40 meter en een diepte van ongeveer 10 meter, die het gevolg zijn van de oplossing van kalkgesteente door water. Een aantal dolines staan mogelijk ook in verband met de instorting van gedeelten van onderliggende mergelgroeven. De ondergrond bestaat voornamelijk uit krijt dat door de zee werd afgezet in het Mesozoïcum (220 tot 65 miljoen jaar geleden). Dit krijt werd vanaf de i5dc eeuw door middel van tunnels ontgonnen (2). Aan het oppervlak is het plateau bedekt met loss, een zeer fijnkorrelig sediment dat tijdens de laatste ijstijd (vanaf 120.000 jaar geleden) is afgezet. Bovenop het plateau staat een fraaie, maar helaas zeer vervallen vierkantshoeve uit 1686. In de buurt van deze hoeve stond een groot kasteel dat voor het eerst wordt vermeld in 1356, maar dat in 1972 volledig is afgebrand (3).

Gallische oorlogen, Ambiorix en Atuatuca De Gallische Oorlogen Tijdens de Gallische Oorlogen, in de periode 58-51 v. Chr., worden de Kelten {4) grotendeels onderworpen en begint de Gallo-Romeinse tijd, die tot ca. 275 na Ghr. doorliep. Vanwege het beruchte relaas van Julius Gaesar over zijn veroveringen in Gallic, Commentarii de bello Gallico, zijn we goed (maar ook betrouwbaar?) ingelicht over de oorlog en de Keltische stammen die daar een rol in speelden. In feite gaat het om een reeks militaire expedities gericht tegen diverse stammen. Deze slagen er niet in een verbond tegen Gaesar te sluiten, totdat in 53 v. Ghr. Vercingetorix, de Avernen, Aeduanen en een paar kleinere stammen verenigt in één front. Dit leger verslaat de Romeinen bij Gergovia in Frankrijk. Later dat jaar wordt Vercingetorix met zijn leger echter ingesloten op het Franse oppidum Alesia, waar hij definitief verslagen wordt. In 51 v. Ghr. is heel Gallië in handen van de Romeinse legioenen. Onder het bewind van Augustus (27 v. Ghr. tot 14 na Ghr.) wordt een militaire en landelijke

Chronologie van de ijzertijd Nederland Noord-Belglë

Frankrijk

Centraal Europa

Datering v. Chr.

Hallstatt 1 vroege ijzertijd

midden ijzertijd

La Tène A La Tène B La Tène Cl

late ijzertijd

La Tène C2

La Tène la-lc

475-250

La Tène II

„

La Tène Dl

La Tène lila

La Tène D2

LaTènelllb

Callo-Rome'mse periode

48 I M & L

700-475

Hallstattll

58-275 n. Chr.

organisatie uitgebouwd en pas dan wordt Gallië langzamerhand ingelijfd bij het Imperum Romanum. Gallië werd onderverdeeld in enkele grote administratieve eenheden: provincies. De provincies waren op hun beurt onderverdeeld in kleinere bestuurlijke eenheden: de civitates. Deze vielen min of meer samen met de Keltische civitates. België maakte deel uit van de provincie Gallia Belgica. De huidige Belgische provincie Limburg en het plateau van Gaestert behoorde waarschijnlijk tot de civitas van de Eburonen en de Tungri. Tongeren (Atauatuca Tungrorum), gegroeid uit een Augusteïsche militaire kern, werd de hoofdstad van de Civitas van de Tungri. Ambiorix en Atuatuca In De bello Gallico wordt het verzet van Ambiorix en de Eburonen tijdens de Gallische Oorlogen beschreven (5). De Eburonen stonden onder leiding van Ambiorix en Gatuvolcus, die de macht deelden als koning. Tijdens de Gallische Oorlogen moest Gaesar in de winter 54 v. Ghr. zijn troepen, die gelegerd waren op een vesting van de Eburonen die Atuatuca werd genoemd, van bevoorrading voorzien en verplichtte hij de Eburonen een deel van hun oogst aan zijn leger af te staan (6). Omdat de oogst dat jaar mager was geweest, waren de Eburonen niet bereid deze af te staan. Gaesar gaf de kamp-

Standbeeld van Ambiorix in Tongeren (foto O. Pauwels)


leiders de opdracht de noodzakelijke voedselvoorraden in beslag te nemen. Ambiorix en zijn Eburonen waren echter niet van plan zich hier zomaar bij neer te leggen. Alhoewel Caesar Ambiorix had vrijgesteld van de betalingen sloot Ambiorix zich in 54 v. Chr. aan bij Catuvolcus om een opstand te leiden tegen de Romeinse troepen. Ambiorix ging met een list te werk. Hij waarschuwde de kampleiders, Sabinus en Cotta, dat niet de Eburonen, maar wel andere Keltische stammen van plan waren hen aan te vallen en zelfs hulp zouden krijgen van hordes Germaanse stammen die de Rijn zouden oversteken. Hij raadde hen aan naar een ander kamp te trekken om zich er aan te sluiten bij de groep soldaten die daar gelegerd waren. Hij beloofde hen om ze bij hun uittocht met rust te laten. De twee dichtstbijzijnde Romeinse legioenplaatsen lagen enerzijds achter heuvelachtig terrein en anderzijds achter een vlakte langs een vallei. Sabinus en Cotta besloten uit praktische overwegingen de laatste weg te volgen. Terwijl ze de vallei beneden doortrokken vielen Ambiorix en zijn manschappen hen van boven in de heuvels aan en moordden, aldus De hello Gallico, alle Romeinse militairen uit. Een jaar later, in 53 v. Chr., gebruikte Caesar Atuatuca om er een legioen met ongeveer 4800

soldaten en 200 ruiters te vestigen. Daarnaast verbleven er honderden zieken en gewonden. In datzelfde jaar verenigde Ambiorix andere Belgische stammen om zich tegen de Romeinen te verzetten. De strijd duurde een aantal jaren, maar tegen de negen legioenen met ongeveer 50.000 getrainde soldaten die Caesar naar Belgica stuurde, waren de Belgen niet opgewassen. Ambiorix wist echter samen met enkele van zijn manschappen de Rijn over te steken, waarna hij spoorloos verdween.

De omwalling uit de ijzertijd in het bos op het plateau van Caestert (foto K. Vandevorst)

De verwijzing in De bello Gaülico naar Atuatuca, als de plaats waar Sabinus en Cotta gelegerd waren, heeft sommigen doen vermoeden dat het Tongeren, Atuatuca Tungrorum, betrof. Dateringen van hout uit het onderzoek van de versterking op het plateau van Caestert in de jaren '70 van de vorige eeuw ondersteunden de veronderstelling dat deze versterking Atuatuca was. In dit verband werd er ook op gewezen worden dat het toponiem Caestert mogelijk is afgeleid van het Latijnse castrum, wat legerkamp betekent (7). Het probleem is dat Caesar onduidelijke aanwijzingen geeft voor de ligging van Atuatuca, waaronder een keteldal dat op ongeveer twee mijl van Atuatuca zou liggen (8). Wanneer Atuatuca werkelijk het plateau van Caestert is, zou het keteldal misschien te identificeren zijn met de vallei van

M&L I 49


de Jeker. Een keteldal is evenwel een halfcirkelvormige vallei en dit lijkt dus niet van toepassing op het Jekerdal.

Oppida en hoogteversterkingen Met een oppidum wordt een hoger gelegen plaats bedoeld (meestal een heuvel, landrug, kaap of plateau), waarvan de natuurlijke eigenschappen door middel van wallen en greppels door de mens zijn aangewend voor verdedigingsdoeleinden. Ook wordt wel gesproken van heuvelversterkingen of hillforts. Oppida zijn karakteristiek voor de midden- en late ijzertijd, vooral in de vroege- en de late La Tène perioden. Oppida hebben een enorm verspreidingsgebied: ze komen voor van GrootBrittannië in het Westen tot Slowakije in het Oosten en van Zuid-Frankrijk in het Zuiden tot MiddenDuitsland in het Noorden (9). Tot de bekendste en grootste oppida behoren de Titdberg in Luxemburg (43 ha), Bibracte in Frankrijk (200 ha). Munching (380 ha), de Heuneburg (2 ha) in Duitsland en Maiden Castle in Engeland (19 ha) (10). In België ontbreken zeer grote oppida. Er zijn wel kleine en middelgrote hoogteversterkingen (11). De naam oppidum wordt door veel auteurs voorbehouden voor grote tot zeer grote versterkingen (tientallen tot honderden hectaren), al dan niet met (proto-) urbane karakteristieken (12). Het zal duidelijk zijn dat dergelijke enorme versterkingen grotendeels een andere rol speelden dan de kleinere versterkingen. Daarom wordt in dit artikel de term oppidum gebruikt voor de grote hoogteversterkingen; voor de kleine en middelgrote versterkingen wordt de term hoogteversterkingen of versterkingen gebruikt. Op het Europese vasteland zijn de meeste wallen van deze versterkingen steeds opgebouwd uit aarde, steen en hout. Belangrijke verschillen zijn er met betrekking de locatie, het verdedigingssysteem, de

ingangen en muuropbouw van oppida en hoogteversterkingen Het is duidelijk dat verdediging een hoofddoel was, maar wat diende er verdedigd te worden en wat speelde er zich binnen de versterkingen af? Deze schijnbaar simpele vraag is niet zomaar te beantwoorden. Ten eerste omdat - behoudens enkele belangrijke uitzonderingen zoals het enorme oppidum Bibracte op de Mont Beuvray in Frankrijk - opgravingen zich tot op heden vooral hebben gericht op de verdedigingswerken (wallen, grachten en ingangen) en niet op de binnenterreinen. Ten tweede kunnen in de loop der tijden functies veranderen en kunnen dezelfde versterkingen verschillende functies hebben gehad. Ten derde, kunnen verschillende typen versterkingen, of fortificaties van verschillende afmetingen verschillende functies hebben gehad, ledere versterking oi oppidum zal dus goed onderzocht moeten worden alvorens er met enige mate van betrouwbaarheid een functie aan toegedicht kan worden. Desondanks zijn er dankzij het intensieve onderzoek van Keltische versterkingen en de Kelten in het algemeen natuurlijk wel aanknopingspunten. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat combinaties van functies mogelijk en zelfs waarschijnlijk zijn en dat functies en de intensiteit van gebruik door het jaar heen niet constant hoeven te zijn. Sociaal-economische betekenis Met betrekking tot de sociaal-economische betekenis is het van belang om een onderscheid te maken tussen de zeer grote en (proto-) urbane oppida, zoals de Titelberg, Bibracte, Manching, Alesia, en de middelgrote en grote. Voorts hangt de betekenis natuurlijk weer samen met functies. Tenslotte is 'betekenis' een relatief begrip. Betekenis voor wie? Voor ons als archeologen? Voor de Keltische elite? Voor de Romeinen? Of voor de arme boer?

Mogelijke functies van oppida en versterkingen Archeologische indicatoren

50 I M & L

Nederzetting (van klein tot zeer groot)

gebouwen, kuilen, waterputten, gebruiksvoorwerpen van klei, steen, metaal, glas, hout en been, afval, (...)

Centrum van uitwisseling

importproducten (zoals wijn-gerelateerde objecten), munten, prestigeobjecten, (...)

Centrum van ambachtelijke productie

halffabrikaten (van bijv. ijzer of glas), ovens, werkplaatsen, (...)

Verblijfplaats van elite

luxe objecten (metaal, wijn-gerelateerd), prestigieuze architectuur, concentraties van rijke vondsten, beeldhouwwerk, (...)

Vluchtburcht (mens en vee)

(zeer) weinig vondsten, niet-substantiële architectuur, (...)

Opslag- en redistributieplaats

silo's, spiekers, marktplaats, concentraties goederen/objecten

Ritueel/religieus centrum

rituele gebouwen (tempels), rituele deposities, beeldhouwwerk, (...)

Legerkamp

wapens, kleding toebehoren, paardenbeslag, (...)


Het mag echter duidelijk zijn dat in de ijzertijd de grote (proto-) urbane oppida de plaatsen waren waar de Keltische elites hun macht consolideerden en uitoefenden (13). Middels het clientele systeem werden van hieruit afhankelijkheidsrelaties onderhouden tussen bijvoorbeeld de aristocratie en ambachtslieden en handelaren. Vooral de controle van de lange afstandshandel, de metaalindustrie en het muntwezen was voor de elite een belangrijk middel om hun positie te versterken. In het bijzonder leende de uitwisseling van prestigegoederen, zoals mediterrane importen, zich hier voor. De Keltische versterkingen lijken in het noorden van Gallië uiteen te vallen in een kleine groep grote (proto-) urbane versterkingen en een grote groep versterkingen zonder urbane kenmerken, die misschien wel voornamelijk diende als vluchtburcht (14).

Ijzertijd versterkingen in Vlaanderen Site

Provincie

Datering

Oppervlak

Kemmelberg

West-Vlaanderen

3 ha

vroege-midden ijzertijd

Kesselberg

Vlaams-Brabant

5 ha

vroege-late ijzertijd

Kooigem

West-Vlaanderen

4.5 ha

vroege-midden ijzertijd

Caestert (Kanne)

Limburg

35 ha

midden-late ijzertijd, Callo-Romeinse periode

Asse (Borgstad)

Vlaams-Brabant

42 ha

vroege-midden Ijzertijd?

op het plateau van Caestert is tot op heden met een omvang van 35 ha één van de grootste. De algemene indruk is dat de versterkingen in België kleiner en eenvoudiger zijn dan de versterkingen in de rest van Europa. De versterking van Caestert

Hoogteversterkingen in België Men schat dat er ongeveer 20.000 tot 30.000 hillforts in Europa aanwezig zijn (15). Een groot deel daarvan zijn Keltisch en bevinden zich op het Europese vasteland. Zoals reeds aangegeven bevinden zich in de Lage Landen niet zoveel Keltische versterkingen, en zeker geen hele grote. In Nederland ontbreken ze zelfs geheel. In België bevinden er zich minstens 22 ijzertijdversterkingen (maximaal 36), waarvan de meeste in de Ardennen zijn gelegen, maar er zijn ook vijf versterkingen in Vlaanderen. De versterking

Van 1973 tot 1975 zijn er een dertigtal smalle proefsleuven gegraven doorheen de wallen en grachten in het noorden en zuiden van de versterking. In 2008 en 2010 zijn enkele van deze sleuven opnieuw bestudeerd en zijn er ook een aantal nieuwe sleuven gegraven, gebaseerd op de analyse van oude opgravingsgegevens en op magnetometrisch onderzoek. Op grond van alle informatie die we nu van de versterking hebben kan een algemeen beeld van de opbouw worden gepresenteerd.

Hfel Kfe |E£r^ ^ \ Y..-J|f wsm m&

taSSJki.-

T-

. . - i ' ^

A i'

K

^vf'S H^>^ Bfe^y. ^»-, j ^ r

^ ^ K

ss^i fc^e**

<•'

?^ll

im

~

tm^S c^

^f^ï\^® F \ ^«» '^^^T ^wk H ^

VM^BL.V

K, ', ^^^y 'XW^sA

'.

*0

i ?

\mt

t»

H' Jf -im^lLSI ^B-^lv>r-il29ilS2±M£~M

?

ËH^BI?*IP7-% /

•>wi|t\' T ' S t l K

M 2*-., ^H 'ÜV '*' SgHj

Plfeïi

' •T-

•-i*

, n!!!r., H t K . . «..

-

I

«

4I

jf

"j j3rir.,

*:v

•ii.v

,J

H

8F

S F fai Ir g

^'-^w^ÊB^

1^"';'?'.^"

^P^'

5:.,<v.r,v • 4 ' ) •. V'

\

.

'

!

•

' 1 1

•

^||SHfflj||

1

* *

K^H^B

AS •••

,

•

' 1)H '

I f l v ^ * ! 'i^^lt* ' ^ vSüi^oEl 1:

- '.W^&'&ikï, ' ^

-

üsfe^ ^IS^ 'i'' *«%

' .

J 1

1 1 £ 'Mwi Vi'-3 ^m*'* '^m»-'--1 m ^1«IPI^ HK *

'NP

1S3M 'i , W-f'•f^^^B*

\

tl^mr**

ÏÏM i^KV '. .BSS kWtë &•:.„.

ikA-.jmzL-mL

KJ

1 5:

%\ ^ W

imjÊ

"^-^mx

(foto K. Vandevorst)

'>' " ï

• ^^X M --ofcf >*M^fcWf-" ^ ' ^ ^ 1

K^rj

~1 ^~^

i^H

^-^^^r-A j ü a y ^ s a c j M

S» J ^

X n

\ -

•^B^t, ^ 1

• v'V+5^^*6c

4^^sP!

xm

'/SÊ / **ü ' „^W ^iTSS.~> v ' - S. l

i

Het plateau van Caestert, gezicht vanop de omwalling

i

"%

i

'

/

f *

*

:

•

•

, *^1itë*2&

//'

.

-^

•

•

tv*-

*

1

*

*

tt

M&LI 5!


Archeologisch onderzoek op het plateau van Caestert (foto Onroerend Erfgoed)

Het intekenen van het profiel

Locatie In vakterminologie is de versterking op het plateau van Caestert een zogenaamde bord de plateau. Het ligt aan de rand van een hoog plateau en is aan drie zijden (noord, oost en zuid) afgesloten door walen en grachten. Aan de oostkant is er een 60 meter hoge steilrand en aan de westkant een natuurlijk helling die steiler is gemaakt (er is een talud gevormd) en waarvoor een gracht is uitgegraven.

van een oude proefsleuf {uit de jaren '70 van vorige eeuw) die opnieuw werd vrij gelegd tijdens recent onderzoek (foto M. Verhoeven)

Driedimensionaal beeld van de versterking op het plateau van Caestert op basis van het digitaal hoogtemodel.

...Jt

Bemerk de enorme stijlrand langs de Maas (in het blauw). De trechtervormige gaten op het plateau zijn dolmes (©AGIV)

X.X-'-'

W

7 /

/ p~f-'.-•' - •' 52

I Mc

Ém

I

y *

v


Naast de Caestertweg is de omwalllng nog duidelijk in het

Ingangen De versterking was toegankelijk via smalle doorgangen in het noordwesten en zuiden. De noordwestelijke doorgang (vandaag nog steeds de Caestertweg, een holle weg) bevindt zich tussen twee naar binnen gebogen wallen en is ongeveer 15 m lang en 2,5 m breed. Er is op deze plek geen archeologisch onderzoek verricht, maar hoogstwaarschijnlijk was deze ingang beschermd via houten en/of stenen muren, houten deuren en mogelijk een poortgebouw. De ingang in het zuiden van de versterking (de Oude Luikerweg) was tevens smal (1,40 m), langgerekt (ca. 37 m) en naar binnen gebogen. Aan de westkant bevond zich een stevige palissade, afgaande op de aangetroffen rij grote paalgaten. De palissade was wellicht verbonden met een poortgebouw. In het noorden van de versterking is geen ingang aangetroffen, maar mogelijk bevond deze zich juist buiten het voor onderzoek toegankelijke gebied. Wallen, grachten en talud De versterking op het plateau van Caestert is herkenbaar aan de wallen en een talud in het westen en zuiden. De ervoor liggende grachten

landschap aanwezig (foto K. Vandevorst)

De opmeting van een rij verbrande palen die wijzen op de aanwezigheid van een palissade langs de gracht (foto M. Verhoeven}

M&LI 53


VERBRANDE WALLEN? In veel gevallen zijn gedeelten van de wallen verbrand, soms zelfs zo zwaar dat de stenen zijn verglaasd. Sinds de i8Ae eeuw wordt de reden hiervan betwist. Zoals Ralston (1) uiteenzet, zijn er verschillende verklaringen gegeven, waarbij de zwaar verbrande wallen veroorzaakt zouden zijn door blikseminslagen, vulkanische activiteit of rituele vuren. Dit lijkt allemaal weinig waarschijnlijk. Het is nu wel duidelijk dat het hier niet om een natuurlijk fenomeen gaat, maar om een menselijk ingrijpen. Tegenwoordig zijn er twee hypothesen. Een eerste gaat er van uit dat de verbrande wallen het gevolg zijn van vernielingen door vijandelijke aanvallen. Een tweede hypothese stelt dat de verbranding een door de bouwers opzettelijke en gecontroleerde activiteit was om zo een zeer stevige wal te maken.

Verbrand hout van een munts gallicus In een oude proefsleuf (uit 1975) In het zuiden van de versterking (foto H- Roosens)

Experimenten (2) hebben aangetoond dat vooral de aanwezigheid van hout in de wallen bijdragen tot het versmelten van materiaal. Voorts bleek dat aangestoken muren (door middel van brandstapels tegen de buitenkant) binnenin minstens 21 uur bleven doorsmeulen. De verglazing blijkt sterk te verschillen van de ene plaats tot de andere en het volume van de verglaasde kernen is zeer klein in vergelijking met de massa van de wallen.

De verglaasde zones worden vooral aan de achterzijde van de wal aangetroffen. Deze laatste observaties doen het onwaarschijnlijk lijken dat het om een versterkingstechniek gaat. Aan de andere kant wordt gesuggereerd dat verbrand hout in wallen het resultaat zou kunnen zijn van het opzettelijk verkolen van hout om het beter bestand te laten zijn tegen verrotting. Tot op heden is er dus geen definitief antwoord op het raadsel van de verbrande en versmolten wallen. Voor iedere vindplaats afzonderlijk zal moeten worden bestudeerd wat de meest realistische optie is. In het geval van de zuidoostelijke omwalling van de versterking te Caestert kan verondersteld worden dat er sprake was van opzet van de bouwers. Ten eerste is het moeilijk voor te stellen hoe een vijandelijke brand tot zeer diep in de wal in totale verkoling van hout en in zeer zware verbranding van leem kan leiden. Hiervoor moet zeer veel brandbaar materiaal zijn aangebracht op de wal, dat dan bovendien zeer lang moet hebben gebrand. Aangezien verondersteld kan worden dat de versterking tijdens het gebruik ervan niet dicht was bebost - juist vanwege brandgevaar, maar ook vanwege uitzicht en het maken van open ruimte voor activiteiten en bewoning - is het de vraag waar al dat brandbaar materiaal dan vandaan kwam. Ten tweede: het houten raamwerk diende om de wal stevigheid te verlenen en voor erosie te behoeden. Een probleem daarbij moet echter geweest zijn dat hout op een gegeven moment verrot. Zo ontstaan er gaten in de constructie, waardoor het aarden lichaam onstabiel wordt, inzakt en erodeert. Echter, door het hout van een raamwerk in situ in brand te steken verkoold het, zodat wel brozer wordt, maar niet meer verrot. Bovendien wordt de leem binnen en rondom het raamwerk gebakken, waardoor een zeer stevige en stabiele constructie ontstaat. Zo stevig zelfs dat na minimaal 2000 jaar de constructie nog gedeeltelijk overeind staat!

(1) RALSTON I., Celtic fortifications, Brimscombe Port, 2 0 0 6 , p. 143-163. (2) Ibidem, p. 157-163.

54 I M & L


Profiel van de meest noordelijke gracht uit de ijzertijd {foto M. Verhoeven)

zijn, met enige moeite, waarneembaar als ondiepe langgerekte depressies. In totaal heeft het verdedigingssysteem een lengte van ca. 1500 m. In het algemeen is het verdedigingssysteem van buiten naar binnen opgebouwd uit: een gracht (tot 3 m diep en 10 m breed), een smal (tot 5 m breed) plateau met houten palissade en een aarden wal. In het zuiden bestond de wal uit een (verbrand) houten skelet dat was opgevuld en afgedekt met grind en leem. In het westen en zuidwesten is de versterking een tot 5 m hoog en steil talud, met daarvoor een gracht. Dit talud is ontstaan door het natuurlijk aanwezige reliëf te wijzigen. Dat wil zeggen dat een reeds aanwezige helling 'afgeschuind' is, zodat een schuine en hoge hindernis ontstond. Steilrand Het oosten van het plateau van Caestert wordt begrensd door een enorme, circa 60 m hoge steilrand. Deze natuurlijke barrière is ontstaan door insnijding van de Maas, die er direct ten oosten van ligt. Vanzelfsprekend waren grachten en wallen hier niet nodig. Ongetwijfeld was de aanwezigheid van deze afgrond een belangrijke reden om juist daarlangs een vesting te bouwen. In feite is het plateau van Caestert van nature heel geschikt voor het aanleggen van een versterking.

Binnenterrein In de noordelijke helft van de versterking, daar waar geen bos aanwezig was, is ongeveer 10 ha vlakdekkend onderzocht aan de hand van magnetometrie (16). Middels deze techniek is het namelijk mogelijk sporen in de ondergrond te detecteren waarvoor aan het oppervlak geen enkele aanwijzing is. Het onderzoek was succesvol; in het noordwesten en uiterste noorden werden er duidelijke signalen gemeten die op grondsporen wezen. Boringen, maar vooral proefsleuven op deze locaties hebben aangetoond dat er op deze plaatsen ca. 2 m diepe en 8 m brede grachten en ook palissades aanwezig waren. Dit bevestigde voor het eerst het vermoeden de versterking zich ten noorden van de nog gedeeltelijk zichtbare wallen voortzet. De versterking bestaat dus eigenlijk uit twee delen, die bij de ingang in het westen (juist ten noorden van de Caestertweg) bij elkaar kwamen. Hiermee komt de totale omvang van de versterking op ongeveer 35 ha, in plaats van de reeds bekende 20 ha. Behalve deze resten van verdedigingswerken zijn er geen duidelijke sporen van gebouwen aangetroffen, maar mogelijk wel van (afval?)putten. Afwezigheid van bewijs betekent niet automatisch afwezigheid van archeologische sporen, maar tot nu toe hebben we geen aanwijzingen voor de aanwezigheid structuren zoals huizen, stallen, werkplaatsen en rituele gebouwen. Was het binnenterrein van de versterking grotendeels leeg?

M&LI 55


legends 1

dolne

2

geschutsput?

3

loopgraaf?

4

ijzeren paal

5

gracht

6

metalen voo iweip

7

kuif?

8

verbrand materiaal

9

afgraving

10

greppel?

11

steilrand

12

prikkeldraad

Resultaten en interpretaties van het onderzoek met de magnetometer

56 I M&L


M&LI 57


Fasering De meerwaarde van het recente onderzoek is ondermeer de informatie die is verkregen met betrekking tot fasering en interne structuur. De uitgevoerde radiokoolstofdateringen wijzen er op dat de oudste versterking uit de midden ijzertijd misschien op het noorden van het plateau van Caestert lag. Het grootste zuidelijke deel zou er dan later, in de late ijzertijd, aan zijn toegevoegd. Het is echter ook mogelijk dat de dateringen uit de midden ijzertijd te wijten zijn aan het gebruik van 'oud hout' in de late ijzertijd. Bovendien is de aansluiting tussen deze twee 'systemen' onduidelijk, omdat er zich op die locatie ook nog twee relatief recente verdedigingssystemen bevinden. Eén systeem van gracht en wal van leem en maasgrind dateert waarschijnlijk uit de middeleeuwen of later, vanwege een de aanwezigheid van pollen die pas na 1000 na Chr. regelmatig voorkomen, zoals korenbloem, boekweit en rogge. Bovenop deze wal werden de resten van een dubbel ijzeren hekwerk aangetroffen. Waarschijnlijk maakte dit deel uit van een verdedigingslinie ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Zo is het bekend dat het kasteel Caestert in de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers werd gebruikt voor grensbewaking. Deze bevindingen omtrent relatief recente defensieve structuren waren onverwacht en tonen nogmaals het belang aan van moderne onderzoekstechnieken (magnetometrie) en vooral de combinatie van verschillende methoden (magnetometrie, radiokoolstofdateringen, pollenonderzoek, boringen en proefsleuven).

Scherfjes van handgevormde aardewerk uit de ijzertijd (foto M. Verhoeven)

58 I M & L

Vondsten Ondanks het feit dat er meer dan 30 sleuven zijn gegraven en er in totaal een oppervlak van 25.000 m 2 met een metaaldetector is afgezocht, zijn er slechts zeer weinig vondsten gedaan. Enkele werktuigen van vuursteen, zoals schrabbers, geven aan dat uit het plateau van Caestert waarschijnlijk reeds in het neolithicum werd bewoond. Het overige vondstmateriaal betreft vrijwel uitsluitend aardewerkscherven. Het merendeel van het aardewerk uit de middeleeuwen en de Nieuwe Tijd is gevonden in grachtvullingen in het noorden van de versterking. Enkele kleine scherfjes uit de ijzertijd zijn hoofdzakelijk in enkele sleuven in het zuiden aangetroffen. Het betreft vrij grof handgevormd en zacht-gebakken aardewerk met een overwegend roodbruine tot bruine kleur. Er zijn ook nauwelijks metalen voorwerpen aangetroffen. Behalve een loden spinklosje en een loden gewicht je uit de middeleeuwen of Nieuwe Tijd is er één romeinse munt gevonden, te dateren tussen 149-183 na Chr. Datering Een aantal in het zuiden aangetroffen geheel verkoolde balken zijn in 1975 dendrochronologisch onderzocht. Uit de jaarringtelling (dendrochronologie) kwam naar voren dat de kaptijd van de monsters in 57 v. Chr. geplaatst kan worden, dat wil zeggen op de overgang van de ijzertijd en de Romeinse tijd (17). Dit was de periode van de Gallische Oorlogen en heeft sommigen doen vermoeden dat de versterking op het plateau van Caestert te identificeren zou zijn met Atuatuca.


Echter, in 1980 zijn dezelfde monsters opnieuw gedateerd, met nieuwe en betere callibratiecurves en/of technieken. In plaats van 57 v. Chr. kwam er nu 31 v. Chr. als kapdatum. Dat wil zeggen dat het hout nu in de vroege Romeinse tijd werd gedateerd (18). Een extra dendrochronologisch onderzoek op de oude monsters in 2008 heeft de dateringen niet kunnen bevestigen of ontkennen omdat de houtmonsters te slecht bewaard waren.

Gallo-Romeinse tijd. Twee dateringen uit de midden ijzertijd duiden wellicht op een nog vroeger gebruik, maar kunnen ook te wijten zijn aan het zogenaamde 'oud hout effect'. Dit wil zeggen het gebruik maken van 'oude' bomen voor de bouw van wallen, waardoor er een discrepantie is tussen de ouderdom van het gebruikte materiaal en de ouderdom van de structuur waar dit materiaal in werd verwerkt.

Er zijn een aantal fragmenten houtskool gedateerd aan de hand van de radiokoolstof dateringsmethode. Dit is een radiometrische datering waarmee de ouderdom van organisch materiaal wordt bepaald aan de hand van de vervaltijd van de isotoop koolstof-14. De dateringen geven aan dat de oudste versterking op het plateau van Caestert tussen ca. 200 en 40 v. Chr. werd gebouwd en gebruikt, dat wil zeggen in de periode Late ijzertijd - begin

In de verbrande wal in het uiterste zuiden van de versterking zijn een aantal monsters genomen van verbrande leem voor een archeomagnetische datering (19). Helaas is de range van deze datering, 360 v. Chr. - 520 na Chr. (midden ijzertijd - vroege middeleeuwen) zeer ruim, waardoor de datering niet bruikbaar is. De te grote range wordt wellicht veroorzaakt door de verstorende werking van wortels in de verbrande leem die is verzameld.

ARCHEOMAGNETISME Archeomagnetisme is gebaseerd op het feit dat het aardmagnetisch veld niet steeds dezelfde oriëntatie behoudt, maar varieert in de tijd. Magnetische velden uit het verleden kunnen bewaard zijn in archeologische objecten, sedimenten en magnetische mineralen. Het gaat met name om gebakken klei. Kleimineralen bevatten magnetische ijzeroxiden zoals hematiet of magnetiet. Bij verhitting (van 650-700 0C) verliezen deze oxiden hun magnetische eigenschappen en nemen ze de magnetische richting en intensiteit aan van het op dat moment heersende aardmagnetische veld. Bij afkoeling behouden ze deze eigenschappen. Dit gefixeerde magnetisme noemt men thermoremanent magnetisme (TRM). Aangezien dit vaak bij archeologische vondsten waargenomen kan worden (ovens, aardewerk, bakstenen), wordt ook vaak gesproken van archeoremanent magnetisme. De gemeten TRM waarden worden vergeleken met gedateerde sequenties van de variaties in het paleomagnetische veld (ijkcurven).

Er zijn een aantal beperkende factoren met betrekking tot archeomagnetische datering. Ten eerste, is de nauwkeurigheid zelden beter dan 5%. Ten tweede, moeten er - door regionale variaties in het aardmagnetische veld - lokale ijkcurven aanwezig zijn. Ten derde vertonen bestaande ijkcurven soms 'knopen', waardoor dateringen onzeker worden. Ten vierde, moeten er relatief veel monsters worden genomen. Het nemen van stalen voor paleomagnetische datering (foto M. Verhoeven)

Een vereiste voor archeomagnetische datering is dus dat het materiaal sterk verhit is geweest, wat de toepassing beperkt tot verbrand materiaal. De gemeten monsters mogen na de verbranding/ het bakproces niet verplaatst zijn geweest en de metingen moeten in situ gebeuren. Vooral met ovens zijn goede resultaten te behalen.

1VI&L I 59


De omwalling uit de ijzertijd is

Besluit

op sommige plaatsen op het plateau nog zeer goed bewaard (foto K. Vandevorst)

Het recent onderzoek op het plateau van Caestert heeft belangrijke aanwijzingen opgeleverd over de aanwezigheid, aard en datering van een versterking uit de ijzertijd. Onverwacht en opzienbarend was de ontdekkingen dat de versterking veel groter was dan bekend (ongeveer 35 ha), waardoor het één van de grootste verdedigingswerken uit deze periode op Belgisch grondgebied is. Voorts werd vastgesteld dat er in feite vijf verschillende verdedigingssytemen aanwezig waren op het plateau, te dateren in de midden- en late ijzertijd/begin Gallo-Romeinse tijd (ca. 475-40 v. Chr.), middeleeuwen - Nieuwe Tijd (ca. 450-1800 na Chr.) en de Eerste Wereldoorlog. De identificatie met Atuatuca kan tot op heden niet worden bewezen, onder andere vanwege de onduidelijkheden met betrekking tot de dendrochronologische dateringen en de ruime marge van de radiokoolstofdateringen. De schaarsheid aan metalen vondsten, die men toch zou verwachten in het geval een Romeinse militaire bezetting, kan een belangrijke aanwijzing dat de locatie elders gezocht

60 I M & L

moet worden. Anderzijds is het terrein mogelijk al sinds lange tijd (illegaal) afgespeurd met metaaldetectoren, waardoor archeologische vondsten zijn verdwenen. Bovendien resulteert een tijdelijk Romeins legerkamp niet automatisch in de 'neerslag' van veel vondsten. Verder geldt dat, hoewel er een relatief groot gebied is onderzocht, er ook nog veel oppervlak van de site niet is onderzocht, vooral de zones met moeilijk toegankelijk dicht bos. De identificatie met Atuatuca blijft dus een mogelijkheid. Men dient zich echter wel te realiseren dat het archeologisch aantonen van een historische gebeurtenis in de meeste gevallen een zeer moeilijke opdracht is. Ten eerste is het maar de vraag hoe betrouwbaar de gebeurtenis is beschreven. Ten tweede, moeten er zeer nauwkeurige en eensluidende dateringen voorhanden zijn. Nieuwe monsters voor dendrochronologisch onderzoek zouden hiertoe wellicht kunnen bijdragen omdat aan de hand hiervan in principe tot op een jaar nauwkeurig kan worden gedateerd. Ten derde, dienen zulke dateringen gekoppeld te kunnen worden aan archeologische resten die rechtstreeks in verband staan met een historische


(6) NOUWEN R.. Atuatuca, hart van de 'civitas Tungrorum', in Het Oude Land van Loon 46, 1991, p. 177-220; TRIPS E.J., Het vraagstuk Atuatuca. in Limburg, 45, 1966, p. 37-67; VANVINCKENROYE W., Über Atuatuca, Casar und Ambiorix, [Acta Archaeologica Lovaniensa,!}], 2001, p. 63-67; WANKENNE A., Enfin Atuatuca!, in Les études classiques, 45,1977, p. 63-66; WEEKERS J., STEVENS ]., PEUMANS, J., Riemst en zijn verleden, Riemst, 1991. (7) BATS H., op.cit., p. 13. (8) Commentarii de bello Gallico, 5.32.2. (9) COLLIS J., Oppida: earliest towns north of the Alps, Sheffield, 1984; CUNLIFFE B. en ROWLEYT. (ed.), Oppida in barbaHet plateau van Caestert blijft evenwel een plek met rian Europe, in BAR Supplementary Series, 11,1976; F1CHTL een grote rijkdom aan resten die getuigen van een S., La Ville Celtique: Les oppida de 150 av.j,-C. a 15 ap.j.-C, gevarieerde geschiedenis: de enorme versterking uit Parijs, 2005, p. 21-23; HASELGROVE C, The age of enclosure: Later Iron Age settlement and society in northern France, de ijzertijd, een vierkantshoeve, een kasteel en in HASELGROVE C. en MOORE T. (ed.). The Later Iron mergelgroeven. Bovendien maken de spectaculaire Age in Britain and beyond, Oxford, 2007, p. 492-522; M 0 L LERS S., SCHLÜTER W. en SIEVERS S. (ed.), Keltische ligging en de weelderige natuur het tot een bijzonder Einflüsse im nördlichen Mitteleuropa wahrend der mittleren stukje landschap. De ganse site verdient dan ook een undjüngeren vorrömischen Eisenzeit, Kolloquien zur Vor- und bescherming, zowel boven- als ondergronds. Friihgeschichte, 9, 2007, p. 73-85; RALSTON I., Celtic fortifications, Brimscombe Port, 2006. Zie ook p. 18-37, in Archaologie in Deutschland, nr. 2, 2010. (10) FICHTL S., opxit, Mare Verhoeven is als senior projectleider werkzaam (11) Voor overzichten zie: BONNENFANT P. P., CAHEN-DELHAYE A., MATTHYS A., PAPELEUX J. en VANDEVELDE hij RAAP Archeologisch Adviesbureau. P., Keltische versterkingen in Wallonië, Brussel, 1988; CAHEN-DELHAYE A., Eouilles récentes dans les fortifications de l'Age du Fer en Belgique, in CAHEN-DELHAYE A., DUVAL A., LEMAN-DELERIVE G. en LEMAN P. (ed.). Les Celtes en Belgique et dans le Nord de la France. Les fortifications de l'Age du Fer, Revue du Nord, 1984, p. 151-165; CAHEN-DELHAYE A., Les fortifications Hallstattienes et du debut de la Téne dans le Bassin Mosan, in JOCKENHÖVEL A. (ed.), Altereisenzeitliches Befestigingswesen zwischen Maas/ Mosel und Elbe. Munster, 1999, p. 16-48: MERTENS J., forteresses de l'Age de Fer en Belgique, in Acta Archaeologica Lovaniensia, 25,1986, p. 6-11. (12) Zie o.a. FICHTL S., opxit. (13) Zie bijvoorbeeld BRANDT )., Landmarken im politische Raum: Höhenbefestigungen als ethnisches oder soziopolitisches Eindnoten Konstrukt, in MÖLLERS, SCHLUTER en SIEVERS. 2007, op.cit., p. 73-85. (i) Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het agentschap (14) ROYMANS, 1990, op.cit.; ROYMANS N., Understanding Onroerend Erfgoed (het voormalige agentschap Ruimte en social change in the Late Iron Age Lower Rhine region, in Erfgoed) en werd uitgevoerd door RAAP Archeologisch HASELGROVE en MOORE, op.cit., p. 478-491. Adviesbureau. Het artikel is gebaseerd op twee adviesrap- (15) RALSTON I., opxit., p. 16. porten: VERHOEVEN M.. Studieopdracht naar een archeolo- (16) Bij een zogenaamd magnetometrisch onderzoek worden gische evaluatie van het plateau van Caestert (Riemst, prov. verstoringen van het aardmagnetisch veld gemeten. Dicht Limburg), (RAAP-rapport 1769), Weesp, 2008; VERHOEbij het aardoppervlak vertoont het aardmagnetisch veld VEN M., Een aanvullende archeologische evaluatie en waarde- afwijkingen. Op welke manier het aardmagnetisch veld ring van het plateau van Caestert (Riemst, provincie Limburg), verstoord wordt, is afhankelijk van de magnetische eigen(RAAP-rapport 2162), Weesp, 2010. Zie ook: VERHOEschappen van de bodem en de zich hiervan onderscheiVEN M., De Ijzertijd versterking op het plateau van Caestert dende archeologische resten die zich hierin bevinden. Met (provincie Limburg, België), in LUNULA Archaeologia proto- deze methode kunnen archeologische resten zoals grachhistorica XVII, 2009, p. 207-212; VERHOEVEN M., De ten, kuilen, sloten en muurfunderingen tot ca. 2 m beneIjzertijd versterking op het plateau van Caestert (Kanneden maaiveld in kaart worden gebracht. Een dergelijk Riemst), in VANDERBEKEN T. (ed.), ZOLAD 2005-2009, onderzoek kent echter zijn beperkingen. Zo kunnen bijTentoonstellingsbundel, Riemst. 2010, 23-29. voorbeeld kabels, leidingen en prikkeldraad het magneZie verder: ROOSENS H., Kanne: oude vesting, in Archeolotisch veld erg verstoren, zodat de in verhouding kleine afgie, 2, 1973, p. 97; Oude versterking te Kanne-Caster, in wijkingen die veroorzaakt worden door archeologische Archaeologia Belgica, 177,1975, p. 32-36; Kanne: oude verster- structuren, niet meer herkenbaar zijn. In het algemeen king, in Archeologie, 1975-2, 1975, p. 89: De oude versterking geldt dat de resultaten van het onderzoek worden geprete Caster, in Archaeologia Belgica, 186.1976, p. 54-58; VAN senteerd in de vorm van greyscale plots. Op deze plannen IMPE L, Pre- en protohistorische versterkingen, in Archeolozijn de meest extreem gemeten waarden zwart of wit. Veelgie, 2,1975, p. 100. al wordt dit veroorzaakt door de aanwezigheid van metaal en andere moderne verstoringen. Archeologische sporen (2) BATS H., Het plateau van Caestert. Een monumentaal landschap op de grens van twee landen en drie provincies, in MÖJX. zijn meestal zichtbaar als lichtgrijze verkleuringen. jg.8, nr. 4,1989, p. 4-25. (17) HOLLSTEIN E., Dendrochronologische Datierung von Höl(3) De boerderij en de resten van het kasteel bevinden zich op zem aus der Wallanlage von Kanne, Caster, in Archaeologia het grondgebied van Wallonië. Belgica, 186, 1976, p. 60-62; Mitteleuropaische Eichenchro(4) In algemene zin wordt er vaak over de Kelten gesproken. nologie. Trierer dendrochronologische Forschungen zur Men dient zich echter te realiseren dat er in werkelijkheid Archaologie und Kunstgeschichte, in Trierer Grahungen und niet één volk, maar een associatie van verschillende geForschungen, 11,1980, p. 61-70. meenschappen was. (18) Zie ook NOUWEN R., 1991, op.cit. (5) Zie p. 147-157 en p. 194-206, in: HUNINK V., Caesar's oor- (19) ERVYNCK A., DEGRYSE, P.. VANDENABEELE, P. en log in Gallic, Vertaling van Caesar's bello Gallico, AmsterVERSTRAETEN, G., Natuurwetenschappen en archeologie: dam, 1997. methode en interpretatie, Leuven/Den Haag, 2009.

gebeurtenis, in dit geval een romeins legerkamp. Dateringen zonder dergelijke context, en andersom, zijn niet betrouwbaar voor de gewenste reconstructie. Tenslotte dient de relatie tussen archeologische overblijfselen en de historische gebeurtenis duidelijk te zijn, er moet uitgesloten kunnen worden dat de resten ergens anders aan zijn te wijten.


THE GREEN IN SINAAI. A PLACE WITH HERITAGE VALUE Sinaai has been known as a toponym since at least 1219. At that time the countess of Flanders donated some 8 hectares of rough land, the proceeds of which were to support the priests of the church in Sinaai. The unclear rights of ownership of the grounds throughout the centuries led to an argument by the serving priest in the 19th century. This resulted in an agreement between the church authorities and the local council. The green was to remain public property and as compensation for the missing proceeds for the church, a donation in funds was made. During the 17th and 18th century the church of Sinaai received the proceeds of the green and graveyard. Crass had been sown and trees planted on both lots. The trees were sold when ready for felling or the fruits, like nuts, were being sold to the highest bidder. The grassland was also leased out and put under hay and then grazed, or just grazed. Until the 20th century the grazing was done by sheep. The practice of planting trees on the green with a view to sell was continued by the local council in the 19th century. In the second half of the 20th century this custom was discontinued and ornamental trees were planted. When the French Republic was founded and the southern Netherlands were taken over by its troops, the custom also arose to plant 'freedom trees' on a local central place. It cannot be established with certainty when the freedom tree on the green In Sinaai was planted, but seen its girth one can safely assume the tree is of a respectable age.

62 I M&L

"TO RESEMBLE HISTORICAL REALITY AS MUCH AS POSSIBLE". EMIEL VAN AVERBEKE AND THE 'RE-CREATION' OF THE RUBENS HOUSE In 1610 Peter Paul Rubens acquired a house with a parcel of land at the Wapper in Antwerp. In the following years he had the house rebuilt and extended with a studio, a porch and a pavilion. Until the mid n8th century the house remained virtually unchanged. Between 1763 and 1840 however it was rebuilt in such degree that little was left, except for the porch and the garden pavilion. In 1877, a Rubens year, the city of Antwerp set out to acquire the Rubens House in order to restore its former glory. In 1880 a first bid was made, but the owner did not accept it. When a second attempt to acquire the Rubens House failed in 1908, the city decided to build a replica for the 1910 world exhibition in Brussels. The plans were designed by the architect Henri Blomme. His highly imaginative replica was widely applauded by the public, but was destructively criticized by Paul Buschmann, the curator in chief of the Antwerp Royal Museum of Fine Arts. According to Buschmann too little traces of the original house had been preserved to enable a historical reconstruction. He therefore advised the city only to restore the porch and pavilion and to preserve the existing buildings in order to set up a museum, after the example of the Rembrandt House in Amsterdam. As the negotiations with the owner had led to nothing, the city decided in 1931 to expropriate the premises. In 1935, while the expropriation was still going on, the city council ordered the city's master builder Emiel Van Averbeke to draft a proposal for the restoration of the Rubens House. Initially Van Averbeke recommended to restore only the


porch and garden pavilion and to make the existing building into a museum. He rejected a restoration in the style of Blomme. The mayor Camilla Huysmans on the contrary was determined to restore the Rubens House in its original state, including the interior. If the experts ignored what the original house had looked like, their goal should be to approach historical reality as close as possible. After the city had acquired the Rubens House in 1937, Van Averbeke was asked to examine the existing buildings for traces of the original house and to demolish all more recent additions. This research could however only make up partially the lack of historical expertise concerning the original house. Still a lot of questions and uncertainties persisted. At the request of Van Averbeke, the city appointed a research committee which was to advise him on the restoration plans. The city council nevertheless kept the ultimate power of decision, in the preliminary phase as well as for the execution. By the end of March 1939 the works began. The city had planned to complete the works by the time of the Rubens commemoration in 1940. With the German invasion on May 10, 1940 the works were suspended but already resumed on June 18, 1940. During the occupation the German military authorities issued a prohibition on all construction works, but an exception was made for the Rubens House. Officers ofthe Militatverwaltungmoreover took care of supplying building materials. When in 1942 the city could no longer finance the works, the office for the country's reconstruction (Commissariaat-Ceneraal voor 's Lands Wederopbouw) financed all ofthe remaining works. After the liberation the works were continued so as to be able to inaugurate the Rubens House on July 21, 1946. Until now it had been assumed that Emiel Van Averbeke had to a large extent free choice for the renovation ofthe Rubens House. In real terms his elbow room was considerably limited by the city council and its research committee.

ARCHAEOLOGICAL RESEARCH ON THE CAESTERT PLATEAU On the Caestert plateau along the river Maas in the province of Limburg, lays a vast fortification dating from the Iron Age. The fortification could possibly be identified as Atuatuca, as described by Caesar in his Commentarii de bello Callico. Atuatuca was a fortress from the Eburon tribe where Caesar billeted his troops during the Gallic war. In 54 b.C. the latter were crushingly defeated by the troops under the command of Ambiorix.

Besides the fortification from the Iron Age, other interesting cultural-historical remains have been preserved above as well as underground: a remarkable, but unfortunately very dilapidated square farmstead from 1686, a major castle mentioned for the first time around 1356 but completely burnt down in 1972, and a vast network of underground marl pits exploited as ofthe late Middle Ages. This article mainly focuses on the Iron Age fortification. At first the site was archaeologically examined in the 1970's by means of trial trenches. Because of the scientific importance and the site's archaeological protection, further archaeological research was done in 2008 and 2010.

The fortification could be accessed through narrow passageways to the northwest and south. In general the means of defence (about 1,500 meters long) consist from the outside to the interior of: (1) a moat, up to 3 meters deep and 10 meters wide, (2) a narrow plateau with wooden palisade, (3) earth wall. At the south side the wall consisted of a (burnt) wooden skeleton which was filled and covered with gravel and loam. To the west and southwest was a 5 meters high and steep talus, in front of which lays another moat. The east ofthe plateau was bordered by a 60 meters high steep face. The area within the walls, moats and steep face (around 35 hectare) has been examined extensively by means of magnetometry (confer text frame) and on a smaller scale, using trial trenches. Apart from the defence works, no other clear traces of buildings were discovered, only of what could possibly have been pits. Despite the fact that over 30 trenches have been dug and some 25.000 m2 have been searched in different zones by means of a metal detector, only very few items have been found. The most significant ones are a few small potsherds of handmade stoneware from the Iron Age. There was also the unexpected and amazing discovery that the stronghold was much larger than previously suspected (about 35 hectares), making it one ofthe largest fortifications from this period in Belgium. Furthermore it appeared that there were in fact five different defence systems on the plateau, dating from the Iron Age (late Iron-early Gallo-Roman age, around 200-40 b.C), Middle Ages-New Ages and WW I. The identification as Atuatuca can at present not be confirmed, among other reasons because of the uncertainty regarding dendrochronological dating and the wide margin of other datings. However, the lack of metal findings, which one would normally expect in case of Roman military presence, is an indication that it would concern another location.

1VI&L I 63


i^

J

w-

f

«Pr»

.«*.

r

ilJLi.f

wrm |U "^n k

mM vk^A ik V ^^H

^

1 """^^EF1!?-

m»

^-1 ^ '

/a


restoration works In eigen huis / Restauratie is meer dan nostalgie. Meer dan angstvallig bewaren wat ooit was. Restauratie blaast de pracht van ons erfgoed nieuw leven in en integreert het met de kracht van het hier en het nu. Daarom zijn restauratiewerken ons op het lijf geschreven. We slaan de brug tussen traditie en hightech. We hanteren de meest innovatieve bouwtechnieken, maar we hebben het grootste respect voor het oorspronkelijke karakter van ons erfgoed. Bij Denys beheersen we alle restauratietechnieken en voeren we ze uit met eigen mensen en materieel. Dat is de beste garantie op feilloze kwaliteit binnen de gestelde stricte deadlines. Foto / De koepel van de monumentale Sint-Pieterskerk in Gent (BE) schittert in zijn oorspronkelijke gforje. Denys restau reerde het interieur van de barokke koepel.

www.denys.com

OENVS ^ ^ ^ _ _ _ _ _ ^ ^ _ _ ^ ^

TUNNELLING WORKS / CIVIL WORKS / WATER WORKS / RESTORATION WORKS / BUILDING WORKS / PIPELINE WORKS / DREAM WORKS


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_32_2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu