GOVO Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid 2021 Rapport
Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Statistiek Vlaanderen
GOVO
Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid
Rapport Vlimpers - data 2021 Oktober 2022
Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Agentschap Overheidspersoneel Jolien Voorspoels jolien.voorspoels@vlaanderen.be
Merel Terlien merel.terlien@vlaanderen.be
VSA - Statistiek Vlaanderen Walter Van Dongen walter.vandongen@vlaanderen.be
Inhoud 0
Algemene inleiding
1
Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender
15
2
Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender en functieniveau
56
3
Werksituatie en salaris naar gender, functieniveau en leeftijd
62
4
Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en andere aspecten (%)
85
5
Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en beleidsdomein (%)
96
6
Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten
109
7
Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein
116
8
Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd, beleidsdomein en entiteit
132
9
Multivariate analyse van totaal bruto en bruto maandsalaris
140
Literatuurlijst
3
152
Bijlagen 1
Personeelsaantal in Vlimpers naar beleidsdomein en entiteit
153
2
Definitie van begrippen
155
3
Componenten van het salaris
158
GOVO Genderonderzoek naar werksituatie en salaris Vlimpers - data 2021
Algemene inleiding Achtergrond en doelstelling van het onderzoek De voorbije jaren was het maatschappelijk debat over de ongelijkheid in loopbaan en verloning tussen mannen en vrouwen enigzins op de achtergrond geraakt. Uiteraard onterecht. Het maatschappelijk streven naar (meer) (gender)gelijkheid op de arbeidsmarkt en in organisaties (privé en publiek) is immers een belangrijk onderdeel van de brede democratisering van het maatschappelijk leven (Van Dongen, 2008). Democratisering veronderstelt dat een werkbaar evenwicht wordt gerealiseerd tussen de basiswaarden vrijheid, gelijkheid, solidariteit en doelmatigheid. Meer/voldoende gelijkheid gaat daarbij hand in hand met meer/voldoende vrijheid, solidariteit en doelmatigheid. Een voldoende gelijke arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen binnen de diverse organisaties is in dat perspectief een belangrijke doelstelling, met aandacht voor centrale aspecten zoals werktijdregeling, functieniveau, statuut, vergoedingen, samenwerkingsverband, taakinhoud en besluitvorming. De Vlaamse overheid heeft als zeer grote publieke organisatie een voorbeeldfunctie in dat democratiseringsproces. Ze dient bijgevolg de (gender)gelijkheid zo veel en zo breed mogelijk te realiseren binnen de eigen entiteiten. Uiteraard zijn graduel e verschillen tussen de diverse organisaties mogelijk en zinvol, uitgaande van de concrete verschillen in opdrachten, beroepen/functies enzozvoort. Uitgaande van het fundamenteel principe 'gelijk loon voor gelijk werk' in het Europese en in het Belgische rechtssysteem is het personeelsstatuut van de Vlaamse overheid gericht op de realisatie van (gender)gelijkheid in de verloning. Het salaris wordt bepaald volgens een baremastelsel dat is gebaseerd op factoren als anciënniteit, functieniveau, statuut en werkregime. Tegenover het positieve formele stelsel staan in werkelijkheid hardnekkige genderverschillen in arbeidsparticipatie en verloning. Daarbij spelen verschillen in loopbaanverloop, aantal werkdagen, functieniveau, functie/beroep en groeikansen een grote rol.
3
De concrete betekenis van die structurele factoren voor de loonvorming is gebaseerd op normatieve keuzen in het verleden. Die keuzen staan principieel altijd ter discussie en structurele factoren kunnen worden gewijzigd uit hoofde van wijzigingen in die normatieve keuzen. De voorbije decennia heeft de Vlaamse overheid diverse initiatieven genomen om de bestaande genderongelijkheid in loopbaan en verloning (verder) te verkleinen. Dat is en blijft een werk van lange adem dat consequent moet worden volgehouden. De dienst Diversiteitsbeleid wil permanent voldoende aandacht besteden aan het dichten van de genderkloof bij de Vlaamse overheid. Een recurrent grondig genderonderzoek binnen de Vlaamse overheid is daarbij een belangrijk onderdeel. In het kader van het Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan Vlaamse overheid 2016-2020 nam de dienst Diversiteitsbeleid in 2018 het initiatief om het Genderonderzoek Vlaamse Overheid (GOVO) te ontwikkelen: “In tijden waarin heel wat aandacht gaat naar de discussie over de verlenging van de loopbaan, wordt er weinig gesproken over de loopbaankloof tussen mannen en vrouwen. Dat die ‘genderloopbaankloof’ geen evident begrip is, maakt het aanzwengelen van de discussie erover extra moeilijk. Loonkloof, verschil in studiekeuze, verschil in arbeidsmarktpositie, ongelijke vertegenwoordiging in sectoren en in verticale doorstroom: het zijn maar enkele factoren in een complexe thematiek. … Verschillende initiatieven moeten genomen worden om de loopbaankloof te dichten, ook bij de Vlaamse overheid. Hierin kan de Vlaamse overheid als werkgever een voorbeeldrol spelen. Meer transparantie kan genderongelijkheid open aankaarten. De dienst Diversiteitsbeleid zal in de komende jaren een bijkomende inspanning leveren om de genderloopbaankloof bij de Vlaamse overheid in kaart te brengen en te investeren in het verkleinen ervan.” GOVO is een initiatief van de dienst Diversiteitsbeleid en wordt uitgevoerd in samenwerking met de Vlaamse Statistische Autoriteit (VSA) (Statistiek Vlaanderen). Het doel is de gender(on)gelijkheid bij de Vlaamse overheid in kaart te brengen, in relatie tot andere belangrijke factoren zoals functieniveau, leeftijd, werktijden en statuut. Het onderzoek behandelt stap voor stap de componenten van de werksituatie en het salaris van de werknemers van de Vlaamse overheid (entiteiten aangesloten bij Vlimpers). De eerste doelstelling was de ontwikkeling en validatie van GOVO als onderzoeksinstrument opdat de analyse driejaarlijks kan worden herhaald. Vanuit het principe van onderbouwd beleid leidt dit tot de tweede doelstelling. De dienst Diversiteitsbeleid zal GOVO gebruiken om te komen tot gerichte aanbevelingen ter bevordering van gendergelijkheid binnen de Vlaamse overheid. Een twee- of driejaarlijkse herhaling van GOVO levert daarvoor een goed beeld van de actuele stand van zaken.
4
Data en werkwijze Het GOVO-onderzoek is eind 2018 opgestart. Het is gericht op de werknemers van de diensten van de Vlaamse overheid waarvoor het Vlaams Personeelsstatuut van kracht is. Degelijk onderzoek van de werksituatie en het salaris van werknemers van de Vlaamse overheid vereist een databestand met voldoende consistente en betrouwbare gegevens over voldoende werknemers. Daarom wordt gebruik gemaakt van de gegevens van het personeelssysteem Vlimpers. Vlimpers wordt gebruikt voor het beheer van personeelsgegevens, functiegegevens en afwezigheden en voor de berekening van het salaris van de werknemers. Vlimpers is al geruime tijd van toepassing en omvat inmiddels 93,5% van de medewerkers van de Vlaamse overheid. Na overleg met de verantwoordelijken van Vlimpers werd afgesproken om in de eerste editie van GOVO te werken met de data van 2018. In de tweede editie werden de data van 2021 gebruikt. In 2021 waren er 28.704 werknemers actief bij de Vlaamse overheid, tegenover 28.645 werknemers in 2018, een netto toename met 59 personen (+0.2%). Tussen 2014 en 2018 steeg het aantal werknemers met 1.146 personen (+4,2%). Die stijging was grotendeels het gevolg van de zesde staatshervorming waarbij Vlaanderen nieuwe bevoegdheden kreeg en personeelsleden overkwamen van het federale niveau (Agentschap voor Overheidspersoneel, Statistiek Vlaanderen). Bijlage 1 toont het personeelsaantal in Vlimpers in 2018 en 2021, naar beleidsdomein en entiteit. In 2021 telde Vlimpers 26.835 personeelsleden, tegenover 20.755 in 2018. Dat is een toename met 6.080 medewerkers of 29%. Die stijging is te wijten aan de aansluiting van 3 entiteiten: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (5.044 medewerkers), Opgroeien regie (1.352 medewerkers) en het het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid (367 medewerkers) bij Vlimpers. Het aandeel personeelsleden opgenomen in Vlimpers in het totaal aantal personeelsleden van de Vlaamse Overheid steeg van 72,5% in 2018 tot 93,5% in 2021. Dit vervolgonderzoek bestudeert dus een veel ruimere en meer representatieve populatie. Daarom wordt in dit rapport geen vergelijking gemaakt tussen de resultaten van het eerste en het tweede GOVOonderzoek. Dergelijke vergelijking zou namelijk gebaseerd zijn op vrij sterk van elkaar verschillende groepen werknemers. We gaan ervan uit dat de gegevens van Vlimpers in hoge mate representatief zijn voor alle medewerkers van de Vlaamse overheid, aangezien voor iedereen het Vlaams Personeelsstatuut van kracht is. Toch moet rekening worden gehouden met een zekere foutenmarge die wordt bepaald door de omvang en de kenmerken van de 3 entiteiten die in 2021 niet waren aangesloten bij Vlimpers: het Openbaar Psychiatrisch Zorg- en Kenniscentrum Rekem (6²56 werknemers), het Openbaar Psychiatrisch Zorg- en Kenniscentrum Geel (700 werknemers) en de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) (240 werknemers). Daarnaast zijn er nog 275 werknemers die in 2021 voor het beleidsdomein Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken in het buitenland werkzaam waren. Zij vallen wel onder Vlimpers, maar ze werden niet in het onderzoek opgenomen omdat hun gegevens niet volledig zijn. Het betreft 47 werknemers van het departement Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken (DKBUZA), 191 werknemers van het agentschap Toerisme Vlaanderen (TOVLA) en 37 werknemers van het agentschap Flanders Investment & Trade (FIT).
5
De in dit rapport gebruikte Vlimpers-gegevens van 2021 hebben betrekking op de werksituatie en het salaris in 2021, toen de COVID-19-pandemie volop heerste en diverse maatregelen ter bestrijding ervan van toepassing waren. Dat heeft wellicht een invloed gehad op het aantal gepresteerde werkdagen. Het GOVO-onderzoek heeft het voordeel te werken met microdata op basis van de registratie in Vlimpers. Toch kunnen er variaties en/of onvolkomenheden in de registratie optreden. Voor sommige variabelen is er geen registratieverplichting in Vlimpers en het is niet duidelijk hoe nauwkeurig de personeelsleden die gegevens in hun Vlimpers-dossier invoeren. Dit is bijvoorbeeld zo voor de registratie van telewerken (plaats- en tijdsonafhankelijk werken (PTOW)). In dit onderzoek staan genderverschillen (en -gelijkenissen) in de werksituatie en het salaris centraal. De variabele gender (identiteit) is enkel binair (mannen/vrouwen) beschikbaar op basis van het rijksregister. Het betreft hier dus ‘administratieve geslachtsinformatie’ en niet het toegewezen geslacht bij geboorte. We schrijven over ‘gender’ en niet ‘geslacht’ omdat de focus ligt op de persoonlijke identiteit en de interacties daarvan met persoonlijke, professionele en maatschappelijke variabelen/situaties. Die interacties maken diversiteit en nuances zichtbaar met betrekking tot loopbanen en salaris. Genderverschillen verwijzen dus naar graduele verschillen tussen de groep mannen en de groep vrouwen voor diverse belangrijke aspecten, al dan niet in combinatie met elkaar. Het eerste ‘Genderonderzoek Vlaamse overheid’ werd in 2019 en 2020 uitgevoerd en leidde in 2021 tot een eerste rapport met analyse van de Vlimpers-gegevens van 2018. De ontwikkeling van het GOVO-instrument en de rapportering nam ongeveer 24 maanden in beslag. Het tweede onderzoek werd gestart in juni 2022 en werkt met de Vlimpers-gegevens van 2021. Uitgaande van een aangepaste versie van het GOVO-instrument werd de analyse en rapportering uitgevoerd in 3 maanden. De Vlaamse overheid kent formeel goedgekeurde rapporteringsdefinities en regelingen. Deze kunnen de interpretatie van de data ondersteunen: Kaderfuncties: https://overheid.vlaanderen.be/definitie-kaderfuncties. Deze verschijnen als “niveau A+” in de analyses. Anciënniteit: https://overheid.vlaanderen.be/personeel/verloning-en-voordelen/impact-van-ervaring-of-anciënniteit-opsalaris. In de verdere analyses focussen we op dienstanciënniteit. Personeelsbeschikbaarheid en -aanwezigheid: https://overheid.vlaanderen.be/definities-personeelseffectieven. Bijlage 2 geeft de betekenis weer van de gebruikte begrippen. Hoofdstukken 1 en 2 schetsen een algemeen profiel van alle 26.835 medewerkers in het Vlimpers-bestand. Vanaf hoofdstuk 3 onderzoeken we de relevante verschillen naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten. Daarom worden alleen de werknemers opgenomen met een voldoende vergelijkbare werksituatie: minstens 100 voltijds equivalente werkdagen (VTE) en ten hoogste 50 dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling samen. Het maximale aantal werknemers in de analyses bedraagt dan 22.420.
6
Een centraal uitgangspunt daarbij is de analyse van het salaris van de medewerkers, meer specifiek de genderverschillen. Bijlage 3 toont de componenten en opbouw van het salaris. We beklemtonen daarbij dat ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof deel uitmaken van de verloning. Die dagen worden dus gelijkgesteld met effectieve werkdagen in het kader van de verloning. In de analyses zijn de gelijkgestelde afwezigheden evenwel niet opgenomen in de variabele “werkdagen per jaar”, maar als een afzonderlijke variabele. Mogelijks biedt dat (deels) een verklaring voor het ‘verkleinen’ of ‘omkeren’ van de genderverschillen voor het maandsalaris en uursalaris. De opbouw van het rapport volgt (grotendeels) de chronologie en logica van het onderzoek: van verkennende eenvoudige analyses naar doelgerichte meerdimensionale analyses om af te ronden met multivariate analyses waarin alle relevante factoren worden samengenomen. De eenvoudige analyses zijn nodig voor een doelmatige selectie van de variabelen voor de multivariate analyse. De eenvoudige analyses in hoofdstukken 1 tot 3 zijn verkennend en behandelen de werksituatie en een aantal salariscomponenten: loonkosten, totaal bruto salaris, bruto salaris en totaal netto salaris, per maand en per werkuur. De meerdimensionale analyses in hoofdstukken 4 tot en met 7 zijn toegespitst op het totaal bruto salaris per maand en per werkuur, dat de basis is voor het uiteindelijke netto salaris. Hoofdstuk 8 besteedt extra aandacht aan het belangrijke verschil tussen het totaal bruto salaris en het bruto salaris, meer specifiek de betekenis ervan voor de interpretatie en verklaring van de genderverschillen. In hoofdstuk 9 volgen ten slotte de multivariate analyses. Omwille van de belangrijke genderverschillen wordt voor alle salariscomponenten een multivariate analyse uitgevoerd, maar met specifieke aandacht voor het verschil tussen het totaal bruto salaris en het bruto salaris. Het onderzoek resulteert in een omvattend instrument voor analyse en rapportering. Op basis van de ingevoerde SPSStabellen wordt in een Excel-bestand een basisrapport samengestld met toelichting bij alle tabellen en grafieken en tevens een samenvattend rapport voor het brede publiek met de belangrijkste resultaten. Het instrument is de basis voor de periodieke herhaling van het onderzoek in de toekomst.
7
Samenvatting van de resultaten Het uitgangspunt van dit onderzoek is de maatschappelijke ambitie om de loopbaan- en inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen weg te werken. Het centrale probleem daarbij is dat die verschillen nog niet voldoende kunnen worden verklaard. Met dit rapport wil de dienst Diversiteitsbeleid de genderongelijkheid bij de Vlaamse overheid in kaart brengen, i n relatie tot andere belangrijke factoren zoals functieniveau, leeftijd, werktijden en statuut. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden voorgesteld om die ongelijkheid verder te verkleinen. Hoofdstuk 1 schetst een algemeen genderprofiel van de werknemers van de Vlaamse overheid die in het personeelssysteem Vlimpers zijn opgenomen. Algemeen zijn er meer vrouwen dan mannen in de jongere leeftijdsgroepen, met een hoger onderwijsniveau en met een zelfstandige of gepensioneerde partner. Met betrekking tot de werksituatie zijn er meer vrouwen dan mannen met werklocatie in Brussel, als contractueel in dienst, met maximaal 10 jaar geldelijke, dienst- en niveau-anciënniteit, deeltijds actief, meer dan 50 dagen per jaar afwezig, met meer dagen onbetaald verlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet, met telewerk, werkzaam bij Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, bij Kanselarij en Bestuur en bij Financiën en Begroting. Tot slot zijn er meer vrouwen in de lagere salariscategorieën . Voorts zijn er minder vrouwen dan mannen werkzaam in niveaus A+ (kaderfuncties) en D, in de groep met meer dan 200 VTE werkdagen per jaar, in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Aansluitend zijn er minder vrouwen in de hoogste salariscategorieën. Ten slotte zijn er grote verschillen tussen de beleidsdomeinen en de entiteiten in het aandeel vrouwen. In hoofdstuk 2 wordt een aanvullend profiel geschetst van de werknemers aan de hand van driedimensionale tabellen en grafieken (kolompercentages), naar gender, functieniveau en enkele andere persoonlijke en werk gebonden aspecten.
8
De analyse in hoofdstuk 3 laat belangrijke verschillen zien in de gemiddelde waarden van centrale aspecten, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd.
3
Het totaal aantal werkdagen per jaar ligt veel lager bij vrouwen, daalt met de leeftijd en stijgt met het functieniveau. Tegelijk ligt het totaal aantal afwezigheidsdagen veel hoger bij vrouwen, stijgt het met de leeftijd en daalt het met het functieniveau. Dat geldt ook voor het aantal dagen ziekteverlof, loopbaanonderbreking en zorgkrediet afzonderlijk. Ook het aantal dagen telewerken ligt veel hoger bij vrouwen, daalt met leeftijd en kent grote verschillen naar functieniveau. De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per maand liggen bij vrouwen resp. +/ - 977, 1.009 en 522 euro per maand lager dan bij mannen, of respectievelijk 16%, 20% en 17%. Er zijn grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en opvallend grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Voor het bruto salaris per maand ligt het gemiddelde genderverschil op 569 euro (14%), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per effectief gepresteerd werkuur liggen eveneens lager b ij vrouwen, maar de genderverschillen zijn kleiner, respectievelijk 5,0 euro, 6,4 euro en 3,0 euro per maand minder, of respectievelijk ongeveer 10%, 16% en 12%. Er zijn eveneens grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en zeer grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Het gemiddelde genderverschil is veel kleiner voor het bruto salaris per werkuur (2,9 euro of 8,7%), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50 -plussers in niveau A). Hoofdstuk 4 biedt tegenover de gemiddelden in vorige hoofdstukken een aanvullend beeld van de procentuele verdeling van de werknemers voor het totaal bruto salaris (per maand en per werkuur), met onderscheid naar gender en andere relevante aspecten. Daaruit blijkt dat voor het totaal bruto salaris per maand en per werkuur de verdeling naar functieniveau grote genderverschillen vertoont: in alle functieniveaus bevindt zich een hoger aandeel vrouwen in de lagere inkomensgroepen. De genderverschillen zijn het grootst voor niveaus C en D in de lagere inkomensgroepen. De verschillen naar leeftijd zijn groot maar kleiner dan naar functieniveau: bij mannen zijn er meer jongeren met een lager inkomen, bij vrouwen meer jongeren met een hoger inkomen. De genderverschillen zijn het grootst bij de 40 - tot 49-jarigen. De genderverschillen binnen de subgroepen naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar zijn relatief klein. De genderverschillen zijn groter voor het totaal bruto salaris per maand dan voor het totaal bruto salaris per werkuur.
9
4
Hoofdstuk 5 sluit direct aan bij het vorige en geeft de procentuele verdeling van de werknemers voor het totaal bruto salaris (per maand en per werkuur), naar gender en beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid.
5
Algemeen gezien zijn er vrij grote verschillen tussen de 10 beleidsdomeinen in de verdeling naar totaal bruto salaris. Bij mannen zijn die verschillen groter dan bij vrouwen. Voor het totaal bruto salaris per maand zijn er grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij en Mobiliteit en Openbare Werken. Voor het totaal bruto salaris per werkuur zijn de genderverschillen algemeen kleiner. Ze zijn groot in de beleidsdomeinen Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken, Internationaal Vlaanderen, Economie Wetenschap en Innovatie, Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Werk en Sociale Economie en in Mobiliteit en Openbare Werken.
In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt het genderverschil grotendeels bepaald door mannen ouder dan 40 jaar in niveau A die een zeer hoog salaris genieten. De betekenis ervan wordt hier evenwel onderschat omdat ze in procenten worden samengenomen in de groep >10.000 euro per maand of >100 euro per werkuur, ongeacht de hoogte van die salarissen. Hoofdstuk 6 gaat nog een stap verder en behandelt het meerdimensionale verband tussen het totaal bruto salaris (per maand en per werkuur) enerzijds en de factoren gender, functieniveau en leeftijd anderzijds, met bijkomend onderscheid naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar. De verschillen naar functieniveau en leeftijd zijn in alle tabellen/grafieken duidelijk zichtbaar, voor het totaal bruto salaris per maand en per werkuur. Relatief gezien zijn er grote genderverschillen zichtbaar bij werknemers met meer dan 15 jaar dienstanciënniteit, bij statutaire en contractuele medewerkers en bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen per jaar. De zeer grote genderverschillen worden vooral bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris. Hoofdstuk 7 laat zien waar die verschillen gesitueerd zijn.
10
6
Hoofdstuk 7 vult vorig hoofdstuk aan en behandelt de betekenis van het beleidsdomein. In bijna alle beleidsdomeinen is er voor mannen en vrouwen een positief verband tussen salaris enerzijds en functieniveau en leeftijd anderzijds. Het gemiddelde maandsalaris van mannen is in bijna alle subgroepen hoger dan dat van vrouwen. Het gemiddeld uurloon van mannen is evenwel in meer subgroepen lager dan dat van vrouwen.
7
Voor het totale brutosalaris per maand zijn er vrij grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken, Financiën en begroting, Welzijn, Gezondheid en Gezin, Werk en Sociale Economie en in Landbouw en Visserij. Er zijn zeer grote genderverschillen in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. De genderverschillen zijn gemiddeld kleiner voor het totale brutosalaris per werkuur. De verschillen zijn vrij groot in de beleidsdomeinen Financiën en Begroting; Economie, Wetenschap en Innovatie en in Landbouw en Visserij. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn de verschillen weer erg groot. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken worden die genderverschillen vooral bepaald door de zeer hoge salarissen van oudere mannen in niveau A, vooral door de zeer hoge bruto toelagen. De impact op het algemene verschil naar gender en functieniveau is groot door het veel hoger aantal mannen in die groep. Hoofdstuk 8 gaat op zoek naar de bron van die zeer grote genderverschillen in het totaal bruto salaris (per maand en per werkuur), door nadere analyse van het verband met de entiteiten binnen de beleidsdomeinen. In het grootste beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken (4.175 medewerkers) zijn er zeer hoge salarissen en zeer grote genderverschillen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK, 1.164 medewerkers), meer specifiek in niveau A en vooral bij 50-plussers. De waarden van dit beleidsdomein en deze entiteit wegen relatief sterker door in de algemene gemiddelden. De afsluitende overzichtstabellen tonen dat het algemene genderverschil voor het totaal bruto maandsalaris 861 euro bedraagt (zonder MDK 530 euro), tegenover 435 euro voor het bruto maandsalaris (zonder MDK 390 euro). Voor het totaal bruto uursalaris ligt het genderverschil op 3,9 euro (zonder MDK 1,6 euro), tegenover 1,0 euro voor het totaa l bruto uursalaris (zonder MDK 0,9 euro).
Het wegvallen van de hoge bruto toelagen in het bruto salaris in alle beleidsdomeinen en entiteiten leidt tot de sterkste daling van de genderverschillen. Het weglaten van de entiteit MDK impliceert een kleinere extra daling van de genderverschillen, aangezien dan ook het effect van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt.
11
8
In hoofdstuk 9 wordt het onderzoek afgerond met een multivariate analyse van de relatie tussen het salaris (per maand en per werkuur) en de relevante verklarende factoren: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. De multivariate analyse is uitgevoerd via meervoudige lineaire regressies (in SPSS). We geven een eenvoudige, begrijpelijke voorstelling van de invloed van de relevante onafhankelijke variabelen. Alle onafhankelijke variabelen zijn omgezet tot diverse binaire variabelen (met waarde 1 of 0), ook dummies genoemd, zodat ze een duidelijke betekenis krijgen in de vergelijking. Er worden geen gecombineerde dummies opgenomen, omdat de extra bijdrage tot de verklaarde variantie R 2 zeer beperkt is. Voor het aantal werkdagen per jaar ligt de totaal verklaarde variantie (R 2) op 0,109, wat laag is. Achterliggend is de beperkte variatie die het personeelsstatuut mogelijk maakt meer bepalend. Gender heeft het grootste, negatieve effect: vrouwen werken gemiddeld bijna 15 VTE dagen minder per jaar dan mannen. Ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK dragen bij tot de verklaring. Vervolgens worden de regressieresultaten toegelicht voor de diverse componenten van het salaris, per maand en per werkuur. De referentiegroep (alle dummies zijn 0) is: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen/jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair en niet in entiteit MDK. De beste resultaten zijn er voor het bruto maandsalaris, met een verklaarde variantie (R 2) van 0,832. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor het totaal bruto maandsalaris en het totaal netto maandsalaris, met een R 2 van respectievelijk 0,695 en 0,685. Bijna 83% van de variantie van het bruto maandsalaris wordt verklaard door de onafhankelijke variabelen in het model. Vooral het wegvallen van de bruto toelagen leidt tot de hogere R 2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect, met gemiddeld 94 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt ook toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner.
12
9
De modellen met gecombineerde dummies (functieniveau en gender, functieniveau en leeftijd, dienstjaren en gender, werkdagen per jaar en gender) leveren bijna geen extra R 2 op. Wel geven de coëfficiënten meer genuanceerde informatie. Zo is bijv. het gecontroleerde genderverschil groter voor functieniveaus A en A+ dan voor de lagere functieniveaus. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert evenmin een noemenswaardige extra R 2 op. Hoewel de R2 voor de loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris duidelijk kleiner is, zijn de effecten van de diverse dummies bijna dezelfde, met uitzondering van de veel grotere invloed van de dummy ‘werkzaam in entiteit MDK’. Een bijkomende verklaring (en hogere R 2) is wellicht mogelijk met het beroep of de functie van de werknemers, in combinatie met gender, functieniveau, beleidsdomein en entiteit. In Vlimpers is deze variabele helaas niet beschikbaar. Tenslotte worden enkele eenvoudige tabellen weergegeven voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke subgroepen van medewerkers, op basis van de regressies en uitgaande van de referentiegroep. Het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen wordt zo duidelijk gemaakt op microniveau.
13
9b
Conclusies Tot slot kunnen we de belangrijkste conclusies van dit onderzoek formuleren. Genderverschillen blijven aanwezig binnen de Vlaamse overheid. Maar ze moeten altijd in combinatie met andere factoren worden bekeken en geïnterpreteerd. Er zijn dus diverse geledingen in de genderverschillen, die moeten worden onderscheiden. Het startpunt zijn de significante genderverschillen in tweedimensionale verbanden met diverse relevante factoren waarover gegevens beschikbaar zijn: persoonlijke kenmerken, werksituatie en salariscomponenten. Vervolgens kan men via drie- of vierdimensionale verbanden op zoek gaan naar de centrale verklarende variabelen voor verschillen in de werksituatie en de salariscomponenten (per maand en per werkuur). Daarbij worden de genderverschillen gerelateerd aan bepaalde subgroepen en bijgevolg gedifferentieerd en genuanceerd. Dat mag evenwel niet leiden tot het wegredeneren of minimaliseren van de verschillen. Het totaal bruto en netto maandsalaris zijn de bedragen die de medewerkers werkelijk ontvangen. Ze zijn het gevolg van de feitelijke werksituatie en het bestaande verloningssysteem. Het algemeen genderverschil voor die salariscomponenten ligt hoog, maar er zijn grote verschillen tussen de diverse subgroepen, naargelang de waarde voor de centrale variabelen. Voor het bruto maandsalaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en uiteenlopende bruto toelagen) zijn de genderverschillen veel kleiner, zowel algemeen als in de diverse subgroepen. Het is niet het werkelijke bedrag dat de medewerkers ontvangen, maar het biedt een 'betere' meting omdat de zeer grote genderverschillen in de bruto toelagen worden uitgeschakeld. Op analoge wijze kan men andere differentiërende factoren 'uitschakelen' of 'conditioneren', zodat de genderverschillen verder worden verfijnd, genuanceerd, gerelateerd. Dat proces van nuanceren en conditioneren kan men gestructureerd uitvoeren via multivariate analyses, om een meer geïntegreerde en gecontroleerde verklaring te geven voor de verschillen in het salaris (per maand en per werkuur). De relevante verklarende factoren zijn: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. De gecontroleerde 'netto-genderverschillen' van de regressies van de diverse salariscomponenten zijn klein tot zeer klein. De verschillen in salaris kunnen bijna volledig worden toegeschreven aan andere factoren, vooral functieniveau, leeftijd, aantal werkdagen en specifiek 'werkzaam zijn in entiteit MDK'. De volgende stap is om op basis van het geldende maatschappelijke kader te bepalen welke verschillen in salaris en werksituatie als onwenselijk worden beschouwd en moeten worden verkleind. Op basis daarvan kan men specifieke maatregelen ontwikkelen om doelgericht de onderliggende genderverschillen voor die centrale variabelen aan te pakken en voor zover nodig weg te werken.
14
1 Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk schetsen we eerst een algemeen genderprofiel van de werknemers van de Vlaamse overheid (VO) die in het personeelssysteem Vlimpers zijn opgenomen. We tonen met eenvoudige tweedimensionale kruistabellen en grafieken (kolom- en rijprecentages) de verschillen en gelijkenissen tussen mannen en vrouwen voor een aantal persoonlijke kenmerken, een aantal aspecten van de huidige werksituatie en van het salaris. Dat algemeen genderprofiel laat de relevante genderverschillen zien voor persoonlijke kenmerken, aspecten van de werksituatie en van het salaris. Bijlage 2 geeft de betekenis weer van de gebruikte begrippen. Bijlage 3 toont de componenten en samenstelling van het salaris. We beklemtonen hier het belangrijke verschil tussen het bruto salaris en het totaal bruto salaris (met bruto vakantiegeld, bruto eindejaarspremie en bruto toelagen). Persoonlijke kenmerken: - veel meer vrouwen (57,4%) dan mannen (42,6%) werkzaam bij de VO; - overgrote meerderheid woont in België; iets meer mannen wonen buiten België; - ongeveer evenveel mannen en vrouwen wonen in de Vlaamse provincies; - iets meer vrouwen zijn buiten België geboren; - meer vrouwen in de jongere leeftijdsgroepen; - iets meer mannen met hoger onderwijsniveau master/doctor; veel meer vrouwen met een diploma bachelor; veel meer mannen met een diploma lager secundair; - iets meer mannen met 4 of meer personen in het huishouden; - meer vrouwen met een partner die werknemer in de privé of zelfstandige is; meer mannen met een partner die werkt als ambtenaar of die geen betaalde baan heeft. Werksituatie: - veel minder vrouwen werkzaam in beleidsdomein Omgeving en beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken; veel meer vrouwen werken bij Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en bij Werk en Sociale Economie; - zeer grote verschillen in het aandeel vrouwen tussen de entiteiten: van 14,3% vrouwen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust tot meer dan 90% vrouwen bij de entiteit Opgroeien regie, bijna 79% vrouwen in het Departement WVG, 73% bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en eveneens 73% bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding; - meer vrouwen hebben hun werklocatie in Brussel; - meer vrouwen zijn als contractueel in dienst; - minder vrouwen zijn werkzaam in niveaus A+ (kaderfuncties), A en D, meer vrouwen in niveaus B en C; - minder vrouwen zijn leidinggevend; - meer vrouwen met maximaal 10 jaar geldelijke en dienstanciënniteit; - veel meer vrouwen met deeltijds werkregime; - veel minder vrouwen met meer dan 200 VTE werkdagen per jaar (gemiddeld 21,4 VTE dagen minder dan mannen); - meer vrouwen met meer dan 60 afwezigheidsdagen (gemiddeld 73,4 VTE dagen meer dan mannen); - meer vrouwen met (meer dagen) onbetaald verlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet; 15
Salaris: - veel minder vrouwen met meer dan 6000 euro loonkosten en totaal bruto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-4000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 5000 euro bruto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-2000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 3000 euro totaal netto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-3000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 60 euro loonkosten en totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur, ongeveer evenveel vrouwen als mannen in categorieën 20 tot 60 euro per werkuur.
In de volgende hoofstukken gaan we dieper in op de significante genderverschillen. Uit dit hoofdstuk nemen we alvast aandachtspunten mee die aansluiten op maatschappelijke trends of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. We zien genderverschillen bij het beroep van de partners. Partners van vrouwen binnen de Vlaamse overheid werken meer in de privésector, als zelfstandige of zijn gepensioneerd in vergelijking met de partners van de mannelijke collega’s. Gezien de verschillende beschikbaarheid van zorgstelsels in verschillende sectoren roept dit volgende hypothese op. Is er een correlatie tussen het beroep van de partner en het gebruik van zorgstelsels als medewerker van de Vlaamse overheid? Dit verklaart mogelijks waarom vrouwen binnen de Vlaamse overheid meer beroep doen op specifieke zorgstelsels en/of meer afwezig zijn. Dit sluit eveneens aan op de ongelijke maatschappelijke verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen.
Wanneer we geldelijke en dienstanciënniteit naast elkaar leggen, zien we dat de Vlaamse overheid ervaren personen te werk stelt. Geldelijke anciënniteit telt gemiddeld 18,5 jaren en dienstanciënniteit gemiddeld 14 jaren. Het gemiddelde genderverschil bij geldelijke anciënniteit (0.9) is kleiner dan bij dienstanciënniteit (-1,9). Dit betekent mogelijks dat professionele ervaring buiten de Vlaamse overheid bijna gelijk erkend en gewaardeerd wordt voor mannen en vrouwen aan de start van hun loopbaan bij de Vlaamse overheid. Gemiddeld zijn vrouwen meer dagen afwezig wegens jaarlijks verlof, onbetaald verlof, ziekteverlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet en dienstvrijstelling dan mannen. In de kleine groep personeelsleden die meer dan 10 dagen dienstvrijstelling opnemen, zijn mannen in de meerderheid. Dat is mogelijks te verklaren door de specifieke redenen voor dienstvrijstelling zoals externe vorming, vrijwilligerswerk voor een brandweerkorps, een vakbond en het Rode Kruis, deelname aan topsport en een politieke functie. Aangezien de variabele 'aantal kinderen ten laste' niet voor alle medewerkers beschikbaar is, kan de variabele 'huishoudtype' niet correct worden geconstrueerd. Bijgevolg worden deze variabelen niet in de analyse opgenomen.
16
Alle werknemers Mannen 11.427 42,6
Aantal %
Vrouwen 15.408 57,4
Totaal 26.835 100,0 100
18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
80 60 40 20 0 Mannen
Vrouwen
Mannen
Vrouwen
In 2021 waren 26.835 werknemers van de Vlaamse overheid voor hun personeelsdossier opgenomen in het systeem Vlimpers, waarvan 11.427 mannen (42,6%) en 15.408 vrouwen (57,4%). In 2018 ging het om 20.604 werknemers met 49,8% mannen en 50,2% vrouwen.
17
Land woonplaats % kolom
België Buiten België
N - Totaal
% rij
Mannen 99,3 0,7
Vrouwen 99,7 0,3
11.427
15.408
Totaal 99,5 0,5 26.835
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
Mannen 42,5 67,2
Vrouwen 57,5 32,8
42,6
57,4
N 26.713 122 26.835
0
0 Mannen België
België
Vrouwen
Buiten België Mannen
Buiten België
Vrouwen
Ruim 99% van de werknemers woonde in België, waarvan 42,5% mannen en 57,5% vrouwen. Een half procent woonde in het buitenland, waarvan 67,2% mannen en 32,8% vrouwen.
18
Provincie woonplaats % kolom
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen Vlaams-Brabant Limburg Brussels Gewest Buiten Vlaams Gewest
N - Totaal
% rij
Mannen 22,5 29,0 17,7 17,0 10,5 2,2 1,2
Vrouwen 21,0 31,9 13,9 20,2 10,5 1,7 0,8
11.427
15.408
Totaal 21,7 30,7 15,5 18,8 10,5 1,9 0,9 26.835
Mannen 44,2 40,3 48,5 38,4 42,6 48,3 54,3
Vrouwen 55,8 59,7 51,5 61,6 57,4 51,7 45,7
42,6
57,4
N 5.813 8.226 4.166 5.057 2.810 509 254 26.835
Mannen
Vrouwen
100
40
80 60
20
40 20
0
Mannen Antwerpen West-Vlaanderen Limburg Buiten Vlaams Gewest
Vrouwen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Brussels Gewest
0
Met 30,7% is de provincie Oost-Vlaanderen het meest vertegenwoordigd bij de werknemers van de Vlaamse overheid, gevolgd door de provincie Antwerpen (21,7%). Bij mannen is het aandeel wonend in de provincies Antwerpen, West-Vlaanderen en het Brussels Gewest hoger, bij vrouwen het aandeel van Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Het aandeel vrouwen ligt alle provincies hoger. In West-Vlaanderen, het Brussels Gewest en buiten het Vlaamse Gewest is het aandeel mannen in verhouding groter.
19
Land van geboorte % kolom
België EU - buiten België Buiten EU
N - Totaal
% rij
Mannen 96,3 1,9 1,8
Vrouwen 95,4 1,9 2,7
11.427
15.408
Totaal 95,8 1,9 2,3 26.835
Mannen 42,8 42,5 33,1
Vrouwen 57,2 57,5 66,9
42,6
57,4
N 25.701 508 626 26.835
100
150
80
100
60
40
50
20 0
Mannen België
EU - buiten België
Vrouwen
0
België
Buiten EU
EU - buiten België Mannen
Vrouwen
Bijna 96% van de werknemers van de Vlaamse overheid is in België geboren, 1,9% in de EU (buiten België) en 2,3% buiten de EU. Bij vrouwen ligt het aandeel dat is geboren in de EU (buiten België) en buiten de EU hoger dan bij mannen.
De man-vrouw-verdeling komt voor België en de Europese Unie (buiten België) overeen met de algemene verdeling. Bij de werknemers geboren buiten de EU ligt het aandeel vrouwen relatief gezien hoger.
20
Buiten EU
Leeftijd % kolom
18-34 35-44 45-54 55 +
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 13,8 27,6 31,0 27,6
Vrouwen 19,5 30,7 28,6 21,3
11.427 46,8
15.408 44,6
Totaal 17,1 29,4 29,6 24,0 26.835 45,5
40
100
30
80
Vrouwen 65,6 59,9 55,4 51,1
42,6
57,4
N 4.576 7.879 7.944 6.436 26.835
60
20
40
10
0
Mannen 34,4 40,1 44,6 48,9
20 Mannen 18-34 35-44
0
Vrouwen 45-54
18-34
55 +
35-44 Mannen
45-54 Vrouwen
Bij vrouwen bevindt zich een hoger aandeel in de leeftijdsgroepen 18-34 jaar en 35-44 jaar dan bij mannen. Bij mannen ligt het aandeel van de 2 oudere leeftijdsgroepen hoger. De gemiddelde leeftijd lag bij mannen op bijna 47 jaar en bij vrouwen op bijna 45 jaar. Het aandeel vrouwen vermindert met toenemende leeftijd. In de leeftijdsgroepen 18-34 jaar en 35-44 jaar is het aandeel vrouwen relatief gezien hoger, bij de oudere leeftijdsgroepen lager.
21
55 +
Onderwijsniveau % kolom
Lager secundair Hoger secundair Hoger bachelor Hoger master/doctor
N - Totaal
% rij
Mannen 17,4 24,3 20,7 37,7
Vrouwen 10,2 22,2 32,9 34,8
11.427
15.408
Totaal 13,3 23,1 27,7 36,0 26.835
Vrouwen 44,0 55,2 68,2 55,5
42,6
57,4
N 3.556 6.187 7.433 9.659 26.835
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen 56,0 44,8 31,8 44,5
0 Mannen Lager secundair Hoger bachelor
Lager secundair
Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor
Hoger secundair
Hoger bachelor
Mannen
Vrouwen
Naar onderwijsniveau is er een ongelijke verdeling, met het laagste aandeel van personen met een diploma lager secundair en het hoogste aandeel voor de hoger geschoolden (master/doctor). Bij vrouwen ligt het aandeel met lager en hoger secundair en met hoger onderwijsniveau master/doctor lager dan bij mannen. De man-vrouwverdeling binnen de onderwijsniveaus varieert bijgevolg sterk. Bij de laagst geschoolden ligt het aandeel mannen relatief gezien veel hoger. Bij het onderwijsniveau bachelor ligt het aandeel vrouwen relatief gezien hoger. Voor het onderwijsniveau hoger secundair en hoger onderwijs master/doctor is de verdeling bijna gelijk aan de totale genderverhouding.
22
Hoger master/doctor
Samenwonen met partner % kolom
Partner Geen partner
N - Totaal
% rij
Mannen 69,1 30,9
Vrouwen 68,3 31,7
11.427
15.408
80
Totaal 68,7 31,3 26.835
Vrouwen 57,1 58,0
42,6
57,4
N 18.427 8.408 26.835
100
60
80
40
60 40
20 0
Mannen 42,9 42,0
20 Mannen Partner
Vrouwen
0
Partner
Geen partner
Geen partner Mannen
Ruim 69% van de werknemers van de Vlaamse overheid woont samen met een vaste partner. De verschillen tussen mannen en vrouwen bij de 2 groepen zijn verwaarloosbaar.
23
Vrouwen
Personen in huishouden % kolom
1 persoon 2 personen 3 personen 4 en meer personen
N - Totaal
% rij
Mannen 20,8 15,7 17,8 45,8
Vrouwen 16,4 19,5 21,3 42,7
11.427
15.408
60
Totaal 18,3 17,9 19,8 44,0 26.835
Mannen 48,4 37,4 38,2 44,3
Vrouwen 51,6 62,6 61,8 55,7
42,6
57,4
N 4.905 4.794 5.319 11.817 26.835
100 80
40
60
40
20
20 0
Mannen
Vrouwen
0
1 persoon
2 personen Mannen
1 persoon
3 personen Vrouwen
44% van de werknemers van de Vlaamse overheid woont in een huishouden met 4 of meer leden. Ongeveer 19% woont in een huishouden met 1, 2 respectievelijk 3 leden. Een hoger aandeel mannen leeft in een huishouden met 1 of 4+ leden, terwijl meer vrouwen een huishouden hebben met 2 of 3 leden.
De genderverschillen binnen de groepen naar aantal huishoudleden zijn ook duidelijk. Bij alleenstaande werknemers en werknemers met 4+ huishoudleden ligt het aandeel mannen hoger. Bij de 2 andere groepen geldt het omgekeerde.
24
4 en meer personen
Langdurige ziekte of handicap * % kolom
Ja Neen
% rij
Mannen 2,2 97,8
Vrouwen 2,7 97,3
100
100
N - Totaal
Totaal 2,5 97,5 100
Mannen 37,1 42,7 42,6
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen
Vrouwen Ja
0
Vrouwen 62,9 57,3 57,4
N 663 26.172 26.835
Ja
Neen Mannen
Neen
Vrouwen
* Definitie: een persoon met een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke beperking die deze persoon in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt.
In totaal geven 663 werknemers (2,5%) van de Vlaamse overheid aan dat ze een langdurige ziekte of handicap hebben. Bij vrouwen ligt dat aandeel iets hoger. De groep werknemers met een langdurige ziekte of handicap bestaat voor bijna 63% uit vrouwen.
25
Gender partner % kolom
Partner is man Partner is vrouw Geen partner
N - Totaal
% rij
Mannen 1,5 67,6 31,0
Vrouwen 66,9 1,3 31,8
11.427
15.408
Mannen 1,6 97,4 42,0
Vrouwen 98,4 2,6 58,0
42,6
57,4
N 10.472 7.930 8.433 26.835
100
80
80
60
60
40
40
20 0
Totaal 39,0 29,6 31,4 26.835
20 Mannen Partner is man
Vrouwen
0
Partner is man
Partner is vrouw
Partner is vrouw
Mannen
Geen partner
Vrouwen
Bijna 68% van de mannelijke werknemers (% kolom) heeft een vrouw als vaste partner, 1,5% heeft een man als partner en 31,0% heeft geen partner. Bij de vrouwen heeft bijna 67% een man als vaste partner, 1,3% heeft een vrouw als partner en 31,8% heeft geen partner. Binnen de 2 groepen (partner is man / partner is vrouw) zijn er geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen.
26
Beroepsgroep partner % kolom
Werknemer privé Ambtenaar Zelfstandige Zonder werk Gepensioneerd Geen partner
N - Totaal
% rij
Mannen 41,2 19,1 2,3 5,9 0,4 31,2
Vrouwen 47,3 12,1 5,1 2,9 0,6 32,0
11.316
15.247
Totaal 44,7 15,1 3,9 4,1 0,5 31,7 26.563
Mannen 39,3 53,8 25,4 60,2 29,7 42,0
Vrouwen 60,7 46,2 74,6 39,8 70,3 58,0
42,6
57,4
50
100
40
80
30
60 40
20
20
10 0
N 11.873 4.004 1.040 1.100 138 8.408 26.563
0 Mannen Werknemer privé Zonder werk
Vrouwen Ambtenaar Gepensioneerd
Zelfstandige Geen partner
Mannen
Vrouwen
Bijna 45% van de werknemers heeft een partner die werknemer is in de privé, bij 15% is de partner ambtenaar, bij 3,9% zelfstandige, bij 4,1% werkloos, bij 0,5% gepensioneerd en bijna 32% heeft geen partner. Bij een hoger aandeel vrouwen is de partner werknemer in de privé, zelfstandige of gepensioneerd. Omgekeerd heeft een hoger aandeel mannen een partner die ambtenaar of werkloos is. De genderverschillen binnen de beroepsgroepen van de partner zijn groot. De categorie ambtenaar telt 53,8% mannen, de groep werklozen 60,2%. De categorie werknemer privé omvat 60,7% vrouwen, de zelfstandigen 74,6% en de gepensioneerden 70,3%.
27
Beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid % kolom
Mannen 8,7 4,2 2,9 3,7 10,7 4,9 13,3 3,4 18,8 29,3
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken N - Totaal
11.427
% rij
Vrouwen 10,2 4,8 2,2 4,6 26,0 3,7 25,3 2,7 13,1 7,5
15.408
Totaal 9,6 4,5 2,5 4,2 19,5 4,2 20,2 3,0 15,5 16,8 26.835
% kolom
Mannen Vrouwen
5
10
15
20
25
30
35
% rij Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse… Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0
20 Mannen
40 Vrouwen
60
80
42,6
Vrouwen 61,1 60,6 51,2 62,8 76,6 49,9 71,9 52,2 48,4 25,7
57,4
N 2.570 1.217 674 1.123 5.226 1.128 5.417 811 4.164 4.505 26.835
Met 5.417 werknemers (20,2%) is Werk en Sociale Economie het grootste beleidsdomein in aantal werknemers, gevolgd door Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (19,5%), Mobiliteit en Openbare werken (16,8%) en Omgeving (15,5%). Het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie telt met 2,5% het laagste aantal werknemers, voorafgegaan door Landbouw en Visserij (3,0%), Onderwijs en Vorming (4,2%) en Cultuur, Jeugd, Sport en Media (4,2%). Bij mannen valt het veel groter aandeel op in de domeinen Mobiliteit en Openbare Werken (29,3%) en Omgeving (18,8%). Bij vrouwen is er een veel groter aandeel in de domeinen Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (26,0%) en Werk en Sociale Economie (25,3%).
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0
Mannen 38,9 39,4 48,8 37,2 23,4 50,1 28,1 47,8 51,6 74,3
De genderverschillen binnen de beleidsdomeinen zijn groot. In Mobiliteit en Openbare Werken is het aandeel mannen (74,3%) veel groter dan dat van vrouwen. In bijna alle andere domeinen ligt het aandeel vrouwen hoger. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin kent het hoogste aandeel vrouwen (76,6%), gevolgd door Werk en Sociale Economie (71,9%). De verschillen tussen de beleidsdomeinen zijn vooral verbonden met de verschillen in taakinhoud en de functies, als resultaat van de ontwikkeling tijdens de voorbije decennia. Ze gaan niet gepaard met een beoordeling.
100
28
0
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en… Opgroeien Opgroeien regie Agentschap Wegen en Verkeer De Vlaamse Waterweg Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Vlaamse Belastingdienst Departement Omgeving Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Facilitair Bedrijf Departement Mobiliteit en Openbare Werken Agentschap voor Natuur en Bos Sport Vlaanderen Departement Landbouw en Visserij Vlaamse Landmaatschappij Agentschap Overheidspersoneel Departement Cultuur, Jeugd en Media Agentschap Innoveren en Ondernemen Agentschap voor Onderwijsdiensten Agentschap Binnenlands Bestuur Departement Werk en Sociale Economie Vlaams Agentschap Uitbetaling Toelagen van… Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Agentschap Zorg en Gezondheid Vlaams Agentschap voor Personen met een… Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken Wonen-Vlaanderen Onroerend Erfgoed Departement Onderwijs en Vorming Agentschap voor Hoger Onderwijs,… Agentschap Digitaal Vlaanderen Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek Departement Financiën en Begroting Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Toerisme Vlaanderen GO! Gemeenschapsonderwijs Agentschap Plantentuin Meise Vlaams Agentschap voor Internationaal… Vlaams Energie- en Klimaatagentschap Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs Dienst van de Bestuursrechtscolleges Audit Vlaanderen Vlaamse Regulator voor de Media Vlaamse Onderwijsraad Onderwijsinspectie Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en…
Entiteiten van de Vlaamse overheid
Aantal werknemers per entiteit 5.000
4.500
4.000
3.500
3.000
2.500
2.000
1.500
1.000
500
Er zijn grote verschillen tussen de entiteiten in aantal werknemers. De 5 grootste entiteiten zijn Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (5.044 werknemers), Opgroeien (1.762), Opgroeien regie (1.352), Agentschap Wegen en Verkeer (1.299) en De Vlaamse Waterweg nv (1.295). De 5 kleinste entiteiten zijn: Vlaamse Regulator voor de Media (22), Vlaam se Onderwijsraad (19), Onderwijsinspectie (16), Milieu- en Natuurraad Vlaanderen (8) en Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed (3). 29
0%
54 Opgroeien regie 51 Departement Welzijn, Volksgezondheid… 56 Vlaams Agentschap voor Personen met… 72 Vlaamse Dienst voor… 55 Vl Ag Uitbetaling Toelagen ikv… 15 Agentschap Overheidspersoneel 46 Onderwijsinspectie 47 Vlaamse Onderwijsraad 52 Agentschap Zorg en Gezondheid 53 Opgroeien 96 Strategische adviesraad Ruimtelijke… 44 Agentschap voor Hoger Onderwijs,… 71 Departement Werk en Sociale Economie 14 Agentschap Facilitair Bedrijf 43 Agentschap voor Onderwijsdiensten 95 Openbare Vlaamse… 22 Vlaamse Belastingdienst 42 Agentschap voor Infrastructuur in het… 41 Departement Onderwijs en Vorming 90 Departement Omgeving 94 Onroerend Erfgoed 100 Wonen-Vlaanderen 19 Toerisme Vlaanderen 31 Departement Economie, Wetenschap… 45 GO! Gemeenschapsonderwijs 18 Vlaams Agentschap voor Internationaal… 61 Departement Cultuur, Jeugd en Media 11 Departement Kanselarij en… 12 Agentschap Binnenlands Bestuur 32 Agentschap Innoveren en Ondernemen 81 Departement Landbouw en Visserij 97 Vlaams Energie- en Klimaatagentschap 17 Dienst van de Bestuursrechtscolleges 16 Audit Vlaanderen 21 Departement Financiën en Begroting 13 Agentschap Digitaal Vlaanderen 98 Vlaamse Landmaatschappij 93 Milieu- en Natuurraad Vlaanderen 82 Instituut voor Landbouw- en… 62 Sport Vlaanderen 99 Vlaamse Milieumaatschappij 33 Agentschap Plantentuin Meise 102 Departement Mobiliteit en Openbare… 63 Vlaamse Regulator voor de Media 104 Agentschap Wegen en Verkeer 92 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 91 Agentschap voor Natuur en Bos 103 De Vlaamse Waterweg 101 Agentschap voor Maritieme…
Entiteiten van de Vlaamse overheid
Aandeel mannen en vrouwen per entiteit
100%
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
Mannen Vrouwen
Ook voor het aandeel mannen en vrouwen zijn er grote verschillen tussen de entiteiten. De entiteiten met het hoogste aandeel mannen zijn: Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (86% mannen), De Vlaamse Waterweg nv (75%), Agentschap voor Natuur en Bos (73%), Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (71%) en Agentschap Wegen en Verkeer (70%). De entiteiten met het hoogste aandeel vrouwen zijn: Opgroeien regie (92% vrouwen), Departement WVG (79%), Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (73%) en Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (72%). Entiteiten met een bijna gelijk aandeel mannen en vrouwen zijn Audit Vlaanderen, Departement Financiën en Begroting, Agentschap Digitaal Vlaanderen, Vlaamse Landmaatschappij, Milieu- en Natuurraad Vlaanderen en Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek. De verschillen tussen de entiteiten zijn eveneens het resultaat van de ontwikkeling van taakinhoud en functies tijdens de voo rbije decennia en impliceren geen beoordeling.
30
Provincie van werklocatie % kolom
Antwerpen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen Vlaams-Brabant Limburg Brussels Gewest Buiten Vlaams Gewest
N - Totaal
% rij
Mannen 18,8 14,2 14,1 7,5 7,9 33,8 3,6
Vrouwen 17,7 16,8 11,6 7,0 8,5 37,7 0,7
11.427
15.408
Totaal 18,2 15,7 12,7 7,2 8,3 36,0 2,0 26.835
Mannen 44,2 38,5 47,4 44,1 41,0 40,0 78,5
Vrouwen 55,8 61,5 52,6 55,9 59,0 60,0 21,5
42,6
57,4
N 4.871 4.209 3.400 1.940 2.215 9.669 531 26.835
100
40
80
30
60
20
40 20
10
0 0
Mannen Antwerpen West-Vlaanderen Limburg Buiten Vlaams Gewest
Vrouwen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Brussels Gewest
Mannen
Vrouwen
36% van de werknemers heeft zijn werklocatie in het Brussels Gewest. Daarna volgen de provincies Antwerpen (18,2%), Oost-Vlaanderen (15,7%) en West-Vlaanderen (12,7%). Vlaams-Brabant is goed voor 7,2% en Limburg voor 8,3% van de werknemers. 2% van de werknemers werkt buiten het Vlaamse Gewest. Een hoger aandeel mannen werkt in Antwerpen, West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, Limburg en het buitenland. Bij vrouwen ligt het aandeel met werklocatie in Oost-Vlaanderen iets hoger en veel hoger in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De man-vrouw-verdeling varieert vrij sterk binnen de provincies. Voor Oost-Vlaanderen, Limburg en het Brussels Gewest ligt het aandeel vrouwen relatief gezien hoger, Voor werklocaties in de provincies Antwerpen en WestVlaanderen en buiten het Vlaamse Gewest scoren mannen verhoudingsgewijs hoger.
31
Beroepsstatuut % kolom
Statutair Statutair op proef Contractueel Contractueel op proef
N - Totaal
% rij
Mannen 74,6 3,4 19,1 3,0
Vrouwen 64,5 3,4 27,7 4,4
11.427
15.408
Totaal 68,8 3,4 24,0 3,8 26.835
Mannen 46,2 42,2 33,8 33,1
Vrouwen 53,8 57,8 66,2 66,9
42,6
57,4
N 18.456 913 6.442 1.024 26.835
100
80
80
60
60 40
40 20
20 0
0 Mannen
Statutair Contractueel
Statutair
Vrouwen Statutair op proef Contractueel op proef
Statutair op proef
Mannen
Contractueel Contractueel op proef
Vrouwen
Bijna 69% van de werknemers van de Vlaams overheid is statutair (vaste benoeming), 3,4% is statutair op proef, 24% is contractueel en 3,8% is contractueel op proef. Een hoger aandeel mannen (74,6%) is statutair, terwijl meer vrouwen contractueel (27,7%) of contractueel op proef (4,4%) zijn. De man-vrouw-verdeling binnen de statuten varieert vrij sterk. Bij de statutaire medewerkers ligt het aandeel mannen (46,24%) relatief gezien hoger. Bij de contractuelen (op proef) ligt het aandeel vrouwen in verhouding
32
Functieniveau % kolom
A+ A B C D
N - Totaal
% rij
Mannen 8,5 29,1 26,1 18,6 17,7
Vrouwen 4,9 24,6 41,7 20,5 8,3
11.427
15.408
Totaal 6,4 26,5 35,0 19,6 12,3 26.835
50
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen A+
Vrouwen A
B
C
Mannen 56,0 46,7 31,8 40,2 61,2
Vrouwen 44,0 53,3 68,2 59,8 38,8
42,6
57,4
N 1.728 7.120 9.404 5.272 3.311 26.835
A
B
0
A+
Mannen
D
C Vrouwen
Er zijn 1.728 medewerkers (6,4%) in niveau A+ (kaderfuncties binnen niveau A). Niveau A telt 26,5% van de medewerkers, niveau B 35,0%, niveau C 19,6% en niveau D 12,3%. Een hoger aandeel mannen zit in de niveaus A+, A en D, terwijl bij vrouwen het aandeel in niveaus B en C hoger ligt. De man-vrouw-verdeling binnen de niveaus varieert vrij sterk. Het aandeel mannen ligt in niveaus A+ (56,0%), A (46,7%) en D (61,2%) hoger dan het totaal aandeel. In niveaus B en C ligt het aandeel vrouwen met resp. 68,2% en 59,8% in verhouding hoger.
33
D
Leidinggevend kader % kolom
Leidinggevend Niet-leidinggevend kader Medewerker
N - Totaal
% rij
Mannen 3,4 5,1 91,5
Vrouwen 2,2 2,8 95,1
11.427
15.408
Totaal 2,7 3,8 93,6 26.835
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen Leidinggevend
Vrouwen Niet-leidinggevend kader
Mannen 54,0 57,5 41,7
Vrouwen 46,0 42,5 58,3
42,6
57,4
0
Leidinggevend
Medewerker
N 721 1.007 25.107 26.835
Niet-leidinggevend kader
Mannen
Medewerker
Vrouwen
Er zijn 721 officieel leidinggevende medewerkers (2,7% van het totaal). Het niet-leidinggevend kader telt 3,8% van de medewerkers en de niet-leidinggevende medewerkers vertegenwoordigen 93,6% van het totaal. Een hoger aandeel mannen heeft een leidinggevende of niet-leidinggevend kaderfunctie.
De man-vrouw-verdeling binnen de 3 categorieën is nog ongelijk. Bij de leidinggevenden en het niet-leidinggevend kader ligt het aandeel mannen met resp. 54,0% en 57,5% verhoudingsgewijs veel hoger. Bij de niet-leidinggevende medewerkers ligt het aandeel vrouwen in verhouding iets hoger.
34
Geldelijke anciënniteit % kolom
0 -<10 jaar 10 -<20 jaar 20 -<30 jaar 30 jaar en meer
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 19,1 33,2 31,5 16,1
Vrouwen 23,5 34,7 26,9 14,9
11.427 19,5
15.408 18,3
Totaal 21,6 34,0 28,9 15,4 26.835 18,8
Mannen 37,6 41,6 46,4 44,5
Vrouwen 62,4 58,4 53,6 55,5
42,6
57,4
N 5.807 9.136 7.749 4.143 26.835
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen 0 -<10 jaar
10 -<20 jaar
Vrouwen 20 -<30 jaar
0
0 -<10 jaar
30 jaar en meer
10 -<20 jaar Mannen
20 -<30 jaar Vrouwen
Bijna 22% heeft 0 tot 10 jaar geldelijke anciënniteit, 34,0% heeft 10 tot 20 jaar, 28,9% 20 tot 30 jaar en 15,4% meer dan 30 jaar. Een hoger aandeel mannen heeft meer dan 20 jaar geldelijke anciënniteit, terwijl meer vrouwen minder dan 20 jaar hebben. De genderverdeling binnen de anciënniteitscategorieën geeft beperkte verschillen met de totale verdeling. Bij de medewerkers met 0 tot 10 jaar en 10 tot 20 jaar geldelijke anciënniteit (samen de grootste groep) ligt het aandeel vrouwen verhoudingsgewijs hoger. Bij de groep met meer dan 20 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel mannen hoger.
35
30 jaar en meer
Dienstanciënniteit % kolom
0 -<10 jaar 10 -<20 jaar 20 -<30 jaar 30 jaar en meer
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 39,4 29,8 20,3 10,5
Vrouwen 50,9 25,9 15,4 7,8
11.427 14,8
15.408 12,5
Totaal 46,0 27,6 17,5 9,0 26.835 13,5
60
100
50
80
40
Mannen 36,5 46,0 49,5 49,9
Vrouwen 63,5 54,0 50,5 50,1
42,6
57,4
N 12.345 7.395 4.691 2.404 26.835
60
30
40
20
20
10 0
Mannen 0 -<10 jaar
10 -<20 jaar
Vrouwen 20 -<30 jaar
0
0 -<10 jaar
30 jaar en meer
10 -<20 jaar Mannen
20 -<30 jaar Vrouwen
Exact 46% heeft 0 tot 10 jaar dienstanciënniteit, 27,6% heeft 10 tot 20 jaar, 17,5% 20 tot 30 jaar en 9,0% meer dan 30 jaar. Een veel hoger aandeel vrouwen heeft 0 tot 10 jaar dienstanciënniteit. Het gemiddelde lag bij mannen op 14,8 jaar, bij vrouwen op 12,5 jaar. De man-vrouw-verdeling binnen de 4 categorieën laat iets meer ongelijkheid zien dan bij de geldelijke anciënniteit. Bij de medewerkers met 0 tot 10 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel vrouwen in verhouding veel hoger. Bij de groep met meer dan 10 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel mannen hoger.
36
30 jaar en meer
Werkuren regime % kolom
% rij
1 -<20 20 -<25 25 -<30
Mannen 0,6 0,1 0,1
Vrouwen 2,2 0,6 0,9
Totaal 1,5 0,4 0,5
Mannen 18,3 7,4 6,9
Vrouwen 81,8 92,6 93,1
N 400 95 144
30 -<35 35 -<40
0,0 99,2
0,2 96,2
0,1 97,5
9,7 43,8
90,3 56,2
31 25.803
11.384
15.089
26.473
43,0
57,0
26.473
20 -<25
25 -<30
N - Totaal 120
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20 0
Mannen 1 -<20
20 -<25
0
Vrouwen 25 -<30
30 -<35
1 -<20
35 -<40
Mannen
30 -<35
Vrouwen
Ruim 97% van de medewerkers had een werkregime van 35 tot 40 uur per week. Slechts 0,1% had een regime van 30-35 uur, 0,5% van 25 tot 30 uur, 0,4% van 20 tot 25 uur en 1,5% van 20 tot 25 uur. Een hoger aandeel mannen had een voltijds regime en een hoger aandeel vrouwen had een deeltijds regime. Bij medewerkers met een voltijds werkregime lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs iets hoger, bij vrouwen iets lager. Bij de groep met een deeltijds werkregime (1 tot 35 uur) lag het aandeel vrouwen in verhouding veel hoger.
37
35 -<40
Werkdagen VTE per jaar % kolom
Mannen 1,8 0,7 1,0 1,2 1,8 2,1 3,2 3,9 5,6 9,2 14,6 22,9 31,8
0 1 -<20 20 -<40 40 -<60 60 -<80 80 -<100 100 -<120 120 -<140 140 -<160 160 -<180 180 -<200 200 -<210 210 en meer
N - Totaal Gemiddelde
11.427 179,9
Vrouwen 2,3 1,2 1,7 2,3 3,3 5,0 7,2 6,4 9,3 16,3 12,1 15,5 17,3
15.408 158,5
Totaal 2,1 1,0 1,4 1,8 2,7 3,8 5,5 5,4 7,7 13,3 13,2 18,7 23,5 26.835 167,6
% rij
Mannen 37,5 29,0 29,3 28,6 29,1 23,9 25,1 31,3 30,9 29,5 47,2 52,3 57,6
42,6
Vrouwen 62,5 71,0 70,7 71,4 70,9 76,1 74,9 68,7 69,1 70,5 52,8 47,7 42,4
57,4
N 562 269 376 493 724 1.016 1.479 1.437 2.069 3.567 3.537 5.008 6.298 26.835
100
40
80 60
20
40 20
0 0 60 -<80 140 -<160
Mannen 1 -<20 80 -<100 160 -<180
Vrouwen 20 -<40 40 -<60 100 -<120 120 -<140 180 -<200 200 -<210
0
Mannen
Vrouwen
De gepresteerde werkuren per jaar worden omgerekend tot voltijds equivalente werkdagen (VTE- werkdagen). Een VTE-werkdag omvat bij de Vlaamse overheid 7,60 werkuren. Het aantal VTE-werkdagen per jaar lag bij 42,2% van de medewerkers tussen 200 en 220 dagen, bij 26,5% tussen 160 en 200 dagen, bij 16,6% tussen 100 en 160 dagen en bij 12,8% tussen 0 en 100 dagen. Een veel hoger aandeel vrouwen (55%) dan mannen (31%) heeft minder dan 180 effectieve VTE-werkdagen per jaar. Tegelijk heeft 69% van de mannen meer dan 180 VTE-werkdagen heeft, tegenover 45% van de vrouwen. Het gemiddelde lag bij mannen op 180 werkdagen per jaar, bij vrouwen op ruim 158 dagen. De man-vrouw-verdeling binnen de diverse categorieën is ongelijk. Bij medewerkers met meer dan 180 werkdagen per jaar (grootste groep) lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs veel hoger. In alle categorieën tot 180 werkdagen lag het aandeel vrouwen veel hoger. 38
Jaarlijks betaald verlof - VTE dagen per jaar % kolom
% rij
0 1 -<10 10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 en meer
Mannen 4,1 3,3 5,7 42,1 35,3 6,4 3,1
Vrouwen 3,5 5,3 13,2 43,8 29,6 3,5 1,2
N - Totaal Gemiddelde
11.427 29,1
15.408 26,2
Totaal 3,8 4,4 10,0 43,0 32,0 4,8 2,0 26.835 27,4
Mannen 46,9 31,7 24,2 41,6 46,9 57,4 65,9
Vrouwen 53,1 68,3 75,8 58,4 53,1 42,6 34,1
42,6
57,4
N 1.011 1.185 2.673 11.550 8.597 1.283 536 26.835
100
60
80 40
60 40
20
20 0
Mannen 0
1 -<10
Vrouwen 10 -<20
0
0
20 -<30
1 -<10
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 en meer Mannen Vrouwen
3,8% van de medewerkers heeft volgens Vlimpers geen enkele dag jaarlijks betaald verlof genomen. Het betreft werknemers van enkele entiteiten (met een iets hoger aandeel mannen) die het jaarlijks verlof niet via Vlimpers registeren. Bij 4,4% lag het aantal verlofdagen tussen 1 en 10 dagen, bij 10,0% tussen 10 en 20 dagen, bij 43% tussen 20 en 30 dagen, bij 32% tussen 30 en 40 dagen en bij 6,8% hoger dan 40 dagen. Het aandeel vrouwen lag hoger in de categorieën 1 tot 30 dagen per jaar en het aandeel mannen lag hoger in de categorieën vanaf 30 dagen per jaar. Dat verschil gaat samen met het verschil in aantal werkdagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 29 dagen per jaar, bij vrouwen op 26 dagen. De genderverdeling binnen de categorieën is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag verlof en bij medewerkers met meer dan 30 verlofdagen lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs hoger. In de categorieën 1 tot 30 dagen per jaar lag het aandeel vrouwen hoger.
39
Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar % kolom
% rij
0 1 -<10 10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 en meer
Mannen 94,2 2,8 1,5 0,1 0,0 0,1 1,2
Vrouwen 89,2 6,3 2,5 0,2 0,1 0,2 1,5
N - Totaal Gemiddelde
11.427 2,2
15.408 2,9
Totaal 91,3 4,8 2,1 0,2 0,1 0,2 1,4 26.835 2,6
Mannen 43,9 24,9 30,9 22,0 21,7 39,0 38,5
Vrouwen 56,1 75,1 69,1 78,0 78,3 61,0 61,5
42,6
57,4
N 24.508 1.289 564 41 23 41 369 26.835
100
100
80 60
50
40 20
0
Mannen 0
1 -<10
Vrouwen
0
0
10 -<20
1 -<10
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 en meer Mannen Vrouwen
Ruim 91% van de medewerkers heeft geen enkele dag onbetaald verlof genomen. Bij 4,8% lag het aantal verlofdagen tussen 1 en 10 dagen, bij 2,1% tussen 10 en 20 dagen en bij 1,9% lag het hoger dan 20 dagen. Een hoger aandeel mannen nam geen onbetaald verlof. Het aandeel van vrouwen lag hoger in alle andere categorieën. Het gemiddelde lag bij mannen op 2,2 dagen per jaar en bij vrouwen op 2,9 dagen. Iedere medewerker heeft jaarlijks recht op 20 dagen onbetaald verlof. Onbetaald verlof boven de 20 dagen per jaar kan als een gunst worden toegekend. De genderverdeling binnen de categorieën is ongelijk. Bij medewerkers zonder onbetaald verlof (veruit de grootste groep) lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs iets hoger. In de categorieën 1 tot 50+ dagen per jaar lag het aandeel vrouwen veel hoger .
40
Ziekteverlof - VTE dagen per jaar % kolom
% rij
0 1 -<5 5 -<10 10 -<30 30 -<50 50 en meer
Mannen 59,2 16,2 6,7 8,8 2,9 6,3
Vrouwen 40,4 24,0 9,4 12,1 3,9 10,2
N - Totaal Gemiddelde
11.427 10,7
15.408 17,2
Totaal 48,4 20,7 8,2 10,7 3,5 8,5 26.835 14,5
80
100
60
80
Mannen 52,1 33,4 34,6 34,9 35,3 31,3
Vrouwen 47,9 66,6 65,4 65,1 64,7 68,7
42,6
57,4
N 12.982 5.544 2.205 2.876 940 2.288 26.835
60
40
40
20
20
0
Mannen 0
1 -<5
5 -<10
Vrouwen 10 -<30
30 -<50
0
0
50 en meer
1 -<5
5 -<10 Mannen
10 -<30
30 -<50
Vrouwen
Ruim 48% van de medewerkers heeft geen enkele dag (erkend en betaald) ziekteverlof genomen. Bij 20,7% lag het aantal dagen tussen 1 en 5 dagen, bij 8,2% tussen 5 en 10 dagen, bij 10,7% tussen 10 en 30 dagen en bij 12% lag het hoger dan 30 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen enkele dag ziekteverlof. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op bijna 11 dagen per jaar, bij vrouwen op 17 dagen. De genderverdeling binnen de categorieën is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag ziekteverlof (grootste groep) lag het aandeel mannen relatief gezien hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen hoger.
41
50 en meer
Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar % kolom
% rij
0 1 -<10 10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 en meer
Mannen 90,6 0,7 1,7 2,1 0,8 1,3 2,7
Vrouwen 84,6 1,1 1,8 3,2 1,4 2,3 5,6
N - Totaal Gemiddelde
11.427 3,4
15.408 6,8
Totaal 87,1 0,9 1,8 2,7 1,2 1,9 4,4 26.835 5,3
Mannen 44,3 33,7 41,4 32,5 30,2 30,4 26,2
Vrouwen 55,7 66,3 58,6 67,5 69,8 69,6 73,8
42,6
57,4
N 23.384 252 481 722 318 500 1.178 26.835
100
100
80 60
50
40 20
0 0
Mannen 1 -<10
10 -<20
20 -<30
0
Vrouwen 30 -<40
40 -<50
0
50 en meer
1 -<10
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 en meer Mannen Vrouwen
87% van de medewerkers nam geen enkele dag (voltijdse of deeltijdse) loopbaanonderbreking. Bij 5,4% lag het aantal dagen tussen 1 en 30 dagen, bij 3,1% tussen 30 en 50 dagen en bij 4,4% lag het hoger dan 50 dagen. Een hoger aandeel mannen nam geen enkele dag ziekteverlof. Het aandeel van vrouwen lag hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 3,4 dagen per jaar, bij vrouwen op 6,8 dagen.
De genderverdeling binnen de subgroepen is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag loopbaanonderbreking (grootste groep) lag het aandeel mannen in verhouding iets hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen hoger.
42
Zorgkrediet - VTE dagen per jaar % kolom
% rij
0 1 -<20 20 -<40 40 en meer
Mannen 97,5 0,6 0,6 1,3
Vrouwen 88,1 2,1 2,8 6,9
N - Totaal Gemiddelde
11.427 1,1
15.408 5,3
Totaal 92,1 1,5 1,9 4,5 26.835 3,5
120
100
100
80
80
Mannen 45,1 18,0 14,4 12,0
Vrouwen 54,9 82,0 85,6 88,0
42,6
57,4
N 24.713 399 513 1.210 26.835
60
60
40
40
20
20 0
Mannen 0
1 -<20
Vrouwen 20 -<40
0
0
40 en meer
1 -<20
20 -<40
Mannen
Vrouwen
92% van de medewerkers nam geen enkele dag zorgkrediet (voltijds of deeltijds). Bij 1,5% lag het aantal dagen tussen 1 en 20, bij 1,9% tussen 20 en 40 dagen en bij 4,5% lag het hoger dan 40 dagen. Een hoger aandeel mannen nam geen enkele dag zorgkrediet. Het aandeel van vrouwen lag hoger in alle categorieën van 1 tot 40+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 1 dag per jaar, bij vrouwen op ruim 5 dagen. De genderverdeling is zeer ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag loopbaanonderbreking (veruit de grootste groep) lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs iets hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.
43
40 en meer
Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar % kolom
0 1 -<2 2 -<5 5 -<10 10 en meer
% rij
Mannen 67,4 21,0 8,7 2,1 0,7
Vrouwen 57,7 23,2 17,1 1,6 0,4
11.427 0,8
15.408 1,0
N - Totaal Gemiddelde
Totaal 61,8 22,3 13,5 1,8 0,6 26.835 1,0
80
100
60
80
Mannen 46,4 40,2 27,4 49,8 56,4
Vrouwen 53,6 59,8 72,6 50,2 43,6
42,6
57,4
N 16.596 5.982 3.626 482 149 26.835
0
1 -<2
2 -<5
60
40
40
20
20
0
Mannen 0
1 -<2
Vrouwen 2 -<5
5 -<10
0
10 en meer
Mannen
5 -<10 Vrouwen
Bijna 62% van de medewerkers nam geen enkele dag (voltijdse of deeltijdse) dienstvrijstelling. 22,3% nam 1 of 2 dagen, 13,5% 2 tot 5 dagen en 2,4% nam meer dan 5 dagen. Een hoger aandeel mannen nam geen enkele dag dienstvrijstelling . Het aandeel van vrouwen lag hoger in de categorieën van 1 tot 5 dagen per jaar . De genderverdeling is matig ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag dienstvrijstelling (grootste groep) en bij de kleine groep met meer dan 5 dagen lag het aandeel mannen in verhouding hoger. In de categorieën 1 tot 2 en 2 tot 5 dagen per jaar (ook een grote groep) lag het aandeel vrouwen hoger.
44
10 en meer
Afwezigheid totaal - VTE dagen per jaar % kolom
1 -<20 21 -<40 41 -<60 61 -<80 81 -<100 101 -<120 121 -<140 141 -<160 161 -<180 181 -<200 200 en meer
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 3,9 18,9 47,3 13,2 6,2 3,5 1,8 1,4 0,8 0,7 2,3
Vrouwen 2,8 16,3 37,3 13,4 10,4 6,6 3,1 3,0 2,2 1,4 3,6
11.427 61,4
15.408 73,4
Totaal 3,2 17,4 41,6 13,3 8,6 5,2 2,6 2,3 1,6 1,1 3,0 26.835 68,3
Mannen 51,0 46,2 48,5 42,2 30,8 28,2 30,4 25,6 21,2 27,4 31,9
Vrouwen 49,0 53,8 51,5 57,8 69,2 71,8 69,6 74,4 78,8 72,6 68,1
42,6
57,4
N 867 4.666 11.151 3.581 2.313 1.408 693 628 425 292 811 26.835
100
50
80 60 40 20 0 0 1 -<20 81 -<100
Mannen 21 -<40 101 -<120
Vrouwen 41 -<60 61 -<80 121 -<140 141 -<160
Mannen
Vrouwen
Ruim 62% van de medewerkers had 1 tot 60 afwezigheidsdagen, 22% nam 60 tot 100 dagen, 7,8% 100 tot 140 dagen, 3,9% 140 tot 180 dagen en 4,1% meer dan 180 dagen. Een veel hoger aandeel mannen was 1 tot 60 dagen afwezig. Het aandeel van vrouwen lag hoger alle categorieën hoger dan 60 dagen. Het gemiddelde lag bij mannen op 61 dagen per jaar, bij vrouwen op 73 dagen. De genderverdeling binnen de subroepen is ongelijk. Bij medewerkers met 1 tot 60 afwezigheidsdagen lag het aandeel mannen relatief gezien hoger. In de categorie hoger dan 60 dagen per jaar lag het aandeel vrouwen veel hoger.
45
Telewerken - VTE dagen per jaar % kolom
% rij
0 1 -<10 11 -<30 31 -<50 51 -<80 80 en meer
Mannen 37,5 8,9 6,4 4,1 4,9 38,2
Vrouwen 18,5 7,3 6,6 5,4 8,7 53,5
N - Totaal Gemiddelde
11.427 67,4
15.408 89,4
Totaal 26,6 8,0 6,5 4,8 7,1 47,0 26.835 80,0
60
100
50
80
40
Mannen 60,1 47,4 41,8 36,1 29,4 34,6
Vrouwen 39,9 52,6 58,2 63,9 70,6 65,4
42,6
57,4
N 7.127 2.143 1.752 1.298 1.904 12.611 26.835
60
30
40
20
20
10
0
Mannen 0
1 -<10
11 -<30
Vrouwen 31 -<50
51 -<80
0
0
80 en meer
1 -<10
11 -<30 Mannen
31 -<50
51 -<80
Vrouwen
Bijna 27% van de medewerkers had in 2021 geen enkele dag met telewerk (PTOW of Plaats- en tijdsonafhankelijk werken). Bij 8% lag het aantal dagen telewerk tussen 1 en 10 dagen, bij 6,5% tussen 10 en 30 dagen, bij 4,8% tussen 30 en 50 dagen, bij 7,1% tussen 50 en 80 dagen en bij 47,0% lag het hoger dan 80 dagen. Een veel hoger aandeel mannen had geen enkele dag met telewerk. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in de categorieën hoger dan 50 dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 67 dagen per jaar, bij vrouwen op 89 dagen. De hoge cijfers zijn het gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de Covid-19-pandemie. De genderverdeling binnen de subgroepen is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag telewerk (op één na de grootste groep) lag het aandeel mannen in verhouding veel hoger. In de categorieën vanaf 30 dagen telewerk lag het aandeel vrouwen duidelijk hoger. Hoewel de registratie van telewerken in 2021 verplicht was, moet men rekening houden met een zekere foutenmarge door mogelijke onnauwkeurigheden bij die registratie.
46
80 en meer
Loonkosten per maand - per 1.000 euro % kolom
Mannen 1,9 2,2 3,5 15,3 21,3 19,0 13,2 8,4 4,3 3,3 7,6
1 -<1.000 1.000 -<2.000 2.000 -<3.000 3.000 -<4.000 4.000 -<5.000 5.000 -<6.000 6.000 -<7.000 7.000 -<8.000 8.000 -<9.000 9.000 -<10.000 10.000 en meer
N - Totaal Gemiddelde
11.427 5.844
% rij
Vrouwen 2,8 4,8 9,0 21,1 22,2 17,2 10,5 5,5 2,7 2,1 2,1
15.408 4.761
Totaal 2,4 3,7 6,7 18,6 21,8 18,0 11,6 6,8 3,4 2,6 4,4 26.835 5.222
Mannen 33,5 25,6 22,4 35,0 41,6 45,0 48,2 53,0 53,8 54,3 73,0
42,6
Vrouwen 66,5 74,4 77,6 65,0 58,4 55,0 51,8 47,0 46,2 45,7 27,0
57,4
N 641 1.004 1.794 5.003 5.848 4.818 3.120 1.816 904 700 1.187 26.835
100
30
80 20
60
10
20
40 0
0 1 -<1.000 4.000 -<5.000 8.000 -<9.000
Mannen 1.000 -<2.000 5.000 -<6.000 9.000 -<10.000
Vrouwen 2.000 -<3.000 6.000 -<7.000 10.000 en meer
3.000 -<4.000 7.000 -<8.000
Mannen
Vrouwen
Voor bijna 13% van de medewerkers lagen de loonkosten onder de 3.000 euro per maand. Bij 40,4% bedroegen de loonkosten 3.000 tot 5.000 euro per maand, bij 29,6% 5000 tot 7000 euro, bij 10,1% 7.000 tot 9.000 euro en bij 7% meer dan 9.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 5.000 euro, per maand, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in alle categorieën tot 5.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 5.844 euro per maand, bij vrouwen op 4.761 euro.
De genderverdeling binnen de looncategorieën is ongelijk. Vanaf 5.000 euro lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs hoger en het lag zeer hoog bij de groep met meer dan 10.000 euro per maand. In de salarisklassen lager dan 5.000 euro lag het aandeel vrouwen hoger.
47
Totaal bruto salaris per maand - per 1.000 euro % kolom
Mannen 2,6 3,0 10,5 26,5 23,5 13,1 9,1 3,9 2,9 1,5 3,3
1 -<1.000 1.000 -<2.000 2.000 -<3.000 3.000 -<4.000 4.000 -<5.000 5.000 -<6.000 6.000 -<7.000 7.000 -<8.000 8.000 -<9.000 9.000 -<10.000 10.000 en meer
N - Totaal Gemiddelde
11.427 4.775
% rij
Vrouwen 4,0 8,4 21,2 30,0 18,7 9,2 4,8 1,7 1,2 0,5 0,3
15.408 3.690
Totaal 3,4 6,1 16,6 28,5 20,8 10,9 6,7 2,6 1,9 0,9 1,6 26.835 4.152
Mannen 32,8 21,2 26,8 39,6 48,2 51,4 58,4 62,2 64,8 68,2 90,5
42,6
Vrouwen 67,2 78,8 73,2 60,4 51,8 48,6 41,6 37,8 35,2 31,8 9,5
57,4
N 919 1.640 4.467 7.650 5.573 2.915 1.789 707 511 245 419 26.835
100
30
80 20
60 40
10 0 1 -<1.000 5.000 -<6.000 9.000 -<10.000
20 0
Mannen 2.000 -<3.000 6.000 -<7.000 10.000 en meer
Vrouwen 3.000 -<4.000 7.000 -<8.000
4.000 -<5.000 8.000 -<9.000
Mannen
Vrouwen
Voor iets meer dan 26% van de medewerkers lag het totaal bruto salaris onder de 3.000 euro per maand. Bij 49,3% bedroeg het 3.000 tot 5.000 euro per maand, bij 17,5% 5.000 tot 7.000 euro, bij 4,5% 7.000 tot 9.000 euro en bij 2,5% meer dan 9.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 4.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 4.775 euro per maand, bij vrouwen op 3.690 euro.
De genderverdeling binnen de salarisklassen is zeer ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen verhoudingsgewijs duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen tot 4.000 euro lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.
48
Bruto salaris per maand - per 1.000 euro % kolom
Mannen 3,1 4,9 27,9 25,0 16,5 10,5 5,2 5,2 1,2 0,5 0,0
1 -<1.000 1.000 -<2.000 2.000 -<3.000 3.000 -<4.000 4.000 -<5.000 5.000 -<6.000 6.000 -<7.000 7.000 -<8.000 8.000 -<9.000 9.000 -<10.000 10.000 en meer
N - Totaal Gemiddelde
11.427 3.852
% rij
Vrouwen 5,0 12,2 32,9 25,4 13,9 6,4 2,3 1,4 0,4 0,1 0,0
15.408 3.196
Totaal 4,2 9,1 30,8 25,2 15,0 8,1 3,6 3,0 0,7 0,3 0,0 26.835 3.476
Mannen 31,4 23,0 38,6 42,2 46,8 55,0 62,3 73,6 66,2 72,4 66,7
42,6
Vrouwen 68,6 77,0 61,4 57,8 53,2 45,0 37,7 26,4 33,8 27,6 33,3
57,4
N 1.125 2.433 8.252 6.765 4.023 2.184 960 810 201 76 6 26.835
100
40
80 60 20
40 20 0
0 1 -<1.000 4.000 -<5.000 8.000 -<9.000
Mannen 1.000 -<2.000 5.000 -<6.000 9.000 -<10.000
Vrouwen 2.000 -<3.000 6.000 -<7.000 10.000 en meer
3.000 -<4.000 7.000 -<8.000
Mannen
Vrouwen
Het bruto maandsalaris is gelijk aan het totaal bruto maandsalaris zonder de eindejaarstoelage, het vakantiegeld en de bijkomende toelagen voor specifieke arbeidsvoorwaarden. Voor 44% van de medewerkers lag het bruto salaris onder de 3.000 euro per maand. Bij 40,2% bedroeg het 3.000 tot 5.000 euro per maand, bij 11,7% 5.000 tot 7.000 euro, bij 3,8% 7.000 tot 9.000 euro en bij bijna 1% meer dan 9.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 4.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 3.852 euro per maand, bij vrouwen op 3.196 euro.
De genderverdeling binnen de salarisklassen is zeer ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen in verhouding hoger en dat nam toe tot 8.000 euro. In de salarisklassen tot 4.000 euro lag het aandeel vrouwen hoger.
49
Bruto toelagen per maand - per 500 euro % kolom
Mannen 42,5 39,2 7,8 5,0 1,5 0,6 3,4
0 1 -<500 500 -<1.000 1.000 -<1.500 1.500 -<2.000 2.000 -<2.500 2.500 en meer
N - Totaal
11.427 428
Gemiddelde
% rij
Vrouwen 50,9 45,0 3,0 0,7 0,2 0,1 0,1
15.408 79
Totaal 47,3 42,5
Mannen 38,2 39,2 66,3 83,4 86,5 86,8 96,0 42,6
5,0 2,6 0,7 0,3 1,5
26.835 227
60
100
50
80
40
Vrouwen 61,8 60,8 33,7 16,6 13,5 13,2 4,0 57,4
N 12.705 11.414 1.351 685 200 76 404 26.835
60
30
40
20
20
10
0
0
Mannen
Vrouwen
0
1 -<500
500 -<1.000
1.500 -<2.000
2.000 -<2.500
2.500 en meer
0
1.000 -<1.500
1 -<500
500 <1.000
1.000 <1.500
Mannen
1.500 <2.000
2.000 - 2.500 en <2.500 meer
Vrouwen
De bruto toelagen omvatten diverse toelagen die worden toegekend aan specifieke groepen werknemers als vergoeding voor specifieke werkomstandigheden. De bruto toelagen zijn zeer ongelijk verdeeld. Ruim 47% van de medewerkers ontving geen extra toelagen, 42,5% ontving 1 tot 500 euro per maand, 7,6% 500 tot 1.500 euro en 2,5% meer dan 1.500 euro. Bij mannen lag het aandeel zonder toelagen en tot 500 euro lager dan bij vrouwen. In de groepen boven 500 euro lag hun aandeel veel hoger. Het gemiddelde lag bij mannen op 428 euro per maand, bij vrouwen op 79 euro, ruim 5 keer lager. De genderverdeling binnen de salarisklassen is ook hier zeer ongelijk. Vanaf 500 euro per maand lag het aandeel mannen relatief gezien veel hoger dan dat van vrouwen, tot 96% in de hoogste klasse. Het aandeel vrouwen lag hoger in de klassen tot 500 euro per maand.
50
Totaal netto salaris per maand - per 500 euro % kolom
% rij
Mannen 5,3 4,1 21,7 27,9 18,2 10,6 5,0 2,8 1,2 0,5 2,5
1 -<1.500 1.500 -<2.000 2.000 -<2.500 2.500 -<3.000 3.000 -<3.500 3.500 -<4.000 4.000 -<4.500 4.500 -<5.000 5.000 -<5.500 5.500 -<6.000 6.000 en meer
N - Totaal Gemiddelde
11.427 2.992
Totaal 8,5 9,1 27,9 25,6 14,6 7,3 3,2 1,7 0,7 0,3 1,1 26.835 2.664
Vrouwen 10,8 12,7 32,5 24,0 11,9 4,9 1,9 0,9 0,3 0,1 0,1
15.408 2.422
Mannen 26,8 19,2 33,2 46,4 53,3 61,5 66,6 70,9 72,3 83,3 94,2
42,6
Vrouwen 73,2 80,8 66,8 53,6 46,7 38,5 33,4 29,1 27,7 16,7 5,8
57,4
N 2.272 2.429 7.485 6.882 3.914 1.962 863 457 191 72 308 26.835
100
40
80
30
60
20
40
10 0 1 -<1.500 3.000 -<3.500 5.000 -<5.500
20 0 Mannen 1.500 -<2.000 3.500 -<4.000 5.500 -<6.000
Vrouwen 2.000 -<2.500 4.000 -<4.500 6.000 en meer
2.500 -<3.000 4.500 -<5.000
Mannen
Vrouwen
Voor ruim 45% van de medewerkers lag het totaal netto salaris onder de 2.500 euro per maand. Bij 40,2% bedroeg het 2.500 tot 3.500 euro per maand, bij 10,5% 3.500 tot 4,500 euro, bij 2,4% 4.500 tot 5.500 euro en bij 1,4% meer dan 5.500 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 2.500 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 2.500 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 2.992 euro per maand, bij vrouwen op 2.422 euro.
De genderverdeling binnen de salarisklassen is weer zeer ongelijk. Vanaf 2.500 euro lag het aandeel mannen in verhouding hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen veel hoger.
51
Gemiddelden voor diverse aspecten Mannen 46,8 19,5 14,8
Leeftijd - jaren Geldelijke anciënniteit - jaren Dienstanciënniteit - jaren
Vrouwen 44,6 18,3 12,5
Totaal 45,5 18,8 13,5
N 26.835 26.835 26.835
M-V 2,2 1,3 2,3 M - V = Mannen - Vrouwen
0
10
20
30
40
50
Leeftijd - jaren Mannen Vrouwen
Geldelijke anciënniteit - jaren Dienstanciënniteit - jaren
Mannen 180 191 61
Werkdagen - VTE dagen/jaar Werk, ziekte, vrijstelling - VTE dagen/jaar Afwezigheid totaal - VTE dagen/jaar
Vrouwen 158 177 73
Totaal 168 183 68
N 26.835 26.835 26.835
M-V 21,4 14,7 -12,1 M - V = Mannen - Vrouwen
0
50
100
150
200
250
Werkdagen - VTE dagen/jaar Mannen Vrouwen
Werk, ziekte, vrijstelling - VTE dagen/jaar Afwezigheid totaal - VTE dagen/jaar
52
Mannen 29,1 2,2 10,7 3,4 1,1 0,8 67,4
Jaarlijks verlof - dagen/jaar Onbetaald verlof - VTE dagen/jaar Ziekteverlof - VTE dagen/jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen/jaar Zorgkrediet - VTE dagen/jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen/jaar Telewerken - VTE dagen/jaar
Totaal
Vrouwen 26,2 2,9 17,2 6,8 5,3 1,0 89,4
27,4 2,6 14,5 5,3 3,5 1,0 80,0
N 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835
M-V 2,9 -0,7 -6,5 -3,3 -4,2 -0,2 -22,0 M - V = Mannen - Vrouwen
0
10
20
30
40
Jaarlijks verlof - dagen/jaar Onbetaald verlof - VTE dagen/jaar Ziekteverlof - VTE dagen/jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen/jaar Zorgkrediet - VTE dagen/jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen/jaar
Mannen Vrouwen
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
Mannen Vrouwen
Telewerken - VTE dagen/jaar Mannen 5.844 4.775 3.852 428 2.992
Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand Bruto salaris per maand Bruto toelagen per maand Totaal netto salaris per maand
Vrouwen 4.761 3.690 3.196 79 2.422
Totaal 5.222 4.152 3.476 227 2.664
N 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835
M-V 1.083 1.084 656 350 570 M - V = Mannen - Vrouwen
0
1000
2000
3000
4000
5000
6000
7000
Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand Bruto salaris per maand
Mannen
Bruto toelagen per maand
Vrouwen
Totaal netto salaris per maand 53
VTE werkdagen per maand per persoon Mannen 16,4 15,8 18,4 15,8 15,0 17,1 12,6 12,6 16,3 16,5 13,6 13,6
Januari Februari Maart April Mei Juni Juli Augustus September Oktober November December
Vrouwen 14,4 13,8 16,2 13,7 12,8 15,2 10,7 10,7 14,5 14,7 11,7 11,8
Totaal 15,2 14,7 17,2 14,6 13,7 16,0 11,5 11,5 15,2 15,5 12,5 12,5
N 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835 26.835
M-V 2,0 2,0 2,2 2,1 2,1 2,0 1,9 1,9 1,8 1,8 1,9 1,8 M - V = Mannen - Vrouwen
Aantal
%
35 30 25 20 15 10 5 0
100% 80% 60% 40% 20% 0%
Mannen
Vrouwen
Mannen
54
Vrouwen
VTE werkdagen per jaar naar gender en beleidsdomein Gemiddelde
Genderverschil
Mannen 174,9 185,9 182,3 185,2 174,0 170,9 178,9 188,4 183,6 180,3 179,9
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Vrouwen 157,9 167,1 170,7 166,8 150,6 157,2 152,8 172,4 168,8 169,1 158,5
Totaal 164,5 174,5 176,4 173,7 156,1 164,0 160,2 180,1 176,4 177,4 167,6
N 2.570 1.217 674 1.123 5.226 1.128 5.417 811 4.164 4.505 26.835
M-V 17,0 18,8 11,6 18,4 23,4 13,6 26,0 16,0 14,8 11,2 21,4 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal 0
5
10
15
20
55
25
30
2 Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender en functieniveau Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk schetsen we een aanvullend profiel van de werknemers aan de hand van driedimensionale tabellen en grafieken (kolomprecentages), naar gender, functieniveau en enkele andere aspecten. - Persoonlijke gegevens: leeftijd, onderwijsniveau, en beroepsgroep partner. - Loopbaan/werksituatie: provincie van werklocatie en beroepsstatuut.
Uit dit hoofdstuk nemen we volgende aandachtspunten mee die aansluiten op maatschappelijke trends of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst.
De kruising van gender, functieniveau en onderwijsniveau geeft ons enige indicatie over het zogenaamd al dan niet werken boven/onder onderwijsniveau. Het is belangrijk dat ook ervaring en niet enkel diploma erkend wordt in functieniveau en doorstroom. Zogenaamd werken onder onderwijsniveau beperkt mogelijks aanwezig potentieel in de organisatie. Het grootste genderverschil betreft hier de medewerkers op niveau B. Bij vrouwen op niveau B zien we dat bijna 18% beschikt over een master/doctordiploma, tegenover slechts 12% bij mannen op niveau B. Deze hogere diploma’s verbindt de Vlaamse overheid vooral met niveaus A en A+. Hier zit dus een enorm doorgroeipotentieel voor vrouwen. Daarbij is de open vraag waarom vrouwen meer dan mannen 'onder hun onderwijsniveau' werken. Is dit een persoonlijke keuze of is deze keuze beïnvloed door drempels in de organisatie, de maatschappij en/of de thuissituatie? De kruising van gender, functieniveau en beroepsgroep partner toont gelijkaardige tendensen als in hoofdstuk 1. Bij vrouwen is het aandeel met een partner werkend in de privé of als zelfstandige of een gepensioneerde partner groter. Bij mannen ligt het aandeel met een partner die werkt als ambtenaar of met een werkloze partner hoger. Kijken we naar de kaderfuncties (A+) dan lijkt het dat vrouwen minder kunnen terugvallen op een partner die in het huishouden ook zorgtaken kan opnemen. Zo kunnen zelfstandigen en privé werknemers op minder zorgstelsels beroep doen dan ambtenaren. Het genderverschil is zelfs het grootst bij de werknemers zonder partner. Gezien de ongelijke (on)betaalde arbeidsverdeling in de maatschappij is het mogelijk dat ook vrouwen in kaderfuncties binnen de Vlaamse overheid een moeilijkere werk-privé combinatie ervaren .
Bij vrouwen is ongeveer 4% meer aan het werk in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dan bij mannen. Vooral in niveaus A, C en D ligt dat aandeel bij vrouwen hoger. Dat is mogelijk een indicatie naar verschillen in functie(groepen) tussen mannen en vrouwen, waarover we geen directe datagegevens hebben. Het grote genderverschil volgens statuut op niveau D doet de vraag rijzen over de verschillende functies die mannen en vrouwen mogelijks invullen op dit niveau. Waarom werken vrouwen hier meer contractueel en in mogelijks meer precaire contracten?
56
Leeftijd %
Mannen Functieniveau A+ A B C D 2,4 16,3 18,3 11,7 10,8 22,4 31,0 29,9 28,7 20,1 39,0 29,9 30,3 30,3 30,9 36,2 22,9 21,6 29,3 38,1 968 3.326 2.986 2.120 2.027
18-34 35-44 45-54 55 + N
Tot 13,8 27,6 31,0 27,6 11.427
N
1.576 3.156 3.545 3.150
Mannen
%
%-punt
Vrouwen A+ A 2,0 21,7 31,7 38,5 41,4 27,4 24,9 12,4 760 3.794
Genderverschil M - V A+ A B C 0,4 -5,4 -8,8 0,9 -9,3 -7,5 -1,7 3,5 -2,4 2,4 5,7 -2,7 11,3 10,5 4,9 -1,7
B 27,1 31,6 24,6 16,7 6.418
C D 10,8 6,8 25,2 15,4 33,0 32,9 31,0 44,9 3.152 1.284
Tot 19,5 30,7 28,6 21,3 15.408
15
40
40
10
30
30
20
20
10
10 A
18-34
B
35-44
C
45-54
D
Tot
55 +
0
Tot -5,7 -3,0 2,5 6,2
Genderverschil M - V
50
A+
D 4,0 4,7 -1,9 -6,8
M - V = Mannen - Vrouwen
Vrouwen
50
0
N
3.000 4.723 4.399 3.286
5 0 -5
-10 A+
A
18-34
B
C
35-44
45-54
D
Tot
55 +
-15
A+
A
18-34
B
35-44
Er is een zwak negatief verband tussen functieniveau en leeftijd. Wel zijn er vrije grote genderverschillen in de combinatie van functieniveau en leeftijd. Bij mannen van niveau A+ ligt alleen het aandeel 55-plussers hoger dan bij vrouwen van niveau A+. Bij werknemers van niveaus A en B ligt bij vrouwen het aandeel 18 tot 44-jarigen hoger dan bij mannen, terwijl bij mannen het aandeel 45-plussers groter is. Voor niveau C zijn de verschillen kleiner. In niveau D ligt het aandeel 55-plussers bij vrouwen hoger dan bij mannen, terwijl het aandeel in de groep 18-34 jaar en 35-44 jaar bij vrouwen lager ligt.
57
C
45-54
D
Tot
55 +
Onderwijsniveau %
%
Mannen Functieniveau A+ A B C D Lager secundair 2,1 2,8 7,3 13,5 67,7 Hoger secundair 2,2 1,8 15,0 76,5 30,7 Hoger bachelor 2,5 5,7 65,8 7,4 1,2 Hoger master/doctor 93,3 89,7 11,9 2,6 0,3 968 3.326 2.986 2.120 2.027 N
Tot 17,4 24,3 20,7 37,7 11.427
N
1.990 2.773 2.361 4.303
Mannen
%-punt
Vrouwen A+ A 2,4 3,2 0,3 0,7 1,7 5,5 95,7 90,6 760 3.794
B 4,4 7,5 70,5 17,6 6.418
C D 10,2 64,2 78,2 34,2 9,8 1,4 1,8 0,2 3.152 1.284
Tot 10,2 22,2 32,9 34,8 15.408
Vrouwen 100
10
80
80
5
60
60
0
40
40
-5
20
20
-10
A+ A Lager secundair Hoger bachelor
B
C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor
0
A+ A Lager secundair Hoger bachelor
B
1.566 3.414 5.072 5.356
Genderverschil M - V A+ A B C -0,3 -0,4 2,9 3,4 1,9 1,1 7,5 -1,7 0,8 0,2 -4,6 -2,4 -2,4 -1,0 -5,7 0,8
C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor
Tot 7,3 2,1 -12,3 2,9
M - V = Mannen - Vrouwen
-15
A+ A Lager secundair Hoger bachelor
B
Er is een sterk positief verband tussen functieniveau en onderwijsniveau, als logisch gevolg van de diplomavereisten voor de diverse functies. Meer dan 90% van de medewerkers van niveau A+ en A hebben een diploma hoger master/doctor. Bij vrouwen ligt dat percentage iets hoger dan bij mannen. Bij de medewerkers van niveau D heeft ongeveer 2/3 een diploma lager secundair en 1/3 een diploma hoger secundair. Bij medewerkers van niveau A+, A, C en D zijn de genderverschillen klein. Bij mannen van niveau B ligt het aandeel met diploma hoger secundair hoger, tegenover een hoger aandeel met diploma bachelor en master/doctor bij vrouwen van niveau B.
58
D 3,6 -3,5 -0,2 0,1
Genderverschil M - V
100
0
N
C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor
Beroepsgroep partner %
%
Mannen Functieniveau A+ A B C Werknemer privé 48,2 40,4 41,7 40,0 Ambtenaar 22,5 20,7 17,6 19,2 Zelfstandige 3,6 3,1 1,9 1,8 Zonder werk 4,2 6,5 5,4 3,9 Gepensioneerd 0,4 0,3 0,4 0,3 Geen partner 20,6 28,4 32,0 33,4 964 3.303 2.958 2.093 N
D 37,4 15,7 1,5 8,0 0,3 35,6 1.998
Tot 40,8 18,9 2,3 5,8 0,4 30,9 11.316
N
4.664 2.156 264 662 41 3.529
Mannen 50
40
40
30
30
20
20
10
10 A+
A
B
Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd
C
C 44,0 12,8 4,7 2,9 1,0 33,5 3.117
D 45,4 10,4 3,1 3,2 1,6 35,2 1.269
Tot 46,8 12,0 5,0 2,8 0,6 31,7 15.247
N
7.209 1.848 776 438 97 4.879
D
Tot
Ambtenaar Zonder werk Geen partner
0
Genderverschil M - V A+ A B C -1,0 -5,4 -7,0 -3,9 6,1 5,9 7,9 6,3 -2,3 -2,9 -3,0 -2,9 2,3 4,6 2,0 1,0 0,2 -0,1 0,0 -0,7 -5,0 -2,1 0,5 -0,1
D -8,0 5,3 -1,6 4,8 -1,2 0,4
M - V = Mannen - Vrouwen
Vrouwen
50
0
%-punt
Vrouwen A+ A B 49,2 45,9 48,7 16,4 14,8 9,8 5,9 6,0 4,9 2,0 1,9 3,4 0,3 0,4 0,4 25,5 30,4 31,5 755 3.768 6.338
Genderverschil M - V 10 5
0 -5 A+
A
B
C
Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd
D
Tot
Ambtenaar Zonder werk Geen partner
-10
A+
A
B
Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd
Er is een zwak verband tussen functieniveau en beroepsgroep van de partner. Binnen de diverse functieniveaus zijn er wel enkele significante genderverschillen. Bij vrouwen van niveau A+ ligt het aandeel zonder partner bijna 5 ppt hoger dan bij mannen van niveau A+. Het aandeel vrouwen met een partner die in de privé werkt is bijna even groot voor niveau A+, maar het is groter voor niveaus A, B, C en D. Voor alle functieniveaus ligt het aandeel vrouwen met een partner die ambtenaar is of geen werk heeft, lager dan bij mannen. Het aandeel vrouwen met een zelfstandige partner ligt bij alle functieniveaus hoger dan bij mannen. Bij vrouwen van niveaus C en D ligt het aandeel met een gepensioneerde partner iets hoger dan bij mannen van niveau C en D.
59
C
D
Tot
Ambtenaar Zonder werk Geen partner
Tot -6,0 6,9 -2,7 3,0 -0,3 -0,8
Provincie van werklocatie %
%
Mannen Functieniveau A+ A B C D Antwerpen 7,0 16,7 21,4 15,8 27,2 Oost-Vlaanderen 8,0 13,0 16,7 15,8 13,6 West-Vlaanderen 3,7 7,3 16,8 15,2 25,1 Vlaams-Brabant 2,9 4,8 9,0 8,8 10,4 Limburg 3,7 4,3 10,1 8,1 12,5 Brussels Gewest 74,2 48,8 24,7 29,3 8,0 Buiten Vlaams Gewest 0,5 5,0 1,2 7,0 3,1 968 3.326 2.986 2.120 2.027 N
Mannen 80
60
60
40
40
20
20 A+ A B Antwerpen West-Vlaanderen Limburg Buiten Vlaams Gewest
C D Tot Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Brussels Gewest
N
2.151 1.621 1.611 855 908 3.864 417
B 23,5 18,9 15,0 9,0 10,9 22,0 0,7 6.418
C D 16,3 15,2 18,4 19,0 11,3 17,0 6,3 7,7 8,2 9,1 39,0 31,8 0,6 0,2 3.152 1.284
Tot 17,7 16,8 11,6 7,0 8,5 37,7 0,7 15.408
Vrouwen
80
0
Tot 18,8 14,2 14,1 7,5 7,9 33,8 3,6 11.427
%-punt
Vrouwen A+ A 5,8 12,2 9,2 12,6 2,9 6,1 2,5 5,1 3,9 5,4 74,9 57,6 0,8 1,0 760 3.794
0
N
2.720 2.588 1.789 1.085 1.307 5.805 114
Genderverschil M - V A+ A B C D 1,2 4,6 -2,0 -0,5 12,0 -1,3 0,4 -2,2 -2,6 -5,4 0,8 1,2 1,8 3,9 8,1 0,4 -0,3 0,1 2,5 2,6 -0,2 -1,0 -0,8 -0,1 3,4 -0,7 -9 2,7 -9,7 -23,7 -0,3 4,0 0,4 6,4 2,9 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V 10 0 -10 -20
A+ A B Antwerpen West-Vlaanderen Limburg Buiten Vlaams Gewest
C D Tot Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Brussels Gewest
-30
A+ A B Antwerpen West-Vlaanderen Limburg Buiten Vlaams Gewest
Algemeen gezien zijn de genderverschillen voor de provincie van de werklocatie binnen functieniveaus A,+, A, B en C klein. Bij de medewerkers van niveau C en D ligt het aandeel vrouwen met werklocatie in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 10 procentpunten (%-punt) respectievelijk 24 %punt hoger. Bij vrouwen van niveau D ligt dat percentage zelfs 30 %-punt hoger dan bij mannen. Daartegenover staat dat een groter aandeel mannen van niveau D in de provincie Antwerpen en West-Vlaanderen werkt.
60
C D Tot Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Brussels Gewest
Tot 1,2 -2,6 2,5 0,4 -0,5 -3,9 2,9
Beroepsstatuut %
Statutair Contractueel N
%
Mannen Functieniveau A+ A B C D 93,5 82,4 64,4 85,8 75,0 6,5 17,6 35,6 14,2 25,0 968 3.326 2.986 2.120 2.027
Tot 78,0 22,0 11.427
N
8.909 2.518
Mannen
B 58,7 41,3 6.418
C D 81,8 44,9 18,2 55,1 3.152 1.284
120
80
100
60
40
40
20
20 A
Statutair
B
C
N
10.460 4.948
D
Contractueel
Tot
0
A+
A
B
C
Statutair
Genderverschil M - V A+ A B C D -2,6 8,3 5,8 3,9 30,2 2,6 -8,3 -5,8 -3,9 -30,2 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
80
60
A+
Tot 67,9 32,1 15.408
Vrouwen
100
0
%-punt
Vrouwen A+ A 96,1 74,1 3,9 25,9 760 3.794
D
Contractueel
Tot
40 30 20 10 0 -10 -20 -30 -40
A+
A
B
Statutair
Het aandeel contractuelen ligt bij vrouwen 10 ppt hoger dan bij mannen. Die genderverschillen varieëren sterk naar functieniveau. Bij vrouwen van niveau D ligt het aandeel contractuelen liefst 30 %-punt hoger dan bij mannen van dat niveau. Bij vrouwen van niveau A is het aandeel contractuelen ruim 8 %-punt groter dan bij mannen, in niveau B is dat bijna 6 %-punt en in niveau C 4 %-punt. In niveau A+ ligt het aandeel contractuelen iets hoger bij mannen.
61
C
D
Contractueel
Tot
Tot 10,1 -10,1
3 Werksituatie en salaris naar gender, functieniveau en leeftijd Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk gaat dieper in op de relevante aspecten van de werksituatie en het inkomen van de werknemers van de Vlaamse overheid. Per aspect worden de gemiddelde waarden gegeven in driedimensionale tabellen en grafieken, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel.
Aangezien we de relevante verschillen naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten bestuderen, worden in de analyses alleen de werknemers opgenomen die in 2021 een voldoende 'normale' en vergelijkbare werksituatie hadden, met minstens 100 effectieve VTE werkdagen en ten hoogste 50 dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling samen. Het maximale aantal werknemers in de analyses daalt daardoor van 26.835 naar 22.420. De selectie maakt een meer gecontroleerde genderanalyse mogelijk in het licht van de beoogde gendergelijkheid. De gehanteerde criteria zijn altijd voor discussie vatbaar, maar de wijziging ervan impliceert slechts kleine verschillen in de resultaten. De analyse laat een aantal belangrijke verschillen naar gender, functieniveau en leeftijd zien. Het totaal aantal afwezigheidsdagen ligt veel hoger bij vrouwen, stijgt met leeftijd en daalt met functieniveau. Het aantal dagen ziekteverlof en loopbaanonderbreking ligt procentueel veel hoger bij vrouwen, stijgt met leeftijd en daalt met functieniveau. Het aantal dagen zorgkrediet ligt hoger bij vrouwen, piekt bij 40- tot 49-jarigen en stijgt vooral bij vrouwen in de niveaus A, B en C. Het aantal dagen telewerken ligt veel hoger bij vrouwen, daalt met leeftijd en kent grote verschillen naar functieniveau. De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per maand liggen bij vrouwen respectievelijk +/- 977, 1.009 en 522 euro per maand lager dan bij mannen, of respectievelijk 16%, 20% en 17%. Er zijn grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en opvallend grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Voor het bruto salaris per maand ligt het gemiddelde genderverschil op 569 euro (14%), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per werkuur liggen eveneens lager bij vrouwen, maar de genderverschillen zijn kleiner, respectievelijk 5,0 euro, 6,4 euro en 3,0 euro per maand minder, of respectievelijk ongeveer 10%, 16% en 12%. Er zijn eveneens grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en zeer grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Het gemiddelde genderverschil is veel kleiner voor het bruto salaris per werkuur (2,9 euro of 8,7%), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). Naast het salaris per gepresteerd werkuur kan men ook het salaris per erkend werkuur berekenen. Dat is gebaseerd op het aantal erkende VTE-werkdagen, de som van gepresteerde VTE-werkdagen en gelijkgestelde afwezigheidsdagen. Ze vormen de basis van de salarisberekening en bieden inzicht in de genderongelijkheid van het salaris dat medewerkers effectief ontvangen.
62
Op basis van dit hoofdstuk duiden we alvast enkele tendensen aan die aansluiten op maatschappelijke trends en/of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst.
Het totaal aantal afwezigheidsdagen (betaald en onbetaald verlof, ziektverlof, zorgkrediet en dienstvrijstelling) ligt duidelijk hoger bij vrouwen in vergelijking met mannen. Dat is waarschijnlijk een indicatie van de maatschappelijke trend waarbij zowel betaalde als onbetaalde arbeid ongelijk verdeeld is tussen mannen en vrouwen. Hierbij dragen voornamelijk vrouwen de zorgtaken, ook wel de “tweede shift” genoemd. We zien ook meer diversiteit naar leeftijd binnen de groep vrouwen dan bij mannen. Zo ligt het gemiddeld aantal VTE dagen loopbaanonderbreking bij 50+ vrouwen veel hoger. De variatie volgens functieniveau voor ziektedagen en telewerkdagen informeert ons mogelijk indirect over de verschillende functies (en werkbelasting) waarover deze dataset geen gegevens en dus geen direct inzicht biedt. Ook binnen de functieniveaus zijn er grote genderverschillen. Zo telewerken vrouwen in niveaus C en D veel meer dan mannen. Kijken we specifiek naar kaderfuncties (niveau A+), vallen ook enkele zaken op. In die groep zijn jonge vrouwen meer afwezig en maken ze meer gebruik van loopbaanonderbreking. Voorts hebben personen in kaderfuncties gemiddeld de grootste huishoudens. Dit roept de vraag op of vrouwen, meer dan mannen, in kaderfuncties thuis nog meer een klassieke genderverdeling van de zorgtaken kennen. Voor het inkomen zijn de genderverschillen in niveau A+ vaak het kleinst, zeker in vergelijking met niveau A. Opvallend is dat het loonverschil tussen niveau A en A+ volgens leeftijd daalt bij mannen, terwijl dit net toeneemt voor vrouwen. De tabellen suggereren dat er grotere genderverschillen bij 50-plussers in niveau A optreden.
De kruistabellen naar gender, functieniveau en leeftijd brengen verscheidene verschillen naar inkomen in kaart. Gemiddelde salariscomponenten stijgen sterker volgens leeftijd bij mannen dan bij vrouwen, waardoor ook het genderverschil met leeftijd vergroot. Men zou verwachten dat leeftijd, sterk gelinkt aan anciënniteit bij mannen en vrouwen, een gelijkaardige impact heeft. De tab ellen laten zien dat een specifieke subgroep bij mannen sterker doorweegt in de gemiddelde waarden (cf. 50-plussers in niveau A). Mannen kennen een grotere inkomensdiversiteit naar functieniveau dan vrouwen. Binnen de niveaus vallen ook genderverschillen op, voornamelijk in niveaus D en A. Opnieuw duidt dit op een mogelijke gender gebonden functieverdeling binnen die niveaus. De vr aagt rijst dan waarom verschillende functies in één niveau tot zulke grote salarisverschillen zouden leiden. In vergelijking met de maandsalarissen zien we bij het salaris per gepresteerd werkuur ook ‘negatieve’ genderverschillen naar boven komen, dit wil zeggen dat in sommige groepen vrouwen gemiddeld per gepresteerd werkuur meer verdienen dan mannen. Dit is wellicht omdat het salaris, inclusief ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof, gedeeld wordt door gemiddeld minder effectieve werkdagen per jaar dan bij mannen.
63
Leeftijd - jaren Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 36,1 44,9 33,3 44,5 33,0 44,3 33,9 44,3 33,2 44,6 33,4 44,5
2.552
3.225
50+ 56,8 56,3 55,9 56,5 56,3 56,3
Tot 50,7 45,5 45,0 47,2 48,7 46,7
4.288 10.065
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 36,6 44,6 33,4 44,2 32,1 44,2 33,9 44,5 33,8 45,0 32,9 44,3
3.964
60
M-V 50+ 55,4 55,2 55,7 55,8 56,4 55,7
4.073
Tot 48,3 42,8 42,6 47,9 50,9 44,6
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318 12.355
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,4 0,3 1,4 2,4 -0,1 0,3 1,1 2,8 0,9 0,1 0,2 2,4 0,0 -0,1 0,7 -0,7 -0,7 -0,4 -0,1 -2,2 0,5 0,1 0,6 2,1 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
50
2,0
40
1,5
30
1,0
20
0,5
10
0,0
0
-0,5
18-39
40-49
Mannen A+
50+ A
18-39 B
40-49
Vrouwen C D
50+
-1,0
18-39 40-49 -1,2 0,6 -0,3 0,6 2,7 0,1 -0,1 -0,3 -2,0 -0,9 1,5 0,3
50+ 2,5 1,9 0,4 1,3 -0,2 1,1
Genderverschil % 4,0 2,0 0,0 -2,0
18-39 A+
40-49 A B C
50+
-4,0
18-39
D
A+
Bij mannen bedroeg bedroeg de gemiddelde leeftijd in de leeftijdsgroep 18-39 jaar 33,4 jaar, bij de 40- tot 39jarigen 44,5 jaar en bij de 50-plussers 56,3 jaar. Bij vrouwen was dit respectievelijk 32,9 jaar, 44,3 jaar en 55,7 jaar. Binnen de leeftijdsgroepen zijn er weinig verschillen naar functieniveau.
De genderverschillen in aantal jaren en in % zijn klein, zowel voor leeftijd als voor functieniveau. Ze liggen iets hoger bij de 50-plussers.
64
A
40-49 B C
50+ D
Tot 4,7 6,1 5,4 -1,5 -4,5 4,4
Aantal personen in huishouden Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 3,0 3,6 2,6 3,5 2,4 3,3 2,6 3,2 2,4 3,1 2,5 3,4
2.552
3.225
50+ 3,7 3,5 3,1 3,0 3,0 3,2
Tot 3,6 3,2 3,0 3,0 2,9 3,1
4.288
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 3,4 3,6 2,8 3,5 2,7 3,4 2,8 3,1 3,0 3,0 2,7 3,4
3.964
4.073
4
Tot 3,4 3,2 3,0 2,9 2,9 3,1
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,4 0,0 0,4 0,2 -0,2 0,0 0,3 0,1 -0,2 -0,1 -0,1 -0,1 -0,3 0,1 0,1 0,0 -0,6 0,1 0,2 0,1 -0,2 0,0 0,2 0,0 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
3 2 1 0
M-V 50+ 3,3 3,2 3,2 2,9 2,8 3,1
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0,6 0,4 0,2 0,0 -0,2 -0,4 -0,6 -0,8
18-39 40-49 -14,8 -0,6 -5,7 0,0 -9,9 -3,0 -9,7 2,5 -23,8 3,9 -8,3 -0,6
50+ 10,7 7,8 -2,3 3,7 7,6 5,3
Genderverschil % 20
10 0 -10 -20 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
-30
18-39
D
40-49 A+
Het gemiddeld aantal huishoudleden lag bij de mannen en vrouwen op 3,1 personen. Bij de 18- tot 39-jarige mannen en vrouwen lag het aantal huishoudleden lager dan bij de 40-plussers. Binnen alle leeftijdsgroepen stijgt het aantal huishoudleden met het functieniveau, behalve bij vrouwen van 18 tot 39 jaar. De genderverschillen (in aantal en %) zijn duidelijk: het aantal huishoudleden lag iets hoger bij jongere vrouwen en iets lager bij vrouwen van 50 jaar en ouder.
65
A
B
50+ C
D
Tot 4,2 2,5 -2,7 0,3 1,7 1,0
Geldelijke anciënniteit - jaren Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N 35 30 25 20 15 10 5 0
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 12,0 20,4 8,7 18,5 8,5 17,9 11,2 18,8 9,0 15,6 9,2 18,3
2.552
3.225
50+ 30,6 27,6 25,1 28,9 23,6 26,8
Tot 25,4 19,0 17,6 21,5 18,7 19,6
4.288
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 13,3 20,3 9,2 18,8 8,0 18,3 11,0 19,5 8,9 15,5 8,9 18,6
3.964
M-V 50+ 29,2 27,2 26,8 29,9 24,1 27,6
4.073
Tot 23,3 17,2 16,5 22,9 20,2 18,7
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -1,3 0,2 1,5 2,1 -0,5 -0,3 0,4 1,8 0,5 -0,3 -1,7 1,1 0,1 -0,7 -1,0 -1,5 0,1 0,1 -0,5 -1,5 0,3 -0,4 -0,8 0,9 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
Genderverschil %
2,0
10,0
1,0
5,0 0,0
0,0
-5,0
-1,0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-2,0
18-39 40-49 -10,7 0,8 -5,8 -1,6 5,7 -1,8 1,1 -3,5 1,2 0,6 3,4 -2,1
-10,0 18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-15,0
18-39
A+
De gemiddelde geldelijke anciënniteit lag bij de mannen op 19,6 jaar en bij de vrouwen op 18,7 jaar. De geldelijke anciënniteit neemt logischerwijs sterk toe met de leeftijd. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau vrij klein. Alleen het iets lagere gemiddelde van mannen en vrouwen in niveau D valt op. De genderverschillen zijn zeer klein, voor bijna alle combinaties van leeftijd en functieniveau. Bij de 18- tot 39jarigen in niveau A+ en bij de 50-plussers in niveaus A+ en B lag het verschil hoger dan 1 jaar.
66
40-49
A
B
50+
C
D
50+ 4,8 1,3 -6,8 -3,5 -1,9 -3,1
Tot 8,1 9,3 6,1 -6,9 -8,0 4,8
Dienstanciënniteit - jaren Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 8,0 15,5 5,7 13,3 5,4 13,3 7,8 13,9 7,1 13,1 6,2 13,6
2.552
3.225
50+ 22,6 21,3 18,8 23,2 20,6 21,1
Tot 18,7 14,0 12,8 16,6 16,0 14,9
4.288
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 8,8 15,1 5,6 13,4 4,9 11,9 7,2 13,4 6,1 11,8 5,6 12,9
3.964
25
M-V 50+ 22,1 18,7 18,4 21,2 18,2 19,5
4.073
Tot 17,4 11,7 10,9 16,0 15,2 12,8
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,9 0,3 0,4 1,4 0,1 -0,1 2,6 2,3 0,4 1,4 0,3 1,9 0,6 0,4 2,0 0,6 1,0 1,3 2,4 0,9 0,7 0,7 1,6 2,1 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
Genderverschil %
20
3,0
20,0
15
2,0
10,0
10
1,0
5
0,0
0
-1,0 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-2,0
18-39 40-49 -10,9 2,1 1,9 -0,6 8,2 10,2 7,3 3,1 14,0 10,1 10,8 5,4
0,0 -10,0 18-39
A+
40-49 A B C
50+
D
-20,0
18-39 A+
De gemiddelde dienstanciënniteit lag bij de mannen op 14,9 jaar en bij de vrouwen op 12,8 jaar. De dienstanciënniteit neemt eveneens sterk toe met de leeftijd. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau klein. Alleen de hogere anciënniteit bij de medewerkers in niveau A+ en bij 50-plussers in niveau C valt op. De genderverschillen zijn voor de meeste combinaties van leeftijd en functieniveau vrij klein, met enkele uitzonderingen: de 40 tot 49-jarigen in niveaus B en D en de 50-plussers in niveaus A, C en D.
67
40-49 A B C
50+
D
50+ 2,0 12,1 1,9 8,7 11,8 7,5
Tot 7,2 16,3 14,7 3,3 5,4 14,0
Werkdagen - VTE per jaar Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 201,7 205,2 197,4 195,3 194,3 197,0 196,4 197,2 191,5 193,9 195,6 196,9
50+ 202,9 190,2 191,5 192,9 189,0 192,2
2.552
4.288
3.225
Tot 203,6 194,1 194,2 195,0 190,6 194,6
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 195,1 201,0 185,1 185,2 177,4 177,7 183,5 184,9 165,0 170,7 180,6 182,5
3.964
4.073
250
Tot 199,5 185,2 176,8 182,2 165,3 180,5
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 6,5 4,2 3,5 4,2 12,3 10,1 4,9 8,9 16,9 19,2 16,8 17,4 12,9 12,3 12,7 12,8 26,5 23,2 25,6 25,4 15,0 14,4 13,8 14,1 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
200 150 100 50
0
M-V 50+ 199,4 185,3 174,7 180,1 163,4 178,4
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
Genderverschil %
30
15
20
10
10
5
0
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
0
18-39
D
40-49
A+
Het gemiddeld aantal werkdagen per jaar lag bij de mannen op bijna 195 dagen en bij de vrouwen op 180 dagen, een significant verschil van 14 dagen. Bij zowel mannen als vrouwen is het verschil naar leeftijd klein. Het gemiddeld aantal werkdagen ligt iets lager bij de 50-plussers.
Bij de mannen zijn binnen de leeftijdsgroepen de verschillen naar functieniveau zeer klein. Bij de vrouwen stijgt het aantal werkdagen met het functieniveau. De genderverschillen liggen voor de meeste subgroepen tussen 10 en 20 dagen per jaar, met een hoger gemiddelde bij de medewerkers in niveau D (23 tot 26 werkdagen).
68
18-39 40-49 3,2 2,1 6,3 5,2 8,7 9,8 6,6 6,3 13,8 12,0 7,7 7,3
A
B
50+
C
D
50+ 1,7 2,6 8,8 6,6 13,5 7,2
Tot 2,0 4,6 9,0 6,6 13,3 7,2
Afwezigheidsdagen - VTE per jaar Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N 70 60 50 40 30 20 10 0
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,2 48,4 50,1 52,1 52,7 54,1 52,5 51,3 55,0 54,0 52,0 52,4
2.552
50+ 48,8 53,4 58,0 56,5 58,8 55,7
3.225
Tot 48,7 52,0 55,1 54,0 56,9 53,7
4.288
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 57,2 52,5 59,4 60,5 63,0 61,5 63,2 58,9 62,2 58,2 61,8 59,9
3.964
M-V 50+ 51,6 56,1 61,7 63,8 62,6 60,7
4.073
Tot 52,7 59,0 62,1 62,3 61,5 60,8
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -8,1 -4,0 -2,8 -4,1 -9,3 -8,3 -2,6 -7,0 -10,3 -7,3 -3,7 -7,1 -10,7 -7,6 -7,3 -8,3 -7,2 -4,2 -3,8 -4,7 -9,8 -7,5 -5,1 -7,1 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
18-39 40-49 -16 -8 -18 -16 -20 -14 -20 -15 -13 -8 -19 -14
Genderverschil %
0
0 -5
-5
-10
-15
-10
-20 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-15
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-25
18-39
40-49
A+
Het gemiddeld aantal afwezigheidsdagen per jaar lag bij de mannen op bijna 54 dagen en bij de vrouwen op 61. Bij mannen en vrouwen neemt het aantal dagen licht toe met de leeftijd. Binnen bijna alle leeftijdsgroepen daalt het aantal dagen met een stijgend functieniveau. Bij vrouwen van 40 tot 49 jaar steeg het aantal dagen met het functieniveau voor functieniveaus A, B en C. De genderverschillen liggen meestal tussen 5 en 10 dagen per jaar, met uitzondering van het kleinere verschil bij de 50-plussers in niveaus A+, A, B en D.
69
A
B
50+
C
D
50+ -6 -5 -6 -13 -6 -9
Tot -8 -13 -13 -15 -8 -13
Telewerken - VTE dagen per jaar Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N 140 120 100 80 60 40 20 0
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 99,6 109,5 101,2 97,9 77,5 81,1 59,5 61,1 6,9 9,8 73,0 77,4
50+ 109,0 98,5 84,6 71,7 8,5 71,6
2.552
4.288
3.225
Tot 108,4 99,0 81,2 65,5 8,5 73,8
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 128,0 126,5 116,5 122,3 80,2 96,8 111,7 121,5 34,5 35,7 95,1 108,0
3.964
M-V 50+ 113,3 121,5 102,9 129,1 50,9 107,8
4.073
Tot 120,8 120,0 91,9 123,3 45,3 103,8
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -28,4 -17,0 -4,4 -12,4 -15,3 -24,4 -23,1 -20,9 -2,8 -15,7 -18,3 -10,7 -52,3 -60,4 -57,4 -57,8 -27,6 -25,9 -42,4 -36,9 -22,2 -30,6 -36,2 -30,0 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
18-39 40-49 -29 -16 -15 -25 -4 -19 -88 -99 -401 -265 -30 -40
50+ -4 -23 -22 -80 -498 -51
Genderverschil %
0
0
-20
-200
-40 -400
-60 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-80
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-600
18-39
A+
Het gemiddeld aantal dagen telewerk per jaar lag bij de mannen op bijna 74 dagen en bij de vrouwen op 104 dagen, een groot verschil van 30 dagen. De hoge cijfers zijn het gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de Covid-19-pandemie. Bij mannen daalde het aantal dagen met de leeftijd. Bij vrouwen nam dat verschil toe. Bij mannen stijgt binnen de leeftijdsgroepen het aantal telewerkdagen met het functieniveau, met een zeer laag aantal in niveau D. Bij vrouwen in niveau D lag het aantal dagen ook veel lager, maar hoger dan bij mannen in niveau D. Bij vrouwen valt ook het hogere aantal dagen in niveau C op. De genderverschillen zijn negatief en zeer groot en liggen tussen 50 en 60 dagen per jaar bij de medewerkers in niveau C en tussen 20 en 40 werkdagen in niveau D. Opvallend is ook het zeer grote negatieve procentuele verschil bij de medewerkers in niveau D.
70
40-49
A
B
50+
C
D
Tot -11 -21 -13 -88 -436 -41
Aandeel telewerken in werkdagen - % Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,2 53,6 50,5 48,6 39,3 40,8 30,1 30,8 3,5 4,9 36,7 38,6
2.552
50+ 54,0 49,9 43,8 36,9 4,5 36,5
3.225
Tot 53,4 49,6 41,4 33,4 4,4 37,2
4.288
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 65,3 63,0 62,9 66,0 44,3 53,6 60,6 65,0 18,5 20,2 51,8 58,4
3.964
4.073
80
Tot 60,9 64,7 51,1 67,2 26,0 56,7
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -16,1 -9,4 -3,5 -7,4 -12,4 -17,4 -15,8 -15,1 -5,0 -12,9 -14,1 -9,7 -30,5 -34,3 -34,4 -33,9 -15,0 -15,3 -25,0 -21,6 -15,1 -19,8 -23,0 -19,5 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
50+ -6 -32 -32 -93 -554 -63
0
-10
40
18-39 40-49 -33 -18 -24 -36 -13 -32 -101 -111 -425 -316 -41 -51
Genderverschil %
0
60
-200
-20
20 0
M-V 50+ 57,5 65,7 57,9 71,3 29,5 59,4
-400
-30 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-40
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-600
18-39
A+
Het gemiddeld aandeel van de telewerkdagen geeft eenzelfde beeld als het aantal telewerkdagen. Het bedroeg 37% bij de mannen en 57,0% bij de vrouwen. Bij mannen en vrouwen is het verschil naar leeftijd vrij klein. Bij mannen stijgt binnen de leeftijdsgroepen het aandeel telewerkdagen met het functieniveau, met een zeer laag aandeel in niveau D. Bij vrouwen in niveau D lag het aandeel dagen ook veel lager en bij vrouwen in niveau C valt het hogere aandeel op. Bij vrouwelijke 40-plussers in niveau A ligt het aandeel iets hoger dan in niveau A+. De genderverschillen zijn zeer groot liggen meestal tussen 10 en 20 werkdagen. Er zijn veel hogere scores bij de medewerkers in niveau C. Opvallend is opnieuw het grote procentuele verschil bij de medewerkers in niveau D.
71
40-49
A
B
50+
C
D
Tot -14 -30 -23 -102 -492 -52
Loonkosten per maand in euro Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7.335 9.154 5.718 7.729 4.256 5.160 3.847 4.494 3.915 4.285 4.716 6.180
2.552
50+ 10.594
9.326 5.875 5.190 4.571 6.860
3.225
Tot 9.793 7.727 5.138 4.648 4.367 6.099
4.288
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 7.094 8.752 5.335 6.560 3.820 4.680 3.559 4.209 3.311 3.539 4.301 5.388
3.964
12000
Tot 9.111 6.312 4.529 4.328 3.471 5.122
10.065
7.453 5.375 4.717 3.478 5.624
4.073
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 241 401 529 682 383 1.169 1.873 1.415 436 480 500 609 289 285 473 320 604 746 1.093 896 415 792 1.236 977 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
10000
2500
8000
2000
6000
30 20
1000
2000
18-39 40-49 3,3 4,4 6,7 15,1 10,2 9,3 7,5 6,3 15,4 17,4 8,8 12,8
Genderverschil %
1500
4000 0
M-V 50+
10
500 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
18-39
40-49
A+
A
B
C
50+
0
18-39
D
40-49
A+
De gemiddelde loonkosten per maand lagen bij de mannen op 6.099 euro en bij de vrouwen op 5.122 euro, een duidelijk verschil van 977 euro (16,0%). De loonkosten stijgen bij mannen en vrouwen met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in de loonkosten naar functieniveau, die bovendien toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal rond 500 euro, met veel hogere bedragen bij de 40- tot 49-jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
72
A
B
50+
C
D
50+ 5,0 20,1 8,5 9,1 23,9 18,0
Tot 7,0 18,3 11,9 6,9 20,5 16,0
Totaal bruto salaris per maand in euro Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.189 7.625 4.672 6.544 3.317 4.049 3.106 3.696 3.169 3.491 3.798 5.095
2.552
50+ 8.645 7.831 4.523 4.238 3.761 5.602
3.225
Tot 8.065 6.470 3.994 3.794 3.574 4.982
4.288 10.065
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 5.997 7.276 4.240 5.209 2.910 3.558 2.807 3.290 2.514 2.679 3.356 4.222
3.964
10.000
M-V 50+ 8.218 5.790 3.922 3.651 2.665 4.306
4.073
Tot 7.521 4.983 3.400 3.370 2.649 3.973
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318 12.355
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 192 349 426 544 432 1.334 2.040 1.487 407 491 601 595 299 406 587 424 655 813 1.096 925 442 873 1.296 1.009 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
8.000
2.500
6.000
2.000
4.000
1.500
2.000
1.000
0
500 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
18-39 40-49 3,1 4,6 9,2 20,4 12,3 12,1 9,6 11,0 20,7 23,3 11,6 17,1
Genderverschil % 30 20
10
18-39
40-49
A+
A
B
C
50+
0
18-39
D
40-49
A+
Het gemiddeld totaal bruto salaris per maand lag bij de mannen op 4.982 euro en bij de vrouwen op 3.973 euro, een groot verschil van 1,009 euro (20,2%). Het totaal bruto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het totaal bruto salaris naar functieniveau, die toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal rond 400 euro, met veel hogere bedragen bij de 40- tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
73
A
B
50+
C
D
50+ 4,9 26,1 13,3 13,8 29,1 23,1
Tot 6,7 23,0 14,9 11,2 25,9 20,2
Bruto salaris per maand in euro Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.425 6.677 3.933 5.136 2.767 3.457 2.473 2.989 2.162 2.476 3.100 4.129
50+ 7.557 5.884 3.916 3.487 2.722 4.480
2.552
4.288
3.225
Tot 7.055 5.060 3.410 3.085 2.548 4.018
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 5.282 6.376 3.732 4.555 2.497 3.086 2.382 2.827 1.951 2.177 2.901 3.665
3.964
10.000
M-V 50+ 7.235 5.065 3.420 3.174 2.239 3.748
4.073
Tot 6.610 4.367 2.943 2.908 2.188 3.449
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 143 301 322 446 200 581 819 693 271 371 496 467 91 161 312 177 212 299 483 359 199 464 732 569 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
8.000
2.500
6.000
2.000
4.000
1.500
2.000
1.000
0
500 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
18-39 40-49 2,6 4,5 5,1 11,3 9,8 10,7 3,7 5,4 9,8 12,1 6,4 11,2
Genderverschil % 30 20
10
18-39
40-49
A+
A
B
C
50+
D
0
18-39
40-49
A+
Het gemiddeld bruto salaris per maand lag bij de mannen op 4.018 euro en bij de vrouwen op 3.449 euro, een verschil van 569 euro (14,2%). Het bruto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het bruto salaris naar functieniveau, die sterk toenemen met de leeftijd. Bij mannen daalt het verschil tussen niveau A+ en A zeer licht met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen veel lager dan voor het totaal bruto maandsalaris, met hogere bedragen bij de 40tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoger.
74
A
B
50+
C
D
50+ 4,3 13,9 12,7 9,0 17,7 16,3
Tot 6,3 13,7 13,7 5,7 14,1 14,2
Bruto toelagen per maand in euro Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 101 135 256 759 196 145 313 320 709 673 306 439
50+ 167 1.208 96 295 662 546
2.552
4.288
3.225
Tot 150 776 143 307 675 451
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 75 122 51 85 97 70 112 95 291 195 90 89
3.964
M-V 50+ 109 87 51 63 115 73
4.073
Tot 109 73 76 82 156 84
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 26 13 58 40 205 674 1.122 704 100 74 45 68 201 225 232 224 418 478 547 519 216 350 473 367 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
Genderverschil %
2.500
100
2.000
80
1.500
60
1.000
40
500
20
0
18-39
40-49
A+
A
B
C
50+
D
0
18-39
40-49
A+
De gemiddelde bruto toelagen per maand lagen bij de mannen op 451 euro en bij de vrouwen op 84 euro, een verschil van 367 euro (81,4%). Ze bepalen dus in grote mate de grote genderverschillen in het totaal bruto maandsalaris. Bij mannen zijn er binnen alle leeftijdsgroepen zeer grote verschillen naar functieniveau, met een zeer hoog bedrag bij 50-plussers in niveau A, naast een vrij hoog bedrag bij de 40- tot 49-jarigen in niveau A en bij alle mannen in niveau D. De genderverschillen liggen hoog, met hogere bedragen bij de 40- tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A. De verschillen in euros zijn ook relatief groot bij de medewerkers van niveau D. De procentuele verschillen liggen in bijna alle subgroepen hoog.
75
18-39 40-49 25,7 10,0 80,0 88,8 50,8 51,4 64,1 70,4 59,0 71,0 70,6 79,7
A
B
50+
C
D
50+ 35,0 92,8 46,7 78,6 82,6 86,6
Tot 27,0 90,6 47,2 73,1 76,9 81,4
Totaal netto salaris per maand in euro Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 3.553 4.236 2.913 3.801 2.337 2.726 2.279 2.577 2.350 2.554 2.558 3.182
50+ 4.629 4.363 2.899 2.797 2.656 3.391
2.552
4.288
3.225
Tot 4.394 3.749 2.669 2.603 2.568 3.113
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 3.456 4.022 2.693 3.151 2.089 2.432 2.104 2.322 2.008 2.056 2.302 2.721
3.964
5.000
M-V 50+ 4.402 3.387 2.574 2.455 2.001 2.734
4.073
Tot 4.114 3.035 2.334 2.343 2.015 2.591
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 98 214 227 280 221 649 976 713 247 294 325 335 175 256 343 259 342 498 655 554 256 462 657 522 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
4.000
1.250
3.000
1.000
2.000
750
1.000
500
0
250 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
18-39 40-49 2,7 5,1 7,6 17,1 10,6 10,8 7,7 9,9 14,6 19,5 10,0 14,5
Genderverschil % 30 20
10
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
0
18-39
40-49
A+
Het gemiddeld totaal netto salaris per maand lag bij de mannen op 3.113 euro en bij de vrouwen op 2.591 euro, een verschil van 522 euro (16,8%). Het netto salaris stijgt bij mannen en vrouwen met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het netto salaris naar functieniveau, die sterk toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. Bij 18- tot 49-jarige mannen en vrouwen is het totaal netto salaris in niveaus B, C en D nagenoeg gelijk. De genderverschillen liggen meestal rond 250 euro, met veel hogere bedragen bij de medewerkers bij de 40- tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen zijn ook de procentuele verschillen groter.
76
A
B
50+
C
D
50+ 4,9 22,4 11,2 12,2 24,7 19,4
Tot 6,4 19,0 12,5 10,0 21,6 16,8
Aandeel totaal netto salaris in bruto salaris - % Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 57,6 55,9 62,5 59,5 71,2 68,1 72,5 70,5 75,3 74,2 68,7 65,2
2.552
50+ 53,9 57,3 64,7 66,8 71,6 63,5
3.225
Tot 55,0 59,6 67,8 69,3 73,0 65,4
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 57,8 55,7 64,0 61,2 72,5 69,6 75,7 71,7 81,9 78,5 70,3 66,9
4.288
3.964
M-V 50+ 53,9 59,1 66,9 68,3 77,1 66,4
4.073
100
Tot 55,2 61,8 70,0 70,8 78,0 67,8
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,2 0,2 0,0 -0,2 -1,5 -1,7 -1,8 -2,2 -1,3 -1,6 -2,1 -2,2 -3,2 -1,3 -1,5 -1,5 -6,6 -4,3 -5,5 -5,1 -1,6 -1,7 -2,8 -2,4 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
80
2
60
0
40
-2
20
-4
0
-6 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-8
18-39 40-49 -0,3 0,4 -2,4 -2,8 -1,8 -2,3 -4,4 -1,8 -8,8 -5,8 -2,3 -2,6
Genderverschil % 5 0
-5
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
-10
18-39
D
40-49
A+
Het gemiddeld aandeel van het totaal netto salaris in het totaal bruto salaris lag bij de mannen op 65,4% en bij vrouwen op 67,8%. Bij de jongeren ligt het percentage iets hoger. Binnen alle leeftijdsgroepen daalt het aandeel met stijgend functieniveau. Tussen de niveaus A+ en A enerzijds en de niveau B en C anderzijds is het verschil groter. De genderverschillen zijn klein voor bijna alle combinaties van leeftijd en functieniveau. Bij de jongeren in niveaus C en in alle leeftijdsgroepen in niveau D is het verschil iets groter.
77
A
B
50+
C
D
50+ -0,1 -3,2 -3,3 -2,2 -7,7 -4,5
Tot -0,4 -3,7 -3,2 -2,2 -6,9 -3,7
Loonkosten per gepresteerd werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 57,5 69,8 46,7 64,7 34,6 41,5 31,3 36,2 32,4 35,0 38,4 50,2
2.552
50+ 81,4 78,9 48,8 43,0 38,5 56,5
3.225
Tot 75,1 64,5 42,0 38,0 36,4 49,9
4.288
N
892 2.953 2.629 1.872 1.687 10.033
Vrouwen 18-39 40-49 58,0 68,8 46,2 56,3 34,3 41,8 31,1 36,1 31,8 33,0 37,9 46,6
3.964
M-V 50+ 79,8 63,9 49,0 41,6 33,8 49,6
4.073
Tot 72,2 54,3 40,8 37,8 33,4 44,9
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,5 1,0 1,6 2,9 0,5 8,3 15,0 10,2 0,3 -0,3 -0,2 1,2 0,2 0,1 1,3 0,2 0,6 2,0 4,7 3,0 0,5 3,6 6,9 5,0 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 -0,9 1,4 1,1 12,9 0,9 -0,6 0,6 0,3 1,9 5,8 1,4 7,2
* per gepresteerd werkuur: jaarbedrag wordt gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
Genderverschil %
20
20
15
15
10
10
20
5
5
0
0
0
60 40
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
-5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-5
18-39
40-49 A+
De gemiddelde loonkosten per gepresteerd werkuur lagen bij de mannen op 49,9 euro en bij de vrouwen op 44,9 euro, een verschil van 5,0 euro (10,1%). De loonkosten per werkuur stijgen bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen iets sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil toe met de leeftijd.
Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in de loonkosten naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen sterk toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 5 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40- tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen veel hoger.
78
A
B
50+ C
D
50+ 2,0 19,0 -0,4 3,1 12,1 12,3
Tot 3,8 15,8 2,9 0,5 8,3 10,1
Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,5 58,7 38,3 55,1 27,0 32,6 25,2 29,8 26,1 28,4 31,0 41,5
2.552
50+ 67,4 68,5 37,6 35,0 31,5 46,9
3.225
Tot 62,6 55,1 32,6 31,0 29,7 41,1
N
894 2.965 2.629 1.872 1.687 10.047
Vrouwen 18-39 40-49 49,0 57,2 36,7 44,6 26,1 31,7 24,5 28,2 24,0 24,9 29,5 36,4
4.288
3.964
M-V 50+ 65,2 49,6 35,6 32,2 25,8 37,8
4.073
Tot 59,7 42,8 30,6 29,4 25,4 34,7
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,5 1,5 2,1 2,9 1,6 10,4 18,9 12,2 0,9 0,9 1,9 2,1 0,8 1,6 2,9 1,6 2,1 3,6 5,7 4,3 1,5 5,1 9,0 6,4 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 -1,0 2,5 4,3 18,9 3,2 2,8 3,0 5,3 8,0 12,5 4,7 12,4
* per gepresteerd werkuur: jaarbedrag wordt gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
0
-5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-10
18-39
40-49 A+
Het gemiddeld totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 41,1 euro en bij de vrouwen op 34,7 euro, een verschil van 6,4 euro (15,6%). Het bruto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 5 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40- tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen veel hoger.
79
A
B
50+ C
D
50+ 3,2 27,6 5,1 8,2 18,1 19,2
Tot 4,7 22,2 6,4 5,2 14,5 15,6
Totaal bruto salaris per erkend werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 46,6 56,8 35,2 49,1 25,1 30,4 23,2 27,6 23,9 26,3 28,6 38,2
2.531
3.224
50+ 65,1 59,2 34,5 31,9 28,6 42,4
Tot 60,5 48,7 30,3 28,4 27,1 37,6
4.286
10.041
N
894 2.983 2.629 1.872 1.680 10.058
Vrouwen 18-39 40-49 44,6 54,4 32,1 39,6 22,4 27,7 21,2 25,0 19,8 21,1 25,6 32,3
3.964
M-V 50+ 62,0 44,5 30,9 28,1 21,7 33,4
4.073
Tot 56,4 37,9 26,5 25,8 21,3 30,6
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318 12.355
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 2,0 2,4 3,1 4,1 3,1 9,4 14,8 10,8 2,7 2,7 3,6 3,8 2,0 2,6 3,7 2,6 4,0 5,2 6,9 5,7 3,0 5,9 9,0 7,0 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 4,3 4,2 8,8 19,2 10,7 9,0 8,5 9,3 16,9 19,8 10,5 15,3
* Per erkend werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal erkende werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
0
18-39
D
De genderverschillen zijn voor het totaal bruto salaris per erkend werkuur iets groter dan voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur.
80
40-49 A+
A
B
50+ C
D
50+ 4,8 24,9 10,5 11,8 24,1 21,2
Tot 6,7 22,2 12,5 9,3 21,2 18,6
Bruto salaris per gepresteerd werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 42,6 51,4 31,8 42,5 22,5 27,8 20,1 24,1 18,0 20,3 25,2 33,4
2.552
3.225
50+ 58,9 50,7 32,5 28,8 23,0 37,3
Tot 54,8 42,4 27,9 25,2 21,3 33,0
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 43,2 50,2 32,3 39,0 22,4 27,4 20,7 24,2 18,8 20,3 25,5 31,6
4.288
3.964
M-V 50+ 57,4 43,3 31,0 27,9 21,7 32,9
4.073
Tot 52,5 37,5 26,4 25,3 21,0 30,1
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,6 1,2 1,5 2,3 -0,4 3,5 7,4 4,9 0,1 0,3 1,5 1,4 -0,7 -0,1 0,9 -0,1 -0,9 0,0 1,3 0,3 -0,4 1,9 4,4 2,9 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 -1,4 2,4 -1,4 8,2 0,5 1,2 -3,3 -0,5 -4,7 -0,1 -1,4 5,5
* per gepresteerd werkuur: jaarbedrag wordt gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
0
-5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-10
18-39
40-49 A+
Het gemiddeld bruto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 33,0 euro en bij de vrouwen op 30,1 euro, een verschil van 2,9 euro (8,7%). Het bruto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen met de leeftijd.
Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen daalt het verschil tussen niveau A+ en A lichtjes met hogere leeftijd, bij vrouwen stijgt dat verschil. De genderverschillen liggen veel lager dan voor het totaal bruto maandsalaris, met kleine negatieve verschillen bij de jongeren: vrouwen verdienen per uur iets meer dan mannen. Wel zijn er nog grotere verschillen in bedragen en procenten bij de 50-plussers in niveau A.
81
A
B
50+ C
D
50+ 2,5 14,6 4,5 3,1 5,5 11,8
Tot 4,3 11,6 5,1 -0,5 1,3 8,7
Bruto salaris per erkend werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 40,9 49,8 29,6 38,5 21,0 26,0 18,5 22,3 16,2 18,6 23,4 30,9
2.531
3.224
50+ 56,9 44,5 29,9 26,3 20,6 33,9
Tot 53,0 38,1 25,8 23,2 19,2 30,3
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 39,3 47,7 28,2 34,6 19,3 24,0 18,0 21,5 15,4 17,2 22,2 28,1
4.286
3.964
M-V 50+ 54,6 38,9 27,0 24,5 18,3 29,1
4.073
Tot 49,6 33,2 22,9 22,3 17,7 26,5
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 1,6 2,1 2,4 3,3 1,4 3,8 5,6 4,8 1,7 1,9 2,9 2,9 0,5 0,8 1,8 0,9 0,8 1,4 2,3 1,6 1,2 2,9 4,8 3,7 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 3,9 4,2 4,7 10,0 8,2 7,5 2,6 3,7 5,0 7,8 5,2 9,3
* Per erkend werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal erkende werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39
40-49 A+
De genderverschillen zijn ook voor het bruto salaris per erkend werkuur iets groter dan voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur, maar kleiner dan voor het totaal bruto salaris.
82
A
B
50+ C
D
50+ 4,1 12,5 9,8 6,8 11,4 14,1
Tot 6,3 12,7 11,3 3,8 8,2 12,4
Bruto toelagen per gepresteerd werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 0,8 1,0 2,6 8,4 1,6 1,2 2,5 2,6 5,7 5,3 2,6 4,3
2.552
3.225
50+ 1,3 13,6 0,8 2,4 5,4 5,4
Tot 1,1 8,6 1,2 2,5 5,4 4,3
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 0,6 0,9 0,4 0,8 0,9 0,6 1,0 0,8 2,6 1,7 0,8 0,8
4.288
3.964
M-V 50+ 0,8 0,8 0,5 0,6 1,1 0,7
4.073
Tot 0,8 0,7 0,7 0,7 1,4 0,8
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot 0,2 0,1 0,4 0,3 2,2 7,6 12,7 7,9 0,7 0,6 0,3 0,5 1,6 1,7 1,9 1,8 3,1 3,6 4,3 4,0 1,9 3,5 4,7 3,6 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 23,9 10,2 83,1 90,7 46,1 46,7 61,1 67,4 55,1 68,3 70,0 81,5
* per gepresteerd werkuur: jaarbedrag wordt gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
15
Genderverschil M - V
10
0
100
10
80 60
5
5
40
0 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
-5
20 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39
40-49 A+
De gemiddelde bruto toelagen per werkuur bedroegen bij de mannen 4,3 euro en bij de vrouwen 0,8 euro, een verschil van 3,6 (82,7%). Ze bepalen dus in grote mate het genderverschil in het totaal bruto salaris per werkuur.
Bij mannen zijn er binnen alle leeftijdsgroepen zeer grote verschillen naar functieniveau, met een hoog bedrag bij de 40 tot 49-jarigen en een zeer hoog bedrag bij 50-plussers in niveau A. Er is ook een hoog bedrag bij de medewerkers in niveau D. De genderverschillen liggen hoog, met hogere bedragen bij de 40- tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A. De verschillen zijn ook relatief groot bij de medewerkers van niveau D. De procentuele verschillen liggen in bijna alle subgroepen hoog.
83
A
B
50+ C
D
50+ 33,5 94,0 39,2 76,5 80,0 87,4
Tot 26,2 92,3 41,9 70,6 74,1 82,7
Totaal netto salaris per gepresteerd werkuur in euro * Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 27,9 32,6 23,8 32,4 19,1 22,0 18,6 20,8 19,5 20,9 20,9 26,1
2.552
50+ 36,1 39,0 24,2 23,2 22,4 28,7
3.225
Tot 34,1 32,3 21,9 21,3 21,4 25,9
N
894 2.983 2.629 1.872 1.687 10.065
Vrouwen 18-39 40-49 28,3 31,7 23,4 27,2 18,9 21,9 18,4 20,1 19,5 19,3 20,4 23,7
4.288
3.964
M-V 50+ 35,0 29,2 23,6 21,8 19,7 24,3
4.073
Tot 32,7 26,2 21,2 20,6 19,6 22,9
N
684 3.158 5.089 2.545 879 12.355
4.318
% (M-V)/M
18-39 40-49 50+ Tot -0,4 0,9 1,1 1,4 0,5 5,2 9,8 6,1 0,2 0,1 0,5 0,7 0,1 0,8 1,4 0,7 0,0 1,6 2,7 1,8 0,5 2,4 4,3 3,0 M - V = Mannen - Vrouwen
18-39 40-49 -1,4 2,9 2,0 16,1 1,1 0,7 0,8 3,7 0,0 7,5 2,4 9,3
* per gepresteerd werkuur: jaarbedrag wordt gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
40
Genderverschil M - V 15
30
10
20
15
5
10 0
Genderverschil % 25
5
0 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
-5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
-5
18-39
D
40-49 A+
Het gemiddeld totaal netto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 25,9 euro en bij de vrouwen op 22,9 euro, een verschil van 3 euro (11,7%). Het totaal netto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd.
Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 2 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveau A. Bij de 40- tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveau D liggen de procentuele verschillen ook hoog.
84
A
B
50+ C
D
50+ 3,0 25,1 2,2 6,0 11,9 15,1
Tot 4,2 18,8 3,3 3,5 8,6 11,7
4 Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en andere aspecten (%) Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk geeft een beeld van de procentuele verdeling van de werknemers naar totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), naar gender en relevante andere aspecten: functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar. Het totaal bruto salaris per maand wordt gegeven in klassen van 1.000 euro en het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in klassen van 10 euro. De analyse toont de graduele verschillen in de inkomens voor de diverse aspecten. De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen. In alle functieniveaus zijn er meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. De genderverschillen zijn het grootst in de lagere inkomensgroepen. De verschillen naar leeftijd zijn groot maar kleiner dan naar functieniveau. Bij mannen zijn er meer jongeren met een lager inkomen, bij vrouwen meer jongeren met een hoger inkomen. De genderverschillen zijn het grootst bij de 40- tot 49-jarigen. De verdelingen naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar tonen significante verschillen, maar de genderverschillen binnen de subgroepen zijn relatief klein. Algemeen gezien zijn de genderverschillen voor het totaal bruto salaris per maand groter dan die voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur. Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Bij de verdelingen naar functieniveau valt op dat er een grotere groep mannen in niveau A in de hoogste inkomenscategorie vallen dan mannen in niveau A+. De inkomenscurve van jonge vrouwen ligt meer rechts dan die van jonge mannen, met meer hogere inkomens. Is dat een indicatie voor meer recente wijzigingen in het personeelsbestand en zijn jonge vrouwen aan een 'inhaalbeweging' bezig? De verdelingen naar dienstanciënniteit tonen dat genderverschillen licht toenemen met stijgende dienstanciënniteit. Dit is deels te verklaren doordat vrouwen meer deeltijds werken en minder doorgroeien naar hogere functieniveaus.
85
1. Totaal bruto salaris per maand Functieniveau %
TBSM euro Mannen Functieniveau A+
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000 -< 10.000 10.000 en meer Totaal
0,0 0,2 0,3 0,6 6,0 17,8 25,4 27,3 15,3 7,0 100
A 0,7 1,5 6,0 20,5 27,7 25,4 5,7 2,4 0,6 9,5 100
B 2,1 9,9 38,4 36,7 12,2 0,8 0,0 0,0 0,0 0,0 100
C 2,0 15,2 45,8 28,8 6,0 1,2 0,9 0,1 0,1 0,0 100
D 3,0 25,0 42,0 22,0 6,2 1,6 0,3 0,0 0,0 0,0 100
% Vrouwen A+ A 0,0 0,3 0,0 3,6 0,7 14,1 2,0 34,8 11,1 28,7 26,0 15,4 25,1 2,2 21,1 0,5 9,9 0,1 3,9 0,3 100 100
Tot N 162 1,6 10,1 1.012 27,4 2.757 24,8 2.493 14,1 1.419 9,8 986 4,2 420 316 3,1 155 1,5 3,4 345 100 10.065
B 5,3 27,8 42,6 19,4 4,6 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 100
C 3,6 28,5 48,4 17,5 1,9 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
D 17,7 54,6 23,0 4,4 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
Tot 4,3 22,1 32,8 20,9 10,3 5,5 2,0 1,3 0,6 0,3 100
N 529 2.734 4.050 2.587 1.269 674 242 160 73 37 12.355
%-punt Genderverschil M - V A+ A B 0,0 0,4 -3,2 0,2 -2,1 -17,9 -0,4 -8,1 -4,2 -1,4 -14,3 17,3 -5,1 -1,0 7,6 -8,2 10,0 0,6 0,3 3,5 0,0 6,2 1,9 0,0 5,4 0,5 0,0 3,1 9,2 0,0
C -1,6 -13,3 -2,6 11,3 4,1 1,2 0,9 0,1 0,1 0,0
D -14,7 -29,6 19,0 17,6 6,0 1,6 0,3 0,0 0,0 0,0
Tot -2,7 -12,0 -5,4 3,9 3,8 4,3 2,2 1,8 0,9 3,1
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
50
60
40
50
Genderverschil M - V 40 20
40
30
30
20
0
20
10
10
0
0
A+
A
B
C
D
-20 -40
A+
A
B
C
D
A+
A
B
De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen, met de curves van niveau A+ helemaal rechts, de curve van niveau A in het midden en de curven van niveaus B, C en D helemaal links, elkaar grotendeels overlappend. De curven van vrouwen liggen voor alle niveaus meer naar links dan bij mannen: meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. Het valt op dat 9,5% van de mannen met functieniveau A een maandsalaris boven 10.000 euro heeft, tegenover 7,0% bij mannen met niveau A+. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor niveau C en D, in de inkomens tot 4.000 euro per maand. Voor niveau A zijn de verschillen het grootst bij inkomens tussen 4.000 en 7.000 euro en voor niveau A+ tussen 6.000 en 9.000 euro.
86
C
D
Leeftijd % Mannen Leeftijd 18-39 40-49 <2.000 4,1 0,9 2.000 -< 3.000 20,5 6,9 3.000 -< 4.000 37,5 28,0 4.000 -< 5.000 24,9 22,6 5.000 -< 6.000 8,5 17,8 6.000 -< 7.000 2,4 12,6 7.000 -< 8.000 0,6 4,3 8.000 -< 9.000 0,3 2,4 9.000 -< 10.000 0,4 0,9 10.000 en meer 0,8 3,5 Totaal 100 100
TBSM euro
50+ 0,7 6,2 20,9 26,3 14,6 12,1 6,2 5,4 2,7 4,9 100
Tot N 162 1,6 10,1 1.012 27,4 2.757 24,8 2.493 14,1 1.419 9,8 986 4,2 420 316 3,1 155 1,5 3,4 345 100 10.065
% Vrouwen 18-39 40-49 1,6 6,4 10,1 33,4 27,4 35,6 24,8 18,1 14,1 4,9 9,8 1,4 4,2 0,2 3,1 0,0 1,5 0,0 3,4 0,0 100 100
50+ 2,9 17,3 31,3 21,2 15,3 7,9 2,1 1,3 0,4 0,2 100
Tot 3,7 16,3 31,6 23,3 10,4 6,9 3,4 2,5 1,3 0,6 100
%-punt Genderverschil M - V 18-39 40-49 50+ 2,5 -5,5 -2,2 10,4 -26,5 -11,1 10,1 -7,6 -10,4 0,1 4,5 5,1 -5,6 12,9 -0,7 -7,4 11,2 4,2 -3,6 4,1 4,1 -2,8 2,4 4,1 -1,1 0,9 2,3 -2,6 3,5 4,7
N 529 2.734 4.050 2.587 1.269 674 242 160 73 37 12.355
Tot -2,1 -6,2 -4,2 1,5 3,7 2,9 0,8 0,6 0,2 2,8
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
18-39
40-49
50+
Genderverschil M - V 30 20 10 0 -10 -20 -30
18-39
40-49
50+
18-39
40-49
De verschillen naar leeftijd zijn beduidend maar niet zo groot als voor het functieniveau. Bij mannen ligt de curve van jongeren helemaal links, bij vrouwen ligt die het meest naar rechts, dus met hogere inkomens. Bij vrouwen ligt de curve van de 40 tot 49-jarigen het meest links, met lagere inkomens. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst bij de 40- tot 49-jarigen, voor de inkomens tussen 3.000 en 7.000 euro per maand. Voor de jongeren en de 50-plussers zijn de verschillen kleiner.
87
50+
Dienstanciënniteit % Mannen Anciënniteit 0-10 10-20 <2.000 3,6 0,5 2.000 -< 3.000 17,7 7,1 3.000 -< 4.000 33,9 28,6 4.000 -< 5.000 23,9 22,3 5.000 -< 6.000 10,3 18,5 6.000 -< 7.000 4,4 11,9 7.000 -< 8.000 1,8 3,8 8.000 -< 9.000 1,7 2,5 9.000 -< 10.000 0,6 0,7 10.000 en meer 2,0 4,1 Totaal 100 100
TBSM euro
>20 0,2 3,4 18,0 28,3 14,5 14,5 7,5 5,6 3,5 4,5 100
Tot N 162 1,6 10,1 1.012 27,4 2.757 24,8 2.493 14,1 1.419 9,8 986 4,2 420 316 3,1 155 1,5 3,4 345 100 10.065
% Vrouwen 0-10 10-20 6,8 2,4 29,7 18,1 34,2 31,4 18,9 20,3 6,6 15,7 2,2 8,0 0,8 2,1 0,4 1,3 0,1 0,3 0,2 0,4 100 100
>20 1,1 11,1 31,5 25,9 11,7 9,3 4,1 3,0 1,9 0,5 100
Tot 4,3 22,1 32,8 20,9 10,3 5,5 2,0 1,3 0,6 0,3 100
%-punt Genderverschil M - V 0-10 10-20 >20 -3,2 -1,9 -0,9 -12,0 -11,0 -7,7 -0,3 -2,8 -13,5 5,0 2,0 2,4 3,7 2,8 2,8 2,2 3,9 5,2 1,0 1,7 3,4 1,3 1,2 2,6 0,5 0,4 1,6 1,8 3,7 4,0
N 529 2.734 4.050 2.587 1.269 674 242 160 73 37 12.355
Tot -2,7 -12,0 -5,4 3,9 3,8 4,3 2,2 1,8 0,9 3,1
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
Genderverschil M - V
40
40
20
30
30
10
20
20
10
10
0
0
0-10
10-20
>20
0 -10 -20
0-10
10-20
>20
0-10
10-20
De verschillen naar dienstanciënniteit zijn kleiner dan voor leeftijd en functieniveau. De curven van mannen en vrouwen met maximaal 10 jaar dienst ligt helemaal links, de curve van mannen en vrouwen met meer dan 20 jaar dienst ligt het meest rechts.
De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 3.000 en 4.000 euro per maand. Voor de inkomensgroepen vanaf 4.000 euro zijn de verschillen veel kleiner.
88
>20
Beroepsstatuut % Mannen Statuut Stat Cont <2.000 0,3 6,5 2.000 -< 3.000 6,3 24,6 3.000 -< 4.000 26,9 29,3 4.000 -< 5.000 25,4 22,3 5.000 -< 6.000 14,5 12,5 6.000 -< 7.000 11,6 2,6 7.000 -< 8.000 5,0 1,1 8.000 -< 9.000 3,8 0,5 9.000 -< 10.000 1,9 0,3 10.000 en meer 4,2 0,2 Totaal 100 100
TBSM euro
Tot N 162 1,6 10,1 1.012 27,4 2.757 24,8 2.493 14,1 1.419 9,8 986 4,2 420 316 3,1 155 1,5 3,4 345 100 10.065
% Vrouwen Stat Cont 1,2 11,8 14,9 39,8 34,3 28,9 24,2 12,9 12,4 5,0 7,3 1,0 2,6 0,4 1,8 0,1 0,8 0,1 0,4 0,0 100 100
Tot 4,3 22,1 32,8 20,9 10,3 5,5 2,0 1,3 0,6 0,3 100
%-punt Genderverschil M - V Stat Cont Tot -0,9 -5,3 -2,7 -8,6 -15,2 -12,0 -7,4 0,4 -5,4 1,2 9,4 3,9 2,1 7,5 3,8 4,3 1,6 4,3 2,4 0,7 2,2 2,0 0,4 1,8 1,1 0,2 0,9 3,8 0,2 3,1
N 529 2.734 4.050 2.587 1.269 674 242 160 73 37 12.355
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro Stat = statutair / Cont = contractueel
Mannen
Vrouwen
Genderverschil M - V
50
50
20
40
40
10
30
30
0
20
20
-10
10
10
-20
0
0
Stat
Cont
Stat
Cont
Stat
Cont
De verschillen naar beroepsstatuut zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van contractuelen ligt bij beide groepen duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij de statutaire medewerkers.
De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 3.000 en 5.000 euro per maand, met een hoger aandeel vrouwen. Voor de inkomens van 4.000 tot 10.000 euro zijn de verschillen beperkt.
89
Werkdagen VTE per jaar % Mannen Werkdagen <200 >200 <2.000 3,5 0,4 2.000 -< 3.000 18,8 4,7 3.000 -< 4.000 30,2 25,7 4.000 -< 5.000 19,9 27,7 5.000 -< 6.000 11,5 15,7 6.000 -< 7.000 5,5 12,4 7.000 -< 8.000 1,8 5,6 8.000 -< 9.000 1,3 4,2 9.000 -< 10.000 0,6 2,1 10.000 en meer 6,9 1,3 Totaal 100 100
TBSM euro
Tot N 162 1,6 10,1 1.012 27,4 2.757 24,8 2.493 14,1 1.419 9,8 986 4,2 420 316 3,1 155 1,5 3,4 345 100 10.065
% Vrouwen <200 >200 7,2 0,0 31,2 9,0 32,6 33,1 17,5 25,9 7,4 14,5 2,6 9,5 0,7 3,7 0,4 2,6 0,1 1,2 0,1 0,6 100 100
Tot 4,3 22,1 32,8 20,9 10,3 5,5 2,0 1,3 0,6 0,3 100
%-punt Genderverschil M - V <200 >200 Tot -3,7 0,4 -2,7 -12,4 -4,3 -12,0 -2,4 -7,4 -5,4 2,4 1,8 3,9 4,1 1,2 3,8 2,9 2,9 4,3 1,1 1,9 2,2 0,9 1,6 1,8 0,5 0,9 0,9 6,8 0,7 3,1
N 529 2.734 4.050 2.587 1.269 674 242 160 73 37 12.355
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro <200 = 100-200
Mannen
Vrouwen
35 30 25 20 15 10 5 0
Genderverschil M - V
35 30 25 20 15 10 5 0
<200
>200
20 10 0 -10 -20
<200
>200
<200
>200
De verschillen naar aantal gepresteerde VTE-werkdagen per jaar zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van medewerkers met minder dan 200 werkdagen ligt logischerwijs meer links, dus met meer lagere inkomens dan bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 3.000 en 4.000 euro per maand, met een hoger aandeel vrouwen. Voor de inkomens van 5.000 tot 10.000 euro zijn de verschillen beperkt.
90
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Functieniveau % TBSW euro Mannen Functieniveau A+
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 -<90 90 -<100 100 en meer Totaal
0,0 0,0 0,4 10,9 33,1 35,1 13,4 2,9 2,8 1,3 100
A 0,4 4,0 25,5 39,4 17,0 3,4 0,7 0,8 0,3 8,4 100
B 1,1 36,9 47,7 12,7 1,5 0,0 0,1 0,0 0,0 0,0 100
C 3,2 47,8 38,7 7,3 2,4 0,5 0,2 0,1 0,0 0,0 100
D 4,3 53,6 33,6 7,1 1,2 0,2 0,1 0,0 0,0 0,0 100
% Vrouwen A+ A 0,0 0,0 0,0 5,4 0,7 31,6 17,1 46,9 39,2 13,3 28,2 2,0 10,5 0,5 2,2 0,1 1,0 0,1 1,0 0,2 100 100
Tot N 172 1,7 28,7 2.887 32,9 3.305 18,5 1.855 9,0 905 4,3 429 149 1,5 52 0,5 33 0,3 2,6 260 100 10.047
B 1,4 50,7 38,7 8,6 0,5 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100
C 3,3 54,0 38,4 3,4 0,7 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100
D 10,5 73,2 15,4 0,9 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
Tot 2,0 38,6 33,0 17,3 5,9 2,1 0,7 0,1 0,1 0,1 100
N 246 4.766 4.083 2.134 732 264 90 18 9 13 12.355
%-punt Genderverschil M - V A+ A B 0,0 0,4 -0,3 0,0 -1,4 -13,8 -0,3 -6,1 9,0 -6,2 -7,5 4,1 -6,1 3,7 1,0 6,9 1,4 -0,1 2,9 0,2 0,1 0,7 0,7 0,0 1,8 0,2 0,0 0,3 8,2 0,0
C -0,1 -6,2 0,3 3,9 1,7 0,4 0,2 0,1 0,0 0,0
D -6,2 -19,6 18,2 6,2 1,1 0,2 0,1 0,0 0,0 0,0
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
Genderverschil M - V
80
80
20
60
60
10
40
40
20
20
0
0
0
-10 -20
A+
A
B
C
D
A+
A
B
C
D
A+
A
B
C
De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen, met de curves van niveau A+ helemaal rechts, de curve van niveau A in het midden en de curven van niveaus B, C en D helemaal links, elkaar grotendeels overlappend. De curven van vrouwen liggen voor alle niveaus meer links dan bij mannen: meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. Ook hier valt op dat 8,4% van de mannen met functieniveau A een salaris boven 100 euro per uur heeft, tegenover 1,3% bij mannen van niveau A+. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor niveau D, bij de inkomens tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Voor niveau A zijn de verschillen het grootst bij inkomens tussen 30 en 50 euro en van meer dan 100 euro en voor niveau A+ bij inkomens tussen 60 en 80 euro per uur. 91
D
Tot -0,3 -9,9 -0,1 1,2 3,1 2,2 0,8 0,4 0,2 2,5
Leeftijd
TBSW euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 -<90 90 -<100 100 en meer Totaal
% Mannen Leeftijd 18-39 40-49 4,8 0,6 50,4 27,3 32,6 32,1 9,0 22,1 1,6 10,5 0,3 3,3 0,0 0,7 0,4 0,4 0,1 0,2 0,9 2,8 100 100
50+ 0,7 16,9 33,7 21,4 12,3 7,4 2,9 0,7 0,5 3,4 100
Tot N 172 1,7 28,7 2.887 32,9 3.305 18,5 1.855 9,0 905 4,3 429 149 1,5 52 0,5 33 0,3 2,6 260 100 10.047
% Vrouwen 18-39 40-49 1,7 4,2 28,7 57,5 32,9 27,6 18,5 8,5 9,0 1,6 4,3 0,4 1,5 0,2 0,5 0,0 0,3 0,0 2,6 0,0 100 100
50+ 0,8 33,1 31,8 24,0 7,7 1,9 0,4 0,0 0,1 0,1 100
Tot 1,0 26,4 39,2 19,0 8,2 4,0 1,5 0,4 0,1 0,2 100
%-punt Genderverschil M - V 18-39 40-49 50+ 3,1 -3,6 -0,1 21,7 -30,2 -16,2 -0,3 4,5 1,9 -9,5 13,6 -2,6 -7,4 8,9 4,6 -4,0 2,9 5,5 -1,5 0,5 2,5 -0,1 0,4 0,7 -0,2 0,2 0,4 -1,7 2,8 3,3
N 246 4.766 4.083 2.134 732 264 90 18 9 13 12.355
Tot 0,7 2,3 -6,3 -0,5 0,8 0,3 0,0 0,1 0,2 2,4
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
60
Genderverschil M - V
70 60 50 40 30 20 10 0
50 40 30 20 10 0
18-39
40-49
50+
30 20 10 0 -10 -20 -30
18-39
40-49
50+
18-39
40-49
De verschillen naar leeftijd zijn beduidend maar niet zo groot als voor het functieniveau. Bij mannen ligt de curve van jongeren helemaal links, bij vrouwen ligt die het meest naar rechts, dus met hogere inkomens. Bij vrouwen ligt de curve van de 40 tot 49-jarigen het meest links, met lagere inkomens. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst bij de groepen van 18 tot 39 jaar en 40 tot 49 jaar, voor de inkomens tussen 20 en 50 euro per gepresteerd werkuur. Voor de 50-plussers zijn de verschillen kleiner.
92
50+
Dienstanciënniteit % Mannen Anciënniteit 0-10 10-20 10 -<20 4,3 0,2 20 -<30 42,9 27,6 30 -<40 32,0 31,3 40 -<50 12,2 23,2 50 -<60 3,9 9,5 60 -<70 1,8 3,7 70 -<80 0,6 0,7 80 -<90 0,6 0,3 90 -<100 0,4 0,3 100 en meer 1,3 3,3 Totaal 100 100
TBSW euro
>20 0,0 12,0 35,6 21,7 14,9 8,0 3,4 0,6 0,4 3,4 100
Tot N 172 1,7 28,7 2.887 32,9 3.305 18,5 1.855 9,0 905 4,3 429 149 1,5 52 0,5 33 0,3 2,6 260 100 10.047
% Vrouwen 0-10 10-20 3,9 0,2 51,0 34,7 30,7 27,6 10,1 27,0 2,9 7,5 0,8 2,0 0,3 0,5 0,0 0,2 0,0 0,1 0,0 0,1 100 100
>20 0,0 17,2 43,9 21,1 10,3 5,0 1,8 0,2 0,1 0,2 100
Tot 2,0 38,6 33,0 17,3 5,9 2,1 0,7 0,1 0,1 0,1 100
%-punt Genderverschil 0-10 10-20 0,4 0,0 -8,1 -7,1 1,3 3,7 2,1 -3,8 1,0 2,0 1,0 1,7 0,3 0,2 0,6 0,1 0,4 0,2 1,3 3,2
N 246 4.766 4.083 2.134 732 264 90 18 9 13 12.355
M-V >20 0,0 -5,2 -8,3 0,6 4,6 3,0 1,6 0,4 0,3 3,2
Tot -0,3 -9,9 -0,1 1,2 3,1 2,2 0,8 0,4 0,2 2,5
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
50
60
40
50
Genderverschil M - V 20 10
40
30
0
30
20
20
-10
10
10
-20
0
0
0-10
10-20
>20
0-10
10-20
>20
0-10
10-20
De verschillen naar dienstanciënniteit zijn relatief gezien kleiner maar nog beteknisvol. De curven van mannen en vrouwen met maximaal 10 jaar dienst ligt helemaal links, de curve van mannen en vrouwen met meer dan 20 jaar dienst ligt het meest rechts.
De genderverschillen in de verdeling zijn algemeen gezien vrij klein. Bij werknemers tot 20 jaar dienst is het verschil groter voor inkomens van 20-30 euro per gepresteerd uur, bij werknemers met meer dan 20 jaar dienst is het verschil groter voor inkomens van 30 tot 50 euro per werkuur.
93
>20
Beroepsstatuut
TBSW euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 -<90 90 -<100 100 en meer Totaal
% Mannen Statuut Stat Cont 0,2 7,6 24,6 45,0 34,0 28,5 19,4 15,0 10,6 2,6 5,2 0,7 1,8 0,4 0,6 0,0 0,4 0,1 3,2 0,0 100 100
Tot N 172 1,7 28,7 2.887 32,9 3.305 18,5 1.855 9,0 905 4,3 429 149 1,5 52 0,5 33 0,3 2,6 260 100 10.047
% Vrouwen Stat Cont 0,2 6,3 29,0 62,1 37,9 21,1 20,7 8,8 7,8 1,3 2,9 0,3 1,0 0,1 0,2 0,0 0,1 0,0 0,1 0,0 100 100
Tot 2,0 38,6 33,0 17,3 5,9 2,1 0,7 0,1 0,1 0,1 100
%-punt Genderverschil Stat Cont 0,0 1,3 -4,4 -17,1 -3,9 7,4 -1,3 6,2 2,8 1,3 2,3 0,4 0,8 0,3 0,4 0,0 0,3 0,1 3,1 0,0
N 246 4.766 4.083 2.134 732 264 90 18 9 13 12.355
M-V Tot -0,3 -9,9 -0,1 1,2 3,1 2,2 0,8 0,4 0,2 2,5
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro Stat = statutair / Cont = contractueel
Mannen 50
Vrouwen
Genderverschil M - V
70 60 50 40 30 20 10 0
40 30 20 10
0
Stat
Cont
20 10 0 -10
-20
Stat
Cont
Stat
Cont
De verschillen naar beroepsstatuut zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van contractuelen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij de statutaire medewerkers.
De genderverschillen in de verdeling zijn klein voor de inkomens van 50 tot 100 euro per gepresteerd werkuur. Bij contractuelen zijn de verschillen groter voor inkomens van 20 tot 40 euro per werkuur.
94
Werkdagen VTE per jaar % Mannen Werkdagen <200 >200 10 -<20 2,2 1,4 20 -<30 28,1 29,1 30 -<40 32,0 33,5 40 -<50 18,3 18,5 50 -<60 7,8 9,7 60 -<70 3,0 5,1 70 -<80 1,2 1,7 80 -<90 0,7 0,4 90 -<100 0,2 0,4 100 en meer 6,6 0,1 Totaal 100 100
TBSW euro
Tot N 172 1,7 28,7 2.887 32,9 3.305 18,5 1.855 9,0 905 4,3 429 149 1,5 52 0,5 33 0,3 2,6 260 100 10.047
% Vrouwen <200 >200 2,1 1,8 38,0 39,4 34,2 31,3 17,7 16,6 5,6 6,5 1,5 3,1 0,6 1,0 0,1 0,2 0,0 0,1 0,1 0,1 100 100
Tot 2,0 38,6 33,0 17,3 5,9 2,1 0,7 0,1 0,1 0,1 100
%-punt Genderverschil <200 >200 0,1 -0,4 -9,9 -10,3 -2,2 2,2 0,6 1,9 2,2 3,2 1,5 2,0 0,6 0,7 0,6 0,2 0,2 0,3 6,5 0,0
N 246 4.766 4.083 2.134 732 264 90 18 9 13 12.355
M-V Tot -0,3 -9,9 -0,1 1,2 3,1 2,2 0,8 0,4 0,2 2,5
M - V = Mannen - Vrouwen
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
<200 = 100-200
Mannen
Vrouwen
40 30 20
Genderverschil M - V
50
20
40
10
30
0
20
10
-10
10
0
-20
0
<200
>200
<200
>200
<200
>200
De verschillen naar aantal VTE-werkdagen per jaar zijn zeer klein bij mannen en beperkt bij vrouwen. Dat is logisch aangezien het effect van het aantal werkdagen hier is geneutraliseerd. Bij vrouwen ligt de curve van medewerkers met minder dan 200 werkdagen zelfs iets meer naar rechts, dus met iets meer hogere inkomens per werkuur dan bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen. De genderverschillen in de verdeling zijn klein voor de inkomens van 50 tot 100 euro per gepresteerd werkuur. Voor inkomens van 2030 euro en 100 euro en meer per werkuur zijn de verschillen iets groter.
95
5 Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en beleidsdomein (%) Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk geeft de procentuele verdeling van de werknemers naar totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), gender en het beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid. Eerst wordt een overzicht gegeven van alle beleidsdomeinen samen. Daarna worden de genderverschillen afzonderlijk getoond voor de 10 beleidsdomeinen in 2021 (de entiteiten die aangesloten zijn bij Vlimpers). Het totaal bruto salaris per maand wordt hier ook weergegeven in klassen van 1.000 euro en het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in klassen van 10 euro. De 10 beleidsdomeinen zijn: Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken; Financiën en Begroting; Economie Wetenschap en Innovatie; Onderwijs en Vorming; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Cultuur, Jeugd, Sport en Media; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij; Omgeving; Mobiliteit en Openbare Werken. Er zijn vrij grote verschillen in de inkomensverdeling tussen de beleidsdomeinen. Bij mannen zijn die groter dan bij vrouwen. Voor het totaal bruto salaris per maand zijn er grote genderverschillen in de volgende beleidsdomeinen: Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij; Mobiliteit en Openbare Werken. Voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen algemeen kleiner. Ze blijven groot in enkele beleidsdomeinen: Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Mobiliteit en Openbare Werken. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt het genderverschil in grote mate bepaald door de groep mannen ouder dan 40 jaar in niveau A met een zeer hoog salaris. Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Vaak situeren de grootste genderverschillen zich rond de inkomensgroep van 2.000 tot 3.000 euro. Dat kan indirect wijzen op sterk gendergebonden functies binnen de Vlaamse overheid die vooral door vrouwen worden uitgevoerd. Ook binnen beleidsdomeinen vallen bepaalde verschillen op, zoals een grotere groep mannen in de laagste inkomensgroep bij Cultuur, Jeugd, Sport en Media of de genderverschillen bij Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken. Krijgen we hier opnieuw indirect zicht op specifieke functies die verschillend verloond worden en waar de gendersamenstelling niet evenwichtig is? In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare werken wordt het genderverschil in grote mate bepaald door een specifieke subgroep mannen 40-plussers in niveau A met een zeer hoog salaris. In de overige entiteiten van dat beleidsdomein zijn de genderverschillen veeleer klein. Bijgevolg rijst de vraag of die specifieke situatie mogelijks een uitdovend fenomeen is in de toekomst.
96
1. Totaal bruto salaris per maand Alle beleidsdomeinen samen Mannen
% <2.000 -<3.000 -<4.000 -<5.000 -<6.000 -<7.000 -<8.000 -<9.000-<10.00010.000+
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
Vrouwen N
% <2.000 -<3.000 -<4.000 -<5.000 -<6.000 -<7.000 -<8.000 -<9.000-<10.00010.000+
9,8 12,8 15,4 9,0 11,9 22,9 11,7 5,4 11,0 5,8 10,1
20,4 33,5 17,5 28,2 31,4 28,7 24,5 20,6 25,6 31,0 27,4
20,1 23,3 15,4 27,9 24,5 16,8 30,6 24,6 22,0 27,4 24,8
14,6 9,3 13,6 13,6 16,1 8,2 20,7 12,6 13,0 12,9 14,1
15,0 7,7 10,1 12,5 7,3 8,0 7,2 14,9 15,0 6,7 9,8
6,1 4,7 12,2 1,6 2,6 2,5 2,1 11,2 5,7 3,1 4,2
7,3 6,5 5,6 4,0 2,2 3,6 0,7 5,2 4,0 1,7 3,1
2,7 0,9 7,7 1,6 1,7 0,4 0,5 3,2 1,6 1,1 1,5
2,3 855 0,7 430 1,0 286 376 1,3 0,8 1.057 477 0,8 0,1 1.338 0,6 349 0,6 1.919 9,6 2.978 3,4 10.065
5,6 1,9 1,7 1,9 5,5 3,8 6,2 2,7 1,7 2,1 4,3
22,0 18,1 11,1 14,5 29,7 25,6 25,6 13,8 12,8 15,9 22,1
26,9 34,7 24,0 34,4 36,0 31,4 35,1 28,6 28,1 33,7 32,8
21,1 24,0 25,4 25,2 17,2 20,1 20,5 22,4 24,1 22,4 20,9
10,6 11,3 14,3 12,1 7,1 8,1 8,1 11,6 16,2 13,8 10,3
7,6 4,6 10,1 6,5 2,4 7,2 3,3 9,5 10,3 6,8 5,5
3,2 2,2 4,9 2,2 0,9 2,5 0,7 4,3 4,0 1,8 2,0
1,7 2,6 4,9 1,7 0,7 0,9 0,4 5,7 1,5 1,6 1,3
0,6 0,6 2,8 1,2 0,5 0,0 0,0 1,1 1,0 1,0 0,6
0,6 0,0 0,7 0,5 0,2 0,2 0,1 0,3 0,2 0,9 0,3
1.240 626 287 588 3.093 442 3.019 370 1.720 970 12.355
161
1.017
2.758
2.496
1.419
986
423
312
151
342 10.065
531
2.730
4.052
2.582
1.273
680
247
161
74
37
12.355
Mannen
Vrouwen
40
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken
40
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken
35
Financiën en Begroting
35
Financiën en Begroting
30
Economie, Wetenschap en Innovatie
30
Economie, Wetenschap en Innovatie
25
Onderwijs en Vorming
25
Onderwijs en Vorming
20
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
20
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
15
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
15
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
10
Werk en Sociale Economie
10
Werk en Sociale Economie
5 0
N
1,8 0,7 1,4 0,3 1,6 8,2 1,8 1,7 1,6 0,8 1,6
Landbouw en Visserij
5
Omgeving
0
Landbouw en Visserij Omgeving
Mobiliteit en Openbare Werken
Mobiliteit en Openbare Werken
Totaal
Totaal
Bij mannen zijn de verschillen tussen de diverse beleidsdomeinen veel groter dan bij vrouwen. In alle beleidsdomeinen zijn er meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 5.000 euro. Bij mannen valt voor het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, Media het hogere percentage op bij de inkomens tot 3.000 euro. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het aandeel mannen in de groep 5.000-6.000 euro hoger. Bij Economie Wetenschap en Innovatie zijn er meer mannen met een maandsalaris van 8.000 tot 9.000 euro. Bij mannen valt het hoge percentage met meer dan 10.000 euro per maand op in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Het betreft 40- en vooral 50-plussers met zeer hoge inkomens in niveau A, in 1 entiteit.
97
Per beleidsdomein Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000 -< 10.000 10.000 en meer Totaal N
%
M 1,8 9,8 20,4 20,1 14,6 15,0 6,1 7,3 2,7 2,3
V 5,6 22,0 26,9 21,1 10,6 7,6 3,2 1,7 0,6 0,6
855
1240 2095
100
100
Tot 4,1 17,0 24,2 20,7 12,2 10,6 4,4 4,0 1,5 1,3
N
85 357 507 434 256 222 92 83 31 28
100 2095
%-punt
M-V -3,8 -12,2 -6,5 -1,0 4,0 7,4 2,9 5,6 2,1 1,7
30
20
25
10
20
0
15
-10
10
-20
5 0
M
M - V = Mannen - Vrouwen TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn vrij groot: veel meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 4.000 euro.
Financiën en Begroting TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000+ Totaal N
%
M 0,7 12,8 33,5 23,3 9,3 7,7 4,7 6,5 1,6
100
430
V 1,9 18,1 34,7 24,0 11,3 4,6 2,2 2,6 0,6
Tot 1,4 15,9 34,2 23,7 10,5 5,9 3,2 4,2 1,1
N 15 168 361 250 111 62 34 44 11 100 100 1056 626 1056
%-punt
M-V -1,2 -5,3 -1,2 -0,7 -2,0 3,1 2,5 3,9 1,0
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn hier klein. Bij de inkomens van 2.000 tot 3.000 euro per maand is het verschil het grootst.
98
M-V
Economie, Wetenschap en Innovatie TBSM euro
%
%-punt
M 1,4 15,4 17,5 15,4 13,6 10,1 12,2 5,6 8,7
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000+ Totaal N
V Tot 1,7 1,6 11,1 13,3 24,0 20,8 25,4 20,4 14,3 14,0 10,1 10,1 4,9 8,6 4,9 5,2 3,5 6,1
100
100
100
286
287
573
N 9 76 119 117 80 58 49 30 35 573
M-V -0,3 4,3 -6,5 -10,0 -0,7 0,0 7,3 0,7 5,2
30
20
25
10
20
0
15
-10
10
-20
5 0
M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
De genderverschillen zijn weer groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 4.000 tot 6.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 7.000 euro.
Onderwijs en Vorming TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000 -< 10.000 10.000 en meer Totaal N
%
%-punt
M 0,3 9,0 28,2 27,9 13,6 12,5 1,6 4,0 1,6 1,3
V 1,9 14,5 34,4 25,2 12,1 6,5 2,2 1,7 1,2 0,5
Tot 1,2 12,3 32,0 26,2 12,7 8,8 2,0 2,6 1,3 0,8
100
100
100
376
588
964
N 12 119 308 253 122 85 19 25 13 8 964
M-V -1,6 -5,5 -6,2 2,7 1,5 6,0 -0,6 2,3 0,4 0,8
40
20 10
30
0
20
-10
10
-20
0
M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en iets meer mannen met 4.000 tot 7.000 euro.
99
M-V
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000+ Totaal N
%
%-punt
M 1,6 11,9 31,4 24,5 16,1 7,3 2,6 2,2 2,5
V 5,5 29,7 36,0 17,2 7,1 2,4 0,9 0,7 0,7
Tot N 4,5 186 25,2 1044 34,8 1444 19,1 791 9,4 389 3,6 151 1,3 54 1,1 45 1,1 46 100 100 100 4150 1057 3093 4150
M-V -3,9 -17,8 -4,6 7,3 9,0 4,9 1,7 1,5 1,8
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
De genderverschillen zijn hier iets groter, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.
Cultuur, Jeugd, Sport en Media TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000+ Totaal N
%
%-punt
M 8,2 22,9 28,7 16,8 8,2 8,0 2,5 3,6 1,2
V Tot 3,8 6,1 25,6 24,2 31,4 30,0 20,1 18,4 8,1 8,2 7,2 7,6 2,5 2,5 0,9 2,3 0,2 0,7
100
100
100
477
442
919
N 56 222 276 169 75 70 23 21 7 919
M-V 4,4 -2,7 -2,7 -3,3 0,1 0,8 0,0 2,7 1,0
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
De genderverschillen zijn klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 6.000 euro per maand. Wel valt het hoge percentage mannen op in de groep tot 2.000 euro.
100
M-V
Werk en Sociale Economie TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000+ Totaal N
%
%-punt
M 1,8 11,7 24,5 30,6 20,7 7,2 2,1 1,3
V 6,2 25,6 35,1 20,5 8,1 3,3 0,7 0,5
Tot N 4,8 210 21,4 931 31,9 1389 23,6 1029 12,0 521 4,5 195 50 1,1 32 0,8 100 100 100 4357 1338 3019 4357
M-V -4,4 -13,9 -10,6 10,1 12,6 3,9 1,4 0,8
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 8.000-9.000, 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >8.000
V
M-V
De genderverschillen zijn in dit beleidsdomein groot, met veel meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.
Landbouw en Visserij TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000+ Totaal N
%
%-punt
M 1,7 5,4 20,6 24,6 12,6 14,9 11,2 5,2 3,8
V 2,7 13,8 28,6 22,4 11,6 9,5 4,3 5,7 1,4
Tot 2,2 9,7 24,8 23,5 12,1 12,1 7,6 5,4 2,5
N 16 70 178 169 87 87 55 39 18
100
100
100
719
349
370
719
M-V -1,0 -8,4 -8,0 2,2 1,0 5,4 6,9 -0,5 2,4
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn hier matig: meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 8.000 euro.
101
M-V
Omgeving TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000 -< 10.000 10.000 en meer Totaal N
%
%-punt
M 1,6 11,0 25,6 22,0 13,0 15,0 5,7 4,0 1,6 0,6 100
1919
V 1,7 12,8 28,1 24,1 16,2 10,3 4,0 1,5 1,0 0,2
Tot 1,6 11,9 26,8 23,0 14,5 12,8 4,9 2,8 1,3 0,4
N 59 433 975 836 529 465 177 101 48 16 100 100 3639 1720 3639
M-V -0,1 -1,8 -2,5 -2,1 -3,2 4,7 1,7 2,5 0,6 0,4
30
20
25
10
20
0
15
-10
10
-20
5 0
M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn klein, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 6.000 euro per maand en meer mannen met 6.000 euro en meer.
Mobiliteit en Openbare Werken TBSM euro
<2.000 2.000 -< 3.000 3.000 -< 4.000 4.000 -< 5.000 5.000 -< 6.000 6.000 -< 7.000 7.000 -< 8.000 8.000 -< 9.000 9.000 -< 10.000 10.000 en meer Totaal N
%
%-punt
M 0,8 5,8 31,0 27,4 12,9 6,7 3,1 1,7 1,1 9,6 100
2978
V 2,1 15,9 33,7 22,4 13,8 6,8 1,8 1,6 1,0 0,9
Tot N 43 1,1 8,3 326 31,7 1250 26,1 1032 13,1 518 6,7 265 2,8 109 68 1,7 42 1,1 7,5 295 100 100 3948 970 3948
M-V -1,3 -10,1 -2,7 5,0 -0,9 -0,1 1,3 0,1 0,1 8,7
40
20 10
30
0
20
-10
10
-20
0
M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De verschillen zijn vrij klein tot 10.000 euro per maand, met meer vrouwen bij de inkomens van 2.000 tot 3.000 euro. Bij de groep met meer dan 10.000 euro per maand is het verschil hier opvallend groot. In deze groep zitten de 40-plussers van niveau A met zeer hoge inkomens, zoals vermeld in hoofdstuk 3. 102
M-V
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle beleidsdomeinen samen Mannen Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
Vrouwen
%
-<20
-<30
-<40
-<50
-<60
-<70
-<80
-<90 -<100
1,9 1,6 2,4 1,3 1,6 8,0 2,1 2,0 1,5 0,6 1,7
22,1 38,6 24,5 28,5 31,2 38,2 26,9 19,8 29,4 28,7 28,7
27,0 30,9 25,2 36,2 34,3 29,1 36,9 33,0 28,8 36,1 32,9
20,9 11,9 12,9 16,8 19,0 13,0 26,6 16,6 19,8 15,8 18,5
13,2 7,9 17,8 9,3 7,9 6,7 5,4 18,6 13,0 5,7 9,0
9,4 6,5 12,6 4,8 3,4 3,6 1,2 6,9 5,1 2,6 4,3
3,4 1,6 3,1 1,3 2,0 0,4 0,6 2,9 1,6 0,9 1,5
1,2 0,0 0,3 0,5 0,4 0,4 0,1 0,0 0,4 0,8 0,5
171
2.883
3.305
1.859
904
432
151
50
Mannen 45 40 35 30 25 20 15 10 5
0
100+
%
N
-<20
-<30
-<40
-<50
-<60
-<70
-<80
100+
N
0,7 0,5 0,3 1,1 0,1 0,6 0,1 0,3 0,3 0,2 0,3
0,2 855 0,5 430 0,7 286 376 0,3 0,1 1.057 477 0,0 0,0 1.338 0,0 349 0,1 1.919 8,4 2.978 2,6 10.065
3,1 1,0 1,4 0,9 2,2 3,8 2,1 2,4 1,2 1,4 2,0
37,7 34,5 21,3 32,3 46,2 39,1 44,1 30,5 25,1 36,5 38,6
29,8 38,5 34,5 36,2 33,9 31,7 35,0 26,2 30,7 29,9 33,0
16,7 14,4 20,2 20,7 12,8 17,4 15,1 19,2 26,7 20,2 17,3
7,5 7,7 11,5 6,0 2,8 5,7 2,8 13,8 12,0 7,2 5,9
3,4 3,4 8,0 1,5 1,2 1,1 0,8 6,8 2,9 2,9 2,1
1,0 0,3 2,8 1,7 0,7 0,5 0,1 0,8 1,2 0,7 0,7
-<90 -<100
0,6 0,2 0,0 0,2 0,1 0,7 0,0 0,0 0,1 0,2 0,1
0,0 0,0 0,3 0,2 0,0 0,0 0,0 0,3 0,2 0,2 0,1
0,2 0,2 0,0 0,3 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,7 0,1
1.240 626 287 588 3.093 442 3.019 370 1.720 970 12.355
30
261
247
4.769
4.077
2.137
729
259
86
12
12
12
Vrouwen 50
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken
45
Financiën en Begroting
40
Economie, Wetenschap en Innovatie
35
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie
30
Onderwijs en Vorming
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
25
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
20
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
Onderwijs en Vorming
15
Werk en Sociale Economie
10
Landbouw en Visserij
5
Omgeving
0
Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving
Mobiliteit en Openbare Werken
Mobiliteit en Openbare Werken
Totaal
Totaal
Bij mannen zijn de verschillen tussen de diverse beleidsdomeinen veel groter dan bij vrouwen. In alle beleidsdomeinen zijn er meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Bij mannen valt voor het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, Media het hogere percentage op in de inkomensgroepen tot 20 euro. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het aandeel mannen met 30 tot 50 euro hoger. In het domein Economie, Wetenschap en Innovatie zijn er meer mannen met 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur. Bij mannen valt het hoge percentage met meer dan 100 euro per gepresteerd werkuur op in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Het betreft 40- en vooral 50-plussers met zeer hoge inkomens in niveau A.
103
Per beleidsdomein Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
M V Tot 1,9 3,1 2,6 22,1 37,7 31,4 27,0 29,8 28,6 20,9 16,7 18,4 13,2 7,5 9,8 9,4 3,4 5,8 3,4 1,0 2,0 2,1 0,8 1,4 100 100 100 855 1240 2095
N
55 657 600 386 206 122 41 28 2095
%-punt
M-V -1,2 -15,6 -2,8 4,2 5,7 6,0 2,4 1,3
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn vrij groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 40 euro per uur en meer mannen met meer dan 40 euro per gepresteerd werkuur.
Financiën en Begroting TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
M 1,6 38,6 30,9 11,9 7,9 6,5 1,6 1,0 100 430
V Tot N 13 1,0 1,2 34,5 36,2 382 38,5 35,4 374 141 14,4 13,4 82 7,7 7,8 49 3,4 4,6 9 0,3 0,9 6 0,4 0,6 100 100 1056 626 1056
%-punt
M-V 0,6 4,1 -7,6 -2,5 0,2 3,1 1,3 0,6
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
50
20
40
10
30
0
20
-10
10
-20
0
M
V
De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn hier klein, met iets meer vrouwen bij de inkomensgroep van 30 tot 50 euro per gepresteerd werkuur en iets meer mannen met 60 euro en meer.
104
M-V
Economie, Wetenschap en Innovatie TBSM euro
%
%-punt
M 2,4 24,5 25,2 12,9 17,8 12,6 3,1 1,3 100 286
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
V 1,4 21,3 34,5 20,2 11,5 8,0 2,8 0,3 100 287
Tot 1,9 22,9 29,8 16,6 14,7 10,3 3,0 0,8 100 573
N 11 131 171 95 84 59 17 5 573
M-V 1,0 3,2 -9,3 -7,3 6,3 4,6 0,3 1,0
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn hier vrij groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 30 tot 50 euro per gepresteerd uur en meer mannen met 60 euro en meer per werkuur.
Onderwijs en Vorming TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
%-punt
M 1,3 28,5 36,2 16,8 9,3 4,8 1,3 1,9
V 0,9 32,3 36,2 20,7 6,0 1,5 1,7 0,7
Tot 1,0 30,8 36,2 19,2 7,3 2,8 1,6 1,1
100
100
100
376
588
964
N 10 297 349 185 70 27 15 11 964
M-V 0,4 -3,8 0,0 -3,9 3,3 3,3 -0,4 1,2
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
De genderverschillen zijn in dit domein klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per uur en iets meer mannen met 50 euro en meer per gepresteerd werkuur.
105
M-V
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
%-punt
M 1,6 31,2 34,3 19,0 7,9 3,4 2,0 0,6
V 2,2 46,2 33,9 12,8 2,8 1,2 0,7 0,1
Tot 2,0 42,4 34,0 14,4 4,1 1,8 1,0 0,1
N 84 1759 1413 598 169 74 43 10 100 100 100 4150 1057 3093 4150
M-V -0,6 -15,0 0,4 6,2 5,1 2,2 1,3 0,5
50
20
40
10
30
0
20
-10
10
-20
0
M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn vrij groot: meer vrouwen in de inkomensgroep 20-30 euro per gepresteerd uur en meer mannen met 40 euro en meer per werkuur.
Cultuur, Jeugd, Sport en Media TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
%-punt
M 8,0 38,2 29,1 13,0 6,7 3,6 0,4 1,0
V 3,8 39,1 31,7 17,4 5,7 1,1 0,5 0,7
Tot 6,0 38,6 30,4 15,1 6,2 2,4 0,4 0,8
100
100
100
477
442
919
N 55 355 279 139 57 22 4 8 919
M-V 4,2 -0,9 -2,6 -4,4 1,0 2,5 -0,1 0,3
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
50
20
40
10
30
0
20
-10
10
-20
0
M
V
De genderverschillen zijn hier klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per gepresteerd werkuur en meer mannen met maximaal 20 euro en met 60 euro en meer per werkuur.
106
M-V
Werk en Sociale Economie TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
%-punt
M 2,1 26,9 36,9 26,6 5,4 1,2 0,6 0,2
V 2,1 44,1 35,0 15,1 2,8 0,8 0,1 0,0
Tot N 92 2,1 38,8 1691 35,6 1550 18,6 812 157 3,6 39 0,9 12 0,3 4 0,0 100 100 100 4357 1338 3019 4357
M-V 0,0 -17,2 1,9 11,5 2,6 0,4 0,5 0,2
50
20
40
10
30
0
20
-10
10
-20
0
M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn in dit beleidsdomein vrij groot, met veel meer vrouwen in de groep van 20 tot 30 euro per gepresteerd werkuur en meer mannen met 40 tot 50 euro per werkuur.
Landbouw en Visserij TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
%-punt
M 2,0 19,8 33,0 16,6 18,6 6,9 2,9 0,3
V 2,4 30,5 26,2 19,2 13,8 6,8 0,8 0,3
Tot 2,2 25,3 29,5 17,9 16,1 6,8 1,8 0,3
100
100
100
349
370
719
N 16 182 212 129 116 49 13 2 719
M-V -0,4 -10,7 6,8 -2,6 4,8 0,1 2,1 0,0
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
De genderverschillen zijn hier vrij klein, met iets meer vrouwen in de groep 20-30 euro per gepresteerd werkuur en iets meer mannen met 30-40 euro en 50-60 euro per werkuur.
107
M-V
Omgeving TBSM euro
%
%-punt
M 1,5 29,4 28,8 19,8 13,0 5,1 1,6 0,8
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
100
1919
V 1,2 25,1 30,7 26,7 12,0 2,9 1,2 0,3
Tot N 49 1,3 27,4 996 29,7 1080 23,1 840 12,5 456 147 4,0 51 1,4 20 0,5 100 100 3639 1720 3639
M-V 0,3 4,3 -1,9 -6,9 1,0 2,2 0,4 0,5
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn ook in dit domein vrij beperkt: iets meer vrouwen in de groep van 40 tot 50 euro per gepresteerd werkuur en iets meer mannen met 20 tot 30 euro per werkuur.
Mobiliteit en Openbare Werken TBSM euro
10 -<20 20 -<30 30 -<40 40 -<50 50 -<60 60 -<70 70 -<80 80 en meer Totaal N
%
%-punt
M 0,6 28,7 36,1 15,8 5,7 2,6 0,9 9,4 100
2960
V 1,4 36,5 29,9 20,2 7,2 2,9 0,7 1,1
Tot N 33 0,8 30,6 1203 34,6 1360 16,9 664 6,1 240 2,7 105 34 0,9 7,3 291 100 100 3930 970 3930
M-V -0,8 -7,8 6,2 -4,4 -1,5 -0,3 0,2 8,3
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
40
20
30
10 0
20
-10
10
-20
0
M
V
De verschillen zijn algemeen gezien vrij klein, met iets meer vrouwen bij de inkomens van 20 tot 30 euro en 40 tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Bij de groep met meer dan 80 euro per gepresteerd werkuur is het verschil hier weer groot. Zoals eerder vermeld, betreft het vooral de 50-plussers in niveau A met een zeer hoog totaal bruto maandsalaris.
108
M-V
6 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten Inleiding en samenvatting Uitgaande van hoofdstuk 3 gaat we in dit hoofdstuk dieper in op de relatie tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) van de werknemers van de Vlaamse overheid en enkele relevante verklarende aspecten. Per aspect worden de gemiddelde waarden van het salaris gegeven in vierdimensionale tabellen en grafieken, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel. Voor het goed begrijpen van de genderverschillen in de tabellen, wijzen we op het belang van de N-waarden voor de subgroepen naar leeftijd en functieniveau. Zo kunnen de genderverschillen (naar leeftijd) binnen de functieniveaus vrij klein zijn, terw ijl de genderverschillen voor alle functieniveaus samen naar leeftijd groot zijn. Dit is te wijten aan het verschil in aantal person en. De verschillen naar functieniveau en leeftijd zijn in alle tabellen/grafieken duidelijk zichtbaar, voor het totaal bruto sala ris per maand en per gepresteerd werkuur. Voorts zijn er specifieke genderverschillen voor de combinatie van de factoren. Specifieke grote verschillen zijn er bij werknemers met meer dan 15 jaar dienstanciënniteit, bij statutaire en contractuele medewerkers en bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen per jaar. De zeer grote genderverschillen worden in grote mate bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris. Hoofdstuk 5 liet zien dat die mannen hoofdzakelijk werkzaam zijn in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. In hoofdstuk 7 wordt dat verder onderzocht. Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Zoals in hoofdstuk 4 zien we dat het genderverschil toeneemt bij stijgende dienstanciënniteit. Daarvoor geldt dezelfde mogeli jke verklaring. De gegevens naar beroepsstatuut tonen grotere genderverschillen in de groep statutairen dan in de groep contractuelen. Komt dat door de verschillende gendersamenstellingen van de respectievelijke groepen? De groep werknemers met minder dan 200 werkdagen kent grotere genderverschillen dan de groep met meer dan 200 werkdagen. Hoe kan dat verklaard worden? Komen we daarbij weer bij de impact van de specifieke groep oudere mannen in niveau A? Opnieuw bieden de gegevens naar functieniveau mogelijks inzicht in de gendergebonden verdeling van functies. Zo zien we negatieve genderverschillen (vrouwen verdienen meer) in bepaalde jongere subgroepen. Hier rijst de vraag voor welke functies die verschillen optreden.
109
1. Totaal bruto salaris per maand Dienstanciënniteit 0-15 jaar
Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.174 7.469 4.660 6.246 3.284 3.837 3.021 3.523 3.163 3.304 3.797 4.796
2.405
18-39
40-49 Mannen A+
>15 jaar
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
A
1.674
1.301
18-39
5.380
40-49
N
332 1.677 1.594 940 837 5.380
50+
B
18-39
40-49
50+
Mannen A+
A
1.551
18-39 B
C
50+ Totaal 8.663 8.323 8.429 7.827 4.687 4.505 4.391 4.201 3.997 3.902 5.970 5.719
2.987
4.685
40-49 Vrouwen D
50+
N
562 1.306 1.035 932 850 4.685
50+ Totaal 8.053 6.959 5.586 4.636 3.754 3.197 3.413 3.085 2.402 2.429 3.914 3.639
2.273
1.713
18-39 A+
A
272 2.054 3.613 1.340 504 7.783
167
40-49 B C
50+ Totaal 542 668 446 778 499 466 435 305 878 813 843 701
2.605
Bij de subgroep met minder dan 15 jaar dienst zijn de verschillen naar functieniveau - die toenemen met de leeftijd - weer zichtbaar (zie hoofdstuk 3). De genderverschillen liggen meestal rond 400 euro, met hogere bedragen bij de 18 tot 39-jarigen in niveau D, bij de 40 tot 49- jarigen in niveau A en bij de 50-plussers in niveau D.
50+
4.572
40-49 B C
50+ Totaal 6,3 8,8 7,4 14,4 11,7 12,7 11,3 9,0 26,8 25,1 17,7 16,2
M - V = Mannen - Vrouwen
N
412 1.104 1.476 1.205 375 4.572
110
% (M-V)/M 18-39 40-49 7,2 3,3 10,1 21,1 17,3 12,6 10,0 9,8 5,6 17,3 2,8 15,3
50+ Totaal 4,5 5,2 30,0 28,1 13,5 13,5 13,7 12,2 27,2 24,5 23,6 20,6
Bij medewerkers met meer dan 15 jaar dienst nemen de verschillen naar functieniveau ook toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A evenwel af.
50+ D
M-V 18-39 40-49 50+ Totaal 486 252 391 431 568 1453 2528 2196 711 539 630 609 364 380 601 513 181 644 1085 956 106 828 1407 1177 M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
A
% (M-V)/M 18-39 40-49 3,4 6,5 9,3 20,0 11,9 10,3 9,0 12,1 21,8 25,8 12,0 18,0
D
50+ Totaal 8.272 7.892 5.901 5.630 4.056 3.896 3.790 3.688 2.912 2.946 4.563 4.542
1.800
18-39 A+
M-V 18-39 40-49 209 488 434 1251 391 394 271 426 690 854 457 865
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 6.263 7.470 5.029 5.433 3.394 3.749 3.274 3.514 3.034 3.069 3.713 4.589
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
7.783
N
Genderverschil M - V
Vrouwen C D
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.749 7.722 5.597 6.886 4.105 4.288 3.638 3.894 3.215 3.713 3.819 5.417
147
3.797
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
50+
50+ Totaal 8.595 7.628 6.032 5.414 4.253 3.663 3.848 3.390 3.280 3.242 4.757 4.340
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 5.966 6.981 4.226 4.995 2.893 3.442 2.751 3.097 2.473 2.450 3.340 3.931
Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met 2.528 euro per maand zeer hoog. Ook bij de 40 tot 49-jarigen in niveau A is het verschil groot (1.453 euro).
Beroepsstatuut Statutair Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.252 7.694 5.061 6.715 3.535 4.047 3.389 3.770 3.413 3.678 4.138 5.294
1.676
50+ Totaal 8.651 8.096 8.034 6.844 4.526 4.076 4.292 3.947 3.957 3.801 5.828 5.293
2.726
3.614
8.016
N
842 2.506 1.747 1.633 1.288 8.016
2.046
10.000 6.000 4.000 2.000 0
18-39
40-49
50+
Mannen A+
Contractueel Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
18-39
A
40-49
50+
876
499
50+ Totaal 8.548 7.553 5.809 4.505 4.517 3.833 3.311 2.749 2.858 2.843 4.387 3.765
674
2.049
N
52 477 882 239 399 2.049
6.000 4.000 2.000 0
18-39
40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
A
1.918
1500 1000 500 0 -500 -1000
8.783
N
658 2.403 3.139 2.150 433 8.783
B
50+ Totaal 399 551 2159 1611 535 407 562 452 1047 864 1312 984
C
837
Bij mannelijke statutairen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het gemiddeld inkomen in niveau A bijna even hoog als in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met 2.159 euro per maand zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil 1.405 euro. Ook bij de 50-plussers in niveau D is het verschil groot (1.047 euro).
D
3.572
40-49 A
B
50+ Totaal 4,6 6,8 26,9 23,5 11,8 10,0 13,1 11,4 26,5 22,7 22,5 18,6
M - V = Mannen - Vrouwen
N
26 755 1.950 395 446 3.572
D
111
50+ Totaal 1225 637 501 318 820 867 425 57 474 473 956 616
% (M-V)/M 18-39 40-49 -12,2 -10,0 0,9 9,2 10,0 23,4 -4,6 10,1 19,4 16,9 6,0 17,5
50+ Totaal 14,3 8,4 8,6 7,1 18,2 22,6 12,8 2,1 16,6 16,6 21,8 16,4
Bij mannelijke contractuelen neemt het verschil tussen niveau A+ en A sterk toe. Bij vrouwelijke contractuelen neemt het af.
50+ C
M-V 18-39 40-49 -615 -643 33 462 301 947 -108 318 539 491 190 701
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
18-39
% (M-V)/M 18-39 40-49 3,8 5,3 10,4 20,9 9,8 8,3 12,8 10,3 12,0 18,5 9,9 15,9
50+
50+ Totaal 7.322 6.917 5.308 4.187 3.697 2.966 2.886 2.692 2.384 2.370 3.430 3.148
817
A+
M-V 18-39 40-49 236 411 525 1405 346 335 435 388 410 681 410 842
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 5.669 7.094 3.810 4.544 2.715 3.108 2.453 2.814 2.239 2.420 2.959 3.304
10.000
8.000
3.481
40-49
A+
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.054 6.452 3.843 5.005 3.017 4.055 2.345 3.132 2.778 2.911 3.149 4.005
3.256
18-39
Vrouwen C D
B
50+ Totaal 8.252 7.545 5.874 5.234 3.991 3.669 3.730 3.495 2.910 2.937 4.516 4.309
Genderverschil M - V
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
8.000
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 6.015 7.283 4.536 5.310 3.189 3.712 2.954 3.382 3.002 2.997 3.728 4.452
Bij jongere vrouwen in niveau A+ ligt het gemiddelde salaris iets hoger dan bij jongere mannen. Bij de overige subgroepen is het genderverschil positief, behalve bij de 18 tot 39-jarigen in niveau C.
Werkdagen VTE per jaar 100-200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.512 6.651 4.724 7.659 2.988 3.711 2.997 3.387 2.894 3.097 3.507 5.001
958
50+ Totaal 7.638 7.059 9.475 7.675 4.222 3.691 3.988 3.572 3.440 3.256 5.460 4.837
1.103
1.756
3.817
N
167 1.067 1.032 744 807 3.817
2.289
10.000 6.000 4.000 2.000 0
18-39
40-49
50+
Mannen A+
>200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
18-39
A
40-49
50+
1.594
2.122
50+ Totaal 8.872 8.296 6.683 5.799 4.745 4.190 4.418 3.940 4.085 3.867 5.700 5.071
2.532
6.248
N
727 1.916 1.597 1.128 880 6.248
1.675
6.000 4.000 2.000 0
18-39
40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
7.297
40-49 A
206 1.720 3.227 1.484 660 7.297
M-V 18-39 40-49 50+ Totaal -78 75 230 363 759 2864 4204 3068 294 472 613 555 359 379 623 450 598 628 984 817 433 1282 1738 1319
% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,4 1,1 16,1 37,4 9,8 12,7 12,0 11,2 20,7 20,3 12,3 25,6
50+ Totaal 3,0 5,1 44,4 40,0 14,5 15,0 15,6 12,6 28,6 25,1 31,8 27,3
M - V = Mannen - Vrouwen
Bij medewerkers met minder dan 200 werkdagen is het verschil tussen niveau A+ en A groot in alle leeftijdsgroepen.
B
50+ C
D Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 6.363 7.544 4.543 5.750 3.247 4.129 3.017 3.643 3.162 3.215 3.741 4.921
10.000
8.000
2.639
18-39 A+
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.411 7.833 4.648 5.968 3.522 4.245 3.183 3.862 3.426 3.771 3.973 5.144
2.369
N
De genderverschillen liggen algemeen gezien vrij laag, vooral bij de 18 tot 39-jarigen. Bij de 40-plussers in niveau A liggen de verschillen zeer hoog.
Vrouwen C D
B
50+ Totaal 7.409 6.696 5.271 4.607 3.609 3.137 3.365 3.122 2.456 2.439 3.722 3.518
Genderverschil M - V
3000 2500 2000 1500 1000 500 0 -500
8.000
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 5.590 6.576 3.966 4.795 2.694 3.238 2.638 3.009 2.295 2.470 3.074 3.719
50+ Totaal 8.519 7.877 6.400 5.434 4.536 3.856 4.100 3.718 3.337 3.283 5.223 4.631
1.704
1.679
5.058
N
478 1.438 1.862 1.061 219 5.058
M-V 18-39 40-49 48 290 105 218 276 116 166 220 264 557 233 223
50+ Totaal 354 419 283 365 209 334 318 222 748 584 477 440
% (M-V)/M 18-39 40-49 0,8 3,7 2,3 3,7 7,8 2,7 5,2 5,7 7,7 14,8 5,9 4,3
50+ Totaal 4,0 5,0 4,2 6,3 4,4 8,0 7,2 5,6 18,3 15,1 8,4 8,7
M - V = Mannen - Vrouwen
Bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen neemt het verschil tussen niveau A+ en A licht toe met de leeftijd.
Genderverschil M - V
De genderverschillen liggen algemeen gezien laag. Alleen bij de 50-plussers in niveau D liggen ze hoger dan 700 euro per maand. Bij de 40 tot 49 jarigen in niveau D bedraagt dat verschil ruim 557 euro. 18-39 A+
40-49 A
B
50+ C
D
112
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Dienstanciënniteit 0-15 jaar Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,4 57,7 38,3 54,0 26,7 31,0 24,6 28,3 26,0 27,1 31,0 39,8
2.405
50+ Totaal 67,2 59,4 49,0 45,3 35,1 29,9 31,6 27,6 27,3 26,8 38,8 35,6
1.674
1.301
5.380
N
332 1.677 1.594 940 837 5.380
3.797
80 20 15 10 5 0 -5
60 40
20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
>15 jaar Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
A
B
40-49
50+
Vrouwen C D
147
1.545
50+ Totaal 67,4 64,5 75,2 67,8 39,1 36,9 36,4 34,5 33,6 32,5 50,4 47,5
2.975
4.667
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
1.713
562 1.288 1.035 932 850 4.667
18-39
167
25 20 15 10 5 0
272 2.054 3.613 1.340 504 7.783
M-V 18-39 40-49 -0,5 2,8 1,7 11,1 0,8 0,2 0,5 1,6 2,2 4,0 1,6 5,6
50+ Totaal 3,8 4,0 1,1 5,3 1,4 1,2 1,6 0,6 3,5 3,2 4,2 3,7
% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,0 4,9 4,4 20,5 3,0 0,7 2,0 5,6 8,5 14,8 5,1 14,0
50+ Totaal 5,6 6,8 2,3 11,7 4,0 4,0 5,1 2,2 12,9 11,8 10,8 10,3
M - V = Mannen - Vrouwen
Bij de groep met minder dan 15 jaar dienst nemen de verschillen naar functieniveau toe met de leeftijd. Het genderverschil is zeer groot bij de 40 tot 49-jarigen in niveau B.
40-49
A
B
50+
C
D Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 49,5 58,7 42,3 46,4 31,1 33,1 27,1 29,9 26,6 28,0 32,0 39,1
N
7.783
N
Genderverschil M - V
80 60
50+ Totaal 63,4 55,4 47,9 40,0 33,7 28,7 30,0 27,0 23,8 23,6 34,6 32,0
2.273
A+
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 52,0 59,3 43,5 56,3 32,8 34,3 28,9 31,4 26,9 30,0 30,7 43,5
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 48,9 54,9 36,6 42,9 26,0 30,8 24,1 26,7 23,8 23,1 29,4 34,2
50+ Totaal 65,8 62,5 50,6 48,2 37,2 35,2 33,4 32,1 27,7 27,8 40,0 39,4
1.800
2.605
4.572
Genderverschil M - V
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C D 113
N
412 1.104 1.476 1.205 375 4.572
M-V 18-39 40-49 2,5 0,5 1,3 9,9 1,7 1,3 1,8 1,5 0,4 2,0 -1,4 4,3
50+ Totaal 1,6 2,0 24,6 19,6 1,8 1,7 3,0 2,4 5,9 4,8 10,4 8,1
% (M-V)/M 18-39 40-49 4,8 0,9 2,9 17,5 5,3 3,7 6,3 4,9 1,4 6,8 -4,4 9,9
50+ Totaal 2,4 3,1 32,7 29,0 4,7 4,7 8,2 6,9 17,5 14,7 20,7 17,1
M - V = Mannen - Vrouwen
Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het gemiddeld inkomen in niveau A zelfs hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil alleen bij de 50-plussers in niveau A met bijna 25 euro per gepresteerd werkuur zeer hoog. Bij de 40 tot 49-jarigen in niveau A bedraagt het genderverschil bijna 10 euro per werkuur.
Beroepsstatuut Statutair Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,8 58,9 41,8 56,7 28,2 32,4 27,3 30,3 27,7 29,6 33,6 43,1
1.676
50+ Totaal 67,5 62,7 70,8 58,7 37,2 32,9 35,4 32,2 32,9 31,3 48,8 43,7
2.720
3.602
7.998
N
842 2.488 1.747 1.633 1.288 7.998
2.046
80 25 20 15 10 5 0 -5
60
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
Contractueel Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
A
B
40-49
50+
Vrouwen C D
876
499
50+ Totaal 65,7 60,4 46,5 36,2 38,2 32,0 28,1 22,9 25,1 24,5 36,6 31,2
674
2.049
18-39
N
52 477 882 239 399 2.049
8.783
40-49 A
1.918
B
C
50+ Totaal 59,4 56,6 46,2 36,3 34,4 27,2 27,1 24,0 23,8 23,6 31,9 28,5
817
837
3.572
Genderverschil M - V
-5 40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-10
18-39
40-49 A+
A
B
% (M-V)/M 18-39 40-49 -0,2 2,8 6,0 19,9 -0,9 -0,2 5,6 4,6 6,7 10,0 3,1 12,0
50+ Totaal 3,0 4,7 29,1 23,5 3,2 1,0 7,8 5,6 16,2 13,0 19,5 14,8
Bij mannelijke statutairen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A iets hoger dan in niveau A+. Het genderverschil bij de 40-plussers en vooral bij de 50plussers in niveau A is weer zeer groot. Bij de jongeren in niveau A+ en in niveau B verdienen vrouwen per gepresteerd werkuur iets meer dan mannen.
D
0 18-39
50+ Totaal 2,0 2,9 20,6 13,8 1,2 0,3 2,8 1,8 5,3 4,1 9,5 6,5
M - V = Mannen - Vrouwen
50+
5
20
658 2.403 3.139 2.150 433 8.783
M-V 18-39 40-49 -0,1 1,6 2,5 11,3 -0,2 -0,1 1,5 1,4 1,9 3,0 1,0 5,2
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 51,0 56,2 32,9 39,4 24,5 29,2 21,3 24,6 23,0 23,5 26,4 30,1
10
40
0
3.481
N
Genderverschil M - V
80 60
50+ Totaal 65,5 59,8 50,2 44,9 36,0 32,6 32,7 30,4 27,6 27,2 39,3 37,2
3.256
A+
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 44,3 55,1 31,0 40,2 25,4 33,0 19,6 25,8 23,7 24,8 26,1 32,8
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 48,9 57,2 39,3 45,4 28,4 32,5 25,8 28,9 25,8 26,6 32,5 38,0
50+ C
D
114
N
26 755 1.950 395 446 3.572
M-V 18-39 40-49 -6,7 -1,1 -1,9 0,8 0,8 3,8 -1,7 1,1 0,6 1,3 -0,3 2,7
50+ Totaal 6,3 3,8 0,3 0,0 3,8 4,8 1,0 -1,1 1,2 0,9 4,7 2,7
% (M-V)/M 18-39 40-49 -15,2 -2,0 -6,2 1,9 3,2 11,4 -8,6 4,4 2,7 5,4 -1,1 8,2
50+ Totaal 9,6 6,3 0,6 -0,1 9,9 15,1 3,6 -4,8 5,0 3,8 12,9 8,6
M - V = Mannen - Vrouwen
Bij mannelijke contractuelen stijgt het verschil tussen niveau A+ en A, bij vrouwen daalt het. Bij de jongeren ligt het uursalaris in niveau A+ bij vrouwen bijna 7 euro per uur hoger dan bij mannen. In enkele (vooral jongere) subgroepen verdienen vrouwen iets meer per werkuur dan mannen. Bij de 50-plussers in niveau A+ is er een hoger positief genderverschil.
Werkdagen VTE per jaar 100-200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,8 58,2 45,8 75,1 27,7 33,7 27,1 31,1 26,6 28,6 32,9 47,1
958
50+ Totaal 68,8 63,0 95,2 75,9 39,9 34,3 37,4 33,1 32,2 30,3 52,4 45,9
1.097
1.744
3.799
N
167 1.049 1.032 744 807 3.799
2.289
100 50 40 30 20 10 0 -10
80 60 40
20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
>200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
A
B
40-49
50+
Vrouwen C D
1.594
2.122
50+ Totaal 67,0 62,5 50,4 43,7 35,9 31,6 33,3 29,7 30,9 29,2 43,1 38,2
2.532
6.248
2.639
18-39
40-49 A
727 1.916 1.597 1.128 880 6.248
1.675
B
C
50+ Totaal 64,3 59,4 48,4 41,0 34,3 29,1 31,0 28,1 25,3 24,8 39,5 35,0
1.704
1.679
5.058
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
0
50+ Totaal 1,5 4,2 46,8 41,5 8,9 8,5 12,1 8,2 19,2 15,5 29,8 24,9
Bij mannelijke medewerkers met minder dan 200 werkdagen en ouder dan 40 jaar ligt het salaris in niveau A+ lager dan in niveau A. Bij vrouwen stijgt het verschil tussen niveau A+ en A met de leeftijd. De genderverschillen zijn algemeen gezien vrij klein, maar ze zijn zeer groot bij de 40-plussers in niveau A. De verschillen zijn ook groot in niveau D. Bij de jongeren in niveau A+ verdienen vrouwen iets meer
N
478 1.438 1.862 1.061 219 5.058
M-V 18-39 40-49 0,3 2,0 0,7 1,5 2,0 0,7 1,2 1,6 1,8 4,2 1,7 1,5
50+ Totaal 2,8 3,1 2,0 2,7 1,5 2,4 2,3 1,6 5,6 4,3 3,6 3,2
% (M-V)/M 18-39 40-49 0,6 3,4 2,1 3,3 7,6 2,2 4,9 5,3 6,8 14,8 5,6 4,0
50+ Totaal 4,1 5,0 4,0 6,1 4,3 7,7 7,0 5,4 18,1 14,8 8,3 8,5
M - V = Mannen - Vrouwen
Bij mannen en vrouwen met meer dan 200 werkdagen stijgt het verschil tussen niveau A+ en A licht met de leeftijd. De genderverschillen liggen bij de 40-plussers in niveau D hoger dan in de andere subgroepen.
5 18-39
% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,0 -0,2 15,0 39,3 2,0 5,4 4,6 7,6 9,5 11,9 7,1 23,9
D
40
0
50+ Totaal 1,0 2,6 44,6 31,5 3,5 2,9 4,5 2,7 6,2 4,7 15,6 11,4
M - V = Mannen - Vrouwen
50+
Genderverschil M - V
10
20
206 1.720 3.227 1.484 660 7.297
M-V 18-39 40-49 -0,5 -0,1 6,8 29,5 0,5 1,8 1,3 2,4 2,5 3,4 2,3 11,3
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 47,9 56,8 34,2 43,4 24,5 31,2 22,7 27,5 24,0 24,2 28,2 37,1
N
7.297
N
Genderverschil M - V
80 60
50+ Totaal 67,8 60,4 50,6 44,4 36,3 31,4 32,9 30,4 26,0 25,6 36,8 34,5
2.369
A+
Gemiddelde in euro
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,1 58,8 35,0 44,9 26,5 31,9 23,9 29,0 25,7 28,3 29,9 38,6
Genderverschil in euro
Vrouwen 18-39 40-49 50,3 58,3 38,9 45,6 27,2 31,9 25,8 28,8 24,1 25,2 30,5 35,8
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
115
7 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein Inleiding en samenvatting Aansluitend bij hoofdstuk 6 bespreken we hier de relatie tussen het totaal bruto salaris (per maand en per werkuur) en de fac toren gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein. • Eerst geven we voor alle beleidsdomeinen een overzicht met het onderscheid naar gender en functieniveau en naar gender en leeftijd. • Daarna volgen per beleidsdomein de gemiddelde waarden van het salaris in een vierdimensionale tabel en grafiek, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. • Tenslotte worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel. Opnieuw wijzen we op het belang van de N-waarden voor de subgroepen naar leeftijd en functieniveau. Zo kunnen de genderverschillen (naar leeftijd) binnen de functieniveaus vrij klein zijn, terwijl de genderverschillen voor alle functieniv eaus samen naar leeftijd groot zijn, omwille van een groot verschil in aantal personen in de betreffende groepen. In de subgroepen (cell en) met een te klein aantal personen om zinvolle uitspraken te doen staan kruisjes in plaats van gegevens. Over het algemeen is er in bijna alle beleidsdomeinen voor mannen en vrouwen een positieve relatie tussen salaris enerzijds e n functieniveau en leeftijd anderzijds. Het gemiddelde maandsalaris van mannen is in bijna alle subgroepen hoger dan dat van vr ouwen, terwijl het gemiddelde uurloon van mannen in meer subgroepen lager is dan dat van vrouwen.
Voor het totale brutosalaris per maand zijn er vrij grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij, Bestuur en Buit enlandse Zaken, Financiën en Begroting Welzijn, Gezondheid en Gezin, Werk en Sociale Economie en in Landbouw en Visserij. De genderverschillen zijn zeer groot in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. De genderverschillen zijn gemiddeld kleiner voor het totale brutosalaris per arbeidsuur. De verschillen zijn vrij groot in de beleidsdomeinen Financiën en Begroting; Economie, Wetenschap en Innovatie en in Landbouw en Visserij. In het domein Mobilitei t en Openbare Werken zijn de verschillen weer erg groot. Het zeer grote genderverschil in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt vooral bepaald door de zeer hoge salar issen van oudere mannen op niveau A, met name door de zeer hoge bruto toelagen. De impact daarvan op het algemene verschil naar gender en functieniveau is groot door het grote aantal mannen versus het zeer lage aantal vrouwen in die subgroep. In hoofdst uk 8 wordt die specifieke subgroep verder onderzocht.
116
Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen en vragen mee: Om de genderverschillen goed te begrijpen en te verklaren, moet ook naar de afzondelrijke beleidsdomeinen worden gekeken. In het verlengde daarvan moet ook voldoende aandacht gaan naar de afzonderlijke entiteiten binnen die domeinen (volgend hoofdstuk). Als we kijken naar de gemiddelde genderverschillen in het salaris zien we een zekere omkering van maand naar uursalaris. Voornamelijk in de jongste groep verdienen vrouwen per werkuur gemiddeld iets meer dan mannen. Wat kan dit verklaren? Zien we hier de vervrouwelijking van de ambtenarij in de jongste groep doorwegen, met name ook in de functies met een hoger salaris? We moeten wel voor ogen houden dat het effect van de genderverschillen in werktijden wegvallen voor het salaris per werkuur. Bij vrouwen is er een minder sterk verband tussen salaris en leeftijd dan bij mannen. Hoe kan dit worden verklaard? Men zou verwachten dat dit verband gelijklopend is, ongeacht gender.
117
1. Totaal bruto salaris per maand Alle beleidsdomeinen samen Functieniveau
Gemiddelde in euro
Mannen A+ 8.038 8.036 7.923 8.453 7.945 8.122 7.852 8.494 8.106 8.088 8.065
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
894
A 5.629 5.230 5.199 5.396 5.462 4.815 5.341 6.228 5.771 8.709 6.470
2.983
Genderverschil in euro
B 3.798 4.181 3.952 3.751 4.047 3.433 4.084 3.969 3.900 4.015 3.994
2.629
C 3.904 3.536 3.416 3.818 3.555 3.173 3.880 3.877 3.692 4.094 3.794
1.872
D 2.828 3.013 2.835 2.909 3.525 2.911 2.642 2.606 3.077 4.003 3.574
Tot 5.278 4.631 5.392 4.800 4.503 3.986 4.441 5.269 4.867 5.544 4.982
1.687
10.065
Mannen
855 430 286 376 1.057 477 1.338 349 1.919 2.978 10.065
684
A B 4.833 3.512 5.036 4.215 5.014 3.835 4.817 3.440 4.740 3.274 4.835 3.407 4.816 3.350 5.325 3.579 5.181 3.642 5.330 3.736 4.983 3.400
3.158
5.089
C 3.445 3.477 3.814 3.672 3.141 3.412 3.189 3.686 3.380 3.466 3.370
2.545
D 2.401 2.804 3.045 2.855 2.948 2.712 2.349 2.624 2.689 3.297 2.649
879
Tot 4.123 4.153 4.860 4.300 3.589 3.913 3.628 4.604 4.524 4.317 3.973
12.355
N
1.240 626 287 588 3.093 442 3.019 370 1.720 970 12.355
M-V A+ A 655 796 860 193 333 185 777 579 94 722 686 -20 817 525 523 904 551 590 288 3.379 544 1.487
B 286 -34 117 311 773 25 734 390 258 279 595
C 459 59 -398 146 414 -239 692 191 312 628 424
D Tot 428 1.154 209 478 -210 532 54 500 577 914 199 73 294 813 -18 665 387 344 707 1.228 925 1.009
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil in euro
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Vrouwen
N
Vrouwen A+ 7.383 7.177 7.590 7.676 7.850 7.436 7.036 7.971 7.554 7.800 7.521
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
A+ A
B C D
0
2.000
4.000
6.000
8.000
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
-500
10.000
A B C D
2.000
4.000
6.000
8.000
A B C D
500
1.500
2.500
3.500
Bij mannen en vrouwen stijgt in bijna alle beleidsdomeinen het gemiddeld inkomen sterk met het functieniveau. Dit sterke positieve verband wordt in slechts 1 beleidsdomein bij mannen doorbroken. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken ligt het gemiddeld salaris van mannen in niveau A veel hoger dan dat van de medewerkers in niveau A in de andere domeinen. Het betreft hier een vrij grote groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. Ook voor deze groep is het genderverschil veel groter. Wegens het relatief grote aantal medewerkers weegt deze groep wel sterk door in het algemene gemiddelde. In slechts 2 beleidsdomeinen ligt het gemiddeld salaris van vrouwen in een paar subgroepen iets hoger dan dat van mannen.
A+
0
A+
10.000
118
Leeftijd
Gemiddelde in euro Mannen Leeftijd 18-39 3.817 3.605 3.651 3.709 3.633 2.788 3.536 3.947 3.764 4.272 3.798
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
2.552
40-49 5.368 4.530 5.471 4.871 4.665 4.504 4.434 5.329 4.899 5.639 5.095
3.225
Genderverschil in euro 50+ Totaal 6.016 5.278 5.487 4.631 6.410 5.392 5.469 4.800 5.199 4.503 4.603 3.986 4.884 4.441 5.785 5.269 5.366 4.867 6.215 5.544 5.602 4.982
4.288
10.065
N
855 430 286 376 1.057 477 1.338 349 1.919 2.978 10.065
Mannen
Vrouwen 18-39 40-49 3.669 4.435 3.552 4.351 4.016 4.965 3.572 4.587 3.020 3.836 3.356 4.030 3.176 3.801 3.853 4.854 3.839 4.697 3.851 4.511 3.356 4.222
3.964
4.073
50+ Totaal 4.260 4.123 4.347 4.153 5.177 4.860 4.682 4.300 4.304 3.589 4.200 3.913 3.814 3.628 4.842 4.604 4.784 4.524 4.506 4.317 4.306 3.973
4.318 12.355
M-V 18-39 148 52 -365 137 613 -568 360 94 -75 421 442
N
1.240 626 287 588 3.093 442 3.019 370 1.720 970 12.355
40-49 933 179 506 284 829 474 633 475 202 1.128 873
50+ Totaal 1.756 1.154 1.140 478 1.233 532 787 500 895 914 403 73 1.071 813 943 665 581 344 1.709 1.228 1.296 1.009
N -385 -196 -1 -212 -2.036 35 -1.681 -21 199 2.008 -2.290
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil in euro
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken 18-39
Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie
40-49
Onderwijs en Vorming
50+
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0
2.000
4.000
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
6.000
-1.000
18-39 40-49 50+
0
1.000
2.000
3.000
Vrouwen
Bij mannen is er in alle beleidsdomeinen een sterk positief verband tussen het salaris en de leeftijd. Bij vrouwen is dat verband minder algemeen en minder uitgesproken. In bijna alle beleidsdomeinen neemt ook het genderverschil toe met de leeftijd. Vooral bij 50-plussers is het zeer groot. Vooral de domeinen Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken, Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken wegen zwaar door wegens het relatief grote aantal medewerkers. Vrij grote negatieve genderverschillen (vrouwen verdienen meer dan mannen) zijn er in het domein Economie, Wetenschap en Innovatie (-365 euro per maand) en in het domein Cultuur, Jeugd, Sport en Media (-568 euro). In het domein Omgeving ligt het negatieve verschil op -75 euro per maand.
Kanselarij, Bestuur en Buitenl. Zaken 18-39
Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie
40-49
Onderwijs en Vorming
50+
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0
2.000
4.000
6.000
119
Per beleidsdomein Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.797 7.498 4.406 5.672 3.132 3.886 3.198 3.665 2.416 2.865 3.817 5.368
207
272
50+ Totaal 8.783 8.038 6.518 5.629 4.371 3.798 4.340 3.904 3.040 2.828 6.016 5.278
376
855
Vrouwen 18-39 40-49 6.051 7.070 4.217 5.092 3.091 3.567 2.993 3.339 2.259 2.412 3.669 4.435
N
179 319 128 134 95 855
398
1.000
374
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.069 7.383 5.885 4.833 4.189 3.512 3.647 3.445 2.432 2.401 4.260 4.123
468
1.240
N
127 411 237 230 235 1.240
Mannen A+
50+ A
B
18-39
40-49
50+
C
Vrouwen D
-500
18-39 A+
40-49 A B C
50+ Totaal 714 655 633 796 182 286 693 459 608 428 1.756 1.154
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+Totaal -4,4 5,7 8,1 8,1 4,3 10,2 9,7 14,1 1,3 8,2 4,2 7,5 6,4 8,9 16,0 11,8 6,5 15,8 20,0 15,1 3,9 17,4 29,2 21,9
Het gemiddelde maandsalaris ligt in dit domein bij mannen op 5.278 euro en bij vrouwen op 4.123 euro, een groot verschil van 1.154 euro. Het salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met leeftijd en functieniveau.
Genderverschil M - V
0 40-49
40-49 428 579 319 326 453 933
M - V = Mannen - Vrouwen
500
18-39
M-V 18-39 -255 189 41 205 156 148
Het genderverschil is met 1.756 euro het grootst bij de 50plussers, gevolgd door de 40- tot 49-jarigen (933 euro). In de subgroepen naar functieniveau liggen de verschillen lager.
50+
D
Financiën en Begroting Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.141 7.787 4.497 5.698 3.448 4.110 2.990 3.427 2.685 2.955 3.605 4.530 133 123
50+ Totaal 8.377 8.036 6.152 5.230 4.777 4.181 4.152 3.536 3.189 3.013 5.487 4.631 174 430
Vrouwen 18-39 40-49 5.969 7.282 4.182 5.527 3.417 3.935 2.961 3.424 2.493 2.703 3.552 4.351 154 185
N
64 71 114 160 21 430
1.500
Genderverschil in euro
50+ Totaal 7.746 7.177 5.836 5.036 4.712 4.215 3.769 3.477 2.891 2.804 4.347 4.153 287 626
500
40-49 Mannen A+
50+ A
18-39 B
40-49
Vrouwen C D
50+
40-49 505 171 175 3 252 179
50+ Totaal 631 860 316 193 65 -34 383 59 298 209 1.140 478
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+Totaal 2,8 6,5 7,5 10,7 7,0 3,0 5,1 3,7 0,9 4,3 1,4 -0,8 0,9 0,1 9,2 1,7 7,1 8,5 9,3 6,9 1,4 4,0 20,8 10,3
M - V = Mannen - Vrouwen
Het genderverschil is met 631 euro het grootst bij de 50plussers in niveaus A+.
0 -500
57 84 159 272 54 626
M-V 18-39 172 315 32 28 191 52
Het gemiddelde maandsalaris bedraagt hier bij mannen 4.631 euro en bij vrouwen 4.153 euro, een verschil van 478 euro. Het salaris stijgt weer sterk met leeftijd en functieniveau.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
N
18-39 A+
A
40-49 B C
50+
D
120
Economie, Wetenschap en Innovatie Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.971 7.506 3.842 5.416 3.193 4.165 2.876 3.413 x 2.583 3.651 5.471
79
18-39
40-49 Mannen A+
78
50+ A
50+ Totaal 8.477 7.923 6.281 5.199 4.531 3.952 3.959 3.416 3.157 2.835 6.410 5.392
129
18-39
40-49
C
Vrouwen D
B
286
Vrouwen 18-39 40-49 5.987 7.401 4.039 4.975 2.928 3.963 2.476 3.620 x 2.868 4.016 4.965
N
89 87 37 54 19 286
64
1.500 1.000 500 0 -500 -1.000 -1.500
50+
79
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.658 7.590 5.845 5.014 4.359 3.835 4.065 3.814 3.036 3.045 5.177 4.860
144
287
N
55 89 52 71 20 287
40-49 A B C
40-49 106 441 202 -207 -285 506
50+ Totaal -181 333 436 185 173 117 -106 -398 121 -210 1.233 532
% (M-V)/M 18-39 40-49 -0,3 1,4 -5,1 8,2 8,3 4,8 13,9 -6,1 x -11,0 -10,0 9,2
50+Totaal -2,1 4,2 6,9 3,6 3,8 3,0 -2,7 -11,6 3,8 -7,4 19,2 9,9
M - V = Mannen - Vrouwen
Het maandsalaris van mannen bedraagt gemiddeld 5.392 euro en dat van vrouwen 4.860 euro, een verschil van 532 euro. Het salaris stijgt sterk met leeftijd en functieniveau.
Genderverschil M - V
18-39 A+
M-V 18-39 -16 -197 265 400 x -365
De genderverschillen zijn vrij klein. Het grootste positieve genderverschil is er in niveau A bij 40-49-jarigen (441 euro) en de 50-plussers (436 euro). Bij enkele categorieën ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen. Bij de 18-39-jarigen in niveau D is het negatieve verschil (-197 euro) vrij groot.
50+ D
Onderwijs en Vorming Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x 7.380 4.606 5.373 3.221 4.020 3.094 3.654 x x 3.709 4.871
109
100
50+ Totaal 9.159 8.453 6.026 5.396 4.189 3.751 4.171 3.818 x x 5.469 4.800
167
376
Vrouwen 18-39 40-49 x 7.563 4.195 5.076 2.995 3.706 2.817 3.355 x 2.894 3.572 4.587
N
41 125 119 80 11 376
186
1.500
192
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.350 7.676 5.632 4.817 4.038 3.440 3.921 3.672 2.987 2.855 4.682 4.300
210
588
500
0 40-49 Mannen A+
50+ A
18-39 B
40-49
Vrouwen C D
50+
-500
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
121
54 186 177 148 23 588
M-V 18-39 x 411 227 277 x 137
40-49 -183 297 315 299 x 284
50+ Totaal 809 777 394 579 151 311 249 146 x x 787 500
% (M-V)/M 18-39 40-49 x -2,5 8,9 5,5 7,0 7,8 8,9 8,2 x x 3,7 5,8
50+Totaal 8,8 9,2 6,5 10,7 3,6 8,3 6,0 3,8 x x 14,4 10,4
M - V = Mannen - Vrouwen
Het gemiddelde maandsalaris van mannen ligt op 4.800 euro en dat van vrouwen op 4.300 euro, een verschil van 500 euro.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
N
De genderverschillen zijn algemeen klein. In de cellen met een te klein aantal personen staat er een 'x'. Het grootste verschil is er bij de 50-plussers in niveau A+ (809 euro). Bij 40 tot 49jarigen verdienen vrouwen in niveau A+ gemiddeld 183 euro per maand meer dan hun mannelijke collega's.
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.518 7.804 4.364 5.333 3.546 4.139 2.944 3.491 3.374 3.660 3.633 4.665
364
50+ Totaal 8.458 7.945 6.161 5.462 4.730 4.047 3.967 3.555 3.651 3.525 5.199 4.503
311
382
1.057
Vrouwen 18-39 40-49 5.899 7.034 4.042 4.892 2.873 3.604 2.616 3.004 3.000 3.020 3.020 3.836
N
95 181 492 207 82 1.057
1.391
1.500
911
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.665 7.850 5.634 4.740 3.854 3.274 3.648 3.141 2.889 2.948 4.304 3.589
791
3.093
N
84 467 1.949 512 81 3.093
Mannen A+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
18-39 A+
40-49 A B C
% (M-V)/M 18-39 40-49 9,5 9,9 7,4 8,3 19,0 12,9 11,1 13,9 11,1 17,5 16,9 17,8
50+Totaal -2,5 1,2 8,5 13,2 18,5 19,1 8,0 11,6 20,9 16,4 17,2 20,3
De positieve genderverschillen liggen tussen 300 en 900 euro. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau B (876 euro). Bij 50-plussers in niveau A+ verdienen vrouwen gemiddeld ruim 200 meer dan mannen.
0 50+
50+ Totaal -208 94 526 722 876 773 319 414 763 577 895 914
Het maandsalaris van mannen bedraagt gemiddeld 4.503 euro, dat van vrouwen 3.589 euro, een verschil van 914 euro.
Genderverschil M - V
500 40-49
40-49 770 441 535 487 641 829
M - V = Mannen - Vrouwen
1.000
18-39
M-V 18-39 619 322 674 328 374 613
50+ D
Cultuur, Jeugd, Sport en Media Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x 7.277 3.289 5.551 2.894 3.802 2.063 3.480 2.761 2.768 2.788 4.504
155
18-39
40-49 Mannen A+
131
50+ A
B
50+ Totaal 8.793 8.122 6.111 4.815 4.371 3.433 4.050 3.173 3.008 2.911 4.603 3.986
191
18-39
40-49
C
Vrouwen D
477
50+
Vrouwen 18-39 40-49 x 7.121 4.042 5.186 2.705 3.421 2.724 3.286 2.331 2.678 3.356 4.030
N
40 124 74 113 126 477
126
1.500 1.000 500 0 -500 -1.000
121
Genderverschil in euro
50+ Totaal 7.688 7.436 5.687 4.835 4.276 3.407 3.722 3.412 2.809 2.712 4.200 3.913
195
442
A
40-49 B C
50+ D
122
23 136 71 120 92 442
M-V 18-39 x -754 189 -661 430 -568
40-49 156 365 381 194 91 474
50+ Totaal 1.105 686 423 -20 95 25 328 -239 199 199 403 73
% (M-V)/M 18-39 40-49 x 2,1 -22,9 6,6 6,5 10,0 -32,1 5,6 15,6 3,3 -20,4 10,5
50+Totaal 12,6 8,4 6,9 -0,4 2,2 0,7 8,1 -7,5 6,6 6,9 8,8 1,8
M - V = Mannen - Vrouwen
Het gemiddelde maandsalaris van mannen ligt op 3.986 euro, dat van vrouwen op 3.913 euro, een zeer klein verschil van 73 euro.
Genderverschil M - V
18-39 A+
N
De genderverschillen variëren wel sterk. In de cellen met een te klein aantal personen staat er een 'x'. Het grootste verschil is er bij de 50-plussers in niveau A+ (1.105 euro). Bij de 18-39-jarigen in niveaus A+, A en C verdienen vrouwen duidelijk meer dan mannen.
Werk en Sociale Economie Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.229 7.897 4.327 5.418 3.192 4.083 2.830 3.636 2.423 2.468 3.536 4.434
314
50+ Totaal 8.167 7.852 5.933 5.341 4.552 4.084 4.297 3.880 2.726 2.642 4.884 4.441
377
647
1.338
Vrouwen 18-39 40-49 5.863 7.020 4.110 5.012 2.851 3.401 2.785 3.157 2.153 2.224 3.176 3.801
N
56 300 836 81 65 1.338
860
1.500
959
Genderverschil in euro
50+ Totaal 7.599 7.036 5.508 4.816 3.758 3.350 3.264 3.189 2.391 2.349 3.814 3.628
1.200
3.019
N
74 544 1.860 370 171 3.019
40-49
50+ A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
0
18-39 A+
40-49 A B C
50+ Totaal 568 817 425 525 793 734 1.034 692 335 294 1.071 813
% (M-V)/M 18-39 40-49 5,9 11,1 5,0 7,5 10,7 16,7 1,6 13,2 11,1 9,9 10,2 14,3
50+Totaal 7,0 10,4 7,2 9,8 17,4 18,0 24,1 17,8 12,3 11,1 21,9 18,3
Het gemiddelde maandsalaris van mannen bedraagt 4.441 euro, dat van vrouwen 3.628 euro, een vrij groot verschil van 813 euro.
Genderverschil M - V
Bij de 18-39-jarigen liggen de genderverschillen lager dan bij de 40-plussers. Het grootste verschil is er bij de 50-plussers in niveau C (1.034 euro), gevolgd de 40- tot 49-jarigen in niveau A+ (877 euro).
500
Mannen A+
40-49 877 407 682 479 244 633
M - V = Mannen - Vrouwen
1.000
18-39
M-V 18-39 366 218 340 44 270 360
50+ D
Landbouw en Visserij Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x 7.833 4.744 6.322 3.193 3.991 3.078 3.813 x 2.817 3.947 5.329
59
157
50+ Totaal 9.034 8.494 7.037 6.228 4.404 3.969 4.086 3.877 2.759 2.606 5.785 5.269
133
349
Vrouwen 18-39 40-49 x 7.749 4.483 5.603 3.170 3.580 3.118 3.658 x 2.624 3.853 4.854
N
34 145 104 49 17 349
91
1.500
155
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.271 7.971 6.085 5.325 4.250 3.579 3.847 3.686 2.679 2.624 4.842 4.604
124
370
0 Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
40-49 84 719 411 154 193 475
50+ Totaal 762 523 952 904 153 390 239 191 79 -18 943 665
% (M-V)/M 18-39 40-49 x 1,1 5,5 11,4 0,7 10,3 -1,3 4,0 x 6,8 2,4 8,9
50+Totaal 8,4 6,2 13,5 14,5 3,5 9,8 5,9 4,9 2,9 -0,7 16,3 12,6
M - V = Mannen - Vrouwen
De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau A (952 euro) en niveau A+ (762 euro). Bij de 18- tot 39-jarigen in niveaus C verdienen vrouwen iets meer dan mannen.
500 40-49
37 139 99 61 34 370
M-V 18-39 x 261 23 -40 x 94
Het gemiddelde maandsalaris van mannen ligt op 5.269 euro, dat van vrouwen op 4.604 euro, een verschil van 665 euro.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
N
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
123
Omgeving Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.192 7.391 4.507 5.776 3.161 3.922 2.894 3.494 2.736 3.041 3.764 4.899
400
677
50+ Totaal 8.659 8.106 6.636 5.771 4.420 3.900 4.091 3.692 3.205 3.077 5.366 4.867
842
1.919
Vrouwen 18-39 40-49 6.041 7.152 4.313 5.348 3.157 3.628 2.814 3.339 2.364 2.765 3.839 4.697
N
169 779 322 360 289 1.919
410
1.500
698
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.333 7.554 5.880 5.181 4.042 3.642 3.622 3.380 2.734 2.689 4.784 4.524
612
1.720
N
120 800 310 408 82 1.720
50+ A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
18-39 A+
40-49 A B C
% (M-V)/M 18-39 40-49 2,4 3,2 4,3 7,4 0,1 7,5 2,8 4,4 13,6 9,1 -2,0 4,1
50+Totaal 3,8 6,8 11,4 10,2 8,5 6,6 11,5 8,4 14,7 12,6 10,8 7,1
De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau A (756 euro) en niveau D (471 euro). In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen. Wel ligt het gemiddeld salaris van jonge vrouwen iets hoger dan dat van mannen.
0 40-49
50+ Totaal 326 551 756 590 378 258 469 312 471 387 581 344
Het gemiddelde maandsalaris van mannen ligt op 4.867 euro, dat van vrouwen op 4.524 euro, een vrij klein verschil van 344 euro.
Genderverschil M - V
500
Mannen A+
40-49 239 429 294 155 276 202
M - V = Mannen - Vrouwen
1.000
18-39
M-V 18-39 151 194 4 80 372 -75
50+ D
Mobiliteit en Openbare Werken Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 50+ Totaal 6.431 7.952 8.751 8.088 5.431 8.518 12.053 8.709 3.459 4.110 4.391 4.015 3.618 3.950 4.503 4.094 3.497 3.857 4.241 4.003 4.272 5.639 6.215 5.544
732
999
1.247
2.978
12.000 9.000 6.000 3.000 0
18-39
40-49
50+
Mannen A+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
Vrouwen 18-39 40-49 6.238 7.851 4.712 5.537 3.054 3.949 2.963 3.434 3.601 3.279 3.851 4.511
N
127 852 403 634 962 2.978
284
6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 -1.000
399
Genderverschil in euro
50+ Totaal 8.219 7.800 6.492 5.330 4.200 3.736 3.846 3.466 3.271 3.297 4.506 4.317
287
970
A
40-49 B C
50+ D
124
53 302 175 353 87 970
M-V 18-39 193 719 405 654 -104 421
40-49 101 2.981 161 515 578 1.128
50+ Totaal 532 288 5.561 3.379 191 279 657 628 970 707 1.709 1.228
% (M-V)/M 18-39 40-49 3,0 1,3 13,2 35,0 11,7 3,9 18,1 13,1 -3,0 15,0 9,9 20,0
50+Totaal 6,1 3,6 46,1 38,8 4,4 6,9 14,6 15,3 22,9 17,7 27,5 22,1
M - V = Mannen - Vrouwen
Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.544 euro, dat van vrouwen 4.317 euro, een verschil van 1.228 euro.
Genderverschil M - V
18-39 A+
N
De grootste genderverschillen zijn er in niveau A: bij 50plussers 5.561 euro en bij 40- tot 49-jarigen 2.981 euro. In volgend hoofdstuk laten we zien dat het gaat over zeer hoge inkomens van mannen in 1 entiteit. Bij de 18 tot 39-jarigen in niveau D verdienen vrouwen per maand gemiddeld 104 euro meer dan mannen.
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle beleidsdomeinen samen Functieniveau
Gemiddelde in euro Mannen A+ A B Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken 62,5 44,8 30,9 Financiën en Begroting 62,8 40,7 33,0 Economie, Wetenschap en Innovatie 61,8 41,7 30,9 Onderwijs en Vorming 66,4 43,3 29,7 Welzijn, Volksgezondheid en Gezin 62,5 44,6 34,3 Cultuur, Jeugd, Sport en Media 62,3 38,5 28,6 Werk en Sociale Economie 60,4 42,6 33,9 Landbouw en Visserij 65,7 48,0 31,9 Omgeving 63,3 45,9 31,1 Mobiliteit en Openbare Werken 61,4 82,4 31,7 Totaal 62,6 55,1 32,6 N 894 2.965 2.629
C 31,5 28,6 28,5 30,8 29,6 27,1 31,2 31,6 29,7 33,6 31,0
D 26,6 25,3 22,9 23,6 28,9 27,1 23,8 19,9 26,3 32,3 29,7
1.872
1.687
Tot 42,3 36,7 42,9 38,3 37,2 33,3 36,3 41,3 39,0 47,9 41,1
10.047
Mannen
N
855 430 286 376 1.057 477 1.338 349 1.919 2.960 10.047
Vrouwen A+ 58,8 57,9 60,4 61,2 62,0 60,9 55,2 62,9 59,6 61,6 59,7
684
A 41,5 43,5 42,1 40,9 41,8 41,0 41,0 45,6 44,6 45,8 42,8
3.158
B 29,5 36,1 32,1 29,0 30,2 29,6 30,5 30,4 31,9 31,0 30,6
5.089
C 29,4 30,1 32,8 31,7 28,1 29,3 29,0 31,1 29,0 29,6 29,4
D 24,7 25,7 26,7 26,1 26,7 25,7 24,1 23,3 25,4 28,6 25,4
2.545
879
Tot 35,5 35,6 40,4 36,3 32,4 33,8 32,4 38,8 38,7 36,6 34,7
12.355
N
1.240 626 287 588 3.093 442 3.019 370 1.720 970 12.355
Genderverschil in euro M-V A+ A B 3,7 3,3 1,4 4,9 -2,8 -3,1 1,4 -0,3 -1,1 5,3 2,4 0,7 0,5 2,8 4,1 1,3 -2,5 -1,1 5,2 1,6 3,4 2,8 2,4 1,5 3,7 1,3 -0,7 -0,2 36,6 0,7 2,9 12,2 2,1
C 2,1 -1,5 -4,3 -0,9 1,6 -2,2 2,2 0,5 0,6 3,9 1,6
D 1,9 -0,5 -3,8 -2,5 2,2 1,4 -0,2 -3,4 0,9 3,7 4,3
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil in euro
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse… Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
0
A+ A B
C D
20
40
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse… Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
60
-10
A+
A B C D
-5
0
5
10
15
20 25
30
35
40
Vrouwen Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse… Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal 0
In bijna alle beleidsdomeinen bestaat bij mannen en vrouwen een sterk positief verband tussen het gemiddeld uursalaris en het functieniveau.
A+ A
In het domein Mobiliteit en Openbare Werken ligt het uursalaris van mannen in niveau A veel hoger dan in de andere domeinen. Het betreft hier de medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. Voor deze groep is het genderverschil veel groter. Deze relatief grote groep weegt sterk door in het algemene gemiddelde.
B C
D
20
40
60
125
Tot 6,8 1,1 2,4 2,0 4,9 -0,6 3,9 2,5 0,2 11,3 6,4
Leeftijd
Gemiddelde in euro Mannen 18-39 31,3 28,2 29,8 29,1 29,9 23,6 28,7 30,9 30,1 35,4 31,0
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
2.552
Genderverschil in euro
40-49 42,4 35,4 43,2 38,1 38,0 36,5 35,5 41,6 38,9 48,1 41,5
50+ Totaal 48,3 42,3 44,0 36,7 50,6 42,9 44,4 38,3 43,6 37,2 38,9 33,3 40,5 36,3 45,5 41,3 43,2 39,0 55,0 47,9 46,9 41,1
3.219
4.276
10.047
N
855 430 286 376 1.057 477 1.338 349 1.919 2.960 10.047
Mannen
Vrouwen 18-39 40-49 31,5 37,6 30,7 36,7 34,0 41,7 30,3 38,1 27,4 34,3 28,9 34,9 28,3 33,4 32,3 40,9 33,0 39,9 33,2 37,6 29,5 36,4
3.964
4.073
50+ Totaal 37,3 35,5 37,5 35,6 42,6 40,4 40,0 36,3 38,8 32,4 36,4 33,8 34,6 32,4 41,0 38,8 41,3 38,7 38,4 36,6 37,8 34,7
4.318 12.355
N
1.240 626 287 588 3.093 442 3.019 370 1.720 970 12.355
M-V 18-39 -0,2 -2,5 -4,2 -1,2 2,5 -5,3 0,4 -1,4 -2,9 2,2 1,5
40-49 4,9 -1,3 1,5 0,1 3,7 1,6 2,1 0,7 -1,1 10,5 5,1
50+ Totaal 11,0 6,8 6,6 1,1 8,1 2,4 4,4 2,0 4,8 4,9 2,5 -0,6 5,8 3,9 4,5 2,5 2,0 0,2 16,6 11,3 9,0 6,4
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil in euro
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse… Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
0
18-39 40-49
50+
10
20
30
40
50
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
60
18-39 40-49 50+
-10
-5
0
5
10
15
20
Vrouwen Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse… Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
0
Bij mannen bestaat er in alle beleidsdomeinen een sterk positief verband tussen het uursalaris en de leeftijd. Bij vrouwen is dat verband minder algemeen en veel minder uitgesproken. In 4 beleidsdomeinen ligt het gemiddeld uursalaris van mannelijke 50-plussers boven 45 euro.
18-39 40-49 50+
10
20
30
40
50
60
In vrij veel beleidsdomeinen is het genderverschil bij 50-plussers zeer groot. Vooral het domein Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken weegt zwaar door wegens het relatief grote aantal medewerkers. Het betreft hier weer de groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. In een aantal beleidsdomeinen verdienen jongere vrouwen per uur iets meer dan hun mannelijke collega's. Bij de 40- tot 49-jarigen en de 50-plussers is dat in bijna geen enkel beleidsdomein het geval.
70
126
Per beleidsdomein Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 46,4 57,7 35,7 44,7 25,8 31,3 25,1 29,2 23,3 26,7 31,3 42,4
207
50+ Totaal 68,6 62,5 51,7 44,8 35,7 30,9 35,6 31,5 28,4 26,6 48,3 42,3
272
376
855
Vrouwen 18-39 40-49 47,3 55,2 36,2 43,6 26,1 29,9 25,0 28,3 23,9 24,2 31,5 37,6
N
179 319 128 134 95 855
80
398
50+ Totaal 65,6 58,8 50,7 41,5 34,9 29,5 31,5 29,4 25,0 24,7 37,3 35,5
468
1.240
N
127 411 237 230 235 1.240
20
0
0
-5 18-39
40-49
Mannen
50+
A+
A
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
40-49 2,5 1,2 1,4 0,9 2,5 4,9
50+ Totaal 2,9 3,7 1,0 3,3 0,7 1,4 4,1 2,1 3,3 1,9 11,0 6,8
% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,0 4,3 -1,4 2,6 -1,3 4,4 0,4 3,2 -2,7 9,2 -0,6 11,5
50+Totaal 4,3 6,0 2,0 7,4 2,1 4,7 11,5 6,6 11,7 7,2 22,7 16,0
Het gemiddeld salaris per gepresteerd werkuur ligt bij mannen op 42,3 euro en bij vrouwen op 35,5 euro, een verschil van 6,8 euro. Het salaris stijgt sterk met leeftijd en functieniveau.
5
40
M-V 18-39 -0,9 -0,5 -0,3 0,1 -0,6 -0,2
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
10
60
374
Genderverschil in euro
Het genderverschil is met 11 euro het grootste bij de 50plussers. Bij de 18- tot 39-jarigen verdienen vrouwen in bijna alle niveaus per gepresteerd werkuur iets meer dan mannen.
50+ D
Financiën en Begroting Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,2 59,5 34,6 43,0 26,9 32,2 23,7 27,8 24,3 22,6 28,2 35,4
133
123
50+ Totaal 66,1 62,8 49,5 40,7 38,1 33,0 34,0 28,6 26,9 25,3 44,0 36,7
174
430
80
Vrouwen 18-39 40-49 48,2 58,0 35,7 46,5 30,2 34,3 26,1 29,2 20,7 25,1 30,7 36,7
N
64 71 114 160 21 430
154
50+ Totaal 63,2 57,9 53,2 43,5 39,7 36,1 32,7 30,1 26,8 25,7 37,5 35,6
287
626
Genderverschil M - V
10
60
185
Genderverschil in euro
5
40 20
0
0
-5 18-39
40-49
50+
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
Mannen A+
A
50+
-10
N
57 84 159 272 54 626
M-V 18-39 -1,0 -1,2 -3,4 -2,4 3,6 -2,5
40-49 1,4 -3,5 -2,0 -1,3 -2,5 -1,3
50+ Totaal 2,9 4,9 -3,7 -2,8 -1,6 -3,1 1,3 -1,5 0,1 -0,5 6,6 1,1
% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,1 2,4 -3,4 -8,1 -12,5 -6,2 -10,3 -4,8 14,9 -11,0 -8,7 -3,7
50+Totaal 4,4 7,8 -7,5 -6,8 -4,1 -9,5 4,0 -5,2 0,2 -1,8 14,9 3,0
M - V = Mannen - Vrouwen
Het salaris per gepresteerd werkuur bedraagt hier bij mannen 36,7 euro en bij vrouwen 35,6 euro, een klein verschil van 1,1 euro. Het genderverschil ligt op 6,6 euro bij 50-plussers. In de meeste subgroepen verdienen vrouwen iets meer per werkuur dan mannen.
18-39 A+
40-49 A B
50+ C D 127
Economie, Wetenschap en Innovatie Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,1 58,3 32,1 42,9 24,5 32,6 23,8 28,2 x 21,7 29,8 43,2
79
50+ Totaal 66,0 61,8 49,7 41,7 36,0 30,9 33,5 28,5 25,1 22,9 50,6 42,9
78
129
286
N
89 87 37 54 19 286
80
64
40
79
Genderverschil in euro
50+ Totaal 67,3 60,4 47,4 42,1 36,5 32,1 34,9 32,8 26,7 26,7 42,6 40,4
144
287
N
55 89 52 71 20 287
40-49
50+
18-39
Mannen A+
A
40-49
50+
-5
Vrouwen C D
B
50+ Totaal -1,3 1,4 2,4 -0,3 -0,5 -1,1 -1,5 -4,3 -1,6 -3,8 8,1 2,4
% (M-V)/M 18-39 40-49 -7,4 0,6 -3,4 -2,5 0,6 -1,5 -0,3 -6,8 x -18,7 -14,0 3,4
50+Totaal -1,9 2,3 4,7 -0,8 -1,5 -3,6 -4,5 -15,1 -6,5 -16,7 16,0 5,7
Het genderverschil bedraagt 8,1 euro bij 50-plussers. Bij de meeste subgroepen verdienen vrouwen evenwel per uur meer dan mannen.
0
18-39
40-49 0,4 -1,1 -0,5 -1,9 -4,1 1,5
Het uursalaris van mannen bedraagt 42,9 euro en dat van vrouwen 40,4 euro, een verschil van 2,4 euro.
5
20
M-V 18-39 -3,6 -1,1 0,1 -0,1 x -4,2
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
10
60
0
Vrouwen 18-39 40-49 51,7 58,0 33,2 44,0 24,3 33,1 23,8 30,2 x 25,8 34,0 41,7
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
Onderwijs en Vorming Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x 58,3 35,7 42,3 25,4 31,3 24,1 28,1 x 21,5 29,1 38,1
109
100
50+ Totaal 71,1 66,4 49,9 43,3 33,9 29,7 34,5 30,8 24,9 23,6 44,4 38,3
167
376
80
Vrouwen 18-39 40-49 x 59,5 35,2 43,3 25,8 30,2 23,4 28,5 x 24,5 30,3 38,1
N
41 125 119 80 11 376
186
60
10
40
5
20
0
0
-5 18-39
40-49
50+
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
Mannen A+
A
50+
-10
192
Genderverschil in euro
50+ Totaal 66,8 61,2 48,2 40,9 34,5 29,0 34,2 31,7 27,4 26,1 40,0 36,3
210
588
Genderverschil M - V
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
128
N
54 186 177 148 23 588
M-V 18-39 x 0,5 -0,4 0,6 x -1,2
40-49 -1,2 -1,0 1,1 -0,4 -3,0 0,1
50+ Totaal 4,4 5,3 1,7 2,4 -0,6 0,7 0,3 -0,9 -2,5 -2,5 4,4 2,0
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+Totaal x -2,0 6,1 7,9 1,3 -2,3 3,5 5,5 -1,5 3,5 -1,7 2,5 2,6 -1,4 0,9 -2,9 x -14,0 -10,0 -10,5 -4,1 0,2 9,9 5,2
M - V = Mannen - Vrouwen
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 38,3 euro en dat van vrouwen op 36,3 euro, een klein verschil van 2,0 euro. Het genderverschil bedraagt 4,4 euro bij 50-plussers. De verschillen binnen de subgroepen zijn klein. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A+ (4,4 euro). In enkele subgroepen vedienen vrouwen iets meer dan hun mannelijke collega's.
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 51,7 59,4 35,6 43,8 29,5 35,1 24,1 28,0 27,6 28,6 29,9 38,0
364
50+ Totaal 67,9 62,5 50,1 44,6 40,8 34,3 34,1 29,6 30,9 28,9 43,6 37,2
311
382
1.057
Vrouwen 18-39 40-49 49,1 56,6 36,1 43,0 26,3 32,7 23,9 27,2 26,0 25,1 27,4 34,3
N
95 181 492 207 82 1.057
80
1.391
40
5
20
0
0
50+ Totaal 67,3 62,0 49,0 41,8 37,0 30,2 31,9 28,1 27,7 26,7 38,8 32,4
791
3.093
N
84 467 1.949 512 81 3.093
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
50+
-10
Vrouwen C D
40-49 2,8 0,8 2,3 0,7 3,4 3,7
50+ Totaal 0,6 0,5 1,1 2,8 3,8 4,1 2,2 1,6 3,2 2,2 4,8 4,9
% (M-V)/M 18-39 40-49 4,9 4,7 -1,6 1,9 11,0 6,7 0,8 2,7 5,9 12,0 8,4 9,7
50+Totaal 0,9 0,8 2,1 6,3 9,3 11,8 6,3 5,3 10,3 7,7 10,9 13,1
Het uursalaris van mannen bedraagt 37,2 euro en dat van vrouwen 32,4 euro, een verschil van 4,9 euro. Het genderverschil bij 50-plussers ligt op 4,8 euro. De verschillen in de subgroepen zijn klein. Jonge vrouwen in niveau A verdienen per uur iets meer dan mannen.
-5 18-39
M-V 18-39 2,5 -0,6 3,2 0,2 1,6 2,5
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
10
60
911
Genderverschil in euro
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
Cultuur, Jeugd, Sport en Media Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x 56,6 26,2 42,9 24,8 30,5 17,9 29,4 25,7 26,5 23,6 36,5
155
131
50+ Totaal 66,9 62,3 50,6 38,5 36,9 28,6 34,6 27,1 27,8 27,1 38,9 33,3
191
477
80
Vrouwen 18-39 40-49 x 59,4 34,2 43,9 23,9 30,7 23,0 27,7 23,6 25,3 28,9 34,9
N
40 124 74 113 126 477
126
40
5
20
0
0
-5 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-10
50+ Totaal 63,2 60,9 48,4 41,0 36,0 29,6 32,3 29,3 26,3 25,7 36,4 33,8
195
442
Genderverschil M - V
10
60
121
Genderverschil in euro
N
23 136 71 120 92 442
M-V 18-39 x -8,0 0,8 -5,1 2,1 -5,3
40-49 -2,8 -1,0 -0,3 1,7 1,2 1,6
50+ Totaal 3,7 1,3 2,3 -2,5 0,9 -1,1 2,3 -2,2 1,5 1,4 2,5 -0,6
% (M-V)/M 18-39 40-49 x -4,9 -30,6 -2,3 3,3 -0,9 -28,4 5,9 8,1 4,4 -22,4 4,4
50+Totaal 5,6 2,1 4,5 -6,5 2,3 -3,8 6,5 -8,0 5,4 5,3 6,3 -1,8
M - V = Mannen - Vrouwen
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 33,3 euro en dat van vrouwen op 33,8 euro, een klein verschil van 0,5 euro in het voordeel van vrouwen. De genderverschillen in de subgroepen zijn vrij klein. Jongere vrouwen in niveaus A+, A en C verdienen duidelijk meer dan hun mannelijke collega's.
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
129
Werk en Sociale Economie Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,1 60,8 34,4 42,4 26,2 33,0 23,2 28,9 22,2 21,4 28,7 35,5
314
50+ Totaal 62,9 60,4 47,9 42,6 38,4 33,9 34,7 31,2 24,8 23,8 40,5 36,3
377
647
1.338
Vrouwen 18-39 40-49 47,7 54,4 35,6 42,1 25,7 30,8 24,9 27,1 23,5 22,8 28,3 33,4
N
56 300 836 81 65 1.338
80
860
40
5
20
0
0
50+ Totaal 59,5 55,2 46,7 41,0 34,4 30,5 30,5 29,0 24,4 24,1 34,6 32,4
1.200
3.019
N
74 544 1.860 370 171 3.019
40-49
50+
18-39
Mannen A+
A
B
40-49
50+
-10
Vrouwen C D
40-49 6,4 0,3 2,2 1,8 -1,5 2,1
50+ Totaal 3,4 5,2 1,2 1,6 4,0 3,4 4,2 2,2 0,4 -0,2 5,8 3,9
% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,4 10,5 -3,7 0,6 1,9 6,6 -7,4 6,2 -6,2 -6,9 1,4 5,9
50+Totaal 5,4 8,6 2,6 3,8 10,4 10,1 12,0 7,1 1,8 -1,0 14,4 10,6
Het uursalaris van mannen bedraagt 36,3 euro, dat van vrouwen 32,4 euro, een verschil van 3,9 euro. De genderverschillen zijn vrij klein. Het grootste verschil is er 40 tot 49-jarigen in niveau A+ (6,4 euro per werkuur). Jonge vrouwen in niveau A+, A, C en D verdienen per uur iets meer dan mannen.
-5 18-39
M-V 18-39 -0,6 -1,3 0,5 -1,7 -1,4 0,4
M - V = Mannen - Vrouwen
Genderverschil M - V
10
60
959
Genderverschil in euro
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
Landbouw en Visserij Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x 61,3 36,9 48,9 25,1 31,7 25,3 30,0 x 21,0 30,9 41,6
59
157
50+ Totaal 69,2 65,7 53,8 48,0 36,2 31,9 34,2 31,6 21,3 19,9 45,5 41,3
133
349
80
N
34 145 104 49 17 349
91
40
155
Genderverschil in euro
50+ Totaal 64,6 62,9 52,2 45,6 36,2 30,4 33,4 31,1 24,5 23,3 41,0 38,8
124
370
Genderverschil M - V
10
60
5
20 0
Vrouwen 18-39 40-49 x 61,8 38,1 48,1 26,3 30,8 24,3 30,3 x 21,1 32,3 40,9
40-49
50+
18-39
Mannen A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-5
37 139 99 61 34 370
M-V 18-39 x -1,2 -1,3 1,1 x -1,4
40-49 -0,5 0,8 1,0 -0,3 -0,1 0,7
50+ Totaal 4,6 2,8 1,6 2,4 0,1 1,5 0,7 0,5 -3,2 -3,4 4,5 2,5
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+Totaal x -0,7 6,7 4,3 -3,3 1,6 2,9 5,1 -5,0 3,0 0,2 4,8 4,2 -1,0 2,1 1,6 x -0,3 -14,8 -17,2 -4,4 1,6 9,9 6,0
M - V = Mannen - Vrouwen
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 41,3 euro, dat van vrouwen op 38,8 euro, een klein verschil van 2,5 euro. Het grootste genderverschil is er bij de 50-plussers in niveau A+ (4,6 euro). In enkele subgroepen verdienen vrouwen meer dan mannen.
0 18-39
N
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
130
Omgeving Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 46,7 57,2 35,6 45,8 25,3 31,3 23,6 27,9 22,8 25,0 30,1 38,9
400
50+ Totaal 68,0 63,3 53,1 45,9 35,2 31,1 32,9 29,7 27,9 26,3 43,2 39,0
677
842
1.919
Vrouwen 18-39 40-49 50,4 55,9 37,3 45,9 27,1 31,6 23,5 28,1 21,6 24,9 33,0 39,9
N
169 779 322 360 289 1.919
80
410
60
10
40
5
20
0
0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
40-49
A
B
C
50+ Totaal 65,4 59,6 50,7 44,6 35,9 31,9 31,8 29,0 26,2 25,4 41,3 38,7
612
1.720
N
120 800 310 408 82 1.720
-10
A+
D
40-49 A B
C
40-49 1,3 -0,1 -0,3 -0,2 0,1 -1,1
50+ Totaal 2,7 3,7 2,4 1,3 -0,7 -0,7 1,1 0,6 1,7 0,9 2,0 0,2
% (M-V)/M 18-39 40-49 -8,0 2,2 -4,7 -0,2 -7,1 -1,0 0,6 -0,6 5,4 0,3 -9,7 -2,7
50+Totaal 3,9 5,9 4,5 2,8 -2,1 -2,4 3,2 2,2 6,2 3,4 4,6 0,5
Het uursalaris van mannen ligt op 39,0 euro, dat van vrouwen op 38,7 euro, een zeer klein verschil van 0,3 euro. De genderverschillen zijn klein. Het grootste verschil is er bij de 18 tot 39 jarigen in niveau A+ (-3,7 euro per werkuur). Bij de 18 tot 39 jarigen in niveaus A+, A en B verdienen vrouwen iets meer dan mannen. Gemiddeld vierdienen jonge vrouwen 2,9 euro meer dan jonge mannen.
Genderverschil M - V
18-39
M-V 18-39 -3,7 -1,7 -1,8 0,2 1,2 -2,9
M - V = Mannen - Vrouwen
-5
50+
Vrouwen A+
698
Genderverschil in euro
50+ D
Mobiliteit en Openbare Werken Gemiddelde in euro
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,0 60,3 47,1 78,9 27,2 32,2 29,4 31,9 27,9 30,7 35,4 48,1
732
993
50+ Totaal 66,5 61,4 121,6 82,4 35,3 31,7 37,5 33,6 34,5 32,3 55,0 47,9
1.235
2.960
150 100 50 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
Vrouwen 18-39 40-49 48,7 60,8 41,2 47,3 26,2 31,9 25,4 29,0 29,6 28,0 33,2 37,6
N
127 834 403 634 962 2.960
284
80 60 40 20 0 -20
399
Genderverschil in euro
50+ Totaal 66,8 61,6 54,6 45,8 35,3 31,0 33,3 29,6 28,8 28,6 38,4 36,6
287
970
Genderverschil M - V
18-39 A+
40-49 A B C 131
50+ D
N
53 302 175 353 87 970
M-V 18-39 0,3 5,9 1,0 4,0 -1,7 2,2
40-49 -0,5 31,6 0,3 3,0 2,7 10,5
50+ Totaal -0,4 -0,2 67,1 36,6 0,1 0,7 4,2 3,9 5,7 3,7 16,6 11,3
% (M-V)/M 18-39 40-49 0,7 -0,8 12,6 40,0 3,6 0,8 13,8 9,3 -6,1 8,7 6,2 21,8
50+Totaal -0,5 -0,3 55,1 44,4 0,2 2,3 11,2 11,7 16,5 11,5 30,2 23,6
M - V = Mannen - Vrouwen
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen bedraagt 47,9 euro, dat van vrouwen 36,6 euro, een groot verschil van 11,3 euro. De gender verschillen in de subgroepen zijn zeer klein, behalve in niveau A: bij 50-plussers 67,1 euro en bij 40-49jarigen 31,6 euro. Het betreft zeer hoge inkomens van mannen in 1 entiteit.
8 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd, beleidsdomein en entiteit Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar verklaringen voor de grote verschillen in het totaal bruto maandsalaris naar gender, fu nctieniveau en leeftijd, die in de vorige hoofdstukken werden gevonden. Hiervoor onderzoeken we de relatie van deze factoren met het beleids domein en de entiteiten binnen elk beleidsdomein. Eerst werden in twee vier-dimensionale tabellen per beleidsdomein en entiteit de gemiddelde waarden van het totaal bruto salaris samengebracht, met bijkomend onderscheid naar gender en functieniveau en naar gender en leeftijd. Het doel daarvan was de sub groepen te vinden met een relatief veel hoger maandsalaris en groter genderverschil. Die gedetailleerde tabellen worden hier niet opgeno men. Ze zijn beschikbaar als afzonderlijke bijlage en kunnen op speciaal verzoek worden geraadpleegd. Uitgaande van die tabellen brachten we de beleidsdomeinen en entiteiten van de werknemers met een maandsalaris hoger dan 10.0 00 euro in kaart. Belangrijk daarbij is het gemiddeld inkomen en het aantal werknemers in de diverse subgroepen. Op basis daarvan vonden we het beleidsdomein en de entiteit met veruit de meeste werknemers met een totaal bruto maandsalaris hoger dan 10.000 euro. Zo werd voor die entiteit het verband tussen maandsalaris, gender, functieniveau en leeftijd afzonderlijk be paald. Omwille van privacyregels geven we hier geen gedetailleerde tabellen over de werknemers met een zeer hoog salaris met het ond erscheid naar beleidsdomein en entiteit. We tonen een aantal overzichtstabellen met de gemiddelde waarden van het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd w erkuur) en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd, met een tweevoudige selectie van de werknemers. 1. alle werknemers, 2. alle werknemers behalve de werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust met gemiddeld zeer hoge sa larissen. Aangezien de hoge bruto toelagen grotendeels de oorzaak zijn van de zeer hoge salarissen en de zeer grote genderverschillen, tonen we soortgelijke tabellen voor het bruto salaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en toelagen) en de daaraan verbonden gend erverschillen.
132
In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken zijn er zeer hoge salarissen en zeer grote genderverschillen in het Agents chap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK), meer specifiek in niveau A en vooral bij 50 -plussers. De gemiddelde waarden van Agentschap MDK wegen relatief zeer sterk door in de algemene gemiddelden van alle entiteiten samen, ook in het algemene genderverschil. Het gemiddelde genderverschil voor het totaal bruto maandsalaris bedraagt in alle entiteiten 1.009 euro, tegenover 719 euro w anneer Agentschap MDK niet wordt meegerekend. De sterkste daling in de genderverschillen tussen alle entiteiten en de entiteiten zon der Agentschap MDK is er bij de 50-plussers in niveau A. De invloed van het weglaten van Agentschap MDK en van de bruto toelagen wordt duidelijk wanneer de genderverschillen voor het totaal bruto maandsalaris worden vergeleken met die voor het bruto maandsalaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en toelagen). Voor het bruto maandsalaris bedraagt het gemiddelde genderverschil voor alle entiteiten samen 569 euro. Door het wegvallen van de brut o toelagen in het bruto maandsalaris vermindert het totale genderverschil voor alle entiteiten van 1.009 euro tot 569 per maand. Bij de 50 -plussers in niveau A daalt het genderverschil weer het sterkst. Door het weglaten van Agentschap MDK daalt het genderverschil bijkomend van 569 euro per tot 542 euro maand. De sterkste dali ng in het genderverschil is er opnieuw bij de 50-plussers in niveau A. De verschuiving van het totaal bruto maandsalaris naar het bruto maandsalaris leidt tot de grootste daling van het gemiddelde maandsalaris en het algemene genderverschil, omdat de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten wegvallen. Het weglaten va n Agentschap MDK impliceert een kleinere bijkomende daling doordat de impact van de hogere bruto toelagen en de hogere salarisschalen in d at agentschap wegvalt.
Ongeveer hetzelfde resultaat is er voor het totaal bruto salaris en bruto salaris per gepresteerd werkuur.
133
Totaal bruto salaris per maand Alle entiteiten Leeftijd Functieniveau
18-39
Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 40-49 Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 50+ Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) Totaal Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N)
10.000
Mannen A+ 6.189 0,5 0,3 77 7.625 2,5 1,4 323 8.645 4,3 2,2 494 8.065 7,3 4,0 894
Mannen
A 4.672 4,0 3,8 855 6.544 7,0 4,7 1.055 7.831 8,5 4,8 1.073 6.470 19,4 13,3 2.983
B 3.317 2,7 3,6 798 4.049 3,7 4,0 901 4.523 4,2 4,1 930 3.994 10,6 11,7 2.629
C 3.106 1,5 2,1 468 3.696 2,1 2,5 556 4.238 3,6 3,8 848 3.794 7,2 8,3 1.872
Vrouwen A+ 5.997 0,6 0,4 95 7.276 2,1 1,3 282 8.218 2,5 1,4 307 7.521 5,2 3,1 684
D Tot 3.169 3.798 1,1 9,8 1,6 11,4 354 2.552 3.491 5.095 1,4 16,6 1,7 14,4 390 3.225 3.761 5.602 3,6 24,2 4,2 19,1 943 4.288 3.574 4.982 6,1 50,5 7,5 44,9 1.687 10.065
A 4.240 5,1 5,3 1.183 5.209 6,5 5,5 1.229 5.790 4,4 3,3 746 4.983 15,9 14,1 3.158
B 2.910 6,0 9,1 2.042 3.558 5,8 7,2 1.625 3.922 5,6 6,3 1.422 3.400 17,4 22,7 5.089
C 2.807 1,5 2,4 533 3.290 2,4 3,3 734 3.651 4,7 5,7 1.278 3.370 8,6 11,4 2.545
D Tot 2.514 3.356 0,3 13,4 0,5 17,7 111 3.964 2.679 4.222 0,5 17,3 0,9 18,2 203 4.073 2.665 4.306 1,5 18,7 2,5 19,3 565 4.318 2.649 3.973 2,3 49,5 3,9 55,1 879 12.355
Vrouwen
10.000
6.000
6.000
1500
4.000
4.000
1000
2.000
2.000
500
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
D Tot 655 442 0,8 -3,6 1,1 -6,3 243 -1.412 813 873 0,9 -0,7 0,8 -3,8 187 -848 1.096 1.296 2,1 5,5 1,7 -0,2 378 -30 925 1.009 3,8 1,0 3,6 -10,2 808 -2.290
2500
8.000
18-39
C 299 0,0 -0,3 -65 406 -0,3 -0,8 -178 587 -1,1 -1,9 -430 424 -1,4 -3,1 -673
Genderverschil M - V
8.000
0
Genderverschil M - V A+ A B 192 432 407 -0,1 -1,1 -3,3 -0,1 -1,5 -5,5 -18 -328 -1.244 349 1.334 491 0,4 0,5 -2,1 0,1 -0,8 -3,2 41 -174 -724 426 2.040 601 1,8 4,1 -1,4 0,8 1,5 -2,2 187 327 -492 544 1.487 595 2,1 3,5 -6,8 0,9 -0,8 -11,0 210 -175 -2.460
2000
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
0
D
We geven 2 tabellen met de gemiddelde waarden voor mannen en vrouwen van het totaal bruto maandsalaris, het aandeel van de salarissom en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bovenstaande tabel geldt voor alle werknemers in Vlimpers, onderstaande tabel voor alle werknemers behalve die van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust. Voor alle mannelijke werknemers bedraagt het gemiddeld totaal bruto maandsalaris bij mannen 4.982 euro en bij vrouwen 3.973 euro. Het genderverschil ligt op 1.009 euro per maand.
134
18-39 A+
40-49 A
B
50+ C
D
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Leeftijd Functieniveau
18-39
Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 40-49 Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 50+ Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) Totaal Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N)
10.000
Mannen A+ 6.196 0,5 0,4 75 7.628 2,6 1,5 317 8.646 4,7 2,3 492 8.073 7,8 4,1 884
Mannen
A 4.439 3,9 3,8 806 5.714 5,9 4,4 936 6.370 6,3 4,2 908 5.551 16,1 12,4 2.650
B 3.316 2,8 3,6 780 4.045 3,9 4,1 886 4.518 4,6 4,3 921 3.994 11,3 12,1 2.587
C 2.969 1,4 2,0 421 3.614 2,0 2,4 513 4.112 3,5 3,6 775 3.681 6,9 8,0 1.709
D 2.946 0,9 1,3 272 3.334 1,2 1,5 324 3.459 2,8 3,4 735 3.324 4,8 6,2 1.331
Vrouwen A+ 5.985 0,6 0,4 93 7.243 2,2 1,3 277 8.214 2,8 1,4 306 7.509 5,6 3,2 676
Tot 3.688 9,5 11,0 2.354 4.800 15,6 13,9 2.976 5.202 21,8 17,9 3.831 4.682 47,0 42,9 9.161
A 4.229 5,4 5,5 1.169 5.185 6,9 5,7 1.219 5.760 4,7 3,5 738 4.963 17,0 14,6 3.126
B 2.909 6,5 9,5 2.036 3.557 6,3 7,6 1.619 3.918 6,1 6,6 1.415 3.397 18,9 23,7 5.070
C 2.781 1,6 2,4 513 3.275 2,6 3,3 711 3.630 5,0 5,9 1.251 3.352 9,1 11,6 2.475
D 2.476 0,3 0,5 109 2.672 0,6 0,9 200 2.664 1,6 2,6 558 2.643 2,5 4,1 867
Tot 3.347 14,4 18,3 3.920 4.210 18,6 18,8 4.026 4.296 20,1 20,0 4.268 3.963 53,0 57,1 12.214
Vrouwen
10.000
6.000
6.000
1500
4.000
4.000
1000
2.000
2.000
500
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
D Tot 470 341 0,6 -4,9 0,8 -7,3 163 -1.566 662 590 0,6 -3,0 0,6 -4,9 124 -1.050 795 905 1,2 1,7 0,8 -2,1 177 -437 682 719 2,3 -6,0 2,1 -14,2 464 -3.053
2500
8.000
18-39
C 188 -0,2 -0,4 -92 339 -0,6 -0,9 -198 481 -1,5 -2,3 -476 329 -2,2 -3,6 -766
Genderverschil M - V
8.000
0
Genderverschil M - V A+ A B 211 210 407 -0,1 -1,5 -3,7 0,0 -1,7 -5,9 -18 -363 -1.256 385 529 488 0,4 -1,0 -2,4 0,2 -1,3 -3,5 40 -283 -733 432 609 600 1,9 1,6 -1,5 0,9 0,7 -2,3 186 170 -494 564 588 596 2,2 -0,9 -7,6 0,9 -2,2 -11,6 208 -476 -2.483
2000
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39 A+
40-49 A
B
Het weglaten van de werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust leidt bij mannen tot een daling van het gemiddeld totaal bruto maandsalaris van 4.982 euro (1ste tabel) tot 4.682 euro (2de tabel). Bij mannen in niveau A daalt het maandsalaris van 6.370 euro tot 5.551 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 7.831 euro tot 6.370 euro. Aangezien bij vrouwen met het weglaten van dat agentschap nagenoeg geen wijzigingen optreden, daalt het algemene genderverschil sterk, van 1.009 euro tot 719 euro. Bij werknemers in niveau A daalt het genderverschil van 1.487 euro tot 588 euro. Opnieuw doet de sterkste daling zich voor bij de 50-plussers in niveau A, van 2.040 tot 609 euro.
De tabel zonder de medewerkers van entiteit MDK laat met andere woorden de totaal bruto maandsalarissen en genderverschillen zien die gelden voor de grote meerderheid van de medewerkers van de VO en die verbonden zijn met de factoren die eerder aan bod kwamen: functieniveau, leeftijd, aantal werkdagen per jaar, beroepsstatuut en dienstanciënniteit.
135
50+ C
D
Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle entiteiten Leeftijd Functieniveau
18-39 40-49 50+ Totaal
Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N)
Mannen A+ 48,5 77 58,7 323 67,4 494 62,6 894
A 38,3 855 55,1 1.049 68,5 1.061 55,1 2.965
B 27,0 798 32,6 901 37,6 930 32,6 2.629
C 25,2 468 29,8 556 35,0 848 31,0 1.872
D Tot 26,1 31,0 354 2.552 28,4 41,5 390 3.219 31,5 46,9 943 4.276 29,7 41,1 1.687 10.047
Vrouwen A+ A 49,0 36,7 95 1.183 57,2 44,6 282 1.229 65,2 49,6 307 746 59,7 42,8 684 3.158
B 26,1 2.042 31,7 1.625 35,6 1.422 30,6 5.089
C 24,5 533 28,2 734 32,2 1.278 29,4 2.545
D Tot 24,0 29,5 111 3.964 24,9 36,4 203 4.073 25,8 37,8 565 4.318 25,4 34,7 879 12.355
Genderverschil M - V A+ A B -0,5 1,6 0,9 -18 -328 -1.244 1,5 10,4 0,9 41 -180 -724 2,1 18,9 1,9 187 315 -492 2,9 12,2 2,1 210 -193 -2.460
C 0,8 -65 1,6 -178 2,9 -430 1,6 -673
D Tot 2,1 1,5 243 -1.412 3,6 5,1 187 -854 5,7 9,0 378 -42 4,3 6,4 808 -2.308
C 23,9 421 28,9 513 33,9 775 29,9 1.709
D 24,7 272 27,3 324 29,5 735 28,0 1.331
Vrouwen A+ A 49,0 36,6 93 1.169 57,0 44,3 277 1.219 65,2 49,3 306 738 59,6 42,6 676 3.126
B 26,1 2.036 31,6 1.619 35,6 1.415 30,5 5.070
C 24,2 513 28,1 711 32,0 1.251 29,2 2.475
D 23,8 109 24,9 200 25,9 558 25,4 867
Genderverschil M - V A+ A B -0,4 -1,4 0,8 -18 -363 -1.256 1,7 0,6 0,9 40 -283 -733 2,2 1,7 1,9 186 170 -494 3,1 1,5 2,1 208 -476 -2.483
C -0,3 -92 0,8 -198 1,9 -476 0,7 -766
D Tot 0,9 0,2 163 -1.566 2,4 1,8 124 -1.050 3,6 4,5 177 -437 2,6 3,0 464 -3.053
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Leeftijd Functieniveau
18-39 40-49 50+ Totaal
Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N)
Mannen A+ 48,6 75 58,7 317 67,4 492 62,7 884
A 35,2 806 45,0 936 51,0 908 44,1 2.650
B 27,0 780 32,5 886 37,5 921 32,6 2.587
Tot 29,7 2.354 38,0 2.976 42,3 3.831 37,7 9.161
Tot 29,5 3.920 36,3 4.026 37,8 4.268 34,6 12.214
Genderverschil M - V
Twee soortgelijke overzichtstabellen tonen het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bij mannen zien we een daling van het gemiddeld totaal bruto uursalaris van 41,1 euro bij alle werknemers in de 1ste tabel tot 37,7 euro zonder werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (2de tabel). Bij mannen in niveau A daalt het uursalaris van 55,1 euro tot 44,1 euro. De sterkste daling is er weer bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 68,5 euro tot 51,0 euro. Bij vrouwen zijn er met het weglaten van dat agentschap nagenoeg geen wijzigingen. Bijgevolg daalt het algemene genderverschil van 6,4 euro tot 3,0 euro. Bij werknemers in niveau A daalt het genderverschil van 12,2 euro tot 1,5 euro. De sterkste daling is weer zichtbaar bij de 50-plussers in niveau A, van 18,9 euro tot 1,7 euro. Hoewel ook in niveau D het genderverschil daalt van 4,2 euro tot 2,6, blijft het bijna even hoog als in niveau A+. De 2de tabel toont dus de uursalarissen en genderverschillen die gelden voor de grote meerderheid van de medewerkers van de VO, in relatie tot de centrale factoren functieniveau en leeftijd.
15 10 5 0
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
Zonder Agentschap MDK
15 10 5 0
136
Alle entiteiten
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
Bruto salaris per maand Alle entiteiten Leeftijd Functieniveau
18-39
Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 40-49 Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 50+ Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) Totaal Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N)
10.000
Mannen A+ 5.425 0,5 0,3 77 6.677 2,6 1,4 323 7.557 4,5 2,2 494 7.055 7,6 4,0 894
Mannen
A 3.933 4,0 3,8 855 5.136 6,5 4,7 1.055 5.884 7,6 4,8 1.073 5.060 18,2 13,3 2.983
B 2.767 2,7 3,6 798 3.457 3,8 4,0 901 3.916 4,4 4,1 930 3.410 10,8 11,7 2.629
C 2.473 1,4 2,1 468 2.989 2,0 2,5 556 3.487 3,6 3,8 848 3.085 7,0 8,3 1.872
Vrouwen A+ 5.282 0,6 0,4 95 6.376 2,2 1,3 282 7.235 2,7 1,4 307 6.610 5,4 3,1 684
D Tot 2.162 3.100 0,9 9,5 1,6 11,4 354 2.552 2.476 4.129 1,2 16,0 1,7 14,4 390 3.225 2.722 4.480 3,1 23,1 4,2 19,1 943 4.288 2.548 4.018 5,2 48,7 7,5 44,9 1.687 10.065
A 3.732 5,3 5,3 1.183 4.555 6,7 5,5 1.229 5.065 4,5 3,3 746 4.367 16,6 14,1 3.158
B 2.497 6,1 9,1 2.042 3.086 6,0 7,2 1.625 3.420 5,9 6,3 1.422 2.943 18,0 22,7 5.089
C 2.382 1,5 2,4 533 2.827 2,5 3,3 734 3.174 4,9 5,7 1.278 2.908 8,9 11,4 2.545
D Tot 1.951 2.901 0,3 13,8 0,5 17,7 111 3.964 2.177 3.665 0,5 18,0 0,9 18,2 203 4.073 2.239 3.748 1,5 19,5 2,5 19,3 565 4.318 2.188 3.449 2,3 51,3 3,9 55,1 879 12.355
Vrouwen
10.000
6.000
6.000
1500
4.000
4.000
1000
2.000
2.000
500
0
0
A+
A
B
50+ C
D
D Tot 212 199 0,6 -4,3 1,1 -6,3 243 -1.412 299 464 0,7 -2,0 0,8 -3,8 187 -848 483 732 1,6 3,6 1,7 -0,2 378 -30 359 569 2,9 -2,6 3,6 -10,2 808 -2.290
2500
8.000
40-49
C 91 -0,1 -0,3 -65 161 -0,5 -0,8 -178 312 -1,3 -1,9 -430 177 -1,9 -3,1 -673
Genderverschil M - V
8.000
18-39
Genderverschil M - V A+ A B 143 200 271 -0,1 -1,3 -3,4 -0,1 -1,5 -5,5 -18 -328 -1.244 301 581 371 0,4 -0,2 -2,2 0,1 -0,8 -3,2 41 -174 -724 322 819 496 1,8 3,1 -1,5 0,8 1,5 -2,2 187 327 -492 446 693 467 2,2 1,6 -7,2 0,9 -0,8 -11,0 210 -175 -2.460
2000
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
0
D
Ter vergelijking geven we dezelfde tabellen met het bruto maandsalaris (zonder bruto toelagen), hierboven de tabel voor alle werknemers in Vlimpers, hieronder de tabel voor alle werknemers behalve die van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.
137
18-39 A+
40-49 A
B
50+ C
D
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Leeftijd Functieniveau
18-39
Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 40-49 Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) 50+ Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N) Totaal Gemiddeld salaris in euro Aandeel in salarissom (%) Aandeel in aantal personen (%) Aantal personen (N)
Mannen A+ 5.443 0,5 0,4 75 6.678 2,7 1,5 317 7.559 4,7 2,3 492 7.063 7,9 4,1 884
Mannen
10.000
A 3.884 4,0 3,8 806 5.003 6,0 4,4 936 5.595 6,5 4,2 908 4.866 16,4 12,4 2.650
B 2.766 2,7 3,6 780 3.457 3,9 4,1 886 3.914 4,6 4,3 921 3.411 11,2 12,1 2.587
C 2.457 1,3 2,0 421 2.985 1,9 2,4 513 3.461 3,4 3,6 775 3.071 6,7 8,0 1.709
D 2.156 0,7 1,3 272 2.465 1,0 1,5 324 2.645 2,5 3,4 735 2.501 4,2 6,2 1.331
Vrouwen A+ 5.279 0,6 0,4 93 6.355 2,2 1,3 277 7.231 2,8 1,4 306 6.604 5,7 3,2 676
Tot 3.108 9,3 11,0 2.354 4.097 15,5 13,9 2.976 4.446 21,7 17,9 3.831 3.989 46,5 42,9 9.161
A 3.730 5,5 5,5 1.169 4.547 7,0 5,7 1.219 5.051 4,7 3,5 738 4.361 17,3 14,6 3.126
B 2.495 6,5 9,5 2.036 3.085 6,4 7,6 1.619 3.416 6,1 6,6 1.415 2.941 19,0 23,7 5.070
C 2.376 1,6 2,4 513 2.826 2,6 3,3 711 3.169 5,0 5,9 1.251 2.906 9,1 11,6 2.475
D 1.947 0,3 0,5 109 2.171 0,6 0,9 200 2.241 1,6 2,6 558 2.188 2,4 4,1 867
Tot 2.899 14,5 18,3 3.920 3.662 18,7 18,8 4.026 3.746 20,3 20,0 4.268 3.446 53,5 57,1 12.214
Vrouwen
10.000
6.000
6.000
1500
4.000
4.000
1000
2.000
2.000
500
0
0
A+
A
B
50+ C
D
D Tot 209 210 0,4 -5,2 0,8 -7,3 163 -1.566 294 435 0,4 -3,2 0,6 -4,9 124 -1.050 404 699 0,9 1,4 0,8 -2,1 177 -437 314 542 1,8 -7,0 2,1 -14,2 464 -3.053
2500
8.000
40-49
C 81 -0,3 -0,4 -92 159 -0,7 -0,9 -198 292 -1,6 -2,3 -476 165 -2,4 -3,6 -766
Genderverschil M - V
8.000
18-39
Genderverschil M - V A+ A B 164 154 271 -0,1 -1,5 -3,8 0,0 -1,7 -5,9 -18 -363 -1.256 323 456 372 0,5 -1,0 -2,5 0,2 -1,3 -3,5 40 -283 -733 328 545 497 1,9 1,8 -1,5 0,9 0,7 -2,3 186 170 -494 460 505 471 2,2 -0,9 -7,8 0,9 -2,2 -11,6 208 -476 -2.483
2000
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39 A+
40-49 A
B
Bij mannen ligt het gemiddeld bruto maandsalaris op 4.018 euro bij alle werknemers (1ste tabel), 964 euro lager dan het gemid deld totaal bruto maandsalaris. Bij alle werknemers zonder het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bedraagt het 3.98 9 euro (2de tabel), een bijkomende daling met 29 euro. Bij vrouwen zijn de verschillen veel kleiner. Bij mannen in niveau A ligt het bruto maandsalaris op 5.060 euro en zonder het agentschap MDK op 4.866 euro. De sterkste dali ng is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, tot 5.884 euro en 5.595 zonder MDK. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris bedraagt 569 euro, zonder MDK 542 euro. De verschuiving van totaal bruto maandsalaris naar bruto maandsalaris (zonder bruto toelagen) leidt tot de grootste daling va n de gemiddelde salarissen en het genderverschil, omdat de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten worden uitgeschakeld. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust impliceert een kleinere bijkomende dali ng
138
50+ C
D
Bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle entiteiten Leeftijd Functieniveau
18-39 40-49 50+ Totaal
Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N)
Mannen A+ 42,6 77 51,4 323 58,9 494 54,8 894
A 31,8 855 42,5 1.055 50,7 1.073 42,4 2.983
B 22,5 798 27,8 901 32,5 930 27,9 2.629
C 20,1 468 24,1 556 28,8 848 25,2 1.872
D Tot 18,0 25,2 354 2.552 20,3 33,4 390 3.225 23,0 37,3 943 4.288 21,3 33,0 1.687 10.065
Vrouwen A+ A 43,2 32,3 95 1.183 50,2 39,0 282 1.229 57,4 43,3 307 746 52,5 37,5 684 3.158
B 22,4 2.042 27,4 1.625 31,0 1.422 26,4 5.089
C 20,7 533 24,2 734 27,9 1.278 25,3 2.545
D Tot 18,8 25,5 111 3.964 20,3 31,6 203 4.073 21,7 32,9 565 4.318 21,0 30,1 879 12.355
Genderverschil M - V A+ A B -0,6 -0,4 0,1 -18 -328 -1.244 1,2 3,5 0,3 41 -174 -724 1,5 7,4 1,5 187 327 -492 2,3 4,9 1,4 210 -175 -2.460
C -0,7 -65 -0,1 -178 0,9 -430 -0,1 -673
D Tot -0,9 -0,4 243 -1.412 0,0 1,9 187 -848 1,3 4,4 378 -30 0,3 2,9 808 -2.290
C 19,8 421 23,9 513 28,5 775 25,0 1.709
D 18,2 272 20,3 324 22,7 735 21,2 1.331
Vrouwen A+ A 43,2 32,2 93 1.169 50,0 38,9 277 1.219 57,4 43,2 306 738 52,4 37,4 676 3.126
B 22,4 2.036 27,4 1.619 31,0 1.415 26,4 5.070
C 20,7 513 24,2 711 27,9 1.251 25,3 2.475
D 18,9 109 20,3 200 21,8 558 21,1 867
Genderverschil M - V A+ A B -0,5 -1,4 0,1 -18 -363 -1.256 1,4 0,5 0,3 40 -283 -733 1,5 1,6 1,5 186 170 -494 2,4 1,2 1,4 208 -476 -2.483
C -0,9 -92 -0,3 -198 0,6 -476 -0,3 -766
D Tot -0,7 -0,5 163 -1.566 0,0 0,9 124 -1.050 0,9 3,2 177 -437 0,1 2,0 464 -3.053
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Leeftijd Functieniveau
18-39 40-49 50+ Totaal
Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N) Gemiddeld salaris in euro Aantal personen (N)
Mannen A+ 42,8 75 51,4 317 58,9 492 54,9 884
A 30,8 806 39,4 936 44,8 908 38,6 2.650
B 22,5 780 27,8 886 32,5 921 27,9 2.587
Tot 25,0 2.354 32,5 2.976 36,1 3.831 32,1 9.161
Tot 25,5 3.920 31,5 4.026 32,9 4.268 30,1 12.214
Genderverschil M - V
Tot slot tonen we het bruto salaris per werkuur (zonder bruto toelagen) en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bij mannen ligt het gemiddeld bruto uursalaris op 33,0 euro bij alle werknemers (1ste tabel), ruim 8 euro lager dan het gemiddeld totaal bruto uursalaris. Zonder het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bedraagt het 32,1 euro (2de tabel). Bij mannen in niveau A ligt het bruto uursalaris op 42,4 euro en zonder het agentschap MDK op 38,6 euro. De sterkste daling is er weer bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 50,7 euro tot 44,8 euro zonder MDK. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris bedraagt nog 2,9 euro, zonder MDK 2,0 euro. Aangezien de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten worden uitgeschakeld, leidt de verschuiving van totaal bruto uursalaris naar bruto uursalaris (zonder bruto toelagen) opnieuw tot de grootste daling van de gemiddelde uursalarissen en genderverschillen. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust impliceert een kleine extra daling doordat de invloed van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt.
15 10 5 0
15
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
Alle entiteiten
10 5 0
139
Alle entiteiten
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
9 Multivariate analyse van totaal bruto en bruto maandsalaris Inleiding en samenvatting Aansluitend bij de vorige hoofdstukken wordt hier het onderzoek afgerond met een geïntegreerde of multivariate analyse van de relatie tussen het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de relevante verklarende factoren: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. Een goede multivariate analyse is pas mogelijk na stapsgewijze eenvoudige analyses, waarin de subgroepen zelf nog zichtbaar blijven. De stappen in de vorige hoofdstukken waren essentieel voor een doelmatige selectie van de variabelen voor de multivariate analyse. De multivariate analyse is uitgevoerd via meervoudige lineaire regressies, in het analyseprogramma SPSS. We geven eerst de regressieresultaten weer voor het aantal werkdagen per jaar en vervolgens voor de componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. Het doel is een eenvoudige, begrijpelijke voorstelling te geven van de invloed van de relevante onafhankelijke variabelen. Eerst wordt de gebruikte werkwijze toegelicht.
Meervoudige lineaire regressie Een meervoudige lineaire regressie gaat uit van een vergelijking met minstens 1 onafhankelijke variabele. Ze heeft de volgende vorm: Y = bc + b1X1 + b2X2 + b3X3 + .... + bkXk (1) Hierin is Y de voorspelde waarde van de afhankelijke variabele, X1 tot Xk zijn de onafhankelijke verklarende variabelen, b c het intercept of de constante term, en b1 tot bk zijn de regressiecoëfficiënten of richtingscoëfficiënten. De betekenis van de coëfficiënten volgt uit de vergelijking. Zo is de constante term b c de voorspelde waarde voor de afhankelijke variabele wanneer alle onafhankelijke variabelen gelijk zijn aan 0. De regressiecoëfficiënten b 1 tot bk geven het ‘effect’ weer van de onafhankelijke variabelen X1 tot Xk op de afhankelijke variabele Y. Bij een meervoudige regressievergelijking wordt het effect van elke X op Y gecontroleerd voor de effecten van alle andere onafhankelijke variabelen in het model. Concreet is b1 de voorspelde wijziging in Y bij één eenheid wijziging in X 1, onder controle van de effecten van X2 tot Xk op Y. Stel dat Y het bruto maandsalaris is en X 1 de leeftijd (uitgedrukt in jaren), dan is b1 de voorspelde stijging of daling van het bruto maandsalaris (Y) bij één jaar stijging of daling van de leeftijd, onder controle van de effecten van andere onafhankelijke variabelen, bijvorbeeld het functieniveau en het aantal VTE werkdagen per jaar. De meervoudige lineaire regressie veronderstelt metrische afhankelijke en onafhankelijke variabelen, bijvoordbeeld de voorspelde wijziging in het maandsalaris (Y) bij één jaar wijziging van de leeftijd (X 1)”. Categorische variabelen (bijvoorbeeld. gender, functieniveau en type contract) kunnen worden opgenomen als onafhankelijke variabelen in een meervoudige regressie, op voorwaarde dat ze worden gehercodeerd tot ‘metrische’ variabelen. In dit onderzoek worden alle onafhankelijke variabelen omgezet tot diverse binaire variabelen (met waarde 1 of 0), ook dummy-variabelen genoemd, zodat ze een duidelijke betekenis krijgen in de vergelijking. Voor elke categorische variabele is er één binaire variabele minder dan het aantal categorieën. Een dichotome variabele wordt dus omgevormd tot één dummy. Een variabele met drie categorieën tot twee dummies enzovoort. 140
Uitgaande van de beschikbare onafhankelijke variabelen in het GOVO-bestand kan vergelijking (1) concreet worden ingevuld, voor bijv. het bruto salaris per maand (bsm): bsm = bsmc + bgeD1ge + ( bniv5D1niv5 + bniv5D2niv5 + bniv5D3niv5 + bniv5D4niv5 ) + ( blfD1lf + blfD2lf + blfD3lf ) + ( bwdjD1wdj +bwdjD2wdj + bwdjD3wdj ) + ...
(2)
waarbij ge staat voor gender (man/vrouw), niv5 voor functieniveau (D, C, B, A, A+), lf voor leeftijd (18 -34, 35-44, 45-54, 55+) en wdj voor aantal VTE werkdagen per jaar (100-150, 150-175, 175-200, 200-220). De binaire onafhankelijke variabelen of dummies worden voorgesteld door de hoofdletter D. Dan is : - D1ge : dummy voor gender, met 1 = vrouw en 0 =man, - D1niv5 : de eerste dummy voor functieniveau, met 1 = niveau D en 0 = C, B, A of A+, D2niv5 is de tweede dummy voor functieniveau, met 1 = niveau C en 0 = D, B, A, A+ enzovoort. Voor elke binaire variabele wordt een referentiegroep bepaald, waarvoor de waarde gelijk is aan 0. De combinatie van alle ona fhankelijke binaire variabelen leidt tot een referentiegroep voor de hele regressievergelijking: bijv. man, functieniveau A, 55+ jaar en 200 -220 werkdagen. Bijgevolg worden alleen de binaire variabelen voor de andere categorieën in de vergelijking opgenomen. De meervoudige lineaire regressie laat zien in welke mate de diverse binaire variabelen een ‘effect’ hebben op de afhankelijk e variabelen, met andere woorden in welke mate ze bijdragen tot de totale verklaarde variantie, genoteerd als R 2 (R-kwadraat).
Taal-R
Interactie-effecten Bij een meervoudige lineaire regressie moet men ook rekening houden met de interactie tussen de onafhankelijke variabelen en de gecombineerde invloed daarvan op de afhankelijke variabele, het zogenaamde interactie-effect. Een eenvoudige versie van vergelijking (1) met 2 onafhankelijke variabelen kan dan worden uitgebreid: Y = bc + b1X1 + b2X2 + b1-2 X1X2 (3) met de interactie-term b1-2 X1X2 als nieuw element. Daarin is b1-2 de regressiecoëfficiënt van het product van de twee onafhankelijke variabelen X1 en X2. Het aantal mogelijke interactietermen neemt toe met het aantal onafhankelijke variabelen. Op basis van de bivariate correlati ematrix werden interactie-effecten voor de variabelen met een hoge correlatie onderzocht. De interpretatie en formulering van de betekenis van de interactietermen tot de verklaarde variantie R 2 is niet eenvoudig. Daarom werden voor de variabelen met een betekenisvol interactie-effect gecombineerde binaire variabelen of dummies geconstrueerd. Ze vervangen dan de afzonderlijke dummies en de daarmee verbonden interactie-termen. Voor elke gecombineerde dummy wordt een specifieke regressiecoëfficiënt gegeven, zodat de afzonderlijke bijdrage duidelijk is. De voorgestelde regressies zijn het resultaat van het testen van zeer veel combinaties. Het doel is een voldoende eenvoudige en begrijpelijke voorstelling te geven van de bijdrage van de relevante onafhankelijke variabelen. In deze voorstelling worden geen gecombinee rde dummies opgenomen, omdat de extra bijdrage ervan tot de totale verklaarde variantie R 2 zeer beperkt is.
141
Samenvatting Voor het aantal werkdagen per jaar ligt de totaal verklaarde variantie (R 2) op 0,109, wat laag is. Wellicht is het personeelsstatuut, dat weinig variatie biedt, de belangrijkste reden. Gender heeft het grootste, negatieve effect: vrouwen werken gemiddeld 14,6 VTE dagen minder per jaar dan mannen. Ook de dummies voor de leeftijdsgroepen 18-34 jaar (+) en 45-54 jaar (+), voor contractuelen (-) en voor personen werkzaam in entiteit MDK (-) dragen in beperkte mate bij tot de verklaring.
Vervolgens worden de regressieresultaten toegelicht voor de diverse componenten van het salaris, per maand en per werkuur. De referentiegroep (alle dummies zijn 0) is: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen/jaar, meer dan 25 dienstjaren, st atutair en niet werkzaam in entiteit MDK. De beste resultaten zijn er voor het bruto maandsalaris, met een totale verklaarde variantie (R 2) van 0,832. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor het totaal bruto en totaal netto maandsalaris, met een R 2 van respectievelijk 0,695 en 0,685. Voor het bruto maandsalaris wordt dus 83% van de totale variantie verklaard door de onafhankelijke variabelen in het model. Vooral het ontbreken van de bruto toelagen in de onafhankelijke variabele leidt tot de hogere R 2. Voor de referentiegroep bedraagt het gemiddelde bruto maandsalaris (constante term) 5.903 euro. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect, met gemiddeld 165 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot : tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager, respectievelijk 1.391 euro, 1.869 euro en 2.503 euro. Het verschil neemt toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en ook groot: gemiddeld 1.69 3 euro meer dan de referentiegroep. De dummies voor de leeftijdsgroepen 18-34 jaar (+) en 45-54 jaar (+), voor de groepen met 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar (-), voor de groepen met 0-5 en 5-15 dienstjaren (-) en voor werknemers van entiteit MDK (+) leveren een significante maar kleinere bijdrage aan de verklaring. Hoewel de R2-waarden voor de analyses met het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris als afhankelijke variabelen duidelijk kleiner zijn, zijn de effecten van de diverse dummies bijna dezelfde, met uitzondering van de veel grotere invloed van de dummy ‘werkzaam in ent iteit MDK’. Dezelfde modellen met het aantal erkende werkdagen per jaar leveren een iets lagere R2 op. De modellen (met gepresteerde werkdagen) zonder de medewerkers van entiteit MDK leiden telkens tot een iets hogere R 2 en de modellen voor alle werknemers in Vlimpers tot een veel lagere R 2. Deze modellen worden niet weergegeven in dit rapport. In beide modellen is wellicht een bijkomende verklaring (en hogere R 2) mogelijk met de toevoeging van de beroepsgroep of functiegroep van de werknemers als onafhankelijke variabele, in combinatie met de reeds opgenomen onafhankelijke variabelen. In Vlimpers is die v ariabele helaas niet beschikbaar.
142
1 Werkdagen per jaar Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Beta grenzen Verklaarde variantie SE R2 0,109 28,2 B 193,0 -14,6 -6,3 -0,6 -4,2 10,7 10,5 6,0 7,9 -7,8 -14,2
SE 0,6 0,4 0,7 0,6 0,5 0,8 0,6 0,5 0,5 0,5 0,9
ANOVA df Sign. 10 0,000 Beta -0,243 -0,067 -0,008 -0,067 0,091 0,129 0,092 0,122 -0,113 -0,100
Sign. 0,000 0,000 0,000 0,287 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
VIF 1,08 1,34 1,41 1,54 1,20 1,60 1,66 1,62 1,19 1,08
B : ongestandaardiseerd (werkdagen) Beta : gestandaardiseerd Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
We geven eerst de regressieresultaten voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar, als basis voor het salaris. We vermelden nogmaals dat in deze analyses alleen de werknemers met per jaar minstens 100 werkdagen en maximaal 50 ziekte- of vrijstellingsdagen zijn opgenomen. De figuur toont per 20 dagen de frequentieverdeling van de door de regressie voorspelde waarden, tegenover de normaalverdeling (zwarte lijn). De totaal verklaarde variantie (R2) ligt met 0,109 laag. Achterliggend zijn andere factoren meer bepalend, vooral de beperkte variatie die in het personeelsstatuut mogelijk is en de selectie van de medewerkers in de analyse. De betawaarde of gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt geeft het relatieve belang van de coëfficiënten weer, met een positief of negatief effect. De B-waarde is dan het effect van de diverse dummies, zijnde het verwachte aantal werkdagen per jaar dat de betreffende subgroepen meer of minder werken ten aanzien van de referentiegroep (onder de tabel weergegeven). Elke medewerker vertegenwoordigt een specifieke combinatie van de dummies (1 of 0). Op basis van de dummies zijn er veel subgroepen mogelijk. Gender heeft hier het grootste, negatieve effect. Vrouwen hebben, in combinatie met de andere onafhankelijke variabelen in het model, gemiddeld 15 werkdagen minder per jaar dan mannen. Voorts dragen ook de dummies voor de leeftijdsgroepen 18-34 jaar (+) en 45-54 jaar (+), voor contractuelen (-) en voor personen werkzaam in entiteit MDK (-) in beperkte mate bij tot de verklaring. De variance inflation factor (VIF) is voor alle onafhankelijke variabelen veel kleiner dan 4, wat wijst op de afwezigheid van multicollineariteit. Dezelfde regressie geeft voor de totale populatie in Vlimpers een nog lagere R 2 van 0,087 en de regressie voor het aantal gelijkgestelde werkdagen per jaar van 0,077 (niet in dit rapport). Het verschil tussen mannen en vrouwen wordt daarbij iets groter.
143
< -0,100
> 0,100
2 Totaal bruto salaris per maand Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-<150 Werkdagen/jaar 150-<175 Werkdagen/jaar 175-<200 Dienstanciënniteit 0-<5 jaar Dienstanciënniteit 5-<15 jaar Dienstanciënniteit 15-<25 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,695 1.136,7
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
7.012 -376 -2.987 -2.310 -1.716 1.713 -1.205 -796 -290 -849 -573 -195 -804 -550 -224 -169 3.427
27 16 28 23 20 33 30 24 22 24 22 20 30 26 26 21 38
-0,091 -0,462 -0,446 -0,397 0,213 -0,215 -0,177 -0,065 -0,141 -0,105 -0,037 -0,174 -0,125 -0,048 -0,036 0,351
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,15 1,34 1,41 1,55 1,21 2,11 2,16 1,86 1,18 1,18 1,12 3,18 2,64 2,31 1,38 1,10
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal bruto salaris per maand bedraagt 0,695, wat hoog is. Gender heeft een beperkt negatief effect (beta= -0,091), met gemiddeld 376 euro minder voor vrouwen, gecontroleerd voor de ander e onafhankelijke variabelen in het model. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddeld totaal bruto salaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil stijgt wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor de leeftijdsgroepen 18-34 jaar en 35-44 jaar (-), voor de groepen met 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar (-), voor de groepen met 0-5 en 5-15 jaren dienstanciënniteit (-) leveren een kleinere bijdrage aan de verklaring. Het effect van werknemers in de entiteit MDK is positief en groot: zij verdienen gemiddeld 3.426 euro per maand meer dan de referentiegroep. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een hogere R2 van 0,818 en het model voor alle werknemers in Vlimpers levert een lagere R2 van 0,627 op (niet in dit rapport). Opnieuw is de variance inflation factor (VIF) voor alle onafhankelijke variabelen kleiner dan 4, wat de afwezigheid van multicollineariteit weergeeft. 144
3 Bruto salaris per maand Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-<150 Werkdagen/jaar 150-<175 Werkdagen/jaar 175-<200 Dienstanciënniteit 0-<5 jaar Dienstanciënniteit 5-<15 jaar Dienstanciënniteit 15-<25 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,832 610,1
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
5.903,5 -165 -2.503 -1.869 -1.391 1.693 -1.005 -631 -222 -1.035 -582 -201 -682 -475 -239 -120 776
14,4 9 15 12 11 18 16 13 12 13 12 11 16 14 14 11 20
-0,055 -0,535 -0,499 -0,444 0,291 -0,248 -0,194 -0,069 -0,237 -0,148 -0,053 -0,203 -0,149 -0,070 -0,035 0,110
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,15 1,34 1,41 1,55 1,21 2,11 2,16 1,86 1,18 1,18 1,12 3,18 2,64 2,31 1,38 1,10
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het bruto maandsalaris bedraagt 0,832. Ruim 83% van de variantie wordt verklaard door onafhankelijke variabelen in het model. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor het totaal bruto maandsalaris. Vooral het wegvallen van de bruto toelagen leidt tot de hogere R2. Gender heeft weer een zeer beperkt negatief effect (beta= -0,055), met gemiddeld 165 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is opnieuw negatief en zeer groot. Het verschil neemt toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor de leeftijdsgroepen 18-34 jaar en 35-44 jaar (-), voor de groepen met 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar (-), voor de groepen met 0-5 en 5-15 jaren dienstanciënniteit (-) leveren een betekenisvolle maar kleinere bijdrage aan de verklaring. De positieve impact van de dummy voor werknemers van entiteit MDK (+ 776 euro per maand) is veel kleiner aangezien het effect van de hoge bruto toelagen hier wegvalt. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert een iets hogere R2 op van 0,850 en het model voor alle werknemers in Vlimpers levert een lagere R2 van 0,702 (niet in dit rapport). 145
4 Totaal netto salaris per maand Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-<150 Werkdagen/jaar 150-<175 Werkdagen/jaar 175-<200 Dienstanciënniteit 0-<5 jaar Dienstanciënniteit 5-<15 jaar Dienstanciënniteit 15-<25 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,685 526,6
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
3.981 -216 -1.244 -993 -731 689 -542 -328 -106 -463 -278 -91 -354 -231 -78 -133 1.651
12 8 13 11 9 15 14 11 10 11 10 9 14 12 12 10 17
-0,115 -0,422 -0,421 -0,370 0,188 -0,212 -0,160 -0,052 -0,168 -0,112 -0,038 -0,168 -0,114 -0,037 -0,062 0,371
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,15 1,34 1,41 1,55 1,21 2,11 2,16 1,86 1,18 1,18 1,12 3,18 2,64 2,31 1,38 1,10
B : ongestandaardiseerd (euro) Beta : gestandaardiseerd Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal netto maandsalaris (met de toelagen) bedraagt 0,685. Dat is iets lager dan voor het totaal bruto maandsalaris en aanzienlijk lager dan voor het bruto maandsalaris. Gender heeft weer een klein negatief effect (beta= -0,115), met gemiddeld 216 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is opnieuw negatief en zeer groot. Ook hier stijgt het verschil wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect weer positief en kleiner. De dummies voor de leeftijdsgroepen 18-34 jaar en 35-44 jaar (-), voor de groepen met 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar (-), voor de groepen met 0-5 en 5-15 jaren dienstanciënniteit (-) leveren weer een betekenisvolle maar kleinere bijdrage aan de verklaring. Het effect van werknemers in de entiteit MDK is positief en groot: gemiddeld 1.651 euro per maand meer dan de referentiegroep. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert een iets hogere R2 op van 0,795 en het model voor alle werknemers in Vlimpers levert een lagere R2 van 0,584 (niet in dit rapport). Voor de 4 soorten maandsalaris geeft dezelfde regressie met het aantal erkende werkdagen per jaar een iets lagere R2. Het grote verschil in werkdagen tussen mannen en vrouwen valt dan immers grotendeels weg. Het effect van de andere onafhankelijke variabelen blijft nagenoeg gelijk. 146
5 Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-<150 Werkdagen/jaar 150-<175 Werkdagen/jaar 175-<200 Dienstanciënniteit 0-<5 jaar Dienstanciënniteit 5-<15 jaar Dienstanciënniteit 15-<25 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,593 12,1
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
56,0 -3,4 -27,1 -20,3 -15,1 11,8 -10,7 -7,2 -3,0 9,8 3,6 2,1 -6,9 -4,7 -2,0 -1,7 35,1
0,3 0,2 0,3 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,2 0,4
-0,088 -0,453 -0,424 -0,376 0,158 -0,206 -0,172 -0,072 0,175 0,071 0,043 -0,161 -0,115 -0,045 -0,038 0,389
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,15 1,34 1,41 1,55 1,21 2,11 2,16 1,86 1,18 1,18 1,12 3,18 2,64 2,31 1,38 1,10
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur bedraagt 0,593. Dat is lager dan voor het totaal bruto maandsalaris. Ondanks het neutraliseren van het aantal werkdagen, heeft gender hier een beperkt negatief effect (beta= -0,088), met gemiddeld 3,4 euro minder per gepresteerd werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto maandsalaris, met uitzondering van de dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar. De beta-waarden zijn klein maar wel positief. Tegenover de referentiegroep stijgt het totaal bruto uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 9,8 euro, 3,6 euro en 2,1 euro. Minder effectief gepresteerde werkdagen per jaar gaan dus samen met een hoger uursalaris, omdat in het totaal bruto salaris ook het salaris voor de dagen ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof vervat is. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert een iets hogere R2 op en het model voor alle werknemers in Vlimpers levert een veel lagere R2 op (niet in dit rapport).
147
6 Bruto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-<150 Werkdagen/jaar 150-<175 Werkdagen/jaar 175-<200 Dienstanciënniteit 0-<5 jaar Dienstanciënniteit 5-<15 jaar Dienstanciënniteit 15-<25 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,769 5,8
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
46,9 -1,4 -22,1 -16,2 -12,0 12,1 -8,7 -5,7 -2,2 5,3 2,1 1,5 -5,9 -4,2 -2,0 -1,2 10,3
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,1 0,1 0,1 0,2
-0,060 -0,583 -0,533 -0,472 0,257 -0,266 -0,215 -0,085 0,150 0,067 0,048 -0,217 -0,161 -0,074 -0,043 0,181
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,15 1,34 1,41 1,55 1,21 2,11 2,16 1,86 1,18 1,18 1,12 3,18 2,64 2,31 1,38 1,10
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het bruto uursalaris bedraagt 0,769. Dat is duidelijk hoger dan voor het totaal bruto uursalaris maar iets lager dan voor het bruto maandsalaris. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect (beta= -0,060), met gemiddeld 1,4 euro minder per werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur. De dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar hebben weer een positief effect. Tegenover de referentiegroep stijgt het totaal bruto uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 5,3 euro, 2,1 euro en 1,5 euro. Minder gepresteerde werkdagen per jaar gaan samen met een hoger uursalaris. De dummy voor werknemers van entiteit MDK leidt hier tot een veel lagere bijdrage aan de verklaring aangezien het effect van de hoge bruto toelagen wegvalt. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een iets hogere R2 en het model voor alle werknemers in Vlimpers tot een veel lagere R2 (niet in dit rapport). 148
7 Totaal netto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-<150 Werkdagen/jaar 150-<175 Werkdagen/jaar 175-<200 Dienstanciënniteit 0-<5 jaar Dienstanciënniteit 5-<15 jaar Dienstanciënniteit 15-<25 jaar Contractueel Werkzaam in agentschap MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,594 6,0
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
31,8 -2,0 -11,9 -9,1 -6,7 4,4 -5,0 -3,1 -1,2 8,2 3,1 1,6 -3,2 -2,1 -0,7 -1,2 18,4
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,1 0,1 0,1 0,2
-0,104 -0,404 -0,386 -0,338 0,120 -0,197 -0,153 -0,057 0,299 0,126 0,067 -0,154 -0,106 -0,033 -0,056 0,414
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,15 1,34 1,41 1,55 1,21 2,11 2,16 1,86 1,18 1,18 1,12 3,18 2,64 2,31 1,38 1,10
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal netto uursalaris bedraagt 0,594. Dat is nagenoeg gelijk aan die voor het totaal bruto uursalaris maar veel lager die voor het bruto uursalaris. Gender heeft weer een beperkt negatief effect (beta= -0,104), met gemiddeld 2,0 euro minder per gepresteerd werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto uursalaris. De dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar hebben hier een groter positief effect. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert een iets hogere R2 op en het model voor alle werknemers in Vlimpers een veel lagere R2 (niet in dit rapport). Voor de 4 soorten salaris per erkend werkuur geeft dezelfde regressie met het aantal erkende werkdagen per jaar een iets lagere R2. Het grote verschil in werkdagen tussen mannen en vrouwen valt dan immers grotendeels weg. Het effect van de andere onafhankelijke variabelen is grotendeels gelijk.
149
8 Berekening salaris op basis van de regressie voor enkele groepen Inleiding en samenvatting Deze paragraaf geeft op basis van de regressies in hoofdstuk 9 enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke groepen van medewerkers, opnieuw uitgaande van de referentiegroep. Zo wordt op een andere manier het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen concreet gemaakt. Hieronder staan de coëfficiënten (positief of negatief) van de regressie voor de diverse salariscomponenten in hoofdstuk 9. Daarna volgen 4 calculatietabellen met in de kolommen de dummies voor de onafhankelijke variabelen gender, functieniveau, leeftijd, werkdagen per jaar, dienstanciënniteit, statuut en entiteit. De eerste tabel betreft de referentiegroep: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen per jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair en niet werkzaam in entiteit MDK. De constante (Cte) is dan het salaris van de referentiegroep. De 3 volgende tabellen kunnen worden gebruikt voor de berekening van de salariscomponenten van andere groepen. Per onafhankelijke variabele kan de waarde van 1 dummy op 1 worden gezet. Wanneer een dummie de waarde 1 heeft, wordt de waarde van de coëfficiënt voor alle salariscomponenten meegeteld. De kolom 'Salaris' uiterst rechts geeft de berekende salariscomponenten van de betreffende groep medewerkers. De eerste tabel geeft de resultaten weer voor de referentiegroep. Groep 1 en 2 zijn willekeurige voorbeelden
Regressiecoëfficiënten Cte Referentiegroep Andere groepen
Gender
Functieniveau
Man
A
Vrouw
D
C
B
Leeftijd 55+ jaar
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
Ent 8
Totaal bruto salaris / maand
7.012
-376
-2.987 -2.310 -1.716
0
1.713
-1.205
-796
-290
0
100-150 150-175 175-200 200-220
-849
-573
-195
0
-804
-550
-224
0
-169
3.427
Bruto salaris / maand
5.903
-165
-2.503 -1.869 -1.391
0
1.693
-1.005
-631
-222
0
-1.035
-582
-201
0
-682
-475
-239
0
-120
776
Totaal netto salaris / maand
3.981
-216
-1.244
-993
-731
0
689
-542
-328
-106
0
-463
-278
-91
0
-354
-231
-78
0
-133
1.651
Totaal bruto salaris / werkuur
56,0
-3,4
-27,1
-20,3
-15,1
0
11,8
-10,7
-7,2
-3,0
0
9,8
3,6
2,1
0
-6,9
-4,7
-2,0
0
-1,7
35,1
Bruto salaris / werkuur
46,9
-1,4
-22,1
-16,2
-12,0
0
12,1
-8,7
-5,7
-2,2
0
5,3
2,1
1,5
0
-5,9
-4,2
-2,0
0
-1,2
10,3
Totaal netto salaris / werkuur
31,8
-2,0
-11,9
-9,1
-6,7
0
4,4
-5,0
-3,1
-1,2
0
8,2
3,1
1,6
0
-3,2
-2,1
-0,7
0
-1,2
18,4
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in agentschap MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
150
Berekening van salariscomponenten Gender
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
Referentiegroep
Man
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
Andere groepen
Vrouw
D
C
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
Ent 8
1
0
0
0
1
0
0
0
0
1
Referentiegroep
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
Cte
1
A
Vrouw
100-150 150-175 175-200 200-220
0
0
55+
0
1
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
0
0
0
1
0
0
Statutair
Nt Ent 8
Salaris
200-220
>25
Totaal bruto salaris / maand
7.012
-376
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
6.636
Bruto salaris / maand
5.903
-165
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
5.739
Totaal netto salaris / maand
3.981
-216
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
3.764
Totaal bruto salaris / werkuur
56,0
-3,4
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
52,7
Bruto salaris / werkuur
46,9
-1,4
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
45,4
Totaal netto salaris / werkuur
31,8
-2,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
29,8
Groep 1
Cte
Gender
Statuut
Entiteit
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Referentiegroep
Man
Andere groepen
Vrouw
D
C
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
1
0
0
1
0
0
0
0
1
0
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
1
B
Vrouw
100-150 150-175 175-200 200-220
0
45-54
0
1
0
Statutair
Nt Ent 8
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
Ent 8
0
0
1
0
1
0
175-200
15-25
Contract. Nt Ent 8
Salaris
Totaal bruto salaris / maand
7.012
-376
0
0
-1.716
0
0
0
0
-290
0
0
0
-195
0
0
0
-224
0
-169
0
4.041
Bruto salaris / maand
5.903
-165
0
0
-1.391
0
0
0
0
-222
0
0
0
-201
0
0
0
-239
0
-120
0
3.565
Totaal netto salaris / maand
3.981
-216
0
0
-731
0
0
0
0
-106
0
0
0
-91
0
0
0
-78
0
-133
0
2.625
Totaal bruto salaris / werkuur
56,0
-3,4
0,0
0,0
-15,1
0,0
0,0
0,0
0,0
-3,0
0,0
0,0
0,0
2,1
0,0
0,0
0,0
-2,0
0,0
-1,7
0,0
33,1
Bruto salaris / werkuur
46,9
-1,4
0,0
0,0
-12,0
0,0
0,0
0,0
0,0
-2,2
0,0
0,0
0,0
1,5
0,0
0,0
0,0
-2,0
0,0
-1,2
0,0
29,5
Totaal netto salaris / werkuur
31,8
-2,0
0,0
0,0
-6,7
0,0
0,0
0,0
0,0
-1,2
0,0
0,0
0,0
1,6
0,0
0,0
0,0
-0,7
0,0
-1,2
0,0
21,7
Groep 2
Cte
Gender
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
Referentiegroep
Man
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
Andere groepen
Vrouw
D
C
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
1
0
1
0
0
0
0
1
0
0
0
1
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
1
C
Vrouw
100-150 150-175 175-200 200-220
35-44
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
Ent 8
0
0
0
0
0
0
0
1
150-175
5-15
Statutair
Nt Ent 8
Salaris
Totaal bruto salaris / maand
7.012
-376
0
-2.310
0
0
0
0
-796
0
0
0
-573
0
0
0
-550
0
0
0
0
2.406
Bruto salaris / maand
5.903
-165
0
-1.869
0
0
0
0
-631
0
0
0
-582
0
0
0
-475
0
0
0
0
2.182
Totaal netto salaris / maand
3.981
-216
0
-993
0
0
0
0
-328
0
0
0
-278
0
0
0
-231
0
0
0
0
1.936
Totaal bruto salaris / werkuur
56,0
-3,4
0,0
-20,3
0,0
0,0
0,0
0,0
-7,2
0,0
0,0
0,0
3,6
0,0
0,0
0,0
-4,7
0,0
0,0
0,0
0,0
24,1
Bruto salaris / werkuur
46,9
-1,4
0,0
-16,2
0,0
0,0
0,0
0,0
-5,7
0,0
0,0
0,0
2,1
0,0
0,0
0,0
-4,2
0,0
0,0
0,0
0,0
21,6
Totaal netto salaris / werkuur
31,8
-2,0
0,0
-9,1
0,0
0,0
0,0
0,0
-3,1
0,0
0,0
0,0
3,1
0,0
0,0
0,0
-2,1
0,0
0,0
0,0
0,0
18,6
151
Literatuurlijst Dienst Diversiteitsbeleid (2016). Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan Vlaamse overheid 2016-2020: https://overheid.vlaanderen.be/sites/default/files/media/documenten/personeel/diversiteit/Strategisch_meerjarenplan.pdf?timestamp=1517955906. European Institute for Gender Equality (EIGE) (2021). Gender inequalities in care and consequences for the labour market: https://eige.europa.eu/publications/gender-inequalities-care-and-consequences-labour-market. Eurostat Gender pay gap statistics: https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Gender_pay_gap_statistics. Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (2021). De loonkloof tussen mannen en vrouwen in België – rapport 2021. Brussel: IGVM. (https://igvm-iefh.belgium.be/nl/publicaties/de_loonkloof_tussen_vrouwen_en_mannen_in_belgie_rapport_2021). Noppe, J., Vanweddingen, M. & Weekers, K. (2021). Maatschappelijke positie en participatie van mannen en vrouwen. SV-Rapport 2021/1, Brussel: Statistiek Vlaanderen. (https://www.vlaanderen.be/publicaties/maatschappelijke-positie-en-participatie-van-mannen-en-vrouwen) Van Dongen, W. (2008). Naar een democratische arbeidsverdeling in Vlaanderen en Europa? Het Combinatiemodel als basis voor een geïntegreerd beleid, SVR-Studie, 2008/1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Van Dongen, W., Voorspoels, J. & Trippas, M. (2021). Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid, SV-rapport, 2021/8, Brussel: Statistiek Vlaanderen en Dienst Diversiteitsbeleid, Vlaamse overheid. (https://www.vlaanderen.be/publicaties/genderonderzoek-naarwerksituatie-en-salaris-bij-de-vlaamse-overheid) Van Dongen, W., Voorspoels, J. & Trippas, M. (2021). Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid, Uitgebreid rapport, Brussel: Statistiek Vlaanderen en Dienst Diversiteitsbeleid, Vlaamse overheid. (https://www.vlaanderen.be/publicaties/genderonderzoek-naar-werksituatie-en-salaris-bij-de-vlaamse-overheid) Vlaanderen Intern. Salaris personeel Vlaamse overheid: https://www.vlaanderen.be/intern/salaris-personeel-vlaamse-overheid.
152
Bijlage 1
Personeelsaantal in Vlimpers naar beleidsdomein en entiteit
31/12/2021
Beleidsdomeinen (2021)
Entiteiten (2021)
2018
2021
Kanselarij, Bestuur en Buitenlandse Zaken
Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken Agentschap Binnenlands Bestuur Agentschap Digitaal Vlaanderen Agentschap Facilitair Bedrijf Agentschap Overheidspersoneel Audit Vlaanderen Dienst van de Bestuursrechtscolleges Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen Toerisme Vlaanderen Totaal beleidsdomein Departement Financiën en Begroting Vlaamse Belastingdienst Totaal beleidsdomein Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Agentschap Innoveren en Ondernemen Agentschap Plantentuin Meise Totaal beleidsdomein Departement Onderwijs en Vorming Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs Agentschap voor Onderwijsdiensten Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen GO! Gemeenschapsonderwijs Onderwijsinspectie Vlaamse Onderwijsraad Totaal beleidsdomein Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Agentschap Zorg en Gezondheid Opgroeien Opgroeien regie Vlaams Agentschap Uitbetaling Toelagen van Gezinsbeleid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap Totaal beleidsdomein
434 376 204 859 381 41 53 334 192 2.874 190 913 1.103 110 335 166 611 257 70 412
268 379 217 765 514 49 64 147 167 2.570 200 1.017 1.217 105 404 165 674 241 68 390
252
222
190 14 21 1.216 1.011 283 1.618 0 0 295 3.207
167 16 19 1.123 1.147 310 1.762 1.352 367 288 5.226
Financiën en Begroting
Economie, Wetenschap en Innovatie
Onderwijs en Vorming
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
153
Cultuur, Jeugd, Sport en Media
555 715 19 1.289 309 133 442 616 245 861 929 758 201 9 290 345 4 121 591 888 281 4.417 1.246 782 1.315 1.392 4.735
432 674 22 1.128 373 5.044 5.417 595 216 811 858 680 196 8 250 355 3 145 584 825 260 4.164 1.197 714 1.295 1.299 4.505
Totaal aantal medewerkers in Vlimpers
20.755
26.835
Totaal aantal medewerkers bij de Vlaamse overheid
28.645
28.704
72,5
93,5
Werk en Sociale Economie
Landbouw en Visserij
Omgeving
Mobiliteit en Openbare Werken
Departement Cultuur, Jeugd en Media Sport Vlaanderen Vlaamse Regulator voor de Media Totaal beleidsdomein Departement Werk en Sociale Economie Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding Totaal beleidsdomein Departement Landbouw en Visserij Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek Totaal beleidsdomein Departement Omgeving Agentschap voor Natuur en Bos Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Onroerend Erfgoed Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed Vlaams Energie- en Klimaatagentschap Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Wonen-Vlaanderen Totaal beleidsdomein Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust Departement Mobiliteit en Openbare Werken De Vlaamse Waterweg Agentschap Wegen en Verkeer Totaal beleidsdomein
Aandeel Vlimpers-medewerkers in Vlaamse overheid (%)
154
Bijlage 2
Definitie van begrippen Land woonplaats
het land waar de hoofdverblijfplaats van de werknemer is gevestigd.
Provincie woonplaats
de provincie waar de hoofdverblijfplaats van de werknemer is gevestigd.
Land van geboorte
het land waar de werknemer is geboren.
Onderwijsniveau
het hoogste diploma dat de werknemer heeft behaald in de studieloopbaan
Samenwonen met partner
de werknemer woont met een vaste partner samen, al dan niet gehuwd, al dan niet met een samenlevingscontract.
Personen in huishouden
totaal aantal personen in het huishouden van de werknemer.
Langdurige ziekte of handicap
een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke ziekte of beperking die de werknemer in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt. de beroepsgroep waartoe de partner behoort: werknemer privé, ambtenaar, zelfstandige, werkloos of gepensioneerd.
Beroepsgroep partner Provincie van werklocatie
de provincie van de standplaats van de werknemer van de Vlaamse overheid.
Beroepsstatuut
het beroepsstatuut van de werknemer: statutair (vaste benoeming), statutair op proef (tijdens een bepaalde periode) of contractueel.
Functieniveau
in deze studie worden 5 functieniveaus onderscheiden: A+, A, B, C en D. Ten behoeve van een zinvolle analyse van de salarissen werd niveau A+ geconstureerd, bestaande uit mederwerkers van niveau A die een kaderfunctie uitoefenen. de werknemers worden ingedeeld in drie groepen: leidinggevend kader, niet-leidinggevend kader en nietleidinggevende medewerkers. Leidinggevend zijn is een formele titel met diverse niveaus.
Leidinggevend kader Kaderfunctie
Geldelijke anciënniteit Dienstanciënniteit
is gekenmerkt door de hogere mate van verantwoordelijkheden en autonomie en/of professionele deskundigheid (expertise). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen topkader, middenkader en lager kader. Dat onderscheid wordt gecombineerd met het onderscheid tussen leidinggevend en niet-leidinggevend. is het aantal jaren dat je hebt gewerkt in jouw loopbaan vanaf de eerste werkdag en dat wordt meegerekend voor het berekenen van het salaris. het aantal jaren dienst dat je als statutair of contractueel opbouwt binnen de diensten van de Vlaamse overheid).
155
Niveau-anciënniteit
het aantal jaren dat je vanaf je statutaire proeftijd opbouwt in een bepaald niveau (bijvoorbeeld: 10 jaar in niveau C).
Graadanciënniteit
het aantal jaren dat je vanaf je statutaire proeftijd opbouwt in een bepaalde graad (bijvoorbeeld: 10 jaar in de graad van medewerker).
Personeelsaantal - personen
Het personeelsaantal wordt gedefinieerd als het aantal personen dat bij een entiteit in dienst is. Een persoon is in dienst bij de Vlaamse overheid als die een juridische band (tewerkstellingsrelatie) heeft met minstens één entiteit, in de vorm van een aanstellingsbesluit (statutair) of een tewerkstellingscontract, ongeacht of deze al dan niet bezoldigd wordt. Het personeelsaantal wordt uitgedrukt in ‘personeelsleden’ en wordt steeds berekend op een bepaald moment (bijvoorbeeld 31 december). Personeelsleden die onbeschikbaar zijn voor een entiteit omdat ze gebruik maken van enkele specifieke verloftypes worden toch meegeteld in het personeelsaantal van de entiteit omdat er aan het verlof van het betrokken personeelslid telkens een terugkeerrecht gekoppeld is. Dat betekent dat de tewerkstelling in de betrokken entiteit enkel wordt geschorst en dat de juridische tewerkstellingsrelatie tussen het personeelslid en de entiteit dus op geen enkel moment wordt verbroken.
Werkuren regime
het aantal werkuren dat de werknemer volgens het afgesproken 'regime' in een normale volledige werkweek verricht. Daarbij kan men een binair onderscheid maken tussen een voltijds en deeltijds regime of een meer gradueel onderscheid in meer categorieën, bijv. 100%, 80%, 60%, 50% ... het aantal voltijds equivalente werkdagen (VTE) dat de werknemer effectief per jaar heeft gepresteerd. Een VTE werkdag omvat 7,60 werkuren of 7 uur en 36 minuten.
Werkdagen VTE per jaar Erkende werkdagen VTE per jaar
het aantal erkende voltijds equivalente werkdagen (VTE) per jaar, waarvoor men een normaal salaris ontvangt.
Werkdagen VTE per maand
het aantal voltijds equivalente werkdagen (VTE) dat de werknemer gemiddeld per maand heeft gepresteerd. Een VTE werkdag omvat 7,60 werkuren of 7 uur en 36 minuten.
Afwezigheid - VTE dagen per jaar
de som van het aantal opgenomen afwezigheidsdagen: betaalde vakantie, onbetaald verlof, ziekteverlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet en dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
Werk, ziekteverlof en dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar
de som van het aantal effectieve werkdagen per jaar, opgenomen dagen ziekteverlof en opgenomen dagen dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. Deze dagen worden erkend voor het loon.
Jaarlijks betaald verlof - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen betaalde verlof- of vakantiedagen, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen dagen onbetaald verlof, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
Ziekteverlof - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen dagen erkend ziekteverlof, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen dagen erkende loopbaanonderbreking, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
156
Zorgkrediet - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen dagen erkend zorgkrediet, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen dagen erkende dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. Erkende dienstvrijstelling is onder meer mogelijk voor vakbondsactiviteiten overeenkomstig de federale bepalingen, voor vrijwillige brandweerlui, actieve vrijwilligers van het Rode Kruis, voor (verplichte) functies ter gelegenheid van verkiezingen, voor specifieke activiteiten van topsporters, voor specifieke gratis medische en zorgdiensten... (https://overheid.vlaanderen.be/deel-x-de-verloven-en-dienstvrijstellingen-titel-13).
Telewerken - VTE dagen per jaar
het aantal effectieve werkdagen met telewerk of plaats- en tijdsonafhankelijk werken (ptow), uitgedrukt in VTE werkdagen per jaar.
Loonkosten per maand
alle kosten verbonden aan het tewerkstellen van de werknemer, ook de totale budgetlast genoemd (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3.
Totaal bruto salaris per maand
de loonkosten minus de bijdragen van de werkgever voor de Sociale Zekerheid, de extra vergoedingen, voor de maaltijdcheques en de hospitalisatieverzekering (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3.
Bruto toelagen per maand
alle algemene en specifieke toelagen bovenop het normale salaris, met uitzondering van het vakantiegeld en de eindejaarspremie, en is onderdeel van het totaal bruto salaris (gemiddelde per maand). Zie: https://overheid.vlaanderen.be/BVR_Deel07-T2. het totaal bruto salaris minus het bruto vakantiegeld, de bruto eindejaarspremie en de bruto toelagen (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3.
Bruto salaris per maand Netto salaris per maand
Totaal netto salaris per maand
het totaal bruto salaris minus de bijdragen van de werknemer voor de Sociale Zekerheid, de bedrijfsvoorheffing (personenbelastingen), maaltijdcheques en de bijzonder RSZ, plus de extra vergoedingen (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. het netto salaris plus de vergoeding voor woon-werkverkeer (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3.
Salaris per gepresteerd werkuur
is gelijk aan het salaris per jaar gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
Salaris per erkend werkuur
is gelijk aan het salaris per jaar gedeeld door het aantal erkende VTE werkuren per jaar.
157
Bijlage 3
Componenten van het salaris Brutosalaris + Bruto Vakantiegeld (VAK) + Bruto Eindejaarstoelage (EJT) + Bruto Toelagen = Totaal bruto salaris + RSZ en FOP werkgever op brutosalaris, bruto VAK, bruto EJT en bruto toelagen + Vergoedingen + Maaltijdcheques (bijdrage werkgever + administratiekost) + Hospitalisatieverzekering (bijdrage werkgever) = Budgetlast + Vergoeding woon-werkverkeer = Totale budgetlast of loonkosten Bruto salaris + Bruto Vakantiegeld (VAK) + Bruto Eindejaarstoelage (EJT) + Bruto Toelagen = Totaal bruto salaris - RSZ werknemer - FOP werknemer - Bedrijfsvoorheffing - Maaltijdcheques (bijdrage werknemer) - Bijzondere RSZ + Vergoedingen + Vergoeding woon-werkverkeer = Totaal netto salaris Geen RSZ + FOP werkgever op vergoedingen, maaltijdcheques, hospitalisatieverzekering en woon-werkverkeer. FOP = Financiering van de Overlevingspensioenen
158
Publicatie van
Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Agentschap Overheidspersoneel VSA - Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel