ui
' •
'
•l BH
^r
MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 15/5 //
SEPTEMBER-OKTOBER 1996 //
TWEEMAANDELIJKS //
Het Martelaarsplein te Brussel • 200 jaar Belgische en Vlaamse geschiedenis verteld op een bevattelijke manier • Meer dan 300 nooit eerder getoonde foto's en documenten
EEN PRACHTIG GESCHENK HET MARTELAARSPLEIN TE BRUSSEL Eclgartl Goedleven Vormgeving Luc Tack 256 BLZ. Met ca. 500 afbeeldingen in kleur WO X 250 MM Gebonden met stofomslag 2650 FR. ISBN 90 209 2845 7 NUGI 22;? - SBO 49
s h e t enkel een s p e l i n g van h e t lot o f d e ironie v a n d e g e s c h i e d e n i s d a t t h a n s d e V l a a m s e r e g e r i n g is g e v e s t i g d o p h e t Brusselse M a r t e l a a r s p l e i n w a a r d e o p s t a n d e l i n g e n liggen b e g r a v e n die in 1830 s n e u v e l d e n tijdens d e Belgische o m w e n t e l i n g ? In dit p r a c h t i g geïllustreerde k u n s t b o e k h a n g t E d g a r d G o e d l e v e n h e t verhaal o p van d i t a u t h e n t i e k e classicistische m o n u m e n t . Zijn w e d e r v a r e n g e d u r e n d e t w e e e e u w e n g e s c h i e d e n i s w o r d t hier o p u i t s t e k e n d e wijze geschetst. D e b a n d m e t h e t politieke en sociale leven w o r d t n o o i t uit h e t o o g v e r l o r e n . O f h o e politiek en a r c h i t e c t u u r elkaar steeds w e e r b e ï n v l o e d e n .
I
Besteladres: Afdeling M o n u m e n t e n en Landschappen Zandstraal 3 - 1000 Brussel tel. (02)209 27 37 fax (02)209 27 05 Prijs: 2650,-fr. (verzending inbegrepen). H e t boek kan verkregen worden door overschrijving van 2650,-fr. o p rekeningnummer 091-2206040-95
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Afdeling Monumenten en Landschappen
MONUMENTEN
Afsiftekanloor: Brussel X
EN
LANDSCHAPPEN
ISSN 0770-4948 •
Redactie
15 jaargang Nr. S •
september-oktober 1996
Inhoud
Afdeling Monumenten en Landschappen. Pers & Voorlichting. Zandstraat3, 100() Brussel. Tel.: (02) 209 27 37 - Fax: (02) 209 27 05. Eindredactie: M.M. Celis. Vormgeving en productie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns.
De Academiezaal te Sint-Truiden: een onbekend oeuvre van de Gentse architect Louis Roelandt (1786-1864) Lode De Clercq en Herman Van Meer. m.m.v. Jos Gyselinck
Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken. M. Buyle. M.M. Celis, M. De Borgher. J. De Schepper. M. Fierlafijn. J. Gyselinck. A. Malliet, G. Plomteux, L. Tack. S. Van Aerschot. Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L. Wylleman.
De meander van Vorsdonk en de Turfputten te Gelrode (Aarschot) een historische en ecologische verkenning Luc Vervoort en Roger Deneef
39
Summary
64
M&L Binnenkrant
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.
Druk Die Keure Oude Gentweg 108. 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 68.
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening. Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Zandstraal 3. 1000 Brussel De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1997 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen. Zandstraat 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1997". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. sa
8
"- '^^
É.
••
••
••
II III II
^
Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voorde volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Cover: Sint-Truiden, de
(foto: O. Pauwels)
Academiezaal
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (09) 222 22 39 - 222 20 48 / Fax (09) 220 27 75
H
<..
wC.
J I *'.,*i
>
«*.»
»
•
•
#
A
•
J 888.' Blauwe Steen uit Henegouwen ziet voor het eerst het daglicht. Edel blauw, stij(vo( blauw, zuiver blauw, blauw... Dit blauw overbrugt moeiteloos de kloof tussen natuur en kunst, tussen heden en verleden. 1996! Tegelvloeren, trappen, gevels, terrassen, open haarden... Blauw uit Henegouwen. Eigentijds blauw dat staat voor schoonheid, fraaie kleurschakeringen en duurzaamheid. 1888 -1996 '.jaren van
ervaring, jaren van vakmanschap en meesterschap. Blauwe Steen uit Henegouwen. Een rotsvaste traditie waar je op kan bouwen.
; L i N/ i rg <5
> Etex
BLAUWE STEEN UIT HENEGOUWEN BLAUW MET EEN MOOIE CARRIÈRE. Ik wens gratis meer informatie omtrent Blauwe Steen uit H e n e g o u w e n * en z'n verschillende toepassingen. Naam:. . . , Voornaam:. Beroep: . . . Straat: . . . . Nr
Gemeente:. . Postnummer: Terugsturen naar: B.B. & C. Gachardstraat_78,_1050 Bru_ssel_ Tel 067/33.41.21. Arch. B. WITTEWRONGEL
Arch. BEL1ËN - Living Tomorrow
ff
Remmers Bouwchemie B.V.B.A.
Uw partner voor totale bouwbescherming Onze produkten vinden hun toepassing bij: restauratie, monumentenzorg, renovatie, onderhoud, nieuwbouw, ... • Funcosil Gevelrenovatie - zachte reiniging d.m.v. micronevelreinigen - steenverstevigers- en hydrofoberingsprodukten - anti-grafittlsystemen - siliconenemulsie en silicaatverven • Funcosil natuursteen- en restauratiemortels • Aida Kiesol injectie optrekkend vocht, epoxy-injecties • Aidol houtbescherming en polymeerchemische balkkoprestauratie • Viscacid kunststofvloeren epoxy/polyurethaan • Betonreparatiesystemen mineraal/epoxy • Aida kelderafdichting binnen-Zbuitenzijde • Hulpstoffen voor beton en mortel • Invoerder sierpleisters Parex-Lafarge Industriepark 20 2220 HEIST-OP-DEN-BERG tel.(015)24 19 68 fax (015)24 28 60 Documentatie of gratis advies op aanvraag!
België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager
Kunstatelier
AL. BUGGENHOUT BVBA
Gerard Thienpont bvba
4000
BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor hel adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt;
VAN ARTEVELDESTRAAT139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55
Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen Beeldhouwwerken • hout en steen Decoratieve schilderwerken Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilair Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52
P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERU E3-Laan 49 - 9800 DEINZE
Tel. : (09) 386 07 63 - 386 61 50 F a x : (09)386 04 15
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige SintRomboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
Kleine Breedstraat 33 - 9100 St.-Niklaas
Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding vochtwering - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht - dlchtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.
D
IET TE VERGETEN !
im
RÖFIEL
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Boaemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek) ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX
09/372 03/771 09/372 09/372
63 44 63 63
03 66 03 03
Hernieuw vóór het einde van het jaar uw jaarabonnement op M&L voor 1997.
Slechts 1.150 fr., over te schrijven op rek. nr. 470-0278201-29 van M o n u m e n t e n & Landschappen, Zandstraat 3, 1000 Brussel
f
m & *>
i
„^aaagg
^
^
1
M&L
DE ACADEMIEZAAL TE SINT-TRUIDEN: EEN ONBEKEND OEUVRE VAN DE GENTSE ARCHITECT LOUIS ROELANDTH 786-1864) LODE DE CLERCQ en HERMAN VAN MEER m.m.v. JOS GYSELINCK
Van abdij naar Seminarie. Lithografie van V. Roose. 1860. "Séminaire episcopal du Diocese de üège'. (Afbeelding op een prospectus van het Seminarie te St.-Truiden)
- f
••———
— — —
t re-
op de bouwvallen van de voormalige
bisdom Luik. Op de grens van de
Benedictijnenabdij, omstreeks 659 door
abdijsite bouwde hij ten behoeve van
Trudo gesticht op een terreinverhoging
de seminaristen de Academiezaal die
langsheen de rechteroever van de
de veruitwendiging was van de culture-
Cicindria en tevens de kern waarrond
le component binnen het seminarie-
de stad Sint-Truiden zich zou ontwikke-
leven.
len, verbouwde en ontwierp architect
De activiteiten die er plaatsvonden
Louis Roelandt tussen 1840 en 1843 een
hebben mede de heropbloei van de
uitgebreid gebouwencomplex dat
Vlaamse letterkunde in de hand
dienst zou doen als seminarie van het
gewerkt.
M&L
Situeringsplan van de abdij. Toestand 1984. (Tekening Tjeu Corstjens, Gemeentekrediet)
9
BOUWHISTORISCHE SITUERING IN DE ABDIJSITE De Academiezaal die deel uitmaakt van de site van de voormalige Sint-Trudo-abdij te Sint-Truiden, vormt in feite een onderdeel van het Klein-Seminarie dat onder impuls van Mgr. Van Bommel, bisschop van Luik, vanaf 1839 werd geïnstalleerd in de resterende gebouwen van de eeuwenoude doch sinds de Franse revolutie deerlijk afgetakelde Benedictijnenabdij. Onder het abbatiaat van Joseph Van Herck die sinds 1751 de abtszetel toegewezen kreeg, werd de abdij ingrijpend getransformeerd in classicistische stijl. Hiervoor deed hij beroep op Laurent-Benoit Dewez, architect van Karel van Lotharingen, gouverneurgeneraal van de Zuidelijke Nederlanden. Na de verkoop in 1798, werden de kerk en een gedeelte van de abdijgebouwen afgebroken. Een poging van ridder Léon-Francois Menten de Home om via een schenking aan twee monniken de kloostergemeenschap nieuw leven in te blazen, mislukte. In 1824 schonken ze de abdij aan de kerkfabriek van de nabijgelegen Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartskerk. Enkel de monumentale toren bleef overeind.
Ontwerp van architect L.-B. Dewez van een nieuwe abdij in classicistische stijl. (Algemeen rijksarchief te Brussel. Fonds Dewez, Plannen nrs. 223-225)
Opmetlngsplan van de abdijgebouwen door architect L.-B. Dewez. Toestand 1760.
Van bij de verwerving van de abdijsite in 1839 door het Bisschoppelijk Seminarie werd de gereputeerde Gentse architect Louis Roelandt aangesteld om het seminariecomplex te ontwerpen (1). Dit omvatte enerzijds het restaureren van de nog bestaande 17deen 18de-eeuwse gebouwen zoals de 18de-eeuwse inkompoort met portiersgebouw, de abtsvleugel, de bedrijfsgebouwen en de infirmerie en anderzijds de bouw van een veel kleinere, neoclassicistische kerk op de plaats van de verdwenen voorganger en dus in aansluiting met de overgebleven westertoren en het ernaast gelegen barokportaal uit 1655 (2). Daarenboven richtte Roelandt, hiermee volkomen de
oorspronkelijke inplanting van Dewez volgend, opnieuw de vleugels op rond beide in eikaars verlengde liggende binnenkoeren. De ondiepe zuidvleugel werd tegen de noordmuur van de nieuwe kerk aangebouwd. Tesamen met de oostvleugel en de nog bestaande 18de-eeuwse abtsvleugel bakenen ze de rechthoekige erekoer af. Achter deze Cour d'honneur werden omheen een vierkantig pandhof drie gebouwenvleugels opgericht en ontstond de zogenaamd "carré". Het valt op dat Roelandt zowel voor zijn restauraties als voor zijn reconstructies uitdrukkelijk rekening hield met de vormentaal en het materiaalgebruik van zijn illustere voorganger. Het plan herneemt het zogenaamde halve "Eskoriaalschema' van Dewez met zijdelings van de kerk de twee binnenhoven (3). Zowel qua gevelordonnantie als qua bouwstijl refereert hij naar de architectuur van Dewez. Afwijkend van zijn gebruikelijke gevelafwerking, concipieert hij de gevels in baksteen verlevendigd met maaslandse kalksteen voor de vensteromlijstingen. De realisatie van dit bouwprogramma liep van 1840 tot en met 1843. Vermoedelijk kort na de ingebruikname van het seminariecomplex, kwam er binnen deze tweetalige gemeenschap een literaire werking
10
Zicht vanop het balkon richting scène (foto 0. Pauwels)
M&L
op gang waarvan de in 1845 opgerichte Nederlandstalige afdeling Utile Duld een merkwaardige loot vormt (4). Het is in deze context dat het project van de Academiezaal tot stand is gekomen. Wat tot voor kort onbekend was gebleven, doch volkomen in de lijn der verwachtingen lag, is dat deze bijkomende uitbreiding in handen werd gegeven van Louis Roelandt (5). Waarschijnlijk nog in 1845 leverde Roelandt een voorontwerp en kort daarop volgden de definitieve plannen.
HET VOORONTWERP Bij nazicht van het Archieffonds Roelandt, bleek het bundel omtrent Sint-Truiden een grote kalk te bevatten waarop zeven aanzichten voorkomen voor een academiezaal (6). Bij de studie van de ontwerpmethode van Roelandt voor andere projecten, zoals dat van de Opera van Gent. blijkt dat hij meestal niet zomaar een aantal vrijblijvende varianten aan de opdrachtgever presenteerde doch op zeer methodische wijze van het ene ontwerp naar het volgende evolueerde en daarbij het bouwkundige programma op een steeds meer doordachte wijze vorm gaf. Ditzelfde verband menen we hier te kunnen onderkennen. Het is daarom dat we, door het vergelijken van voorontwerp en definitief ontwerp, meer inzicht willen verkrijgen in het programma en de specifieke criteria die de ontwerpevolutie hebben bepaald. De inplanting van het gebouw was blijkbaar van meet af aan vastgelegd in de zuidoost-hoek van het site, vlak bij de kerk en in het verlengde van de bestaande aaneengeschakelde bebouwing in de Plankstraat. Dit liet niet alleen toe het eigenlijke seminarie-complex volledig vrij te houden, wat bij een eventuele uitbreiding bijzonder nuttig kon zijn, doch tevens de academiezaal voor het externe publiek, via enkele in de Plankstraat uitkomende deuren, toegankelijk te maken. Om deze inplanting mogelijk te maken verkoos men zelfs om de oude pastorie van de Onze-Lieve-Vrouwparochie te slopen, een afbraak die overigens pas in 1846 plaatsvond (7). De eerste versie van de Academiezaal betrof een gebouw van het pseudo-basilicale type. De buitengevels vertonen een streng-neoklassieke aanpak die duidelijk de interieuropbouw weerspiegelt. Zo is aan de voorgevel de hoofdtoegang geprononceerd door middel van een licht vooruitspringend risaliet op gebosseerde sokkel en met frontonbekroning. Op de verdieping zien we drie vensters in een eenvoudige omlijsting bekroond door oculi. Samen met de terugwijkende laterale traveeën wordt hier dus de interne
driebeukige opdeling aangegeven. In de zijgevels kunnen we een analoge expressie van de structuur waarnemen. Het centrale zaalcompartiment wordt opnieuw veruitwendigd door een ditmaal negen traveeën breed risaliet dat andermaal rust op een gebosseerde sokkel. De toegangspartij en de scènebeuk vormen de eenvoudiger behandelde, naastliggende traveeën. Door het aanwenden van de centrale risalietmarkeringen op de drie zichtbare zijden van het gebouw krijgen we reeds een prelude op het latere centraalbouwconcept. In tegenstelling hiermee kunnen we vaststellen dat de beide langse gevels, namelijk de straatgevel en de koergevel op een verschillende wijze werden behandeld. Zo is de straatgevel voorzien van dezelfde rechthoekige doorbrekingen als in de korte 'voorgevel', hetgeen overigens in het verlengde ligt van de overige in het straatgevelfront gehanteerde venstervormen. De gekoppelde rondbogige drielichten, met daarboven de spaarvelden, refereren veeleer naar de rondbogige venstervormen van de tegenover gelegen kerkgevel. Binnenin voorzag het gebouw in een veertig meter lange zaal die verdeeld werd in zes geledingen. Het eigenlijke auditorium met gradinen beslaat de drie centrale geledingen, waarvan de meest zuidelijke ingenomen werd door de parterre die direct aansluit bij het monumentale scènefront. Aan de tegenoverliggende zijde situeert zich de inkom die uitgeeft op een zeer ruime, onder de gradinen gelegen vestibule. De overige toegangen, waaronder diegene die aansluiten bij de reeds van bij de aanvang voorziene overdekte galerij naarde seminarie-gebouwen, worden via een onder de gradinen rondlopende gang eveneens in verbinding gesteld met de vestibule. Vanuit deze vestibule die, analoog aan de functie ervan in de huizenbouw, werkelijk als echt knooppunt voor de circulatiestructuur van het gebouw functioneert, vertrekken tevens de vier trappen die op twee verschillende niveau's toegang dienen te verlenen tot de zaal. Het auditorium wordt gekenmerkt door een bijna amfitheatrische schikking van de gradinen rond de parterre. De zitplaatsen vertonen een enigszins merkwaardige opdeling waarbij het grootste deel gevormd wordt door Spartaanse zitbanken die gesitueerd zijn in de aslijn van de zaal en in de oostelijke zijbeuk. De westelijke zijbeuk die aansluit bij de grotere raamopeningen aan de kerkzijde, is daarentegen voorzien van een gradin met een geleidelijker verval. Deze gradin sluit niet aan bij de parterre-vloer en is bovendien voorzien van bredere rijen waarop geen zitplaatsen zijn aangeduid.
m
12
Voorontwerp Academiezaal door architect Roelandt (Universiteitsbibliotheek Gent, fonds Roelandt)
M&L
Jul
De parterre is vierkant en omgeven door een lage, versierde borstwering die de voorscène afbakent van het publiek domein. De erbij aansluitende scène maakt deel uit van een groots, drieledig scènefront dat voorzien is van een classicerend decor, waarbij in de laterale partijen beelden in serliana-vormige nissen werden opgenomen. Boven de eigenlijke scèneopening met antiek gedrapeerde gordijn bevindt zich een rondbogig timpaan waarin een medaillon met bisschoppelijk blazoen geflankeerd door twee zege-engelen (Fama). De verbinding tussen scène en voorscène wordt gevormd door een piramidale eretrap. De tamelijk korte scène heeft een sterk hellende vloer (circa 8%). Voor zover we uit de plannen kunnen opmaken heeft deze scène geen enkele theater-technische infrastructuur en is er zelfs geen verbinding voorzien met de naastgelegen lokalen. We kunnen aangaande dit voorontwerp besluiten dat er een aantal merkwaardige, enigszins tegengestelde elementen in verweven zijn. Alhoewel het een in wezen basilicaal en longitudinaal concept betreft, integreerde L. Roelandt in dit gegeven, in de mate van het mogelijke, een amfitheatrisch auditoriumconcept met sterke nadruk op de voorscène. Tevens voorzag hij in het gebouw, dat vanuit de drie vrijstaande zijden toegankelijk was, een roterende circulatiestructuur die samen kwam in de vestibule van waaruit er opnieuw een verdeling tot stand werd gebracht op verschillende niveau's met het auditorium. Alhoewel hier met beheersing verenigd, lijken er in dit voorontwerp voldoende elementen aanwezig die de evolutie naar een centraalbouw aangeven.
' tife^^^j^ni"3l
HET DEFINITIEF ONTWERP VAN 18 SEPTEMBER 1845 Bij nazicht van de archieffondsen van het Kleinseminarie bleek dat de uiteindelijke en zeer gedetailleerde ontwerpen bewaard zijn gebleven. Het gaat om twee horizontale {Rez-de-chaussée en Ier étage) en twee verticale snedes {coupe transversale en coupe longitudinale) en een aanzicht van de voorgevel (facade principale) waarmee de straatgevel met de twee ingangen aan de Plankstraat wordt bedoeld (8) (niet in de lengteas van de zaal). Bij de bespreking van dit centraalbouwproject, zullen we het meteen toetsen aan de naar deze ontwerpen uitgevoerde realisatie. Alhoewel het van meet af aan duidelijk was dat er qua structuur en volumes een grote overeenstemming is, bleken bepaalde op de plannen weergegeven elementen ofwel nooit te hebben bestaan, ofwel aansluitend bij de realisatie, in een verrijkende herziening van het interieur, meteen te zijn gewijzigd. Vast staat dat de grond waarop de oude pastorie was geconstrueerd, vermoedelijk pas in het voorjaar van 1846 werd vrijgemaakt om dan ogenblikkelijk de constructie te laten doorgaan. Aangezien bij de restauratiewerken op het stucplafond een inscriptie aan het licht kwam die verwijst naar de aanmaak van de stucreliëfs in de koepel (Gent 1847), lijkt het waarschijnlijk dat deze eerste transformatie nog bij de afwerking van het gebouw werd geconcipieerd en dat er dus mogelijks nog met bepaalde wijzigingen rekening werd gehouden tijdens de opbouw van het zaalinterieur (9).
M&L
Definitief ontwerp Academiezaal door architect Roelandt. (Provinciaal Archief- en documentatiecentrum. Fonds Seminarie) (foto G. Charlier)
13
.e o ^
M&L
15
. Toegangsdeur tot de parterre, vanuit de Plankstraat 2. Zicht op de monumentale trap 3. De dekenij. mogelijks eveneens naar ontwerp van Roelandt. in aansluiting aan de Academiezaal 4. Koepelsegment vak 5: na de restauratie 5. Zicht vanop de gaanderij naar de scène 6. Zicht op de zaal. De dichtgemetselde ramen werden heropend waardoor een lichtkrans ontstaat in het theater (foto's 0. Pauwels)
16
M&L
Exterieur De expressie van de interne zaalstructuur werd wegens de toegenomen complexiteit van het plan - de kern wordt gevormd door een zuivere octogoon nog wel aanwezig gelaten doch tevens enigszins onderdrukt ten voordele van een vormcontinuïteit waar de uiteindelijk bereikte onregelmatige gevelopbouw om vroeg. De omlopende circulatiestructuur op de begane grond, die gangen en verschillende vestibules omvatte, werd voorzien van eenvoudige vierkante vensters, aan de ingangen afgewisseld met deuren in sobere omlijstingen. Het eigenlijke zaalinterieur en de scènebeuk werden verlicht door ruime rechthoekige ramen in geriemde omlijstingen terwijl de er boven gelegen oculi het balkon verlichtten. Zowel de uitspringende scènebeuk als het zaalmidden in de voorgevel aan de Plankstraat werden geprononceerd door een risaliet dat boven de scène voorzien was van een driehoekig fronton. De gevels werden, net zoals de overige seminariegebouwen uitgevoerd in een bakstenen parament verlevendigd met een plint, vlakke omlijstingen en hoekkettingen in maaslandse kalksteen. Wat de dakstructuur betreft lijken de verbouwingssporen in de spanten, zoals blijkt uit een vogelvluchtperspectief van V. Roose uit 1860, erop te wijzen dat het tentdak grotendeels werd uitgevoerd volgens het oorspronkelijk ontwerp (10). De verplaatsing van de zuidoost hoekkeper van de risaliethoek naar de buitenhoek uiterst links aan de Plankstraat en de daarmee samengaande constructie van een snijdend zadeldakje boven het daar gelegen trappenhuis, is pas na 1860 aangebracht en doorbreekt dus het voorziene symmetrisch concept van de straatgevel.
Zicht op de zaal. de koepel wordt gedragen door monumentale kolommen (foto O, Pauwels)
Hoe dan ook, de gerealiseerde centraalbouw, waarin de essentiële elementen van het voorontwerp werden opgenomen, beantwoordt vrijwel volkomen aan het door Roelandt gemaakte ontwerp. Gezien de stijlovereenkomsten en gezien de Gentse origine van de stucdecoraties mogen we deze elementen in het kader plaatsen van een voltooiing naar ontwerp van Louis Roelandt. Bij de realisatie werd de voorziene inplanting aan de Plankstraat gerespecteerd.
Interieur Het interieur bestaat uit een zaal die zowel in plattegrond als in doorsnede een achthoekige kern vertoont. Deze laatste wordt onderaan gevormd door de gradinen die uitmonden op het parterre-vlak en bovenaan door de afgesnuite koepel. Op de drie niveau's wordt deze achthoekige kern telkens omgeven door respectievelijk twee rondgangen en een balkon. Zowel het balkon als de koepel worden gedragen door acht monumentale kolommen die aanvankelijk gladde schachten combineerden met Corinthische kapitelen. Deze fase heeft wellicht als overgangsmoment kort bestaan in de periode 18461847, aangezien we onder de huidige in stucwerk uitgevoerd gecanneleerde mantels van de kolomschachten deze oorspronkelijke met marmerschilderingen opgeluisterde kolomschachten terugvonden. Om de hoge koepeloverspanning te kunnen realiseren op deze slanke en transparante onderbouw.
M&L
17
Interieur van de Academiezaal ca, 1904.(Fonds Limburgs Documentatiecentrum) (foto L. De Clercq)
maakte Roelandt gebruik van een hangspant dat werd gecombineerd met een hoog opgetrokken schoorwerk. Dit drieledig hangwerk werd boven de koepel in hout uitgevoerd. De zichtbare trekkers en hangers onder de koepel daarentegen werden in een veel transparanter gehouden ijzerconstructie voorzien (11). Zoals gebruikelijk in de 19de eeuw, werd de houten, op trek belaste constructie uitvoerig voorzien van ijzeren beugels (12). Dergelijke hangspanten waren uiterst geschikt voor het overspannen van grote ruimtes zonder daarbij veel horizontale druk uit te oefenen op de muren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij in de eerste helft van de 19de eeuw frequent werden gebruikt voor theaterbouw (13). Door het handig gebruik dat Roelandt wist te puren uit de 8 steunkolommen van de binnenste achthoek kon hij door de combinatie van drie steekschoren en een hangstijl een vernuftig type van hangschoorwerk tot stand brengen dat noodzakelijk was voor het versterken van een dergelijk hoog opgetrokken spant. Het aanvankelijk eenvoudig vlak gehouden stucwerk op de koepelvlakken werd gedragen door onder de spantbenen dwars bevestigd keperwerk dat via geplooide metalen schakels aan de spanten en kepers werd opgehangen, zodoende dat we hier kunnen spreken van een hangroostering.
Twee fasen van het afgebroken verbindingsgebouw. Toestand ca. 1895. (Fonds Limburgs Documentatiecentrum) (foto L. De Clercq)
Als uitbreiding op deze achthoekige kern plaatste Roelandt de uitspringende scènebeuk aan de oostzijde en pronoceerde hij deze, analoog aan het voorgevelrisaliet, met een fronton. Door de rondgang onder de achthoekige kern, zelfs onder deze haakse scène-inplanting, te laten doorlopen wist de ontwerper een evenwaardig principe in de toegangsstructuur in te voeren. Immers uit de plannen valt af te leiden dat er twee nagenoeg evenwaardige toegangen werden voorzien en dat een derde architecturaal meer ondergeschikte inkom een belangrijke aanvullende functie innam (14). De hoofdtoegangen werden gevormd enerzijds door de beide, op vestibules uitgevende deuren van de Plankstraat en anderzijds door de aan de verbindingsgang met het seminarie aansluitende toegang aan de andere zijde van het gebouw. De direct aan deze toegangen gekoppelde ruimtes staan in relatie met de onderscheiden publiekscategorieën. De externe genodigden werden immers opgevangen in eenvoudige vestibules die de beide afschuiningen van de achthoekige kern ten opzichte van de Plankstraat opvullen, zodat het gevelvlak hier duidelijk de rooilijn kon blijven vormen en het gevelfront in de straat niet werd verstoord. Bovendien sloten deze vestibules rechtstreeks aan zowel bij het centrale zuidelijke parterre-portaal als bij het westelijke trappenhuis. De interne genodigden en inrichters kwamen via hun toegang in een in de rondgang opgenomen zeshoekige vestibule terecht. Deze zeshoek had niet enkel het voordeel dat de schuin op de gevel ingeplante verbindingsgang op een elegante wijze kon worden opgevangen doch tevens dat er, zonder het doorgangscircuit zowel richting scène als richting trappenhuis te verstoren, een directe verbinding met het noordelijk parterre-portaal tot stand kon worden gebracht. Tevens bleef er nog één buitenvlak van de zeshoek vrij waarin een raam kon worden voorzien terwijl in het er tegenoverliggende vlak een dienstdoorgang onder de parterre werd gerealiseerd. Daar waar de beide publieksvestibules aan de Plankstraat opgevat werden in een sobere neoklassieke stijl en
M&L
Interieur van de Academiezaal ca. 1990Aetophet toegangsportaal tussen de gradinen. (foto Herman Van Meer)
Bekroning scèneopening. Beschildering doek met wapenschild van Monseigneur Cornelius Richard van Bommel, bisschop van 1829 tot 1852 (foto L. De Clercq)
des élèves" genoemd. Deze meer eenvoudige toegang gaf, via de onder de scène gelegen verzamelruimte, direct toegang tot beide bezijden de monumentale trap gelegen deurtjes naar de parterre en van daaruit naar de minst gegeerde gradinenplaatsen bezijden de scène. Tevens kon via deze doorgang direct het naastgelegen compacte trappenhuis worden bereikt. Dit trappenhuis ontsloot de scène en gaf bovendien toegang tot de boven de vestibule gelegen hal die op het eerste ontwerp trouwens meer naar de zaal toe was opengewerkt en als orkest diende te functioneren (15).
de wanden enkel verlevendigd werden door rondbogige beeldnissen, werd de zeshoekige vestibule, waar ongetwijfeld de religieuze bestuurders en professoren werden ontvangen, opgevat in neogotische stijl met in het gewelfmidden convergerende stucribben waartussen vijfpuntige sterren werden geplaatst. De derde toegang bevond zich onder de scènebeuk en wordt op de plannen duidelijk "entree
Wat de scenische structuur zelf betreft is het duidelijk dat naast de eigenlijke scène vooral de voorscène een belangrijke functie kreeg toebedeeld. Deze beide niveaus waren via een monumentale trap (16) met elkaar verbonden. Voor het overige had de eigenlijke scène een vrij sterke helling en was zij, zoals door Roelandt ook bijvoorbeeld werd toegepast in de scènebeuk van de Gentse opera, voorzien van geopende vensters. Er was in aanvang geen enkele theatertechnische infrastructuur voorzien. De scèneopening die zich ter hoogte van de buitenste achthoek situeert, is opgeluisterd met een rondbogig timpaan waaronder een klassieke op doek geschilderde "manteau d'arlequin". Hierop komt het wapenschild voor van de oprichter van het seminarie, namelijk bisschop Van Bommel, die tot 1852 in functie bleef.
M&I.
19
1
2
3
4
5
6
7
8
1. Gecanneleerde kolomschacht, vak 7-8; postament met licht overkragend basement (toestand 1991). 2. Detail van de steekproef op kolomschacht. Bemerk de eerste kolomafwerking met gladde schacht en marmerschildering. Onderaan aanzet van oorspronkelijk kleiner basement. 3. Borstwering en postament vak 4-5. gaanderijzijde. Bemerk de overlapping van het in oorsprong zichtbare paneel van het basement door de later ingebrachte borstwering. 4. Aanzicht van de bi] de tweede bouwfase verruimde en verrijkte inkom aan de westzijde. 5. De later gedichte doorgang is duidelijk waar te nemen in de gradinen. 6. Paneel van vensterluik in de gaanderij op het gelijkvloers, vak 8. De huidige schildering wordt slechts voorafgegaan door één voorgaande schildering in bruin. 7. Vergaring van het hangspant en de hangmakelaar; door de introductie van een raveelconstructie vonden ook de tussenspanten een aanslultingsmogelijkheid. 8. De koepel: nummering van de vlakken.
20
Paneel uit borstwering zoals vervaardigd tijdens de eerste verbouwing. Centrale cartouche met kop van bok In zogenaam rolwerk, hoofdzakelijk In •'Carton Pierre'' (foto L. De Ciercq).
M & L
Het amfitheater zelf is voorzien van gradinen die gedragen worden door eenvoudige houten jukken. Hierop werden zeven rijen banken geconstrueerd gescheiden door tussenschotten. Het onderzoek toonde aan dat deze gradinen ontsloten werden door vier dwarsgangen waarvan er twee haaks op de parterre uitkwamen, terwijl de twee overige diagonaal naar de beide in het westen gelegen trappenhuizen waren gericht. Op deze wijze werd trouwens voorkomen dat de beste zitplaatsen van het auditorium werden opgeofferd (17). Op de gaanderijen die doorliepen tot tegen de eigenlijke scène en daar een soort scèneloges vormden, was geen vaste zitgelegenheid voorzien. De zaaldecoratie Alhoewel de zaal aanvankelijk voorzien was van monumentale kolommen met Corinthische kapitelen, bleek de decoratie in hoofdzaak een geschilderd karakter te hebben vertoond. Zo waren de gladde zuilschachten bedekt met marmerschilderingen in olieverf-techniek. Voor het overige waren het enkel eenvoudige houtschilderingen op al het aanwezige schrijnwerk. De omlopende doorgang met dito vestibules was eenvoudig gewitkalkt. Toch kwam het belangrijke karakter van deze gang tot uiting in de prachtige houtschilderingen met wortelhoutmotieven die op de deuren waren toegepast. Het manteau d'arlequin was in de traditie van de theaterschilderingen (lijmverf) voorzien van een somptueus trompe l'oeil decor in italianiserende neo-renaissancestijl met in het midden het wapenschild met devies (In Trinitate Fortiludo) van bisschop Van Bommel.
Moulage van zwik van koepeldecoratie, aangemaakt bij de restauratie tijdens de derde bouwfase.
Vrijwel onmiddellijk na het beëindigen van de eerste bouwcampagne, volgde de eerste aanpassing van het interieur die aan het geheel een nog veel rijker en nu manifest neorenaissance-karakter verleende. Hierbij werden de monumentale kolommen bekleed met een mantel in stucwerk waarin cannelures en sierringen werden weergegeven. Het schrijnwerk van de borstweringen van de galerij werd voorzien van decoraties in carton-pierre-techmek, die juist zoals de manteau d'arlequin in italianiserende neorenaissancestijl werden opgevat. Alhoewel aanvankelijk de carton-pierre, die sinds het begin van de 19de eeuw een ruime verspreiding kende, in onze gewesten vooral beheerst werd door Franse import, kon Roelandt bij de inrichting van de Gentse schouwburg in 1840 voor de uitvoering ervan beroep doen op de in Gent woonachtige Hiver (18). Dezelfde specialist stond kort daarna in voor een belangrijk deel der plafonddecoraties in Roelandts Concordezaal (1845) op de Kouter te Gent (19). Mede door het feit dat
•
'.-''T--.
l7f£ -'-^r Roelandt zich bij zijn realisaties liet bijstaan door vertrouwde medewerkers, - we vermelden hier te Sint-Truiden de bijdragen van de beeldhouwer Geefs voor de Seminariekerk - en tevens door de zekerheid die we hebben dat de stucreliëfs van de koepel werden uitgevoerd door een Gents atelier, ligt het in de lijn der verwachtingen dat Hiver mogelijks zijn medewerking verleende voor de in de Academiezaal toegepaste carton-pierre ornamenten. De koepel, die aanvankelijk voorzien was van eenvoudige plafondvlakken, werd nu uitgewerkt tot een weelderig stucdecor. Om dit beter tot zijn recht te laten komen werden de zichtbare ijzeren trekkers gesupprimeerd, een toestand die tot bij de restauratie van 1928 zou behouden blijven. Wellicht werd het hangschoorspant bijkomend versterkt met ijzeren banden en werden tevens in de onderste koepelvlakken bijkomende steunbalken in de roostering toegevoegd. De zwikken en de lijstwerken, cartouches en dergelijke die in het plafond zijn verwerkt, vertonen een rijke italianiserende neorenaissancestijl waarin zich een voor die periode kenmerkende voorliefde voor arabesken weespiegelt. In de vier gefigureerde
M&L
21
digd van eenzelfde origineel, is het zeer waarschijnlijk dat toen een vereenvoudiging werd doorgevoerd en een vierde thema werd weggelaten. De beide medaillons vertonen andermaal een door boeken omringde putto wiens rechterhand rust op een globe. Deze attribuutkeuze is mogelijks ontleend aan de personificatie van de "Scientia". Aangezien echter de putto demonstratief zijn linkerhand opsteekt als wou hij iets tonen, ziet het er naar uit dat hier een passer is verdwenen. Hierdoor zou een identificatie met de "Geometria" voor de hand liggen. In dit geval zou de koepeldecoratie een wat vreemde versie van het "quadrivium" der zeven vrije kunsten als onderliggend programma hebben vertolkt, waarbij ofwel de rekenkunde ofwel de astronomie zou gehoord hebben.
DE BOUWEVOLUTIE VAN DE ACADEMIEZAAL
1. Centraal medaillon vak 5. De "inventio". 2. Centraal medaillon vak 3. De "scientia" of "geometria" 3. Centraal medaillon vak 1. De "poësis". 4. Centraal medaillon vak 7. De 'scientia" of "geometria'' (foto's L. De Clercq)
medaillons vinden we telkens gevleugelde putti welke attributen hanteren die verwijzen naar bekende renaissancistische allegorieën. Zo draagt de tegenover de scèneopening opgestelde putto een harp ontleend aan de personificatie van de "Poësis". In de context van de academiezaal wordt het meer algemeen gebruikt als verwijzing naar de lyrische kunst; de harp is trouwens het attribuut van Terpsichore, de muze van zang en dans (20). Recht tegenover deze personificatie vinden we een medaillon waarbij een weerom in de wolken drijvende putto omringd wordt door enkele drukpersen. Dit attribuut lijkt te zijn ontleend aan de personificatie van de "Inventio" (21). Beide overige reliëfs zijn identiek, hetgeen toch wel merkwaardig mag worden genoemd. Gezien het feit dat uit het onderzoek bleek dat deze beide reliëfs bij de restauratie van 1928 als replica werden vervaar-
Een eerste transformatie vond plaats vlak vóór de realisatie van de oudst bekende foto-opname van het interieur van de academiezaal uit 1887. Deze transformatie, die wellicht aanleiding gaf tot het herschilderen van de koepel, wordt bevestigd door het aantreffen aldaar van een bijgevoegde potlood-inscriptie links naast de originele signatuur waarin we de datum 1886 kunnen ontwaren. Aanleiding tot deze heropfrissing was wellicht de invoering van een grote ereloge in de recht tegenover de scène gelegen gaanderij, waarbij de blinde vensters van de wand werden bekleed met beschilderde doeken waarop religieuze trofeeën waren afgebeeld, terwijl de travee-opening van de gaanderij werd voorzien van lambrekijnen. De toegang tot deze ereloge werd gevormd door een brede, dwars in de gradinen gesneden axiale gang waarbij tal van de beste plaatsen werden opgeofferd. Het verlies van zitplaatsen op de gradinen werd gecompenseerd door het opofferen van de brede zuidelijke doorgang met aansluitend portaal en tevens door het dichten van de beide overhoekse doorgangen die aansloten op de westelijke trappenhuizen. Op de foto kunnen we tevens waarnemen dat de zaal toen verlicht werd door middel van een gasverlichting. Deze gasverlichting werd in de electrificatieperiode van het seminarie-complex, die liep van 1899 tot 1902 en gedurende dewelke niet minder dan 1.000 gloeilampen werden geïnstalleerd, vervangen door de op de foto van 1904 duidelijk zichtbare lampen (22). Aangezien we de toestand die tot stand werd gebracht bij de vorige verbouwing in grote lijnen kunnen herkennen op het schetsmatige opmetingsplan van 1923, lijkt het ons duidelijk dat de bouw-
22
M&L
werd gerealiseerd. In de publicaties van de oudleerlingenvereniging, wordt inderdaad melding gemaakt van een ganse reeks ingrepen die vooral in de periode 1927 tot 1932 plaatsvonden. Verschillende van de met naam genoemde ingrepen konden in situ terug gevonden worden aan de hand van het heel specifieke materiaalgebruik dat onder andere voor de mortelspecies werd toegepast. Daardoor kregen we een duidelijk beeld van de toen doorgevoerde verbouwingen. De restauratie van de toen zwaar gehavende koepeldecoratie past wellicht eveneens in deze context. Op de reeds vermelde signatuurplaats werd trouwens de datum 1926 aangetroffen.
1. Ontwerp architect Herman Van Meer. Inplantingsplan. 2. Gelijkvloers. 3. Verdieping. 4. Doorsnede.
Deze uitgebreide renovatie van het interieur van de academiezaal werd wellicht veroorzaakt door twee dwingende redenen. De eerste was wellicht van zuiver constructieve aard en had te maken met de aantasting van de stabiliteit en de vervorming van het spant wat mede de ernstige aantasting van de koepel verklaart. Om de stabiliteit van de koepel opnieuw te verzekeren greep men terug naar de in aanvang door
M&L
Zicht Academiezaal langs de Plankstraat (foto 0 . Pauweis).
Zicht Academiezaal vanop de Speelplaats van het College (foto H. Van Meer).
23
Roelandt voorziene, in het midden samenkomende en daar opgetrokken acht metalen trekkers die men, met behulp van onder de stucwerkbekleding verborgen schroefkoppelingen gelijkmatig onder spanning wist te brengen. De verzakkingen die zich ongetwijfeld toen reeds manifesteerden werden voor lief genomen en verder ongemoeid gelaten. Bij de eigenlijke stucrestauratie van de koepel werden van de belangrijkste beschadigde figuratieve gehelen afgietsels in gips vervaardigd, die ter vervanging van de originelen in de koepel werden ingepast. Tevens werd de koepeldecoratie intensief geconsolideerd. Na verzwaring van de spantvlakken door de introductie van bijkomende balken werden de koepelvlakken van bovenuit verstevigd door de systematische toepassing van gips/jute ankers die aan de omgevende houtstructuren werden bevestigd. Voor de omlopende kroonlijst aan de onderzijde der koepelvlakken werden spankabeltjes benut die doorheen de stucbekleding werden geboord en gefixeerd door middel van kleine dwarsstaafjes. De gehele operatie werd zeer vakkundig uitgevoerd. De tweede aanzet tot de grondige verbouwing werd ingegeven door het meer specifiek oriënteren van de academiezaal tot theaterzaal en bijkomend tot cinemazaal (23). Dit had vooral impact op de scène. Door de introductie van een orkestbak kon de voorscène op hetzelfde niveau van de aangrenzende scène worden gebracht. De belendende traveeën op de eerste gaanderij werden dichtgebouwd en de galerij op de verdieping werd door middel van een stucwandje afgesloten van de scène. Via twee excentrisch opgestelde gekromde trapjes, die uitmonden op toen ingevoerde neo-renaissance portaaltjes bezijden de scèneopening, bleef de scène in verbinding staan met de parterre. In de tegenover de scène gelegen wand, waar zich sinds 1886 de decoratie van de ereloge bevond, werd nu een projectiecabine geïnstalleerd.
STEDEBOUWKUNDIGE CONTEXT VAN DE ACADEMIEZAAL De ommuring rond de voormalige abdijsite en het latere 19de-eeuwse seminarie, waarbinnen het abdijen seminarieleven zich afspeelde, is niet alleen materieel maar ook functioneel steeds een sterk aanwezige grens geweest. Hierdoor vormt deze oude site ook in onze dagen nog steeds een sterk omsloten eiland in het centrum van de stad met een beperkt aantal specifieke toegangen. Deze toegangen stammen uit de abdijperiode en hadden elk hun eigen
functie en betekenis. Het barokke kerkportaal uit 1655 sluit onmiddellijk aan bij de markt, het classicistisch poortgebouw uit 1773 langs de Diesterstraat verleent toegang tot het voormalige abtskwartier en tegelijk, in tweede instantie, tot de bedrijfsgebouwen; de abdijmolen heeft een aparte ingang via de Abdijstraat en het 18de-eeuwse poortgebouw op de Stenaertberg leidt naar de abdijhoeve. Het is binnen deze ommuurde context dat de Academiezaal als culturele component bij het seminarie gebouwd werd. Het wijst erop dat de kerkelijke overheid, naast de strikt religieuze opleiding, eveneens belang hechtte aan het doorgeven van specifiek culturele waarden aan haar seminaristen.
M&L
Het was noodzakelijk dat de Academiezaal op de grens gelegen was, in de ommuring ingebed, opdat zij ook voor het stadspubliek onmiddellijk toegankelijk zou zijn. Dat zij werd ingeplant in een gebied dat aansluit bij het publieksdomein dat de kerk is, maar er volledig van onderscheiden wordt door een achterliggend, wat geïsoleerd stuk grond te nemen met volledig aparte ingangen, vertoont een logica binnen het seminariegebeuren. Door de inplanting zo te kiezen wordt de klemtoon van het religieuze karakter van het seminarie geconcentreerd in het kerkgebouw en niet beïnvloed door de aanwezigheid van een profaan gebouw. Door deze zorgvuldig gekozen ligging die samengaat met haar gebruik is de Academiezaal een specifiek 'tussengebied', een gebouw dat op zeer eigen wijze een communicatieve schakel legt tussen site en stad. De academiezaal belichaamde niet alleen de culturele component bij de opleiding, maar vormde ook het contactpunt waar de manifestaties plaats hadden waarbij het gesloten seminarie zich naar de buitenwereld richtte. De gebouwen van het seminarie, de afgebrande kerk en de Academiezaal zijn alle in eenzelfde stijl, na elkaar ontworpen en gebouwd. Hierdoor vormen ze eveneens een samenhangend geheel. Door haar culturele functie onderscheidt de Academiezaal zich echter zowel op het gebied van inhoud als in het gebruik, van de andere seminariegebouwen. Dit wordt eveneens weerspiegeld in de afwijkende bouwwijze. De brand in 1975 heeft zeer ingrijpende gevolgen gehad voor de gehele site. De kerk werd - op de toren na - volledig vernield, de erekoer en de infirmerie waren zwaar verminkt. Het is een tweede ingrijpend vernielingsproces. Waar bij de Franse Revolutie de Benedictijnenabdij ontruimd en groten-
M&L
•
25 VERTEGENWOORDIGERS VANUIT HET SEMINARIE
4 ir 4ZIJSCeNE
DIENSTTRAP GENOD1GDEM
1 || 4 || 5 || 6 2 3
7
1-7. Ontleding van de Academiezaal als ruimte en gebouw (h. Van Meer) 1. Kenmerkend basispatroon 2. Ruimtestructuur van de zaal 3. Opbouw van de gebruikszones 4. Bedieningsruimten 5. Bedieningsruimten 6. De toegangen 7. Structuur
deels vernield werd, en dan de basis wordt voor de inplanting van het seminarie, bespoedigde de brand het reeds ingezette seculariseringsproces van de gehele site en werd een herbestemmingsproces gestimuleerd. De fusie tussen Klein-Seminarie en Aangenomen College, dat in de gebouwen van de site reeds was ondergebracht, werd in 1977 volledig. Het seminarie zelf was ondertussen reeds lang naar een andere locatie overgebracht en was volledig los komen te staan van de voormalige abdij site. Het bisdom Hasselt gaf het beheer van de gebouwen via erfpachtovereenkomsten over aan de stad en gedurende een korte periode ook aan de provincie. Naast het Aangenomen College werd de stad gedurende de jaren '80 dus gebruiker en beheerder van dit patrimonium waartoe de Academiezaal behoorde. De door Trudo gestichte abdij, is vanaf dat ogenblik volledig geseculariseerd. De ommuurde site die voor de stadsbewoners aanleiding was geweest om zich in haar buurt te komen vestigen en bescherming te zoeken, wordt nu door deze stad en haar bewoners in bezit genomen. Het is vanuit deze nieuwe situatie dat deze site binnen de stad, een vernieuwde, zinvolle dynamiek moet krijgen, zonder haar eigenheid te verliezen en dit in harmonie en samenhang met haar historische achtergrond en betekenis.
GENODIGDEN
j&
f
GAANDERIJ
—
•
\
ZAAL
L
,
/ IRPLAN
IN DQDfiSNEDE
RESTAURATIE EN REHABILITATIE VAN DE ACADEMIEZAAL Een grondig inzicht in de bouwgeschiedenis en in de historische betekenis van de Academiezaal tegen de achtergrond van abdij en seminarie, een inzicht tevens in het ruimtelijk en bouwkundig kader vormden de basis om tot het voorliggend rehabilitatieontwerp te komen. Vanuit de historische context stelde zich het probleem dat door het wegvallen van een aantal gebouwen en door het verdwijnen van de seminariefunctie.
26
M&L
de Academiezaal geïsoleerd was geraakt. De Academiezaal zal nu in de stad moeten functioneren als bindmiddel met de site. In de site moet gezocht worden naar een vernieuwde samenhang met het aansluitend archeologisch kerkgebied gesitueerd tussen de toren en de crypte. Dit impliceert dat het aansluitend archeologisch veld op één of andere wijze dient gerevaloriseerd en zinvol ingeschakeld. Een tweede probleem situeerde zich op functioneel vlak. In de seminarietijd functioneerde de Academiezaal in nauwe samenhang met de overige gebouwen. Voor alle technische infrastructuur, met inbegrip van toiletten en dergelijke werd gebruik gemaakt van de infrastructuur van het seminarie zelf. 1 4
| 2 | 3 5
6
7
1. Vochtmfiltratie In onderzijde koepelvlak 2. Detail vochtschade ter hoogte van het centrale medaillon 3. Verzakking van spant door afbreken van toognagel. Hier is ook de mgeloefde pen voor enige cm zichtbaar geworden 4. Gedeelte van het fronton ontdekt onder de gradinen. Bemerk de inpassing tegen de houtprofielen van de decoraties in Carton Pierre. De klossen onder de kroonlijst bestaan uit massieve gipsafgietsels. 5. Vak 1/2. Bovenzijde der kolom bezijden de scène 6. Deel van de kolomschacht ter hoogte van de bovenste gaanderij. Bemerk de stootschade in de onderste 50 cm zone en een reeds vroegere opstopping met gips rechts 7. Plafond der gaanderij ter hoogte van hoek van 2/3. Barstvormmg door verzakking (foto's L. De Clercq)
Tevens was het zo dat een culturele zaal als onderdeel van een opleidingscentrum, geen bijhorende ontvangst- en verpozingsruimte voor extern publiek nodig had. Door het wegvallen van de verbindingsgebouwen moet de zaal nu enerzijds extern publiek aantrekken terwijl anderzijds de noodzakelijke, ondersteunende functies ontbreken. Door de compactheid van de Academiezaal bestond de mogelijkheid niet om deze functies in het gebouw onder te brengen. Hierdoor ontstond de noodzaak om ze in te passen in een nieuwe uitbreiding die zorgvuldig diende ingeschakeld in de abdijsite. Technisch gezien waren de problemen zo groot dat de zaal reeds in 1971 moest gesloten worden uit veiligheidsoverwegingen. Door de slechte ondergrond was het gebouw sterk verzakt, met belangrijke barsten, verspreid over het ganse gebouw, tot gevolg. De stabiliteit was duidelijk in gevaar. Omwille van de verzakkingen werd het amfitheater door de jaren heen verscheidene malen opgelapt, maar constructief was het niet meer in orde. Ook de aankleding had belangrijke schade ondergaan ingevolge de verzakkingen en vochtinfiltraties. De dakconstructie was sterk aangetast door zwam en houtworm. Bovendien was de zaal niet meer brandveilig omwille van de volledig houten onderbouw en de moeilijke evacuatie.
M&L •
27
UITGANGSPUNTEN EN OPTIES De restauratie van het gebouw Vermits de fase van de eerste verbouwing nog manifest aanwezig was. werd gekozen om het bestaande gebouw maximaal naar deze fase te restaureren. De oorspronkelijke hiërarchie van ruimten, ondersteund door de configuratie van de ramen, blijft als centraal gegeven behouden. Tevens wordt gekozen om de bijkomend te voorziene infrastructuur in een afzon-
2
3
1. Eén der grote zwikken onderaan werd eveneens vervangen. Detail van de ophangingstechniek: ophanging aan dwarslatjes over het bestaand keperwerk (foto L. De Clercq). 2. Schuingesteld koepelvlak. Het centrale medaillon werd eertijds in gips vernieuwd. Zelfde ophangingstechniek (foto L. De Clercq) 3. Tijdens de restauratiewerken (foto 0. Pauwels).
derlijke nieuwbouw onder te brengen, zodat het bestaande, zeer compacte gebouw hierdoor niet belast wordt. In de loop der jaren zijn er een aantal verbouwingen gebeurd die afbreuk doen aan het zeer heldere concept en gebruik van de zaal. Deze verbouwingen die de authentieke ruimteconfiguratie aantasten, werden ongedaan gemaakt. Op basis van de eerste verbouwingsfaze vervalt de naar voren geschoven voorscène en de orkestbak. De voorscène wordt teruggebracht tot zijn oorspronkelijke configuratie in het verlengde van de eerste gaanderijen en de scène tot aan de oorspronkelijke "manteau d'Arlequin". De parterre loopt opnieuw tot tegen de omschrijvende
M&L
basisachthoek. De ingebrachte portaaltjes zijdelings van de scène worden verwijderd. Door deze ingrepen wordt de achthoekige zaal tot haar oorspronkelijke omschrijving teruggebracht, de amfitheatervorm verkrijgt opnieuw zijn homogeniteit en de diverse gaanderijen de continuïteit van hun rondgaande beweging.
in het eerste voorontwerp van Roelandt. Het zijn openingen in de vlakke wandgedeelten voorzien van een sobere bemeubeling.
Wat de toegangen betreft, wordt teruggegrepen naar de oorspronkelijke uitbouw van de zaal waarbij aan weerszijden van de parterre het publiek toekomt, enerzijds vanuit de Plankstraat, anderzijds vanuit de abdijsite of zelfs vanuit het stadscentrum via het barokke kerkportaal en de abdijsite. Aan de kant van de site kan men de zaal betreden enerzijds door een buitentoegang in het zeshoekig portaal, anderzijds via het nog te bouwen foyer dat eveneens op het zeshoekig portaal aansluit.
De verlichting werd in samenwerking met glaskunstenaar Herman Blondeel op een feestelijk-ondersteunende manier ingepast, waarbij het functionele en het artistieke samenvloeien.
De verzakte gradinen worden vernieuwd volgens de oorspronkelijke opbouw. Een nieuwe gestabiliseerde onderbouw maakt de zaal brandveilig en de afstand tussen de rijen zitplaatsen, wordt verbeterd. De gaanderijen blijven vrij, evenwel voorzien van één bijkomende rij stoeltjes om de verminderde capaciteit in de gradinen te compenseren.
Om de oorspronkelijke configuratie van de academiezaal niet aan te tasten en om de geluidsoverdracht tot het minimum te beperken, wordt deze nieuwbouwruimte los van het historisch gebouw geplaatst, maar in een dialectisch spanningsveld door de tussenafstand kort te houden.
De dichtgemetselde ramen worden terug open gemaakt, als 'uitstralend element' rondom het amfitheater, waardoor de concentrische lichtinval hersteld wordt. De aanwezige luikjes worden als middel om te verduisteren behouden. De geluidsdichtheid ten opzichte van storend straatlawaai wordt verbeterd door het aanbrengen van voorzetramen. Wat de aankleding betreft, worden zowel de stucwerkdecoratie als de originele schildering en houtafwerking in de oorspronkelijke glorie hersteld. Al deze restauratieve ingrepen hebben tot doel de oorspronkelijke waarde en luister die het historische gebouw had, terug sprekend tot zijn recht te laten komen, terwijl ook het functioneren volwaardig mogelijk wordt gemaakt. Bijkomende aanpassingen in het gebouw De nieuwe ingrepen zijn erg beperkt, gezien de compactheid en de homogeniteit van het gebouw. Het zijn telkens duidelijk hedendaagse toevoegingen in een hedendaagse vormentaal telkens beantwoordend aan een noodzaak. Zo is in de ruimte onder de gradinen de vestiaire ondergebracht, zoals dat trouwens ook het geval was
Andere kleine afleesbare ingrepen zijn de voorzetramen, de schuifdeuren in de artiestenloges, de natuurlijke lichtinval boven de trappen en de noodtrap.
De aanvullende nieuwbouw De noodzakelijke uitbreiding, die in de kelder de technische ruimten omvat en bovengronds de verpozings- en receptieruimte, de 'foyerruimte', gebeurt door het bouwen van een afzonderlijke nieuwbouw.
Inspelend op de oorspronkelijke toegangssituatie, wordt op de plaats waar oorspronkelijk het verbindingsgebouw bij het seminarie aansloot, een korte, glazen verbinding gemaakt tussen het zeshoekig inkomportaal en de nieuwe foyer. De foyer is gepland in een geabstraheerde hedendaagse vormgeving. De vorm en uitbouw volgt echter volledig uit enerzijds de aanwezigheid van de authentiek gerestaureerde Academiezaal, en anderzijds het zinvol opnemen van diverse contextgebonden factoren. De realisatie van de bovenbouw van de foyer zal in een volgende fase gebeuren. Het onderscheiden naast elkaar liggen van de verschillende werelden van de middeleeuwse kerkresten en de I9de-eeuwse Academiezaal, wordt beleefbaar gesteld door een materieel erg tastbare, bepleisterde wand. Deze wand golft, tegelijk scheidend en filterend-uitwisselend tussen enerzijds de kerkresten en het in de grond verborgen archeologische materiaal en anderzijds de Academiezaal. Beide verkrijgen, door deze wand tussenin te plaatsen, hun eigen omschrijving en omgeving, hun 'eigen plek'. Door het aanbrengen van spleetvormige doorboringen zijn verbondenheid en onderscheid doorheen deze wand tegelijk aanwezig zonder dat een totale openheid de noodzakelijke begrenzing zou teniet doen. De geïsoleerdheid van de Academiezaal wordt opgelost en de
29
relatie met de nog te visualiseren archeologische site wordt gelegd. Voor het 'archeologisch domein' ontstaat een indicatieve ruimteomschrijving die verwijst naar de vroegere 'kerkruimten' op die plek. Door de zijdelingse begrenzing worden beide polen, toren en crypte, in relatie gebracht als begin- en eindpunt. Door de smalle, filterende openingen wordt de verbondenheid en samenhang van de culturele Academiezaal met het 'religieuze centrum' van het seminarie en de site tot stand gebracht. Net zoals de Academiezaal te paard ligt op de omheiningsmuur en zo de relatie tussen site en stad op haar specifieke wijze tot stand brengt, staat de wand van de foyer te paard tussen site en Academiezaal en doet zo eveneens een specifieke relatie ontstaan tussen Academiezaal en site. De door de wand ontstane 'voorruimte' voor de Academiezaal wordt gebruikt voor de ondersteunende 'foyerfunctie'. In de tussenruimte met de Academiezaal wordt, los van het oorspronkelijke gebouw, een glazen wand als omhulling en omschrijving voor het foyer geplaatst. De foyervloer wordt verlaagd tot op het niveau van het archeologisch veld en het plafond wordt verhoogd; hierdoor leunt de ruimte nog sterker aan tegen de massieve, golvende wand. Op het dak van de bij te bouwen ruimte wordt een terras ingeschreven dat bij mooi weer een uitbreiding van de foyer vormt. Tegelijkertijd zal het een soort balkon zijn voor de kerksite en eventuele evenementen daar. Door zijn bouwwijze kan de nieuwe foyer trouwens ook voor evenementen elders in de site gebruikt worden, onafhankelijk van de zaal.
KRACHTLIJNEN VOOR DE TECHNISCHE RESTAURATIE Naast de gewone restauratie-technische problemen, stelde de Academiezaal enkele zeer specifieke problemen, die een verregaande aftakeling van het gebouw veroorzaakten. Stabiliteit De ondergrond en de funderingen van de Academiezaal vormden het hoofdprobleem voor de instandhouding van het gebouw. Door de slechte ondergrond waren er onaanvaardbare zettingen gebeurd die in een bepaald deel van het gebouw zelfs resulteerden in verzakking van meer dan 20 cm. Door de bijkomende aanwezigheid van oude funderingen
ontstonden verschillende bewegingssituaties onder de funderingen, wat aanleiding gaf tot zeer ernstige barsten op verscheidene plaatsen in het gebouw. Door de specifieke bouwwijze van de zaal - in achthoekvorm - zijn er haast geen dwarse steunconstructies van de massieve buitenmuur, terwijl de binnenconstructie bestaat uit kolommen, geplaatst op een massieve muur tot de eerste gaanderij, die een parallelle constructie vormde met de buitenmuur. Dit maakt dat de binnenconstructie enerzijds grotendeels onafhankelijk stond van de buitenconstructie maar bovendien veel beweeglijker was en dus ook onderhevig aan grote vervormingen door de differentiële zettingen van de ondergrond. De buitenconstructie had bovendien door het grotendeels ontbreken van dwarsconstructies, ondanks zijn massieve muren een relatief grote slankheid, waardoor de zettingen van de funderingen ook het bolstaan van buitenmuren tot gevolg hadden. De gedetailleerde opmeting van de scheefstanden van muren en kolommen was echter nog vrij geruststellend. De scheefstand bleef beperkt tot 70-80 mm, zodat de belasting nog steeds in de stabielere kernzone bleef. Er kon aldus besloten worden dat de ingrepen op het metselwerk, na stabilisering van de funderingen, zich zouden beperken tot het verankeren van de scheuren om differentiële bewegingen tegen te gaan. De stabilisering van de funderingen gebeurde over het gehele gebouw omdat anders door differentiële zettingen de aftakeling zou blijven doorgaan. De stabilisering moest eveneens in de diepte gebeuren gezien op verschillende diepten zeer zwakke grondlagen voorkwamen. Na diepgaand onderzoek door het labo bouwkunde van de KU-Leuven. bleek de meest aangewezen methode een combinatie van micropalen tot op 20 m diepte, aan weerszijden van de draagmuren aangebracht en aan elkaar verbonden door koppelbalken, met daarop telkens stukken ringbalk die de muren ondersteunen. Er werd geopteerd voor micropalen omdat ze ook binnen in het gebouw moesten kunnen geboord worden met apparatuur die kon gebruikt worden in lage ruimten. De barsten in de muren werden door het inboren van wapeningsstaven gestabiliseerd. Ook de dakstructuur en de ophangconstructie van het stucwerk vertoonden ernstige problemen. De dakconstructie was aangetast door de huisboktor en enkele balkknooppunten waren door zwamaantasting volledig verdwenen.
M&L
Van de 450 balken waren er een 25-tal die een polymeerchemische restauratie nodig hadden, waaronder enkele belangrijke knooppunten in de dakstructuur en een 50-tal die volledig moesten vervangen worden. Het afbijlen en behandelen van de houtaantastingen en het herstel van de houten kapconstructie was dringende noodzaak om zowel het dak als de stucwerkkoepel in stand te houden. Ook werd onderzocht of de ijzeren trekkers die in de 19de eeuw gedurende een bepaalde periode niet aanwezig waren in de zaal, konden verwijderd worden. Uit de berekeningen bleek echter dat zij als veiligheid aanwezig moesten blijven. Stucwerk De zaal bewaarde haar aankleding met verfijnde stucwerkdecoratie. Hier waren echter, vooral in de gaanderijen en de kolommen, belangrijke beschadigingen door verzakkingen en vochtinsijpeling. Aan het probleem van de zwaar aangetaste ophangconstructie van het stucwerkplafond werd, na de grondige houtbehandeling, een specifieke oplossing gegeven door een verhardende houtbehandeling en het uitvlakken en aanlijmen met epoxymortel van nieuwe houten stukken. Uiteraard waren ook de funderingsverbeteringen een noodzaak om verdere schade aan het stucwerk tegen te gaan. Daarnaast was behandeling nodig tegen opstijgend capillair vocht dat ook zoutuitbloeiingen veroorzaakte. Verder was er eveneens belangrijke stootschade en schade door sleet alsook het loskomen van sommige elementen. Gedegradeerd of verdwenen lijstwerk werd gereconstrueerd, waar mogelijk door ter plaatse getrokken lijsten. Losse elementen werden gefixeerd en aangevuld, verzwakte moulages geïmpregneerd, ontbrekende delen bijgemaakt met precisiemoulages. Voor de vlakke bepleisteringen werd opnieuw gepleisterd met een kalkpleister, bestaande uit een raaplaag en daarop een afwerkingslaag van kalk en gips. De hardheid werd aangepast aan de oorspronkelijke pleister. De beveiliging van barsten en de fixatie van stucwerk gebeurde van bovenuit door hechtbrugjes die dwars over de tengellatten lopen. De vulling van barsten gebeurde met een kalk-gips specie. Lacunes werden aangevuld met identieke technieken. De lijsten werden waar mogelijk ter plaatse getrokken, voorzien van een verstek. Ontbrekende onderdelen van kapitelen en dergelijke werden bijgemaakt aan de hand van precisiemoulages.
Koepel vóór de restauratie (foto G. Charlier)
M&L
De carton-pierre was alleen aangebracht op de borstwering van het balkon en de bekroningen van de ingang. Bij de restauratie werd deze carton-pierre gefixeerd en verlijmd. Aanvullingen van ontbrekende stukken geschiedden door moulage, waarbij een bestaand element als prototype werd gebruikt. De positieven werden gerealiseerd in een lijmgebonden pasta, gewapend met fijne glasvezel. Bij de demontage van een prototype werd tijdens de uitvoering vastgesteld dat bij de hier gebruikte techniek het positief gekleefd was op een steunwapening van papier. Het geheel was met nageltjes verankerd op een houten monteerplaatje, om in zijn geheel op de borstwering bevestigd te worden. De stucwerkkoepel was in vrij goede staat, ofschoon het duidelijk is dat hier vroeger belangrijke restauraties hebben plaats gehad. De aangetaste dragende houtgedeelten waren behandeld bij de houtrestauratie van de kapconstructie en hadden naastliggend nieuw hout gekregen. Hieraan werd het stucwerk bijkomend verankerd, zodat de verzwakte gedeelten ontlast werden. Waar nodig werden brugjes geplaatst met kneedbare epoxygebonden pasta. Schilderwerk Voor het schilderwerk werd het oorspronkelijke kleurenpalet gevolgd. Dit betekende dat de koepel, de zaalwanden, de kolommen en de borstweringen met carton-pierre-decordik met een kalk-caseïnaat werden geschilderd in twee tonen, namelijk zachte oker voor de achtergronden en wit voor de ornamenten en geledingen. De schrijnwerken van de bankstellen op de gradinen, de basementen van de kolommen evenals de deuren en raamluiken, werden in een discrete houting hernomen. Hierbij werden de panelen voorzien van een lichtjes opengedaste houttekening van gele esdoorn en de omlijstende stijl- en regelwerken met een lichtjes gestrieerde houtdraad uitgewerkt. Het is een afwerking die in de periode van Roelandt zeer frequent werd aangewend. Ook in de Gentse schouwburg vertoonde het merendeel der schrijnwerken oorspronkelijk een verzorgde houtschildering. De enkelvoudige paneeldeuren in de rondgang hadden een meer ornamenteel karakter aangezien de panelen voorzien waren van een grillige takinplantingstekening. in het Frans "gerbe" of"flamme" genoemd (rapport Angèle Boddaert 1992). Het houten amfitheater De gradinen van het houten amfitheater waren dikwijls verbouwd, in slechte staat en verzakt door be-
wegingen van de ondergrond, op een bepaalde plaats zelfs meer dan 25 cm. Daardoor waren ze dikwijls bijgewerkt, bijgespied en van telkens bijkomende klossen voorzien. Door al deze vertimmeringen was de draagconstructie van het amfitheater in een erg lamentabele toestand geraakt met als bijkomend gevolg dat bij gebruik van de zaal elke beweging storend gekraak veroorzaakte. Daarenboven voldeed de zaal omwille van deze gehele houten onderconstructie en evacuatieproblemen, ontstaan door de verbouwingen, niet meer aan de brandveiligheid. De brandweer eiste een betonnen onderconstructie. Toch werd maar met de meeste schroom tot deze oplossing overgegaan. De bovenbouw en afwerking van het amfitheater kon volledig in hout behouden blijven waarbij zoveel mogelijk werd gebruik gemaakt van de bestaande tussenschotten, zodat dit karakteristiek, ritmisch beeld in de zaal zichtbaar bleef. Door deze onderconstructie kon ook ingespeeld worden op de stabiliteitsproblematiek en kon de samenhang van het gebouw vergroot worden. De tussenafstanden tussen de banken waren eveneens zeer klein: 68-70 cm. Daarbij waren de zittingen vast zodat, zelfs rechtstaande, niet kon voorbijgegaan worden. Omwille van de evacuatie en de veiligheid moest de tussenafstand tussen de rijen, op vraag van de brandweer, tot minimum 80 cm vergroot worden. Door het wegnemen van één tussenrij kon dit bekomen worden, terwijl het beeld van het ritmisch opgaande amfitheater niet wijzigde. Bij deze reorganisatie van de gradinen werd de opstelling van de oorspronkelijke toegangen van de parterre en de toegangstrapjes van de gradinen in de overhoekse traveeën, rechtstreeks in relatie met de halfronde trappen, hersteld. De niet-oorspronkelijke trap naar de later toegevoegde ereloge, die de beste zitplaatsen innam, werd verwijderd. Door terug te gaan naar de oorspronkelijke indeling werd de homogeniteit van de oorspronkelijke zaal versterkt. Akoestiek Voorafgaandelijk werd een zaalakoestisch onderzoek uitgevoerd door het labo Bouwfysica van de KULeuven. Hieruit bleek dat de nagalmtijden voor kamermuziek geen problemen stelden en vrij onafhankelijk zijn van de frequentie en de zaalbezetting. Ook bleek uit de meetresultaten dat het een gunstige zaalvorm betreft en dat de panelen van het zitgedeelte een sterk diffuserende werking hebben. Wel heeft de koepelvorm van het plafond enig concentratieeffect tot gevolg.
ML BINNENKRANT Nr. 81 Bijlage bij M&L 15/5 sept.-okt. 1996
LITTLE MORETON HALL, Cheshire
M&Lh
Beschefmingen DE VALLEI VAN DE KINDERNOUWBEEK BESCHERMD Op 16 februari 1996 heeft de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Theo Kelchtermans, het ministerieel besluit tot rangschikking als landschap van De Vallei van de Kindernouwbeek ondertekend. Dit landschap is gelegen te Lille ten zuiden van de autosnelweg E 34, ter hoogte van de afrit nummer 21.
De vallei van de kindernouwbeek, afbakening
Het valleigebied is een fragment van één van de weinig nog goed bewaarde ruimtelijke geledingen ten gevolge van verschillende historische ontginningsfasen. De oudste ontginningskern (Lille) was gelegen midden een open akkerland. Aan de rand van deze ontginningsenclave vestigde zich jongere rijbewoning. Tussen deze ontginningsas (wellicht Waldhufen-type) en de natte valleibodem ontstond een gesloten landbouwland met blokpercelen afgesloten door houtkanten. De erachter gelegen natte valleigronden werden als beemden en hooilanden gebruikt met een typische strookvormige en opstrekkende percelering, die geassocieerd is met turfontginning. Ten westen van de vallei komt dan de droge heide voor, geassocieerd met de vorige ontginningen. Deze ruimtelijke geleding is één van de gaafste chronosequenties die bestaan en vooralsnog goed bewaard. In termen van zeldzaamheid is dit bijna uniek te noemen. Het voorgestelde landschap is dus slechts een fragment uit deze chronosequentie. Wegens de uitgestrektheid van deze chronosequentie, de verdere evoluties van de andere fragmenten of delen ervan en de aanvullende wetenschappelijke en esthetische waarden van het voorgestelde gebied, wordt enkel een groot deel van het valleigebied beschermd. Hoewel het rangschikken van heel de chronosequentie niet haalbaar is, kan en moet dit dossier een ruggesteun zijn voor het bewaren ervan. Het beschermingsvoorstel beoogt tevens het behoud en de bescherming
van de oude landschapsstructuur en landschapsopbouw van dit kempens valleigebied, inclusief het typische percelenpatroon als gevolg van een turfontginning. Het veelzijdig uitzicht en de elementen in het landschap die het traditioneel landelijk aspect van het geheel benadrukken, zijn bepalend voor de esthetische waarde van het landschap. Daarenboven is de wetenschappelijke waarde van dit landschap zeer groot. De bescherming heeft tot doel de geomorfologische waarde te behouden als intact gebleven valleigebied van een laaglandbeek met bijhorende structuren en verschijnselen zoals reliëfvormen, bodemtypen, kwelsituaties, overstromingen en een goede waterkwaliteit. Ook het behoud en de bescherming van de botanische waarde van de verschillende plantengemeenschappen en begroeiingen en het behoud van de verscheidenheid aan begroeiingen is een belangrijk gegeven. De planten van (licht) bemeste graslanden op matig voedselrijke tot voedselrijke, vochtige tot natte grond en de planten van zoete waters en oevers zijn het meest representatief voor het gebied, evenals plantensoorten van zure laagveenmoerassen met onder
meer Waterdrieblad en ook bosplanten. Een groot aantal van de soorten zijn daarenboven zeldzaam tot zeer zeldzaam in het Kempens district of behoren tot de heel zeldzame soorten in Noord-België. Voor de graslanden zijn Knolsteenbreek en Adderwortel vermeldenswaardig, voor de planten van oevers en waters Middelste en Vlottende waterranonkel, Duizendknoopfonteinkruid, Moerashertshooi, Oeverkruid, Vlottende bies en Stijve zegge. Andere vermeldenswaardige zeldzame tot zeer zeldzame plantensoorten zijn Waterpunge, Bosmuur en Borstelbies. Zoals ook uit de bodemkundige gegevens te verwachten is, zijn het dus de begroeiingstypen van matig voedselrijke en aan zuiver water gebonden vegetaties die in het grootste deel van het landschap voorkomen. Deze situatie is in heel Vlaanderen vrij zeldzaam geworden. Door tal van gradinten is er een grote diversiteit aan begroeiingstypen. Het geheel krijgt daarenboven een zeer kleinschalig uitzicht door de aanwezigheid van talrijke houtkanten en bomenrijen. De soms brede bermen van de aanwezige zandwegen die rond en doorheen het landschap lopen, zijn eveneens floristisch zeer rijk.
DemCTlusl, Hbg\
'"•;,
•'•
••••
:
'/^~u~/
-Mast , i r W K i r
. ••'>V'3or.qhtdriif5etK' •Jzf^
'
(^
B I N N E N K R A N T
Kouwen^er-gJ. jii
M8cL Begijnenborrebos te Dilbeek, afbakening
Tot slot is ook de bescherming van de rijk gevarieerde en soms zeldzame fauna een belangrijk gegeven. Het landschap is een belangrijk broedgebied voor talrijke vogels zoals Ijsvogel, Zwarte Specht, Kleine Bonte Specht, Grauwe Vliegenvanger, Roodborsttapuit. Nachtegaal. Het is tevens een belangrijke pleisterplaats voor talrijke, soms zeldzame vogelsoorten zoals houtsnip, watersnip, sperwer, ortolaan. Naast de aanwezigheid van talrijke vissoorten is het algemeen voorkomen van het Bermpje belangrijk omdat het een indicatorsoort is van zuivere beekjes. Bij de vlinders zijn een aantal van de talrijk voorkomende soorten zeldzaam en zijn andere heel kenmerkend voor het gebied. Het orangetipje, een soort typisch voor vochtige graslanden met bossen in de buurt, komt hier algemeen voor. Het Bont dikkopje is een zeldzame soort, typisch voor Kempische beekdalen en heidevelden. Het Geelsprietdikkopje is dat voor schrale korte graslanden. De Eikepage is een vrij zeldzame soort. Mare De Borgher
BESCHERMING VAN HET BEGIJNENBORREBOS TE DILBEEK Op 20 juni 1983 besliste de toenmalige ministervan cultuur Karel Poma om de beschermingsprocedure met betrekking tot het gebied omschreven als Begijnenborrebos te Dilbeek (Itterbeek, Sint-Martens-Bodegem), 17,5 hectare, zonder gevolg te laten, "gelet op de bezwaarschriften van de eigenaars; gelet op de voorzieningen van het gewestplan, die een voldoende bescherming bieden". Tien jaar later gaf minister Johan Sauwens de opdracht om een nieuw beschermingsdossier samen te stellen en op 6 februari 1995 werd het Begijnenborrebos te Dilbeek beschermd als landschap overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. Het bos ontleent zijn naam aan de Begijnenborre, een bronnencomplex aan de bovenloop van de Plankenbeek, bijbeek van de Molenbeek (verderop Bellebeek genoemd), die bij Teralfene in de Dender uitmondt. Het is voor het grootste gedeelte beplant met Beuk (Fagus sylva-
tica), niet zelden met stamomtrekken rond 3 m. Ondanks de kleine oppervlakte - de beboste percelen vormen een oppervlakte van nog geen 13 hectare - is het Begijnenborrebos representatief voor de bosvegetaties tussen Dender en Dijle en behoort bovendien tot de rijkste en best ontwikkelde hellingbossen uit het centrale gedeelte van het Brabantse plantendistrict. Bijzonder fraai is het voorjaarsaspect, gekenmerkt door uitgestrekte 'matten' die afwisselend gevormd worden door Daslook en Wilde hyacint.
Roger Deneef
BESCHERMING VAN BERTEMBOS EN OMGEVING Op 29 mei 1995 werden onder de noemer Bertembos en omgeving circa 265 hectare bos en landbouwgrond "gerangschikt" als landschap overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. De kern van dit gebied wordt gevormd door het oude gemeentebos van Bertem, de periferie door holle wegen, weiden en velden gelegen in de gemeenten Bertem,
Herent (Veltem-Beisem, Winksele) en Leuven (Heverlee). Vanuit bosbouwkundig standpunt, zowel qua soortensamenstelling als qua leeftijdsopbouw van de boométage, behoort het Bertemse Gemeentebos tot de rijkste en meest gevarieerde van de regio. Lindesoorten spelen een belangrijke rol, hetgeen in de andere bossen van de regio zelden het geval is. Op dendrologisch vlak verdient het Bertembos een bijzondere vermelding In de volgende editie van Bomen in België (de Belgische dendrologische inventaris): Zomereiken, Beuken en vooral Zoete kerselaars met stamomtrekken van 3 a 4 m komen in groten getale en over het ganse bos verspreid voor. Deze Kerselaars horen tot de dikste en vermoedelijk oudste exemplaren van België. Botanisch gezien wordt het gebied gehypothekeerd door de afwezigheid van bronnen en waterpartijen. Desondanks werden tijdens een vrij oppervlakkige inventarisatie niet minder dan 260 hogere plantensoorten genoteerd. Op de schrale, grazige hellingen ten zuiden van het bos werden bovendien enkele zeldzame soorten genoteerd, met name Liggende en Gewone vleugeltjesbloem. De Wilde hyacinten die in 1963 de aanleiding vormden om aan het Bertembos een bijzonder 'botanisch belang' toe te kennen waren echter nergens (meer) te bespeuren. Het Bertemse gemeentebos en de omgevende velden weerspiegelen nog duidelijk leesbaar de middeleeuwse situatie. De primitieve veldindeling uit de tijd van het mansus- en domeinstelsel (de Karolingische en hoogmiddeleeuwse periode) is nog herkenbaar in het Bertembosveld, niet alleen op de kadasterkaart maar ook in de concrete veldindeling. Aan de rand van het bos bevindt zich bovendien één van de weinige, nog in situ bewaarde, arduinen grenspalen van de afbakening van de Vrijheid of 'Kuip' van Leuven, uitgevoerd in 1780. Aan de oostelijk bosranden zijn ook nog duidelijke sporen merkbaar van een primitieve veekering in de vorm van een 'boswal'. In bepaalde percelen vertonen de opgaande bomen de structuur en habitus van overstaanders in het voormalige middelhoutbos. Door zijn hoogteligging biedt het Bertembos schitterende vergezichten op de valleien van Voer en Dijle met op de verre achtergrond de kruinen van Heverleebos en Meerdaalwoud,
B I N N E N K R A N T
M8dl4 waarde van het bos juist een gevolg was van het voorbeeldige beheer in het verleden. Dit is slechts ten dele waar. Zo werd er tot circa 1980 in het laagst gelegen gedeelte van het bos ongestoord huisvuil gestort, nu zedig afgedekt, maar in het reliëf zichtbaar. In een verder verleden zijn er ook zware ingrepen gebeurd, onder meer in 1840 een ijzerertsontginning, die vermoedelijk het soms eigenaardige microreliëf verklaart. Meer recent werd er naast het boswachtershuisje een stevig uit de kluiten gewassen en niet erg primitief ogende 'jachthut' opgetrokken.
elementen aan het licht die noopten tot een herziening van het voorstel, noch wat betreft de afbakening van het te beschermen gebied (16,5 hectare), noch wat betreft de verbodsbepalingen. De Eikelberg, een van de weinige nog ongerepte Diestiaanheuvels van het Hageland, speelt een belangrijke rol in de waterhuishouding en waterkwaliteit in het aangrenzende gebied Vorsdonk-Turfputten en bepaalt er derhalve in hoge mate de biologische en landschappelijke variatie. Het heidetype dat op de Eikelberg voorkomt - een struikheidegemeenschap met kruip- en stekelberm - is bovendien eerder zeldzaam.
Roger Deneef Roger Deneef
en noordwaarts, aan de bosrand bij 'Schoonzicht', op de dorpskern van Winksele en het bosrijke overgangsgebied tussen Midden- en LaagBelgië. De talrijke colluviale dalletjes en holle wegen die vanuit het Bertembosmassief atdalen naar de omringende valleien zorgen voor wisselende, vaak onverwachte en boeiende perspectieven. Een bijzondere charme biedt een afdaling naar de Schapenheide langs de westrand van het bos via de soms holle en met oude boomstronken afgezoomde Nieuwstraat. De gevarieerde samenstelling van de bestanden zowel in leeftijdsopbouw als soorten, de beperkte aanwezigheid van monoculturen en de talrijke monumentale eiken, beuken en kerselaars maken dat het Bertembos aantrekkelijker is dan de meeste andere bossen in de regio. De beschermingsprocedure was het voorwerp van controverse, al van meet af aan, want een betwiste autocross aan de westrand van het bos vormde min of meer de directe aanleiding tot de bescherming. Had de inplanting van de villawijk Schoonzicht, enclave in het noorden van het bos, duidelijk gemaakt dat het behoud van het bos in een min of meer landelijke omgeving op termijn problematisch zou kunnen worden, dan werd dit erg duidelijk bij het beschouwen van de huidige eigendomstoestand: tijdens de laatste jaren werden opvallend veel percelen aangekocht door vastgoedmaatschappijen, beleggingsfirma's en dergelijke. Door tegenstanders van de bescherming werd aangevoerd dat de hoge
BESCHERMING VAN DE EIKELBERG TE AARSCHOT (GELRODE) Op 10 november 1995 werd de beschermingsprocedure van de Eikelberg, die op 12 februari 1995 was ingezet met de betekening van het voorstel, afgerond met een definitief besluit. De bezwaarschriften en opmerkingen gemaakt naar aanleiding van de betekening van het voorstel brengen geen
BESCHERMING VAN HET TORFBROEK EN TER BRONNEN TE KAMPENHOUT Op 10 november 1995 en op 6 maart 1996 werden twee gebieden te Kampenhout beschermd als landschap, achtereenvolgens: het Domein Ter Bronnen (5,5 hectare, Nederokkerzeel) en het Torfbroek en omgeving (62,5 hectare, voornamelijk op het
B I N N E N K R A N T
MScLls grondgebied Berg). Oorspronkelijk vormden ze één doorlopend geheel van moerasbosjes en turfkuilen, toebehorend aan de gemeenten Berg en Nederokkerzeel. Al sinds anderhalve eeuw stond dit gebied bij natuurliefhebbers, vooral botanici, hoog aangeschreven. Rond 1930 kwamen deze gronden, circa 130 hectare, in handen van de Société immobilière de Campenhout et extensions, die een groots stedebouwkundig project opzette: het Domaine des Eaux Vives. Een verkaveling voor honderden villapercelen, gegroepeerd rond een drietal artificiële vijvers, met eigen winkelcentrum, horeca etc. Een stad in het dorp, selfsupporting, waarbij alleen nog de kerk ontbrak. Normaal had dit moeten uitmonden in een staalkaart van interbellum stedenbouw en architectuur het oorspronkelijke plan voorzag in diverse wijken, ook een modernistische - maar de economische recessie gevolgd door de Tweede Wereldoorlog, zorgde ervoor dat het project, wat het oostelijke gedeelte betreft, na veel strubbelingen uitmondde in een ordinaire verkaveling. In dit oostelijke gedeelte overleefde slechts een vijver van 1,5 hectare met oeverzone - nu aangeduid als Ter Bronnen of Zoetwater- als natuurgebied deze operatie en de gewestplannen. Het westelijke gedeelte - het Torfbroek in strikte zin ging het beter af. Het Torfbroek vormt het centrale gedeelte van de oost-west gerichte fossiele riviervallei, die via een aantal onbelangrijke beken naar het bekken van de Zenne (westelijk deel) en dat van de Dijle (oostelijk deel) afwatert. In deze vallei komen nog andere interessante gebieden voor, onder meer het Floordambos te Meisbroek (reeds beschermd) en het Silsombos op de
njël
grens van Veltem en Erps-Kwerps. Bodemkundig wordt deze vallei gekenmerkt door lemig, 'oud' alluvium, rustend op een kalkrijk, zandig substraat. Het geheel is onderhevig aan intense kwelstromingen, die vanuit het zuidelijk gelegen Brabants massief gevoed worden. Een rechtstreeks gevolg hiervan is het voorkomen van een aantal zeer zeldzame en kwetsbare levensgemeenschappen van kalkrijke moerassen en fosfaatarme, oligotrofe waters, de meest bedreigde biotopen in België. Het gaat hier om een bijzondere combinatie van milieufactoren: een moeras op een ondergrond die zeer rijk is aan kalk én ijzer en arm aan fosfaat. Vanaf het midden van de 19de eeuw genoot het Torfbroek een grote faam onder botanici. Ondanks de vele aantastingen in het verleden, kunnen dank zij het gevoerde beheer én de intacte geologische situatie nog steeds of opnieuw een groot aantal zeldzame soorten en gemeenschappen worden waargenomen, in het bijzonder kalkmoerasvegetaties en Padderushooilanden, waterplantenvegetaties. Riet- en verlandingsvegetaties en blauwgraslanden. Sommige soorten, onder andere Weegbreefonteinkruid, hebben in het Torfbroek hun laatste Belgische groeiplaats.
Roger Deneef
BESCHERMING VAN DE WIJNMUUR TE ROTSELAAR (WEZEMAAL) Op 9 maart 1995 werd op de kruin van de in 1977 als landschap beschermde Wijngaardberg te Wezemaal de zogenaamde W/h/nuur beschermd als monument. Het gaat om een anderhalve kilometer lange muur van gestapelde Diestiaan ijzerzandstenen, die in zijn huidige vorm uit het begin van de 19de eeuw dateert, op een ogenblik dat de traditionele druiventeelt op de Wijngaardberg te Wezemaal een kortstondige opflakkering kent. Deze muur is momenteel zichtbaar over een lengte van 1546 m. Er zijn echter een zestal min of meer brede bressen en over circa 400 m bestaat hij bijna uitsluitend uit losse steenfragmenten op het maaiveld. Naar het westen toe kan men over een afstand van circa 170 m, met hier een daar
een onderbreking, de muur bewonderen in een toestand die vermoedelijk dicht de originele benadert: tot 1,50 m a 1,60 m hoog - met twee rechte wanden en ongeveer 1,70 m breed. Over de rest van het tracé stijgt de muur niet uit boven 1 m of vertoont hij slechts één of geen rechte wanden. Omtrent de historische en sociaal-economische context waarin dit ongewone bouwsel tot stand kwam is weinig bekend. Zelfs de exacte periode van ontstaan kan niet uit de beschikbare publikaties worden afgeleid. De bewering dat de muur "tijdens de wintermaanden door de boeren uit de omgeving werd opgetrokken, wordt door geen enkele auteur met harde bewijzen gestaafd. Misschien gaat het om de heraanleg of restauratie van een muur die reeds van in de Late Middeleeuwen de wijngaarden op de zuidhelling tegen de koude noordenwind diende te beschutten. Over de wijze waarop de muur werd gebouwd of, juister gezegd, gestapeld kan geen uitsluitsel gegeven worden. Dat hierbij sprake was van een zeker vakmanschap lijkt evident. Constructies van losse gestapelde stenen van die omvang in het Vlaamse gewest, in België, zijn ons niet bekend. Stapelbouw is in onze gewesten sowieso zeldzaam. Het behoud van de Wijnmuur - voorlopig liefst zonder pogingen tot reconstructie - en daarmee ook de mogelijkheid van een studie 'in situ' is derhalve van onbetwistbaar historisch - ook architectuurhistorisch - belang. Roger Deneef
BESCHERMING VAN DE WOLFSPUHEN TE DILBEEK Op 8 februari 1995 werden de Wolfsputten te Dilbeek beschermd als landschap overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. Het gebied bevindt zich op de noordflank van de heuvelrug die de waterscheiding vormt tussen de bekkens van de Dender en de Zenne. In het zuiden van de Wolfsputten bevinden zich een aantal bronnen die aan de oorsprong liggen van twee kleine beken. Het huidige reliëf van de Wolfsputten dankt vooral zijn ontstaan aan het
B I N N E N K R A N T
M&L
Restauratie DE PASTORIE VAN BEERSE IN KLEUR HERSTELD Kort na de wettelijke bescherming van de pastorie van Beerse in 1974 was er enige beroering omtrent de lichtblauwe kleur waarin men de gevels van de pastorie had geschilderd. Meer dan twintig jaar later is hier nu verandering in gekomen: de pastorie werd herschilderd en wel in de meest originele kleurstelling: baksteenrood.
"steenwerc van Dyelbeke", de ontginning van de kalkhoudende, fijnkorrelige Lediaan zandsteen, waarin tijdens de 15de eeuw nagenoeg alle belangrijke gebouwen in het Brusselse werden opgetrokken onder meer de SintMichielskathedraal, de grote zaal van het hertogelijk paleis, het hotel de Croy, de kerk van Anderlecht, de kartuizerij van Scheut). Aan de westrand van het gebied bevindt zich het Hof/er Honfifersi/e/cf (momenteel nagenoeg een ruïne), hoeksteen van het agrarisch domein van de abdij van Groot-Bijgaarden en één van de voornaamste hofcomplexen van West-Brabant, waarvan de oorsprong vermoedelijk dient gezocht te worden in een Karolingisch domein. Het gebied, 86 hectare groot, herbergt een grote diversiteit aan biotopen. Deze verscheidenheid, die een gevolg is van het reliëf en de bodemgesteldheid, komt zowel in de flora als in de fauna tot uiting: 335 soorten van vaatplanten, waaronder 22 zeldzame. Verschillende soorten planten en dieren, bijvoorbeeld Spekwortel, Gele narcis, Lancetbladige basterdwederik, Eikelmuis, Wijngaardslak, bereiken hier de noordgrens van hun verspreidingsareaal. Van bijzonder belang zijn de talrijke bronnen met kalktufafzettingen, die biotopen vormen met een specifieke fauna en flora. Roger Deneef
Beschermd uit noodzaak Begin 1970 wordt een voorontwerp voor een cultureel centrum in Beerse besproken door de briefwisselende leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Naast allerlei opmerkingen op het ontwerp zelf is het vooral de inplanting die bij de Commissie slecht onthaald wordt. De pastorie en het naastgelegen gemeentehuis zouden voor het nieuwe gebouw moeten wijken. Het ontwerp was nochtans reeds door de bevoegde minister en de adviesraad voor de Nederlandstalige culturele centra goedgekeurd. Op 9 september 1970 moet een vergadering ter plaatse het dossier deblokkeren. De commissieleden blijven echter bij hun besluit: de afbraak van een waardig cultuurmonument - de pastorie wordt omschreven als het enige oude gebouw van waarde in de dorpskom om een 'Cultuureel Centrum' te bouwen gaat niet op. "Hef tekort aan cultuumaardering zou daarbij flagrant zijn" (1). Zij menen dat men een slecht voorbeeld stelt door voor de oprichting van "Culturele centra voor Volksontwikkeling', bestaande landschappen en architectonisch culturele waarden te doen verdwijnen en vernielen (2). De inplanting houdt naar hun mening wel rekening met het ongewoon rijk bomenbestand, het park omheen het gemeentehuis, doch niet met de uit 1776 daterende pastorie. De hele discussie leidt in mei 1971 tot een voorstel voor bescherming van de gevels en de bedaking van de pastorie van Beerse. Ook het Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening treedt de argumenten van de Koninklijke Commissie bij en steunt de
bescherming van de pastorie (3). De beschermingsprocedure wordt ingezet en de pastorie, altans de gevels en de bedaking, wordt als monument beschermd bij koninklijk besluit van 4 mei 1973 omwille van de historische en artistieke waarde. Een nieuwe pastorie voor de eerste pastoor van Beerse De pastorie dateert uit 1776, het jaar waarin door schout en schepenen van Beerse bij het Bisdom Antwerpen bekomen werd dat de parochies Vosselaar en Beerse werden gescheiden. Aanleiding was het overlijden van Ludolphus Grange, pastoor voor beide parochies. In hetzelfde jaar wordt Theodorus Norbertus Van de Velde tot eerste pastoor van Beerse benoemd. Hij had reeds in 1768 als rector zijn intrek genomen in het rectorhuis in Beerse dat hij in "soo slechten staet bevonden" had. Hij had het gebouw al voorzien van een nieuwe keuken en in 1774 liet hij op kosten van de SintMichielsabdij te Antwerpen een "nieuw steenen waschhuys met eenen oven om te bakken, ende eene plaetse om brandhout ende torfin het droogh te connen leggen" bijbouwen. De rector zelf diende alleen "de binnenwercken" te betalen. Wanneer hij in 1776 tot pastoor wordt benoemd, spreekt hij opnieuw de rijke Sint-Michielsabdij aan. Marcellus De Vos, prelaat van de abdij, laat "op ctese erve op sijnen koste doen opbouwen een seer treffelyck Pastoreel huys, want het oudt huys van de rectorije niettegenstaende alle gedane restauratien en was niet meer bestandigh maerdrijghde in te vallen". Het wapenschild van de prelaat gesculpteerd in blauwe hardsteen en voorzien van de afbeelding van een vos, bevindt zich vandaag nog steeds in de gevel aan de tuinzijde (4). De juiste kleur Kort na de bescherming is er heibel omtrent de lichtblauwe kleur waarin de gevels zijn geschilderd. De Koninklijke Commissie vraagt in haar vergadering van 31 oktober 1974 de herschildering in de oorspronkelijk kleur. De gouverneur laat de zaak onderzoeken en stelt vast dat de schildering in blauwe kleur dateert van 1970-1971 dus van vóór de bescherming. Dit maakte dat de gemeente dus moeilijk kan verplicht worden tot herschilderen. Men legt er zich dan maar bij neer en stelt dat de oude toestand wel hersteld moet worden wanneer herschilderen nodig blijkt (5).
B I N N E N K R A N T
M8d In functie van de huidige restauratie laat de gemeente eind 1992 een onderzoek uitvoeren naar de oorspronkelijke afwerking. Lode Declercq stelt in zijn rapport dat het gebouw in aanvang voorzien werd van een platvolle voeg, waarin met een mes een voeg met licht uitgerende hoeken werd gesneden. Deze afwerking in dense, witte kalkmortel was vervolgens ingekleurd in baksteenrood. Deze originele afwerking was nog slechts zeer vaag aanwezig, maar kon toch op voldoende plaatsen worden vastgesteld. Op deze originele afwerking bevindt zich een pakket van een 10-tal kalkwitsellagen, waarvan de eerste een lichtgrijs, de volgende gelige oker. dan twee groenige en vervolgens nog een aantal aardkleuren volgen. De hardstenen raamomlijstingen blijken oorspronkelijk opgevat als zichtbare natuursteen. De eenmalige witte schildering van de omlijstingen valt tesamen met de laatste lichtblauwe afwerking op de baksteen. Het advies luidt dat de toch al sterk afbladderende, lichtblauwe synthetische verflaag moet verwijderd worden met oplosmiddelen. Daardoor komen de kalkwitsellagen terug aan de oppervlakte, waarop met een minerale verf kan worden afgewerkt. Er werd niet geopteerd voor het verwijderen van de kalkwitsellagen omdat dit onherroepelijk schade zou hebben toegebracht aan de originele fijne voegafwerking. De keuze tussen het hernemen van een 19de-eeuwse bleke kleur of het aanbrengen van de 18de-eeuwse rode kleur werd beslecht op basis van ingekleurde geveltekeningen. De ramen, de gestucte kroonlijst, de plint leverden geen gegevens meer over de authentieke afwerking omdat ze reeds vernieuwd bleken. De originele houten delen van de dakkapellen vertoonden als oudste afwerking nog resten grijze verf (6). Een wankele toekomst verzekerd Het dossier voor de huidige restauratie werd opgesteld door architect Diederik Nagels en bestond uit drie loten: de dakbedekking, de gevelafwerking en het gevelschrijnwerk. De werken werden uitgevoerd door de firma Bergmans uit het naburige Vosselaar. De dak- en gootconstructie werd zorgvuldig hersteld en de natuurleien bedekking werd vernieuwd. De ramen werden alle vernieuwd evenals de recente voordeur. De oorspronkelijke achterdeur was nog aanwezig en kon worden hersteld. De arduinen trappen aan de tuingevel en aan de straatgevel
werden hersteld, evenals het bijhorende smeedwerk. De restauratie omvatte ook de bijgebouwen. De garage uit de jaren '60 bleef daarbij wel behouden.
(4)
(5) De vele scheuren in de gevels en de binnenmuren waren aanleiding om ook de stabiliteit van dit gebouw te onderzoeken (7) en te herstellen. De pastorie is. zo bleek uit de grondsonderingen, gedeeltelijk opgetrokken op een venige, alluviale laag (8). Mogelijk gaat het hier om de gedempte gracht rond het voormalige rectorshuis. Deze laag zet uit of wordt samengedrukt naargelang de grondwaterstand hoog of laag is. Met opvallend zware smeedijzeren gevelankers en door het ondermetselen van de funderingen trachtte reeds in 1881-1882 provinciaal bouwmeester J. Taeymans deze problemen te verhelpen. Reeds kort nadat de pastorie in 1864-1867 in bezit was genomen door de gemeente wordt er melding gemaakt van zorgwekkende barsten in het gebouw, die dringende restauratiewerken vereisen. Ook de recente stenen vloer in het salon achteraan was wellicht een poging om de toestand te stabiliseren. De grondopvullingen en de zware betonvloer betekenden echter bijkomend gewicht en veroorzaakten uitbuikingen aan de achtergevel. Daarom werd deze vloer verwijderd en werd opnieuw een houten roostering aangebracht. Ook werden micropalen aangebracht onder de funderingen van de wegklinkende hoek en de verzakkende binnenmuren. Daardoor is de stabiliteit van het gebouw nu onder controle. Het gevaar voor inklinking en afscheuren van een deel van het gebouw is geweken. De pastorie zal echter onvermijdelijk blijven bewegen op de veenlaag en de opgestopte barsten zullen zich na verloop van tijd wellicht opnieuw aftekenen. (1)
Verslag Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Nederlandstalige autonome Afdeling, dd. 9 september 1970. ondertekend dr. Weyns. dossier pastorie Beerse. archief Monumenten en Landschappen. Antwerpen (2) Verslag door F. Morteimans van 10 september 1970 van dezelfde vergadering van 9 september 1970. dossier pastorie Beerse. archief Monumenten en Landschappen, Antwerpen (3) Brief van 29 november 1971 ondertekend door Directeur-Generaal ir. L. Hendrickx. dossier pastorie
(6)
(7) (8)
Beerse. Archief Monumenten en Landschappen Antwerpen Alle gegevens uit GEERTS J.. Bijdrage tol de Geschiedenis van Beerse. Onze historische gebouwen. Beerse - Vlimmeren. s.d.. Alle gegevens uit dossier pastorie Beerse. archief Monumenten en Landschappen Antwerpen. Gegevens uit DECLERCQ L.. Pastorie Gemeente Beerse. onderzoek gevels, onuitgegeven onderzoeksverslag dd. december 1992. dossier pastorie Beerse. archief Monumenten en Landschappen. Antwerpen Advies dr. ir. K. Van Balen, centrum monumentenzorg K.U.Leuven. Rapport D12396 grondonderzoek door Geologica n.v.. dossier pastorie Beerse. archief Monumenten en Landschappen. Antwerpen.
Anne Malliet
Archeologie ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK IN DE SINTMARIAKERK TE EVERBEEKBENEDEN Naar aanleiding van het plaatsen van een nieuwe vloer in de kerk werd op 18,19.26 en 27 juni 1996 door de Sectie Archeologisch Onderzoek van de Afdeling Monumenten en Landschappen toegezien op het afgraven van de bovenlaag. Hierbij kwamen muurresten uit verscheidene perioden aan het licht, die allen werden opgemeten, ingetekend en aan een summier onderzoek onderworpen. Op basis van deze resultaten kan een eerste aanzet tot de bouwgeschiedenis van de kerk worden gegeven. Wel moet worden benadrukt dat dit verslag enkel gebaseerd is op de toen gedane observaties en wellicht nog moet/kan aangevuld worden met historische en archivalische gegevens én een verder onderzoek van het gebouw. Voorlopig kunnen vijf bouwperioden worden onderscheiden.
B I N N E N K R A N T
MSdls
Periode IV
Periode I
Periode I
Periode I Tot de eerste - waargenomen - bouwperiode behoort een Romaans zaalkerkje, dat volledig verdween en nu gelegen is binnen het schip van de huidige kerk. De muren in opgaand metselwerk 90 a 100 cm breed, zijn opgetrokken in donkergrijze kalksteen en schorresteen, gezet in een lichtgroene kalkmortel. Op enkele plaatsen werden eveneens roodgebakken tegels (formaat 21 x 21 x 3,5 cm) in het metselwerk verwerkt.
zaalkerkje in twee fasen uitgebouwd tot een driebeukig kerkje.
Het koor, binnenwerks 4 m 30 breed en 6 m 10 lang, bleef nagenoeg volledig bewaard; enkel de noordmuur was gedeeltelijk verstoord door een latere grafkelder. Het éénbeukige schip is binnenwerks ongeveer 7m50 breed en vermoedelijk 13 m 40 lang; de positie van de noorden zuidmuur kon op enkele plaatsen worden gecontroleerd, de westgevel daarentegen verdween volledig bij de bouw van de huidige toren. Wel werden op de noord- en zuidwestelijke hoeken resten van zwaar verstoorde steunberen geregistreerd. Uit het romaanse muurwerk werd een staal kalkmortel gerecupereerd, dat voor C14-datering aan het Koninklijke Instituut voor het Kunstpatrimonium werd overgemaakt.
In dezelfde fase werd een noordelijke zijbeuk aangebouwd. De oost- en westmuur van deze uitbreiding werden in fundering aangetroffen, terwijl het binnenparement van de noordmuur nog altijd zichtbaar is. op sommige plaatsen tot vlak onder de vensters in de huidige muur. Zowel in het muurwerk als in fundering bleven sporen bewaard van twee muurpijlers.
Periode II In de tweede bouwperiode werd het
In een eerste fase gebeurden twee uitbreidingen, gebouwd in metselwerk van grijze kalksteen, ijzerzandsteen en baksteen, gezet in een witte kalkmortel. Het koor werd uitgebreid met een absis, waarvan echter enkel de noordelijke aanzet werd aangetroffen, zodat een reconstructie van het plan onmogelijk was.
In de tweede fase werd de zuidelijke zijbeuk toegevoegd, nu echter volledig in baksteen opgetrokken. Oost- en westmuur bleven opnieuw enkel in fundering bewaard, de zuidmuur echter bleef, althans tot onder het niveau van de huidige vensters, goed bewaard; evenals in de noordmuur zijn de bouwnaden met de latere toevoegingen duidelijk zichtbaar. Dateringselementen voor deze bouwperiode zijn niet echt voorhanden; en-
kei het baksteenformaat uit de tweede fase (23 x 11 x 5,5 cm) suggereert een datering in de 15de eeuw. Het is niet onmogelijk dat reeds in deze tweede bouwperiode een westtoren aan de kerk werd toegevoegd; deze mogelijkheid kon echter niet adekwaat worden onderzocht. Wel is duidelijk dat de huidige toren in eerste instantie werd toegevoegd aan de kerk uit bouwperiode II, zodat we deze gebeurtenis situeren in een afzonderlijke periode. Periode lil Uitbraaksporen in de noordmuur van de toren bewijzen dat die aanvankelijk was aangebouwd tegen de westgevel van de kerk uit periode II. Bovendien werden in de volgende verbouwing vensteropeningen in de toren gedicht, teneinde de verbouwing mogelijk te maken. Dit alles betekent dat de bouw van de huidige toren te situeren is tussen periode II en IV, waarbij zoals gezegd niet kan worden uitgesloten dat deze toren in feite teruggaat op een constructie uit periode II. Periode IV In deze periode, door muurankers gedateerd in 1758, werd de bestaande kerk grotendeels gesloopt, met uitzondering van de toren en gedeelten van de noord- en zuidmuur die in de nieu-
B I N N E N K R A N T
M&L we kerk werden geïntegreerd. Het baksteenformaat van deze periode bedraagt 22x10.5x6 cm. De nieuwe driebeukige kerk was aanzienlijk groter dan de oude kerk, maar in de zijmuren en de plaatsing van de pijlers in het schip bleef de herinnering aan het oude bouwvolume bewaard. De sacristie, aangebouwd tegen de zuidmuur van het koor. behoort eveneens tot deze periode. Latere uitbreidingen, aan weerszijden van het koor en ten zuiden van de toren, zijn te situeren in een meer recente periode V. Dirk Van Eenhooge
ARCHEOLOGIE IN VLAANDEREN DOOR PROF. DR. GUY DE BOE Is ons archeologisch erfgoed dan onbelangrijk? De jongste aflevering van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen opent zowat met deze vraag. Daaruit klinkt enigszins de wanhoop van de Vlaamse archeoloog, die tot voor kort vooral kon rekenen op onwetendheid en daardoor onbegrip van publiek en overheid. Nu ook in Vlaanderen een nieuwe decreet- en regelgeving inzake de bescherming van het archeologisch patrimonium van toepassing is, kan de archeologische monumentenzorg eindelijk beter onderbouwd worden. Dit geeft ongetwijfeld ook een nieuwe impuls aan het wetenschappelijk archeologisch onderzoek. Archeologische monumentenzorg en onderzoek zijn evenwel slechts mogelijk mits een ruime maatschappelijke ondersteuning door het brede publiek. Door een themanummer hieraan te wijden wil Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen een inzicht bieden in wat archeologie betekent en een aantal sites en recente archeologische projecten in Vlaanderen voorstellen. Het onderwerp van de uitgave werd bewust beperkt tot Vlaanderen. De prestaties van Vlaamse archeologen in het buitenland vallen dus niet binnen deze afbakening. De editie opent met een inleiding Archeologie en archeologisch patrimonium, waarin aandacht wordt besteed aan de historiek, organisatie, decreet-
en regelgeving en de basisprincipes en motivering van het modern archeologisch onderzoek. In een tweede inleidend artikel Aandacht voorde nato wordt aandacht besteed aan de integratie van het natuurwetenschappelijk onderzoek dat de archeologische discipline in ruime mate heeft verruimd. Deze ruime interdisciplinaire aanpak primeert nu volledig in het onderzoek voor alle periodes, van steentijd tot late en post-middeleeuwen. Hoofdmoot vormen evenwel de Capita Selecta, een keuze van een aantal sites en recente archeologische projecten in Vlaanderen: * de steentijdsites in Oosthoven, Zonhoven en Rekem; * grafheuvels uit de bronstijd vanuit de lucht gefotografeerd; * het bronsdepot van Heppeneert; * de Keltische Viereckschanze in Kontich; * de Romeinse stad Tongeren; * het Romeinse kamp van MaldegemVake; * de Gallo-Romeinse bewoning in zandig Vlaanderen; * de Gallo-Romeinse vicus in Waasmunster; * Oudenburg; * de abdijsite van Ename; * de verdwenen Sint-Michielsparochie in leper; * het vissersdorp Walraversijde. Een presentatie van drie stadsarcheologische projecten in respectievelijk Brugge, Antwerpen en Gent rondt de selectie af. Het overzicht pretendeert absoluut niet volledig te zijn. De gemaakte keuze streeft ernaar om zowat alle periodes uit ons verleden te bestrijken en alle geledingen van het archeologisch onderzoek aan bod te laten komen. De voorgestelde sites en projecten worden telkens becommentarieerd door de archeoloog die de leiding had van de opgraving en/of verantwoordelijk is voor het beheer. Een bondig overzicht van musea met een archeologische collectie en van de publiek toegankelijke sites besluit de editie, samen met de duiding van de auteurs. Deze auteursidentificatie geeft op zichzelf reeds een mooie staalkaart van wie momenteel in het archeologisch onderzoek bedrijvig is.
Buitenkrant MONUMENTEN TE KOOP! Mechelen, Auwegemvaart 83 De woning Contryn, gebouwd in 19341935 naar ontwerp van architect Gaston Eysselinck, werd samen met de woning Van Hoogenbemt on\mrpen als een dubbelwoning op de hoek van de Koolstraat. Eysselinck ontleende voor concept en vormgeving veel aan de dubbelwoning die Le Corbusier in 1927 realiseerde op de Weissenhofsiedlung in Stuttgart. Zoals in de woningen in Stuttgart, is de woonruimte op de verdieping gelegen. Dit biedt meteen een panoramisch uitzicht over de vaart. Het gelijkvloers was oorspronkelijk zeer licht en open, doch de overdekte autostaanplaats werd een garage. De toegang tot de woning via de ijzeren scheepsladder en het terras, bleef bewaard. Het solarium, dat in de aanpalende woning nog bestaat, werd hier tot kamer omgebouwd. Desondanks het uitwendig uitzicht dit niet laat vermoeden - de voorgevel werd bekleed met baksteenplaatjes is het interieur verrassend authentiek. De inkom- en traphal is een pareltje van poëtisch licht- en ruimtespel. De keuken is een model van functionalisme. Op enkele luttele vierkante meter realiseerde Eysselinck een voor zijn tijd zeer moderne keuken. De ingebouwde doorgeefkast, met uittrekbare tabletten, de wasbekkens met druiprek, de kast met glazen voorraadschuiven, het betegelde werktablet aan het raam, de handdoekdroger en de kooknis met dampafvoer, alles bewaarde mevrouw Contryn tot op vandaag. Ook in de badkamer staan nog de originele lavabo en de verzonken badkuip. De woning is niet groot: ze heeft een voortuin en een kleine koer achteraan. De woonkamer van 30 m2 werd aangevuld met een achterplaats die over de vroegere koer gebouwd werd. Op de verdieping is er naast het solariumkamertje, een slaapkamer, twee kleine
B I N N E N K R A N T
M8cL Lier, Leopoldplein 5
10
kamertjes en het uitkragende bureel vooraan. De uitzonderlijke keuken biedt op zich geen ruimte voor hedendaagse keukenapparaten. Deze prachtige woning, beschermd als monument bij ministerieel besluit van 4 maart 1995, zoekt een nieuwe eigenaar en wel iemand die het waardeert te wonen in een machine a habiter die een historische getuige is van de "moderne" tijd. Anne Malliet
Voor informatie betreffende de verkoop zich wenden tot het verkoopkantoor: J. Simonis & C0, H. Speecqvest 34, 2800 Mechelen n 015/41.12.83 fax. 014/41.83.07
MONUMENT TE KOOP Lier - Leopoldplein 5 Dit woonhuis met garage werd gebouwd in 1933 naar ontwerp van de Lierse architect C. Sol. Het is opvallend dat 'moderne' ontwerpen niet echt aanvaard werden in het historisch centrum van Lier maar wel net buiten de stadsomwalling, zoals dit huis vlakbij het stationsplein en naast het verdwenen Casino van architect Redig.
Lier, Leopoldplein 5
De woning heeft al haar modernistisch voortuintje moeten opofferen aan de autotunnel die werd aangelegd onder de spoorlijn. Vandaag is het zaak de woning met haar intact interieur te vrijwaren door er een geschikte koper voor te vinden. Door zijn geheel bewaard gebleven interieur leent het
pand zich immers niet tot een handelshuis, waarvoor het nochtans gunstig gelegen is. De inkomhal met prachtige marmerbekledingen en marmeren dambordvloer, de gefineerde binnendeuren, het helder glas in lood, een fraai gedetailleerde trap, de bewaarde lichtarmaturen en last but not least het geheel bewaard gebleven salon. Dit salon bestaat uit een typische vaste zitbank met vate, gefineerde kastjes en daarbij horen vier zeteltjes welke twee aan twee verschillend zijn en rond twee bijhorende salontafeltjes gegroepeerd staan. Het meubilair, gemaakt door de befaamde firma De Coene uit Kortrijk is in uitstekende staat, zelfs de bekleding van de kussens in bruine en beige boucléstof het bijpassende, nog oorspronkelijke, beige-bruingemëleerde vast tapijt.
naar ontwerp van architect E. Van Steenbergen. Het is een typische interbellumwoning van twee bouwlagen onder licht hellend plat dak; het vierkant bouwperceel bevat een L-vormige woning met binnenplaats, op de begane grond met inkom, ontvangsten toonzaal t.b.v. de bouwheer/ schrijnwerker, garage, diensten (nu badkamer) en berging (voormalig lokaal voor de spoeling van de stadsriool); de beletage is voorzien van een woon- en slaapkamer aan de straat, een terras, ontbijtkamer, keuken en toilet aan de binnenplaats; de verticale circulatie wordt verzorgd via een centraal geplaatste trapzaal en een kleine spiltrap achteraan. De straatzijde vertoont een benedengevel met parement van donkergele verglaasde baksteen op arduinen plint, geaccentueerd door diep ingesneden lintvoegen en originele houten en ijzeren raamconstructie met afgeronde beglazing; de bepleisterde bovengevel is uitgerust met een gevelbrede erker met vernieuwde aluminiumramen. Deuren en garagepoort werden eveneens vernieuwd. De achtergevels met oorspronkelijk ijzeren schrijnwerk, inclusief de poort ter hoogte van de garage en het terras met ijzeren leuning, zijn nog volledig authentiek. In het bijzonder licht interieur zijn vooral de beglaasde scheiwand tussen inkomhal/toonzaal, de halfronde melkglaskoker ter hoogte van diensttrap en keuken en het glasin-loodraam met moraliserende teksten (Eet wat gaar is/Drink wat klaar is/Zeg wat waar is) in de woonplaats vermeldenswaardig; bijzonder fraai is ook de houten trapleuning die door de bouwheer zelf werd gerealiseerd.
Deze prachtige woning, beschermd als monument bij ministerieel besluit van 24 oktober 1995, zoekt een nieuwe eigenaar met een voorliefde voor dit salonmeubilair.
Voor informatie betreffende de verkoop zich wenden tot Mevrouw Paula Haesembroekx info: s 03/480.19.71-03/651.84,13
TURNHOUT-DEKEN ADAMSSTRAAT2 Burgerhuis in Nieuwe Zakelijkheid/Art Deco gelegen in een zijstraat van de Herentalsstraat, opgetrokken in 1939
B I N N E N K R A N T
M8d
ii
WIE IS ER BANG VOOR ROOD, GEEL EN BLAUW? Naar aanleiding van het thema Zorg en Zin voor Kleur lanceerde de Stuurgroep Open Monumentendag Vlaanderen, samen met haar partner Sigma Coatings, in het voorjaar de campagne Wie is er bang voor rood, geel en blauw? Een opvallende titel die, door de verwijzing naar de primaire kleuren, het contrast met een soms verkeerd begrepen soberheid extra in de verf zet. Als het om monumenten gaat, vraagt zorg en zin voor kleur vandaag om een beetje durf. De oproep richtte zich naar alle initiatiefnemers die voor een al dan niet beschermd monument een onderhouds-, renovatie- of restauratieproject op stapel hadden dat in hoofdzaak bestond uit schilderwerk. Om het verfraaiingseffect van de campagne op korte termijn zichtbaar te maken, moest het om projecten gaan die binnen het jaar realiseerbaar waren. Een belangrijke voorwaarde was dat het monument opengesteld wordt tijdens de Open Monumentendag van 1997. Het is immers de bedoeling ook anderen tot actie aan te sporen door te tonen dat een likje verf wonderen kan verrichten. De ondersteuning in het kader van de campagne bestaat in de levering van de verf door Sigma Coatings. Deze Belgische verffabrikant zorgt tevens voor technisch advies. Voor de historische verantwoording van hun project kunnen de geselecteerde deelnemers rekenen op de begeleiding van de afdeling Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Uit meer dan tachtig projectvoorstellen voor schilder- en restauratiewerkzaamheden aan ramen, deuren, luiken, poorten, gevels, binnenmuren enzovoort werden uiteindelijk zestien projecten geselecteerd. Dertien daarvan hebben betrekking op een beschermd monument. Hieronder volgt een overzicht (alfabetisch per gemeente). Alverlngem - Beveren a/d IJzer: de Brouckmolen Deze stenen windmolen uit 1872 werd opgericht op de plaats waar vroeger een houten staakmolen stond. Hij bevindt zich op 200 meter van de IJzer. Vele balken van de houten voorgan-
ger werden opnieuw gebruikt. Het beschermd monument werd door de huidige eigenaar gerestaureerd en opnieuw maalvaardig gemaakt. Een molen vraag geregeld onderhoud. Dankzij deze campagne kan de buitenbekleding herschilderd woden alsook het schrijnwerk en de wieken. Antwerpen: 19de-eeuwse hulzenzij In de Sint-Paulusstraat, met poortgebouw van de Slnt-Pauluskerk Halverwege de 19de eeuw werd de Sint-Paulusstraat aangelegd. De door B. De Proost ontworpen huizengroepen maken deel uit van een straatwand die in de periode 1854-1862 werd gerealiseerd. In het midden van die wand bevindt zich de monumentale toegangspoort naar de Sint-Pauluskerk. Verder wordt de wand gevormd door de tuinmuur van de kerk en nog enkele huizen voorbij de pastorievleugel. De campagnesteun betreft twaalf woningen en het poortgebouw. In het bijzonder zullen de neoclassicistische gevels in een globale operatie herschilderd worden volgens de originele kleurstelling. Brasschaat: Internaat Hof ten Bos Het Internaat Hof ten Bos is een voormalig 'rustoord' voor kinderen naar een ontwerp van Leon Stynen (1937). Sinds 1961 wordt het gebruikt als internaat voor het atheneum van Brasschaat. Aandacht voor gezondheid en hygiëne, voor licht en lucht werden vertaald in grote glaspartijen, terrassen en overdekte speelplaatsen. Het betonskelet maakt een vrije indeling van de ruimte mogelijk. De gevels zijn bedekt met ceramische tegels of bepleisterd. De bepleisterde gevels worden herschilderd in hun originele kleuren. Ook het schrijnwerk krijgt een onderhoudsbeurt. Erpe-Mere: Slnt-Bavokerk De Sint-Bavokerk is het resultaat van verschillende bouwcampagnes. Het vroegere gotische bedehuis, door brand geteisterd in 1580, werd geleidelijk heropgebouwd: koor (1592), schip (1604) en toren (1643). Na een nieuwe brand in 1699 volgde nogmaals een restauratie. Het jaartal 1744, boven de torentoegang, verwijst er mogelijk naar. Het transept en twee oostelijke traveeën (17de eeuw) bleven toen bewaard. De kerk werd neogotisch vergroot in 1849. Ook de toren werd toen verder opgetrokken.
In 1971 vond een restauratie plaats. In het rijke interieur vallen vooral de preekstoel, communiebank, lambrisering en het tochtportaal met doksaal en orgelkast op. Na een kleurenonderzoek van muren, gewelven en hoofdaltaar, wordt het interieur in de neogotische kleuren hersteld. Gent: Elisabeth-huis Het voormalig refugiehuis Sint-Elisabeth, waarvan de oorsprong in de 16de eeuw dient gesitueerd, werd opgetrokken naast de omwalling van het toenmalig begijnhof. Het vertoont nog verschillende sporen van de 16deeeuwse situatie. De eerste verdieping en het mansardedak, in Lodewijk XIVstijl, dateren uit de 18de eeuw. De vzw Elisabeth-huis heeft het gebouw gered van de sloop, waarna het werd beschermd. De restauratie van het dak en de vernieuwing van het schrijnwerk werden reeds gerealiseerd. Na restauratie wordt het gebouw gebruikt als ontmoetingscentrum voor de lokale gemeenschap. De barokke naar classicisme neigende gevel, met grotendeels oorspronkelijke bepleistering wordt herschilderd. Het vernieuwde schrijnwerk, naar model van het oude, wordt geschilderd. Gent: Kunstencentrum De Vooruit Dit Feestpaleis, gebouwd tussen 1912 en 1914, kende een eerste leven als volkshuis. Na tal van moeilijke jaren werd het verkommerde gebouw in 1982 in handen gegeven van een groep enthousiaste jongeren die er een centrum voor kunst en cultuur wensten te realiseren. Nu, bijna 15 jaar later is het monument gedeeltelijk gerestaureerd. Bovendien is het uitgegroeid tot een belangrijk kunstencentrum voor Gent en Vlaanderen. Tijdens recente restauratiewerkzaamheden bleek de toegang tot de theaterzaal - onderwerp van deze campagne - versierd te zijn met originele muur- en plafondmotieven. Eenmaal herschilderd zal dit stukje van het gebouw opnieuw in al zijn architecturale pracht te aanschouwen zijn. Gent: Schoolmuseum, voormalige Infirmerie van de Sint-Pietersabdij De huidige gebouwen van de SintPietersabdij dateren grotendeels uit de 17de en 18de eeuw; vier overwelfde kloostergangen rondom een rechthoekige binnenplaats, een refter tegen de zuidelijke gang, met puntgevel aan het Sint-Pietersplein, een tweede binnen-
B I N N E N K R A N T
12
plaats met woonkwartieren en infirmerie. De infirmerie is een bescheiden gebouw. Boven een hoge sokkel van Doornikse steen verrijst een klassieke architectuur waarbij de bepleisterde gevelpartijen onderbroken worden door natuurstenen accenten. Sinds 1970 is hier het Schoolmuseum, natuurwetenschappelijk museum, gehuisvest. Het herschilderen van buitengevels en schrijnwerk vormt het onderwerp van de campagne. Gent: 18de-eeuwse Armenkamer, deel uitmakend van het stadhuis In het midden van de 18de eeuw werd langs de Poeljemarkt de Armenkamer gebouwd. Dit bepleisterd gebouw met mansardedak wordt bekroond door een driehoekig fronton, ingevuld met rococomotieven in stucwerk. Het gebouw maakt deel uit van het stadhuis. De restauratie van de voormalige Armenkamer werd vorig jaar beëindigd met uitzondering van de gevels. Het herschilderen van de gevels wordt mogelijk dankzij deze campagne. Gent: voormalige Rijbaan Adjudant van Vletingen Het gebouw is opgetrokken in 18511853 naar ontwerp van de Gentse architect Louis Roelandt. De Rijbaan is als gebouwtype vrij zeldzaam - militaire school in een daartoe gebouwde rechthoekige hal. Architectuurhistorisch kan zij als een meesterwerk worden beschouwd, omwille van de vroege toepassing van een skeletbouw met zichtbare gietijzeren rondboogspanten. De rationele constructie beschikt over gevels in neoromaanse stijl. In 1991 werd de stad eigenaar. Sinds 1994 is het gebouw beschermd. Na restauratie wordt hef een sociaal-cultureel centrum waar ook bepaalde sportdisciplines beoefend worden. In het kader van de campagne wordt het gietijzeren binnenskelet herschilderd. Gent: woonhuis uit de 15de eeuw, J. Botermanstraat 4 Dit huis is een van de oudste privéwoningen in de historische stadswijk Prinsenhof. Het kent een lange bouwgeschiedenis die zeker opklimt tot het einde van de 15de eeuw. Het in restauratie zijnde pand heeft een imposante bak- en zandstenen trapgevel met alle kenmerken van een laat15de-eeuwse constructie. Goed bewaard zijn vooral de grote poort in een geprofileerde zandstenen omlijsting,
met het nog originele schrijn- en smeedwerk. Na meer dan 30 jaar leegstand zal het gebouw weer bewoond worden. De gerestaureerde zolder zal voor sociale en culturele activiteiten worden gebruikt. Het schilderen van het buitenwerk (muren en schrijnwerk), vormt een volgende fase van de restauratie. Deze werkzaamheden worden gesteund door de campagne. Herent • Veltem-Beisem: Heersemmolen De Heersemmolen is een watermolen gelegen op de Molenbeek. De oudste delen dateren uit de 15de eeuw. In de daaropvolgende vijfhonderd jaar is er geregeld verbouwd en uitgebreid, en dat in tot in 1920-1930. Het eigenlijke molengebouw is opgetrokken in oranje baksteen en witte zandsteen. Het sluit aan bij de woning en een bijgebouw. In de gevels kan men duidelijk de verscheidene bouwperiodes waarnemen. Binnen is de constructie in goede staat en het mechanisme van de molen is intact en maalvaardig. Het houten buitenschrijnwerk van de zuidwestelijke gevel wordt met steun van de campagne herschilderd. Heuvelland-Kemmel: Gemeentehuis, voormalig Kasteel De Warande Het kasteel van baron J. Bruneel de la Warande, indertijd burgemeester van Kemmel, werd in 1925 gebouwd op de plaats van een verwoest jachtpaviljoen. Het U-vormige hoofdgebouw met symmetrische voorgevel heeft een eclectische architectuur met een barokke en neorenaissancistische inslag. Sinds 1979 fungeert het als gemeentehuis van de fusiegemeente Heuvelland. Het buitenschrijnwerk krijgt een onderhoudsbeurt. Malle: Kasteel de Renesse De oudste kern van het kasteel de Renesse is een ronde toren uit de 15de eeuw. De oost- en westvleugel bevatten restanten van een riant complex uit 1545. Het complex werd in 1830 verbouwd tot landhuis in sobere empirestijl. In 1920 startte de verbouwing tot een imposant kasteel in neoVlaamse-renaissance. Het werk werd halverwege stilgelegd: de oostvleugel, gekenmerkt door het bak- en zandsteengebruik, is volledig verbouwd, de westvleugel heeft nog het klassieke karakter. De vzw Domein de Renesse staat in voor het beheer van het kasteel en het omliggend domein. De
centrale zone van het kasteel werd in 1994 gerestaureerd. Zowel exterieur als interieur zijn zeer kleurrijk. De gevels van de klassieke westvleugel (met uitzondering van de noordkant) worden voorzien van een gladde bepleistering en een okerkleurige schildering. Ook het buitenschrijnwerk wordt herschilderd. Peer: de voormalige dekenij Dit 18de-eeuwse hoekhuis bevindt zich aan het driehoekig marktplein. Oorspronkelijk deed het dienst als dekenij. Omstreeks de eeuwwisseling was de Post er ondergebracht. Het is een dubbelhuis van vier traveeën en twee bouwlagen onder een zadeldak. Het dakvenster bevindt zich in een klokvormige gevelverhoging met ijzeren windwijzer. Nu is het een privé-woning. Het huis wordt momenteel gerestaureerd. In het kader van de campagne krijgt de bepleisterde gevel weer zijn oorspronkelijke kleur. Na het vroegere stadhuis en de rijkswachtkazerne zal dit het derde gebouw zijn op de markt dat kleurrijk wordt gerestaureerd. Ruiselede-Doomkerke: SintCaroluskerk Deze beschermde neogotische kerk vormt een monumentale baken in de omgeving. Ze beschikt over een rijke verzameling meubilair. Recent werd een deel van de toren vernieuwd. Momenteel wordt de restauratie van de talrijke roosvensters voorbereid. Rondom de kerk bevindt zich nog het oude kerkhof met omheining, beschermd als landschap. De steun van de campagne gaat naar de herschildering van het buitenschrijnwerk, de toren, de kroonlijsten en de smeedijzeren hekken van het kerkhof. Zottegem: Villa Cousy Deze art deco woning werd in 1929 door de Gentse architect A. De Groote gebouwd voor schoenfabrikant L. Cousy. In de voor-, achter- en linkergevel van de riante villa gebruikte de architect versieringselementen in overvloed, zowel in het stucwerk en het glas in lood, als in het metselwerk. Bijzonder in het oog springen het mannenhoofd in de top van de puntgevel en de prachtig uitgewerkte portiek. Het betreft nog steeds een privé-woning. De cementbepleistering van erkers en achtergevel, het buitenschrijnwerk en het ijzerwerk krijgen een onderhoudsbeurt.
B I N N E N K R A N T
M&L
i; JAARLIJKSE BIJEENKOMST VAN DE VEREINIGUNG DER LANDSDENKMALPFLEGER IN DE BUNDESREPUBUK DEUTSCHLAND. KIEL 10-14 JUNI 1996 Het thema Historische Cultuurlandschappen hoort thuis in de procesmatige verruiming van de monumentenzorg van monument naar ensemble, stads- en dorpsgezicht tot de historische, door de mens geschapen of herschapen omgeving. Deze evolutie houdt uiteraard verband met de toenemende belangstelling voor sociale ecologie en met de groeiende bekommernis om het leefmilieu op micro- en macro-schaal. In de internationale context kan worden verwezen naar de Aanbevelingen N0 R (95) 9 in verband met de geïntegreerde conservatie van cultuurlandschappen als onderdeel van het landschapsbeleid, goedgekeurd door het Ministercomité van de lidstaten van de Raad van Europa, op 11 september 1995 (cf. Compendium of basic texts of the Council of Europe in the field of Cultural Heritage, CC-PAT (96) 58, p. 229-230 + Appendix p. 230-236). Elementen van de definitie van Cultureel Landschap (Cultural landscape areas) zoals weergeven p. 230 kwamen tot uiting in de toelichting van uiteenlopende voorbeelden in verschillende Duitse landen en de verdere discussie en uitdieping. Belangrijke elementen in deze definitie (Appendix, artikel 1) zijn precies de topografische begrenzing binnen het 'ruime' landschap van deze zones bepaald door verscheidene combinaties van menselijke en natuurlijke ingrepen die de evolutie van de mensheid illustreren; zo de nederzettingsvormen, met topografische en chronologische varianten en inherente sociale en culturele waarden; ook aanwezige fysische sporen en resten van voormalig bodemgebruik en de hieraan verbonden activiteiten, vaardigheden of typische tradities; eveneens de evocatie van de plek of regio in literair of artistieke werk of het feit dat het oord als "bühne" heeft gediend voor historische gebeurtenissen. In het uitgekozen thema wordt het 'historische' in het cultuurlandschap onderstreept: waarmee uitdrukkelijk de brede waaier van wetenschappelijke, esthetische, socio-economische waarden... wordt opgenomen in de speurtocht naar het gegroeide, afleesbare landschap.
Het voorbeeld van Weimar en omgeving, ter illustratie voorgedragen door T. Breuer, de inventarisator van de Landesamt Bayern op studiebezoek in het neue Land Thüringen, toonde aan hoe het onderkennen van 'historische', planologische of associatieve waarden in de leefomgeving een grondige inventarisatie van het gebouwde en ongebouwde 'te velde' veronderstellen, gepaard gaand met een uitgekiend onderzoek van archivalische, iconografische en literaire bronnen en een correcte interpretatie ervan. Belangrijk hierbij is het noodzakelijk vermogen om al deze informatie te verwerken en te relateren aan het nog bestaande om de reële begrenzing en betekenis van het cultuurlandschap te begrijpen en de inherente verbanden te achterhalen. Deze afbakening lijkt vaak problematisch: 'Ontworpen aangelegde' cultuurlandschappen als onder meer versterkingen, kasteeldomeinen, abdijen kloostercomplexen eventueel overgaand in een 'getekend' landschap met bepalende verbindingsassen zijn veelal, vooral zover voldoende behouden, nog duidelijk te omlijnen; moeilijker wordt het voor stads- en dorpsgezichten met bepalende, organisch gegroeide aanleg en profiel of 'associatieve landschappen' gerelateerd aan het collectief geheugen en zijn mogelijke neigingen te verdringen of vernietiging. Voor de inventarisatie betekent dit terzelfdertijd een verruiming en verfijning die zich gradueel opdringt. In Vlaanderen komen die in zekere mate tot uiting in de algemene inleidingen in de passus Landschapstypering die min of meer wordt uitgewerkt en verrijkt met aspecten van de historische geografie naargelang van het behandelde gebied en de beschikbare gegevens. Vanzelfsprekend zal deze algemene evolutie worden ingewerkt in het verdere veldwerk, het onderzoek en het uitschrijven van de teksten bestemd voor de publikatie. De geïllustreerde lezingen en de plaatsbezoeken in het sterk door de mens gemarkeerde SchleswigHolstein stemmen tot nadenken en zetten aan tot een uitgebalanceerd uitwerken van het aspect "Historisch Cultuurlandschap" dat via onze verkennende inventarisatie in het beschermingsbeleid kan worden opgenomen. In een aantal Duitse Landen is de bevoegdheid van de "Denkmalamten" tot
"Monumenten", vandaar het grote belang gehecht, tijdens deze jaarvergadering, aan de juridische omkadering en de wijze waarop de hogervermelde definitie van Cultuurlandschappen kan worden geïnterpreteerd binnen of ingepast in de bestaande teksten; hierbij werd uiteraard de vraag gesteld in hoever de bescherming en het beheer van Cultuurlandschappen kunnen worden openomen in de meer algemene ruimtelijke ordening, structuurplanning... cultuurlandschappen echter vragen om een specifieke, aan hun specifieke waarde gerelateerde zorg die in se hoort tot het domein van de ruim opgevatte "Den/cma/'-pflege. Toegelichte beschermingsvoorstellen onder meer in Westfalen wezen op deze en andere problemen onder meer wat betreft de afbakening van cultuurlandschappen die blijkbaar te ruim uitvallen voor een bescherming als ensemble, niet uitgebreid genoeg om als bepaalde zone in de algemene planning te worden opgenomen en niet voldoende waardevol in het natuurwetenschappelijke vak om onder "Naturschutz" te vallen. Ook deze voorbeelden en discussies in verband met wetenschappelijk verantwoorde beschermingsvoorstellen en 'praktische' en juridische' haalbaarheid zijn relevant en stemmen tot nadenken, te meer dat ze niet vreemd klinken en bijvoorbeeld herinneren aan interne discussies omtrent het polderdorp Stabroek bijvoorbeeld met zijn aan de hoofdstraat ingeplante hoeven en aansluitende, ver uitlopende landerijen opgenomen in een consequent verkavelingspatroon: ruim dorpsgezicht, landschap of beide? Met zijn Afdeling Monumenten en Landschappen en het wettelijke instrumentarium ad hoc kan in Vlaanderen de bescherming worden verzekerd van monumenten, stads- en dorpsgezichten (ensembles) en landschappen. Het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stadsen dorpsgezichten, gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995 omschrijft het gehanteerde begrip Sfads- en Dorpsgezicht in Artikel 2.3° als: - "een groepering één of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, die omwille van haar artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige industrieelarcheologische of andere socio-cultu-
B I N N E N K R A N T
M8cL
14
re/e waarde van algemeen belang is" - "de directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een 'monument', ook bepaald in Art. 2.2°, die door haar beeldbepalend karakter de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen dan wel door haar fysische eigenschappen de instandhouding van en het onderhoud van het monument kan waarborgen". In Artikel 3.1 0 van het Decreet houdende beschermingen van landschappen van 16 april 1996 verstaat men onder "Landschap: een begrensde grondoppen/lakte met een geringe dichtheid van bebouwing en een onderlinge samenhang waarvan de verschijningsvormen en de samenhang het resultaat zijn van natuurlijke processen en van maatschappelijke ontwikkelingen". Uit de vergelijking van de definities blijkt dat de relatieve dichtheid van de bebouwing voortaan determinerend kunnen worden voor het onderscheid tussen een bescherming als stads- en dorpsgezicht of als landschap; ook zit enige nuancering in de criteria vermits voor landschappen alleen "natuurwetenschappelijke, historische, esthetische of socio-culturele waarden" voorkomen (Artikel 2. 6°, Artikel 5.) Het globaal opgevatte Historische Cultuurlandschap verdient hoe dan ook alle aandacht; het lijkt dan ook belangrijk om de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, van de parken, tuinen en hoven en van de landschappen op elkaar af te stemmen om aansluitend, in gezamenlijk overleg met de betrokkenen, de multidisciplinaire benadering van een integrale en evolutieve beschermingsfilosofie om te zetten in beleidsondersteunende voorstellen.
Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck
DE "TOERIST" BETAALT, OF ERFGOEDHEFFINGEN OP HET TOERISME Naar aanleiding van de conferentie van de Europese ministers bevoegd voor het cultureel erfgoed te Helsinki op 30 en 31 mei 1996 vestigde de Zwitserse minister de aandacht op het verband tussen het toerisme en het
cultureel erfgoed, inzonderheid op de aantrekkingskracht van het erfgoed voor het toerisme en op het eigen specifieke toeristisch erfgoed. Het toerisme is een belangrijke economische faktor in Zwitserland. In 1990 werkten meer dan 225.000 mensen in de toeristische sector en nog eens 135.000 personen waren tewerkgesteld in sectoren die rechtstreeks met het toerisme zijn verbonden. Het toerisme vertegenwoordigde er in 1992 een bedrag van 21,8 miljard Zwitserse frank of 6,2 % van het bruto nationaal produkt. Als men de toeristische folders van de toeristische pleisterplaatsen en de buitenlandse gidsen mag geloven blijkt dat er een rechtstreeks verband is tussen het toerisme en het behoud van het cultureel erfgoed. Talrijk zijn de toeristische plaatsen die in hun publiciteit de nadruk leggen op de historische monumenten. De monumenten en de historische plaatsen zijn ware aantrekkingspolen in het toeristisch aanbod. Het bezoek van historische monumenten en culturele plaatsen is een van de belangrijkste redenen voor de toeristen om op reis te gaan. Men moet daarenboven aanvaarden dat de stijging van het niveau van de schoolse opleiding in het algemeen het cultureel toerisme nog zal doen toenemen. Onderzoek heeft aangetoond dat de mogelijkheid voor het bezoek van historische sites en steden bij 20 % van de toeristen de doorslag geeft bij de keuze van een toeristische bestemming. Waar er van de ene kant wel nauwe banden blijken te bestaan tussen het cultureel erfgoed en het toerisme moet men toch vaststellen dat de toeristische instanties zich nooit bekommerd of ingezet hebben voor de instandhouding van het cultureel erfgoed. Aangezien het toerisme het erfgoed gebruikt en zelfs misbruikt voor zijn eigen profijt zou het niet meer dan normaal zijn dat ook het toerisme er zijn verantwoordelijkheid zou nemen ten overstaan van het cultureel erfgoed en samen met de verantwoordelijken voor dit erfgoed gemeenschappelijke strategieën zou ontwikkelen die verzoenbaar zijn met het behoud van het cultureel erfgoed. In dit opzicht zou men moeten denken aan een financiering door middel van heffingen op het toerisme door het invoeren van een soort van tol (zoals de
"péages" op de Franse autostrades). Volgens dit beginsel zouden de toeristen die van het cultureel erfgoed genieten ook bijdragen tot zijn instandhouding, volgens het beginsel dat wie iets veroorzaakt ook verantwoordelijk is voor de gevolgen, wat in de milieuzorg kernachtig geformuleerd werd als: de vervuiler betaalt. De bijdrage van het toerisme aan de instandhouding van het bouwkundig erfgoed moet daarom volgens dit beginsel mee de basis vormen voor een nieuwe strategie voor de duurzame ontwikkeling van het cultureel erfgoed. Als men spreekt over het verband tussen cultureel erfgoed en toerisme dan mag men niet vergeten te vermelden dat het toerisme zelf een eigen cultureel erfgoed heeft voortgebracht. Dit heeft niet alleen hoge architecturale kwaliteiten maar heeft ook een uitzonderlijk culturele waarde van openbaar nut. Dit erfgoed, dat stamt uit de beginperiode van het toerisme behelst niet alleen grote hotels. Casino's, dansgelegenheden, en gebouwen van de Belle Epoque maar ook belangrijke infrastructuurwerken. Het toeristisch erfgoed is nooit als dusdanig beschouwd geweest en heeft zware verliezen geleden. Nu diegenen die met het toerisme aan de kost komen meer en meer de kaart trekken van het cultureel toerisme en het cultureel erfgoed zouden zij de eersten moeten zijn om zich in samenwerking met de monumentenzorgers in te zetten voor het behoud van het cultureel erfgoed. Een spoedige sensibilisering voor het behoud van dit toeristisch erfgoed (hotels, herbergen, treinen, funiculaires) is dan ook dringend nodig. Edgard Goedleven
IN MEMORIAM LOUIS PAUL SUETENS Louis Paul baron Suetens overleed totaal onverwacht op maandag 2 september 1996. Hij was alom bekend als eminent jurist, briljant hoogleraar aan de K.U.Leuven en gezaghebbend rechter in het Arbitragehof. Ik had het voorrecht om reeds van in 1972 met hem te kunnen samenwerken toen hij deeltijds opdrachthouder
B I N N E N K R A N T
M&L
15
werd in het kabinet van de minister van Nederlandse Cultuur, Prof. dr. F. Van Mechelen, waar ik kabinetssecretaris was. Louis Paul Suetens speelde ook een eersterangsrol in de zorg voor het cultureel erfgoed. Van 1975 tot 1979 was hij ondervoorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen waar hij bij zijn aanstelling tot Staatsraad bij de Raad van State wegens onverenigbaarheid ontslag diende te nemen. Door zijn grote intelligentie die hij combineerde met een sterke overtuigingskracht en diplomatie slaagde hij erin om de Koninklijke Commissie die toen een crisisperiode doormaakte terug op het goede spoor te zetten en een nieuw elan te verlenen. In 1988 werd hij voorzitter van het Fonds Bouwkundig Erfgoed Vlaanderen van de Koning Boudewijnstichting en in 1994 stichtend lid en beheerder van de Stichting Vlaams Erfgoed. Hij was ook van nabij betrokken bij de oprichting van de Monumentenwacht Vlaanderen, het Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie (VCAR) en de Vlaamse contactcommissie Monumentenzorg (VCM). Gedurende zowat een kwart eeuw heb ik regelmatig met hem contact gehouden. Hierbij heb ik steeds de grootste bewondering gehad voor de uitstraling die van hem uitging, voor zijn uitzonderlijke intelligentie en zijn no-nonsense resultaatgerichte aanpak, die hij met stijl, beminnelijkheid en een groot gevoel voor humor beoefende. De leuze In spelende ernst' die hij had gekozen toen hij in 1989 als baron in de adelstand werd verheven is een ware synthese van zijn persoonlijkheid. Hij had een bijzondere en ruime belangstelling voor de kwaliteit van de leefomgeving die zich niet beperkte tot een inzet voor het cultureel erfgoed. Hij was tevens voorzitter van de Stichting Leefmilieu en gezaghebbend specialist inzake ruimtelijke ordening. Louis Paul Suetens was een uiterst correct man. Als voorzitter van vergaderingen zorgde hij er ook voor dat deze stipt op tijd begonnen en evenzeer op tijd eindigden. Hij kon met grote behendigeheid iedereen de kans geven zijn mening te laten kennen zonder dat dit tot eindeloze uiteenzettingen aanleiding gaf. Op het einde van een vergadering slaagde hij er daarenboven steeds in een korte maar
volledige synthese van de besprekingen te formuleren. Ondanks zijn uitzonderlijke kwaliteiten achtte hij zich nooit te goed om ook zelf de handen uit de mouwen te steken en een deel van het werk op zich te nemen. Velen zullen zich ongetwijfeld herinneren hoe hij tijdens de Open Monumentendag van september 1995 zelf in de hem geëigende stijl als gids het publiek rondleidde in het monumentale Arbitragehof op het Koningsplein te Brussel.
dankbare herinnering gedenken, wetende dat zoals op zijn gedenkenisprentje is vermeld "De herinnering is het leven zelf in een andere vorm". Edgard Goedleven
Louis Paul Suetens had zich ook het lot aangetrokken van de Parkabdij te Heverlee bij Leuven, een van de belangrijkste monumenten van Vlaanderen. Om er het proces van de herbestemming te ondersteunen had hij een vergadering bijeengeroepen op 2 september om 17 uur. de dag zelf van zijn overlijden. Toen de aanwezigen, waaronder ikzelf, op een gegeven moment plots vaststelden dat het vijf na vijf was en Louis Paul Suetens nog niet was toegekomen was er alom verbazing: L.P. Suetens die te laat komt op een vergadering zonder verwittigen, dat had nog niemand meegemaakt. In de namiddag had hij nog naar de prelaat van de abdij gebeld om zijn komst te bevestigen. Toen om 19 uur L.P. Suetens nog niet was toegekomen en ook niets van zich had laten horen, gingen de aanwezigen naar huis met een bang voorgevoel dat L.P. Suetens misschien wel iets bijzonder ernstigs was overkomen. De verrassing en verslagenheid toen achteraf het nieuws kwam van zijn plots overlijden, waren er echter niet minder groot om. Het overlijden van Louis Paul Suetens zal voor velen een bijzonder verlies betekenen; Monumenten en Landschappen biedt aan zijn echtgenote, familie en al wie hem dierbaar was dan ook zijn diepe gevoelens van medeleven aan. Op vele domeinen betekent zijn vroege dood een onherstelbaar verlies, niet in het minst voor de zorg om het cultureel erfgoed. Ondanks zijn voortijdig heengaan zal hij ook in de monumenten- en landschapszorg verder leven in de vele verworvenheden van blijvende waarde die er door zijn toedoen tot stand kwamen. De monumenten- en landschapszorg zullen hem dan ook steeds liefdevol in
B I N N E N K R A N T
M&L CITAAT
"How different towns might look, Cooper always thought, if planners had been prosecuted instead of praised for their urban vandalism" uit: Minette Walters, The Scold's Bridle, hfdst. 14, par. 3 Hoe anders zouden steden kunnen ogen, dacht Cooper alsmaar, indien plannenmakers voor hun stedelijk vandalisme waren vervolgd en niet geprezen. •
M&L
33
Al de vloeren van de zaal blijven in hout. Op de vloer van het zitgedeelte wordt tapijt voorzien om loopgeluid te verminderen. Ter plaatse van orkest en zanger moest het podium bestaan uit hard materiaal, zoals hout. Podiumreflectoren in hard materiaal, zoals multiplex of dergelijke, werden volgens het advies voorzien met het oog op de correctie van de geluidsspreiding. De storende invloed van buitengeluid wordt in belangrijke mate verminderd door het aanbrengen van voorzetramen met een zware beglazing, terwijl tussen buitenraam en voorzetraam een geluidsabsorberend materiaal wordt aangebracht. Door de technische infrastructuur van verwarming en verluchting onder te brengen in de kelder van een volledig afzonderlijk gelegen gebouw, wordt ook op dit vlak geluidsoverdracht vermeden. Tydens de werken (foto 0. Pauwels).
In zijn geheel biedt de zaal akoestisch interessante mogelijkheden voor een breed toepassingsgebied.
Verwarming en verluchting Omwille van het delicate van de restauratie, de aanwezigheid van een grote hoeveelheid houtconstructies en waardevol stucwerk, moet vanuit bouwfysisch oogpunt de temperatuur en de vochtigheidsgraad zo stabiel mogelijk gehouden worden. Grote schommelingen in temperatuur en vochtigheidsgraad hebben uitdrogen en bijgevolg barstvorming in hout en in stucwerk tot gevolg. De technische oplossing, die voor het verwarmen en op temperatuur houden van de zaal, op punt werd gesteld is een vloerverwarming aangevuld met een voorverwarming van de toegevoerde ververste lucht vlak voor het doorgaan van manifestaties. Door de vloerverwarming wordt het gehele gebouw het ganse jaar op een basistemperatuur van ± 14° C gehouden, zodat er voor het hout en het stucwerk haast geen temperatuurschommelingen optreden. De exploitatie van de zaal zelf vereist een bepaalde toevoer van verse lucht. Op het ogenblik van manifestaties wordt deze aangevoerde lucht voorverwarmd om nog slechts een temperatuursverhoging van circa 5° C te verzenlijken. Op deze wijze blijven de temperatuurschommelingen voor het gebouw tot een minimum beperkt. Tevens wordt de noodzakelijke verluchting van de zaal en het beperkte luchtverwarmingssysteem grotendeels geïntegreerd. Verlichting Wat de podiumverlichting betreft, werd er naar gestreefd om geen infrastructuur in de zaal zelf aan te brengen. Het podium wordt voorzien van een beperkte infrastructuur, in verhouding met het specifieke gebruik van de zaal, waarbij de nadruk niet op theater ligt, gezien de amfitheatervorm rond de parterre. Door middel van wegneembare elementen kan vanop de tweede gaanderij bijkomende toneelverlichting aangebracht worden, wanneer dit nodig zou zijn. Voor de verlichting van de gaanderijen, benedengang, zaal en foyer werd gezocht naar een eenvoudige verlichting met integrerend glazenierswerk van Herman Blondeel, dat eveneens een bindteken zal vormen tussen de nieuwbouw en de Academiezaal.
PLEIDOOI VOOR EEN VERANTWOORD GEBRUIK Gezien haar reeds in oorsprong profane, culturele functie, kan de Academiezaal een belangrijke dynamiserende én verbindende rol vervullen. Haar
M&L
culturele functie kan in een aan de stad en aan het gebouw aangepast gebruik voortgezet worden terwijl haar specifieke authenticiteit tot haar recht kan komen. Vermits de Academiezaal in oorsprong gebouwd is voor 'voordracht', is zij uiteraard geschikt voor alle gesproken woordactiviteiten. Door haar goede akoestische eigenschappen is zij ook een ideale ruimte voor uitvoeringen van kamermuziek. Het is op dit vlak dat zij een grote uitstraling kan verwerven. Dit gebruik is bovendien volledig in samenhang met de glorie en de functie van het gebouw. De historische culturele continuïteit van deze zaal wordt op deze wijze voortgezet. Op dit ogenblik bestaan er zeer weinig ruimten die specifiek voor kamermuziek geschikt zijn. In muziekkringen kan men opvangen dat er een nood is aan dergelijke ruimten. De Academiezaal met haar bezetting van ± 290 zitplaatsen, uitzonderlijk uit te breiden tot ± 340 zitplaatsen, past uitstekend in dit gebruikskader. Bovendien is de specifieke concentrische uitbouw van de zaal heel bijzonder voor het bijwonen van concerten. De uitvoerders zitten bij voorkeur op de parterre. Het publiek zit dan op korte afstand rond het beperkt aantal muzikanten. Hierdoor is niet alleen de klankweergave zeer rechtstreeks, maar er ontstaat ook een unieke en zeer directe wisselwer-
king tussen muzikanten en publiek. Een concert in deze zaal zal steeds een unieke 'belevenis' zijn, zowel voor het publiek als voor de muzikant. Deze belevenis wordt nog vergroot door de verrassing die men ondervindt bij het betreden van het gebouw. De sobere, strenge buitenzijde die in overeenstemming is met de gehele aankleding van het seminarie, krijgt bij het betreden een verrassende tegenpool bij de ontdekking van de feestelijke decoratie van het stucwerk in de zaal zelf met de muzikanten in het midden. Op dat ogenblik kan het feest beginnen. De mogelijkheden en het kader zijn zelfs zo kwaliteitsvol dat kan gesteld worden dat de culturele betekenis en het gebruik van deze zaal een aantrekkingskracht van bovenregionaal belang kan hebben. Om het niveau en de uitstralingsmogelijkheden van dit unieke gebouwtje volwaardig tot hun recht te laten komen, is het noodzakelijk dat van bij de
M&L
35
aanvang een programmatie van hoog niveau wordt gevoerd, zodat de zaal binnen de muziek- en voordrachtwereld de nodige weerklank krijgt. Dit nieuwe hoogwaardige cultureel gebruik is aldus een sleutel om een nieuwe dynamiek en stimulans te geven aan het vernieuwde gebruik van de abdijsite, waarop op lange termijn de rehabilitatie van de overige ruimten en gebouwen kan geënt worden.
DE ACADEMIEZAAL EN HET OEUVRE VAN LOUIS ROELANDT IN KUNSTHISTORISCH PERSPECTIEF Louis Roelandt (1786-1864) behoort samen met Tilman Francis Suys (1783-1861), Bruno Renard (1781-1861), Pieter B. Bourla (1783-1866) en A.F.J. Dukers tot de eerste generatie van de 19de-eeuwse
Belgische architecten die hun opleiding te Parijs genoten. Naast Frangois Verly (1760-1828) die een opleiding kreeg bij Etienne Louis Boullée en naast H.L. Francois Partoes (1790-1873) die afstudeerde aan de Génie Civile te Parijs waar hij doordrongen werd met de ontwerpmethodiek van Jean Nicolas Louis Durand, die zelf oud-leerling was geweest van Boullée, vormden deze ontwerpers, de leidende vernieuwers van de eerste helft van de 19de eeuw. Ze werden onder meer gevormd door de keizerlijke architecten Percier en Fontaine, en hadden vooral cursussen gevolgd aan de Ecole Spéciale d'Architecture. Het is opvallend dat deze ontwerpers meestal behoren tot die architecten die uitgaande van hun neoklassieke en daarenboven sterk empiregetinte benadering een ontwikkeling hebben doorgemaakt zowel naar de Rondbogenstijl als naar de italianiserende neorenaissancestijl zonder daarom allen in Italië te zijn geweest. Dit gold ook voor vele van hun buitenlandse collega's die eveneens oud-studenten waren van Percier en Fontaine. Het is in deze context zeker het vermelden waard dat een figuur als T.F. Suys reeds in 1818 samen met L.P Haudebourt, volkomen in de lijn van Percier en Fontaine's publicatie over de Palais et Maisom de Rome (1798), een publicatie verzorgde met de nodige opmetingstekeningen, gewijd aan de twee Romeinse Massimipaleizen van Baldassare Peruzzi (24). Wat betreft de ontwikkeling naar deze beide stijlen toe kan Roelandt voor Vlaanderen als de sleutelfiguur worden beschouwd. Alhoewel de ontwikkeling van de neorenaissancestijl zich in de jaren '30 van de 19de eeuw gestaag doorzette, is het zeker niet zo dat de critici en sommige architecten deze stijlkeuze als een evidentie voor burgerlijke architectuur beschouwden. Er was integendeel heel wat kritiek, onder meer op de neorenaissance vormgeving van toonaangevende werken als het Dresdense operahuis (18381841) van Gotfried Semper (25). Roelandt kan met zijn Gentse Opera (1838-1840) en meer nog met zijn Justitiepaleis (1836-1844) als een Vlaamse evenknie worden gezien van de evenwel nog radicaler op de renaissance georiënteerde Semper. Afgezien van de bewondering voor de renaissancevormgeving van de gevels en de interieurs bleek de fascinatie die van de vroeg-19de-eeuwse architecten voor de Massimi-paleizen van Peruzzi uitging, vooral te berusten op de magistrale wijze waarop het bijzonder onregelmatig, in het bouwblok ingesloten perceel ten volle door de ontwerper werd benut en dit met behoud van de grootst mogelijke harmonie (26). Het Massimi-complex zou te Parijs vanaf 1813 meerdere malen fungeren voor de maandelijkse architectuurcompetities die een onderdeel vormden
36
M&L
fifèttrtfnttl
Theatre Mont Parnasse te Parijs naar ontwerp van architect Jinjambe, aanzicht, doorsnede en grondplan (Normand fils, Paris moderne ou choix de maisons. Vol. II, pi. 96-97) (foto L. De Clercq)
/•rrrrfrSi»*//-
van het onderricht verstrekt aan de Ecole Spéciale d'Architecture. Tijdens zijn nagenoeg gelijktijdige opleiding (1809-1813) met Suys zou Roelandt zich ten andere, als voorbereiding op deze maandelijkse ontwerpproeven, in detail bezig houden met een reeks villa-ontwerpen en ontwerpen voor onregelmatige terreinen uit Serlio's zevende boek gewijd aan de private architectuur (27).
K^MfcMto^M
Deze specifieke vorming om onregelmatige en beperkte bouwpercelen toch optimaal te benutten, werd steeds tot één van de hooggewaardeerde kwaliteiten van Roelandt gerekend. Deze vaardigheid komt bijzonder goed tot uiting in de Truiense Academiezaal. Waar zijn voorontwerp nog blijk geeft van bepaalde tegenstellingen in de distributie, die vooral het gevolg zijn van het ondanks het reeds amfitheatrisch geordend concept van de auditiezaal toch nog toepassen van een in lengterichting ontwikkeld gebouw, zal hij met de introductie van de achthoekige centraalbouw als kern voor zijn project tot de ultieme oplossing komen voor het ingewikkelde programma. Bij de aanwending van een octogoon met concentrisch amfitheater op gradinen, knoopt Roelandt in zekere mate aan bij de ook in onze gewesten bestaande traditie van anatomische theaters, zoals er te Leuven een exemplaar bewaard bleef uit 1744(28).
r,.,„.,i, .,„A
/j. WA,/,* iï •
/••„•lm.
/*,yrrf/, „„tt/.i
Een andere in Engeland onstane en tevens in Nederland voorkomende octogonale theatervorm, is het zgn. Elisabethaanse "Playhouse", waarvan het door Prins Maurits in 1620 gebouwde Speelhuis bij Breda, dat in 1824 werd vernield, een merkwaardig voorbeeld blijkt te zijn (29). Natuurlijk bestond er in de neoklassieke stroming een meer algemene belangstelling naar de meest compacte, doelmatige plattegrond en beschouwde men de cirkel en vervolgens het vierkant en dan pas de rechthoek als ideale grondvormen (30). Daarnaast hadden zowel de antieke theaters, zoals dat van Herculaneum, dat werd opgetekend door PA. Paris in 1783, als de op de antieke voorbeelden gebaseerde renaissance-theaters waarvan het Teatro Olimpico (1580-84) door Andrea Palladio en V. Scamozzi het meest belangrijke vormde, een diepgaande invloed (31). Het meest vernieuwende gebouw dat in dit verband kan worden genoemd was het antiquiserende theater dat Claude Nicolas
M&L
37
Ledoux construeerde te BesaiKjon (1775) (32). Ook de academische auditoria werden trouwens - en daarvan is de Ecole de Chirurgie te Parijs door J. Gondoin (1769-1775) het meest sprekende voorbeeld - beïnvloed door deze antiquiserende aanpak. Roelandt zelf zou zowel in zijn studieperiode (projet pour une salie de concert, 1810) als voor de aula in zijn ontwerp voor een Keizerlijke Universiteit (projetpour l'université impériale, mei 1811) rechtstreeks aansluiting zoeken bij deze ondertussen door de ontwerpmethode van Durand beïnvloede antiquiserende stijl (33). Deze projecten vormen uiteindelijk directe voorlopers van de Aula Academica die Roelandt voor de nieuwe Gentse Universiteit ontwierp (34). Wat de aanwending van de achthoekige centraalbouw als auditorium betreft is het duidelijk dat vooral de Panorama- en de Circusgebouwen in de eerste helft van de 19de eeuw de belangrijkste categorie vormen. Eén der vertegenwoordigers van deze beide categorieën was Jacques-Ignace Hittorf (1792-1862) die trouwens als één der toonaangevende interpreten van de antieke cultuur in de 19de eeuw kan worden genoemd (35).
Het "speelhuis" van Prins Maurits uit 1620, gelegen bij Breda, Is een voorbeeld van de octogonale theatervorm. (KuyperW,, The Triumphant entry. Vol. I, p. 323)
Roelandt zelf experimenteerde in zijn studieschetsen met een achthoekig ommuurd auditorium dat voorafgegaan werd door een koer en voorzien was van concentrisch opgestelde banken (36). Ook zijn inmiddels verdwenen Casino dat hij in 1835 ontwierp voor de Koninklijke Maatschappij voor Land- en Kruidkunde te Gent vertoonde een achthoekig middenvolume dat in de gevel benadrukt werd door een monumentaal peristilium.
Een merkwaardige rechtstreekse voorganger voor zijn definitief project voor de Academiezaal, die Roelandt ongetwijfeld heeft gekend aangezien het verscheen in Normands Paris Moderne ou choix des maisons construites dans les nouveaux quartiers de la capitale et dans ses environs, wordt gevormd door het Theatre Mont Parnasse dat in 1815 ontworpen werd door architect Jinjambe (37). Hier vinden we niet enkel een circulair auditorium dat zich over drie niveaus ontwikkelde binnen een achthoekige kern en een daarop aangesloten kleine scènebeuk, doch eveneens een rondgang, vestibules en trappenhuizen die op een bijzonder ingenieuze wijze het zeer onregelmatige driehoekige perceel aan de rue Montparnasse vulde. Het is duidelijk een inspiratiebron zowel voor de achthoekige kern als voor de distributie van een dergelijk programma op een zeer onregelmatig perceel. Alhoewel Roelandts definitief project voor de Academiezaal te Sint-Truiden, en dat bewijst voldoende de studie van het voorontwerp, het product kan worden genoemd van een interne ontwerplogica waarin Roelandt zich terdege liet leiden door zijn bij zijn vorming horende ontwerpstrategieën, kan men toch wel stellen dat hij zich bij zijn definitieve keuze tevens liet inspireren door een aantal recent ontwikkelde prototypes die significant waren in zijn architectuur-historische context. De specifieke experimenten met amfitheatrische concepten uit deze periode zouden nog lange tijd hun weerklank vinden, zelfs bijvoorbeeld bij figuren als Henry Van de Velde, en dit in de context van de modernistische theaterontwikkeling uit het begin van deze eeuw (38). EINDNOTEN (1)
Het ontwerp van Roelandt voor het seminarie-complex dateert van 16 december 1839 en is bewaard in het Bisschoppelijk Archiefvan Luik, Fonds Modernes, Fonds van Bommel, nr. 175. (2) Het valt in deze context te vermelden dat L. Roelandt blijkbaar een gedetailleerde opmetingstekening maakt van dit barokportaal. Zie Universiteitsbibliotheek Gent, Kabinet kaarten en plannen. Fonds Roelandt, bundel Sint-Truiden. Plan vooraanzicht barokportaal. potlood op papier, met schaalaanduiding. (3) DE DIJN C.G.. De betekenis van Luigi Vanvitelli's "Planimetria Generale della Reggia e Parco di Caserta" voor het ideale bouwschema van Laurent Benoit Dewez (1731-1812) voor abdijen in de Oostenrijkse nederlanden en het Prinsdom Luik, in Annalen, 43e congres van de Federatie van kringen voor Oudheidkunde en Geschiedenis van België. Sint-Niklaas. 1975, p. 261-267. (4) COOLEN L., De bouwhistorische studie als een cultuurhistorische verkenning van de abdijsite intern en in relatie tot de stad Sint-Truiden,]). 117. (5) L. Roelandt werkte eveneens in opdracht van de kerkfabriek van de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Sint-Truiden waarvoor hij onder meer de plannen voor de kerktoren opmaakte. Wellicht realiseerde hij ook de dekenij links van de Academiezaal.
M&L
(6)
(7) (X)
(9)
(10) (11)
(12) (13)
(14)
(15)
(16)
(17)
(18)
(19)
(20)
(21) (22) (2.3)
(24)
Universiteitsbibliotheek Gent. Kabinet kaarten en plannen. Fonds Roelandt. bundel Sint-Truiden. Kalk \an 64 \ 50 cm, 7 aanziehten. schaal 1/200. COOLENL.,op.«/.,p. 118. Provinciaal archief- en documentatiecentrum van de provincie Limburg. Fonds Petit-Séminaire de Saint-Trond. Salli' académique pour Ie petit Séminaire de Saint-Trond, Plannen op twee \ellen papier (55 x 70 cm), gesigneerd: "Fait et dressépar Ie sousignéarchitecte. Candle 1H- 7bre - 1845. L Roelandt" Het reliëf van de poësis, dat boven de scène werd aangebracht is onderaan, op het open geslagen boek voor/ien van een originele inscriptie en enkele latere met potlood aangebrachte signaturen. De moeilijk leesbare naam (SmAei?) wordt gevolgd door Gand 1847. ROOSE V.. Séminaire episcopal du diocese de Liège, prospectus. s.L I860. Deze zichtbare toepassing van constructieve metalen onderdelen in een prestigieuze ruimte kan tot de vroegste toepassingen in het oeuvre van Roelandt worden gerekend. Sinds 1845 experimenteerde hij steeds meer met zichtbare ijzerstructuren. Roelandt past achtereenvolgens zichtbare metalen onderdelen toe in het Koninklijk Stapelhuis te Gent doch toonde zich pas helemaal protagonist van dergelijke toepassingen in zijn ontwerp uit 1848-1853 voor de Sint-Annakerk te Gent waar hij gietijzeren rondboogspanten voorzag. Zie hiervoor BAELE J. en DF HFRDT R.. Vrij gedacht in ijzer, een essay over de architectuur in het industriële tijdperk 1779-1913. Gent. 1984. s.p. JANSE H., Houten kappen in Nederland. 1000-1940. Delft. 1989. p. 300-303. Leo von Klenze( 1784-1864). een bekende generatiegenoot van Roelandt (1786-1864). die te Parijs aan de Ecole Polytechnique bij J.N.L. Durand studeerde, paste onder meer een vierdelig hangschoorspant toe bij de overdekking van zijn NationalTheater te München. Roelandt zelf paste een dergelijk hangschoorspant toe in zijn Opera-gebouw te Gent (1837-1840). zie hiervoor DECLERCQ L.. in De Opera van Cent. Het Grand Theatre van Roclandl. Philastre en Cambon, Tielt. 1993. p. 195. Bij het bouwhistorisch onderzoek, uitgevoerd in de winter van 1990. werden door middel van sonderingen duidelijk sporen teruggevonden van een aantal van de ondertussen gesupprimeerde doorgangen die met deze toegangen correspondeerden. Dit rechts van de scène opgestelde orkest had weliswaar een beperkte omvang (circa 15 nr ). doch toont aan dat de zaal niet enkel als declamatiezaal werd opgevat. Alhoewel deze monumentale trapverbinding door de introductie van een orkestbak (1927-1932) teloorging, staat er op deze plaats op het opmetingsplan van P. Ogst. Bruxelles IS juin 192.1 een steektrap aangeduid, zie MARTENS J. en andere. F.cn globale studie van een samenhangend henvaarderingsvoorstel van de Sint-Trudoahdij. onuitgegeven studie. 1986. Copies nrs. D en E. Deze basisregel wordt trouwens uitdrukkelijk weergegeven in de instructies voor de bouw van auditoria zie bijvoorbeeld CLOQUET L. Traite d'Architecture. Paris & Liège. 1900. tome quatrième. p. 230, Voorde geschiedenis van de Carton Pierre in onze gewesten zie: DE CLERCQ L.. Karakteristieken van de stofferingen, in De Opera van Gent. het Grand Theatre van Roelandt. Philastre en Camhon.Tkh. 1933. p. 196. DAMBRE-VAN TYGHEM F.. Het Genootschap Li Concorde en liaar afgebroken Verenigingsgebouw te Gent. in Gentse bijdragen tot de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. XXH. 19691972. p. 56. HALL 1. Hall's Iconografisch Handboek. Onderwerpen, symbolen en motieven in de beeldende kunst. Leiden. 1993. p. 130-131. MASERE..C./eipfl/co«o/ogia,NewYork, 1971. p. 187. Association des Anciens Elèves du séminaire de Saint-Trond. Chronique. Saint-Trond. 1902. p. 7. De eerste film in de zaal met als titel De Geboorte van de Zaligmaker wenl vertoond in 1929. Verslag oud-studentenverenigins. s.L 1929-1932. p. 9. SUYS T.F. en HAUDEBOURT L.P.. Palais Massimi d Rome. Paris. 1818.
(25) HERMANN W.. In what style should we build? The German debate on Architectural Style. Santa Monica. 1992. p. 47-50. (26) Concours d'Emulation met als thema "Li distribution d'un terrain irregulier", zie hien oor PINON P.. Architeklonische Kompositon unddas Gebot der Regelmassigkeit von Peru::! his Franque. in Daidalos. 15. 1985. p. 57-70 en tevens PINON P.. L'Education Artistique de Tilman-Frangois Suys. in Academie de Bruxelles. deux siecles d'architecture. Brussel. 1989. p. 153-155. (27) VAN DE VIJVER D.. Louis Roelandt. Studietijd in Parijs, in De Opera van Gent. Het 'Grand Theatre' van Roelandt. Philastre en Cambon. Tielt. 1993. p. 35. (28) Deze theaters gaan terug op het 16de-eeuwse prototype van de universiteit van Padua. In de Nederlanden is dat van Leiden blijkbaar het oudste voorbeeld zie: LUNS1NGH SCHEURLEER TH. L.. Um amphithéütre d'Anatomie Moralisée in Leiden University in the Seventeenth Century. An Exchange of Learning, Leiden. 1975. p. 1-16. Voor het Leuvense amfitheater zie: VAN EVEN E.. Louvain dans Ie passé et dans Ie présent. Leuven. 1895. p. 579. (29) KUYPER W.. The Iriumpluml entry of Renaissance Architecture into the Netherlands. Alphen aan de Rijn. 1994. Vol. I. p. 323. (30) We citeren hier vrij willekeurig uit een typische Durant-adept: "De oppervlakte van een gebouw gegeven zijnde, zal hetzelfve des te minder kostbaar zijn. naarmate het den grootsten inhoud onder den minsten omtrek z.al bevatten: na den cirkel is het vierkant, en na dit het parallellogram, de figuur welke het beste aan dit vereischte voldoet: deze moeten alzoo steeds hij voorkeur daartoe gebezigd worden", uit BRADE W.C.. Theoretisch en praktisch bouwkundig handboek, ten dienste van ingenieurs, architecten, opzigters. timmerlieden, metselaars en verdere bouwkundigen, derde deel. 's Gravenhage. 1842. p. 32 (31) NIZET F.. Le voyage d'ltalie et l'Architecture Européene f/675-/S25;. Brussel-Rome. 1988. p. 132-133. (32) Zie in dit verband het hoofdstuk: 1763-1789. L'Architecture publique a l'antique. in PÉROUSE DE MONTCLOS J.M.. Histoire de l'Architecture Frangaise. De la Renaissance d la Revolution. Paris 1989. p. 407-434. (33) VAN DE VIJVER D.. Op. cd., p. 39-41. (34) BAILL1EUL B.. Louis Roelandt (1786-1864). Architecturaal oeuvre te Gent. in De Opera van Gent. Het 'Grand Theatre' van Roelandt. Philastre en Cambon. Tielt. 1993. p. 41-42. (35) H1TTORF J.I.. Description de la rotonde des panorama's élévée dans les Chainps-Elysées. Précédée d'une apercue historique sur I'origine des panorama 's et les principales constructions auxquelles ds ont donné lieu, in Revue générale d'architecture et travauxpubliques. tome 2. Paris. 1841. p. 500-561. (36) Universiteitsbibliotheek Gent. Kabinet kaarten en plannen. Fonds Roelandt. ongedateerd ontwerp waarvan enkel de plattegrond is weergegeven. (37) NORMAND F1LS. Paris moderne ou choix de maisons construites dans les nouveaux quartiers de la capitale et dans ses environs, levées et dessinées par Normand fds. deuxième partie. Liège. Avanzo et cie.. s.d. pi. 96 en 97. Dit werk maakt deel uit van een reeks van vier delen waarvan het laatste volgens X. De Theux de Montjardin verscheen in 1853. Zie: CHEV. DE THEUX DE MONTJARDIN. Bibliographie Liégoisc. Deuxième edition. Bruges. 1885. kolom 1036-1037. De originele Parijse druk van dit zeer invloedrijke werk verscheen in de periode 1837-1849. Volgens N. Wild functioneerde dit theater een tijdlang als VAUXHALL D'HIVER. zie: WILD N.. Decor et costumes du XlXe siècle. Paris. 1993, Tome II. Theatres et decorateurs, p. 239. (38) VAN DE VELDE H.. Le Theatre de l'exposition du "Werkhund" d Cologne 1914 et La Scène Tripartite. Antwerpen. 1925. p. 5. paragraaf: la salie en amphitheatre. Van de Velde vermeldt Gottfried Semper als zijnde de auteur die rond 1850 deze auditoriumbehandeling opnieuw invoerde.
Lode De Clercq is bouwhistoricus. Herman Van Meer is architect. Jos Gyselinck is inspecteur bij de Afdeling Monumenten en Landschappen.
M&L
39
DE MEANDER VAN VORSDONK EN DE TURFPUTTEN TE GELRODE (AARSCHOT) - EEN HISTORISCHE EN ECOLOGISCHE VERKENNING LUC VERVOORT EN ROGER DENEEF
IJzerrijke kwelstromingen in de Turfputten (foto 0. Pauwels)
Op 29 oktober 1811 wordt burgemees-
"tot nog toe een zeer goede
ter Smidts van Gelrode door de sous-
geven en geen verbetering nodig heb-
préfect van het Dijledepartement voor
ben". Daarenboven zijn er nog 18 hec-
het arrondissement Leuven geatten-
tare die meestal onder water staan en
deerd op het feit dat er in zijn
waarvan de helft, gezien de lage lig-
gemeente 50 a 60 hectare moeras
ging, onmogelijk kan drooggelegd
voorkomen die voor drooglegging in
worden. Om de andere helft droog te
aanmerking komen ("du dessèche-
krijgen zou men de grachten en de
ment auquel il serait interessant de
Laak tot onder de brugfunderingen
s'occuper").
moeten uitdiepen, besluit de burge-
In het antwoord enkele
opbrengst
weken later - het metrieke stelsel voelt
meester (1). Wist hij toen al meer over
nog onwennig aan want er wordt veilig-
andere plannen met het gebied? Feit is
heidshalve aan herinnerd dat een
dat dezelfde burgemeester zich een
hectare "meerder als drij
half jaar later aandient als eerste
dagmaelen"
is - wordt gesteld dat er in Gelrode
gegadigde om nog veel betere op-
ongeveer 50 hectare weiland en bos
brengsten binnen te halen, eenmalige
voorkomen op natte bodems met
weliswaar... Hierover later.
exploiteerbare turflagen, maar die
40
M&L
Al wordt het niet met name genoemd, over de identiteit van het gebied waarvan sprake bestaat niet de minste twijfel. Het noordwestelijke gedeelte van Gelrode - nu een deelgemeente van Aarschot bestaat uit een grote, lobvormige uitstulping van de Demervallei, die bodemkundig en hydrologisch fel contrasteert met de rest van het grondgebied.
EEN LAATGLACIALE MEANDER Langs de benedenlopen van Dij Ie en Demer komen op regelmatige afstanden bochtige stroken nat, vaak venig, alluvium voor, die met min of meer zekerheid te interpreteren zijn als de relicten van grote, ingesneden meanders. Zij zijn qua afmetingen en straal duidelijk te onderscheiden van de talrijke "hoefijzers" of vrije meanders, die in een recent verleden - tijdens de laatste 300 jaar - van de Demer en Dijle werden afgesneden omwille van de scheepvaart of in het kader van waterbeheersingswerken. Aanvankelijk (2) werden ze beschouwd als getijdenmeanders, die in het Atlanticum (5500-3000 vóór Christus) werden gevormd, toen door het hoge zeepeil ook de meer landinwaarts gelegen gedeelten van de Vlaamse Vallei de getijdenwerking ondergingen. Vooral op basis van pollenonderzoek kwam men echter tot de overtuiging dat de grote fossiele meanders ten westen van Werchter (de Putten van Fonteyn en de Blaasberg te Tremelo, de Broekelei te Keerbergen, het Cassenbroek te Bonheiden) van laatglaciale ouderdom zijn, meer bepaald het Jongere Dryas (circa 9000 - 8500 vóór Christus) (3). De topografie, het microreliëf en de bodemgesteldheid van het gebied Vorsdonk-Turfputten laten er weinig twijfel over bestaan dat het eveneens om een fossiele meander gaat. Alhoewel de straal ervan groter is dan deze van de laatglaciale meanders ten westen van Werchter, mag worden aangenomen dat hij tot dezelfde reeks behoort. De meander van Vorsdonk-Turfputten onderscheidt zich bovendien ook door de talrijke, min of meer gestroomlijnde, zandige opduikingen {"donken"), die in het noorden van de meander de Lange Heuvel vormen en meer zuidelijk, het duinachtige massief waarop Vorsdonkbos gesitueerd is. De meer westelijke meanders hebben meestal slechts één duidelijke kern (of geen zoals in de meander van de Blaasberg te TremeloNinde). Deze donken zijn in de eerste plaats relicten van de pleistocene, zandige valleibodem, die tijdens het laatglaciaal door de vlechtende rivier werd versneden. Gedeeltelijk zijn het ook zandige ophopingen die toen uit de vaak droogvallende stroom-
beddingen in de meander werden opgewaaid. Door latere alluviale afzettingen werden deze zandbanken min of meer afgedekt en zijn het enkel de hoogste delen die in het huidige reliëf nog als donken zichtbaar zijn. Uit hun verspreiding kan tot op zekere hoogte worden afgeleid hoe het laatglaciale stroomstelsel verliep. Het gebied Vorsdonk-Turfputten ligt ongeveer 11 m boven de zeespiegel; de hoogste donken overschrijden de 15 m. De donken en, vooral, de omgevende terrasgronden (het niet versneden gedeelte van de oudere rivierbedding) hebben tijdens de prehistorie een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op de mens. Nabij de hoeve van Nieuwland, in het noordoosten van het gebied, werd een oud-paleolithische (Acheuléen) vuistbijl gevonden (4). In vergelijking met de rest van de Demervallei zouden de vondsten van steentijdmateriaal opmerkelijk talrijk zijn in en rond Vorsdonkbos (5).
M&L
41
De fossiele meander van Vorsdonk-Turfputten in 1990 op othofotoplan 24/7/1 (Eurosense,1991) A: Kasteel van Rivieren B: Kasteel Nieuwland C: Pachthof Nieuwland D: Westrand industrieterrein Aarschot E: Zallaken F: Vorsdonkbos G: Eikelberg H: kerk van Gelrode
A N
500
I lOOOm
Geologische doorsnede Begijnendijk-Holsbeek D/formatie van Diest - DiDe homogeen, glauconiet- en glimmerrijk fijn zand - 6m formatie van boom (klei) - S/Be formatie van Bilzen, lid van Berg - Si formatie van Sint-Huibrechts-Hern - MaAs-L/rklei van Asse - Br,W formatie van Brussel en/of formatie van Lede - Ko formatie van Kortrijk (kleiig-siltig) Bron: Geologische kaart van België - Vlaams Gewest, kaartblad 24,1993, profiel 3)
De meander van Vorsdonk-Turfputten bestaat volgens de bodemkaart voor één derde uit moerassig laagveen (V) en voor de rest uit natte alluviale kleigronden {Eep, Efp) en zandige. duinachtige verhevenheden {tbf, Zcf, Sbf, Scf...). Het complex van veengronden is qua oppervlakte het meest uitgestrekte van de Demervallei en evenaart het Dunbergbroek (Holsbeek) en het Walenbos (Tielt-Winge) (6). De dikte van het laagveen - dat vooral tijdens het Atlanticum (circa 6000 tot 3000 vóór Christus) werd gevormd - en van de kleibodems varieert zeer sterk volgens het onderliggende patroon van geulen en donken. Dagzomende veenbodems vormen één grote, ellipsvormige oppervlakte in het zuidoosten van de meander, aan de voet van een circa 50 m hoge, uit Diestiaan zand opgebouwde heuvel, de Eikelberg. Door onderspoeling ontstond hier een echte stootoever en een zeer steile helling met een snel verlopende gradiënt vanuit het veen tot de kruin van de heuvel. In de andere delen van het gebied vermoedelijk daar waar de kwelstromingen niet sterk genoeg waren om de veenvorming ook na het Atlanticum aan gang te houden - is de turflaag afgedekt door alluviale klei. Het zandige terras dat het westelijke gedeelte van de meander omsluit en waarin een tweede, kleinere fossiele meander gelegen is, De Vijvers te Rotselaar (7), is - zoals sommige donken in de meander - een relict van de valleibodem tijdens de laatste ijstijd. De stootoever van de meander bereikt hier op bepaalde plaatsen een hoogte van 4 m. De ontwatering van het gebied vindt plaats via sterk vertakte slotenstelsels die aansluiten op een aantal leigrachten, waarvan de Moutlaak de belangrijkste is. Recente waterbeheersingswerken aan de Demer zijn er de oorzaak van dat de vroegere, regelmatig optredende overstromingen nog maar zelden plaatsvinden. De complexe grondwaterhuishouding, die gekenmerkt wordt door talrijke overgangssituaties, staat in nauwe relatie tot het reliëf, de bodemgesteldheid en vooral de geologische structuur. De sterke kwel- en bronactiviteit in het gebied wordt niet alleen gevoed vanuit de Eikelberg en het brede ijzerrijke Diestiaan massief tussen Gelrode en de Wingevallei, maar ook vanuit het kalkhoudende Brusseliaan, dat pas 12 km zuidelijker (vanaf de Velpevallei)
De stootoever van de fossiele meander die de zuidelijke grens vormt van het gebied (foto 0. Pauwels)
M&L
43
dagzoomt. Hetgeen de recente geologische kaart laat vermoeden, wordt ook aangetoond door onlangs uitgevoerde grondwateranalyses (8). Een dergelijke situatie doet zich ook in andere delen van het Hageland voor (9). De roodbruine kleur van het kwelwater is een gevolg van het hoge ijzergehalte. Het patroon van kwelstromingen en de daaruit volgende gradiënten in de waterkwaliteit (regenwater, oppervlaktewater, grondwater afkomstig van verschillende diepten) is in hoge mate medebepalend voor de grote landschappelijke en biologische variatie. Het is wellicht ook de Achillespees, zoals mag blijken uit een van de profielen bij de recente geologische kaart (10). De Asse kleilagen {MaAs-Ur) die vanuit het zuiden deze stromingen aanvoeren worden onderbroken door de diepe Diestiaan zandgeul onder
de huidige Demervaliei. Het Diestiaan zand staat hier dus in directe verbinding met het BrusseliaanLediaan, zodat ook hieruit min of meer basisch grondwater kan worden opgestuwd tot het maaiveld. De vrijwaring van het Diestiaan massief ten zuiden van het gebied is dus van strategische betekenis. De in 1992 vergunde uitbreiding van de drinkwaterwinning op Het Rot, op de grens van Nieuwrode en Gelrode, kan deze toestand negatief beïnvloeden. Het toelatingsbesluit van 1992 voorziet in acht putten met een gemiddelde diepte van 104 m in het Brusseliaan, waaruit per dag gemiddeld 5040 m3 grondwater mag worden opgepompt. Piekdebieten tot 6720 tn3 zijn toegestaan en de opgepompte jaarlijkse hoeveelheid mag meer dan 2 miljoen m bedragen. Artikel 5 van het ministerieel toelatingsbesluit voorziet in een peilput op de rand van de Demervaliei, waar de grondwaterstand continu zal bemonsterd worden. De meetresultaten dienen maandelijks te worden overgemaakt aan de natuurbehoudsadministratie (11).
ICI ON TIRE DES TOURBES De beschrijving van het dorp Gelrode, die in 1830 de inleiding vormde tot de classificatie van de onroerende eigendommen bij de opstelling van het kadaster (12). laat niets onbesproken wat de waarde van gronden zou kunnen beïnvloeden. Alle vormen van bodembenutting worden onder de loep genomen.
44
De Turfputten in wording op de 'Caart van de meren-valey van de Demer, tusschen Mechelen en Hasse/CvanN. Jametz (1754), aangevuld door Nmaber in 1817 (het noorden onderaan)
M&L
7*^p^—-
~r,
^.Ü:^^
^_>^mr
niet in het minst de bosbouw. De hakhoutpercelen op vochtige bodems worden veruit tot de hoogste klasse gerekend: "De grond van de eerste klasse is vochtig maar vrij goed voor die beplanting; er zijn geene opgaande hoornen, het voornaamste dezer bosschen bestaat in elzenboom; zij worden om de zes jaren regelmatig gehakt". Eizenhakhout kan in Gelrode bijna uitsluitend in Vorsdonk-Turfputten gedijen.
Hetzelfde geldt voor de hooilanden, die overigens slechts een beperkt areaal innemen; hun opbrengst blijkt ruim onvoldoende om de lokale behoeften te dekken. Merkwaardig genoeg wordt in deze beschrijving met geen woord gerept over turfstekerij. Op de 'primitieve' kadasterkaart, die in de cartouche het jaartal 1822 draagt, worden nochtans een 16-tal waterpartijen van sterk uiteenlopende vorm en oppervlakte weergegeven, die zonder enige twijfel - en uiteraard is er ook het toponiem - als turfkuilen mogen beschouwd worden. Deze plassen zijn ook nog te zien in de Atlas cadastral die Popp bijna 40 jaar later zal uitgeven. Ze vormen samen een oppervlakte van bijna 9 hectare. De grootste ervan beslaat 2,5 hectare, verdeeld over vier percelen en evenveel eigenaars. In de primitieve kadastrale legger worden deze percelen, op enkele uitzonderingen na, echter niet als water, maar als moeras {"moraes") bestempeld. De omtrekken van deze plassen of kuilen zijn nog duidelijk in het huidige microreliëf en de begroeiing waarneembaar; het gaat dus in geen geval om een cartografische spielerei. Op de 18de-eeuwse kaarten daarentegen - deze van de Ferraris (1775) en vooral de grote kaart van het
M&L
Het gebied Vorsdonk-Turfputten op de oudst bekende kaart van de Demervallei(1598) met, duidelijk herkenbaar, de Moutlaak, het kasteel van Rivieren en de Hagelandse heuvelrijen ten zuiden van de Demer.
45
hertogdom Aarschot door J.B. Joris (13) (eveneens van 1775 en overigens veel betrouwbaarder dan Ferraris) - valt voor Gelrode niets te bespeuren dat ook maar in de verste verte als turfwinning kan geïnterpreteerd worden, terwijl, binnen een straal van enkele kilometers, de Putten van Begijnendijk (op de kaart van Joris) of de Langendonken te Herselt en de Putten van Fonteyn te Tremelo wel als dusdanig herkenbaar zijn. De vermelding "ici on tire des tourbes" naast het "bois spongieux" in het oostelijke gedeelte van de meander op een in 1817 bijgewerkte, 18de-eeuwse kaart van de Demervallei (14) kan een hint zijn met betrekking tot het tijdstip waarop deze putten ontstonden.
Cisterciënzerinnenabdij van Vrouwenpark te Rotselaar, het begijnhof (16) en het Augustinessenklooster van de Sint-Niklaasberg te Aarschot. Een aantal van deze instellingen waren al zeven jaar eerder opgedoekt; deze kolom werd dus vermoedelijk gedeeltelijk gebruikt om ook vroegere eigenaars aan te
VAN DE KERK Op een kadastraal verzamelplan van de gemeente Gelrode, dat waarschijnlijk even oud is als de primitieve kadasterkaart, worden de putten in lichtblauw en met stippellijn omrand weergegeven. Bovendien wordt het gebied Vorsdonk-Turfputten globaal als "van de Kerk" aangeduid. Vreemd, want de percelen die op dat ogenblik strikt genomen als des kerks konden beschouwd worden - de kerkfabrieken van Wezemaal, Betekom, Gelrode, Sint-Jacob Leuven en vooral onze-Lieve-Vrouw van Aarschot - vertegenwoordigen een oppervlakte van hoop en al 5,5 hectare. De kerk in haar diverse geledingen speelt als eigenaar geen rol van betekenis meer. De aanduiding is bijgevolg een relict uit een vroegere periode. In een register van de grondbelastingen uit 1804 (15) worden, onder artikel 98, een 40-tal percelen opgesomd - vooral beemd en bos, spijtig genoeg zonder situering of opgave van oppervlakte - die eigendom zijn van de Franse Republiek. Onder de kolom "huurders" worden diverse kerkelijke instellingen opgesomd: naast de kapel van Gelrode en de kerken van Betekom, Rotselaar, Wezemaal en Aarschot, zijn er ook nog de Sint-Geertruiabdij van Leuven, de
duiden. Nog andere documenten, niet in het minst het "besognier" van Adrien Carpentier van 1597 (17), getuigen van de nadrukkelijke aanwezigheid van kerkelijke instanties als eigenaar, inner van renten en tiendenheffer in Gelrode, het gebied Vorsdonk-Turfputten in het bijzonder, vooral de abdijen van Sint-Geertrui te Leuven en van Vrouwenpark te Rotselaar. Ten slotte wijst ook de oude toponymie (Sint-Geertruibemd, Sint-Geertruiden Bosche) in die richting. Naast de reeds genoemde kerkelijke eigenaars, waarvan het belang door de Revolutie tot een onbeduidend minimum was herleid, en een aantal verspreide, kleine, percelen die toebehoorden aan plaatselijke landbouwers, meestal uit Gelrode zelf, in enkele gevallen uit Betekom of Aarschot, was er het grootgrondbezit.
DE HEERLIJKHEID VAN RIVIEREN
Vorsdonk-Turfputten en de Eikelberg in de 'Atlas cadastral de Belgique' van P.C. Popp (toestand tussen 1861 en 1865) De turfkuilen worden nog steeds weergegeven zoals op de primitieve' kadasterkaart (1822). De oorspronkelijke structuur van de feodale site is nog steeds, maar voor niet lang meer, herkenbaar. In 1866 zal het kasteel worden afgebroken en enkele jaren later zal enkele 50 m verderop een nieuwe, eclectische villa worden gebouwd. De meanderafsnijdingen bij het kasteel werden uitgevoerd in 1860. De spoorweg Leuven-Aarschot zal in 1865 worden aangelegd aan de zuidrand van het gebied, evenwijdig met de steenweg Leuven-Aarschot,
Toen Francois Tahon de la Motte (18) op 24 thermidor van het jaar XI (1803) in het huwelijk trad met Aimée Dirix de Bretel, nicht en enige erfgenaam van de laatste feodale heer van Rivieren (19), werd hij niet alleen de grootste grondeigenaar van Gelrode - minstens één achtste van het dorp (83 van de 688 hectare), maar ook titularis van een aantal rechten, die kunnen beschouwd worden als relicten van de vroegere heerlijke rechten: het visrecht en de "passagie" op de Demer. Zijn eigendommen besloegen.
op enkele enclaves na, bijna de ganse westelijke helft van de meanderlob en waren dus grotendeels gesitueerd buiten de zone waar veen dagzoomt. Het kasteel van Rivieren gaat terug tot een strategisch belangrijk feodaal slot, zetel van de heerlijkheid van Rivieren, voor het eerst vermeld in 1197 (20). In de albums van hertog Karel van Croy (21) op het einde van de 16de eeuw wordt een gebouwencomplex afgebeeld, dat omgeven wordt door een cirkelvormige slotgracht. Hoofdelement is een vierkante, ijzerzandstenen slottoren, volledig door water omgeven en alleen bereikbaar via een houten brugje vanuit het neerhof. Dit beeld behoorde al sinds 1764 tot het verleden (22). Het kasteel is "op zijn nieuwe bouwtrant gebouwd", zoals de inspecteur van het kadaster (nog) in 1830 opmerkt, en er is "ook eene buitenplaats in bouwing ". Van het complex dat gesuggereerd wordt op de primitieve kadasterkaart (anno 1822) is ons geen afbeelding bekend, maar de oorspronkelijke structuur blijkt nog duidelijk bewaard: de cirkelvormige slotgracht, mogelijk zelfs de donjon - weliswaar 'drooggelegd' - en een gedeelte van de hoevegebouwen. Aan de overkant van de Rivierendreef is een nieuw, langgerekt gebouw verschenen, mogelijk de "buitenplaats" waarvan sprake is in bovengenoemd verslag. In 1830 is het kasteel, blijkens het verslag van de ambtenaar van het kadaster, onbewoond en het "zoude in de zomer eene aangename verblijfplaats opleveren indien het onderhouden was". In 1866 zal het tot op de grond worden afgebroken en door Oscar van den Eynde (volksvertegenwoordiger, provincieraadslid, burgemeester van Gelrode en vanaf 1929 ook baron en de Rivieren (23)) die in 1877 eigenaar wordt (24), vervangen worden door een eclectisch landhuis, 50 m verderop in oostelijke richting. Tegelijkertijd wordt ten westen van het kasteel, over de in 1860 uitgevoerde meandercoupure, een nieuwe brug over de Demer gebouwd en de straat van Betekom naar Gelrode, op de Popp-kaart nog Rivieren Dreef, in die richting verlegd. De ruime omgeving van het kasteel ondergaat eveneens een face-lift. Het Vorsdonkbos wordt via een kronkelig drevenpatroon organisch met de onmiddellijke omgeving van het nieuwe kasteel verbonden. Aan de hand van een luchtfoto uit 1928 (25) kan men zich een idee vormen hoe dit parklandschap er uitzag vóór het werd verdoezeld door populierenaanplantingen en allerlei houtopslag: een open beemdgebied met verspreide bosjes of bomengroepen, die in regel gesitueerd zijn op de donken. Als hier van Engelse landschapsstijl kan gesproken worden, dan behoort dit niet tot de meest spectaculaire voorbeelden uit de regio...
M&L
47
OVERNAMES
Een staalkaart van het gebied: verlandende turfput, orchideeënrijk grasland en elzenbroek; op de achtergrond de Eikelberg (foto 0. Pauwels)
Een tweede belangrijk grondbezit, dat in het begin van de 19de eeuw een groot gedeelte van het gebied tussen de Moutlaak en de Demer besloeg en waarvan de buitenplaats Nieuwland de kern vormde, stond op naam van een andere baron, Francois Joseph de Loen d'Enschede, voormalig kapitein in het Oostenrijkse leger, burgemeester van Andenne, inspecteur "waters en bossen" in diverse provincies tijdens het Nederlandse bewind, kamerheer van Willem I en ook heer van Roosbeek (26). Het kasteel van Nieuwland is gelegen aan het oostelijke uiteinde van de grote, langwerpige donk waarop ook Rivieren ligt en die op sommige kaarten de Lange Heuvel wordt genoemd. Het duikt pas op in de kadasterkaart van 1822. De naam De Loen d'Enschede komt niet voor in het reeds genoemde register van grondbelastingen
:f:^':^
van 1804. Uit een figuratieve kaart van 1724, waarop de bezittingen worden afgebeeld van de Cisterciënzerinnenabdij van Rotselaar (27), blijkt dat - een revolutie later - de 43 hectare familiebezit van de Loen d'Enschede hier tot in de kleinste details mee overeenstemt. Ook de adel, zelfs een oude en eerbiedwaardige - 'den Habsburger verknochte' familie (28), was dus niet vies van 'zwart goed'. De hoeve van Nieuwland vormde de kern van het oude abdijbezit, maar 600 m westwaarts liet de nieuwe eigenaar in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn nieuw kasteel, een sober classicitisch gebouw, optrekken. De parkaanleg errond blijft zeer beperkt, ook na de verbouwing-uitbreiding in 1846. De percelen "lustgroen" en "lustvijver" (een plas die ook al in 1724 bestond) beslaan samen met het kasteel nog geen 2,5 hectare. Na de dood van de Loen
M&L
d'Enschede in 1844, zal het domein door vererving en verkoop uit elkaar vallen. Het kasteel en het park worden eigendom van Johannes Vanbergen, een Aarschotse brouwer. De romantische heraankleding van het parkje, de boogbrug inbegrepen, werd - blijkens de mutatieschetsen van het kadaster - uitgevoerd rond 1890. De dendrologische waarde van de huidige beplantingen is - en dit geldt ook voor het park van Rivieren - eerder beperkt, op enkele exemplaren na, met name een oude Zuileik (Quercus robur cv. Fastigiata) en een bijzonder zeldzame Noordamerikaanse eikensoort, Quercus alba. Een groep van eigenaars die in het begin van de 19de eeuw, vrij talrijk was en van groot belang voor de verdere evolutie van het gebied, bestond uit vrije beroepen, neringdoenden, kleine en grotere industriëlen uit Aarschot en - vooral - Leuven. Deze eigendommen bevonden zich hoofdzakelijk in het zuidelijke gedeelte van de meanderlob, waar een dikke, aaneengesloten, dagzomende veenlaag voorkomt. Het ging om winkeliers, kooplieden, notarissen, apothekers, brouwers en vooral renteniers - om de termen van de primitieve legger te gebruiken. Enkele namen van vooraanstaande Leuvense families (29) trekken de aandacht: God(t)seels, Gautier, Vandenschrieck, De Neef (in diverse schrijfwijzen) en, vooral, de Huttebize. De de Huttebizes waarvan sprake ("Guillelmus en zusters") worden in de primitieve legger omschreven als renteniers uit Betekom, maar uit oudere stukken blijkt dat het gaat om erfgenamen van iemand, die in een grimmiger tijdsgewricht als notoir collaborateur zou gebrandmerkt zijn: Nicolas-Antoine de Huttebize senior (1737-1807), tegelijkertijd of achtereenvolgens lid van de Leuvense kamer van koophandel, van het 'Franse' stadsbestuur, van de 'Franse' Godshuizencommissie en van het Liefdadigheidsbureau en van het bureau voor het beheer van de goederen van de afgeschafte universiteit, leerlooier van beroep. De Huttebize had zich in 1795 onder meer verdienstelijk gemaakt door aan de Franse Republiek voor 250 000 ponden schoenen te leveren (30) en bouwde voor zichzelf het empire-huis Mechelsestraat 66 te Leuven, dat in 1944 als monument werd beschermd. Alleszins iemand die niet gehinderd werd door xenofobie of bijgelovige scrupules die gangbare en die zich derhalve weinig stoorde aan de gangbare schroom ten opzichte van voormalig kerkelijk goed. Als leerlooier had hij vermoedelijk ook wel interesse voor goedkope brandstof.
ICI ON TIRE DES TOURBES (slot) Het is deze groep die - samen met de Loen d'Enschede - rond de eeuwwisseling in de plaats treedt
"van de Kerk". Aan verschillenden onder hen - ondermeer de weduwe van N.A. de Huttebize - worden in 1812 en 1813 door de prefect van het Dijledepartement vergunningen afgeleverd om in Gelrode turf te steken. Krachtens artikel 84 van het keizerlijk decreet van 21 april 1810, dat de ontginning van bodemrijkdommen regelde, was elkeen die met een turfwinning wou beginnen of een bestaande voortzetten ertoe gehouden daarvoor toelating te vragen bij de sous-préfecture, op straffe van 100 francs boete. Bij de administratie was er namelijk bezorgdheid ontstaan over al dat stagnerend water dat na de turfstekerij achterbleef, bron van "miasmes insalubres" en "epidemicsfunestes" (31). Turfontginnigen waren meestal ook geen goede zaak voor de lokale gemeenschap en betekenden voor de overheid ook een vermindering van belastingsopbrengst door het ontstaan van onproductieve watervlakten. Aan het ongebreideld baggeren was bovendien ook een reëel gevaar verbonden: in grote turfkuilen kon golfslag ontstaan die niet alleen het omgevende land aanvrat maar ook een bedreiging vormde voor wegen en dijken. Door het opleggen van een maximumbreedte wilde men de golfslagschade beperken en het verlandingsproces bevorderen. Het bundel Gemeentearchief Gelrode in het Rijksarchief te Brussel bevat zeven van dergelijke toelatingen in uitvoering van bovengenoemd decreet (32), de oudste gewoon met de hand geschreven, de latere op voorgedrukte formulieren. Slechts in één geval wordt er een situering gegeven ("Vorsdonken") en in vier gevallen wordt de oppervlakte vermeld. Ook burgemeester Smidts, met wie we deze bijdrage hebben ingeleid, behoort voor 64 are tot de gegadigden. Een van hen, een zekere Michel Vervoort, blijkt niet de eigenaar maar de gebruiker te zijn, hetgeen volgens artikel 83 van het keizerlijke decreet volkomen geoorloofd was (33). Het is niet de eerste keer dat er met betrekking tot Gelrode van turf sprake is. In een cijnsboek van de heerlijkheid Rivieren anno 1577 wordt een perceel gesitueerd "regenoten de toffheye noordt noordt en west sheeren van Rivieren bossch zuydt" en ook in de al genoemde "besognier" van 1597 wordt van een "torffheye" en een "torffeussele" gewag gemaakt. Het staat ook vast dat in de periode 17201730 het kapittel van Aarschot turf verkoopt en dat in 1760-1770 de "Sint-Geerdruibemd" nïels opbracht omdat er turf in was uitgespreid (34). In de "conditien ende voomaerden " (35) bij een verkoop van hooi en verpachting van de visserij op Demer en Laak door de heer van Rivieren in 1777 wordt eveneens gerefereerd aan de "dijeken van de torfputten in
M&L
|
*
49
Ontginning van heideturf te Postel in 1886, door Frans Van Leemputten. Stapels stookklare turf zoals ze vermoedelijk 80 jaar eerder ook in Gelrode te zien waren.
2 a *!* . M
•HHlkAflS
^^
••
Vorsdonkdelle". De term "delle" betekent hier specifiek een kleine depressie tussen zandruggen waarin oppervlakkige veenvorming optreedt. In het reeds geciteerde antwoord van burgemeester Smidts van 1811 wordt gemeld dat er in de gemeente al sinds circa 40 jaar niet minder dan tien "tourbières" worden uitgebaat, en dan nog voornamelijk voor de export, want slechts één twintigste van de gewonnen turf zou in de gemeente blijven. Dat deze activiteit geen sporen heeft nagelaten op het 18de-eeuwse •caartenmateriaal, laat echter vermoeden dat het om bescheiden, oppervlakkige winningen ging die zich loofdzakelijk in deze "dellen" hebben afgespeeld. Dergelijke winningen maakten de herneming van de landbouwactiviteit geenszins onmogelijk of konden zelfs als een vorm van bodemverbetering aanzien worden. In 1812-1813 worden de zaken blijkbaar grondiger aangepakt. Een van de vergunningen, op naam van Jacques Van Cantelbeeck, handelaar te Aarschot, betreft een gebied van niet minder dan één hectare. In één geval wordt ook de toegestane ontginningsdiepte vermeld: 1,5 m. Uit recent onderzoek is gebleken dat de dikte van het veenpakket tot 3 m kon oplopen en dat er inderdaad ook tot op die diepte is gebaggerd. Waarom kwam pas toen de grootschalige turfontginning in Gelrode op gang? Een eerste mogelijke reden: alhoewel het gebied een aanzienlijke reserve laagveen bevatte, waren er in de ruime omgeving (Begijnendijk, Herselt, Tremelo) gebieden met
veenlagen die geschikter waren voor een op commerciële leest geschoeide uitgraving en derhalve interessant voor investeerders. Deze oppervlakkige turfwinningen waren al vroeger aan bod gekomen. In Begijnendijk bijvoorbeeld, was het oppervlakkige turf reeds grotendeels vóór 1500 ontgonnen (36). Het is pas nadat deze gemakkelijk ontginbare gebieden waren uitgeput, dat ook de moeilijk ontginbare laagvenen, winningen onder grondwaterniveau. waarbij de turf moest opgebaggerd worden, rijp werden geacht voor een 'kapitalistische' aanpak. In de snel toenemende energiebehoefte die gepaard ging met de beginfase van de industriële revolutie was ook turf belangrijk. Het ging in dit geval ook om gronden die in het kader van de traditionele dorpseconomie een belangrijke rol speelden (hooiland. elzenbos etc), zoals uit het antwoord van burgemeester Smidts in het begin van deze bijdrage kan worden opgemaakt. Het soort van eigenaars dat zich na de revolutie aandient staat veel verder van de dorpsgemeenschap en haar directe economische noden verwijderd en kiest voor direct gewin. De directe, maar weliswaar éénmalige, opbrengst van turf ligt immers tientallen malen hoger dan het normale agrarische rendement in de vorm van pachtgeld. hout- en hooiverkoop etc. (37), en... "après nous Ie déluge ". Mogelijk waren door de voltooiing van de steenweg Leuven-Aarschot (Leuven-Wezemaal in 1768, Wezemaal-Aarschot in 1777 (38)) en de afsnijding van een groot aantal meanders op het einde van het
50
M&L
Verlandende turfput met uitzonderlijke vegetatie; • op de voorgrond moeraswederik, naast (met bloeiend) gewone wederik
op de voorgrond wateraardbei (foto's 0 . Pauwels)
oude regime ook de af- en uitvoermogelijkheden van het uitgebaggerde turf aanzienlijk verbeterd. Ten slotte kan ook de mindere kwaliteit van het bosveen de oorzaak geweest zijn voor het late ontginningstijdstip van het gros van het Vorsdonkveen. Mos-, heide- of zeggeveen zijn veel homogener dan bosveen.
VEENBAGGEREN Turf is de benaming voor gebruiksklaar gedroogd veen. De term wordt in het ganse Nederlandse taalgebied gehanteerd, soms gespecificeerd als "bagger" of "baggel" (voor laagveen), "luif (voor oppervlakkig, in bossen of heide uitgestoken veen) enzovoort. Veen is bodemkundig gezien een grondsoort met meer dan 30% organische stof van plantaardige oorsprong, gevormd in een waterrijk milieu. Vanaf de 12de eeuw was dit materiaal als brandstof ook in de zuidelijke Nederlanden erg belangrijk geworden wegens de vergevorderde ontbossing en de daaruit voortspruitende houtschaarste. Daarvan getuigt onder meer het ontstaan van turfdragersambachten in de steden. Het zijn vooral de Norbertijnen geweest die de winning en het gebruik van turf hier te lande hebben verbreid. Naast huisbrand werd het tot in de vorige eeuw nog aangewend in de bierbrouwerij, klokkengieterij, baksteenproductie, kalkbranderij en bij de bereiding van teer, ammoniak enzovoort. Zelfs als bouwmateriaal werd het gebruikt: als
dakbedekking, als fundering in natte gebieden, als wateropslorper in metselwerk (39). Oorspronkelijk werd het veen oppervlakkig afgegraven. In de 16de eeuw doet echter in de lage landen het "veenbaggeren " of "slagturven" zijn intrede, een meer arbeidsintensieve en complexe productiewijze. Na verwijdering van de bovengrond met een speciale spade, werd het veen met de "baggerbeugel" - een ring met een netje - uit het water omhooggetrokken, of zoals Ernest Claes het (nog) als ooggetuige beschrijft: "uit den grond gehaald, als een dik zwart modder, met brokken half vergaand hout er in. Dat werd opengespreid op het gras en men liet het in de zon drogen. Als het hard genoeg was werd het in vierkante brokken gebroken, opgestapeld in hoopjes, 'baggerdboeren'" (40). Deze beschrijving van het veenbaggeren in de Demervallei te Zichem rond 1900 geldt naar alle waarschijnlijkheid ook voor Gelrode anno 1812. Pas in de late 19de eeuw zullen ook de grote baggermachines hun intrede doen, maar dan is er in de regio geen sprake meer van turfwinning van enige betekenis. Over de sociale omstandigheden waarin de turfstekerij te Gelrode haar beslag kreeg hebben we geen gegevens. Vaak deed men beroep op een soort zwervend proletariaat, seizoenarbeiders. Dat het manuele veenbaggeren geen lolletje was blijkt uit het lot van een Duitse 'gastarbeider' in Nederland in de tweede helft van de 19de eeuw:
M&L
Eén van de bornputten (1944); enkel door vorm en afmetingen te onderscheiden van de veel oudere (1812)turfputten (foto 0. Pauwels)
Herstel van waterplanten in geruimde turtput (foto 0. Pauwels)
51
M&L
"Het was niet alleen afmattend voor de afzonderlijke ledematen. Door de gekromde houding werden de borstorganen sterk samengedrukt. Bij langdurig verblijf in het water, terwijl het bovenlichaam aan de brandende stralen van de zomerzon was blootgesteld, traden vaak reumatiek, jicht en ook longziekten en koortsen op. Vaak keerden de turfarbeiders ziek en kwijnend naar huis terug "(41). Het keizerlijk decreet van 1810 wordt bevestigd bij koninklijk besluit op 17 februari 1819 - de 100 francs boete worden 100 florijnen. De soep is al merkbaar afgekoeld: er wordt een regularisatieclausule ingelast (artikel 4) en om te vermijden dat de betrokken eigenaars zich nodeloze kosten op de hals halen ("desformalités ou desfrais superflus") wordt er voor de meer onschuldige vormen van turfstekerij in een uitzonderingsregeling voorzien (artikel 5), een soort van 'minidecreet', per provincie uit te werken door de bestendige deputaties in overleg met het departement van Waterstaat. Met onschuldig wordt bedoeld: turfstekerijen die niet in de onmiddelijke omgeving van dijken, bevaarbare of ingedijkte waterlopen of openbare wegen worden ondernomen. Tegelijkertijd wordt een enquête bevolen naar de stand van zaken in de diverse gemeenten. Op de brief van 5 mei 1819, waarin de provincie ZuidBrabant het gemeentebestuur van Gelrode om een overzicht verzoekt van de bestaande turfstekerijen, is ons geen antwoord bekend. In het kadasterarchief (42) worden echter nog diverse verkopingen van turf tijdens het Hollands bestuur gemeld, de laatste in 1823. Zoals reeds gezegd, wordt in 1830 door de inspecteur-verslaggever van het kadaster met geen woord meer over turfstekerij gerept en, als in 1842 de hogere overheid opnieuw blijk geeft van bezorgdheid en bij de gemeenten haar licht opsteekt, antwoordt de gemeente Gelrode - hoogstwaarschijnlijk naar waarheid - dat de turflagen al ettelijke jaren geleden werden uitgeput en dat er op haar grondgebied geen turfwinningen meer voorkomen (43).
DE OUDE EN DE NIEUWE PUTTEN Rond 1880 is de verlanding van sommige turfkuilen al zover gevorderd dat zij ook uit het kadastrale kaartbeeld verdwijnen. Een typisch geval is het grote moerasperceel 84 (bijna 1 hectare), dat wordt samengevoegd met de hooi land- en bospercelen 82 en 83 tot een blok van meer dan twee hectare en vervolgens herverkaveld in vier lange repelpercelen hooiland. Maar zelfs op de huidige kadasterkaart tekenen de omtrekken van een groot aantal turfkuilen zich
nog duidelijk af, en niet alleen op de kadasterkaart, maar zoals reeds gezegd ook op het terrein, in het microreliëf en de vegetatie. In de plaatselijke toponymie heten turfkuilen in diverse stadia van verlanding: "doolaag" (aaneengegroeid trilveen dat al als hooiland kan gebruikt worden) en "kwacht" (put met nog niet aaneengegroeide drijftillen, ogenschijnlijk begaanbaar, maar verraderlijk). Ook aan de hand van de toponymie kan de exacte ligging van de meeste turfputten nog worden bepaald. Voor de 'orale' historicus valt er echter nog weinig te rapen: de mondeling overlevering blijkt niet in staat geweest te zijn om concrete herinneringen aan de 'grote' turfwinning van 1812-1813 bij de inwoners van Gelrode levendig te houden. Tijdens het luchtbombardement van 9 mei 1944. waarbij het spoorwegknooppunt Aarschot werd geviseerd, kwamen er ettelijke bommen in Vorsdonk-Turfputten terecht en ontstonden er opnieuw open waterplassen. In de loop van jaren ondergingen deze bomkraters een verlandingsproces, waardoor ze biologisch vergelijkbaar werden met de oude turfkuilen. Voedselrijke waterbiotopen kenmerken de weinige, niet verlande, open waterpartijen van de oude turfputten en de bomkraters, met onder andere Drijvend en Haarfonteinkruid {Potamogeton natans, P. trichoides). Aar- en Kransvederkruid [Myriophyllum spicatum, M. verticillatum), Gele plomp (Nuphar lutea), Kikkerbeet [Hydrocharis morsus-ranae). Grof hoornblad (Ceratophyllum demersum), Waterviolier (Hottonia palustris). In de meer voedselarme randzones komen ook Duizendknoopfonteinkruid {Potamogeton polygonifalius). Drijvende waterweegbree (Luronium natans), Knolrus {Juncus bulhosus), Pilvaren (Pilularia globulifera), Kranswieren (Mitella sp.) en - blijkens vroegere opnamen (44) - Waterlepeltje {Liidwigia palustris). Teer vederkruid (Myriophyllum alternifolium). Klein nimfkruid (Najas minor), Vlottende bies (Scripus fluitans), Moerashertshooi (Hypericum eludes), Kleinste egelskop (Sparganium minimum). Kleine waterweegbree (Baldellia ranunculoides). Klein en Citroengeel blaasjeskruid (Utricularia minor, U. australis), Witbloemige waterranonkel [Ranunculus ololeucus) en diverse kleine soorten Fonteinkruid (Potamogeton alpinus, P. obtusifolius, P. berchtoldii...) voor. De open verlandingsvegetaties van de oude turfkuilen werden door bebossing of vergraving sterk gefragmenteerd. De laatste jaren werden verschillende van de meest oostelijke turfkuilen heraangelegd als visvijver of zonder meer volgestort. Hierdoor ver-
M&L
Beemdenlandschap in het oostelijke gedeelte van de Turfputten anno 1911, opname door J. Massart, met op de voorgrond een verlande en gemaaide turfput met bloeiend waterdneblad
•FU\,^
53
dween een botanisch unieke site waarop Massart (45) reeds in 1912 de aandacht had getrokken. In 1960, tijdens de opstelling van de vegetatiekaart, werden in de meer voedselrijke gedeelten nog verlandingen aangetroffen met Kleine lisdodde (Typha angustifolia), Grote boterbloem {Ranunculus lingua), Mattenbies {Scirpus lacustris), Waterscheerling {Circuta virosa) en Moerasvaren {Thelypteris palustris). Alleen de Grote boterbloem is dank zij het beheer recentelijk terug opgedoken. De relatieve voedselrijkdom is hier een gevolg van de periodieke opstuwingen van en overstromingen met slibrijk rivierwater via de Moutlaak, die zich nu nog slechts uitzonderlijk voordoen. In de uitsluitend door voedselarm, ijzerrijk en basisch grondwater beïnvloede gedeelten kwamen trilvenen voor met bijzondere soorten als Ronde zegge [Carex diandra), -Moeraskartelblad {Pedicularispalustris). Slank wollegras (Eriophorum gracile) en Sterregoudmos {CampyHum stellatum) (46). Het gaat om soorten met een zekere voorkeur voor basische milieus en hun aan-
' ii
^;
wezigheid wordt verklaard door het reeds vermelde opkwelmen van Brusseliaan water. Fragmenten van deze trilvenen, een voor Vlaanderen uitzonderlijk fenomeen, worden nu enkel nog gesignaleerd door soorten als Waterdrieblad {Menyanthes trifoliata), Wateraardbei {Comarum palustre), Moeraswederik {Lysimachia thyrsiflora), Zeegroene muur {Stellaria palustris) en kleinere zeggesoorten. Herstelmaatregelen op dergelijke plekken werden met succes bekroond, bijvoorbeeld door het terug opduiken van Ronde zegge, een belangrijke kensoort. In het gebied komt slechts één plek met rietvegetatie voor, wat op zichzelf eigenaardig is.
EVOLUTIE VAN HET BODEMGEBRUIK Als men de historische ontwikkeling van een gebied perceelsgewijze bestudeert, moet het bronnenmateriaal, niet in het minst de kaarten, met de grootste omzichtigheid benaderd worden. Graaf de Ferraris
54
'Agro-forestry1 op ongeschikte bodems: kwijnend populierenbestand in voormalige beemden met vemge ondergrond (foto 0 . Pauwels)
M&L
bleek voor Gelrode een weinig betrouwbare getuige en ook de militaire topografische kaarten geven soms details te zien die een toetsing aan andere bronnen niet doorstaan. Zelfs als men gebruik maakt van kadastrale bescheiden - op het eerste gezicht ideaal want hier gaat het toch expliciet over percelen dient men er zich van bewust te zijn dat subtiele onderscheiden als moeras en bos, of hooiland en weiland, ook fiscale repercussies hadden. Getuige daarvan het bezwaar van de kerkfabriek van Aarschot tegen het feit dat in de kadastrale omschrijving een perceel van 69 are (nr. 155) nog als bos werd weerhouden, terwijl het ingrijpend gedund was en gedeeltelijk ook uitgeveend en tot moeras ontaard (47). Dit bezwaar werd aanvaard, maar anderen zullen minder geluk gehad hebben. De kadastrale omschrijvingen van het bodemgebruik kunnen dus een vertekend beeld geven van de werkelijkheid. De evolutie van het bodemgebruik tijdens de laatste tweehonderd jaar zoals ze kan afgelezen worden uit de reeds vermelde kaarten moet dus met een korrel zout genomen worden. De trend die er kan uit afgelezen worden zal alleen wat de details betreft verrassingen bevatten. Bijvoorbeeld het centraal gelegen perceel 133 (1,5 hectare), tussen de Vorsdonkbos en de Moutlaak: in 1775 hooiland, in 1822 bos, in 1860
Het voorjaar op een perceel 'oud bos' van Vorsdonk (foto L Nagelsi
"weide", in 1903 hooiland, in 1984 een grasland type Kamgrasweide, dat in de lente ongeveer wit zag van de bosanemonen, een "bosplant die een voorkeur heeft voor 'oud bos' of voor zomen en kapvlakten in oud bos ", zij het dan een "zwakke voorkeur" (48). De landbouwactiviteit vertoont wat men een slingerbeweging zou kunnen noemen: intensivering - marginalizering. In de loop van de 19de eeuw, vooral vanaf het einde van de jaren 40, worden aan de rand van het gebied een tiental kleine huizen gebouwd en is er ook een intensivering van de landbouw merkbaar: hooilanden en bospercelen, vooral in de periferie van het gebied, worden in bouwland omgezet. Een verband met de algemene landbouwcrisis 18451850 ligt min of meer voor de hand. Deze trend zet zich door naar de eeuwwisseling toe, zoals blijkt uit de stafkaart van 1903, gecorrigeerd aan de hand van kadastergegevens. Met de teloorgang van de hooilandcultuur, die al inzet tijdens het interbellum, treedt een 'verbossing' in. Het gaat hier niet om het bostype dat we op de donken van Vorsdonk aantreffen, plantensociologisch te duiden als Eiken-Berkenbos of Beukenbos, met onduidelijke overgangen naar Essenbos. De rijke struik- en kruidlaag op deze beboste donken bevat onder meer Kleinbladige linde {Tilia cordata). Rode kornoelje {Cornus sanguined), Dubbelloof (Blechnum spicant). Blauwe bosbes (Vaccinium myrtitlus), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Bosgierstgras {Milium effusum), Schaduwkruiskruid {Senecio ovata), Boszegge (Carex sylvatica). Gele dovenetel (Lanium galeobdolon supsp. montanum), Bosaardbei {Fragaria vesca), Heksenkruid [Circacea lutetiana). Slanke sleutelbloem {Primula elatior). Grote keverorchis {Listera ovata), Bosanemoon {Anemone nemorosa). Gevlekte aronskelk {Arum maculatum). Evenmin gaat het om het oude, relatief soortenrijke elzenbroek, dat de belangrijkste bosvegetatie in het gebied vormt, met een gradiënt van voedselarm naar voedselrijk en gekenmerkt door onder andere Elzenen Pluimzegge {Carex elongata, C. paniculata), Veenmossen {Sphagnum sp.), Koningsvaren {Osmunda regalis), Moerasstreepzaad {Crepis paludosa), Zwarte bes {Ribes nigrum) en de eerder genoemde laagveensoorten. Vorsdonkbos-Turfputten herbergt samen met het Walenbos te Tielt-Winge het belangrijkste relict matig voedselarm, grondwatergebonden elzenbroek in Vlaanderen. Het bos dat de open beemden gaat opvullen bestaat uit monoculturen van populier-hybriden {Populusx canadensis, Populus trichocarpa x P. deltoides) en
fr^-7-» ,::*r?
W:* ':ê
|
«
*
'^i#:
56
M&L
De vegetatiekaart van Déthioux (1960) is nog steeds een betrouwbare weergave van de variatie aan plantengemeenschappen in het gebied Vorsdonk-Turfputten en een leidraad bij herstelmaatregelen
Akkeronkruidvegetaties A gemeenschap van Aphanes arvensis en Matricarcia recutita, typische subassociatie Aa idem, subassociatie met Alopecurus myosuroides AS gemeenschap van Arnoseris minima en Scleranthus annuus Graslanden Ab maailand met Frans raaigras, subassociatie met Ranunculus bulbosus en Ranunculus repens Af maailand met Frans raaigras, subassociatie met Filipendula ulmaria L1 raai- en kamgrasweiden, typische variant Lb idem. subassociatie met Ranunculus bulbosus en Ranunculus repens Lt idem, typische subassociatie
wordt 'geoogst'. Deze vorm van "agro-forestry" is nu ook al bijna twee decennia over haar hoogtepunt heen. Hiervoor zijn ook diverse oorzaken aanwijsbaar. In het gewestplan (1978) werd bijna de helft van het gebied aangewezen als "natuurreservaat", de rest als "natuurgebied", "parkgebied" of "landschappelijk waardevol agrarisch gebied". Deze beschermende maatregel werd op 2 maart 1994 nog versterkt door een (wat tot voor kort nog genoemd werd) "rangschikking als landschap", waarin aanplantingen aan een voorafgaande goedkeuring worden onderworpen. Mogelijk, en misschien vooral, is er het traumatische effect geweest van de ongewone populierensterfte in de jaren 1980-1982 ten gevolge van bladroestziekte, waarvoor als hoofdschuldige een agressieve stam van een bepaalde roestschimmel [Melampsora larici-popylina) werd aangewezen. Deze sterfte trad niet alleen in België op, maar ook in grote delen van Nederland, Frankrijk en Duitsland (49). Last but not least was er het beleid van de v.z.w. Natuurreservaten, die vanaf 1984 systematisch
VF MO
nat grasland met Valeriana repens en Filipendula ulmaria (verbeterde variante) nat grasland met Pijpestrootje
Bossen AC mesotroof elzenbroek met Carex elongate SA oligotroog elzenbroek met Veenmossen AF alluviaal Elzen-Essenbos QB Eiken-Berkenbos (typische subassociatie) QCc gemengd Eikenbos met milde humus, subassociatie met Meibloem QCf gemengd Eikenbos met milde humus, vochtige subassociatie CV gemeenschap met Struikheide
percelen in beheer neemt of tracht aan te kopen. De aandacht richtte zich daarbij in eerste instantie op de meest bedreigde of beheersbehoeftige milieutypes, zoals deze van de verlandende turfputten. Door middel van natuurtechnisch beheer, waarbij 2 a 3 hectare populierenaanplanting werd opgeruimd, werden tijdens de laatste jaren een aantal van de oorspronkelijke open laagveenbiotopen gereconstrueerd. Tegelijkertijd werd op sommige van de voormalige hooilanden ook het maaibeheer hervat. Tot voor 30 jaar maakten de graslandvegetaties nog meer dan de helft uit van het gebied. Het betrof toen verspreide, kleine percelen op vochtige tot natte bodems, voor de landbouw niet of weinig verbeterbaar (50). Het merendeel van deze percelen bestond toen uit onbemeste, door Pijpestrootje {Molinia caerulea) gedomineerde graslanden op venige bodem ('blauwgraslanden') en {door overstromingen) licht bemeste graslanden met Dotterbloem (Caltha palustris) op natte bodems of met schermbloemigen op drogere gedeelten. Goed ontwikkelde voorbeelden hiervan resten thans bijna nog enkel op de natuurtechnisch
M&L
57
beheerde percelen. Op deze percelen en in sommige ruigten groeien als opmerkelijkste plantesoorten: Tandjesgras (Sieglingia decumbens). Liggend en Kleverig Walstro {Galium saxatile, G. uliginesum), Ronde zonnedauw (Drosera wtundifolia), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Tormentil {Potentilla erecta), Trilgras (Bria media), Geelgroene, Blauwe en Bleke zegge {Carex demissa, C. panicea, C. pallexens), Moerasbasterdwederik (Epilobium palustre), Kleine schorseneer {Scorzonera humilis), Addertong (Ophioglossum vulgatum), Knolsteenbreek {Saxifraga granulata), Kleine ratelaar (Rhinanthus minor), Beemdkroon [Knautia arvensis). Brede en Gevlekte orchis (Dactyiorhiza majalis, D. macidata). Schraallandpaardebloem {Taraxacum nordstedtii). Langs de greppels of depressies met stagnerend neerslagwater domineren Moerasviooltje (Viola palustris). Veenpluis (Eriophorum angustifolium), Veenmossen (Sphagnum spec), en kleinere soorten Zegge als Snavelzegge, Zwarte zegge, Zompzegge, Sterzegge (Carex rostrata. C. nigra, C. curta, C. echinata). In het verruigingsstadium worden deze graslanden gekenmerkt door Pijpestrootje (Molinia caerulea). Moerasspirea (Filipendula ulmaria) en zeggesoorten als Scherpe en Moeraszegge (Carex acuta, C. acutiformis) en treden ook soorten op als Melkeppe (Peucedanum palustre), Bosbies (Scirpus sylvatica). Moesdistel (Cirsium oleraceum), Poelruit (Thalictrumflavum) en Moerasstreepzaad (Crepis paludosa). Interessante beheersobjecten, bedreigd door het wegvallen van de hakhoutcultuur, zijn ook de struwelen opgebouwd uit Sporkehout (Frangula alnus). Grauwe en Geoorde Wilg (Salix cinerea S. aurita) en, vooral. Gagelstruwelen. Gagel (Myrica gale) bereikt hier een van de zuidelijkste groeiplaatsen in Vlaanderen. Gagelstruwelen behoren tot de meest typische maar ook sterkst bedreigde vegetaties van de Kempen. Fragmenten droge heide zijn nog aanwezig op de zandige donken. Een gedeelte waarin onder andere de zeer zeldzame Grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum) voorkwam is de laatste jaren dichtgegroeid met houtopslag of aaneengsloten velden van Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum). Op een plek met door korstmossen gefixeerd stuifzand groeit de eveneens zeldzame Heideknotszwam (Clavaria argillacea). Op de kapvlakte van een voedselarm broekbos werd in 1980 een vegetatie met Dopheide (Erica tetralix) gesignaleerd (51). De pioniersoorten van voedselarme milieus, die in oude opnamen en herbaria frequent aan bod komen, groeiden vermoedelijk op dergelijke plaatsen: Moerassmele (Deschampsia setacea), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Veelstengelige waterbies (Eleocharis
multicaulis). Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteo-album) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe).
DE NATUURWETENSCHAPPELIJKE BETEKENIS VAN VORSDONK-TURFPUHEN De actuele flora van het gebied Vorsdonk-Turfputten - hier gedefinieerd als datgene wat tussen 1978 en nu werd opgetekend - bedraagt 485 soorten of ondersoorten. Het gaat hier alleen om 'hogere' of vaatplanten. Als men vroegere studies en excursierapporten (52) in aanmerking neemt komt men tot een totaal van meer dan 581 soorten hogere planten. Een zeventigtal van de actuele soorten zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam, al naargelang men refereert aan de betrokken fytogeografische districten of aan het gehele Belgische floragebied. Deze unieke botanische rijkdom kan verklaard worden door de reeds beschreven variatie in bodemgesteldheid en waterhuishouding geconcentreerd op een relatief kleine oppervlakte, het sterk gedifferentieerde beheer en de invloed van opeenvolgende exploitaties in het verleden. De meeste van de thans verdwenen of bedreigde plantensoorten - Kruipend moerasscherm (Apium repens), Draadzegge (Carex lasiocarpa), Vlozegge (Carex pulicaris). Waterscheerling (Cicuta virosa). Slank en Breed wollegras (Eriophorum gracile, E. latifolium). Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Harlekijntje (Orchis morio) enzovoort. - zijn kenmerkend voor de actief beheerde milieus van hooilanden, trilvenen, voormalige turfputten en dergelijke. Telkens gaat het om milieus die bedreigd zijn door verruiging, verbossing, populierenmonocultuur, vervuiling en, niet in het minst, verdroging. Door de verdroging ten gevolge van de daling van het Demerpeil werd de rivierinvloed drastisch gereduceerd en verdween een belangrijke component van de flora. Een andere mogelijke verklaring voor de rijke flora is de hydrografische situatie: de Demer bracht uit haar groot ontwateringsgebied sterk verschillende bodemsoorten en diasporen mee en heeft deze uitgestrooid met haar alluvium. De soortenrijkdom kan ten slotte ook in verband worden gebracht met de mozaïeksgewijze interpenetratie van drie grote plantengeografische districten - m.n. het Kempische (zandstreek), het Brabantse (leemstreek) en het Vlaamse district (grotendeels de alluviale vlakte van de Vlaamse Vallei), waardoor vele typische elementen uit deze districten samen voorkomen. In vergelijking met gelijkaardige Hagelandse natuurgebieden en andere delen van de Demervallei is deze grenssi-
58
M&L
tuatie in Vorsdonk-Turfputten bijzonder uitgesproken en complex (53). Diverse soorten vinden hier de uiterste grens van hun verspreidingsareaal. Op de fytogeografische districtenkaart van Boon (54) wordt de grens tussen de Vlaams-Kempische en Brabantse districten ongeveer 5 km ten zuiden van de Demer gesitueerd, langs de Winge-Motte lijn. Daarmee wordt het Brabantse district enigszins onrecht aangedaan, want in Vorsdonk-Turfputten zijn de 'Brabantse' soorten enigszins in de meerderheid en dit geldt ook voor de rest van de Demervallei westwaarts. Soortenri|k 'schraal' grasland waarop sinds 1984 opnieuw een maalbeheer wordt toegepast, met links vooraan een gagelstruweel (foto O, Pauwels)
De floristische inventaris van Vorsdonk-Turfputten bevestigt echter op frappante wijze een andere bevinding van Boon (55), die op basis van een computerbewerking van de uurhokgegevens van de Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora tot de slotsom kwam dat de alluviale vlakte van de Demer tot de
potentieel soortenrijkste zones van het BelgischLuxemburgse floragebied behoort. Hij berekende ook dat de zeldzaamheidscoëfficiënten voor de uurhokken van de Demervallei het laagst zijn (d.i. een groot aantal weinig frequente soorten) in de zone Diest-Halen én in Aarschot-Betekom, dus VorsdonkTurfputten. Uit de floralijst blijkt dat 30 van de 42 voor de Belgische flora voorgestelde "socio-ecologische groepen" in min of meerdere mate vertegenwoordigd zijn. De "planten van heiden, venen, schraallanden en kalkmoerassen" (groep 7) zijn vrij sterk vertegenwoordigd. Een aparte vermelding verdienen de adventieven, die in het gebied met tal van soorten de Demerdijken en spoorwegtaluds begeleiden: Kandelaartje (Saxifraga tridactylites), Mottekruid {Verbascum blattaria), Bunias (Bunias erucago)... Sinds de aanleg van de
M&L
59
Voormalig hooiland met trilveen in 1994 van opschietend struweel ontdaan (foto M. Lehouck)
De floralij st kon sinds 1995 aangevuld worden met waterplanten die opnieuw in de bedding van de Demer groeien, waarvan het vervuilingspeil tijdens de laatste jaren blijkbaar is gedaald: Pijlkruid (Sagittaria sagittifolia), Gekroesd en Schedefonteinkruid (Potamogeton cripsus, P. pectinatus), Waterereprijs (Veronica anagallis-aquatica) (56).
spoorweg in 1862, van meet af aan door de floristen enthousiast bemonsterd, zijn er echter heeiwat zogenaamde 'ballastsoorten' verdwenen, o.m. diverse soorten Silene (Silene decihotoma, S. gallica, S. vulgaris). Driedistel (Carlina vulgaris) en de Europese blazenstruik (Colutea arborescens). In 1984 werd voor het eerst een struikje Zwarte appelbes {Aronia melanocarpa), een Noordamerikaanse adventief, in het elzenbroek gesignaleerd. Momenteel zijn er tientallen exemplaren, maar hun verspreiding heeft nog niet de allures gekregen die hun in sommige Nederlandse natuurreservaten, bijvoorbeeld de Nieuwkoopse Plassen, de bijnaam "moeraspest" heeft bezorgd.
De gekanaliseerde Demer ter hoogte van Nieuwland (foto J. Craenen)
Grondwaterafhankelljk elzenbroek met elzenzegge en plnksterbloem (foto L. Nagels)
De gevarieerde en complexe opbouw van de begroeiing en het moerassig en ondoordringbaar karakter van een groot gedeelte van het gebied komt de dierenwereld ten goede, niet in het minst het vogelbestand. In 1987 werden 82 broedvogelsoorten geïnventariseerd, waarvan 68 zekere gevallen (57). De meeste van deze soorten prefereren een parkachtig landschap en verschillende zijn typische moerasvogels. Voor Vlaanderen min of meer opmerkelijke broedvogels zijn Waterral (Rallus aquaticus). Wintertaling (Anas crecca), Buizerd (Biiteo buteo), Bosuil (Strix aluco), Zwarte specht (Dryocopus martius), Kleine bonte specht (Dendrocopos minor), Roodborsttapuit (Saxicola torquata). Sprinkhaanrietzanger (Locustella naevia). Fluiter (Phylloscopus sibilatrix). Ijsvogel (Alcedo atthis), Houtsnip (Scolopax rusticola), Goudvink (Pyrrhula pyrrhula), Appelvink ((Coccothraustes coccothraustes). Wespendief (Pernis apivorus) en Sperwer (Accipiter nisus).
60
M&L
omwille van de aanpassingswerken die rond 1980 werden uitgevoerd. Aan de monding van de Moutlaak werd toen een voor vissen onneembare uitstroomconstructie gebouwd. Interessante soorten als het Bermpje {Nemachilus barbatulus) en, vooral, de Grote modderkruiper {Misgumus fossilis) werden tijdens de laatste tien jaar nog waargenomen, evenals enkele minder algemene soorten van zoogdieren, met name Waterspitsmuis {Neomysfodiens), Hermelijn {Mustek erminea), Bunzing {Putorius foetidus), Ree {Capreolus capreolus), diverse soorten Vleermuis.
Zwarte appelbes (Amiamelanocarpa), een uit NoordAmerika ingevoerde en verwilderde heester die sinds 1979 in toenemende mate in het gebied VorsdonkTurfputten opduikt (afbeelding uit: G. KRÜSSMANN, Handbuch der Laubgehólze, I, 1976)
Ruiming van een verlande en vervuilde bomput in 1995 (foto M Lehouck)
Bovendien werden enkele sterk bedreigde vlindersoorten waargenomen, met name Zilveren maan {Argynnis selem). Keizersmantel {Argymis paphia) en Grote Weerschijnvlinder (Apatuni iris). Voor deze dierengroep komt het herstelbeheer echter te laat: ondanks het snelle herstel van plantengemeenschappen en de massale uitbreiding van voor vlinders noodzakelijke waardplanten, was de verruiging nefast voor "gespecialiseerde" soorten. Met betrekking tot de reptielen en amfibieën zijn er waarnemingen van de Levendbarende hagedis (Lacerta vivipard), Hazelworm {Anguisfragilis) en Kamsalamander (Triturus cristatus). Uit betrouwbare getuigenissen van omwonenden blijkt dat er tot circa 1950 Boomkikkers [Hyla arborea) voorkwamen. De oorspronkelijke visfauna is door het dichtgroeien. de overschaduwing of vernieling van sloten en turfputten grotendeels verdwenen. Vanuit de Demer vinden geen vismigraties meer plaats, niet alleen omwille van de nog sterke vervuiling, maar ook
Waterkwaliteit en -kwantiteit zijn van cruciaal belang bij het behoud en beheer van het gebied Vorsdonk-Turfputten. De meeste vochtminnende biotopen zijn zeer gevoelig voor veranderingen in de kwaliteit en de kwantiteit van het water. De vervuiling van de Moutlaak en de toevoer van afvalwater vanuit de aanpalende woningen krijgen hopelijk spoedig hun beslag in het kader van het waterzuiveringsbeleid. Ontwatering leidt tot veraarding en inklinking van de veenbodems en tot de afbraak van de organische bodemfracties. Het beschermingsbesluit van 1994 verbiedt drainagewerken, maar de bedreigingen komen ook van buiten het gebied. Zoals reeds gezegd is de variatie aan bodemvochtigheid en grondwatertypen (ondiep tot diep verbleven grondwater) de hoofdreden van de biologische variatie en vooral het voorkomen van talrijke zeldzame planten. De vrijwaring van het Diestiaan massief ten zuiden van het gebied is in dit opzicht van strategische betekenis. Niet alleen de uitbreiding van de grondwaterwinningen op het nabijgelegen industrieterrein, maar ook de nieuwe drinkwaterwinning op de grens van Nieuwrode en Gelrode kan deze toestand negatief beïnvloeden. Het industrieterrein "Nieuwland" werd bedreigend dicht tegen het natuurgebied uitgebouwd en er wordt van uitbreiding in westelijke richting gesproken. Noch het gewestplan noch de wettelijke bescherming als landschap bieden afdoende bescherming wat dit betreft. Men kan alleen maar hopen dat de oproep van Lode Baeyens, opsteller van de meeste bodemkaarten van Oost-Brabant, nu bijna 20 jaar geleden ernstig wordt genomen: "De meander van Vorsdonk, ook de andere, maar vooral de combinatie Vorsdonk-Zallaken, moet de behoedzaamheid opwekken van elke overheidsdienst en elke cultuurtechnische instelling, evenals die van elke natuuronderzoeker. Het mag niet zijn dat de eerste, zonder inspraak van de tweede - en ook omgekeerd - beslissingen treft die fataal zouden kunnen zijn voor [...] wat nu eenmaal onvervangbaar waardevol moet genoemd worden" (58). Met betrekking tot het gebied De
61
Vijvers in het aanpalende Zallaken, waarvoor in 1993 de beschermingsprocedure werd afgebroken en dat vervolgens ingrijpende wijzigingen onderging, waren dit spijtig genoeg woorden in de wind.
NOTEN (1) (2)
(3)
(4)
(5)
(6)
(7)
(8)
(9)
(10)
(11)
(12)
(13) (14)
(15)
(16)
(17)
(18)
Alaemeen Rijksarchief Brussel - Gemeentearchief Gelrode [T 165]. nr. 3. GULLENTOPS F.. Quelques phénomènes géomorphologiques dans Ie Pléni-Würm, in Bulletin de la Société Beige de Geologie, de Paleontologie et d'Hydrologie 66. 1957. p. 86-95. DE SMEDT P.. Paleografie en kwartair-geologie van het confluentiegebied Dijle-Demer. in Acta Geographica Lovaniensia 11,1973. 144 p. VERMEERSCH P.. Landschap in het noordelijk Hageland gedurende de prehistorie (doctoraatsthesis), K.U.L.. Instituut voor Aardwetenschappen. 1971. p. 253. ANDRIES G.. Aarschot (Bt): jong-paleolitische strooivondsten, in Archeologie 2. 1988. p. 149-150; - Recente vondsten uit het Jong(?)-Paleolitiam te Aarschot, in Archeologia Regionis 2. 1989, p. 16-18; - Paleolitische artefacten van een terrein te Aarschot, in Archeologia Regionis 3, 1989, p. 24-25 BAEYENS L. & SCHEYS G.. Bodemkaart van België - Verklarende tekst bij het kaarthlad Rotselaar 7JW. Centrum voor Bodemkartering, 1958. Althans volgens BAEYENS L., Vorming en hydrografische betekenis van de Demer - Hydrografisch-landschappelijke beoordeling Diest-Werchter, in Het Oude Land van Aarschot 13(2), 1978. p. 68-77. VERBEECK I. m.m.v. DE BECKER P.. Chemische analyse van het grondwater in het natuurreservaat Vorsdonkbroek (eindwerk). Aarschot. Sint-Jozefscollege, 1996. p. 15-29. Met name in het Walenbos te Tielt-Winge; BATELAAN O.. DE SMEDT F.. HUYBRECHTS W. & DE BECKER P. Ecohydrologische analyse van een natuurgebied met behulp van Indrogeologische systeemmodellering en geografische informatieverwerking, in Waternx. 71. 1993. p. 117-127. SCHILTZ M., VANDENBERGHE N. & GULLENTOPS F.. Geologische kaart van België - Vlaams gewest: kaartblad (24) Aarschot. Belgische Geologische Dienst & Ministerie Vlaamse Gemeenschap. Bestuur Natuurlijke Rijkdommen en Enernie, 1993. Besluit van de vice-voorzitter en de gemeenschapsminister van leefmilieu en huisvesting van 29 juli 1992 houdende verlenging van de vergunning aan de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening om te Nieuwenrode (sic) 'Het Rot' een grondwaterwinning categorie C te exploiteren. Het gaat uiteraard om Nieuwrode. deelgemeente van Holsbeek. Algemeen Rijksarchief Brussel, archief kadaster Brabant (inv. I 173). nr. 770 - toegevoegd; "Geelrode verkoopingen", gedateerd 10-8-1830. Algemeen Rijksarchief Brussel. Arenbergarchief C.P1. 2587. Caart van de rivieren-valey van de Demer. tusschen Mechelen en Hasselt, naar het origineel plan van N. Jametz. eerste luitenant in keizerlijke dienst. 1754 op de helft verkleind en waar op gebragt zijn de waterpassingen van den capitein ingenieur Ninaber in 1817 gedaan /.../, Algemeen Rijsarchief Brussel, kaarten en plannen - inventaris in handschrift nr. 5813. Algemeen Rijskarchief Brussel, inv. gemeentearchief Gelrode (T 165). nr. 1; Commune de Gel rode - contribution foncière an XIII. SCHEYS F.. Het grondbezit van hel Aarscholse begijnhof. p. 193-216 in Het Begijnhof van Aarschot (Bijdragen tot de geschiedenis van het Land van Aarschot, I). Aarschotse Kring voor Heemkunde. 1976. Vertaald uit het Picardisch-Frans in; SCHEYS F. & WILLEMS A., De kronijk door Adrien Carpentier en Charles Millet van 1597 over Baal. Betekom en Gelrode in het hertogdom Aarschot, Aarschotse Kring voor Heemkunde. 1981. p. 73 e.v. telg van een uit Binche afkomstige, in 1719 geadelde familie.
(19) DE STE1N D'ALTENSTEIN [., Tahon. in Annuaire de la noblesse de Belgique, XlVe jg.. Brussel. H. Tarlier. 1860. p. 244. (20) SCHEYS F.. Rivieren en zijn bewoners in de tweede helft van de 18de eeuw. in Het Oude Land van Aarschot 18 (4). 1983. p. 160-167. (21) Arenbergarchief. K.U. Leuven, nr. F. 281 fol. 116 (59). figuratieve kaart van het Hof van Rivieren. 1597; DUVOSQUEL J.-M.. BERGER R.. JACQUET P.. JACQUET-LADRIER F. & MINNEN B.. Albums de Croy - Bezittingen der Croys in Brabant. Vlaanderen. Arlesie en het Naamse. Brussel. Gemeentekrediet van België. 1985. plaat 10 "Betekom" en plaat 15 "Het slot van Rivieren" (1596-98). (22) SCHEYS F., op. cit. (23) ANNE DE MOLINA J. e.a., Etat présent de la noblesse du rovaume de Belgique. Y. 1962. p. 187. (24) OP DE BEECK E. & ELSEN R., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld - Een straten- en platenboek. Aarschot. Uitgever E. Op de Beeck i.s.m. Rotary Club Aarschot, 1982. p. 273. (25) Centrum voor Historische Documentatie van de Krijgsmacht. Evere. bundel 269, cliché A. 1 .a./39. (26) POPLIMONT C . Francois Joseph, baron de Loen d'Enschede. in; Lu Belgique héraldique VI. Paris. Henri Carion. 1866, p. 392. (27) Rijksarchief Brussel, inv. I 3/1, kaarten en plattegronden in handschrift nr. 941; figuratieve kaart van de goederen van de abdij van Vrouwenpark (Rotselaar) te Gelrode en Langdorp. opgemeten door G. Gansemans in 1724. (28) Deze uit Westfalen stammende familie duikt al op in 11deeeuwse oorkonden; cfr. POPLIMONT C. op. cit.. p. 383 e.v. (29) Stadsarchief Leuven, Cuvelier nr. 10654; Etat pur classification des habitans de Louvain qui peuvent concourir it l'avance demandée d la dite ville pour sa dans la 3 millions a avancer par Ie département de la Dyle. s.d.; nr. 10653 bis; Liste des cent contrihuables les plus imposes de la ville de Louvain. 21 vendimaire an XII. (30) VAN BUYTEN L. Leuven anno 1789. Leuven. Peeters/B.B.L. 1989. p. 133. (31) Cfr. de omzendbrief van 10-8-1810 weergegeven in; DEL MARMOL J.-A.-L.. Dictionnaire de legislation, de jurisprudence et de doctrine en mature de mines, minitres, carrières, forges, ham-fourneuux. toiirhiéres /.../. Lièse. Renard. 1857. p. 668. (32) Algemeen Rijksarchief Brussel, inv. gemeentearchief Gelrode (T165).nr. 3. (33) "par Ie propriétaire du terrain, ou de son consentement". (34) Archief notaris Verlooy. (35) Algemeen Rijksarchief Brussel - Griffies Schepenbanken Leuven nr. 2437. Conditien ende voorwaerden Ingevolghe men publieckelyck aenden meest biedende [...]. (36) Mondelinge mededeling Geert ANDRIES. bevinding in het kader van de nog te publiceren studie 200 jaar Begijnendijk. (37) Een Nederlands voorbeeld; in 1875 kostte de productie van 12m3 turf 7 gulden en bracht 19 gulden op. Cfr. CROMPVOETS H.J.G.. Veenderijterminologie in Nederland en Nederlandstalig België. Amsterdam. Rodopi editions. 1981.466 p. (38) SCHROEVEN W. e.a.. Aarschot in beeld - Aarschol 750 jaar stad en vn/Vietó (tentoonstellingscatalogus), Aarschotse kring voor Heemkunde. 1963. p.37. (39) CROMPVOETS H.J.G.. op. dl (40) CLAES E.. Jeugd. 1940. Voor de concrete gang van zaken zie ook; BURNY. J., Hel landgebruik in en rond de vallei van de Zwarte Beek Ie Koersel {Limburgse Kempen) in hel begin van de twintigste eeuw. in Het Oude Land van Loon 41,1986, p. 91 e.v. (41) TACK J.. Die Hollandgdnger in Hannover und Oldenburg. Ein Beitrag zur Geschichle der Arbeil-Wandenmg. Leipzig, 1902. (42) Algemeen Rijksarchief Brussel, archief kadaster Brabant (inv. I 173). nr. 770. (43) STOCKMANS F.. Gisemenls de lourbe de la province de Brabant et leur exploitation, in Bulletin du Musée roxal d'Histoire naturelle de Belgique 24 (35). 1948. p. 15. (44) Cfr. gelokaliseerde vondsten in het herbarium van de Nationale Plantentuin te Meise en vooral in DE WILDEMAN E. & DURAND T.. Prodrome de la flore beige. UI. Phanérogames. Bruxelles, Alfred Castaigne, 1899.
62
M&L
Een perceel vlak voor de jaarli|kse maaibeurt; op de voorgrond gevlekte orchissen (foto 0. Pauwels)
(45) MASSART J., Les districtsflandrien et campinien, in C. Bommer & J. Massart (éds.). Les aspects de la vegetation en Belgique. Bruxelles, Jardin botanique de l'Etat, 1912. (46) Ct'r. herbarium Nationale Plantentuin Meise en IFBL-streeplijsten, vooral materiaal afkomstig van Emile Michiels, botanicus uit Aarschot; MICHIELS E., Het plantenhoekje, in feestbrochure uitgegeven door het Comité tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer, Historische Stoet- en Feestprogramma, week van 22 tot 29 augustus 1937, p. 3-4; DETHIOUX M., Vegetatiekaart van België: kaarthlad 75 W Aarschot & Verklarende tekst hij het kaarthlad. Centrum voor Plantensociologische kartering van België, 1960. (47) Algemeen Rijksarchief Brussel, archief kadaster Brabant (inv, 173), nr. 770. (48) TACK G„ VAN DEN BREMT P. & HERMY M., Bossen van Vlaanderen - een historische ecologie. Leuven, Davidsfonds, 1993, p. 267. (49) DE KAM M., Het afsterven van populieren In 1982, in Groen 39(4), 1983, p. 152-154. (50) DETHIOUX M., Vegetatiekaart van België: kaarthlad 75 W Aarschot & Verklarende tekst hij het kaarthlad. Centrum voor Plantensociologische kartering van België, 1960. (51) ALLEMEERSCH L. (1980), vochtige plantengemeenschappen in de Demervallei, in Uitlopen, tijdschrift van de Plantenwerkgroep van de Belgische Jeugdbond voor Natuurstudie, nr. 3, 1978, blz. 3-4. (52) Onder meer: GHYSEBRECHTS L. (1885-1909) en BAGUET C, DEVOS M., Thielens A. & WESMAEL A. (1862-18983) diverse bijdragen m.b.t. de Florule des emirons de Diest in Buil. Soc. Roy. Bot. Belg.; Rijksherbarium Meise, exemplaren voor Gelrode, vooral geherboriseerddoor A. Devos (18611869), E. Michel (1894-1924), E. Michiels (1899-1959) en J. Pelgrims (1951-1956); NAVEAU M.R., Herhorlsation généra-
(53)
(54)
(55)
(56) (57) (58)
le dans les polders de l'Escaul, la Campine anversoise et la Camplne brabangotme les 2, 3, et 4juillet 1922 in Bul. Soc. Roy .Bot. Belg. 55, 1923, p. 190-204; DETHIOUX M., opnames voor de vegetatiekaart Aarschot, nrs. 1478, 7801, 10198, 10200, 10501, 10505, 10560, 10564, 10585,11267, 11270, 11708, 11710, 10587 en 10559, Gembloux, archief I.W,O.N.L.; HALFLANTS P., Lubbeek, privéherbarium, verzameling van planten te Gelrode op 18-6-1931 en 23-6-1943. DENEEF R., De Demervallei tussen Aarschot en Werchter, in RMLZ-Documentatiemap Landschapsonderzoekm. 12, 1984, p. 3-65. BOON W., Enkele kritische bemerkingen over de Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora, in Dumortlera 11, 1979, p. 14-34. BOON W., Enkele kwantitatieve gegevens over de tweede editie van de Atlas van de Belgische en Luxemburgse flora, in DMmortiera 19/20,1981, p. 13-21. Werkgroep F.O.N., streeplijsten betreffende Vorsdonk-Turfputten. VAN ROMPUY J., Natuur in de buurt: het Vorsdonkhroek, in Natuur en Landschap - Ons Vogelblad 2 (2), 1990, p. 18-22. BAEYENS L., Vorming en hydrografische betekenis van de Demer - Hydrografisch-landschappelljke beoordeling DiestWerchter, in Het Oude Land van Aarschot 13 (2), 1978, p. 77.
Door Luc Vervoort (stafmedewerker v.z.w. Natuurreservaten, conservator natuurreservaat Vorsdonk-Turfputten) en Roger Deneef (ROHM Vlaams-Brabant, Monumenten en Landschappen.)
Restauratie Gevels en Daken Pastorie Pastoriestraat 25 2340 Beerse Architekt:
Diederik Nagels, Guldensporenlei 32, 2300 Turnhout Tel. 014/41.21.48 Opdrachtgever: Gemeente Beerse Toezicht: E. Mostmans & P. Heins Bisschopslaan 56, 2340 Beerse Projektleider: Rudy Peeters
BOUWBEDRIJF BORGMANS NV Zwartgoorweg 3,2350 Vosselaar Tel. 014/61.51.06 - Fax 014/61.51.18
M&L
64
SUMMARY
THE CALVARY WINDOW IN THE CASTLE OF CAESTERE IN RUMBEKE The magnificent stained-glass window in the eastle of Rumbeke. representing a scene of the Calvary, probably dates from around 1477. when Jan \an Langhemeersch died. Since there was no male descendant, the estate came into the possession of the de Thiennes family, being the husband of van Langhemeersch's daughter. Their grandson Thomas de Thiennes. became the rightful owner of the castle in 1534 and he had some major alterations carried out. During these works, the 15the century stained-glass window was repaired and an ornamental Renaissance style frame was added with the coat of arms of the de Thiennes family. The building and the window having had an eventful past, it is quite remarkable that still some 74 9^ of the window is original. During a previous treatment, some calibres were used in three windows composed of fragments in the castle's gallery. During the most recent restoration, these original parts have been re-integrated in their original setting. Subsequently, all panels have been cleaned, glued and consolidated according to the latest insights. Furthermore, some major research has been carried out in the archives and an extensive report was produced. Of particular importance are the analyses carried out by the University of Antwerp (UIA).
THE VORSDONK MEANDER AND THE PEAT BOG AT GELRODE (AARSCHOT) A HISTORICAL AND ECOLOGICAL ENQUIRY In 1X12-1813 the nonhern part of Gelrode. a small borough near Aarschot, was the scene of large scale peat extraction. The traditional river landscape of marshland, hay meadows and alder carr was converted into a marshy moonscape. The peat deposits, often attaining 3 m depth, were formed during the Atlantic period in the southern part (indicated as "Turfputten" i.e.. fen pits) of an incised Late Glacial (Late Dryas) meander of the Demer river, abandoned since the beginning of the Holocene. In the meander's central part (indicated as "Vorsdonk") the peat layers are covered with clayey deposits and alternating with sandy pleistocene dunes.
This sudden economic interest of the Gelrode peat may be connected with the drastic political and socioeconomic changes in the wake of the French Revolution, especially the emergence of a new urban capitalist class - brewers, tanners, notaries, stockholders, small investors, shopkeepers, merchants... in the nearby townships of Aarschot and Louvain. In search of cheap energy and easy money to fuel the oncoming industrial revolution, they were not hampered by religious taboo when purchasing 'black' property, former church possessions confiscated by the French authorities. Thus, also in Gelrode they replaced the ancient, mostly ecclesiastical, landholders. Moreover, by 1800 the more easily extractible peat deposits of the region had been virtually exhausted and the low fen peat bogs came into attention, the extraction of which necessitated dredging techniques. After nearly two centuries, the old peat cuttings are still visible in the topography, although mostly hidden by lush vegetation, often overshadowed by poplar plantations. Sometimes they are hardly distinguishable from the bomb craters left by worldwar 11. Thanks to 12 years of purposive management by the conservationist association 'v.z.w. Natuurreservaten', which up to now purchased about one third of the area, they now harbour the most interesting biotopes of the meander area. Restoring the hay meadows which for decades had disappeared under massive poplar plantation, and clearing some of the fen-pits and bomb craters took most of the association's energy. The results are satisfactory. Several species known from ancient records, especially those connected to peaty mires, reappeared e.g.. Lesser Tussock Sedge (Carex diandra). Although the meander area as a whole (140 hectares) has been legally protected in 1994 as 'Vorsdonk-Turfputten'. some external threats loom ahead. First, a possible extension of the industrial estate of Aarschot - not yet acknowledged in the official land-use plan but subject of intensive lobbying - may dangerously reduce the still existing farmland buffer. The Achilles' tendon, however, is the hydrological system, especially the intricate pattern of intense seepage from the adjoining iron sandstone ('Diest') hills and. more southward, the more or less calacareous 'Brusselian' layers of the Hageland massif. Although a monitoring system has been installed, it is feared that the recent extension of an already existing water collection plant on a nearby hill may affect the aquifers that feed the seepage in Vorsdonk-Turfputten.
NIEUW IN DE REEKS
De Belgische Art Nouveau en Art Deco wanategels Technische gegevens ruriTiddi.
21 x 29,7 cm Aantal pagina's: 224 Kleurillustraties: 400 Papier: Kunstdruk Galerie Art Silk 135 g/m 2 Afwerking: gngenaaid gebrocheerd 30,-fr. Auteurs: Mario Baeck en Bart Verbrugge Foto's: i'ald Pauwels Concept en vormgeving: Luc Jack
ISBN 90 403 0066-6 Dit boek kan ook besteld worden door overschrijving van 1.350,-fr. (verzendkosten inbegrepen) op rekeningnnummer 091-2206040-95 (Fonds Monumenten en Landschappen)
NA DE EERSTE M&L-CAHIERS OVER GLAS IN LOOD EN
Dit boek beoogt een eerste overzicht
MIDDELEEUWSE MUUR-
te geven van de Belgische wand-
SCHILDERINGEN,
tegelproduktie in de periode van
ZETTEN WE DE
1880 tot 1940. Ook de jaren na de
ONTDEKKINGSTOCHT VERDER
Tweede Wereldoorlog, toen aan
NAAR MINDER BEKENDE
deze periode vol creativiteit een
ASPECTEN VAN
einde kwam. krijgt enige aandacht.
ONS KUNSTBEZIT.
Zijdelings komt overigens ook de produktie van gedecoreerde vloer-
DITMAAL RICHTEN WE
tegels aan bod. al ligt de klemtoon
ONZE AANDACHT
uiteraard op de meer tot de verbeel-
OP DE BELGISCHE ART
ding sprekende wandtegel.
NOUVEAU EN ART DECO WANDTECELS UIT DE PERIODE iO-1940.
Afdeling Monumenten en Landschappen Pers & Voorlichting Zandstraat 3 1000 Brussel
Tel. (02) 209 27 37 Fax (02) 209 27 05 Rekeningnummer:
091-2206040-95