Skip to main content

dossier 2021-006.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/006

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/006

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 11 december 2020 diende xxx (hierna vermeld als: verzoekster), een verzoek in bij het departement Omgeving bij de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn (hierna vermeld als: dienst Dierenwelzijn) om een afschrift te verlenen van de effectieve klacht die werd ingediend in het dossier xxx met de naam van de klager. Op 28 december 2020 weigerde de dienst Dierenwelzijn het gevraagde afschrift. Op 28 december 2020 diende verzoekster een beroep in bij de beroepsinstantie tegen de voormelde weigeringsbeslissing. Dit beroep werd geregistreerd op 4 januari 2021. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijke verzoek tot openbaarmaking dateert van 11 december 2020. De bestreden beslissing van 28 december 2020 van de dienst Dierenwelzijn maakt melding van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet.

www.vlaanderen.be


Het beroepschrift van 28 december 2020 is dan ook tijdig ingediend en wordt als ontvankelijk beschouwd. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Bestreden beslissing

De dienst Dierenwelzijn weigert de naam mee te delen van wie klacht zou hebben ingediend tegen de verzoeker op grond van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet en op basis waarvan een instantie de aanvraag kan afwijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokkene met de openbaarmaking instemt. De betreffende klager heeft de dienst Dierenwelzijn gevraagd de anonimiteit te behouden.

2. Inhoud van het beroepschrift Verzoekster voert aan dat ze al via de pro justitia omtrent de klacht die ze van de dienst Dierenwelzijn heeft ontvangen, is te weten gekomen dat de klacht van een dierenarts zou komen. Verzoekster stelt voorts dat ze veel belang hecht aan eerlijkheid en tevredenheid. Vandaar dat zij graag wil weten wie de klager is en wat de effectieve klacht is, zodat ze hiervoor een oplossing kan geven.

3. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie nam contact op met de dienst Dierenwelzijn voor wat toelichting bij de bestreden beslissing. De dienst Dierenwelzijn bezorgde daarop aan de beroepsinstantie het door verzoekster opgevraagde document, de ingediende klacht bij de dienst Dierenwelzijn. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bepaalt dat een instantie een verzoek tot openbaarmaking moet worden afgewezen indien de openbaarmaking afbreuk zou doen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat, waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever is weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend (wat nogmaals uitdrukkelijk werd bevestigd in een recent arrest van de Raad van State, RvS, arrest nr. 243.607 van 7 februari 2019, TBP 2019/6, 339: “Zoals reeds overwogen, moet er geen belangenafweging plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, en de weigering tot openbaarmaking moet niet door deze belangenafweging worden gemotiveerd.”), maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz.58).

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/006

pagina 2 van 4


Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De naam en adresgegevens van de klachtindiener behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokkene(n) en het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2°, van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is dan ook van oordeel dat de mededeling van de naam van de klachtindiener, en alle gegevens uit de klacht die de identificatie van de indiener van de klacht mogelijk zouden maken, afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de klachtindiener en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Artikel II.46, derde lid en artikel II.50, §1, derde lid van het Bestuursdecreet laat toe aan de beroepsinstantie om aan de betrokken natuurlijke persoon om toestemming te vragen voor het openbaar maken van zijn naam. In casu heeft de dienst Dierenwelzijn navraag gedaan bij de klachtindiener of deze alsnog toestemming verleent tot de openbaarmaking van diens identiteit. De klachtindiener deelde echter mee de anonimiteit te willen bewaren. De beroepsinstantie werd in kennis gesteld van dat bericht. Artikel II.45, § 2 van het Bestuursdecreet bepaalt dat een bestuursdocument gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt als informatie waarop een uitzondering van toepassing is, samen met andere informatie in een bestuursdocument opgenomen is, en het mogelijk is om de informatie die niet openbaar kan gemaakt worden, te scheiden van de andere informatie. De beroepsinstantie heeft kennis kunnen nemen van de inhoud van de ingediende klacht zelf en is van oordeel dat dergelijke scheiding van de informatie in casu onmogelijk kan gerealiseerd worden. De beroepsinstantie kan dan ook enkel maar concluderen dat de klacht in casu niet in aanmerking komt voor een gedeeltelijke openbaarmaking in toepassing van artikel II.45, §2 van het Bestuursdecreet: uit de inhoud van de klacht zelf is immers de identiteit van de klachtindiener meteen af te leiden. De ingediende klacht moet daarom volledig aan de openbaarmaking onttrokken worden, in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Om deze redenen wordt het beroep als ongegrond beschouwd. Na beraadslaging,

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/006

pagina 3 van 4


BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 28 december 2020 tegen de weigeringsbeslissing van de dienst Dierenwelzijn om de klacht en de identiteit van de klachtindiener mee te delen wordt als ontvankelijk doch ongegrond beschouwd. Brussel, 29 januari 2021 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/006

pagina 4 van 4


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook