Historische tuinen en parken laanderen
o O
4-' 1/5
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris
Vlaams-Brabant
Ten noordoosten van Brussel
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris
Vloams-Brabont
Ten noordoosten van Brussel Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst
Résumés frangais - English summaries
Roger Deneef.Jo Wijnant, Hilde Kennes, Greta Paesmans, Marcel Stappers, Herlinde De Jaeck, Jan Wouters, Roger Vandeweert, Nathalie de Harlez de Deulin, Katrien Hebbelinck,André Cresens,Yvonne De Maeyer, Rita Steyoert,Tanguy Schmitz, A/bert van de Kerchove, Jozef Vanden Bussche, Roland Powis deTenbossche
Eindredactie & synthese: Roger De neef
Vlaamse Overheid - Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed Brussel 2008
Dit boek verscheen in 2009 en werd uitgegeven door de Vlaamse Overheid - Agenschap R - O Vlaanderen Onroerend Erfgoed
Auteurs Roger Deneef, Jo Wijnant, Hilde Kennes, Greta Paesmans, Marcel Stappers, Herlinde De Jaeck, Jan Wouters, Roger Vandeweert, Nathalie de Harlez de Deulin, Katrien Hebbelinck, André Cresens, Yvonne De Maeyer, Rita Steyaert, Tanguy Schmitz, Albert van de Kerchove, Jozef Vanden Bussche, Roland Powis de Tenbossche Met medewerking van Louis Blockx, Julia Meulemans, Hugo de Jonghe, Celia Viérin, Jaak Jespers, Filip Van Eist & Henri Vannoppen
Lay-out Bart Delva (drukkerij-uitgeverij 'die Keure', Brugge)
Coördinatie & concept Luc Tack
Eindredactie & synthese Roger Deneef
Fotografie Oswald Pauwels (o.m. de coverfoto's), Roger Deneef, Jo Wijnant, Marjolijn Van Damme, Hilde Kennes, Greta Paesmans, Chris Demaegd, Dominique Dierckxsens, Inge Van den Heuvel & Yvonne De Maeyer
Correctie Marijke Hoflack
Verantwoordelijke uitgever: Luc Tack Vlaamse Overheid — Agentschap R-O Vlaanderen - Onroerend Erfgoed Koning Albert Il-laan 19 bus 3, 1210 Brussel - tel. (02) 553 16 11 - fax (02) 553 16 05 Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uitgever.
D/2OO9/3241/095 ISBN 978-90-403-0292-3 N U R 648
iNtimm
Voorwoord Inleiding DEFINITIES
II
BRONNEN, INTERNE VERWIJZINGEN EN AFKORTINGEN
II
WAT ZIJN MERKWAARDIGE BOMEN?
12
INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE
12
BEVINDINGEN
I3
KAMPENHOUT (Berg, Kampenhout, Nederokkerzeel) TORFBROEK EN TER BRONNEN
I8
KAMPENHOUT (Kampenhout) VILLA VAN BELLINGHEN
29
PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK
3 I
VILLA WOUTERS
33
KASTEEL VAN WILDER
35
VILLA EVERAERT
44
KASTEEL T E N OPSTAL
46
KAMPENHOUT (Kampenhout-Reist) VILLA SINT-FRANCISCUS-XAVERIUS & PARK VAN RELST
49
KAMPENHOUT (Nederokkerzeel) KASTEEL TER BALKT
5I
KRAA1NEM PARK JOURDAIN
54
VILLA DELHAYE
56
MACHELEN (Machelen) KASTEEL BEAULIEU
58
STEENOKKERZEEL (Meisbroek) KASTEEL VAN MEERBEEK - BRABANTSE GOLF
63
VILLA GALOPPIN
68
BOETFORT KASTEEL
69
PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK
73
STEENOKKERZEEL (Perk) KASTEEL VAN PERK - DE RIBAUCOURT
75
PASTORIE VAN DE SINT-NIKAASKERK
84
STEENOKKERZEEL (Steenokkerzeel] KASTEEL VAN H A M
86
PASTORIE VAN DE SINT-RUMOLDUSKERK
9I
STEENOKKERZEEL (Steenokkerzeel-Humelgem) KASTEEL VAN H U M E L G E M
9 3
VILVOORDE (Peutie) KASTEEL BATENBORCH
96
VILVOORDE (Peutie) / STEENOKKERZEEL (Meisbroek) KASTEEL VAN H U I N H O V E N
I 02
KASTEEL VAN RAVAART
I0 6
VILVOORDE (Vilvoorde) STADSPARK - HANSSENSPARK
I I0
H E R E N H U I S SPUYMOLENSTRAAT 47
I I3
VILLA SUNNYSIDE
I l5
V I R G O FIDELISINSTITUUT - VOORMALIG URSULINENPENSIONAAT
I l7
MAURITS D U C H É H O P
I 20
TUINBOUWSCHOOL
I 22
VILLA LES PELLERIES
I2 6
DRIE FONTEINEN
I 27
VILVOORDE (Vilvoorde-Houtem) LINDENHOF
I 43
WEZENBEEK-OPPEM KASTEEL VAN WEZEMBEEK - DE BURBURE
145
KASTEEL VAN O P P E M - DE G R U N N E
I5 I
KLOOSTER VAN DE PASSIONISTEN
I 56
ZAVENTEM (Nossegem) KASTEEL BOSMANS
158
ZAVENTEM (Sterrebeek) KASTEEL VAN STERREBEEK
I6I
KASTEEL T E R M E E R E N
I7 I
ZAVENTEM (Zaventem) PARK FELDHEIM
178
CENTRUMPARK
I 80
T E R BRUGGE
I 84
ZEMST (Elewijt) PASTORIE VAN DE SINT-HUBERTUSKERK
I 86
T E R BORGT
I 87
DIEPENDAAL
I9 I
H E T STEEN - RUBENSKASTEEL
194
ZEMST (Eppegem) KASTEEL W O L F S L I N D E
201
IMPELKASTEEL - D E M O T
204
D O M E I N EETVELD
209
ZEMST (Hofstade) KASTEEL VAN DEN NIEUWENHUYSEN AMBROOSKASTEEL KASTEEL LACOURT - VILLA ALL RIGHT BLOSO-DOMEIN
21 2 214 220 223
ZEMST (Zemst) KASTEEL VAN RELEGEM KASTEEL VAN LINTERPOORT WORMELAAR
Huis
D E MAEYER
245 25 1 255 259
Résumés
26 1
Summaries
267
Kaarten met situering van de besj:iroken tuinen en parken
272
Overzicht van kenmerken en kwali t ei ten
275
Personenregister
278
Dankwoord
284
M&L
VDDRwnnRn
In dit zesde deel van de inventaris van historische tuinen en parken van Vlaanderen dat betrekking heeft op Vlaams-Brabant, komt de noordoostelijke rand van Brussel aan de beurt. Zoals de reeds gepubliceerde delen steunt ook dit inventarisdeel op grondig terrein-, literatuur- en archiefonderzoek en op een ruime selectie van 'objecten'; ook aan villatuinen, stadplantsoenen of grotendeels verdwenen aanlegpatronen, zoals die rond het kasteel van Beailieu te Machelen, wordt aandacht geschonken. Het feit dat ook de meeste eigenaars hun medewerking hebben verleend, soms zelfs als auteur, kan ik alleen maar toejuichen. Twee opstellen in dit boek hebben mij een beetje aan het denken gezet. Het gaat om het Torfbroek te Kampenhout, één van de belangrijkste natuurreservaten van België, en het BLOSO-domein te ZemstHofstade, een sport- en recreatiedomein annex natuurreservaat. Wat hebben die twee domeinen met tuinkunst te maken? Uit de tekst blijkt al snel dat beide in een inventaris van tuinen en parken volledig op hun plaats zijn. In beide gevallen kwamen landschapsarchitecten en tuiniers uitvoerig aan bod en werd er geestdriftig gegraven en aangeplant. En wellicht kan men ook stellen dat natuurbehoud of -beheer een ultieme vorm van tuinieren is. Maar er is meer. Het domein van Hofstade, ontstaan uit een uitgestrekte zandwinningsput, werd in de jaren 1930 aangelegd als recreatiedomein met (dat besefte men pas nog niet zolang geleden) enkele juweeltjes van modernistische architectuur en daarenboven waardevolle vegetaties die op onverwachte plaatsen opduiken. Toch zouden de putten van Hofstade in 1902 nooit zijn gegraven en het recreatiedomein zou drie decennia later nooit zijn aangelegd... als er in die periode een administratie of een dienst had bestaan voor monumenten- en landschapszorg of erfgoedverpleging. Dit brengt ons tot een fundamentele paradox: ongeveer alles (tot en met de holle wegen) wat tot nog toe wettelijk beschermd werd, zou er nooit zijn gekomen als er op het ogenblik van hun ontstaan zoiets als een ambtelijke erfgoedzorg had bestaan. De fraaie landschapsparken die in dit boekdeel worden beschreven (o.m. de kasteeldomeinen van Wilder te Kampenhout, Perk, Batenborch te Peutie, de Burbure te Wezembeek-Oppem) werden in de 19de eeuw aangelegd ten koste van oudere, veelal middeleeuwse structuren, die minstens even interessant waren. Een aanvraag om iets gelijkaardigs te doen zou in de huidige context op een onverbiddelijk njet stuiten. Het Torfbroek werd eveneens tijdens het interbellum grondig vergraven met het oog op een luxueuze verkaveling, die slechts gedeeltelijk haar beslag kreeg. In 1962 werd een voorstel om het niet verkavelde gedeelte te 'klasseren' als landschap door de toenmalige Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen afgewezen, omdat het gebied te zeer was aangetast. Nog geen twintig jaar later bleek dit standpunt volledig achterhaald. Waardeoordelen zijn dus tijdgebonden en relatief, ook bij experten.
.
J
Dirk VAN MECHELEN De Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening
&.**&
»jy^
i^fc
_***#••*
[
f- "^
Omhaagde parterres in het domein Eetveld te Eppegem (foto 0. Paowels, 20081
r ^a^fe
Definities Voor ons is "tuin: omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden" (eerste betekenis in: http://www.vandale.nl/current). In eerdere edities van het 'Groot Woordenboek der Nederlandse taal' (bijvoorbeeld die van 1984) werd ook het behoren "bij een huis en daaraan sluitende, of het omgevende" als essentieel onderdeel van de definitie gegeven. In dat geval zouden volkstuintjes, kerkhoven, begraafplaatsen... ten onrechte buiten de definitie vallen. Voor de definities van park en plantsoen verlaten we ons echter op de oude uitgaven: "Park: terrein bij of om een kasteel of landhuis, bestaande uit bos en weiland, meestal door vijvers en kunstmatige aanleg verfraaid." (tweede betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). "Plantsoen: aanleg met bomen en planten als openbare tuin, publieke wandelplaats" (3de betekenis in: Van Dale, Groof Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). Deze definities van tuin en park sluiten nauw bij elkaar aan en we vinden ze niet alleen in Franse en Engelse taaiwoordenboeken terug, maar ook in de vakliteratuur, zowel in de oudere, bijvoorbeeld bij J. Vacherot (Les pares et jardins au commencement du XXe siècle, 1908,) als in recente, bijvoorbeeld in de Glossary of Garden history van M. Symes (1993), in de Dictionnaire historique de l'art des jardins van M. Conan (z.d., 1997?) en in jardin - Vocabulaire typologique et technique van M.-H. Bénetière (2000). Wij zullen 'tuin' en 'park' zo consequent mogelijk gebruiken om een verschil in schaal en intensiteit (of intensiviteit) aan te geven: intensief, min of meer kleinschalig (tuin) versus extensief, grootschalig (park). Voor 'h/sfor/sd?' verkiezen we de derde definitie van de 'Petit Robert' (uitgave 1983): "Qui est ou mérite d'etre conserve par l'histoire" - een pseudodefinitie die niets afbakent, maar in de teksten hopen wij duidelijk te maken waarom het de moeite waard was om een bepaalde tuin of een bepaald park in de inventaris op te nemen. De term 'dubbelhuis'wordt
gebruikt voor een huis met een symmetrisch uitzicht en grondplan:
een oneven aantal traveeën (drie, meestal vijf, soms tot negen) met de voor- en achterdeuren in het midden - een woningtype dat vooral in de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw in zwang was.
Bronnen, interne verwijzingen en afkortingen Alle vermelde kadastrale documenten werden geraadpleegd in het archief van het Kadaster Directie Brabant, Stevensstraat 7 te W00 Brussel. Andere bronnen en vindplaatsen van archiefmateriaal worden bij name genoemd. Soms wordt verwezen naar de beschrijving van een ander domein dat aan bod komt in dit inventarisdeel: in dat geval wordt de naam van het domein gevolgd door een asterisk [*]. - Ferrariskaart = 'Carte de cabinet des Pays-Bas autrichiens' of 'Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden' opgemaakt op initiatief van graaf de Ferraris in 1 771 -1 775. - DLG = Dépót de la Guerre et de la Topographie, opgericht in 1831, in 1878 opgevolgd door het IGM.
ICM = Institut Cartographlque Militaire, in 1976 opgevolgd door het huidige NGI. NGI = Nationaal Geografisch Instituut.
Wat zijn merkwaardige bomen? Onder de titel 'Merkwaardige bomen' worden voor enkele domeinen bomen opgesomd gevolgd door hun stamomtrek. Deze bomen worden merkwaardig geacht wegens hun afmetingen, ouderdom en/of de zeldzaamheid van de soort of variëteit - vaak cultuurvarieteit ('cultivar'). Het meetgetal wordt in het vet afgedrukt. In België wordt de stamomtrek doorgaans gemeten op 150 cm boven het maaiveld. Door de aanwezigheid van gesteltakken, knobbels, aanwassen... moet hij soms op een andere, meestal lagere, hoogte worden gemeten. In dat geval wordt het vet gedrukte stamomtrekgetal gevolgd door een tweede getal tussen haakjes, dat staat voor de afwijkende meethoogte. De regels die gevolgd werden bij het meten van bomen - ook op hellingen of bij scheefgezakte, vanaf de grond vertakte of zelfs liggende exemplaren... -worden uiteengezet in: R. DENEEF & A. DE HAECK, Borsthoogten en stamomtrekken door de eeuwen heen, p. 26-48 in: jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 1996. Het nummer voor de naam van de boom is het nummer dat we binnen elke tuin of park aan elke geregistreerde boom hebben toegekend en dat ook voorkomt op de plattegrond die we voor elk domein hebben uitgetekend. Deze plattegronden kunnen geraadpleegd worden in het archief van de Inventaris te Leuven (Agentschap ROVlaanderen, Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Blijde Inkomststraat 105, 3000 Leuven). Bij de determinatie van bomen en struiken werd meestal gebruikgemaakt van: - BOOM B.K., Nederlandse dendrologie {Mde druk), Wageningen, Veenman & zonen, 1982. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (3 delen), Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1976-1978. • Merkwaardige
- KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze, Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1972.
bomen; één van de
Soms van:
monumentale platanen in het gemeen-
- REHDER A., Manual of cultivated trees and shrubs (2nd ed.), New-York, MacMillan Publishing Co, 1974.
telijk domein
- MITCHELL A., A field guide to the trees of Britain and northern Europe, London, Collins, 1992.
Drie Fonteinen te Vilvoorde (foto R. Denecf, 2003)
invalshoeken en werkwijze Cultuurhistorische, artistieke, architecturale, esthetische, sociaal-economische, dendrologische, tuinbouwkundige en zelfs ecologische aspecten (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) kregen in deze inventaris een belangrijke rol toebedeeld. Potentieel interessante objecten werden opgespoord aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, oude kaarten
M&L
(bijvoorbeeld de Ferrariskaart, oude stafkaarten) en terreinonderzoek. Ook relicten van grotendeels verdwenen tuinen en parken werden besproken, met name Beaulieu te Machelen en Les Pelleries te Vilvoorde. De schaal en de functie van de objecten kunnen zeer uiteenlopend zijn, van kleine viliatuinen, zoals de Villa Galoppin te Meisbroek, tot grote parken en zelfs tuinwijken van bij de honderd hectare. Het Torfbroek in de brede, historische zin werd in de inventaris opgenomen, omdat zijn huidige vorm en uitzicht - voor de helft villawijk, voor de helft natuurreservaat - niet alleen bepaald werden door economische en ecologische, maar ook door esthetische overwegingen. Daarenboven is natuurbeheer, inzonderheid botanisch beheer, voor ons hoe dan ook een vorm van tuinieren. Het terreinonderzoek omvat een gedetailleerde inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen zoals zichtassen en panorama's, parkmeubilair in de ruimste zin van het woord, paviljoens, kunstmatige heuveltjes en ander architecturaal microreliëf. Ook de spontane plantengroei (flora, vegetatie) kreeg aandacht. Aan het opmeten en beschrijven van bomen werd relatief veel tijd besteed. Stamomtrekken kunnen tot op zekere hoogte als dateringsmiddel worden aangewend. Niet zelden kon een verband worden gelegd tussen de diverse generaties van aanplantingen en de opeenvolgende aanleg- en bouwcampagnes. Het belang van dit soort 'dendrochronologie' bij park- en tuininventarisaties werd al eerder benadrukt door Tom Williamson {Garden history and systematic survey, p. 59-78 in: Garden history. Issues, approaches, methods. Washington D.C., 1992). Archiefonderzoek is onontbeerlijk. Het archief van het kadaster bleek de voornaamste en vaak de enige beschikbare bron van historische gegevens. Bij de datering van gebouwen, landschapselementen, afbraak en heropbouw zijn de kadastrale opmetings- of mutatieschetsen (beschikbaar vanaf 1833) onmisbaar. Normaliter worden die opgemaakt binnen het jaar na de wijziging in de toestand van een perceel, maar soms gebeurt het dat er veel meer dan één jaar verloopt tussen een belangrijke verbouwing en de registratie ervan. Bovendien stelden we vast dat bepaalde wijzigingen in het landschap, bijvoorbeeld van contouren van vijvers of padentracés, in het geheel niet of pas veel later tot het kadastrale beeld zijn doorgedrongen. De datering bij middel van kadastrale gegevens werd dus zoveel mogelijk gecontroleerd en gecorrigeerd aan de hand van andere bronnen, zoals jaarstenen in de gevel, militaire topografische kaarten, getuigenissen van de eigenaars, notariële akten en andere historische bronnen. Met 'primitieve' kadasterkaart wordt de eerste kadasterkaart met de hedendaagse nummering (zonder exponenten) bedoeld, doorgaans opgesteld tussen 1815 en 1830, maar er werden ook diverse kadasterkaarten uit de Franse periode (1812, 181 3) teruggevonden, meestal met een perceelsnummering die afwijkt van de huidige. Het gaat dus niet noodzakelijk om de oudste kadasterkaarten. De 'primitieve legger' en 'primitieve eigenaar' refereren aan de eigendomstoestand en de perceelsbeschrijving, die in 1831 het uitgangspunt vormden voor het nog steeds vigerende systeem. Om 'primitief' in kadastrale zin te onderscheiden van de meer gangbare betekenissen, zullen we het woord met een hoofdletter schrijven: Primitieve kadasterkaart. Onderzoek van oud beeldmateriaal zoals prentbriefkaarten, familiekiekjes, etsen, litho's... bleek bijzonder vruchtbaar, omdat zij een inkijk geven in het dagelijkse leven tijdens de hoogdagen van tuinen en parken. Slechts in enkele gevallen - voor de tuinwijk 'Les Eaux Vives' te Kampenhout, het 'rijksdomein' (nu Bloso) te Zemst (Hofstade), de tuinbouwschool te Vilvoorde - was er een archief met ontwerpen, of aanlegplannen voorhanden; soms kon de naam van de ontwerper worden achterhaald.
Bevindingen Dit inventarisdeel beslaat acht Vlaams-Brabantse gemeenten ten noordoosten van Brussel met een totale oppervlakte van 1 73 vierkante kilometer en circa 148.000 inwoners. In dit gebied werden 57 objecten geselecteerd van zeer uiteenlopende aard, functie, historische achtergrond en schaal - van kleine viliatuinen van amper twintig are tot grote entiteiten zoals het domein Drie Fonteinen te Vilvoorde (circa 200 hectare) en het Torfbroek te Kampenhout (zowel het natuurreservaat als de would-be tuinwijk.
circa 1 30 hectare). Vilvoorde is de enige 'stad', maar de bevolkingsdichtheid (1.721 inwoners per km2) is er merkelijk lager dan in sommige gemeenten aan de Brusselse oostrand, bijvoorbeeld Kraainem (2.238 inwoners per km 2 ). De graad van verstedelijking en de verstedelijkingsdruk binnen dit gebied zijn in vergelijking met de rest van het Vlaamse gewest bijzonder hoog. Dit heeft uiteraard gevolgen voor het behoud en de houdbaarheid van de parken en tuinen, die in dit boek aan bod komen. Bij de vaststelling van de gewestplannen in de jaren 1970 werden ettelijke landgoederen geheel of gedeeltelijk - vaak de met hoogstammige bomen beplante randzone - ingekleurd als 'woongebied', al dan niet met een 'landelijk karakter'. Dat leidde en leidt nog steeds tot de opdeling van tuinen en parken in dure bouwpercelen en de vernietiging van een groot deel van hun historische beplanting. Slachtoffers zijn vooral de typische, eclectische villa's uit de belle époque, omringd door relatief bescheiden parkjes, maar waarvan het volume en de kleur van de boomkruinen beeldbepalend zijn voor de straat of de wijk. Met hen verdwijnen ook de getuigen van een woonvorm die typisch was voor de bourgeoisie in de steden en voor de notabelen in het dorp. De vastgoedprijzen zijn tijdens het voorbije decennium nagenoeg verdubbeld - een trend die door de nabijheid van Brussel nog wordt versterkt. De astronomische schadeclaims die bij een eventuele bescherming (als monument, dorps- of stadsgezicht of landschap) kunnen worden opgeworpen, verijdelen elke poging tot behoud. Alleen al op grond van de vigerende gewestplannen verkeren ongeveer een vierde van de tot nog toe geïnventariseerde objecten in VlaamsBrabant in een stedenbouwkundig precaire situatie - 10 van de 57 in dit boek besproken objecten. Paradoksaal genoeg is het ook juist dankzij de nabijheid van Brussel en - in mindere mate Mechelen, dat het hier besproken gebied vanaf 1600 bezaaid is geworden met 'speelhuizen' en buitenplaatsen, waarin de adel en later ook de stedelijke bourgoisie rust en ontspanning zocht. De Zennevallei ten noorden van Brussel oefende in de 1 7de en 1 8de eeuw een grote aantrekkingskracht uit. Nog steeds zijn wij ervan overtuigd dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken -zelfs na een ingrijpende landschappelijke, 19de-eeuwse 'fase' - in hoge mate schatplichtig zijn
aan de primitieve vorm of de functie van het object waaromheen ze aangelegd werden of gegroeid zijn. Landschapsgenetische aspecten wogen minstens even sterk door als stijl- of modetrends. Een tabel met een rudimentaire 'genetische' typologie en classificatie bevindt zich achteraan in het boek. De 'landschappelijke' heraanleg in de loop van de 19de eeuw is vaak niet veel meer dan recyclage van oude elementen: een beek wordt verbreed en opgestuwd zoals in het kasteelpark van Wilder te Kampenhout. De dubbelstructuur met de ringgrachten van de feodale motte blijft niet zelden nog duidelijk zichtbaar, zoals bij het kasteel van Ham te Steenokkerzeel. Op het relatief beperkte belang van brede cultuurstromingen, literaire teksten zoals de 'Georgica' van Vergilius, handboeken en essays over tuinaanleg om veranderingen in de tuin- en parkaanleg te verklaren, werd - in een Engelse context - reeds gewezen door de voornoemde Tom Williamson. In parken en tuinen wordt in de eerste plaats geleefd; financiële overwegingen, kostenafwegingen, recreatiebehoeften, landbouwstructuren en de economische en sociale structuur van de plaatselijke gemeenschap waren belangrijke vormdeterminanten. Geldgebrek, overlijden of veranderingen in de ruimere omgeving zoals de aanleg van een nieuwe steenweg, konden lang gekoesterde ambities en plannen doen verzanden of ombuigen. In het gebied komen diverse interessante voorbeelden van vroege landschappelijke aanleg voor. De 'jardins a l'anglaise' van de late 18de en de vroege 19de eeuw waren vaak het werk van een vooruitstrevende, door vooruitgangsidealen en geldgewin bezielde elite, die later ook met het Franse bewind samenwerkte of sympathiseerde. jean-Joseph Walckiers, die rond 1 780 aan de westrand van Vilvoorde in zijn landgoed 'Trois Fontaines' één van de oudste 'Engelse' tuinen van België creëerde, of bankier Maximilien Plovits die de mooie 'Franse' tuin in Sterrebeek met een brede, landschappelijk aangelegde strook omzoomde, zijn typische vertegenwoordigers van deze elite. Bij Wolfslinde in Eppegem duikt rond dezelfde tijd ook een hybride overgangsvorm op, die tot nog toe buiten ons blikveld was gebleven: een tuin met golvende contouren maar netjes symmetrisch en als onderdeel van een typisch 1 8de-eeuws stramien van 'vivre entre cour et jardin'. De revival van de regelmatig-
• geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw heeft in het inventarisgebied duidelijke e vroeg an se ap- s e n n a q e | a t e n Qe j n 2006-2007 gerenoveerde Franse tuin in het domein Drie Fonteinen te Vilvoorde pelijke rivier voor
'
^
-"
het impeikasteel is ongetwijfeld een spectaculair voorbeeld van de 'style Duchêne', naar de Franse tuinarchitecten te Eppegem v a c j e r (Henri) en zoon (Achille) Duchêne. Fragmenten van aanleg geïnspireerd o p de 'Nouveau jardin (foto 0. Paiiwels,
2008) pittoresque' - een Belgisch uitvloeisel van de 'Arts and Crafts'-beweging - werden opgetekend m het Park Feldheim te Zaventem en - vermengd met modernistische elementen - in het Bloso-domein te Hofstade. Van het tuinmeubilair, tuinvazen, beelden, paviljoenen... is in de meeste parken en tuinen weinig overgebleven en veel van wat werd aangetroffen, werd aangevoerd door de huidige, recente eigenaars. Dat is uiteraard niet alleen een gevolg van verwaarlozing. Antieke tuinornamenten liggen goed in de markt. Bij de situering, beschrijving en evaluatie van deze 'roerende' voorwerpen werd daarom enige discretie aan de dag gelegd. Het is niet eenvoudig om zich een beeld te vormen van de veranderingen en verwoestingen die de opeenvolgende uitbarstingen van de iepenziekte sinds de Eerste Wereldoorlog in onze parken en in het landschap in het algemeen hebben aangericht. De laatste ons bekende iependreef in VlaamsBrabant - bij het kasteel van Meerbeek te Meisbroek, de huidige 'Brabantse Golf' - is afgestorven in 1983. De enige min of meer dikke iepen binnen het hier beschouwde gebied werden teruggevonden in het domein Drie Fonteinen te Vilvoorde, maar de wortelopslag van iep, die we in talrijke parken hebben aangetroffen, getuigt van zijn voormalig belang als park- en laanboom. Het onderzoek van historische tuinen en parken is tot op zekere hoogte een vorm van archeologie: de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaal-economisch bestel dat sinds de Tweede Wereldoorlog tot het verleden behoort. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals hagen en prielen - zijn dan ook de regel. De naoorlogse 'superette' heeft bovendien een fatale slag toegebracht aan de groente- en fruittuinen, die een belangrijk onderdeel vormden van nagenoeg alle tuinen en parken.
Roger Deneef
1VI&L
<
Roger Deneef & Jan Wouters
KAMPENHOUT (BERG, KAMPENHOUT, NEDEROKKERZEEL): TORFBROEK & TER BRONNEN A H O R N B O M E N L A A N , E E K H O O R N L A A N , E C E L L A A N , F A Z A N T E N D A L , C L I M W O R M L A A N , KASTEELLAAN, L E N T E L A A N , M E E R L A A N , NEERSTRAAT, P A T R I j Z E N L A A N , TER B R O N N E N L A A N , VAN B E L L I N C H E N L A A N , VISSERIJLAAN, 1 9 1 0
KAMPENHOUT
• De grote vijver in het natuurreservaat, uitgegraven rond 1940 (foto 0. Pauwels, 1995)
Het natuurreservaat Torfbroek, Ter
als dusdanig, met diverse woningtypen
Bronnen (Zoet Water) en de verkave-
(van 'hotel de maitre' in Lode wijk XVI-
ling 'Les Eaux Vives' vormen historisch
stijl tot modernistische bungalows) en
gezien één geheel van circa 130 hectare. Over het hele gebied komen relicten voor van de poging in de jaren 1930 om het Torfbroek tot een elitaire
'cité-jardin'
parkachtige aanplantingen (ook in het reservaatgedeelte), maar ook de grote vijver van het reservaat en deze van Ter Bronnen. De verkaveling bleef per toeval beperkt tot het oostelijke gedeelte van
(vermoedelijk naar ontwerp van tuinar-
het Torfbroek en slechts enkele gebouwen
chitect Auguste Delvaux) om te vormen
werden volgens het oorspronkelijke ont-
- niet alleen het verkavelingsconcept
werp gerealiseerd.
"Er zijn heel wat mensenhanden nodig om het eruit te laten zien alsof het door geen mensenhand beroerd is" (1). Als deze boutade van Midas Dekkers ergens op toepasselijk is, dan is het wel op het natuurreservaat Torfbroek te Berg. De argeloze bezoeker van dit ogenschijnlijk ongerepte natuurgebied kan zich nog slechts met moeite een idee vormen van de ingrijpende en grootschalige verstoringen die het tot in een vrij recent verleden, nauwelijks een halve eeuw geleden, heeft ondergaan. Aan de erkenning als natuurreservaat in 1981 en de bescherming als landschap in 1996 gaat een veelbewogen geschiedenis vooraf, die — zeker als men de bemoeienissen van de overheid tijdens de laatste honderd jaar beschouwt - soms zweemt naar het blijspel. Geologie, hydrografie, bodem Het Torfbroek-reservaat is gesitueerd tussen de hoogtelijnen 14 en 15 m, op een relatief dunne laag 'oud alluvium' (2), waarin ook ontsluitingen van of bijmengingen met kalkrijk Brusseliaan zand voorkomen. In tegenstelling tot recent alluvium vertoont oud alluvium een profielontwikkeling, in dit geval een zwartachtige humushorizont (3). Dit alluvium maakt deel uit van een oost-westgerichte depressie, een fossiele riviervallei, waarvan het westelijke gedeelte momenteel via een aantal secundaire beken naar het bekken van de Zenne afwatert en het oostelijke gedeelte naar de Dijle. Het Torfbroek behoort tot het oostelijke gedeelte. Het verloop en de structuur van deze vallei zijn duidelijk zichtbaar op de oude geologische kaart (4). Van Esbroeck (5) veronderstelde dat het ging om een oude loop van de Dijle, die ten noorden van Vilvoorde in de Zenne uitmondde en die in het verlengde lag van de door Stevens veronderstelde " ancienne vallée du Zwarte Beek" of oerDemer (6).
Sinds de verkaveling van het Duistboscomplex (Perk, Steenokkerzeel, Berg) aan het einde van de jaren 1960 is het Torfbroek, samen met het aangrenzende domein Ter Bronnen, één van de weinige gedeelten van deze vallei waar nog belangrijke oppervlakten natuur- en bosgebied bewaard bleven. Westwaarts vinden we alleen nog het Hellebos (Berg) en het Floordambos (Meisbroek); oostwaarts, op de grens van Nederokkerzeel en Erps-Kwerps, het Silsombos.
Trice /f />/</J jncitn du Démer et de IJ Nitne VWUCOL Bombcments ou dii/oations Trace* des dermers grtndi
•
nord-sud méandrts
Het Torfbroek (door ons rood
aangestipt) en de loop van de oude
,.., r> 1 ••• i j J c Demer volgens Van lijk v o o r B e l g i ë , v o o r a l t e n n o o r d e n v a n d e S a m Esbroeck (1935) ber-Maaslijn. De pH-metingen in het Torfbroek geven zeer uiteenlopende waarden te zien. De hoogste waarden (tot 8,3) werden geregistreerd in een rietland met padderus (Juncus subnodulosus) bij de afloop van de grote vijver van het huidige Torfbroekreservaat. Plaatselijk komen echter ook zuurminnende, boven het grondwater uitstijgende vegetaties voor met pijpenstrootje {Molinia caeruled) en veenmossen {Sphagnum spec.) (7). De grondwaterstand in het Torfbroek is het hele jaar door hoog, wat tot uiting komt in de vochttrappen d ('matig gleyig') tot f ('zeer sterk gleyig met reductiehorizont') op de bodemkaart. Het grootste gedeelte van het Torfbroek wordt op de bodemkaart als 'vergraven terrein' aangeduid. Dit verwijst niet zozeer naar de historische turfwinning die er eeuwenlang een belangrijke &
&
5
J
Berg en het gebruiksvorm was, dan wel naar de werken die Torfbroek met drie tussen 1930 en 1960 werden uitgevoerd met het viivertjes, vermoedeoog op de aanleg van een uitgestrekt recreatief ^ vlasrootPlltten' 0 de . l i l P Ferrariskaart en residentieel complex, loen de bodemkarteer- (1771.1775)-rechts d e r s a a n h e t e i n d e v a n d e j a r e n 1 9 5 0 h e t g e b i e d onderaan het verdwenen kasteel van Nederokkerzeel
/f
Tussen de flora van het Torfbroek en deze van bovengenoemde bossen is er een zekere gelijkenis: ze bevatten allebei vegetaties die kenmerkend zijn voor voedselarme, kalkrijke, basische graslanden en laagveenmoerassen. Deze situatie is uitzonder-
M&L
in 1931-1932 (ICM. 1894-1895 en 1936)
bezochten, waren deze vergravingen nog duidelijk zichtbaar. Voor de randzone van het 'vergraven' Torfbroek worden natte, oud-alluviale, humusrijke leembodems aangeduid (8). De waterhuishouding van het Torfbroek wordt gekenmerkt door aanzienlijke verticale waterbewegingen (kwel), die niet overal in het reservaat even sterk zijn; op sommige plaatsen zijn ze zelfs afwezig. Deze kwel wordt uitsluitend gevoed vanuit de zuidelijke leem- en zandleemplateaus (9). De zandleemkouters ten zuiden van het reservaat spelen dus een essentiële rol in de waterhuishouding en de waterkwaliteit in het reservaat. Waar en in welke mate grondwater in de buurt van het maaiveld komt, wordt bepaald door het microreliëf en door de porositeit en de waterberging van de opeenvolgende bodemlagen. Omdat de ondergrond rijk is aan kalk en ijzer, is ook het kwelwater rijk aan deze stoffen. Het water is bovendien arm aan fosfaat (dat door ijzer wordt neergeslagen), waardoor gespecialiseerde soorten goed kunnen gedijen. Ze ondervinden weinig concurrentie van meer courante soorten, die juist een bepaalde fosfaatconcentratie nodig hebben (10). De onvergelijkelijke rijkdom van soorten en levensgemeenschappen die momenteel in het gebied wordt waargenomen, krijgt een surrealistische dimensie als men de geschiedenis van het gebied beschouwt.
Het Torfbroek tijdens het Oude Regime De naam Torfbroek verwijst vermoedelijk naar de historische turfwinning in het gebied (11). Rond 1200 was het een eigengoed (allodium) van de hertogen van Brabant. In 1248 schonk Hendrik III het vruchtgebruik van het "Laar" - zoals het toen nog heette - aan de bewoners van Berg en Nederok-
kerzeel. Ze mochten er in ruil voor militaire hulp en een jaarlijkse vergoeding in geld en in natura turf steken, hun vee weiden, riet snijden, vissen, brandhout hakken. Alleen het jachtrecht bleef aan de hertog voorbehouden (12). Herhaaldelijk rezen er twisten over het gebruik van het Torfbroek en sommige incidenten hebben expliciet betrekking op de turfstekerij. O m geschillen te beslechten stelde de hertog, mogelijk al bij de schenking in 1248, een "torfmeyer" aan die belast was met het bestuur van het gebied en die door schepenen werd bijgestaan. Hij bepaalde waar men hout mocht kappen, turf steken of vee laten grazen. Hij was ook verantwoordelijk voor de verdeling van de vis, als eenmaal per jaar, op 29 juni, het feest van SintPieter, de vijvers werden geledigd. In 1601 werd de Moergracht gegraven, een nog bestaande gracht die zich duidelijk aftekent op de Ferrariskaart (1771-1775) en die tot 1976 de grens tussen Berg en Nederokkerzeel vormde. In 1634 werd het gebied opgemeten en in twee, ongeveer gelijke delen verdeeld. De in gemeenschappelijk overleg geplaatste 'valvekens' of vloedplanken moesten onderhouden worden door de gemeente van wie ze afhingen. In de verdelingsakte worden een aantal vijvers en sloten bij name genoemd: Kuilvijver, Paardevijver, Vlasbeek, Moergracht (13). In de vijvers werd tot laat in de 19de eeuw ook vlas geroot en op een groot grasveld aan de rand van de Moergracht werd lijnwaad gebleekt. Uit diverse bronnen kan worden opgemaakt dat de vlasteelt en de lijnwaadproductie aan het einde van de 18de en in de 19de eeuw een meer dan lokaal belang hadden (14). O p de Ferrariskaart zijn drie putten of vijvers te zien, elk circa 120 m lang en 25 m breed.
te midden van een grotendeels bebost gebied met enkele ontsluitingswegen die een onregelmatig tracé volgen. Het Torfbroek in de 19de eeuw Op de Primitieve kadasterkaart - niet gedateerd maar hoogstwaarschijnlijk tussen 1826 en 1830 opgemaakt — verschijnt het gebied met een strakke, rechtlijnige structuur: een kruisvormig drevenpatroon met perifere dreven in het gedeelte Berg, een loodrechte dreef (de " Veld Baan leidende naar Bergh") die de valleibodem volgt in het gedeelte Nederokkerzeel. De drie vijvers bestaan nog en iets meer naar het noorden is er bovendien nog een vierde, trapeziumvormige vijver verschenen. Dit patroon vinden we terug op alle 19de-eeuwse kaarten en zal op enkele details na ongewijzigd blijven tot in de jaren 1930. Dit geldt ook voor het bodemgebruik. Van turfwinning wordt in de vroegste leggers van het kadaster (circa 1831) geen gewag meer gemaakt. De boorden van de drie oude vijvers en de dammen ertussen worden getaxeerd als hooiland, maar het merendeel van de percelen wordt aangeduid als 'hakhout'. De houtopbrengst speelde vanouds een belangrijke rol in de exploitatie van het Torfbroek, zoals documenten uit 1646 en 1731 suggereren. Rond 1820 werden volgens de botanici Thielens en Wesmael grote stukken van de moerasbossen van het Torfbroek gekapt en werden met het oog op bodemdrainage vijvers gegraven. Rond 1860 waren deze vijvers verland tot moerassen, waarin zeldzame plantensoorten gedijden (15). Ook andere bronnen wijzen op ingrijpende ontwikkelingen in de periode 1820-1830. In een voorbereidend rapport van het kadaster met het oog op de classificatie van de eigendommen wordt in 1833 een groot, centraal gelegen perceel van de gemeente Berg (nr. 374, groot 7 ha 37 a) beschreven als een middelmatig elzenhakhoutbos {"Moerassige grond; soort van elzeboomen, op veele plaatsen van grondstammen ontbloot; het opschieten is zeer langzaam'). De vermelde drie vijvers "bevatten geen visch" en worden getaxeerd als bos van derde klasse, zoals de rest van het Torfbroek (16). Voer voor botanici Het geciteerde artikel van Thielens en Wesmael, dat in 1862 gepubliceerd werd in het bulletin van de pas gestichte 'Société Royale de Botanique de Belgique', illustreert in ieder geval de vroege belangstelling voor het gebied onder — vooral Brusselse — botanici (17). Heel wat herbariummateriaal
"Prairies morécogeu-
is bekend uit deze periode; zeldzaamheden als r
'.
' ,,
westeli|ke gedeelte
mosorchis {Liparis loeselii) werden in groten getale van het Torfbroek in h e r b a r i a g e d e p o n e e r d ( 1 8 ) . U i t h e t begin v a n d e g"™ door botanim 20ste eeuw zijn ook de vermeldingen en foto's van 'nn de vooraanstaande botanicus Jean Massart (18651925) belangrijk (19). In welke mate de teloorgang van de vlasteelt in de regio rond 1880 het onderhoud van de grachten en vijvers heeft beïnvloed, valt moeilijk uit te maken. De nutswaarde voor de lokale gemeenschap was in 1896 blijkbaar zo gering geworden, dat een poging van de gemeente Schaarbeek om een deel van het Torfbroek aan te kopen om er een stort aan te leggen, slechts op de valreep en dankzij lobbywerk van de Brusselse botanici kon worden verijdeld. Gedurende de Eerste Wereldoorlog lijkt andermaal een groot gedeelte van de moerassen en bossen verwoest te zijn (20). De gemeentebossen ontsnapten immers niet aan grootschallige vellingen, zoals gesuggereerd wordt in een bericht uit 1918 van de klompenafdeling ^Abteilung Holzschuhe') van de aankoopdienst van het Duitse leger, waarin de gemeente Berg wordt aangemaand om voor de dag te komen met 300 canadapopulieren. Uit de kadastrale leggers blijkt daarenboven dat meer dan twee derden van het gemeentebos van Nederokkerzeel tussen 1905 en 1917 was omgezet in akkerland. Aan het einde van de oorlog viel ook voor het eerst het woord "cité-jardin"...
De 'Compagnie immobilière de Campenhout' O p 1 september 1928 besliste de gemeenteraad van Berg eenparig om het Torfbroek te verkopen aan de naamloze vennootschap 'Compagnie immobilière de Campenhout et extensions' (21). De gemeente was zelf niet in staat om haar deel van het Torf-
broek op een winstgevende manier te ontginnen en haar financiële situatie was op dat moment weinig rooskleurig. 'Plantkundig' protest was ditmaal tevergeefs. Het Bergse Torfbroek ging op 25 april 1932 voor 200.000 frank - exclusief 35.000 frank vergoeding voor de nog niet kaprijpe bomen - over in handen van de 'Compagnie immobilière', alleen of, voor sommige percelen, in combinatie met twee andere venootschappen, 'Moniat' en 'Pêcheries des Eaux-Vives', o f - althans in de beginfase - met de gemeente (22). In deze diverse constructies staat één figuur centraal: Edouard Van Bellinghen (23), telg uit een Kampenhouts notarissengeslacht, die al in 1918 nagenoeg het hele broek op grondgebied Nederokkerzeel had weten te verwerven, inclusief het voormalige gemeentebos. In 1919 wordt dit alles overgedragen aan de 'Société en commandité simple Van Bellinghen et Compagnie'. Een 15 m brede strook rond het Torfbroekblok werd non aedificandi verklaard en zou een beboste gordel vormen rond de aan te leggen woonwijk. Industriële vestigingen werden formeel uitgesloten. De transformatie van het Bergse Torfbroek en het voormalige gemeentebos van Nederokkerzeel kwam uiterst moeizaam op gang. In de verkoopakte werd bedongen dat de nieuwe eigenaar binnen een termijn van vier jaar voor minstens 300.000 frank aan drainage- en wegeniswerken moest uitvoeren, op straffe van 100.000 frank boete. Uit het verslag van de beheerraad van de Compagnie van 16 juni
Het oorspronkelijke kavel- en aanlegplan van het domein 'Les Eaux Vives' - noorden onder (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
CAMSCTI-OUT
M&L
1931 blijkt dat er op het grondgebied Nederokkerzeel al werken waren uitgevoerd: "«« bassin guéable pour les enfants, [...] un kiosque en pierre qui s'avance dans Ie lac, [...] un embarcadère" etc. Het gaat ongetwijfeld om de oostelijke vijver (circa 1,5 hectare), momenteel bekend als 'Zoetwater' of 'Ter Bronnen'. Uit de stafkaart van 1931 (ICM, 1950) blijkt bovendien dat de oostelijke 'ellips' (cf. infra) ook al was aangelegd. Maar de wereldwijde economische crisis gooide roet in het eten. De activiteit was in dat jaar beperkt gebleven tot de bouw van de "villa anglaise" of het "Castel Tudof, dat voorbestemd was als restaurant, en tot de verkoop van slechts twee bouwterreinen. De toon in de daaropvolgende verslagen wordt zo mogelijk nog somberder. Uit het verslag van 1934 blijkt dat de Compagnie de bouwverplichting die bij elke verkoop moest worden bedongen, aanzienlijk versoepelde om de aangeboden percelen ook interessant te maken als belegging. Bovendien ging ze zelf ook kredieten verstrekken. O p de kadasterkaart van 1935 en op de stafkaart van 1936 wordt het gebied nog vrijwel in zijn oorspronkelijke vorm weergegeven, behalve de genoemde vijver in Nederokkerzeel. De enkele gebouwen die in deze beginperiode werden opgericht, kaderen echter in een ruim opzet.
Les Eaux Vives Twee documenten werpen een licht op dit merkwaardige stedenbouwkundige project. Het eerste is een verkavelingsplan getiteld "Les Eaux
< 'Castel Tudor', oorspronkelijk bedoeld als restaurant (foto 0. Pauwels, 2008)
Vives", waarop de genummerde kavels, hun diverse bestemmingen en de verschillende types van huizen staan aangeduid: "cottages normands ou anglaif, "hotels de style classique frangais\ "villas modernes", "bungalows" met en zonder etage. In het oostelijke gedeelte van het domein worden een dertigtal kleine percelen bestemd voor "maisons de commerce" en zelfs een " garage public". O p het gedeelte Berg zullen twee vijvers worden gegraven. Een grote vijver (4,5 ha) is bestemd voor "canotage", met een eilandje en een oostelijke appendix voor "natation". Het zuidoostelijke gedeelte van het huidige natuurreservaat wordt in beslag genomen door een uitgestrekt zonnestrand ^solarium", circa 2 ha), dat aansluit bij een hotel met garage en bij een complex van vijf tennisvelden (1,5 ha). Ten westen van de grote vijver zal een tweede, kleine, vijver (1,5 ha) worden gegraven, die bestemd is voor "pêcherie". Tussen de twee vijvers wordt een 300 m lange strook gereserveerd als parkeergelegenheid voor 400 auto's, die op één punt ontsloten wordt via één van de grote assen die op de huidige kadasterkaart nog steeds als " Visserijlaan" staat aangeduid. Aan het noordelijke uiteinde van de visvijver wordt een "<:^/?"voorzien. O p het gedeelte Nederokkerzeel wordt een derde vijver (eveneens 1,5 hectare) gegraven, andermaal een bootjesvijver met een zwemzone en, aan de zuidelijke oever, een "plage" met een achthoekige, gloriëtteachtige "tearoom". In de marges van een bepaalde versie van het plan worden enkele van de voorziene types van gebouwen afgebeeld: een bungalow, een "hotel
de maitre" en het "Castel Tudor" in de gelijknamige stijl en, volgens het onderschrift, voorbestemd tot restaurant. Idyllische gezichten {"un coin du lac", "la grande drève") moeten kopers lokken. Het domein 'Les Eaux Vives' beslaat niet alleen het Bergse Torfbroek en het gemeentebos van Nederokkerzeel maar strekt zich oostwaarts uit tot het noordelijke gedeelte van het Listerveld en tot wat op de oude kadasterkaarten staat aangeduid als de 'Bies Eussels'. De algemene vorm of structuur kan het best vergeleken worden met een tot 130 hectare uitvergrote amoebe: de vloeiende, gebogen lijn overheerst. Daarop slechts één uitzondering: de toekomstige Van Bellinghenlaan, die vanaf de Haachtsesteenweg lijnrecht tot in het hart van het vermoedelijk duurste, meest chique en bijna uitsluitend residentiële gedeelte van het domein doordringt, als een 'voie triomphale', met (soms dubbele) rijen bomen afgezoomd. De statige "hotels de mattre" aan weerszijden moeten duidelijk maken dat we hier met een elitaire variant van de tuinwijkgedachte te maken hebben. Hier bevinden zich de grootste percelen (30 tot 50 are) en het model dat wordt afgebeeld op het kavelplan, vooral het mansardedak met de oeils-de-boeuf, roept een vage herinnering op aan de tijdens de wederopbouw populaire Lodewijk XVI-stijl. Ten oosten van de Van Bellinghenlaan (links op het plan), die als de grote as van een ellips kan worden beschouwd, krijgt het domein een meer
M&L
• Het met pergola's omgeven zwembad bij het 'Castel Tudor' in de |aren 1940 (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
bucolisch karakter; Anglo-Normandische cottages vormen de overgang naar de landelijke omgeving. Ten westen van de laan (rechts op het plan) ligt een klein handelscentrum. De grootte van de 26 perceeltjes (200 tot 240 m 2 ) suggereert gesloten bebouwing gegroepeerd rondom een verkeersplein. Direct hierop aansluitend ligt de 'modernistische' wijk, ongetwijfeld bedoeld voor minder kapitaalkrachtige gegadigden, want de gemiddelde perceelsgrootte bedraagt nog slechts 10 are en in de marge van het plan wordt geen model afgebeeld. De ontsluiting van de zone voorbestemd voor de bungalows (ook hier is de gemiddelde perceelsoppervlakte 10 are) en van de vijvers met de infrastructuur voor recreatie, gebeurt via twee parallelle dreven, die vertrekkend vanuit de Van Bellinghen-ellips in een grote bocht het dal volgen en vlakbij de gemeenteschool van Berg taps op • elkaar toelopen om vereend maar minder feestelijk De enige 'bungalows' d a n i n d e F r a n s e -^ ( d u b b e l e dreefl) t e r u g die volgens het j Ti i i naar de oorspronkelijke fiaaditse steenweg te lopen, tot aan een ontwerp werden tramhalte. gebouwd (foto 0. Pauwels, 2008)
1VI&L
In de tijdschriften betreffende architectuur en stedenbouw uit die periode {L'Emulation, Le Document, Bdtir, La Cité, Le Home, Urbs Nova...) wordt met geen woord over dit project gerept, enigszins merkwaardig gezien de schaal en de ambities. Over de ontwerper van het plan is niets bekend. Een sterk vermoeden wijst in de richting van Auguste Delvaux, die als 'architecte-paysagiste' en als lid van de beheerraad in een gezelschap van wisselagenten en bankiers enigszins in het oog springt. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om dezelfde Auguste Delvaux die rond 1910 een 'Franse' tuin had aangelegd voor het kasteel van Kleerbeek te Houwaart en dat van Saffelberg te Gooik (24). Zijn stijl was intussen duidelijk geëvolueerd naar een meer robuuste lijnvoering, die aansluit bij de modernistische concepten van het interbellum, maar het is moeilijk om grootschalige stedenbouwkundige projecten te vergelijken met parterretuinen. Vergelijkbaar qua opzet, maar veel bescheidener qua oppervlakte (23,5 ha), is wellicht de verkaveling 'La Cure' te La Gleize nabij Spa - "Enfin une cité de repos dans la FagneF (25). Ook daar worden villa's in diverse stijlen Cstyle ardennais, basque provengal, moderne"), sportinfrastructuur en een nadrukkelijk groen kader aangeboden. Dat bomen een belangrijk ingrediënt zijn, blijkt niet alleen grafisch uit het plan, maar ook uit het bijbehorende typelastenboek van 30 oktober 1930 (26). De toekomstige eigenaars of huurders zullen moeten gedogen dat wortels en takken van de door de Compagnie aangeplante bomen zich ten volle ontwikkelen, ook in of boven de aanpalende privétuinen. Ze kunnen zelfs verantwoordelijk worden gesteld voor de aftakeling van deze bomen als die in verband kan worden gebracht met een eventuele fout of kwade wil van hun kant. Deze maatregel geldt ook voor de privétuinen als het bomen betreft die in de verkoopakte als te behouden staan aangeduid. De maatschappij kan evenmin verantwoordelijk gesteld worden voor eventuele schade veroorzaakt door vallende bomen of takken. Inbreuken worden met 300 frank per stuk beboet, de waarde van de vernietigde boom of aanplanting niet meegerekend. Nog andere bepalingen benadrukken het groene karakter van de toekomstige verkaveling. De afsluitingen langs de wegen zullen bestaan uit levende hagen, die niet hoger mogen zijn dan 1,15 m. De maatschappij zal de samenstelling ervan bepalen en ze zelf aanplanten, onderhouden en zo nodig vernieuwen op kosten van de eigenaars. De andere kavelafsluitingen vallen onder vergelijkbare bepalingen, maar de hoogte wordt er vastgesteld op 1,50 m.
Miskenning In die periode komt ook de wettelijke bescherming ('klassering') van het Torfbroek voor het eerst ter sprake. Het oudste stuk in het dossier van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) dateert van 26 juni 1932. Het betreft een brief van de Brusselse amateursvereniging 'Le Jardin d'Agrément', waarin de aandacht wordt gevestigd op de geplande ontwatering van "le fond de Berg (27). Omwille van de orchideeënrijkdom en steunend op de evaluatie van professor Jean Massart in zijn geruchtmakend artikel 'Pour la protection de la nature en Belgique' uit 1913, zowat het manifest van de ontluikende natuurbescherming in België, wordt om de bescherming van het gebied gevraagd (28). Door het overlijden van de door de KCML aangeduide rapporteur, Georges Naveau, directeur van de Kruidtuin te Antwerpen, blijft deze brief voorlopig zonder gevolg. Er komt pas echt leven in de brouwerij in mei 1933, na brieven van de 'Federation Nationale Pour la Defense de la Nature' (29), waarin gewaarschuwd wordt voor de mogelijke omvorming van het Torfbroek tot " cité-jardin . Een inspectieopdracht wordt toevertrouwd aan de toen al 75-jarige René Stevens, alias 'Le Sylvain', schilder en in 1910 stichter van 'les Amis de la Forêt de Soignes'. Het verdict valt op 31 oktober 1933 en is negatief: ondanks de bijzondere flora hebben de op dat moment al uitgevoerde werken — vooral de drainering — de waarde van het gebied al zo aangetast, dat het sop de kool niet meer waard wordt geacht (30). Een jaar later wordt de zaak opnieuw aan de orde gesteld, maar omdat de op dat ogenblik uitgevoerde werken het gebied - volgens de verslaggevers - onherstelbaar hadden vernietigd, was de conclusie weer negatief. De spectaculairste ingrepen stonden echter nog te gebeuren. Na de eerste vijver, die op het grondgebied Nederokkerzeel werd uitgegraven, volgens het hierboven beschreven plan en in de vorm waaronder hij nu nog steeds herkenbaar is, zowel op de kadasterkaart (perceel 81a) als op het terrein, volgden op het grondgebied Berg - het huidige reservaat - de twee andere geplande vijvers. In de kadastrale opmetingsschetsen van 1945 heeft het gebied ongeveer zijn huidige vorm. Met deze laatste uitgraving verdween de rest van het gebied onder een laag leem of humusrijk leem. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het Torfbroek bovendien als legerplaats gebruikt door achtereenvolgens Duitse, Engelse en Belgische troepen en sommige delen werden in akker omgezet, maar ook dan bleven botanici
A Getuige van een vergeten project:
belangstellen in het gebied en werden er nog uitgebreide soortenlijsten opgesteld (31).
de aanlegsteiger bij de vijver van Ter Bronnen, oevervegetatie
Van Bellinghens project kwam intussen hoe langer hoe meer in de verdrukking. Naast de trage start tijdens de ctisis- en oorlogsjaren, waardoor het concept en vooral de opgelegde architectuur al snel gedateerd waren, speelden de bodemgesteldheid en de stringente bepalingen van het lastenboek ongetwijfeld een belangrijke rol in de verbrokkeling van het oorspronkelijke opzet. Van de voorziene woningtypen werden slechts enkele exemplaren gebouwd. Het 'Castel Tudor' met zijn door pergola's omringde zwembad staat er nog steeds, maar niet als restaurant. In de omgeving zijn er ook nog twee cottages — een grote en een kleine - die overeenstemmen met de voorziene modellen en in de Lentelaan staat een bungalow die het evenbeeld is van het type dat op het verkavelingsplan wordt afgebeeld. In het zog van het financiële debacle van de 'Compagnie immobilière', verschenen er ook kapers op de kust die op eigen houtje percelen gingen verkopen zonder acht te slaan op het lastenboek van 1930. Dit gaf aanleiding tot bittere polemieken, waarin de partijen elkaar van "jésuitisme"
met gallgaan op de voorgrond (foto 0. Pauwels, 1995)
M&L
De verkaveling van Van Bellmghen, de vijver van Ter Bronnen en - links onderaan - het Torfbroekreservaat
en "vacherie" beschuldigden in pamfletten die werden rondgedeeld onder de toen nog schaarse bewoners van het domein (32).
op een satelletfoto (Google Earth, 2008)
Tegen deze achtergrond moet in 1962 een derde beschermingsvoorstel gesitueerd worden. In een rapport aan de KCML wordt de bescherming voorgesteld van het gebied rond de oostelijke vijver, wat nu als 'Ter Bronnen' (Nederokkerzeel) wordt aangeduid. De verslaggevers steken zonder enige terughouding de loftrompet over deze "rustige plek natuurschoon en over de ontwerper van het domein, die, "lang voor er ooit sprake was van een oordeelkundige stedebouw, [heeft] willen aantonen hoe van een bepaald landschap kon gebruik gemaakt worden om het als bouwgelegenheid aan te wenden en tevens het natuurschoon te eerbiedigen . Paradoxaal genoeg wordt in dit verslag gepleit voor een verlaging van het waterpeil van de vijver met minstens 20 cm, want dit wordt ten pleziere van de vissers "abnormaal hoog gehouden en dit " belet de normale plantengroei en veroorzaakt de ziekte en het omvallen van de omstaande bomen . Desondanks is de conclusie ook deze keer negatief: op 6 december 1962 oordeelt de KCML dat, gezien de "voortdurende verkaveling, noch het Bergse Torfbroek noch het domein Ter Bronnen nog voldoende belang hebben om voor bescherming als landschap in aanmerking te komen.
Ter Bronnen Een beschrijving van de huidige toestand van de "rustige plek natuurschoon, die door de verslaggevers van de KCML zo op prijs werd gesteld, meer dan het nog sterk door vergravingen getekende Bergse Torfbroek, is hier misschien op haar
M&L
plaats. Waar de aanleg en de verkaveling van het westelijke gedeelte, op het grondgebied Berg — het latere natuurreservaat — in een vroeg stadium bleef steken, namelijk de Torfbroeklaan en de aanzet van de met witte paardenkastanjes beplante dreef die de Visserijlaan had moeten worden, kon het oostelijke gedeelte met de zegen van de diverse edities van het gewestplan - van voorontwerp tot definitieve versie — grotendeels worden verkaveld. O p de meeste percelen ten oosten van de Neerstraat, die Berg met Nederokkerzeel verbindt, werden villa's gebouwd, slechts enkele exemplaren in overeenstemming met de door Van Bellinghen opgelegde modellen. De oeverzone rond de oostelijke, voor 'canotage' bestemde vijver bleef van bebouwing gespaard, op het nog bestaande, achthoekige aanlegsteigertje na. Rond deze vijver zijn nog vele andere tekenen van parkaanleg aanwezig, met name diverse, meestal in groepjes aangeplante, exoten als westerse levensboom {Thuya occidentalis), reuzenlevensboom {Thuya plicata Zebrina'), diverse variëteiten van Chamaecyparis lawsoniana, sevenboom {Juniperus sabind), taxus {Taxus baccatd), Cupressocyparis leylandii, Corsicaanse den {Pinus nigra subsp. laricio) en Italiaanse populier {Populus nigra 'Italica'). Het meest opvallende element is een plantsoen met laagvertakte, knoestige beuken {Fagus sylvatica). De vijver is van de omgevende villapercelen afgescheiden door dreven van laurierwilg {Salix pentandrd) - op één exemplaar na recentelijk gekapt -, witte esdoorn {Acer saccharinuni) langs de Ahornbomenlaan en - in een recent verleden eveneens verdwenen en gedeeltelijk door berk {Betuia pendula) vervangen - beuk en schietwilg {Salix alba).
In een gebied van nauwelijks 5,5 hectare vinden we als het ware een botanisch resumé van het Torfbroekreservaat. Ter Bronnen bestaat voor ongeveer één derde uit water, omgeven met moerassige grond. Talrijke zeldzame soorten en gemeenschappen van het Torfbroek komen ook hier voor, onder meer padderushooilanden met parnassia {Parnassia palustris), grote muggenorchis {Gymnadenia conopsed), schubzegge {Carex lepidocarpd) en moeraswespenorchis {Epipactis palustris), riet-verlandingsvegetaties met galigaan {Cladium mariscus), een soort die pas recentelijk in het Torfbroekreservaat opdook, en andere uiterst zeldzame soorten van voedselarme, kalkrijke, basische laagveenmoerassen als armbloemige waterbies {Eleocharis quinqueflord) en moeraszoutgras ( Triglochin palustre) of van licht zure bodems als addertong {Ophioglossum vulgatum). Een interessante soort die zich tijdens de laat-
ste jaren heeft uitgebreid is kattendoorn (Ononis spinosd). In de struwelen komt ten slotte een areaalgrensgeval voor: spekwortel (Tamus communis). Natuurreservaat 'Het Torfbroek' De informatie over het gebied in de periode 19451970 blijft bepetkt tot een artikel in een heemkundig tijdschrift en enkele niet gepubliceerde gegevens (33). Grote delen van het gebied werden nu en dan gemaaid; het maalsel werd onder andere gebruikt om witlof af te dekken. O p enkele plaatsen aan de zuid- en westrand van het gebied werd gestort, onder andere puin afkomstig van de luchthaven van Zaventem. Ten oosten van het huidige reservaat werd de visvijver 'Het Torfbroek' gegraven en op enkele percelen ten zuiden van het reservaat werden buitenverblijven opgetrokken. Een verdere uitbreiding van deze bebouwing kon echter door de actie van plaatselijke natuurbeschermers verhinderd worden. De andere percelen werden tot in het begin van de jaren 1970 door paarden begraasd en vervolgens aan hun lot overgelaten. In 1970 werd een nieuw plan voor de verkaveling van het Torfbroek ingediend, maar door het toenmalige bestuur van de stedenbouw verworpen. In het antwoord van de gemachtigde ambtenaar werd verwezen naar het voorontwetp van gewestplan, waarin het Torfbroek werd aangeduid als "natuurpark" en "te behouden landschap en site". Het aanpalende Ter Bronnen kreeg eveneens een bestemming als natuurpark maar daarenboven een omgrenzing als "afwerkingszone", dit is een gebied "waar, gezien de feitelijke toestand, het wonen wordt toegelaten met behoud van de prioriteit van de bestemming aangegeven door de grondtoon . Enkele jaren later werd 18 ha van het huidige Torfbroek aangekocht door de toenmalige 'randfederatie' Zaventem, met de bedoeling er een centrum voor passieve recreatie in te richten. Na de afschaffing van de federaties kwam het gebied weer in gemeentelijke handen, ditmaal van de fusiegemeente Kampenhout. O p 1 januari 1977 werd een contract afgesloten tussen de private natuurbeschermingsvereniging 'Belgische Natuur- en Vogelreservaten', voorloper van het huidige 'Natuurpunt', en de gemeente, waardoor eerstgenoemde het gebied voor een periode van 30 jaar in beheer kreeg. Eind 1989 werd er een nieuwe beheersovereenkomst afgesloten voor het niet verkavelde gedeelte van het domein Ter Bronnen. Als gevolg van het deskundige en doeltreffende beheer - hoe men het ook bekijkt: een vorm van tuinieren - sinds de overname in 1977 door de
natuurbehoudsvereniging 'Belgische Natuur- en Vogelreservaten', nu 'Natuurpunt', zijn flora en vegetatie van het gebied nog in volle ontwikkeling (34). Het huidige beheer beoogt het behoud van leefbare en zo groot mogelijke populaties van bedreigde, kwetsbare en in Vlaanderen zeer zeldzame soorten en levensgemeenschappen of vegetatietypen. De nadruk ligt op soorten van oligotrofe tot mesotrofe, vochtige tot natte milieus. De flora van kalkrijke schraalgraslanden, moerassen en voedselarme waters, behoort tot de meest bedreigde biotopen van België (35). In Berg groeien tegenwoordig niet minder dan 48 soorten uit de 'Rode Lijst'. Voor 8 of 9 soorten gaat het om de (bijna) laatste groeiplaats in Vlaanderen. Er zijn ook diverse zeldzame soorten die vroeger werden waargenomen en waarvan verwacht kan worden dat ze weer zullen opduiken als het huidige beheer wordt voortgezet: kleine waterweegbree (Baldellia ranunculoides), platte bies (Blysmus compressus), tweehuizige zegge (Carex dioica), mosorchis (Liparis loeselii), en enkele mossoorten (Philonotis calcarea, Scorpidium vernicosum).
NOTEN (1) DEKKERS M., De vergankelijkheid, Amsterdam, Contact, 1997. (2) Volgens kaartblad 24 (Aarschot) van De Geologische Kaart van België - Vlaams gewest, overlegfolie 3 (diktekaart van het kwartair), minder dan 2,5 m.
(3) BAEYENS L, Bodemkaart van België: kaarthladen Haacht 74W (20) en Zemst 73E, Centrum voor Bodemkartering, 1962 & 1973. (4) MOURLON M., Carte géologique de la Belgique n 74 (Haecht(21) Rotselaer), Commission géologique de Belgique, 1894. (5) VAN ESBROECK C , Mouvements techtoniques récentes ie long de la Basse-Senne et de la Basse-Dyle. Bulletin de la Sociétéde (22)
Ooggetuigenverslag in MICHEL E., La station botanique de Bergh-lez-Campenhout. Les Naturalistes belges 1, 1921, p. 162169. De beslissing werd goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 februari 1931. Archief van het hypotheekkantoot Brussel 6, overschrijGeologie, de Paleontologie et d' Hydrologie, 45, 1935, p. 166-180. vingsregister, nr. 2036. (6) STEVENS C, Le Démer transséquent. Bulletin de la Société (23) Voluit; Edouard-Edmond-Marie-Pierre Van Bellinghen. (24) Zie de inventarisdelen Historische Tuinen en Parken van Vlaandebeige de Geologie, de Paleontologie et d'Hydrographie, 44, 1934, ren - Holsbeek, Lubbeek, Tielt-Winge (M&L cahier 6), Btussel, p. 320-331. Afdeling Monumenten en Landschappen, 2002, p. 118, en (7) LETEN M., DEWYSPELAERE J. & VIVEY Q., Aanvraag tot verlenging van de erkenning als natuureservaat Het Torfhroek' te Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen - Pajottenland zuidwesten van Vlaams-Barabant (M&L cahier 11), 2005, Berg Kampenhout, 1991. p. 130-131. (8) In bodemkaart-termen: ' matig gleyige leemgronden met zwartachtige humushorizoni (Ade) en 'zeer sterk gleyige leemgronden met (25) tó/r3(25), 1934, p. 988-989. reductiehorizont en zwartachtige humushorizoni (Afe). (26) "Cahier de charges-type"; een exemplaar bevindt zich in het (9) Cf, figuren 3 en 4 in; BRONDERS J. & DE SMEDT R, Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven, dossier Simulatie van de grondwaterstroming in het Dijlebekken. Water nr. 5146. ai. 29, 1986, p. 90-94. (27) Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven, dossiers (10) GRAATSMA B.G, Botanische excursie Het Totfbroek (B). nr. 5094 (Torfbroek) en nr. 5146 (Ter Bronnen). Natuurhistorisch Maandblad 78{l), 1989, p. 4-6. (28) MASSART J., Pour la protection de la natute en Belgique. (11) Zie ook: WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles Buil. Soc. Roy Bot. Belg. 52, 1913, p. 1-308. Dit geldt als een - VII. Bruxelles, Culture er Civilisation, heruitgave 1972 van de eerste, wetenschappelijk onderbouwde manifesten van (oorspronkelijke uitgave 1855), p. 187-213; en VERBESSELT de natuur- en landschapsbescherming in België. Jean Massart J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (1865-1925), die vooral op het gebied van de plantengeografie (XI), Btussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van baanbrekend werk verrichtte, stelt voor om een aantal gebieden Vlaams-Brabant, 1972, p. 259 e.v. te beschermen die hij vanuit wetenschappelijk oogpunt merk(12) Algemeen Rijksarchief Brussel; Rekenhof, registers keuren, waardig of representatief achtte. Deze lijst zal gedurende ettelijke nr. XII, f. 75 v°. Zwarte boeken, nr. IV, f. 128. decennia de beschermingsvoorstellen en het beschermingsbeleid (13) WAUTERS A., op. cit., p. 187-213; VANDERBIEST G., Het inspireren. Massart was overigens één van de eerste negen vrijgoed Torfhroek (onmlgcgeven manuscript), 1935. leden van de in 1912 opgerichte afdeling landschappen van de (14) Zie onder meer LAUWERS J., Geschiedenis van Berg door de KCML. eeuwen heen, Pittem, G. Veys, 1973. (29) Geschreven door Edmond Rahir (1864-1936), op dat moment (15) THIELENS A. & WESMAEL A., Annotations a la flore de la ereconservator van de Koninklijke Musea voor Kunst en partie septentrionale du Brabant. Bulletin de la Soiété Royale de Geschiedenis te Brussel en ere-directeur van de Nationale Botanique de Belgique 1, 1862, 201-208. Opgravingsdienst. (16) Algemeen Rijksarchief Brussel; Archief kadaster (inventaris I (30) Brief van R. Stevens aan de provinciegouverneur van Brabant 173), nr. 681; Voorbereidend werk tot schattingen - Tabel der d.d. 31-10-1933 (Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, gekozen punten van aanhouding, of voorbeelden tot klassificatie der Leuven, dossier nr. 5049). ongebouwde en gebouwde eigendommen van de gemeente Bergh, (31) DUVIGNEAUD P, VANDEN BERGHEN C. & HEINE20-4-1833. MANN R, Le marais de Bergh et sa flore. Buil. Soc. Roy Bot. (17) THIELENS & WESMAEL, op. cit.; en verder; MULLER E, Belg. 74, 1942, p. 139-153. MATAGNE H. & DE LANGHE Spicilège de laflorebruxelloise (fase. 1). Buil. Soc. Roy Bot. Belg. J.E, Complements a laflorulede Bergh. Buil. Soc. Roy. Bot. Belg. 1, 1862, p. 175-196. BAMPS C , Notice sur le Chara aspera 75, 1943, p. 132-135. Willd. Buil. Soc. Roy Bot. Belg. 13, 1874, p. 290-293; CARRON (32) "Jésuitisme aux Eaux-Vives", niet gedateerd gestencild pamflet G., Une herborisation a Bergh. Buil. Soc. Linn. Brux. 7, 1878, van P De Backer, waarin gereageerd wordt tegen een ander soortp. 18-21. gelijk pamflet van 8 augustus 1961 door A. Arnauts, een van de (18) ROBYNS A., Liparis loiselii (L.) L.C.Rich en voie de disparidon beheerders van de Compagnie, onderrekenaar van de brief aan en Belgique. Buil. Soc. Roy Bot. Belg. 2L 1958, p. 79-92. de KCML. SCHUMACHER R., DIRKSE G. & DE ZUTTERE R, Carex (33) MUYLDERMANS L. (1965) Het Torfbroek te Berg, een wetendioica L. et Catex pulicaris L. dans la réserve naturelle domaniale schappelijk dorado. Meer Schoonheid 12(4), 1965, p. 2-10. des Hautes Fagnes (Province de Liège, Belgique). Lejeunia 74, (34) Respectievelijk BELGISCHE NATUUR- EN VOGELRESER1974, p. 1-21. VATEN v.z.w.. Aanvraag tot erkenning en subsidiering van het (19) MASSART J., Esquisse de la geographic botanique de la Belginatuurreservaat "Het Torfbroek" te Berg-Kampenhout, 1981, en que, rome supplém. Vllbis, 1910, foto 108; - Les aspects de la LETEN M., DEWYSPELAERE J. & VIVEY Q., op. cit. vegetation en Belgique: les districts flandrien et campimen. Jardin(35) VANHECKE L., Bedteigde en beschermde plantesoorten in botanique de l'Etat, Bruxelles, 1912, pi. 11; MASSART J., Pour België; de toestand in 1985. Publ. Natuurhist. Gen. Limburg la protection de la nature en Belgique. Buil. Soc. Roy Bot. Belg. 35(3-4), 1985, p. 27-35; Onze flora verwelkt. Natuurreservaten 52, 1913, p. 1-308. 1986, 140-143.
Roger Deneef,
Greta
& Jo Wijn
Paesmans ant
KAMPENHOUT (KAMPENHOUT) VILLA VAN BELL1NGHEN CEMEENTEHUISSTRAAT 32, 1910 KAMPENHOUT (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
Het voorplein van de Villa Van Bellingtien (foto 0. Pauwels, 2008)
Ommuurde tuin bij een classicistisch herenhuis uit 1854 in de dorpskern, oorspronkelijk 83 are 20 centiare, in 1936 gereduceerd tot 50 are.
De villa Van Bellinghen werd in 1854 door notaris Jean-Edouard Van Bellinghen gebouwd op een perceel landbouwgrond van 83 are 20 centiare (1). Het zwakhellende schilddak en de symmetrie van het dubbelhuis, met een rechthoekige plattegrond verdeeld door een brede dwarsgang, hier met vijf traveeën, is typisch voor de landhuizen of losstaande herenhuizen uit het midden van de 19de eeuw. Vrij uitzonderlijk is de tweede volwaardige verdieping in plaats van de meer gebruike-
lijke mezzanine. De vier gevels, voorzien van een cementbepleistering met horizontale schijnvoegen, worden belijnd door de in kordonlijsten verlengde onderdorpels van de vensters; samen met de deuromlijsting, het sierschrijnwerk van de bakgoot (klossen en tandjesfries) en de versierde steigergaten eronder is dit zowat het enige ornament (2). Het goed wordt volledig omsloten door een hoge bakstenen muur. Een smeedijzeren hek tussen bakstenen pijlers vormt de toegang tot een gekasseid voorhof, dat geflankeerd wordt door eenlaagse, 20 m lange dienstvleugels. Tot 1880 waren deze zijvleugels slechts 7 m lang en werd het voorplein van de straat gescheiden door andere gebouwen (3). Een monumentaal, door hardstenen pijlers geflankeerd hek vormt een tweede toegang vanuit het zuiden.
• De tuin rond de villa van Bellmghen vanuit het zuidwesten (foto R. Deneef. 1999)
De tuin werd verdeeld in vier stroken, die in de legger allemaal als 'hof' worden omschreven. De strook in het verlengde van het woonhuis werd eveneens door bakstenen muren van de andere tuinpercelen gescheiden. Voor de aanleg van de F. Wouterslaan in 1937 werden de twee tuinpercelen ten oosten ervan (32,5 are) in het openbaar domein opgenomen. In het resterende gedeelte komen geen oude bomen meer voor, wel diverse halfvergane stronken van dikke bomen. Het opgaand groen blijft beperkt tot de rij Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV aan de zuidrand, die waarschijnlijk na de Tweede Wereldoorlog werden aangeplant, en oude opslag van gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en gewone es (Fraxinus excelsior).
NOTFN (1) Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1854 nr. 84; oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 808 (op naam van de Kinderen Henricus Van Bellinghen) nrs. 30 en 42-46. Het werd dus niet gebouwd in 1761 zoals vermeld in LAUWERS J., Kampenhout, hoofdmeierij en bakermat van Beethovens stam. Gemeentebestuur Kampenhout. 1975. p. 57. Op de Ferrariskaart (1771-1775) wordt echter ongeveer op de plek van het huidige kasteel een gebouw weergegeven. (2) Beschreven in PAESMANS G., Verantwoording bescherming Kasteel van Bellinghen met gekasseide Koeistraat (archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven - dossier B 2.103). (3) Kadasrrale opmetingsschets Kampenhout 1883 nr. 28.
Roger
Deneef
KAMPENHOUT (KAMPENHOUT) PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK N A A S T DE KERK, 1 9 1 0 K A M P E N H O U T
Beethoven en Schneewittchen in de tuin van de voormalige pastorie van Kampenhout (foto R. Denecf,
2006)
Ommuurde tuin van 25 are bij een in 1755 gebouwde pastorie, omgevormd in 1995 tot onderhoudsvriendelijk gemeenteplantsoen; oude moerbeiboom. De voormalige pastorie van Kampenhout beantwoordt in hoge mate aan het model van de pastorieën uit het midden van de 18de eeuw (1755 volgens een inscriptie op een balk binnenin): een dubbelhuis met een symmetrisch grondplan (1) - in dit geval niet perfect symmetrisch want de meest westelijke van de vijf traveeën is merkelijk breder dan de andere. Het gebouw is van baksteen, gecombineerd met witte zandsteen voor de plint.
de speklagen, de hoekkettingen en de omlijstingen van vensters en deuren. Het classicistische karakter wordt benadrukt door steekboogdeuren in de voor- en achtergevels en steekboogvensters erboven. Uit de ontlastingsboogjes en de bewaarde aanzetten van kozijnen in andere vensters kan worden afgeleid dat het gebouw er oorspronkelijk meer traditionalistisch uitzag. Ongewoon zijn de twee geprofileerde, Tudorachtige schoorstenen op de nokuiteinden van het leien schilddak. In de noordwestelijke hoek van de tuin, tegen de Gemeentehuisstraat aan, bleef de oorspronkelijke pastorie als aanhorigheid bewaard: een eenlaags zandstenen gebouwtje onder een pannen zadeldak en met kruiskozijnen, volgens de muurankers date-
In 1995 werd de pastorietuin heraangelegd op een manier die weinig van de 'ambiance' van een landelijke pastorietuin heel liet, onder meer door de massieve en repetitieve aanplanting van algemene soorten en strakke, met kasseistenen en betonelementen afgeboorde plantvlakken - een stoffering die men doorgaans op verkeerspleinen aantreft. De zuidelijke tuinmuur werd bovendien gesloopt en 3,5 m tuininwaarts (ruimte voor 14 parkeerplaatsen!) vervangen door een lage muur met een lanspuntenhek en een 3 m brede opening. De pastorietuin, traditioneel een besloten oord van gebed en bezinning, ging daardoor veeleer lijken op een met 'representatief groen' ingeklede doorloopruimte.
• De pastorie van Kampenhout vanuit de tuin in de jaren I960 (foto R. De Coninck, Kampenhout)
rend uit 1638. Het werd ooit tot garage verbouwd en verkeert momenteel in een gevorderde staat van verval, evenals het hoofdgebouw, dat op een nieuwe bestemming wacht (2). Rond 1870 werd het kerkhof tussen de kerk en de pastorie opgeruimd en werd het huidige poorthek aangebracht (3). De ommuurde tuin besloeg 25 are, erg bescheiden voor een pastorietuin. De Ferrariskaart noch oude foto's of ansichtkaarten (4) geven een duidelijk beeld van de achtertuin uit de tijd toen de pastorie nog haar oorspronkelijke functie had. Een ansichtkaart uit het begin van de 20ste eeuw suggereert een padenkruis, de traditionele indeling voor pastorietuinen, maar de bedden zijn al grasveldjes geworden. Boompjes en struiken stofferen het geheel. Tegen de blinde westgevel staat een hoge leiboom, ongetwijfeld een perelaar. Latere foto's tonen een doorlopend gazon, waarop onderhoud duidelijk geen grote rol meer speelt. Enkele bomen en struiken dateren nog uit de tijd van de pastoors: een taxus (Taxus baccata) en een magnolia (Magnolia x soulageana) in de voortuin, een treurvorm van nootkaschijncipres (Chamaecyparis nootkatensis 'PendulaV ten oosten van de pastorie, diverse exemplaren hulst (Ilex aquifolium), ook bontbladige (I. a. 'Argenteomarginata'A oude wortelopslag van zomerlinde (Tilia platyphyllos) en, over de tuinmuur hangend ten westen van de pastorie, een zwarte moerbei (Morus nigra) met meer dan 2 m stamomtrek.
M&L
In 2001 werd de kroon op het werk gezet naar aanleiding van een Beethovenhulde, want Ludwig van Beethoven zou uit Kampenhout afkomstig zijn (5). Het borstbeeld dat toen in de achtertuin werd geplaatst, stelt de toonkunstenaar voor in een van zijn somberste momenten, maar met een uiterst merkwaardig kapsel en omhangen met een halssnoer van triolen met een solsleutel als hanger. Zijn gelaat door toorn en afkeer onherkenbaar vervormd, bronsrood aangelopen, keert hij zich af van het met buxushaagjes omzoomde perk met 130 rozen 'Schneewittchen', het centrale met kasseistenen afgeboorde gazon, de twee met beton afgeboorde petanquebanen, de tapijtjes Cotoneaster dammeri, de haagbeuken (Carpinus betulus 'FastigiataV die het gat in de zuidmuur visueel moeten afblokken en rododendrons van diverse pluimage, de massieven en massiefjes van laurierkers (Prunus laurocerasus 'Otto LuykenV, Viburnum davidii, Amerikaans krentenboompje (Amelanchier lamarckii), Lonicera pileata, Chinees klokje (Forsythia intermedia 'Spectabilis'/..
NOTEN (1) DE MAEGD C, Bouwen door ie Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 306-307. (2) Gemeentelijk administratief hoofdgebouw? cf. Het Laatste Nieuws, 11-04-1997. (3) Oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 57 nrs. 3-5 en 28-30. Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1876 nr. 37. (4) Gereproduceerd in LAUWERS J., Kampenhout, hoofdmeierij en bakermat van Beethovens stam, Gemeentebestuur Kampenhout, 1975, p. 139 en 143-144. (5) CLAES B., Beethoven terug thuis, in Het Volk, 10-09-2001.
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
KAMPENHOUT (KA1VIPEMHOUT): VILLA WOUTERS S T A T I O N S S T R A A T 5, 1 9 1 0
KAMPENHOUT
( p r i v é b e z i t , niet t o e g a n k e l i j k v o o r het p u b l i e k )
•
3
vanuit de 'lusttum' met - het boompie centraal m beeld een bruine beuk met gedraaide takken (foto R. Deneef,
m r
A
De Villa Wouters
y ^
^ M
•——~_^.
y ^ S -31 mÊéM^k * # É ^ 3?.:L.**ÊÊ ^pS ..^«..-•y.,. '» %
*
•
m: ^«E*1
'1 - :\ ' >«.
M
Dl
2007)
M
'::.:
^J
s SB •
•
-
, •
^r • % .
*
' . ' •
•
MÈmmk3
•
lë
f' • $ ^ * 3 -
Gedeeltelijk ommuurd landgoed van 39 are met een landschappelijke siertuin en een nutstuin met een padenkruis, aangelegd naast een circa 1880 gebouwde villa. De weduwe Thérèse Wouters liet rond 1880 langs de Stationsstraat aan de zuidoostelijke rand van de dorpskern (1) een villa bouwen, die nog in hoge mate beantwoordt aan het model dat rond het midden van de 19de eeuw het uitzicht van de meeste landhuizen bepaalde: een bepleisterd, dubbelhuis (symmetrisch met de voordeur in het midden) van twee bouwlagen op een souterrain en een lage dakverdieping als mezzanine, bekroond met een schilddak. Langs de straatzijde werden de
-
raampjes van de mezzanine echter herleid tot een fries met metopen en trigliefen. De straatgevel is rijker versierd dan de andere gevels: vensteromlijstingen van stucwerk, geprofileerde kordonlijsten, balusters van de borstweringen op de verdieping en een door geblokte pilasters afgelijnde middentravee met dakvenster (recentelijk verdwenen), balkon en trappenbordes. Zoals blijkt uit oude ansichten, werden de ornamenten geaccentueerd door de kleurstelling: helder voor de muurvlakken, donker voor de versieringen (momenteel is het omgekeerd). De lage vleugel met gefiguurzaagde daklijst rechts van het huis herbergde de dienstvertrekken (keuken, wasplaats en sanitair) met, dwars hierop, het koetshuisje. Langs de straatzijde werd het goed afgesloten door een fraai smeedijzeren hek op een lage bakstenen muur.
F
(Ailanthus altissima), de nootkacipres (Chamaecyparis nootkatensis 'Pendula'j en de treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV zijn vermoedelijk van latere datum.
A Het "kosteel ran M[adam]e Wouters" op een ansichtkaart vóór de Eerste Wereldoorlog (collectie Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
1VI&L
De schuine stand van het huis ten opzichte van de straat wordt verklaard door de oude oriëntatie van de akkerpercelen in het Kampenhoutveld. Mogelijk lag tussen het toegangshek en de villa ooit een kleine rotonde met rozenperkjes of bloemencorbeilles. Momenteel wordt deze ruimte in beslag genomen door een hoog massief van rododendrons (Rhododendron ponticum), laurierkers (Prunus laurocerasus), blauwe atlasceders (Cedrus atlantica 'GlaucaV en andere 'evergreens'. De gekasseide oprit naar het achtergelegen koetshuis volgt waarschijnlijk nog het oorspronkelijke tracé. Het perceel waarop de weduwe Wouters haar landgoed gestalte gaf - een trapezium met de villa tegen de noordrand - was nog geen 40 are groot (2), maar omvat alle ingrediënten van het traditionele landgoed: een kleine landschappelijke 'lusttuin' in de taps toelopende ruimte links van de villa; het nutsgedeelte achter de villa. Het landschappelijk gedeelte beantwoordt aan het klassieke schotelmodel: een centraal, uitgeschulpt gazon met opgehoogde randen, waarop het gros van de beplanting is aangebracht. O p het heuveltje in de zuidwesthoek, uiteraard opgeworpen met de aarde afkomstig van de uitschulping, stond wellicht ooit een paviljoen of een prieel. De oorspronkelijke sierbeplanting is nog grotendeels aanwezig: ginkgo (Ginkgo biloba), zomerlinde en hangende zilverlinde (Tilia platyphyllos, T. petiolaris) en misschien ook het onooglijke bruine beukje tegen de villa aan - in feite een bijzonder zeldzame cultivar met gedraaide takken én bruine bladeren (Fagus sylvatica 'Tortuosa PurpureaV, een spin-off van de uit de streek van Reims afkomstige 'kronkelbeuk' of 'Faux de Verzy' (3), die soms als alternatief voor de treurbeuk werd verkocht. De hemelboom
In het vlakke nutsgedeelte achter de villa hebben de groenten plaats geruimd voor gazon dat overschaduwd wordt door bomen als magnolia (Magnolia x soulangeana), weymouthden (Pinus strobus), goudbonte reuzenlevensboom (Thuja plicata 'Zebrina')..., maar het oorspronkelijke padenkruis bleef behouden en ook een deel van de traditionele afzoming van de compartimenten: buxushaagjes geflankeerd door 'plate-bandes', stroken voorbehouden voor bloemen en sierstruikjes. De moestuinen waren meestal een combinatie van 'nut en sier'. In de bakstenen muur, die de tuin langs de noord- en westzijde omsluit, bleven nog de spijkers bewaard uit de tijd dat ze met leifruit waren bespannen. Van de Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, die op oude ansichtkaarten de villa omlijsten en zorgen voor een arcadische ambiance, is er slechts één exemplaar overgebleven, in de zuidhoek van de moestuin. Merkwaardige bomen (opname 5 juni 2007) 1. ginkgo (Ginkgo biloba) 261 9. bruine beuk met gedraaide takken (Fagus sylvatica 'Tortuosa PurpureaV 114(100) NOTFN (1) Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1880 nr. 39. Volgens de oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, arr. 1738 was Therèse Wouters de weduwe van Jan-Frederik Wouters. Volgens l.AUWERS J., Geschiedenis van Berg, Buken, Kampenhout en Nederokkerzeel, Gemeentebestuur Kampenhout, 1992, p. 341, waren de eigenaars de weduwe Vincent Wouters-Ermens en Frederik Wouters; over de bouwheer (of -dame) wordt niet gesproken. (2) In 1906 werd een zuidelijke strook van 34,5 are van het oorspronkelijke tuinperceel 674g (80 are 88 centiare) afgesplitst. In de kadastrale legger wordt deze strook (nu de F. Verstraetenlaan) als bouwland omschreven, zodat men mag aannemen dat ze nooit deel heeft uitgemaakt van de echte tuin. Zie: kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1907 nr. 17, en de oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 1738 nrs. 38 en 59-60. (3) Naar het dorpje op de Montague de Reims, waar ze van nature voorkomen.
Roger Deneef Her linde
De
& Jaeck
KAMPENHOUT (KAMPENHOUT): KASTEEL VAN WILDER WILDERSEDREEF 65, 1910 KAMPENHOUT (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
De westgevel van het kasteel van Wilder doorheen het gebladerte van een oosterse
plataan (foto R. Deneef,
2006)
Kasteeldomein met ommuurde moestuin, ijskelder, oranjerie en een landschappelijk park van het type 'rivierlandschap', nagenoeg 15 hectare, aangelegd in 1818-1820 rond een nieuwgebouwd neoclassicistisch kasteel, ter vervanging van een waterkasteel uit 1620 met regelmatige tuinaanleg op een hoogmlddeleeuwse, tweeledige kasteelmotte; monumentale bomen uit de oorspronkelijke beplanting; aanleg van een golfterrein op de omgevende landbouwgronden In 1989 met zeldzame bomen en struiken.
Van feodale motte tot barokkasteel De oudste afbeelding van het kasteel van Wilder komt voor in de albums van hertog Karel van Croy (Wilder was feodaal verbonden met Heverlee): een figuratieve kaart, tussen 1596 en 1601 opgemaakt door Pierre de Bersacques (1). Van het hoofdgebouw ontbreekt het dak, want het kasteel werd in 1578 verwoest door de soldaten van Bossu en was twintig jaar later nog steeds een ruïne. Het had twee verdiepingen en een vierkante plattegrond met een uitbouw aan de oostzijde, mogelijk de slotkapel. Het werd langs drie zijden omringd door een binnenplein, aan de grachtzijde afgeschermd door een hoge muur die evenwijdig liep met de muren van het hoofdgebouw en die van hoektorens was voorzien. Aan de inkleuring te oordelen ging het
• Het kasteel van Wilder vanuit het noorden op een figuratieve kaart door Pierre de Bersacques, 1596-1601 (archief K.U. Leuven, 2414, r 39r°)
•
lanvr 'm K M*^-" I j * ,' ?• &A ff •'•*•{< IfjCir*^g«-<:,?'l •],'' j',.u « w A /!•-../..% *>• f- f* fvAAjt
Het gehucht Wilder met het kaneel (door ons rood aangestipt) en de dreef naar het gehucht Ruisbeek op de Ferrariskaart (1771-1775)
waarschijnlijk om baksteenbouw. De twee gekanteelde poorttorentjes op de buitenoever van de slotgracht vormden wellicht de toegangen tot het kasteeleiland maar van ophaalbruggen valt niets te bespeuren. Ten noorden van het kasteel, buiten de ringgracht, vormden drie lage, losstaande gebou-
Het kasteel van
in 1694 door J. Le
Wilder vanuit het
Roy gepubliceerde
zuiden door
gravure
J. Harrewijn,
(hergebruikt door
circa 1690, op een
Pb. de Cantillon in:
Vermokel/kfieden ran
Brabant en des-
zelfs onder/ioorige fanden...,
1770)
wen een soort neerhof. Links onderaan wordt de watermolen ('Cammemolen') afgebeeld en de met bomen afgezoomde laan rechts vormde de oprit naar het kasteel. Het kasteel wordt voor het eerst vermeld in 1365 en is vermoedelijk ook in die periode gebouwd, maar de site is ouder. Het halfronde eilandje ten zuiden van het kasteeleiland — op de tekening van de Bersacques met twee bomen - is waarschijnlijk een donjonmotte uit de 12de of de 13de eeuw (2). Het kasteel zou dan gebouwd zijn op de plaats van het oorspronkelijke neerhof, nadat de woontoren werd afgebroken. Hoogmiddeleeuwse kasteelmottes met twee eilanden voor respectievelijk een hooghof en een neerhof, waar zich een dergelijke verschuiving heeft voorgedaan, zijn niet uitzonderlijk (3). De heer van Wilder speelde een belangrijke rol in Kampenhout: hij bezat het exclusieve jachtrecht in de hele parochie, benoemde de koster, de kerk- en armenmeesters en stelde de veldwachters aan; hij oefende er ook de middelste en de lage rechtsmacht uit en inde talrijke cijnzen en renten (4). Het barokkasteel op een ets van Harrewijn naar een tekening van Jacques Van Croes van omstreeks 1690 dateert uit de jaren 1620. Het nieuwe kasteel had een L-vormige plattegrond, maar bij de heropbouw werd ruim gebruikgemaakt van de funderingen en wellicht ook van hele muurpartijen van het I4de-eeuwse kasteel. Het heropgebouwde kasteel werd in 1629 als bruidschat dankzij zijn huwelijk met de dochter van de vorige eigenaars, eigendom van de graaf van Kruikenburg (Ternat), Filips Francis de Fourneau. Het barokke manifesteerde zich vooral in de drie grote, door voluten geflankeerde dakvensters in de vorm van halsge-
1VI&L
vels, de bogengalerij op de begane grond daaronder, de toren met ajuinspits in de oksel van de L en de inrijpoort, in de muur die - zoals in de oude versie - het binnenplein langs de westzijde afschermde. Een tweede toren zit grotendeels verborgen achter de hoge schilddaken; alleen de top (een lantaarn) is zichtbaar. De afsluitmuren langs de niet bebouwde oevers van het kasteeleiland bleven behouden; het uitzicht op de omgeving wetd niet zo belangrijk geacht. Desondanks liet de Fourneau in 1630 een ^ dubbel dreve van ollemen aanplanten. Gaat het om de huidige Wildersedreef, waarvan ook wordt beweerd dat hij pas in 1687 werd aangeplant? (5) Rechts op de ets vangen we ook een glimp op van een omheinde of met hagen omgeven parterretuin met een padenkruis en bedden met loofwerk ('parterres de broderie'). Deze tuin valt grotendeels samen met het oude donjoneiland, dat door een landengte met het kasteeleiland verbonden werd. Het balkon met het opengeslagen venster op de eerste verdieping van het kasteel illustreert de wijze waarop van deze besloten tuin optimaal genoten werd: van bovenaf. Het poortje in de zuidmuur was in de eerste plaats bedoeld voor het onderhoudspersoneel. De Franse tuin Deze barokke eilandtuin vinden we terug op de Ferrariskaart (1771-1775). Ten westen van het kasteelcomplex ligt bovendien een sterrenbos in de vorm van een trapezium, omgracht en afgelijnd met bomenrijen, geen echt bos maar een 'bosquet regulier' van bijna 1,5 hectare met door kleine bomen, hagen of palissades afgezoomde laantjes die een zesarmige ster vormen, struikmassieven en open plekken — een uit de klassieke tuinkunst stammend element. Het eilandje in de ovale waterpartij ten oosten van het kasteel laat vermoeden dat die niet louter als reservoir voor de watermolen fungeerde, maar ook een sierfunctie had. De geometrische tuinen rond het kasteel van Wilder waren bescheiden in vergelijking met andere 'Franse' tuinen in de regio - bijvoorbeeld het kasteel d'Overschie te Neerijse of het Prinsenkasteel te Grimbergen - maar duidelijk als dusdanig herkenbaar en representatief voor tientallen kleinere landgoederen in de omgeving. Een schilderij van P. Collin uit de late 18de eeuw (6) toont het kasteel - toen nog in handen van de familie de Fourneau - vanuit het westen. Sinds 1690 heeft het enkele tijdstypische veranderingen ondergaan: de barokke halsgeveldakvensters werden vervangen door meer bescheiden dakvensters en het kasteel werd opengelegd naar de omgeving.
•4
*L
. . _
ji
De Wildersedreef tussen het kasteel en Ruisbeek circa 1940, niet lang na de
1 ? \ • f e - r i V> f
heraanplanting met platanen (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, cliché M656I21
Het kasteel van Wilder in de late 18de eeuw vanuit het westen op een schilderij van P. Collin (kopie uit J. UUWERS, Geschieden/s mn Berg; Buken, Kampenhout en Nederokkerzeel, 1992, p. 369)
"Oidteou de Wilder, Brab. Méridionol, d Mr. Le Boron toiderlmden D'hoogvorst", litho uit: DE CLOET, Album pittoresque desPo/s-Bos, 1830
De circa 3 m hoge muur die de binnenplaats langs drie zijden afsloot werd verlaagd tot circa 1 m en de renaissancepoort met het driehoekige fronton heeft plaats geruimd voor een open doorgang, geflankeerd door hoge pijlers met siervazen (er is geen hek te zien). De houten brug over de slotgracht leidt naar het neerhof ten noorden van het kasteel, de brug voor de hoofdingang met de pijlers - vermoedelijk nog dezelfde vlonder als 1690 - geeft uit op het sterrenbos. De parterretuin komt niet in beeld. De Engelse tuin In 1817 werd het kasteel van Wilder samen met 218 hectare grond verkocht aan baron CharlesFramjois van der Linden d'Hoogvorst, halfbroer van Emmanuel die in 1830 als lid van het 'voorlo-
traveeën met, langs de park- of zuidzijde, hoge rondboogramen die doorlopen in vierkante bovenlichten. De acht siervazen op de pilasters tussen de traveeën lijken door de dakrand heen te steken. Halfweg tussen het kasteel en de grote oranjerie en op dezelfde lijn stond een kleiner gebouw dat in de kadastrale legger (9) eveneens als oranjerie wordt omschreven. Tussen de twee in bevonden zich zes langwerpige constructies (3 m bij 25 m), ongetwijfeld koude kassen of kweekbakken. Nieuw waren ook de portierswoning met mezzanine en schilddak, de boerderij met stallingen, die op de plaats van de watermolen werd opgetrokken en, in een bebost gedeelte van het domein, een ijskelder (een 'ei' met een recht sas). De oorspronkelijke isolerende beplanting van het ijskelderheuveltje met taxussen (Taxus baccata) is nog aanwezig en het heuveltje is ook dichtbegroeid met bosbingelkruid (Mercurialis perennis), nochtans een soort met een uitgesproken voorkeur voor grote en oude bossen (10). A Het kasteel van Wilder met landschappelijk park op de Primitieve kadasterkaart, zonder datum, vermoedeli|k tussen 1825 en 1830; de contouren van de verdwenen 'bosquet' zi|n nog duidelijk herkenbaar (archief Kadaster Brabant, Brussel)
De serpentinevijver en de rotspartij
Het landschappelijke decor werd eveneens grondig vernieuwd. Alles wat naar rechtlijnigheid en regelmaat zweemde — grachten, eilanden, parterres, sterpatronen — werd opgeruimd. De Molenbeek, die van zuid naar noord doorheen het domein loopt en de kasteelgrachten van water voorzag, werd verbreed en vlak voor de nieuwe boerderij opgestuwd, zodat een tot 30 m brede vijver ontstond met gebogen of zachtjes golvende oevers, die ook de ringgracht van het voormalige sterrenbos omvatte. Het trapezium van het sterrenbos bleef herkenbaar in de 600 m lange 'meander' of serpentine die deze vijver doorheen het park beschrijft
De rotscascade van
172 |aar later
cascade
de litho uit het
(foto R Deneef.
(foto 0. Pauwels,
'Album pittoresque'
2006)
2008)
van De Cloet,
van de zuidelijke
M&L
pig bewind' België mee boven de doopvont zou houden. Het 17de-eeuwse kasteel werd afgebroken en vervangen door sober, witgepleisterd, neoclassicistisch landhuis (7), elf traveeën breed, met twee bouwlagen en een mezzanine onder een laag schilddak. Een groot gedeelte van de funderingen van het oude kasteel werden daarbij hergebruikt. Het nieuwe wagenhuis valt eveneens samen met een van de vleugels van het oude neerhof; de naar de tuin toe gekeerde westzijde met de vijf rondboogpoorten (8) heeft alle kenmerken van een 19de-eeuws wagenhuis, maar in de achtergevel en de vlechtingen van de zijpuntgevels is het 18deeeuwse gebouw nog duidelijk zichtbaar. Totaal nieuw is de grote oranjerie op 200 m ten westen van het kasteel: een imposant gebouw van zeven
en die, versmallend tot een slingerend, 10 m breed kanaal, eindigt aan de voet van de oranjerie. De nagestreefde illusie laat zich raden: een statige rivier tegen een achtergrond van natuurlijk aandoende bosmassieven (de in de kadastrale legger als hakhout omschreven percelen 466 en 467 met hun gegolfde randen). Bucolische 'rivierlandschappen , als het kon met meanders of eilandjes, waren een populair motief tijdens de hele 19de eeuw, ook in de vroegste landschappelijke ('Engelse') parken. Bij gebrek aan een echte rivier werden onooglijke beekjes opgestuwd of uitgegraven om deze illusie te creëren. Het spectaculairste voorbeeld voor België is het kasteelpark van Laken (11). In het 'Engels' park van Wilder — de hakhoutpercelen inbegrepen nagenoeg 15 hectare - wordt de illusie van een rivierlandschap nog versterkt door twee in rotswerk verpakte cascades: een kleine in het zuiden van het park, waar de Molenbeek in de vijver stroomt, en een grote nabij de boerderij, ten noordoosten van het kasteel. De moestuin lag achter de oranjerieën en de kweekbakken ten noorden van het kasteel: een ommuurd, driehoekig perceel van 1 hectare 26 are. De ceremoniële oprit vertrok in de noordpunt van het domein en slingerde via een brug over de westelijke rivierarm naar het kasteel toe. In het visuele kat-en-muisspel ten opzichte van het kasteel en de oranjerie speelden groepjes bomen een belangrijke rol, onder meer de nog bestaande groep van zeven oosterse platanen (Platanus orientalis) niet ver van de brug, die samen met een tulpenboom (Liriodendron tulipifera), enkele bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en wellicht ook een groepje Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) tot de oorspronkelijke beplanting behoort. De oprijlaan takte iets voorbij de brug af naar de zuidwestelijke punt van het domein en koerste verder in westelijke richting naast de beboste oevers van de Weesbeek. Het Primitief kadasterplan geeft in het zuidoostelijke, grotendeels beboste gedeelte van het domein geen wegen of paden weer. Pas op de eerste stafkaart, opgemaakt in 1864, wordt de ontsluiting van dit gedeelte gedetailleerd: een weg die min of meer evenwijdig loopt met de 'rivier' en een ovale lus die ervan aftakt. De Brusselse archivaris en historicus Alphonse Wauters moet rond 1850 Wilder hebben aangedaan (12). De Wildersedreef met zijn vier rijen bomen vond hij schitterend, maar het kasteel {"moderne et fort simple") maakte weinig indruk. Het park was volgens hem vooral met populieren beplant; voor iemand die niet uitmunt in dendrologische kennis kunnen dit alleen
«'-
* *!%
s^i&^-i
De Ijskelder met
maar Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV geweest zijn, voor iedereen herkenbaar. Op een litho uit 1830 [zie p. 37] zijn nogal wat zuilvormige bomen te zien, wellicht Italiaanse populieren, maar andere zuilvormige cultivars, bijvoorbeeld van zomereik (Quercus robur 'FastigiataV, werden toen al druk verhandeld.
oude taxussen als isolatiemateriaal (foto 0. Pauwels, 2008)
Neogotiek, 'beaux-arts' en golf Het rond 1820 vastgelegde patroon overleefde alle opeenvolgende eigenaars. Charles van der Linden d'Hoogvorst, gedurende bijna dertig jaar burgemeester van Kampenhout, overleed in 1847. Zijn weduwe en zijn dochter verkochten het domein van Wilder in 1854 aan graaf Anatole d'Alcantara, die het in 1861 opnieuw te koop stelde. Koper was Hortense de Putte, echtgenote van burggraaf Maximilien-Antoine de Spoelberch, eigenaar van het Groot en het Klein Park te Lovenjoel (13). Zij schonk het aan haar dochter Julienne, gehuwd met baron Jean de Vinck de deux Orp, burgemeester van 1877 tot 1888, die een aantal wijzi-
T Een meanderende waterloop - in feite de opgestuwde en verbrede ringgracht van het verdwenen sterrenbos en Italiaanse populieren, ingrediënten van een bucolisch 'rivierlandschap' (foto 0 . Pauwels, 2008)
1VI&L
Het koetshuis en de noordgevel van het kasteel van Wilder (foto 0. Pauwels,
•
gingen doorvoerde. In de moestuin werden serres gebouwd, het koetshuis werd vergroot en de hoeve werd van spitsboograampjes voorzien. Een gotisch kleedje kreeg ook een als pakhuis gebruikt gebouw langs de Balkestraat in de noordoosthoek van het domein (14). In 1911, na het overlijden van de weduwe van Jean de Vinck, werd het domein geërfd door haar kleinzoon Raymond Henri de Vinck de deux Orp. Hij liet het kasteel voor een laatste maal verbouwen (15) - in de eerste plaats vergroten (de bebouwde oppervlakte nam toe van 500 tot 670 m 2 ), maar ook het uitzicht veranderde grondig.
Neogotiek als onderdeel van een landschappelijk decor (foto R. Denecf, 2002)
De 'rivier' in het Engels park van Wilder eindigt aan de voet van de oranjerie (foto 0. Pauwels, 2008)
M&L
Octave Flanneau, die rond 1904 het kasteel De Vorst (of d'Overschie) te Grimbergen had vormgegeven (16), tekende de plannen: een door Lodewijk XVI geïnspireerde beaux-artsstijl, die tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw in hogere kringen bijzonder populair was (onder meer bij de koninklijke familie). Het schilddak werd voorzien van dakkapelletjes met oeils-de-boeuf en ingekort; de mezzanine verdween onder een mansardedak
met dakvensters. De drie middelste traveeën van de oostgevel werden samengevoegd tot een middenrisaliet met rondbogige vensterdeuren en een door balustrades geflankeerd bordes onder een driehoekig fronton met een oculus. De westgevel met de hoofdtoegang werd grondiger aangepakt: het aantal traveeën werd herleid tot zeven, de middentravee werd uitgewerkt tot een half vooruitstekend torenvolume met een balkon op de verdieping, hoge boogvensters, geaccentueerd door een monumentaal boogfronton met een wapenschild dat zich aftekent tegen een gemansardeerd tentdak. Een met balustrades omgeven terras strekt zich uit voor de vijf middelste traveeën. De monumentaliteit wordt vooral aan die zijde benadrukt door geblokte lisenen. Dit soort van architectuur ging vaak samen met de aanleg van een 'Franse tuin'. De revival van de regelmatig-geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw, vooral onder impuls van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, de 'style Duchêne' (17), heeft ook Wilder niet onberoerd gelaten. O p oude ansichtkaarten (18) is voor de westgevel van het kasteel een geometrische parterretuin met een padenkruis en een centrale rotonde te zien, maar die heeft geen sporen nagelaten. De fraaie buxusparterre nabij de portiersloge, de met buxus afgeboorde rozenperken in het verlengde daarvan, de tuinvaas in voornoemde buxusparterre en ook de andere, over het park verspreide vazen, dateren eveneens uit deze periode en werden waarschijnlijk, samen met de verdwenen parterre voor het kasteel, door dezelfde ontwerper bedacht.
behouden terugkeer van Raymond de Vinck uit de Eerste Wereldoorlog. Raymond de Vinck bleef vrijgezel, maar adopteerde een van de zonen van zijn zuster, graaf Baudouin de Broqueville (19), die in 1956 zijn intrek nam in het kasteel. In 1933 werden de vier rijen bruine beuken langs de
Het kasteeldomein w |der de
™ i
"P
stafkaarten van 1864, 1892, 1931 en 1976 (ICM, 1880, 1894, 1950 en 1976)
De door Flanneau ontworpen monumentale westgevel en, rechts In beeld, een reusachtige tulpenboom, relict van de oorspronkelijke beplanting van het 'Engels park' van 1820 (foto 0. Pauwels, 2008)
De verdwenen 'Franse' parterretuin voor de westgevel van het kasteel (collectie Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
De oranjerie, tiet kasteel van Wilder en, op de voorgrond, de serpenti-
De enige constructie die in tuinkunstige termen als een 'fabriekje' kan worden beschouwd, is de Onze-Lieve-Vrouwekapel in de zuidpunt van het park, zoals de 'toren' van het kasteel eveneens met een gemansardeerd tentdakje op vier Corinthische zuiltjes, in de stijl van het gerenoveerde kasteel. Het werd gebouwd uit erkentelijkheid voor de
nevijver (foto 0. Pauwels, 2008)
M&L
lutea) en bitternoothickory (Carya cordiformis) aan bod kwamen. De aanleg in 1989 van een golfterrein van achttien holes over 65 hectare (20) in de kouters ten westen en ten noorden van het kasteeldomein en in het zuidelijke gedeelte van het kasteelpark, was de enige fundamentele wijziging sinds 1820, die de structuur van het Engels park bovendien ongemoeid liet. Bij de keuze van het beplantingsassortiment kregen de eigenaars advies van Philippe de Spoelberch, eigenaar van het domein Herkenrode te Wespelaar en van het arboretum van Wespelaar. Zo zou het golfterrein mettertijd uitgroeien tot een van de belangrijkste arboreta van België. Omdat vooral lindesoorten (Tilia sp J goed lijken te gedijen, zal in de toekomst - in het kader van de uitbouw van nationale collecties - de nadruk vooral op dit plantengeslacht komen te liggen. Binnen de 'roughs' en in de oeverzones van de waterpartijen is er ook ruimte voor natuurlijke ontwikkelingen en natuurbeheer. Het opduiken van soorten als platte rus (Juncus compressus) en bosorchis (Dactylorhiza fuchsii) op plaatsen die tot 1989 als akker in gebruik waren, spreekt in dit verband boekdelen. Het Torfbroek* ligt tenslotte niet veraf.
De oostgevel van het kasteel van Wilder (foto 0. Pauwels, 2008)
T De buxusparterre, relict van de 'Franse tuin'
Wildersedreef op vijf exemplaren na gerooid en vervangen door de huidige platanen, intussen met stamomtrekken van meer dan 2 m. Uit de huidige samenstelling van het bomenbestand kan worden afgeleid dat er tijdens het interbellum en ook na de Tweede Wereldoorlog een weldoordacht aanplantingsbeleid werd gevoerd, waarbij naast courante soorten ook rariteiten zoals geelhout (Cladrastis
(foto 0. Pauwels, 2008)
«Ji
is- --
k
V
k * ^
1*
w< bJB
*
•
i
'W&"&*
j
•
iill
•
j£
É'- I .
^^5««.-~~-v7^
3M
!
»^
•
M&L
1Mb L ^
^HHHtetdiMM ^
mS&
~^_^ '
*'*
8S H
ijs
• M i
m\i s .
Il Uim\^n
1
<--
Hli
-^
(4) LAUWERS J., Kampenhout, hoofdmeierij en bakermat van Beetho- 4 Hct
vens stam. Gemeentebestuur Kampenhout, 1975, p. 47-55. (5) Probleemstelling door LAUWERS J., op. cit., p. 53.
r»M.
w,,
(6) Kopie op p. 369 in LAUWERS ]., Geschiedenis van Berg, Buken, (Google Earth,
•
'
Kampenhout en Nederokkerzeel, Gemeentebestuur Kampenhout, ^"08)
,-*
1992. Als vindplaats vermeldt Lauwers de abdij van Averbode,
\
^ ;'
die verschillende schilderijen van Collin bezit, maar niet het door Lauwers afgebeelde. (7) Dateting volgens LAUWERS ]., Kampenhout, hoofdmeierij en
/ /- • / ;
l
Solfterreln bil
hpt Kii^fppidompin
i
bakermat van Beethovens stam, p. 53-54. (8) Door LAUWERS]., Geschiedenis van Berg, Buken. Kampenhout en »
•
f
•
Nederokkerzeel, Gemeentebestuur Kampenhour, 1992, p. 376, ten onrechre beschouwd als recyclage van de rondbooggalerij van
• • • - .
her afgebroken kasteel. Noch de profielen van de boogomlijsting - bij het wagenhuis met sluitstenen -, noch de pijlers of pilasters waarop ze rusten stemmen overeen. (9) De Primitieve toestand wordt beschreven in de oudste kadastrale Merkwaardige bomen
legger 212 Kampenhout, art. 237 nrs. 77-102.
(opnamen 30 augustus en 5 september 2002) 1. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron
tulipi-
/ m z ; 507(130)
(10) Volgens TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M., Bossen in Vlaanderen - een historische ecologie, Leuven, Davidsfonds, 1993, p. 267, 271 en 277.
6.
gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 0 9
8.
bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 440
(11) Zie het "plan perspectif de la campagne de Scoonenberg pres de Bruxelles" afgebeeld in: DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de 18de eeuw, Brussel, Wespe-
10. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 3 8 29. donkerrode bastaardpaardenkastanje
(Aesculus
x carnea 'BriotiiV 3 2 9
laar, Ph, de Spoelberch, 2002, p. 35. (12) WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisa-
41. Amerikaans geelhout (Cladrastis lutea) 184(120) - gesneuveld in 2005
tion, 1972, p. 230. (13) Cf. DENEEF R. (red.), Historische tuinen en parken van Vlaande-
7 1 . bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 546(100)
ren: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek. Oud-Heverlee (Cahier M&L nr. 9), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2004,
72. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 480
p. 67-83. (14) Kadastrale opmetingsschetsen Kampenhout 1877 nr. 14, 1880
7 3 . oosterse plataan (Platanus orientalis) 3 4 1 77. oosterse plataan (Platanus orientalis) 414(40) 80. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 3 2 81. Hollandse linde (Tilia x europaea) 3 5 8 82. Noorse esdoorn (Acerplatanoides)
384
86. Noorse esdoorn (Acerplatanoides)
394(120)
89. bitternoothickory (Carya cordiformis) 174 98. canadapopulier (Populus x canadensis) 3 7 7
NOTEN (1) Gereproduceerd en van commentaar voorzien in MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612), kadasters en gezichten, Gemeentekrediet van België, 1993, plaat 88, p. 288. (2) VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XI), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 217. (3) Zie onder meer het Oud Kasteel van Boutersem in DENEEF R, (red.). Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heveriee (Cahier M&L nr. 9), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2004, p. 93-95.
nr. 17, 1883 nr, 10, 1885 nr. 48 en 1886 nr. 8, (15) Oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, att. 2737 nrs. 10 en 24. De hierbij horende kadastrale opmetingsschets van 1911 is onvindbaar. (16) VAN DAMME M., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Grimbergen, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 32. Zie ook VAN LOO A. e.a.. Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, Mercatorfonds, 2003, p. 308-309. (17) DUCHENE M. e.a., Henri et Achille Duchêne, architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe, 1998. (18) Zie LAUWERS, o/>. a t , p. 375. (19) Kleinzoon van graaf Charles de Broqueville, tweemaal Eerste Minister (1911-1918, 1932-1934). (20) De 'Golf & Business Club Kampenhout'. Zie: www.golfclubkampenhout. be.
Roger Dene e f
KAMPEMHOUT (KAMPEMHOUT) VILLA EVERAERT HOEK 1910
HAACHTSESTEENWEC-ZEYPESTRAAT, KAMPENHOUT
(privébezit, niet toegankelijk voor het
publiek)
De Villa Everaert na de recentste verbreding van de Haachtsesteenweg in I99S (foto R Deneef, 2002)
Landschappelijk park met vijver, circa 1,5 hectare, aangelegd rond de Eerste Wereldoorlog bij een villa uit 1837, in 1866 vergroot; gedeeltelijk verminkt ten gevolge van een wegverbreding in 1995, sindsdien verlaten en sterk verwilderd; villa gesloopt in 2008. Landmeter Pierre Coen liet rond 1837 langs de pas aanlegde steenweg Brussel-Haacht op een perceel van 71 are een villa bouwen (1) die min of meer beantwoordt aan een tot circa 1860 veel voorkomend model: een symmetrisch dubbelhuis van vijf traveeën breed en twee bouwlagen en een mezzanine onder een schilddak. Bijna dertig jaar later liet een volgende eigenaar, notaris Pierre Verhaegen, een volume bouwen tegen het huis, waardoor het huidige U-vormige grondplan en - vermoede-
lijk ook - uitzicht ontstond (2). Gehomogeniseerd door bepleistering met schijnvoegen was het indrukwekkend genoeg om door sommigen 'kasteel van Ruisbeek' te worden genoemd, herinnering aan het kasteel dat aan de overzijde van de Haachtsesteenweg lag en in 1835 werd afgebroken. In 1880 werd het goed verkocht aan notaris Polidore Everaert uit Laken. De omschrijving 'lusttuin' duikt pas in 1920 op in de kadastrale legger, en pas op de stafkaart van 1931 wordt een landschappelijk park getoond, dat langs weerszijden van de Weesbeek bijna 1,5 hectare beslaat en ook een vijver omvat. Het lage muurtje met het lanspuntenhek dat het goed langs de steenweg afsloot (3) en de randbeplanting langs die zijde, verdwenen door diverse verbredingen van de steenweg — de laatste in 1995, toen het goed aan leegstand en verwaarlozing werd prijsgegeven. Einde 2008 werd de villa tenslotte gesloopt.
nil
links de dorpskern
pastorie (A),
Ruisbeek (C) het
van Kampenhout op het kasteel Van
parkje met de villa
de stafkaart van
Bellinghen (B) en
van notaris Everaert
1931 met de
bi{ het gehucht
(ICH, 1950)
De moestuin met enkele fruitbomen en kassen (26,5 are) ligt ten oosten en ten noorden van de villa, het park ten westen ervan. Het bestaat uit twee bijna even grote delen, gescheiden door de Weesbeek. Het gedeelte tussen de villa en de beek wordt ontsloten door een rondweg en een diagonaal pad, waarvan van het licht verzonken tracé nog gedeeltelijk zichtbaar is. Een brugje over de Weesbeek leidt naar het vijvergedeelte - momenteel door bramen overwoekerd en ontoegankelijk. Emile Everaert, zoon van Polidore, erfde het goed in 1920 en plantte het merendeel van de bomen: de Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) bij de vijver, de twee treurbeuken (Fagus sylvatica 'PendulaV met hun merkwaardige entknobbels naast het huis, een Kaukasische spar (Picea orientalis), een zomerlinde (Tilia platyphyllos), een magnolia (Magnolia x soulangeana) en zelfs de sculpturale, liggende trompetboom (Catalpa bignonioides), die een groot gedeelte van het gazon tussen de villa en de beek in beslag neemt, is van na de Eerste Wereldoorlog. Een Amerikaanse eik (Quercus rubra), een zilverlinde (Tilia tomentosa) en een bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV zijn overblijfselen van een oudere beplanting met sierbomen, mogelijk nog het werk van Verhaegen, ook al was er toen nog geen sprake van lusttuin.
De verwaarloosde
Merkwaardige bomen (opname 23 augustus 2002) 6. Amerikaanse eik (Quercus rubra) 3 6 5 8. treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV 264(80), zware entknobbels 9. treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV 245(130), zware entknobbels 10. zilverlinde (Tilia tomentosa) 4 1 6 11. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 406 12. gewone trompetboom (Catalpa bignonioides) 110 diameter, sculpturaal, liggend 13. boswilg (Salix caprea) 167
tuin met een monumentale, liggende trompetboom achter de leegstaande Villa Everaert (foto R. Deneef, 2002)
NOTEN (1) Oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 64 nrs. 15 en 21-22; kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1838 nr. 15. (2) Oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 1500 nrs. 3-9. Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1866 nr. 72. (3) Cf. de ansichtkaarten gereproduceerd in LAUWERS J., Kampen-
De tuin bij de Villa
(collectie Onroerend
Everaert op een
Erfgoed Vlaams-
hout, hoofdmeierij en bakermat van Beethovens stam. Gemeente-
oude ansichtkaart
Brabant, leuven)
bestuur Kampenhout, 1975, p. 57.
TVI&L
Roger Dene e f & Jo
Wijnant
KAMPENHOUT (KAMPENHOUTRELST): KASTEEL TEM OPSTAL HUTSTRAAT 1 8 , 1 9 1 0 K A M P E N H O U T (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
• Het kasteel Ten Opstal vanuit het noorden (foto R. Deneef, 2007)
i
Domein, 3,5 hectare, met gedeeltelijk ommuurde moestuin en een landschappelijk park van circa 2,5 hectare aangelegd in 1908 bij een in neomiddeleeuwse stijl heraangekleed kasteel; sporen van een oude ringgracht en een symmetrische landschappelijke tuin uit het begin van de 19de eeuw.
Het Hof Ten Opstal, voor het eerst vermeld aan het begin van de 14de eeuw, omvatte in 1732 een pachthof, een schuur, stallingen, een vogelhuis {"vleuge") en ook een 'huis van plaisantie' Cspeelhuis") (1). O p de Ferrariskaart (1771-1775) wordt op een omgracht perceel een gebouw met een L-vormige plattegrond afgebeeld. Aansluitend ten oosten van het bijna vierkante hofeiland wordt
een met hagen omgeven blok afgebeeld met een in bedden verdeelde tuin - vermoedelijk een combinatie van nut en sier - en een boomgaard. O p de rond 1820 opgestelde Primitieve kadasterkaart wordt het grondplan van het gebouw weergegeven als een rechthoek van 43 m bij 11 m (met een kleine insnoering in de noordelijke helft). Tegen de gracht aan, langs de binnenzijde, zijn twee kleine dienstgebouwen verschenen, vermoedelijk koetshuis en stallingen, mogelijk ook onderkomen voor personeel. De grachtarm langs de achterliggende tuin is verdwenen en het perceel met tuin en boomgaard wordt in zijn geheel (1 hectare 68) als 'lustgrond' weergegeven. Een bijna vierkant perceel van 51 are ten noorden van het (schier)eiland wordt in de legger als 'hof' omschreven (2). H e t resterende gedeelte van de ringgracht, 'lustvijver' volgens de kadastrale legger, is veel minder strak getekend dan op de Ferrariskaart.
open ruimte omgeeft, golven in perfecte symme- •* trie. Rond 1864 werd de grootste van de twee aan- Ten 0 P s t a l 0 P ^ ,
. ,
,
,
,
,
i i-i
i
Primitieve kadaster-
norigheden verbouwd en er werd vermoedelnk ook .
'ie\
ronwboscli
0
'
. .
kaart door E. laren,
iets aan het woonhuis gewijzigd, imposant genoeg niet gedateerd, om het in de kadastrale legger voortaan als 'kasteel' vermoedelijk te omschrijven. Enkele jaren later liet de Neuf '
'
noorden linksboven
- burgemeester van Kampenhout van 1854 tot aan ^ j f |(a(jaster zijn dood in 1877 - op een akkerperceel naast het Brabant, Brussel) landgoed een kapel bouwen, voorloper van de neogotische parochiekerk Sint-Jozef, die in 1909 wat verderop werd gebouwd (4).
De term lustgrond, het verdwijnen van de grachtarm tussen de woning en de achterliggende lustgrond en de beverige contouren van het overblijvende gedeelte van de ringgracht, wijzen op het bestaan van een informele, min of meer landschappelijke tuin, die in de ogen van de toen pas geadelde eigenaar - Joseph-Fran^ois de Neuf - voor een 'jardin a l'anglaise' moest doorgaan. De oudste stafkaart geeft een beeld van deze 'lustgrond' in 1864, die vermoedelijk sinds de Primitieve kadasterkaart weinig was veranderd, behalve dat nog slechts de grachtarm tussen het kasteel en de straat bewaard bleef. Eigenaardig voor een landschappelijke tuin (het water inbegrepen bijna 2 hectare), maar geen uniek geval (3), is de axiale symmetrie. Een lijnrecht pad, dat vertrekt bij de achterdeur van het huis, verdeelt het perceel in twee gelijke delen en zelfs de randen van het bosplantsoen dat de centrale
De symmetrische, vroeglandschappelijke tuin hield stand tot 1906, toen Ten Opstal werd aangekocht door het echtpaar Jules De Bruyn en Maria Dauw (5). Het kasteel kreeg toen zijn huidige neomiddeleeuwse uitzicht, vooral dankzij de kruiskozijnen en de massieve, vierkante toren met machicoulis en een hoog tentdak (6). De witte zandsteen maakt het moeilijk om uit te maken wat historiserend werd toegevoegd, bijvoorbeeld de in- en uitgezwenkte top van de zuidelijke zijgevel, maar de zuidgevel vertoont diverse ontlastingsbogen en kruiskozijnen van verdwenen ramen (7). Neotraditionalistische 'restauraties' zijn in die periode schering en inslag, onder meer het nabijgelegen Kasteel ter Balkt*. De stafkaart van 1909 (ICM, 1925) toont nog de oude, symmetrische tuinaanleg, maar op die van 1931 wordt het huidige padentracé afgebeeld. Het centrale pad heeft plaats geruimd voor een min of meer kronkelende rondweg, die in het achterste gedeelte vertakt in twee lussen en via de noordelijke lus een door bomen omzoomde boomgaard ontsluit, die voorheen niet bij het park hoorde. In overeenstemming met de neotraditionalistische restauratie werd minstens één van de verdwenen grachtarmen hersteld (op de stafkaart van 1931 worden er twee aangeduid). Er zijn echter geen sporen van historiserende tuinaanleg, bijvoorbeeld een neo-Franse tuin, waarmee dergelijke restauraties doorgaans gepaard gingen. De door De Bruyn vastgelegde structuur bleef bewaard.
• Het gehucht Reist en Ten Opstal op de Ferrariskaart (1771-1775) en de stafkaarten van 1864, 1931 en 1976 (ICM,
1880, 1936 en 1976);
vanaf 1931 met Saint.Fransois. Xavier, het buitenverblijf van kardinaal Van Roey
m
1771-1775 '•fl'ni
'0% I i l
.'\ ^sM^-i^SJ>S C-J. i, 1V1&L
4H
• Het kasteel Ten Opstal vóór de neomiddeleeuwse heraankleding rond 1908 (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, cliché AI03666)
S -
fe ft
iÊe. -•'••: ...
L h '**
IB MÏIHH
i A ,E
jA.Si^^^
i
r S Hr'^ET*^* fc^
^ | '^W^é'; - *~'' j ^ k •
*
^
-
"
^
^
^
(Ginkgo biloba), gewone en treurbeuk (Fagus sylvatica, F.s. 'PendulaV... maar ook enkele minder courante soorten als Kaukasische spar (Picea orientalis) en Amerikaanse kransmagnolia (Magnolia tripetala). Ook de recentste aanplantingen omvatten zeldzame soorten zoals kransmagnolia en tupeloboom (Nyssa sylvatica). De gedeeltelijk ommuurde moes- en bloementuin wordt intensief onderhouden en bewerkt.
^fcSwffllB
T Het kasteel Ten Opstal vanuit de tuin in 1972 (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
Van het oorspronkelijke vroeg-19de-eeuwse, symmetrische parkbeplanting getuigen nog vier bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'A een plataan (Platanus x hispanica), een Amerikaanse eik (Quercus rubra), een tulpenboom (Liriodendron tulipifera) en twee zomerlinden (Tilia platyphyllos), bomen met een stamomtrek van 3,5 m tot meer dan 5 m. De twee heuveltjes aan de zuidrand van het park (op het kleinste staat de tulpenboom) zouden eveneens relicten van het eerste park kunnen zijn. Het gros van de bomen werd door De Bruyn aangeplant, voor het merendeel algemene soorten als gewone en hangende zilverlinde (Tilia tomentosa, T petiolaris), Noorse esdoorn (Acer platanoides), grauwe abeel (Populus canescens), ginkgo
Merkwaardige bomen (opname door de Vereniging Belgische Dendrologie, 1992 - nummering uit databank 'Beltrees') 11489. gewone esdoorn (Acerpseudoplatanus) 377 11490. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 3 7 8 11491. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) 366 11497. Amerikaanse kransmagnolia (Magnolia tripetala), 10-stammig, dikste stam 47(20) 11 504. fijnspar (Picea abies) 239 11510. fijnspar (Picea abies) 235 11499. Kaukasische spar (Picea orientalis) 180 11505. Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 3 8 6 11.487. gewone plataan (Platanus x hispanica) 488 11.492. grijsbladige treurpeer (Pyrus salicifolia 'Pendula'; 68 11511. grootbladige linde / zomerlinde (Tilia platyphyllos) 3 4 3 NOTEN (1) LAUWERS J., Kampenhout, hoofdmeierij en bakermat van Beethovens stam, Gemeentebestuur Kampenhout, 1975, p. 57. (2) Oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 149 nr. 10. (3) Zie het domein Puttenberg te Pepingen in DENEEF R. (red.), Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Pajottenland - zuidwesten van Vlaams-Brabant (CAntt M&L nr. 11), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2005, p. 202-206. (4) Kadastrale opmetingsschetsen Kampenhout 1864 nr. 9 en 1866 nr. 37. (5) Oudste kadastrale legger 212 Kampenhout, art. 2331 nrs. 53-58 en 71-72. (6) Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1909 nr. 5. Beschrijving in DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 314. (7) Vergelijk met de foto van vóór de verbouwing gereproduceerd in WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civili-
S f^iSÊ&--
M&L
sation, 1972, p. 234.
Roger
Deneef
KAMPENHOUT (KAMPENHOUT-RELST): VILLA S11MT-ERA1MC1SCUSXAVER1US ft PARK VAM RELST AARSCHOTSEBAAN 1 2 6 , 1 9 1 0
KAMPENHOUT
( d e d i r e c t e o m g e v i n g v a n de villa p r i v é b e z i t , n i e t t o e g a n k e l i j k v o o r het p u b l i e k )
De Villa fintFranciscus-Xavcrius, eclectische architectuur met 'avant la lettre' een snuifje art deco (foto R. Deneef, 2002)
Landschappelijk park van 1 hectare 83 are met een vijvertje, aangelegd bij een in 1909 gebouwde eclectische villa. De villa langs de Aarschotsebaan, op een oude ansichtkaart " Villa Saint-Fran$ois-Xavier" genoemd, werd in 1909 gebouwd door Marie Bouquéau (1), weduwe van Antoine De Bruyn en schoonzuster van de eigenaar van het aanpalende kasteel Ten Opstal *, dat in diezelfde periode een neomiddel-
eeuwse facelift kreeg. Het gaat om een eclectisch gebouw met een bijna vierkante plattegrond, drie bouwlagen, erkers, een composiet tentdak met een dakruiter, vensters met kruis- en kloosterkozijn en - eveneens naar traditie verwijzend - gele sierbakstenen met rode 'speklagen', een sierelement dat herhaald wordt in de lage muur met pijlers en hekwerk langs de straat. De over twee bouwlagen doorlopende erker en vooral de boog boven het toegangshek doen, samen met het geel en het rood van de bakstenen, een beetje art deco aan. Een lage
werden tegen de noordrand van het park twee heuveltjes aangelegd, een veelgebruikte techniek om het plantsoen wat reliëf te geven en de wandeling rond het park minder eentonig te maken, want een vertakking van de rondweg die de hoofdontsluiting vormt slingert over deze heuveltjes. Bij haar dood in 1935 droeg Marie Bouquéau het landgoed bij testament over aan het aartsbisdom Mechelen. Het werd door kardinaal Jozef Van Roey min of meer als buitenverblijf gebruikt (3). In 1961, na de dood van Van Roey, werd de villa met haar onmiddellijke omgeving verkocht. De rest van het domein - het huidige park van Relst - werd voor een symbolische frank voor 99 jaar ter beschikking gesteld van de Sint-Jozefsparochie.
A De vi|ver in het park van Relst (foto R. Dencef, 2002)
uitbouw achter de villa en een kleine, losstaande remise vormden aanvankelijk de enige aanhorigheden. De villa werd gebouwd aan de zuidrand van een perceel van bijna 3 hectare, dat zich tot tegen het kasteelpark Ten Opstal uitstrekte. Na de voltooiing van de villa werd in het noordoostelijke gedeelte een ommuurde moestuin van 17 are aangelegd (momenteel grotendeels parkeerplaats). Hierin werden drie serres opgetrokken, afgebroken rond 1955 (2).
Merkwaardige bomen (opname 23 augustus 2002) 8. Amerikaanse eik (Quercus rubra) 383 20. Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV 208 35. westerse levensboom (Thuja occidentalis)
152/64 43. gele paardenkastanje (Aesculus flava) 114 NDTFN (1) Oudste kadastrale legger Kampenhout, art. 2645 nrs. 1-4, 1112, 19, 24-27. Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1909 nr. 5- LAUWERS ]., Kampenhout, hoofdmeierij en bakermat van Beethovens stam, Gemeentebestuur Kampenhout, 1975, p. 57. (2) Kadastrale opmetingsschets Kampenhout 1912 nr. 9 en, voor de afbraak, 1956 nr. 14.
Het resterende gedeelte, 1 hectare 83 are groot, werd aangelegd als lusttuin. De omvang en structuur van deze tuin worden duidelijk afgebeeld op de stafkaart van 1931 [zie p. 47]: een centrale open ruimte met een vijvertje en omgeven met hoogstammig plantsoen met gewone en bruine beuk (Fagus sylvatica, Es. 'AtropuniceaV, zilverlinde (Tilia tomentosa), Amerikaanse eik (Quercus rubra), witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), plataan (Platanus x hispanica), tamme kastanje (Castanea sativa), zilveresdoorn (Acer saccharinum), gewone esdoorn en zijn bontbladige cultivar (Acer pseudoplatanus, A.p. 'Leopoldii'j, Krimlinde (Tilia x euchlora), gewone robinia (Robinia pseudoacacia), Amerikaanse hemlock (Tsuga heterophylla), westerse levensboom (Thuja occidentalis), goudbonte reuzenlevensboom (Thuja plicata 'Zebrina'j en - eerder zeldzaam - gele paardenkastanje (Aesculus flava) en Noorse esdoorn met bolstaand blad (Acer platanoides 'CucullatumV- Met de specie die werd uitgegraven voor de aanleg van een vijvertje
M&L
(3) Volgens LAUWERS ]., op. cit., p. 265.
Roger Deneef André
&
Cresens
KAMPENHOUT (1NEDEROKKERZEEL): KASTEEL TER BALKT WATERSTRAAT 5 3 , 1 9 1 0 NEDEROKKERZEEL (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
• Het sobere, witgepleisterde woonhuis werd na 1900 verbouwd tot een schilderachtig, rijk versierd, neotraditioneel kasteeltje (foto 0.Pauwels, 2008)
Landschappelijk park van circa 4 hectare, aangelegd rond een voormalige molen vijver, gelijktijdig met de historiserende heraankleding van een watermolen rond 1905. Ter Balkt wordt voor het eerst vermeld in een pachtcontract uit 1230 tussen de Antwerpse SintMichielsabdij, eigenaar sinds 1145 en grootgrondbezitter in de regio, en Henricus 'dictus Keyset', een molenaar (1). De bedding van de Molenbeek, die ontspringt aan de voet van het leemplateau bij Kortenberg en onderweg nog de Heersemmolen te Veltem-Beisem voedt, werd aan het einde van de 17de eeuw opgehoogd tot een echt aquaduct (2), dat verschillende kleinere beken overspant en nabij Ter Balkt een hoogteverschil van circa twee meter ten opzichte van het maaiveld beteikt. De molen wordt voor het eerst afgebeeld op een
figuratieve 'caert van listers huys' uit 1661 (3), een landschapsbeeld dat zonder grote veranderingen de 18de eeuw overleefde en tot op zekete hoogte nog in de huidige perceelsstructuur afleesbaar is. De Primitieve kadasterkaart opgemaakt in 1829 toont nog wel twee grote, driehoekige vijverpercelen met — afzondetlijk gekadastreerd — hun oevers, maar het watet, nog als één grote vijver afgebeeld op de Ferrariskaart (1771-1775), was verdwenen. De 'Balgmolen' vormde een bijna gesloten complex, waat de Molenbeek dootheen stroomde. Het stond in 1831 op naam van de weduwe van Jan Vonck uit Leuven (4) en was omringd door drie tuinpercelen (nrs. 326, 328 en 329), weiland, bosjes en akkers. De voormalige vijvers (nrs. 322 en 324) werden respectievelijk als bouwland en weide geregistreerd. O p geen van de 19de-eeuwse stafkaarten wordt watet afgebeeld, evenmin op die van 1909. Pas op de stafkaart van 1931 wordt de huidige vijvet weergegeven.
A De 'Balgmolen' zonder vijvers in 1829. op de Primitieve kadasterkaart (archief Kadaster Brabant, Brussel)
Ter Balkt in 1892, 1909 en, met landschappelijk parkje, in 1931 (ICM, 1894, 1925 S 1936)
M&L
Het gebouwencomplex werd grondig gerestaureerd - of juister gezegd herbouwd - in neotraditionele stijl in het begin van de 20ste eeuw (5) en een tweede maal in 1968-1969. Daarbij werd gul gebruikgemaakt van gerecupereerd materiaal, dat meestal van elders afkomstig was (6). Het sobere, witgepleisterde woonhuis veranderde mettertijd in een schilderachtig, rijk versierd, neotraditioneel kasteeltje met opgeklampte en bespijkerde rondboogdeuren, ramen met kruiskozijnen, trapgevels, halsgevels met voluten en driehoekige frontons, getrapte dakkapellen, een achthoekig hoektorentje, jaarstenen en jaarankers die uiteenlopende jaartallen weergeven... de begane grond en het torentje grotendeels van witte zandsteen, de rest van baksteen met zandstenen speklagen. Niet alleen het gebouw maar ook de omkadering veranderde. O p de stafkaart van 1931 verschijnt een vijver met drie (ondertussen verdwenen) eilandjes - het middelste toegankelijk via een brugje - en een uit twee lussen opgebouwd padenpatroon; de zuidelijke lus omvatte de vijver. De oude 'Dwars-
Ter Balkt op een
Waterstraat bleef
prentbriefkaart van
bewaard in een
beplant
vóór de Eerste
150 m lang laantje
(met dank aan
Wereldoorlog; het
ten westen van het mevrouw Hertens
tracé van de oude
kasteel, op deze
foto nog met iepen
de Wilmars)
balkstraat' (zo genoemd op de Primitieve kadasterkaart), die oorspronkelijk met een brede kronkel langs het gebouwencomplex liep, was al vóór 1892 verlegd zodat de tuin (perceel 329) met een halve hectare kon worden uitgebreid. De vergrote moestuin, afgebeeld (roze met zwarte stippen) op de stafkaart van 1892, is nu een grasveld, maar de bakstenen 'fruitmuur' langs de Waterstraat bestaat nog. Rond 1908 werd de straat volledig rechtgetrokken en vormde voortaan de noordgrens van het domein. Het tracé van de oude weg ten westen van het kasteel bleef echter bewaard in een 150 m lang, recht laantje, oorspronkelijk beplant met iepen (Ulmus glabra), die als gevolg van de iepenziekte tijdens het interbellum vervangen werden door Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, tijdens de winter 2003-2004 op hun beurt vervangen door zomereiken (Quercus robur).
Breed uitgegroeide Kaukasische vleugelnoot in de beemden ten oosten van het kasteel Ter Balkt (foto 0. Pauwels, 2008)
Dit laantje en de oprijlaan ten noordoosten van het kasteel zijn de enige rechtlijnige elementen in de nieuwe aanleg, die circa 4 hectare beslaat. De samenstelling van het bomenassortimenr dat, te oordelen naar de stamomtrekken (250 tot 300 cm, met enkele uitschieters), vermoedelijk in de late jaren 1920 werd aangeplant, is stereotiep voor latere landschappelijke parken: groene en vooral bruine beuk (Fagus sylvatica, F. s. 'AtropuniceaV, zilverlinde (Tilia tomentosa), witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), Amerikaanse eik (Quercus rubra), treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendulaj. De toenmalige eigenaar, Jules Witman, liet ook de oevertaluds van de Molenbeek en de beemden ten oosten van het kasteel met sierbomen opsmukken, vandaar de dubbele rij Amerikaanse eiken, het groepje bruine beuken en, vooral, de merkwaardige gevormde Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) in dat gedeelte.
NQTFN (1) In detail besproken in VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XI), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 337-338. (2) De toelating zou uit 1686 dateren volgens WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIII-A (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1973, p. 267. (3) Gereproduceerd in VERBESSELT ]., op. cit., tussen p. 328 en 329. (4) Oudste kadastrale legger 212 Nederokkerzeel, art. 325. (5) Kadastrale opmetingsschets Nederokkerzeel 1906 nr. 9; oudste kadastrale legger 212 Nederokkerzeel, art. 882 nrs. 15, 16, 17, 27, 32 en 33. (6) DE MAEGD C, Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 426-427.
Merkwaardige bomen (opname 21 mei 2003) 4. Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) 6 2 0 (20), massief, 20 m breed en 7 m hoog 35. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 405
M&L
Roger Deneef & Jo Wijnant
XRAAllMEM: PARK J0URÜA1N A, D E Z A N C R E L A A N
45-48, 1 9 5 0 KRAAINEM
Het park Jourdaln met de voormalige pastorie en daarachter het kasteel (foto R. Deneef, 2007)
Landschappelijk park - nu gemeentelijk park - aangelegd rond 1900 naast een tot eclectisch kasteel verbouwde hoeve, aanvankelijk 8,5 hectare, later uitgebreid met twee vijvers tot circa 12,5 hectare. Het pachthof ten oosten van de dorpskern, aan de toen nog kronkelende weg van Kraainem naar Wezembeek (1), werd in 1883 aangekocht door dokter Delphin Gaillard. Gaillard gaf de 18deeeuwse, gesloten hoeve zijn huidige kasteelachtige uitzicht (2) - eclectisch met nadruk op traditionele stijlelementen: baksteenmetselwerk met speklagen en negblokken van witte steen, kloosterkozijnen, trapgeveltjes, een achthoekig hoektorentje met een dakvorm die het midden houdt tussen een Chinese pagode en een zoutvat...(3). Van een min of meer landschappelijk park is er pas sprake na 1899, onder de volgende eigenaar, Victor Jourdain. Jourdain staat samen met zijn broer Louis bekend als oprichter in 1915 van één van de belangrijkste
Franstalige kranten van België, 'La Libre Belgique', onder de Duitse bezetting clandestien verspreid (4). Vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog slaagde Victor Jourdain erin om via een uitwisseling van eigendommen ook het pastoorsgoed bij zijn domein in te lijven en een park te vormen van bijna 8,5 hectare (5). Na zijn dood in 1918 voegden zijn erfgenamen hier ook de grote vijvers langs de Kleine Maalbeek (samen bijna 4 hectare) aan toe, samen met de watermolen, die de grootste van de twee vijvers als reservoir gebruikte, maar aan de overzijde van de weg naar Zaventem lag. Het landschappelijk park dat zich aftekent op de stafkaart van 1912 strekte zich hoofdzakelijk uit in de beekvallei ten noordoosten van het kasteel en werd ervan gescheiden door een moestuin en een boomgaard. De structuur is van een grote eenvoud en bleef min of meer bewaard, ondanks de verminking door de aanleg van de ringautosnelweg in 1973. Een rechte laan vertrekt vanuit het kasteel, vertakt in een kleine, bijna ronde lus, waar
1912
1930
2005
De dorpskerk van Kraamem met het park Jourdain op de stafkaarten van 1912 en 1930 (ICH, 1925 S 1937) en op een satellietfoto van 2005 (Google Earth)
een grote, bijna ovale lus bij aansluit. In de twee lus was een onooglijk, niervormig vijvertje uitgegraven, want de grote molenvijvers en de pastotie hoorden nog niet bij het park. De oude beplanting komt nagenoeg uitsluitend in dit gebied voor - voornamelijk platanen (Platanus y. hispanica) die onder meer de kleine lus aan de zuidrand afzomen, maar ook linden (Tilia platyphyllos, T. x europaea, T. tomentosa), witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum), enkele bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'A enkele Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra) en zeldzaamheden als Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) en treurglnkgo (Ginkgo biloba 'PendulaV. Na de overname van het domein door de gemeente werd het bomenbestand verrijkt met diverse, soms zeldzame, soorten, waaronder Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), watercipres (Metasequoia glyptostroboides), grijze walnoot (Juglans cinerea), Amerikaanse eik met helgeel blad (Quercus rubra Aurea'J. In het nutsgedeelte tussen het park en het kasteel werd een speeltuin aangelegd.
De voormalige pastorie van Kraamem, door Jourdain in 1914 in zi|n park geïntegreerd (foto R. Deneef, 2007)
Merkwaardige bomen (opname 11 juni 1997) 11. treurginkgo (Ginkgo biloba 'PendulaV 126(100) 22. gewone plataan (Platanus x hispanica), laagvertakt, 684(70) 25. Cappadocische esdoorn (Acer cappadocicum) 236 26. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 395 52. ruwe berk (Betuia pendula) 2 5 3 67. zilverlinde (Tilia tomentosa) 3 7 6
4 Toegang tot de door dokter Gaillard 'gecastelh-
NOTEN
seerde' hoeve
(1) De huidige Dezangrelaan zou pas tien jaar later worden aange-
2007)
(foto R. Deneef,
legd, cf. kadastrale opmetingsschets Kraainem 1893 nr. 6. Over de historische achtergrond van de hoeve, zie VERBESSELT J., Hetparochtewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XII), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 253-356. (2) Kadastrale opmetingsschets Kraainem 1885 nr. 8. Oudste kadastrale legger 212 Kraainem, art. 555 nrs. 11. (3) DE MAEGD C., Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 333-334. (4) STÉPHANY R, La Lihre Belgique: histoire d'un journal ühre 1884-1996, Bruxelles, Duclot, 1996. (5) Oudste kadastrale legger 212 Kraainem, art. 35 nrs. 29-30.
1VI&L
Roger
Deneef
KRAAINEIVI: VILLA ÜELHAYE BRUSSELSESTEENWEG 2 7 5 , 1 9 5 0
KRAAINEM
( p r i v é b e z i t , n i e t t o e g a n k e l i j k v o o r het p u b l i e k )
Het paviljoen achter de villa van Delhaye, vermoedelijk rond 1895 gebouwd (foto R. Denecf, 1998)
Tuin rond een villa gebouwd in 1890, aanvankelijk 27,5 are, enkele jaren later verruimd tot 59 are en recentelijk gereduceerd tot 52 are; enkele merkwaardige oude bomen, onder meer een oosterse plataan. Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw werd de noordelijke, naar Brussel toegekeerde rand van het Zoniënwoud in toenemende mate aantrekkelijk als residentieel gebied voor de Brusselse bourgeoisie. De toen nog grotendeels beboste zuidpunt van Kraainem kan beschouwd worden als de meest noordelijke uitloper van het Zoniënwoud, maar maakte geen deel uit van het staatsbos en kon dus probleemloos worden verkaveld. De villa die Henri
Delhaye uit Brussel, 'ondernemer' volgens de kadastrale legger, rond 1890 langs de steenweg Tervuren-Brussel bouwde, is de oudste in dit gebied. Dankzij de aanleg van de Tervurenlaan en een tramlijn naar Brussel, werd dit gebied rond 1900 nog aantrekkelijker en zouden vele andere villa's en landhuizen volgen, waaronder het nabijgelegen 'Les Bouleaux'. De tuin die Delahayes villa omringt, oorspronkelijk een lang en smal perceel van 27,5 are, werd enkele jaren later verruimd tot een 'lusthof' van 59 are (1) en in een recent verleden gereduceerd tot 52 are omdat het achterste gedeelte als afzonderlijke woonkavel kon worden verkocht. De voor het huidige uitzicht bepalende verbouwingen werden uitgevoerd in de jaren 1930 (2). De heterogeniteit
wordt verdoezeld door witgeschilderd pleisterwerk, maar het overkragende zadeldak van het oude gedeelte en vooral de vierkante toren met een steil, met siersmeedwerk bekroond schilddak, verraden de 19de-eeuwse landelijke villa, waarin zelfs nog een beetje Cluysenaar doorschemert (3). Het paviljoentje tegen de omheiningsmuur aan de westrand van de tuin achter de villa is vermeldenswaardig: zeshoekig, gestructureerd door ruwe boomstammen, met een afgeknot, eveneens zeshoekig piramidedak met daarop een lantaarn met een eigen zeshoekig piramidedakje. Deze specifieke dakvorm gaat terug op het pittoreske, exotische parkmeubilair dat sinds 1757 (4) in allerlei modelboeken en publicaties werd aangeprezen en onder meer tot de bouw van talrijke 'pagodes' leidde. Wanneer het werd opgetrokken — vermoedelijk bij de uitbreiding van 1895 — valt aan de hand van het kadaster niet uit te maken. De tuin moet oorspronkelijk landschappelijk geweest zijn. De terrasvormige structuren links van de villa werden vermoedelijk aangebracht in de jaren 1930. De treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV, reuzenzilverspar (Abies grandis) en een oosterse plataan (Platanus orientalis) behoren ongetwijfeld tot de oorspronkelijke beplanting.
Merkwaardige bomen (opname 17 september 1998) 1. treurbeuk (Fagus sylvatica'Vendulz) 395(130) 2. oosterse plataan (Platanus orientalis) 323 3. reuzenzilverspar (Abies grandis) 2 2 6
NOTEN (1) Oudste kadastrale legger 212 Kraainem, art. 772. Kadastrale opmetingsschetsen 1891 nr. 13 (bouw villa) en 1896 nr. 5 (verruiming tuin). (2) Kadastrale opmetingsschetsen 1931 nr. 74 en 1935 nr. 29. (3) Architect Jean-Pierre Cluysenaar (1811-1880), bekend van onder meer de Sint-Hubertusgalerijen te Brussel. Zijn Maisons de campagne, chateaux, fermes, maisons de jardinier, garde-chasse et d'ouvriers, etc. (Brussel, B. Van der Kolk, 1859) vond veel weerklank bij de landelijke architectuur van de tweede helft van de 19de eeuw. (4) De publicatie in 1757 van Designs of Chinese buildings door William Chambers.
Roger Deneef, & Rita
Hilde
Kennes
Steyaert
MACHELEN (MACHELEN): KASTEEL BEAUL1EU WOLUWELAAN
100, 1830 MACHELEN
• Het waterkasteel Beaulieu met het kanaal BrusselWillebroek op de achtergrond, volgens een kopergravure door J. Harrewijn in
1694 uit'Castella et Praetona nobilium Brabantiae' van J. Le Roy, hergebruikt door De Cantillon in: ïermokel/kheden ran Brabont en des-
zelfs onderfioorije landen'. 1770 PROSIT. C r v i
Landschappelijk ('rivier')
park met
en strak afgelijnde
bosschages, eigenaardig regelmatige
rASTr.Li.r
serpentinevijver vista's tussen
mengsel van
en onregelmatige
elementen,
oorspronkelijk
circa 17 hectare,
vermoede-
lijk aangelegd
aan het einde van de 18de
eeuw achter een in 1653-1656
gebouwd
barok waterkasteel;
van de
vervanging
lineaire
vista 's door een meer
patroon
van bosjes en
bomengroepjes
rond 1880; grotendeels
verkaveld
industrie en woningbouw vervallen en verminkt
gebruikelijk
sinds 1920;
kasteel
omringd
door circa 1 hectare braakliggend recente, nog niet voltooide
voor
terrein;
restauratie.
Tour en Tassis, Fayd'herbe en Hansche Het barokke kasteel Beaulieu ligt op een verwilderd terrein van amper één hectare aan de oostzijde
BÜvvTïrTT
-.Stat)
Jcul:
van de drukke Woluwelaan, aan de benedenloop van de Woluwe en de oostrand van de Zennevallei, op 1200 m van het kanaal Brussel-Willebroek. De Zennevallei tussen Brussel en Vilvoorde was sinds de aanleg van het kanaal in 1560-1561 en vooral in de 17de en 18de eeuw erg in trek voor de vestiging van buitenverblijven, 'huizen van plaisantie', 'speelhuizen'. N a 1900 werd dit gebied grotendeels ingepalmd door de industrie. Het kasteel werd gebouwd in opdracht van prins (Fürst') Lamoral Claudius von T h u r n und Taxis (ook de la Tour et Tassis), erfelijk grootmeester van het keizerlijke postwezen, residerend in Frankfort. Volgens sommige auteurs en volgens recent bouwhistorisch onderzoek werd Beaulieu gebouwd op de grondvesten van een oudere burcht (1). In de literatuur wordt sinds 1932 Lucas Fayd'herbe (1617-1697) aangehaald als ontwerper van het kasteel dat werd voltooid tussen 1653 en 1656, wat door recent onderzoek kon worden bevestigd (2). Sommige vertrekken, waaronder de kapel, werden voorzien van stucwerk van de hand van Jan Christiaan Hansche. Beroemd zijn de beschadigde en deels
KtK ymffi
zijn de maximaal opengewerkte hoofdgevels, waar de strenge, haast classicerende gevelordonnantie een contrast vormt met de barokke topgevel. De vensters, voornamelijk in de oostelijke voorgevel, zijn zeer groot en beslaan, met een minimale onderbreking, de volledige traveeën, die van elkaar gescheiden worden door smalle pilasters en op pilasters lijkende penanten. Ongewoon grote vensters waren overigens ook een kenmerk van het stedelijke paleis van de familie Thurn und Taxis, die misschien ook voor haar landelijke residentie een maximale lichtinval wenste. Het kasteel Beaulieu mag beschouwd worden als een synthese van de toenmalige stijlkenmerken uit de zuidelijke en noordelijke Brabantse architectuur en andere, zowel oudere als innoverende 17de-eeuwse architectuurelementen.
Het waterkasteel Beaulieu (door ons rood aangestipt) vermeld als 'Chateau de Ste Gertruyde Machelen' op de Ferranskaart (I77M77S)
Het kasteel Beaulieu (door ons rood aangestipt) en, linksboven, het kasteel van Drie Fonteinen, beide met een 'Engelse tuin' of een embryo
verdwenen 'Herculespanelen' van het plafond in het grote salon, geïnspireerd op schilderijen van Frans Floris (1516-1570) (3). Het goed, oorspronkelijk 'Belvédère' geheten, ontving in de loop van de geschiedenis notoire bezoekers - onder meer de Engelse koning Willem III (1693) en de hertog van Marlborough na de slag van Ramillies (1706) - en had een plejiade van vooraanstaande en soms dubieuze eigenaars, onder meer de slavenhandelaar Frederik Romberg (1782) (4). Een kopergravure door J. Harrewijn in 'Castella et Praetoria nobilium Brabantiae' van J. Le Roy (1694), is de oudste afbeelding van het kasteel en zijn onmiddellijke omgeving. Het was een rechthoekig waterkasteel van zeven traveeën met een souterrain en twee bouwlagen onder een complexe bedaking, samengesteld uit een schilddak en een zadeldak ter hoogte van de hogere risalieten. Het heeft een strakke plattegrond met op de gelijkvloerse verdieping zes rechthoekige ruimtes, drie vooraan en drie achteraan. De Herculeszaal bevindt zich centraal aan de westzijde. Het kasteel — tot 1930 (cf. infra) geflankeerd door twee uitspringende, vierkante hoektorens met klokdaken en achthoekige lantaarns — werd opgetrokken uit lokale zandsteen en blauwe hardsteen voor de kozijnen en de balusters. Een opvallend kenmerk
Landingsbanen in een rivierlandschap Volgens de ets van Harrewijn was de omgevingsaanleg rond 1690 van een merkelijk bescheidener niveau: rechts van het kasteel een boomgaard; links, tussen het neerhof en de slotgracht en achter (ten westen van) het kasteel doorlopend, een siertuin opgebouwd uit vierkante, met zuilboompjes versierde parterres. In de meest linkse parterre is loofwerk duidelijk herkenbaar. Het door balustrades omzoomde ereplein lag buiten de slotgracht en bestond uit louter grind of aarde. Op de achtergrond de Zennebeemden, de vaart Brussel-Willebroek in de nabijheid van het sas van Drie Fonteinen en de helling waarop nog geen honderd
daarvan, op de gegraveerde versie van de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs' door G. DeWautier, 1810
'rivier' en de 'landingsbanen' van
^JP
het kasteeldomein Beaulieu op één van de ontwerpversies van de Primitieve kadasterkaart door Degyzer, 1812
noorden
rechts |
(archief Kadaster J
Brabant, Brussel)
landschappelijke, 'Engelse' tuin, afgebeeld op de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs', gepubliceerd door G. De Wautier in 1810 en, ongeveer gelijktijdig, op de ontwerpversie van de Primitieve kadasterkaart opgemaakt door landmeter Degyzer in 1812.
• Het kasteeldomein Beaulieu rond 1830, In de 'Atlas cadastral de Belgique' van P.C. Popp, I860 - noorden rechts
Het kasteel Beaulieu in de jaren 1870 vanuit het westen, het middennsaliet nog zonder gekrulde topgevel, op een litho van H Vasseur in E. de Damseaux, La Belgique pittoresque, 1872-1878 (met dank aan FUNDP, Bibliothèque universitaire Moretus Plantin, Namen)
Het kasteel Beaulieu (wit omcirkeld) op de stafkaarten van 1877 en 1891
jaar later een van de eerste 'Engelse tuinen' van België zal worden aangelegd - het domein van Drie Fonteinen*. Het contrast tussen de prestigieuze architectuur van het kasteel en de wat povere aanleg van de omgeving wordt bevestigd en zelfs benadrukt op de 18de-eeuwse kaarten, onder meer op de Ferrariskaart (1771-1775). De Ferrariskaart toont echter het patroon van brede grachten - een bijna vierkante ringgracht die een kleiner vierkant omsluit - dat de Woluwebeek doorheen het Machelenbroek verbond met de Zenne. Dit patroon zal de aanzet vormen van een embryo van
Opdrachtgever voor de aanleg van deze landschappelijke tuin was wellicht Romberg, eigenaar van Beaulieu vanaf 1782 en associé van Jean-Joseph Walckiers de Gammerages, die de Engelse tuin van Drie Fonteinen* aan de overkant van de vallei liet aanleggen. De Wautier tekent een bijna ovale ringgracht met onnatuurlijk golvende contouren. De oevers op de ontwerpversie van de kadasterkaart worden veel strakker getekend, maar de bedoeling is duidelijk: de kasteelbewoners keken uit over een 'rivierlandschap' - een zachtjes slingerende 'rivier' (1 hectare 89 are groot) met twee bruggen (vermoedelijk boogbruggen), ingebed in een tot 50 m brede "iceyde van vermaeck" omkaderd door strak afgelijnde " bosschen van vermaek" (5). Kunstmatige 'rivieren', vaak niet veel meer dan verbrede en opgestuwde grachten, vormden vooral na de aanleg van het nabijgelegen kasteeldomein Schonenberg (het huidige park van Laken) rond 1780, een belangrijk motief in de landschappelijke, 'Engelse' parken. Intrigerend en vrij uniek is echter het netwerk van strakke, op landingsbanen lijkende, visuele corridors (samen 4 hectare 71 are) en strak afgelijnde bosmassieven (circa 9 hectare), waar de 'rivier' zich doorheen slingerde. O p de definitieve versie van de Primitieve kadasterkaart (circa 1830) (6) worden deze 'landingsbanen' achter het 'kasteel van Godin', de toenmalige eigenaar - iets meer getemperd weergegeven (in de onmiddellijke omgeving van het kasteel gaan de lijnen wat kronkelen), maar op de stafkaart van 1877 zijn ze nog duidelijk herkenbaar. Volgens het Primitief kadaster besloegen de "w77W(2eF-percelen in 1831 samen bijna 17 hectare.
(ICM, 1882 en 1893-1895)
1877
1VI&L
1891
Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw, onder de families d'Alcantara (vanaf 1841) en Rittweger (vanaf 1875) die Beaulieu ook permanent bewoonden, onderging het kasteel ingrijpende verbouwingen (7). De vensters werden aangepast, er werd een terras aangelegd, de torendaken werden vervangen en het interieur werd heringericht, onder meer met een nieuwe trap en een schouw in neorenaissancestijl. Het middenrisaliet van de westgevel, oorspronkelijk met een afgewolfd dak, kreeg een gekrulde topgevel, min of meer gelijkend op die van de oostgevel, vermoedelijk omdat toen
de hoofdingang werd verlegd naar de westzijde van het gebouw. De aanleg van het landschappelijke park, nu zonder 'landingsbanen' (8) maar bezaaid met boomgroepjes en bosjes zoals afgebeeld op de stafkaart van 1891, was ongetwijfeld het werk van de Brusselse verzekeringsmakelaar Emile Rittweger, die het domein in 1875 had gekocht. De totale oppervlakte van de als 'lustgrond' geregistreerde percelen bedroeg toen meer dan 16 hectare, bijna één hectare minder dan in 1831, maar deze afname hing samen met het verschijnen van een uitgebreide infrastructuur - broeikassen, hondenren, volière, ijskelder (nog in 1885 geregistreerd ) - eigen aan permanent bewoonde landgoederen. Verschillende percelen aan de overzijde van de weg Diegem-Machelen (de huidige Pieter Schroonstraat) maakten deel uit van het domein. Franse tuin Omstreeks 1920 begon het verval. Beaulieu werd in 1919 door de erfgenamen van Rittweger verkocht en belandde via enkele kortstondige eigenaars in 1923 bij de Brusselse vastgoedvennootschap 'Société Beige Immobilière'. De dreven verdwenen, het park werd verkaveld en de grachten en vijvers werden gedempt. In 1930 werd het kasteel aangekocht door August Braun, die overeenkomstig de verkoopsvoorwaarden begon met de afbraak en de ontmanteling. De noordoostelijke kasteeltoren werd gesloopt en heropgebouwd - zij het met een licht gewijzigd uitzicht - op zijn landgoed Ter Meeren* in Sterrebeek (9), maar de rest van het gebouw bleef gelukkig gespaard. Materialen van de gesloopte bijgebouwen werden her en der hergebruikt, onder meer voor het herstel van de kerk van Tervuren. De teloorgang van Beaulieu verliep niet ongemerkt, maar gaf aanleiding tot een bescheiden schandaalkroniek (10) en een poging van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen om op grond van de kersverse wet op het 'behoud van monumenten en landschappen' (7 augustus 1931) het kasteel te beschermen als 'monument'. Na de Tweede Wereldoorlog werden onder impuls van 'De Vrienden van Beaulieu', een vereniging opgericht in 1944 en herstellingswerken uitgevoerd naar ontwerp van architect Marcel Schmitz. Deze werken, beëindigd in 1949, omvatten ook de herinrichting van het interieur met onder meer het terugbrengen van de omstreeks 1930 verwijderde Herculespanelen.
De vereniging was niet alleen bekommerd om het kasteel, maar schonk ook aandacht aan wat er van de omgeving was overgebleven. De aanleg van een
Perspectief van de
formele, 'Franse' tuin op de resterende niet verkavelde of bebouwde ruimte rond het kasteel (iets meer dan één hectare) was een onderdeel van haar programma. Het plan dat de 'Vrienden' opmaakten, grijpt niet terug naar de parterres op de ets van Harrewijn, maar geeft een eigen, historiserende en toen al gedateerde invulling. De plattegrond draagt de datum 12 maart 1947, maar aan de soepjurken van de dames op de voorgrond van het bijgevoegde perspectief valt af te lezen dat het plan, getekend "F\C, toen al minstens vijftien jaar oud was. Met buxushaagjes en -bollen afgebakende grascompartimenten, de waterbekkens met spiegelbogen, de waaiervormige parterres aan weerszijden van het centrale deel, de vrij onhandig uitgetekende rand met loofwerk... De ontwerper, duidelijk van het tweede garnituur, heeft ongetwijfeld inspiratie gezocht in de neo-Franse tuinstijl, die in het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, de 'style Duchêne', zijn hoogtepunt bereikte, maar na de Eerste Wereldoor-
'Franse tuin', aanlegvoorstel door de 'Vrienden van Beaulieu' van 1947, met uitgevoerd (archief Onroerend Erfgoed VlaairoBrabant, Leuven)
Plan voor de aanleg van een 'Franse tuin', aanlegvoorstel door de 'Vrienden van Beaulieu' van 1947, met uitgevoerd (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
JE
3
I
•p'
,5] s
SSw M&L
zomer van 2002 restauratiewerken naar ontwerp van het architectenbureau Quirijnen en Jacobs aangevat. Hierbij werd de oorspronkelijke ringgracht opnieuw opengemaakt zodat het souterrain weer zichtbaar is; de bedaking werd vernieuwd, de gevels werden gereinigd en de beschadigde stenen behandeld met een verharder. Over de aanleg van de omgeving werden nog geen beslissingen genomen.
NOTEN (1) TEMMERMAN C, Beaulieu. Le Chateau des Tour et Tassis a Machelen, in Revue des Arehéologues et Historiens d' Art de Louvain, XIX, 1986, p. 238-265; WILLIS A., Architectural History of Beaulieu Castle (kunsthistorische analyse, februari 2001). (2) VERSTREPEN E., Le Chateau de Beaulieu è Machelen (eindvethandeling), Bruxelles, ULB, Faculté des Sciences Appliquées, Institut d' Urbanisme et d'Aménagement du Territoire, 19951996). (3) VAN VAECK M., Beelden van omhoog. Hansches 17de-eeuwse Het kasteel Beaulieu na de recente restauratie (loto R. Deneef, 2008)
plafonddecoraties in stucwerk in de kastelen van Horst, Modave en Beaulieu en in het Gentse Brouwershuis, in Monumenten &
log zijn beste tijd had gekend (11). De verwachtingen waren trouwens hoog gespannen; Beaulieu zou in de ogen van Charles Mertens, directeur van de vereniging, uitgroeien tot een 'musée dynastique', later afgezwakt tot een 'musée des gloires national s ' (12), maar ook dat was te hoog gegrepen en de 'Franse tuin' is er nooit gekomen.
Landschappen 16(5), 1997, p. 21-55. (4) WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 164-169. (5) Omschrijvingen volgens de oudste kadastrale legger 212 Machelen, art. 37 nrs. 18-29 en 34-51, op naam van baron FramjoisLouis de Godin. (6) Niet te vinden in het archief van het Kadaster Brabant te Brussel,
In 1956 werd het kasteel aangekocht door de daartoe opgerichte vereniging 'Verdedigers van Beaulieu', een spin-off van de 'Vrienden'. Architect R. Van Beginne werd toen belast met gedeeltelijke herstellingswerken, die voltooid werden in 1964. In dat jaar was er in Beaulieu op de begane grond een permanente tentoonstelling van het Postmuseum te zien en was er in de ruime gewelfde kelder een restaurant ondergebracht. Deze activiteiten werden respectievelijk in 1972 en 1975 stopgezet, waarna een periode van verval en vandalisme volgde. Ondanks beschermingsmaatregelen om verder verval te voorkomen en pogingen tot behoud, zoals het dichtmetselen van de muuropeningen op de begane grond in de jaren 1980 en 1990, stond het kasteel er in het begin van de 21ste eeuw zwaar verwaarloosd en verlaten bij op een verwilderd terrein, overblijfsel van het eens zo uitgestrekte park. De eiken ingangsdeur, marmer- en parketvloeren, lambriseringen, schouwen en stucwerk vielen ten prooi aan diefstal en vernieling; vier van de negen Herculespanelen zijn verdwenen, enkele andere zijn zwaar beschadigd (13). Na moeizame besprekingen en onderhandelingen werden in de
1VI&L
maar nog onaangeroerd weergegeven op de Atlas cadastral de Belgique' van P.C. Popp, 1860. (7) Zie oudste kadastrale legger 212 Machelen, arts. 349, 422, 376 en 657. (8) Het verdwijnen van de corridors wordt kadastraal geregisrreerd in de opmetingsschets Machelen 1885 nr. 18. (9) VANNOPPEN H. & SOMMEREYNS-PARENT L, De geschiedenis van Sterreheek, het kastelendorp, Tielt, drukkerij Veys, 1978, p. 886. (10) Onder meer LEURS S.,Een schandaal te Machelen-bij-Vilvoorde: de ondergang van het Kasteel Beaulieu, in Toerisme 11(10), 1932, p. 358-361. (11) DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe, 1998. (12) Une oeuvre nationale. La restauration du chateau de Beaulieu a Machelen prés de Bruxelles pour y installer le 'Musée dynastique", in Commoedia 6(153-154-155), 7-20 juillet 1944, p. 1; zie ook de brief van Ch. Mertens d.d. 15-12-1945 aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (archief Onroerend Erfgeod Vlaams-Brabant, Leuven). (13) Toestand 2002 uitvoerig beschreven in KENNES H. & STEYAERT R., Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het bouwkundig erfgoed: gemeente Machelen, Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, p. 33-37.
De kaart van 1738 brengt ook het hele dorp en de landschappelijke omkadering van het kasteel in beeld. De laan doorheen het Steenpoelveld wordt met vier bomenrijen ('allee principale geflankeerd door 'contre-allées) afgebeeld. Dit geldt ook voor de laan ten noorden van het kasteel, die in rechte lijn naar de Sint-Stevenkapel (de grens van het huidige Floordambos) leidt en over de Trawoolbeek heen naar een "Sterreweyde". Het Floordambos bestond tot omstreeks 1700 voornamelijk uit een aaneenschakeling van vijvers en hooiweiden. Doordat aan het einde van de 17de eeuw (4), een groot gedeelte van het Zaventerloo verdween, een van de grote domeinbossen van Brabant, was het vermoedelijk voor grondeigenaars interessant geworden om marginale gronden en laagveenvijvers te bebossen. De toponiemen op de kaart van Robijns {"bosch genaemt den schrans vijver', "bosch genaemt den kleynen gescheurden vijver ...) getuigen van deze omschakeling. O p de Ferrariskaart (1771-1775) heeft deze be- of verbossing zich grotendeels voltrokken. Deze kaart toont opnieuw het kasteelcomplex met de sterrentuin, de boomgaard en de moestuin ernaast, maar zonder het heuveltje met het zuilenpaviljoen. De sterrenweide aan het uiteinde van de dreef ten noordwesten van het kasteel is eveneens verdwenen, maar de contouren van het perceel bleven bewaard.
De laatste iepen in de dreef ten zuiden
het kasteel (perceel nr. 175) als tuin zonder meer omschreven. Al geeft de manuscriptversie van de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs', circa 1810 opgemaakt door voormalig artilleriekapitein Guillaume De Wautier (6), nog de sterrentuin weer, toch mag men aannemen dat de loofwerkparterres al geruime tijd tot het verleden behoorden. Alleen de dubbele dreven ten noorden en ten zuiden van het kasteel krijgen door het kadaster nog het predicaat 'lust' opgeplakt.
Landschappelijke aanleg De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Bastendorff in 1812, is grotendeels een herhaling en detaillering van de 18de-eeuwse kaarten. Het zeshoekige paviljoentje aan de rand van de sterrentuin wordt expliciet weergegeven. In de kadastrale legger (1831) op naam van Maria-Theresia Robyns (5), geboren van Male, wordt de sterrentuin naast
van het kasteel van Meerbeek werden in 1986 gerooid en vervangen door zomerlinden (foto C. Demaegd, 1972)
< Meisbroek en het kasteel van Meerbeek in 1812 volgens de Primitieve kadasterkaart door Bastendorff (archief Kadaster Brabant, Brussel)
Het door architect
vóór de Eerste
Collès in 1890
Wereldoorlog
heraangeklede
(archief Onroerend
kasteel op een
Erfgoed Vlaams-
ansichtkaart van
Brabant, Leuven)
MSLSBHUI^K -
v
-w*.
M&L
De aanhorigheid en, rechts in beeld, de Ingang van het in 1944 afgebrande
• JÉK
kasteel (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven
• Het kasteel van Heerbeek, onderaan, en het Floordambos in 1864, 1892, 1909 en 1932 (DLG, 1876; ICM,
Mogelijk heeft ridder Louis Powis de Tenbossche (vanaf 1854 burgemeester), die het kasteel samen met 58 hectare in 1845 had aangekocht (7), de boomgaard ten noordoosten van het kasteel laten omvormen tot de landschappelijke tuin van bijna 2 hectare. Deze tuin wordt afgebeeld op de eerste uitgave van de stafkaart (1864) in de vorm van drie ovale open ruimten omringd door hoogstammig groen. O p de stafkaartversie van 1892 wordt ook het 6 hectare grote bouwlandperceel ten noorden van het kasteel in de landschappelijke aanleg betrokken via een grote, naar binnen vertakkende lus, die tussen talrijke boom- en struikmassieven doorslingert. Het kasteel zelf was enkele jaren eerder ingrijpend verbouwd in opdracht van baron Albert Snoy, kleinzoon van Louis Powis, senator en vanaf 1876 ook burgemeester van Meisbroek. De muur tussen het ere-erf en het achtererf werd afgebroken en de neerhofgebouwen werden gereduceerd tot een symmetrische U met korte dwarsvleugels. Geïnspireerd door de 'Vlaamse renaissance' behield architect Adhémar Collès (8) de gekoppelde volumes met gecombineerde zadeldaken en getrapte puntgevels van het 17de-eeuwse 'huis van plaisantie', maar hij verlengde één ervan aan de noordzijde (met een derde trapgevel) en voorzag de westgevel van een middenrisaliet onder een vierde trapgevel. Het kasteelkarakter werd versterkt door een uit de kluiten gewassen spietoren.
1892, 1923 en
Geen bepleistering meer, maar een traditionele bak- en zandsteenbouw met speklagen, hoekkettingen en ontlastingsbogen, echter zonder kruiskozijnen. De oude hoektorens van het complex bleven bewaard (9). Het efemere van de landschappelijke aanleg ten noorden van het kasteel blijkt uit de stafkaart van 1909, waarop geen kronkelwegen en boom- of struikgroepjes meer voorkomen en het hele perceel als boomgaard wordt weergegeven. Landschappelijke parken of delen ervan waren vaker geen lang leven beschoren (10). O p de stafkaart van 1932 verbindt een gevorkt kronkelpad de landschappelijke tuin naast het kasteel met de zuidrand van het Floordambos. De laatste fruitbomen verdwenen pas in 1987, toen het golfterrein werd aangelegd.
De golf In 1944 werd het door Collès ontworpen kasteel bij wijze van afscheid door de Duitsers in brand gestoken. Guillaume Snoy, burgemeester van 1921 tot 1952, liet het niet meer heropbouwen. De hoofdvleugel van het neerhofgebouw werd in zuidwestelijke richting met bijna 18 m verlengd en als residentie ingericht (11). De nieuwe plattegrond kreeg aldus de vorm van een F. De uitbreiding werd in dezelfde tijdloze, lokale witte ('Diegemse') zandsteen opgemetseld als die van het oorspronkelijke gebouw, zodat het geheel er erg authentiek ging uitzien. Door de aanleg van de autosnelweg Brussel-Antwerpen (E 19) in 1975 werd het kasteeldomein van zijn landschappelijk 'hinterland' (het kasteeldomein Batenborch* en de bossen langs de Trawoolbeek) afgesneden. Geprangd tussen één van de drukste snelwegen, de luchthaven van Zaventem, industrieterreinen, nieuwe woonwijken... was het kasteeldomein van Meisbroek samen met het aanpalende Floordambos rond 1980 hoogstens nog een relict van een agrarisch landschap dat voorgoed tot het verleden behoorde. Maar ook dat bleef niet onaangeroerd. In 1985 nam de vereniging 'Brabantse Golf' haar intrek in het kasteel. Twee jaar later kreeg zij de toelating
1936)
1864
1892
1932
1909
mi.
M&L
-fc "A n - y .
t/ '•• v
^
.*
(Platanus x hispanica), een bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaJ en een Japanse honingboom (Sophora japonica) zijn relicten van de oorspronkelijke beplanting. De andere bomen in deze zone — zilverlinde (Tilia tomentosa), witte en rode paardenkastanje (Aesculus hippocastanum, A. x carnea), zwarte walnoot (Juglans nigra), grauwe abeel (Populus canescens) - werden later aangeplant.
Het kasteeldomein van Meisbroek mei golfterrein, geprangd tussen de snelweg Brussel-Antwerpen, de luchthaven van ïaventem, industrieterreinen, nieuwe woonwijken en een wachtbekken (Google Earth,
Merkwaardige bomen (opname 21 augustus 2003) 8. zwarte moerbei (Morus nigra) 250(5) 10. Japanse honingboom (Sophora japonica) 3 4 2 19. gewone plataan (Platanus x hispanica) 401 NOTEN (1)
Naar Pieter van Meerbeke, raadsheer bij her rekenhof te Brussel, in 1451 eigenaar van het (iroot Hof; cf. WAUTERS A., Histotre des environs de Bruxelles, V1I1A (heruitgave van de editie van
om een golfterrein aan te leggen rond het kasteel en op de landbouwgronden ten westen van het Floordambos, onder meer op de vroegere 'sterrenweide', ook al was een gedeelte van dit gebied in 1986 beschermd als 'landschap'. Deze beslissing werd voorafgegaan en gevolgd door een heftige controverse. De kwestie 'Floordambos' gaf aanleiding tot talloze krantenartikelen en discussies in het Vlaamse parlement (toen nog 'Vlaamse Raad'). Door de aanleg van het golfterrein verdween alle landbouwactiviteit uit de omgeving van het kasteel en werd ook het microreliëf gewijzigd. Anderzijds kan men de golf beschouwen als een uitbreiding van het parklandschap over de aangrenzende landbouwgronden, overigens - zoals blijkt uit de stafkaart van 1892 — niet de eerste poging. Bovendien bieden de 'roughs' en de 'semi-roughs' interessante mogelijkheden voor botanisch beheer (12).
1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1973, p. 218. (2) LAUWERS J., Meisbroek, waar de melde bloeit in 't broek, Melsbrockse Raad voor Jeugd, Sport en Kultuut, 1983. (3)
Gereproduceerd in: LAURENT R., De goederen van de abdij van Ter Kameren in Brabant -
kaarthoek 1716-1720,
Brussel,
Gemeentekrediet, 1996, p. 66. (4)
COSYN A., Autour du Saventerloo. Bulletin officiel du Touring
(5)
Oudste kadastrale legger 212 Meisbroek, art. 146 nrs. 2-6, 20-21
Club deBelgiquelOUS),
1914, p. 374-376.
en 33-46. (6)
Op de gegraveerde versie op ongeveer 1/34.000, gepubliceerd in 1810, is alleen een padenkruis te zien. De onvoltooide manusciptversie werd tot 1821 bijgewerkt, maar diende waarschijnlijk als uitgangspunt voor de gegraveerde versie.
(7)
Oudste kadastrale legger 212 Meisbroek, art. 249 nrs. 5-11, 20-
(8)
Mogelijk de E. Collès vermeld als één van de architecten betrokken
21,24-38.
bij de bouw van een reeks winkelhuizen op de Koudenberg te Brussel in 1898, cf. BRAEKEN j . & MONDELAERS L, Bouwen door
Huidige toestand In 1986 werden de laatste iepen (Ulmus glabra) gerooid in de dubbele dreef ten zuiden van het kasteel. Zij waren vermoedelijk rond 1850 door Louis Powis aangeplant, maar een opstoot van de iepenziekte rond 1 980 was hun fataal geworden; ze werden vervangen door zomerlinden (Tilia platyphyllos). Van de oude beplanting van de dreef ten noorden van het kasteel getuigen nog een paar zomerlinden. De dichte beplanting met Amerikaanse eiken (Quercus rubra) dateert van na de Tweede Wereldoorlog. Het interessante gedeelte tuinhistorisch gezien valt samen met het Primitieve boomgaardperceel ten noordoosten van het kasteel, waarop Powis rond 1850 een landschappelijk park had aangelegd. Een monumentale plataan
de eeuwen heen in Brussel(\¥ilW-0),
Luik; Pierre Mardaga, 1993,
p. 289. (9)
Kadastrale opmetingsschets Meisbroek 1891 nr. 5.
(10) Bijvoorbeeld het kasteelpatk van Zuurbemde, cf. DENEEF R. (red.). Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee {Cahier M&L nr. 9), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2004, p. 151-156. (11) Kadastrale opmetingsschets Meisbroek 1948 nr. 24; beschrijving in DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 393-395. (12) Zie MALLAERTS Ph., Beheersplan Brabantse Golf, november 1997.
2005)
Roger
Deneef
& Jo Wijn ant
STEENOXKERZEEL (MELSBROEK) VILLA GALOPPllM SELLAERSTRAAT 7, 1 8 2 0 MELSBROEK (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
• Het sterfhuis en de laatste tuin van Emile-Edmond Galoppm te Meisbroek
Informele villatuin (14 ate) uit 1910 bij het huis van de befaamde tuin- en landschaps-
(foto R. Deneef, 2003)
architect Emile-Edmond Caloppin.
Emile-Edmond Galoppin (1851-1919) (1), een vooraanstaand 'architecte-paysagiste' en een prominent vertegenwoordiger van de late landschappelijke stijl, wordt soms verward met de minder bekende naam- en stielgenoot Jean Galoppin (1864-1941), die onder meer het domein Leenberg-Sint-Gertrudenhof te Lubbeek en het park rond het Hof te Kerkom (Boutersem) herrekende (2). Emile-Edmond ontwierp onder meer de Ambiorixsquare te Eisene en het Park Groenenberg te Vlezenbeek en, als inspecteur van de gemeentelijke beplantingsdienst van Schaarbeek, ook het Josaphatpark aldaar. Rond 1910 liet hij een villa voor zichzelf bouwen op een perceel van 14 are 20 centiare aan de zuidrand van de dorpskern van Meisbroek, het geboortedorp van zijn echtgenote (3). Vermoedelijk was het vooral bedoeld als buitenhuis. Het gebouw met grijs gecementeerde gevels munt (ondanks het torentje) uit in soberheid; het schijnvoegwerk en de modillons onder de kroonlijst zijn zowat de enige ornamenten. Het goed werd omringd met een hoge ligus-
terhaag. Geen rotspartijen of andere pittoreske artefacten. Vijf perelaars (Pyrus communis cv. 1) die een groot deel van de achtertuin overschaduwen, een Italiaanse populier (Populus nigra 'ItalicaV in de zuidwesthoek, een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) tegen de oostgrens en, tegen de straat aan, een goudbonte Ierse taxus (Taxus baccata 'Fastigiata Aureomarginata'J en een kerspruim met donkerrood blad (Prunus cerasifera 'Nigra'j roepen een beeld op van hoe wellicht de laatste tuin van Galoppin eruitzag. De stenen balustrade die achter het huis een klein terras afbakent, werd geplaatst door de huidige eigenaars.
NDTFN (1) Vaak als Galopin gespeld. Zijn doodsbrief werd gevonden in de Centmlisatiedienst van de Genealogische en Demografische Navorsingen in België v.z.w. te Schaarbeek. (2) Zie respectievelijk DENEEF R. (red.), Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Holsheek, Lubbeek, Tielt-Winge (Cahier M&L nr. 6), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2002, p. 87-97, en DENEEF R. (red.). Idem: Bierbeek, Boutersem, Glahheek, Oud-Heverlee (Cahier M&L nr. 9), 2004, p. 110-117. (3) Kadastrale opmetingsschets Meisbroek 1910 nr. 9; oude kadastrale leggers 212 en 212A Mclsbroek, art. 255, respectievelijk nrs. 21-23 en 21-30.
Roger Deneef, & Jo
Greta
Paesmans
Wijnant
STEE1N0KKERZEEL (MELSBROEK): BOETEORT KASTEEL SELLAERSTRAAT 4 2 , 1 8 2 0
MELSBROEK
(privébezit, niet toegankelijk voor het
Het Boetfort kasteel
• Ï • -WWK. '. '-iv,^ ^ s : WH
-. ,
vanuit het park
..
<
(foto R. Dencef,
w?|
"ir : Mfi»i
park van 1 hectare
37 are met serpentinevijver, in 1908 bij een waterkasteel waarvan
Sr^.
::
" .fY'i ii^r ^ •
de slotgracht
werd
aangelegd uit
^ ,
1 *
rW. .,;-: .•
t
2003)
Landschappelijk
publiek)
1610,
gedempt.
Het voormalige Hof van Boetfort - ook Boitsvoert, Bootfort, Bootsfort, Bouchefort geschreven, soms kasteel van Madoets of Dereine genoemd - ligt aan de oostrand van het dorp (1). Het wordt voor het eerst afgebeeld op een figuratieve kaart uit 1653 in het kaartboek van de Abdij van 't Park: een vierkant, met water omgeven kasteel met vier ronde hoektorens van Diegemse (Lediaan) zandsteen (2). Het basismodel - een centraal kubusvormig volume onder een steil tent- of schilddak (soms met een dubbel zadeldak), met vier ronde of vierkante hoektorens - komt vaker voor bij de lustkastelen uit het begin van de 17de eeuw (onder meer
4
Ks^, !.4
E
31
nJ
Ham te Steenokkerzeel, Oorbeek, Coloma te SintPieters-Leeuw). Boetfort was sinds 1594 eigendom van de familie Madoets. Hendrik Madoets had het kasteel in 1610 (volgens de muurankers) laten optrekken op de plaats van het bouwvallige Hof van Boetfort. In 1724 werd het als "speelhuys" met vier bunder grond (boomgaard, dreven en landerijen) te koop gesteld en aangekocht door de graaf van Tirimont, heer van Gaasbeek. Tijdens het derde kwart van de 18de eeuw, onder het eigenaarschap van de Brusselse handelaar Henri Hospies, werd in één van de hoektorens een huiskapel ingericht en kreeg het kasteelcomplex enkele monumentale accenten. De poorttoren met een geprofileerde Lodewijk XV-rondboogpoort en een oculus en een driehoekig front aan de Gillijnstraat, geflankeerd door eenlaagse koetshuisvleugels onder mansardedaken, werd volgens de cartouche in het
De dorpskern van
de stafkaarten van
Meisbroek met,
1909 en 1932
rechts in beeld, het
(ICM, 1923 en
Boetfort kasteel op 1936)
fronton gebouwd in 1767. De uitspringende travee, eveneens met een driehoekig fronton, in de oostgevel, werd in 1773 toegevoegd (3). Bij het begin van het Belgisch kadaster in 1831 was Boetfort eigendom van een zekere Jean Bregnier, die er ook woonde (4). Het goed, ongeveer 2 hectare groot, omvatte een tuinperceel van 8,5 are, een 'lustvijver' (de slotgracht) en een tweede tuinperceel van 1 hectare 27 are, mogelijk een lusttuin of— gebruikelijk voor die tijd — een combinatie van 'nut en sier'. De 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs', opgemaakt door G. De Wautier rond 1810 (5), toont een ommuurde tuin met een dubbel padenkruis. Het neerhof met het poortgebouw behoorde niet tot het eigendom. In 1838 werd Boetfort aangekocht door graaf Prosper O'Kelly, van Ierse afkomst, die al eigenaar was van het neerhof en die het liet afbreken, op het poortgebouw na (6). Eén van de volgende eigenaars, de Brusselse advocaat Armand Steurs, liet tussen 1880 en 1894 tegen de Gillinstraat aan een nieuw dienstgebouw optrekken, versierd met de voor die tijd typische gefiguurzaagde houten windborden. Het omvatte een remise, een serre en een volière, en leunde aan tegen het 18de-eeuwse poortgebouw
A Het poortgebouw
Nieuwbouw in de
uit 1767 aan de
moestuin
Het neomiddel-
T
Gillijnstraat
Het Boetfort kasteel
Ingang van 1908
(foto R. Deneef,
eeuwse poortgebouw
(foto INBEL.
vanuit het zuiden,
(foto INBEL, jaren
2003)
van 1908
jaren I960)
links de uitbouw
I960)
met de nieuwe
(7). In het westelijke gedeelte van het landgoed werd een nieuwe moestuin aangelegd met een serre, een schuurtje en een huisje voor de tuinier. O p de stafkaart van 1909 wordt de ruimte ten westen van het kasteel als een in vakjes verdeelde moestuin weergegeven, maar uit de afmetingen van twee bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en een Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica'j kan worden afgeleid dat er al sinds O'Kelly sprake was van sierbeplanting. De vormgeving van het huidige park is ontsproten aan het romantische brein van Steurs' schoonzoon, advocaat en kunstschilder Henri Dereine, die in 1 907 eigenaar werd. Dereine, bijgestaan door de Brusselse architect Abbeloos, is ook verantwoordelijk voor de historiserende restauratie van het kasteel, die in 1908
(foto R. Deneef, 2003)
werd aangevat. Het poortgebouw van 1767 verloor zijn functie als hoofdingang. Vanuit de Sellaerstraat, in het zuidoosten, werd een dreef aangelegd die, na 150 m tussen dubbele rijen wilgen (Salix x rubens), uitmondde bij een neomiddeleeuwse poort - een brede, overluifelde toegang, geflankeerd door vierkante torentjes met tentdaken en spitsbogige doorgangen. De slotgracht was al in 1880 gedempt (8). De zuidgevel van het kasteel (met 1610 in jaarankers) werd bijna volledig gereconstrueerd, de kruis- en kioosterkozijnen werden nagenoeg alle vernieuwd (slechts enkele negblokken schijnen origineel) en de naar het park gerichte westgevel kreeg een uitbouw met kruis- en kioosterkozijnen, overkragende spietorentjes en een beglaasde vleugeldeur, die voortaan als hoofdingang fungeerde.
M&L
serende tuinaanleg, vaak een op klassieke Franse modellen gebaseerde parterretuin, zoals de 'Franse' tuin in het domein Drie Fonteinen* te Vilvoorde. In Boetfort is daarvan geen spoor terug te vinden; de buxusparterre ten zuiden van het kasteel is van recente datum. De heraanleg werd uitsluitend bepaald door 19de-eeuwse romantische, landschappelijke voorbeelden: serptinevijver, brugje, heuveltjes, lichtjes verzonken kronkelpaden en een qua kleur, textuur en vorm gevarieerd bomenbestand: groene en bruine beuken, treurwilg (Salix alba 'TristisV, tamme kastanje (Castanea sativa), gewone en Noorse esdoorn [Acer pseudoplatanus, A. platanoides), rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x carnea).
De verzonken wegen in het landschappelijke park van Dcreme (foto R. Deneef, 2003)
Deze heroriëntatie is geen alleenstaand geval. De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire' waarbij de minder appetijtelijke aspecten van het landleven (bijvoorbeeld mesthopen) werden weggemoffeld, het zich opsluiten in arcadische coulissenlandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of heraanleg van landgoederen. Boetfort is een vrij laat voorbeeld.
zuiden van het kasteel (foto R. Deneef, 2003)
NOTEN (1) Historische gegevens van vóór 1800 verzameld uit: LAUWERS
Recent aangelegde buxusparterre ten
Merkwaardige bomen (opname 21 augustus 2003) I. grootbladige hulst (Ilex x altaclarensis 'Camelliifolia'; 69 4. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 457 I I . Italiaanse populier (Populus nigra 'ItalicaV 3 5 3 12. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 512 17. gewone hopboom (Ptelea trifoliata), oud knoestig exemplaar
Historiserende restauraties of verbouwingen gingen rond 1900 dikwijls gepaard met een histori-
)., Meisbroek, waar de melde bloeit in 't broek, Melsbroekse Raad voor)eugd, Spon en Kuituur, 1983, 1983, p. 124-144; WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIIIA, (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1973, p. 221; COSYN A., Autourdu Saventerloo. Bulletin offtciel du Touring-Club de Belgique 50(5), 1924, p. 103. (2) Gereproduceerd in; VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN LANI S., Het kaarthoek van de abdij van Park, 1665, Brussel, Algemeen Rijksarchief,2000, p. 212-213. (3) DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 391-393. (4) Oudste kadastrale legger 212 Meisbroek, art 16. (5) Maar bijgewerkt rot 1821. (6) Dit werd pas geregistreerd in de kadastrale opmetingsschets Meisbroek 1850 nr. 9, maar met de afbraak was vermoedelijk al in 1838 begonnen, zoals zou kunnen blijken uit een affiche waarin de verkoop van allerlei afbraakmateriaal wordt aangekondigd, cf. LAUWERS, op. at., p. 135-136. (7) Oudste kadastrale legger 212 Meisbroek, art. 248 nrs. 26-28. (8) Kadastrale opmetingsschets Meisbroek 1881 nr. 10.
M&L
Roger
Deneef
& Jo Wijn
ant
STEEMOKKERZEEL (MELSBROEK): PASTORIE VAM DE SINT-MARTIMDSKERK VERHEYLENSTRAAT
3 8 , 1 8 2 0 MELSBROEK
• De pastorie van Meisbroek zonder bruine beuk en poortgebouw (foto R. Deneef, 2003)
Oorspronkelijk geheel ommuurde tuin van 47 are bij een pastorie uit
1815-1816,
in 1970 opengesteld als speel- en sportterrein, omheiningsmuur gedeeltelijk gesloopt; restanten van oude beplanting.
De pastorie werd gebouwd in 1815-1816, na een ruil tussen het parochiebestuur en het nabijgelegen ursulinenklooster (1), maar ze stemt nog overeen met het in de 18de eeuw gangbare model: een dubbelhuis van twee bouwlagen en vijf traveeën onder een zadeldak (2). Ze was van
de straat gescheiden door een poortgebouw, dat toegang verleende tot een binnenplaats. Ook de inrichting van het pastoriegoed beantwoordt aan het concept 'vivre entre cour et jardin', dat in de 18de eeuw het uitzicht van de meeste herenhuizen, 'huizen van plaisantie' en pastorieën bepaalde. Het grootste gedeelte van de tuin, een perceel van 47 are, lag achter de pastorie (3). De kadastrale legger geeft geen aanduiding over het gebruik en de onderverdeling van de tuin, maar op de stafkaarten van 1892 en 1909 is de traditionele indeling met een padenkruis duidelijk zichtbaar. In 1970 werd het privégedeelte van de pastorie gereduceerd tot 10 are; de rest werd
• De kerk van Helsbroek, de in 811-1316 gebouwde pastorie en, rechts bovenaan, het ursulinenklooster rond 1830, in de 'Atlas cadastral de Belgique' van P.C. Popp; en het pastoriegoed (door ons geel gekleurd) op de stafkaart van 1909 (ICM, 1923)
als speel- en sportterrein opengesteld voor de jeugd van de parochie. Het poortgebouw en het grootste gedeelte van de omheiningsmuur werden twee jaar later gesloopt. De oude bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV op de voormalige binnenplaats werd recentelijk gerooid. Een perelaar (Pyrus communis) tegen het nog bewaarde gedeelte van de omheiningsmuur, de monumentale geknotte zomerlinde (Tiliaplatyphyllos) in de zuidoostelijke hoek, drie Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'j, een treur-es (Fraxinus excelsior 'PendulaV en een reuzenlevensboom (Thuja plicata) zijn de enige relicten uit de gloriejaren.
NüieL (1) LAUWERS J., Meisbroek, waar de melde bloeit in 't broek Melsbroekse Raad voor Jeugd, Sport en Kuituur, 1983, 1983, p. 254-255; WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIIIA, (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1973, p. 224. (2) Beschreven in DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 398. (3) Oudste kadastrale legger 212 Meisbroek, art. 112 nrs. 9-10.
1V1&L
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
STEEMOKKERZEEL (PERK) KASTEEL VAN PERK DE R1BAUC0URT K A S T E E L H O E K S T R A A T 1 , 1 8 2 0 PERK (privébezit, niet toegankelijk voor h e t publiek)
• Net kasteel van Perk vanuit het oosten met een groep rode paardenkastanjes rechts op de voorgrond (foto R. Oeneef, 2003)
Landschappelijk park van circa 40 hectare, naar verluidt ontworpen door Edouard Kei lig in de jaren 1880 bij een eclectisch verbouwd neoclassicistisch kasteel; de 17de eeuwse structuur van het domein (oorspronkelijk een dubbele feodale motte) is doorheen het landschappelijk patroon nog duidelijk
zichtbaar;
achthoekige ommuurde moestuin, oranjerie van circa 1880. Van feodale motte tot renaissanceslot Het kasteel van Perk, zetel van een van de belangrijkste heerlijkheden van het hertogdom Brabant, ontstond uit een feodale motte, die vermoedelijk in de 12de eeuw was aangelegd (1). Het kasteel-
domein ligt aan de noordrand van de fossiele vallei, waarvan ook het aanpalende Duistbos, het Torfbroek* en het Floordambos deel uitmaken, mogelijk een oude loop van de Dijle die ten noorden van Vilvoorde in de Zenne uitmondde. De bodem - natte leemgronden gevormd op 'oud alluvium' - wordt ontwaterd door de Barebeek die bij Muizen in de Dijle uitmondt (2). O p de oudste afbeeldingen, twee etsen van Lucas Vorstermans jr. naar tekeningen door Jacques van Werden van omstreeks 1690 (3), is de dubbele mottevorm — het kasteel op een afzonderlijk eilandje maar met het neerhof binnen dezelfde ringgracht - nog min of meer herkenbaar. Beide etsen tonen het slot in vogelperspectief respectievelijk vanuit het noordwesten (met in de verte de kerk van Berg) en vanuit het zuidoosten (met de kerk van Perk op de achtergrond). Een dubbele dreef van vier bomenrijen, die
M&L
• Het kasteel van Perk omstreeks 1690 vanuit het noordwesten met de kerk van Berg op de achtergrond (links), en vanuit het zuidoosten met de kerk van Perk op de achtergrond (rechts), etsen van Lucas Vorsterman jr. naar tekeningen van Jacques van Werden, uit 'Castella et praetoria nobilium brabantia' van J. Leroy, 1694 (collectie kasteel van Gaasbeek)
na 250 m naar het westen knikt, verbond het kasteel met de dorpskerk. Langs een ophaalbrug over de buitenste ringgracht en doorheen een imposante renaissancepoort betrad men het neerhof, dat toen al geen echte boerderij meer was maar een aaneenschakeling van dienstgebouwen (koetshuis, stallingen, personeelsverblijven) verwerkt tot een homogeen complex met U-vormige plattegrond en twee vierkante hoektorens. De echte kasteelboerderij, het 'Hof te Veaux', lag buiten de ringgracht (rechts onderaan op de eerste ets, links op de tweede). Het waterslot zelf- op de w Het Ouistbos met eerste ets wat slanker getekend dan op de tweede het kasteel van had een U-vormig grondplan, de vierde zijde afgePerk (door ons stopt door een massieve, vooruitspringende toren rood aangestipt) en rechts in beeld, het - mogelijk een I4de-eeuwse donjon - met een overkastcel van Lelie of kragende bovenverdieping met machicoulis, spietoFerranskaart rentjes en een peerspits. Het werd in volmaakte (1771-1775)
M&L
symmetrie geflankeerd door twee kleine torens, eveneens met een overkragende bovenverdieping en spietorentjes, maar onder een gewoon tentdak. De grote ramen met kruiskozijnen van het hoofdvolume maken duidelijk dat het in de eerste plaats om een 'huis van plaisantie' ging. Deze etsen tonen het resultaat van een verbouwing, die vermoedelijk werd uitgevoerd in opdracht van Frederik van Marselaer, heer van Opdorp. Hij was in 1626 gehuwd met Margaretha de Baronaige, zuster van de vorige heer van Perk. Naast het neerhof lag een kleine, langs de grachtzijden dubbel omheinde tuin; de omheining bestond uit een circa 3 m hoge stenen muur met ronde hoektorentjes en - parallel hiermee - een manshoge haag of een hek in latwerk. De op het zuiden georiënteerde muur was bekleed met latwerk voor leifruit. Deze tuin was toegankelijk via de gang tussen de muur en het hek en een renaissancistisch omlijste doorgang, vermoedelijk ook van latwerk. Latwerkarchitectuur speelde een belangrijke rol in de formele tuinen van de 17de en de 18de eeuw. Nagenoeg één derde van de oppervlakte van deze strak ingedeelde tuin werd in beslag genomen door een labyrintachtige buxusparterre met een padenkruis en een beeld of een fonteintje op het kruispunt. Het gebruik van de andere bedden (bloemen, groenten, of beide) wordt op de ets niet gedetailleerd. Opmerkelijk is de in etages gesnoeide boom, wellicht een taxus, aan de zuidrand van de tuin. De gang tussen de muur en het hek eindigde bij een tweede latwerkpoort. Een houten brug over de tot een 'kanaal' verlengde uitloper van de zuidelijke arm van de slotgracht, leidde naar een vierkant tuinpaviljoen en een grote, eveneens met grachten omgeven siertuin. Deze tuin omvatte vier grote loofwerkparterres ('parterres de broderie')
met een monumentale fontein op het kruispunt, links daarvan vier parterres met een eigenaardig gearceerd patroon (vermoedelijk gesnoeide buxus). De twee parterres met de in 'quincunx' aangebrachte bolletjes (mogelijk snoeivormen) vallen moeilijk te interpreteren en de twee aangrenzende bedden, zoals alle andere met buxushaagjes omgeven, worden blanco weergegeven. Een grote boomgaard vulde de ruimte tussen het kasteel en de huidige Breemstraat. Het sterrenbos in de verte (op de eerste ets) is vermoedelijk hetzelfde sterrenbos dat op de Ferrariskaart (17711775) wordt afgebeeld, maar het hoorde bij het verdwenen kasteel van Lelie (Berg). O p diezelfde Ferrariskaart is de door Vorstermans en Van Werden afgebeelde topografie nog duidelijk herkenbaar: de dubbele dreef met de knik naar de kerk, het grachtenpatroon, het zuidwest-noordoostgeoriënteerde 'kanaal' als verlengde van de zuidelijke arm van de slotgracht. De grote boomgaard is echter verdwenen en op de eilandtuin ten zuiden van het kasteel hebben de rechthoekige parterres plaats geruimd voor een stervormig patroon. Naast de oostelijke vleugel van het neerhof ligt nog steeds een kleine tuin, maar de contouren wijken in hoge mate af van die op de etsen van 1690. Ten zuidoosten van het sterreneiland (2 hectare 13 are groot)
• Het kasteeldomein
wordt een omgracht, bijna rechthoekig, bebost perceel met een padenkruis afgebeeld. Langs de Breemstraat ten noordoosten van het kasteel is een tweede stervormige aanleg verschenen, ditmaal een sterrenbos (met ruitvormige contouren) van meer dan 5 hectare.
van Perk op de ontwerpïersie van de Primitieve kadasterkaart door Jean-Antome Grietens, zonder datum, vóór 1815 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
Landschappelijke franjes Het kasteeldomein werd tijdens de Franse revolutie aangekocht door Pierre-Antoine Bounder, een officier in het Franse leger, onder Willem I geadeld tot 'Bounder de Meisbroeck'. Hij verkocht het in
•4 Het kasteel van Perk met landschappelijke franjes op de Primitieve kadasterkaart door J.A. Hisette, zonder datum, vermoedelijke late jaren 1820 (archief Kadaster Brabant. Brussel)
v>^.
M&L
A—
Het kasteel van Perk vanuit het oosten rond 1870 op een litho van M.Vasseur in: E. de Damseaux, 'La Belgique pittoresque', 1872-1878 (copyright FUNDP. Bibliothcque universitaire Moretus Plantin, Namen)
De kerk van Perk en de dreef naar het kasteel (foto IN BEL, jaren I960)
• De rlnggracht en de hoektorens (foto R. Deneef, 2003)
1V1&L
1833 aan Prosper Christyn, graaf de Ribaucourt (4), telg van een familie die al sinds de 17de eeuw hoge ambten bekleedde. Toen landmeter JeanAntoine Grietens het ontwerp voor de Primitieve kadasterkaart opmaakte, vermoedelijk vóór 1815, had het kasteelcomplex een ingrijpende gedaanteverandering ondergaan. De oostelijke vleugel van het neerhof was sterk gereduceerd, de renaissancepoort was afgebroken, maar de twee hoektorens waren bewaard. De donjon met de peerspits was vervangen door een minder uitspringend middenrisaliet met rondboogvensters en bekroond met een driehoekig fronton met een oculus. De twee flankerende torens waren van hun spitsen ontdaan. De grachtarm tussen het kasteel en het neerhof was gedempt, zodat er voortaan sprake was van een echte 'cour d'honneur', als het ware omhelsd door de twee gebogen, bakstenen zijvleugels die aan het kasteel waren toegevoegd. Deze classicistische verbouwing werd waarschijnlijk nog vóór 1800 door Bounder uitgevoerd (5).
O p de onrwerpversie van de kadasterkaart stemt de structuur van het domein nog in hoge mate overeen met die van de Ferrariskaart, tot en met het boseilandje met het padenkruis (door landmeter Grietens 'La Motte' genoemd) en het ruitvormige sterrenbos ('De Sterre') langs de Breemstraat. In de as van het kasteel is echter ten zuiden van het sterreneiland een 170 m lang en 12 m breed kanaal ('canal' op de kaart) verschenen, dat trechtervormig aftakt van de brede ringgracht en naar het zuiden toe versmalt. De zuidelijke arm van de ringgracht is ook minder strak getekend dan de andere armen en er is een brugje over deze arm — geen rechte stenen brug zoals deze achter het kasteel, maar een met stippellijntjes weergegeven boogbrugje. Het lijdt geen twijfel dat de kasteelheer, hoe erg hij ook gehecht was aan de uit de 18de eeuw overgeërfde regelmaat en symmetrie, geen weerstand heeft kunnen bieden aan de opkomende 'Engelse' mode en hier en daar wat slingerende lijnen heeft geïntroduceerd. De landmeter laat ons in het ongewisse over de concrete invulling van het sterreneiland - 'lustland' volgens de Primitieve kadastrale legger (1831) - maar de padenster van de Ferrariskaart is ongetwijfeld verdwenen. Formele parterres met 'broderie' of snoeiwerk waren rond 1800 uit de mode. De kadasterkaart van Grietens bevat aanduidingen over het gebruik van de percelen in de omgeving. Het perceel naast het sterreneiland wordt op de kaart als 'Krieke Weyde' aangeduid en de percelen ten oosten daarvan als 'Weyme Bosch'. O o k andere omschrijvingen
('Zuer Weyde', 'Esschen Bosch', 'Wippe Weyde') laten weinig aan de verbeelding over. Opmerkelijk is de 40 m brede oprijlaan die eindigt in een grote rotonde, waar de openbare Breemstraat een bocht rond maakt, op de kaart om voor de hand liggende reden (de gelijkenis met het silhouet van een zoutvat) als 'Sautvat' omschreven.
'Utile duld' in Arcadia ' O p de uiteindelijke versie van de Primitieve kadasterkaart door J.A. Hisette uit de late jaren 1820 komt dit alles (ook het boogbrugje) terug, maar de landschappelijke trekjes zijn versterkt. Het kanaaltje ten zuiden van het sterreneiland heeft nu ook lichtjes golvende oevers en de zuidelijke grachtarm heeft een heuse tumor gekregen. O p het sterreneiland heeft Hisette een centraal perceel met een afgerond uiteinde afgebakend. Uit een figuratieve kaart van 1833 blijkt dat het gaat om een gazonstrook symmetrisch omringd door bosschage met wandelpaden (6). Dit is ook ongeveer het beeld dat verschijnt op de eerste stafkaart in 1864: een symmetrische landschappelijke tuin, vergelijkbaar met de landschappelijke symmetrie bij het kasteel ten Opstal* te Kampenhout-Reist en het kasteel De Eiken te Grimbergen-Humbeek. De tuinen van Perk, doorsneden door goed onderhouden wegen en waterpartijen, bezaaid met gazons, bloemencorbeilles en bosjes, boden rond 1850 volgens Emile de Damseaux (7) een betoverende aanblik, die twintig jaar later volgens de superlatieven in een ander ooggetuigeverslag (8)
nog niets aan charme had ingeboet. In het kasteeldomein van Perk, volgens de Damseaux één van de fraaiste parken van het land (maar hij heeft dat nog enkele keren gezegd), werd bovendien zeer intens het aangename aan het nuttige gepaard ("'Utile dulci' semble la devise du propriétaire"). Het park leek wel een 'tableau vivant', geanimeerd door vreedzaam grazende kudden - de mooiste Durham-runderen — met daartussen enkele dartele rasveulens, en overschaduwd door prachtige bomen, onder andere mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum). Zaad van de mammoetboom werd in Europa pas ingevoerd in 1853 (9). In het park van Perk stonden aan het einde van de Eerste Wereldoorlog drie exemplaren, waarvan één met 'opmerkelijke' afmetingen (10); vermoedelijk hoorden ze tot de eerst aangeplante mammoetbomen in België. Tijdens een storm in 1919 werd de grootste van boven tot onder gespleten en werden de twee andere vernield, samen met een groot aantal andere bomen in het park. De dreef tussen de dorpskerk en het kasteel via het 'Sautvat' ('allee principale' geflankeerd door 'contre-allées') was beplant met dubbele rijen iepen, in 1923 ondanks de toen opkomende iepenziekte nog "d'aspect majestueux (11). Er was een tweede 'lusttoegang' vanuit het gehucht Wambeek op het kruispunt van de Haachtsesteenweg en de Tervuursesteenweg via de westrand van het park. In de Primitieve kadastrale legger (1831) worden drie termen gebruikt die duiden op het siergehalte van de percelen: 'lustland' voor het meest
De toegang tot de ijskelder aan de zuidrand van het kasteelpark van Perk (foto R. Deneef, 2003)
Leiperelaars tegen de buitenmuur van de achthoekige moestuin (foto R. Deneef, 2003)
M&L
Het kasteclpark ïan Perk op de stafkaarten van 1864,
^IVrck
1892,1932 en, met een nieuwe vijver en een verkaveld Duistbos, 1977 (DIG, 1874; ICH, 1895 en 1936; NGI, 1977)
Plataan met kegelvormige stam (foto R. Deneef, 2003)
op de achtergrond Perk in vogelper-
(foto INBEL, jaren
speclief vanuit het
I960)
westen, de oranjerie De haagbeukenlaan, één van de weinige architectonische elementen in het kasteelpark van Perk (foto R. Deneef, 2003)
M&L
intensief onderhouden parkgedeelte, met name de twee percelen op het sterreneiland ten zuiden van het kasteel, vervolgens 'lustgrond', 'lustvijver' en iustwater' en 'lusttoegang'. De oorspronkelijke moestuin - tot 1880 met twee poeltjes of waterbekkens - lag volgens het Primitief kadaster naast het kasteel, gedeeltelijk op de plaats waar Vorstermans in 1690 de kleine omheinde tuin met de buxusparterre en de latwerkpoorten situeerde, binnen de buitenste ringgracht. O p de stafkaart van 1864 wordt de nieuwe moestuin getoond: een achthoekig perceel van 82,5 are, omgeven met een 5 m hoge bakstenen muur, met een schuur en twee serres (12). De muren waren langs beide zijden met latwerk als 'fruitmuur' ingericht, waartegen uitgelezen fruitsoorten (13) werden geleid. Verschillende 'pépinières', percelen waarop bomen werden gekweekt, lagen verspreid over het domein, onder meer tussen het 'Sautvat' en de kasteelhoeve. Tot de Primitieve uitrusting van het domein behoorde waarschijnlijk ook de nog bestaande ijskelder aan de rand van het Duistbos: een omgekeerd ei als bewaarruimte met een recht sas. Het 'kanaal' ten noordoosten van het kasteel, op de ontwerpen van de kadasterkaart de 'Lange Vijver' en de 'Broeck
Vijver' genoemd, structureerde zoals in de 18de eeuw nog steeds het beboste, oostelijke gedeelte van het domein. De padenster in het grote sterrenbos aan de Breemstraat ten noorden van het kasteel komt op de definitieve versie van de kadasterkaart van Hisette echter niet meer voor. Triomf van de kronkel Tussen de eerste (1864) en de tweede uitgave van de stafkaart (1892) onderging het kasteeldomein van Perk een ingrijpende gedaanteverandering, die weliswaar niet door het kadaster in rekening werd gebracht omdat zij voornamelijk het wegenpatroon, de vorm van de waterpartijen en de beplantingen betrof. Toeristisch journalist Arthur Cosyn, die het domein vlak na de Eerste Wereldoorlog bezocht en ongetwijfeld nog met ooggetuigen heeft gesproken, schrijft het ontwerp van die metamorfose toe aan tuin- en landschapsarchitect Edouard Keilig, die rond 1882 in opdracht van de toenmalige kasteelheer Adolphe de Ribaucourt, pas aangetreden als erfgenaam, de 'Franse' tuinen zou hebben opgedoekt en het domein 'op zijn Engels' aangelegd (14). Keilig (1827-1895) was onder meer bekend van het aanlegplan voor het Terkamerenbos (1862) en het stadspark van Antwerpen (1867). In 18821883 werkte hij ook voor de familie d'Ursel te Hingene. In opdracht van Leopold II ontwierp hij in 1885-1889 de Vossemvijver in het park van Tervuren én de Tervurenlaan (15). Hij behoort samen met Louis Fuchs, ook van Duitse herkomst, tot de meest succesrijke landschapsarchitecten van België in de tweede helft van de 19de eeuw.
Het kasteel omkaderd door golvende
sylvattca 'Atropunicea'j, plataan (Platanus x hispanica), witte en rode paardenkastanje (Aesculus hippocastanum, A. x carnea)... zorgden voor kleuraccenten en textuurverschillen. De ontwerper introduceerde ook een paar architectonische elementen. Opmerkelijk is de 350 m lange 'charmille', een laan met haagbeuk (Carpinus betulus) ten oosten van de ommuurde moestuin, die een S-bocht beschrijft; snoeisporen op 4 m hoogte laten vermoeden dat ze ooit als haag of groene palissade werd behandeld. O p een kruispunt in het ooste-
bosranden, rechts de haagbeukenlaan (foto R. Deneef, 2003)
T De nieuwe vijver, gegraven rond 1970 (foto R. Deneef, 2003)
Het figuratieve plan getiteld "Pare du Chateau de Perek en 1882 a la mort du Comte Prosper de Ribaucourt" (16) en de stafkaart van 1892 brengen eenstemmig de nieuwe toestand in beeld. Het 600 m lange 'kanaal' in de parkbossen ten noordoosten van het kasteel werd omgevormd tot twee langgerekte, landschappelijke vijvers met golvende oevers. Het beoogde beeld: een zachtjes slingerende rivier die in het bos verdwijnt. (Imitaties van rivierlandschappen zijn een veelvoorkomend motief in de landschappelijke parken van de 19de eeuw.) Hetzelfde gebeurde met de oevers van de gracht rond het voormalige sterreneiland. Het strakke patroon van wegen en paden werd vervangen door uitbundig slingerende en vertakkende paden, maar het 'Sautvat', het kasteeleiland en de algemene omkadering van het domein behielden hun rechtlijnige hoekigheid. De rechte bosranden werden omgevormd tot een afwisseling van vooruitspringende en terugwijkende massieven. Bruine beuk (Fagus
M&L
De 20ste eeuw De structuur van Keilig (als het tenminste Keilig was) bepaalt vandaag nog steeds het uitzicht van het domein, hoewel de in de 17de en 18de eeuw vastgelegde basisstructuur met het 'sterreneiland', het 'kanaal', het 'Sautvat' en zelfs het boseilandje aan de rand van het Duistbos ('La Motte' op de kadasterkaart van Grietens), ondanks de opeenvolgende veranderingen, herkenbaar is gebleven. Uit de stafkaart van 1909 en vooral die van 1932 blijkt dat ook de ruimte tussen het kasteel en de Tervuursesteenweg verlandschappelijkt werd: bosjes kregen afgeronde hoeken en kronkelende zomen en het net van slingerende parkwegen werd in westelijke richting uitgebreid. De aangelegde oppervlakte bedroeg 91 hectare. Deze uitbreiding was volgens de stafkaart in 1960 nog integraal aanwezig en is ook nu nog gedeeltelijk herkenbaar. In dit gedeelte van het domein komen echter geen sierbeplantingen meer voor. • Het 'kanaal', verlandschappelijkt aan het einde van de 19de eeuw (foto R. Deneef,
lijke gedeelte van het park wordt de splitsing van een weg aangegeven door een rotonde met tamme kastanjes (Castanea sativa).
2003)
• Het kasteel van Perk en het verkavelde Ouistbos (Google Earth, 2005)
1VI&L
Tijdens het eigenaarschap van Adolphe de Ribaucourt werd een hele reeks verbouwingen uitgevoerd, waarvan de chronologie moeilijk is te achterhalen, maar het kadaster is wellicht de meest betrouwbare bron (17). O p het oostelijke uiteinde van het kasteeleiland werd tond 1880 een fraai oranjeriegebouwvan bak- en zandsteen opgetrokken (18). De kasteelboerderij, het 'Hof te Veaux', werd al rond 1865 verbouwd, maar de meest ingtijpende veranderingen dateren uit de jaren 1880 (19). Ook het neoclassicistische kasteel zelf veranderde opnieuw van uitzicht. Cosyn situeert de verbouwing van het kasteel omstreeks 1885, maar het kadaster registreert ze pas in 1904 (20). De gebogen rechtervleugel werd afgebroken en vervangen door de huidige, renaissancistische uitbouw met een massieve, donjonachtige hoektoren. De bepleistering werd verwijderd zodat de oorspronkelijke zandsteenbouw van het centrale gedeelte en het baksteenmetselwerk van de resterende boogvleugel zichtbaar werden. Het driehoekige fronton boven het ingangsrisaliet werd vervangen door een torenachtige dakkapel (iets vergelijkbaars gebeurde aan de achterzijde). De gevels, behalve die van de resterende boogvleugel, werden heraangekleed (plinten en sokkels in bossage, diamantkoppen boven de ramen...). Alle torens werden voorzien van sierlijke, ingesnoerde peerspitsen, die van ver het silhouet bepalen.
Een dozijn platanen, bruine beuken en witte paardenkastanjes uit de vroege 19de eeuw, sommige in groepjes van drie geplant en bijna allemaal op het voormalige sterreneiland, geven een idee van de landschappelijke beplanting vóór de ingreep van Keilig. De oude, door Cosyn vermelde mammoetbomen werden zoals gezegd in 1919 vernield en de Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, prominent aanwezig op een schilderij (21) van het classicistische kasteel (symmetrisch opgesteld op het eiland achter het kasteel), zijn verdwenen. Iepen (Ulmus s p j hebben minstens een rol gespeeld als laanboom langs het 'Sautvat' en de dreef naar de kerk. Het aan-
planten van homogeen samengestelde boomgroepjes
(5) WAUTERS A., Htstotre des environs de Bruxelles, VII (heruitgave
in de open ruimten rond het kasteel werd tot in
van de editie van 1855), Bmxelles, Editions Culture et Civili-
de 20ste eeuw voortgezet, niet alleen met bruine
sation, 1972, p. 108.
beuken maar ook met rode bastaardpaardenkastanjes (Aesculus x carnea), hangende zilverlinde
(6) Gereproduceerd in LAUWERS ]., Zeven eeuwen heerlijkheid Perk-Elewijt. Het mooie land van Rubens en Teniers, Perk, Heem-
(Tilia
kring D. Teniers, 1997, p. 100.
petiolaris) en moerascipres (Taxodium distichum). De belangrijkste recente wijziging in het kasteeldomein
(7) Toelichting bij de prent van het kasteel van Perk DE DAMSEAUX E, Le Belgique pittoresque - Province de Brabant, Mons,
van Perk is de aanleg rond 1970 van een vijver van
E. Daquin, 1870-1878.
circa 1,5 hectare in het oostelijke gedeelte. Door de uitbouw van de luchthaven van Zaventem sinds de
(8) WAUTERS A., o/., a t , p. 109.
jaren 1950, de aanleg van bedrijventerreinen en de
(9) KRÜSSMANN G., Handbuch der Nadelgehölze, Berlin/Ham-
oprukkende verstedelijking, onder meer de verkaveling van het Duistbos, is de ruimtelijke context
burg, Paul Parey, 1972, p. 299-300. (10) Niet verder gespecificeerd door COSYN A., Au beau pays de
echter grondig gewijzigd.
Rubens et Teniers: VI. Perck. Bulletin officiel du Tounng-Club de Belgique 2%A), 1923, p. 79.
Merkwaardige bomen
(11) COSYN A., op. at., p. 73-79. Foto van de iependreef met de
(opname 14 mei 2003)
kerk van Perk in de verte in LAUWERS J. & DENIES A., Perk
16. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 3 5
in oude foto's en prentkaarten. Perk, Heemkring en Hobbyclub
19. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 3 6 24. dikbladige witte es (Fraxinus americana 'Cras-
David Teniers, z.d., nr. 83. (12) De schuur ('pakhuis') en de 'broeikassen' worden pas geregi-
sifolia'Pj
streerd in de kadastrale opmetingsschets Perk 1883 nr. 16, de
25. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 7 2
ommuurde tuin in de kadastrale opmetingsschets Perk 1935 nr.
28. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 3 5 30. gewone plataan (Platanus x hispanica) 5 6 3
19. (13) "arbresfruitiersde premier choix" volgens DE DAMSEAUX E,
3 3 . bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 482(110)
op. cit. (14) COSYN A., op. cit., p. 79. Alle andere vermeldingen - onder
35. witte paardenkastanje (Aesculus hippocasta-
andere LAUWERS J., op. at., p. 102 - zijn hiervan afgeschre-
num) 4 3 3 38. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum)
ven. (15) BARBIER H., Tuin-en landschapsarchitect EduardKeilig (1827-
458(130)
1895). De ideale landschapstuin als model voor de 19de-eeuwse
40. rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x car-
parken en tuinen (eindverhandeling), Antwerpen, Hoger Archi-
nea) 3 2 3 4 3 . gewone plataan (Platanus x hispanica) 6 8 5
tectuurinstituut van het Rijk, 1986, p. 2. (16) Gereproduceerd in LAUWERS J., Zeven eeuwen heerlijkheid...,
47. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 452
p. 102. (17) Beschrijving in DE MAEGD C, Bouwen door de Eeuwen heen
5 1 . bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV
- arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977,
420
p. 499-503. (18) 'Broeikas' volgens de oudste kadastrale legger Perk 212, art. 533
NOTEN
nr. 36; kadastrale opmetingsschets Perk 1880 nr. 5.
(1) VERBESSELT J., Hetparochtewezen in Brabant tot het einde van (19) Kadastrale opmetingsschetsen Perk 1866 nr. 31, 1881 nr. 5 en de 13de eeuw (XI), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1972, p. 129-135.
1887 nr. 4.
(20) Kadastrale opmetingsschets Perk 1904 nr. 5. LAUWERS J., Perk, het kletne dorpje van de grote Tenters, Tielt,(21) Bewaard in het kasteel van Perk. Veys, 1966, p. 99-100. (2) " Sterk gleyige leemgronden met reductiehorizont en structuur B horizont" (Aeb), volgens BAEYENS L., Bodemkaart van België: kaarthladen Haacht 74Wen Zemst 73E, Centrum voor Bodemkartering, 1962 & 1973. (3) Gepubliceerd in LE ROY J., Castella etpraetoria nobilium Brabantiae, coenobiaque celehriora ..., 1694. (4) Volgens LAUWERS J., op. at., p. 99-105. Zie ook: oudste kadasttale legger 212 Perk, art. 20 nrs. 45-82, oorspronkelijk op naam van Petrus A.S. Bounder, in 1840 gecorrigeerd op naam van de graaf de Ribaucourt.
Roger
Deneef
& Jo Wijn ant
STEENOKKERZEEL (PERK): PASTORIE VAN DE S1NT-N1KLAASKERK T E R V U U R S E S T E E N W E C 1 1 2 , 1 8 2 0 PERK (privébezit, niet toegankelijk voor het publiek)
• De binnenplaats van de pastorie van Perk omstreeks 1900 (cliché Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)
Gedeeltelijk ommuurde tuin van 30 are bij een pastorie uit het tweede kwart van de 18de eeuw met een zijvleugel uit 1631. De eerste pastorie van Perk werd dwars ten opzichte van de steenweg gebouwd in 1631, zoals de jaarankers in de muur langs de tuinzijde aangeven (1). Tegen dit eenlaags gebouw en evenwijdig met de steenweg werd later - vermoedelijk tijdens het tweede kwart van de 18de eeuw (2) - een tweede volume gebouwd, eveneens van lokale 'Diegemse' zandsteen, een classicistisch dubbel huis van zeven traveeën en twee bouwlagen. Van de overblijvende
bakstenen en mortel van de verbouwing van de kerk in 1853, liet de toenmalige pastoor tenslotte een omheiningsmuur optrekken en de voorbouw met de inrijpoort vernieuwen. Het metalen raamwerk van het spitsboogvenstertje in de zijkant van de serre tegen de zuidgevel, zou van de kerk afkomstig zijn (3). Volgens het Primitief kadaster (1831) omvatte de pastorie drie tuinpercelen: een lusttuintje (vermoedelijk een bloemenhof) van 3 are 10 centiare tegen de straat naast de pastorie, een hof van 28 are achter de pastorie en een tweede hof van 6 are 20 centiare op de hoek met de Passieweg. Deze tweede hof, die aan de school paalde, werd in 1863 opgeofferd voor de bouw van een huis voor de gemeenteonderwijzer (4).
Knotlinde en bloeiende hibiscus op de binnenplaats van de pastorie van Perk (foto R. Deneef, 2003)
Dankzij de hoge kruinen van een Italiaanse populier (Populus nigra 'ItalicaV, een bruine beuk en twee treurbeuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea', Es. 'PendulaV en twee witte paardenkastanjes (Aesculus hlppocastanum), die de achtertuin grotendeels overschaduwen, is de pastorietuin een opvallende verschijning in de dorpskom. Het onderhoud is momenteel grotendeels beperkt tot de kruidenen bloementuin - met onder meer hibiscussen (Hibiscus syriacus) en oosterse karmozijnbes (Phytolacca esculenta) — op de binnenplaats, waar ook een geknotte zomerlinde (Tilia platyphyllos) staat. Een foto van omstreeks 1900, vermoedelijk in de vroege lente genomen, toont de binnenplaats met een lezende pastoor in een rustieke tuinzetel tussen in kegel gesnoeide boompjes, mogelijk hulst (Ilex aquifolium), met links in beeld het oudste gedeelte met de jaarankers en tegen de muren opgeleide wingerds, en rechts de 18de-eeuwse 'hoogbouw' met een buitengewoon hoog opgeleide perelaar. Dat voedselvoorziening toen nog een belangrijke functie was, blijkt ook uit de vijgenboom (Ficus carica) in het 'gotische' serretje tegen de zuidgevel.
NOTEN (1) WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 158. (2) Volgens DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeek-Ducaju, 1977, p. 513. (3) LAUWERS J., Perk, het kleine dorpje van de grote Teniers, Tielt, Veys, 1966, p. 87-88, (4) Oudste kadastrale legger 212 Perk, art. 149 nrs. 1-5, 11-14, 2023. Kadastrale opmetingsschets Perk 1863 nr. 2.
Roger
Deneef
STEENOKKERZEEL (STEENOKKERZEEL): KASTEEL VAN HAM D E M A I L L E D E LA T O U R L A N D R Y L A A N 2 , 1 8 2 0 S T E E N O K K E R Z E E L
• Eeuwenoude, veelstammlgc zomerelk in de omgeving van het kasteel van Ham (foto R. Deneef, 2003)
Overblijfsel
van een landschappelijk
rond een kasteel van circa 1500, legd in de jaren van 17de-18de
eeuwse aanleg
uit te
bijna
grotendeels
in de jaren
5
aange-
1880 zonder de sporen
wissen, oorspronkelijk verkaveld
en gereduceerd
park
16
hectare,
tot de oudste kern
1960 (circa
hectare).
Kasteel tussen vijvers Ondanks de meedogenloze restauratie rond 1970, de inrichting van een "conferentieoord voor de vrijetijdsbesteding voor de Vlaamse Gemeenschap
in het gerestaureerde kasteel, de bouw van een "overnachtingsgebouw, in 1980-1985, de algemene verloedering van de omgeving die gepaard ging met de uitbreiding van de luchthaven van Zaventem na 1960 en de exponentiële toename van de geluidshinder, is het kasteel van Ham - samen met Gaasbeek, Meise en Beersel — één van de belangrijke toeristische trekpleisters in de omgeving van Brussel gebleven (1). Deze faam gaat minstens terug tot de toeristische literatuur uit het begin van de vorige eeuw (2) en houdt ongetwijfeld ook verband met de bewogen geschiedenis van het kasteel, niet het minst met de keizerin Zita-episode. Van 1929 tot 1940 was het de verblijfplaats van de verbannen ex-keizerin Zita van Oostenrijk en
7 5 * 3 ^ 0 1 / ^ . - * r's •
Het kasteel van Ham vanuit het
Tasfr*/
'vtm
JtL
StrenciJtfr-zetl.
zuidoosten omstreeks 1690 op een ets van J. Harrewijn naar een tekening van ]. van Croes (hergebruikt in De Cantillons: VermokelyWieden vanBrabom, 1770)
haar kroost (3). Over het tussen 1490 en 1505 opgetrokken waterslot - een massief gebouw van lokale zandsteen met een vierkante plattegrond tussen ronde hoektorens en een vijfde toren als ingangstravee in de zuidwestgevel - werd vrij veel gepubliceerd, maar zelden of nooit werd de omgeving belicht. De eerste afbeelding van het kasteel in zijn onmiddellijke omgeving is een door Harrewijn rond 1690 vervaardigde ets (4): geen bloemperken of parterres met loofwerk, zoals bij vele andere kastelen die in Le Roys 'Castella et praetoria nobilium Brabandae' worden opgevoerd. Het neerhofplein, achter een schutting verborgen, is gedeeltelijk met bomen (waarschijnlijk fruitbomen) beplant. De zuilvormige bomen rechts in beeld achter het kasteelcomplex doen aan Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV denken, maar deze cultivar zal pas een halve eeuw later in onze tuinen en parken opduiken (5). De 18de-eeuwse figuratieve kaarten (1707, 1721, 1738) laten evenmin veel doorschemeren en het is de Ferrariskaart (1771-1775) die als eerste een duidelijk beeld geeft van de aanleg van de ruime omgeving van het kasteel - vrij exact want de overeenstemming met de Primitieve kadasterkaart van 1829 is nagenoeg volledig. De kasteelsite valt min of meer samen met één van de twee brongebieden van de Molenbeek en de beekdalbodem - een 160 tot 200 m brede strook - was over een lengte van 900 m bezaaid met vijvers, die met bomenrijen waren afgezoomd. Ter hoogte van de samenvloeiing met de hoofdarm van de beek bevond zich bovendien een vijver met een spiegel-
Het kasteel van Ham (door ons rood aangestipt) in het brongebied van de Molenbeek op de Ferrariskaart (I77M775)
Het kasteeldomein van Ham en, dichter bij het dorp, de ommuurde pastorietuin met padenkruis omstreeks 1810 op de manuscriptversie van de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs' door G. De Wautier (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, afdeling Kaarten en Plannen)
brug rechtstreeks verbonden met het kasteel. Een tweede tuin aan de overzijde van de vijver ten noordoosten van het kasteel wordt met onregelmatige blokjes weergegeven; dat was vermoedelijk de moestuin, die met het kasteel verbonden was door een dreef op een landengte.
• Het kasteel van Ham in een nog gave omgeving. 1943, niet lang vóór de afbraak van het dak (cliché Koninklijk 'J Instituut voor het Kunstpatrimonium)
• Het kasteel van Ham op een 'reduction des plans cadastraux', gedateerd 1847 maar gelyk aan de Primitieve kadasterkaart die C.F. Boonaerts in 1829 heeft opgemaakt
KUun
\
zoel
•/#
Hick
'h
booguiteinde. Het ging dus om meer dan louter functionele, onopgesmukte viskweekvijvers. O p de stafkaart van 1864 zijn de twee noordelijke vijvers en de spiegelboogvijver verdwenen, maar hun contouren zijn nog herkenbaar. Uiteindelijk zullen alle vijvers ten noordoosten van de kasteelvijver verdwijnen, maar hun oevers bleven gedeeltelijk in het microreliëf bewaard. Het huidige Hinckaertplein valt samen met de vroegere Paygekens- of Plaatskensvijver. Onzichtbaar op de ets van Harrewijn is het breed omgrachte, vierkante eiland ten zuidwesten van het kasteel (het latere perceel sectie E nr. 221 op de Primitieve kadasterkaart). O p een figuratieve kaart opgemaakt door Josse De Deken in 1707, wordt het getoond met een padenkruis en hoekpaviljoenen of-prielen (6). O p de Ferrariskaart wordt het afgebeeld met vierkante bedden, een generische voorstelling die zowel voor sier- als nutstuinen wordt gebruikt, maar het was ongetwijfeld een siertuin, wellicht met loofwerkparterres, via een
Het kasteel had rond 1760 verschillende aanpassingen en verfraaiingen ondergaan, waardoor het sombere burchtkarakter zoveel mogelijk werd afgezwakt (vergroting van de vensters, vervanging van de ophaalbrug door een stenen boogbrug met een uitwaaierende, door siervazen geflankeerde trap, arduinen omlijsting van de ingangsdeur onder een beletagedeurvenster...). De douairière van Groesbeeck liet de zuidwestelijke neerhofvleugel in het verlengde van de ingangsdeur en de brug doorbreken, zodat er een rechtstreekse visuele band ontstond tussen de eilandtuin en het kasteelfront. Het neerhof was overigens al lang geen boerenerf meer maar een representatieve 'cour d'honneur', omgeven met een koetshuis, paardenstallen en een portiersloge, sinds 1648 toegankelijk via een fraaie, barokke inrijpoort (7). Maar vergeleken met de nabijgelegen kasteeldomeinen van Lelie (Berg) en Perk*, was de aanleg rond het kasteel van Ham veeleer bescheiden. Het landschappelijk park Rond 1830, onder het eigenaarschap van graaf Charles-Edmond-Marie de Croix, vormde het kasteel van H a m het middelpunt van circa 250 hectare grondbezit in Steenokkerzeel (meer dan één vierde van het gemeentelijke grondgebied). De Croix was een 'absentee owner' die in Parijs woonde. Zijn beperkte belangstelling voor het domein verklaart misschien waarom de op de Ferrariskaart afgebeelde structuur de 19de eeuw overleefde. De manuscriptversie van de 'Carte topographique des environs de Bruxelles' van Guillaume De Wautier, die vermoedelijk de situatie afbeeldt van vóór 1810 (8), bevestigt de Ferrarsikaart tot in de details, tot en met de in zes parterres verdeelde eilandtuin met de brug naar het kasteel en de landengte met de dreef naar de moestuin ten noordoosten van het kasteel. De moestuin had een padenkruis met een centrale rotonde; nut en sier gingen vaak samen. Rond 1830 zag het domein er minder riant uit. Volgens de Primitieve kadastrale legger (9) was de eilandtuin (perceel nr. 221) een ordinaire moestuin en het perceel ten noordoosten van het kasteel (vroeger moestuin) gewoon 'land', maar er stond een paviljoentje. De 'lust'-predicaten waren beperkt tot de kasteelvijver en de ermee
verbonden ringgracht, de twee vijvers ten zuiden van het kasteel en een smalle strook 'lustgrond' tussen de kasteelvijver en de huidige Hamdreef-de Croix d'Heuchinlaan, die zelf als 'lustdreeP stond geregistreerd.
geheel van oude bomen, majestueuze dreven en uitgestrekte waterpartijen waarin het kasteelsilhouet weerspiegeld werd — " Quelle exquise retraite pour celui qui aime la nature et sait en apprécier les charmes reposants"{\ 1).
Pas op de stafkaarten van 1891-1892 is er in de omgeving van het kasteel van Ham zoiets als een landschappelijke aanleg zichtbaar. Akkerpercelen ten noordwesten en ten zuidoosten van het kasteel, buiten de ringgracht, werden beplant en met slingerende wegen doortrokken. Deze aanleg dateert waarschijnlijk uit het midden van de jaren 1880 en vindt slechts gedeeltelijk zijn neerslag in de kadastrale legger: in 1887 wordt volgens het kadaster in het Bosveld ten noordwesten van het kasteel, buiten de ringgracht een groot akkerperceel omgevormd tot een 'lusthof' van meer dan 4 hectare (10), maar de ruimte ten zuidoosten van het kasteel bleef als akkerland geregistreerd. Uit twee dikke bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV in de huidige beplanting blijkt dat ook de eilandtuin deel uitmaakte van de nieuwe landschappelijke aanleg. Langs de noordwestelijke oever van de kasteelvijver komen nog twee bomen - een bruine beuk en een plataan (Platanus x hispanica) - van het 19de-eeuwse landschapspark voor. De veelstammige zomereik (Quercus robur) in een villaperceel langs die zijde is ongetwijfeld veel ouder.
Villapercelen, vliegtuigen en conferenties Na het vertrek van Zita in 1940 kwam het kasteel leeg te staan. In 1942 braken de Duitsers het dak af; het kasteel werd verlaagd en voorlopig afgedekt met een laag schilddak. De steile dakpartij vormde immers een hinderpaal voor het toenemende luchtverkeer op de nabijgelegen luchthaven van Meisbroek, want het kasteel bevond zich op één van de aanvliegroutes. Aan de verdere verkrotting door twee decennia leegstand kwam pas een einde in 1964, toen het domein - of wat ervan overbleef — aangekocht werd door de Belgische staat. Er was niet zoveel van overgebleven, want al in 1955 werden de eerste delen van het kasteelpark verkaveld in villapercelen ('tweewoonsten') en ontstond de De Maille de la Tour Landrylaan (12). Toen in 1968 de restauratie werd aangevat, was het kasteeldomein gereduceerd tot de kasteelvijver, het eilandje met de resten van het neerhof, de voormalige eilandtuin en de vijver ernaast - een eiland in een door vliegtuiglawaai geteisterde villawijk. Het kasteelgebouw werd opnieuw tot op zijn oorspronkelijke kroonlijsthoogte opgetrokken, maar met de luchthaven van Zaventem in de nabijheid was de reconstructie van de oorspronkelijke bedaking uitgesloten.
Het park was aan de noordoostzijde begrensd door de de huidige Damlaan. De parkwegen liepen wel door in de bossen aan de overzijde van de laan, waar nog één vijver lag, maar zonder kronkels. De stafkaarten van 1930-1932 tonen het kasteeldomein van Ham met licht gewijzigde padentracés, maar de indruk die het op bezoekers maakte was overweldigend. Voor toeristisch journalist Arthur Cosyn was het domein van Ham een weergaloos
1864-1865
De restauratie was 'keihard', ook voor de omgeving. Zo werden de neerhofgebouwen grotendeels afgebroken, maar de noordvleugel werd geëvoceerd aan de hand van een betonnen afdak; in de portierswoning werd een betonnen structuur ingewerkt; de vijveroevers werden van stenen kaaimuren voorzien. Het gerestaureerde gebouw, voortaan een
1891-1892
1930-1932
A De dorpskern van Steenokkerzeel (links onderaan) en het kasteel van Ham op de stafkaarten van 18641865, 1891-1892 en 1930-1932 (DLG, 1874; ICH, 1882, 1893-1895 en 1936-1937)
Merkwaardige bomen (opname 15 juli 2003) 1. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 415 8. zomereik (Quercus rohur) 732(20), drietakkig, dikste tak 3 1 7
NOTEN (1) Zie onder meer: 'Groene gordel lokt Nederlanders. Nieuw toeristisch promotieplan', in Het Nieuwsblad, 4 aug. 2006. (2) Bijvoorbeeld COSYN A., Autour du Saventerloo. IV. Steynockerzeel (Ie chareau), p. 163-165 in Bulletin ojjicieldu TounngClubdeBelgiqueMD, 1924. (3) LAUWERS ]., Steenokkerzeel, de Habsburgers en "het Kasteel van Keizerin Zita" (1929-1940), p. 259-275 in De Brabantse Folklore nt. 243, sept. 1984. Virgin Express en hct afgeknotte kasteel van Ham, na de restauratie van 1970, wegens het luchtverkeer zonder torenspitsen en schilddak; op de voorgrond als een nieuw neerhof het 'overnachtingsgehouw'. nu opvangcentrum voor asielzoekers (foto R. Deneef, 2003)
• Het kasteel van Ham en omgeving in de late |aren 1980 (cliché Onroerend Erfgoed Vlaanderen)
A/I&L
(4) Oorspronkelijk in de LE ROY J., Castella et praetoria nobilium
'multifunctioneel vergader- en ontvangstcentrum' voor de Vlaamse Gemeenschap, werd in 19801985 aangevuld met een 'overnachtingsgebouw', een tweelaagse structuur met een U-vormige plattegrond naar ontwerp van de architecten Walter Steenhoudt en Bert Robaye. Zowel de plattegrond als de bouwplaats zouden refereren aan het verdwenen neerhof, de beige betonblokken aan de Diegemse zandsteen van het kasteel... Dit gebouw, een hotel met logies voor 36 personen (28 eenpersoons- en 4 tweepersoonskamers) werd niet op de plaats van het verdwenen neerhof opgericht maar in de voormalige eilandtuin, nagenoeg de enige plek waar nog aanplantingen (de twee voormelde bruine beuken) van het 19de-eeuwse landschapspark voorkomen. De behoefte aan conferentieruimte met overnachtingsmogelijkheid werd overigens duidelijk overschat. Het overnachtingsgebouw werd in 2000 ingericht als opvangcentrum voor asielzoekers.
Brabantiae, coenobtaque eelebriora...., 1694, hergebruikt in DE CANTILLON, Vermakelykheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen, deel 11 (Amsterdam, David Weege, 1770) Anastatische herdruk, Amsterdam/Antwerpen, 1981, B. N° 60. (5) KRUSSMANN G., Handhuch der Laubgehölze (II), Berlin/ Hamburg, Paul Parey, 1977, p. 456. (6) Plan 23 in de atlas van het Brusselse Sint-Janshospitaal, gereproduceerd in WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VIIIA (heruitgave van de editie van 1855), Bruxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 234. (7) DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 649-652, (8) Deze manuscriptkaart diende waarschijnlijk als uitgangspunt voor de in 1810 gepubliceerde gegraveerde kaart, maar werd voor sommige gedeelten bijgewerkt tot 1821. (9) Oudste kadastrale legger 212 Steenokkerzeel, art. 85, nrs. 118129. (10) Kadastrale opmetingsschets Steenokkerzeel 1887 nr. 30. Oudste kadastrale legger 212 Steenokkerzeel, art. 85 nrs. 308 en 537. (11) COSYN A.,fl?.afc,p. 165. (12) Kadastrale opmetingsschets Steenokkerzeel 1955 nr. 23.
Roger
Deneef
STEE1M0KKERZEEL (STEENOKKERZEEL): PASTORIE VAN DE SllNT-RUMOLDUSKERK KEIZERINLAAN 1 , 1 8 2 0
STEENOKKERZEEL
( p r i v é b e z i t , niet toegankelijk voor het publiek)
• De pastorie van Smt-Rumoldus, gerestaureerd na de brand van 1975 (foto R. Deneef, 2003)
Ommuurde tuin van 73 are rond een omgracbte pastorie uit 1618, in 1787 grotendeels heropgebouwd,
ringgracht
gedeeltelijk gedempt. De pastorie van Steenokkerzeel werd in 1596 door brand geteisterd en in 1606 door storm grotendeels vernield. In 1618 werd op dezelfde plaats een nieuwe pastorie gebouwd. Rond het pastoorsgoed werd een muur in witte zandsteen opgetrokken en - zoals bij de meeste 'huizen van plaisantie' die in de vroege 17de eeuw model stonden voor de lan-
delijke pastorieën - werd het gebouw met een gracht omringd. In 1787 werd de hoofdvletigel heropgebouwd en kreeg de pastorie haar huidige L-vormige plattegrond en volume. De aanpassingswerken in 1857-1859 en de restauratie na een uitslaande brand in 1975 brachten geen fundamentele wijzing mee. Alleen werd in 1890 tegen de rechterzij vleugel een halve serre gebouwd (1). Het pastoriegebouw (2), het eiland en de achterliggende tuin — de latere percelen nrs. 216 en 217 vormden samen een rechthoekig blok van bijna 73 are (3), dat aansloot bij het kasteeldomein van Ham* en frontaal uitkeek over de Paygekensvijver
(ook Plaatskensvijver genoemd) - het huidige Hinckaertplein. De pastorie werd vanuit het dorp bereikt via een dreef, die evenwijdig liep met de kasteeldreef aan de andere kant van de vijver. Een brugje over de ringgracht (momenteel in beton met een kasseidek) vormde de toegang tot het eiland. In de 'manuales' van de pastorie wordt regelmatig bericht over vellingen en aanplantingen - vaak iepen, maar ook linden, wilgen en, in 1812, canadapopulieren en beuken (4). Deze kappingen hebben steeds betrekking op de zogenaamde 'voorvang' van de pastorie, dit is het eiland en de oevers van de ringgracht. De achtertuin (perceel nr. 216, 36 are 80 centiare) was bedoeld voor 'nut en sier' - de gebruikelijke combinatie van bloemen, groenten, kleinfruit, fruitbomen en leifruit tegen de omheiningsmuur. Deze achtertuin wordt op de manuscriptversie van de 'Carte topographique deBruxelles et de ses environs' door G. De Wautier [zie p. 87] met een padenkruis afgebeeld, de voor pastorietuinen gebruikelijke indeling. Deze behoort sinds de jaren 1960 tot het verleden. Enkele kerselaars (Prunus avium cv.}), Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, witte paardenkastanjes {(Aesculus hippocastanum), een zomerlinde (Tilia platyphyllos) en een monumentale bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea ') vormen de omkadering van het grasveldje dat ooit de achtertuin met het padenkruis was geweest. De noordoostelijke arm van de ringgracht (tussen het eiland en de achtertuin) werd gedempt in de jaren 1880 (5) en de resterende armen staan momenteel droog.
Merkwaardige boom (opname 15 juli 2003) 1. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea') 4 5 6
NOTFN (1) Chronologie uit VAN BOXMEER Ph., Steenockerzeel et Humelghem et leurs seigneurs: généalogie des van Hamme, Diest, Ph. Van Boxmeer, 1930, p. 161-164. Voor de bouw van de serre zie de kadastrale opmetingsschets Steenokkerzeel 1891 nr. 16. (2) Beschrijving in DE MAEGD C , Bouwen door de eeuwen heen arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 1977, , 652-653. (3) Oudste kadastrale legger 212 Steenokkerzeel, art. 290, nr. 1-3. (4) Opsomming in LAUWERS ]., Steenokkerzeel, Ter Ham, Wambeek en Humelgem (I), Steenokkerzeel, Kultuurraad en Sportraad, 1985, p. 579-612. (5) Kadastrale opmetingsschets Steenokkerzeel 1887 nr. 30.
Roger Deneef & Jo Wijnant
STEEMOKXERZEEL (STEEMOKKERZEEL-HUIVIELGEIVI): KASTEEL VAN HUMELGEIVI BILLASTRAAT 3 4 , 1 8 2 0 STEENOKKERZEEL
• Het kasteel van Humelgem ïanuit het park, met een oude treurhonlngboom op de voorgrond (foto 0. Pauwels, 2008)
Relict van een landschappelijk park van
secundaire volumes naar voor: een donjonachtig middengedeelte met een overkragende top en spie1 hectare 39 are, aanvankelijk bijna torentjes - echo van de 15de-eeuwse poorttoren 4 hectare, aangelegd rond een circa 1870 ('Vleug') aan de overzijde van de straat - en drie gebouwd kasteel in neo- Vlaamse renaissance- lagere uitbouwen waarvan twee met volutengestijl, sinds 1953 gemeentelijk eigendom. vels (2). Het gaat om een rijke, door de Vlaamse renaissance geïnspireerde baksteenarchitectuur met natuurstenen hoekkettingen, boogstenen, negblokHet kasteel naast de kerk van Humelgem werd ken, diamantkoppen, frontons (dat boven de deur rond 1880 gebouwd (1) in opdracht van Jules de met het devies van de bouwheer "Endurer pour Kerchove d'Exaerde (1830-1901), afdelingshoofd durer')... O p de toren stond oorspronkelijk een bij het Rekenhof en vanaf 1882 tot aan zijn dood houten lantaarn met een uispits en de getrapte topburgemeester van Steenokkerzeel. De kern van het pen van de volutengevels waren ooit bekroond met gebouw bestaat uit een volume met een rechthoedriehoekige frontons. O o k de houten balkons van kige plattegrond onder een hoog dak, dat langs de de achtergevel en de aangebouwde wintertuin zijn ene zijde op een schild en langs de andere op een verdwenen (3). In het nieuwe landgoed werden trapgevel eindigt. Uit dit hoofdvolume steken vier
1891
1930
1954
A Humelgem en zijn Les Environs de Bruxellos
kasteelpark van
Cti&ttau d'ilumetghmt.
bijna 4 hectare op stafkaarten van 1891, 1930 en - gedeeltelijk verkaveld - op een topografische kaart van 1954-1956 (ICH, 1893 en 1937; Ministerie Openbare Werken 8 Wederopbouw, 1956)
* •
Het kasteel van Humelgem - rijke, door de Vlaamse renaissance geïnspireerde baksteenarchitectuur, rond 1880 gebouwd door Jules de Kerchove d'Exaerde (collectie Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
• Het kasteel van Humelgem in vergevorderde staat van verval (foto 0. Pauwels, 2008)
1V1&L
twee bestaande huizen als aanhorigheden opgenomen. Eén van de twee, het boerenhuisje van witte zandsteen ten zuidoosten van het kasteel, deed als tuinierswoning dienst en sloot aan bij een kleine, ommuurde moestuin (circa 11 are).
Het park rond het kasteel (perceel nr. 205c) besloeg aanvankelijk iets meer dan 1,5 hectare (4), maar het werd enkele jaren later uitgebreid tot bijna 4 hectare. Links van het kasteel verscheen ook een serrecomplex (5). O p het heuveltje in het noordwestelijke gedeelte van het park, ongetwijfeld een deel van het oorspronkelijke ontwerp, stond wellicht ooit een paviljoen of prieel. De contouren van het eigendom bepaalden het aanlegpatroon, grofweg een L-vorm, want tegenover de kerk stond een hoeve met een hectare grond erbij, die niet tot de Kerchoves eigendom behoorde. Zoals blijkt uit de stafkaart van 1891, lag de hoofdingang van het domein — een kleine 'lunet' of halfrond pleintje, het poorthek langs het ronde gedeelte — aan de steenweg Mechelen-Tervuren (de huidige Gorislaan). Hij vormde het vertrekpunt van lussen, die zowel het noordelijke, bomenrijke gedeelte van het park aandeden als de open ruimte voor het kasteel. Deze ruimte bestond uit een centraal gazon omringd door een gordel van bomen, waarvan er verschillende nog bestaan: drie bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j, witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) en mogelijk ook de treurhoningboom (Sophora japonica 'Pendula'J aan de voet van de helling naar het kasteel. Tot 1985 was er ten oosten van het kasteel nog een massief met wortelopslag van bonte iep (Ulmus carpinifolia 'Variegata', Ulmus glabra 'ExoniensisV, ongetwijfeld relicten van een beplanting die door de iepenziekte werd vernietigd.
Het op de stafkaart van 1891 afgebeelde patroon wordt herhaald op de stafkaart van 1912 (ICM, 1925) en is ook nog herkenbaar in het strakke, bijna modernistisch aandoende patroon dat op de stafkaart van 1930 wordt weergegeven. De lunet met de hoofdingang is dan verdwenen; de nieuwe ingang bevindt zich 150 m naar het noorden, bijna op het kruispunt met de Kortenbergsesteenweg. De weidse lus doorheen het noordelijke, beboste gedeelte anno 1891 is nog herkenbaar in de sikkelvormige tra op de kaart van 1930. In hoever de strakheid van 1930 overeenstemt met het toenmalige tracé van de wegen of veeleer verband houdt met de manier van voorstellen, valt niet meer uit te maken, omdat elk spoor van de oude parkwegen uitgewist is. O p geen enkele van de stafkaarten komt een vijver voor. Nochtans is op de voorgrond van een ansichtkaart uit het begin van de 20ste eeuw ten zuiden van het kasteel een vijver te zien, die minstens even breed is als het kasteel. Van deze vijver valt niets meer te bespeuren.
Het kasteel van Humelgem met vijver vanuit het zuiden bij het begin van de 20ste eeuw (collectie Onroerend Erfgoed VlaamsBrabanl, Leuven)
Na het overlijden van burgemeester de Kerchove in 1901 werd het kasteeldomein van Humelgem verkocht aan markies Charles de Croix (6), eigenaar van het kasteel van Ham*. Hij stelde het ter beschikking van Franse nonnen - 'les Petites Soeurs de Jésus' — die wegens de antiklerikale politiek van de toenmalige regering Frankrijk hadden verlaten en die Humelgem als rustoord gebruikten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Humelgem bewoond door de componist Alfons Moortgat. Gedurende het interbellum werd het kasteel ingericht als restaurant en familiepension - "pension tres soignée, chambres spacieuses, chauffage central, Ie calme, Ie repos absolu en zelfs een sportveldje (7). Na de Tweede Wereldoorlog werd het kasteel verhuurd aan het Sint-Mariainstituut te Schaarbeek, die het als 'schoolkolonie' gebruikte. In 1953 kocht de gemeente Steenokkerzeel het domein aan (8) en liet dwars door het park een nieuwe straat aanleggen, de huidige Claeslaan. Het kasteel zou als gemeentehuis worden ingericht, maar omdat Humelgem te ver van het centrum van Steenokkerzeel ligt, kwam daar niets van in huis. Met het oog op de verkaveling en de verkoop van een strook grond langs de Gorislaan (voorheen Tervuursesteenweg), moest een nieuwe, rechte oprit worden aangelegd aan de Billatstraat ten zuiden van het kasteel. Het gebouw werd ter beschikking gesteld van diverse gemeentelijke verenigingen en het gehalveerde park (1 hectare 39 are) werd in de loop van de jaren verrijkt met een geasfalteerd volleybalterrein, een speeltuintje en met een 'staande wip' voor de plaatselijke schuttersgilde. O p 22 september 1982 werd het kasteel, samen
met de 'Vleug' en de pastorie, als monument beschermd, maar initiatieven om het gebouw te restaureren liepen op niets uit. Het staat momenteel leeg en verkeert in een verregaande staat van verval. De huidige met betonplanken afgeboorde dolomietpaden volgen strakke en hoekige tracés, die totaal afwijken van de historische padentracés en niet passen in een landschappelijk park. Merkwaardige bomen (opname 22 september 1999) 3. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 442 5. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 443(130) 14. treurhoningboom (Sophora japonica 'Pendula'j 100
WÜIEÊI (1) Volgens DE MAEGD C , Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Halle-Vtlvoorde, Cent, Snoeck-Ducaju, 1977, p. 662-663, rond 1870, maar het werd in 1881 door het kadaster geregistreerd. Cf. kadastrale opmetingsschets Steenokkerzeel 1881 nr. 8. (2) Summier beschreven in DE MAEGD C., op. cit. (3) LAUWERS J., Steenokkerzeel, Ter Ham, Wambeek en Humelgem, Steenokkerzeel, Kultuurraad en Sporrraad, 1985-1987, p. 368 e.v. (4) In het perceel 'lusttuin' ( nr. 205c), 1 hectare 75 are 60 centiare, was ook de moestuin begrepen. (5) Kadastrale opmetingsschets Steenokkerzeel 1887 nr. 26. Oudste kadastrale legger 212 Steenokkerzeel, art. 1019 nrs. 8, 18, 21-24, 58, 63-64. (6) Oudste kadastrale legger 212 Steenokkerzeel, art. 85 nrs. 769-775. (7) Gegevens uit het interbellum uit LAUWERS J., op. cit. (8) Oude kadastrale legger 212A Steenokkerzeel, arr. 2469 nrs. 94103.
IVI&L