Skip to main content

MENC014-001.pdf

Page 1

-f

3 O-

u

5 -^ &. < u

3

3 OS

c>


Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris

Vlaoms-Brabant

Hageland - Noordoosten van Vlaams-Brabant


Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris

Vlaams-Brabant

Hageland - Moordoosten van Vlaams-Brabant Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerbeek, Diest, Haacht, Keerbergen, Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, Tremelo

Résumés frangais - English summaries

Roger Deneef, Herlinde De jaeckjo Wijnant, Chris De Maegd, Greta Paesmans, Herman janssens, Robert Van de Ven, Frans Cerulus, André Cresens, C/oortje Verloove, Hubert Simonart, Norbert van den Hove d'Ertsenryck, Jan Gordts, Chris Schroeven, Willy Schroeven, èernadette Uytterhoeven, Vincent Halflants, Leen Lybeer

Eindredactie Roger

& synthese: Deneef

Vlaamse Overheid — Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed Brussel 2007


Dit boek verscheen in 2007 en werd uitgegeven door de Vlaamse Overheid — Agenschap R - O Vlaanderen Onroerend Erfgoed

Auteurs Roger Deneef, Herlinde De Jaeck, Jo Wijnant, Chris De Maegd, Greta Paesmans, Herman Janssens, Robert Van de Ven, Frans Cerulus, André Cresens, Claartje Verloove, Hubert Simonart, Norbert van den Hove d'Ertsenryck, Jan Gordts, Chris Schroeven, Willy Schroeven, Bernadette Uytterhoeven, Vincent Halflants, Leen Lybeer Met medewerking van Louis Blockx, Julia Meulemans & José Huypens

Coördinatie & concept Luc Tack

Eindredactie & synthese Roger Deneef

Fotografie Kris Vandevorst, Oswald Pauwels (cover), Jo Wijnant, Roger Deneef, André Cresens, Karel Robij Philippe de Spoelberch, Vincent Halflants, Nele Goeyvaerts

Leescomité Marijke Hoflack

Verantwoordelijke uitgever: Luc Tack Vlaamse Overheid - Agenschap R-O Vlaanderen - Onroerend Erfgoed Koning Albert Il-laan 19 bus 3, 1210 Brussel - tel. (02) 553 16 11 - fax (02) 553 16 05 Niets uir deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uitgever.

D/2OO7/3241/0I5 ISBN 97890-403-0264-0 N U R 648


iNtimm

Voorwoord Inleiding DEFINITIES

II

BRONNEN, INTERNE VERWIJZINGEN EN AFKORTINGEN

II

WAT ZIJN MERKWAARDIGE BOMEN?

Il

INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE

I2

BEVINDINGEN

I3

AARSCHOT (Aarschot) STADSPARK

18

ELZENHOF

22

LIEDEBERG - LINDENBERG

26

SCHOONHOVEN

28

SPEELHOVEN

33

MEETSHOVEN

36

OUDE DEKENIJ

39

VILLA COREMANS

41

VILLA PAULA

43

AARSCHOT (voorheen Begijnendijk) D E MEETSELS

44

AARSCHOT (Gelrode) KASTEEL VAN RIVIEREN

47

KASTEEL VAN NIEUWLAND

52

AARSCHOT (Langdorp) VILLA DORENBERG

54

PASTORIE VAN DE SINT-PIETERSKERK

56

AARSCHOT (Rillaar) KASTEEL VAN D E PROOST

58

BEGIJNENDIJK (Begijnendijk) H E T KASTEELTJE

59

BEGIJNENDIJK (Betekom) H O F IER BRUGGEN

62

BEKKEVOORT (Assent) KASTEEL VAN ASSENT

65

HOEVE PRINSENBOS

67

BEKKEVOORT (Bekkevoort) BERGENHOF

69


BOORTMEERBEEK (Boortmeerbeek) OUDENHOVEN (GOED VAN HECKING)

73

KASTEEL VAN MEERBEEK

76

VILLA VAN GORP

78

BOORTMEERBEEK (Hever) RAVESTEIN

79

PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK

83

VILLA TER BIEST

86

VILLA BIESTSTRAAT 89

88

VILLA VAN HORENBEECK

90

TRIANON

92

BUNSELHOF

95

GOTTENDIJS

97

BOORTMEERBEEK (Hever) - ZEMST (Elewijt) KASTEEL VAN SCHIPLAKEN

I 0I

Ü1EST (üeurne) D E KIEWIT

109

Ü1EST (Diest) D E WARANDE

I II

D E 19DE-EEUWSE VERDEDIGINGSGORDEL

I I6

VOORMALIGE PASTORIE VAN HET BEGIJNHOF

I2 l

VOORMALIGE PASTORIE VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEKERK & BROUWERIJ ' D E WERELD'

I 23

ALGEMEEN ZIEKENHUIS

I2 6

VOORMALIGE BROUWERIJ CERCKEL

I 28

REFUGE ABDIJ VAN AVERBODE

I33

RUÏNE VAN DE SINT-JANSKERK

I 35

Ü1EST (Kaggevinne) D E GALGENBERG

I37

Ü1EST (Molenstede) 'T ZAND

139

REMAKS

142

GRASBOSKASTEEL

145

JAGERSBERG

I 48

Ü1EST (Molenstede) - TESSENDERLO GROOT ASDONK

I 50

DIEST (Schaffen) D E SCHANS

I 54

GULDENBOOM

I 56

HAACHT (Haacht) H E T HEIKEN (GEMEENTEHUIS)

I 58

VILLA DE COUNE (FRAIKIN-PERSOONS)

I 63

PASTORIE VAN DE SINT-REMIGIUSKERK

I 65

LOMBAARDENHOF

I 67

GOED FEREMANS

I 69

OCMW-DOMEIN

17 1

VILLA NOTARIS TUERLINCKX

I 72


HAACHT (Tildonk) HOE TER ELST URSULINENKLOOSTER

173 176

ESDORENHOF

I8 I

VILLA VINCART

I 84

VILLA PERSOONS

I 85

VILLA'S AAN DE VAARTDIJK

I 87

'T GROEN KASTEEL

I 89

APPELBURG

I9 l

HAACHT (Wakkerzeel) PASTORIE VAN DE SINT-HUBERTUSKERK

19 3

HAACHT (Wespelaar) KASTEEL VAN WESPELAAR HERKENRODE TER HULST PASTORIE VAN DE SINT-HUBERTUSKERK

I9 5 209 21 5 217

KEERBERGEN H E T KASTEEL VILLA 'LES MÉLEZES'

219 22 I

ROTSELAAR (Rotselaar) ABDIJ VROUWENPARK - MONTFORTCOLLEGE REGA'S H O F

223 23 1

KAPEL ONZE-LIEVE-VROUW VAN ZEVEN SMARTEN

237

PASTORIE VAN DE SINT-PIETERSKERK

239

ROTSELAAR (Werchter) HUIS VAN ROOST

240

ROTSELAAR (Wezemaal) O U D KASTEEL VAN WEZEMAAL

241

PASTORIE VAN DE SINT-MARTINUSKERK

243

NIEUW KASTEEL VAN WEZEMAAL

245

WlJNGAARDBERG

247

SCHERPENHEUVEL-Z1CHEM (Averbode) ABDIJ DER NORBERTIJNEN VAN AVERBODE

250

MARIAPARK

261

VILLA GOVAERTS

264

D E SCHOMMEL

266

SCHERPENHEUVEL-Z1CHEM (Messelbroek) KASTEEL ROOSMAER

268

SCHERPENHEOVEL-ZICHEM (Scherpenheuvel) PLANTSOEN ROND DE BASILIEK

270

VILLA EDOUARD MICHIELS

275

VILLA COENEN

279

KASTEEL VAN SCHERPENHEUVEL

280


SCHERPENHEUVEL-ZICHEM

(Zichem)

DE MARKT ORANJEKASTEEL ARENDSCHOT VILLA BOSQUET

283 285 287 290

TREMELO (Tremelo] KASTEEL VAN FONTEYN HEIDEBURG VILLA, HONDSDONK 97

293 297 299

Résumés francais

3oI

English summaries

308

K a a r t e n m e t s i t u e r i n g van de b e s p r o k e n

tuinen

en p a r k e n

31 6

O v e r z i c h t van k w a l i t e i t e n en k e n m e r k e n

322

Personenregister

325

Dankwoord

333


Met het zesde 'cahier' gewijd aan Vlaamse parken en tuinen, het vierde inventarisdeel betreffende Vlaams-Brabant, staat de kennis van onze tuincultuur niet meer in kinderschoenen. Het is ook duidelijk geworden dat de term 'bouwkundig erfgoed' niet mag beperkt worden tot stenen, dat architectuur meer is dan de vormgeving van een gebouw of, om het met een oude slogan te zeggen: een monument staat niet alleen! Zo had de opkomst van de eclectische architectuur en van 'historiserende' stijlen tijdens het derde kwart van de 19de eeuw ook zijn weerslag op de globale architectuur van een landgoed en kunststromingen zoals art deco en modernisme bepaalden zelfs de manier waarop een achtertuintje of de achteruitbouwstrook van een rijhuis werd ingericht. Men kan zoiets theoretisch beseffen en beamen, maar alleen de praxis, de kennis opgedaan door terreinonderzoek en inventariswerk, kan aan dit abstracte besef concrete inhoud geven. Deze benadering kan er bijvoorbeeld toe leiden dat bij restauraties verder wordt gekeken dan het gebouw in kwestie. Ik beschouw de inventarissen van tuinen en parken als een belangrijke stap in die richting, omdat gebouw en aangelegde omgeving als één geheel worden beschouwd. Een mogelijk punt van kritiek betreft de reikwijdte van de inventaris. Het kasteelpark van Wespelaar of het park van de Montfortanen te Rotselaar? Uiteraard, maar al die pastorie- en villatuintjes - nagenoeg de helft van de 96 geïnventariseerde objecten in dit deel... De inventaris van historische tuinen en parken van het Waals gewest is veel selectiever; met dezelfde selectiecriteria zou dit boekdeel niet veel meer dan de helft bedragen. Toch ben ik van oordeel dat ook deze bescheiden realisaties onlosmakelijk deel uitmaken van onze tuincultuur en -geschiedenis en individuele aandacht verdienen. Ik betreur dat de inventaris van historische tuinen en parken vooralsnog beperkt bleef tot twee provincies in het oosten van het Vlaams gewest. Het succes van de reeks bewijst nochtans dat er voor deze materie een grote belangstelling bestaat en ik zal er dan ook op aandringen dat de inventaris tot de andere provincies wordt uitgebreid.

Dirk VAN MECHELEN De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening,


•••:.:•.

•

&

-

..;•


mLEUUMj

Definities Voor ons is "tuin: omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden" (1ste betekenis in: http://www.vandale.nl/current). In eerdere edities van het 'Groot Woordenboek der Nederlandse taal' (bijv. die van 1984) werd ook het behoren "bij een huis en daaraan sluitende, of het omgevende" als essentieel onderdeel van de definitie gegeven. In dat geval zouden volkstuintjes, kerkhoven, begraafplaatsen... ten onrechte buiten de definitie vallen. Voor de definities van park en plantsoen verlaten we ons echter op de oude uitgaven: "Park: terrein bij of om een kasteel of landhuis, bestaande uit bos en weiland, meestal door vijvers en kunstmatige aanleg verfraaid." (2de betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). "Plantsoen: aanleg met bomen en planten als openbare tuin, publieke wandelplaats" (3de betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). Deze definities van tuin en park sluiten nauw bij elkaar aan en we vinden ze niet alleen in Franse en Engelse taaiwoordenboeken terug, maar ook in de vakliteratuur, zowel in de oudere, bijvoorbeeld bij j . Vacherot (Les pares et jardins au commencement du XXe siècle, 1908,) als in recente, bijvoorbeeld in de Glossary of Garden history van M. Symes (1993), in de Dictionnaire historique de l'art des jardins van M. Conan (z.d., 1997?) en in jardin - Vocabulaire typologique et technique van M.-H. Bénetière (2000). 'Tuin' en 'park' zullen in dit werk zo consequent mogelijk gebruikt worden om een verschil in schaal en intensiteit (of intensiviteit) aan te geven: intensief, min of meer kleinschalig (tuin) versus exten sief, grootschalig (park). Voor 'h/storisch' verkiezen we de derde definitie van de 'Petit Robert' (uitgave 1983): «Qui est ou mérite d'etre conserve par l'histoire». In de teksten wordt duidelijk gemaakt waarom het de moeite waard was om een bepaald object in de inventaris op te nemen.

Bronnen, interne verwijzingen en afkortingen Alle vermelde kadastrale documenten werden geraadpleegd in het archief van het Kadaster- Directie Brabant, Stevensstraat 7 te 1000 Brussel. Soms wordt verwezen naar de beschrijving van een ander domein dat aan bod komt in dit inventarisdeel: in dat geval wordt de naam van het domein gevolgd door een asterisk (*). - ICM : Institut Cartographique Militaire. - DLG: Depot de la Guerre (voorloper van het ICM)

Wat zijn merkwaardige bomen? Onder de titel 'Merkwaardige bomen' worden voor sommige domeinen bomen opgesomd gevolgd door hun stamomtrek. Deze bomen werden merkwaardig geacht wegens hun afmetingen, ouderdom en/of zeldzaamheid van de soort variëteit, meestal cultuurvariëteit (cultivar). Het meest recente meetgetal


wordt In het vet afgedrukt. In België wordt de stamomtrek doorgaans gemeten op 150 cm boven het maaiveld. Door de aanwezigheid van gesteltakken, knobbels, aanwassen etc. moet hij soms op een andere, meestal lagere, hoogte worden gemeten. In dat geval wordt het stamomtrekgetal gevolgd door een tweede getal tussen haakjes, dat staat voor de afwijkende meethoogte. De regels die gevolgd werden bij het meten van bomen - ook op hellingen of bij scheefgezakte, vanaf de grond vertakte of liggende exemplaren etc. - worden uiteengezet in: R. DENEEF & A. DE HAECK, Borsthoogten en stamomtrekken door de eeuwen heen, p. 26-48 in: jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 1996. Bij de determinatie van bomen en struiken werd meestal gebruikgemaakt van: - BOOM B.K., Nederlandse dendrologie (12de druk), Wageningen, Veenman & zonen, 1982. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (3 delen), Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1976-1978. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze, Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1972. Soms van: - REHDER A., Manual of cultivated trees and shrubs (2nd ed.), New-York, MacMillan Publishing Co, 1974. - MITCHELL A., A field guide to the trees of Britain and northern Europe, London, Collins, 1992.

Invalshoeken en werkwijze Cultuurhistorische, artistieke, architecturale, esthetische, sociaal-economische, dendrologische, horticulturele, en zelfs ecologische aspecten (bijv. de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) werden in de inventaris verrekend. Ook gedeeltelijk of zelfs geheel verdwenen tuinen en parken (zie verder: het overzicht van kwaliteiten en kernmerken) werden opgenomen. De schaal en de functie van de objecten kunnen zeer uiteenlopend zijn, van kleine moes- of villatuinen tot parken en (niet in dit inventarisdeel) tuinwijken van bij de 100 hectare. Ook vrij recente creaties kregen de aandacht, in dit deel bijvoorbeeld de aanleg bij het kastelen van Bunsbeek en Wespelaar, het domein jagersberg te Molenstede. Mogelijk interessante objecten werden opgespoord aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, oude kaarten (bijv. de zogenaamde Ferrariskaart, oude stafkaarten), terreinervaring en overleg met gespecialiseerde personen en verenigingen zoals de Vereniging Belgische Dendrologie, Natuurreservaten en heemkundige of historische verenigingen. Het terreinonderzoek omvatte een gedetailleerde inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen (bijv. zichtassen of vista's, parkmeubilair, paviljoens, architecturaal microreliëf). Ook de spontane plantengroei (flora, vegetatie) kreeg aandacht. Aan het opmeten en beschrijven van bomen werd relatief veel tijd besteed (voor sommige domeinen twee dagen); bomen zijn immers een bruikbaar dateringsmiddel als de stamomtrek als parameter wordt gebruikt. Vaak kan een verband gelegd worden tussen de diverse generaties van aanplantingen en de opeenvolgende aanleg- en bouwcampagnes. Het belang van dit soort van 'dendrochronologie' bij park- en tuininventarisatie werd al eerder benadrukt door Tom Williamson (Garden history and systematic survey, in: Garden history. Issues, approaches, methods. Washington D.C., 1992, p. 59-78). Bij het onontbeerlijke archiefonderzoek werd minstens het archief van hetfeodosterdoorgenomen. Meestal was dit de gemakkelijkst toegankelijke, zoniet de enige beschikbare bron van historische gegevens. Bij de datering van gebouwen, landschapselementen, afbraak en heropbouw speelden de kadastrale opmetings- of mutatieschetsen (beschikbaar vanaf 1830) een belangrijke rol. Normaliter worden deze opgemaakt binnen het jaar na de wijziging in de toestand van een perceel, maar enkele keren kwam het voor dat er veel meer dan één jaar verliep tussen een belangrijke verbouwing en de registratie ervan. Bovendien stelden we vast dat bepaalde wijzigingen in het landschap, bijvoorbeeld contouren van vijvers of padentracés, in het geheel niet of pas veel later tot het kadastrale beeld zijn doorgedrongen. De datering aan de hand van kadastrale gegevens werd dus zoveel mogelijk gecontroleerd en gecorrigeerd aan de hand van andere bronnen, zoals jaarstenen in de gevel, militaire topografische kaarten, notariële akten.


Met 'primitieve' kadasterkaart wordt de eerste kadasterkaart met de hedendaagse nummering (zonder exponenten) bedoeld, opgesteld tussen 1815 en 1830. Het gaat dus niet noodzakelijk om de oudste kadasterkaarten, zoals de niet genummerde 'plans géométriques' uit de Franse periode, die we voor verschillende gemeenten hebben teruggevonden. De 'primitieve legger' en 'primitieve eigenaar' refereren aan de eigendomstoestand en perceelsbeschrijving, die in 1830 het uitgangspunt vormde voor het nog steeds vigerende systeem. Om 'primitief' in kadastrale zin te onderscheiden van de meer gangbare betekenissen, zullen we het woord met een hoofdletter schrijven: Primitieve kadasterkaart. Onderzoek van oud beeldmateriaal zoals prentbriefkaarten, familiekiekjes, factuurhoofdingen, etsen, litho's... bleek bijzonder vruchtbaar, omdat zij een inkijk geven in het dagelijkse leven tijdens

• Het 'kasteel' van Scherpenheuvel,

de hoogdagen van tuinen en parken. Slechts in een paar gevallen was er een familiearchief met aan-

ultieme droom van

legplannen en andere gegevens betreffende de tuin of het park voorhanden en kwam ook de naam van

een gepensioneerde

de ontwerper naar boven.

wisselagent anno 1903, op een ansichtkaart van rond de Eerste Wereldoorlog

Bevindingen

(collectie José Huypens. DormaalZoutleeuw)

De inventarisatie van dit beperkte, tot voor kort landelijke gebied - tien gemeenten in het noordoosten van de provincie, een gebied met een totale oppervlakte van circa 35.500 hectare - leidde tot de selectie van 96 parken, tuinen, tuintjes, plantsoenen... van zeer uiteenlopende aard, functie, historische achtergrond en schaal - van kleine villatuinen van nog geen 30 are tot en met uitgestrekte kasteelparken. Dit gebied bestaat voor meer dan de helft uit arme bodems, gevormd op Diestiaanheuvels (noordelijk Hageland), 'waterzieke' kleiige of venige rivierdalbodems, of - ten noorden van de Dijle-Demergeul stuifzandruggen. Deze marginale situatie, in vergelijking met het zuiden van het arrondissement Leuven, wordt weerspiegeld in de afwezigheid van grote, belangrijke kasteelparken - op enkele opmerkelijke uitzonderingen na: het domein van Schiplaken en, vooral, het kasteel van Wespelaar. De 19de-eeuwse parkarchitectuur heeft de 'Brabantse Kempen' (Begijnendijk, Keerbergen, Tremelo en een deel van Scherpenheuvel-Zichem) nagenoeg onberoerd gelaten. Eén derde van de 'objecten' bestaat uit bescheiden villatuinen uit de 'belle époque'. Enkele inzichten en conclusies van ons onderzoek, die in de reeds gepubliceerde inventarisdelen werden geformuleerd, worden hierna hernomen en geïllustreerd met voorbeelden uit het hier behandelde gebied. In de eerste plaats groeide de overtuiging dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken -zelfs na een ingrijpende (romantische of landschappelijke) 19de-eeuwse 'fase' - in hoge mate schatplichtig zijn aan de primitieve vorm of de functie van het object waaromheen ze aangelegd of gegroeid zijn: feodale motte, hoeve, 'hof van plaisantie', molenvijver... Landschapsgenetische aspecten wogen minstens even sterk door als stijl- of modetrends. We hebben dan ook een rudimentaire 'genetische' typologie en classificatie uitgewerkt. De 'landschappelijke' heraanleg in de loop van de 19de eeuw is in enkele gevallen niet veel meer dan recyclage van oude elementen, niet alleen van gebouwen (of minstens hun funderingen) maar ook belangrijke landschapselementen: een beek wordt verbreed en opgestuwd zoals bij het kasteel van Schiplaken, de slotgrachten worden verbreed en uitgediept zoals bij het kasteel van Wespelaar.

M&L


Op het vrij beperkte belang van brede cultuurstromingen, literaire teksten en essays over tuinaanleg ("high cultural texts") om veranderingen in de tuin- en parkaanleg te verklaren, werd - in een Engelse context - al gewezen door Tom Williamson (reeds geciteerd). In parken en tuinen wordt in de eerste plaats geleefd; financiële overwegingen, kostenafwegingen, recreatiebehoeften, landbouwpatronen en de economische en sociale structuur van de plaatselijke gemeenschap waren (en zijn nog steeds) belangrijke vormdeterminanten. Deze vaststelling geldt des te meer voor het gebied dat in dit inventarisdeel wordt besproken: de financiële draagkracht (en culturele horizon) van de bouwers van parken en tuinen in de 18de en 19de eeuw (nazaten van de oude feodale landadel of opkomende industriële bourgeoisie) was - vergeleken met Engeland - vrij beperkt, op één uitzondering na. België heeft nooit een bloeiende slavenhandel gekend en kreeg pas in 1908 een kolonie. Desondanks hebben internationale stijlveranderingen een onbetwistbare invloed uitgeoefend. Tussen 1800 en 1820 (zwaartepunt rond 1 810) ondergingen talrijke tuinen en parken - beperkt in oppervlakte en formeel, regelmatig, klassiek, strak geometrisch, 'Frans' of hoe ook genoemd - een ingrijpende mutatie. In het hier behandelde gebied gaat het slechts om drie gevallen: de kasteelparken van Wespelaar en van Hever-Schiplaken en het voormalige abdijgoed van Vrouwenpark te Rotselaar. Het kasteelpark van Wespelaar, vanaf 1 797 aangelegd door de Leuvense brouwersfamilie Artois, behoort tot de vroegste 'Engelse' tuinen van België. De talrijke beelden en 'fabriekjes' (piramide. Floratempel, grot, Chinese kiosk, boogbruggen, 'Elysium'...) garandeerden niet alleen een hoge amusementswaarde, maar gaven ook uitdrukking aan een filosofisch en educatief programma. Wespelaar was één van de vroegste toeristische attracties (of 'themaparken') hier te lande. Het nieuwe patroon met golvende contouren, verbredingen, aanzwellingen en plotse vernauwingen - vaak opgestuwde en verbrede beken en grachten - doet een beetje denken aan de schematische voorstelling van een spijsverteringsstelsel in een schoolboek en is typisch voor diverse domeinen in een vroegromantische of vroeglandschappelijke fase. Het overmatige gekronkel van de padentracés binnen een strakke omkadering en de 'onnatuurlijke natuurlijkheid' in het algemeen duiden bovendien op het rococokarakter van deze jardins a l'anglaise. De verrukkelijke 'Engelse Hof' op de grens van Diest-Molenstede en Tessenderlo, rond 1810 aangelegd op een oude kleiwinning, laat bovendien vermoeden dat eigenaars soms praktische redenen hadden om dit type van tuin aan te leggen. Het riviermotief vormt een populair gegeven in de vroege landschappelijke tuinen. Door het verbreden en opstuwen van een leibeek en een gedeelte van de oude ringgracht (als 'meander') werd rond het kasteel van Schiplaken te Hever rond 1820 een weids 'rivierlandschap' gecreëerd. De strak geometrische patronen van de 18de-eeuwse aanleg (dreven, lanen, terrassen, tuinperimeter) werden zelden volledig uitgewist. Samen met de vroeglandschappelijke aanleg verdween dikwijls een belangrijk relict van de feodale structuur, met name de slotgracht, vooral indien het water tot tegen de gebouwen kwam, zoals bij het kasteel van Schiplaken. Vermoedelijk was dit niet alleen een gevolg van esthetische of stilistische maar ook van milieuhygiënische bekommeringen: de angst voor stilstaand water, bron van "ongezonde uitwasemingen en funeste epidemieën", zoals gesteld wordt in een ambtelijk stuk van 1810. Het aseptische tijdvak was aangebroken. In Wespelaar en Schiplaken wordt de vroeglandschappelijke fase verdoezeld door een latere, meer 'natuurlijke' aanleg, die we (uiteraard) dan ook als laatlandschappelijk omschrijven: weidse ellipsen of parabolen die naar binnen toe vertakken, royale vista's. Programmatische, educatieve en speelse elementen speelden geen rol van betekenis meer en het enthousiasme voor zeldzame exotische boom- en struiksoorten was enigszins bekoeld. De sobere neoclassicistische landhuizen worden vanaf 1850-1860 vervangen door - of heraangekleed tot - riante eclectische 'kastelen'. Het (ondertussen verdwenen) kasteel van Wespelaar, gebouwd in 1882 naar ontwerp van Beyaert, mag gelden als een van de uitbundigste specimens. Vanaf omstreeks 1850 komen rond enkele welvarende boerderijen kleine tuinen tot ontwikkeling. In een opstoot van welvaart, vaak ondersteund door niet-agrarische nevenactiviteiten zoals brouwerij of paardenfokkerij, wordt de woonvleugel omgebouwd tot villa of 'kasteel' en wordt, in de schaduw


daarvan, een embryo van landschappelijke tuin aangelegd. Dit type hebben we 'herenboerenparkjes' genoemd, maar in tegenstelling tot het zuiden van het arrondissement is dit type in het hier behandelde gebied nagenoeg afwezig. Dit heeft uiteraard te maken met de marginale bodem- en landbouwkundige situatie. Zoals gezegd bestaat één derde van de geselecteerde objecten uit villatuinen. De kleine villatuin (zelden groter dan één hectare) is een type dat ontstaan is in de late 19de eeuw en dat tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw aan belang wint. De meeste van deze tuinen zijn een verkleinde versie van de laatlandschappelijke tuin, maar de moderniteit doet haar intrede in de vorm van een garage (in plaats van een remise met stallen) of een zwembad (geen voorbeeld in dit inventarisdeel). Neoformele stijlen of ideeën uit de 'Arts and Crafts'-beweging of de Belgische 'Nouveau jardin pittoresque' (opgericht in 1913), die in dit soort van omgeving van een rol spelen - vaak gecombineerd met cottagearchitectuur werden in het gebied niet aangetroffen. Zeven van deze villatuinen - gebouwd op de abrupte hellingen van de Diestiaanheuvels - vertonen een extravert aanlegconcept: het uitzicht - het 'geleende' landschap ('borrowscape') - is belangrijker dan de inhoud; de structuur van de tuin of het park en de ligging en vormgeving van de gebouwen (grote balkons of terrassen) staan in functie van het omgevende landschap; de klim naar het landhuis wordt beloond met een fraai panorama. In dit deel komen twee belangrijke religieuze thematuinen aan bod: het plantsoen rond de basiliek van Scherpenheuvel en het Mariapark naast de abdij van Averbode. Maar religieuze emblemen (calvariegroepen, Lourdesgrotten...) en thema's spelen ook een belangrijke rol in de pensionaatstuin van de ursulinen te Tildonk (met een interessant staal van 'groene gotiek') en in de pastorietuinen. In de loop van de 1 7de en de 18de eeuw werden diverse pastorieën herbouwd (Wezemaal, Wakkerzeel, Wespelaar). Deze heropbouw ging meestal gepaard met een herschikking van het hele pastoriegoed.


De pastorie van Wakkerzeel, gebouwd door de abdij van 't Park in 1 758, beantwoordde aan het toen vigerende model van het "vivre entre cour et jardin". Wezemaal en Wespelaar beantwoorden aan een meer archaïsch concept van het 1 7de-eeuwse 'huis van plaisantie'. In de loop van de 19de eeuw wordt nogmaals op een bestaande trend ingespeeld door de aanleg van een 'landschappelijk' parkje, naast de oude, vlakke, rechthoekige, bij het huis aansluitende tuin voor 'nut en sier' (groenten en bloemen), meestal met een padenkruis. Hiervoor werd het traditionele 'pastoorsbosje' - soms 'warande van de pastoor' genoemd - aangesproken. Deze bosjes hadden in het 'nieuwe regime' (nieuw statuut van de pastoors, steenkool als energiebron...) hun economische nut grotendeels verloren. Het is duidelijk dat we hier te maken hebben met miniatuurversies van de kasteelparken in landschappelijke stijl: enkele rode beuken, een slingerpad, een paar bloemperken of corbeilles, een taxusbosje... Van hak- of schaarhout is geen spoor meer te bekennen; de onderplanting bestaat uit typische parkheesters als sneeuwbes, hulst, boerenjasmijn... De details zijn onherroepelijk verdwenen maar de structuur en de bomen zijn meestal nog aanwezig. De pastorie van Wespelaar vormt hiervan een voorbeeld. Van het tuinmeubilair, de tuinvazen, beelden, prieeltjes etc. is in de meeste parken en tuinen weinig overgebleven. Dat is uiteraard niet alleen een gevolg van verwaarlozing. Enkele jaren geleden werd bij nacht en ontij in het centrum van Lovenjoel (gemeente Bierbeek) het monumentale smeedijzeren toegangshek van het Groot Park uit zijn hengsels gelicht en opgeladen. Bij de situering, beschrijving en evaluatie van deze dingen werd daarom een zekere discretie aan de dag gelegd. Verbredingen en rechttrekkingen van wegen waren nefast voor enkele tuinen en parken. Ze gingen vaak ten koste van de randbeplanting - oude hagen of bomenrijen, dikwijls bruine beuken en, soms, van oude tuinmuren en hekken. Een vroege golf van rechttrekkingen en verbredingen in het gebied is rond 1840 merkbaar. De jaren na de Eerste Wereldoorlog, bij de opkomst van het autoverkeer, kenden eveneens een belangrijke piek. De pas uitgebroken iepenziekte werd toen volgens sommigen niet zelden als alibi gebruikt om middels massale rooiingen van iepen het wegennet aan te passen en dat bovendien, dankzij de houtverkoop, te financieren. Een verbolgen commentator in het 'Maandelijks Bulletin van de Vereeniging voor Natuur- en Stedenschoon' (maart 1927, p. 33-34) was daar alleszins van overtuigd. De rel rond de rooiing van de iepen langs de wallen van Diest is wat dit betreft illustratief. Een bijzonder destructief moment was de 'macadamizering' van het wegennet aan het einde van de jaren 1940 en in de eerste helft van de jaren 1950, toen ook talloze secundaire wegen op een standaardbreedte van 5 of 6 m werden gebracht en bochten werden afgesneden. Door het toenemende snelverkeer en de risico's die objecten langs de wegbermen vertegenwoordigen, is er bovendien steeds minder tolerantie ten opzichte van bomen. Ook nu nog worden waardevolle randbeplantingen van parken opgeofferd voor wegverbredingen, zoals bij de villatuin van notaris Tuerlinckx te Haacht in 2002. Het is niet eenvoudig om zich een beeld te vormen van de veranderingen en verwoestingen die de opeenvolgende uitbarstingen van de iepenziekte sinds 1919 in onze parken en het landschap in het algemeen hebben aangericht. De laatste ons bekende iependreef in Vlaams-Brabant - bij het kasteel van Snoy te Steenokkerzeel (Meisbroek) - is doodgegaan in 1983. De enige min of meer dikke iep die binnen het hier beschouwde gebied werd genoteerd, bevond zich in 1999 bij de hoeve Prinsenbos te Bekkevoort (Assent) en had een stamomtrek van bijna 2 m. Nu komt iep nog uitsluitend voor in de vorm van jonge wortelopslag of als cultivar. In de villatuin op de Galgenberg te Diest (Kaggevinne) komt bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegata',) nog voor in de vorm van wortelopslag, relict van een oude bomengroep. Historische tuinen en parken worden soms vanuit onverwachte hoek bedreigd. Bij de vaststelling van de gewestplannen in de jaren 1970 werden ettelijke van deze landgoederen geheel of gedeeltelijk - vaak de met hoogstammige bomen beplante randzone - ingekleurd als 'woongebied' al dan niet met 'landelijk karakter'. Dat leidde en leidt nog steeds tot de opdeling van tuinen en parken in dure bouwpercelen en de vernietiging van een groot deel van hun historische beplanting. Slachtoffers zijn vooral de typische, eclectische villa's uit de belle époque, omringd door relatief bescheiden parkjes, maar waarvan het volume en de kleur van de bomen beeldbepalend zijn voor straat of wijk. Met hen verdwijnen ook de getuigen van een woonvorm die typisch was voor de bourgeoisie in de steden en voor de nota-


beien in het dorp. De astronomische schadeclaims die bij een eventuele bescherming (als monument, dorps- of stadsgezicht of landschap) kunnen worden opgeworpen, verijdelen elke poging tot behoud en zijn bovendien ook niet in verhouding tot de reële waarde van de goederen. Alleen al op grond van de vigerende gewestplannen verkeert ongeveer één vierde van de tot nog toe 600 geïnventariseerde objecten in Vlaams-Brabant in dergelijk geval; het aantal 'goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen' buiten de woongebieden is vooralsnog onbekend. In het behandelde gebied is het aantal 'stedenbouwkundig' veroordeelde tuinen en parken beperkt tot 27 van de 97 besproken landgoederen! Ze worden aangeduid in de matrixtabel achteraan in dit deel. De aandacht ging ook uit naar sociaal-economische aspecten. Er werd getracht een beeld te schetsen van de sociaal-economische context waarin de landgoederen zich ontwikkelden. Waar mogelijk werd de sociale, professionele en financiële status van de eigenaar of initiatiefnemer belicht. De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire', het zich opsluiten in arcadische coulisselandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of heraanleg van landgoederen. De kasteeleigenaars bekleedden in de dorpsgemeenschap meestal een dominerende positie als grootgrondbezitter en burgemeester. Zij konden de dingen naar hun hand zetten. Stukken openbaar en klein privédomein werden ingepalmd om een gesloten blok te kunnen vormen, openbare wegen werden omgeleid, keuter- en daglonerboerderijtjes werden aangekocht en afgebroken. In Frankrijk en Engeland kon dit spectaculaire vormen aannemen, maar binnen het hier beschouwde gebied komen geen noemenswaardige gevallen van 'zelfbediening' voor. Het onderzoek van historische tuinen en parken is tot op zekere hoogte een vorm van archeologie: de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaaleconomisch bestel dat sinds de Tweede Wereldoorlog tot het verleden behoort. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals hagen en prielen - zijn dan ook de regel. De naoorlogse 'superette' heeft bovendien een fatale slag toegebracht aan de groente- en fruittuinen, die een belangrijk onderdeel vormden van nagenoeg alle tuinen en parken.

Roger Deneef 23 maart 2005


Roger Dene e f

AARSCHOT (AARSCHOT) STADSPARK )AN V A N OPHEMSTRAAT / KAPUCIENESTRAAT,

3200

AARSCHOT

• Het 'Drossaerde' te Aarschot volgens een geaquarelleerde pentekening uit 1596-1598 uit het Arenbergarchief (archief K.U. Leuven)

Ontstaan rond 1920 door samenvoeging van het voormalige kapucijnenklooster en het 'Drossaerde', oorspronkelijk het kasteel van de heren van Aarschot; landschappelijke aanleg tijdens de tweede helft van de 19de eeuw, gehalveerd door afsnijding van Demerbocht rond 1890; kiosk uit interbellum.

Het huidige stadspark van Aarschot is ontstaan door de samenvoeging van het voormalige kapucijnenklooster en het 'Drossaerde', oorspronkelijk het kasteel van de heren van Aarschot, later de officiële residentie van de drossaard van het Land van Aarschot. Het 'Drossaerde' wordt afgebeeld op een

met waterverf ingekleurde pentekening uit 15961598 (1). Het enige gebouw dat de verwoesting van 1578-1582 had overleefd was het bakstenen huis met de getrapte zijgevels, dat volgens J.-B. Gramaye in 1470 was opgetrokken (2). De oudste kasteelgebouwen (waaronder de slotkapel en de laatgotische 'Grote Zaal') waren aan het einde van de 16de eeuw volledig tot puin herleid. O p het eiland gevormd door de Demer en de daarvan afgetakte slotgracht heeft de tekenaar links bovenaan de plaats van het vroegere neerhof aangeduid {"Place ou a estéfaicte la bassecourf). De plaats van de vroegere stallingen {"Place ou a esté les escuyries"), tussen de kapelruïne en een stuk van de binnenste omheiningsmuur dat nog intact is, wordt ingenomen door een kleine moestuin opgebouwd uit rechthoekige bedden.


Aarschot in 1775 op de kaart van de baronie Aarschot door J.B. Joris met het Kapucijnenklooster (C) en het 'Drossaerde' (H)

• De Onze-üeve-

kadasterkaart

Vrouwekerk, het

opgemaakt door

voormalige

Bastendorff in 1822;

Kapucijnenklooster

de Demermeander

en 'Ten Drossaerde'

zal pas rond 1890

op de Primitieve

worden afgesneden

SsSJ

Het stadspark van Aarschot in 1865, vóór de afsnijding van de meander-

De toegangsdreef die vanuit de nog bestaande hoofdpoort {"Porte de devanf) in de buitenste omheiningsmuur via de ophaalbrug naar het kasteel leidde, vormde de scheiding tussen een grote moestuin {"jardin a cuisine") en een kleine bloementuin Cjardin a fleurs"), beide met bomen (vermoedelijk fruitbomen) beplant en ingedeeld volgens dambordpatroon, de bloementuin met eenvoudige geometrische motieven in elke parterre. Rechts van het kasteeleiland en aansluitend bij de bloementuin wordt een "Jardinet de la maisori' aangeduid, ogenschijnlijk een grazige, niet omheinde boomgaard. Het 'Drossaerde', in 1917 door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen "in de derde klasse der burgerlijke private gebouwen gerangschik f (3), in 1936 als 'monument' beschermd en sinds 1927 in gebruik als stadhuis, werd in 1940 volledig afgebroken nadat het zware schade had opgelopen tijdens een bombardement (4). Enkel de poort, met een op laatgotische wijze geprofileerde korfboog van ijzerzandsteen, bleef bewaard (5), weliswaar grondig 'wedersamengesteld' in 1982.

bocht (ICM, 1883)

verlengde daarvan een klein volume (perceel 92), ongetwijfeld relicten van het kloostercomplex, zoals blijkt uit een vergelijking met een ouder grondplan (7). Het huidige gebouw, dat onderdak biedt aan de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten, is een ruim dubbel huis met schilddak en driehoekig fronton, het resultaat van diverse verbouwingen in de loop van de 19de en 20ste eeuw (8), maar het uitzicht is hoodzakelijk 19de-eeuws (9). Bij de opstelling van het kadaster in 18201830 stond het voormalige domein van de kapucij-

De ingang van het stadspark van Aarschot met gietijzeren ophaalbrug, rond de Eerste Wereldoorlog (collectie BlockxMeulemans, Lubbeek)

Het aanpalende kapucijnenklooster van Aarschot, pas gesticht in 1686, bevond zich in de meanderkronkel aan de overzijde van de Demer (6). Het gros van de tuin lag buiten de meander, tegen de Amerstraat aan. O p 2 december 1796 werd het klooster door de Franse overheid ontruimd. O p de Primitieve kadasterkaart, gedateerd 1822, is het grootste gedeelte van de gebouwen, inclusief de kloosterkerk, al verdwenen. Het complex is herleid tot de noordelijke vleugel (perceel 93) en in het

M&L


Het stadspark van Aarschot vanaf de toren van de OnzeLieve-Vrouwekerk (foto K. Robijns. I

Het stadspark van Aarschot met kiosk en een relict van het vroegere kapucljnenklooster, de toren van de OnzeLleve-Vrouwekerk op de achtergrond (foto R. Dcnecf,

2005)

nen op naam van een zekere Nicolaus Drugman, een advocaat uit Brussel (10). Evenwijdig met de twee gebouwen lag een 150 m lange, kanaalvormige "Iustvijver", maar de tuinpercelen werden door het kadaster niet als 'lusttuin' geregistreerd. Het grootste perceel (95 are) lag tussen de Amer-

M&L

straat en de gebouwen, het kleinste (37,5 are) tussen de gebouwen en de Demer. Pas rond 1890, na de afsnijding van de meander waardoor het park tot 32 are gereduceerd werd, zal in de legger de term "lusthof worden gebruikt


(11). Op de stafkaart van 1865 is echter al zoiets als een informeel aangelegd parkje zichtbaar met als opvallendste element: een padentracé in de vorm van een cirkelsegment, de 'koorde' evenwijdig met de Amerstraat. Daar bevond zich ook de toegang; het gebouw was door een loodrechte laan met deze straat verbonden. O p paden en gebouwen na wordt de hele oppervlakte van het domein weergegeven door groene stippen, die normaliter struwelen of hakhout symboliseren. Na de aankoop van het domein door de stad Aarschot, verdwenen enkele pittoreske elementen, zoals het gietijzeren ophaalbrugje over de afgesneden Demerarm, het oude drossaardgebouw en andere archeologische curiosa, zoals een ijzerzandstenen poortje (12). Zeer betreurenswaardig was de demping van de afgesneden meander in de jaren 1950, na een bedeesd protest van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (13). Anderzijds verscheen rond 1940 een element dat onmisbaar wordt geacht voor elk stadspark die naam waardig: een kiosk (14), van hetzelfde model en vermoedelijk van dezelfde fabricant als die op het marktplein in Zichem.

NOTEN (1) Gereproduceerd in: MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612), kadasters en gezichten. Gemeentekrediet van België, 1993, plaat 7. (2) SCHROEVEN W. (wedersamensteller), Beschryvinghe der stadt Aerschot door Rumoldus Jacobus Wetz, Aarschot, Hertogelijke Aarschotse Kring voor Heemkundc, 1996, p. 391. (3) Brief d.d. 30-11-1917 van commissievoorzitter Lagasse de Locht aan het stadsbestuur, Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - dossier nr. 251, in: Leuven, archief Monumenten & Landschappen, dossier Aarschot (Aarschot): Stadspark. (4) MINNEN B., op. at., p. 83-85. (5) Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 20. (6) VERPOYLT, Het klooster van de kapucijnen te Aarschot, in: De Brabantse Folklore m. 158, juni 1963, p. 192-202. (7) Brussel, Algemeen Rijksarchief, Fonds d'Arenberg, nr. 1151, Aarschot, nr. 5, gereproduceerd in: VERPOYLT, op. rit., p. 194. (8) Kadastrale opmetingsschetsen Aarschot 1861 nr. 3, 1882 nr. 19, 1890 nr. 14, 1938 nr. 51. (9) Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Leuven, 1971, p.16. (10) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 140; advocaar

In het park komen geen oude bomen meer voor. De vernietiging van de stad bij het begin van de Eerste Wereldoorlog is daar mogelijk de oorzaak van. De oudste bomengeneratie dateert van na 1918; de dikste boom is een zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'LaciniatumV met een stamomtrek van 327 cm (15). Tot deze groep behoren ook een bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea'J, enkele platanen (Platanus x hispanica), een kleinbladige linde (Tilia cordata), een gele trompetboom (Catalpa ovata), een hemelboom (Ailanthus altissima), een zomereik (Quercus robur) en een wierookcipres (Calocedrus decurrens). De jongere aanplantingen bestaan uit courante soorten. Rond de kiosk werd in 1999 een aanplanting van struiken (Prunus laurocerasus ' O t t o Luyken', Caryopteris clandonensis. Spirea bumalda...) en vaste planten aangelegd, die de kenmerken vertoont van een doorsnee stadsplantsoen: gemakkelijk te onderhouden en niet bijster interessant.

volgens de Primitieve aanwijzende tabel van Aarschot. (11) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 1206 nr. 28, op naam van Edmond Paridant. (12) OP DE BEECK E., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld, Aarschot, Rotary Club, 1982, p. 225-233. (13) Brief van 10-9-1954 aan het stadsbestuut. Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dossier nr. 251, in: Leuven, archief Monumenten & Landschappen, dossier Aarschot (Aarschot): Stadspark. (14) Kadastrale opmeringsschets Aarschot 1941 nr. 71. (15) Opname 6-08-1999.


Roger Deneef

& Herlinde

De

Jaeck

AARSCHOT (AARSCHOT) ELZEMHOF NIEUWLAND 1, 3200

AARSCHOT

•

37. AARSCHOT. — Het Elzen.

Het Elzenhof voor 1969 met een door

H

rietkragen omgeven vijver, vanuit het westen gezien

jjrêzÉi

(collectie F.A. Cresens, Tielt-Winge)

l^-HÊÊt.

pir

•Vw

1i

^ JUP" •*''

" *

-<\\

%** v

Landschappelijk park met vijver, aangelegd rond 1850 naast buitenverblijf,

|

later

omgebouwd tot eclectisch kasteel; oorspronkelijk 7 hectare lusthof, rond 1900 bijna 14 hectare, later weer gehalveerd; diverse oude en zeldzame bomen.

Het Elzenhof- vroeger meestal 'Het Elzen' o f ' D e Elzen' genoemd - is ontstaan uit een bescheiden jachtpaviljoen of zomerverblijf. Het werd rond 1840 gebouwd door Jan Van Ophem, notaris (en burgemeester van Aarschot vanaf 1849 tot aan zijn dood in 1882), voor zijn dochter Catharina, de enige overlevende van zijn vier kinderen (1). Het paviljoen werd gesitueerd in het gebied 'De Elzen', een mozaïek van elzenbosjes, weiden en vochtige akkers, op vochtige zandleemgronden (2) aan de zuidrand van de Demervallei, tussen de Moutlaak en de weg naar Rivieren, op ongeveer één kilome-

FVO-':

ter ten westen van Aarschot. In 1847-1852 werd het substantieel vergroot (te oordelen naar de kadastrale opmetingsschetsen en de toename van het kadastraal inkomen) en voorzien van twee losstaande dienstgebouwen (3). De uiteindelijke vorm van het 'kasteel', dat in de ochtend van 12 december 1969 afbrandde, werd vooral bepaald door verbouwingen uit de jaren 1870 (4). De oudste gekende afbeelding, een ansichtkaart verstuurd in 1901 (5), toont tegen een achtergrond van wierookcipressen — (Calocedrus decurrens) een witgepleisterd, neoclassicistisch-eclectisch gebouw met een uitspringend middenrisaliet dat bekroond wordt door een driehoekig fronton. Bij latere verbouwingen (1910-1920) zal daar nog een mansardedak met dakkapellen en oeils-de-boeuf aan toegevoegd worden. In 1888 was het Elzenhof nog steeds eigendom van Catharina van O p h e m , weduwe van Felix d'Udekem. Het landgoed besloeg toen een groot


• Zuidzijde van het

Kasteel Het Elzen

'gerestaureerde'

met landschappelijk

Elzenhof

park in 1865

(foto K. Vandevorst,

(ICM, 1883)

2003)

gedeelte van de ruimte tussen Aarschot en Gelrode enerzijds, en tussen de Demer en de Liedberg anderzijds, circa 53 hectare. Hiervan waren 7 hectare bebouwd of als tuin of park aangelegd, volgens een patroon dat al op de stafkaart van 1865 zichtbaar is; centraal bevindt zich een spoelvormige, noord-zuidgerichte vijver met een eilandje, dat via een brugje met het vasteland verbonden was. Ten westen van de vijver ligt een bebost perceel van 1,5 hectare dat door een ringpad ontsloten wordt. Ten oosten van de vijver, aan de rand van een open ruimte, staat het kasteel met aanhorigheden. De hoofdtoegang wordt gevormd door een rechte, 250 m lange oprijlaan, die vanuit het oosten op het kasteel toeloopt. Loodrecht op deze laan splitsen evenwijdig drie zijlaantjes af die aansluiten op het landschappelijk tracé in het beboste gedeelte aan de overzijde van de vijver. Het bosmassief aan de noordzijde van deze ruimte biedt een brede doorkijk in de richting van het kasteel van Meetshoven*, één kilometer noordwaarts.

is en door een kronkelpad ontsloten wordt. In 1888 wordt ook een grote "broeikas" geregistreerd (6). O p de stafkaart van 1908 worden ingrijpende veranderingen geregistreerd, die misschien verband houden met het aantreden van een nieuwe eigenaar, Henri De Pauw, hoofdingenieur bij het bestuur van 'Bruggen en Wegen'. Dankzij zijn

Kasteel Het Elzen met uitgebreid landschappelijk park in 1908; door de bouw van een viaduct over de spoorweg werd de toegankelijkheid van het domein aanzienlijk verbeterd; onderaan de villa's van Gilmont (links) en Van der Linden (rechts) op de

De stafkaart van 1865 toont twee roos ingekleurde vakken, die symbool staan voor intensief bewerkte stukken grond, moes- of bloementuin. Eén bevindt zich aan het einde van de oprijlaan, in het verlengde van het kasteel, mogelijk een bloementuin of een reeks van bloembedden; het andere ligt ten zuiden van het beboste gedeelte, tegen de huidige Nieuwlandstraat aan, mogelijk een ommuurde of omhaagde moestuin. Dit patroon vinden we ongeschonden terug op de stafkaart van 1893 (ICM, 1896), met uitzondering van het omheinde tuinperceel bij de Nieuwlandstraat, dat nu ook bebost

Liedeberg • ündenberg ten westen van Aarschot in 1908 (ICM, 1925)

M&L


Het Elzenhof van over de vijver, met een azaleamassief en een 'gazon' van douglasspirea (foto R. Deneef,

2006)

huwelijk met een nicht van Catharina van Ophem had hij in 1895 het Eizenhof geërfd maar twee jaar later stierf hij (7). Door de toenemende intensiteit van het verkeer op de in 1862 aangelegde spoorlijn Leuven-Aarschot was bovendien de oude spoorwegovergang van de Rivierenstraat (waar de oostelijke oprijlaan van aftakte) nog moeilijk te gebruiken. Vanaf de zuidrand van het domein werd een nieuwe toegang aangelegd, zodat men via een brede bocht het kasteel bereikte. Dankzij de bouw van een klein viaduct in 1911 werd het nut van deze nieuwe oprijlaan aanzienlijk vergroot (8). In diezelfde periode (9) werd aan de overzijde van de Nieuwlandstraat ook een boerderij gebouwd; alle componenten van het traditionele landgoed zijn dan aanwezig. Het meest opvallend is de uitbreiding van het park in noordoostelijke richting met meer dan vijf hectare, bijna een verdubbeling van de oppervlakte die op de vorige kaartedities als park herkenbaar is. In 1920, als de verbouwings- en heraanlegwerken worden afgerond, registreert het kadaster een a lusthof van 14 hectare en een " lustvijver" van 42 are (10). De beemden bij de Moutlaak worden via lusvormige lanen met het 19de-eeuwse park verbonden. De structuur die op de stafkaart van 1908 gesuggereerd wordt, is van laatlandschappelijke

signatuur: geen enkele lijn loopt nog recht, de lanen en dreefjes vormen een kluwen van lussen, ellipsen en ovalen. De landschappelijke aankleding van de landbouwgronden ten noordoosten van het kasteel moet erg oppervlakkig geweest zijn (vergelijk met het beemdlandschap rond het kasteel van Schoonhoven*) en was blijkbaar ook geen lang leven beschoren, want op de latere stafkaarten wordt ze niet meer aangegeven. Van eventuele sierbeplantingen is ook niets meer overgebleven. De verbouwingsen (her)aanlegwerken werden door de oorlogsomstandigheden pas in 1919 beëindigd. In 1965 werd het domein door de stad Aarschot aangekocht van de erfgenamen van de laatste privé-eigenaar en -bewoner, advocaat Alfred Raport (11), met de bedoeling er een instelling voor buitengewoon lager onderwijs te vestigen. Na de brand van 1969 werd de bovenverdieping van het kasteel gesloopt. In 1996 werd het kasteel heropgebouwd volgens het oorspronkelijke grondplan en volume, maar met moderne materialen en een sterk afwijkende detaillering. Het huidige, gerestaureerde Elzenhof vertoont nog slechts een oppervlakkige gelijkenis met het kasteel van vóór de brand. In het gebouw is nu de stedelijke muziekschool gehuisvest. De


school voor bijzonder secundair onderwijs werd uitgebouwd op percelen ten oosten van het kasteel; de afdeling tuinbouw kon aldus gebruikmaken van de serres en dienstgebouwen van het Elzenhof. Het gebruik van het domein door de gemeenschap ging gepaard met een toenemend aantal recreatieve voorzieningen (basketbal-, volleybal- en tennisterreinen, speeltuigen, kinderspeeltuigen, zandbak...) verspreid over het hele domein, maar vooral in het oostelijke gedeelte. Tot de oorspronkelijke beplantingen uit de tijd van het jachtpaviljoen behoren vermoedelijk een bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J, enkele tamme kastanjes (Castanea sativa) en een Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), alle met omtrekken van meer dan 400 cm. Het gros van de bomen, o.m. de beuken die vanouds het westelijke bosgedeelte uitmaken, dateert uit de De Pauwperiode en de landschappelijke uitbreiding van het park (1895-1920). Naast een groot aantal gewone en bruine beuken, zomereik (Quercus robur), Amerikaanse eik (Quercus rubra), moeraseik (Quercus palustris), Amerikaanse tulpenboom, plataan (Platanus x hispanica), reuzenlevensboom (Thuja plicata), weymouthden (Pinus strobus), mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), moerascipres (Taxodium distichum) en diverse lindesoorten (Tilia s p j , omvat deze generatie ook zeldzame bomen: varenbeuk (Fagus sylvatica Asplenifoliaj, zomereik met witgemarmerd blad (Quercus robur AlbomarmorataV. en vooral drie exemplaren Amerikaanse sassafras (Sassafras albidum), waarvan een die met 130 cm stamomtrek tot de dikste gekende van België behoort - of behoorde want ze werden alledrie recentelijk stomweg gerooid (12). Opmerkelijk is het bonte massief geurige 'harde Gentse' azalea's - de gele Pontische azalea (Rhododendron luteum) en andere kleuren ('Knap Hill', 'Fanny') - op het schiereilandje op de westelijke oever van de vijver. De Pontische azalea heeft zich trouwens over het hele domein uitgezaaid.

21. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 354 22. varenbeuk (Fagus sylvatica 'AsplenifoliaV 216 23. zomereik met witgemarmerd blad (Quercus ro^«r'AlbomarmorataV 185 45. moeraseik (Quercuspalustris) 313 47. zomereik (Quercus robur) 358 53. Amerikaanse sassafras (Sassafras albidum) 130 — recentelijk gerooid 61. reuzenlevensboom (Thuja plicata) 234 63. tamme kastanje (Castanea sativa) 4 1 1 65. grootbladige beuk (Fagus sylvatica 'Latifolia'J 79 66. Juniperus rigida 174(10) 67. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 488 69. sawaracipres met pluimvormig vertakte twijgen (Chamaecyparis pisifera 'PlumosaV 140,100,84,47,236(50) 70. tamme kastanje (Castanea sativa) 377

NOTEN (1) HELLEBAUT E, De familie van Ophem te Aarschot, in; Het Oude Land van Aarschot 5(3), 1970, p. 3. Hellebaut situeert de bouw van het paviljoen in 1847, maar het eerste gebouw wordt al geregistreerd in de Kadastrale opmetingsschets Aarschot 1840 nr. 15. (2) BAEYENS L. & SCHEYS G., Bodemkaan van België: kaarthlad Aarschot 75W, Centrum voor Bodemkartering, 1958. (3) Kadastrale opmetingsschetsen Aarschot 1848 nr. 17, 1849 nr. 39, 1852 nr. 15. (4) Kadastrale opmetingsschetsen Aarschot 1871 nr. 22 en 1875 nr. 8. (5) Gereproduceerd in: OP DE BEECK E., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld, een straten- en platenboek, Aarschot, Rotary Club, 1982, p. 87. (6) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 1414 nr. 149. (7) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 1620. (8) HELLEBAUT, op. cit., p. 82. (9) Kadastrale opmetingsschets Aarschot 1911 nr. 25. (10) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 1620 nrs. 176 &

Merkwaardige bomen (opname 21 mei 1997) 3. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 353 5. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 379 10. Amerikaanse eik (Quercus rubra) 5 0 3 11. gewone beuk (Fagus sylvatica) 355 12. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 2 2 0 18. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) 412{\30)

177; kadastrale opmetingsschets Aarschot 1920 nr. 66. (11) OP DE BEECK E., op. cit., p. 86. (12) BAUDOUIN J.C. e.a.. Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 390.


Roger Deneef & Jo

Wijnant

AARSCHOT (AARSCHOT): L1EDEBERG - LINDEMBERG LIEDEBERC 1 7 , 3 2 0 0

AARSCHOT

(PRIVEBEZIT, NIET T O E C A N K E L I ) K V O O R H E T PUBLIEK)

De villa van Gilmont of villa Uedeberg met een nog prille beplanting, vóór de Eerste Wereldoorlog (uit: E. OP DE BEECK, oorschot, evolutie van een stóckbeetó, 1982, p. 106)

Twee aanpalende parken (samen circa 6 hectare) in landschappelifke stijl rond eclectische villa 's gebouwd begin 1900 op een noordhelling boven de Demervallei, met een (tot voor kort) mooi uitzicht over de vallei; voorbeeld van een 'geleend landschap'.

M&L

De weduwe van Willem Daels, voormalige burgemeester van Aarschot, bouwde rond 1870 op de Safraanberg, aan de rand van de beboste 's Hertogenheide en langs de oude weg van Aarschot naar Gelrode, een eenvoudig huis, waarschijnlijk bedoeld als jachtpaviljoen of zomerhuisje (1). De omgevende percelen, bijna twee hectare, werden nog tot 1907 door het kadaster als bouwland bestempeld en op de stafkaarteditie van 1896 valt er geen spoor van tuin of park te bespeuren, maar er was ongetwijfeld een sierbeplanting aanwezig;

daarvan getuigen diverse bruine beuken (Fagus sylvatica Atropunicea'j met stamomtrekken van meer dan 350 cm. In 1894 werd het domein van Daels op de Safraanberg aangekocht door Catharina Van O p h e m , weduwe van Felix d'Udekem en dochter van een van de belangrijkste notabelen van Aarschot tijdens de 19de eeuw: notaris Jan Van Ophem, van 1849 tot 1882 burgemeester van de stad (2). Zij bezat o.m. het nabijgelegen kasteelgoed 'Het Elzen', nu bekend als ElzenhoP, en het oostelijke gedeelte van de Safraanberg-Liedeberg. Na haar dood, in 1895, erfde haar schoonzoon Henri De Pauw het Elzenhof en ook de goederen op de SafraanbergLiedeberg. Tien jaar later werden de goederen op de berg verdeeld onder zijn twee kleindochters, gehuwd met respectievelijk arrondissementscommissaris Edouard Gilmont en Albert Van der Linden, officier bij het Belgische leger (3). Het huis van Daels werd afgebroken en op 300 m van elkaar


werden twee villa's gebouwd: die van Gilmont — de 'Liedeberg' - en die van Van der Linden, toepasselijk 'Lindenberg' gedoopt. Bij elke villa hoorden een eigen landschappelijk park en een koetshuis. De parken werden van elkaar gescheiden door een perceel landbouwgrond van 1,5 hectare, maar hadden dezelfde oprijlaan en werden aan de achterzijde verbonden door de geprivatiseerde weg Aarschot-Gelrode (4). De stafkaart van 1908 (zie p. 23) geeft een duidelijk beeld van de nieuwe situatie. Een beboomde oprijlaan - nu met jonge zomerlinden beplant — loopt vanaf de Leuvensesteenweg tot aan de voet van de steile helling (hellingsgraad van circa 13 %) en splitst zich dan in twee armen. De arm naar de villa Liedeberg van Gilmont beschrijft parallel met de holle Papenakkerstraat een brede bocht naar het zuidwesten en mondt uit bij de remise, maar via een aftakking is de villa rechtstreeks te bereiken. De arm naar de villa Lindenberg buigt af naar het oosten en mondt op het steilste gedeelte uit in een ruim ereplein. Het gaat hier om een extravert aanlegconcept: het uitzicht — het 'geleende' landschap ('borrowscape') - is belangrijker dan de inhoud; de structuur van de tuin of het park en de ligging en vormgeving van de gebouwen (namelijk de grote balkons aan de noordzijde) staan in functie van het omgevende landschap: de klim naar de villa's wordt beloond met een (tot enkele decennia geleden nog) fraai panorama van de Demervallei, met de stad Aarschot, het Elzenhof en de bossen van Meetshoven in de verte. Door de uitbouw van de industriezone 'Nieuwland' en de aanleg van een expresweg die de westelijke omleiding van Aarschot vormt, is dit uitzicht niet meer aantrekkelijk. Tijdens het luchtbombardement van 9 mei 1944, waarbij het spoorwegknooppunt Aarschot werd geviseerd, liep de villa van Gilmont (Liedeberg) zware schade op; ze werd rond 1950 afgebroken (5) en vervangen door een Spaans of Andalusisch geïnspireerde villa. De generatie bomen en struiken die bij de bouw van de villa's werd aangeplant heeft een gevarieerde samenstelling: Amerikaanse eik (Quercus rubra), Noorse esdoorn (Acer platanoides), zomer- en winterlinde (Tilia platyphyllos, T. cordata), zilverlinde (Tilia tomentosa), Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera), zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'LaciniatumV, witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), gewone robinia (Robinia pseudoacacia). De stamomtrekken

\aricliQi — l.iedeberf

De villa van Van der Linden of 'Lindenberg' rond de Eerste Wereldoorlog (uit: E. OP DE BEECK, oorschot, evo/utieraneen stadsbeeld, 1982, p. 108)

bereiken zelden 300 cm. Uitzonderlijk zijn een zeldzame cultivar van schijnhulst (Osmanthus heterophyllus 'Myrtifolius'J en twee jonge beuken met gedraaide takken (Fagus sylvatica 'TortuosaV als treurbeuk op een 2,5 m hoge onderstam. De grote plek Sachalinse duizendknoop (Polygonum sachalinense) op de helling van de Lindenberg houdt vermoedelijk verband met de verwaarlozing van het domein tijdens de jaren 1990 (6). Merkwaardige bomen (opname 15 september 1999) - Liedeberg 1. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 350 2. gewone plataan (Platanus x hispanica) 3 7 7 3. tamme kastanje (Castanea sativa) 395 4. hinokischijncipres (Chamaecyparis obtusa) 280(10) 27. beuk met gedraaide takken (Fagus sylvatica 'TortuosaV 111, ent op 250 cm hoogte 29. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea'j 370 30. fijnspar (Picea abies) 2 3 3 31. gewone robinia (Robinia pseudoacacia) 3 2 7 37. Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) 137 51. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 444(50) - Lindenberg 23. gewone douglasspar (Pseudotsuga menziesii) 290/123

NOTEN (1) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 81. (2) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, arts. 980 en 1414. (3) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, arts. 1620, 1068 en 1797. (4) Kadastrale opmetingsschetsen Aarschot 1905 nr. 20. (5) OP DE BEECK E., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld, een straten- en platenboek, Aarschot, Rotary Club, 1982, p. 108. (6) Datum van ons bezoek: 15 september 1999.

M&L


Roger Chris De Maegd

Deneef, & Jo

Wijnant

AARSCHOT (AARSCHOT) SCHOONHOVEM DIESTSESTEENWEC 10, 3200 AARSCHOT (PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR HET PUBLIEK)

• De stad Aarschot met het Kapucijnenklooster (C, later stadspark) en, buiten de stadsmuren, het kasteeldomein van Schoonhoven anno 1775, door J.B. Joris (Algemeen Rijksarchief Brussel, Arenbergarchief, kaarten en plattegronden, nr. 2587)

Middeleeuwse burchtmotte tussen vijvers; huidig kasteel uit 1770-1780, verschillende keren verbouwd in de tweede helft van de 19de eeuw; relicten van grootschalige aanleg (dreef eilandtuin) in de ruime, nu verloederde, omgeving.

Kasteelmotte tussen vijvers De naam Schoonhoven duikt voor het eerst op in het midden van de 13de eeuw (1). De eerste afbeeldingen van "het hum van Schoenhoeve" komen voor op twee figuratieve kaarten in de albums van hertog Karel van Croy aan het einde van de 16de eeuw (2). De kasteelmotte was bereikbaar vanuit het zuidoosten via een beboomde dreef tussen twee

vijvers en een houten ophaalbrug. Het kasteelcomplex, vermoedelijk opgetrokken rond 1500 door Herman van Eynatten, bestond uit het bakstenen hoofdgebouw- rechthoekig grondplan, twee bouwlagen onder steil zadeldak met dakkapellen, kruisvensters en een rond traptorentje dat in de slotgracht uitstulpte - en een vierkante, bakstenen poorttoren. De motte bood nog plaats aan een lemen of houten schuur met strodak en een moestuin met zes bedden. H e t gebouw in de linkerbovenhoek van de kaart is de watermolen bij het riviertje de Motte. Een poging door jonker Aert III van Eynatten, heer van Schoonhoven, om het riviertje de Motte te verleggen en de watermolen op een voordeliger plaats op te stellen, was in 1537 door de Raad van Brabant verijdeld; vandaar de aantekening boven het kasteel "de plaetse daer den


Het kasteeldomein

door Pierre de

Het kasteeldomein

van Schoonhoven in

Bersacques

van Schoonhoven en Haterbeek, op de

van plaisantie bij

1596-1598 op een

(archief K.U.

het goed 'Speel-

Ferrariskaart,

figuratieve kaart

Leuven)

hoven', een huis

1771-1775

(westen bovenaan)

nieuwen molen ghestaen heeft" (3). Opmerkelijk zijn de viskweekbakken in de grootste van de twee vijvers (4). De contouren van de vijvers zijn tot vrij recent onveranderd gebleven. De Ferrariskaart (1771-1775) en de kaart van de baronie Aarschot door J.B. Joris (1775) werden uitgetekend in een periode van ingrijpende verbouwingen. De toenmalige eigenaar, Jean-Antoine van der Noot, liet het nieuwe kasteelgebouw, een U-vormig complex waarvan de eerste steen werd gelegd in 1777, op het zuidwesten oriënteren. De oude toegang vanuit het zuidoosten werd afgeschaft. De huidige ijzerzandstenen boogbrug (op vier rondbogen) over de slotgracht vormde de nieuwe toegang. Richtinggevend bij de heroriëntatie was de (huidige) Tieltsebaan, toen nog de enige grote oostelijke uitvalsweg van Aarschot; een dreef (de huidige Schoonhovendreef) takte hiervan loodrecht af en leidde linea recta doorheen het Schoonhovenbos naar het kasteel. Deze weg, 1 km lang, was nog niet volledig doorgetrokken in de tijd van Ferraris en Joris. Rond 1800 zal de Schoonhovendreef door de nieuwe steenweg Aarschot-Diest aan

de voet van de helling onderbroken worden, maar zelfs nu nog biedt de steile afdaling van de Eikelberg langs de Schoonhovendreef een onverwacht aangename verrassing — ondanks de ontzettende verloedering van het omgevende landschap tijdens de laatste kwarteeuw. De kaarten van Joris en Ferraris vertonen, ondanks de gebruikelijke meetfouten en vertekeningen bij de laatste, een hoge mate van overeenstemming, onder meer bij de weergave van de eilandtuin met het sterpatroon (mogelijk omhaagde bosquets) ten oosten van het kasteel. Hat gaat om een bescheiden voorbeeld van klassieke tuinaanleg. In tegenstelling tot Joris toont de Ferrariskaart nog een tweede sterrenbos op 250 m ten noordoosten van de kasteelmotte. Dit perceel (nr. 291 op de Primitieve kadasterkaart) valt samen met een soort donk, een zandige, min of meer droge opduiking in het Demeralluvium (5), de plek waar tot in de 17de eeuw het dorpje of gehucht Weerde lag. De kerk van Weerde, een van de oudste kerken in de regio, "opgetrokken in zeer harde grijze steen' (kwartsiet?), was honderd jaar eerder afgebroken. In de Primitieve kadastrale


land blijft spreken, tonen de opeenvolgende stafkaarten het beeld van een moestuin verdeeld in bedden. De hoofdvleugel van het kasteel uit de jaren 1770 werd waarschijnlijk op de funderingen van het oude opgetrokken. De kapel - met stucwerk van J.C. Hansche (8), bekend van soortgelijk werk in de abdij van 't Park (Heverlee), de kerk van Perk, de kastelen van Horst (Sint-Pieters-Rode) en Beaulieu (Machelen) — werd behouden. Het nieuwe gebouw kreeg dwarse zijvleugels en een voorbouw; de langwerpige binnenplaats lag in eenzelfde as met de toegangsbrug en de Schoonhovendreef. Rond 1850 werd de voorbouw (die vermoedelijk de dienstruimtes bevatten) afgebroken (9). De dwarsvleugels werden daardoor voor de helft ingekort, maar dit werd gecompenseerd door een (nu verdwenen) uitbouw in het verlengde van de hoofdvleugel en een losstaand gebouw parallel aan de zijvleugels; daardoor ontstond er een secundaire binnenplaats. Het scheiden van verblijfs- en dienstfuncdes, van hoog en laag, proper en vuil, is typisch voor die jaren en werd ook elders geconstateerd. • Het kasteeldomein van Schoonhoven op de Primitieve kadasterkaart door Eastendorff, 1822

legger staat dit perceel (bijna 2,5 hectare) genoteerd als bos, vanaf 1920 als weide (6).

(archief Kadaster Brabant. Brussel)

Kadastrale mutatieschets uit 1852 van de verbouwing van het kasteel van Schoonhoven

Nochtans verschijnt op de stafkaart van 1865 een parterretuin - de cartografische weergave wijst op massieven van bloeiende struiken of bloemperken - met een stervormig padentracé en twee waterbekkens. Dertig jaar later (op de stafkaart van 1893) is deze tuin verdwenen, mogelijk ten gevolge van nivelleringswerken in 1870, waarbij overigens een zeventigtal skeletten werd gevonden (7). De eilandtuin ten zuidoosten van het kasteel (perceel 280) was in de loop van de 19de eeuw als moestuin in gebruik; hoewel het kadaster steevast van bouw-

(archief Kadaster Brabant, Brussel)

•\V -v-;-

ï t \ ? o o >.^\* e • t w

M&L

Van 1903 tot 1908 bood het kasteel van Schoonhoven onderdak aan een Franse congregatie, " / « Clercs de Saint-Viateur', die het huurden van de toenmalige eigenares, gravin Eleonora van Arenberg. Als gevolg van diverse antiklerikale wetten in Frankrijk weken talrijke Franse (vooral met het onderwijs belaste) congregaties uit naar België, waardoor het aantal religieuzen hier steeg van 6.990 tot 20.212 (10). De groep in Schoonhoven, circa vijftig 'ballingen', was niet de enige in de omgeving; zo huisden in diezelfde periode in het kasteel van Gempe te Sint-Joris-Winge Franse paters assumptionisten (11). Van 1910 tot 1914 werd het kasteel opnieuw aan religieuzen verhuurd, ditmaal aan de 'zusters van Sint-Andreas' uit Portugal, waar het antiklerikale kabinet Braga aan de macht was. De aanwezigheid van religieuzen beïnvloedde minstens het parkmeubilair; een ansichtkaart uit de 'Franse' periode toont een HeiligHartbeeld als middelpunt van de rotonde voor het kasteel (12). Landschappelijke aanleg en aftakeling Van de gebouwen is alleen het U-vormige kasteel overgebleven. Het telt drie bouwlagen met een doorlopend leien dak en heeft een duidelijk neoclassicistisch voorkomen: bepleistering met ingediepte 'Franse' voegen, een driehoekig fronton


Het kasteel van Schoonhoven en de I8de-eeuwse brug over de slotgracht (foto K. Vandevorst, 2003)

boven de hoofdvleugel, gebogen frontons op de zijvleugels (alle drie met oculi), balusters aan de hoge vensters van de eerste verdieping, portieken in de kopgeveis van de zijvleugels. Na jaren van verwaarlozing werd het in 1999-2000 gerestaureerd. Opmerkelijk is dat op alle stafkaarten, tot en met die van 1930, de vijvers van Schoonhoven als weiland worden weergegeven, terwijl de mutatie van vijver naar hooiland pas in 1920 wordt geregistreerd (13); het periodiek droogleggen en bezaaien van laagveenvijvers kon echter snel het gebruik en het uitzicht van de betrokken percelen wijzigen. De stafkaart van 1930 toont echter een ingrijpende verandering wat betreft het omgevende beemdenlandschap. O p deze kaart verschijnt voor het eerst zoiets als een 'landschappelijke aankleding' van de wijde omgeving. De beemden lijken bezaaid met 'clumps', groepjes bomen; een rondweg beschrijft een weidse ellips in de periferie van het nieuwe park. De oude wegen en de moestuin op het 'eiland' blijven echter behouden. Deze landschappelijke opsmuk zou kunnen dateren uit 1910, toen Eleonora van Arenberg het plan had opgevat om in Schoonhoven permanent te komen wonen en ook

het kasteel had laten opknappen, maar na een moord in het Tienbunderbos in Rillaar van gedachte veranderde. Van deze aanleg is - waarschijnlijk op één boom na, een treurwilg (Salix alba 'Tristis'J met circa 3 m stamomtrek - niets meer bewaard en buiten de stafkaart zijn er ons ook geen beelden van bekend.

Het kasteeldomein van Schoonhoven met afzonderlijke eilandtuin en parterretuin op de militaire topografische kaart van

1VI&L


De Schoonhovendreef ten zuiden van de steenweg Aarschot-Diest vóór 1908 (collectie BlockxMeulcmans, Lubbeek)

Het kasteeldomein

de Demer, de Motte

van Schoonhoven

en de Schoon-

tijdens het interbel-

hovense beek

lum: landschappe-

in 1930

lijke versiering van

(ICM, 1936)

de beemden tussen

NOTEN Schoonhoven -AUée de Schoonhoven. Uttf f

l'uerlmckx-BoeTé

(1) ARREN P., Van kasteel naar kasteel{dtcl 7), Kapellen, Hohonia, 1997, p. 7-19. (2) Vaag op de figuratieve kaart van de Demer- en Dijlevallei in de baronieën Aarschot en Rotselaar (KUL, 2147) en een gedetail-

De naoorlogse periode en vooral de jaren 19601980 zijn getuige van een - zelfs naar Vlaamse normen - ongehoorde verloedering en verlelijking: de vestiging van een camping op de oude eilandtuin (weliswaar opnieuw tussen vijvers, maar de meest westelijke werd na 1970 gedempt), lintbebouwing langs het hoge, zuidelijke gedeelte van de Schoonhovendreef en grote handelszaken langs de steenweg Aarschot-Diest, de afsnijding van de grote Demerbocht voor Aarschot en de aanleg van een nieuwe weg doorheen de beemden (oostelijke ringweg, R 25). Van de 19de-eeuwse beplanting is alleen de bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV achter het kasteel overgebleven; langs de oude toegangsweg tussen de vijvers konden tot voor kort stronken met opslag van oude platanen (Platanus x hispanica) vfotóen waargenomen.

leerde afbeelding (KUL,2413, P 58r°), beide gereproduceerd in: MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612), kadasters en gezichten, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1993, resp. p 62 en p. 102. (3) MINNEN, op.cit., p. 103. (4) Deze vijver werd na 1970 grotendeels gedempt. (5) Matig droge tot matig natte lemige zandgrond (Scf, Sdf) volgens: BAEYENS L. & SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaartbladAarschot 75W, Ctmtum voor Bodemkartering, 1958. (6) Oude kadasttale legger [212A] Aarschot, artikel 411 nr. 39 en artikel 840 nrs. 37 en 133. (7) Alle gegevens over Weerde uit: MINNEN, op.cit., p. 107. (8) Jaarral 1671 op de linkermuur; beschreven in: Bouwen door de Eeuwen heen- arrondissement Leuven, 1971, p. 21-22. (9) Kadasrrale opmeringsschets Aarschot 1852 nr. 7. (10) VAN HEES L, Les Clercs de Saint-Viateur (1903-1908) en Portugese zusters (1910-1914) in het kasteel van Schoonhoven. Het Oude land van Aarschot 38(4), 2003, p. 200- 212.

Merkwaardige bomen (opname 27 juli 2000) 1. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 352 10. canadapopulier (Populus x canadensis) 3 4 3 dikste van groep

(11) Historische tuinen en parken van Vlaanderen (M&L cahier 6), 2002, p. 127. (12) Gereproduceerd in: VAN HEES I., op. cit., p. 204. (13) Kadastrale opmetingsschets Aarschot 1920 nr. 15.


Roger Deneef, Jo

Wijnant,

Leen Lybeer & Vincent

Halflants

AARSCHOT (AARSCHOT) SPEELHOVEN HATERBEEKSTRAAT 9 0 , 3 2 0 0 A A R S C H O T (PRIVÉBEZIT, N I E T T O E G A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)

Speelhoven op de Primitieve kadasterkaart door Bastendorff, 1822 (archief Kadaster Brabant. Brussel)

/

a

_—-J

\

.

Herenhof (gerestaureerd in

1996-1998)

met binnenplaats, tuin en boomgaard, circa 1,5 hectare, gebouw

(16de-17de

eeuw) en tuin omgeven door een trapeziumvormige ringgracht; site nagenoeg onveranderd sinds de 18de eeuw; monumentale perelaar.

Gebouwen die relatief ongeschonden drie tot vier eeuwen hebben overleefd, zijn zeldzaam. Dit geldt voor het gebouwencomplex (1) van Speelhoven in het gehucht Haterbeek ten zuidoosten van Aarschot, in het bijzonder voor het woonhuis, een bakstenen gebouw met ijzerzandstenen plint en deuromlijstingen, waarin nog een in 1575 gedateerde moerbalk aanwezig is; boven de ingangsdeur is er een datumsteen waarop vroeger het jaartal 1636 of 1656 te lezen stond. De toponiemen 'speelhof', 'speelhuis' en 'speelgoed' komen regel-

- A-^'

\

matig voor in de regio (2). Volgens sommigen zou de naam echter van een familienaam afgeleid zijn (3). Over de oorspronkelijke functie zijn geen gegevens bekend. Mogelijk gaat het om een hoerenhof, waarop tijdens de late Middeleeuwen een buitenverblijf of een jachtpaviljoen werd geënt. De vorm van de ringgracht en sommige elementen (bijv. geknotte zomereiken op de buitenoever van de ringgracht) herinneren sterk aan sommige omwalde pastorieën die in de loop van de 17de eeuw in de regio werden gebouwd (4). Van de ophaalbrug over de ringgracht zijn alleen de fundamenten bewaard. De vroegste afbeeldingen - op de kaarten van J.B. Joris en de Ferrariskaart, beide uit 1775 - tonen een omgracht gebouwencomplex tussen een spievormige boomgaard (west) en twee rechthoekige vijvers (oost). De oevers van de ringgracht en de vijvers zijn met bomen beplant. Het eilandje waarop de gebouwen zijn gelegen bestaat voor de


kaart van 1865 (ICM, 1883) zijn de twee vijvers ten oosten van Speelhoven (percelen 90 en 91) opgenomen als twee met bomen afgezoomde weiden — min of meer de huidige situatie (6). Het goed is op dat moment eigendom van JoséphineElisabeth Nyst (7), weduwe van Martin Martens (1797-1863), professor in de plantkunde en de chemie aan de universiteit van Leuven en reorganisator van de Leuvense kruidtuin (8).

helft uit tuin, vermoedelijk een combinatie van sier- en nutstuin. De site van Speelhoven beantwoordt nog in hoge mate aan het 18de-eeuwse beeld en de renovatie en herinrichting door de huidige eigenaars hebben dit nog versterkt.

T

O p de Primitieve kadasterkaart, uitgetekend door Bastendorff in 1822, wordt de 17de-eeuwse configuratie ongewijzigd weergegeven. De kadastrale legger laat vermoeden dat het goed toen weinig intensief gebruikt werd, want het spievormige perceel boomgaard (sectie C nr. 98, 63 are 40 centiare) werd als heide geregistreerd. Het landgoed vormde een aaneengesloten blok van bijna 23 hec-

Voor nut en sier: tare, grotendeels bouwland, volgens de Primitieve de huidige moes- kadastrale legger (in 1831) eigendom van notaris te"SpeTora" J a n F r a n s B e c k e r s u i t Vilvoorde (5). O p de staf(foto V. Halflants, 2002)

Het enige belangrijke feit na het verdwijnen van de vijvers is de restauratie van de gebouwen in 19961998 (9). Samen met de omgeving van het kasteel van Horst (10) mag Speelhoven beschouwd worden als een van de meest archaïsche sites van de regio. Het 18de-eeuwse beeld wordt versterkt door het huidige bodemgebruik en beheer. De moestuin achter de gebouwen roept qua aanleg en beplanting (paden volgens dambordpatroon, combinatie van bloemen en groenten) de sfeer op van de 18deeeuwse tuin van 'nut en sier' die op de kaarten van Ferraris en Joris wordt gesuggereerd. De ringgracht bleef volledig bewaard, maar de — oorspronkelijk brede - zuidelijke arm is door verlanding tot een smal kanaal herleid. Tijdens de laatste decennia is het waterpeil in de ringgracht erg wisselvallig geworden; in de zomer ligt ze soms voor lange tijd droog. De nabijgelegen drinkwaterwinning is daar wellicht niet vreemd aan. Opmerkelijk is de monumentale perelaar (Pyrus communis) ten zuiden van het gebouw, die met 233 cm stamomtrek tot de dikste geregistreerde van België behoort (11). Langs een pad ten noordoosten van Speelhoven staan bovendien enkele dikke pruimelaars ('Conducta') met sculpturaal gedraaide stammen. De boomgaard die in de jaren 1950 werd aangelegd op het traditionele (spievormige) boomgaardperceel (nr. 98) ten westen van het hof is ondertussen verwilderd. De toegangsdreef bestaat uit Amerikaanse eiken (Quercus rubra) en enkele tamme kastanjes (Castanea sativa), bomen met circa 300 cm stamomtrek, mogelijk aangeplant begin 1900, gelijktijdig met de enige door het kadaster geregistreerde verbouwing (12). Opvallend is de aanwezigheid van een grote, op alant lijkende composiet Telekia speciosa, soms ook koeienoog genoemd; grote berenklauw {Hemcleum mantegazzianuni); Thladianta dubia, een klimplant met hechtranken uit de komkommerfamilie; en een rijke inheemse flora met als opmerkelijkste soorten: zaagblad (Serratula tinctoria) en grote bremraap (Orobanche rapum-genistae).


Merkwaardige boom (opname 4 juli 2002): 1. Peer (Pyrus communis) 230

NOTEN (1) Gedetailleerd beschreven door: HALFLANTS ]., Speelhoven. Het Oude Land van Aarschot 1(3), 1966, p. 72-85. (2) Bijv. het Kasteel de Biolley-T'Serclaes te Lubbeek (Lubbeek), het voormalige buitenverblijf van de Leuvense Sint-Geertruiabdij; zie: Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Holsbeek, Lubbeek, Tielt-Winge (M&L cahier 6), Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2002, p. 76-83. (3) Aarschotse Monumenten, Open Monumentendag 1-09-1989, p.15. (4) Bijv. die van Sint-Pieters-Rode, Onze-Lieve-Vrouw-Tielt, Weseplaar of de rond 1900 afgebroken pastorie van Sint-Joris-Weert. (5) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 20 nrs. 1-13. (6) De verdwijning van de vijvers wordr geregisrreerd in de kadastrale opmetingsschets Aarschot 1871 nr. 13. (7) Oudste kadasrrale legger [212] Aarschot, art. 862. (8) DE SEYN E., Dictionnaire biographique des sciences, des lettres et des arts en Belgique (II), Bruxelles, Ed. LAvenir, p. 722. (9) Speelhoven werd op 3 maart 1979 beschermd als monument, bijna 25 a 30 hectare omgeving als 'dorpsgezicht'. (10) Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Holsbeek, Lubbeek, Tielt-Winge (M&L cahier 6), Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2002, p. 38-40. (11) BAUDOUIN j.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992. Stichting Spoelberch-Arrois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 381. (12) Kadastrale opmetingsschets Aarschot 1907 nr. 52.

A De perclaar bij Speelhoven, één van de dikste van België (foto K. Vandevorst, 2005)

1VI&L


Roger

Deneef

AARSCHOT (AARSCHOT): MEETSHOVEM TERHEIDELAAN - MEETSHOVENSTRAAT - MECHELBAAN, 3 2 0 0 AARSCHOT

• Het kasteel van Meetshoven op de kaart van Joris, 1775 (Algemeen Rijksarchief Brussel, kaarten en plattegronden, nr. 2587)

Middeleeuwse site met 18de-eeuws, zwaar gerenoveerd kasteelgebouw; halfslachtige poging tot aanleg van het omgevende landschap van veenplassen, schrale velden en heide (beboomde dreven, sterrenbosje) tijdens de 18de eeuw; het kasteel werd rond 1880 gedegradeerd tot hoeve. Het oude ridderslot van het geslacht van Meynaertshoven (later verbasterd tot Meetshoven) werd

rond I960 ingrijpend verbouwd, een 'harde' restauratie waardoor het patina eigen aan een 18deeeuws gebouw (1) met een veel oudere kern grotendeels verloren ging. Café-restaurant 't Wit Toreke ziet er ondanks het mansardedak en het polygonale traptorentje vrij nieuw uit. Het verband tussen het huidige complex en de configuratie die getoond wordt op de in 1822 uitgetekende Primitieve kadasterkaart, ligt trouwens niet zo voor de hand. De site heeft een groot deel van haar charme verloren door de afsnijding van de grote Demermeander, die tot in de jaren 1840 op 100 m van het kasteel liep, door de uitbouw van de weg Betekom-


l/^^w'MM^

• Het kasteel van

Bersacques

Meetshoven

(archief K.U

In I596-1597,

Leuven

door Pierre de

Aarschot, tot laat in de 19de eeuw nauwelijks meer dan een voetpad (2) tot een expresweg, deel van de ring rond Aarschot, en door de aanleg van de industriezone 'Nieuwland'.

De oorspronkelijke oprijlaan naar het

De oudste bekende afbeelding van het slot en zijn onmiddellijke omgeving is een geaquarelleerde tekening uit 1596-1597, gemaakt door Pierre de Bersacques en opgenomen in de albums van de Croy (3). Het kasteel bestond toen uit een vierkante woontoren met een uitgekraagde bovenverdieping en een langsschuur. Het stond op een rechthoekig eilandje, omgeven door de Laak en een van haar zijgrachten. Het eilandgedeelte rechts (ten westen) van de woontoren werd in beslag genomen door een boomgaard. Van een formele tuin zoals onder meer in het nabijgelegen Hof van Rivieren* te Gelrode of het BruggenhoP te Betekom valt niets te bespeuren. Het enige formele element is - sterk verkort weergegeven — de rechte, beboomde laan die via de ophaalbrug het kasteel verbindt met de "herbaene naer Mechelen onderaan (noordzijde van) de kaart.

In de 18de eeuw verschijnt een aanlegpatroon dat een vermelding in deze inventaris wettigt. O p de Ferrariskaart (1771-1775) en, duidelijker, op de kaart van de baronie Aarschot, een van de vier wandkaarten door J.B. Joris, wordt links (ten westen) van het kasteel een kleine tuin met een padenkruis afgebeeld, het latere perceel sectie F nr. 4, circa 42 are groot. De hoeken van elk van de vier bedden of parterres worden gemarkeerd door ronde stippen, die vermoedelijk symbool staan voor in vorm gesnoeide taxussen of buxussen. Waarschijnlijk gaat het om een moestuin, maar de aanwezigheid van sierelementen (bloemen, snoeivormen) was niet ongebruikelijk. Opmerkelijk zijn de waterpartijen die het kaartbeeld beheersen ten noorden van het kasteel, in wat nu het Bos van Meetshoven wordt genoemd. In de 18de eeuw bestond dit gebied vooral uit heide in het duinge-

kasteel van Meetshoven vanaf de "hertoene noer Mechelen" (foto R. Deneef, 2003)

M&L


deelte, en uit schrale akkers en vijvers op de lemige zandgronden in het zuidwesten (4). De vijf hectare grote plas met de naam "de Wouwe" wordt omzoomd met dubbele rijen bomen. De naam "oude torven" bovenaan links in beeld geeft een aanduiding over het ontstaan van deze plassen, namelijk kleinschalige turfwinning, die in het gebied Vorsdonk-Turfputten op 2 km van Meetshoven nog tot 1813 zou doorlopen (5).

NOTEN (1) Datering volgens: Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Leuven, 1971, p. 23. (2) Op de Primitieve kadasterkaart opgemeten door Bastendorff in 1822 aangeduid alsagrand sentier de Betecom aAerschot". (3) Gereproduceerd in: MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karelvan Croy (1595-1612), kadasters en gezichten, Gemeentektediet van België, 1993, plaat 9. (4) Zie: SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaartbladAarschot 75W,

De kaarten van Joris en de Ferraris werden vermoedelijk opgesteld in de periode dat het kasteel - toen nog een bijna gesloten complex met naar de Demer gerichte, nu verdwenen dienstvleugels — grosso modo zijn huidige volumes verkreeg. Bovengenoemde kaarten laten een halfslachtige poging vermoeden om het landschap ten noorden van het kasteel een parkachtig uitzicht te geven volgens een klassiek aanlegrecept, getuige het 'sterrenbosje', de met bomen beplante laantjes rond de vijvers en het lunetvormige erepleintje voor (ten noorden van) het kasteel als eindpunt van de oprijlaan. De vijvers hergraven tot een regelmatige geometrie of een symmetrisch patroon, lag vermoedelijk buiten de mogelijkheden of de ambities van de toenmalige eigenaar. Baron Alexander Snoy uit Mechelen was eigenaar in 1830 (6). Tekenend voor de dalende status van het kasteel van Meetshoven is de omschrijving op de opeenvolgende stafkaarten: in 1864 nog "ch[aze]au', in 1893 en in de latere edities "/[er] we". Deze appreciatie komt overeen met die van het kadaster, dat in 1865 het "kasteel' tot ordinair "huis" degradeerde. In 1879 vielen de eigendommen van Snoy te Aarschot (7) via erfenis toe aan Oscar van den Eynde, volksvertegenwoordiger, provincieraadslid, burgemeestet van Gelrode en vanaf 1929 ook baron van den Eynde de Rivieren (8). Hij was dankzij die erfenis ook eigenaar geworden van het kasteel van Rivieren* te Gelrode en richtte het in als residentie, terwijl Meetshoven de rol van hoeve kreeg toebedeeld. Dit neemt niet weg dat er rond 1900 nog dreven zijn opgeplant met beuk, soms bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV, onder meer de oude oprijlaan ten noorden van het kasteel, nu bomen met circa 300 cm stamomtrek. Van het 18de-eeuwse sterrenbosje is geen spoor meer te vinden, maar de grote vijver ten noorden van het kasteel is nog zichtbaar dankzij de tot 1,50 m hoge taluds die het beboste perceel 32a omgeven (9).

Centrum voor Bodemkartering, 1958. (5) VERVOORT L. & DENEEF R., De meander van Vorsdonk en de Turfputten te Gelrode (Aarschot) - een historische en ecologische verkenning. Monumenten & Landschappen 15(5), 1994, p. 39-62. (6) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 328. (7) Als erfgenaam van baron Oscar Surmont de Volsberge; zie oudste kadastrale legger [212] Aarschot, art. 913. (8) ANNE DE MOLINA J. e.a., Etat présent de la noblesse du royaume deBelgique,N, 1962, p. 187. (9) Kadastraal overigens nog steeds als 'water' aangeduid, hoewel het op de eerste stafkaart (1864) reeds als bos wordt ingekleurd.


Roger Deneef, & Jo

Willy

Schroeven

Wijnant

AARSCHOT (AARSCHOT) OUDE DEKEM1J LEUVENSESTRAAT 5 0 , 3 2 0 0 A A R S C H O T ( P R I V É B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R H E T PUBLIEK)

De tuin van de oude dekenij van Aarschot; de ginkgo waarvan het silhouet zich rechts op de voorgrond aftekent,

|> I | ^ .] | ij

is verdwenen

1

(foto N. Goeyvaerts,

1977)

Stadstuin (circa 50 are) aangelegd aan het einde van de 19de eeuw bij voormalige dekenij van Aarschot; beboste heiling geïntegreerd ais wandeibos; oude ginkgo naast het huis.

De voormalige dekenij van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel is individueel herkenbaar op de kaart van de baronie Aarschot uit 1775 door J.B. Joris - zowel het hoofdgebouw, dat tegen het klooster van Sint-Niklaasberg aan lag, als de losstaande stal of schuur. In mei 1526 zou ze onderdak hebben geboden aan keizer Karel V, die de begrafenis van zijn vroegere leraar en raadsman Willem van Croy kwam bijwonen (1). In feite logeerde de Keizer bij

die gelegenheid niet in de dekenij, maar in de proosdij in de huidige Jan Van Ophemstraat naast de Onze-Lieve-Vrouwkerk, zoals blijkt uit diverse archiefstukken (2). Het gebouw, een langshuis in traditionele bak- en zandsteenstijl, ziet er nog min of meer 16de-eeuws uit, ondanks diverse verbouwingen (3). De bijbehorende tuin, door Joris voorgesteld met een Andreaskruis, beantwoordt aan de latere percelen 588, 589 en 5 9 1 . In de Primitieve kadastrale legger van omstreeks 1830 wordt een onderscheid gemaakt tussen een perceel " lustgrond' bij het huis van 4,5 are en een gewone tuin van 13,5 are hogerop de helling van de 'Meulen Berg' (4). Het gebouw, dat in 1796 zijn functie als dekenij had verloren, was op dat ogenblik eigendom van Pieter Borrens, ambtenaar bij de stedelijke onderstand ("ontfanger der armen').


De bijgebouwen - een aanbouw met een pittoresk torentje met houten daklantaarn in het verlengde van de oude dekenij en een remise met een woonverdieping aan de overzijde van de tuin - werden door het kadaster geregistreerd in respectievelijk 1869 en 1887. Het gaat om bakstenen gebouwen met mansardedaken, oculi en oeils-de-boeuf, en voor die tijd (en de kleinarchitectuur in parken en tuinen) typische kordonlijsten van gesinterde baksteen. De huidige tuin kwam hoogstwaarschijnlijk tot stand aan het einde van de jaren 1880, toen diverse percelen werden samengevoegd. Een bebost perceel op de steile helling van de Molenberg (nr. 579, 38 are groot) werd rond 1900 als wandelbos ingericht. In het bos zijn er nog sporen van terrassen en licht verzonken paden, enkele sierheestermassieven — geel gevlekte aucuba (Aucuba japonica 'VariegataV, laurierkers (Prunus laurocerasus) en hulst (Ilex aquifolium) en een drietal gewone en bruine beuken (Fagus sylvatica, Es. 'Atropunicea'j. Het enige opmerkelijke element in het tuingedeelte bij het huis is een gevorkte ginkgo (Ginkgo hiloba) met 234 cm stamomtrek. Tot voor kort stond er een tweede, kleiner exemplaar langs de oprit (5).

Merkwaardige boom (opname 16 mei 2001) 1. Ginkgo (Ginkgo biloba) 2 3 4

NOTEN (1) OP DE BEECK E., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld. Aarschot, Rotary Club, 1982, p. 164. (2) SCHROEVEN W. (wedersamensteller), Beschryvinghe der stadt Aerschot door Rumoldus Jacobus Wetz, Aarschot, Hertogelijke Aarschotse Kring voor Hcemkunde, 1996, p. 206-207. Zie ook: Kerkarchief Aarschot nr. 43 - Bedeboek 1689. (3) Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Leuven, 1971, p. 20. (4) Respectieveliik de percelen nrs. 588 en 591; cf. art. 35 van de Primirieve kadastrale legger [212]. (5) Door ons in 1977 geregistreerd met een stamomtrek van 186 cm.


Roger

Deneef

AARSCHOT (AARSCHOT): VILLA COREMAMS LEUVENSESTRAAT

146, 3200

AARSCHOT

De 'Roze Villa' te Aarschot, gebouwd rond 1870 (foto K. Vandevorst, 2003)

Tuin van bijna 70 are, aangelegd op steile helling boven de stad bij een in 1870 gebouwde villa; bescheiden voorbeeld van 'geleend landschap'. De villa op de terrassen van de steile berghelling tussen de voormalige Leuvense poort en de Orleans- of Aurelianustoren - meestal genoemd naar de laatste privébewoners, de familie Coremans (1), soms ook 'Roze Villa - werd rond 1870 gebouwd door Benedict Meulemans, een rentenierende molenaar (2). Het ging om een bescheiden bakstenen gebouw van vier traveeën en vier bouwlagen (met inbegrip van souterrain en halve verdieping

onder het zadeldak), met als enige opsmuk de zandstenen speklagen en de afgeronde hoeken van de vensterlateien. De bordestrap die toegang verleende tot de bel-etage is verdwenen. De dienstruimten waren ondergebracht in een onversierde, lage dwarsvleugel. In het gebouw was tussen 1965 en 2002 het stedelijk technisch instituut SIMA gevestigd. Het herbergt momenteel het Regionaal Landschap Noord-Hageland. Het benedengedeelte van de tuin werd opgeofferd voor de bouw van enkele prefab paviljoenen die tot voor kort als klaslokaal dienstdeden. O p de terrassen achter de villa werd een siertuin van bijna 70 are aangelegd. Vermoedelijk werd


bei (Morus nigra). Aan de westrand zijn ook nog resten van de oude haagbeukenhaag (Carpinus betulus) aanwezig, die het goed omheinde. De jonge specimens doodsbeenderenboom (Gymnocladus dioicus) zijn mogelijk wortelopslag van een verdwenen exemplaar. Er zijn ook enkele interessante struiken zoals gele kornoelje (Cornus mas) en hazelaar met veerspletige bladeren (Corylus avellana 'HeterophyllaV- De tuin bij de 'Roze Villa' is echter vooral belangwekkend als concept: wat erbuiten ligt (een weids panorama van Aarschot en de Demervallei) is belangrijker dan de inhoud van de tuin als dusdanig. De tuin is opgevat als een verzameling waarnemingspunten, een bescheiden voorbeeld van een geleend landschap ('borrowscape').

NOTEN (1) Oude kadastrale legger [212A] Aarschot, art. 2598. (2) Oudste kadastrale legger [212] Aarschot, arts. 1051 en 1171 nrs. 3 en 4.

Een van de bruine beuken uit de

oorspronkelijke tuin baarbij gebruikgemaakt van bestaande terrassen, bij de 'Roze Villa' te Aarschot (foto K. Vandevorst,

2003)

IVI&L

.•

j

i

•

,

•

<

.

u

die door schuin oplopende laantjes met elkaar werden verbonden. Deze nog bestaande tuinwandeling leidt naar de kruin van de heuvel, tot op ongeveer 60 m van de Orleanstoren. Langs het bovenste pad dat evenwijdig met de heuvelkruin loopt staan nog enkele elementen uit de oorspronkelijke beplanting: enkele bruine beuken (Fagus sylvatica Atropunicea'j met stamomtrek tot bijna 350 cm en diverse oudere taxussen (Taxus baccata), ook de zuilvorm of zogenaamde Ierse (Tb. 'Fastigiata'J; meer naar beneden toe vinden we oude buxussen (Buxus sempervirens) en een zwarte moer-


Roger

Deneef

AARSCHOT (AARSCHOT) VILLA PAULA HERSELTSESTEENWEC 3, 3200 AARSCHOT (PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR HET PUBLIEK)

• Achthoekig tuinpaviljoen in de tuin bij het huis Herseltsesteenweg 3 V aan de stadsrand

I

van Aarschot p (foto R. Deneef, 1999)

Kleine, informele tuin (37 are) aan de stadsrand, vanaf 1870 aangelegd rond achthoekig neogotisch tuinpaviljoen;

en waren geen lang leven beschoren. In dit geval gaat het om een sierlijk achthoekig bakstenen gebouwtje met een achthoekig tentdak, spitsboogramen en sierlijsten in gesinterde baksteen.

bouw van de woning in 1903; tuin gedeeltelijk verminkt door nieuwbouw in 1988; bijna alle oude bomen werden gerooid na 1999.

Rond 1870 legde Jan Charels, handelaar uit Aarschot, op een perceel van 31 are naast de herberg 'het Withuis', een 'lusthof' aan. Achterin op het perceel, op ongeveer 60 m van de Herseltsesteenweg, werd bovendien een tuinpaviljoen gebouwd (1). Opmerkelijk is dat deze tuin aanvankelijk niet aansloot bij een woonhuis of enige andere bezitting van de eigenaar. In 1903 werd het goed aangekocht door onderwijzer Frans Luyten, die tegen de straat aan een huis bouwde (2), dat oorspronkelijk 'Villa Paula' werd genoemd (3). Tot 1988 was dit geheel - huis, paviljoen en tuin met oude bomen - op enkele verbouwingen na nog ongerept. Toen werd er tegen het huis een nieuwe woning gebouwd, waardoor een gedeelte van de tuin verdween. In de regio zijn stenen tuinpaviljoenen vrij uitzonderlijk. De meeste paviljoenen waren van hout en/of leem

Tot voor enkele jaren bleven nog zes hoogstammige bomen over, die mogelijk tot twee generaties behoren. Een zomereik (Quercus robur) met 296 cm stamomtrek naast het paviljoen, en een bruine beuk (Fagus sylvcttica 'AtropuniceaV met 294 cm omtrek rechts van het huis werden vermoedelijk nog door Charels aangeplant. De vier hoogstammige bomen met stamomtrekken tot 236 cm langs de noordwestelijke perceelsgrens werden waarschijnlijk aangeplant na de bouw van het huis. Het gaat om een bruine beuk, een zomereik, een gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en - vrij zeldzaam - een rode esdoorn (Acer rubrum). Na ons bezoek in 1999 werden alle oude bomen gerooid.

NOTEN (1) Kadastrale opmetingsschets Aarschot 1871 nr. 3. (2) Kadastrale opmetingsschets Aarschot 1905 nr. 5. (3) Volgens: OP DE BEECK E., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld, een straten- en platenboek. Aarschot, Rotary Club, 1982, p. 127.


'4. •

Roger

Deneef

AARSCHOT

(VOORHEEN BEG1JMEND1JK) DE MEERTSELS MEERTSELS 9 8 , 3 2 0 0 A A R S C H O T (PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

• De tuinzijde van het kasteel van De Mecrtsels, gebouwd in de jaren 1870 (foto 0. Pauwels,

2006)

Grotendeels bebost landschappelijk park (circa 6 hectare), in 1860-1900

aange-

legd rond neoclassicistisch landhuis.

In 1830 was een groot gedeelte van het Meertselbos eigendom van Willem Daels, burgemeester van Aarschot (1). Aan de rand van een weide midden in het bos stond een huisje, mogelijk een jachtpaviljoen, dat vermoedelijk rond 1800 was gebouwd (2). In 1875 werd het door een van Daels' nakomelingen omgebouwd tot een groot bakstenen landhuis, dat langs de noord- of tuinzijde in neoclassicistische trant werd opgesmukt (middenrisaliet onder driehoekig fronton met oculus, horizontale bandversieringen van gesinterde baksteen). Het steile, torenachtige piramidedak boven het noordoostelijke uiteinde van het gebouw, aangebracht bij

M&L

een verbouwing in de jaren 1890, moest duidelijk maken dat het om een 'kasteel' ging en het werd door inspecteurs van het kadaster vanaf 1892 dan ook als dusdanig geregistreerd. De aanhorigheden bestonden uit twee gebouwen van een ongeveer gelijk volume, gelegen aan de zuidzijde van het kasteel, aan de overzijde van de weg die nu 'Meertsels' wordt genoemd: een koetshuis met een stal, en een tuiniers- of dienstwoning met een stal, beide van baksteen, met typische rondboogpoorten en blindbogen (3). In 1864, lang voor de bouw van het kasteel, had het kadaster tegen de pas aangelegde spoorweg Aarschot-Antwerpen, los van het gebouw, reeds een 'lusthof' van 98 are geregistreerd (4). In 1897 vermeldde het kadaster bovendien een perceel lusthof van 64 are (5), dat zich in de schaduw van het


.' .?*&*

A

straat en de Kalsterloop (of Herseltsebeek) en een even grote oppervlakte aan de overzijde van deze beek, op het grondgebied Ramsel (provincie Antwerpen), in totaal ongeveer vijf hectare. De parkgedeelten ten noorden en ten zuiden van de Kalsterloop hadden elk hun eigen wegennet, in de vorm van respectievelijk een platgedrukte 8 en - bij het kasteel - een ellips. Een nog bestaand brugje nabij de spoorweg Antwerpen-Aarschot, die het park in het zuidwesten begrenst, vormde de enige verbinding tussen de beide parkgedeelten. Het kaartbeeld vertoont geen open ruimten; de kleurige spikkels binnen de ellips en de 8 staan voor een kruid- of struikachtige sierbeplanting, de rest wordt als bos afgebeeld. De nutstuin, op de stafkaart als akker weergegeven, lag ten zuiden van de gebouwen en de Meertselstraat en besloeg ongeveer twee hectare.

De Heertsels met kasteel (rood omcirkeld) en parkbos anno 1893 (ICM, 1896)

Kasteel noordwaarts tot aan de Kalsterloop uitstrekte. Dit stemt min of meer overeen met de situatie die op de stafkaart van 1893 wordt weergegeven; een rudimentaire vorm van parkaanleg, die de hele ruimte in beslag nam tussen de Meertsel-

Na meer dan honderd jaar is deze situatie nog duidelijk herkenbaar, ondanks het jarenlange tekort aan onderhoud en de vergevorderde 'verbossing'. Dat het om een lusttuin gaat en niet om een productiebos, blijkt pas bij nadere beschouwing. Over het domein verspreid komen nog een tiental bruine beuken (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j voor — sommige met stamomtrekken van meer dan 350 cm en dus behorend tot de oudste sierbeplanting - en sierstruiken zoals taxus (Taxus baccata), Pontische

De remise en de moestuin in De Meertsels (foto 0 . Pauwels)

M&L


rododendron (Rhododendron ponticum), Pontische azalea (Rhododendron luteum) en spirea (Spirea vanhouttei). Uitzonderlijk is de talrijke opslag van Zweedse lijsterbes (Sorbus intermedia), vermoedelijk aangeplant en verwilderd (6). Het gazon voor het kasteel is de enige open ruimte in het parkgedeelte, met aan de rand enkele interessante bomen: moerascipres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens'^ en bontbladige 'Leopoldii' esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV. Er zijn nog duidelijke sporen van de vroegere parkwegen. Aan de oever van een tot vijver verbrede zijtak van de Kalsterloop (7) bevindt zich een heuveltje met de resten van een houten gloriëtte. De niet ommuurde moestuin is nog gedeeltelijk als moestuin in gebruik.

NOTEN (1) Circa 13 hectare volgens de oudste kadastrale legger [212] Begijnendijk, art. 39, nrs. 21-26. (2) Vergelijk de Ferrariskaart (1771-1775) ofde kaart van de baronie Aarschot door J.B. Joris (1775) met de Primitieve kadasterkaart (circa 1820). (3) Kadastrale opmetingsschetsen Begijnendijk 1876 nr. 8, 1888 nr. 8, 1892 nr. 21, 1897 nr. 20. (4) Het perceel 76a, cf. kadastrale opmetingsschets Begijnendijk 1864, bijlage zonder nr., opgemaakt naar aanleiding van de aanleg van de spoorweg. (5) Oudste kadastrale legger [212] Begijnendijk, art. 584 nr. 153. (6) Over de neiging tot verwildering bij Zweedse lijsterbes, zie: DE LANGHE J.E. e.a., Flora van België, het Groothertogdom Luxem-

burg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (pteridojyten en spermatofyten) (2de druk), Meise, Nationale Plantentuin van

Merkwaardige bomen (opname 13 augustus 1998) 6. gewone beuk (Fagus sylvatica) 396(60) 7. moerascipres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'PendensV 3 2 4 8. bontbladige gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV 235(40) 14. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 359

België, 1888, p. 313. (7) Waarschijnlijk de verbrede en uitgediepte gracht die vroeger de grens markeerde tussen de Primitieve percelen 75 en 76.


Roger Deneef, Herlinde De Jaeck & Jo Wij nan t

AARSCHOT (GELRODE): KASTEEL VAN RIVIEREN BECI|NENDI)KSESTEENWEG 2 2 1 , 3 2 0 0 GELRODE (PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

De meander van Vorsdonk en het kasteel van Rivieren in I77S, op de ^ J . i i ' • kaart van de baro- ^'fe

c-V1^.

nie Aarschot door J.B.Joris

Oorspronkelijk omwalde kasteelsite met hoog- en neerhof, vernietigd in 1866; landschappelijk park (5,5 hectare) aangelegd circa 1880 rond nieuwgebouwd eclectisch kasteel; bruine beuken in '12 apostelen'-formatie, regio.

typisch voor de

De 'meander' van Vorsdonk Het noordwestelijke gedeelte van Gelrode valt samen met een grote, lobvormige uitstulping van de Demervallei. Dit is de meest oostelijke van de van grote, ingesneden meanders langs de benedenlopen van Dijle en Demer (1). Deze fossiele meanders zijn waarschijnlijk van laatglaciale ouderdom (2). Zij zijn qua afmetingen en straal duidelijk te onderscheiden van de talrijke 'hoefijzers' of vrije


Het kasteel van Rivieren In 15961598 op een figuratieve kaart door Pierre de Bersacques (archief VI. Leuven)

,:^-"

• Het slot van

kadasterkaart

Rivieren anno 1822 (Archief Kadaster

meanders, die tijdens de laatste 300 jaar van de Demer en de Dijle werden afgesneden wegens de scheepvaart of in het kader van waterbeheersingswerken. De meander van Vorsdonk-Turfputten onderscheidt zich bovendien door de talrijke, min of meer gestroomlijnde, zandige opduikingen ( d o n k e n ) , die in het noorden van het gebied de Lange Heuvel vormen en, meer zuidelijk, het duin-

op de Primitieve

Brabant, Brussel)

achtige massief waarop Vorsdonkbos gesitueerd is. Deze donken hebben een structurerende rol gespeeld bij de aanleg van het landschappelijk park rond 1880.

De heerlijkheid van Rivieren Gezicht van op de Eikelberg op de Demervallel en Vorsdonk anno 1596, met, links het kasteel van Rivieren en In de verte Betekom, In het 'Album van Authal' van Karel van Croy

Toen Francois Tahon de la Motte (3) op 24 thermidor van het jaar XI (1803) in het huwelijk ttad met Aimée Dirix de Bretel, nicht en enige erfgenaam van de laatste feodale heer van Rivieren (4), werd hij niet alleen de grootste grondeigenaar van Gelrode - minstens één achtste van het dorp (83 van de 688 hectaren), maar ook titularis van enkele rechten, die beschouwd kunnen worden als relicten van de vroegere heerlijke rechten: het visrecht en de "passagie" op de Demer. Zijn eigendommen

liSP

Het huidige kasteel van Rivieren vanaf de meandercoupure in het noordwesten, op een ansichtkaart afgestempeld in 1910 (collectie BlockxKeulemans, Lubbeek)

•H^v-^T-^T^

•

1

EmBm


besloegen, op enkele enclaves na, bijna de hele westelijke helft van de meanderlob. Het kasteel van Rivieren gaat terug tot een strategisch belangrijk, feodaal slot, zetel van de heerlijkheid van Rivieren, voor het eerst vermeld in 1197 (5). In de 'albums' van hertog Karel van Croy (6) aan het einde van de 16de eeuw wordt een gebouwencomplex afgebeeld, omgeven door een cirkelvormige slotgracht. Het hoofdelement is een vierkante, ijzerzandstenen slottoren, volledig door water omgeven en alleen bereikbaar via een houten brugje vanuit het neerhof. Dit beeld behoorde al sinds 1764 tot het verleden (7). Het kasteel was "op zijn nieuwe bouwtrant gebouwd", zoals de inspecteur van het kadaster (nog) in 1830 opmerkte, en er was "ook eene buitenplaats in bouwing". Van het kasteel "in nieuwen bouwtrant" zijn ons geen afbeeldingen bekend; vermoedelijk gaat het om een sober, witgepleisterd, neoclassicistisch gebouw, wellicht vergelijkbaar met het nabijgelegen, nog bestaande kasteel van Nieuwland*, dat rond 1800 door baron de Loen d'Enschede was gebouwd. Zoals blijkt uit de Primitieve kadasterkaart (anno 1822) was de tweeledige, feodale structuur bewaard gebleven: de cirkelvormige slotgracht, mogelijk zelfs de donjon - weliswaar 'drooggelegd' — en een gedeelte van de neerhofgebouwen. Aan de over-

kant van de Rivierendreef was een nieuw, langgerekt gebouw verschenen, mogelijk de "buitenplaats" waarvan sprake is in bovengenoemd verslag. Landschappelijke aanleg en bodemgesteldheid In 1830 was het kasteel, volgens het verslag van de ambtenaar van het kadaster, onbewoond en het "zoude in de zomer eene aangename verblijfplaats opleveren indien het onderhouden was". \w 1866 werd het op last van de weduwe van F r a n c i s Tahon tot op de grond afgebroken en vervangen door een eclectisch landhuis, 50 m verderop in oostelijke richting (8). De verbouwing die het nieuwe kasteel zijn huidige vorm gaf, werd twintig jaar later uitgevoerd door Oscar van den Eynde, volksvertegenwoordiger, provincieraadslid, burgemeester van Gelrode en vanaf 1929 ook baron en de Rivieren (9), die in 1877 het domein van Rivieren had geërfd samen met Meetshoven (10). Tegelijkertijd werd over de in 1860 uitgevoerde meandercoupure ten westen van het kasteel een nieuwe brug over de Demer gebouwd, De straat van Betekom naar Gelrode, in de kadastrale atlas van Popp (1860) nog "Rivieren Dreef" genoemd, werd vervolgens in die richting verlegd. O p de stafkaart van 1893 tekent zich rond het kasteel een landschappelijk park af, te herkennen aan een 8-vormig ontsluitingspatroon, dat nog

T Het gebied

noordoosten het

!i|n de oude turf-

Vorsdonk-Turfputten

kasteel van

kullen nog

Landschappelijke

•

en het landschappe-

Nieuwland met een

herkenbaar

aanleg rond het

Historische

lijk park rond het

vroege 19de-eeuwse

(ICM, 1897)

kasteel van Rivieren

Documentatie van

(Centrum voor

kasteel van Rivieren

landschapstuin;

op een luchtfoto uit de Krijgsmacht,

In 1893; m het

ten zuiden hiervan

1928

Evere)


A Het kasteel ïan Rivieren vanuit het zuiden (foto R. Deneef, 1998)

grotendeels bewaard is — een grote zuidelijke en een kleine noordelijke lus. Het nieuwe kasteel ligt op het snijpunt van beide lussen. In een meandercoupure bij de nieuwe Demerbrug (op het grondgebied Betekom) wordt een perceel boomgaard afgebeeld. De kasteelsite, die in feite de grootste donk in beslag neemt, wordt door een rechte dreef verbonden met de donk waarop het eigenlijke Vorsdonkbos ligt. Het bos zelf wordt opgesmukt met boomsoorten met een zekere sierwaarde, zoals bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en Amerikaanse eik (Quercus rubra). Het kadaster noteert een lusthof van 5,5 hectare, maar het landschappelijk aangelegde gebied beslaat minstens het dubbele. Een luchtfoto uit 1928 (11) en de stafkaart van 1930 (ICM, 1936) geven een idee van hoe dit parklandschap eruitzag vóór het werd verdoezeld door populierenaanplantingen en allerlei houtopslag: een open beemdgebied met verspreide bosjes of bomengroepen, meestal op de donken. Het kasteel bevindt zich in het centrum van een open ruimte, omsloten door een golvende bosrand en gestoffeerd met bomengroepjes. De dicht in elkaar geplante groep bruine beuken op een heuveltje ten

M&L

zuidoosten van het kasteel vormt een streektypische stijlfiguur, die we in diverse parken in de regio (12) hebben aangetroffen en die door de eigenaars vaak als 'de Twaalf Apostelen' worden aangeduid (maar meestal ontbreken er enkele); de dikste 'apostel' heeft hier een stamomtrek van 392 cm, de dunste van 250 cm. Ten zuidwesten van het kasteel is er nog een tweede beplantingsheuvel met moeraseiken (Quercus palustris). De golvende zoom van het randplantsoen vormt de achtergrond voor enkele bijzondere bomen, zoals edele zilverspar met blauwgrijze naalden (Abies procera 'Glauca') en reuzenlevensboom (Thuja plicata). De dikke tamme kastanje (Castanea sativa) tussen het kasteel en de 'Twaalf Apostelen' is een 'spaartelg' op een oude hakhoutstoof uit de tijd van Tahon, vóór de aanleg van het landschappelijk park. Merkwaardige bomen (opnamen 1 en 7 oktober 1998) 11. grootbladesdoorn (Acer macrophyllum) 130/98/57, driestammig exemplaar; 12. hemelboom (Atlanthus altissima) 260, dikste


15. edele zilverspar met blauwgrijze naalden (Abies procera 'Glauca') 250 22. tamme kastanje (Castanea sativa) 376 26. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J 365(130) 28. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J 392 40. reuzenlevensboom (Thuja plicata) 258

(6) Arenbergarchief, K.U. Leuven, nr. F. 281 fol. 116(59), figuratieve kaart van het Hof van Rivieren, 1597; DUVOSQUEL J.M., BERGER R., JACQUET P., JACQUET-LADR1ER F. & MINNEN B., Albums de Croy - Bezittingen der Croys in Brabant, Vlaanderen, Artesie en het Naamse, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1985, plaat 10 "Betekom'tn plaat 15 "Het slot van Rivieren" (1596-98); de hier afgebeelde figuratieve kaart komt uit: MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612), kadasters en gezichten. Gemeentekrediet van België, 1993, plaat 14.

NOTEN

(7) SCHEYS E, of rif.

(1) De andere bevinden zich stroomafwaarts van Werchter, o.m. de

(9) ANNE DE MOLINA J. e.a., Etat présent de la noblesse du roy-

(8) Kadastrale opmetingsschets Gelrode 1889 nr. 8. Putten van Fonteyn en de Biaasberg te Tremelo, de Broekelei te Keerbergen, het Cassenbroek te Bonheiden, de Donk van

aume de Belgique, V, 1962, p. 187. (10) Als erfgenaam van baron Oscar Surmont de Volsberge; zie oudste

Hever.

kadastrale legger [212] Aarschot, art. 913; zie ook: OP DE

(2) Meer bepaald uit het Jongere Dryas (circa 9000 - 8500 vóór

BEECK E. & ELSEN R., Aarschot, evolutie van een stadsbeeld-

Christus, cf. DE SMEDT P., Paleografie en kwartair-geologie van

Een straten- en platenboek, Aarschot, uitgever E. Op de Beeck

het eonfluendegebied Dijle-Demer, in Aeta Geographica Lovanien-

i.s.m. Rotary Club Aarschot, 1982, p. 273.

t w l l , 1973, 144 p. (3) Telg van een uit Binche afkomstige, in 1719 geadelde familie. (4) DE STEIN D'ALTENSTEIN 1., Tahon, in Annmire de la noblesse de Belgique, XlVe jg., Brussel, H. Tarlier, 1860, p. 244. (5) SCHEYS E, Rivieren en zijn bewoners in de tweede helft van de 18de eeuw, in: Het Oude Land van Aarschot \8{4), 1983, p. 160167.

(11) Centrum voor Hisrorische Documentatie van de Krijgsmacht, Evere, bundel 269, cliché A.l.a./39. (12) Bij het Nieuw Kasteel van Boutersem, het kasteel van Kersbeek te Kortenaken (Kersbeek-Miskom), het domein Gellenberg te Lubbeek, de tuin bij de voormalige pastorie van het begijnhof te Diest, etc.


Roger Deneef Herlinde

De

& Jaeck

AARSCHOT (GELRODE): KASTEEL VAN INIEUWLAND N I E U W L A N D 6, 3 2 0 0

GELRODE

( P R I V É B E Z I T , N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET PUBLIEK)

Het vroeglandschappelijk park bij het kasteel van Nieuwland met vijver en (foto K. Vandevorst, 2003)

Besloten, intiem, vroeglandschappelijk park van circa 2,5 ha, aangelegd omstreeks 1810 rond een bestaande vijver en naast een nieuw classicistisch landhuis. De buitenplaats Nieuwland besloeg in het begin van de 19de eeuw nagenoeg het hele noordoostelijke gedeelte van de fossiele meander van Vorsdonk-Turfputten (1). Eigenaar was baron F r a n c i s Joseph de Loën d'Enschede, een voormalige kapitein in het Oostenrijkse leger, burgemeester van Andenne, inspecteur 'waters en bossen' in diverse provincies tijdens het Nederlandse bewind, kamerheer van Willem I en ook kasteelheer van Roosbeek (2). Nieuwland is gelegen aan het oostelijke uiteinde van de grote, langwerpige donk waarop ook Rivieren ligt en die op sommige kaarten de

'Lange Heuvel' wordt genoemd. De naam de Loën d'Enschede komt nog niet voor in register van de grondbelastingen uit 1804 (3) en het kasteel duikt pas op in de oudste kadastrale documenten, namelijk de Primitieve kadasterkaart van 1822. Uit een figuratieve kaart van 1724, waarop de bezittingen worden afgebeeld van de Cisterciënzerinnenabdij van Rotselaar (4), blijkt dat - een revolutie later de 4 3 hectaren familiebezit van de Loën d'Enschede hier tot in de kleinste details mee overeenstemmen. Ook de adel, zelfs een oude en eerbiedwaardige, den Habsburger verknochte familie, was dus niet vies van 'zwart goed'. De hoeve van Nieuwland vormde de kern van het oude abdij bezit, maar 600 m westwaarts liet baron de Loën in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn nieuw kasteel, een sober, witgepleisterd, neoclassicistisch gebouw, optrekken aan de oostrand van


een "lust-grond' met daarin een " lustvijver" met onregelmatige contouren - in de vorm van een L of een sikkel. Deze vijver werd gevoed via de Moutlaak en bestond ook al in 1724 in min of meer dezelfde vorm. Ten noorden van het kasteel lag een grote moestuin. Het geheel besloeg 3 hectare 21 are (5). Uit de opeenvolgende topografische kaarten blijkt dat de situatie zoals ze op de Primitieve kadasterkaart wordt afgebeeld, in de loop van bijna 200 jaar geen noemenswaardige wijzigingen onderging. De bouwvan serres {"broeikasseri') in het nutsgedeelte (6), de aanleg van een parkeerterrein in de voormalige moestuin en diverse verbouwingen aan het kasteelcomplex hebben het vroeg-19de-eeuwse uitzicht niet volledig doen verdwijnen. Nieuwland mag beschouwd worden als een bescheiden voorbeeld van de vroege landschappelijke tuin. Kenmerkend voor dergelijke tuinen is dat het kasteel niet in, maar naast\\ti park ligt en dat ze een 'introvert' geheel vormen, zonder zichtlijnen naar het omgevende landschap. Van het parkmeubilair is alleen een fraaie 'Chinese' boogbrug overgebleven. In 1849 verdween de familie de Loën uit Gelrode. Het kasteeldomein werd aangekocht door Johannes Vanbergen, een Aarschotse brouwer (7). De huidige beplanting bevat weinig bomen die ouder zijn dan 1900. Vermeldenswaardig zijn een zuilvormige zomereik (Quercus robur cv. Fastigiata) en een zeldzame Noord-Amerikaanse eikensoort, Quercus alba. Merkwaardige bomen (opname 21 mei 1997) 1. witte eik (Quercus alba) 198 2. zuilvormige zomereik (Quercus robur ^-Asn^xata'j 326 5. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 343 6. sawaracipres, cultivar met gekroesde twijgen (Chamaecyparis pisifera 'SquarrosaV 2 0 0 8. gewone robinia (Robiniapseudoacacia) 3\G 10. zilverlinde (Tilia tomentosa) 3 4 4

De fossiele meander

met een vroegland-

van Vorsdonk-

schappelijk parkje;

Turfputten in 1865,

in tiet zuidoosten

met de kastelen

zijn de sporen van

van Rivieren

turfontginning van

(met lang voor de

1810-1812 nog

afbraak en heraan-

zichtbaar

leg) en Nieuwland

(ICH, 1883)

(3) Algemeen Rijskarchief Brussel, inv. gemeentearchief Gelrode (T 165), nr. 1: Commune de Gelrode - contribution fonaire an XUI. (4) Algemeen Rijksarchief Brussel, inv. 13/1, kaarten en plattegronden in handschrift nr. 941; figuratieve kaart van de goederen van de abdij van Vrouwenpark (Rotselaar) te Gelrode en Langdorp, opgemeten door G. Gansemans in 1724. (3) Oudste kadastrale legger [212] Gelrode, art. 53, nrs. 5-8. (6) Kadastrale opmctingsschetsen Gelrode 1889 nr. 1, 1892 nr. 1 en 1900 nr. 1. (7) Oudste kadastrale legger [212] Gelrode, art. 369 nrs. 7-11 en art. 126, nrs. 12-16.

Mum (1) De geomorfologische en bodemkundige kenmerken van dit gebied worden behandeld in het artikel over het aanpalende kasteelpark van Rivieren te Aarschot (Gelrode). (2) POPLIMONT C., Francois Joseph, baron de Loen d'Enschede, in; La Belgique héraldiqueVl, Paris, Henri Carion, 1866, p. 383 e.v. Deze uit Westfalen stammende familie duikt al op in 11deeeuwse oorkonden.

M&L


Roger Deneef & Jo

Wijnant

AARSCMOT (LANGDORP) VILLA D0RE1MBLRG FRANSE LINIESTRAAT 2 , 3 2 0 1

LANGDORP

(PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

Monumentale bruine beuk in de tuin

van villa Dorenberg in Langdorp (foto R Deneef, 2002)

Overblijfsel van tuin rond een in 1887 gebouwde en achteraf sterk verbouwde villa, oorspronkelijk 1,5 hectare; restanten van de oorspronkelijke beplanting (meidoornhaag, monumentale bruine beuk). De monumentale bruine beuk (Fagus sylvattca 'Atropunicea'J op de zuidflank van de Dorenberg, een uitsprong in de Diestiaan heuvelrug ten oosten van Aarschot, is van heinde en verre zichtbaar. Hij bevindt zich in de tuin van een villa die rond 1880

gebouwd werd door Petrus Craenen, in de kadastrale legger (1) achtereenvolgens als schrijnwerker, handelaar en rentenier omschreven. In de jaren 1920 werd het gebouw 'gemoderniseerd' naar de toen heersende smaak (lage en brede metalen ramen, betonnen balkons en erkers in plaats van houten, dikke pleisterlaag op de buitengevels), maar onder het afbladderende pleisterwerk is het 19de-eeuwse, decoratieve metselwerk zichtbaar met knipvoegen en banden van gesinterde bakstenen, zoals de zijmuren van de kapel die Craenen liet optrekken aan de rand van het eigendom (2). In de jaren 1970 werd de helling achter de villa


verder uitgegraven, om plaats te maken voor een overdekt zwembad en een kleine (onlangs afgebroken) paardenstal. De villa zelf werd toen aanzienlijk vergroot met een betonstenen aanbouw. Wat er van de tuin overblijft, is grotendeels beperkt tot het steile gazon ten zuiden van de villa en een smalle strook (met de beuk) ten oosten ervan. De huidige hoofdtoegang bevindt zich aan de noordzijde van het goed, in de Craenenkapelstraat, maar de oorspronkelijke hoofdtoegang was ongetwijfeld het hek met twee gepleisterde en met tentdakjes bekroonde pijlers onderaan deze helling, aan de Franse Liniestraat. Een rondweg verbindt het hek met de villa. De twee paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) die het hek flankeren zijn aangeplant tijdens de 'modernisering' van de villa in de jaren 1920. De taxussen (Taxus baccata) en buxus (Buxus sempervirens) aan de rand van het gazon en de meidoornhaag (Crataegus monogyna) langs de Franse Liniestraat, behoren waarschijnlijk tot de oorspronkelijke beplanting.

dergelijke stamomtrek op nog geen 120 jaar is onverklaarbaar. Vóór de bouw van de villa stond het perceel als bos geregistreerd; de aanwezigheid van een uitgesproken siersoort is niet uitgesloten maar erg ongewoon. Het is ook mogelijk dat het gaat om een gebundeld exemplaar, zoals de plataan naast het kasteel van Kwabeek te Boutersem-Vertrijk of twee beuken in het kasteel Brakum te Lubbeek (3); de manier waarop de beuk zich vertakt én de stamdoorsnede - min of meer een 8 - zouden erop kunnen wijzen dat het gaat om twee vergroeide stammen. Merkwaardige boom (opname 10 mei 2002) bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 4 3 8

NOTEN (1) Oudste kadastrale legger [212] Langdorp, arr. 1364; de bouw van de villa wordt geregisrreerd in de arrikelnummers 9, 10, 11,41 en 42 en in de kadastrale opmetingsschets Langdorp 1882 nr. 9. (2) Kadastrale opmetingsschets Langdotp 1888 nt. 24.

De hoger genoemde bruine beuk - 438 cm - is een hoogstammig exemplaar dat op 5 m hoogte vertakt in min of meer gelijkwaardige gesteltakken. Een

(3) Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen - Holsbeek, Luhheek, Tielt-Winge (M&L Cahier 6), Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2002, p. 84-86.


Roger Deneef,

Greta

& Jo Wijn

Paesmans ant

AARSCHOT (LANGDORP) PASTORIE VAN DP SINT-PIETERSKERK PASTORIJSTRAAT 6, 3 2 0 1

LANGDORP

(PRIVÉBEZIT, N I E T T O E G A N K E L I J K V O O R HET PUBLIEK)

• De kerk en de pastorie van Langdorp (door ons rood omlijnd) rond I860 in de 'Atlas cadastral' de Belgique van PC. Popp

Pastorietuin van 46 are, aangelegd bij de in 1791 gebouwde pastorie; sporen van oorspronkelijke beplanting (monumentale zomereik, haagbeukenhaag...). De dorpskern van Langdorp ligt aan de voet van de Bosberg, aan de steile noordrand van de Demervallei, en is één van de aantrekkelijkste sites van de regio. Vanaf de kerk, die te midden van het ommuurde kerkhof ligt en een geheel vormt met de aangrenzende pastorie, wordt een onbelemmerd uitzicht geboden over de circa 1 km brede, onge-

repte vallei. Langdorp vormde oorspronkelijk een geheel met Weerde, dat 1,5 km stroomopwaarts aan de overkant van de Demer lag (nabij het kasteel van Schoonhoven*) en dat in de loop van de 17de eeuw om onbekende redenen ontvolkte. De Sint-Lambertuskerk van Weerde, die als de moederkerk van Langdorp werd beschouwd, werd gesloopt rond 1680 (1). De fusie van Weerde met Langdorp in 1357 was mogelijk de aanleiding tot het verbouwen of heropbouwen van de kerk van Langdorp; voor de zware ijzerzandstenen toren wordt algemeen een I4de-eeuwse datering voorgesteld (2). Tijdens de ingrijpende bouwcampagne


Sculpturale kleinbladige linde in de pastorietum van langdorp (foto K.Vandevorst,

2003)

van 1776-1777 verdween het transept en werden de beuken verbreed en onder één dakkap verenigd. De bouw van de huidige pastorie aan de rand een omhaagd perceel akkerland ten westen van de kerk (3) sloot wellicht aan bij deze bouwcampagne. De pastorie, die de datum 1791 draagt in een gevelsteen, is opgevat als een dubbelhuis met twee bouwlagen van vijf traveeën. Het huidige voortuintje met een gekasseid toegangspad, afgesloten van de straat door een lage, getrapte uitgewerkte muur, vervangt een poortgebouw en een koetshuis dat op de kaart van P.C. Popp (1860) nog zichtbaar is. De achtertuin omvat de Primitieve percelen 280 en 281, een L-vormig blok, dat de kerk en het kerkhof gedeeltelijk omsluit.

de oude randbeplanting langs de Oude Amerstraat, nu op het terrein van het jeugdheem, is nog aanwezig: twee zomereiken met restanten van een oude buxushaag (Buxus sempervirens). De bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV die van ver het silhouet van de tuin bepalen, werden gezien hun stamomtrekken (circa 300 cm) vermoedelijk rond 1900 aangeplant. Merkwaardige bomen (opname 30 augustus 2001) 1. Zomereik (Quercus robur) 3 5 2 2. kleinbladige linde (Tilia cordata) 149(130), 157(150)

NOTEN In de huidige tuin, waarvan 20 are werd opgeofferd voor de bouw van een jeugdheem en een feestzaal, komen verschillende relicten van de oorspronkelijke beplanting voor. Het meest opvallend is de monumentale zomereik (Quercus robur) met 352 cm stamomtrek, die deel uitmaakt van de beplanting aan de zuidrand van de tuin, nabij de Demer. In deze rand komen ook restanten voor van een oude haagbeukenhaag (Carpinus betulus). Langs de zuidelijke oever van de langwerpige vijver, die de kern vormt van het 'lustgedeelte', staat een laag vertakte kleinbladige linde {Tilia cordatd) met spectaculair in elkaar gegroeide stammen. O o k een gedeelte van

(1) MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croy (1595-1612), kadasters en gezichten, Gemeentekrediet van België, 1993, p. 106-109. (2) Bouwen door de Eeuwen heen - arrondissement Leuven, 1971, p. 207; BOS K., The Saint Peter's church of Langdorp, Brabant. An exemple of early gothic church architecture in the valley of the river Demer; a historical and architectural outline with an indepth study of its typical building material: the ferruginous sandstone of northern Belgium, Leuven, K.U.L., eindwerk Lemaire-instituut, 1989. (3) Vergelijk de kaart van de baronie Aarschot door J.B. Joris (1775) en de Ferrariskaart (1771-1775).


Roger Deneef, Chris De Maegd & Jo Wijnant

AARSCHOT (RILLAAR): KASTEEL VAM ÜE PROOST D I E S T S E S T E E N W E C 4 4 1 , 3 2 0 2 RILLAAR (PRIVÉBEZIT, N I E T T O E C A N K E L I ) K V O O R HET PUBLIEK)

De villa van De Proost te Killaar (foto K.Vandevorst, 2003)

Ommuurde tuin (84 are) rond een in de late jaren 1890 gebouwde, kloosterachtige villa (kapel op de verdieping); voor de helft lusttuin (met sporen van architecturaal reliëf), voor de helft moestuin. Het bakstenen gebouw doet - vooral wegens de uitbouw met een neogotisch kapel - min of meer aan een dorps nonnenkloostertje denken, zoals er aan het einde van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw talrijke zijn opgetrokken, dikwijls in combinatie met een lagere school. De trapgevels (ook die van de dakkapel), de blindboogjes boven de ingediepte travee, de speklagen, en de aanzet- en sluitstenen van de ontlastingsbogen herinneren aan de traditionele Vlaamse kasteelarchitectuur. Het werd in de late jaren 1890 gebouwd door Jan De Proost, volgens de kadastrale legger onderpastoor te Eisene (1), op een stuk bouwland van 45 are (2). Het vormt één ommuurd geheel met een aanpalend, 39 are groot perceel, dat eigenaardig genoeg (althans volgens het kadaster) nooit tot het eigendom De Proost heeft behoord, maar door de bewoners wel als moestuin werd gebruikt.

Van de oorspronkelijke beplanting is alleen een zomereik (Quercus rohur) met 332 cm stamomtrek overgebleven. De andere hoogstammige bomen hebben stamomtrekken van minder dan 250 cm. In de achtertuin zijn nog sporen van architecturaal microreliëf aanwezig, met name een heuveltje circa 2 m hoog en een uitschulping op de plaats van een verdwenen vijvertje dat, volgens de huidige eigenaars, met het dakwater gevoed werd. Merkwaardige boom (opname 26 mei 2000) 1. zomereik (Quercus robur) 332

NOTEN (1) Oudste kadastrale legger [212] Rillaar, art. 330. (2) Kadastrale opmetingsschets Rillaar 1897 nr. 25; verbouwingen werden geregistreerd in 1898 (schets nr. 24) en 1912 (nr. 72).


Roger Deneef

& Chris De

Maegd

BEGIJNENDIJK (BEGIJNENDIJK): HET KASTEELTJE KASTEELSTRAAT 5 6 , 3 1 3 0 BEGIJNENDIJK (PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

Het Kasteeltje te Begijnendijk, gebouwd rond 1890 op 60 m van het oorspronkelijke buitenhuis van de abdij van Avcrbode, buiten de 18deeeuwse slotgracht (foto R Deneef, 1998)

Landschappelijk parkje (1,5 hectare) met architecturaal microreliëf (heuveltje met holle weg), aangelegd circa 1890 ter plekke van een voormalige buitenplaats van de norbertijnenabdij

van Averbode

uit de 18de eeuw; sporen van de oude ringgracht.

Na het begijnhof van Aarschot was de abdij van Averbode de grootste grondbezitter te Begijnendijk tijdens het ancien régime. H u n eigendommen, circa 80 hectare, waren gegroepeerd rond de zogenaamde Boterhoeve in het noorden van de gemeente, op de grens met Houtvenne (provincie Antwerpen) (1). Dit gebied bestond tot in het begin van de 18de eeuw grotendeels uit heide (2). Voor grootgrondbezitters en dus ook voor de

meeste abdijen in de Lage Landen was de 18de eeuw een gouden tijd. Dit kwam tot uiting in een ongeziene bouw- en verfraaiingsactiviteit en in een toenemende rationalisatie en intensivering van het grondgebruik. De bebossing van marginale gronden en de hertracering van boswegen en parcelleringen volgens klassieke, geometrische en symmetrische concepten was daar een uiting van. De heraanleg van de goederen te Begijnendijk, aangevat in 1738 (3), moet in dit kader worden gesitueerd. In enkele maanden tijd werden grachten gedempt, houtkanten gerooid, hooilanden en heiden beplant met bomen. O p het snijpunt van twee loodrechte dreven die aansloten bij het drevenpatroon van het nieuwe " Bois de l'Abbaye d'Everbode" (hoofdzakelijk dennenaanplantingen), werd een 'huis van plaisantie' gebouwd, plaatselijk bekend als het "Kasteeltje" of "Papenhofke". Het stond in het midden van een vierkant perceel van circa


31 20 are en werd omringd door een "groote hofgreghte".

Het nieuwe kasteel-

de kaart van de

de bebossing en de

tje of 'Papenhofke'

baronie Aarschot

tieraanleg van 1738;

bij de Boterhoeve

(I77S) door ].B.

ten zuiden daarvan

te Begijnendijk op

Joris, met lang na

de Begijnenhoeve

De 'holle weg' in het park rond het Kasteeltje te Begijnendijk (foto R. Deneef,

M&L

Tijdens de Franse revolutie werden de eigendommen van de abdij verkocht als 'zwart goed'. Bij de opstelling van het Primitief kadaster wordt een zekere Franciscus Dewyelse uit Leuven als eigenaar genoemd van het Kasteeltje samen met bijna 40 hectare grond, hoofdzakelijk dennenbos (4). In 1837 werd het goed verkocht aan de kinderen van Jean-Baptiste Moerincx (1753-1831), in leven advocaat, burgemeester van Rotselaar en eigenaar van het voormalige abdijgoed Vrouwenpark* te Rotselaar, waar hij een landschappelijk park aanlegde ten koste van de abdijgebouwen. In 1856 werd het Kasteeltje aangekocht door Willem Daels (5), grootgrondbezitter en burgemeester van Aarschot, wiens nakomelingen het tot voor kort hebben bewoond. Het oorspronkelijke, door de abdij gebouwde 'huis van plaisantie', dat nog bestond toen de Primitieve kadasterkaart werd uitgetekend (1822), is boven-


gronds volledig verdwenen. Het centrale gebouw, dat waarschijnlijk als residentie fungeerde (perceel 113), werd afgebroken in het begin van de jaren 1880 (6). Het huidige 'kasteeltje', resultaat van een verbouwing rond 1890 (7), werd opgesteld 60 m ten noordwesten van het verdwenen gebouw, buiten de 18de-eeuwse slotgracht. Het is een strikt symmetrisch landhuisje met twee verdiepingen, een naar voor springend centraal volume geflankeerd door twee identieke eenlaagse zijvleugels, alles onder mansardedaken en elke vleugel slechts één travee breed. Het classicistische karakter is vooral duidelijk in de de gevels met geblokte boekbanden, arduinen kordons, haakvormige druiplijsten boven de muuropeningen, frontons boven de dakvensters. Typisch voor de jaren 1890 zijn de zorgvuldig uitgevoerde knipvoegen. Het buitenhuiskarakter blijkt uit het ontbreken van een formele toegang, uit de terrassen (dichtgebouwd aan de achterzijde) en de sierlijke gietijzeren luifel rechts. De toegang van het domein, oorspronkelijk in het noordoosten, werd verlegd naar het zuiden. Hoewel op de huidige kadasterkaart nog één vierde van de oude "hofgreghte" als water wordt weergegeven (perceel 115e dat de zuidelijke hoek van het domein vormt), is ze nog slechts als inzinking in het reliëf zichtbaar. Het dambordpatroon van de 18de-eeuwse bosindeling is nog herkenbaar in het huidige stratenpatroon; de bossen hebben, op enkele percelen na, al sinds meer dan anderhalve eeuw plaats geruimd voor landbouw en woningen.

Typisch is het lichtjes verzonken, slingerende rondpad, dat in het noordoostelijke gedeelte als 'holle weg' door een kunstmatig heuveltje loopt, overschaduwd door groenblijvende bomen en struiken als reuzenlevensboom (Thuja plicata) en bonte beshulst (Ilex aquifolium 'Argenteomarginata'J. Aan de oostrand van de open ruimte rond het kasteel staat een laag vertakte, monumentale trompetboom (Catalpa bignonioides). Achter de dienstgebouwen, die teruggaan tot die van het 18de-eeuwse 'Papenhofke', lag vroeger de nutstuin; hiervan getuigen nog enkele leiappelaren. Er zijn ook nog relicten aanwezig van de oude haagbeukenhaag (Carpinus betulus) die de grens van het landgoed vormde.

Merkwaardige bomen (opname 13 augustus 1998) 17. weymouthden (Pinus strobus) 242 22. gewone trompetboom (Catalpa bignonioides) 3 4 1 , met afgelegde gesteltak

NOTEN (1) ANDRIES G., Begijnendijk vóór i/S'tf (Bijdragen tot de Geschiedenis van het Land van Aarschot, XI), Aarschot, Hertogelijke Aarschotse Kring voor Heemkunde, 1996, p. 88 e.v. (2) Zie de kaart van Boterbroek in: REGISTRUM OMNIUM BONORUM MONASTERII AVERBODENSIS; lussu Adm. Rever: Domini Servatii Vaes Abatis Anno 1650 [...] (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Kerkelijk Archief Brabant, nr. 5009), gereproduceerd in: VAN ERMEN E., Het kaanhoek van Aver-

De bouwheer, kandidaat-notaris Ferdinand Daels, liet rond het nieuw 'kasteeltje' een landschappelijk park van circa 1,5 hectare aanleggen, waarvan de oorspronkelijke beplanting - vooral bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en Amerikaanse eik (Quercus rubra) en Pontische rododendron (Rhododendron ponticum) — nog steeds het uitzicht bepaalt.

hode, 1650-1680, Brussel, Gemeentekrediet, 1997, kaart VI, p. 44-45. (3) Voor meer details zie: ANDRIES, op. cil, p. 99-100. (4) Oudste kadastrale legger [212] Begijnendijk, art. 70. (5) Oudste kadastrale legger [212] Begijnendijk, art. 552. (6) Kadastrale opmetingsschets Begijnendijk 1884 nr. 7. (7) Kadastrale opmetingsschets Begijnendijk 1891 nr. 6.


Roger

Deneef

BEGIJNENDIJK (BETEKOM): HOF TER BRUGGEN WERCHTERSESTEENWEG,

3 1 3 0 BETEKOM

•

0

Het kasteel ter Bruggen te Betekom in IS96-

u

rfA

IMJ I*

të^ AiMW'

'm-i.,

A-^

f _ .TV-,

1598 op een figuratieve kaart (zuiden bovenaan) door Pierre de Bersacques (archief K.U. Leuven)

Relicten van een feodaal kasteel (hoog hof-neerhofstructuur), omgebouwd tot 'huis van plaisantie' in de 16de eeuw met moestuin en 'lustgrond'; rond 1880 afgebroken maar het patroon van slotgrachten bleef gedeeltelijk

bewaard.

Het Hof Ter Bruggen, zetel van een gelijknamige heerlijkheid (1) en een riddergeslacht dat opduikt vanaf 1254 (2), lag aan de noordrand van het Demeralluvium, op circa 1000 m ten noordwesten van het Kasteel van Rivieren*, aan de overzijde van de Demer. O p een figuratieve kaart in de 'Albums

de Croy' wordt het kasteel afgebeeld aan het einde van de 16de eeuw. Een met bomen beplante dreef daalt vanuit het noordwesten af naar het kasteelcomplex, dat door een brede slotgracht omgeven is. Aan de oostzijde van het kasteeleiland beschreef de gekanteelde weermuur een boog die de eveneens gebogen oeverlijn volgde, misschien een relict van de verdwenen donjonmotte. De traditionele baksteenbouw van de twee kasteelgebouwen met grote kruisramen, trapgevels en steunberen, contrasteert met de gebouwen buiten de slotgracht die in een lichtbruine kleur zijn afgebeeld, vermoedelijk leem- of houtbouw. Het rechthoekige gedeelte van het kasteeleiland werd in beslag genomen door een omhaagde tuin ingedeeld in acht parterres met


geometrische motieven (diagonalen, cirkels en kruisen). Waarschijnlijk gaat het om een moestuin, waarin ook sierelementen een rol spelen - een gebruikelijke combinatie van 'nut en sier'. Bruine penseeltrekjes boven de parterres suggereren de aanwezigheid van struiken of kleine bomen; mogelijk gaat het om kleinfruit. De boomgaard bevond zich op het rechthoekige eiland ten noorden van het kasteeleiland. O p de Ferrariskaart (1771-1775) en - zonder twijfel betrouwbaarder - op de kaart van het hertogdom Aarschot uit 1775 van J.B. Joris heeft het Hof Ter Bruggen een nieuwe omkadering gekregen: een trapeziumvormige omgrachting, die zowel het oude kasteeleiland met zijn boogvormige uiteinde als het vroegere boomgaardeiland omvat. Het geheel beslaat ongeveer 3,5 hectare, waarvan ongeveer één derde water. De buitenoevers van de ringgracht zijn met een dubbele rij bomen beplant, aansluitend bij de noordwestelijke toegangsdreef. Die is circa 600 m lang en vertrekt van de oude weg Mechelen-Aarschot-Diest (nu Tremelosesteenweg); hij doorsnijdt schuin een groot blok van circa 14 hectare, dat eveneens met beboomde dreven omgeven is. De tuin is verdeeld over de twee eilanden en omvat zes rechthoekige parterres van 20 tot 25 are, die met haagjes en paden omgeven zijn. O p de hoeken van deze parterres heeft Joris donkere stippen getekend die waarschijnlijk een opgaande snoeivorm van buxus of taxus voorstellen. Opmerkelijk zijn de zwarte vlek in het breedste gedeelte van de gracht ten noordoosten van het kasteel - mogelijk een beeld(engroep) of fontein en de drie gebouwtjes bij de noordwestelijke grachtarm, die enclaves vormen in de parterres — mogelijk tuinpaviljoens of prielen. Binnen het trapezium komt geen landbouwactiviteit meer voor; van een 'neerhof' is geen sprake meer.

O p de Primitieve kadasterkaart (1822) is de door Joris uitgetekende configuratie nog ongewijzigd terug te vinden. Het goed is op dat ogenblik (samen met 131,5 hectare gemeentelijk grondgebied) eigendom van een weduwe de Snellinck uit Brussel. In de kadastrale legger (3) wordt het gebouw nog altijd als "kasteel' omschreven, wat voor diverse andere kastelen in de regio niet meer het geval is. De rest van het eiland (perceel 161) is "tuin", vermoedelijk moestuin. Alleen de percelen op het andere eiland (nrs. 162 en 163) worden als " lustgrond' geregistreerd, een term die gebruikt wordt voor informele, 'landschappelijk' aangelegde percelen.

likk. \ ï • Het kasteel ter

dorpskern van

Bruggen op de

Betekom en de

kaart van de baro-

omgrachte pastorie,

nie Aarschot (1775)

rechts onderaan het

door J.B. Joris;

kasteel van Rivieren

rechts in beeld de

te Gelrode

In 1844 komt het Hof Ter Bruggen in handen van graaf Philippe van der Stegen de Schrieck, die in 1855 nog een van de vleugels laat verbouwen. O p de militaire topografische kaart van 1865 (ICM, 1883) verschijnt het domein voor de laatste keer in beeld, met de indeling en het gebruik die worden aangegeven op de Primitieve kadasterkaart. De totale afbraak van het kasteel en zijn aanhorigheden wordt geregistreerd in 1882 (4). Naar de reden voor de afbraak kan men, zoals bij andere verdweT Het kasteel ter nen kastelen in de regio (5), alleen maar gissen. De Bruggen te tuinen en de lustgronden zijn voortaan weiden, Betekom in 1822 bouwland en bosjes kreupelhout. De buitenste volgens de (trapezoïdale) ringgracht is nog grotendeels zicht- Primitieve kadasterkaart (archief Kadaster Brabant, Brussel)

Ju*i.,f1 <Ai, G^»-,.^

?j,.ia^.j

>

f

M&L


• Een van de slotgrachten van het voormalige Hof Ter Bruggen (foto R. Deneef, 1999)

baar als een tot 2 m brede geul met open water. In

NOTEN

het microreliëf is ook nog het kasteeleiland te onderscheiden, omringd door een vegetatie van riet en rietgras. Het enige stenen overblijfsel is de ijzerzandstenen boogbrug over de Laak. Recentelijk

heeft

iemand

pogingen

ondernomen

om

(1) ANDRIES G., Begijnendijk vóór i/S'fj (Bijdragen tot de Geschiedenis van het Land van Aarschot), Hertogelijke Aarschotse Kring voor Heemkunde v.z.w., 1996, p. 150. (2) MINNEN B., Albums de Croy - Het hertogdom Aarschot onder

opnieuw een tuin aan te leggen. Enkele zeldzame

Karel pan Croy (1595-1612) - kadasters en gezichten, Brussel,

soorten - Clerodendron trichotomum en karmozijn-

Gemeentekrediet van België, 1993, p. 101; hierbij wordt ook de

bes (Phytolacca esculenta) — hebben zich als gevolg

kaart gereproduceerd uit het archief K.U.L., 2413, P 59r0.

daarvan over het terrein verspreid.

(3) Oudste kadastrale legger [212] Betekom, artikel 90. (4) De verbouwing wordt weergegeven in de kadastrale opmetingsschets Betekom 1855 nr. 6; de afbraak in opmetingsschets Betekom 1882 nr. 18, (5) Bijvoorbeeld het kasteel van Meerbeek* te Boortmeerbeek (Boortmeerbeek) of Gottendijs* te Boortmeerbeek (Hever).

M&L


Roger Deneef

& Chris De

Maegd

BEKKEVOORT (ASSENT) KASTEEL VAN ASSENT PRINSENBOS 4, 3460

ASSENT

(PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R

HET PUBLIEK

Het 'kasteel van de juge' te Assent vlak na de bouw. op een ansichtkaart afgestempeld in 1906 (collectie BlockxMeulemans, Lubbert)

Landgoed van circa 2 hectare rond een circa 1900 gebouwde eclectische villa, met lusthof op steilste helling; mooi uit-

doet het huis min of meer traditioneel aan. Het hoge torendak met een smeedijzeren nokversiering en de klosjeslijst onder de dakrand onderstrepen het kasteelkarakter.

zicht, voorbeeld van een extraverte tuin ('geleend landschap'). De villa op de heuvelrug boven de Leuvensesteenweg en de dorpskern van Assent, bekend als de "villa van de jugé' — soms ook het "Kasteel van Assenf genoemd - werd bij het begin van de 20ste eeuw gebouwd door vrederechter Jozef Elens uit Herk-de-Stad (1). Het gebouw wordt gekenmerkt door een gevarieerd volume op een L-vormig grondplan, bestaande uit twee verdiepingen eindigend in trapgevels, een torenachtige uitbouw in de oksel van de zuidgevel en aanbouwen tegen de noordgevel. Door de witgeschilderde kordons, de lateien, de plint en de driepasvormige boog in de zuidgevel en in de trapgevels en hun topstukken.

Het perceel rond het kasteel, met een oppervlakte van 1,8 hectare, werd door Elens aangelegd als lusttuin. Het concept van deze tuin lijkt sterk op dat van de nabijgelegen Galgenberg* te Diest (Kaggevinne). Een beboomde oprijlaan - in dit geval beuken (Fagus sylvatica) met stamomtrekken van 270-280 cm — verbindt de Leuvensesteenweg (hier Staatsbaan genoemd) met het steilste gedeelte van de helling, waar het eigenlijke parkje begint. De laan buigt vervolgens naar links en bereikt via twee haarspeldbochten de villa, 20 m hoger op de top van de heuvel. Het uitzicht over de 40 m lager gelegen vallei van de Begijnebeek en het dorp Assent is zelfs nu nog genietbaar, ondanks een uitgestrekte stapelplaats van bouwmaterialen. Het

M&L


ken: een op de helling - momenteel beplant met diverse rododendronsoorten — en een rond de villa. Het relatief beperkte bomenassortiment bestaat uit bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, tamme kastanje (Castanea sativa), rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus x carnea), Amerikaanse en moeraseik (Quercus rubra, Q. palustris) en — naast het kasteel — een coloradozilverspar {Abies concolof). Deze bomen bereiken zelden een stamomtrek van 3 m (2). Opmerkelijk zijn de weelderig met blauwe passiebloem (Passiflora caerulea) begroeide pergola bij het terras voor het kasteel en de talrijke zaailingen Yucca op de helling onder het kasteel. Merkwaardige bomen (opname 24 augustus 2000) 1. coloradozilverspar (Abies concolor) 238 4. Amerikaanse eik [Quercus rubra) 458 tonen van een fraai panorama was blijkbaar de hoofdbedoeling van de eigenaar en/of ontwerper. Voor een dergelijk 'extravert' aanlegconcept wordt soms de term 'geleend landschap' of 'borrowscape' gebruikt: de structuur van de tuin of het park en de ligging en vormgeving van de gebouwen staan in functie van het omgevende landschap.

NOTFN (1) Geregistreerd op de kadastrale opmetingsschets KaggevinneAssent 1904 nr. 14; zie de oudste kadastrale legger [212] Kaggevinne-Assent, art. 1473. (2) Een Amerikaanse eik (Quercus rubra) met 458 cm stamomtrek is

De lusttuin wordt aan de noordzijde via een kort lindendreefje (Tilia platyphyllos) verbonden met de achterliggende weg. Aan de oostzijde sluit het park aan bij beboste percelen, relicten van het Prinsenbos, dat in de loop van de 19de eeuw ontgonnen werd. O p de stafkaart van 1930 is een wegenpaHet kasteel van . . „ • i i i Assent en de oprij- t r o o n l n d e v o r m v a n e e n 8 z l c htbaar, gevormd laan vanaf de door twee door bosplantsoen omgeven open plekLeuvensesteenweg (foto R Deneef, 2000)

mogelijk een overblijfsel uit het bosplantsoen, deel van het oude Prinsenbos.


Roger Deneef

& Chris De

Maegd

BEKKEVOORT (ASSENT) HOEVE PRIMSENBOS P R I N S E N B O S 3, 3 4 6 0

ASSENT

(PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

De hoeve Prinsenbos vóór de restauratie, onderdeel van een I9de-eeuws landbouwlandschap (foto G. Paesmans, 1995)

Hoevecomplex uit midden 19de eeuw met neoclassicistische residentiële vleugel; bescheiden elementen van landschapsarchitectuur (golvende bosranden, vijver). Het Prinsenbos (naar vroegere eigenaars: de prinsen van Oranje, heren van Diest) vormde de oostelijke uitloper van het grote boscomplex, dat tot in de late 18de eeuw bijna de hele ruimte tussen Tielt, Diest, Scherpenheuvel en Bekkevoort besloeg. Wegens de zandige, vrij marginale (zandleem)bodems (1) en de steile hellingen met ontsluitingen van het Diestiaan, kwam de meer intensieve ontginning van dit gebied pas in de 19de eeuw op gang. Rond 1850 waren in dit bosgebied, vooral aan de oostrand, grote blokpercelen akkerland verschenen, gegroepeerd rond nieuwe hofsteden zoals

de Groenendaalhoeve en iets meer naar het oosten de Prinsenboshoeve (2). Een rechte weg, die in noordwestelijke richting de heuvelrug doorkruiste, vormde de ruggengraat van een nieuwe blokverkaveling. Langs deze weg, op de plaats van de huidige hoeve, werd in 1839 een eerste gebouw geregistreerd (3). Samen met 176 hectare grond - bijna uitsluitend dennenbos - was het eigendom van " Vandenhove gebroeders, Cluckers Christiaens en Cd' uit Diest (4). Eerstgenoemde is mogelijk HenriAugustin van den Hove, burgemeester van Diest in de periode 1826-1830, lid van het Congres, volksvertegenwoordiger vanaf 1831 en directeur van de Munt te Brussel (5) - tevens eigenaar van de 'Engelse Hof' bij Groot Asdonk* op de grens van Molenstede en Tessenderlo. Andreas Nicolaas Cluckers, die vervolgens de enige eigenaar wordt, was advocaat te Diest en bezat ook onder meer de nabijgelegen Waterhoeve.


de twee dienstgebouwen (elk drie traveeën en twee verdiepingen) een eenheid vormen met het centraal gelegen huis (rondboogvensters, vijf traveeën en twee verdiepingen) onder één groot schilddak. De geschilderde vensters van de dienstgebouwen - eigenlijk schuren met laadvensters in de zijgevels -, de uniforme witte gevelbepleistering, de doorlopende tandlijst... geven het gebouw (van ver) de uitstraling van een groot classicistisch kasteel (7).

Bescheiden land-

originele schaal

schapsaanleg rond

1/5000, uitgave

de hoeve Prinsenbos

Ministerie van

te Assent in 1962

Openbare Werken S

(fragment van

Wederopbouw,

kaartblad 25/5/3,

1963)

Dit eerste bescheiden gebouw (oppervlakte 1,5 are) werd enkele jaren later afgebroken en vervangen door twee grotere, evenwijdig opstelde gebouwen, waarvan het westelijke een residentiële functie had en door de zoon van Cluckers (ooit schepen van Kaggevinne-Assent) ook daadwerkelijk bewoond werd. Andreas Nicolaas Cluckers jr. liet bij zijn aantreden in 1863 zowel het woonhuis (in feite een combinatie van verblijf met schuur en stal) als de pachterswoning aanzienlijk vergroten (6). Deze verbouwing was waarschijnlijk bepalend voor het huidige uitzicht. Opmerkelijk is de wijze waarop

M&L

Pas op de meer recente topografisch kaarten wordt duidelijk dat ook landschapsarchitecturale ambities een rol hebben gespeeld, met name in het licht golvende verloop van de twee oprijlanen, langs weerszijden van een lange beboste strook. Het recentelijk gerestaureerde 'kasteel' kijkt in zuidwestelijke richting uit over een weide met een ovaalvormige vijver, langs de noordzijde afgezoomd met een houtkant. Een golvend landschap van akkers, weiden en bosrelicten vormt de achtergrond. Geen spoor echter van de sierbeplantingen, bruine beuk etc. of zelfs maar oude bomen, die men in een dergelijke setting zou verwachten.

NOTEN (1) BAEYENS L. & SCHEYS G., Bodemkaan van België: kaartblad Diest 761^ Centrum voor Bodemkartering, 1958. (2) Vergelijk de Ferrariskaart met het Primitief kadaster of de kaart van Ph. Vandermaelen. (3) Kadastrale opmetingsschets Kaggevinne-Assent 1839 nr. 5. (4) Oudste kadastrale legger [212] Kaggevinne-Assent, art. 425. (5) Le Livre d'Or de l'Ordre de Leopold et de la Croix de Fer, Bruxelles, Lelong, 1858, p. 374-375. (6) Kadastrale opmetingsschets Kaggevinne-Assent 1865 nr. 19. (7) Gerestaureerd in 1999-2000.


Roger Deneef

& Chris De

Maegd

BEKKEVOORT (BEKKEVOORT) BERGENHOE O U D E DIESTERSEBAAN 1 3 4 , 3 4 6 0

BEKKEVOORT

(PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)

Het rond I860 ïerbouwde. classicistische kasteel Bcrgenhof (foto R. Vandevorst, 2003)

Landschappelijk park van 3 hectare naast neoclassicistisch landhuis, aangelegd in 1850-1860

door opstuwing van een

beek, omgevormd tot 'rivier' met twee eilandjes; diverse oude bomen, zeldzame boomsoorten bij de meer recente aanplantingen.

De hoeve "Nat[t]en bempf, zoals ze op de Ferrariskaart (1771-1775) wordt genoemd, was bij de opstelling van het Primitief kadaster (1820-1830) eigendom van Joannes Van Zurpele, rentenier uit Leuven (1). De onmiddellijke omgeving omvatte

twee percelen bos, samen 9 hectare, een boomgaard van 1 hectare 35 are en een moestuin van 15 are. De hoeve bestond uit vijf losse gebouwen en bevond zich op de linkeroever van de Pijnbeek, een bijloop van de Begijnenbeek, aan de voet van de heuvelrug tussen Bekkevoort en MolenbeekWersbeek, op nauwelijks 600 m van de kerk van Wersbeek maar nog op het grondgebied van Bekkevoort. Bij een verdeling in 1836 werd 'Natten Bempt' toegewezen aan Eugène Cools uit Diest (2), wiens erfgenamen het tot een echt landgoed uitbouwden. In 1840 werd (volgens een datumsteen) op circa 100 m ten noorden van de hoeve, hogerop de helling een landhuis gebouwd (3), dat als het 'kasteel


A Het 'Kasteel van Cools' en het dennenbos met jachtpaviljoen in de jaren I860 (DDG, 1869)

van Cools' - of zelfs 'Kasteel van Wersbeek' (4) en later als 'Bergenhof' (5) zal worden aangeduid. Een perceel van 65 are op de helling tussen het kasteel en de Pijnbeek werd tegelijkertijd ingericht als siertuin ("plaisirhof) (6). Rond 1860 kreeg het kasteel min of meer zijn huidige uitzicht (7). Het oorspronkelijke landhuis (een classicistisch dubbelhuis van vijf traveeën, twee bouwlagen, een schilddak, bepleistering, een licht uitspringend middenrisaliet met balkon op consoles, muurpilasters over de twee bouwlagen, brede profiellijst onder de dakrand, rondbogige bovenvensters) bleef behouden, maar aan de zuidwesthoek werd een forse, ronde hoektoren met een stomp tentdak toegevoegd. Aansluitend bij de noordwesthoek werd een L-vormige kasteelaanhorigheid (koetshuis, stallen, dienstwoning) opgetrokken, waarvan stijl en gevelopvatting nauw aansluiten bij de classicistische stijl van het hoofdgebouw (driehoekig fronton, pilasters, oeil-deboeuf). In plaats van bepleistering en kordonlijsten in stucwerk, gaat het hier echter om tweekleurige baksteenbouw, nu wit geschilderd, met grijsgekleurde geveldetails van uitspringende — gesinterde? - baksteen (rondboogarcaden die de gevels van de binnenplaats ritmeren, een doorlopend kordon aan de bovenvensters). Het kasteel staat aan de noordrand van het park en is ongetwijfeld bedoeld om uitsluitend vanuit het park gezien te worden, zoals blijkt uit de onversierde achtergevels. De hoeve werd, ook rond 1860, grondig ver-

M&L

bouwd tot een bijna gesloten geheel rond een boerenerf (nu bloementuin). Rond de plaatselijke verbrede en opgestuwde Pijnbeek werd tijdens dezelfde bouwcampagne een nieuw 'landschap' van circa drie hectare gecreëerd, gebruikmakend van een eenvoudig maar doeltreffend en in de landschapsarchitectuur veelbeproefd procédé: de ongelijkmatige verbreding en opstuwing van een relatief onbelangrijke beek, die daardoor het uitzicht verkrijgt van een statige rivier. In dit inventarisdeel worden nog andere bucolische 'rivierlandchappen' besproken, o.m. het kasteelpark van Schiplaken* te Hever en in de regio zijn de voorbeelden van dergelijke bucolische 'rivierlandschappen' legio, o.m. in Holsbeek (8) en Meldert-Hoegaarden (9). O p een kadastrale mutatieschets uit 1863 worden twee uitstulpingen van de verbrede beek getoond, waarin telkens een eilandje werd uitgespaard. De versmallingen in de rivierloop werden door brugjes (nu verdwenen) overspannen. De in de jaren 1840 aangelegde lusttuin — in feite een open, grazige ruimte omringd door dicht plantsoen — vormde de verbinding tussen kasteel en 'rivier'. Deze structuur wordt op de stafkaarten pas duidelijk weergegeven vanaf 1931, maar was toen al 70 jaar oud.

Ook buiten de eigenlijke lusttuin werden architecturale elementen aangebracht. O p de stafkaart van 1869 wordt een groot perceel dennenbos (20,5 hectare) ten noordwesten van het kasteel afgebeeld,


Muur met leipercn in de voormalige moestuin van het Bergenhof en, in de verte, de hoeve Natten bempt, rond I860 omgebouwd tot een gesloten complex (foto R. Vandevorst, 2003)

dat via een beboomde dreef met de moestuin van de kasteeihoeve verbonden is. Dit bosperceel werd ontsloten door twee elkaar loodrecht kruisende wegen en op het kruispunt stond een gebouwtje, een 'jachtpaviljoen' volgens de kadastrale legger (10), Dit nu verdwenen bos was dus geen louter productiebos, maar had ook een recreatieve functie, in een streek (Hageland) die in de loop van de 19de eeuw overigens massaal werd ontbost, In 1878, gelijktijdig met een verbouwing van het kasteel, werd door het kadaster een nieuwe constructie opgetekend, die de 'lust'-functie van het landgoed versterkte: een "zomerhuis" ten westen van het kasteel, aan de rand van een perceel bouwland van drie hectare, waarvan later (11) een gedeelte (44 are) zal worden ommuurd en als moes- en fruittuin gebruikt, In het huidige bomenbestand zijn diverse generaties herkenbaar, die waarschijnlijk gecorreleerd zijn met het aantreden van nieuwe eigenaars of bewoners. De zomerlinden (Tilia platyphyllos) op de zuidelijke oever van de vijver, de Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) op de tegenovergestelde oever, het groepje Amerikaanse kransmagnolia's (Magnolia tnpetala) in het gazon aan de voet van de helling onder het kasteel, de Japanse vingeresdoorn (Acer palmatum 'NicholsonüV rechts van het kasteel en tal van andere, min-

xoo • Kadastrale opme-

verbrede en opge-

tingsschets uit 1863 stuwde Pijnbeek met het pas aange-

(Archief Kadaster

legde landschappe-

Brabant, Brussel)

lijk park rond de


Alleen op de staf-

Bergenhof en langs

kaart van 1931 is

de Pijnbeek duide-

de landschappelijke

lijk zichtbaar

aanleg rond het

(ICM, 1936)

der courante soorten bomen en struiken werden vermoedelijk na de Tweede Wereldoorlog aangeplant door de toenmalige eigenaar, Jozef Deckers, en reflecteren misschien ook zijn specifieke belangstelling als agronoom en bodemkundige. Uit die periode dateert ook de Lourdesgrot aan het uiteinde van de toegangsdreef. De verkoop van het domein in 1921 door de laatste Cools aan professor Jozef Frateur, veearts en landbouweconoom (12), werd waarschijnlijk eveneens gevolgd door een reeks aanplantingen, bomen die ondertussen stamomtrekken hebben bereikt tot 3 m, met o.a. ginkgo (Ginkgo biloba), zwarte walnoot (Juglans nigra) en zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV- De meeste bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en platanen (Platanus x hispanica) — stamomtrekken tot 4 m - dateren uit het midden van de 19de eeuw, de vroege Cools-periode, maar een van de bruine beuken, een tamme kastanje (Castanea sativa) en een hangende zilverlinde (Tilia petiolaris) zijn gezien hun stamomtrekken (460-500 cm) vermoedelijk nog ouder.

Merkwaardige bomen (opname 12 augustus 1999) 1. hangende zilverlinde (Tilia petiolaris) 4 6 4 2. Japanse vingeresdoorn, variëteit met grote, diep gezaagde bladslippen (Acer palmatum 'Nicholsonii'; 91(15) 3. zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV 160 4. tamme kastanje (Castanea sativa) 495 7. gewone plataan (Platanus x hispanica) 3 6 0 8. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 415 11. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 407 12. gewone plataan (Platanus x hispanica) 358 13. ginkgo (Ginkgo biloba) 27A: 14. Amerikaanse kransmagnolia (Magnolia tripetala), massief van 3 exemplaren, dikste stam 93 21. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea'j 432

NOTEN (1) '"Vanzuiper' volgens de oudste kadastrale legger |2]2] Bekkevoort, art. 416; cf. CLAES F., Bijdrage tot de toponymie van Bekkevoort, p. 213-408 in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, LXX, 1988. (2) Volgens CLAES, op. cit., p. 267, "Cools de Dome", mogelijk de zoon van de laatste heer van Deurne bij Diest. (3) Kadastrale opmetingsschets Bekkevoort 1848 nr. 9. (4) Oudste kadastrale legger [212] Bekkevoorr, arr. 72bis nr. 97. (5) "Berghoven op de stafkaart van 1893 (ICM, 1900). (6) Oudste kadastrale legger [212] Bekkevoort, arr. 72bis nr. 51. (7) Kadastrale opmetingsschets Bekkevoort 1863 nr. 19. (8) Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Holsbeek, Lubbeek, Tielt-Winge (M&L Cahier 6), Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2002, p. 20-29. (9) DENEEF R., DE MAEGD C , DE JAECK H. & WIJNANT ]., "Getemperde straklijnigheid": Louis Van der Swaelmen en de "krachrige rangschikking" van het kasteeldomein van Meldert (Hoegaarden), p. 51-70 in: Monumenten & Landschappen 19(2), p. 51-70. (10) Oudste kadastrale legger [212] Bekkevoorr, art. 72bis nr. 104. (11) Mogelijk rond 1920; zie: oudste kadastrale legger [212] Bekkevoort, art. 1678 nrs. 20 en 24. (12) Professor J.-Leopold Frateur, dr. veeartsenijkunde, professor aan de Faculreit der wetenschappen, met leeropdracht in de zoötechnie aan het Landbouwinstituut van de Katholieke Universireir te Leuven 1899-1936, en in landbouweconomie.

M&L


Roger Deneef & Jo

Wijnant

BOORTMEERBEEK (BOORTMEERBEEK): OUDENHOVEN (GOED VAN HECK1NG) A U D E N H O V E N L A A N 9 , 3 1 9 0 BOORTMEERBEEK (PRIVÉBEZIT, N I E T T O E G A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)

De oude toegang naar het landgoed Oudenhoven aan de Kerkweg (foto R. Deneef, I

Overblijfselen (portiersloge,

vijver...)

huis dat in 1948 werd afgebroken.

L-vormig grondplan, maar het was alleen te bereiken via het zuidelijke eiland, waarop zich een boomgaard bevond. Het goed was door een rechte dreef (ongeveer het tracé van de huidige Audenhovenlaan) verbonden met de Hanswijkstraat aan de westrand van de dorpskern.

O p de Ferrariskaart (1771-1775) en op een figuratieve kaart, opgemaakt door landmeter J.B. Joris in 1771 (1), wordt ten zuiden van de dorpskerk een omgracht goed weergegeven, "het Casteel van Audenhoven", zoals de naam suggereert, het oudste hof van het dorp. Oudenhoven bestond uit twee rechthoekige eilandjes — mogelijk een overblijfsel van het hooghof-neerhofsysteem. In een hoek van het noordelijke eiland bevond zich het hof met een

Oudenhoven werd in 1817 aangekocht door Catherine Lapostole, weduwe van ridder FrancpoisLouis-Joseph de Wargny die het jaar voordien gestorven was. De Wargny had min of meer belangrijke functies bekleed onder het Franse bewind (o.m. burgemeester van Mechelen) en eindigde zijn loopbaan als lid van de tweede kamer van de Staten-Generaal in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (2). Zijn zoon Gaspar, die zich in de loop van de 19de eeuw ontpopte tot de grootste

van omgracht landschappelijk park, oorspronkelijk 3,4 hectare, aangelegd vóór 1820 bij een neoclassicistisch land-


grondeigenaar van Boormeerbeek - 145 hectare, bijna een zesde van het grondgebied, in 1863 - en ook burgemeester werd, zal het goed tot 1872 in eigendom hebben (3).

Boortm^ertyei if*ty

v

Oudenhoven anno

(ICH, 1880)

De vijver en de

Oudenhoven (foto R. Deneef,

loge In het domein

A/I&L

d'Oudenhoven

burgemeester

rond 1910 gebouwde portiers-

Gaspar de Wargny

1864 onder

1998)

O p de Primitieve kadasterkaart (1820) valt van de 18de-eeuwse ringgrachten niets meer te bespeuren. Een perceel van 3,4 hectare dat de hele ruimte inneemt tussen de Molenbeek en de toenmalige Grootveldweg, wordt ongedifferentieerd weergegeven als "lusthof. Het gebouw is herleid tot een rechthoekig blok, hoogstwaarschijnlijk het witgepleisterde classicistische gebouw met een schilddak en een driehoekig fronton boven de ingangstravee, dat in 1948 werd afgebroken (4). Aan de noordrand van het lusthofperceel, daar waar zich ooit de noordelijke grachtarm bevond, is een kleiner 'landgebouw' verschenen, ongetwijfeld tuinierswoning en stallingen, want het sluit onmiddellijk aan bij een moestuin {"hof) van 14 are (perceel 253). Het eerste concrete beeld van de lusthof vinden we op de oudste stafkaart, 1864 (ICM, 1880) - nagenoeg ongewijzigd op latere uitgaven: 1892 (ICM, 1894) en 1909 (ICM, 1925). De lusthof van de Primitieve kadasterkaart blijkt een ellipsvormig


eiland te zijn, begrensd door de meanderende Molenbeek aan de oostrand, en afgeleide beken of grachten aan de westrand. Het kasteel ligt bij de noordelijke rand van het eiland, en kijkt uit over een kleine ovale vijver (met een eilandje), die door een rij bomen wordt omgeven. De zuidelijke helft van het lusthof-eiland wordt gedomineerd door hoogstammig groen — puntjes en bolletjes op egaal groen (weide), hetgeen een beboomd parklandschap suggereert. Evenwijdig met de ringgracht loopt een rondweg, een binnenste ellips die ten zuiden van de vijver door aftakkende rechte paden wordt ontsloten. De dreef naar de Hanswijkstraat is verdwenen, maar een brede, met bomen afgezoomde laan, waarvan de aanleg in 1865 wordt geregistreerd (5), verbindt het goed met de huidige Kerkweg, doorheen het Groot Veld. Deze toegang — twee bakstenen pijlers met een geprofileerde arduinen bekroning — bestaat nog steeds als poort in een gedeeltelijk ommuurde moestuin. Door de aanleg van en de lintbebouwing langs de Audenhovenlaan ging de band met de kern van het domein verloren.

een van hen. Marcel Hecking, het classicistische kasteel van de Wargny in 1948 afbreken (8), zodat alleen de villa overblijft. Een serpentinevijver (niet meer de vorm die op de oude stafkaarten wordt afgebeeld), de pijlers van het toegangshek aan de Kerkweg, een brugje van zandsteenknollen, sporen van de serre van 1879, en oude witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) en een taxus (Taxus baccata) zijn de enige elementen die herinneren aan het verdwenen landschappelijk park van Oudenhoven. Over de rest van het oude bomenbestand of de verdwenen beplantingen is ons niets bekend. O p een door Fierens (9) gereproduceerde foto, oorspronkelijk bij een niet gedateerd krantenbericht (interbellum?) over de velling van een "eeuwenoude eik", is een boom te zien met meer dan 6 m stamomtrek, minstens 300 jaar oud.

NOTEN (1) Afgebeeld in: VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot

In een kadastrale mutatieschets van 1857 werd de afbraak van de oude aanhorigheid geregistreerd. Dichter bij het 'kasteel' werd een nieuw dienstgebouw opgetrokken. In 1879 werden nog twee serres toegevoegd (6). In 1910 werd de in 1857 geregistreerde aanhorigheid afgebroken en vervangen door een elegant, villa-achtig gebouw van baksteen met witte kordons en een brede breukstenen plint. De complexe plattegrond met vier paarsgewijze uitbouwen, de schild- en wolfsdaken, en het sierschrijnwerk onder de dakranden herinneren aan de cottage-architectuur. Dit gebouw was mogelijk bedoeld als portiers- of tuinierswoning. Oudenhoven was toen eigendom van de erfgenamen van de brouwer Theofiel Wouters, ook eigenaar van de mouterij van Boortmeerbeek (7). Ten slotte liet

het einde van de 13de eeuw (XIV). Tussen Zenne en Dijle (IV)., Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, z.d., na p. 48. (2) WAUTERS A., Histoire des environs de Bruxelles, VII (heruitgave van de editie van 1855), Btuxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 253. (3) Oudste kadasttale legger [212] Boortmeerbeek, art. 576. (4) Waarvan twee foto's in; FIERENS M , Boortmeerbeek - van heerlijkheid tot gemeente, Gemeentebestuur Boortmeerbeek, z.d., p.51. (5) Kadastrale opmetingsschets Boortmeerbeek 1865 nr. 52. (6) Kadastrale opmetingsschetsen Boortmeerbeek 1857 nr. 6 en 1879, nr. 14. (7) Oudste kadastrale legger [212] Boortmeerbeek, art. 1586. (8) Kadastrale opmetingsschets Boortmeerbeek 1949 nr. 71. (9) FIERENS, o/i. a>., p. 122.


Roger Deneef & Jo

Wijnant

BOORTMEERBEEK (BOORTMEERBEEK): KASTEEL VAN MEERBEEK S P O O R W E C S T R A A T / DREEF, 3 1 9 0 B O O R T M E E R B E E K

• Het kasteel van Meerbeek met eilandtuin en barokparterres, op een gravure van R. Whitehand uit 1696

- ^--

- ~— " ^ .— 7hwv.,',o r,...////, BoonT-Vif.iiBnii

Overblijfselen van feodaal, omwald hoog hof-neerhofcomplex, afgebeeld in 1696 met barokke parterretuin; het kasteel werd afgebroken in 1847, maar het patroon van slotgrachten bleef bewaard. Het kasteel van Meerbeek is niet het enige belangrijke kasteel in de omgeving dat tijdens het tweede kwart van de 19de eeuw werd afgebroken: in de jaren 1830 onderging het kasteel van Gottendies* te Boortmeerbeek (Hever), 4 km naar het westen, hetzelfde lot. Van het feodale kasteel van Meerbeek bestaan twee 17de-eeuwse afbeeldingen: de eerste is een schematische afbeelding die als referentiepunt wordt weergegeven op een figuratieve kaart uit 1656 van Joris Subil (1); de tweede is een gravure van R. Whitehand uit 1696, die meer gedetailleerd is en ook een duidelijk beeld geeft van de onmiddellijke omgeving (2). In beide gevallen wordt een robuuste, van kantelen en hoektorens

= ! - — . - • - : " • morr TERUOYT.

-^'jr-i./T'

l 1

-

voorziene waterburcht uitgebeeld, die via een houten brug (vroeger ongetwijfeld een ophaalbrug) met het neerhofeiland verbonden is. Bij Whitehand is het burchteilandje ingebed in een groot, rechthoekig eiland met een klein poortgebouw dat vanuit het zuidwesten de hoofdtoegang van het kasteel vormt - mogelijk een relict van het middeleeuwse neerhof. H e t (nieuwe) neerhof. Hof Terhoye genaamd, ligt rechts buiten beeld. De ets van Whitehand toont — links van het kasteel - een glimp van de tuinaanleg, namelijk een parterretuin omheind met bijna manshoog houten hekwerk met minstens één barokke 'parterre de broderie' (links vooraan) en in bol gesnoeide struiken (buxus of taxus) op de hoeken van elke parterre. O m d a t het hek in het verlengde van de lengteas van de tuin onderbroken is (op de tekening links tegen het kasteelgebouw aan) mag worden verondersteld dat het kasteel rechtstreeks verbonden was met de tuin via een tweede, niet zichtbare brug. Het terrein buiten de grachten wordt grotendeels ingeno-


• Een van de slotgrachten van het voormalige kasteel

Het kasteel van

kaart

Heerbeek in 1820

(archief Kadaster

volgens de

Brabant. Brussel)

Primitieve kadaster-

men door hoogstammige beplantingen, misschien fruitbomen. De Ferrariskaart (1771-1775) en de Primitieve kadasterkaart (1820) sluiten aan bij de door Whitehand uitgetekende topografie. Er is echter een nieuwe toegang gemaakt in het verlengde van de kasteelpoort en de houten brug, in noordwestelijke richting. In 1820 is de toestand al behoorlijk gedegradeerd. Het kasteel wordt door de inspecteur van het kadaster de naam niet meer waardig bevonden en wordt evenals de boerderij (nr. 10) omschreven als "maison et cour". Het perceel van de voormalige baroktuin (nr. 4) is gewoon bouwland geworden. Bij de kleine percelen "jardin moet men zich vooral moestuinen voorstellen. Alleen de slotgrachten, omschreven als "étang d'agrémenf, herinneren nog aan de vroegere grandeur (3). Eigenaar op dat moment is graaf Charles-Ferdinand-Joseph, graaf d'Oultremont (1789-1852), een voormalige ceremoniemeester van koning Willem I, gehuwd met

de weduwe van prins Louis-Lamoral de Ligne, eigenaar van onder meer de kastelen van Duras bij SintTruiden en Melden bij Hoegaarden (4). In 1847 werd het kasteel afgebroken (5) op last van gravin d'Oultremont, zoals Wauters uitdrukkelijk vermeldt (6). Alleen de boerderij bleef in verbouwde vorm bewaard; het poortgebouw werd vergroot en omgebouwd tot zelfstandige hoeve (7) en in 1964 afgebroken. Met het afbraakmateriaal werd ernaast een bungalow gebouwd. De slotgrachten bleven grotendeels bewaard; één grachtarm is min of meer verland, maar de andere bestaan uit tot 3 m brede geulen open water, soms met een uitbundige oevervegetatie van riet {Phragmites australis), waterzuring (Rumex hydrolapathum), grote egelskop (Sparganium erectum) en gele lis (Iris pseudacorus). Van oude beplantingen valt niets meer te bespeuren. Langs een van de grachten komt echter een dichte begroeiing met bosroos (Rosa arvensis) voor, die misschien teruggaat tot een oude beplanting.

van Meerbeek (foto R. Deneef. 2000)

NOTEN (1) Weergegeven in: VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN LANI S., Het kaanhoek van de abdij van Park, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2000, p. 232. (2) DE CANTILLON, vermakelykheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen, (Amsterdam. David Weege, 1770) Anastatische herdruk, Amsterdam/Antwerpen, 1981, B. N0 44. (3) Oudste kadastrale legger [212] Boortmeerbeek, artikel 119. (4) POPLIMONT CL, La Belgique héraldique (VIII), Paris. Henri Carion, 1866, p. 244. (5) Kadastrale opmetingsschets Boortmeerbeek 1847, nr. 1. (6) WAUTERS A., Hismire des environs de Bruxelles (VII). Bruxelles, Culture er Civilisation (heruitgave van editie 1855), 1972, p. 254. (7) Kadastrale opmetingsschets Boortmeerbeek 1865 nr. 9.

M&L


Roger Deneef

& Chris De

Maegd

BOORTMEERBEEK (BOORTMEERBEEK): VILLA VAN GORP RIJMENAMSEBAAN 1, 3 1 9 0

BOORTMEERBEEK

(PRIVÉBEZIT, N I E T T O E C A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)

• De door dr. Van Gorp in 1893 gebouwde villa bij het station van Boortmeerbeek (foto K. Vandevorst, 2003)

Beboomde tuin (58,4 are) rond een in 1893 gebouwde eclectische villa.

Dokter Eugène Van Gorp bouwde in 1893 (volgens de jaarsteen in de gevel aan de straatzijde) op een driehoekig stuk grond van 64,5 are naast de spoorwegovergang bij het station van Boortmeerbeek, een kasteelachtige villa en links daarvan een klein koetshuis dat een tiental jaren later aanzienlijk wordt vergroot (1). De architect heeft zijn creativiteit vooral botgevierd in de overgang tussen gevels en dak - en dan nog uitsluitend op de drie gevels die vanaf de straatzijde zichtbaar zijn: pinakeltjes, hoektorentjes, trapgeveltjes, smeedijzeren bekroningen. Voor rest blijft de versiering beperkt tot natuurstenen hoekkettingen, vensteromlijstingen en kordons van witte steen. De toegangsdeur bevindt zich aan de achterzijde van het gebouw. De rest van het grondstuk (58,4 are), globaal als "lusthof geregistreerd, omvatte ook de noordpunt van het perceel, nagenoeg één derde van het geheel, die recentelijk als bouwkavel werd afgesplitst. Het

goed wordt van de straat gescheiden door een eenvoudig smeedijzeren hek op een laag muurtje. De villa ligt verscholen tussen het hoogstammige groen, een dichte gordel van bomen, vooral aan de straatzijde, bestaande uit treurbeuk {Fagus sylvatica 'Pendula'), bruine beuk {Es. 'Atropunicea'), pluimes {Fraxinus ornus), tamme kastanje {Castanea sativd), witte paardenkastanje en rode bastaardpaardenkastanje {Aesculus hippocastanum, A. x earned}, reuzenlevensboom {Thuja plicata), gewone robinia {Robinia pseudoacacid) en een zomerlinde met ingesneden blad {Tiliaplatyphyllos'hvLcmiMz). Een van de beuken heeft een stamomtrek van 321 cm bereikt.

NOTEN (1) Kadastrale opmetingsschetsen Boortmeerbeek, 1895 nr. 1 en 1906 nr. 5; oudste kadastrale legger [212] Boortmeerbeek, art. 1224. In 1909 wordt op een andere eigendom van Dr. Van Gorp, aan de andere zijde van her station, de bouw van een "stoomfabriek van scheikundige meststoffen" geregistreerd


Roger Deneef, Chris De Maegd & Jo Wijnant

BOORTMEERBEEK (HEVER) RAVESTE1N RAVESTEINSTRAAT

SO, 3 1 9 1 HEVER

De met gele plomp Oude Dijle ter hoogte van <• Ravestein (foto R. Deneef, 1998)

Landgoed

(circa 6 hectare)

bejaardentehuis

(vanaf

kelijk een omgrachte eilanden

(hooghof

1894);

motte met

eeuwse regelmatige

twee het

tuin;

en heraanleg

vroeg-17debelangrijke rond

(o.m. omvorming

van slotgracht

landschappelijke

vijver); restanten

beplanting plataan, beemden.

uit die periode zomereik),

lint

van het kasteel is

een relict van een

verbouwingen

oorspron-

en neerhof);

bos ten noordoosten mogelijk

bij een

tot

(bruine

ook in de

1865

van beuk,

omgevende

Middeleeuwse kasteelmotte langs de oude Dijle

Het landgoed Ravestein gaat waarschijnlijk terug tot een hoogmiddeleeuwse motte (vandaar de oude benaming 'Ravenberch'), een van de versterkingen langs de Dijle aan de zuidgrens van het Land van Mechelen (1). Op IBde-eeuwse figuratieve kaarten zoals kaart 2 in de 'Atlas cadastral de Hever' door P. Van Antwerpen (2) en de Ferrariskaart (17711775), en de Primitieve kadasterkaart (1819) is de feodale dubbelstructuur nog zichtbaar: een rond eiland (perceel 748) waar vermoedelijk ooit de donjon stond, en een rechthoekig eiland (perceel 746), het vroegere neer- of voorhof. Op eerstgenoemde kaarten lag Ravestein nog aan een meander van de Dijle; in 1819 behoorde de grootste bochtafsnijding van de benedenloop tot het verleden en was deze meander al tot "la vieille DyIe"


• Het kasteel van Raïestem op de Primitieve kadasterkaart, opgemeten door Bastendorff in 1819 (archief Kadaster Brabant. Brussel)

• Het landgoed Ravestein - nog maar met lang meer - met de oude slotgracht in 1864 (ICM, 1880)

M&L

gedegradeerd. Ravestein ligt overigens in een gebied waar een groot deel van de perceelsgrenzen samenvallen met oude stroomgeulen, ook bijvoorbeeld de contouren van de 'Ronden Bemt' aan de overzijde van de oude Dijleloop. De vermelding op de Ferrariskaart ^'chateau deDemeester') verwijst naar Pierre de Meester, sinds 1762 heer van Ravestein. Zijn kleinzoon Constantin, burgemeester van Hever van 1808 tot 1853, en vooral zijn achterkleinzoon Emile (1812-1889) hebben tijdens de 19de eeuw het huidige uitzicht van het landgoed bepaald (3). Emile de Meester de Ravestein - jurist, diplomaat en verzamelaar van kunst en antiquiteiten (4) - zal na zijn terugkeer naar België in 1869 zijn collecties onderbrengen in het kasteel van Ravestein en verschillende beschrijvende catalogi van zijn "Musée de Ravestein^ publiceren (5).

In 1819 werd de enige bebouwing binnen de slotgracht - gepromoveerd tot "etang d'agrémenf — gevormd door het kasteel op het ronde eilandje (perceel nr. 748). Het rechthoekige eilandje (nr. 746) was waarschijnlijk het vroegere neerhof; het vormde samen met twee percelen buiten de slotgracht de lusttuin (of -tuinen) van het landgoed, samen bijna 70 are. Tussen de Neerstraat (de huidige Ravesteinstraat) en het kasteel met lustvijver en lusttuin lagen de nutstuinen, bijna 1,5 hectare, en de kasteelboerderij die uit twee parallelle vleugels bestond. Aan de andere (noordoostelijke) zijde van het kasteelcomplex stond een kleine tuinierswoning. Verder naar het noordoosten, aan de overzijde van de Dambeek die daar in de Oude Dijle uitmondt, lag een langgerekt perceel " bois d'agrémenf (perceel nr. 756) met twee vijvers precies in dezelfde as, maar niet gericht op het kasteel; de meest noordelijke (nr. 755) had een spiegelboogvorm. Dit lustbos met vijvers werd - nagenoeg evenwijdig - langs de ene zijde begrensd door de Oude Dijle, langs de andere zijde door een "avenue d'agrémenf, die lijnrecht in noordoostelijke richting toeloopt op de Dijle, bij de monding van de Molenbeek stroomopwaarts van de meandercoupure. Deze dreef, die ook op de Ferrariskaart wordt afgebeeld en die eenmaal voorbij het lustbosperceel zelfs verdubbelt maar ten slotte doodloopt, kan nooit een toegangsdreef geweest zijn.

De configuratie lustbos-vijvers-dreef is mogelijk een relict van een 17de-eeuwse regelmatige tuin, bovendien een vroeg type omdat kasteel en vijvers niet in dezelfde as liggen en relatief onafhankelijk van elkaar zijn. Pas in de late 17de eeuw worden lusttuinen aangelegd waarvan het landhuis of kasteel een integraal en structurerend deel is. Constantin de Meester bezat in 1830 te Hever nagenoeg 60 hectare, waaronder ook de Dijlebeemden rond het landgoed, maar het landgoed met zijn gebouwen, vijvers, dreef, moes- en siertuinen besloeg 'slechts' 6 hectare (6).

Opgesmukte beemden en museum Onder zijn zoon Emile, die in 1854 Ravestein kreeg toegewezen, werd de feodale slotgracht, nog zichtbaar op de stafkaart van 1864, omgevormd tot een 'landschappelijke' vijver, in feite gereduceerd tot de noordwestelijke arm. In hetzelfde jaar (1866) werd ook de verbouwing van het kasteel geregistreerd, met name de toevoeging van twee vooruitspringende zijvleugels, mogelijk bedoeld als onderdak voor zijn kunstcollectie. Na de ingebruikname van het kasteel als gemeentelijk rust-


Het borstbeeld van Emile de Ravestcm en twee door bem aangeplante bruine beuken, op de achtergrond het kasteel van Ravesteln, rusthuis sinds 1894 (foto K. Vandevorst, 2003)

huis in 1894 onderging het een reeks ingrijpende verbouwingen en uitbreidingen — te beginnen met een neogotisch mortuarium — waardoor het volume nagenoeg verdriedubbelde. De voorzijde werd echter onaangeroerd gelaten. Daardoor is het vroeg19de-eeuwse gebouw nog steeds herkenbaar: een dubbel huis van baksteen, vermoedelijk eertijds gepleisterd, met een vierkant grondplan, vijf traveeën, drie bouwlagen en een leien schilddak. De twee vooruitspringende zijvleugels, die rond 1866 symmetrisch werden toegevoegd, benadrukken door hun uitwerking (plat dak, zware kroonlijst, ingediepte hoekpilasters, palladiaanse uitwerking van de ramen in de kopgevels) het classicisme van het oorspronkelijke gebouw. Van de aanplantingen door Emile de Meester in de jaren 1860 zijn, verspreid over het domein, nog een tiental bomen overgebleven, bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, platanen (Platanus x hispanica), witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), gewone es (Fraxinus excelsior) en zomereik (Quercus robur). Van een echte landschappelijke aanleg is er in Ravestein nooit sprake geweest. De functionele en visuele scheiding tussen de lusttuinen ten zuiden van de Dambeek en het voormalige lustbos met de twee vijvers ten noorden daarvan bleef bestaan; hier bevond zich de tuinierswoning met een eigen moestuin (7). De vier oude platanen in de beemden aan de overzijde van de O u d e Dijle

getuigen echter van een poging om ook het omringende landschap te 'verfraaien'. De grote moestuin (perceel nr. 7 4 3 , 74 are) en ook het nu (verdwenen) koetshuis en de stallingen bevonden zich tussen de kasteelvijver en de huidige Ravesteinstraat. Een bakstenen muur vormt over circa 100 m de westelijke grens van het landgoed; de sporen van hechtingen en schroefgaten getuigen van zijn functie als 'fruitmuur' en de doornige opslag op regelmatige afstanden aan de voet van deze muur zijn vermoedelijk uitlopers van oude onderstammen. Het beheer van het park was ongetwijfeld op professionele leest geschoeid; in de ledenlijst van de leraarskring van de 'Leeraarskring tot volmaaktere boomteeltkunde in België van 1868 wordt de parkbeheerder van Ravestein vermeld, 'boomteeltkundige' Hendrik Cloetens (8). Rusthuis Ravestein In 1885, vier jaar voor zijn dood, schonk Emile de Meester Ravestein (samen met 125 hectare grond te Hever en in de aanpalende gemeenten) bij testament aan de Commissie van Openbare Onderstand ('Bureel van Weldadigheid) van Hever. In 1894 werd het kasteel in gebruik genomen als rusthuis. De nieuwe functie heeft niet alleen ingrijpende gevolgen gehad voor de gebouwen (zie hoger) maar ook voor het park. Elementen van veiligheid en comfort domineren mettertijd het


• Opgesmukt landschap: oude platanen in de beemden ten noordwesten van Ravestem (foto K. Vandevorst, 2003)

parkbeeld, ten nadele van het pittoreske: met betonelementen afgeboorde dolomietpaden die als tramsporen doorheen het park slingeren, de afsluiting van betonnen palen met twee liggers rond de vijver (die de wandelaar voor de verdrinkingsdood moet behoeden), lelijk heterogeen meubilair. De recente aanplantingen, vooral aan de zuidoostrand, bevatten relatief weinig opgaande bomen; de voorkeur ging uit naar bloeiende struiken (Forsythia, Hamamelis, Rhus, Tamarix...) of kleine bomen zoals kurkentrekkerwilg (Salix matsudana 'TortuosaV, Japanse sierkers (Prunus serrulata), Noorse esdoorn met bolvormige kroon (Acer platanoides 'GlobosumV, Japanse vingeresdoorn met donkerbruin blad (Acer palmatum 'AtropurpureumV..., maar er zijn ook enkele zeldzaamheden zoals doodsbeenderenboom (Gymnocladus dioicus).

NOTEN (1) DE MEESTER DE RAVESTEIN B., la seigneurie de Ravemtein a Hever. Handelingen van de Koninklijke Kring van Mechelen, 1950, p. 17; weergegeven in VERBESSELT ]., Het parochiewezen in Brabant tot het etnde van de 13de eeuw (XIV), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, z.d., p. 87-88. (2) Opgemaakt in 1728-1729 maar gecorrigeerd in 1741 na de aanleg van de steenweg Leuven-Mechelen (Koninklijke Bibliotheek, afd. Kaarten en Plannen, 18.119 B). (3) PEETERS J. & WOUTERS G., Emtle de Meester de Ravestein, Boortmeerbeek, Heemkring Ravensteyn, p. 1987, p.4; ARREN P, Van kasteel naar kasteel (7), Kapellen, Hobonia, 1997, p. 112115. (4) Livre d'or de l'ordre de Leopold et de la Croix de fer (I), Bruxelles, Ch. Lelong, 1858, p. 400. (5) o.m. DE MEESTER DE RAVESTEIN E., Musée de Ravestein.

Merkwaardige bomen (opname 9 september 1998) 2. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 448 9. gewone es (Fraxinus excelsior) 3 4 3 10. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 386 11. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 516(100) 13. gewone plataan (Platanus x hispanica) 408 16. zomereik {Quercus robut) 570(30), monumentaal, laag vertakt exemplaar 17. doodsbeenderenboom (Gymnocladus dioicus) 130 18. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 3 6 2

Catalogue descriptif, Liège, Imprimerie Desoer, 1871-1882. (6) Oudste kadastrale legger [212] Hever, art. 54 nrs. 51-81. (7) Een lemen hoevetje dat in 1909 werd afgebroken, volgens PEETERS & WOUTERS, op. cit., p. 55. (8) Bulletins du Cercle professoral pour Ie progrès de ['arboriculture en Belgtque - Tijdschrift van den Leeraarskring tot volmaaktere boomteelkunde in België, Gent, Annoot-Braeckman,1868.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook