Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/407
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/407
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 27 september 2021 diende xxx, een verzoek in bij Fluvius, waarbij werd verzocht om een afschrift te verlenen van de bestuursdocumenten die verband houden met het gemotiveerd onderzoek/besluit van de op 2 maart 2021 aangevraagde ongemakkenvergoeding door verzoeker. Fluvius heeft nagelaten om binnen de decretaal voorgeschreven termijn een beslissing te treffen. Op 31 oktober 2021 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing door Fluvius. Dit beroep werd geregistreerd op 3 november 2021. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 27 september 2021. Op 31 oktober 2021, de datum van het beroepschrift, is de decretale termijn voor de beslissing van Fluvius inmiddels verstreken. Bij gebrek aan beslissing, heeft de termijn om beroep aan te tekenen geen aanvang genomen. Het ingestelde beroep is tijdig ingediend en bijgevolg ontvankelijk.
www.vlaanderen.be
Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Inhoud van het beroepschrift
Verzoeker stelt in zijn beroepschrift dat zijn openbaarheidsverzoek door Fluvius tot op heden onbeantwoord is gebleven.
2. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie stelt nogmaals vast dat het door verzoeker geformuleerde openbaarheidsverzoek nog maar eens betrekking heeft op het dossier rond de meterstanden en de afsluiting door Fluvius van de elektriciteit bij verzoeker. De beroepsinstantie nam eerder al zes beslissingen in verband met datzelfde dossier (OVB/2020/274, OVB/2020/284, OVB/2020/333, OVB/2020/334, OVB/2021/011 en OVB/2021/187). Het betreft hier een dossier van verzoeker dat reeds verschillende jaren aansleept, waarbij ook, naast Fluvius zelf, heel wat andere instanties zijn betrokken geweest en/of tussen gekomen: gemeente en OCMW te Edegem, de Vlaamse Ombudsman, de VREG, gerechtelijke instanties (Vredegerecht). De beroepsinstantie merkt op dat, zoals artikel II.40, §3 van het Bestuursdecreet bepaalt, een verzoeker in principe geen belang hoeft aan te tonen om de openbaarheid van bestuursdocumenten te verkrijgen. Dit betekent evenwel niet dat er geen redelijk belang aanwezig moet zijn: het uitoefenen van een recht zonder enig aantoonbaar redelijk en voldoende belang zou aldus kennelijk onredelijk kunnen zijn. Het komt een overheidsinstantie of een beroepsinstantie in principe niet toe om de motieven van de aanvragen of van de beroepen te onderzoeken, maar dit kan echter geen vrijgeleide zijn om systematisch tal van documenten aan te vragen of uitleg en bijkomende informatie op te vragen waardoor een onredelijke continue overlast ontstaat voor een instantie, waardoor de normale werking ervan in het gedrang komt. Uit de door de beroepsinstantie ingewonnen informatie is gebleken dat er de voorbije jaren ontelbare mails zijn geweest van verzoeker aan Fluvius en aan verschillende instanties in verband met dit dossier en alleen al sinds september 2019 tussen Fluvius en xxx meer dan 60 mails werden uitgewisseld over dit dossier rond de meterstanden. Er kan Fluvius dan ook zeker geen gebrek aan medewerking worden verweten in haar talrijke pogingen om verzoeker uitleg en informatie te geven in dit dossier. Daarmee hebben zij zeer zeker voldaan aan de behulpzaamheidverplichting die is ingeschreven in artikel II.6 van het Bestuursdecreet Voorts is uit het onderzoek ook gebleken dat verzoeker met betrekking tot ditzelfde dossier rond de meterstanden ook al meermaals contact heeft opgenomen met de Vlaamse Ombudsdienst. Sinds 2015 is verzoeker meermaals gaan aankloppen bij de Vlaamse Ombudsdienst en ook in de zomermaanden van 2020 heeft hij nog een klacht ingediend bij de Vlaamse Ombudsdienst: hun taak bestaat erin om het dossier te onderzoeken en zo nodig te bemiddelen. In de zomer van 2020 ondernam de Vlaamse Ombudsdienst een zoveelste en laatste poging om te bemiddelen bij de verzuchtingen van verzoeker, waarbij de mensen van de Vlaamse Ombudsdienst zelfs ter plaatse zijn geweest en aan verzoeker alle tijd en ruimte hebben gegeven om al zijn problemen op te lijsten en aan hen over te maken. Daarop werd vanuit de Vlaamse Ombudsdienst
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/407
pagina 2 van 5
nogmaals een uitgewerkt voorstel tot verzoening gedaan tussen verzoeker en Fluvius, doch dit is slechts mogelijk indien beide partijen bereid zijn om hierin mee te gaan en na te denken over oplossingen en tegemoetkomingen. Dit veronderstelt ook vertrouwen in de Vlaamse Ombudsdienst en het vertrouwen dat de tegenpartij eventuele afspraken zal nakomen. Uiteraard veronderstelt dit ook dat de verzoeker zich zelf houdt aan de afspraken. Al snel is gebleken dat dit voor verzoeker onmogelijk was. Daarop heeft de Vlaamse Ombudsman eind augustus 2020 dit dossier definitief afgesloten en de verzoeker doorverwezen naar het gemeen recht voor eventuele verdere stappen. Ook is gebleken dat er nog een verzoeningsprocedure bij het Vredegerecht is geweest begin oktober 2020, die er is gekomen op uitdrukkelijke vraag van xxx zelf. Inhoudelijk is de discussie over dit dossier van de meterstanden daar nogmaals gevoerd, waarbij verzoeker voor de rechtbank (opnieuw) inhoudelijk verduidelijking heeft verkregen bij dit dossier, samen met een verregaand voorstel tot minnelijk akkoord. Verzoeker heeft evenwel ook daarmee geen genoegen genomen en is daarop opnieuw Fluvius en de beroepsinstantie gaan bestoken met mails met allerhande vragen over ditzelfde dossier. De beroepsinstantie stelt bijgevolg vast dat het huidige openbaarheidsverzoek en de ingestelde beroepsprocedure van xxx te situeren zijn in enerzijds een lange reeks van mails tussen verzoeker en Fluvius en anderzijds ook talloze pogingen van de Vlaamse Ombudsdienst om verzoenend op te treden en een verzoeningsprocedure bij de Vrederechter. Dit nieuwe openbaarheidsverzoek van xxx kadert andermaal volledig binnen datzelfde dossier, waarbij verzoeker een zoveelste poging onderneemt om toch zijn gelijk te halen ivm de afsluiting van zijn elektriciteitsaansluiting. Deze keer diende verzoeker op 2 maart 2021 een aanvraag in bij Fluvius tot het ontvangen van de wettelijk voorziene ongemakkenvergoeding voor zowel een laattijdige heraansluiting op het elektriciteitsnet als voor een niet aangekondigde stroomonderbreking. Het dossier rond de ingediende meterstanden, de afsluiting van de elektriciteitsaansluiting, de heraansluiting op het elektriciteitsnet en het verzoek van xxx voor een ongemakkenvergoeding zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vanuit Fluvius werd nogmaals herhaald dat zij verder niet langer communiceren met xxx (elk nieuw antwoord is immers olie op het vuur), voor zover het blijft handelen over ditzelfde dossier waarin hun standpunt ongewijzigd is en reeds verschillende keren is meegedeeld. Voor zover xxx dit wenst, zal wat Fluvius betreft enkel nog de rechtbank zich hierover (een laatste maal) kunnen uitspreken. De beroepsinstantie is, verwijzende naar wat hiervoor werd uiteengezet, daarom van oordeel dat de werking van de diensten van Fluvius in casu onevenredig wordt belast door de aard en het herhalend karakter van de verzoeken/mails die bij hen worden ingediend door xxx. De beroepsinstantie concludeert hieruit dat de grenzen van de kennelijke onredelijkheid hiermee bereikt zijn. De beroepsinstantie onderkent uit alle voorgaande vaststellingen en overwegingen een materieel en intentioneel aspect bij de beroeper dat niet te rijmen valt met de redelijke uitoefening van het recht van openbaarheid van bestuur. Het grondwettelijke recht op openbaarheid van bestuur is een instrument dat de burgers moet toelaten controle uit te oefenen op het handelen van een overheidsinstantie. Het moet de burgers in staat stellen de rechtmatigheid van het overheidsoptreden te beoordelen en met kennis van zaken te beslissen of er grond bestaat dat optreden in rechte aan te vechten. Beroeper heeft aldus het volste recht om gebruik te maken van de openbaarheid van bestuur om het doen en laten van bepaalde bestuursinstanties betreffende aangelegenheden die hij zich ter harte heeft genomen, na te gaan. Hij is er evenwel niet van ontslagen om zijn rechten op redelijke en zorgvuldige wijze uit te oefenen: het belang dat de beroeper heeft bij de uitoefening van zijn rechten, moet in redelijke verhouding staan met de gevolgen voor de werking van de betrokken overheidsinstantie.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/407
pagina 3 van 5
De vraag wanneer een aanvraag tot openbaarmaking de grens van de kennelijke onredelijkheid overschrijdt is zeer delicaat en moeilijk. Daar moet, het uitgangspunt indachtig dat de uitzonderingsgronden op de openbaarheid restrictief moeten worden geïnterpreteerd en toegepast, heel behoedzaam mee worden omgegaan. Nochtans kan de beroepsinstantie in casu alleen maar besluiten dat de huidige beroeper de perken van de redelijkheid manifest te buiten is gegaan. Zijn handelswijze, gelet op het repetitief karakter van de vragen die zijn gesteld aan Fluvius in dit dossier rond de meterstanden en gelet op de jarenlange bemiddelingspogingen door de Vlaamse Ombudsdienst en de verzoeningspoging bij het Vredegerecht, schaadt de normale werking van de betrokken overheidsinstantie (in casu Fluvius). Verwijzende naar de hiervoor uiteengezette bijzondere omstandigheden, is er naar het oordeel van de beroepsinstantie in casu dan ook sprake van rechtsmisbruik: de beroepsinstantie is m.a.w. de mening toegedaan dat de diverse herhaalde vragen om verduidelijking/informatie aan Fluvius rond het dossier met de meterstanden van deze beroeper een misbruik van recht inhouden. Het verbod van rechtsmisbruik vormt een algemeen rechtsbeginsel. Volgens de rechtspraak en rechtsleer is rechtsmisbruik de uitoefening van een recht, niet alleen met het enkele opzet te schaden, maar ook het uitoefenen van dat recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dit recht door een voorzichtig en bezorgd persoon (ter goeder trouw). De gevolgen van de uitoefening van een recht mogen niet in onevenredigheid zijn met de voordelen voor degene die het recht uitoefent. Het misbruik van recht is een uitzonderingsgrond die onder toepassing van artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet kan worden ingeroepen en die de aanvraag tot openbaarmaking “kennelijk onredelijk” maakt. Dit is in casu het geval, gelet op het repetitief karakter van de vragen om informatie/verduidelijking die zijn gesteld aan Fluvius en gelet op de jarenlange bemiddelingspogingen door de Vlaamse Ombudsdienst en de recente verzoeningspoging bij het Vredegerecht. Er kan dan ook niet anders geconcludeerd worden dan dat beroeper zijn recht inzake openbaarheid van bestuur misbruikt met het huidige nieuw openbaarheidsverzoek in het kader van het dossier rond de meterstanden. Temeer nu uit de ingewonnen informatie is gebleken dat verzoeker reeds eerder een document heeft toegestuurd gekregen van Fluvius met alle meterstanden. Verzoeker heeft immers op 23 augustus 2020 een document bezorgd aan Fluvius, met het oog op de verzoeningszitting bij het Vredegerecht te Kontich. Bij dat document wordt door verzoeker zelf een bijlage gevoegd met een volledig overzicht van de meterstanden zoals hij dat van Fluvius heeft ontvangen (het gaat duidelijk om een 1 op 1 uitprint vanuit het datasysteem van Fluvius). Verzoeker kan dus moeilijk beweren dat hij dit nooit heeft mogen ontvangen. Door nu met dit nieuwe beroepsdossier nog maar eens dezelfde informatie op te vragen, wordt aangetoond dat verzoeker steeds opnieuw herhalingsverzoeken indient met betrekking tot ditzelfde dossier. Na billijke afweging van ieders belangen, oordeelt de beroepsinstantie, op basis van wat hiervoor uitvoerig werd uiteengezet, dat het huidige openbaarheidsverzoek van xxx moet afgewezen worden omdat het een manifeste uitdrukking is van rechtsmisbruik en kennelijke onredelijkheid. Het voordeel van de informatie die beroeper wenst te bekomen (via herhaaldelijk dezelfde of gelijkaardige informatie op te vragen) weegt kennelijk niet op tegen de last die deze herhaaldelijke aanvragen veroorzaken binnen de diensten van Fluvius. De beroepsinstantie stelt hiermee vast dat verzoeker blijft volharden in het indienen van steeds weer dezelfde openbaarheidsverzoeken met betrekking tot éénzelfde dossier bij Fluvius. Op zeer korte tijd werden nu zeven beroepsdossiers ingediend door xxx met betrekking tot hetzelfde dossier bij Fluvius. De beroepsinstantie kan dergelijke handelswijze enkel maar beschouwen als een grondig misbruik van de bepalingen uit het Bestuursdecreet, met de kennelijke onredelijkheid van het huidige nieuwe verzoek tot gevolg.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/407
pagina 4 van 5
Het ingestelde beroep wordt dan ook als ongegrond beschouwd. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 31 oktober 2021 tegen de ontstentenis van beslissing vanwege Fluvius wordt als ontvankelijk doch ongegrond beschouwd. Brussel, 30 november 2021 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/407
pagina 5 van 5