Skip to main content

bezoekersgids_Dorpelijkheid_pdf.pdf

Page 1

Dorpelijkheid Michiel De Cleene Mark Luyten / Thomas Verstraeten Nahid Shaikh


DORPELIJKHEID Michiel De Cleene Mark Luyten / Thomas Verstraeten Nahid Shaikh

met een bijdrage van Johan Braeckman

Atelier Bouwmeester Ravensteingalerij 54-59, 1000 Brussel Tentoonstelling van 15 januari t/m 11 maart 2022


Drie artistiek-documentaire verkenningen over ‘dorpelijkheid’ De Bouwmeester adviseert de Vlaamse overheid bij de ontwikkeling van een architecturale en ruimtelijke visie. Samen met een team van experten helpt hij publieke opdrachtgevers om concrete ruimtelijke opgaven scherp te stellen en ontwerpers te kiezen voor de realisatie van projecten. Daarnaast initieert het Team Vlaams Bouwmeester onderzoek en reflectie, om urgente thema’s te agenderen voor het beleid: scholenbouw, collectief wonen, inclusieve zorginfrastructuur enzovoort. Bij dit alles lag het accent in de voorbije twintig jaar vaak op stedelijkheid en de stedelijke context. Onder impuls van de opeenvolgende Vlaamse bouwmeesters en vele andere actoren binnen de overheid en in het middenveld hebben de Belgische steden de jongste decennia een nieuwe dynamiek ontwikkeld, met meer aandacht voor kwaliteitsvolle publieke ruimte en publieke gebouwen, voor groen en zachte mobiliteit. Grote steden als Antwerpen, Brussel, Gent of Charleroi hebben inmiddels sterke stadsontwikkelingsbedrijven en/of stadsbouwmeesters, die de kwaliteit van de gebouwde omgeving bevorderen en bewaken. Het Team Vlaams Bouwmeester zet echter niet alleen in op de steden. Lokale besturen doen evengoed een beroep op onze diensten, en vele van de begeleide projecten en geïnitieerde trajecten situeren zich in landelijk en randstedelijk gebied of in de kernen van kleinere gemeenten. Of men ook in die suburbane en landelijke context kan spreken van een globaal verbeterde omgang met architecturale en ruimtelijke uitdagingen, is twijfelachtig. Mede als gevolg van een toenemend bewustzijn rond ecologie en duurzaamheid groeit de voorbije jaren vooral… de bezorgdheid. De negatieve gevolgen van een versnipperd ruimtegebruik, verspreide bebouwing en een voorkeur voor individuele automobiliteit laten zich in Vlaanderen steeds harder voelen: in de voortdurende inname van de schaars geworden open ruimte, de verharding, de files, inefficiënt openbaar vervoer enzovoort. Vanuit het beleid beklemtoont men de noodzaak om de bebouwing meer te concentreren in de kernen, en deze te versterken en te verdichten. Als lokale besturen en ontwikkelaars al die kaart trekken, dan gebeurt dat echter niet altijd voldoende selectief en stoten de resultaten vaak op veel kritiek. Landelijke gemeenten verstedelijken inderdaad aan een hoog tempo. In vertrouwde dorpen rijzen de appartementsgebouwen als paddenstoelen uit de grond. Daarbij lijken we de taal nog niet te hebben gevonden om die verdichting en stapeling van woningen op een harmonieuze wijze in de dorpen in te passen. Stedelijke typologieën worden in het dorp gedropt zonder rekening te houden met de plaatselijke context, en dit lokt bij burgers én experten geregeld verontwaardigde reacties uit. Veel dorpen hebben met de tijd al veel van hun karakter verloren. De dorpsstraten in de kernen lijken allemaal op elkaar en op een foto is vaak moeilijk te zien, in welk dorp we ons bevinden. De voetganger is in de auto gestapt, dorpsstraten zijn steenwegen geworden 4


en geparkeerde wagens hebben het dorpsplein ingenomen. Voetwegen zijn verdwenen en samen met hen kleine landschapselementen. Door al deze evoluties – niet ten onrechte – vooral te benaderen vanuit overwegingen rond ecologie en duurzaamheid, dreigen we wel eens voorbij te gaan aan de vraag, welk beeld het allemaal oplevert, en hoe het gesteld is met de belevingskwaliteit van de dorpse omgevingen. In zijn ambitienota 2020-2025 gaf Bouwmeester Erik Wieërs een hoofdstukje de titel ‘Dorpelijkheid’. Het woord staat niet in onze woordenboeken: er bestaat blijkbaar geen dorpse pendant van ‘stedelijkheid’. Wieërs formuleert het voornemen, er mee over te waken ‘dat het verdichten van de dorpskernen gepaard gaat met het versterken van hun karakter en identiteit’. Over de vraag, welke de nieuwe architectuur en de nieuwe ruimtelijkheid van het dorp zouden kunnen zijn, wil het Team Vlaams Bouwmeester in 2022 een of meerdere trajecten uitzetten. Alvorens die concreet vorm te geven, leek het goed om, bij wijze van opmaat, even met een andere blik (dan die van architecten, stedenbouwkundigen en ruimtelijke planners) naar het dorp te laten kijken. We denken dat het openen van zo’n verbeeldingsruimte een manier kan zijn, niet alleen om ons te laten prikkelen en inspireren, maar ook om het publieke debat wat rijker te schakeren, voorbij de behoudsgezinde verontwaardiging en het goedbedoelde pragmatisme. Het Team Vlaams Bouwmeester nodigde fotograaf Michiel De Cleene, kunstenaars Mark Luyten en Thomas Verstraeten, en documentairemaakster Nahid Shaikh uit om zich, in alle vrijheid en vanuit hun eigen artistieke of documentaire praktijken, te buigen over het dorp en de bezorgdheden die we hun voorlegden. Op hun beurt nodigden ze filosoof Johan Braeckman uit een tekstbijdrage te leveren.

5


Michiel De Cleene [hij zwaait opnieuw naar de vrouw die nog steeds haar hond uitlaat] Acht trajecten, een dorp Er zijn vossen en marters. Er lopen een snelweg, een kanaal en een spoorweg doorheen. Er is een melkboer en een staande wip, een uitkijkpunt en een haciënda, een torenkraan en een geautomatiseerd magazijn. Naast het spaarbekken wordt een nest Duitse herders geboren. De architect parkeert met twee wielen in het gras. In café The Bolero is het op dit uur altijd druk. De bus rijdt snel; de ramen staan open. Onder de kastanjes bij de glascontainers wandelt een vrouw naar de supermarkt. Een gloednieuwe robotmaaier rijdt tegen de spits van de basiliek. Een luchtballon vliegt laag over de velden. Een vrouw wijst. In de berm woekert een invasieve exoot. Er staat een lege bak cola op een hekstijl.

Door zijn werk als achitectuur- en landschapsfotograaf voor diverse opdrachtgevers is Michiel De Cleene goed vertrouwd met de Vlaamse (stads)landschappen. Hij is ook actief als onderzoeker, waarbij zijn interesse uitgaat naar de grenzen en condities van het documentaire genre, en naar wat 6


er gebeurt wanneer onzekerheid en speculatie daarin een centrale plaats krijgen. Voor dit project verkende hij de mogelijkheden en beperkingen van het dorp als narratief weefsel. Een dorp bestaat uit landschappelijke, stedenbouwkundige, sociale, natuurlijke en historische elementen. De specificiteit van die elementen en hun combinatie zorgen ervoor dat een dorp herkenbaar is als dorp – als dit dorp, en niet als een ander dorp; als dorp, en niet als stad of gehucht. Maar een dorp is meer dan iets wat geografisch aan te duiden is, of te onderscheiden valt aan de hand van oppervlakte, grootte of aantal inwoners. Minstens even cruciaal is volgens De Cleene de wijze waarop het functioneert als een verzamelplaats van verhalen. Michiel De Cleene vergezelde diverse personen die zich in verschillende dorpen tegen een andere snelheid en op een andere manier bewegen, tekende hun verhalen op en bracht de trajecten die zij volgen, in kaart. Die verzameling vormde de meervoudige basis (historisch/anekdotisch en geografisch) voor een fotografische documentatie, in een registrerende, documentaire stijl. Vervolgens werden de relazen, de tracés en de beelden cartografisch uitgezet, en als lagen over elkaar heen gelegd. Het geheel vond zijn neerslag in een boek met de titel [hij zwaait opnieuw naar de vrouw die nog steeds haar hond uitlaat]: een dwarsdoorsnede en een momentopname van één fictief Vlaams dorp. De trajecten van de veearts, van de gepensioneerde vrouw op weg naar de supermarkt, van de architect, van de installateur van robotmaaiers, van een heteluchtballon, van de melkboer, van de stamgast op weg naar het café en van een lijnbus kruisen elkaar, snijden door en cirkelen rond het centrum, volgen de lintbebouwing, en geven zo het dorp, bewegend, vorm. De combinatie en accumulatie van reële trajecten, verhalen en beelden resulteert niet alleen in een fictief dorp, zij tonen ook het dorp als fictie. Het dorp vandaag bestaat volgens De Cleene als een verzameling van nostalgische en romantiserende gedachten en beelden, pessimistische vooruitzichten, vooroordelen en pragmatische invullingen. Het is als een dergelijk gelaagd verhaal, geschreven door de mensen die er wonen en passeren, dat het dorp en de wijze waarop het landschappelijk, discursief en sociologisch functioneert, begrepen kan worden. [hij zwaait opnieuw naar de vrouw die nog steeds haar hond uitlaat] bevat gefictionaliseerde transcripties van gesprekken die plaatsvonden in Beersel, Beervelde, Beert, Brielen, Desteldonk, Doorslaar, Dworp, Eindhout, Elingen, Ertvelde, Gorsem, Hijfte, Holleken, Hondzocht, Houthulst, Jonkershove, Klerken, Linkebeek, Mendonk, Merkem, Moerbeke, Oosterlo, Reningelst, Terrest, Vlamertinge, Wachtebeke, Westouter, Woumen, Zaffelare, Zammel en Zeveneken. Het bevat ook een bijdrage van schrijver en literatuurwetenschapper Sofie Verraest. Onderzoek en redactie werden mee verzorgd door Arnout De Cleene. Ine Meganck gaf het boek vorm. Naast het boek presenteert De Cleene in deze tentoonstelling de kaart van het dorp en een selectie van beelden uit het boek. 7


Michiel De Cleene (°1988, Gent) is fotograaf. Hij werkt als onderzoeker aan KASK, School of Arts, Gent en maakt deel uit van De Cleene De Cleene en het collectief 019. Hij is een van de oprichters van The School of Speculative Documentary. In veel van zijn projecten hanteert hij een polycentrisch perspectief binnen een documentaire context. In 2014 maakte hij de vierde (en voorlopig laatste) reeks foto’s binnen het herfotografie-project ‘Recollecting Landscapes’. Hij publiceerde de boeken -scope, F#1-13 en Reference Guide. Hij maakte bijdragen voor het Architectuurboek Vlaanderen N°14 (VAi), Trigger (FOMU), A+, rekto:verso en Image & Narrative.

8


9


Mark Luyten / Thomas Verstraeten Zomeracademie in Balen Net als Michiel De Cleene gaan ook Mark Luyten en Thomas Verstraeten uit van de hypothese, dat datgene wat wij als ‘het dorp’ definiëren niet alleen het resultaat is van een reeks menselijke verbindingen en ruimtelijke ordeningen, maar ook van een stroom verhalen die het dorp en zijn bewoners voortbrengen en die vervolgens hun weg vinden naar literatuur, films, schilderijen… Uit de Vlaamse literatuur en films komt een dubbel beeld van het dorp naar voren. Het wordt er enerzijds beschreven in termen van nabijheid en hechtheid, van stilte en stilstand: een plek waar iedereen iedereen kent en mensen in harmonie leven met de natuur. Evengoed staat het dorp voor isolement en verstikking, sociale controle en achterbaksheid, angst voor het andere en het nieuwe. Verstraeten en Luyten stellen zich de vraag of die verhalen nog echt iets vertellen over het veranderde, hedendaagse dorp? Is de hedendaagsheid van het dorp niet een zaak van altijd andere, nieuwe verhalen? Voor het project Zomeracademie in Balen onderzoeken Thomas Verstraeten en Mark Luyten of en hoe in een dorp nieuwe ficties zouden kunnen ontstaan. De Zomeracademie draait rond de inplanting van een groots opgezette kunstenwerkplaats, pal in het centrum van Balen, die voor een korte periode de gemeente inpalmt en reorganiseert. De Zomeracademie is niet zozeer een school als wel een artistieke multimediale werk- en ontmoetingsplaats: een soort bijenkorf die niet in de eerste plaats de productie van kunstwerken ambieert maar eerder een bijzondere, artistieke energie wil genereren. Dit impliceert specifieke vormen van sociaal verkeer en specifieke ruimtelijke constellaties. De Zomeracademie is een disruptief, nomadisch dorp dat neerstrijkt in de gemeente, enerzijds vreemd aan de gewone gang van zaken maar anderzijds ook eigen. Voor de constructie van dat nomadische dorp maken Mark Luyten en Thomas Verstraeten gebruik van materialen, infrastructuur, diensten en talenten die ze in het dorp zelf vinden: een klaslokaal als repetitieruimte, een leeggemaakte garage als een plek waar een workshop kan plaatsvinden, een schrijnwerkersatelier als werkplaats, een supermarkt als podium... Maar ook slaapkamers in particuliere huizen die als logeerplek worden aangeboden, toiletruimten die publiek worden, een tuin om in te kamperen, een huiskamer om uitgebreid te ontbijten en te kletsen... En dan natuurlijk: fanfares die met een choreograaf aan de slag gaan met de dorpsstraten als decor, beeldende kunstenaars die een brug uitdokteren, café De Post dat zich voor de gelegenheid omdoopt tot Café Des Arts… Met het project willen de makers bevragen hoe die tijdelijke, fictieve reorganisatie andere verbindingen kan zichtbaar maken en hoe deze in het bestaande dorp kunnen worden geënt. De Zomeracademie plaatst sluimerende energieën van een dorp en zijn bewoners radicaal op de voorgrond en verbindt deze met andere van buiten het dorp. 10


De Zomeracademie zal voorlopig slechts bestaan als een hypothese, een voorstel. Met een fotocamera in de aanslag dompelden Mark Luyten en Thomas Verstraeten zich onder in het sociale en culturele leven van de gemeente Balen. Ze spraken met vele bewoners en fotografeerden alles wat mogelijk deel zou kunnen uitmaken van de Zomeracademie. Die foto’s verwerkten ze tot een maquette, in een poging plekken en dynamieken te identificeren en te verbinden. De maquette toont een hypothetisch nomadisch dorp en zijn inplanting in de gemeente Balen. Ze vormt een aanzet en proeve van het dorp als een ander narratief.

11


Mark Luyten (°1955, Antwerpen) woont en werkt in Antwerpen en is beeldend kunstenaar. Hij werkt alleen maar soms ook samen met anderen, in situ, in opdracht of in een atelier, en bedient zich van diverse media: fotografie, video, installaties, schilderijen, boeken. Hij gaat op zoek naar ‘blinde en verblindende beelden of, misschien beter, wat er net naast ligt: het bijna blinde en net niet verblindende of een strompelend beeld dat te lang naar de zon gekeken heeft’. Hij werkte tevens als onderzoeker en als begeleider van onderzoek in de kunsten. Zijn werk wordt sinds 1980 getoond op diverse tentoonstellingsplatformen, individueel of in groep, in Europa, de Verenigde Staten, Canada en Japan. Thomas Verstraeten (°1986, Antwerpen) woont en werkt in Antwerpen en is theatermaker, acteur en beeldend kunstenaar. Hij maakt deel uit van theatergezelschap FC Bergman, waarmee hij voorstellingen en opera’s creëert die nationaal en internationaal gewaardeerd worden. In het werk van FC Bergman staat de spartelende, immer trachtende mens centraal. De voorstellingen worden gekenmerkt door groots aan elkaar gemonteerde beelden en onderzoek naar theater in immense ruimtes, met groepen figuranten en integratie van video. FC Bergman is verbonden aan het Antwerpse stadstheater Toneelhuis. Los van FC Bergman werkt Verstraeten aan een kunstpraktijk die de grenzen tussen podiumkunsten en beeldende kunsten aftast. Zijn projecten werden gepresenteerd in de stedelijke publieke ruimte en in culturele instituties.

12


13


Nahid Shaikh Allures Nahid Shaikhs film is het resultaat van observaties en gesprekken die ze voerde in het Oost-Vlaamse dorp Sint-Maria-Oudenhove. Tijdens haar research en de zoektocht naar interessante locaties was de naam van het dorp dikwijls gevallen: het had nog een identiteit, een bruisend leven en was idyllisch gelegen in een glooiend landschap. Het dorp dat ze aantrof ligt aan de ene kant inderdaad tussen de glooiende heuvels van de Vlaamse Ardennen. Aan de andere kant is het via lintbebouwing bijna een voorstad geworden van het aangrenzende Zottegem, waarvan het ook een deelgemeente is (bij de fusie in 1977 werd de gemeente gesplitst en kwam een deel bij Zottegem, een ander deel bij Brakel terecht). Sint-Maria-Oudenhove: een dorp met stedelijke allures, of een wijk met dorpse allures? Het bleek een kwestie van perceptie. Shaikh vatte post in de dorpskern. Het dorpsplein met de kerk, een café en een paar winkeltjes wordt doorsneden door een grote verkeersas, wat resulteert in regelmatig fileleed. Shaikh ontmoette er onder meer een inwijkeling, de laatste zuster van het bijna verdwenen klooster en een ingeweken oudere dame. Net als iedereen die in het dorp komt, leerde ze ook Dane kennen, de ‘incontournable’ ex-cafébaas. Doel was, zo weinig mogelijk te regisseren en de realiteit van dit dorp, van deze mensen ‘te capteren zoals ze is’. Anderzijds is in de film de ambiguë relatie voelbaar die de maakster zelf met het dorp in het algemeen, en met dit dorp in het bijzonder onderhoudt. Het dorp en het dorpsleven beantwoorden naar eigen zeggen helemaal niet aan het idyllische beeld dat Shaikh zich in de jaren 1980 als stadskind en consument van nostalgische tv-fictie placht te vormen. Dat belet haar evenwel niet, de bewoners empathisch tegemoet te treden. De getuigenissen en het dorp zelf zitten vol tegenstellingen: het lawaai van het verkeer op de hoofdbaan dat doet denken aan een stad en de stilte achter de kerk, de vele auto’s en de weinig bewandelde dorpswegels. Inwijkelingen komen er voor de rust, terwijl dorpelingen klagen over het gebrek aan levendigheid. De mensen kennen elkaar nog, maar velen ook niet meer. Tradities verdwijnen, zegt Dane, de cafébaas, maar de majorettes en fanfare proberen die alsnog levend te houden. ‘Ik ken hier weinig mensen,’ zegt de zuster, die niet meer op de oude kloostersite kan rondwandelen omdat er een ‘draad’ staat, terwijl zo’n omheining voor Dane en de dorpsfacteur net aanleiding is om een praatje te maken over mensen die ze van vroeger kennen. Hoewel alle verwachtingen, alle levens zo verschillend zijn, en hoewel de geïnterviewden veel in termen van verlies spreken, schemert de liefde voor hun dorp in de verhalen door. Nahid Shaikh stelt zich de vraag, of dat misschien net een wezenlijk element van dorpelijkheid is. 14


Nahid Shaikh (°1978, Brussel) is een Belgische documentairemaker met gemengde roots. Na een passage bij de BBC werkt ze sinds 2006 als eindredacteur en reporter voor Canvas, VRT. Ze komt graag waar journalisten niet komen, of waar ze al lang vertrokken zijn. Voor Amazones reisde ze met Phara de Aguirre naar Colombia en Iraaks Koerdistan om te begrijpen waarom vrouwen de wapens opnemen, en wat de gevolgen van die keuze zijn. Met Rudi Vranckx ging ze naar Congo, vijftig jaar na de onafhankelijkheid. Voor Blanco reisde ze samen met de Aguirre door België, om mensen die niet meer of ongeldig stemmen alsnog een stem te geven. Ze maakte ook auteursdocumentaires als Bedankt & Merci, over volkscafés in de Westhoek, en La Facture, een intiem portret van haar Pakistaanse vader, die op zeventienjarige leeftijd zijn land verliet en daarvoor een hoge prijs betaalde.

15


16


17


Over dorpelijkheid Johan Braeckman Laat ons beginnen bij het begin. De anatomisch moderne mens – een primaat zoals u en ik – bestaat ongeveer driehonderdduizend jaar. We beleefden tal van onwaarschijnlijke avonturen, waren op sommige momenten de uitsterving nabij en migreerden naar bijna alle delen van de wereld. Ergens onderweg begonnen we te praten, bedachten we kunst, mythologie en technologie en verfijnden we de morele, sociale, cognitieve en andere vermogens die we van onze voorgangers erfden. Tot enkele tienduizenden jaren geleden waren we niet de enige leden van Homo, ons geslacht. In West- en Zuid-Europa ontmoetten we de neanderthalers, in Siberië de Denisovamens. We vermengden ons genetisch met beide soorten. Tal van mensen die nu leven, dragen genen in zich afkomstig van neanderthalers of Denisovamensen. We waren onderling anders, maar leken ook goed op elkaar. Toch is er een fundamenteel verschil: wij leven nog, zij zijn uitgestorven. We weten nog steeds niet goed hoe dat zo gekomen is. Waren we agressiever? Slimmer? Beter in staat om ons aan te passen aan een veranderende omgeving? Of hadden we domweg meer geluk? Misschien komt de wetenschap het ooit te weten. In elk geval, dat onze voorouders creatief en adaptief waren, staat buiten kijf. Anders konden ze nooit de overgang maken van een bestaan als jager-verzamelaar naar het sedentaire boerenleven. We zijn pas zo’n tienduizend jaar geleden landbouw en veeteelt gaan bedrijven. Daarvoor waren we maar liefst 290.000 jaar lang nomaden, die zichzelf en hun kroost in leven hielden door jagen, verzamelen en visvangst. Als we onze verre voorouders er bij nemen, de Homo erectus en Homo habilis waaruit we evolueerden, dan gaat het over meerdere miljoenen jaren. Kortom, wat men de neolithische revolutie noemt, is een recent gebeuren in de menselijke geschiedenis. Het blijft wonderlijk hoe immens de impact daarvan was, en nog steeds is. Wie zijn voedsel niet langer verzamelt maar kweekt, moet er zijn bed bij opmaken. Dieren en planten hebben nood aan verzorging en bewaking. Een direct effect hiervan, dat zich wellicht snel liet merken, is de grotere voedselopbrengst per gegeven oppervlakte. Een hectare grond die je zelf bewerkt en bezaait, levert veel meer op dan diezelfde 18


hectare die je aan de natuur overlaat. Vrouwen moesten niet langer vier of vijf jaar wachten tot ze het volgende kind konden baren. Jager-verzamelaars zwierven rond in groepen van enkele tientallen tot honderdvijftig mensen. Meer was om meerdere redenen niet mogelijk. Maar de groepen die de overgang maakten naar een sedentair bestaan, kenden een snelle demografische groei. De domesticatie van dieren en planten ontstond tussen 12.000 en 7000 jaar geleden op meerdere plaatsen. De overgang van een nomadisch naar een sedentair bestaan gebeurde geleidelijk, over meerdere generaties heen. Maar na verloop van tijd was er geen weg terug: onze neolithische voorouders hadden zichzelf in een fuik vastgezet. De demografische toename verplichtte de mens om de grond te blijven bewerken, ‘in het zweet zijns aanschijns’, zoals de Bijbel het stelt. Gedaan met het gezellige lanterfanten in het Aards Paradijs, waar het voedsel altijd volop voorradig was. Blijkbaar dachten de schrijvers van het boek Genesis reeds dat het vroeger beter was: de overgang naar het boerenbestaan beschrijven ze als een straf. Helemaal ongelijk hebben ze niet. Archeologisch onderzoek toont aan dat het leven tijdens en na de neolithische revolutie veel harder werd. De levensverwachting nam af, het dieet werd minder divers, de onveiligheid nam toe en er ontstonden allerlei nieuwe ziekten, omdat we intens met dieren gingen samenleven (zoönoses). Sommige hedendaagse auteurs beschrijven daarom de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt als de meest dwaze stap in onze culturele evolutie. We dragen er tot op heden allemaal de gevolgen van. Slechts een zeer klein deel van de bijna acht miljard mensen op dit moment, leeft nog nomadisch of kent een hybride vorm van levensonderhoud. De overweldigende meerderheid leeft op de wijze die de eerste landbouwers duizenden jaren geleden onbedoeld uitstippelden: sedentair, met een voortdurend toenemend aantal mensen samen en steeds dichter op elkaar, in zelfgemaakte woningen die een lange tijd moeten dienst doen. Dat heet beschaving, of civilisatie. In dat laatste herkennen we het woord civis, wat burger betekent, maar ook verwijst naar een stedeling of stadsbewoner. Tegen de critici in, kunnen we er ook niet omheen dat de neolithische revolutie ook tal van positieve effecten had, denk aan de ontwikkeling van het schrift, literatuur, handel, complexere technologie en architectuur, 19


nieuwe kunstvormen, arbeidsspecialisatie, filosofie, wiskunde, en gaandeweg geneeskunde en wetenschap. De pre-neolithische mens beïnvloedde reeds de natuur in vrij sterke mate, maar de neolithische revolutie bracht doelgerichte transformatie met zich mee van dieren en planten, van de wolf naar de poedel; van wilde, weinig voedzame gewassen tot de granen en zaden die we vandaag kennen. We associëren de eerste nederzettingen met beschaving en stedelijkheid. Veel auteurs schrijven over de eerste steden, zoals Jericho op de westelijke Jordaanoever, waar reeds 11.000 jaar lang onafgebroken mensen wonen, of Çatalhöyük in Centraal-Anatolië, waar tijdens de bloeiperiode vijf- tot achtduizend mensen samenleefden. Hier mogen we terecht al praten over een stad, al hanteren we dan andere criteria dan de huidige. Maar wat men doorgaans over het hoofd ziet: de eerste steden kwamen niet uit de lucht gevallen. Ze ontwikkelden zich uit gehuchten en dorpen, of wat we dorpelijke nederzettingen kunnen noemen: enkele tientallen of een honderdtal hutten of huizen, waarin enkele honderden mensen samen een bestaan opbouwden. Dorp is een van de oudste woorden die het Nederlands kent; het verwees oorspronkelijk naar één houten huis, of een bouwsel waarin mensen verblijven. (Het woord is afgeleid van het Protogermaanse turpa, dat dorf werd in het Oudhoogduits, thorp in het Oudsaksisch, therp in het Oudfries, thorpe in het Oudnederfrankisch, enzovoort.) Enerzijds was die nieuwe manier van samenleven sterk anders dan het vroegere nomadische bestaan. Maar anderzijds waren er nog veel overeenkomsten: iedereen kende iedereen, er bestond nog een grote mate van sociale gelijkheid en men deelde eenzelfde mens- en wereldbeeld. De samenleving was nog niet sociaal en economisch gediversifieerd, doorgedreven arbeidsspecialisatie bestond nog niet, er was nog geen politieke of religieuze elite, en de accumulatie van bezit en rijkdom was rudimentair. Onvermijdelijk veranderde dat naarmate de bevolking toenam. Psychologen toonden aan dat we maximaal met een honderdvijftigtal mensen een langdurige, stabiele sociale relatie onderhouden: we kennen hun namen, hun persoonlijkheid, hun biografie en hun familie, en weten doorgaans waar ze wonen. Meer dan honderdvijftig is in toenemende mate lastig: het worden kennissen, of mensen die je herkent maar waar je verder niks van afweet, tot onbekenden en vreemdelingen. 20


Een belangrijk aspect van de tol van de beschaving, in de betekenis van verstedelijking, is de vervreemding die mensen kunnen ervaren ten opzichte van de andere stadsbewoners. Ook de fysieke en mentale kloof met de natuur neemt toe. Anders dan bij de eerste dorpen in de geschiedenis, bouwde men muren rond de eerste steden, of groef men een gracht. Het verschil tussen natuur en cultuur, het wilde en het gedomesticeerde, was visueel duidelijk. De overgang voltrok zich eerder abrupt, via een poort of een brug. Het Gilgamesj-epos, meer dan vierduizend jaar geleden in kleitabletten vereeuwigd, reflecteert over de tegenstelling: Gilgamesj, koning van de stad, gaat de strijd aan met Enkidoe, een wildeman die het natuurlijke en ongetemde representeert. Enkidoe raakt geciviliseerd, wat het epos als een positieve gebeurtenis weergeeft. Aangeven waar precies een dorpelijke samenleving overgaat in een stedelijke is lastig, misschien zelfs onmogelijk. Wanneer werd Jericho een echte stad? Bij duizend inwoners? Tweeduizend? Vijfduizend? Toen niemand nog elke inwoner kende? Of toen er een koning benoemd werd? Een politieke of religieuze kaste ontstond? Er duidelijke wetten en regels nodig waren om de samenhang te bewaren? Hoe dan ook, het is niet omdat de overgang geleidelijk is en de criteria omstreden en deels subjectief zijn, dat er geen heldere verschillen bestaan tussen een dorp en een stad. Dat brengt me tot de kern van deze tekst: wat verstaan we onder dorpelijkheid? Strikt genomen bestaat dit woord niet. Stedelijkheid wel. Verstedelijking kennen we ook, maar verdorpelijking niet. Dat mag ons tot op zekere hoogte verwonderen. Het geeft allicht aan dat we er impliciet van uitgaan dat de pijl van de geschiedenis onvermijdelijk in de richting van steeds meer en grotere steden gaat. Dat een stad verdorpelijkt, terug een dorp of gehucht wordt, is contra-intuïtief, al zijn er meerdere historische steden vervallen tot ruïnes. De feiten zijn dat in de loop der geschiedenis steeds meer steden ontstonden, die steeds groter werden. Momenteel hebben honderden steden meer dan een miljoen inwoners, en in meerdere tientallen steden, megasteden genoemd, wonen meer dan tien miljoen mensen samen. Toch bestaat nog een ontelbaar aantal dorpen, verspreid over de hele wereld. Ze zijn nog niet opgeslokt door de verstedelijking, al blijft de voorstad maar groeien. Veel dorpelingen gaan er prat op in een dorp te wonen en 21


verzetten zich tegen stedelijke invloeden. De vraag of er binnenin steden nieuwe dorpen ontstaan, klinkt misschien vreemd, maar is niettemin zinvol. Steden kennen wijken, buurtcomités, winkels waar iedereen binnen een dorpelijke straal inkopen doet, op café gaat of een kerk bezoekt. (Roland Jooris dichtte: Een dorp is een cirkel / met de hand rond een kerk getrokken.) Er is vaak een parkje dat dienst doet als centrum, als een ontmoetingsplek. Hier en daar tracht men stedelijke dorpelijkheid te creëren, met kermiskoersen, een rommelmarkt of een braderie. Met wat goede wil kan men stellen dat zich ook op sociale media virtuele dorpen ontwikkelen: gemeenschappen van mensen die zich met elkaar verbonden voelen, online samen tijd doorbrengen, informatie uitwisselen en elkaar helpen en steunen waar nodig en mogelijk. Het is een belangrijk aspect van dorpelijkheid: de verbondenheid is concreter dan die in een stad. De band tussen mensen ontstaat er omdat ze elkaar persoonlijk kennen en in sociale, vriendschappelijke en familiale netwerken zijn verweven. De band tussen stedelingen, eens voorbij de inner circle van honderd à honderdvijftig mensen, is meer abstract: we zijn dan wel bijvoorbeeld Brusselaars, maar onze onderlinge verschillen kunnen zeer groot zijn, net zoals dat bij naties het geval is. Ik kan meer gemeenschappelijk hebben en een diepere band ervaren met een Afrikaanse doctoraatsstudent dan met een mede-stadsbewoner of willekeurige landgenoot. Het is in wezen een statistische kwestie: een stad kent nu eenmaal meer culturele, linguïstische, etnische, politieke en andere diversiteit dan een dorp. Het blijkt enerzijds een goede reden te zijn waarom mensen het dorp waarin ze zijn geboren en getogen ontvluchten: de homogeniteit doodt creativiteit en heeft een verstikkend karakter. Een stad is zoveel spannender en interessanter op tal van vlakken. Anderzijds is het net hierom dat velen hun dorp nooit verlaten, of er naar terugkeren als ze zelf kinderen opvoeden, of wanneer ze ouder worden. Het dorp voelt vertrouwd aan, is herkenbaar, veiliger, biedt rust en stabiliteit en sociale warmte. Men kent er de weg en de taal. Maar bovenal: een dorp bestaat uit verhalen die iedereen kent, die mensen verbinden en de biografie van een gemeenschap uitmaken. Men vertelt ze aan de toog en bij de bakker en de kapper, en grootouders geven ze 22


door aan hun kleinkinderen. Er zit blijdschap en drama in de verhalen, ze gaan over liefde, hoop en verlies, over wanhoop en twijfel, over alles wat ons tot mens maakt. Elk dorp kent zijn eigen verhalen en heeft een unieke levensbeschrijving. De emotionele intensiteit van het leven situeert zich niet op een andere schaal naargelang men in een dorp, een gemeente, een provincie- of een miljoenenstad woont. Dorpelijke verhalen kennen een ander ritme, er zit een traagheid in verweven die in het stedelijke leven teloor is gegaan. In steden gaat het steeds sneller, ook letterlijk. Wandelaars brengen minder tijd door in winkelstraten, op parkbanken en terrassen dan vroeger. Het dorp weet de oudere ritmes nog deels te bewaren. Een buitenstaander of inwijkeling pikt die niet meteen op, en praat, handelt en leeft off-beat, syncopisch. Dat kan voor wrijvingen zorgen waar een stad geen moeite mee heeft. Daar is fusion en freejazz eerder de regel. De harmonie die een dorp ons kan bieden, voelt goed voor wie ermee resoneert. Wie de juiste toon niet te pakken krijgt, vindt in de stad een natuurlijker biotoop. De voorbije decennia infiltreerde de stedelijke stijl steeds meer in de dorpelijke levenssfeer. Eerder reeds scheurden asfaltwegen dorpen doormidden, verminkingen waarvoor nog steeds niemand ter verantwoording is geroepen. Nu ruimen dorpshuizen plaats voor appartementsblokken, in de ogen van vele dorpsbewoners vreemde architecturale constructies, opgedrongen aan een landschap waarin ze moeilijk gedijen. Het dorp ontplooide zichzelf, van binnenuit, organisch en zelfregulerend. Elke inwoner, over vele generaties heen, droeg bij tot de groei van de ziel, het hart en karakter ervan. De verkavelingswijken die er tegenaan schurken en de velden en weiden inpalmen, hebben geen kern. Hun groeisnelheid is uit fase, een geschiedenis en biografie kennen ze niet. De verhalen erachter gaan over winst en profijt, diegenen die ze bedachten, zijn anoniem. ‘Dat dorp van toen, het is voorbij/ Dit is al wat er bleef voor mij/ Een ansicht en herinneringen,’ zong Wim Sonneveld reeds eind jaren zestig. De originele versie van Jean Ferrat is meerdere jaren ouder. Toen reeds betreurde men de teloorgang van de dorpsgeest door de opdringerigheid van de moderniteit en door de vlucht naar de stad van een deel van de jeugd. Wie zichzelf in onze tijd nog een dorpeling noemt, wijst op verlies, op gemis, op iets ongrijpbaars dat 23


dreigt verloren te gaan. In alle dorpen duiken dezelfde winkels en banken op, overal zijn auto’s, men serveert eenheidsworst, zo luidt de klacht. Nostalgisch gemijmer, dat voortkomt uit een gebrek aan aanpassingsvermogen aan een veranderende wereld? Misschien. Soms. Maar dorpelijkheid weerspiegelt de menselijke maat; het dorpsleven kan beter aansluiten bij onze geëvolueerde sociale psychologie dan de jachtigheid en anonimiteit van de grootstad. Al raken we nooit meer af van de ambiguïteit die is binnengeslopen: het dorpsleven trekt aan, maar stoot evenzeer af. Men wil er naar toe, men wil er van weg. Beide vaststellingen zijn tegelijk waar. Er is een hunkering naar de – al dan niet vermeende – eenvoud, het simpele en overzichtelijke leven, het dagelijkse praatje met de buren. Maar even goed is er Smalltown, die wrange song van Lou Reed: ‘When you’re growing up in a small town/You know you’ll grow down in a small town/There is only one good use for a small town/You hate it and you’ll know you have to leave.’ Is het dorp gedoemd om weg te kwijnen in de schaduw van de toenemende verstedelijking? Allicht niet, het verlangen naar alles waar het voor staat, blijft bestaan. Een betere vraag luidt: hoe zien we het dorp van de toekomst? Het beeld van het dorp is bij velen gefictionaliseerd en geïdealiseerd, wat vaak tot ontgoocheling leidt bij wie in die fictie wil leven. Niettemin is dorpelijkheid reëel, ook al is het moeilijk om de vinger op de juiste betekenis ervan te leggen. Het dorp draagt onmiskenbaar positieve waarden uit, die wel degelijk dreigen verloren te gaan als de bouwwoede blind en ondoordacht doorgaat. Tegelijkertijd dienen we te erkennen dat het woonmodel dat iedereen een vrijstaand huis met een tuin belooft, onhoudbaar is. Willen we de verdere versnippering van natuurlijke en publieke ruimtes vermijden, dan is verdichting noodzakelijk, ook in het dorp. De modernisering van het dorp is onvermijdelijk en noodzakelijk, maar hoe dat gebeurt, mogen we niet louter overlaten aan de bouwpromotoren. Dat eengezinswoningen verdwijnen en plaatsmaken voor gebouwen die met minder ruimte aan meer mensen een onderdak bieden, hoeven we niet te betreuren. Integendeel: het gaat zelfs terug naar het prille begin van het dorp, waar collectiviteit en samenhorigheid essentieel waren. Tegenover de klacht over de mogelijke teloorgang van het dorp, kunnen en moeten we creativiteit 24


plaatsen. Laat architecten, ontwerpers, kunstenaars, politici, ecologen, psychologen, investeerders, dorpelingen, stedelingen en andere burgers ideeën uitwisselen over de mogelijkheden die dorpen bieden voor cohousing, vergroening, alternatieve mobiliteit, hittewering en waterwinning, dierenwelzijn, tuinieren, kleinschalige kunst en cultuur, directe democratie, enzovoort. Het dorp heeft geen opera noch een sportpaleis, maar heeft dat ook niet nodig om te excelleren: de kracht ervan zit eerder in het intimistische en in het kleinschalige. Er hoeft geen plek te zijn voor een orkest dat Beethovens negende uitvoert. Om Satie te spelen is maar één piano nodig. En een fanfare en de toneelvereniging hebben in een dorp altijd ruimte. Zoals het dorpelijke zijn weg lijkt te vinden naar de stad, kan het stedelijke in het dorp tot expressie komen. Mede door het internet zijn informatie en kennis alom beschikbaar, van Herstappe tot Alveringem. Een dorp zal beter gedijen als het openstaat voor de wereld, het heden en de toekomst. Creativiteit kan overal opduiken, maar ze heeft architecturale, ruimtelijke en andere contextuele noden. Laat ons hierover grondig nadenken en diepgaand debatteren, vóór er opnieuw onherstelbare schade wordt aangericht. Veel dank aan Gwenny Cooman, Nahid Shaikh, Michiel De Cleene, Jouri De Pelecijn, Thomas Verstraeten, Mark Luyten en Erik Wieërs voor de inspirerende gesprekken die voorafgingen aan het schrijven van deze tekst. Johan Braeckman (°1965) is een Vlaamse filosoof. Hij is gewoon hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Gent, waar hij onder meer geschiedenis van de wijsbegeerte doceert. Braeckman was van 2003 tot 2008 tevens bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek spitst zich toe op de wijsgerige problemen verbonden aan de levenswetenschappen, in het bijzonder de evolutietheorie. In 2013 ontving Johan Braeckman de Loopbaanprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. In 2019 was hij laureaat van de Prijs Vrijzinnig Humanisme.

25


De tentoonstelling ‘Dorpelijkheid’ is een initiatief van het Team Vlaams Bouwmeester. Ze is samengesteld uit nieuwe producties die in de loop van 2020-2021 in opdracht van het Team tot stand kwamen. Concept en productie: Jouri De Pelecijn (projectcoördinatie), Christa Dewachter, Tania Hertveld, Anne Malliet, Celine Oosterlynck, Cateau Robberechts, Hedwig Truyts, Oda Walpot, Erik Wieërs Open dinsdag, vrijdag en zaterdag van 13:00 – 17:00 uur of op afspraak via bouwmeester@vlaanderen.be De tentoonstelling is gesloten op zondag, maandag, woensdag en donderdag en op 25/01 en 28/01 2022. Bezoekersgids Redactie en productiebegeleiding: Cateau Robberechts Grafisch ontwerp: Lise Leën Druk: Gillis, Brussel ISBN 9789040304422 D/2021/3241/368 VU Erik Wieërs, Vlaams Bouwmeester, Havenlaan 88 bus 10, 1000 Brussel


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
bezoekersgids_Dorpelijkheid_pdf.pdf by Vlaanderen-be - Issuu