GOVO Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid 2018 Rapport 2021
Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Statistiek Vlaanderen
GOVO
Genderonderzoek naar werksituatie en salaris bij de Vlaamse overheid
Rapport Vlimpers - data 2018 Oktober 2021
Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Agentschap Overheidspersoneel Jolien Voorspoels jolien.voorspoels@vlaanderen.be
Michiel Trippas michiel.trippas@vlaanderen.be
VSA - Statistiek Vlaanderen Walter Van Dongen walter.vandongen@vlaanderen.be
Inhoud 0 1 1b 2 3 4 5 6 7 8 9 9b
Algemene inleiding Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender en functieniveau Profiel van de werknemers bij de Vlaamse overheid en in het Vlaamse Gewest Werksituatie en salaris naar gender, functieniveau en leeftijd Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en andere aspecten (%) Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en beleidsdomein (%) Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd, beleidsdomein en entiteit Multivariate analyse van totaal bruto en bruto maandsalaris Berekening van salariscomponenten op basis van de regressies
3 16 58 64 77 100 111 126 133 150 158 168
Literatuurlijst
171
Bijlagen 1 Personeelsaantal in Vlimpers naar beleidsdomein en entiteit 2 Definitie van begrippen 3 Componenten van het salaris 4 GOVO - spss-bestand - variabelen
172 173 176 177
Algemene inleiding Achtergrond en doelstelling van het onderzoek De voorbije jaren was het maatschappelijk debat over de ongelijkheid in loopbaan en verloning tussen mannen en vrouwen enigzins op de achtergrond geraakt. Uiteraard onterecht. Het maatschappelijk streven naar (meer) (gender)gelijkheid op de arbeidsmarkt en in organisaties (privé en publiek) is immers een belangrijk onderdeel van de brede democratisering van het maatschappelijk leven (Van Dongen, 2008). Democratisering veronderstelt dat een werkbaar evenwicht worden gerealiseerd tussen de basiswaarden vrijheid, gelijkheid, solidariteit en doelmatigheid. Meer/voldoende gelijkheid gaat daarbij hand in hand met meer/voldoende vrijheid, solidariteit en doelmatigheid. Een voldoende gelijke arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen binnen de organisaties is in dat perspectief een belangrijke doelstelling, met aandacht voor centrale aspecten zoals werktijdregeling, functieniveau, statuut, vergoedingen, samenwerkingsverband, taakinhoud en besluitvorming. De Vlaamse overheid heeft als zeer grote publieke organisatie een voorbeeldfunctie in dat democratiseringsproces. Ze dient bijgevolg de (gender)gelijkheid zo veel en zo breed mogelijk te realiseren in de eigen organisaties. Uiteraard zijn graduele verschillen tussen de diverse organisaties mogelijk en zinvol, uitgaande van de concrete verschillen in opdrachten, beroepen/functies enz. Uitgaande van het fundamenteel principe 'gelijk loon voor gelijk werk' in het Europese en in het Belgische rechtssysteem is het personeelsstatuut van de Vlaamse overheid gericht op de realisatie van (gender)gelijkheid in de verloning. Het salaris wordt bepaald volgens een baremastelsel dat is gebaseerd op factoren als anciënniteit, functieniveau, statuut en werkregime. Tegenover het positieve formele stelsel staan in werkelijkheid hardnekkige genderverschillen in arbeidsparticipatie en verloning. Daarbij spelen verschillen in loopbaanverloop, aantal werkdagen, functieniveau, functie/beroep en groeikansen een grote rol.
3
De concrete betekenis van die structurele factoren voor de loonvorming is gebaseerd op normatieve keuzen in het verleden. Die keuzen staan principieel altijd ter discussie en structurele factoren kunnen worden gewijzigd uit hoofde van wijzigingen in die normatieve keuzen, De voorbije decennia heeft de Vlaamse overheid diverse initiatieven genomen om de bestaande genderongelijkheid in loopbaan en verloning (verder) te verkleinen. Dat is en blijft een werk van lange adem dat consequent moet worden volgehouden. De dienst Diversiteitsbeleid wil de komende jaren opnieuw voldoende aandacht besteden aan het dichten van de genderkloof bij de Vlaamse overheid. Een recurrent grondig genderonderzoek binnen de Vlaamse overheid is daarbij een belangrijk onderdeel. In het kader van het Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan Vlaamse overheid 2016-2020 nam de dienst Diversiteitsbeleid in 2018 het initiatief om GOVO te ontwikkelen: “In tijden waarin heel wat aandacht gaat naar de discussie over de verlenging van de loopbaan, wordt er weinig gesproken over de loopbaankloof tussen mannen en vrouwen. Dat die ‘genderloopbaankloof’ geen evident begrip is, maakt het aanzwengelen van de discussie erover extra moeilijk. Loonkloof, verschil in studiekeuze, verschil in arbeidsmarktpositie, ongelijke vertegenwoordiging in sectoren en in verticale doorstroom: het zijn maar enkele factoren in een complexe thematiek. … Verschillende initiatieven moeten genomen worden om de loopbaankloof te dichten, ook bij de Vlaamse overheid. Hierin kan de Vlaamse overheid als werkgever een voorbeeldrol spelen. Meer transparantie kan genderongelijkheid open aankaarten. De dienst Diversiteitsbeleid zal in de komende jaren een bijkomende inspanning leveren om de genderloopbaankloof bij de Vlaamse overheid in kaart te brengen en te investeren in het verkleinen ervan.” GOVO (Genderonderzoek Vlaamse overheid) is een initiatief van de dienst Diversiteitsbeleid en wordt uitgevoerd in samenwerking met Statistiek Vlaanderen. Het doel is de gender(on)gelijkheid bij de Vlaamse overheid in kaart te brengen, in relatie tot andere belangrijke factoren zoals functieniveau, leeftijd, werktijden, statuut, enz. Het onderzoek behandelt stap voor stap de componenten van de werksituatie en het salaris van de werknemers van de Vlaamse overheid (entiteiten aangesloten bij Vlimpers). De eerste doelstelling is de ontwikkeling en validatie van GOVO als onderzoeksinstrument opdat de analyse driejaarlijks kan worden herhaald. Vanuit het principe van onderbouwd beleid leidt dit tot de tweede doelstelling. De dienst Diversiteitsbeleid zal GOVO gebruiken om te komen tot gerichte aanbevelingen ter bevordering van gendergelijkheid binnen de Vlaamse overheid. Een driejaarlijkse herhaling van GOVO levert daarvoor een goed beeld van de actuele stand van zaken.
4
Data en werkwijze Het onderzoek is eind 2018 opgestart. Het is gericht op alle werknemers van de Vlaamse overheid, d.w.z. werknemers van de entiteiten van de Vlaamse overheid waarvoor het Vlaams Personeelsstatuut van kracht is. Degelijk onderzoek naar de werksituatie en het salaris van werknemers van de Vlaamse overheid vereist een goed databestand met voldoende consistente en betrouwbare gegevens over voldoende werknemers. Daarom wordt gebruik gemaakt van de gegevens van het personeelssysteem Vlimpers dat al geruime tijd van toepassing is en inmiddels de meerderheid van de medewerkers van de Vlaamse overheid omvat. Na overleg met de verantwoordelijken van Vlimpers werd afgesproken om te starten met de data van 2018. In een vervolgonderzoek kunnen recentere data worden gebruikt. De Vlimpers-data van 2018 werden in oktober 2019 geleverd. In 2018 werkten 28.645 personen bij de Vlaamse overheid, tegenover 27.499 personen in 2014. De stijging is grotendeels het gevolg van de zesde staatshervorming waarbij Vlaanderen nieuwe bevoegdheden kreeg en personeelsleden overkwamen van het federale niveau. (Agentschap voor Overheidspersoneel, Statistiek Vlaanderen). Bijlage 1 toont voor 2017 en 2018 het personeelsaantal in Vlimpers, naar beleidsdomein en entiteit. In 2018 telde Vlimpers 20.755 personeelsleden, tegenover 18.737 in 2017, een toename van bijna 11%. Die stijging is hoofdzakelijk te wijten aan de aansluiting van de Vlaamse Landmaatschappij en de Vlaamse Waterweg bij Vlimpers. Het aandeel personeelsleden opgenomen in Vlimpers in het totaal aantal personeelsleden van de Vlaamse overheid steeg van 65,6% in 2017 tot 72,5% in 2018. We gaan ervanuit dat de gegevens van Vlimpers voldoende respresentatief zijn voor alle medewerkers van de Vlaamse overheid, aangezien voor iedereen het Vlaams Personeelsstatuut van kracht is. Toch moet rekening worden gehouden met een kleine foutenmarge. Het vervolgonderzoek zal een ruimere populatie bestuderen wegens de toetreding van een aantal (grote) entiteiten in 2019 en 2020. De Vlimpers-gegevens van 2018 werden geleverd in een Excel-bestand. Het omvat alle gegevens van 20.603 werknemers die bruikbaar zijn voor het onderzoek, over de persoonlijke situatie, over de loopbaan en werksituatie en over de diverse salariscomponenten.
5
De gegevens van het Excel-bestand werden eerst via het statistisch programma SPSS omgezet naar een spss-inputbestand. Vervolgens werden de inputvariabelen in SPSS getransformeerd tot een geheel van variabelen die nodig zijn voor de analyses. Bijlage 4 toont de gebruikte variabelen, met naam en beschrijving. GOVO heeft het voordeel te werken op basis van uitgebreide, reële data. Tegelijk betekent dit dat er variaties in registratie kunnen optreden. Niet elke variabele wordt automatisch geregistreerd in Vlimpers en kan afhankelijk zijn van hoe strikt personeelsleden hun Vlimpers dossier onderhouden. Dit is bijvoorbeeld zo voor de registratie van telewerken (PTOW). We beklemtonen bovendien dat de gegevens van 2018 zijn en dus de werksituatie vóór de COVID-19-crisis weergeven. In dit onderzoek staan genderverschillen (en -gelijkenissen) in de werksituatie en het salaris centraal. De variabele gender is enkel binair (mannen/vrouwen) beschikbaar in de Vlimpers-gegevens (op basis van informatie uit het Rijksregister). Gender betreft hier dus ‘administratieve geslachtsinformatie’ die officieel is geregistreerd en komt niet noodzakelijk overeen met de genderidentiteit noch met het geboortegeslacht van de persoon. We gebruiken hier de term ‘gender’ en niet ‘geslacht’ omdat de focus ligt op de persoonlijke identiteit en de interacties daarvan met persoonlijke, professionele en maatschappelijke situatie. Die interacties maken diversiteit en nuances zichtbaar met betrekking tot loopbanen en salaris. Genderverschillen verwijzen hier dus naar verschillen tussen de groep mannen en de groep vrouwen voor diverse belangrijke aspecten, al dan niet in combinatie met elkaar. De Vlaamse overheid kent formeel goedgekeurde rapporteringsdefinities en regelingen. Deze kunnen de interpretatie van de data ondersteunen: Kaderfuncties: https://overheid.vlaanderen.be/definitie-kaderfuncties. Deze verschijnen als “niveau A+” in de analyses. Anciënniteit: https://overheid.vlaanderen.be/personeel/verloning-en-voordelen/impact-van-ervaring-of-anciënniteit-op-salaris. In de verdere analyses focussen we op dienstanciënniteit. Personeelsbeschikbaarheid en -aanwezigheid: https://overheid.vlaanderen.be/definities-personeelseffectieven. Bijlage 2 geeft de betekenis weer van de gebruikte begrippen. Hoofdstukken 1 en 2 schetsen een algemeen profiel van alle 20.604 medewerkers in het Vlimpers-bestand. Vanaf hoofdstuk 3 onderzoeken we de relevante verschillen naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten. Daarom worden alleen de werknemers opgenomen met een voldoende vergelijkbare werksituatie: minstens 100 effectieve VTE werkdagen en ten hoogste 50 dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling samen. Het maximale aantal werknemers in de analyses bedraagt dan 17.259.
6
Een centraal uitgangspunt is de analyse van het salaris van de medewerkers, meer specifiek de genderverschillen. Bijlage 3 toont de componenten en opbouw van het salaris. We beklemtonen daarbij dat ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof deel uitmaken van de verloning. Die dagen worden dus gelijkgesteld met effectieve werkdagen in kader van verloning. In de analyses zijn de gelijkgestelde afwezigheden evenwel niet opgenomen in de variabele “werkdagen per jaar”, maar als een afzonderlijke variabele. Mogelijks biedt dat (deels) een verklaring voor het ‘verkleinen’ of ‘omkeren’ van de genderverschillen voor het maandsalaris en uursalaris.
De opbouw van het rapport volgt (grotendeels) de chronologie en logica van het onderzoek: van verkennende eenvoudige analyses naar doelgerichte meerdimensionale analyses om af te ronden met multivariate analyses waarin alle relevante factoren worden samengenomen. De eenvoudige analyses zijn nodig voor een doelmatige selectie van de variabelen voor de multivariate analyse. De eenvoudige analyses in hoofdstukken 1 tot 3 zijn verkennend en behandelen de werksituatie en een aantal salariscomponenten: loonkosten, totaal bruto salaris, bruto salaris en totaal netto salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. De meerdimensionale analyses in hoofdstukken 4 tot en met 7 zijn toegespitst op het totaal bruto salaris per maand en per gepresteerd werkuur, dat de basis is voor het uiteindelijke netto salaris. Hoofdstuk 8 besteedt extra aandacht aan het belangrijke verschil tussen het totaal bruto salaris en het bruto salaris, meer specifiek de betekenis ervan voor de interpretatie en verklaring van de genderverschillen. In hoofdstuk 9 volgen ten slotte de multivariate analyses. Omwille van de belangrijke genderverschillen wordt voor alle salariscomponenten een multivariate analyse uitgevoerd, maar met specifieke aandacht voor het verschil tussen het totaal bruto salaris en het bruto salaris. Het onderzoek resulteert in een omvattend, multifunctioneel instrument voor analyse en rapportering. Op basis van de ingevoerde SPSS-tabellen worden in één Excel-bestand diverse outputs geproduceerd: een tabellenboek (met grafieken), een basisrapport met toelichting bij alle tabellen en grafieken, een Statistiek Vlaanderen rapport voor het brede publiek met een selectie van de tabellen en grafieken, een aangepaste versie voor presentaties. Het instrument is de basis voor de periodieke herhaling van het onderzoek in de toekomst.
7
Samenvatting van de resultaten Het uitgangspunt van dit onderzoek is de maatschappelijke ambitie om de onwenselijke loopbaan- en inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen weg te werken. Het centrale probleem daarbij is dat die verschillen nog niet voldoende kunnen worden verklaard. Met dit rapport wil de dienst Diversiteitsbeleid de genderongelijkheid bij de Vlaamse overheid in kaart brengen, in relatie tot andere belangrijke factoren zoals functieniveau, leeftijd, werktijden, statuut, enz. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden voorgesteld om die ongelijkheid verder te verkleinen. Hoofdstuk 1 schetst een algemeen genderprofiel van de werknemers van de Vlaamse overheid die in het personeelssysteem Vlimpers zijn opgenomen. Algemeen zijn er meer vrouwen dan mannen in de jongere leeftijdsgroepen, met een hoger onderwijsniveau en met een partner die werkt in de privésector, als zelfstandige of die gepensioneerd is. Met betrekking tot de werksituatie zijn er meer vrouwen dan mannen met werklocatie in Brussel, als contractueel in dienst, met maximaal 10 jaar geldelijke, dienst- en niveau-anciënniteit, deeltijds actief, meer dan 50 dagen per jaar afwezig, met meer dagen onbetaald verlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet, met telewerk, werkzaam bij Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, bij Kanselarij en Bestuur en bij Financiën en Begroting. Tot slot zijn er meer vrouwen in de lagere salariscategorieën. Voorts zijn er minder vrouwen dan mannen werkzaam in niveaus A+ (kaderfuncties) en D, in de groep met meer dan 200 VTE werkdagen per jaar, in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Aansluitend zijn er minder vrouwen in de hoogste salariscategorieën. Ten slotte zijn er grote verschillen tussen de entiteiten in het aandeel vrouwen. In hoofdstuk 1b wordt een aanvullend profiel geschetst van de werknemers aan de hand van driedimensionale tabellen en grafieken (kolompercentages), naar gender, functieniveau en enkele andere persoonlijke en werk gebonden aspecten.
8
In hoofdstuk 2 worden enkele aspecten van het genderprofiel in hoofdstuk 1 vergeleken met de Vlaamse werkende bevolking van 18 tot 64 jaar, op basis van overeenkomstige gegevens van de Enquête naar de Arbeidskrachtentelling (EAK) en de Enquête naar Inkomens en Levensomstandigheden (SILC). De vergelijking met EAK laat grote verschillen zien. Minder medewerkers van de VO dan in het hele Vlaamse Gewest wonen buiten België, in de provincies Antwerpen en Limburg, zijn buiten België geboren, behoren tot de 18-34-jarigen, hebben een diploma hoger secundair of bachelor, hebben een leidinggevende functie. Tegelijk zijn er bij de VO tegenover in het hele Vlaamse Gewest veel meer 50-plussers, medewerkers met diploma master/doctoraat, veel meer werknemers met werklocatie in het Brusselse Gewest, met een vaste benoeming, met 90-120 gepresteerde werkuren per maand en met 1 tot 50% dagen thuiswerk.
De analyse in hoofdstuk 3 laat belangrijke verschillen zien in de gemiddelde waarden van centrale aspecten, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Het totaal aantal werkdagen per jaar ligt veel lager bij vrouwen, daalt met de leeftijd en stijgt met het functieniveau. Tegelijk ligt het totaal aantal afwezigheidsdagen veel hoger bij vrouwen, stijgt met de leeftijd en daalt met het functieniveau. Dat geldt ook voor het aantal dagen ziekteverlof, loopbaanonderbreking en zorgkrediet afzonderlijk. Ook het aantal dagen telewerken ligt veel hoger bij vrouwen, daalt met leeftijd en kent grote verschillen naar functieniveau. De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per maand liggen bij vrouwen resp. +/- 950, 860 en 480 euro per maand lager dan bij mannen, of resp. 17%, 18% en 16%. Er zijn grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en opvallend grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Voor het bruto salaris per maand ligt het gemiddelde genderverschil veel lager (435 euro), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per gepresteerd werkuur liggen eveneens lager bij vrouwen dan bij mannen, maar de genderverschillen zijn kleiner: resp. +/- 4,0 euro, 3,9 euro en 1,8 euro per maand minder, of resp. 8,6%, 10,2% en 7,6%. Voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen nog kleiner wegens het wegvallen van de hoge bruto toelagen: 1 euro of 3,4% per werkuur minder.
9
Hoofdstuk 4 biedt tegenover de gemiddelden in vorige hoofdstukken een aanvullend beeld van de procentuele verdeling van de werknemers voor het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), met onderscheid naar gender en andere relevante aspecten. Daaruit blijkt dat voor het totaal bruto salaris per maand en per werkuur de verdeling naar functieniveau grote genderverschillen vertoont: in alle functieniveaus bevindt zich een hoger aandeel vrouwen in de lagere inkomensgroepen. De genderverschillen zijn het grootst voor niveaus C en D in de lagere inkomensgroepen. De verschillen naar leeftijd zijn groot maar kleiner dan naar functieniveau: bij mannen zijn er meer jongeren met een lager inkomen, bij vrouwen meer jongeren met een hoger inkomen. De genderverschillen zijn het grootst bij de 40 tot 49-jarigen. De genderverschillen binnen de subgroepen naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar zijn relatief klein. De genderverschillen zijn groter voor het totaal bruto salaris per maand dan voor het totaal bruto salaris per werkuur.
Hoofdstuk 5 sluit direct aan bij het vorige en geeft de procentuele verdeling van de werknemers voor het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), naar gender en het beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid. Algemeen gezien zijn er vrij grote verschillen tussen de 11 beleidsdomeinen in de verdeling naar totaal bruto salaris. Bij mannen zijn die verschillen groter dan bij vrouwen. Voor het totaal bruto salaris per maand zijn er grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij en Mobiliteit en Openbare Werken. Voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen algemeen kleiner. Ze zijn groot in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt het genderverschil grotendeels bepaald door mannen ouder dan 40 jaar in niveau A die een zeer hoog salaris genieten. De betekenis ervan wordt hier evenwel onderschat omdat ze in procenten worden samengenomen in de groep >10.000 euro per maand of >100 euro per werkuur, ongeacht de hoogte van die salarissen.
10
Hoofdstuk 6 gaat nog een stap verder en behandelt het meerdimensionale verband tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) enerzijds en de factoren gender, functieniveau en leeftijd anderzijds, met bijkomend onderscheid naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar. De verschillen naar functieniveau en leeftijd zijn in alle tabellen/grafieken duidelijk zichtbaar, voor het totaal bruto salaris per maand en per gepresteerd werkuur. Relatief gezien zijn er grote genderverschillen zichtbaar bij werknemers met meer dan 15 jaar dienstanciënniteit, bij statutaire en contractuele medewerkers en bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen per jaar. De zeer grote genderverschillen worden vooral bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris. Hoofdstuk 7 laat zien waar die verschillen gesitueerd zijn.
Hoofdstuk 7 vult vorig hoofdstuk aan en behandelt de betekenis van het beleidsdomein. In bijna alle beleidsdomeinen is er voor mannen en vrouwen een positief verband tussen salaris enerzijds en functieniveau en leeftijd anderzijds. Het gemiddelde maandsalaris van mannen is in bijna alle subgroepen hoger dan dat van vrouwen. Het gemiddeld uurloon van mannen is evenwel in meer subgroepen lager dan dat van vrouwen. Voor het totale brutosalaris per maand zijn er vrij grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Financiën en begroting; Welzijn, Gezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie en in Landbouw en Visserij. Er zijn zeer grote genderverschillen in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. De genderverschillen zijn gemiddeld kleiner voor het totale brutosalaris per gepresteerd werkuur. De verschillen zijn vrij groot in de beleidsdomeinen Financiën en begroting; Economie, Wetenschap en Innovatie en in Landbouw en Visserij. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn de verschillen weer erg groot. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken worden die genderverschillen vooral bepaald door de zeer hoge salarissen van oudere mannen in niveau A, vooral door de zeer hoge bruto toelagen. De impact op het algemene verschil naar gender en functieniveau is groot door het veel hoger aantal mannen in die groep.
11
Hoofdstuk 8 gaat op zoek naar de bron van die zeer grote genderverschillen in het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), door nadere analyse van het verband met de entiteiten binnen de beleidsdomeinen. In het grootste domein Mobiliteit en Openbare Werken (4.175 medewerkers) zijn er zeer hoge salarissen en zeer grote genderverschillen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK, 1.164 medewerkers), meer specifiek in niveau A en vooral bij 50-plussers. De waarden van dit beleidsdomein en deze entiteit wegen relatief sterker door in de algemene gemiddelden. De afsluitende overzichtstabellen tonen dat het algemene genderverschil voor het totaal bruto maandsalaris 861 euro bedraagt (zonder MDK 530 euro), tegenover 435 euro voor het bruto maandsalaris (zonder MDK 390 euro). Voor het totaal bruto uursalaris ligt het genderverschil op 3,9 euro (zonder MDK 1,6 euro), tegenover 1,0 euro voor het totaal bruto uursalaris (zonder MDK 0,9 euro). Het wegvallen van de hoge bruto toelagen in het bruto salaris in alle beleidsdomeinen en entiteiten leidt tot de sterkste daling van de genderverschillen. Het weglaten van de entiteit MDK impliceert een kleinere extra daling van de genderverschillen, aangezien dan ook het effect van de hogere salarisschalen in die entiteit wegvalt.
In hoofdstuk 9 wordt het onderzoek afgerond met een multivariate analyse van de relatie tussen het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de relevante verklarende factoren: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. De multivariate analyse is uitgevoerd via meervoudige lineaire regressies (in SPSS). We geven een eenvoudige, begrijpelijke voorstelling van de invloed van de relevante onafhankelijke variabelen. Alle onafhankelijke variabelen zijn omgezet tot diverse binaire variabelen (met waarde 1 of 0), ook dummies genoemd, zodat ze een duidelijke betekenis krijgen in de vergelijking. Er worden geen gecombineerde dummies opgenomen, omdat de extra bijdrage tot de verklaarde variantie R2 zeer beperkt is. Voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar ligt de totaal verklaarde variantie (R2) op 0,138, wat laag is. Achterliggend is de beperkte variatie die het personeelsstatuut mogelijk maakt meer bepalend. Gender heeft het grootste, negatieve effect: vrouwen werken gemiddeld 15 VTE dagen minder per jaar dan mannen. Ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK dragen bij tot de verklaring.
12
Vervolgens worden de regressieresultaten toegelicht voor de diverse componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. De referentiegroep (alle dummies zijn nul) is: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen/jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair en niet in entiteit MDK. De beste resultaten zijn er voor het bruto maandsalaris, met een totale verklaarde variantie (R2) van 0,847. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor de loonkosten en het totaal bruto maandsalaris en het totaal netto maandsalaris, met een R2 van respectievelijk 0,669, 0,702 en 0,672. Bijna 85% van de variantie wordt verklaard door onafhankelijke variabelen in het model. Vooral het wegvallen van de bruto toelagen leidt tot de hogere R2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect, met gemiddeld 94 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt ook toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 gepresteerde werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een significante maar kleinere bijdrage aan de verklaring. De modellen met gecombineerde dummies (functieniveau en gender, functieniveau en leeftijd, dienstjaren en gender, werkdagen per jaar en gender) leveren bijna geen extra R2 op. Wel geven de coëfficiënten meer genuanceerde informatie. Zo is bijv. het gecontroleerde genderverschil groter voor functieniveaus A en A+ dan voor de lagere functieniveaus. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert evenmin een noemenswaardige extra R2 op. Hoewel de R2 voor de loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris duidelijk kleiner is, zijn de effecten van de diverse dummies bijna dezelfde, met uitzondering van de veel grotere invloed van de dummy ‘werkzaam in entiteit MDK’. Een bijkomende verklaring (en hogere R2) is wellicht mogelijk met het beroep of de functie van de werknemers, in combinatie met gender, functieniveau, beleidsdomein en entiteit. In Vlimpers is deze variabele helaas niet beschikbaar.
Het bijkomende hoofdstuk 9b biedt enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke subgroepen van medewerkers, op basis van de regressies en uitgaande van de referentiegroep. Het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen wordt zo duidelijk gemaakt op microniveau.
13
Conclusies Tot slot kunnen we de belangrijkste conclusies van dit onderzoek formuleren. Genderverschillen blijven aanwezig binnen de Vlaamse overheid. Maar ze moeten altijd in combinatie met andere factoren worden bekeken en geïnterpreteerd. In dat opzicht zijn er diverse geledingen in de genderverschillen. Het is belangrijk om die te onderscheiden. Het startpunt zijn de significante genderverschillen in tweedimensionale verbanden met diverse relevante factoren waarover gegevens beschikbaar zijn: persoonlijke kenmerken, werksituatie en salariscomponenten. Vervolgens kan men via drie- of vierdimensionale verbanden op zoek gaan naar de centrale verklarende variabelen voor verschillen in de werksituatie en de salariscomponenten (per maand en per gepresteerd werkuur). Daarbij worden de genderverschillen gerelateerd aan bepaalde subgroepen en bijgevolg gedifferentieerd en genuanceerd. Dat mag evenwel niet leiden tot het wegredeneren of minimaliseren van de verschillen. Het totaal bruto en netto maandsalaris zijn de bedragen die de medewerkers werkelijk ontvangen. Ze zijn het gevolg van de feitelijke werksituatie en het bestaande verloningssysteem. Het algemeen genderverschil voor deze salariscomponenten ligt hoog, maar er zijn grote verschillen tussen de diverse subgroepen, naargelang de waarde voor de centrale variabelen. Voor het bruto maandsalaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en uiteenlopende bruto toelagen) zijn de genderverschillen veel kleiner, zowel algemeen als in de diverse subgroepen. Het is niet het werkelijke bedrag dat de medewerkers ontvangen, maar het biedt een 'betere' meting omdat de zeer grote genderverschillen in die bruto toelagen worden uitgeschakeld. Op analoge wijze kan men andere differentiërende factoren 'uitschakelen' of 'conditioneren', zodat de genderverschillen verder worden verfijnd, genuanceerd, gerelateerd. Dat proces van nuanceren en conditioneren kan men gestructureerd uitvoeren via multivariate analyses, om een (meer) 'geïntegreerde en gecontroleerde' verklaring te geven voor de verschillen in het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur). De relevante verklarende factoren in dit onderzoek zijn: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit.
14
De gecontroleerde 'netto-genderverschillen' van de regressies van de diverse salariscomponenten zijn klein tot zeer klein. De verschillen in salaris kunnen dus bijna volledig worden toegeschreven aan andere verklarende factoren, vooral functieniveau, leeftijd, aantal werkdagen en specifiek 'werkzaam zijn in entiteit MDK'. De vrij grote genderverschillen in het salaris zijn dan grotendeels het resultaat van genderverschillen voor diezelfde centrale variabelen. De volgende stap is om op basis van het geldende maatschappelijke kader te bepalen welke verschillen in salaris en werksituatie als onwenselijk worden beschouwd en moeten worden verkleind. Op basis daarvan kan men specifieke maatregelen ontwikkelen om doelgericht de onderliggende genderverschillen voor die centrale variabelen aan te pakken en voor zover nodig weg te werken. GOVO presenteert een robuuste methodiek opdat het onderzoek herhaald kan worden. Een bijkomende meerwaarde is dat de data en methodiek toelaten om specifieke trends en hypothesen verder te onderzoeken.
15
1 Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk schetsen we eerst een algemeen genderprofiel van de werknemers van de Vlaamse overheid die in het personeelssysteem Vlimpers zijn opgenomen. We tonen met eenvoudige tweedimensionale kruistabellen en grafieken (kolom- en rijprecentages) de verschillen en gelijkenissen tussen mannen en vrouwen voor een aantal persoonlijke kenmerken, een aantal aspecten van de huidige werksituatie en van het salaris. Dat algemeen genderprofiel laat de relevante genderverschillen zien voor persoonlijke kenmerken, aspecten van de werksituatie en van het salaris. Bijlage 2 geeft de betekenis weer van de gebruikte begrippen. Bijlage 3 toont de componenten en samenstelling van het salaris. We beklemtonen hier het belangrijke verschil tussen het bruto salaris en het totaal bruto salaris (met bruto vakantiegeld, eindejaarspremieen toelagen). Persoonlijke kenmerken: - meer vrouwen in de jongere leeftijdsgroepen; - meer vrouwen met een hoger onderwijsniveau; - meer vrouwen met een zelfstandige of gepensioneerde partner. Werksituatie: - veel minder vrouwen werkzaam in beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken, veel meer vrouwen bij Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, bij Kanselarij en Bestuur en bij Financiën en Begroting; - zeer grote verschillen in het aandeel vrouwen tussen de entiteiten: van 12,7% vrouwen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust tot meer dan 75% vrouwen in het Departement WVG, de Vlaamse Onderwijsraad en de Onderwijsinspectie; - veel meer vrouwen hebben hun werklocatie in Brussel; - meer vrouwen zijn als contractueel in dienst; - minder vrouwen zijn werkzaam in niveaus A+(kaderfuncties) en D, meer vrouwen in niveaus B en C; - minder vrouwen zijn leidinggevend, veel minder vrouwen in topkader en middenkader; - meer vrouwen met maximaal 10 jaar geldelijke, dienst- en niveau-anciënniteit; - minder vrouwen met personeelsbeschikbaarheid >90% (gemiddeld 7,6% lager); - veel minder vrouwen met personeelsaanwezigheid >80% (gemiddeld 10,7% lager); - veel meer vrouwen met deeltijds werkregime; - minder vrouwen met meer dan 200 VTE werkdagen per jaar (gemiddeld 23,7 VTE dagen minder); - veel meer vrouwen met meer dan 50 afwezigheidsdagen (gemiddeld 22,8 VTE dagen meer); - meer vrouwen met (meer dagen) onbetaald verlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet; - veel meer vrouwen met telewerk (gemiddeld 9,1 VTE dagen meer); - veel minder vrouwen met meer dan 35 euro totaal netto salaris per gepresteerd werkuur, ongeveer evenveel vrouwen als mannen in categorieën 15 tot 35 euro per werkuur;
16
Salaris: - veel minder vrouwen met meer dan 6000 euro loonkosten en totaal bruto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-4000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 5000 euro bruto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-2000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 3000 euro totaal netto salaris per maand, veel meer vrouwen in categorieën 1000-3000 euro per maand; - veel minder vrouwen met meer dan 60 euro loonkosten en totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur, ongeveer evenveel vrouwen als mannen in categorieën 20 tot 60 euro per werkuur.
In de volgende hoofstukken gaan we dieper in op de significante genderverschillen. Uit dit hoofdstuk nemen we alvast aandachtspunten mee die aansluiten op maatschappelijke trends of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. We zien genderverschillen bij het beroep van de partners. Partners van vrouwen binnen de Vlaamse overheid werken meer in de privésector, als zelfstandige of zijn gepensioneerd in vergelijking met de partners van de mannelijke collega’s. Gezien de verschillende beschikbaarheid van zorgstelsels in verschillende sectoren roept dit volgende hypothese op. Is er een correlatie tussen het beroep van de partner en het gebruik van zorgstelsels als medewerker van de Vlaamse overheid? Dit verklaart mogelijks waarom vrouwen binnen de Vlaamse overheid meer beroep doen op specifieke zorgstelsels en/of meer afwezig zijn. Dit sluit eveneens aan op de ongelijke maatschappelijke verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen. Wanneer we geldelijke en dienstanciënniteit naast elkaar leggen, zien we dat de Vlaamse overheid ervaren personen te werk stelt. Geldelijke anciënniteit telt gemiddeld 18,5 jaren en dienstanciënniteit gemiddeld 14 jaren. Het gemiddelde genderverschil bij geldelijke anciënniteit (-0.9) is kleiner dan bij dienstanciënniteit (-1,9). Dit betekent mogelijks dat professionele ervaring buiten de Vlaamse overheid bijna gelijk erkend en gewaardeerd wordt voor mannen en vrouwen aan de start van hun loopbaan bij de Vlaamse overheid. Gemiddeld zijn vrouwen meer dagen afwezig wegens jaarlijks verlof, onbetaald verlof, ziekteverlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet en dienstvrijstelling dan mannen. In de kleine groep personeelsleden die meer dan 10 dagen dienstvrijstelling opnemen, zijn mannen in de meerderheid. Dit is mogelijks te verklaren door de specifieke redenen voor dienstvrijstelling zoals externe vorming, vrijwilligerswerk voor een brandweerkorps, een vakbond en het Rode Kruis, deelname aan topsport en een politieke functie. Aangezien de variabele 'aantal kinderen ten laste' niet voor alle medewerkers beschikbaar is, kan de variabele 'huishoudtype' niet correct worden geconstrueerd. Bijgevolg worden deze variabelen niet in de analyse opgenomen.
17
Alle werknemers Mannen 10.264 49,8
Aantal %
Vrouwen 10.340 50,2
Totaal 20.604 100,0
12.000
100
10.000
80
8.000
60
6.000
40
4.000
20
2.000
0
0 Mannen
Vrouwen
Mannen
Vrouwen
In 2018 waren 20.604 werknemers van de Vlaamse overheid voor hun personeelsdossier opgenomen in het systeem Vlimpers, 10.264 mannen (49,8%) en 10.340 vrouwen (50,2%).
18
Land woonplaats % kolom
België Buiten België
N - Totaal
% rij
Mannen 99,0 1,0
Vrouwen 99,2 0,8
10.264
10.339
Totaal 99,1 0,9 20.603
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
Mannen 49,8 55,2
Vrouwen 50,2 44,8
49,8
50,2
N 20.422 181 20.603
0
0 Mannen België
België
Vrouwen
Buiten België Mannen
Buiten België
Ruim 99% van de werknemers woonde in België, waarvan 49,8% mannen en 50,2% vrouwen. Bijna 1% woonde in het buitenland, waarvan 55,2% mannen en 44,8% vrouwen.
19
Vrouwen
Provincie woonplaats % kolom
Antwerpen Oost Vlaanderen West Vlaanderen Vlaams Brabant Limburg Brussels Gewest Waals Gewest/extern
N - Totaal
% rij
Mannen 22,8 29,2 18,0 16,9 10,1 2,2 0,8
Vrouwen 18,8 34,1 13,2 21,2 8,8 3,0 0,9
10.173
10.271
Totaal 20,8 31,6 15,6 19,1 9,4 2,6 0,8 20.444
Vrouwen 45,5 54,1 42,6 55,8 46,6 58,2 53,3
49,8
50,2
N 4.253 6.466 3.191 3.902 1.931 536 165 20.444
100
40
80
30
60
20
40
10 0
Mannen 54,5 45,9 57,4 44,2 53,4 41,8 46,7
20 0 Mannen
Antwerpen Vlaams Brabant
Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg
Antwerpen
West Vlaanderen Brussels Gewest
Oost West Vlaams Vlaanderen Vlaanderen Brabant Mannen
Vrouwen
Met 31,6% is de provincie Oost-Vlaanderen het meest vertegenwoordigd bij de werknemers van de Vlaamse overheid, gevolgd door de provincie Antwerpen (20,8%). Bij mannen is het aandeel wonend in de provincies Antwerpen en West Vlaanderen hoger, bij vrouwen het aandeel van Oost Vlaanderen en Vlaams Brabant. De man-vrouw-verdeling is voor alle werknemers samen bijna 50-50, maar per provincie is er meer ongelijke verdeling. Bij de medewerkers wonend in de provincies Antwerpen, West Vlaanderen en Limburg ligt het aandeel mannen hoger.
20
Limburg
Land van geboorte % kolom
België EU - buiten België Buiten EU
N - Totaal
% rij
Mannen 97,4 1,4 1,2
Vrouwen 96,4 1,7 1,9
10.264
10.340
Totaal 96,9 1,6 1,6 20.604
Mannen 50,1 45,5 38,6
Vrouwen 49,9 54,5 61,4
49,8
50,2
N 19.962 321 321 20.604
100
150
80
100
60
40
50
20 0
Mannen België
EU - buiten België
Vrouwen
0
België
Buiten EU
EU - buiten België Mannen
Buiten EU
Vrouwen
Bijna 97% van de werknemers van de Vlaamse overheid is in België geboren, 1,6% in de EU (buiten België) en 1,6% buiten de EU. Bij vrouwen ligt het aandeel dat is geboren in de EU (buiten België) en buiten de EU hoger dan bij mannen. De man-vrouw-verdeling is voor de werknemers geboren in België bijna 50-50. Bij de werknemers geboren in de EU ligt het aandeel vrouwen hoger en dat is nog meer het geval bij de werknemers geboren buiten de EU.
21
Land van herkomst ** % kolom
België Buiten België
N - Totaal
% rij
Mannen 94,7 5,3
Vrouwen 93,1 6,9
10.211
10.216
Totaal 93,9 6,1 20.427
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen België
Vrouwen
Mannen 50,4 43,3
Vrouwen 49,6 56,7
50,0
50,0
0
N 19.177 1.250 20.427
België
Buiten België
Buiten België Mannen
Vrouwen
** Data Dienst Diversiteitsbeleid - op basis van anonieme, geaggregeerde monitoring via het Rijksregister De definitie voor buitenlandse herkomst is sinds 2016 voor alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid van toepassing: een niet-Belgische nationaliteit hebben, bij de geboorte een niet-Belgische nationaliteit hebben of minstens één ouder hebben met een niet-Belgische geboortenationaliteit.
Volgens de officiële definitie van 'buitenlandse herkomst' is bijna 94% van de werknemers van de Vlaamse overheid van Belgische herkomst en ruim 6% van buitenlandse herkomst. Bij vrouwen ligt het aandeel van Belgische herkomst hoger dan bij mannen. De man-vrouw-verdeling is voor de werknemers van Belgische herkomst bijna gelijk. Bij de werknemers van buitenlandse herkomst ligt het aandeel vrouwen met bijna 57% beduidend hoger dan dat van mannen.
22
Leeftijd % kolom
18-34 35-44 45-54 55 +
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 16,2 28,6 30,3 24,8
Vrouwen 20,6 33,5 27,7 18,2
10.264 45,8
10.340 43,6
Totaal 18,4 31,1 29,0 21,5 20.604 44,7
40
100
30
80
Vrouwen 56,2 54,1 48,0 42,5
49,8
50,2
N 3.792 6.400 5.983 4.429 20.604
60
20
40
10
0
Mannen 43,8 45,9 52,0 57,5
20 Mannen 18-34 35-44
0
Vrouwen 45-54
18-34
55 +
35-44 Mannen
45-54 Vrouwen
Naar leeftijd is er een vrij gelijke verdeling, met een iets lager aandeel voor de groep van 18-34 jaar en de 55 plussers. Bij vrouwen ligt het aandeel van de twee jongere leeftijdsgroepen hoger dan bij mannen. Bij mannen is het aandeel van de twee oudere groepen groter. De gemiddelde leeftijd lag bij mannen op 46 jaar, bij vrouwen op 45. De man-vrouw-verdeling binnen de leeftijdsgroepen varieert. Bij de jongste groep ligt het aandeel vrouwen veel hoger dan het aandeel mannen. Bij de oudste groep geldt het omgekeerde.
23
55 +
Onderwijsniveau % kolom
Lager secundair Hoger secundair Hoger bachelor Hoger master/doctor
N - Totaal
% rij
Mannen 18,9 25,0 17,6 38,6
Vrouwen 12,1 25,5 22,7 39,7
10.264
10.340
Totaal 15,5 25,2 20,2 39,1 20.604
Mannen 60,8 49,3 43,4 49,1
Vrouwen 39,2 50,7 56,6 50,9
49,8
50,2
N 3.195 5.197 4.153 8.059 20.604
100
60
80 40
60 40
20 0
20 0 Mannen Lager secundair Hoger bachelor
Lager secundair
Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor
Hoger secundair
Hoger bachelor
Mannen
Vrouwen
Naar onderwijsniveau is er een ongelijke verdeling, met het laagste aandeel van personen met een diploma lager secundair en het hoogste aandeel voor de hoger geschoolden (master/doctor). Bij vrouwen liggen alle aandelen behalve lager secundair hoger dan de aandelen bij de mannen. De man-vrouw-verdeling binnen de onderwijsniveaus varieert bijgevolg sterk. Bij de laagst geschoolden ligt het aandeel mannen veel hoger dan het aandeel vrouwen. Voor het onderwijsniveau hoger secundair en hoger onderwijs mast/doctor is de verdeling bijna gelijk. Bij het onderwijsniveau bachelor ligt het aandeel vrouwen veel hoger.
24
Hoger master/doctor
Samenwonen met partner % kolom
Partner Geen partner
N - Totaal
% rij
Mannen 70,6 29,4
Vrouwen 69,9 30,1
10.264
10.340
80
Totaal 70,3 29,7 20.604
Vrouwen 50,0 50,7
49,8
50,2
N 14.475 6.129 20.604
100
60
80
40
60 40
20 0
Mannen 50,0 49,3
20 Mannen Partner
Vrouwen
0
Partner
Geen partner
Geen partner Mannen
Ruim 70% van de werknemers van de Vlaamse overheid woont samen met een vaste partner. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn verwaarloosbaar.
25
Vrouwen
Personen in huishouden % kolom
1 2 3 4+
N - Totaal
% rij
Mannen 21,2 15,4 17,4 46,1
Vrouwen 17,8 21,4 20,9 39,9
10.264
10.340
Totaal 19,5 18,4 19,2 43,0 20.604
50
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen
Vrouwen 1
2
3
Mannen 54,1 41,6 45,2 53,4
Vrouwen 45,9 58,4 54,8 46,6
49,8
50,2
0
1
N 4.013 3.789 3.951 8.851 20.604
2 Mannen
4+
3 Vrouwen
43% van de werknemers van de Vlaamse overheid woont in een huishouden met 4 of meer leden. Ongeveer 19% woont in een huishouden met 1, 2 respectievelijk 3 leden. Een hoger aandeel mannen leeft in een huishouden met 1 of 4+ leden, terwijl meer vrouwen een huishouden hebben met 2 of 3 leden. De genderverschillen binnen de groepen naar aantal huishoudleden zijn ook duidelijk. Bij alleenstaande werknemers en werknemers met 4+ huishoudleden ligt het aandeel mannen hoger. Bij de twee andere groepen geldt het omgekeerde.
26
4+
Langdurige ziekte of handicap ** % kolom
Ja Neen
Vrouwen 2,2 97,8
Totaal
10.172
10.249
N - Totaal
2,2 97,8
Mannen 49,5 49,8
Vrouwen 50,5 50,2
20.421
49,8
50,2
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen
Vrouwen Ja
**
% rij
Mannen 2,2 97,8
0
N 442 19.979 20.421
Ja
Neen Mannen
Neen
Vrouwen
Gecorrigeerde data van Vlimpers - Monitor Dienst Diversiteitsbeleid Definitie: een persoon met een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke beperking die deze persoon in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt.
395 werknemers (of bijna 2%) van de Vlaamse overheid geven aan dat ze een langdurige ziekte of handicap hebben. Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen.
27
Gender partner % kolom
Man Vrouw Geen partner
N - Totaal
% rij
Mannen 2,0 68,6 29,4
Vrouwen 68,4 1,6 30,0
10.264
10.340
Mannen 2,8 97,8 49,3
Vrouwen 97,2 2,2 50,7
49,8
50,2
N 7.277 7.200 6.125 20.604
100
80
80
60
60
40
40
20 0
Totaal 35,3 34,9 29,7 20.604
20 Mannen Man
Vrouwen Vrouw
0
Man
Geen partner
Vrouw
Mannen
Geen partner
Vrouwen
68,6% van de mannelijke werknemers heeft een vrouw als vaste partner, 2,0% heeft een man als partner en 29,4% heeft geen partner. Bij de vrouwen heeft 68,4% een man als vaste partner, 1,6% heeft een vrouw als partner en 30,0% heeft geen partner. Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen.
28
Beroepsgroep partner % kolom
Werknemer privé Ambtenaar Zelfstandige Zonder werk Gepensioneerd Geen partner
N - Totaal
% rij
Mannen 37,8 23,2 2,5 6,3 0,3 29,8
Vrouwen 42,7 18,5 6,0 1,2 1,0 30,5
10.131
10.183
Totaal 40,3 20,9 4,3 3,7 0,7 30,2 20.314
Mannen 46,8 55,5 29,3 83,8 26,3 49,3
Vrouwen 53,2 44,5 70,7 16,2 73,7 50,7
49,9
50,1
50
100
40
80
30
60 40
20
20
10 0
N 8.181 4.241 869 761 133 6.129 20.314
0 Mannen Werknemer privé Zonder werk
Vrouwen Ambtenaar Gepensioneerd
Zelfstandige Geen partner
Mannen
Vrouwen
Iets meer dan 40% van de werknemers heeft een partner die werknemer is in de privé, bij bijna 21% is de partner ambtenaar, bij 4,3% zelfstandige, bij 3,7% werkloos en bij 0,7% gepensioneerd. Bij een hoger aandeel vrouwen is de partner werknemer in de privé, zelfstandige of gepensioneerd. Omgekeerd heeft een hoger aandeel mannen een partner die ambtenaar of werkloos is. De genderverschillen binnen de beroepsgroepen van de partner zijn matig voor de categorieën werknemer privé (53,2% vrouwen) en ambtenaar (55,5% mannen). Ze zijn zeer groot voor de categorieën zelfstandigen (70,7% vrouwen), werklozen (83,8% mannen) en gepensioneerden (73,7% vrouwen).
29
Beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid % kolom
Mannen 8,3 4,1 2,6 2,9 4,4 9,7 6,1 1,5 4,1 22,0 34,4
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken N - Totaal
10.264
% rij
Vrouwen 12,7 6,6 4,1 3,0 7,3 21,3 6,4 2,8 4,3 19,9 11,5
10.340
Totaal 10,5 5,3 3,3 3,0 5,9 15,5 6,2 2,1 4,2 21,0 22,9 20.604
Mannen
Vrouwen
Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving Landbouw en Visserij Werk en Sociale Economie Cultuur, Jeugd, Sport en Media Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Onderwijs en Vorming Economie, Wetenschap en Innovatie Internationaal Vlaanderen Financiën en Begroting Kanselarij en Bestuur 5
10
15
20
25
30
35
% rij
20
40 Mannen
60
80 Vrouwen
50,2
N 2.169 1.100 689 609 1.210 3.198 1.287 441 858 4.319 4.724 20.604
De genderverschillen binnen de beleidsdomeinen zijn groot. In Mobiliteit en Openbare Werken is het aandeel mannen (75%) veel groter dan dat van vrouwen (25%) en in Omgeving is het iets groter. In alle andere beleidsdomeinen ligt het aandeel vrouwen (veel) hoger. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin kent het hoogste aandeel vrouwen (69%).
Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving Landbouw en Visserij Werk en Sociale Economie Cultuur, Jeugd, Sport en Media Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Onderwijs en Vorming Economie, Wetenschap en Innovatie Internationaal Vlaanderen Financiën en Begroting Kanselarij en Bestuur 0
49,8
Vrouwen 60,8 62,0 61,5 51,2 62,4 69,0 51,4 64,9 51,5 47,7 25,3
Met 4.724 van werknemers (22,9%) is Mobiliteit en Openbare werken het grootste beleidsdomein in aantal werknemers, gevolgd door Omgeving (21,0%), Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (15,5%) en Kanselarij en Bestuur (10,5%). Het beleidsdomein Werk en Sociale Economie telt het laagste aantal werknemers (2,1%), voorafgegaan door Economie, Wetenschap en Innovatie (3,0%) en Internationaal Vlaanderen (3;3%). Bij mannen valt het veel groter aandeel in Mobiliteit en Openbare Werken op. Bij vrouwen is er een groter aandeel in Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Kanselarij en Bestuur en Financiën en Begroting.
% kolom
0
Mannen 39,2 38,0 38,5 48,8 37,6 31,0 48,6 35,1 48,5 52,3 74,7
De verschillen tussen de beleidsdomeinen zijn vooral verbonden met de verschillen in taakinhoud en de functies, als resultaat van de ontwikkeling tijdens de voorbije decennia. Ze gaan niet gepaard met een beoordeling.
100
30
0
Opgroeien Agentschap Wegen en Verkeer De Vlaamse Waterweg nv Agentschap voor Maritieme Dienstverlening… Departement WVG Departement Omgeving Vlaamse Belastingdienst Vlaamse Milieumaatschappij Agentschap Facilitair Bedrijf Departement MOW Sport Vlaanderen Agentschap voor Natuur en Bos Departement LV Vlaamse Landmaatschappij Departement Cultuur, Jeugd en Media Agentschap voor Onderwijsdiensten Agentschap Overheidspersoneel Agentschap Binnenlands Bestuur Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Flanders Investment and Trade Agentschap Innoveren en Ondernemen Departement WSE Vlaams Agentschap voor Personen met een… Onroerend Erfgoed Zorg en Gezondheid Wonen Vlaanderen Departement Kanselarij en Bestuur Departement Onderwijs en Vorming Ahovoks Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek Agentschap Informatie Vlaanderen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Toerisme Vlaanderen Departement FB GO! Agentschap Plantentuin Meise Departement Buitenlandse Zaken SYNTRA Vlaanderen Departement EWI Vlaams Energieagentschap Agentschap voor Infrastructuur in het… Dienst van de Bestuursrechtscolleges Audit Vlaanderen Vlaamse Onderwijsraad Vlaamse Regulator voor de Media Onderwijsinspectie Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Strategische adviesraad Ruimtelijke…
Entiteiten van de Vlaamse overheid
Aantal werknemers per entiteit
1600
1400
1200
1000
800
600
400
200
Er zijn grote verschillen tussen de entiteiten in aantal werknemers. De 5 grootste entiteiten zijn Opgroeien (1.612 werknemers), Agentschap Wegen en Verkeer (1.391), De Vlaamse Waterweg nv (1.310), Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (1.246) en het Departement WVG (1.010). De 5 kleinste entiteiten zijn Vlaamse Onderwijsraad (21 werknemers), Vlaamse Regulator voor de Media (19), Onderwijsinspectie (14), Milieu- en Natuurraad Vlaanderen (9) en Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend erfgoed (4).
31
0%
Agentschap voor Maritieme… Agentschap voor Natuur en Bos De Vlaamse Waterweg nv Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Agentschap Wegen en Verkeer Departement MOW Vlaamse Regulator voor de Media Agentschap Plantentuin Meise Vlaamse Milieumaatschappij Audit Vlaanderen Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Sport Vlaanderen Instituut voor Landbouw en… Vlaamse Landmaatschappij Departement LV Departement FB Agentschap Informatie Vlaanderen Agentschap Binnenlands Bestuur Departement Kanselarij en Bestuur Agentschap Innoveren en Ondernemen Dienst van de Bestuursrechtscolleges Departement Buitenlandse Zaken GO! Onderwijs Vlaamse Gemeenschap Departement EWI Departement Cultuur, Jeugd en Media Onroerend Erfgoed Vlaams Energieagentschap Wonen Vlaanderen Departement Omgeving Agentschap voor Infrastructuur in het… Departement Onderwijs en Vorming Openbare Vlaamse… Flanders Investment and Trade Agentschap voor Onderwijsdiensten Departement WSE Vlaamse Belastingdienst Opgroeien Ahovoks Agentschap Facilitair Bedrijf Toerisme Vlaanderen Zorg en Gezondheid SYNTRA Vlaanderen Agentschap Overheidspersoneel Vlaams Agentschap voor Personen met… Departement WVG Vlaamse Onderwijsraad Onderwijsinspectie Strategische adviesraad Ruimtelijke…
Entiteiten van de Vlaamse overheid
Aandeel mannen en vrouwen per entiteit
100%
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
Mannen Vrouwen
Ook voor het aandeel mannen en vrouwen zijn er grote verschillen tussen de intiteiten. De entiteiten met het hoogste aandeel mannen zijn Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (87% mannen), Agentschap voor Natuur en Bos (75%), De Vlaamse Waterweg nv (74%) en Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (73%). De entiteiten met het hoogste aandeel vrouwen zijn Strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend erfgoed (100% vrouwen), Onderwijsinspectie (79%), Vlaamse Onderwijsraad (76%) en Departement WVG (76%). Entiteiten met een bijna gelijk aandeel mannen en vrouwen zijn Sport Vlaanderen (47% vrouwen), Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (49%), Vlaamse Landmaatschappij (50%), Departement LV (53%), Departement FB (53%) en Agentschap Informatie Vlaanderen (53%). De verschillen tussen de entiteiten zijn eveneens het resultaat van de ontwikkeling van taakinhoud en functies tijdens de voorbije decennia en impliceren geen beoordeling. 32
Provincie van werklocatie % kolom
Antwerpen Oost Vlaanderen West Vlaanderen Vlaams Brabant Limburg Brussels Gewest Buitenland
N - Totaal
% rij
Mannen 19,7 13,5 14,6 7,5 8,0 33,7 3,0
Vrouwen 15,1 15,5 10,7 6,1 6,5 44,4 1,8
10.264
10.340
Totaal 17,4 14,5 12,6 6,8 7,2 39,1 2,4 20.604
Vrouwen 43,5 53,6 42,5 44,9 45,0 57,0 37,1
49,8
50,2
N 3.578 2.982 2.604 1.399 1.492 8.053 496 20.604
100
50
80
40
60
30
40
20
20
10
0
0
Mannen 56,5 46,4 57,5 55,1 55,0 43,0 62,9
Mannen Antwerpen Vlaams Brabant
Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg
West Vlaanderen Brussels Gewest
Mannen
Vrouwen
Iets meer dan 39% van de werknemers heeft zijn werklocatie in het Brussels Gewest. Daarna volgen de provincies Antwerpen (17,4%), Oost Vlaanderen (14,5%) en West Vlaanderen (12,6%). Vlaams Brabant en Limburg zijn elk goed voor ongeveer 7% van de werknemers. 2,4% van de werknemers werkt in het buitenland. Een hoger aandeel mannen werkt in Antwerpen, West Vlaanderen, Vlaams Brabant, Limburg en het buitenland. Bij vrouwen ligt het aandeel met werklocatie in Oost Vlaanderen iets hoger en veel hoger in het Brussels Gewest. De man-vrouw-verdeling varieert vrij sterk. Bij de medewerkers met locatie in de provincies Antwerpen, West Vlaanderen, Vlaams Brabant, Limburg en het buitenland ligt het aandeel mannen hoger. Voor de andere provincies ligt het aandeel vrouwen hoger.
33
Beroepsstatuut % kolom
Statutair Statutair op proef Contractueel
N - Totaal
% rij
Mannen 78,9 2,3 18,8
Vrouwen 71,0 2,9 26,1
10.264
10.340
Totaal 74,9 2,6 22,4 20.604
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen Statutair
Statutair op proef
Vrouwen
Mannen 52,4 44,1 41,7
Vrouwen 47,6 55,9 58,3
49,8
50,2
0
Statutair
Contractueel
N 15.438 542 4.624 20.604
Statutair op proef
Mannen
Contractueel
Vrouwen
Bijna 75% van de werknemers van de Vlaams Overheid is statutair (vaste benoeming), 2,6% is statutair op proef en 22,4% is contractueel. Een hoger aandeel mannen is statutair, terwijl meer vrouwen contractueel zijn of statutair op proef. De man-vrouw-verdeling binnen de statuten varieert vrij sterk. Bij de statuaire medewerkers ligt het aandeel mannen (52,4%) hoger. Bij de andere caegorieën ligt het aandeel vrouwen duidelijk hoger.
34
Functieniveau % kolom
A+ A B C D
N - Totaal
% rij
Mannen 8,7 30,1 19,1 20,5 21,7
Vrouwen 5,9 28,9 28,6 24,7 11,9
10.264
10.340
Mannen 59,7 50,8 39,9 45,1 64,3
Vrouwen 40,3 49,2 60,1 54,9 35,7
49,8
50,2
N 1.505 6.075 4.911 4.658 3.455 20.604
A
B
100
40
80
30
60
20
40
10 0
Totaal 7,3 29,5 23,8 22,6 16,8 20.604
20 Mannen A+
Vrouwen A
B
C
0
A+
Mannen
D
C Vrouwen
Er zijn 1.505 medewerkers (7,3%) in niveau A+ (kaderfuncties binnen niveau A). Niveau A telt 29,5% van de medewerkers, niveau B 23,8%, niveau C 22,6% en niveau D 16,8%. Een hoger aandeel mannen zit in de niveaus A+, A en D, terwijl er meer vrouwen zijn in niveaus B en C. De man-vrouw-verdeling binnen de niveaus varieert vrij sterk. In niveau A+ ligt het aandeel mannen (59,7%) veel hoger. In niveau A is er bijna een gelijke verdeling. In niveaus B en C ligt het aandeel vrouwen met 60,1% en 54,9% hoger. Niveau D telt dan weer veel meer mannen (64,3%).
35
D
Leidinggevend kader % kolom
Leidinggevend Niet-leidinggevend kader Medewerker
N - Totaal
% rij
Mannen 3,5 5,2 91,3
Vrouwen 2,4 3,4 94,1
10.264
10.340
Totaal 3,0 4,3 92,7 20.604
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen Leidinggevend
Vrouwen Niet-leidinggevend kader
Mannen 59,0 60,2 49,0
Vrouwen 41,0 39,8 51,0
49,8
50,2
0
Leidinggevend
Medewerker
N 614 891 19.099 20.604
Niet-leidinggevend kader
Mannen
Medewerker
Vrouwen
Er zijn 614 officieel leidinggevende medewerkers, of 3,0% van het totaal. Het niet-leidinggevend kader telt 4,3% van de medewerkers. De niet-leidinggevende medewerkers vertegenwoordigen bijna 93% van het totaal. Een hoger aandeel mannen heeft een leidinggevende of niet-leidinggevend kaderfunctie. De man-vrouw-verdeling is nog vrij ongelijk. Bij de leidinggevenden en het niet-leidinggevend kader ligt het aandeel mannen (59,0 en 60,2%) veel hoger. Bij de niet-leidinggevende medewerkers ligt het aandeel vrouwen 2 procentpunten hoger.
36
Geldelijke anciënniteit % kolom
% rij
0-10 jaar 10-20 jaar 20-30 jaar >30 jaar
Mannen 20,0 38,4 25,3 16,3
Vrouwen 22,5 40,0 23,3 14,2
N - Totaal Gemiddelde
10.225 18,9
10.201 18,0
Totaal 21,2 39,2 24,3 15,3 20.426 18,5
50
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen 0-10 jaar
10-20 jaar
Vrouwen 53,0 51,0 47,8 46,4
50,1
49,9
0
Vrouwen 20-30 jaar
Mannen 47,0 49,0 52,2 53,6
0-10 jaar
>30 jaar
N 4.340 7.998 4.969 3.119 20.426
10-20 jaar
20-30 jaar
Mannen
Vrouwen
Iets meer dan 21% heeft 0 tot 10 jaar geldelijke anciënniteit, 39,2% heeft 10 tot 20 jaar, 24,3% 20 tot 30 jaar en 15,3% meer dan 30 jaar. Een iets hoger aandeel mannen heeft meer dan 20 jaar geldelijke anciënniteit. De man-vrouw-verdeling is bijna gelijk. Bij de medewerkers met 0 tot 20 jaar geldelijke anciënniteit (samen veruit de grootste groep) ligt het aandeel vrouwen hoger. Bij de groep met meer dan 20 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel mannen hoger.
37
>30 jaar
Dienstanciënniteit % kolom
% rij
0-10 jaar 10-20 jaar 20-30 jaar >30 jaar
Mannen 37,1 34,7 16,8 11,4
Vrouwen 45,3 31,5 15,2 8,0
N - Totaal Gemiddelde
10.225 15,0
10.201 13,1
Totaal 41,2 33,1 16,0 9,7 20.426 14,0
50
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen 0-10 jaar
10-20 jaar
Vrouwen 54,9 47,5 47,4 41,2
50,1
49,9
0
Vrouwen 20-30 jaar
Mannen 45,1 52,5 52,6 58,8
0-10 jaar
>30 jaar
N 8.422 6.756 3.266 1.982 20.426
10-20 jaar
20-30 jaar
Mannen
Vrouwen
Iets meer dan 41% heeft 0 tot 10 jaar dienstanciënniteit, 33,1% heeft 10 tot 20 jaar, 16,0% 20 tot 30 jaar en 9,7% meer dan 30 jaar. Een hoger aandeel vrouwen heeft 0 tot 10 jaar dienstanciënniteit. Het gemiddelde lag bij mannen op 15 jaar, bij vrouwen op 13 jaar. De man-vrouw-verdeling laat iets meer ongelijkheid zien dan bij de geldelijke anciënniteit. Bij de medewerkers met 0 tot 10 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel vrouwen hoger. Bij de groep met meer dan 10 jaar geldelijke anciënniteit ligt het aandeel mannen hoger.
38
>30 jaar
Werkuren regime % kolom
% rij
1-20 20-25 25-30
Mannen 0,6 0,1 0,1
Vrouwen 1,5 0,2 1,2
Totaal 1,0 0,2 0,7
Mannen 28,7 34,3 10,8
Vrouwen 71,3 65,7 89,2
N 216 35 139
30-35 35-40
0,3 98,8
1,3 95,8
0,8 97,3
19,4 50,6
80,6 49,4
170 20.044
10.264
10.340
20.604
49,8
50,2
20.604
20-25
25-30
N - Totaal 120
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20 0
Mannen 1-20
20-25
0
Vrouwen 25-30
30-35
1-20
35-40
Mannen
30-35 Vrouwen
Iets meer dan 97% van de medewerkers had een werkregime van 35 tot 40 uur per week. Slechts 0,8% had een regime van 30-35 uur, 0,7% van 25 tot 30 uur en 1,2% van 20 tot 25 uur. Een hoger aandeel mannen had een voltijds regime en een hoger aandeel vrouwen had een deeltijds regime. Bij medewerkers met een voltijds werkregime was het aandeel mannen en vrouwen bijna gelijk. Bij de groep met een deeltijds werkregime lag het aandeel vrouwen veel hoger.
39
35-40
Werkdagen VTE per jaar % kolom
Mannen 2,1 0,6 1,0 1,1 1,2 2,1 3,0 3,1 5,3 10,2 17,2 25,6 27,5
0 10-20 20-40 40-60 60-80 80-100 100-120 120-140 140-160 160-180 180-200 200-210 210-220
N - Totaal Gemiddelde
10.229 180,5
Vrouwen 2,9 1,4 1,5 1,8 2,9 5,3 6,4 6,3 11,7 16,8 15,4 15,8 11,8
10.193 156,8
Totaal 2,5 1,0 1,2 1,4 2,1 3,7 4,7 4,7 8,5 13,5 16,3 20,7 19,7 20.422 168,7
% rij
Mannen 42,4 31,0 39,4 37,4 30,2 28,6 31,9 32,7 31,5 37,8 52,8 61,9 70,0
50,1
Vrouwen 57,6 69,0 60,6 62,6 69,8 71,4 68,1 67,3 68,5 62,2 47,2 38,1 30,0
49,9
N 516 213 249 289 420 753 955 958 1.735 2.757 3.329 4.231 4.017 20.422
100
30
80 20
60 40
10
20 0 0 80-100 180-200
Mannen 10-20 100-120 200-210
20-40 120-140 210-220
Vrouwen 40-60 140-160
0 60-80 160-180
Mannen
Vrouwen
Het aantal VTE werkdagen per jaar lag bij 40,4% van de medewerkers tussen 200 en 220 dagen, bij 29,8% tussen 160 en 200 dagen, bij 17,9% tussen 100 en 160 dagen en bij 11,9% tussen 0 en 100 dagen. Bij een veel hoger aandeel mannen lag het aantal VTE werkdagen per jaar boven 180 en bij een hoger aandeel vrouwen bedroeg dat maximaal 180. Het gemiddelde lag bij mannen op 181 werkdagen per jaar, bij vrouwen op 157 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met meer dan 180 werkdagen per jaar (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In alle categorieën met minder werkdagen lag het aandeel vrouwen veel hoger.
40
Jaarlijks betaald verlof - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-10 10-20 20-30 30-40 40-50 >50
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 15,3 2,4 4,8 31,1 38,7 6,0 1,7
Vrouwen 5,6 4,3 10,3 37,8 36,2 4,9 1,0
10.229 26,2
10.193 27,0
Totaal 10,4 3,3 7,5 34,4 37,5 5,4 1,4 20.422 26,6
50
100
40
80
30
60
20
40
10
20
0
Mannen 0
1-10
10-20
30-40
40-50
Vrouwen 26,8 63,5 68,3 54,7 48,2 44,9 37,1
50,1
49,9
0
Vrouwen 20-30
Mannen 73,2 36,5 31,7 45,3 51,8 55,1 62,9
0
>50
1-10
10-20
N 2.133 684 1.531 7.033 7.655 1.108 278 20.422
20-30
Mannen
30-40
40-50
Vrouwen
10,4% van de medewerkers heeft volgens Vlimpers geen enkele dag jaarlijks betaald verlof genomen. Het betreft werknemers van enkele entiteiten (met een hoger aandeel mannen) die het jaarlijks verlof niet via Vlimpers registeren. Bij 10,8% lag het aantal verlofdagen tussen 1 en 20 dagen, bij 34,4% tussen 20 en 30 dagen, bij 37,5% tussen 30 en 40 dagen en bij 6,8% lag het aantal hoger dan 40 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen betaald verlof. Het aandeel van vrouwen lag hoger in de categorieën 1 tot 30 dagen per jaar en het aandeel mannen lag hoger in de categorieën vanaf 30 dagen per jaar. Dit verschil gaat samen met het verschil in aantal werkdagen per jaar. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag verlof lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorieën 1 tot 30 dagen per jaar lag het aandeel vrouwen hoger en in de categorieën vanaf 30 dagen het aandeel mannen.
41
>50
Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-10 10-20 20-30 30-40 40-50 >50
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 91,4 4,3 2,8 0,1 0,1 0,2 1,2
Vrouwen 80,7 11,5 5,5 0,3 0,1 0,2 1,7
10.229 2,3
10.193 3,9
Totaal 86,0 7,9 4,2 0,2 0,1 0,2 1,4 20.422 3,1
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0 0
Mannen 1-10
10-20
20-30
Vrouwen 30-40
40-50
Mannen 53,2 27,1 34,1 35,7 28,6 42,1 41,0
Vrouwen 46,8 72,9 65,9 64,3 71,4 57,9 59,0
50,1
49,9
0
0
>50
1-10
10-20
N 17.571 1.605 850 42 21 38 295 20.422
20-30
Mannen
30-40
40-50
Vrouwen
86,0% van de medewerkers heeft geen enkele dag onbetaald verlof genomen. Bij 7,9% lag het aantal verlofdagen tussen 1 en 10 dagen, bij 4,2% tussen 10 en 20 dagen bij 1,9% lag het hoger dan 20 dagen. Een iets hoger aandeel mannen nam geen onbetaald verlof. Het aandeel van vrouwen lag hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Iedere medewerker heeft jaarlijks recht op 20 dagen onbetaald verlof. Onbetaald verlof boven de 20 dagen per jaar kan als een gunst worden toegekend. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag onbetaald verlof lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorieën 1 tot 50+ dagen per jaar lag het aandeel vrouwen veel hoger .
42
>50
Ziekteverlof - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-5 5-10 10-30 30-50 >50
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 51,3 22,1 8,4 9,2 2,9 6,1
Vrouwen 29,5 28,9 13,1 14,4 4,2 9,9
10.229 11,1
10.193 17,7
Totaal 40,4 25,5 10,8 11,8 3,5 8,0 20.422 14,4
60
100
50
80
40
Mannen 63,6 43,5 39,2 39,1 40,7 38,1
Vrouwen 36,4 56,5 60,8 60,9 59,3 61,9
50,1
49,9
N 8.253 5.210 2.196 2.407 724 1.632 20.422
60
30
40
20
20
10 0
Mannen 0
1-5
5-10
0
Vrouwen 10-30
30-50
0
>50
1-5
5-10 Mannen
10-30
30-50
Vrouwen
40,4% van de medewerkers heeft geen enkele dag ziekteverlof (erkend en betaald) genomen. Bij 25,5% lag het aantal dagen tussen 1 en 5 dagen, bij 10,8% tussen 5 en 10 dagen, bij 11,8% tussen 10 en 30 dagen en bij 11,5% lag het hoger dan 30 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen enkele dag ziekteverlof. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 11 dagen per jaar, bij vrouwen op bijna 18 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag ziekteverlof (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.
43
>50
Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-10 10-20 20-30 30-40 40-50 >50
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 88,9 0,5 1,5 2,5 0,6 1,7 4,2
Vrouwen 82,4 0,8 1,5 3,5 1,1 2,4 8,3
10.229 4,6
10.193 8,7
Totaal 85,6 0,7 1,5 3,0 0,9 2,1 6,3 20.422 6,6
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen 0
1-10
10-20
30-40
40-50
Vrouwen 48,0 60,7 48,9 57,8 63,1 59,1 66,2
50,1
49,9
0
Vrouwen 20-30
Mannen 52,0 39,3 51,1 42,2 36,9 40,9 33,8
0
>50
1-10
10-20
N 17.487 140 305 609 179 421 1.281 20.422
20-30
Mannen
30-40
40-50
Vrouwen
85,6% van de medewerkers nam geen enkele dag loopbaanonderbreking (voltijds of deeltijds). Bij 5,2% lag het aantal dagen tussen 1 en 30 dagen, bij 6,0% tussen 30 en 50 dagen en bij 6,3% lag het hoger dan 50 dagen. Een veel hoger aandeel mannen nam geen enkele dag ziekteverlof. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 50+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 5 dagen per jaar, bij vrouwen op 9 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag loopbaanonderbreking (grootste groep) lag het aandeel mannen iets hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.
44
>50
Zorgkrediet - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-20 20-40 >40
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 98,0 0,4 0,5 1,1
Vrouwen 91,0 1,8 2,3 5,0
10.229 1,1
10.193 4,5
Totaal 94,5 1,1 1,4 3,0 20.422 2,8
120
100
100
80
80
Mannen 52,0 19,2 18,0 17,8
Vrouwen 48,0 80,8 82,0 82,2
50,1
49,9
N 19.296 224 283 619 20.422
60
60
40
40
20
20 0
Mannen 0
1-20
Vrouwen 20-40
0
0
>40
1-20 Mannen
20-40 Vrouwen
94,5% van de medewerkers nam geen enkele dag zorgkrediet (voltijds of deeltijds). Bij 1,1% lag het aantal dagen tussen 1 en 20, bij 1,4% tussen 20 en 40 dagen en bij 3,0% lag het hoger dan 40 dagen. Een iets hoger aandeel mannen nam geen enkele dag zorgkrediet. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 40+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 1 dag per jaar, bij vrouwen op 4,5 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag loopbaanonderbreking (grootste groep) lag het aandeel mannen iets hoger. In alle andere categorieën lag het aandeel vrouwen veel hoger.
45
>40
Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-2 2-5 5-10 >10
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 66,6 21,7 8,2 2,4 1,1
Vrouwen 50,5 34,8 11,4 2,5 0,8
10.229 0,9
10.193 1,1
Totaal 58,6 28,2 9,8 2,5 1,0 20.422 1,0
80
100
60
80
Vrouwen 43,1 61,5 58,1 50,5 40,8
50,1
49,9
N 11.960 5.763 1.998 505 196 20.422
0
1-2
2-5
60
40
40
20 0
Mannen 56,9 38,5 41,9 49,5 59,2
20 Mannen 0
1-2
Vrouwen 2-5
5-10
0
>10
Mannen
5-10 Vrouwen
58,6% van de medewerkers nam geen enkele dag dienstvrijstelling (voltijds of deeltijds). 28,2% nam 1 of 2 dagen, 9,8% 2 tot 5 dagen en 3,5% nam meer dan 5 dagen. Een hoger aandeel mannen nam geen enkele dag dienstvrijstelling . Het aandeel van vrouwen lag hoger in de categorieën van 1 tot 5 dagen per jaar . De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag dienstvrijstelling (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorie 1-2 dagen per jaar (ook een grote groep) lag het aandeel vrouwen veel hoger. Het aandeel mannen lag hoger in de kleine groep met meer dan 10 dagen.
46
>10
Afwezigheid totaal - VTE dagen per jaar % kolom
1-20 20-40 40-60 60-80 80-100 100-120 120-140 140-160 160-180 180-200 >200
% rij
Mannen 13,4 11,7 43,1 14,2 6,2 3,9 1,8 1,4 1,2 0,8 2,2
Vrouwen 3,8 10,2 37,3 16,3 10,4 7,6 3,8 2,7 2,5 1,3 4,0
10.229 60,2
10.193 76,8
N - Totaal Gemiddelde
Totaal 8,6 10,9 40,2 15,3 8,3 5,8 2,8 2,0 1,8 1,1 3,1 20.422 68,4
Mannen 78,1 53,5 53,7 46,7 37,5 34,2 32,6 35,0 31,7 37,6 35,5
Vrouwen 21,9 46,5 46,3 53,3 62,5 65,8 67,4 65,0 68,3 62,4 64,5
50,1
49,9
N 1.760 2.230 8.214 3.118 1.702 1.183 577 417 375 218 628 20.422
100
60
80 40
60 40
20 0 1-20 120-140
20 0 Mannen 20-40 40-60 140-160 160-180
Vrouwen 60-80 80-100 180-200 >200
100-120
Mannen
Vrouwen
Ruim 40% van de medewerkers had 1 tot 50 afwezigheidsdagen, bijna 43% nam 50 tot 100 dagen, 9,7% had 100 tot 150 dagen, 3,8% 150 tot 200 dagen en 3,1% meer dan 200 dagen. Een veel hoger aandeel mannen was 1 tot 50 dagen afwezig. Het aandeel van vrouwen lag hoger alle categorieën hoger dan 50 dagen. Het gemiddelde lag bij mannen op 60 dagen per jaar, bij vrouwen op 77 dagen. De man-vrouw-verdeling is zeer ongelijk. Bij medewerkers met 1 tot 50 afwezigheidsdagen lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorie 50 tot 100 dagen per jaar lag het aandeel van mannen en vrouwen bijna gelijk, maar in de categorieën hoger dan 50 dagen lag het aandeel van vrouwen veel hoger.
47
Telewerken - VTE dagen per jaar % kolom
0 1-10 10-30 30-50 50-80 >80
N - Totaal Gemiddelde
% rij
Mannen 57,2 12,0 11,2 8,9 7,1 3,5
Vrouwen 33,6 15,1 17,6 16,2 12,7 4,8
10.229 14,2
10.193 23,3
Totaal 45,4 13,6 14,4 12,6 9,9 4,2 20.422 18,7
60
100
50
80
40
Mannen 63,1 44,5 38,9 35,7 35,9 42,5
Vrouwen 36,9 55,5 61,1 64,3 64,1 57,5
50,1
49,9
N 9.268 2.770 2.943 2.564 2.026 851 20.422
60
30
40
20
20
10
0
Mannen 0
1-10
10-30
0
Vrouwen 30-50
50-80
0
>80
1-10
10-30 Mannen
30-50
50-80
Vrouwen
45,6% van de medewerkers had in 2018 geen enkele dag met telewerk. Bij 13,6% lag het aantal dagen telewerk tussen 1 en 10 dagen, bij 14,4% tussen 10 en 30 dagen, bij 12,6% tussen 30 en 50 dagen en bij 14,1% lag het hoger dan 50 dagen. Een veel hoger aandeel mannen had geen enkele dag met telewerk. Het aandeel van vrouwen lag veel hoger in alle categorieën van 1 tot 80+ dagen per jaar. Het gemiddelde lag bij mannen op 14 dagen per jaar, bij vrouwen op 23 dagen. De man-vrouw-verdeling is ongelijk. Bij medewerkers met geen enkele dag telewerk (grootste groep) lag het aandeel mannen veel hoger. In de categorieën met 1 tot 80+ dagen telewerk lag het aandeel vrouwen veel hoger. Aangezien de registratie van telewerken in 2018 nog niet volledig verplicht was, moet men bij deze cijfers rekening houden met een zekere foutenmarge. We gaan er vanuit dat die foutenmarge bij mannen en vrouwen even groot is.
48
>80
Loonkosten per maand - per 1.000 euro % kolom
% rij
Mannen 2,2 1,8 5,2 21,5 24,3 16,5 10,3 5,4 3,6 3,2 6,1
1-1.000 1.000-2.000 2.000-3.000 3.000-4.000 4.000-5.000 5.000-6.000 6.000-7.000 7.000-8.000 8.000-9.000 9.000-1.0000 >1.0000
N - Totaal Gemiddelde
10.230 5.413
Totaal 2,7 3,2 8,4 24,3 23,5 15,6 8,8 4,6 2,9 2,3 3,7 20.430 4.896
Vrouwen 3,2 4,7 11,6 27,1 22,8 14,6 7,3 3,9 2,1 1,4 1,2
10.200 4.378
Mannen 40,8 27,5 30,9 44,3 51,6 53,0 58,6 58,3 63,5 69,8 83,2
50,1
Vrouwen 59,2 72,5 69,1 55,7 48,4 47,0 41,4 41,7 36,5 30,2 16,8
49,9
N 556 662 1.715 4.968 4.807 3.182 1.789 949 583 473 746 20.430
100
30
80 20
60 40
10
20 0
0
Mannen 1-1.000 4.000-5.000 8.000-9.000
1.000-2.000 5.000-6.000 9.000-1.0000
Vrouwen 2.000-3.000 6.000-7.000 >1.0000
3.000-4.000 7.000-8.000
Mannen
Vrouwen
Voor bijna 16% van de medewerkers lagen de loonkosten in 2018 onder de 3.000 euro per maand. Bij 24,3% bedroegen de loonkosten 3.000 tot 4.000 euro per maand, bij 23,5% 4000 tot 5000 euro, bij 15,6% 5.000 tot 6.000 euro, bij 8,8% 6.000 tot 7.000 euro en bij bijna 15% meer dan 7.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in alle categorieën tot 4.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 5.413 euro per maand, bij vrouwen op 4.378 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de looncategorieën is ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen hoger en dat nam met de loonkosten verder toe. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.
49
Totaal bruto salaris per maand - per 1000 euro % kolom
% rij
Mannen 2,7 3,1 15,7 28,9 20,5 11,3 7,1 3,8 2,2 1,3 3,4
1-1000 1000-2000 2000-3000 3000-4000 4000-5000 5000-6000 6000-7000 7000-8000 8000-9000 9000-10000 >10000
N - Totaal Gemiddelde
10.230 4.528
Totaal 3,4 5,4 20,5 28,8 19,4 10,0 5,5 2,8 1,6 0,9 1,8 20.430 4.065
Vrouwen 4,1 7,7 25,3 28,8 18,4 8,6 3,9 1,8 0,9 0,4 0,2
10.200 3.601
Mannen 40,1 28,7 38,3 50,2 52,8 56,9 64,6 68,1 70,5 77,0 93,5
50,1
Vrouwen 59,9 71,3 61,7 49,8 47,2 43,1 35,4 31,9 29,5 23,0 6,5
49,9
N 693 1.097 4.178 5.892 3.965 2.034 1.131 570 322 178 370 20.430
100
30
80 20
60 40
10
20 0
0
Mannen 1-1000 4000-5000 8000-9000
1000-2000 5000-6000 9000-10000
Vrouwen 2000-3000 6000-7000 >10000
3000-4000 7000-8000
Mannen
Vrouwen
Voor iets meer dan 29% van de medewerkers lag het totaal bruto salaris onder de 3000 euro per maand. Bij 28,8% bedroeg het 3.000 tot 4.000 euro per maand, bij 19,4% 4.000 tot 5.000 euro, bij 10,0% 5.000 tot 6.000 euro, bij 5,5% 6.000 tot 7.000 euro en bij 7% meer dan 7.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 3.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 4.528 euro per maand, bij vrouwen op 3.601 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.
50
Bruto salaris per maand - per 1000 euro % kolom
% rij
Mannen 3,2 6,6 34,2 23,6 12,6 9,8 4,5 4,0 1,1 0,3 0,0
1-1000 1000-2000 2000-3000 3000-4000 4000-5000 5000-6000 6000-7000 7000-8000 8000-9000 9000-10000 >10000
N - Totaal Gemiddelde
10.230 3.618
Totaal 4,1 9,8 34,6 24,6 12,4 7,7 3,3 2,5 0,7 0,2 0,0 20.430 3.356
Vrouwen 5,1 12,9 34,9 25,7 12,2 5,6 2,2 1,0 0,4 0,1 0,0
10.200 3.094
Mannen 38,7 33,9 49,5 48,0 51,0 64,0 67,5 80,2 74,7 71,7 66,7
50,1
Vrouwen 61,3 66,1 50,5 52,0 49,0 36,0 32,5 19,8 25,3 28,3 33,3
49,9
N 843 1.993 7.064 5.034 2.531 1.573 681 509 150 46 6 20.430
100
40
80
30
60
20
40
10
20 0
0
Mannen 1-1000 4000-5000 8000-9000
1000-2000 5000-6000 9000-10000
Vrouwen 2000-3000 6000-7000 >10000
3000-4000 7000-8000
Mannen
Vrouwen
Het bruto maandsalaris is gelijk aan het totaal bruto maandsalaris zonder de eindejaarstoelage, het vakantiegeld en de bijkomende toelagen voor specifieke arbeidsvoorwaarden. Voor ruim 48% van de medewerkers lag het bruto salaris onder de 3.000 euro per maand. Bij 24,6% bedroeg het 3.000 tot 4.000 euro per maand, bij 12,4% 4.000 tot 5.000 euro, bij 7,7% 5.000 tot 6.000 euro, bij bijna 7% meer dan 6.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 4.000 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 4.000 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 3.618 euro per maand, bij vrouwen op 3.094 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 4.000 euro lag het aandeel mannen hoger en dat nam tot 8.000 euro. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen hoger.
51
Bruto toelagen per maand - per 1500 euro % kolom
% rij
Mannen 32,5 46,8 9,8 4,8 1,3 0,7 3,7
0 1-500 500-1000 1000-1500 1500-2000 2000-2500 >2500
N - Totaal
10.230 460
Gemiddelde
Vrouwen 38,0 55,9 3,6 0,9 0,1 0,1 0,1
10.199 119
Totaal 35,3 51,4
Mannen 45,9 45,4 73,1 84,8 91,7 92,0 97,4 50,1
6,7 2,8 0,7 0,4 1,9
20.429 289
60
100
50
80
40
60
30
40
20
N 7.271 10.588 1.382 579 145 75 389 20.429
20
10
0
0 0
Vrouwen 54,1 54,6 26,9 15,2 8,3 8,0 2,6 49,9
Mannen 1-500
500-1000
Vrouwen 1000-1500
1500-2000
2000-2500
>2500
Mannen
Vrouwen
De bruto toelagen omvatten diverse toelagen die worden toegekend aan specifieke groepen werknemers als vergoeding voor specifieke werkomstandigheden. De bruto toelagen zijn zeer ongelijk verdeeld. Ruim 35% van de medewerkers ontving geen extra toelagen, bijna 61% ontving minder dan 1.500 euro per maand, 1,3% 1.500 tot 3.000 euro en 1,7% meer dan 3.000 euro. Bij mannen lag het aandeel lager in de groep zonder toelagen, ongeveer even hoog in de groep 1-1500 euro per maand en veel hoger in alle klassen vanaf 1.500 euro. Het gemiddelde lag bij mannen op 460 euro per maand, bij vrouwen op 119 euro, bijna 4 keer lager. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is zeer ongelijk. Vanaf 1.500 euro per maand lag het aandeel mannen veel hoger dan dat van vrouwen, van 91% tot 100% in de hoogste klassen.
52
Totaal netto salaris per maand - per 500 euro % kolom
Mannen 5,2 7,4 28,4 25,5 14,9 7,9 4,2 2,1 0,7 0,7 3,0
1-1500 1500-2000 2000-2500 2500-3000 3000-3500 3500-4000 4000-4500 4500-5000 5000-5500 5500-6000 >6000
N - Totaal Gemiddelde
10.230 2.865
% rij
Vrouwen 10,2 17,9 33,6 22,1 9,9 3,7 1,6 0,6 0,2 0,1 0,2
10.200 2.344
Totaal 7,7 12,7 31,0 23,8 12,4 5,8 2,9 1,4 0,5 0,4 1,6 20.430 2.605
Mannen 33,7 29,5 45,8 53,7 60,2 68,0 72,6 77,9 77,2 87,3 95,1
50,1
Vrouwen 66,3 70,5 54,2 46,3 39,8 32,0 27,4 22,1 22,8 12,7 4,9
49,9
N 1.569 2.586 6.334 4.863 2.533 1.185 587 276 92 79 326 20.430
100
40
80
30
60 20
40
10
20 0
0
Mannen 1-1500 3000-3500 5000-5500
1500-2000 3500-4000 5500-6000
Vrouwen 2000-2500 4000-4500 >6000
2500-3000 4500-5000
Mannen
Vrouwen
Voor bijna 20% van de medewerkers lag het totaal netto salaris onder de 2.000 euro per maand. Bij 31,0% bedroeg het 2.000 tot 2.500 euro per maand, bij 23,8% 2.500 tot 3.000 euro, bij 12,4% 3.000 tot 3.500 euro, bij 5,8% 3.500 tot 4.000 euro en bij 6,7% meer dan 4.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 2.500 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 2.500 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 2.865 euro per maand, bij vrouwen op 2.344 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 2.500 euro lag het aandeel mannen duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.
53
Netto salaris per maand - per 500 euro % kolom
% rij
Mannen 5,6 12,7 30,2 22,3 13,5 6,2 3,6 1,8 0,5 0,6 3,0
1-1500 1500-2000 2000-2500 2500-3000 3000-3500 3500-4000 4000-4500 4500-5000 5000-5500 5500-6000 >6000
N - Totaal Gemiddelde
10.230 2.752
Vrouwen 11,4 25,2 31,1 19,2 7,9 3,1 1,3 0,4 0,1 0,1 0,1
10.200 2.243
Totaal 8,5 18,9 30,7 20,8 10,7 4,6 2,5 1,1 0,3 0,4 1,6 20.430 2.498
Mannen 33,0 33,5 49,3 53,8 63,1 67,0 73,6 80,6 80,9 86,1 95,4
50,1
Vrouwen 67,0 66,5 50,7 46,2 36,9 33,0 26,4 19,4 19,1 13,9 4,6
49,9
N 1.729 3.868 6.263 4.241 2.186 946 507 227 68 72 323 20.430
100
40
80
30
60
20
40
10
20 0
0
Mannen 1-1500 3000-3500 5000-5500
1500-2000 3500-4000 5500-6000
Vrouwen 2000-2500 4000-4500 >6000
2500-3000 4500-5000
Mannen
Vrouwen
Het netto maandsalaris is gelijk aan het bruto maandsalaris zonder de vergoeding voor fietsvervoer en maaltijdcheques. Voor ruim 27% van de medewerkers lag het totaal netto maandsalaris onder de 2.000 euro. Bij 30,7% bedroeg het 2.000 tot 2.500 euro per maand, bij 20,8% 2.500 tot 3.000 euro, bij 10,7% 3000 tot 3500 euro, bij 4,6% 3.500 tot 4.000 euro en bij 5,9% meer dan 4.000 euro. Bij mannen lag het aandeel hoger in alle klassen vanaf 2.500 euro, terwijl bij vrouwen het aandeel hoger lag in de categorieën tot 2.500 euro per maand. Het gemiddelde lag bij mannen op 2.752 euro per maand, bij vrouwen op 2.243 euro. De man-vrouw-verdeling binnen de salarisklassen is ongelijk. Vanaf 2.500 euro lag het aandeel mannen duidelijk hoger en dat nam toe met het inkomen. In de lagere klassen lag het aandeel vrouwen (veel) hoger.
54
Gemiddelden voor diverse aspecten Mannen 45,8 18,9 15,0
Leeftijd Geldelijke anciënniteit - jaren Dienstanciënniteit - jaren
0
10
Vrouwen 43,6 18,0 13,1
Totaal 44,7 18,5 14,0
20
N 20.604 20.426 20.426
30
M-V 2,2 0,9 1,9
40
50
Leeftijd Mannen Vrouwen
Geldelijke anciënniteit - jaren Dienstanciënniteit - jaren
Mannen 181 193 60
Werkdagen - VTE dagen/jaar Werk, ziekte, vrijstelling - VTE dagen/jaar Afwezigheid totaal - VTE dagen/jaar
0
50
Vrouwen 157 176 77
Totaal 169 184 68
100
150
N 20.422 20.422 20.422
200
M-V 23,7 17,0 -16,6
250
Werkdagen - VTE dagen/jaar Mannen Vrouwen
Werk, ziekte, vrijstelling - VTE dagen/jaar Afwezigheid totaal - VTE dagen/jaar
55
Mannen 26,2 2,3 11,1 4,6 1,1 0,9 14,2
Jaarlijks verlof - dagen/jaar Onbetaald verlof - VTE dagen/jaar Ziekteverlof - VTE dagen/jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen/jaar Zorgkrediet - VTE dagen/jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen/jaar Telewerken - VTE dagen/jaar
0
Vrouwen 27,0 3,9 17,7 8,7 4,5 1,1 23,3
5
Totaal
10
26,6 3,1 14,4 6,6 2,8 1,0 18,7
N 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422
15
20
M-V -0,8 -1,5 -6,6 -4,1 -3,5 -0,1 -9,1
25
30
Jaarlijks verlof - dagen/jaar Onbetaald verlof - VTE dagen/jaar Ziekteverlof - VTE dagen/jaar
Mannen
Loopbaanonderbreking - VTE dagen/jaar Zorgkrediet - VTE dagen/jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen/jaar Telewerken - VTE dagen/jaar
Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand Bruto salaris per maand Bruto toelagen per maand Totaal netto salaris per maand Netto salaris per maand
0
1000
Mannen 5.413 4.528 3.618 460 2.865 2.752
Vrouwen 4.378 3.601 3.094 119 2.344 2.243
2000
3000
Totaal 4.896 4.065 3.356 289 2.605 2.498
4000
Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand Bruto salaris per maand Bruto toelagen per maand Totaal netto salaris per maand Netto salaris per maand
N 20.430 20.430 20.430 20.430 20.430 20.430
5000
M-V 1.036 928 524 341 520 509
6000
Mannen Vrouwen
56
VTE werkdagen per maand per persoon Mannen 17,4 15,5 17,6 14,8 15,7 16,3 13,3 13,8 15,3 18,0 15,4 12,8
Januari Februari Maart April Mei Juni Juli Augustus September Oktober November December
Vrouwen 14,9 13,2 15,2 12,5 13,4 14,1 10,9 11,0 13,2 15,6 13,4 10,8
Totaal 16,1 14,4 16,4 13,6 14,5 15,2 12,1 12,4 14,3 16,8 14,4 11,8
N 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422 20.422
M-V 2,5 2,3 2,4 2,3 2,3 2,2 2,4 2,8 2,2 2,4 2,0 2,0
Aantal
%
35 30 25 20 15 10 5 0
100% 80% 60% 40% 20% 0%
Mannen
Vrouwen
Mannen
57
Vrouwen
1b Profiel van de werknemers van de Vlaamse overheid naar gender en functieniveau Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk 1b schetsen we een aanvullend profiel van de werknemers aan de hand van driedimensionale tabellen en grafieken (kolomprecentages), naar gender, functieniveau en enkele andere aspecten. Persoonlijke gegevens: leeftijd, onderwijsniveau, en beroepsgroep partner. Loopbaan/werksituatie: provincie van werklocatie en beroepsstatuut.
Uit dit hoofdstuk nemen we volgende aandachtspunten mee die aansluiten op maatschappelijke trends en/of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. De kruising van gender, functieniveau en onderwijsniveau geeft ons enige indicatie over het zogenaamd al dan niet werken boven/onder onderwijsniveau. Het is belangrijk dat ook ervaring en niet enkel diploma erkend wordt in functieniveau en doorstroom, maar zogenaamd werken onder onderwijsniveau beperkt mogelijks aanwezig potentieel in de organisatie. Het grootste genderverschil betreft hier de medewerkers op niveau B. Bij vrouwen op niveau B zien we dat één vijfde, 21,6%, beschikt over een master/doctordiploma. Deze diploma’s verbindt de Vlaamse overheid eerder met niveaus A en A+. Hier zit dus een enorm doorgroeipotentieel voor vrouwen. Bij mannen bedraagt dit één tiende, 10,6%. Hierbij is de open vraag waarom vrouwen meer dan mannen “onder hun onderwijsniveau” werken. Is dit een persoonlijke keuze of is deze keuze beïnvloed door drempels in de organisatie, maatschappij en/of thuissituatie? De kruising van gender, functieniveau en beroepsgroep partner toont gelijkaardige tendensen als in hoofdstuk 1. Bij vrouwen is het aandeel met een partner werkend in de privé of als zelfstandige of een gepensioneerde partner groter. Bij mannen ligt het aandeel met een partner die werkt als ambtenaar of met een werkloze partner hoger. Kijken we naar de kaderfuncties (A+) dan lijkt het dat vrouwen minder kunnen terugvallen op een partner die in het huishouden ook zorgtaken kan opnemen. Zo kunnen zelfstandigen en privé werknemers op minder zorgstelsels beroep doen dan ambtenaren. Het genderverschil is zelfs het grootst bij de werknemers zonder partner. Gezien de ongelijke (on)betaalde arbeidsverdeling in de maatschappij is het mogelijk dat ook vrouwen in kaderfuncties binnen de Vlaamse overheid een moeilijkere werk-privé combinatie ervaren . Vrouwen zijn zo’n 10% meer aan het werk in het Brussels hoofdstedelijk gewest. Dit is mogelijk een indicatie naar verschillen in functie(groepen) tussen mannen en vrouwen, waarover we geen directe gegevens hebben. Het grote genderverschil volgens statuut op niveau D doet de vraag rijzen over de verschillende functies die mannen en vrouwen mogelijks invullen op dit niveau. Waarom werken vrouwen hier meer contractueel en in mogelijks meer precaire contracten?
58
Leeftijd %
Mannen Functieniveau A+ A 2,2 19,0 26,3 34,1 37,6 27,8 33,9 19,1 898 3.085
18-34 35-44 45-54 55 + N
B C D 23,6 15,1 12,4 33,7 26,3 19,8 28,4 29,0 34,0 14,3 29,6 33,8 1.958 2.100 2.223
Tot 16,2 28,6 30,3 24,8 10.264
N
1.662 2.940 3.114 2.548
Mannen
%
%p
Vrouwen A+ A B C D Tot 3,6 24,8 31,2 12,9 9,3 20,6 32,9 43,1 35,6 27,6 17,5 33,5 41,4 23,5 22,6 32,0 35,0 27,7 22,1 8,7 10,6 27,5 38,2 18,2 607 2.990 2.953 2.558 1.232 10.340
Genderverschil A+ A -1,4 -5,8 -6,7 -9,0 -3,7 4,3 11,8 10,5
Vrouwen 50
15
40
40
10
30
30
20
20
10
10 A+
A
18-34
B
35-44
C
45-54
D
Tot
55 +
0
D 3,0 2,4 -1,0 -4,4
Tot -4,4 -4,8 2,6 6,6
Genderverschil M - V
50
0
N
2.130 3.460 2.869 1.881
M-V B C -7,6 2,2 -1,9 -1,3 5,8 -3,0 3,7 2,1
5 0 -5
-10 A+
A
18-34
B
C
35-44
45-54
D
Tot
55 +
-15
A+
A
18-34
Er is een zwak negatief verband tussen functieniveau en leeftijd. Wel zijn er vrije grote genderverschillen in de combinatie van functieniveau en leeftijd. Bij mannen van niveau A+ ligt alleen het aandeel 55-plussers hoger dan bij vrouwen van niveau A+. Bij werknemers van niveaus A en B ligt bij vrouwen het aandeel 18 tot 44-jarigen hoger dan bij mannen, terwijl bij mannen het aandeel 45plussers groter is. Voor niveaus C en D zijn de verschillen kleiner.
59
B
35-44
C
45-54
D
Tot
55 +
Onderwijsniveau %
%
Mannen Functieniveau A+ A Lager secundair 2,8 2,3 Hoger secundair 3,1 1,3 Hoger bachelor 2,6 3,5 Hoger master/doctor 91,5 92,9 898 3.085 N
B C D 2,9 13,1 68,2 11,0 76,5 30,2 75,5 7,9 1,3 10,6 2,5 0,4 1.958 2.100 2.223
Tot 18,9 25,0 17,6 38,6 10.264
N
1.942 2.561 1.804 3.957
Mannen
%p
Vrouwen A+ A B C D Tot 3,1 3,1 3,1 10,2 64,0 12,1 0,7 0,5 7,0 77,6 34,5 25,5 0,7 2,2 68,2 9,7 1,4 22,7 95,6 94,2 21,6 2,5 0,2 39,7 607 2.990 2.953 2.558 1.232 10.340
10
80
80
5
60
60
0
40
40
-5
20
20
-10
B
C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor
0
A+ A Lager secundair Hoger bachelor
B
C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor
-15
A+ A Lager secundair Hoger bachelor
Er is een sterk positief verband tussen functieniveau en onderwijsniveau, als logisch gevolg van de diplomavereisten voor de diverse functies. Meer dan 90% van de medewerkers van niveau A+ en A hebben een diploma hoger master/doctor. Bij vrouwen ligt dat percentage iets hoger dan bij mannen. Bij de medewerkers van niveau D heeft ongeveer 2/3 een diploma lager secundair en 1/3 een diploma hoger secundair, Bij medewerkers van niveau A+, A, C en D zijn de genderverschillen klein. Bij mannen van niveau B ligt het aandeel met diploma hoger secundair en bachelor hoger, tegenover een hoger aandeel met diploma master/doctor bij vrouwen van niveau B.
60
Genderverschil M - V A+ A B C -0,3 -0,8 -0,3 2,9 2,5 0,8 4,0 -1,1 1,9 1,3 7,3 -1,8 -4,0 -1,3 -11,0 0,1
D 4,2 -4,3 -0,1 0,2
Tot 6,8 -0,5 -5,1 -1,1
Genderverschil M - V
100
A+ A Lager secundair Hoger bachelor
1.253 2.636 2.349 4.102
Vrouwen
100
0
N
B
C D Tot Hoger secundair Hoger master/doctor
Beroepsgroep partner %
%
Mannen Functieniveau A+ A B C D Werknemer privé 44,8 36,5 35,7 38,6 35,6 Ambtenaar 24,1 24,9 25,4 22,1 18,3 Zelfstandige 4,7 2,9 2,2 2,0 1,7 Zonder werk 6,8 7,5 3,2 4,2 8,8 Gepensioneerd 0,3 0,2 0,6 0,4 0,2 Geen partner 18,6 26,9 31,5 31,0 34,1 891 3.054 1.930 2.064 2.192 N
Tot 37,3 22,9 2,5 6,2 0,3 29,4 10.131
N
3.829 2.354 255 638 35 3.020
Mannen 50
40
40
30
30
20
20
10
10 A+
A
B
Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd
C
C 43,2 18,1 4,7 1,3 1,4 29,7 2.513
D 44,2 15,2 4,1 1,4 2,4 31,0 1.211
Tot 42,1 18,2 5,9 1,2 0,9 30,1 10.183
D
Tot
Ambtenaar Zonder werk Geen partner
0
Genderverschil M - V A+ A B C -0,7 -5,5 -4,0 -4,5 6,1 5,5 6,9 4,0 -1,7 -4,6 -3,8 -2,7 5,0 6,2 2,3 2,9 -0,2 -0,2 0,0 -1,0 -8,3 -1,2 -1,3 1,3
N
4.352 1.887 614 123 98 3.109
Vrouwen
50
0
%p
Vrouwen A+ A B 45,5 42,0 39,7 18,0 19,4 18,5 6,4 7,5 6,1 1,8 1,3 0,8 0,5 0,4 0,6 26,9 28,1 32,7 601 2.951 2.907
D -8,7 3,1 -2,5 7,4 -2,1 3,0
Genderverschil M - V 10 5
0 -5 A+
A
B
C
Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd
D
Tot
Ambtenaar Zonder werk Geen partner
-10
A+
Er is een zwak verband tussen functieniveau en beroepsgroep van de partner. Binnen de diverse functieniveaus zijn er wel enkele significante genderverschillen. Bij vrouwen van niveau A+ ligt het aandeel zonder partner ruim 8% hoger dan bij mannen van niveau A+. Het aandeel vrouwen met een partner die in de privé werkt is bijna even groot voor niveau A+ maar het is duidelijk groter voor niveau D. Voor alle functieniveaus ligt het aandeel vrouwen met een partner die ambtenaar is of geen werk heeft, hoger dan bij mannen. Het aandeel vrouwen met een zelfstandig partner ligt bij alle functieniveaus lager dan bij mannen, met een kleiner verschil voor niveau A+. Bij vrouwen van niveau ligt het aandeel met een gepensioneerde partner iets hoger dan bij mannen van niveau D.
61
A
B
Werknemer privé Zelfstandige Gepensioneerd
C
D
Tot
Ambtenaar Zonder werk Geen partner
Tot -4,8 4,7 -3,5 5,0 -0,6 -0,6
Provincie van werklocatie %
%
Mannen Functieniveau A+ A Antwerpen 7,0 17,9 Oost Vlaanderen 7,3 13,0 West Vlaanderen 3,6 7,4 Vlaams Brabant 2,9 4,9 Limburg 3,9 4,0 Brussels Gewest 72,9 46,8 Buitenland 2,3 5,9 898 3.085 N
B C D 21,0 19,0 26,8 15,6 15,7 12,6 17,9 15,6 25,2 8,5 9,0 10,6 8,2 9,6 13,5 28,0 29,8 8,4 0,8 1,3 3,0 1.958 2.100 2.223
Mannen 80
60
60
40
40
20
20 A+ A B Antwerpen West Vlaanderen Limburg Buitenland
C
D Tot Oost Vlaanderen Vlaams Brabant Brussels Gewest
N
2.020 1.383 1.498 771 821 3.459 312
N
1.558 1.599 1.106 628 671 4.594 184
Vrouwen
80
0
Tot 19,7 13,5 14,6 7,5 8,0 33,7 3,0 10.264
%p
Vrouwen A+ A B C D Tot 5,3 12,0 20,5 14,9 14,7 15,1 10,4 13,2 17,5 16,5 16,5 15,5 2,8 6,3 14,8 10,9 15,2 10,7 2,0 5,1 7,0 6,2 8,0 6,1 1,6 4,5 8,4 7,5 7,1 6,5 77,8 57,2 28,3 43,1 38,3 44,4 0,2 1,7 3,6 0,9 0,2 1,8 607 2.990 2.953 2.558 1.232 10.340
0
Genderverschil M - V A+ A B C 1,7 5,9 0,5 4,1 -3,0 -0,1 -1,8 -0,8 0,8 1,1 3,1 4,7 0,9 -0,2 1,6 2,8 2,3 -0,5 -0,2 2,2 -4,8 -10 -0,4 -13 2,2 4,2 -2,8 0,4
D 12,1 -3,9 10,1 2,6 6,4 -30 2,8
Genderverschil M - V 10 0 -10 -20
A+ A B Antwerpen West Vlaanderen Limburg Buitenland
C
D Tot Oost Vlaanderen Vlaams Brabant Brussels Gewest
-30
A+ A B Antwerpen West Vlaanderen Limburg Buitenland
Algemeen gezien zijn de genderverschillen voor de provincie van de werklocatie binnen functieniveaus A,+, A, B en C klein. Bij de medewerkers van niveau A en C ligt het aandeel vrouwen met werklocatie in het Brussels Gewest 10% respectievelijk 13% hoger. Bij vrouwen van niveau D ligt dat percentage zelfs 30% hoger dan bij mannen. Daartegenover staat dat een groter aandeel mannen van niveau D in de provincie Antwerpen en West Vlaanderen werkt.
62
C
D Tot Oost Vlaanderen Vlaams Brabant Brussels Gewest
Tot 4,6 -2,0 3,9 1,4 1,5 -10,7 1,3
Beroepsstatuut %
Statutair Contractueel N
%
Mannen Functieniveau A+ A 88,1 78,7 11,9 21,3 898 3.085
B C D 74,4 82,5 75,9 25,6 17,5 24,1 1.958 2.100 2.223
Tot 78,9 21,1 10.264
N
8.097 2.167
Mannen
%p
Vrouwen A+ A B C 86,8 72,6 67,1 80,5 13,2 27,4 32,9 19,5 607 2.990 2.953 2.558
D Tot 48,9 71,0 51,1 29,0 1.232 10.340
30
80
80
20
60
60
40
40
20
20 A
Statutair
B
C
D
Contractueel
Tot
0
D 27 -27
Genderverschil M - V
100
A+
7.341 2.999
Vrouwen
100
0
Genderverschil M - V A+ A B C 1,3 6,1 7,3 2,0 -1,3 -6,1 -7,3 -2,0
N
10 0 -10 -20 A+
A
B
C
Statutair
D
Tot
-30
A+
Contractueel
Het aandeel contractuelen ligt bij vrouwen bijna 8% hoger dan bij mannen. Die genderverschillen varieëren sterk naar functieniveau. Bij vrouwen van niveau D ligt het aandeel contractuelen liefst 27% hoger dan bij mannen van dat niveau. Bij vrouwen van niveaus A en B is het aandeel contractuelen 6,1% respectievelijk 7,3% groter dan bij mannen. In niveaus A+ en C zijn de verschillen klein.
63
A
Statutair
B
C
D
Contractueel
Tot
Tot 7,9 -7,9
2 Profiel van de werknemers bij de Vlaamse overheid en in het Vlaamse Gewest Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk biedt voor enkele aspecten van het genderprofiel in het vorige hoofdstuk een vergelijking van de werknemers van de Vlaamse overheid (18 tot 64 jaar) (in Vlimpers) met de werknemers van 18 tot 64 jaar in het hele Vlaamse Gewest. Voor het Vlaamse Gewest gebruiken we gegevens van de Enquête naar de Arbeidskrachtentelling (EAK) en van de Enquête naar Inkomens en Levensomstandigheden (SILC). De vergelijking gebeurt aan de hand van eenvoudige tweedimensionale kruistabellen en grafieken (kolom- en rijprecentages). Meer info over EAK: https://www.statistiekvlaanderen.be/KSMD-149a-uren-beroepsarbeid-per-week. Meer info over SILC: https://www.statistiekvlaanderen.be/KSMD-155-individuele-inkomens-silc. De vergelijking met de EAK brengt de volgende verschillen aan het licht: - minder medewerkers van de VO wonen buiten België; - veel meer medewerkers van de VO wonen in Oost Vlaanderen, minder in de provincies Antwerpen en Limburg; - minder medewerkers van de VO zijn buiten België geboren; - bij de VO werken werken er veel minder 18-34-jarigen en veel meer 50-plussers; - er zijn veel meer medewerkers met diploma master/doctoraat bij de VO; - veel meer werknemers van de VO hebben het Brusselse Gewest als werklocatie; - veel meer medewerkers van de VO hebben een vaste benoeming; - er zijn bij de VO veel meer werknemers met 90-120 werkuren per maand en veel minder werknemers met meer dan 120 uur; - bij de VO zijn er veel minder medewerkers met een leidinggevende functie; - er zijn veel minder medewerkers zonder thuiswerk bij de VO en veel meer met 1 tot 50% dagen thuiswerken. De vergelijking met SILC laat de volgende verschillen zien: - er zijn bij de VO veel meer medewerkers met een totaal bruto maandsalaris boven 4.500 euro; het gemiddeld salaris ligt 530 euro hoger, bij vrouwen 560 euro; - het aandeel medewerkers met een totaal netto maandsalaris boven 3000 euro ligt hoger bij de VO; gemiddeld bijna 300 euro hoger, bij vrouwen 330 euro; - de VO kent iets kleinere genderverschillen binnen de diverse salariscategorieën.
64
Uit dit vergelijkend hoofdstuk noteren we de volgende centrale elementen. Het gemiddeld salaris ligt binnen de Vlaamse overheid hoger dan bij de werkende bevolking in het Vlaams gewest. De gemiddelde genderkloof voor het maandsalaris is kleiner bij de Vlaamse overheid. Dit keert om voor het salaris per werkuur. Voor het totaal netto salaris per maand zijn vrouwen in het Vlaams gewest met 13,8% veel meer vertegenwoordigd in de hoogste loonklasse (> €7500) dan vrouwen bij de Vlaamse overheid (2%) ten opzichte van hun respectievelijke mannelijke collega’s. De Vlaamse overheid kent veel minder leidinggevende functies dan organisaties in het Vlaams gewest. Met 41% zijn vrouwen in leidinggevende functies bij de Vlaamse overheid wel beter vertegenwoordigd (34,3% in Vlaams gewest). Wel moet men rekening houden met een mogelijk verschil in de betekenis van leidinggeven bij de VO en in de enquête EAK. Voor zowel onderwijsniveau als beroepsstatuut verwerven we mogelijks indirect inzicht in de verschillen in functies (en sector). Bij de Vlaamse overheid zijn er veel meer hoger geschoolde medewerkers dan in het Vlaamse gewest. De meeste functies bij de Vlaamse overheid zijn immers aan een diploma gebonden. Bij de Vlaamse overheid zijn iets meer mannelijke statutaire ambtenaren. In het Vlaams gewest zijn er meer vrouwen met een vaste benoeming. Mogelijks is dit verbonden met de gender gesegregeerde sectoren zoals onderwijs en zorg.
65
Land van geboorte
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
België EU - buiten België Buiten EU
Totaal - N
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 97,4 1,4 1,2
Vrouwen 96,4 1,7 1,9
Totaal 96,9 1,6 1,6
Mannen 50,1 45,5 38,6
10.264
10.340
20.604
49,8
Vrouwen Totaal - N 49,9 19.962 54,5 321 61,4 321
50,2
20.604
% rij
Mannen 86,5 5,4 8,0
Vrouwen 86,8 6,0 7,2
Totaal 86,7 5,7 7,6
Mannen 51,1 48,6 54,1
1.269.159
1.211.479
2.480.638
51,2
Vrouwen Totaal - N 48,9 2.150.580 51,4 141.308 45,9 188.750
48,8
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
150
100 80
100
60 40
50
20
0
Mannen België
% rij
Vrouwen EU - buiten België
Totaal
0
Buiten EU
België
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
België
EU - buiten België Mannen
Buiten EU
Vrouwen
Mannen
0
België
Vrouwen
EU - buiten België
EU - buiten België Mannen
Buiten EU
Buiten EU
Vrouwen
De VO telde in 2018 3,2% medewerkers die buiten België zijn geboren, tegenover 13,3% in het hele VG. Bij de VO lag dat aandeel iets hoger bij vrouwen; in het VG was dat omgekeerd. De man-vrouwverdeling binnen de 3 categorieën voor geboorteland toont eveens verschillen tussen de VO en het VG. Bij de VO is het aandeel mannen geboren buiten de EU duidelijk lager.
66
2.480.638
Leeftijd
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
18-34 jaar 35-44 jaar 45-54 Jaar 55+ jaar
Totaal - N Gemiddelde
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 16,2 28,6 30,3 24,8
Vrouwen 20,6 33,5 27,7 18,2
Totaal 18,4 31,1 29,0 21,5
Mannen 43,8 45,9 52,0 57,5
10.264 45,8
10.340 43,6
20.604 44,7
49,8
Vrouwen Totaal - N 56,2 3.792 54,1 6.400 48,0 5.983 42,5 4.429
50,2
20.604
% rij
Mannen 32,2 25,2 26,4 16,2
Vrouwen 32,0 26,4 26,6 15,0
Totaal 32,1 25,8 26,5 15,6
Mannen 51,4 50,0 51,0 53,1
1.269.322 41,3
1.211.479 41,2
2.480.801 41,3
51,2
Vrouwen Totaal - N 48,6 796.526 50,0 639.100 49,0 658.384 46,9 386.791
48,8
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
40
40
30
30
20
20
10
10
0
Mannen 18-34 jaar
% rij
35-44 jaar
0
Vrouwen 45-54 Jaar
55+ jaar
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
18-34 jaar
35-44 jaar Mannen
45-54 Jaar
55+ jaar
Vrouwen
Mannen 18-34 jaar
0
18-34 jaar
35-44 jaar
35-44 jaar Mannen
Vrouwen 45-54 Jaar
45-54 Jaar Vrouwen
Bij de VO lag het aandeel personen bij de 18 tot 34-jarigen veel lager en bij de 55-plussers veel hoger dan in het VG. Bij de VO lag het aandeel 55-plussers bij mannen nog hoger. De gemiddelde leeftijd van de werknemers bij de VO lag op 44,7 jaar en in het VG op 41,3 jaar. Bij de VO is het verschil tussen mannen en vrouwen groter. De man-vrouwverdeling binnen de leeftijdsgroepen verschilt eveneens tussen de VO en het VG. Bij de VO lag het aandeel mannen lagervrouwen hoger bij de 18 tot 44-jarigen en het aandeel mannen hoger bij de 55-plussers.
67
55+ jaar
55+ jaar
2.480.801
Onderwijsniveau
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Lager secundair Hoger secundair Hoger bachelor Hoger master/doctor
Totaal - N
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 18,9 25,0 17,6 38,6
Vrouwen 12,1 25,5 22,7 39,7
Totaal 15,5 25,2 20,2 39,1
Mannen 60,8 49,3 43,4 49,1
10.264
10.340
20.604
49,8
Vrouwen Totaal - N 39,2 3.195 50,7 5.197 56,6 4.153 50,9 8.059
50,2
20.604
% rij
Mannen 15,8 46,0 20,4 17,8
Vrouwen 11,0 37,3 33,1 18,7
Totaal 13,4 41,7 26,6 18,2
Mannen 60,1 56,4 39,3 50,0
1.269.323
1.211.478
2.480.801
51,2
Vrouwen Totaal - N 39,9 333.483 43,6 1.034.579 60,7 660.250 50,0 452.489
48,8
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
% rij
Mannen Lager secundair Hoger bachelor
Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor
0
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Lager secundair
Hoger secundair Mannen
Hoger bachelor Vrouwen
Hoger master/doctor
0
Mannen Lager secundair Hoger bachelor
Lager secundair
Hoger secundair Mannen
Vrouwen Hoger secundair Hoger master/doctor
Hoger bachelor Vrouwen
Bij de VO lag het aandeel medewerkers met een diploma hoger secundair veel lager dan in het VG. Het aandeel met een diploma lager secundair lag bij de VO iets hoger dan in het VG en het aandeel met een diploma master of doctor veel hoger. De man-vrouwverdeling binnen de onderwijsniveaus laat minder verschillen tussen de VO en het VG zien. Bij de VO lag het aandeel mannen lager bij de personen met een diploma hoger secundair.
68
Hoger master/doctor
2.480.801
Provincie van werklocatie
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Antwerpen Oost Vlaanderen West Vlaanderen Vlaams Brabant Limburg Brussels Gewest Waals Gewest/extern
Totaal - N
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 19,7 13,5 14,6 7,5 8,0 33,7 3,0
Vrouwen 15,1 15,5 10,7 6,1 6,5 44,4 1,8
Totaal 17,4 14,5 12,6 6,8 7,2 39,1 2,4
Mannen 56,5 46,4 57,5 55,1 55,0 43,0 62,9
10.264
10.340
20.604
49,8
Vrouwen Totaal - N 43,5 3.578 53,6 2.982 42,5 2.604 44,9 1.399 45,0 1.492 57,0 8.053 37,1 496
50,2
20.604
% rij
Mannen 27,6 19,0 16,0 13,6 11,6 8,8 3,4
Vrouwen 27,1 19,8 17,0 13,7 11,8 8,5 2,1
Totaal 27,4 19,4 16,5 13,6 11,7 8,6 2,7
Mannen 51,6 50,1 49,7 51,1 50,7 52,0 63,3
1.269.320
1.211.478
2.480.798
51,2
Vrouwen Totaal - N 48,4 679.129 49,9 480.707 50,3 409.498 48,9 338.480 49,3 290.779 48,0 214.264 36,7 67.941
48,8
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
40
40
30
30
20
20
10 0
10 Mannen
Antwerpen Vlaams Brabant Waals Gewest/extern
% rij
Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg
West Vlaanderen Brussels Gewest
100 80 60 40 20 0
0
Mannen
Antwerpen Vlaams Brabant Waals Gewest/extern
Vrouwen Oost Vlaanderen Limburg
West Vlaanderen Brussels Gewest
100 80 60 40 20 0
Mannen
Vrouwen
Mannen
Vrouwen
Bij de VO lag bij mannen en vrouwen het aandeel met werklocatie in het Brussels Gewest veel hoger dan in het VG, terwijl het aandeel in alle Vlaamse provincies lager lag. De man-vrouwverdeling binnen de provincies laat weinig verschillen tussen de VO en het VG zien. Bij de VO lag het aandeel vrouwen dat werkt in het Brussels Gewest 9 procentpunten hoger dan in het VG.
69
2.480.798
Beroepsstatuut
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Vaste benoeming Contractueel
Totaal - N
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 78,9 21,1
Vrouwen 71,0 29,0
Totaal 74,9 25,1
Mannen 52,4 41,9
10.264
10.340
20.604
49,8
Vrouwen Totaal - N 47,6 15.438 58,1 5.166
50,2
20.604
% rij
Mannen 12,5 87,5
Vrouwen 16,5 83,5
Totaal 14,5 85,5
Mannen 44,3 52,3
1.269.322
1.211.479
2.480.801
51,2
Vrouwen Totaal - N 55,7 359.520 47,7 2.121.281
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
% rij
Mannen Vaste benoeming
Vrouwen Contractueel
0
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Vaste benoeming Mannen
Contractueel Vrouwen
0
Mannen Vaste benoeming
Vaste benoeming Mannen
Vrouwen Contractueel
Contractueel Vrouwen
Bij de VO lag bij mannen en vrouwen het aandeel met een vaste benoeming veel hoger dan in het VG, terwijl het aandeel contractuelen veel lager lag. De man-vrouwverdeling binnen de 2 beroepsgroepen geeft voor de VO het omgekeerde beeld van de VG . Bij de VO lag bij de vastbenoemde het aandeel vrouwen lager dan in het VG. Bij de contractuelen daarentegen lag bij de VO het aandeel vrouwen hoger dan in het VG.
70
48,8
2.480.801
Werkdagen per jaar
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
1-60 60-90 90-120 >120
Totaal - N Gemiddelde
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 7,5 6,9 20,6 65,0
Vrouwen 13,8 15,4 33,3 37,6
Totaal 10,7 11,1 26,9 51,3
Mannen 35,4 31,1 38,3 63,4
10.229 114
10.193 99
20.422 107
50,1
Vrouwen Totaal - N 64,6 2.177 68,9 2.276 61,7 5.495 36,6 10.474
49,9
20.422
% rij
Mannen 5,1 3,5 6,1 85,3
Vrouwen 8,5 17,7 23,0 50,9
Totaal 6,8 10,4 14,4 68,5
Mannen 38,8 17,0 21,7 63,7
1.269.322 132
1.211.480 109
2.480.802 120
51,2
Vrouwen Totaal - N 61,2 167.646 83,0 257.797 78,3 356.027 36,3 1.699.332
48,8
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen 1-60
% rij
0
Vrouwen
60-90
90-120
>120
1-60
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
1-60
60-90 Mannen
90-120
>120
Vrouwen
Mannen
0
1-60
Vrouwen
60-90
60-90 Mannen
90-120
>120
90-120
>120
Vrouwen
Bij de VO lag - vooral bij mannen - het aandeel werknemers met 90 tot 120 werkuren per maand hoger dan in het VG, terwijl het aandeel werknemers met meer dan 120 uur per maand veel lager lag dan in het VG. Het gemiddelde aantal lag bij de VO op 107 werkuren per maand, in het VG op 122. De man-vrouwverdeling laat zien dat bij de VO het aandeel vrouwen bij de medewerkers met 60 tot 120 werkuren per maand lager lag dan in het VG. Bij de personen met meer dan 120 uur per maand lag het aandeel vrouwen bij de VO even hoog als in het VG.
71
2.480.802
Leiding geven
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Leidinggevend Niet-leidinggevend
Totaal - N
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
Mannen 3,5 96,5
Vrouwen 2,4 97,6
Totaal 3,0 97,0
Mannen 59,0 49,5
10.264
10.340
20.604
49,8
Vrouwen Totaal - N 41,0 614 50,5 19.990
50,2
20.604
% rij
Mannen 25,2 74,8
Vrouwen 13,8 86,2
Totaal 19,6 80,4
Mannen 65,7 47,6
1.270.385
1.211.229
2.481.614
51,2
Vrouwen Totaal - N 34,3 487.556 52,4 1.994.058
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen Leidinggevend
% rij
Vrouwen
0
Niet-leidinggevend
Leidinggevend
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Leidinggevend Mannen
Niet-leidinggevend Vrouwen
Mannen
0
Leidinggevend Mannen
Vrouwen Niet-leidinggevend
Niet-leidinggevend Vrouwen
Bij de VO lag het aandeel leidinggevende medewerkers op 3,0%, tegenover 19,6% in het VG. Bij de VO lag het aandeel leidinggevenden 1 procentpunt hoger bij mannen dan bij vrouwen. In het VG lag dat aandeel 11 procentpunten hoger bij mannen. De man-vrouwverdeling is iets gunstiger bij de VO. Bij de VO lag het aandeel vrouwen bij de leidinggevenden iets hoger dan in het VG.
72
48,8
2.481.614
Aandeel werkdagen thuis
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Vlaams Gewest - EAK % kolom
% rij
0% 1-50% 50-100%
Mannen 57,2 41,9 1,0
Vrouwen 33,6 64,8 1,6
Totaal 45,4 53,3 1,3
Mannen 63,1 39,3 38,0
Totaal - N
10.229
10.193
20.422
50,1
Vrouwen Totaal - N 36,9 9.268 60,7 10.891 62,0 263
49,9
20.422
% rij
Mannen 83,7 13,9 2,4
Vrouwen 82,2 14,1 3,7
Totaal 83,0 14,0 3,1
Mannen 52,0 51,3 40,9
1.231.002
1.155.344
2.386.346
51,6
Vrouwen Totaal - N 48,0 1.979.718 48,7 333.526 59,1 73.102
EAK Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen 0%
% rij
Vrouwen 1-50%
0
50-100%
0%
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
0%
1-50% Mannen
Mannen
50-100%
Vrouwen
0
Vrouwen 1-50%
0%
50-100%
1-50% Mannen
Vrouwen
Bij de VO lag het aandeel medewerkers zonder thuiswerk veel lager dan in het VG en het aandeel met 1 tot 50% werkdagen thuis werken veel hoger. De man-vrouwverdeling laat meer ongelijkheid zien bij de VO dan in het VG. Bij de VO lag in de groep zonder thuiswerk het aandeel vrouwen lager dan in het VG en bij de groep met thuiswerk hoger.
73
50-100%
48,4
2.386.346
Totaal bruto salaris per maand
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Vlaams Gewest - SILC % kolom
% rij
0-1500 1500-3000 3000-4500 4500-6000 6000-7500 >7500
Mannen 3,9 17,5 40,9 19,8 9,2 8,7
Vrouwen 7,2 29,8 39,7 16,0 5,1 2,2
Totaal 5,5 23,7 40,3 17,9 7,2 5,4
Mannen 35,5 37,1 50,8 55,3 64,4 80,0
Totaal - N Gemiddelde
10.230 4.528
10.200 3.601
20.430 4.065
50,1
Vrouwen Totaal - N 64,5 1.132 62,9 4.836 49,2 8.235 44,7 3.656 35,6 1.465 20,0 1.106
49,9
20.430
% rij
Mannen 8,6 21,0 38,4 16,4 7,0 8,6
Vrouwen 16,0 37,8 31,0 10,5 2,7 2,0
Totaal 12,3 29,4 34,7 13,5 4,9 5,3
Mannen 34,7 35,6 55,3 61,0 71,9 80,9
1.222.270 4.141
1.227.889 3.040
2.450.159 3.589
49,9
Vrouwen Totaal - N 65,3 301.627 64,4 720.930 44,7 849.750 39,0 329.625 28,1 119.047 19,1 129.180
50,1
EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
Mannen 0-1500 4500-6000
% rij
1500-3000 6000-7500
Vrouwen 3000-4500 >7500
0
0-1500 4500-6000
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
0 Mannen
Vrouwen
Mannen 1500-3000 6000-7500
Mannen
Vrouwen 3000-4500 >7500
Vrouwen
Bij de VO bedroeg het aandeel medewerkers met een totaal bruto salaris boven 4.500 euro per maand 30,5%, tegenover 23,6% in het VG. Het gemiddelde totaal bruto salaris lag bij de VO op 4.065 euro per maand, in het VG op 3.589 euro. Het verschil tussen mannen en vrouwen (928 euro) is bij de VO kleiner dan in het VG (1.101 euro), in euro en procentueel. De man-vrouwverdeling laat een kleinere ongelijkheid zien bij de VO dan in het VG. Bij de VO lag het aandeel vrouwen in de hogere inkomensgroepen hoger dan in het VG. 74
2.450.159
Totaal netto salaris per maand
Vlaamse overheid - GOVO % kolom
Vlaams Gewest - SILC % kolom
% rij
0-1500 1500-3000 3000-4500 4500-6000 6000-7500 >7500
Mannen 5,2 61,4 27,0 3,5 1,6 1,4
Vrouwen 10,2 73,6 15,2 0,9 0,1 0,0
Totaal 7,7 67,5 21,1 2,2 0,9 0,7
Mannen 33,7 45,5 64,1 79,4 92,7 98,0
Totaal - N Gemiddelde
10.230 2.865
10.200 2.344
20.430 2.605
50,1
Vrouwen Totaal - N 66,3 1.569 54,5 13.783 35,9 4.305 20,6 447 7,3 178 2,0 148
49,9
20.430
% rij
Mannen 11,7 61,5 21,2 3,7 1,2 0,7
Vrouwen 26,0 64,7 7,9 1,0 0,2 0,3
Totaal 18,9 63,1 14,5 2,4 0,7 0,5
Mannen 31,0 48,6 72,7 78,0 88,0 73,6
1.222.270 2.607
1.227.888 2.015
2.450.158 2.310
49,9
Vrouwen Totaal - N 69,0 462.406 51,4 1.545.592 27,3 355.671 22,0 57.758 12,0 16.307 26,4 12.424
50,1
EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
% kolom
80
80
60
60
40
40
20
20
0
Mannen
0-1500 4500-6000
% rij
1500-3000 6000-7500
Vrouwen 3000-4500 >7500
0
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
0 Mannen
Vrouwen
Mannen 0-1500 4500-6000
1500-3000 6000-7500
Mannen
Vrouwen 3000-4500 >7500
Vrouwen
Bij de VO bedroeg het aandeel medewerkers met een totaal netto salaris boven 3.000 euro per maand 24,9%, tegenover 18,0% in het VG. Het gemiddelde totaal netto salaris lag bij de VO op 2.605 euro per maand, in het VG op 2.310 euro. Het verschil tussen mannen en vrouwen bedroeg 520 euro bij de VO, tegenover 592 euro in het VG. De man-vrouwverdeling laat een kleinere ongelijkheid zien bij de VO dan in het VG. Bij de VO lag het aandeel vrouwen in de hogere inkomensgroepen hoger dan in het VG, met uitzondering van de hoogste inkomensgroep (2% vrouwen bij VO tegenover 26,4% in VG). 75
2.450.158
Gemiddelden naar gender en leeftijd Vlaamse overheid - GOVO
Totaal bruto salaris per maand in euro
Mannen 3.097 4.222 4.964 5.281 4.528
18-34 jaar 35-44 jaar 45-54 Jaar 55+ jaar Totaal
Vrouwen 2.845 3.632 4.061 3.698 3.601
Vlaams Gewest - SILC
Totaal Totaal - N 2.956 3.757 3.905 6.337 4.533 5.933 4.612 4.403 4.065 20.430
Mannen 3.050 4.322 4.741 4.898 4.141
Vrouwen 2.468 3.176 3.398 3.216 3.040
Totaal 2.770 3.727 4.062 4.059 3.589
Totaal - N 722.480 667.338 636.027 424.312 2.450.157
EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
0
1000
2000
3000
4000
5000
Mannen Vrouwen
18-34 jaar 35-44 jaar
55+ jaar
55+ jaar
Totaal
Totaal
in euro
Mannen 2.132 2.740 3.094 3.206 2.865
Vrouwen 1.954 2.376 2.576 2.374 2.344
2000
3000
4000
5000
6000 Mannen
Vrouwen
35-44 jaar 45-54 Jaar
18-34 jaar 35-44 jaar 45-54 Jaar 55+ jaar Totaal
1000
18-34 jaar
45-54 Jaar
Vlaamse overheid - GOVO
Totaal netto salaris per maand
0
6000
Vlaams Gewest - SILC
Totaal Totaal - N 2.033 3.757 2.545 6.337 2.847 5.933 2.854 4.403 2.605 20.430
Mannen 2.058 2.729 2.913 2.934 2.607
Vrouwen 1.698 2.096 2.214 2.101 2.015
Totaal 1.884 2.400 2.560 2.519 2.310
Totaal - N 722.480 667.338 636.027 424.312 2.450.157
EU-SILC Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium)
0 18-34 jaar 35-44 jaar
500
1000
1500
2000
2500
3000
0
3500
Mannen Vrouwen
1000
1500
2000
2500
3000
3500
18-34 jaar
Mannen
35-44 jaar
Vrouwen
45-54 Jaar
45-54 Jaar
55+ jaar
55+ jaar
Totaal
Totaal
76
500
3 Werksituatie en salaris naar gender, functieniveau en leeftijd Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk gaat dieper in op de relevante aspecten van de werksituatie en het inkomen van de werknemers van de Vlaamse overheid. Per aspect worden de gemiddelde waarden gegeven in driedimensionale tabellen en grafieken, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de subgroepen, in waarde en procentueel. Aangezien we de relevante verschillen naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten bestuderen, worden in de analyses alleen de werknemers opgenomen die 2018 een voldoende vergelijkbare werksituatie hadden, met minstens 100 effectieve VTE werkdagen en ten hoogste 50 dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling samen. Het maximale aantal werknemers in de analyses daalt bijgevolg van 20.603 tot 17.259. De selectie maakt een meer gecontroleerde genderanalyse mogelijk in licht van de beoogde gendergelijkheid. De gehanteerde criteria zijn altijd voor discussie vatbaar, maar de wijziging ervan impliceert slechts kleine verschillen in de resultaten. De analyse laat een aantal belangrijke verschillen naar gender, functieniveau en leeftijd zien. Het totaal aantal afwezigheidsdagen ligt veel hoger bij vrouwen, stijgt met leeftijd en daalt met functieniveau. Het aantal dagen ziekteverlof en loopbaanonderbreking ligt procentueel veel hoger bij vrouwen, stijgt met leeftijd en daalt met functieniveau. Het aantal dagen zorgkrediet ligt hoger bij vrouwen, piekt bij 40 tot 49-jarigen en stijgt vooral bij vrouwen in niveaus A, B en C. Het aantal dagen telewerken ligt veel hoger bij vrouwen, daalt met leeftijd en kent grote verschillen naar functieniveau. De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per maand liggen veel lager bij vrouwen, respectievelijk ongeveer 950, 860 en 480 euro per maand minder, of respectievelijk 17%, 18% en 16%. Er zijn grote verschillen naar functieniveau en leeftijd; het meest opvallend zijn de grote genderverschillen bij 50-plussers in niveau A. Voor het bruto salaris per maand ligt het gemiddelde genderverschil veel lager (435 euro of bijna 12%), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). De loonkosten, het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris per gepresteerd werkuur liggen eveneens lager bij vrouwen, maar de genderverschillen zijn kleiner, respectievelijk 4,0 euro, 3,9 euro en 1,8 euro per maand minder, of respectievelijk ongeveer 9%, 10% en 8%. Er zijn eveneens grote verschillen naar functieniveau en leeftijd en zeer grote genderverschillen bij 50plussers in niveau A. Het gemiddelde genderverschil is veel kleiner voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur (1,0 euro), vooral wegens het wegvallen van de veel hogere bruto toelagen bij mannen (vooral 50-plussers in niveau A). Naast het salaris per gepresteerd werkuur kan men ook het salaris per erkend werkuur berekenen. Dat is gebaseerd op het aantal erkende VTE-werkdagen, de som van gepresteerde VTE-werkdagen en gelijkgestelde afwezigheidsdagen. Ze vormen de basis van de salarisberekening en bieden inzicht in de genderongelijkheid van het salaris dat medewerkers effectief ontvangen.
77
Op basis van dit hoofdstuk duiden we alvast enkele tendensen aan die aansluiten op maatschappelijke trends en/of vragen/hypothesen oproepen voor de toekomst. Het totaal aantal afwezigheidsdagen (betaald en onbetaald verlof, ziektverlof, zorgkrediet en dienstvrijstelling) ligt duidelijk hoger bij vrouwen in vergelijking tot mannen. Dit is waarschijnlijk een indicatie van de maatschappelijke trend waarbij zowel betaalde als onbetaalde arbeid ongelijk verdeeld is tussen mannen en vrouwen. Hierbij dragen voornamelijk vrouwen de zorgtaken, ook wel de “tweede shift” genoemd. We zien ook meer diversiteit naar leeftijd binnen de groep vrouwen dan bij mannen. Zo ligt het gemiddeld aantal VTE dagen loopbaanonderbreking bij 50+ vrouwen veel hoger. De variatie volgens functieniveau voor ziektedagen en telewerkdagen informeert ons mogelijk indirect over de verschillende functies (en werkbelasting) waarover deze dataset geen gegevens en dus geen direct inzicht biedt. Ook binnen de functieniveaus zijn er grote genderverschillen. Zo telewerken vrouwen in niveaus C en D veel meer dan mannen. Kijken we specifiek naar kaderfuncties (niveau A+), vallen ook enkele zaken op. In die groep zijn jonge vrouwen meer afwezig en maken ze meer gebruik van loopbaanonderbreking. Voorts hebben personen in kaderfuncties gemiddeld de grootste huishoudens. Dit roept de vraag op of vrouwen, meer dan mannen, in kaderfuncties thuis nog meer een klassieke genderverdeling van de zorgtaken kennen. Voor het inkomen zijn de genderverschillen in niveau A+ vaak het kleinst, zeker in vergelijking met niveau A. Opvallend is dat het loonverschil tussen niveau A en A+ volgens leeftijd daalt bij mannen, terwijl dit net toeneemt voor vrouwen. De tabellen suggereren dat er grotere genderverschillen bij 50-plussers in niveau A optreden. De kruistabellen naar gender, functieniveau en leeftijd brengen verscheidene verschillen naar inkomen in kaart. Gemiddelde salariscomponenten stijgen sterker volgens leeftijd bij mannen dan bij vrouwen, waardoor ook het genderverschil met leeftijd vergroot. Men zou verwachten dat leeftijd, sterk gelinkt aan anciënniteit bij mannen en vrouwen, een gelijkaardige impact heeft. De tabellen laten zien dat een specifieke subgroep bij mannen sterker doorweegt in de gemiddelde waarden (cf. 50-plussers in niveau A). Mannen kennen een grotere inkomensdiversiteit naar functie niveau dan vrouwen. Binnen de niveaus vallen ook genderverschillen op, voornamelijk in niveaus D en A. Opnieuw duidt dit op een mogelijke gender gebonden functieverdeling binnen die niveaus. De vraagt rijst dan waarom verschillende functies in één niveau tot zulke grote salarisverschillen zouden leiden. In vergelijking met de maandsalarissen zien we bij het salaris per gepresteerd werkuur ook ‘negatieve’ genderverschillen naar boven komen, dit wil zeggen dat in sommige groepen vrouwen gemiddeld per gepresteerd werkuur meer verdienen dan mannen. Dit is wellicht omdat het salaris, inclusief ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof, gedeeld wordt door gemiddeld minder effectieve werkdagen per jaar dan bij mannen.
78
Leeftijd Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 36,4 44,2 33,5 43,9 33,2 44,4 33,5 44,8 32,7 45,3 33,4 44,4
2.725
2.805
50+ 56,2 55,9 55,4 56,4 55,9 56,0
Tot 49,9 44,4 42,5 46,2 48,0 45,6
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 36,6 44,6 33,6 43,8 31,9 44,1 33,5 44,8 33,1 45,1 33,1 44,3
3.066
2.654
60
M-V 50+ 55,4 55,1 55,2 55,6 55,8 55,5
Tot 47,8 41,1 40,2 46,3 49,0 43,4
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 -0,1 -0,4 -0,1 0,1 1,3 0,4 0,0 0,0 -0,4 0,2 0,3 0,2
Genderverschil M - V
50
6,0
40
1,0
4,0
30
0,5
20
40-49
Mannen A+
50+ A
18-39 B
40-49
Vrouwen C D
50+
-1,0
50+ 1,4 1,5 0,4 1,3 0,1 0,9
0,0
-0,5 18-39
18-39 40-49 -0,3 -1,0 -0,3 0,3 3,8 0,8 -0,1 0,0 -1,3 0,5 1,0 0,4
2,0
0,0
10
Tot 2,2 3,3 2,2 -0,2 -1,0 2,2
Genderverschil %
1,5
0
50+ 0,8 0,8 0,2 0,7 0,0 0,5
18-39 A+
40-49 A B C
50+
-2,0
D
18-39 A+
Bij mannen bedroeg bedroeg de gemiddelde leeftijd in de leeftijdsgroep 18-39 jaar 33,4 jaar, bij de 40 tot 39jarigen 44,4 jaar en bij de 50-plussers 56 jaar. Bij vrouwen was dit respectievelijk 33,1 jaar, 44,3 jaar en 55,5 jaar. Binnen de leeftijdsgroepen zijn er weinig verschillen naar functieniveau. De genderverschillen in aantal jaren en in % zijn zeer klein, zowel voor leeftijd als voor functieniveau.
79
A
40-49 B C
50+ D
Tot 4,3 7,4 5,2 -0,4 -2,2 4,8
Aantal personen in huishouden Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 3,1 3,8 2,8 3,5 2,6 3,3 2,6 3,2 2,4 3,2 2,7 3,4
2.725
2.805
50+ 3,7 3,4 3,2 3,1 3,0 3,2
Tot 3,6 3,2 3,0 3,0 2,9 3,1
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 3,5 3,6 2,9 3,5 2,7 3,3 2,9 3,0 2,8 2,9 2,8 3,3
3.066
2.654
4
Tot 3,3 3,2 2,9 2,9 2,8 3,0
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 -0,4 0,2 -0,2 0,0 0,0 0,0 -0,3 0,2 -0,4 0,3 -0,2 0,1
50+ 0,7 0,4 0,2 0,3 0,3 0,4
Genderverschil M - V
3 2 1 0
M-V 50+ 3,0 3,0 3,0 2,8 2,7 2,9
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0,8 0,6 0,4 0,2 0,0 -0,2 -0,4 -0,6
Tot 0,3 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1
18-39 40-49 -13,2 5,3 -6,5 0,3 -0,8 0,6 -10,4 5,3 -15,1 9,5 -6,8 2,7
50+ 18,6 12,0 6,9 10,4 9,6 11,7
Genderverschil % 30
20 10 0 -10 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
-20
18-39
D
40-49 A+
Het gemiddeld aantal huishoudleden lag bij de mannen op 3,1 personen en bij de vrouwen op 3,0. Bij de 18 tot 39-jarige mannen lag het aantal huishoudeleden lager dan bij de 40-plussers. Binnen alle leeftijdsgroepen daalt het aantal huishoudleden met het functieniveau. De genderverschillen (in aantal en %) zijn duidelijk: het aantal huishoudleden lag iets hoger bij jongere vrouwen en iets lager bij vrouwen van 50 jaar en ouder.
80
A
B
50+ C
D
Tot 9,1 2,5 3,0 3,4 4,8 3,9
Geldelijke anciënniteit - jaren Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N 35 30 25 20 15 10 5 0
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 12,6 19,5 8,9 17,5 9,3 18,9 10,6 17,8 8,2 15,9 9,4 17,8
2.725
2.805
50+ 30,1 26,3 27,6 29,6 23,8 27,0
Tot 24,6 17,5 17,0 20,5 18,3 18,9
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.870 9.071
Vrouwen 18-39 40-49 13,1 19,7 9,6 18,2 8,4 19,3 11,0 19,8 8,1 15,7 9,4 18,8
3.066
2.654
M-V 50+ 29,0 26,9 28,3 30,5 23,9 28,0
Tot 22,5 15,8 15,7 21,9 19,0 18,1
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 -0,5 -0,2 -0,7 -0,6 0,9 -0,4 -0,4 -2,0 0,1 0,2 -0,1 -1,0
Genderverschil M - V 15,0
1,0
10,0 0,0 -5,0
-2,0 50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-3,0
18-39 40-49 -4,1 -1,0 -7,4 -3,5 10,0 -2,3 -4,0 -11,1 0,7 1,1 -0,7 -5,5
5,0
-1,0
40-49
Tot 2,1 1,8 1,4 -1,4 -0,7 0,8
Genderverschil %
2,0
0,0
18-39
50+ 1,1 -0,7 -0,7 -0,9 -0,1 -1,1
-10,0 18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-15,0
18-39
A+
De gemiddelde geldelijke anciënniteit lag bij de mannen op 18,9 jaar en bij de vrouwen op 18,1 jaar. De geldelijke anciënniteit neemt logischerwijs sterk toe met de leeftijd. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau klein. Alleen het iets lagere gemiddelde van mannen en vrouwen in niveau D valt op. De genderverschillen zijn zeer klein, voor bijna alle combinaties van leeftijd en functieniveau. Alleen bij de 40 tot 49-jarigen in niveau C bedroeg het verschil bijna 2 jaar of iets meer dan 10%.
81
40-49
A
B
50+
C
D
50+ 3,6 -2,5 -2,6 -2,9 -0,4 -3,9
Tot 8,5 10,1 8,0 -7,0 -3,8 4,1
Dienstanciënniteit - jaren Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 10,1 14,9 6,2 12,9 7,0 14,6 8,1 13,6 6,7 13,6 7,0 13,7
2.725
2.805
50+ 21,9 21,1 20,5 25,2 21,3 22,1
Tot 18,2 13,3 12,9 16,7 16,1 15,0
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.870 9.071
Vrouwen 18-39 40-49 10,0 14,9 6,7 13,0 5,5 11,6 8,2 14,5 6,4 11,8 6,6 13,1
3.066
30
2.654
M-V 50+ 21,5 18,8 20,4 24,2 19,2 21,3
Tot 16,9 11,1 10,3 16,9 15,0 13,1
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 0,1 -0,1 -0,5 -0,2 1,5 3,0 -0,2 -0,9 0,3 1,8 0,4 0,6
Genderverschil M - V
20
3,0
15
2,0
10
1,0
5
0,0
0
-1,0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-2,0
Tot 1,3 2,2 2,6 -0,2 1,1 1,8
18-39 40-49 1,2 -0,4 -7,9 -1,2 21,8 20,7 -1,9 -6,8 4,8 12,9 5,4 4,7
Genderverschil %
4,0
25
50+ 0,3 2,3 0,2 1,0 2,1 0,8
30,0 20,0 10,0 0,0 18-39
A+
40-49 A B C
50+
D
-10,0
18-39 A+
De gemiddelde dienstanciënniteit lag bij de mannen op 15 jaar en bij de vrouwen op 13,1 jaar. De dienstanciënniteit neemt eveneens sterk toe met de leeftijd. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau klein. Alleen de hogere anciënniteit bij jongeren in niveau A+ en bij 50-plussers in niveau C valt op. De genderverschillen zijn voor de meeste combinaties van leeftijd en functieniveau vrij klein, met enkele uitzonderingen: de 18 tot 39-jarigen in niveau B, de 40 tot 49-jarigen in niveaus C en D en de 50-plussers in niveaus A en D.
82
40-49 A B C
50+
D
50+ 1,5 11,1 0,9 4,0 9,9 3,5
Tot 7,3 16,6 20,3 -1,1 6,5 12,2
Werkdagen - VTE per jaar Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 202,1 202,2 198,4 197,4 194,4 194,8 194,3 193,4 190,4 194,9 195,3 196,2
2.725
2.805
50+ 200,2 196,5 191,6 190,0 189,6 193,1
Tot 201,1 197,4 193,8 192,3 191,1 194,7
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 192,0 196,7 182,6 179,8 178,3 178,0 179,8 182,0 171,4 176,1 180,2 180,9
3.066
2.654
250
Tot 195,1 181,2 177,1 177,2 168,0 178,6
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 10,1 5,5 15,8 17,6 16,1 16,8 14,4 11,4 19,1 18,8 15,1 15,3
50+ 5,3 16,1 18,9 18,1 26,2 19,0
Genderverschil M - V
200 150 100 50
0
M-V 50+ 194,9 180,4 172,6 172,0 163,4 174,1
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
15
20
10
10
5
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
0
18-39
D
40-49
A+
Het gemiddeld aantal werkdagen per jaar lag bij de mannen op 194,7 dagen en bij de vrouwen op 178,6 dagen, een significant verschil van 16,1 dagen. In lijn met de aanwezigheidsgraad is er bij de mannen geen verschil naar leeftijd. Bij de vrouwen lag het gemiddelde iets lager bij de 50-plussers. Binnen de leeftijdsgroepen zijn de verschillen naar functieniveau zeer klein. Bij mannen en vrouwen van 18 tot 39 jaar en van 50 jaar en ouder steeg het percentage licht met het functieniveau. De genderverschillen liggen voor de meeste subgroepen tussen 10 en 20 dagen per jaar, met een hoger gemiddelde bij de medewerkers in niveau D, vooral de 50-plussers (26,2 dagen).
83
18-39 40-49 5,0 2,7 7,9 8,9 8,3 8,6 7,4 5,9 10,0 9,7 7,7 7,8
Genderverschil %
30
0
Tot 6,0 16,2 16,8 15,1 23,1 16,1
A
B
50+
C
D
50+ 2,6 8,2 9,9 9,5 13,8 9,8
Tot 3,0 8,2 8,6 7,9 12,1 8,3
Afwezigheidsdagen - VTE per jaar Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7,2 9,4 12,6 15,4 15,8 17,5 14,6 18,2 19,4 15,7 14,8 15,8
2.725
2.805
50+ 10,1 14,6 19,1 21,7 21,7 18,1
Tot 9,5 14,2 17,1 18,6 19,7 16,4
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 20,9 16,2 29,6 34,7 31,8 36,8 32,2 31,5 30,3 28,2 30,6 32,5
3.066
2.654
50
M-V 50+ 16,8 32,7 40,7 42,2 42,0 37,8
Tot 17,3 32,0 35,1 36,2 36,5 33,4
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 -13,7 -6,8 -17,0 -19,3 -16,1 -19,4 -17,6 -13,3 -10,9 -12,5 -15,9 -16,7
Genderverschil M - V 0
0
30
-5
-50
20
-10
10
-15
0
-20 40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-25
Tot -7,7 -17,8 -18,0 -17,6 -16,7 -17,0
18-39 40-49 -190 -72 -134 -126 -102 -111 -120 -73 -56 -80 -107 -106
Genderverschil %
40
18-39
50+ -6,7 -18,0 -21,6 -20,5 -20,3 -19,7
-100 -150 18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-200
18-39
A+
40-49
A
Het gemiddeld aantal afwezigheidsdagen per jaar lag bij de mannen op 16,4 dagen en bij de vrouwen op 33,4. Bij mannen en vrouwen neemt het aantal dagen toe met de leeftijd, bij vrouwen meer dan bij mannen. Binnen bijna alle leeftijdsgroepen daalt het aantal dagen met het functieniveau. Alleen bij de vrouwen van 40 tot 49 jaar steeg het percentage met het functieniveau. De genderverschillen liggen tussen 10 en 20 dagen per jaar, met uitzondering van het kleinere verschil bij de 40plussers in niveau A+.
84
B
50+
C
D
50+ -66 -123 -113 -94 -94 -109
Tot -81 -125 -105 -95 -85 -104
Telewerken - VTE dagen per jaar Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 22,5 19,6 24,4 22,9 18,1 20,2 18,4 14,2 1,2 1,1 17,8 16,8
2.725
2.805
50+ 16,5 16,4 20,1 16,6 0,8 12,5
Tot 18,2 21,3 19,3 16,5 0,9 15,4
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 26,9 24,1 30,8 29,6 21,4 28,4 34,3 36,4 7,4 9,5 26,7 28,8
3.066
2.654
40
M-V 50+ 22,9 26,5 26,2 32,7 12,4 25,5
Tot 24,1 29,6 24,5 34,3 10,7 27,0
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 -4,4 -4,5 -6,4 -6,7 -3,2 -8,1 -15,9 -22,1 -6,2 -8,4 -8,9 -12,0
Genderverschil M - V
30
20
0
-5
-500
-10
-15
0
-20 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-25
Tot -5,9 -8,4 -5,2 -17,8 -9,8 -11,6
18-39 40-49 -19 -23 -26 -29 -18 -40 -87 -155 -539 -755 -50 -71
50+ -39 -61 -31 -98 -1522 -103
Genderverschil %
0
10
50+ -6,4 -10,1 -6,1 -16,1 -11,6 -13,0
-1000 -1500 18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-2000
18-39
A+
Het gemiddeld aantal dagen telewerk per jaar lag bij de mannen op 15,4 dagen en bij de vrouwen op 27,0 dagen, een groot verschil van 11,6 dagen. Bij mannen daalde het aantal dagen met de leeftijd. Bij vrouwen is het verschil naar leeftijd klein. Bij mannen stijgt binnen de leeftijdsgroepen het aantal telewerkdagen met het functieniveau, met een zeer laag aantal in niveau D. Bij vrouwen in niveau D lag het aantal dagen ook veel lager en bij vrouwen in niveau C valt het hogere aantal dagen op. De genderverschillen liggen meestal tussen 5 en 10 dagen per jaar, met zichtbaar hogere waarden bij de medewerkers in niveau C. Opvallend is tenslotte het grote procentuele verschil bij de medewerkers in niveau D, vooral bij de 50-plussers.
85
40-49
A
B
C
50+
D
Tot -32 -39 -27 -108 -1045 -75
Aandeel telewerken in werkdagen - % Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 11,2 9,7 12,3 11,7 9,2 10,2 9,4 7,4 0,6 0,6 9,0 8,6
2.725
2.805
50+ 8,3 8,5 10,4 8,7 0,4 6,5
Tot 9,1 10,9 9,8 8,6 0,5 7,9
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 14,0 12,3 17,0 16,5 11,8 15,7 18,9 19,8 4,4 5,2 14,7 15,8
3.066
2.654
25
Tot 12,5 16,4 13,6 19,0 6,2 15,0
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 -2,9 -2,6 -4,7 -4,8 -2,6 -5,5 -9,5 -12,4 -3,8 -4,6 -5,7 -7,3
Genderverschil M - V
15
Tot -3,4 -5,5 -3,8 -10,4 -5,7 -7,1
18-39 40-49 -26 -27 -38 -41 -28 -54 -101 -167 -647 -781 -63 -85
50+ -44 -72 -43 -111 -1629 -120
0 -500
-5
10
50+ -3,6 -6,1 -4,5 -9,7 -6,8 -7,8
Genderverschil %
0
20
-1000
5
0
M-V 50+ 11,9 14,7 15,0 18,4 7,3 14,3
-10 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-15
-1500 18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
D
-2000
18-39
A+
Het gemiddeld aandeel van de telewerkdagen geeft eenzelfde beeld als het aantal telewerkdagen. Het bedroeg 7,9% bij de mannen en 15,0% bij de vrouwen. Bij mannen daalde het aandeel met de leeftijd. Bij vrouwen is het verschil naar leeftijd klein. Bij mannen stijgt binnen de leeftijdsgroepen het aandeel telewerkdagen met het functieniveau, met een zeer laag aandeel in niveau D. Bij vrouwen in niveau D lag het aandeel dagen ook veel lager en bij vrouwen in niveau C valt het hogere aandeel op. Bij mannen en vrouwen in niveau A ligt het aandeel hoger dan in niveau A+. De genderverschillen liggen meestal tussen 5 en 10% , met zichtbaar hogere scores bij de medewerkers in niveau C. Opvallend is opnieuw het grote procentuele verschil bij de medewerkers in niveau D, vooral bij de 50plussers.
86
40-49
A
B
C
50+
D
Tot -37 -51 -39 -122 -1144 -89
Loonkosten per maand Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7.252 8.486 5.520 7.177 4.004 4.689 3.622 4.153 3.604 4.069 4.482 5.728
2.725
2.805
50+ 9.793 9.189 5.427 4.847 4.252 6.512
Tot 9.072 7.286 4.585 4.279 4.058 5.660
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 6.708 8.027 5.090 6.002 3.622 4.293 3.305 3.886 2.997 3.320 4.178 5.001
3.066
12000
Tot 8.275 5.714 4.053 3.889 3.236 4.714
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 544 460 429 1.175 382 396 317 268 607 749 304 727
50+ 633 2.444 663 582 974 1.440
Genderverschil M - V
10000
2500
8000
2000
6000
18-39 40-49 7,5 5,4 7,8 16,4 9,5 8,5 8,7 6,4 16,9 18,4 6,8 12,7
30 20
1000
2000
Tot 797 1.572 532 390 822 946
Genderverschil %
1500
4000 0
2.654
M-V 50+ 9.160 6.745 4.763 4.265 3.277 5.072
10
500 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
18-39
A+
40-49
A
B
C
50+
D
0
18-39
40-49
A+
De gemiddelde loonkosten per maand lagen bij de mannen op 5.660 euro en bij de vrouwen op 4.714 euro, een duidelijk verschil van 946 euro (16,7%). De loonkosten stijgen bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in loonkosten sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in de loonkosten naar functieniveau, die bovendien toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal rond 500 euro, met veel hogere bedragen bij de medewerkers bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
87
A
B
50+
C
D
50+ 6,5 26,6 12,2 12,0 22,9 22,1
Tot 8,8 21,6 11,6 9,1 20,2 16,7
Totaal bruto salaris per maand Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.166 7.200 4.553 6.116 3.220 3.841 2.957 3.439 2.881 3.376 3.660 4.812
2.725
2.805
50+ 8.219 7.961 4.437 4.066 3.528 5.504
Tot 7.649 6.201 3.729 3.552 3.342 4.736
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 5.747 6.858 4.178 4.931 2.939 3.600 2.675 3.177 2.285 2.576 3.409 4.135
3.066
10.000
2.654
M-V 50+ 7.794 5.557 3.933 3.504 2.579 4.177
Tot 7.059 4.695 3.339 3.180 2.524 3.875
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 419 342 374 1.185 281 241 281 262 596 800 251 677
50+ 425 2.404 505 562 949 1.327
Genderverschil M - V
8.000
2.500
6.000
2.000
4.000
1.500
2.000
1.000
0
500 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
Tot 590 1.506 390 373 818 861
18-39 40-49 6,8 4,7 8,2 19,4 8,7 6,3 9,5 7,6 20,7 23,7 6,9 14,1
Genderverschil % 30 20
10
18-39
A+
40-49
A
B
C
50+
0
18-39
D
40-49
A+
Het gemiddeld totaal bruto salaris per maand lag bij de mannen op 4.736 euro en bij de vrouwen op 3.875 euro, een groot verschil van 861 euro (18,2%). Het totaal bruto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in bruto salaris sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het bruto salaris naar functieniveau, die toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal rond 400 euro, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
88
A
B
50+
C
D
50+ 5,2 30,2 11,4 13,8 26,9 24,1
Tot 7,7 24,3 10,5 10,5 24,5 18,2
Bruto salaris per maand Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.396 6.342 3.863 4.820 2.676 3.237 2.339 2.760 2.038 2.399 2.997 3.873
2.725
2.805
50+ 7.173 5.705 3.676 3.351 2.580 4.278
Tot 6.698 4.792 3.111 2.877 2.411 3.768
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 5.038 6.056 3.667 4.297 2.464 3.059 2.245 2.723 1.805 2.071 2.920 3.565
3.066
10.000
2.654
M-V 50+ 6.830 4.832 3.378 3.019 2.125 3.597
Tot 6.205 4.102 2.828 2.719 2.053 3.333
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 359 287 196 523 212 178 94 37 232 329 76 309
50+ 343 872 298 332 455 681
Genderverschil M - V
8.000
2.500
6.000
2.000
4.000
1.500
2.000
1.000
0
500 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
Tot 493 690 284 158 358 435
18-39 40-49 6,6 4,5 5,1 10,8 7,9 5,5 4,0 1,4 11,4 13,7 2,6 8,0
Genderverschil % 30 20
10
18-39
A+
40-49
A
B
C
50+
D
0
18-39
40-49
A+
Het gemiddeld bruto salaris per maand lag bij de mannen op 3.768 euro en bij de vrouwen op 3.333 euro, een verschil van 435 euro (11,6%). Het bruto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in bruto salaris sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het bruto salaris naar functieniveau, die sterk toenemen met de leeftijd. Bij mannen daalt het verschil tussen niveau A+ en A zeer licht met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen veel lager dan voor het totaal bruto maandsalaris, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoger.
89
A
B
50+
C
D
50+ 4,8 15,3 8,1 9,9 17,6 15,9
Tot 7,4 14,4 9,1 5,5 14,9 11,6
Bruto toelagen per maand Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 142 112 228 707 220 195 320 324 577 656 297 458
2.725
2.805
50+ 199 1.555 290 289 602 692
Tot 162 826 229 308 609 501
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 124 98 76 108 178 151 142 107 236 218 135 127
3.066
2.000
Tot 129 96 159 112 190 130
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 18 14 152 600 42 44 178 217 340 438 162 331
50+ 39 1.429 166 192 439 565
Genderverschil M - V
1.500
1.000 500 0
2.654
M-V 50+ 160 127 124 97 163 126
18-39
40-49
50+
18-39
40-49
Mannen A+
Vrouwen A
B
C
D
50+
100
2.000
80
1.500
60
1.000
40
500
20 18-39
A+
40-49
A
B
C
50+
D
0
18-39
40-49
A+
De gemiddelde bruto toelagen per maand lagen bij de mannen op 501 euro en bij de vrouwen op 130 euro, een verschil van 371 euro (74,1%). Ze bepalen dus grotendeels het grote genderverschil in het totaal bruto maandsalaris. Bij mannen zijn er binnen alle leeftijdsgroepen zeer grote verschillen naar functieniveau, met een zeer hoog bedrag bij 50-plussers in niveau A, naast een vrij hoog bedrag bij de 40 tot 49-jarigen in niveau A en bij de medewerkers in niveau D. De genderverschillen liggen hoog, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A. De verschillen zijn ook relatief groot bij de medewerkers van niveau D. De procentuele verschillen liggen in bijna alle subgroepen hoog.
90
18-39 40-49 12,4 12,2 66,8 84,8 19,0 22,5 55,5 66,9 59,0 66,7 54,6 72,2
Genderverschil %
2.500
0
Tot 33 730 70 196 419 371
A
B
50+
C
D
50+ 19,7 91,8 57,2 66,4 72,9 81,8
Tot 20,6 88,3 30,4 63,5 68,8 74,1
Totaal netto salaris per maand Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 3.566 2.844 2.271 2.166 2.168 2.470
2.725
Genderverschil
40-49 4.050 3.609 2.609 2.433 2.466 3.042
50+ 4.529 4.428 2.867 2.668 2.496 3.339
Tot 4.261 3.623 2.532 2.449 2.413 2.986
2.805
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 3.327 3.803 2.626 3.002 2.074 2.421 1.991 2.222 1.831 1.952 2.292 2.646
3.066
5.000
2.654
M-V 50+ 4.161 3.253 2.541 2.337 1.919 2.630
Tot 3.871 2.873 2.274 2.208 1.911 2.509
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 240 248 218 606 197 187 176 211 337 514 178 396
50+ 368 1.175 326 332 576 709
Genderverschil M - V
4.000
1.250
3.000
1.000
2.000
750
1.000
500
0
250 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
0
Tot 390 750 258 242 502 478
18-39 40-49 6,7 6,1 7,7 16,8 8,7 7,2 8,1 8,7 15,6 20,8 7,2 13,0
Genderverschil % 30 20
10
18-39
A+
40-49
A
B
50+
C
D
0
18-39
40-49
A+
Het gemiddeld totaal netto salaris per maand lag bij de mannen op 2.986 euro en bij de vrouwen op 2.509 euro, een verschil van 478 euro (16,0%). Het netto salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in netto salaris sterk toe met de leeftijd, evenwel minder sterk als de loonkosten en het bruto salaris. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in het netto salaris naar functieniveau, die sterk toenemen met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen het dat verschil toe. Bij 18- tot 49-jarige mannen is het totaal netto salaris in niveaus C en D nagenoeg gelijk. De genderverschillen liggen meestal rond 250 euro, met veel hogere bedragen bij de medewerkers bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
91
A
B
50+
C
D
50+ 8,1 26,5 11,4 12,4 23,1 21,2
Tot 9,2 20,7 10,2 9,9 20,8 16,0
Aandeel totaal netto salaris in bruto salaris - % Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 58,2 56,6 62,5 60,3 71,1 68,6 72,4 71,7 76,2 74,4 68,8 66,0
2.725
2.805
50+ 55,5 57,4 65,4 66,6 71,7 64,1
Tot 56,2 60,1 68,8 69,8 73,4 66,1
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 58,2 55,8 63,3 61,3 71,2 68,1 75,0 70,8 81,5 77,3 69,0 66,2
3.066
2.654
100
M-V 50+ 53,8 59,1 65,5 67,9 76,0 66,2
Tot 55,4 61,8 69,1 70,7 77,4 67,2
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 0,0 0,8 -0,8 -1,0 -0,1 0,5 -2,6 0,8 -5,3 -3,0 -0,2 -0,1
50+ 1,7 -1,8 -0,1 -1,3 -4,3 -2,1
Genderverschil M - V
80
4
60
2
40
0
20
-2
0
-4 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49 Vrouwen
A
B
C
D
50+
-6
Tot 0,8 -1,7 -0,3 -0,9 -4,0 -1,1
18-39 40-49 0,0 1,4 -1,2 -1,6 -0,2 0,7 -3,6 1,1 -7,0 -4,0 -0,3 -0,2
Genderverschil % 5 0
-5
18-39
40-49
A+
A
B
50+
C
-10
18-39
D
40-49
A+
Het gemiddeld aandeel van het totaal netto salaris in het totaal bruto salaris lag bij de mannen op 66,1% en bij vrouwen op 67,2%. Bij de jongeren ligt het percentage iets hoger. Binnen alle leeftijdsgroepen daalt het aandeel met stijgend functieniveau. Tussen de niveaus A+ en A enerzijds en de niveau B, C en D anderzijds is het verschil groter, vooral bij de jongeren. De genderverschillen zijn klein voor bijna alle combinaties van leeftijd en functieniveau. Bij de jongeren in niveaus C en in alle leeftijdsgroepen in niveau D is het verschil iets groter.
92
A
B
50+
C
D
50+ 3,0 -3,1 -0,2 -1,9 -6,0 -3,3
Tot 1,4 -2,9 -0,4 -1,3 -5,4 -1,7
Loonkosten per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 56,8 66,4 44,0 57,2 32,6 38,2 29,5 34,1 30,0 33,1 36,2 46,0
2.725
2.805
50+ 77,3 73,3 44,4 40,4 35,6 52,8
Tot 71,4 58,1 37,4 35,3 33,7 45,7
3.545
9.075
N
841 2.789 1.733 1.837 1.874 9.074
Vrouwen 18-39 40-49 55,7 64,4 44,8 53,0 32,4 38,4 29,3 33,8 27,6 29,9 36,9 43,7
3.066
2.654
M-V 50+ 74,7 59,3 43,9 39,4 31,7 45,6
Tot 67,2 50,4 36,5 35,0 30,5 41,8
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 1,1 1,9 -0,8 4,2 0,2 -0,2 0,2 0,2 2,4 3,2 -0,7 2,3
50+ 2,7 13,9 0,5 1,0 3,8 7,2
Tot 4,1 7,7 0,9 0,3 3,2 4,0
18-39 40-49 2,0 2,9 -1,9 7,3 0,7 -0,5 0,8 0,6 8,0 9,6 -2,0 5,0
** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V 15
60
15
5
20 0
20
10
40
10 5
0 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
-5
Genderverschil % 25
0 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-5
18-39
40-49 A+
De gemiddelde loonkosten per gepresteerd werkuur lagen bij de mannen op 45,7 euro en bij de vrouwen op 41,8 euro, een verschil van 4,0 euro (8,6%). De loonkosten per werkuur stijgen bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen in de loonkosten naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen sterk toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen het dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 5 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
93
A
B
50+ C
D
50+ 3,4 19,0 1,1 2,5 10,8 13,6
Tot 5,8 13,3 2,4 1,0 9,4 8,6
Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,2 56,3 36,2 48,7 26,2 31,3 24,1 28,1 23,9 27,3 29,5 38,6
2.725
2.805
50+ 64,9 63,3 36,8 33,8 29,4 44,6
Tot 60,2 49,3 30,5 29,3 27,6 38,2
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 47,7 55,0 36,8 43,5 26,3 32,1 23,7 27,7 21,0 23,2 30,2 36,1
3.066
2.654
M-V 50+ 63,5 49,0 36,2 32,4 25,0 37,5
Tot 57,3 41,4 30,1 28,6 23,8 34,3
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 0,5 1,2 -0,6 5,2 -0,1 -0,9 0,4 0,5 2,9 4,1 -0,6 2,5
50+ 1,4 14,3 0,6 1,5 4,4 7,1
Tot 2,8 7,9 0,5 0,7 3,8 3,9
18-39 40-49 1,0 2,2 -1,5 10,6 -0,4 -2,8 1,6 1,8 12,0 15,2 -2,2 6,4
** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
0
-5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-10
18-39
40-49 A+
Het gemiddeld totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 38,2 euro en bij de vrouwen op 34,3 euro, een verschil van 3,9 euro (10,2%). Het bruto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil in loonkosten sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 5 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
94
A
B
50+ C
D
50+ 2,2 22,6 1,8 4,3 15,1 15,8
Tot 4,7 16,1 1,5 2,4 13,9 10,2
Totaal bruto salaris per erkend werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 46,5 53,8 34,2 45,8 24,3 28,9 22,4 25,8 21,9 25,4 27,6 36,1
2.701
2.805
50+ 62,2 60,4 33,7 30,8 26,7 41,7
Tot 57,6 46,7 28,2 26,8 25,3 35,7
3.543
9.049
N
840 2.789 1.734 1.837 1.868 9.068
Vrouwen 18-39 40-49 43,0 51,3 31,6 37,3 22,7 27,5 20,3 23,9 18,1 20,3 26,0 31,3
3.066
2.654
M-V 50+ 58,7 42,6 30,1 27,0 20,8 32,2
Tot 53,0 35,6 25,6 24,2 20,1 29,6
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 3,5 2,5 2,6 8,5 1,7 1,3 2,2 1,9 3,7 5,1 1,6 4,7
50+ 3,5 17,9 3,6 3,7 6,0 9,6
Tot 4,6 11,1 2,5 2,6 5,1 6,2
18-39 40-49 7,5 4,6 7,5 18,6 6,8 4,6 9,7 7,2 17,1 20,3 5,9 13,1
** Per erkend werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal erkende werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V 15
60
20
20 0
30
10
40
Genderverschil % 40
5 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
0
10 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39
40-49 A+
De genderverschillen zijn voor het totaal bruto salaris per erkend werkuur duidelijk groter dan voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur.
95
A
B
50+ C
D
50+ 5,6 29,5 10,6 12,2 22,3 22,9
Tot 8,0 23,8 8,9 9,6 20,3 17,2
Bruto salaris per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 42,2 49,6 30,8 38,6 21,8 26,3 19,1 22,7 17,1 19,6 24,2 31,1
2.725
2.805
50+ 56,7 45,8 30,5 28,0 21,7 34,8
Tot 52,7 38,4 25,5 23,8 20,1 30,5
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 41,8 48,6 32,3 37,9 22,1 27,2 19,9 23,7 16,7 18,7 25,8 31,0
3.066
2.654
M-V 50+ 55,6 42,5 31,0 27,9 20,6 32,3
Tot 50,4 36,1 25,4 24,4 19,4 29,5
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 0,4 1,0 -1,4 0,7 -0,3 -0,9 -0,8 -1,0 0,4 0,9 -1,6 0,1
50+ 1,1 3,3 -0,6 0,1 1,1 2,6
Tot 2,3 2,3 0,0 -0,7 0,7 1,0
18-39 40-49 1,0 2,0 -4,7 1,9 -1,3 -3,5 -4,0 -4,6 2,3 4,6 -6,6 0,3
** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
0
-5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-10
18-39
40-49 A+
Het gemiddeld bruto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 30,5 euro en bij de vrouwen op 29,5 euro, een verschil van slechts 1,0 euro (3,4%). Het bruto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen daalt het verschil tussen niveau A+ en A lichtjes met hogere leeftijd, bij vrouwen stijgt dat verschil. De genderverschillen liggen veel lager dan voor het totaal bruto maandsalaris, met meer negatieve verschillen (vrouwen verdienen per uur meer dan mannen). Wel zijn er nog hogere bedragen bij de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoger.
96
A
B
50+ C
D
50+ 1,9 7,2 -1,9 0,3 5,1 7,3
Tot 4,4 5,9 0,1 -2,8 3,5 3,4
Bruto salaris per erkend werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 40,7 47,4 29,0 36,1 20,2 24,3 17,8 20,7 15,4 18,1 22,6 29,0
2.701
2.805
50+ 54,1 43,3 27,9 25,4 19,5 32,4
Tot 50,4 36,1 23,5 21,7 18,2 28,4
3.543
9.049
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 37,7 45,3 27,7 32,5 19,0 23,4 17,0 20,5 14,3 16,3 22,2 27,0
3.066
2.654
M-V 50+ 51,4 37,0 25,8 23,3 17,1 27,7
Tot 46,6 31,1 21,7 20,7 16,4 25,4
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 3,0 2,1 1,3 3,6 1,2 0,9 0,8 0,2 1,1 1,8 0,4 2,0
50+ 2,7 6,3 2,0 2,1 2,4 4,7
Tot 3,8 5,0 1,8 1,0 1,8 3,0
18-39 40-49 7,4 4,4 4,4 10,0 6,0 3,9 4,4 0,9 6,9 9,9 1,6 7,0
** Per erkend werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal erkende werkuren per jaar.
80
Genderverschil M - V
60 40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
30
10
20
5
10
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39
40-49 A+
De genderverschillen zijn ook voor het bruto salaris per erkend werkuur groter dan voor het bruto salaris per gepresteerd werkuur, maar kleiner dan voor het totaal bruto salaris.
97
A
B
50+ C
D
50+ 5,0 14,6 7,3 8,2 12,2 14,5
Tot 7,6 13,9 7,6 4,6 10,0 10,5
Bruto toelagen per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 1,1 0,9 1,7 5,3 1,8 1,6 2,5 2,6 4,6 5,2 2,4 3,5
2.725
2.805
50+ 1,6 11,9 2,5 2,3 4,8 5,4
Tot 1,3 6,3 1,9 2,5 4,8 3,9
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 1,1 0,8 0,7 1,0 1,6 1,4 1,3 0,9 2,1 1,9 1,2 1,2
3.066
2.654
M-V 50+ 1,3 1,2 1,2 0,9 1,5 1,2
Tot 1,1 0,9 1,5 1,0 1,7 1,2
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 0,0 0,1 1,1 4,3 0,2 0,2 1,3 1,7 2,5 3,2 1,1 2,4
50+ 0,2 10,7 1,3 1,4 3,3 4,2
Tot 0,2 5,4 0,4 1,5 3,1 2,7
18-39 40-49 2,2 7,8 60,5 81,1 11,8 11,9 50,5 64,4 54,4 63,0 48,8 67,5
** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
14 12 10 8 6 4 2 0
Genderverschil M - V 100
10
80 60
5
40
0 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
Genderverschil %
15
-5
20 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
18-39
40-49 A+
De gemiddelde bruto toelagen per werkuur bedroegen bij de mannen 3,9 euro en bij de vrouwen 1,2 euro, een verschil van 2,7 (69,9%). Ze bepalen dus grotendeels het genderverschil in het totaal bruto salaris per werkuur. Bij mannen zijn er binnen alle leeftijdsgroepen zeer grote verschillen naar functieniveau, met een zeer hoog bedrag bij 50-plussers in niveau A, naast een vrij hoog bedrag bij de 40 tot 49-jarigen in niveau A en bij de medewerkers in niveau D. De genderverschillen liggen hoog, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A. De verschillen zijn ook relatief groot bij de medewerkers van niveau D. De procentuele verschillen liggen in bijna alle subgroepen hoog.
98
A
B
50+ C
D
50+ 15,3 89,8 51,4 61,2 68,0 78,3
Tot 15,7 85,8 23,1 59,2 64,2 69,9
Totaal netto salaris per gepresteerd werkuur ** Gemiddelde Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Genderverschil
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 27,9 31,7 22,7 28,8 18,6 21,3 17,7 20,0 18,1 20,1 20,0 24,5
2.725
2.805
50+ 35,8 35,4 23,9 22,3 20,9 27,2
Tot 33,5 28,9 20,8 20,3 20,1 24,2
3.545
9.075
N
841 2.789 1.734 1.837 1.874 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 27,7 30,6 23,2 26,6 18,7 21,8 17,7 19,4 17,0 17,7 20,4 23,3
3.066
2.654
M-V 50+ 34,0 28,8 23,5 21,8 18,8 23,9
Tot 31,5 25,4 20,6 20,0 18,2 22,4
2.464
8.184
N
553 2.470 2.270 2.042 849 8.184
% (M-V)/M
18-39 40-49 0,2 1,1 -0,5 2,2 -0,1 -0,5 0,0 0,6 1,1 2,3 -0,4 1,2
50+ 1,8 6,5 0,3 0,5 2,1 3,3
Tot 2,0 3,5 0,2 0,3 1,9 1,8
18-39 40-49 0,7 3,5 -2,2 7,6 -0,7 -2,1 0,1 2,8 6,1 11,5 -1,8 5,0
** per gepresteerd werkuur: het bedrag per jaar worden gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar.
40
Genderverschil M - V 8
30
Genderverschil % 25
6
20
15
4
10
2
0
0 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
40-49
Vrouwen A
B
C
D
50+
-2
5
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
-5
18-39
40-49 A+
Het gemiddeld totaal netto salaris per gepresteerd werkuur lag bij de mannen op 24,2 euro en bij de vrouwen op 22,4 euro, een verschil van 1,8 euro (7,6%). Het totaal netto salaris per werkuur stijgt bij mannen en vrouwen sterk met de leeftijd, bij mannen veel sterker dan bij vrouwen. Bijgevolg neemt ook het verschil sterk toe met de leeftijd. Binnen alle leeftijdsgroepen zijn er grote verschillen naar functieniveau, vooral tussen niveaus A+ en A enerzijds en de niveaus B, C en D anderzijds. Die verschillen nemen toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af met hogere leeftijd, bij vrouwen neemt dat verschil toe. De genderverschillen liggen meestal tussen 1 en 2 euro per uur, met veel hogere bedragen bij de 40 tot 49jarigen en vooral de 50-plussers in niveaus A en D. Bij deze groepen liggen ook de procentuele verschillen hoog.
99
A
B
50+ C
D
50+ 5,0 18,5 1,4 2,4 10,1 12,1
Tot 6,0 12,1 1,0 1,5 9,3 7,6
4 Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en andere aspecten (%) Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk geeft een beeld van de procentuele verdeling van de werknemers naar totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), naar gender en relevante andere aspecten: functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar. Het totaal bruto salaris per maand wordt gegeven in klassen van 1000 euro en het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in klassen van 10 euro. De analyse toont de graduele verschillen in de inkomens voor de diverse aspecten. De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen. In alle functieniveaus zijn er meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. De genderverschillen zijn het grootst voor niveaus C en D in de lagere inkomensgroepen. De verschillen naar leeftijd zijn groot maar kleiner dan naar functieniveau. Bij mannen zijn er meer jongeren met een lager inkomen, bij vrouwen meer jongeren met een hoger inkomen. De genderverschillen zijn het grootst bij de 40 tot 49-jarigen. De verdelingen naar dienstanciënniteit, beroepsstatuut en aantal werkdagen per jaar tonen significante verschillen, maar de genderverschillen binnen de subgroepen zijn relatief klein. Algemeen gezien zijn de genderverschillen voor het totaal bruto salaris per maand groter dan die voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur. Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Bij de verdelingen naar functieniveau valt op dat er een grotere groep mannen in niveau A in de hoogste inkomenscategorie vallen dan mannen in niveau A+. De inkomenscurve van jonge vrouwen ligt meer rechts dan die van jonge mannen, met meer hogere inkomens. Is dat een indicatie voor meer recente wijzigingen in het personeelsbestand en zijn jonge vrouwen aan een 'inhaalbeweging' bezig? De verdelingen naar dienstanciënniteit tonen dat genderverschillen toenemen met stijgende dienstanciënniteit. Dit is deels te verklaren doordat vrouwen meer deeltijds werken en minder doorgroeien naar hogere functieniveaus.
100
1. Totaal bruto salaris per maand Functieniveau %
TBSM euro Mannen Functieniveau A+
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal
0,1 0,4 0,1 1,5 8,7 23,8 27,5 21,0 11,3 5,6 100
A 0,6 1,8 8,9 27,5 28,0 15,7 4,6 1,1 1,2 10,5 100
B 2,0 15,8 49,5 27,0 5,1 0,5 0,0 0,0 0,0 0,2 100
C 3,0 23,5 45,2 22,1 4,1 1,5 0,5 0,1 0,0 0,0 100
D 4,5 33,1 40,6 16,9 4,2 0,6 0,1 0,1 0,0 0,0 100
% Vrouwen A+ A 0,0 0,2 0,0 3,8 0,7 20,4 5,2 41,6 16,5 24,0 29,1 8,0 24,2 1,5 15,2 0,2 6,0 0,2 3,1 0,2 100 100
Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075
B 3,7 31,9 45,5 16,1 2,6 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
C 4,1 40,0 41,1 13,0 1,6 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100
D 19,8 60,2 17,8 1,9 0,4 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184
%p Genderverschil A+ A 0,1 0,4 0,4 -2,0 -0,6 -11,5 -3,7 -14,1 -7,8 4,0 -5,3 7,7 3,3 3,1 5,8 0,9 5,3 1,0 2,5 10,3
M-V B -1,7 -16,1 4,0 10,9 2,5 0,5 0,0 0,0 0,0 0,2
C -1,1 -16,5 4,1 9,1 2,5 1,4 0,5 0,1 0,0 0,0
D -15,3 -27,1 22,8 15,0 3,8 0,6 0,1 0,1 0,0 0,0
Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
Genderverschil M - V
60
60
30
50
50
20
40
40
10
30
30
0
20
20
-10
10
10
-20
0
0
-30
A+
A
B
C
D
A+
A
B
C
D
A+
A
B
De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen, met de curves van niveau A+ helemaal rechts, de curve van niveau A in het midden en de curven van niveaus B, C en D helemaal links, elkaar grotendeels overlappend. De curven van vrouwen liggen voor alle niveaus meer naar links dan bij mannen: meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. Het valt op dat 10,5% van de mannen met functieniveau A een maandsalaris boven 10.000 euro heeft, tegenover 5,6% bij mannen met niveau A+. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor niveau C en D, in de inkomens tot 4.000 euro per maand. Voor niveau A zijn de verschillen het grootst bij inkomens tussen 3.000 en 7.000 euro en voor niveau A+ tussen 5.000 en 10.000 euro.
101
C
D
Leeftijd
TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal
% Mannen Leeftijd 18-39 40-49 4,4 1,2 26,8 11,4 36,5 29,6 21,0 21,3 7,3 17,0 2,1 9,9 0,7 3,3 0,4 2,0 0,4 0,9 0,3 3,4 100 100
50+ 1,0 9,3 24,7 22,6 11,8 9,9 7,2 4,1 2,6 6,7 100
Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075
% Vrouwen 18-39 40-49 2,1 5,5 15,2 36,2 29,8 31,4 21,7 19,7 12,1 6,0 7,6 0,8 4,1 0,3 2,3 0,1 1,4 0,0 3,8 0,0 100 100
50+ 2,3 19,3 31,4 22,9 13,6 6,9 2,0 1,1 0,3 0,3 100
%p Genderverschil M - V 18-39 40-49 50+ 2,3 -4,3 -1,3 11,6 -24,8 -10,0 6,7 -1,8 -6,7 -0,7 1,6 -0,3 -4,8 11,0 -1,8 -5,5 9,1 3,0 -3,4 3,0 5,2 -1,9 1,9 3,0 -1,0 0,9 2,3 -3,5 3,4 6,4
Tot N 341 4,5 21,3 2.147 29,9 2.531 19,9 1.704 778 9,5 6,3 362 171 4,4 89 2,4 38 1,1 23 0,6 100 8.184
Tot -2,4 -6,1 -0,1 1,8 2,6 1,3 -0,3 -0,1 0,3 3,2
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
18-39
40-49
50+
Genderverschil M - V 30 20 10 0 -10 -20 -30
18-39
40-49
50+
18-39
40-49
De verschillen naar leeftijd zijn beduidend maar niet zo groot als voor het functieniveau. Bij mannen ligt de curve van jongeren helemaal links, bij vrouwen ligt die het meest naar rechts, dus met hogere inkomens. Bij vrouwen ligt de curve van de 40 tot 49-jarigen het meest links, met lagere inkomens. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst bij de 40 tot 49-jarigen, voor de inkomens tussen 2.000 en 7.000 euro per maand. Voor de jongeren en de 50-plussers zijn de verschillen kleiner.
102
50+
Dienstanciënniteit
TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal
% Mannen Anciënniteit 0-10 10-20 4,8 0,7 24,9 13,8 31,5 33,5 20,4 18,6 8,7 15,2 3,9 8,2 1,6 3,6 1,4 1,7 1,0 0,6 1,7 4,1 100 100
>20 0,3 4,1 22,7 27,5 12,6 11,6 7,8 4,3 3,0 6,1 100
Tot N 188 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.071
% Vrouwen 0-10 10-20 6,6 2,4 33,9 23,8 30,7 28,1 19,4 21,5 5,7 14,6 1,9 6,1 0,7 1,9 0,6 1,1 0,1 0,3 0,2 0,3 100 100
>20 1,9 14,8 35,2 22,6 9,8 6,9 5,0 2,1 1,4 0,3 100
%p Genderverschil M - V 0-10 10-20 >20 -1,8 -1,7 -1,6 -9,0 -10,0 -10,7 0,8 5,4 -12,5 1,0 -2,9 4,9 3,0 0,6 2,8 2,0 2,1 4,7 0,9 1,7 2,8 0,8 0,6 2,2 0,9 0,3 1,6 1,5 3,8 5,8
Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184
Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
Genderverschil M - V
40
40
20
30
30
10
20
20
0
10
10
-10
0
0
-20
0-10
10-20
>20
0-10
10-20
>20
0-10
10-20
De verschillen naar dienstanciënniteit zijn vrij groot. De curven van mannen en vrouwen met maximaal 10 jaar dienst ligt helemaal links, de curve van mannen en vrouwen met meer dan 20 jaar dienst ligt het meest rechts. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 3.000 en 4.000 euro per maand. Voor de inkomensgroepen vanaf 4.000 euro zijn de verschillen kleiner.
103
>20
Beroepsstatuut
TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal
% Mannen Statuut Stat Cont 0,4 9,2 10,8 32,7 29,6 30,2 23,2 15,6 13,6 5,9 8,7 3,2 4,7 1,5 2,7 0,7 1,6 0,7 4,6 0,4 100 100
Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075
% Vrouwen Stat Cont 1,5 11,7 20,4 42,5 32,5 26,4 23,5 13,5 11,6 3,6 5,5 1,3 2,6 0,6 1,4 0,2 0,6 0,1 0,4 0,0 100 100
%p Genderverschil Stat Cont -1,1 -2,5 -9,6 -9,8 -2,9 3,8 -0,3 2,1 2,0 2,3 3,2 1,9 2,1 0,9 1,3 0,5 1,0 0,6 4,2 0,4
Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184
M-V Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro Stat = statutair / Cont = contractueel
Mannen
Vrouwen
50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
Stat
Cont
Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20
Stat
Cont
Stat
Cont
De verschillen naar beroepsstatuut zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van contractuelen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij de statutaire medewerkers. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 2.000 en 4.000 euro per maand, met een hoger aandeel vrouwen. Voor de inkomens van 4.000 tot 10.000 euro zijn de verschillen beperkt.
104
Werkdagen VTE per jaar
TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal
% Mannen Werkdagen100-200 >200 4,5 0,5 24,9 8,7 32,6 27,9 19,6 23,2 9,6 13,7 4,7 9,5 1,9 5,5 1,1 3,2 0,7 1,9 0,5 6,0 100 100
Tot N 192 2,1 15,2 1.379 29,8 2.700 21,7 1.971 12,1 1.095 687 7,6 4,1 369 211 2,3 129 1,4 3,8 342 100 9.075
% Vrouwen 100-200 >200 6,4 0,0 32,2 14,9 31,0 30,9 19,1 24,1 7,5 13,4 2,5 8,1 1,0 4,2 0,4 2,5 0,1 1,1 0,0 0,8 100 100
%p Genderverschil 100-200 >200 -1,9 0,5 -7,3 -6,2 1,6 -3,0 0,5 -0,9 2,1 0,3 2,2 1,4 0,9 1,3 0,7 0,7 0,6 0,8 0,5 5,2
Tot N 341 4,2 26,2 2.147 30,9 2.531 20,8 1.704 778 9,5 4,4 362 171 2,1 89 1,1 38 0,5 23 0,3 100 8.184
M-V Tot -2,1 -11,0 -1,1 0,9 2,6 3,2 2,0 1,2 0,9 3,5
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
Mannen
Vrouwen
35 30 25 20 15 10 5 0
Genderverschil M - V
35 30 25 20 15 10 5 0
100-200
>200
20 10 0 -10 -20
100-200
>200
100-200
>200
De verschillen naar aantal gepresteerde VTE-werkdagen per jaar zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van medewerkers met minder dan 200 werkdagen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor de inkomens tussen 2.000 en 4.000 euro per maand, met een hoger aandeel vrouwen. Voor de inkomens van 4.000 tot 10.000 euro zijn de verschillen beperkt.
105
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Functieniveau % TBSW euro Mannen Functieniveau A+
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal
0,1 0,0 1,4 17,2 35,7 26,8 13,6 2,1 2,1 1,0 100
A 0,4 5,8 30,0 37,9 11,2 3,1 1,5 1,5 1,4 7,2 100
B 1,3 53,2 37,8 6,6 0,9 0,0 0,1 0,0 0,0 0,2 100
C 4,6 53,3 35,2 5,5 1,3 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100
D 8,7 59,8 26,9 4,0 0,6 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 100
% Vrouwen A+ A 0,0 0,1 0,0 7,4 2,0 38,9 24,6 40,5 38,5 10,2 23,7 2,1 8,0 0,5 1,4 0,2 0,9 0,0 0,9 0,0 100 100
Tot N 281 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,4 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.075
B 2,3 52,1 38,5 6,7 0,5 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
C 4,8 57,6 33,7 3,6 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
D 19,6 71,4 8,7 0,4 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 100
Tot N 319 3,9 38,5 3.149 31,9 2.607 16,7 1.364 479 5,9 184 2,2 57 0,7 14 0,2 5 0,1 6 0,1 100 8.184
%p Genderverschil A+ A 0,1 0,3 0,0 -1,6 -0,6 -8,9 -7,4 -2,6 -2,8 1,0 3,1 1,0 5,6 1,0 0,7 1,3 1,2 1,4 0,1 7,2
M-V B -1,0 1,1 -0,7 -0,1 0,4 0,0 0,1 0,0 0,0 0,2
C -0,2 -4,3 1,5 1,9 1,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0
D -10,9 -11,6 18,2 3,6 0,6 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
Genderverschil M - V
80
80
20
60
60
10
40
40
0
20
20
-10
0
0
-20
A+
A
B
C
D
A+
A
B
C
D
A+
A
B
C
De verschillen naar functieniveau zijn zeer groot voor mannen en vrouwen, met de curves van niveau A+ helemaal rechts, de curve van niveau A in het midden en de curven van niveaus B, C en D helemaal links, elkaar grotendeels overlappend. De curven van vrouwen liggen voor alle niveaus meer naar links dan bij mannen: meer vrouwen in lagere inkomensgroepen. Ook hier valt op dat 7,2% van de mannen met functieniveau A een salaris boven 100 euro per uur heeft, tegenover 1% bij mannen van niveau A+. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst voor niveau D, bij de inkomens tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Voor niveau A zijn de verschillen het grootst bij inkomens tussen 40 en 50 euro en voor niveau A+ tussen 60 en 80 euro per uur. 106
D
Tot -0,8 -3,4 -2,6 -0,3 1,4 1,2 1,0 0,5 0,5 2,2
Leeftijd
TBSW euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal
% Mannen Leeftijd 18-39 40-49 7,3 1,2 54,3 32,7 26,8 28,9 8,9 22,1 1,4 8,1 0,8 2,7 0,4 1,4 0,2 1,0 0,0 0,8 0,0 1,1 100 100
50+ 1,4 22,2 31,5 17,8 11,2 6,1 3,1 0,8 1,0 5,1 100
Tot N 281 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,4 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.075
% Vrouwen 18-39 40-49 3,1 6,6 35,1 51,3 29,3 29,4 16,4 9,9 7,3 2,0 3,4 0,8 1,7 0,1 0,7 0,0 0,6 0,0 2,3 0,0 100 100
50+ 2,2 32,1 32,2 23,4 7,3 2,3 0,3 0,2 0,0 0,0 100
%p Genderverschil 18-39 40-49 4,2 -5,4 19,2 -18,6 -2,5 -0,5 -7,5 12,2 -5,9 6,1 -2,6 1,9 -1,3 1,3 -0,5 1,0 -0,6 0,8 -2,3 1,1
Tot N 319 2,4 29,5 3.149 34,6 2.607 17,8 1.364 479 9,1 184 4,1 57 1,8 14 0,3 5 0,2 6 0,2 100 8.184
M-V 50+ -0,8 -9,9 -0,7 -5,6 3,9 3,8 2,8 0,6 1,0 5,1
Tot 0,7 5,6 -5,3 -1,4 -1,8 -0,7 -0,1 0,4 0,4 2,1
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
60
60
50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
18-39
40-49
50+
Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20
18-39
40-49
50+
18-39
40-49
De verschillen naar leeftijd zijn beduidend maar niet zo groot als voor het functieniveau. Bij mannen ligt de curve van jongeren helemaal links, bij vrouwen ligt die het meest naar rechts, dus met hogere inkomens. Bij vrouwen ligt de curve van de 40 tot 49-jarigen het meest links, met lagere inkomens. De genderverschillen in de verdeling zijn het grootst bij de groep van 18 tot 49-jaar, voor de inkomens tussen 20 en 50 euro per gepresteerd werkuur. Voor de 50-plussers zijn de verschillen kleiner.
107
50+
Dienstanciënniteit
TBSW euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal
% Mannen Anciënniteit 0-10 10-20 7,6 0,7 47,3 38,2 25,8 27,2 11,3 19,4 3,0 7,3 2,3 2,2 1,3 0,7 0,8 0,7 0,4 0,8 0,1 2,7 100 100
>20 0,0 15,0 36,5 19,4 12,9 6,5 3,7 0,4 0,7 4,9 100
Tot N 277 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,5 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.071
% Vrouwen 0-10 10-20 7,9 1,0 45,8 38,1 30,9 26,8 10,7 23,9 2,7 6,9 1,4 2,5 0,4 0,4 0,1 0,3 0,0 0,0 0,0 0,0 100 100
>20 0,2 24,6 40,6 18,2 10,6 3,5 1,7 0,2 0,2 0,3 100
%p Genderverschil 0-10 10-20 -0,3 -0,3 1,5 0,1 -5,1 0,4 0,6 -4,5 0,3 0,4 0,9 -0,3 0,9 0,3 0,7 0,4 0,4 0,8 0,1 2,7
Tot N 319 3,9 38,5 3.149 31,9 2.607 16,7 1.364 479 5,9 184 2,2 57 0,7 14 0,2 5 0,1 6 0,1 100 8.184
M-V >20 -0,2 -9,6 -4,1 1,2 2,3 3,0 2,0 0,2 0,5 4,6
Tot -0,8 -3,4 -2,6 -0,3 1,4 1,3 1,0 0,5 0,5 2,2
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
0-10
10-20
>20
Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20
0-10
10-20
>20
0-10
10-20
>20
De verschillen naar dienstanciënniteit zijn vrij groot. De curven van mannen en vrouwen met maximaal 10 jaar dienst ligt helemaal links, de curve van mannen en vrouwen met meer dan 20 jaar dienst ligt het meest rechts. De genderverschillen in de verdeling zijn algemeen gezien vrij klein. Alleen bij werknemers met meer dan 20 jaar dienst is het verschil vrij groot voor de inkomens tussen 20 en 30 euro per gepresteerd werkuur.
108
Beroepsstatuut
TBSW euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal
% Mannen Statuut Stat Cont 0,6 13,0 30,8 52,3 31,0 22,4 18,7 7,5 8,5 2,5 4,0 1,1 2,0 0,6 0,8 0,1 0,7 0,2 2,8 0,3 100 100
Tot N 281 3,1 35,1 3.184 29,3 2.656 16,4 1.491 661 7,3 313 3,4 158 1,7 61 0,7 58 0,6 212 2,3 100 9.075
% Vrouwen Stat Cont 0,8 12,5 32,3 55,7 34,9 23,4 20,5 6,0 7,4 1,6 2,8 0,6 0,9 0,1 0,2 0,0 0,1 0,0 0,1 0,0 100 100
%p Genderverschil Stat Cont -0,2 0,5 -1,5 -3,4 -3,9 -1,0 -1,8 1,5 1,1 0,9 1,2 0,5 1,1 0,5 0,6 0,1 0,6 0,2 2,7 0,3
Tot N 319 3,9 38,5 3.149 31,9 2.607 16,7 1.364 479 5,9 184 2,2 57 0,7 14 0,2 5 0,1 6 0,1 100 8.184
M-V Tot -0,8 -3,4 -2,6 -0,3 1,4 1,2 1,0 0,5 0,5 2,2
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro Stat = statutair / Cont = contractueel
Mannen
Vrouwen
60
60
50
50
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
Stat
Cont
Genderverschil M - V 20 10 0 -10 -20
Stat
Cont
Stat
Cont
De verschillen naar beroepsstatuut zijn eveneens groot bij mannen en vrouwen. De curve van contractuelen ligt duidelijk meer naar links, dus met meer lagere inkomens dan bij de statutaire medewerkers. De genderverschillen in de verdeling zijn klein, zeker voor de inkomens van 50 tot 100 euro per gepresteerd werkuur.
109
Werkdagen VTE per jaar
TBSW euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 >100 Totaal
% Mannen Werkdagen100-200 >200 3,6 3,9 36,9 37,2 31,2 33,1 16,0 17,4 7,3 5,8 2,7 1,9 1,4 0,5 0,2 0,1 0,3 0,0 0,4 0,1 100 100
Tot N 3,8 344 37,1 3.341 32,3 2.914 16,9 1.519 575 6,4 2,2 200 77 0,9 12 0,1 11 0,1 18 0,2 100 9.011
% Vrouwen 100-200 >200 2,7 3,8 33,9 40,9 28,0 29,5 16,7 15,2 7,3 6,0 4,0 2,9 2,0 1,1 1,0 0,3 0,9 0,1 3,6 0,1 100 100
%p Genderverschil 100-200 >200 0,9 0,1 3,0 -3,7 3,2 3,6 -0,7 2,2 0,0 -0,2 -1,3 -1,0 -0,6 -0,6 -0,8 -0,2 -0,6 -0,1 -3,2 0,0
Tot N 3,1 256 36,3 2.992 28,5 2.349 16,2 1.336 6,9 565 297 3,6 138 1,7 63 0,8 52 0,6 2,4 200 100 8.248
M-V Tot 0,7 0,8 3,8 0,7 -0,5 -1,4 -0,8 -0,7 -0,5 -2,2
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
Mannen
Vrouwen
40
Genderverschil M - V
50
20
40
30
10
30
20
0
20
10
-10
10
0
0
100-200
>200
-20
100-200
>200
Stat
Cont
De verschillen naar aantal VTE-werkdagen per jaar zijn zeer klein bij mannen en beperkt bij vrouwen. Dat is logisch aangezien het effect van het aantal werkdagen hier is geneutraliseerd. Bij vrouwen ligt de curve van medewerkers met minder dan 200 werkdagen zelfs iets meer naar rechts, dus met iets meer hogere inkomens per werkuur dan bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen. De genderverschillen in de verdeling zijn ook hier klein, zeker voor de inkomens van 50 tot 100 euro per gepresteerd werkuur.
110
5 Verdeling van werknemers naar totaal bruto salaris, gender en beleidsdomein (%) Inleiding en samenvatting Dit hoofdstuk geeft de procentuele verdeling van de werknemers naar totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur), gender en het beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid. Eerst wordt een overzicht gegeven van alle beleidsdomeinen samen. Daarna worden de genderverschillen afzonderlijk getoond voor de 11 beleidsdomeinen in 2018 (de entiteiten die aangesloten zijn bij Vlimpers). Het totaal bruto salaris per maand wordt hier ook weergegeven in klassen van 1000 euro en het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur in klassen van 10 euro. De 11 beleidsdomeinen zijn: Kanselarij en Bestuur; Financiën en Begroting; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Onderwijs en Vorming; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Cultuur, Jeugd, Sport en Media; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij; Omgeving; Mobiliteit en Openbare Werken. Er zijn vrij grote verschillen in de inkomensverdeling tussen de beleidsdomeinen. Bij mannen zijn die groter dan bij vrouwen. Voor het totaal bruto salaris per maand zijn er grote genderverschillen in de volgende beleidsdomeinen: Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Landbouw en Visserij; Mobiliteit en Openbare Werken. Voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur zijn de genderverschillen algemeen kleiner. Ze blijven groot in enkele beleidsdomeinen: Kanselarij en Bestuur; Internationaal Vlaanderen; Economie Wetenschap en Innovatie; Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie; Mobiliteit en Openbare Werken. In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt het genderverschil in grote mate bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris.
Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Vaak situeren de grootste genderverschillen zich rond de inkomens €2000-3000. Dat kan indirect wijzen op sterk gendergebonden functies binnen de Vlaamse overheid die vooral door vrouwen worden uitgevoerd. Ook binnen beleidsdomeinen vallen bepaalde verschillen op, zoals een grotere groep mannen in de laagste inkomensgroep bij Cultuur, Jeugd, Sport en Media of de genderverschillen bij Internationaal Vlaanderen. Krijgen we hier opnieuw indirect zicht op specifieke functies die verschillend verloond worden en waar de gendersamenstelling niet evenwichtig is? In het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare werken wordt het genderverschil in grote mate bepaald door een specifieke subgroep mannen 40-plussers in niveau A met een zeer hoog salaris. In de overige entiteiten van dat beleidsdomein zijn de genderverschillen veeleer klein. Bijgevolg rijst de vraag of die specifieke situatie mogelijks een uitdovend fenomeen is in de toekomst.
111
1. Totaal bruto salaris per maand Alle beleidsdomeinen samen Mannen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
Mannen 40 35 30 25 20 15 10
5 0
Vrouwen
<2 000
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
8.000
9.000 10.000>10.000
3,8 1,4 1,4 1,5 0,5 2,5 10,8 1,5 2,1 1,3 1,1 2,1
12,9 17,8 5,2 14,6 18,4 14,5 27,5 7,5 9,6 18,3 12,9 15,2
22,8 31,8 20,4 20,5 27,8 36,7 28,5 17,2 26,8 26,6 34,0 29,8
21,5 20,0 18,5 14,6 26,9 22,5 13,7 31,3 18,8 20,8 23,8 21,7
12,9 9,3 19,0 11,9 12,1 13,5 8,0 21,6 13,5 14,9 9,6 12,1
11,4 8,2 17,1 12,3 7,3 4,7 5,9 10,4 15,1 9,7 4,3 7,6
7,1 4,4 8,1 9,3 2,7 2,8 3,4 2,2 8,3 5,2 2,1 4,1
3,7 5,5 4,3 11,2 2,2 1,4 0,8 3,0 3,6 1,8 1,4 2,3
191
1.379
2.704
1.969
1.098
690
372
209
N
<2 000
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
8.000
2,1 1,1 5,2 3,4 1,2 1,1 0,6 1,5 1,8 0,9 1,4 1,4
731 1,9 0,5 365 211 0,9 268 0,7 413 1,0 0,4 850 527 0,9 134 3,7 0,3 384 0,5 2.016 9,3 3.176 3,8 9.075
9,8 2,9 2,3 1,9 1,3 4,5 5,5 2,6 6,1 2,4 3,2 4,2
33,0 27,0 20,5 15,4 24,3 30,6 33,2 15,9 18,6 21,7 26,1 26,2
22,7 33,8 27,4 27,0 32,7 38,2 28,3 34,4 26,1 27,9 33,4 30,9
17,3 19,1 28,4 25,1 24,1 17,5 15,8 29,1 18,9 25,2 20,1 20,8
7,5 9,5 10,2 9,7 9,0 5,4 11,1 11,0 14,6 13,0 9,8 9,5
4,6 3,5 7,4 9,7 3,7 1,9 4,5 3,5 6,9 6,5 3,2 4,4
3,2 2,0 2,3 5,4 2,3 1,1 0,6 2,6 5,3 1,6 1,8 2,1
0,7 1,8 0,9 4,2 1,1 0,6 0,6 0,0 2,9 1,1 0,9 1,1
0,6 0,4 0,0 0,8 1,0 0,1 0,2 0,9 0,3 0,5 0,9 0,5
127
345
344
2.144
2.529
1.702
777
360
172
90
41
Vrouwen 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
N
0,6 1.029 0,0 545 215 0,5 259 0,8 614 0,5 0,1 1.728 0,2 488 227 0,0 376 0,3 0,2 1.704 0,5 999 0,3 8.184 25
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Bij mannen zijn de verschillen tussen de diverse beleidsdomeinen veel groter dan bij vrouwen. In alle beleidsdomeinen zijn er meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 5.000 euro. Bij mannen valt voor het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, Media het hogere percentage op bij de inkomens tot 3.000 euro. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het aandeel mannen in de groep 5.000-6.000 euro hoger. Bij Economie Wetenschap en Innovatie zijn er meer mannen met een maandsalaris van 8.000 tot 9.000 euro. Bij mannen valt het hoge percentage met meer dan 10.000 euro per maand op in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Het betreft 40- en vooral 50-plussers met zeer hoge inkomens in niveau A, in 1 entiteit. 112
9.000 10.000>10.000
Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur TBSM euro
%
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N
M 3,8 12,9 22,8 21,5 12,9 11,4 7,1 3,7 2,1 1,9
V 9,8 33,0 22,7 17,3 7,5 4,6 3,2 0,7 0,6 0,6
Tot 7,3 24,7 22,8 19,0 9,7 7,4 4,8 1,9 1,2 1,1
731
1029
1760
100
100
100
N
129 434 401 335 171 130 85 34 21 20
1760
%p
M-V -6,0 -20,1 0,1 4,2 5,4 6,8 3,9 3,0 1,5 1,3
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn groot in dit beleidsdomein: veel meer vrouwen in de inkomengroep van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 4.000 euro.
Financiën en Begroting TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N
%
M 1,4 17,8 31,8 20,0 9,3 8,2 4,4 5,5 1,6
V 2,9 27,0 33,8 19,1 9,5 3,5 2,0 1,8 0,4
Tot 2,3 23,3 33,0 19,5 9,5 5,4 3,0 3,3 0,9
365
545
910
100
100
100
N 21 212 300 177 86 49 27 30 8 910
%p
M-V -1,5 -9,2 -2,0 0,9 -0,2 4,7 2,4 3,7 1,2
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn hier vrij klein. Bij de inkomens van 2.000 tot 3.000 euro per maand is het verschil het grootst.
113
M-V
Internationaal Vlaanderen TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N
%
M 1,4 5,2 20,4 18,5 19,0 17,1 8,1 4,3 6,1
V 2,3 20,5 27,4 28,4 10,2 7,4 2,3 0,9 0,5
Tot 1,9 12,9 23,9 23,5 14,6 12,2 5,2 2,6 3,3
211
215
426
100
100
100
N 8 55 102 100 62 52 22 11 14 426
%p
M-V -0,9 -15,3 -7,0 -9,9 8,8 9,7 5,8 3,4 5,6
30
20
25
10
20 15
0
10
-10
5 0
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
-20 M
V
M-V
De genderverschillen zijn zeer groot: veel meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 7.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 5.000 euro.
Economie Wetenschap en Innovatie TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N
%
%p
M 1,5 14,6 20,5 14,6 11,9 12,3 9,3 11,2 4,1
V 1,9 15,4 27,0 25,1 9,7 9,7 5,4 4,2 1,6
Tot 1,7 15,0 23,7 19,7 10,8 11,0 7,4 7,8 2,9
100
100
100
268
259
527
N 9 79 125 104 57 58 39 41 15 527
M-V -0,4 -0,8 -6,5 -10,5 2,2 2,6 3,9 7,0 2,5
30
20
25
10
20 15
0
10
-10
5 0
-20 M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
De genderverschillen zijn weer groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 4.000 tot 6.000 euro per maand en meer mannen met meer dan 5.000 euro.
114
M-V
Onderwijs en Vorming TBSM euro
%
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N
%p
M 0,5 18,4 27,8 26,9 12,1 7,3 2,7 2,2 1,2 1,0
V 1,3 24,3 32,7 24,1 9,0 3,7 2,3 1,1 1,0 0,5
Tot 1,0 21,9 30,8 25,2 10,2 5,2 2,4 1,6 1,1 0,7
100
100
100
413
614
1027
N 10 225 316 259 105 53 25 16 11 7 1027
M-V -0,8 -5,9 -4,9 2,8 3,1 3,6 0,4 1,1 0,2 0,5
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en iets meer mannen met 4.000 tot 7.000 euro.
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N
%
%p
M 2,5 14,5 36,7 22,5 13,5 4,7 2,8 1,4 1,5
V 4,5 30,6 38,2 17,5 5,4 1,9 1,1 0,6 0,2
Tot 3,8 25,3 37,7 19,2 8,1 2,8 1,7 0,9 0,6
100
100
100
850
1728
2578
N
98 652 972 494 209 73 43 23 14
M-V -2,0 -16,1 -1,5 5,0 8,1 2,8 1,7 0,8 1,3
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20
2578
M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
De genderverschillen zijn hier iets groter, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.
115
M-V
Cultuur, Jeugd, Sport en Media TBSM euro
%
%p
M 10,8 27,5 28,5 13,7 8,0 5,9 3,4 0,8 1,5
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N
V 5,5 33,2 28,3 15,8 11,1 4,5 0,6 0,6 0,4
Tot 8,3 30,2 28,4 14,7 9,5 5,2 2,1 0,7 1,0
100
100
100
527
488
1015
N 84 307 288 149 96 53 21 7 10 1015
M-V 5,3 -5,7 0,2 -2,1 -3,1 1,4 2,8 0,2 1,1
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >9.000
De genderverschillen zijn klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 6.000 euro per maand. Wel valt het hoge percentage mannen op in de groep tot 2.000 euro.
Werk en Sociale Economie TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 >8.000 Totaal N
%
%p
M 1,5 7,5 17,2 31,3 21,6 10,4 2,2 8,2
V Tot 2,6 2,2 15,9 12,7 34,4 28,0 29,1 29,9 11,0 15,0 3,5 6,1 2,6 2,5 0,9 3,6
100
100
100
134
227
361
N 8 46 101 108 54 22 9 13 361
M-V -1,1 -8,4 -17,2 2,2 10,6 6,9 -0,4 7,3
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro De groepen 8.000-9.000, 9.000-10.000 en >10.000 werden samengevoegd tot de groep >8.000
V
De genderverschillen zijn in dit beleidsdomein groot, met veel meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 4.000 euro per maand en meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.
116
M-V
Landbouw en Visserij TBSM euro
%
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 >9.000 Totaal N
%p
M 2,1 9,6 26,8 18,8 13,5 15,1 8,3 3,6 2,1
V 6,1 18,6 26,1 18,9 14,6 6,9 5,3 2,9 0,6
Tot 4,1 14,1 26,4 18,8 14,1 11,1 6,8 3,3 1,4
N 31 107 201 143 107 84 52 25 10
100
100
100
760
384
376
760
M-V -4,0 -9,0 0,7 -0,1 -1,1 8,2 3,0 0,7 1,5
30
20
25
10
20 15
0
10
-10
5 0
-20 M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn hier matig: meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 3.000 euro per maand en meer mannen met 6.000 tot 7.000 euro.
Omgeving TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N
%
%p
M 1,3 18,3 26,6 20,8 14,9 9,7 5,2 1,8 0,9 0,5 100
2016
V 2,4 21,7 27,9 25,2 13,0 6,5 1,6 1,1 0,5 0,2
Tot 1,8 19,8 27,2 22,8 14,0 8,2 3,5 1,5 0,7 0,3
N 68 738 1011 850 522 306 132 54 26 13 100 100 3720 1704 3720
M-V -1,1 -3,4 -1,3 -4,4 1,9 3,2 3,6 0,7 0,4 0,3
30
20
25
10
20 15
0
10
-10
5 0
-20 M
V
M-V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De genderverschillen zijn klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 2.000 tot 5.000 euro per maand en iets meer mannen met 5.000 tot 7.000 euro.
117
Mobiliteit en Openbare Werken TBSM euro
<2 000 3.000 4.000 5.000 6.000 7.000 8.000 9.000 10.000 >10.000 Totaal N
%
%p
M 1,1 12,9 34,0 23,8 9,6 4,3 2,1 1,4 1,4 9,3
V 3,2 26,1 33,4 20,1 9,8 3,2 1,8 0,9 0,9 0,5
Tot 1,6 16,1 33,9 22,9 9,7 4,0 2,0 1,3 1,3 7,2
100
100
100
3176
999
4175
N 67 671 1414 956 404 169 85 55 55 299 4175
M-V -2,1 -13,2 0,6 3,7 -0,2 1,1 0,3 0,5 0,5 8,8
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
TBSM euro = totaal bruto salaris per maand - in euro
De verschillen zijn vrij klein tot 10.000 euro per maand, met meer vrouwen bij de inkomens van 2.000 tot 3.000 euro. Bij de groep met meer dan 10.000 euro per maand is het verschil hier opvallend groot. In deze groep zitten de 40-plussers van niveau A met zeer hoge inkomens, zoals vermeld in hoofdstuk 3.
118
M-V
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle beleidsdomeinen samen Mannen
Vrouwen
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100 Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
6,3 2,7 0,0 6,7 3,6 1,6 11,6 1,5 2,6 2,1 2,0 3,1
26,7 40,3 21,3 22,0 34,1 39,9 40,8 15,7 28,9 34,9 38,0 35,1
27,2 25,8 26,1 24,3 32,9 31,6 25,4 39,6 26,8 26,9 31,6 29,3
18,9 15,6 24,6 16,4 17,9 17,4 12,9 27,6 21,4 21,3 11,4 16,4
11,5 6,0 16,1 11,9 6,1 5,6 6,3 6,0 13,0 9,6 4,1 7,3
4,9 7,9 6,2 13,8 3,1 1,8 1,5 3,0 4,7 3,4 2,2 3,4
3,0 0,8 4,7 3,7 1,2 1,6 0,8 3,0 2,1 1,3 1,6 1,7
0,7 0,0 0,5 0,7 0,5 0,1 0,4 0,7 0,3 0,1 1,4 0,7
0,7 0,5 0,5 0,4 0,2 0,1 0,4 0,0 0,0 0,2 1,3 0,6
281
3.185
2.659
1.488
662
309
154
64
54
Mannen 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
>100
N
731 0,1 0,3 365 211 0,0 0,0 268 413 0,2 0,1 850 527 0,0 134 3,0 0,3 384 0,0 2.016 6,4 3.176 2,3 9.075 209
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 80-90 90-100
10,0 2,6 2,3 1,5 2,0 3,6 5,9 1,3 5,9 1,9 3,2 3,9
41,8 43,5 31,6 22,8 37,5 43,3 44,7 36,1 31,4 30,7 43,6 38,5
24,0 30,1 31,6 37,1 37,9 37,0 26,6 36,1 23,1 32,7 30,2 31,9
14,5 15,2 20,9 17,8 15,0 11,6 15,4 17,6 21,8 23,7 14,8 16,7
5,5 4,6 10,2 10,8 4,4 2,9 5,9 7,0 12,0 8,0 4,3 5,9
2,8 3,1 2,3 7,7 1,5 1,3 1,0 0,9 5,3 2,1 1,9 2,2
0,9 0,6 0,0 1,5 1,3 0,2 0,4 0,9 0,5 0,5 1,5 0,7
0,5 0,2 0,5 0,8 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1 0,3 0,2
0,0 0,0 0,5 0,0 0,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,2 0,0 0,1
319
3.151
2.611
1.367
483
180
57
16
8
>100
8
Vrouwen 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Bij mannen zijn de verschillen tussen de diverse beleidsdomeinen veel groter dan bij vrouwen. In alle beleidsdomeinen zijn er meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Bij mannen valt voor het beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport, Media het hogere percentage op in de inkomensgroepen tot 20 euro. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het aandeel mannen met 30 tot 50 euro hoger. In het domein Economie, Wetenschap en Innovatie zijn er meer mannen met 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur. Bij mannen valt het hoge percentage met meer dan 100 euro per gepresteerd werkuur op in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Het betreft 40- en vooral 50-plussers met zeer hoge inkomens in niveau A, in 1 entiteit. 119
N
0,0 1.029 0,2 545 215 0,0 0,0 259 614 0,2 0,1 1.728 0,0 488 227 0,0 376 0,0 0,1 1.704 0,1 999 0,1 8.184
Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur TBSM euro
%
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
M V Tot 6,3 10,0 8,5 26,7 41,8 35,5 27,2 24,0 25,3 18,9 14,5 16,3 11,5 5,5 8,0 4,9 2,8 3,7 3,0 0,9 1,8 1,5 0,5 1,0 100 100 100 731 1029 1760
N
149 625 446 287 141 65 31 16 1760
M-V -3,7 -15,1 3,2 4,4 6,0 2,1 2,1 1,0
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20 M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn groot in dit beleidsdomein: veel meer vrouwen in de inkomengroep van 20 tot 30 euro per gepresteerd werkuur.
Financiën en Begroting TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
M 2,7 40,3 25,8 15,6 6,0 7,9 0,8 0,8 100 365
V 2,6 43,5 30,1 15,2 4,6 3,1 0,6 0,4 100 545
Tot 2,6 42,2 28,4 15,4 5,2 5,1 0,7 0,5 100 910
N 24 384 258 140 47 46 6 5 910
%p
M-V 0,1 -3,2 -4,3 0,4 1,4 4,8 0,2 0,4
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20 M
V
M-V
De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn hier klein, met iets meer vrouwen bij de inkomensgroep van 20 tot 30 euro en iets meer mannen met 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur.
120
Internationaal Vlaanderen TBSM euro
%
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
M 0,0 21,3 26,1 24,6 16,1 6,2 4,7 1,0 100 211
V 2,3 31,6 31,6 20,9 10,2 2,3 0,0 1,0 100 215
Tot 1,2 26,5 28,9 22,8 13,1 4,2 2,3 1,0 100 426
N 5 113 123 97 56 18 10 4 426
%p
M-V -2,3 -10,3 -5,5 3,7 5,9 3,9 4,7 0,0
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn vrij groot: meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 30 euro per uur en meer mannen met 40 tot 80 euro per gepresteerd werkuur.
Economie Wetenschap en Innovatie TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
M 6,7 22,0 24,3 16,4 11,9 13,8 3,7 1,1 100 268
%p
V 1,5 22,8 37,1 17,8 10,8 7,7 1,5 0,8 100 259
Tot 4,2 22,4 30,6 17,1 11,4 10,8 2,7 1,0 100 527
N 22 118 161 90 60 57 14 5 527
M-V 5,2 -0,8 -12,8 -1,4 1,1 6,1 2,2 0,3
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
M-V
De genderverschillen zijn hier ook vrij groot, met meer vrouwen in de inkomensgroepen van 30 tot 40 euro per uur en meer mannen met maximaal 10 tot 20 euro en 60 tot 70 euro per gepresteerd werkuur.
121
Onderwijs en Vorming TBSM euro
%
%p
M 3,6 34,1 32,9 17,9 6,1 3,1 1,2 0,9
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
V 2,0 37,5 37,9 15,0 4,4 1,5 1,3 0,6
Tot 2,6 36,1 35,9 16,2 5,1 2,1 1,3 0,7
100
100
100
413
614
1027
N 27 371 369 166 52 22 13 7 1027
M-V 1,6 -3,4 -5,0 2,9 1,7 1,6 -0,1 0,3
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn in dit domein klein, met iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 40 euro per uur en iets meer mannen met 40 tot 60 euro per gepresteerd werkuur.
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
%p
M 1,6 39,9 31,6 17,4 5,6 1,8 1,6 0,3 100
850
V 3,6 43,3 37,0 11,6 2,9 1,3 0,2 0,1
Tot 2,9 42,2 35,3 13,5 3,8 1,4 0,7 0,1
N 76 1087 909 348 98 37 18 5 100 100 2578 1728 2578
M-V -2,0 -3,4 -5,4 5,8 2,7 0,5 1,4 0,2
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20 M
V
M-V
De genderverschillen zijn vrij klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen tot 40 euro per uur en iets meer mannen met 40 tot 60 euro per gepresteerd werkuur.
122
Cultuur, Jeugd, Sport en Media TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
%p
M 11,6 40,8 25,4 12,9 6,3 1,5 0,8 0,8
V 5,9 44,7 26,6 15,4 5,9 1,0 0,4 0,0
Tot 8,9 42,7 26,0 14,1 6,1 1,3 0,6 0,4
100
100
100
527
488
1015
N 90 433 264 143 62 13 6 4 1015
M-V 5,7 -3,9 -1,2 -2,5 0,4 0,5 0,4 0,8
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20 M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn hier klein: iets meer vrouwen in de inkomensgroepen van 20 tot 50 euro per uur en - opvallend meer mannen met maximaal 20 euro per gepresteerd werkuur.
Werk en Sociale Economie TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
%p
M 1,5 15,7 39,6 27,6 6,0 3,0 3,0 3,7
V 1,3 36,1 36,1 17,6 7,0 0,9 0,9 0,0
Tot 1,4 28,5 37,4 21,3 6,6 1,7 1,7 1,4
100
100
100
134
227
361
N 5 103 135 77 24 6 6 5 361
M-V 0,2 -20,4 3,5 10,0 -1,0 2,1 2,1 3,7
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20 M
V
M-V
De genderverschillen zijn in dit beleidsdomein vrij groot, met veel meer vrouwen in de groep van 20 tot 30 euro per uur en vooral meer mannen met 40 tot 50 euro per gepresteerd werkuur.
123
Landbouw en Visserij TBSM euro
%
%p
M 2,6 28,9 26,8 21,4 13,0 4,7 2,1 0,6
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
V 5,9 31,4 23,1 21,8 12,0 5,3 0,5 0,0
Tot 4,2 30,1 25,0 21,6 12,5 5,0 1,3 0,2
100
100
100
384
376
760
N 32 229 190 164 95 38 10 2 760
M-V -3,3 -2,5 3,7 -0,4 1,0 -0,6 1,6 0,6
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
V
M-V
De genderverschillen zijn hier zeer klein, met iets meer vrouwen in de groep tot 30 euro per uur en iets meer mannen met 30 tot 40 euro per gepresteerd werkuur.
Omgeving TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
%p
M 2,1 34,9 26,9 21,3 9,6 3,4 1,3 0,3 100
2016
V 1,9 30,7 32,7 23,7 8,0 2,1 0,5 0,4
Tot 2,0 33,0 29,6 22,4 8,9 2,8 0,9 0,3
N 75 1227 1101 833 331 105 35 13 100 100 3720 1704 3720
M-V 0,2 4,2 -5,8 -2,4 1,6 1,3 0,8 -0,1
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
40
20
30
10
20
0
10
-10
0
-20 M
V
M-V
De genderverschillen zijn ook in dit domein beperkt: iets meer vrouwen in de groep van 30 tot 50 euro per uur en iets meer mannen met 20 tot 30 euro per gepresteerd werkuur.
124
Mobiliteit en Openbare Werken TBSM euro
10-20 20-30 30-40 40-50 50-60 60-70 70-80 >80 Totaal N
%
%p
M 2,0 38,0 31,6 11,4 4,1 2,2 1,6 9,1
V 3,2 43,6 30,2 14,8 4,3 1,9 1,5 0,4
Tot 2,3 39,4 31,3 12,2 4,2 2,2 1,6 7,0
100
100
100
3176
999
4175
N 95 1643 1307 510 174 90 66 290 4175
M-V -1,2 -5,6 1,4 -3,4 -0,2 0,3 0,1 8,7
TBSW euro = totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur - in euro
50
20
40
10
30
0
20 10
-10
0
-20 M
V
M-V
De verschillen zijn vrij klein, met iets meer vrouwen bij de inkomens van 20 tot 30 euro en 40 tot 50 euro per gepresteerd werkuur. Bij de groep met meer dan 100 euro per gepresteerd werkuur is het verschil hier weer groot. Zoals eerder vermeld, omvat deze groep de 40-plussers van niveau A met zeer hoge inkomens.
125
6 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en andere aspecten Inleiding en samenvatting Uitgaande van hoofdstuk 3 gaat we in dit hoofdstuk dieper in op de relatie tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) van de werknemers van de Vlaamse overheid en enkele relevante verklarende aspecten. Per aspect worden de gemiddelde waarden van het salaris gegeven in vierdimensionale tabellen en grafieken, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel. Voor het goed begrijpen van de genderverschillen in de tabellen, wijzen we op het belang van de N-waarden voor de subgroepen naar leeftijd en functieniveau. Zo kunnen de genderverschillen (naar leeftijd) binnen de functieniveaus vrij klein zijn, terwijl de genderverschillen voor alle functieniveaus samen naar leeftijd groot zijn. Dit is te wijten aan het verschil in aantal personen. De verschillen naar functieniveau en leeftijd zijn in alle tabellen/grafieken duidelijk zichtbaar, voor het totaal bruto salaris per maand en per gepresteerd werkuur. Voorts zijn er specifieke genderverschillen voor de combinatie van de factoren. Specifieke grote verschillen zijn er bij werknemers met meer dan 15 jaar dienstanciënniteit, bij statutaire en contractuele medewerkers en bij medewerkers met meer dan 200 werkdagen per jaar. De zeer grote genderverschillen worden in grote mate bepaald door de groep oudere mannen in niveau A met een zeer hoog salaris. Hoofdstuk 5 liet zien dat die mannen hoofdzakelijk werkzaam zijn in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. In hoofdstuk 7 wordt dat verder onderzocht.
Uit dit hoofdstuk nemen we volgende vaststellingen of vragen mee: Zoals in hoofdstuk 4 zien we dat het genderverschil toeneemt bij stijgende dienstanciënniteit. Daarvoor geldt dezelfde mogelijke verklaring. De gegevens naar beroepsstatuut tonen grotere genderverschillen in de groep statutairen dan in de groep contractuelen. Komt dat door de verschillende gendersamenstellingen van de respectievelijke groepen? De groep werknemers met meer dan 200 werkdagen kent grotere genderverschillen dan de groep met 100 tot 200 werkdagen. Hoe kan dat verklaard worden? Komen we daarbij weer bij de impact van de specifieke groep oudere mannen in niveau A? Opnieuw bieden de gegevens naar niveau mogelijks inzicht in de gendergebonden verdeling van functies. Zo zien we negatieve genderverschillen (vrouwen verdienen meer) in niveau B en bij jongeren in niveau A. Vooral bij niveau D merken we algemeen grote genderverschillen en rijst de vraag welke functies hier tot die verschillen leiden.
126
1. Totaal bruto salaris per maand Dienstanciënniteit 0-15 jaar
Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.063 6.902 4.514 6.216 3.172 3.577 2.899 3.288 2.863 3.158 3.632 4.716
2.512
18-39
40-49 Mannen A+
>15 jaar
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
1.425
50+
956
18-39
A
Tot 7.204 5.291 3.404 3.150 3.037 4.167
4.893
40-49
N
322 1.638 1.057 935 941 4.893
50+
B
18-39
40-49
50+
Mannen A+
A
1.380
18-39 B
C
50+ 8.240 8.488 4.595 4.176 3.703 5.788
2.586
40-49 Vrouwen D
Tot 7.925 7.496 4.236 3.970 3.664 5.408
4.178
50+
N
519 1.151 677 902 929 4.178
50+ 7.989 5.243 3.753 3.159 2.310 3.827
1.411
772
18-39 A+
A
5.048
N
230 1.719 1.648 989 462 5.048
201
40-49 B C
50+ 7.731 5.715 4.026 3.627 2.751 4.336
1.243
50+ 174 987 385 508 861 926
Tot 580 873 244 296 714 557
A
Tot 8,1 16,5 7,2 9,4 23,5 13,4
50+
3.136
40-49 B C
50+ 2,1 15,8 9,3 13,8 27,2 19,5
D
Tot 7.370 5.331 3.811 3.486 2.764 4.303
1.692
% (M-V)/M 18-39 40-49 6,4 3,0 8,0 23,3 8,1 0,5 9,9 8,7 21,7 23,0 6,6 16,6
Bij deze subgroep met minder dan 15 jaar dienst zijn de verschillen naar functieniveau - die toenemen met de leeftijd - weer zichtbaar (zie ook hoofdstuk 3). De genderverschillen liggen meestal rond 400 euro, met hogere bedragen bij de 40 tot 49- jarigen en 50-plussers in niveaus A en D.
N
323 751 622 1.053 387 3.136
50+ D
127
M-V 18-39 40-49 399 441 701 872 252 384 370 283 393 808 345 548
50+ 509 2773 569 548 951 1451
Tot 555 2165 424 484 900 1104
% (M-V)/M 18-39 40-49 5,8 6,0 12,8 14,6 6,8 9,5 10,9 7,8 12,3 22,4 8,6 11,2
50+ 6,2 32,7 12,4 13,1 25,7 25,1
Tot 7,0 28,9 10,0 12,2 24,6 20,4
Bij medewerkers met meer dan 15 jaar dienst nemen de verschillen naar functieniveau ook toe met de leeftijd. Bij mannen neemt het verschil tussen niveau A+ en A evenwel af. Bij de 50-plussers ligt het gemiddeld inkomen in niveau A zelfs iets hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met ruim 2.770 euro per maand zeer hoog.
Genderverschil M - V
18-39 A+
M-V 18-39 40-49 390 210 360 1446 258 17 286 286 621 725 241 781
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 6.474 6.961 4.789 5.115 3.436 3.661 3.025 3.331 2.800 2.804 3.658 4.362
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
Tot 6.624 4.418 3.160 2.854 2.324 3.610
Genderverschil M - V
Vrouwen C D
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.872 7.402 5.491 5.986 3.688 4.044 3.395 3.613 3.194 3.612 4.003 4.911
212
2.865
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
50+ 8.164 6.231 4.138 3.666 3.171 4.753
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 5.673 6.692 4.154 4.770 2.915 3.560 2.613 3.003 2.242 2.433 3.391 3.934
Beroepsstatuut Statutair Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.377 7.294 4.957 6.281 3.416 3.913 3.205 3.517 3.168 3.573 3.968 4.982
1.673
2.397
50+ 8.208 8.189 4.329 4.122 3.680 5.638
3.195
Tot 7.741 6.654 3.874 3.721 3.569 5.037
7.265
N
744 2.246 1.313 1.528 1.434 7.265
1.749
10.000 6.000 4.000 2.000 0
18-39
40-49
50+
Mannen A+
Contractueel Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
18-39
A
40-49
50+
A+
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.731 6.443 3.889 4.913 2.942 3.395 2.435 3.005 2.531 2.678 3.171 3.813
1.052
408
50+ 8.342 5.475 5.421 3.272 2.651 4.279
350
Tot 6.942 4.329 3.276 2.716 2.604 3.530
1.810
N
97 543 421 309 440 1.810
1.317
8.000 6.000 4.000 2.000 18-39
40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
2500 2000 1500 1000 500 0 -500
Tot 7.229 4.921 3.536 3.281 2.789 4.135
2.064
6.016
40-49 A
N
479 1.848 1.624 1.657 408 6.016
B
50+ 367 2581 318 584 885 1254
Tot 512 1732 338 440 779 902
C
2.168
40-49 B
Tot 6,6 26,0 8,7 11,8 21,8 17,9
Bij mannelijke statutairen neemt het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het gemiddeld inkomen in niveau A bijna even hoog als in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met ruim 2.580 euro per maand zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil ruim 1.250 euro.
N
74 622 646 385 441 2.168
50+ C
D
128
M-V 18-39 40-49 212 331 110 491 202 136 -3 46 376 295 104 354
50+ 1509 276 2148 103 355 1172
Tot 980 305 434 -26 325 374
% (M-V)/M 18-39 40-49 3,7 5,1 2,8 10,0 6,9 4,0 -0,1 1,5 14,9 11,0 3,3 9,3
50+ 18,1 5,0 39,6 3,1 13,4 27,4
Tot 14,1 7,1 13,3 -1,0 12,5 10,6
Bij mannelijke contractuelen neemt het verschil tussen niveau A+ en A wel toe. Bij vrouwelijke contractuelen neemt het evenwel af. Bij mannelijke 50-plussers ligt het inkomen in niveau B bijna even hoog als in niveau A. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau en vooral in niveau B zeer hoog.
Genderverschil M - V
A
50+ 4,5 31,5 7,3 14,2 24,0 22,2
D
Tot 5.962 4.024 2.842 2.742 2.279 3.155
400
18-39
% (M-V)/M 18-39 40-49 8,1 4,3 10,4 20,3 8,9 6,9 12,6 8,3 13,7 21,8 7,6 14,2
50+
50+ 6.832 5.199 3.273 3.169 2.296 3.107
451
A+
M-V 18-39 40-49 517 315 517 1274 304 270 404 291 432 780 301 708
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 5.518 6.112 3.779 4.423 2.740 3.259 2.438 2.959 2.155 2.383 3.066 3.458
10.000
0
2.203
18-39
Vrouwen C D
B
50+ 7.842 5.607 4.012 3.538 2.795 4.384
Genderverschil M - V
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
8.000
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 5.860 6.979 4.440 5.007 3.112 3.642 2.801 3.226 2.735 2.793 3.666 4.273
Werkdagen VTE per jaar 100-200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.617 6.748 4.128 4.944 2.977 3.571 2.759 3.160 2.522 2.885 3.229 4.043
1.097
1.073
50+ 7.552 5.717 4.172 3.682 3.088 4.289
1.472
Tot 7.081 4.908 3.495 3.272 2.910 3.897
3.642
N
228 952 744 849 869 3.642
1.906
10.000 6.000 4.000 2.000 0
18-39
40-49
50+
Mannen A+
>200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
18-39
A
40-49
50+
A+
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.344 7.375 4.777 6.766 3.394 4.027 3.113 3.664 3.217 3.699 3.950 5.288
1.628
1.732
50+ 8.466 9.021 4.680 4.432 3.945 6.367
2.073
Tot 7.860 6.871 3.905 3.793 3.716 5.299
5.433
N
613 1.837 990 988 1.005 5.433
1.160
8.000 6.000 4.000 2.000 18-39
40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
3000 2500 2000 1500 1000 500 0 -500
Tot 6.389 4.449 3.182 3.015 2.385 3.530
1.747
5.369
40-49 A
N
221 1.526 1.520 1.432 670 5.369
B
50+ 440 536 399 377 634 593
Tot 691 459 313 257 525 367
C
2.815
40-49 B
Tot 9,8 9,3 9,0 7,8 18,0 9,4
Bij medewerkers met minder dan 200 werkdagen is het verschil tussen niveau A+ en A groot in alle leeftijdsgroepen. De genderverschillen liggen algemeen gezien vrij laag, vooral bij de 18 tot 39-jarigen.
N
332 944 750 610 179 2.815
Genderverschil M - V
A
50+ 5,8 9,4 9,6 10,2 20,5 13,8
D
Tot 7.505 5.094 3.655 3.566 3.044 4.534
717
18-39
% (M-V)/M 18-39 40-49 2,1 8,8 2,7 7,4 7,1 5,4 8,0 4,9 15,0 16,8 1,4 7,3
50+
50+ 8.205 6.217 4.465 4.061 3.200 5.349
938
A+
M-V 18-39 40-49 120 595 110 366 213 193 221 156 378 486 47 294
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 6.003 7.287 4.396 5.623 3.234 4.057 2.967 3.532 2.791 2.982 3.780 4.842
10.000
0
1.716
18-39
Vrouwen C D
B
50+ 7.112 5.181 3.773 3.304 2.454 3.696
Genderverschil M - V
3000 2500 2000 1500 1000 500 0
8.000
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 5.497 6.153 4.018 4.579 2.764 3.378 2.538 3.004 2.144 2.399 3.182 3.749
50+ C
D
129
M-V 18-39 40-49 50+ 341 88 261 381 1143 2804 160 -30 216 146 132 370 425 717 745 170 446 1018
Tot 355 1777 249 228 671 765
% (M-V)/M 18-39 40-49 5,4 1,2 8,0 16,9 4,7 -0,7 4,7 3,6 13,2 19,4 4,3 8,4
50+ 3,1 31,1 4,6 8,4 18,9 16,0
Tot 4,5 25,9 6,4 6,0 18,1 14,4
Bij mannelijke medewerkers met meer dan 200 werkdagen vermindert het verschil tussen niveau A+ en A sterk met de leeftijd. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A duidelijk hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met ruim 2.800 euro per maand zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil ruim 1.000 euro.
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Dienstanciënniteit 0-15 jaar Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,3 54,4 35,9 49,2 25,8 29,3 23,6 26,8 23,7 25,6 29,3 37,7
2.512
1.425
50+ 65,3 50,4 33,9 29,9 26,2 38,6
956
Tot 57,1 42,1 27,7 25,7 25,0 33,6
4.893
N
322 1.638 1.057 935 941 4.893
2.865
80 20 15 10 5 0 -5
60 40
20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
>15 jaar Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
A
B
40-49
50+
Vrouwen C D
212
1.380
50+ 64,8 67,2 38,4 34,9 31,0 46,8
2.586
Tot 62,1 59,6 34,9 33,0 30,4 43,7
4.178
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
772
18-39
519 1.151 677 902 929 4.178
201
20 15 10 5 0 -5
5.048
40-49
A
N
230 1.719 1.648 989 462 5.048
B
50+ 63,1 50,2 37,1 33,6 26,4 38,9
1.243
1.692
40-49
A+
50+ 0,7 3,9 -0,6 1,0 3,5 4,1
Tot 3,0 3,2 -0,6 0,3 3,1 1,6
A
B
% (M-V)/M 18-39 40-49 0,3 0,5 -1,6 14,2 -1,4 -8,8 2,0 2,6 12,5 14,8 -2,5 8,4
50+ 1,0 7,8 -1,7 3,2 13,3 10,7
Tot 5,2 7,6 -2,3 1,2 12,6 4,8
Bij de groep met minder dan 15 jaar dienst nemen de verschillen naar functieniveau toe met de leeftijd. De genderverschillen zijn vooral significant voor niveau D. Voor enkele subgroepen ligt het inkomen per gepresteerd werkuur van vrouwen iets hoger dan dat van mannen. Dat is het duidelijkst bij de 40 tot 49-jarigen in niveau B.
50+
C
D
Tot 59,6 47,0 34,5 31,6 26,1 38,1
3.136
Genderverschil M - V
18-39
M-V 18-39 40-49 0,1 0,3 -0,6 7,0 -0,4 -2,6 0,5 0,7 3,0 3,8 -0,7 3,2
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 52,4 55,6 43,3 45,0 30,5 32,6 26,8 29,0 25,1 25,3 32,4 37,8
N
Tot 54,1 38,9 28,4 25,3 21,8 32,0
Genderverschil M - V
80 60
50+ 64,6 46,5 34,4 28,9 22,7 34,5
1.411
A+
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 53,9 57,6 42,8 48,1 30,6 32,8 27,6 29,7 27,7 29,1 32,6 39,4
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 47,2 54,2 36,5 42,2 26,1 31,9 23,1 26,1 20,7 21,8 30,0 34,5
50+
C D 130
N
323 751 622 1.053 387 3.136
M-V 18-39 40-49 1,4 2,0 -0,5 3,0 0,1 0,2 0,7 0,7 2,6 3,8 0,1 1,6
50+ 1,7 17,0 1,3 1,3 4,6 7,9
Tot 2,5 12,6 0,4 1,4 4,3 5,6
% (M-V)/M 18-39 40-49 2,7 3,4 -1,1 6,3 0,3 0,7 2,7 2,4 9,4 13,2 0,5 4,0
50+ 2,6 25,3 3,4 3,8 14,8 16,9
Tot 3,9 21,2 1,1 4,2 14,1 12,8
Ook hier neemt bij mannen het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil alleen bij de 50-plussers in niveau A met 17 euro per gepresteerd werkuur zeer hoog. Bij de jongeren in niveau A ligt het uursalaris van vrouwen iets hoger dan dat van mannen.
Beroepsstatuut Statutair Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,5 56,8 39,2 50,0 27,6 31,8 25,8 28,7 25,8 28,6 31,7 39,8
1.673
2.397
50+ 64,6 65,0 36,0 34,3 30,5 45,6
3.195
Tot 60,7 52,8 31,7 30,6 29,3 40,5
7.265
N
744 2.246 1.313 1.528 1.434 7.265
1.749
80 20 15 10 5 0 -5
60
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
Contractueel Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
A
B
40-49
50+
Vrouwen C D
1.052
408
50+ 68,4 44,5 44,3 27,0 23,0 35,5
350
Tot 56,2 34,9 27,0 22,7 22,3 29,0
1.810
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
2.064
18-39
97 543 421 309 440 1.810
1.317
20 15 10 5 0 -5
6.016
40-49 A
N
479 1.848 1.624 1.657 408 6.016
B
50+ 55,2 45,2 29,8 28,1 22,5 28,5
451
Tot 49,4 34,8 25,3 24,3 21,6 27,9
400
2.168
40-49 A+
Tot 2,1 9,2 -0,3 1,0 3,2 3,9
A
B
50+ C
% (M-V)/M 18-39 40-49 1,6 2,1 -1,3 11,6 -2,1 -2,2 4,0 2,4 5,8 13,5 -3,1 6,5
50+ 1,1 23,9 -2,6 4,5 12,1 13,8
Tot 3,5 17,4 -1,0 3,4 10,8 9,6
D
Genderverschil M - V
18-39
50+ 0,7 15,5 -0,9 1,5 3,7 6,3
Opnieuw neemt bij mannelijke statutairen het verschil tussen niveau A+ en A af. Bij de 50-plussers ligt het inkomen in niveau A iets hoger dan in niveau A+. Het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A is bijgevolg weer zeer groot. Bij de jongeren in niveau A en bij alle werknemers in niveau B verdienen vrouwen per gepresteerd werkuur iets meer dan mannen.
50+ C
M-V 18-39 40-49 0,8 1,2 -0,5 5,8 -0,6 -0,7 1,0 0,7 1,5 3,9 -1,0 2,6
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 45,5 51,3 32,4 39,0 24,2 29,4 21,7 25,9 20,1 21,8 26,8 30,6
N
Tot 58,6 43,6 32,0 29,6 26,1 36,6
Genderverschil M - V
80 60
50+ 63,9 49,5 37,0 32,8 26,8 39,3
2.203
A+
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 45,4 52,0 31,4 39,3 24,2 28,1 20,5 24,9 21,6 22,6 26,1 31,2
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 48,8 55,7 39,7 44,2 28,2 32,5 24,7 28,0 24,3 24,8 32,7 37,2
D
131
N
74 622 646 385 441 2.168
M-V 18-39 40-49 -0,1 0,7 -1,0 0,3 0,0 -1,4 -1,2 -1,0 1,5 0,9 -0,7 0,6
50+ 13,2 -0,8 14,5 -1,1 0,5 7,0
Tot 6,8 0,2 1,7 -1,6 0,6 1,1
% (M-V)/M 18-39 40-49 -0,3 1,3 -3,2 0,7 0,1 -4,9 -6,0 -4,0 6,8 3,8 -2,8 1,9
50+ 19,4 -1,7 32,8 -4,2 2,1 19,8
Tot 12,1 0,5 6,4 -7,1 2,8 4,0
Bij mannelijke contractuelen stijgt het verschil tussen niveau A+ en A, bij vrouwen daalt het. Bij de 50-plussers ligt het uursalaris in niveau B bijna even hoog als in niveau A. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau B zeer hoog. Bij de contractuelen in niveaus A en C verdienen vrouwen iets meer per gepresteerd werkuur dan mannen.
Werkdagen VTE per jaar 100-200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 49,0 58,1 36,5 44,8 27,0 32,5 24,8 28,8 23,7 26,7 29,1 36,5
1.097
1.073
50+ 67,3 53,1 38,2 34,1 29,1 39,6
1.472
Tot 62,2 44,5 31,8 29,9 27,3 35,5
3.642
N
228 952 744 849 869 3.642
1.906
80 25 20 15 10 5 0 -5
60
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
>200 dagen Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
A
B
40-49
50+
Vrouwen C D
1.628
1.732
50+ 64,1 68,1 35,6 33,6 29,7 48,1
2.073
Tot 59,4 51,8 29,6 28,7 27,9 40,0
5.433
40 20 0
18-39
40-49
50+
18-39
Mannen
A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
1.747
18-39
613 1.837 990 988 1.005 5.433
1.160
25 20 15 10 5 0 -5
5.369
40-49 A
N
221 1.526 1.520 1.432 670 5.369
B
C
Tot 4,2 1,4 0,6 0,8 3,3 1,3
Tot 56,9 38,5 27,7 27,1 23,1 34,4
717
2.815
40-49 A
B
% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,3 5,5 -7,9 1,7 -1,5 -1,0 2,5 2,5 11,3 12,3 -6,8 2,1
50+ 2,3 5,8 3,5 3,5 13,6 8,4
Tot 6,8 3,2 1,9 2,5 12,1 3,6
Bij medewerkers met minder dan 200 werkdagen is het verschil tussen niveau A+ en A groot in alle leeftijdsgroepen. Bij vrouwen stijgt het met de leeftijd. De genderverschillen zijn algemeen gezien vrij klein. De grootste verschillen zijn er in niveau D. Bij de jongeren in niveau A verdienen vrouwen bijna 3 euro per gepresteerd werkuur meer dan mannen.
D
Genderverschil M - V
A+
50+ 1,6 3,1 1,3 1,2 4,0 3,3
50+
50+ 62,2 47,2 33,9 30,8 24,3 40,6
938
18-39
M-V 18-39 40-49 -0,6 3,2 -2,9 0,7 -0,4 -0,3 0,6 0,7 2,7 3,3 -2,0 0,8
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 45,7 55,1 33,2 42,5 24,5 30,8 22,6 26,8 21,1 22,6 28,7 36,7
N
Tot 58,0 43,1 31,2 29,2 24,0 34,3
Genderverschil M - V
80 60
50+ 65,7 50,0 36,9 32,9 25,1 36,3
1.716
A+
Gemiddelde
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,9 55,6 36,1 50,9 25,7 30,4 23,5 27,6 24,1 27,7 29,8 39,8
Genderverschil
Vrouwen 18-39 40-49 49,7 54,9 39,4 44,0 27,4 32,8 24,2 28,1 21,0 23,4 31,1 35,8
50+ C
D
132
N
332 944 750 610 179 2.815
M-V 18-39 40-49 2,2 0,5 2,8 8,3 1,1 -0,3 0,9 0,8 3,0 5,1 1,2 3,1
50+ 1,9 21,0 1,7 2,7 5,5 7,6
Tot 2,5 13,3 1,8 1,6 4,9 5,6
% (M-V)/M 18-39 40-49 4,7 0,8 7,9 16,3 4,4 -1,1 3,8 3,0 12,4 18,6 3,9 7,9
50+ 3,0 30,8 4,7 8,1 18,4 15,7
Tot 4,3 25,6 6,2 5,5 17,4 14,1
Bij mannelijke medewerkers met meer dan 200 werkdagen vermindert het verschil tussen niveau A+ en A sterk met de leeftijd. Bij de 50-plussers ligt het uursalaris in niveau A duidelijk hoger dan in niveau A+. Bijgevolg ligt het genderverschil bij de 50-plussers in niveau A met 21 euro per gepresteerd werkuur zeer hoog. Bij de 40 tot 49 jarigen bedraagt dat verschil ruim 8 euro per gepresteerd uur. Procentueel gezien kent niveau D ook grote genderverschillen.
7 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein Inleiding en samenvatting Aansluitend bij hoofdstuk 6 bespreken we hier de relatie tussen het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de factoren gender, functieniveau, leeftijd en beleidsdomein. Eerst geven we voor alle beleidsdomeinen een overzicht met het onderscheid naar gender en functieniveau en naar gender en leeftijd. Daarna volgen per beleidsdomein de gemiddelde waarden van het salaris in een vierdimensionale tabel en grafiek, met onderscheid naar gender, functieniveau en leeftijd. Tevens worden de genderverschillen getoond voor de diverse subgroepen, in waarde en procentueel. Opnieuw wijzen we op het belang van de N-waarden voor de subgroepen naar leeftijd en functieniveau. Zo kunnen de genderverschillen (naar leeftijd) binnen de functieniveaus vrij klein zijn, terwijl de genderverschillen voor alle functieniveaus samen naar leeftijd groot zijn, omwille van een groot verschil in aantal personen in de betreffende groepen. In de subgroepen (cellen) met een te klein aantal personen om zinvolle uitspraken te doen staan kruisjes in plaats van gegevens. Over het algemeen is er in bijna alle beleidsdomeinen voor mannen en vrouwen een positieve relatie tussen salaris enerzijds en functieniveau en leeftijd anderzijds. Het gemiddelde maandsalaris van mannen is in bijna alle subgroepen hoger dan dat van vrouwen, terwijl het gemiddelde uurloon van mannen in meer subgroepen lager is dan dat van vrouwen. Voor het totale brutosalaris per maand zijn er vrij grote genderverschillen in de beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur; Financiën en Begroting; Welzijn, Gezondheid en Gezin; Werk en Sociale Economie en in Landbouw en Visserij. Genderverschillen zijn zeer groot in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken. Over het totale brutosalaris per arbeidsuur zijn de genderverschillen gemiddeld kleiner. De verschillen zijn vrij groot in de beleidsdomeinen Financiën en Begroting; Economie, Wetenschap en Innovatie en in Landbouw en Visserij. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn de verschillen weer erg groot. Het zeer grote genderverschil in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken wordt vooral bepaald door de zeer hoge salarissen van oudere mannen op niveau A, met name door de zeer hoge bruto toelagen. De impact daarvan op het algemene verschil naar gender en functieniveau is groot door het grote aantal mannen versus het zeer lage aantal vrouwen in die subgroep. In hoofdstuk 8 wordt die specifieke subgroep verder onderzocht.
133
1. Totaal bruto salaris per maand Alle beleidsdomeinen samen Functieniveau Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
Gemiddelde
Mannen A+ 7.566 7.572 7.930 7.767 7.685 7.454 7.315 7.596 8.059 7.724 7.623 7.649
841
Genderverschil
A 5.277 4.876 5.455 5.222 5.024 5.138 4.548 4.920 5.724 5.339 8.325 6.201
2.789
B 3.646 3.968 3.614 3.784 3.481 3.781 3.297 6.806 3.716 3.664 3.686 3.729
1.734
C 3.563 3.410 3.582 3.216 3.545 3.550 2.872 3.599 3.718 3.475 3.756 3.552
1.837
D 2.596 2.804 3.024 2.694 2.670 3.193 2.733 2.420 2.517 2.869 3.714 3.342
1.874
Mannen
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Vrouwen
A+
A B C
D
0
2.000
4.000
6.000
A B C D
4.000
6.000
731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075
553
8.000
A 4.551 4.742 4.592 4.915 4.515 4.491 4.559 4.404 5.225 4.743 4.898 4.695
2.470
B 3.203 3.972 3.360 3.619 3.214 3.288 3.213 3.320 3.261 3.362 3.385 3.339
2.270
C 3.148 3.213 3.376 3.507 3.409 2.999 3.180 3.365 3.366 3.030 3.196 3.180
2.042
D 2.290 2.651 2.700 2.538 2.700 2.738 2.510 2.809 2.293 2.577 2.940 2.524
849
Tot 3.671 3.854 4.138 4.577 4.010 3.549 3.648 4.036 4.250 4.100 3.890 3.875
8.184
N
1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184
M-V A+ A B 611 726 443 819 134 -4 1.379 863 254 282 307 166 451 509 268 550 647 493 369 -11 84 821 516 3.486 682 500 455 521 596 302 579 3.426 301 590 1.506 390
Genderverschil Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal -500
A+
2.000
9.075
N
8.000
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal 0
Tot 4.834 4.473 5.408 5.249 4.413 4.219 3.683 5.347 4.893 4.477 5.131 4.736
Vrouwen A+ 6.955 6.753 6.551 7.485 7.234 6.904 6.946 6.775 7.376 7.202 7.044 7.059
C 415 196 205 -291 136 551 -308 234 352 446 561 373
D 307 153 324 156 -30 455 223 -389 224 292 774 818
A+ A B C D
500
1.500
2.500
3.500
Bij mannen en vrouwen stijgt in bijna alle beleidsdomeinen het gemiddeld inkomen sterk met het functieniveau. Dit sterke positieve verband wordt in een paar beleidsdomeinen bij mannen doorbroken. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het salaris van mannen in niveau B veel hoger dan in de andere domeinen. Voor deze subgroep is het genderverschil veel groter. Wegens het kleine aantal weegt deze groep niet door in het algemene gemiddelde. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken ligt het salaris van mannen in niveau A veel hoger dan dat van medewerkers van niveaus A en A+ in de andere domeinen. Het betreft hier een vrij grote groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. Ook voor deze groep is het genderverschil veel groter. Wegens het relatief grote aantal medewerkers weegt deze groep wel sterk door in het algemene gemiddelde. 134
Tot 1.163 619 1.270 672 403 669 35 1.311 643 377 1.241 861
Leeftijd
Genderverschil
Gemiddelde
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
Mannen 18-39 3.810 3.460 3.991 3.907 3.536 3.406 2.739 3.896 4.036 3.589 3.907 3.660
2.725
40-49 4.837 4.363 5.355 5.224 4.590 4.518 4.023 5.131 4.951 4.576 5.101 4.812
2.805
50+ 5.611 5.422 6.174 6.027 5.132 5.049 4.310 6.570 5.513 4.943 6.045 5.504
3.545
Tot 4.834 4.473 5.408 5.249 4.413 4.219 3.683 5.347 4.893 4.477 5.131 4.736
9.075
Mannen
N
731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 3.417 3.835 3.241 4.050 3.601 4.525 3.843 4.585 3.408 4.281 3.070 3.931 3.154 3.845 3.785 4.246 3.843 4.485 3.706 4.268 3.603 4.170 3.409 4.135
3.066
2.654
50+ 3.800 4.157 4.316 4.968 4.384 4.256 3.868 4.128 4.428 4.312 3.928 4.177
2.464
Tot 3.671 3.854 4.138 4.577 4.010 3.549 3.648 4.036 4.250 4.100 3.890 3.875
8.184
M-V 18-39 393 218 389 64 128 336 -415 111 193 -117 304 251
N
1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184
40-49 50+ 1.002 1.811 313 1.265 830 1.859 638 1.059 309 748 587 793 177 442 886 2.441 466 1.085 308 631 931 2.117 677 1.327
Tot 1.163 619 1.270 672 403 669 35 1.311 643 377 1.241 861
N -298 -180 -4 9 -201 -878 39 -93 8 312 2.177 891
Genderverschil
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
18-39 40-49 50+
2.000
4.000
6.000
-1.000
Vrouwen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken 0
18-39
40-49 50+
2.000
4.000
18-39
40-49 50+
0
1.000
2.000
3.000
Bij mannen is er in alle beleidsdomeinen een sterk positief verband tussen het salaris en de leeftijd. Bij vrouwen is dat verband minder algemeen en minder uitgesproken. In een aantal beleidsdomeinen ligt het gemiddeld maandsalaris van 50-plussers boven 6.000 euro. In een aantal beleidsdomeinen is het genderverschil bij mannelijke 50-plussers zeer groot. Vooral het domein Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken weegt zwaar door wegens het relatief grote aantal medewerkers. Het betreft hier weer de groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit.
6.000
135
Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.313 7.190 4.398 5.352 3.215 3.644 2.897 3.351 2.185 2.482 3.810 4.837
219
224
50+ 8.096 6.282 4.382 4.085 2.918 5.611
288
Tot 7.566 5.277 3.646 3.563 2.596 4.834
731
Vrouwen 18-39 40-49 5.859 6.558 4.121 4.940 2.910 3.288 2.784 3.033 2.110 2.384 3.417 3.835
N
146 253 91 141 100 731
374
1.500
297
Genderverschil
50+ 7.735 5.325 3.950 3.434 2.319 3.800
Tot 6.955 4.551 3.203 3.148 2.290 3.671
358
1.029
N
100 289 139 203 298 1.029
500 0 40-49 Mannen A+
50+ A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
18-39 A+
A
40-49 B C
40-49 632 412 355 318 98 1.002
50+ 361 957 433 651 599 1.811
Tot 611 726 443 415 307 1.163
% (M-V)/M 18-39 40-49 7,2 8,8 6,3 7,7 9,5 9,7 3,9 9,5 3,4 3,9 10,3 20,7
50+ 4,5 15,2 9,9 15,9 20,5 32,3
Tot 8,1 13,8 12,1 11,6 11,8 24,1
Het gemiddeld maandsalaris ligt in dit domein bij mannen op 4.834 euro en bij vrouwen op 3.671 euro, een groot verschil van 1.163 euro. Het salaris stijgt bij mannen en vrouwen sterk met leeftijd en functieniveau. Het genderverschil is met 957 euro het grootst bij de 50plussers in niveau A, gevolgd door de 50-plussers in niveau C en de 40 tot 49-jarigen in niveau A+.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
M-V 18-39 454 276 304 113 75 393
50+
D
Financiën en Begroting Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.301 6.488 4.322 5.278 3.357 3.868 2.791 3.452 2.555 3.055 3.460 4.363 135 77
50+ 8.094 5.824 4.626 4.072 2.928 5.422 153
Tot 7.572 4.876 3.968 3.410 2.804 4.473 365
Vrouwen 18-39 40-49 5.470 6.898 4.046 5.252 3.191 3.882 2.652 3.353 2.114 2.693 3.241 4.050 158 192
N
64 56 97 124 24 365
1.500
Genderverschil
50+ 7.542 5.374 4.557 3.560 2.786 4.157 195
Tot 6.753 4.742 3.972 3.213 2.651 3.854 545
Genderverschil M - V
1.000 500
0 18-39
40-49 Mannen A+
50+ A
18-39 B
40-49
Vrouwen C D
50+
-500
18-39 A+
A
40-49 B C
50+
D
136
N
48 73 130 239 55 545
M-V 18-39 831 276 166 139 440 218
40-49 -411 26 -14 98 363 313
50+ 552 450 69 513 142 1.265
Tot 819 134 -4 196 153 619
% (M-V)/M 18-39 40-49 13,2 -6,3 6,4 0,5 4,9 -0,4 5,0 2,9 17,2 11,9 6,3 7,2
50+ 6,8 7,7 1,5 12,6 4,9 23,3
Tot 10,8 2,7 -0,1 5,8 5,5 13,8
Het gemiddeld maandsalaris bedraagt hier bij mannen 4.473 euro en bij vrouwen 3.854 euro, een verschil van 619 euro. Het salaris stijgt weer sterk met leeftijd en functieniveau. Het genderverschil is met 831 euro het grootst bij de 18 tot 39jarigen in niveau A+, gevolgd door de 50-plussers in niveaus A+, A en C. Procentueel is het genderverschil met 17,2% het grootst bij 18 tot 39-jarigen in niveau D. Bij 40-49-jarigen in niveau A+ ligt het salaris van vrouwen ruim 400 euro hoger dan dat van mannen.
Internationaal Vlaanderen Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 4.428 5.484 3.257 3.444 x x x x 3.991 5.355
50
64
50+ x 6.290 4.039 x x 6.174
97
Tot x 5.455 3.614 x x 5.408
211
N
45 103 37 18 8 211
8.000
73
1.000
6.000 4.000
67
Genderverschil
50+ x 5.647 3.814 x x 4.316
Tot x 4.592 3.360 x x 4.138
75
215
N
22 83 54 47 9 215
0
18-39
40-49
50+
Mannen A+
18-39
A
40-49
50+
-500
Vrouwen C D
B
18-39 A+
40-49 A B C
M-V 18-39 x 456 601 x x 389
40-49 x 570 -290 x x 830
50+ x 643 225 x x 1.859
Tot x 863 254 x x 1.270
% (M-V)/M 18-39 40-49 x x 10,3 10,4 18,5 -8,4 x x x x 9,8 15,5
50+ x 10,2 5,6 x x 30,1
Tot x 15,8 7,0 x x 23,5
Hier ligt het maandsalaris van mannen op 5.408 euro en dat van vrouwen 4.138 euro, een verschil van 1.270 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, B en D. Het genderverschil is zeer groot bij de 50-plussers (1.859 euro). Bij 40-49-jarigen in niveau B ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen.
Genderverschil M - V
500
2.000 0
Vrouwen 18-39 40-49 x x 3.972 4.914 2.656 3.734 x x x x 3.601 4.525
50+ D
Economie Wetenschap en Innovatie Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.166 7.655 4.297 5.374 3.127 3.981 2.873 3.050 2.309 2.429 3.907 5.224
68
80
50+ 8.173 5.914 4.266 3.612 2.973 6.027
120
Tot 7.767 5.222 3.784 3.216 2.694 5.249
268
Vrouwen 18-39 40-49 5.715 6.973 4.286 4.771 2.940 3.622 2.752 3.527 2.440 2.631 3.843 4.585
N
85 74 39 46 24 268
60
1.500
88
Genderverschil
50+ 8.514 5.800 3.917 3.769 2.532 4.968
Tot 7.485 4.915 3.619 3.507 2.538 4.577
111
259
Genderverschil M - V
1.000 500
0 18-39
40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
137
N
43 88 41 64 23 259
M-V 18-39 452 12 187 121 -131 64
40-49 682 602 359 -477 -202 638
50+ -341 114 348 -157 441 1.059
Tot 282 307 166 -291 156 672
% (M-V)/M 18-39 40-49 7,3 8,9 0,3 11,2 6,0 9,0 4,2 -15,6 -5,7 -8,3 1,6 12,2
50+ -4,2 1,9 8,2 -4,4 14,8 17,6
Tot 3,6 5,9 4,4 -9,0 5,8 12,8
Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.249 euro en dat van vrouwen 4.577 euro, een verschil van 672 euro. Het salaris stijgt sterk met leeftijd en functieniveau. Het grootste genderverschil is er bij 40-49-jarigen in niveau A+ (682 euro) en niveau A (602 euro). Bij enkele categorieën ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen. Bij 40-49-jarigen in niveau C bedraagt dat 477 euro per maand.
Onderwijs en Vorming Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.858 6.953 4.409 4.995 3.077 3.764 2.818 3.448 x x 3.536 4.590
150
106
50+ 8.538 5.742 3.944 4.053 x 5.132
157
Tot 7.685 5.024 3.481 3.545 x 4.413
413
Vrouwen 18-39 40-49 6.043 6.784 3.996 4.774 2.869 3.669 2.689 3.239 x x 3.408 4.281
N
46 128 126 98 15 413
216
1.500
180
Genderverschil
50+ 8.073 5.373 3.692 3.674 x 4.384
Tot 7.234 4.515 3.214 3.409 x 4.010
218
614
N
58 178 155 196 27 614
500 0 40-49
50+
Mannen A+
18-39
A
40-49
50+
-500
Vrouwen C D
B
18-39 A+
40-49 A B C
40-49 169 221 95 209 x 309
50+ 465 369 252 379 x 748
Tot 451 509 268 136 x 403
% (M-V)/M 18-39 40-49 -3,2 2,4 9,4 4,4 6,8 2,5 4,6 6,1 x x 3,6 6,7
50+ 5,4 6,4 6,4 9,3 x 14,6
Tot 5,9 10,1 7,7 3,8 x 9,1
Het maandsalaris van mannen ligt op 4.413 euro en dat van vrouwen op 4.010 euro, een vrij klein verschil van 403 euro. De genderverschillen zijn algemeen vrij klein. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A+ (465 euro). Jongere vrouwen met functieniveau A+ verdienen iets meer dan hun mannelijke collega's.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
M-V 18-39 -185 413 208 129 x 128
50+ D
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.771 7.308 4.414 5.169 3.309 4.063 3.004 3.393 3.022 3.073 3.406 4.518
350
246
50+ 8.007 5.608 4.549 4.145 3.527 5.049
254
Tot 7.454 5.138 3.781 3.550 3.193 4.219
850
Vrouwen 18-39 40-49 5.126 6.817 3.930 4.736 2.954 3.704 2.512 3.096 2.651 2.663 3.070 3.931
N
73 131 433 144 69 850
896
1.500
487
Genderverschil
50+ 7.495 5.409 3.919 3.435 2.834 4.256
Tot 6.904 4.491 3.288 2.999 2.738 3.549
345
1.728
500
0 40-49 Mannen A+
50+ A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
138
59 284 1.084 238 63 1.728
M-V 18-39 645 484 355 491 371 336
40-49 492 433 358 297 410 587
50+ 512 200 630 710 693 793
Tot 550 647 493 551 455 669
% (M-V)/M 18-39 40-49 11,2 6,7 11,0 8,4 10,7 8,8 16,4 8,8 12,3 13,4 9,9 13,0
50+ 6,4 3,6 13,8 17,1 19,7 15,7
Tot 7,4 12,6 13,0 15,5 14,3 15,9
Het maandsalaris van mannen bedraagt 4.219 euro, dat van vrouwen 3.549 euro, een verschil van 669 euro. De genderverschillen liggen tussen 200 en 710 euro. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau C (710 euro), gevolgd door niveau D (693 euro) en niveau B (630 euro). In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
N
Cultuur, Jeugd, Sport en Media Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 5.609 6.722 3.374 5.040 2.824 3.517 1.817 3.317 2.529 2.887 2.739 4.023
184
18-39
40-49 Mannen A+
143
50+ A
B
50+ 8.104 5.818 4.498 3.730 2.767 4.310
200
18-39
40-49
C
Vrouwen D
Tot 7.315 4.548 3.297 2.872 2.733 3.683
527
Vrouwen 18-39 40-49 5.957 6.495 3.796 4.749 2.564 3.537 2.544 3.137 2.261 2.559 3.154 3.845
N
47 128 62 131 159 527
146
1.500 1.000 500 0 -500 -1.000
50+
135
Genderverschil
50+ 7.694 5.458 3.832 3.486 2.564 3.868
Tot 6.946 4.559 3.213 3.180 2.510 3.648
207
488
N
23 157 72 121 115 488
40-49 A B C
40-49 228 292 -20 180 328 177
50+ 410 360 666 243 203 442
Tot 369 -11 84 -308 223 35
% (M-V)/M 18-39 40-49 -6,2 3,4 -12,5 5,8 9,2 -0,6 -40,1 5,4 10,6 11,4 -15,2 4,4
50+ Tot 5,1 5,0 6,2 -0,2 14,8 2,5 6,5 -10,7 7,3 8,2 10,2 1,0
Het maandsalaris van mannen ligt op 3.683 euro, dat van vrouwen op 3.648 euro, een zeer klein verschil van 35 euro. De genderverschillen variëren wel sterk. Het grootste verschil is er bij 18-39-jaringen in niveau C (-728 euro), gevolgd door 50plussers in niveau B (693 euro) en niveau C (630 euro). Bij de jongeren in niveaus A+, A en C verdienen vrouwen duidelijk meer dan mannen.
Genderverschil M - V
18-39 A+
M-V 18-39 -349 -422 261 -728 268 -415
50+ D
Werk en Sociale Economie Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 4.218 5.102 x x 2.971 3.656 x x 3.896 5.131
43
34
50+ x 5.729 x 3.979 x 6.570
57
Tot x 4.920 x 3.599 x 5.347
134
Vrouwen 18-39 40-49 x x 4.039 4.933 x x 2.718 3.295 x x 3.785 4.246
N
20 70 20 22 2 134
84
1.500
67
Genderverschil
50+ x 4.827 x 3.604 x 4.128
Tot x 4.404 x 3.365 x 4.036
76
227
500 40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
0
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
139
17 100 28 67 15 227
M-V 18-39 x 180 x 253 x 111
40-49 x 169 x 361 x 886
50+ x 902 x 375 x 2.441
Tot x 516 x 234 x 1.311
% (M-V)/M 18-39 40-49 x x 4,3 3,3 x x 8,5 9,9 x x 2,9 17,3
50+ x 15,7 x 9,4 x 37,2
Tot x 10,5 x 6,5 x 24,5
Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.347 euro, dat van vrouwen 4.036 euro, een groot verschil van 1.311 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, B en D. Voor alle functieniveaus samen zijn de genderverschillen zeer groot bij de 50-plussers (2.441 euro).
Genderverschil M - V
1.000
18-39
N
Landbouw en Visserij Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.825 7.187 4.859 5.859 3.214 3.732 3.240 3.582 x x 4.036 4.951
108
50+ 8.857 6.567 4.208 4.075 x 5.513
140
136
Tot 8.059 5.724 3.716 3.718 x 4.893
384
Vrouwen 18-39 40-49 6.319 7.270 4.648 5.494 2.898 3.327 3.072 3.355 x x 3.843 4.485
N
39 155 107 59 24 384
127
1.500
127
Genderverschil
50+ 7.666 6.142 4.261 3.493 x 4.428
Tot 7.376 5.225 3.261 3.366 x 4.250
122
376
N
35 134 94 69 44 376
500 0 40-49 Mannen A+
50+ A
18-39
40-49
C
Vrouwen D
B
50+
-500
18-39 A+
40-49 A B C
40-49 -83 365 406 228 x 466
50+ 1.191 425 -53 582 x 1.085
Tot 682 500 455 352 x 643
% (M-V)/M 18-39 40-49 7,4 -1,2 4,3 6,2 9,8 10,9 5,2 6,4 x x 4,8 9,4
50+ 13,4 6,5 -1,3 14,3 x 19,7
Tot 8,5 8,7 12,2 9,5 x 13,1
Het maandsalaris van mannen ligt op 4.893 euro, dat van vrouwen op 4.250 euro, een verschil van 643 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveau D. De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau A+ (1.191 euro), gevolgd door 50-plussers in niveau D (582 euro) en A (425 euro). Bij de 40-49-jarigen in niveau A+ en bij 50-plussers in niveau B verdienen vrouwen iets meer dan mannen.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
M-V 18-39 505 211 316 169 x 193
50+ D
Omgeving Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.210 7.037 4.352 5.358 3.113 3.796 2.846 3.240 2.597 2.922 3.589 4.576
513
666
50+ 8.150 6.156 4.193 3.857 2.970 4.943
837
Tot 7.724 5.339 3.664 3.475 2.869 4.477
2.016
Vrouwen 18-39 40-49 5.774 6.981 4.266 4.833 2.974 3.383 2.653 2.996 2.229 2.638 3.706 4.268
N
148 827 321 372 348 2.016
548
1.500
654
Genderverschil
50+ 8.016 5.599 3.770 3.286 2.650 4.312
Tot 7.202 4.743 3.362 3.030 2.577 4.100
502
1.704
500
0 40-49
Mannen A+
50+
A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
-500
18-39 A+
A
40-49 B C
50+ D
140
99 791 290 434 90 1.704
M-V 18-39 436 86 139 193 368 -117
40-49 55 525 414 243 284 308
50+ 134 557 423 571 320 631
Tot 521 596 302 446 292 377
% (M-V)/M 18-39 40-49 7,0 0,8 2,0 9,8 4,5 10,9 6,8 7,5 14,2 9,7 -3,3 6,7
50+ 1,6 9,0 10,1 14,8 10,8 12,8
Tot 6,7 11,2 8,2 12,8 10,2 8,4
Het maandsalaris van mannen ligt op 4.477 euro, dat van vrouwen op 4.100 euro, een vrij klein verschil van 377 euro. De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau C (571 euro) en niveau A (557 euro). In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen. Wel ligt het gemiddeld salaris van jonge vrouwen iets hoger dan dat van mannen.
Genderverschil M - V
1.000
18-39
N
Mobiliteit en Openbare Werken Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 6.392 7.611 5.073 7.852 3.298 3.844 3.319 3.577 3.177 3.702 3.907 5.101
905
1.025
50+ 8.147 12.097 4.168 4.318 3.920 6.045
1.246
Tot 7.623 8.325 3.686 3.756 3.714 5.131
3.176
12.000 9.000 6.000 3.000 0
18-39
40-49 Mannen A+
50+ A
B
18-39
40-49
C
Vrouwen D
50+
Vrouwen 18-39 40-49 5.743 7.335 4.443 5.322 3.038 3.534 2.756 3.232 2.855 2.967 3.603 4.170
N
128 864 401 682 1.101 3.176
384
6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0
360
Genderverschil
50+ 6.944 6.164 3.746 3.632 2.948 3.928
Tot 7.044 4.898 3.385 3.196 2.940 3.890
255
999
40-49 A B C
50+ D
141
49 293 183 364 110 999
M-V 18-39 649 631 260 563 322 304
40-49 276 2.530 310 345 736 931
50+ 1.203 5.933 421 686 972 2.117
Tot 579 3.426 301 561 774 1.241
% (M-V)/M 18-39 40-49 10,1 3,6 12,4 32,2 7,9 8,1 17,0 9,7 10,1 19,9 7,8 18,2
50+ Tot 14,8 7,6 49,0 41,2 10,1 8,2 15,9 14,9 24,8 20,8 35,0 24,2
Het maandsalaris van mannen bedraagt 5.131 euro, dat van vrouwen 3.890 euro, een groot verschil van 1.241 euro. De grootste genderverschillen zijn er in niveau A: bij 50plussers 5.933 euro en bij 40-49-jarigen 2.530 euro. In volgend hoofdstuk laten we zien dat het gaat over zeer hoge inkomens van mannen in 1 entiteit. In geen enkele subgroep verdienen vrouwen meer dan mannen.
Genderverschil M - V
18-39 A+
N
2. Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle beleidsdomeinen samen Functieniveau
Gemiddelde
Mannen A+ 59,4 59,5 61,9 60,8 61,3 58,8 57,9 61,5 63,8 60,6 59,6 60,2
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
841
Genderverschil
A 42,3 38,6 42,4 41,9 40,7 41,9 37,0 39,9 45,0 43,8 64,6 49,3
2.789
B 29,9 32,3 29,1 29,9 28,1 32,1 27,7 55,0 30,2 29,7 29,5 30,5
1.734
C 29,5 28,6 30,9 27,6 29,2 29,4 25,6 29,0 30,0 28,6 30,4 29,3
1.837
D 22,8 23,9 25,4 21,8 23,7 27,1 25,9 23,6 19,3 24,7 29,8 27,6
1.874
Mannen
Tot 39,0 36,3 42,6 41,9 35,8 35,0 31,6 43,4 38,9 36,7 40,5 38,2
9.075
N
731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075
Vrouwen A+ 55,4 57,3 57,4 60,6 58,0 56,5 55,5 54,5 58,6 58,2 57,8 57,3
553
A 40,8 41,4 39,9 43,5 38,4 40,3 39,3 38,6 45,7 42,2 42,5 41,4
2.470
B 28,9 34,8 29,9 31,3 27,9 30,1 29,2 28,8 29,0 30,7 28,9 30,1
2.270
C 28,7 28,6 30,5 31,4 30,3 27,4 28,3 29,8 30,6 27,6 28,2 28,6
2.042
D 21,9 25,3 25,1 23,7 24,5 25,7 24,4 26,7 22,2 23,8 26,3 23,8
Tot 32,8 34,0 36,5 39,7 34,4 32,2 32,4 35,2 37,2 36,5 33,8 34,3
849
N
1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184
8.184
M-V A+ 4,0 2,2 4,6 0,2 3,3 2,3 2,4 7,0 5,2 2,4 1,8 2,8
A 1,5 -2,9 2,6 -1,7 2,3 1,6 -2,3 1,3 -0,7 1,6 22,1 7,9
B 1,0 -2,4 -0,8 -1,4 0,2 2,0 -1,5 26,2 1,1 -1,0 0,5 0,5
C 0,8 0,1 0,4 -3,8 -1,1 2,0 -2,8 -0,7 -0,6 0,9 2,2 0,7
D 0,8 -1,4 0,2 -1,9 -0,9 1,4 1,5 -3,1 -2,9 0,9 3,5 3,8
Genderverschil
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
A+ A
B C D
0
10
20
30
40
50
60
70
A+ A
B C D
0
10
20
30
40
50
60
70
A+ A B C D
-10
Vrouwen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
-5
0
5
10
15
20
25
30
In bijna alle beleidsdomeinen bestaat bij mannen en vrouwen een sterk positief verband tussen het gemiddeld uursalaris en het functieniveau, behalve bij mannen va 2 beleidsdomeinen. In het domein Werk en Sociale Economie ligt het salaris per gepresteerd werkuur van mannen in niveau B veel hoger dan in de andere domeinen. Voor deze subgroep is het genderverschil veel groter. Deze klein groep weegt evenwel niet door in het algemene gemiddelde. In het domein Mobiliteit en Openbare Werken ligt het uursalaris van mannen in niveau A veel hoger dan dat van medewerkers van niveaus A en A+ in de andere domeinen. Het betreft hier de medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. Ook voor deze groep is het genderverschil veel groter. Deze relatief grote groep weegt wel sterk door in het algemene gemiddelde. 142
Tot 6,3 2,3 6,1 2,2 1,4 2,9 -0,8 8,2 1,7 0,2 6,8 3,9
Leeftijd
Gemiddelde
Mannen 18-39 30,8 27,5 31,6 31,0 28,0 28,0 23,6 31,1 32,2 29,2 31,1 29,5
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal N
2.725
Genderverschil
40-49 38,8 35,2 42,6 41,1 37,2 37,1 33,6 41,2 39,4 37,1 40,2 38,6
2.805
50+ 45,5 44,5 48,3 48,6 42,3 42,7 37,4 54,0 43,6 40,9 47,7 44,6
3.545
Tot 39,0 36,3 42,6 41,9 35,8 35,0 31,6 43,4 38,9 36,7 40,5 38,2
9.075
Mannen
N
731 365 211 268 413 850 527 134 384 2.016 3.176 9.075
Vrouwen 18-39 40-49 30,1 33,8 28,6 34,8 31,7 39,2 35,0 39,5 29,1 36,1 27,8 35,2 27,6 33,3 32,9 35,5 33,9 38,2 32,7 37,9 31,4 35,4 30,2 36,1
3.066
2.654
50+ 34,7 37,5 38,7 42,3 38,4 39,2 35,1 37,5 39,6 38,7 35,0 37,5
2.464
Tot 32,8 34,0 36,5 39,7 34,4 32,2 32,4 35,2 37,2 36,5 33,8 34,3
8.184
M-V 18-39 0,7 -1,1 -0,1 -4,0 -1,0 0,2 -4,0 -1,8 -1,6 -3,5 -0,4 -0,6
N
1.029 545 215 259 614 1.728 488 227 376 1.704 999 8.184
40-49 5,0 0,4 3,4 1,6 1,1 1,9 0,3 5,6 1,2 -0,8 4,8 2,5
50+ 10,8 7,0 9,7 6,3 3,9 3,5 2,3 16,5 4,0 2,2 12,8 7,1
Tot 6,3 2,3 6,1 2,2 1,4 2,9 -0,8 8,2 1,7 0,2 6,8 3,9
Genderverschil
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal 0
Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
18-39 40-49 50+
10
20
30
40
50
60
0
18-39 40-49 50+
10
20
30
40
50
60
70
40-49 50+
-10
Vrouwen Kanselarij en Bestuur Financiën en Begroting Internationaal Vlaanderen Economie Wetenschap en… Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Omgeving Mobiliteit en Openbare Werken Totaal
18-39
-5
0
5
10
15
20
Bij mannen bestaat er in alle beleidsdomeinen een sterk positief verband tussen het salaris per gepresteerd werkuur en de leeftijd. Bij vrouwen is dat verband minder algemeen en veel minder uitgesproken. In een aantal beleidsdomeinen ligt het gemiddeld uursalaris van mannelijke 50plussers boven 45 euro. In vrij veel beleidsdomeinen is het genderverschil bij 50-plussers zeer groot. Vooral het domein Werk en Sociale Economie en Mobiliteit en Openbare Werken weegt zwaar door wegens het relatief grote aantal medewerkers. Het betreft hier weer de groep medewerkers met zeer hoge inkomens in 1 entiteit. In bijna alle beleidsdomeinen verdienen jongere vrouwen per uur iets meer dan hun mannelijke collega's. Bij de 40- tot 49-jarigen en de 50-plussers is dat in bijna geen enkel beleidsdomein het geval.
143
Per beleidsdomein Kanselarij en Bestuur Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,3 55,8 35,0 42,9 25,8 30,7 24,4 26,9 20,2 21,8 30,8 38,8
219
224
50+ 64,3 50,7 35,8 34,1 24,9 45,5
288
Tot 59,4 42,3 29,9 29,5 22,8 39,0
731
N
146 253 91 141 100 731
80
374
297
Genderverschil
50+ 61,9 48,9 36,9 32,1 23,1 34,7
358
Tot 55,4 40,8 28,9 28,7 21,9 32,8
1.029
N
100 289 139 203 298 1.029
5
40
0
20
-5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
A
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
M-V 18-39 2,5 -1,4 0,2 -0,6 0,6 0,7
40-49 3,4 -1,8 0,8 -0,1 0,0 5,0
50+ 2,5 1,8 -1,1 2,0 1,9 10,8
Tot 4,0 1,5 1,0 0,8 0,8 6,3
% (M-V)/M 18-39 40-49 5,1 6,1 -4,0 -4,2 0,6 2,6 -2,4 -0,2 2,8 -0,2 2,2 12,8
50+ 3,8 3,5 -2,9 5,8 7,6 23,8
Tot 6,8 3,5 3,5 2,7 3,6 16,1
Het gemiddeld salaris per gepresteerd werkuur ligt bij mannen op 39,0 euro en bij vrouwen op 32,8 euro, een verschil van bijna 6,3 euro. Het salaris stijgt sterk met leeftijd en functieniveau. Het genderverschil is met 10,8 euro groot bij de 50-plussers. Bij 40-49-jarigen in niveau A+ ligt het op 3,4 euro. Bij de 18- tot 49--jarigen in niveau A en C en bij de 50-plussers in niveau B verdienen vrouwen per uur iets meer dan mannen.
Genderverschil M - V
10
60
0
Vrouwen 18-39 40-49 45,8 52,4 36,5 44,6 25,6 29,9 25,0 27,0 19,7 21,8 30,1 33,8
50+ D
Financiën en Begroting Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,7 49,9 32,8 43,5 26,3 31,7 23,2 28,3 22,2 23,2 27,5 35,2
135
77
50+ 64,1 47,7 38,6 34,8 25,4 44,5
153
Tot 59,5 38,6 32,3 28,6 23,9 36,3
365
80
N
64 56 97 124 24 365
158
192
Genderverschil
50+ 66,0 53,7 39,9 31,8 27,1 37,5
195
Tot 57,3 41,4 34,8 28,6 25,3 34,0
545
Genderverschil M - V
10
60
5
40
0
20 0
Vrouwen 18-39 40-49 45,2 57,3 34,6 44,2 28,4 33,7 24,1 29,2 20,6 24,3 28,6 34,8
-5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
A
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
50+ C D 144
N
48 73 130 239 55 545
M-V 18-39 3,5 -1,8 -2,1 -0,9 1,6 -1,1
40-49 -7,4 -0,7 -2,0 -0,9 -1,1 0,4
50+ -1,9 -6,0 -1,3 2,9 -1,8 7,0
Tot 2,2 -2,9 -2,4 0,1 -1,4 2,3
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+ 7,1 -14,8 -3,0 -5,5 -1,7 -12,5 -8,0 -6,2 -3,3 -3,7 -3,0 8,5 7,3 -4,6 -7,1 -4,0 1,1 15,7
Tot 3,8 -7,5 -7,5 0,2 -5,8 6,3
Het salaris per gepresteerd werkuur bedraagt hier bij mannen 36,3 euro en bij vrouwen 34,0 euro, een vrij klein verschil van 2,3 euro. Het genderverschil ligt op 7,0 euro bij 50-plussers. In de meeste subgroepen verdienen vrouwen meer dan mannen. Bij 40-49-jarigen in niveau A+ ligt het salaris van vrouwen 7,4 euro hoger, bij 50-plussers in niveau A 6,0 euro.
Internationaal Vlaanderen Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 35,0 42,6 25,4 27,7 x x x x 31,6 42,6
50
64
50+ x 48,5 33,2 x x 48,3
97
Tot x 42,4 29,1 x x 42,6
211
N
45 103 37 18 8 211
60
73
67
Genderverschil
50+ x 50,6 33,8 x x 38,7
Tot x 39,9 29,9 x x 36,5
75
215
N
22 83 54 47 9 215
5
20
0 -5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
A
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
M-V 18-39 x 1,1 0,0 x x -0,1
40-49 x 0,0 -3,6 x x 3,4
50+ x -2,1 -0,6 x x 9,7
Tot x 2,6 -0,8 x x 6,1
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+ x x x 3,1 0,0 -4,4 0,2 -13,0 -1,8 x x x x x x -0,4 7,9 20,0
Tot x 6,1 -2,7 x x 14,4
Hier ligt het uursalaris van mannen op 42,6 euro en dat van vrouwen 36,5 euro, een verschil van 6,1 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, C en D. Het genderverschil bedraagt 9,7 euro bij 50-plussers. Bij 40-plussers in niveau B ligt het salaris van vrouwen hoger dan dat van mannen.
Genderverschil M - V
10
40
0
Vrouwen 18-39 40-49 x x 33,9 42,5 25,4 31,3 x x x x 31,7 39,2
50+ D
Economie Wetenschap en Innovatie Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,5 59,2 34,3 42,3 24,6 30,4 23,7 26,6 18,3 19,4 31,0 41,1
68
80
50+ 64,6 48,2 35,2 31,4 24,4 48,6
120
Tot 60,8 41,9 29,9 27,6 21,8 41,9
268
80
N
85 74 39 46 24 268
60
88
Genderverschil
50+ 68,5 48,8 33,4 33,9 24,2 42,3
Tot 60,6 43,5 31,3 31,4 23,7 39,7
111
259
Genderverschil M - V
10
60
5
40
0
20 0
Vrouwen 18-39 40-49 48,8 55,8 39,9 42,6 26,2 31,5 25,4 30,8 21,9 23,8 35,0 39,5
-5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
18-39 A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
145
N
43 88 41 64 23 259
M-V 18-39 -1,3 -5,6 -1,7 -1,7 -3,6 -4,0
40-49 3,3 -0,3 -1,1 -4,1 -4,4 1,6
50+ -4,0 -0,5 1,8 -2,5 0,1 6,3
Tot 0,2 -1,7 -1,4 -3,8 -1,9 2,2
% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,8 5,6 -16,5 -0,6 -6,8 -3,6 -7,1 -15,4 -19,8 -22,7 -13,1 4,0
50+ Tot -6,1 0,4 -1,1 -4,0 5,1 -4,6 -8,0 -13,6 0,5 -8,8 13,0 5,3
Het uursalaris van mannen bedraagt 41,9 euro en dat van vrouwen 39,7 euro, een verschil van 2,2 euro. Het genderverschil is 6,3 euro bij 50-plussers. Bij de meeste subgroepen verdienen vrouwen evenwel per uur meer dan mannen. Het grootste verschil is er bij 18-39-jarigen in niveau A (-5,6 euro).
Onderwijs en Vorming Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 47,2 56,3 35,0 41,0 24,3 30,1 22,4 27,8 x x 28,0 37,2
150
106
50+ 67,4 47,0 33,2 34,1 x 42,3
157
Tot 61,3 40,7 28,1 29,2 x 35,8
413
N
46 128 126 98 15 413
80
216
180
Genderverschil
50+ 65,0 46,3 33,2 33,4 x 38,4
Tot 58,0 38,4 27,9 30,3 x 34,4
218
614
N
58 178 155 196 27 614
5
40
0
20
-5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
18-39
40-49
B
Vrouwen C D
A
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
M-V 18-39 -1,1 1,1 -0,4 -0,7 x -1,0
40-49 2,1 0,5 -1,6 0,3 x 1,1
50+ 2,5 0,7 0,0 0,7 x 3,9
Tot 3,3 2,3 0,2 -1,1 x 1,4
% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,4 3,8 3,1 1,3 -1,7 -5,2 -3,0 1,0 x x -3,6 3,1
50+ 3,7 1,5 0,1 2,1 x 9,2
Tot 5,4 5,6 0,6 -3,8 x 3,9
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 35,8 euro en dat van vrouwen op 34,4 euro, een klein verschil van 1,4 euro. Het genderverschil is 3,9 euro bij 50-plussers. De verschillen in de subgroepen zijn klein. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A+ (2,5 euro). Jongere vrouwen en 40- tot 49-jarige vrouwen in niveau B verdienen iets meer dan hun mannelijke collega's.
Genderverschil M - V
10
60
0
Vrouwen 18-39 40-49 48,3 54,1 33,9 40,5 24,7 31,6 23,1 27,5 x x 29,1 36,1
50+ D
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 45,4 56,1 34,7 41,4 27,4 34,6 24,6 28,0 25,7 26,1 28,0 37,1
350
246
50+ 64,4 47,4 40,1 34,5 29,8 42,7
254
Tot 58,8 41,9 32,1 29,4 27,1 35,0
850
80
N
73 131 433 144 69 850
896
487
Genderverschil
50+ 62,4 49,5 36,9 32,1 28,4 39,2
Tot 56,5 40,3 30,1 27,4 25,7 32,2
345
1.728
Genderverschil M - V
10
60
5
40
0
20 0
Vrouwen 18-39 40-49 43,7 53,3 35,0 42,3 26,9 33,9 23,0 26,8 23,2 23,6 27,8 35,2
-5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
18-39 A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
146
N
59 284 1.084 238 63 1.728
M-V 18-39 1,7 -0,3 0,6 1,6 2,6 0,2
40-49 2,8 -1,0 0,8 1,3 2,5 1,9
50+ 1,9 -2,1 3,2 2,4 1,4 3,5
Tot 2,3 1,6 2,0 2,0 1,4 2,9
% (M-V)/M 18-39 40-49 3,8 5,1 -0,8 -2,4 2,1 2,2 6,6 4,6 9,9 9,5 0,8 5,2
50+ 3,0 -4,3 7,9 6,9 4,6 8,1
Tot 3,9 3,8 6,2 6,8 5,2 8,2
Het uursalaris van mannen bedraagt 35,0 euro en dat van vrouwen 32,2 euro, een verschil van 2,9 euro. Het genderverschil bij 50-plussers ligt op 3,5 euro. De verschillen in de subgroepen zijn vrij klein. Vrouwen in niveau A verdienen per uur iets meer dan mannen. Het grootste verschil is er bij 50-plussers in niveau A (-2,1 euro of -4,3%).
Cultuur, Jeugd, Sport en Media Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 45,1 51,9 27,5 40,4 23,9 30,2 16,5 28,6 23,9 26,1 23,6 33,6
184
143
50+ 64,9 47,7 35,5 33,7 26,7 37,4
200
Tot 57,9 37,0 27,7 25,6 25,9 31,6
527
N
47 128 62 131 159 527
80
146
135
Genderverschil
50+ 62,0 46,8 35,1 32,6 25,4 35,1
Tot 55,5 39,3 29,2 28,3 24,4 32,4
207
488
N
23 157 72 121 115 488
5
40
0
20
-5 18-39
40-49
Mannen
50+
A+
18-39
A
B
40-49
50+
-10
Vrouwen C D
18-39 A+
40-49 A B
C
M-V 18-39 -1,2 -4,9 -0,3 -5,2 2,3 -4,0
40-49 0,1 -1,3 -0,6 2,4 2,2 0,3
50+ 2,9 0,8 0,4 1,1 1,3 2,3
Tot 2,4 -2,3 -1,5 -2,8 1,5 -0,8
% (M-V)/M 18-39 40-49 -2,6 0,1 -17,9 -3,3 -1,3 -2,0 -31,3 8,2 9,4 8,5 -16,9 0,9
50+ Tot 4,5 4,2 1,8 -6,3 1,1 -5,4 3,2 -10,8 4,9 5,6 6,2 -2,5
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 31,6 euro en dat van vrouwen op 32,4 euro, een klein verschil van 0,8 euro in het voordeel van vrouwen. De verschillen in de subgroepen zijn vrij klein. Jongere vrouwen in niveaus A en C verdienen ongeveer 5 euro per uur meer dan hun mannelijke collega's.
Genderverschil M - V
10
60
0
Vrouwen 18-39 40-49 46,2 51,8 32,4 41,7 24,2 30,8 21,7 26,2 21,7 23,9 27,6 33,3
50+ D
Werk en Sociale Economie Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 x x 33,6 40,7 x x 22,3 28,6 x x 31,1 41,2
43
34
50+ x 47,9 x 33,5 x 54,0
57
Tot x 39,9 x 29,0 x 43,4
134
60
N
20 70 20 22 2 134
84
67
Genderverschil
50+ x 46,2 x 32,5 x 37,5
Tot x 38,6 x 29,8 x 35,2
76
227
Genderverschil M - V
10
40
5 0
20 0
Vrouwen 18-39 40-49 x x 34,5 42,6 x x 24,6 28,0 x x 32,9 35,5
-5 18-39
40-49 Mannen
50+ A+
18-39 A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
147
N
17 100 28 67 15 227
M-V 18-39 x -0,9 x -2,3 x -1,8
40-49 x -1,9 x 0,7 x 5,6
50+ x 1,7 x 1,0 x 16,5
Tot x 1,3 x -0,7 x 8,2
% (M-V)/M 18-39 40-49 x x -2,6 -4,5 x x -10,4 2,3 x x -5,8 13,6
50+ x 3,6 x 2,9 x 30,6
Tot x 3,3 x -2,5 x 18,9
Het uursalaris van mannen bedraagt 43,4 euro, dat van vrouwen 35,2 euro, een verschil van 8,2 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveaus A+, B en D. De genderverschillen zijn zeer groot bij de 50-plussers (16,5 euro).
Landbouw en Visserij Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 52,0 58,4 38,4 46,3 26,6 29,8 25,9 29,2 x x 32,2 39,4
108
140
50+ 69,4 51,2 34,4 32,8 x 43,6
136
Tot 63,8 45,0 30,2 30,0 x 38,9
384
Vrouwen 18-39 40-49 49,5 58,3 41,1 47,2 26,3 29,0 26,0 28,6 x x 33,9 38,2
N
39 155 107 59 24 384
80
127
40
5
20
0
0
18-39
40-49
Mannen
50+
A+
18-39
A
B
40-49
50+
-5
Vrouwen C D
50+ 60,7 54,2 37,9 33,9 x 39,6
Tot 58,6 45,7 29,0 30,6 x 37,2
122
376
N
35 134 94 69 44 376
18-39 A+
40-49 A B
C
M-V 18-39 2,5 -2,7 0,3 -0,1 x -1,6
40-49 0,0 -0,9 0,8 0,6 x 1,2
50+ 8,7 -3,0 -3,5 -1,1 x 4,0
Tot 5,2 -0,7 1,1 -0,6 x 1,7
% (M-V)/M 18-39 40-49 50+ 4,8 0,0 12,6 -7,1 -2,0 -5,8 1,3 2,7 -10,2 -0,2 2,1 -3,3 x x x -5,1 3,0 9,2
Tot 8,2 -1,5 3,8 -2,0 x 4,3
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt op 38,9 euro, dat van vrouwen op 37,2 euro, een klein verschil van 1,7 euro. Wegens te kleine aantallen zijn geen uitspraken mogelijk voor niveau D. De grootste genderverschillen zijn er bij 50-plussers in niveau A+ (8,7 euro). Bij jongeren in niveau A en bij 50-plussers in niveau A en B verdienen vrouwen duidelijk meer dan mannen.
Genderverschil M - V
10
60
127
Genderverschil
50+ D
Omgeving Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 48,8 54,7 35,3 43,8 25,2 30,5 23,2 26,5 21,8 24,2 29,2 37,1
513
666
50+ 64,3 51,0 34,2 31,9 26,1 40,9
837
Tot 60,6 43,8 29,7 28,6 24,7 36,7
2.016
Vrouwen 18-39 40-49 49,5 55,5 37,9 43,5 25,7 30,7 23,3 26,6 19,4 22,8 32,7 37,9
N
148 827 321 372 348 2.016
548
80
Tot 58,2 42,2 30,7 27,6 23,8 36,5
502
1.704
5
40
0
20 0
50+ 64,5 48,3 36,1 31,1 25,2 38,7
Genderverschil M - V
10
60
654
Genderverschil
-5 18-39
40-49
50+
18-39
Mannen A+
A
B
40-49
Vrouwen C D
50+
-10
18-39 A+
40-49 A B
C
50+ D
148
N
99 791 290 434 90 1.704
M-V 18-39 -0,7 -2,7 -0,5 -0,1 2,4 -3,5
40-49 -0,9 0,2 -0,1 -0,1 1,4 -0,8
50+ -0,2 2,7 -1,9 0,8 0,9 2,2
Tot 2,4 1,6 -1,0 0,9 0,9 0,2
% (M-V)/M 18-39 40-49 -1,4 -1,6 -7,5 0,5 -2,1 -0,5 -0,4 -0,4 11,2 5,9 -11,9 -2,1
50+ -0,3 5,3 -5,5 2,5 3,5 5,3
Tot 4,0 3,7 -3,3 3,3 3,7 0,5
Het uursalaris van mannen ligt op 36,7 euro, dat van vrouwen op 36,5 euro, een zeer klein verschil van 0,2 euro. De genderverschillen zijn klein. Het grootste verschil is er bij 50plussers in niveau A (2,7 euro). Procentueel is er het grootste genderverschil bij 18 tot 39 jarigen in niveau D (11,2%). In de meeste subgroepen verdienen vrouwen meer dan mannen. Het gemiddeld uursalaris van jonge vrouwen ligt 3,5 euro hoger dan dat van mannen.
Mobiliteit en Openbare Werken Gemiddelde
Functieniveau
A+ A B C D Totaal N
Mannen Leeftijd 18-39 40-49 50,6 59,1 40,0 61,1 26,7 30,4 26,4 29,1 25,4 29,3 31,1 40,2
905
1.025
50+ 63,9 93,1 33,3 35,3 31,6 47,7
1.246
Tot 59,6 64,6 29,5 30,4 29,8 40,5
3.176
100 50 0
18-39
40-49
Mannen
50+
A+
A
18-39
B
40-49
Vrouwen C D
50+
Vrouwen 18-39 40-49 48,1 59,0 39,3 45,2 25,5 30,1 23,8 28,0 26,2 25,9 31,4 35,4
N
128 864 401 682 1.101 3.176
384
50 40 30 20 10 0 -10
360
Genderverschil
50+ 59,7 52,4 33,1 33,1 26,5 35,0
255
Tot 57,8 42,5 28,9 28,2 26,3 33,8
999
Genderverschil M - V
18-39 A+
40-49 A B
C
149
50+ D
N
49 293 183 364 110 999
M-V 18-39 2,5 0,7 1,2 2,6 -0,8 -0,4
40-49 0,2 16,0 0,3 1,0 3,4 4,8
50+ 4,2 40,7 0,2 2,2 5,1 12,8
Tot 1,8 22,1 0,5 2,2 3,5 6,8
% (M-V)/M 18-39 40-49 5,0 0,3 1,7 26,1 4,5 1,0 9,7 3,5 -3,0 11,5 -1,2 11,8
50+ 6,6 43,7 0,6 6,1 16,1 26,8
Tot 3,0 34,2 1,8 7,3 11,6 16,7
Het salaris per gepresteerd werkuur van mannen ligt bedraagt 40,5 euro, dat van vrouwen 33,8 euro, een verschil van 6,8 euro. Het genderverschil bij 50-plussers ligt op 12,8 euro. De verschillen in de subgroepen zijn zeer klein, behalve in niveau A: bij 50-plussers 40,7 euro en bij 40-49-jarigen 16,0 euro. Het betreft hier zeer hoge inkomens van mannen in 1 entiteit. In slechts 1 subgroep verdienen vrouwen per uur iets meer dan mannen.
8 Totaal bruto salaris naar gender, functieniveau, leeftijd, beleidsdomein en entiteit Inleiding en samenvatting In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar verklaringen voor de grote verschillen in het totaal bruto maandsalaris naar gender, functieniveau en leeftijd, die in de vorige hoofdstukken werden gevonden. Hiervoor onderzoeken we de relatie van deze factoren met het beleidsdomein en de entiteiten binnen elk beleidsdomein. Eerst werden in twee vier-dimensionale tabellen per beleidsdomein en entiteit de gemiddelde waarden van het totaal bruto salaris samengebracht, met bijkomend onderscheid naar gender en functieniveau en naar gender en leeftijd. Het doel daarvan was de subgoepen te vinden met een relatief veel hoger maandsalaris en groter genderverschil. Die gedetailleerde tabellen worden hier niet opgenomen. Men kan ze raadplegen in het Basisrapport GOVO 2018. Uitgaande van die tabellen brachten we de beleidsdomeinen en entiteiten van de werknemers met een maandsalaris hoger dan 10.000 euro in kaart. Belangrijk daarbij is het gemiddeld inkomen en het aantal werknemers in de diverse subgroepen. Op basis daarvan vonden we het beleidsdomein en de entiteit met veruit de meeste werknemers met een totaal bruto maandsalaris hoger dan 10.000 euro. Zo werd voor die entiteit het verband tussen maandsalaris, gender, functieniveau en leeftijd afzonderlijk bepaald. Omwille van privacy-regels geven we hier geen gedetailleerde tabellen over de werknemers met een zeer hoog salaris met het onderscheid naar beleidsdomeienen en entiteiten. Wel tonen we ter afsluiting enkele overzichtstabellen met de gemiddelde waarden van het totaal bruto salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd, met verschillende selectie van de werknemers. 1. alle werknemers 2. alle werknemers behalve de werknemers van de ene entiteit met zeer hoge salarissen, Aangezien de hoge bruto toelagen grotendeels de oorzaak zijn van de zeer hoge salarissen en genderverschillen, tonen we soortgelijke tabellen voor het bruto salaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en bruto toelagen) en de daaraan verbonden genderverschillen.
150
De grote genderverschillen in het totaal bruto salaris worden vooral veroorzaakt door de verschillen in de bruto toelagen. De bron van die grote verschillen is zichtbaar via het verband van de factoren gender, functieniveau en leeftijd met de entiteiten binnen de beleidsdomeinen. Vier-dimensionale tabellen met per beleidsdomein en entiteit het gemiddeld totaal bruto salaris naar gender en functieniveau resp. leeftijd tonen de subgoepen met een veel hoger gemiddeld salaris en genderverschil. In het beleidsdomein Kanselarij en Bestuur is het algemene genderverschil groot, vooral wegens een groot verschil bij 50-plussers in 2 entiteiten. In het grootste domein Mobiliteit en Openbare Werken zijn er zeer hoge salarissen en zeer grote genderverschillen in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, meer specifiek in niveau A, vooral bij 50-plussers. De beleidsdomeinen Kanselarij en Bestuur, Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Omgeving en Mobiliteit en Openbare Werken tellen elk meer dan 1.500 werknemers en zijn samen goed voor 71% van all werknemers. De gemiddelde waarden van deze domeinen wegen dus zwaarder door in de algemene gemiddelden. Voorts blijkt dat de meeste werknemers met een maandsalaris hoger dan 10.000 euro werkzaam zijn in het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken). Het betreft oudere mannen in niveau A met een zeer hoge technische kwalificatie, die in een vol continu ploegensysteem werken. Daardoor hebben zij zeer gunstige voorwaarden voor het bruto salaris en de bruto toelagen. Wegens de relatief grote omvang weegt deze groep sterk door in de algemene gemiddelden. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris (zonder vakantiegeld, eindejaarspremie en bruto toelagen) bedraagt 435 euro (zonder het agentschap MDK 390 euro), tegenover 861 euro voor het totaal bruto maandsalaris (zonder MDK 530 euro). Voor het bruto uursalaris ligt het genderverschil op 1,0 euro (zonder agentschap MDK 0,9 euro), tegenover 3,9 euro voor het totaal bruto uursalaris. De reden is dat in het bruto salaris de hoge bruto toelagen worden uitgeschakeld in alle beleidsdomeinen en entiteiten. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust voor het bruto salaris impliceert een kleinere bijkomende daling van de genderverschillen, aangezien dan ook het effect van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt.
151
Totaal bruto salaris per maand Alle agentschappen
Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 6.166 4.553 % som 0,7 5,7 %N 0,5 5,4
Leeftijd 18-39
B 3.220 3,1 4,2
C 2.957 2,2 3,2
D 2.881 1,7 2,5
Tot 3.660 13,4 15,8
Vrouwen A+ A 5.747 4.178 0,7 6,4 0,6 6,6
B 2.939 4,4 6,5
C 2.675 2,0 3,2
D 2.285 0,5 0,9
Tot 3.409 14,0 17,8
Genderverschil M-V A+ A 419 374 0,0 -0,7 -0,1 -1,2
B 281 -1,3 -2,3
C 281 0,2 0,0
D 596 1,2 1,6
Tot 251 -0,6 -2,0
N
86
929
722
557
431
2.725
97
1.142
1.118
553
156
3.066
-11
-213
-396
4
275
-341
40-49
Gemiddelde % som %N
7.200 2,9 1,7
6.116 7,7 5,5
3.841 3,0 3,4
3.439 2,4 3,0
3.376 2,1 2,7
4.812 18,1 16,3
6.858 2,0 1,3
4.931 5,8 5,1
3.600 3,4 4,1
3.177 2,7 3,6
2.576 0,7 1,2
4.135 14,7 15,4
342 0,9 0,4
1.185 1,9 0,4
241 -0,4 -0,7
262 -0,3 -0,6
800 1,4 1,5
677 3,4 0,9
N
297
944
586
519
459
2.805
222
884
713
624
211
2.654
75
60
-127
-105
248
151
50+
Gemiddelde % som %N
8.219 5,0 2,7
7.961 9,8 5,3
4.437 2,5 2,5
4.066 4,1 4,4
3.528 4,6 5,7
5.504 26,1 20,5
7.794 2,4 1,4
5.557 3,3 2,6
3.933 2,3 2,5
3.504 4,1 5,0
2.579 1,7 2,8
4.177 13,8 14,3
425 2,6 1,3
2.404 6,5 2,7
505 0,2 0,0
562 0,0 -0,6
949 2,9 2,9
1.327 12,3 6,2
N
458
916
426
761
984
3.545
234
444
439
865
482
2.464
224
472
-13
-104
502
1.081
Totaal
Gemiddelde % som %N
7.649 8,6 4,9
6.201 23,2 16,2
3.729 8,7 10,0
3.552 8,7 10,6
3.342 8,4 10,9
4.736 57,5 52,6
7.059 5,2 3,2
4.695 15,5 14,3
3.339 10,1 13,2
3.180 8,7 11,8
2.524 2,9 4,9
3.875 42,5 47,4
590 3,4 1,7
1.506 7,7 1,9
390 -1,4 -3,2
373 0,0 -1,2
818 5,5 6,0
861 15,0 5,2
N
841
2.789
1.734
1.837
1.874
9.075
553
2.470
2.270
2.042
849
8.184
288
319
-536
-205
1.025
891
Mannen
Vrouwen
8.000
8.000
6.000
6.000
4.000
4.000
2.000
2.000
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
Genderverschil M - V
2500 2000 1500 1000 500 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
0
D
Aansluitend geven we 2 overzichtstabellen met de gemiddelde waarden van het totaal bruto maandsalaris, het aandeel van de salarissom en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bovenstaande tabel geldt voor alle werknemers in Vlimpers, onderstaande tabel voor alle werknemers behalve die van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.
152
A+
A 18-39
B
C
40-49
50+
D
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 6.166 4.364 % som 0,8 5,7 %N 0,5 5,4
Leeftijd 18-39
B 3.209 3,4 4,3
C 2.849 2,2 3,2
D 2.708 1,4 2,1
Tot 3.572 13,5 15,6
Vrouwen A+ A 5.750 4.169 0,8 7,1 0,6 7,0
B 2.939 4,9 6,9
C 2.653 2,1 3,3
D 2.274 0,5 1,0
Tot 3.404 15,4 18,7
Genderverschil M-V A+ A 416 195 0,0 -1,4 -0,1 -1,6
B 270 -1,5 -2,6
C 196 0,1 -0,1
D 435 0,9 1,1
Tot 168 -1,9 -3,1
N
86
873
698
507
342
2.506
95
1.129
1.110
527
154
3.015
-9
-256
-412
-20
188
-509
40-49
Gemiddelde % som %N
7.208 3,2 1,8
5.354 6,6 5,1
3.834 3,3 3,6
3.352 2,4 2,9
3.113 1,7 2,2
4.530 17,2 15,6
6.850 2,2 1,3
4.908 6,5 5,4
3.600 3,8 4,4
3.161 2,9 3,7
2.571 0,8 1,3
4.124 16,2 16,2
358 1,0 0,5
446 0,1 -0,3
235 -0,5 -0,8
191 -0,5 -0,8
542 0,9 0,9
406 1,0 -0,6
N
291
825
577
469
356
2.518
215
876
706
601
208
2.606
76
-51
-129
-132
148
-88
50+
Gemiddelde % som %N
8.210 5,6 2,8
6.048 6,4 4,4
4.428 2,8 2,6
3.935 4,1 4,3
3.278 3,8 4,8
4.964 22,6 18,8
7.787 2,7 1,4
5.504 3,6 2,7
3.930 2,6 2,7
3.471 4,4 5,2
2.580 1,9 3,0
4.159 15,1 15,0
423 2,9 1,4
544 2,8 1,7
499 0,2 -0,1
464 -0,3 -0,9
698 1,9 1,8
805 7,5 3,8
N
452
701
417
693
766
3.029
233
436
433
842
477
2.421
219
265
-16
-149
289
608
Totaal
Gemiddelde % som %N
7.646 9,5 5,2
5.197 18,8 14,9
3.723 9,5 10,5
3.441 8,6 10,4
3.105 6,8 9,1
4.395 53,2 50,0
7.060 5,8 3,4
4.673 17,2 15,2
3.337 11,3 14,0
3.157 9,4 12,2
2.521 3,2 5,2
3.865 46,8 50,0
587 3,7 1,8
524 1,6 -0,3
386 -1,8 -3,5
284 -0,8 -1,8
583 3,6 3,9
530 6,4 0,0
N
829
2.399
1.692
1.669
1.464
8.053
543
2.441
2.249
1.970
839
8.042
286
-42
-557
-301
625
11
Mannen
Vrouwen
8.000
8.000
6.000
6.000
4.000
4.000
2.000
2.000
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
Genderverschil M - V
2500 2000 1500 1000 500 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
A+
A 18-39
B
C
40-49
50+
Het weglaten van de werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust leidt bij mannen tot een daling van het gemiddeld totaal bruto maandsalaris van 4.736 euro bij alle werknemers tot 4.395 euro (2de tabel). Bij mannen in niveau A daalt het maandsalaris van 6.201 euro tot 5.197 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 7.961 euro tot 6.084 euro. Aangezien bij vrouwen met het weglaten van dat agentschap nagenoeg geen wijzigingen optreden, daalt het algemene genderverschil sterk, van 861 euro tot 530 euro. Bij werknemers in niveau A daalt het genderverschil van 1.506 euro tot 524 euro. Opnieuw doet de sterkste daling zich voor bij de 50-plussers in niveau A, van 2.404 tot 544 euro. Eenzelfde verandering is zichtbaar voor het aandeel van de som van salarissen in de subgroepen in de totale som. De tabel zonder de medewerkers van entiteit MDK laat met andere woorden de totaal bruto maandsalarissen en genderverschillen zien die gelden voor de grote meerderheid van de medewerkers van de VO en die verbonden zijn met de factoren die eerder aan bod kwamen: functieniveau, leeftijd, aantal werkdagen per jaar, beroepsstatuut en dienstanciënniteit. 153
D
Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle agentschappen
18-39
Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 48,2 36,2 N
86
40-49
Gemiddelde
56,3
N
Leeftijd
50+ Totaal
D 23,9
Tot 29,5
557
431
2.725
28,1
27,3
38,6
586
519
459
2.805
63,3
36,8
33,8
29,4
916
426
761
984
Vrouwen A+ 47,7
A 36,8
B 26,3
C 23,7
97
1.142
1.118
55,0
43,5
32,1
222
884
44,6
63,5
3.545
234
Genderverschil M-V A+ A 0,5 -0,6
B 26,2
C 24,1
D 21,0
Tot 30,2
B -0,1
C 0,4
D 2,9
Tot -0,6
929
722
48,7
31,3
553
156
3.066
-11
-213
27,7
23,2
36,1
1,2
5,2
-396
4
275
-341
-0,9
0,5
4,1
297
944
713
624
211
2.654
75
60
2,5
-127
-105
248
151
Gemiddelde
64,9
N
458
49,0
36,2
32,4
25,0
37,5
1,4
14,3
0,6
1,5
4,4
7,1
444
439
865
482
2.464
224
472
-13
-104
502
1.081
Gemiddelde
60,2
49,3
30,5
29,3
27,6
38,2
57,3
41,4
30,1
28,6
23,8
34,3
2,8
7,9
0,5
0,7
3,8
3,9
N
841
2.789
1.734
1.837
1.874
9.075
553
2.470
2.270
2.042
849
8.184
288
319
-536
-205
1.025
891
B -0,2
C -0,1
D 2,1
Tot -1,1
-509
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK)
18-39
Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 48,2 34,9 N
86
40-49
Gemiddelde
56,4
N
291
Gemiddelde N
Leeftijd
50+ Totaal
B 26,1
C 23,4
D 23,1
Tot 29,0
873
698
43,4
31,3
507
342
2.506
27,7
25,9
36,7
825
577
469
356
2.518
64,9
452
49,4
36,8
33,0
28,2
701
417
693
766
Vrouwen A+ 47,8
A 36,7
B 26,3
95
1.129
1.110
54,9
43,4
32,2
215
876
706
40,9
63,4
48,6
3.029
233
436
C 23,6
Genderverschil M-V A+ A 0,4 -1,8
D 20,9
Tot 30,1
527
154
3.015
-9
-256
-412
-20
188
27,6
23,1
36,0
1,5
0,0
-0,9
0,1
2,8
0,7
601
208
2.606
76
-51
-129
-132
148
-88
36,2
32,2
25,0
37,4
1,4
0,8
0,6
0,9
3,2
3,4
433
842
477
2.421
219
265
-16
-149
289
608
Gemiddelde
60,1
42,1
30,5
28,6
26,5
35,9
57,3
41,2
30,1
28,5
23,8
34,2
2,8
0,8
0,5
0,2
2,7
1,6
N
829
2.399
1.692
1.669
1.464
8.053
543
2.441
2.249
1.970
839
8.042
286
-42
-557
-301
625
11
Genderverschil M - V
Twee soortgelijke overzichtstabellen tonen het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bij mannen zien we een daling van het gemiddeld totaal bruto uursalaris van 38,2 euro bij alle werknemers in de 1ste tabel tot 35,9 euro zonder werknemers van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (2de tabel). Bij mannen in niveau A daalt het uursalaris van 49,3 euro tot 42,1 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 63,3 euro tot 49,4 euro. Bij vrouwen zijn er met het weglaten van dat agentschap nagenoeg geen wijzigingen. Bijgevolg daalt het algemene genderverschil van 3,9 euro tot 1,6 euro. Bij werknemers in niveau A daalt het genderverschil van 7,9 euro tot 0,8 euro. De sterkste daling is weer zichtbaar bij de 50-plussers in niveau A, van 14,3 euro tot 0,8 euro. Hoewel ook in niveau D het genderverschil daalt van 3,8 euro tot 2,7, blijft het bijna even hoog als in niveau A+. De 2de tabel toont dus de uursalarissen en genderverschillen die gelden voor de grote meerderheid van de medewerkers van de VO, in relatie tot de centrale factoren: functieniveau, leeftijd, beroepsstatuut enz.
10 5 0
A+
A 18-39
B 40-49
C 50+
D
Zonder Agentschap MDK
15 10 5 0
154
Alle agentschappen
15
A+
A 18-39
B 40-49
C 50+
D
Bruto salaris per maand Alle agentschappen Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 5.396 3.863 % som 0,8 5,8 %N 0,5 5,4
Leeftijd 18-39
B 2.676 3,1 4,2
C 2.339 2,1 3,2
D 2.038 1,4 2,5
Tot 2.997 13,3 15,8
Vrouwen A+ A 5.038 3.667 0,8 6,8 0,6 6,6
B 2.464 4,5 6,5
C 2.245 2,0 3,2
D 1.805 0,5 0,9
Tot 2.920 14,6 17,8
Genderverschil M-V A+ A 359 196 0,0 -1,0 -0,1 -1,2
B 212 -1,4 -2,3
C 94 0,1 0,0
D 232 0,9 1,6
Tot 76 -1,3 -2,0
N
86
929
722
557
431
2.725
97
1.142
1.118
553
156
3.066
-11
-213
-396
4
275
-341
40-49
Gemiddelde % som %N
6.342 3,1 1,7
4.820 7,4 5,5
3.237 3,1 3,4
2.760 2,3 3,0
2.399 1,8 2,7
3.873 17,7 16,3
6.056 2,2 1,3
4.297 6,2 5,1
3.059 3,5 4,1
2.723 2,8 3,6
2.071 0,7 1,2
3.565 15,4 15,4
287 0,9 0,4
523 1,2 0,4
178 -0,4 -0,7
37 -0,5 -0,6
329 1,1 1,5
309 2,3 0,9
N
297
944
586
519
459
2.805
222
884
713
624
211
2.654
75
60
-127
-105
248
151
50+
Gemiddelde % som %N
7.173 5,3 2,7
5.705 8,5 5,3
3.676 2,5 2,5
3.351 4,1 4,4
2.580 4,1 5,7
4.278 24,7 20,5
6.830 2,6 1,4
4.832 3,5 2,6
3.378 2,4 2,5
3.019 4,2 5,0
2.125 1,7 2,8
3.597 14,4 14,3
343 2,7 1,3
872 5,0 2,7
298 0,1 0,0
332 -0,1 -0,6
455 2,4 2,9
681 10,3 6,2
N
458
916
426
761
984
3.545
234
444
439
865
482
2.464
224
472
-13
-104
502
1.081
Totaal
Gemiddelde % som %N
6.698 9,2 4,9
4.792 21,7 16,2
3.111 8,8 10,0
2.877 8,6 10,6
2.411 7,4 10,9
3.768 55,6 52,6
6.205 5,6 3,2
4.102 16,5 14,3
2.828 10,4 13,2
2.719 9,0 11,8
2.053 2,8 4,9
3.333 44,4 47,4
493 3,6 1,7
690 5,2 1,9
284 -1,6 -3,2
158 -0,4 -1,2
358 4,6 6,0
435 11,2 5,2
N
841
2.789
1.734
1.837
1.874
9.075
553
2.470
2.270
2.042
849
8.184
288
319
-536
-205
1.025
891
Mannen
Vrouwen
8.000
Genderverschil M - V
2500
8.000
6.000
6.000
4.000
4.000
2.000
2.000
0
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
2000 1500 1000 500 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
0
D
Ter vergelijking geven we dezelfde tabellen met het bruto maandsalaris (zonder bruto toelagen), hierboven de tabel voor alle werknemers in Vlimpers, hieronder de tabel voor alle werknemers behalve die van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.
155
A+
A 18-39
B
C
40-49
50+
D
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK) Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 5.396 3.828 % som 0,8 5,9 %N 0,5 5,4
Leeftijd 18-39
B 2.670 3,3 4,3
C 2.322 2,1 3,2
D 2.034 1,2 2,1
Tot 3.010 13,3 15,6
Vrouwen A+ A 5.040 3.665 0,8 7,3 0,6 7,0
B 2.464 4,8 6,9
C 2.242 2,1 3,3
D 1.809 0,5 1,0
Tot 2.922 15,5 18,7
Genderverschil M-V A+ A 356 163 0,0 -1,4 -0,1 -1,6
B 206 -1,5 -2,6
C 80 0,0 -0,1
D 224 0,7 1,1
Tot 87 -2,2 -3,1
N
86
873
698
507
342
2.506
95
1.129
1.110
527
154
3.015
-9
-256
-412
-20
188
-509
40-49
Gemiddelde % som %N
6.349 3,3 1,8
4.692 6,8 5,1
3.232 3,3 3,6
2.756 2,3 2,9
2.361 1,5 2,2
3.859 17,1 15,6
6.055 2,3 1,3
4.289 6,6 5,4
3.059 3,8 4,4
2.721 2,9 3,7
2.067 0,8 1,3
3.562 16,4 16,2
294 1,0 0,5
403 0,2 -0,3
174 -0,5 -0,8
35 -0,6 -0,8
295 0,7 0,9
296 0,7 -0,6
N
291
825
577
469
356
2.518
215
876
706
601
208
2.606
76
-51
-129
-132
148
-88
50+
Gemiddelde % som %N
7.164 5,7 2,8
5.299 6,5 4,4
3.671 2,7 2,6
3.321 4,1 4,3
2.512 3,4 4,8
4.196 22,4 18,8
6.823 2,8 1,4
4.809 3,7 2,7
3.374 2,6 2,7
3.007 4,5 5,2
2.125 1,8 3,0
3.591 15,3 15,0
340 2,9 1,4
490 2,8 1,7
297 0,1 -0,1
314 -0,4 -0,9
387 1,6 1,8
605 7,1 3,8
N
452
701
417
693
766
3.029
233
436
433
842
477
2.421
219
265
-16
-149
289
608
Totaal
Gemiddelde % som %N
6.694 9,8 5,2
4.555 19,3 14,9
3.108 9,3 10,5
2.859 8,4 10,4
2.364 6,1 9,1
3.721 52,8 50,0
6.207 5,9 3,4
4.093 17,6 15,2
2.826 11,2 14,0
2.716 9,4 12,2
2.053 3,0 5,2
3.331 47,2 50,0
487 3,9 1,8
462 1,7 -0,3
283 -1,9 -3,5
143 -1,0 -1,8
311 3,1 3,9
390 5,6 0,0
N
829
2.399
1.692
1.669
1.464
8.053
543
2.441
2.249
1.970
839
8.042
286
-42
-557
-301
625
11
Mannen
Vrouwen
8.000
8.000
6.000
6.000
4.000
4.000
2.000
2.000
0
18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
Genderverschil M - V
2500 2000 1500 1000 500 18-39
40-49 A+
A
B
50+ C
D
0
A+
A 18-39
B
C
40-49
50+
Bij mannen ligt het gemiddeld bruto maandsalaris op 3.768 euro bij alle werknemers 968 euro lager dan het gemiddeld totaal bruto maandsalaris. Bij alle werknemers zonder het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bedraagt het 3.721 euro (2de tabel), een verdere daling met bijna 50 euro. Bij vrouwen zijn de verschillen veel kleiner. Bij mannen in niveau A ligt het bruto maandsalaris op 4.792 euro en zonder het agentschap MDK op 4.555 euro. De sterkste daling is er bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, tot 5.705 euro en 5.299 zonder MDK. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris bedraagt 435 euro, zonder MDK 390 euro. De verschuiving van totaal bruto maandsalaris naar bruto maandsalaris (zonder bruto toelagen) leidt tot de grootste daling van de gemiddelde salarissen en het genderverschil, omdat de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten worden uitgeschakeld. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust impliceert een meer beperkte bijkomende daling doordat ook de impact van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt. 156
D
Bruto salaris per gepresteerd werkuur Alle agentschappen
18-39
Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 42,2 30,8 N
86
929
722
40-49
Gemiddelde
49,6
38,6
26,3
N
297
944
586
519
Gemiddelde
56,7
45,8
30,5
28,0
N
458
916
426
761
Gemiddelde
52,7
38,4
25,5
23,8
N
841
2.789
1.734
1.837
Leeftijd
50+ Totaal
B 21,8
C 19,1
Vrouwen A+ 41,8
Genderverschil M-V A+ A 0,4 -1,4
D 17,1
Tot 24,2
A 32,3
B 22,1
C 19,9
D 16,7
Tot 25,8
97
1.142
1.118
553
156
3.066
-11
-213
48,6
37,9
27,2
23,7
18,7
31,0
1,0
0,7
222
884
713
624
211
2.654
75
34,8
55,6
42,5
31,0
27,9
20,6
32,3
3.545
234
444
439
865
482
2.464
B -0,3
C -0,8
D 0,4
Tot -1,6
557
431
2.725
22,7
19,6
31,1
-396
4
275
-341
-0,9
-1,0
0,9
459
2.805
0,1
60
-127
-105
248
151
21,7
984
1,1
3,3
-0,6
0,1
1,1
2,6
224
472
-13
-104
502
1.081
20,1
30,5
50,4
36,1
25,4
24,4
19,4
29,5
2,3
2,3
0,0
-0,7
0,7
1,0
1.874
9.075
553
2.470
2.270
2.042
849
8.184
288
319
-536
-205
1.025
891
B -0,3
C -0,8
D 0,7
Tot -1,4
-509
Zonder Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK)
18-39
Gemiddelde Mannen Functieniveau A+ A Gemiddelde 42,2 30,6 N
86
873
40-49
Gemiddelde
49,6
38,0
N
291
825
577
Gemiddelde
56,6
43,3
30,5
27,9
N
452
701
417
693
Leeftijd
50+ Totaal
B 21,7
C 19,1
D 17,4
Tot 24,4
698
507
342
2.506
26,3
22,8
19,7
31,2
469
356
2.518
21,7
766
Vrouwen A+ 41,8
A 32,2
B 22,1
95
1.129
1.110
48,5
37,8
27,2
215
876
706
34,5
55,6
42,3
3.029
233
436
C 19,9
Genderverschil M-V A+ A 0,3 -1,6
D 16,7
Tot 25,8
527
154
3.015
-9
-256
-412
-20
188
23,7
18,6
31,1
1,2
0,2
-0,9
-0,9
1,1
0,2
601
208
2.606
76
-51
-129
-132
148
-88
31,0
27,8
20,6
32,3
1,1
0,9
-0,6
0,1
1,1
2,3
433
842
477
2.421
219
265
-16
-149
289
608
Gemiddelde
52,7
36,9
25,5
23,8
20,2
30,4
50,4
36,0
25,4
24,5
19,4
29,5
2,3
0,8
0,0
-0,7
0,8
0,9
N
829
2.399
1.692
1.669
1.464
8.053
543
2.441
2.249
1.970
839
8.042
286
-42
-557
-301
625
11
Genderverschil M - V
Tot slot tonen we ook het bruto salaris per gepresteerd werkuur (zonder bruto toelagen) en de genderverschillen, naar functieniveau en leeftijd. Bij mannen ligt het gemiddeld bruto uursalaris op 30,5 euro bij alle werknemers (1ste tabel), ruim 8 euro lager dan het gemiddeld totaal bruto uursalaris. Zonder het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust bedraagt het 30,4 euro (2de tabel). Bij mannen in niveau A ligt het bruto uursalaris op 38,4 euro en zonder het agentschap MDK op 36,9 euro. De sterkste daling is er weer bij de mannelijke 50-plussers in niveau A, van 63,3 euro tot 45,8 euro en 43,3 euro zonder MDK. Het algemene genderverschil voor het bruto maandsalaris bedraagt nog 1 euro, zonder MDK 0,9 euro.
Alle agentschappen
15 10 5 0
A+
157
B 40-49
C 50+
D
C 50+
D
Alle agentschappen
15
Aangezien de hoge bruto toelagen in alle beleidsdomeinen en entiteiten worden uitgeschakeld, leidt de verschuiving van totaal bruto uursalaris naar bruto uursalaris (zonder bruto toelagen) opnieuw tot de grootste daling van de gemiddelde uursalarissen en genderverschillen. Het weglaten van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust impliceert een kleine extra daling doordat de invloed van de hogere salarisschalen in dat agentschap wegvalt.
A 18-39
10 5 0
A+
A 18-39
B 40-49
9 Multivariate analyse van totaal bruto en bruto maandsalaris Inleiding en samenvatting Aansluitend bij de vorige hoofdstukken wordt hier het onderzoek 'afgerond' met een geïntegreerde of multivariate analyse van de relatie tussen het salaris (per maand en per gepresteerd werkuur) en de relevante verklarende factoren: gender, functieniveau, leeftijd, dienstanciënniteit, aantal werkdagen per jaar, type arbeidscontract, beleidsdomein en entiteit. Een goede multivariate analyse is pas mogelijk na stapsgewijze eenvoudige analyses, waarin de subgroepen zelf nog zichtbaar blijven. De stappen in hfst 1 tot 8 waren essentieel voor een doelmatige selectie van de variabelen voor de multivariate analyse. De multivariate analyse is uitgevoerd via meervoudige lineaire regressies, in het analyseprogramma spss. We geven eerst de regressieresultaten weer voor het aantal werkdagen per jaar en vervolgens voor de componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. Het doel is een eenvoudige, begrijpelijke voorstelling te geven van de invloed van de relevante onafhankelijke variabelen. Eerst wordt de gebruikte werkwijze toegelicht. Meervoudige lineaire regressie Een meervoudige lineaire regressie gaat uit van een vergelijking met minstens 1 onafhankelijke variabele. Ze heeft de volgende vorm: Y = bc + b1X1 + b2X2 + b3X3 + .... + bkXk (1) Hierin is Y de voorspelde waarde van de afhankelijke variabele, X1 tot Xk zijn de onafhankelijke verklarende variabelen, bc het intercept of de constante term, en b1 tot bk zijn de regressiecoëfficiënten of richtingscoëfficiënten. De betekenis van de coëfficiënten volgt uit de vergelijking. Zo is de constante term bc de voorspelde waarde voor de afhankelijke variabele wanneer alle onafhankelijke variabelen gelijk zijn aan 0. De regressiecoëfficiënten b1 tot bk geven het ‘effect’ weer van de onafhankelijke variabelen X1 tot Xk op de afhankelijke variabele Y. Bij een meervoudige regressievergelijking wordt het effect van elke X op Y gecontroleerd voor de effecten van alle andere onafhankelijke variabelen in het model. Concreet is b1 de voorspelde wijziging in Y bij één eenheid wijziging in X1, onder controle van de effecten van X2 tot Xk op Y. Stel dat Y het bruto maandsalaris is en X1 de leeftijd (uitgedrukt in jaren), dan is b1 de voorspelde stijging of daling van het bruto maandsalaris (Y) bij één jaar stijging of daling van de leeftijd, onder controle van de effecten van andere onafhankelijke variabelen, bijv. het functieniveau, het aantal werkdagen per jaar. De meervoudige lineaire regressie veronderstelt metrische afhankelijke en onafhankelijke variabelen: “de voorspelde wijziging in van het maandsalaris (Y) bij één jaar wijziging van de leeftijd (X1)”. Categorische variabelen (bijv. geslacht, functieniveau en type contract) kunnen worden opgenomen als onafhankelijke variabelen in een meervoudige regressie, op voorwaarde dat ze worden gehercodeerd tot ‘metrische’ variabelen. In dit onderzoek worden alle onafhankelijke variabelen omgezet tot diverse binaire variabelen (met waarde 1 of 0), ook dummy-variabelen genoemd, zodat ze een duidelijke betekenis krijgen in de vergelijking. Voor elke categorische variabele is er één binaire variabele minder dan het aantal categorieën. Een dichotome variabele wordt dus omgevormd tot één dummy. Een variabele met drie categorieën tot twee dummies enzovoort.
158
Uitgaande van de beschikbare onafhankelijke variabelen in het GOVO-bestand kan vergelijking (1) concreet worden ingevuld, voor bijv. het bruto salaris per maand (bsm): bsm = bsmc + bgeD1ge + ( bniv5D1niv5 + bniv5D2niv5 + bniv5D3niv5 + bniv5D4niv5 ) + ( blfD1lf + blfD2lf + blfD3lf ) + ( bwdjD1wdj +bwdjD2wdj + bwdjD3wdj ) + ...
(2)
waarbij ge staat voor gender (man/vrouw), niv5 voor functieniveau (D, C, B, A, A+), lf voor leeftijd (18-34, 35-44, 45-54, 55+) en wdj voor aantal VTE werkdagen per jaar (100-150, 150-175, 175-200, 200-220). De binaire onafhankelijke variabelen of dummies worden voorgesteld door de hoofdletter D. Dan is : - D1ge : dummy voor gender, met 1 = vrouw en 0 =man, - D1niv5 : de eerste dummy voor functieniveau, met 1 = niveau D en 0 = C, B, A of A+, D2niv5 is de tweede dummy voor functieniveau, met 1 = niveau C en 0 = D, B, A, A+ enzovoort. Voor elke binaire variabele wordt een referentiegroep bepaald, waarvoor de waarde gelijk is aan 0. De combinatie van alle onafhankelijke binaire variabelen leidt tot een referentiegroep voor de hele regressievergelijking: bijv. man, functieniveau A, 55+ jaar en 200-220 werkdagen. Bijgevolg worden alleen de binaire variabelen voor de andere categorieën in de vergelijking opgenomen. De meervoudige lineaire regressie laat zien in welke mate de diverse binaire variabelen een ‘effect’ hebben op de afhankelijke variabelen, met andere woorden in welke mate ze bijdragen tot de totale verklaarde variantie, genoteerd als R2 (R-kwadraat). Interactie-effecten Bij een meervoudige lineaire regressie moet men ook rekening houden met de interactie tussen de onafhankelijke variabelen en de gecombineerde invloed daarvan op de afhankelijke variabele, het zogenaamde interactie-effect. Een eenvoudige versie van vergelijking (1) met 2 onafhankelijke variabelen kan dan worden uitgebreid: Y = bc + b1X1 + b2X2 + b1-2 X1X2 (3) met de interactie-term b1-2 X1X2 als nieuw element. Daarin is b1-2 de regressiecoëfficiënt van het product van de twee onafhankelijke variabelen X1 en X2. Het aantal mogelijke interactietermen neemt toe met het aantal onafhankelijke variabelen. Op basis van de bivariate correlatiematrix werden interactieeffecten voor de variabelen met een hoge correlatie onderzocht. De interpretatie en formulering van de betekenis van de interactietermen tot de verklaarde variantie R2 is niet eenvoudig. Daarom werden voor de variabelen met een betekenisvol interactie-effect gecombineerde binaire variabelen of dummies geconstrueerd. Ze vervangen dan de afzonderlijke dummies en de daarmee verbonden interactie-termen. Voor elke gecombineerde dummy wordt een specifieke regressiecoëfficiënt gegeven, zodat de afzonderlijke bijdrage duidelijk is. De voorgestelde regressies zijn het resultaat van het testen van zeer veel combinaties. Het doel is een voldoende eenvoudige en begrijpelijke voorstelling te geven van de bijdrage van de relevante onafhankelijke variabelen. In deze voorstelling worden geen gecombineerde dummies opgenomen, omdat de extra bijdrage ervan tot de totale verklaarde variantie R2 zeer beperkt is. De modellen met zinvolle gecombineerde dummies worden in het bijkomend hoofdstuk 9d van Basisrapport GOVO 2018 weergegeven toegelicht. In het extra hoofdstuk 9e van het basisrapport worden de modellen van dit hoofdstuk getoond, maar dan zonder de entiteit MDK.
159
Samenvatting Voor het aantal werkdagen per jaar ligt de totaal verklaarde variantie (R2) op 0,150, wat laag is. Wellicht is het personeelsstatuut, dat weinig variatie biedt, de belangrijkste reden. Gender heeft het grootste, negatieve effect: vrouwen werken gemiddeld 15,3 VTE dagen minder per jaar dan mannen. Ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK dragen bij tot de verklaring. Vervolgens worden de regressieresultaten toegelicht voor de diverse componenten van het salaris, per maand en per gepresteerd werkuur. De referentiegroep (alle dummies zijn nul) is: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen/jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK. De beste resultaten zijn er voor het bruto maandsalaris, met een totale verklaarde variantie (R2) van 0,848. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor het totaal bruto en netto maandsalaris, met een R2 van respectievelijk 0,712 en 0,680. Bijna 85% van de variantie wordt verklaard door de onafhankelijke variabelen in het model. Vooral het ontbreken van de bruto toelagen in de onafhankelijke variabele leidt tot de hogere R2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect, met gemiddeld 72 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en zeer groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt ook toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een significante maar kleinere bijdrage aan de verklaring. Bij regressies is er een probleem van multicollineariteit wanneer onafhankelijke variabelen sterk gecorreleerd zijn. Multicollineariteit reduceert de betrouwbaarheid van de regressiecoëfficiënten. Multicollineariteit wordt opgespoord via de variance inflation factor (VIF). In dit onderzoek is de VIF van alle onafhankelijke variabelen kleiner dan 4, wat er op wijst dat er geen noemenswaardig probleem van multicollineariteit bestaat. De modellen met gecombineerde dummies (functieniveau en gender, functieniveau en leeftijd, dienstjaren en gender, werkdagen per jaar en gender) leveren bijna geen extra R2 op. Wel geven de coëfficiënten meer genuanceerde informatie. Zo is bijv. het gecontroleerde genderverschil groter voor functieniveaus A en A+ dan voor de lagere functieniveaus. De modellen zonder de medewerkers van entiteit MDK levert evenmin een hogere R2 op. Hoewel de R2-waarden voor de analyses met het totaal bruto salaris en het totaal netto salaris als afhankelijke variabelen duidelijk kleiner zijn, zijn de effecten van de diverse dummies bijna dezelfde, met uitzondering van de veel grotere invloed van de dummy ‘werkzaam in entiteit MDK’. Een bijkomende verklaring (en hogere R2) is wellicht mogelijk door het beroep of de functie als onafhankelijke variabele, met name in combinatie met de factoren gender, functieniveau, beleidsdomein en entiteit. In Vlimpers is deze variabele helaas niet beschikbaar. Het bijkomende hoofdstuk 9b geeft enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke groepen van medewerkers, op basis van de regressies en uitgaande van de referentiegroep. Het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen wordt zo op een andere wijze duidelijk gemaakt.
160
1
Werkdagen per jaar Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Beta grenzen Verklaarde variantie R2 SE 0,138 26,0 B 189,0 -15,2 -7,8 -3,5 -3,3 9,9 10,1 6,6 9,3 -2,2 14,7
SE 0,6 0,4 0,6 0,6 0,5 0,8 0,7 0,6 0,6 0,5 0,8
ANOVA df Sign. 10 0,000 Beta -0,271 -0,102 -0,052 -0,049 0,096 0,140 0,110 0,152 -0,033 0,132
Sign. 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
VIF 1,07 1,38 1,38 1,37 1,20 1,86 1,85 1,74 1,20 1,08
B : ongestandaardiseerd (werkdagen) Beta : gestandaardiseerd Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
We geven eerst de regressieresultaten voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar, als basis voor het salaris. We vermelden nogmaals dat in de analyses alleen de werknemers met per jaar minstens 100 werkdagen en maximaal 50 ziekte- of vrijstellingsdagen zijn opgenomen. De figuur toont per 20 dagen de frequentieverdeling van de door de regressie voorspelde waarden, tegenover de normaalverdeling (zwarte lijn). De totaal verklaarde variantie (R2) ligt met 0,138 niet echt hoog. Achterliggend zijn andere factoren meer bepalend, vooral de beperkte variatie die in het personeelsstatuut mogelijk is en de selectie van de medewerkers in de analyse. De betawaarde of gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt geeft het relatieve belang van de coëfficiënten weer, met een positief of negatief effect. De B-waarde is dan het effect van de diverse dummies, zijnde het verwachte aantal werkdagen per jaar dat de betreffende subgroepen meer of minder werken ten aanzien van de referentiegroep (onder de tabel weergegeven). Elke medewerker vertegenwoordigt een specifieke combinatie van de dummies (1 of 0). Op basis van de dummies zijn er veel combinaties of subgroepen mogelijk. Gender heeft hier het grootste effect, negatief. Vrouwen hebben, in combinatie met de andere onafhankelijke variabelen in het model, gemiddeld 15 werkdagen minder per jaar dan mannen. Voorts dragen ook de dummies voor functieniveau D, voor 3 leeftijdsgroepen en voor personen werkzaam in entiteit MDK bij tot de verklaring. De variance inflation factor (VIF) is voor alle onafhankelijke variabelen veel kleiner dan 4, wat wijst op de afwezigheid van multicollineariteit. Dezelfde regressie voor het aantal erkende werkdagen per jaar geeft een zeer lage R2 van 0,061. Het verschil tussen mannen en vrouwen valt daarbij immers bijna volledig weg. Ook het effect van de dummies voor functieniveau D en voor personen werkzaam in entiteit MDK is veel kleiner. 161
< -0,100
> 0,100
2
Totaal bruto salaris per maand Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,710 1.121,4
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
6.890,7 -232,4 -2.865,7 -2.260,0 -1.642,2 1.506,8 -1.318,7 -864,1 -338,1 -1.268,3 -749,0 -292,1 -593,9 -547,0 -217,8 -258,2 2.706,8
30,1 18,4 27,7 24,3 23,8 34,6 34,4 29,2 26,5 29,1 24,5 22,0 33,6 30,5 29,2 24,7 35,9
-0,056 -0,502 -0,453 -0,333 0,197 -0,245 -0,193 -0,074 -0,195 -0,139 -0,059 -0,127 -0,121 -0,046 -0,052 0,327
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal bruto salaris per maand bedraagt 0,701, wat hoog is. Gender heeft een beperkt negatief effect (beta= -0,056), met - gecontroleerd voor de andere onafhankelijke variabelen in het model gemiddeld 232 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is negatief en groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddeld totaal bruto salaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil stijgt wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect weer positief en kleiner. Ook de dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een bijdrage aan de verklaring. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een R2 van 0,800 (Basisrapport, hoofdstuk 9e). Opnieuw is de variance inflation factor (VIF) voor alle onafhankelijke variabelen kleiner dan 4, wat de afwezigheid van multicollineariteit weergeeft. Dat geldt ook voor de volgende regressiemodellen. 162
3
Bruto salaris per maand Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,847 578,6
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
5.672,9 -94,5 -2.370,2 -1.809,8 -1.369,8 1.605,4 -952,2 -595,1 -200,6 -1.064,5 -589,7 -173,3 -510,7 -524,4 -265,0 -263,9 418,9
15,5 9,5 14,3 12,5 12,3 17,8 17,8 15,1 13,7 15,0 12,7 11,3 17,3 15,7 15,1 12,7 18,5
-0,032 -0,585 -0,511 -0,392 0,296 -0,249 -0,188 -0,062 -0,231 -0,154 -0,049 -0,154 -0,164 -0,078 -0,075 0,071
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het bruto maandsalaris bedraagt 0,847. Bijna 85% van de variantie wordt verklaard door onafhankelijke variabelen in het model. Dat is zeer hoog en beduidend hoger dan voor de loonkosten en het totaal bruto maandsalaris. Vooral het wegvallen van de bruto toelagen leidt tot de hogere R2. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect (beta= -0,032), met gemiddeld 94 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is opnieuw negatief en groot: tegenover de referentiegroep ligt het gemiddelde bruto maandsalaris voor die subgroepen veel lager. Het verschil neemt toe wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect positief en kleiner. De dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 gepresteerde werkdagen per jaar en voor 0-5 en 5-15 dienstjaren leveren een betekenisvolle bijdrage aan de verklaring. De dummy voor werknemers van entiteit MDK levert geen bijdrage aan de verklaring aangezien het effect van de hoge bruto toelagen hier wegvalt. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK levert een R2 op van 0,855. 163
4
Totaal netto salaris per maand Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,672 561,8
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
3.932,4 -174,4 -1.231,0 -992,2 -711,3 630,4 -623,3 -370,1 -130,6 -659,7 -368,4 -154,3 -281,4 -222,9 -84,6 -108,9 1.272,6
15,1 9,2 13,9 12,1 11,9 17,3 17,2 14,6 13,3 14,6 12,3 11,0 16,8 15,3 14,6 12,4 18,0
-0,089 -0,458 -0,423 -0,307 0,175 -0,245 -0,176 -0,061 -0,216 -0,145 -0,066 -0,128 -0,105 -0,038 -0,047 0,326
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal netto maandsalaris (met de toelagen) bedraagt 0,672. Dat is iets lager dan voor het totaal bruto maandsalaris. Gender heeft weer een beperkt negatief effect (beta= -0,089), met gemiddeld 174 euro minder voor vrouwen. De invloed van de dummies voor functieniveau B, C, en D is opnieuw negatief en groot, tegenover de referentiegroep ligt het gemiddeld totaal netto salaris voor die subgroepen veel lager. Ook hier stijgt het verschil wanneer het functieniveau daalt. Voor functieniveau A+ is het effect weer positief en kleiner. Ook de dummies voor 2 leeftijdsgroepen, voor 100-150 en 150-175 gepresteerde werkdagen per jaar, voor 0-5 en 5-15 dienstjaren en voor werknemers van entiteit MDK leveren een bijdrage aan de verklaring. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een hogere R2 van 0,710. Voor de 4 soorten maandsalaris geeft dezelfde regressie met het aantal erkende werkdagen per jaar een iets lagere R2. Het grote verschil in werkdagen tussen mannen en vrouwen valt dan immers grotendeels weg. Het effect van de andere onafhankelijke variabelen is grotendeels gelijk. 164
5
Totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,686 8,7
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
53,9 -1,6 -23,7 -18,7 -13,5 11,5 -10,9 -7,2 -3,1 4,0 1,6 1,0 -4,9 -4,5 -1,9 -2,5 20,3
0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,2 0,2 0,3
-0,053 -0,558 -0,504 -0,369 0,203 -0,271 -0,216 -0,092 0,083 0,039 0,027 -0,141 -0,134 -0,054 -0,068 0,329
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur bedraagt 0,686. Dat is iets hoger dan voor het totaal bruto maandsalaris. Ondanks het neutraliseren van het aantal werkdagen, heeft gender hier een beperkt negatief effect (beta= -0,053), met gemiddeld 1,6 euro minder per gepresteerd werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto maandsalaris, met uitzondering van de dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar. De beta-waarden zijn klein maar wel positief. Tegenover de referentiegroep stijgt het uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 4,0 euro, 1,6 euro en 1,0 euro. Minder effectief gepresteerde werkdagen per jaar gaan dus samen met een (iets) hoger uursalaris, omdat in het totaal bruto salaris ook het salaris voor de dagen ziekteverlof, dienstvrijstelling en jaarlijks verlof vervat is. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een iets hogere R2.
165
6
Bruto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,828 4,7
ANOVA df Sign. 16 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
44,5 -0,6 -19,8 -15,1 -11,4 12,3 -8,0 -5,0 -2,0 3,3 1,7 1,4 -4,2 -4,3 -2,3 -2,5 3,0
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1
-0,025 -0,646 -0,563 -0,431 0,298 -0,274 -0,210 -0,081 0,096 0,058 0,052 -0,167 -0,176 -0,088 -0,092 0,068
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het bruto uursalaris bedraagt 0,828. Dat is duidelijk hoger dan voor het totaal bruto uursalaris maar iets lager dan voor het bruto maandsalaris. Gender heeft een zeer beperkt negatief effect (beta= -0,025), met gemiddeld 0,6 euro minder per werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto salaris per gepresteerd werkuur. De dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar hebben weer een klein positief effect. Tegenover de referentiegroep stijgt het bruto uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 3,3 euro, 1,7 euro en 1,4 euro. Minder gepresteerde werkdagen per jaar gaan samen met een (iets) hoger uursalaris, aangezien het totaal bruto salaris ook het salaris voor de dagen ziekteverlof en dienstvrijstelling omvat. De dummy voor werknemers van entiteit MDK levert hier geen bijdrage aan de verklaring aangezien het effect van de hoge bruto toelagen wegvalt.
166
7
Totaal netto salaris per gepresteerd werkuur Samenvatting model
Coefficiënten 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Constante Vrouwen Functieniveau D Functieniveau C Functieniveau B Functieniveau A+ Leeftijd 18-34 jaar Leeftijd 35-44 jaar Leeftijd 45-54 jaar Werkdagen/jaar 100-150 Werkdagen/jaar 150-175 Werkdagen/jaar 175-200 Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dienstanciënniteit 15-25 jaar Contractueel Werkzaam in entiteit MDK
Verklaarde variantie R2 SE 0,626 4,4
ANOVA df Sign. 0 0,000
B
SE
Beta
Sign.
VIF
30,6 -1,3 -10,1 -8,2 -5,8 4,8 -5,2 -3,1 -1,3 4,6 2,0 0,8 -2,3 -1,8 -0,7 -1,1 9,4
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1
-0,087 -0,511 -0,472 -0,340 0,180 -0,279 -0,200 -0,082 0,204 0,108 0,049 -0,141 -0,114 -0,044 -0,066 0,328
0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000
1,16 1,40 1,40 1,39 1,22 2,42 2,54 2,00 1,19 1,23 1,18 3,05 2,70 2,23 1,48 1,11
B : ongestandaardiseerd (euro)
Beta : gestandaardiseerd
Referentiegroep : man, functieniveau A, 55+ jaar, >200 werkdagen/jaar, >25 dienstjaren, statutair, niet in entiteit MDK Andere groepen : combinatie van binaire variabelen = 1 of 0
De totale verklaarde variantie (R2) voor het totaal netto uursalaris bedraagt 0,626. Dat is iets lager dan voor het totaal bruto uursalaris. Gender heeft weer een beperkt negatief effect (beta= -0,087), met gemiddeld 1,3 euro minder per gepresteerd werkuur voor vrouwen. De invloed van de andere dummies is grotendeels dezelfde als voor het totaal bruto uursalaris. De dummies voor het aantal gepresteerde werkdagen per jaar hebben ook hier een klein positief effect. Tegenover de referentiegroep stijgt het totaal netto uursalaris voor personen met 100-150, 150-175 en 175-200 gepresteerde werkdagen per jaar met respectievelijk 4,6 euro, 2,0 euro en 0,8 euro. Hetzelfde model zonder de medewerkers van entiteit MDK leidt tot een iets hogere R2. Voor de 4 soorten salaris per erkend werkuur geeft dezelfde regressie met het aantal erkende werkdagen per jaar een iets lagere R2. Het grote verschil in werkdagen tussen mannen en vrouwen valt dan immers grotendeels weg. Het effect van de andere onafhankelijke variabelen is grotendeels gelijk.
167
9b Berekening van salariscomponenten op basis van de regressies Inleiding en samenvatting Dit bijkomend hoofdstuk 9b geeft op basis van de regressies in hoofdstuk 9 enkele eenvoudige tabellen voor de berekening van de diverse salariscomponenten voor specifieke groepen van medewerkers, opnieuw uitgaande van de referentiegroep. Zo wordt op een andere manier het mechanisme van de regressie met de binaire onafhankelijke variabelen concreet gemaakt. Hieronder staan de coëfficiënten (positief of negatief) van de regressie voor de diverse salariscomponenten in hoofdstuk 9. Daarna volgen 4 calculatietabellen met in de kolommen de dummies voor de onafhankelijke variabelen gender, functieniveau, leeftijd, werkdagen per jaar, dienstanciënniteit, statuut en entiteit. De eerste tabel betreft de referentiegroep: mannen, functieniveau A, 55 jaar of ouder, meer dan 200 werkdagen per jaar, meer dan 25 dienstjaren, statutair en niet werkzaam in entiteit MDK. De constante (Cte) is dan het salaris van de referentiegroep. De 3 volgende tabellen kunnen worden gebruikt voor de berekening van de salariscomponenten van andere groepen. Per onafhankelijke variabele kan de waarde van 1 dummy op 1 worden gezet. Wanneer een dummy de waarde 1 heeft, wordt de waarde van de coëfficiënt voor alle salariscomponenten meegeteld. De rechterkolom geeft de berekende salariscomponenten van de betreffende groep medewerkers.
Regressiecoëfficiënten Cte
Functieniveau
Gender
Referentiegroep
Man
Andere groepen
Vrouw
55+ jaar
A D
C
B
Werkdagen/jaar
Leeftijd
Dienstanciënniteit
>200 dagen
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
>25 jaar
100-150 150-175 175-200 200-220
Statuut
Entiteit
Statutair
Nt Ent 8
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
Ent 8
Loonkosten / maand
8.215
-294
-3.283 -2.629 -1.929
0
1.701
-1.503
-932
-297
0
-1.525
-861
-306
0
-775
-820
-392
0
69
2.527
Totaal bruto salaris / maand
6.891
-232
-2.866 -2.260 -1.642
0
1.507
-1.319
-864
-338
0
-1.268
-749
-292
0
-594
-547
-218
0
-258
2.707
Bruto salaris+ / maand
6.369
-106
-2.632 -2.014 -1.524
0
1.769
-1.084
-673
-227
0
-1.189
-658
-195
0
-590
-582
-295
0
-297
471
Bruto salaris / maand
5.673
-95
-2.370 -1.810 -1.370
0
1.605
-952
-595
-201
0
-1.064
-590
-173
0
-511
-524
-265
0
-264
419
Totaal netto salaris / maand
3.932
-174
-1.231
-992
-711
0
630
-623
-370
-131
0
-660
-368
-154
0
-281
-223
-85
0
-109
1.273
Totaal bruto salaris / werkuur
53,9
-1,6
-23,7
-18,7
-13,5
0
11,5
-10,9
-7,2
-3,1
0
4,0
1,6
1,0
0
-4,9
-4,5
-1,9
0
-2,5
20,3
Bruto salaris+ / werkuur
50,0
-0,6
-22,0
-16,8
-12,7
0
13,5
-9,1
-5,7
-2,2
0
3,8
1,9
1,6
0
-4,9
-4,7
-2,5
0
-2,8
3,4
Bruto salaris / werkuur
44,5
-0,6
-19,8
-15,1
-11,4
0
12,3
-8,0
-5,0
-2,0
0
3,3
1,7
1,4
0
-4,2
-4,3
-2,3
0
-2,5
3,0
Totaal netto salaris / werkuur
30,6
-1,3
-10,1
-8,2
-5,8
0
4,8
-5,2
-3,1
-1,3
0
4,6
2,0
0,8
0
-2,3
-1,8
-0,7
0
-1,1
9,4
Referentiegroep : alle binaire variabelen = 0
Andere groepen : binaire variabelen = 1 of 0
168
Berekening van salariscomponenten Gender
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
Referentiegroep
Man
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
Andere groepen
Vrouw
D
C
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
1
0
0
0
1
0
0
0
0
1
0
0
Referentiegroep
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
Cte
1
100-150 150-175 175-200 200-220
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
Ent 8
0
1
0
0
0
1
0
0
Statutair
Nt Ent 8
Salaris
Loonkosten / maand
8.215
-294
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
7.921
Totaal bruto salaris / maand
6.891
-232
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
6.658
Bruto salaris+ / maand
6.369
-106
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
6.263
Bruto salaris / maand
5.673
-95
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
5.578
Totaal netto salaris / maand
3.932
-174
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
3.758
Totaal bruto salaris / werkuur
53,9
-1,6
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
52,3
Bruto salaris+ / werkuur
50,0
-0,6
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
49,4
Bruto salaris / werkuur
44,5
-0,6
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
43,9
Totaal netto salaris / werkuur
30,6
-1,3
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
29,3
Groep 1
Cte
A
Vrouw
55+
200-220
>25
Gender
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
Referentiegroep
Man
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
Andere groepen
Vrouw
D
C
Contract.
Ent 8
1
0
0
1
0
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
1
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
1
0
0
0
0
1
0
B
Vrouw
100-150 150-175 175-200 200-220
0
45-54
0
1
0
0-5
5-15
15-25
>25
0
0
1
0
175-200
15-25
Contract. Nt Ent 8
Salaris
Loonkosten / maand
8.215
-294
0
0
-1.929
0
0
0
0
-297
0
0
0
-306
0
0
0
-392
0
69
0
5.067
Totaal bruto salaris / maand
6.891
-232
0
0
-1.642
0
0
0
0
-338
0
0
0
-292
0
0
0
-218
0
-258
0
3.910
Bruto salaris+ / maand
6.369
-106
0
0
-1.524
0
0
0
0
-227
0
0
0
-195
0
0
0
-295
0
-297
0
3.725
Bruto salaris / maand
5.673
-95
0
0
-1.370
0
0
0
0
-201
0
0
0
-173
0
0
0
-265
0
-264
0
3.306
Totaal netto salaris / maand
3.932
-174
0
0
-711
0
0
0
0
-131
0
0
0
-154
0
0
0
-85
0
-109
0
2.568
Totaal bruto salaris / werkuur
53,9
-1,6
0,0
0,0
-13,5
0,0
0,0
0,0
0,0
-3,1
0,0
0,0
0,0
1,0
0,0
0,0
0,0
-1,9
0,0
-2,5
0,0
32,2
Bruto salaris+ / werkuur
50,0
-0,6
0,0
0,0
-12,7
0,0
0,0
0,0
0,0
-2,2
0,0
0,0
0,0
1,6
0,0
0,0
0,0
-2,5
0,0
-2,8
0,0
30,7
Bruto salaris / werkuur
44,5
-0,6
0,0
0,0
-11,4
0,0
0,0
0,0
0,0
-2,0
0,0
0,0
0,0
1,4
0,0
0,0
0,0
-2,3
0,0
-2,5
0,0
27,2
Totaal netto salaris / werkuur
30,6
-1,3
0,0
0,0
-5,8
0,0
0,0
0,0
0,0
-1,3
0,0
0,0
0,0
0,8
0,0
0,0
0,0
-0,7
0,0
-1,1
0,0
21,2
169
Berekening van salariscomponenten Gender
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
Referentiegroep
Man
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
Andere groepen
Vrouw
D
C
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
Ent 8
1
0
1
0
0
0
0
1
0
0
Groep 2
Cte
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
1
C
Vrouw
100-150 150-175 175-200 200-220 0
1
35-44
0
0
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
0
1
0
0
0
0
Statutair
Nt Ent 8
Salaris
150-175
5-15
Loonkosten / maand
8.215
-294
0
-2.629
0
0
0
0
-932
0
0
0
-861
0
0
0
-820
0
0
0
0
2.678
Totaal bruto salaris / maand
6.891
-232
0
-2.260
0
0
0
0
-864
0
0
0
-749
0
0
0
-547
0
0
0
0
2.238
Bruto salaris+ / maand
6.369
-106
0
-2.014
0
0
0
0
-673
0
0
0
-658
0
0
0
-582
0
0
0
0
2.337
Bruto salaris / maand
5.673
-95
0
-1.810
0
0
0
0
-595
0
0
0
-590
0
0
0
-524
0
0
0
0
2.059
Totaal netto salaris / maand
3.932
-174
0
-992
0
0
0
0
-370
0
0
0
-368
0
0
0
-223
0
0
0
0
1.804
Totaal bruto salaris / werkuur
53,9
-1,6
0,0
-18,7
0,0
0,0
0,0
0,0
-7,2
0,0
0,0
0,0
1,6
0,0
0,0
0,0
-4,5
0,0
0,0
0,0
0,0
23,5
Bruto salaris+ / werkuur
50,0
-0,6
0,0
-16,8
0,0
0,0
0,0
0,0
-5,7
0,0
0,0
0,0
1,9
0,0
0,0
0,0
-4,7
0,0
0,0
0,0
0,0
24,0
Bruto salaris / werkuur
44,5
-0,6
0,0
-15,1
0,0
0,0
0,0
0,0
-5,0
0,0
0,0
0,0
1,7
0,0
0,0
0,0
-4,3
0,0
0,0
0,0
0,0
21,2
Totaal netto salaris / werkuur
30,6
-1,3
0,0
-8,2
0,0
0,0
0,0
0,0
-3,1
0,0
0,0
0,0
2,0
0,0
0,0
0,0
-1,8
0,0
0,0
0,0
0,0
18,3
Groep 3
Cte
Gender
Functieniveau
Leeftijd
Werkdagen/jaar
Dienstanciënniteit
Statuut
Entiteit
Referentiegroep
Man
A
55+ jaar
>200 dagen
>25 jaar
Statutair
Nt Ent 8
Andere groepen
Vrouw
D
C
B
A
A+
18-34
35-44
45-54
55+
Ent 8
0
1
0
0
0
0
1
0
0
0
Gegevens invullen (1 of 0) Kenmerken persoon
1
D
Man
100-150 150-175 175-200 200-220 0
0
18-34
1
0
0-5
5-15
15-25
>25
Contract.
1
0
0
0
1
1
Contract.
Ent 8
Salaris
175-200
0-5
Loonkosten / maand
8.215
0
-3.283
0
0
0
0
-1.503
0
0
0
0
0
-306
0
-775
0
0
0
69
2.527
4.945
Totaal bruto salaris / maand
6.891
0
-2.866
0
0
0
0
-1.319
0
0
0
0
0
-292
0
-594
0
0
0
-258
2.707
4.269
Bruto salaris+ / maand
6.369
0
-2.632
0
0
0
0
-1.084
0
0
0
0
0
-195
0
-590
0
0
0
-297
471
2.043
Bruto salaris / maand
5.673
0
-2.370
0
0
0
0
-952
0
0
0
0
0
-173
0
-511
0
0
0
-264
419
1.822
Totaal netto salaris / maand
3.932
0
-1.231
0
0
0
0
-623
0
0
0
0
0
-154
0
-281
0
0
0
-109
1.273
2.806
Totaal bruto salaris / werkuur
53,9
0,0
-23,7
0,0
0,0
0,0
0,0
-10,9
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
1,0
0,0
-4,9
0,0
0,0
0,0
-2,5
20,3
33,2
Bruto salaris+ / werkuur
50,0
0,0
-22,0
0,0
0,0
0,0
0,0
-9,1
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
1,6
0,0
-4,9
0,0
0,0
0,0
-2,8
3,4
16,2
Bruto salaris / werkuur
44,5
0,0
-19,8
0,0
0,0
0,0
0,0
-8,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
1,4
0,0
-4,2
0,0
0,0
0,0
-2,5
3,0
14,5
Totaal netto salaris / werkuur
30,6
0,0
-10,1
0,0
0,0
0,0
0,0
-5,2
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,8
0,0
-2,3
0,0
0,0
0,0
-1,1
9,4
22,1
170
Literatuurlijst Dienst Diversiteitsbeleid (2016). Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan Vlaamse overheid 2016-2020: https://overheid.vlaanderen.be/sites/default/files/media/documenten/personeel/diversiteit/Strategisch_meer jarenplan.pdf?timestamp=1517955906. European Institute for Gender Equality (EIGE) (2021). Gender inequalities in care and consequences for the labour market: https://eige.europa.eu/publications/gender-inequalities-care-and-consequences-labourmarket. Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/werkopleiding/arbeidsmarkt/faq EU-SILC-survey van Statbel: https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoedeenlevensomstandigheden/faq Eurostat Gender pay gap statistics: https://ec.europa.eu/eurostat/statisticsexplained/index.php?title=Gender_pay_gap_statistics Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (2021). De loonkloof tussen mannen en vrouwen in België – rapport 2021. Brussel: IGVM, 88 p. https://igvmiefh.belgium.be/nl/publicaties/de_loonkloof_tussen_vrouwen_en_mannen_in_belgie_rapport_2021 Noppe, J., Vanweddingen, M. & Weekers, K. (2021). Maatschappelijke positie en participatie van mannen en vrouwen. SV-Rapport 2021/1, Brussel: Statistiek Vlaanderen. Van Dongen, W. (2008). Naar een democratische arbeidsverdeling in Vlaanderen en Europa? Het Combinatiemodel als basis voor een geïntegreerd beleid, SVR-Studie, 2008/1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering. Vlaanderen Intern. Salaris personeel Vlaamse overheid: https://www.vlaanderen.be/intern/salaris-personeelvlaamse-overheid
171
Bijlage 1
Personeelsaantal in Vlimpers naar beleidsdomein en entiteit Beleidsdomein
Entiteit
Financiën en Begroting
Departement Financiën en Begroting Vlaamse Belastingdienst Departement Buitenlandse Zaken Flanders Investment and Trade Toerisme Vlaanderen Departement Economie, Wetenschap en Innovatie Agentschap Innoveren en Ondernemen Agentschap Plantentuin Meise Vlaamse Onderwijsraad Departement Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs Onderwijsinspectie Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Opgroeien Zorg en Gezondheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap Departement Cultuur, Jeugd en Media Vlaamse Regulator voor de Media Departement Werk en Sociale Economie SYNTRA Vlaanderen Departement LVLandbouw en Visserij Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek Departement Mobiliteit en Openbare Werken Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust Agentschap Wegen en Verkeer De Vlaamse Waterweg nv Departement Kanselarij en Bestuur Agentschap Informatie Vlaanderen Dienst van de Bestuursrechtscolleges Audit Vlaanderen Agentschap Overheidspersoneel Agentschap Facilitair Bedrijf Agentschap Binnenlands Bestuur Departement Omgeving Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Agentschap voor Natuur en Bos Vlaams Energieagentschap Wonen Vlaanderen Onroerend Erfgoed Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Vlaamse Landmaatschappij Eigen Vermogen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Vlaamse Milieumaatschappij Strategische adviesraad ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt Sport Vlaanderen GO! Onderwijs Vlaamse Gemeenschap
Internationaal Vlaanderen
Economie Wetenschap en Innovatie
Onderwijs en Vorming
Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Mobiliteit en Openbare Werken
Kanselarij en Bestuur
Omgeving
VREG IVArp Sport Vlaanderen Gemeenschapsonderwijs Totaal - Vlimpers Totaal VO - personen Vlimpers / VO (%)
172
31/dec
2017
2018
190 939 160 345 202 112 346 158 22 270 414 70 15
190 913 166 334 192 110 335 166 21 257 412 70 14
256
252
984 1.536 270 274 424 18 310 141 619 256 805 1.270 1.412
1.011 1.618 283 295 555 19 309 133 616 245 782 1.246 1.392 1.315 268 204 53 41 381 859 376 929 201 708 83 281 290 345 591 50 888 4 9 38 715 190 20.755 28.645 72,5
287 215 51 46 314 831 389 961 208 745 78 288 285 360 53 897 4 10 34 669 194 18.737 28.542 65,6
Bijlage 2
Definitie van begrippen Land woonplaats
het land waar de hoofdverblijfplaats van de werknemer is gevestigd.
Provincie woonplaats
de provincie waar de hoofdverblijfplaats van de werknemer is gevestigd.
Land van geboorte
het land waar de werknemer is geboren.
Land van herkomst
Belgisch of niet-Belgisch (buitenlands): een niet-Belgische nationaliteit hebben, bij de geboorte een niet-Belgische nationaliteit hebben of minstens één ouder hebben met een niet-Belgische geboortenationaliteit. De definitie voor buitenlandse herkomst is sinds 2016 voor alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid van toepassing.
Onderwijsniveau
het hoogste diploma dat de werknemer heeft behaald in de studieloopbaan
Samenwonen met partner
de werknemer woont met een vaste partner samen, al dan niet gehuwd, al dan niet met een samenwooncontract.
Personen in huishouden
totaal aantal personen in het huishouden van de werknemer.
Langdurige ziekte of handicap
een langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuigelijke ziekte of beperking die de werknemer in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de arbeidsmarkt.
Beroepsgroep partner
de beroepsgroep waartoe de partner behoort: werknemer privé, ambtenaar, zelfstandige, werkloos of gepensioneerd.
Provincie van werklocatie
de provincie van de standplaats van de werknemer van de Vlaamse overheid.
Beroepsstatuut
het beroepsstatuut van de werknemer: statutair (vaste benoeming), statutair op proef (tijdens een bepaalde periode) of contractueel.
Functieniveau
in deze studie worden 5 functieniveaus onderscheiden: A+, A, B, C en D. Ten behoeve van een zinvolle analyse van de salarissen werd niveau A+ geconstureerd, bestaande uit mederwerkers van niveau A die een kaderfunctie uitoefenen.
Leidinggevend kader
de werknemers worden ingedeeld in drie groepen: leidinggevend kader, niet-leidinggevend kader en niet-leidinggevende medewerkers. Leidinggevend zijn is een formele titel met diverse niveaus.
Kaderfunctie
is gekenmerkt door de hogere mate van verantwoordelijkheden en autonomie en/of professionele deskundigheid (expertise). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen topkader, middenkader en lager kader. Dat onderscheid wordt gecombineerd met het onderscheid tussen leidinggevend en niet-leidinggevend.
Geldelijke anciënniteit
is het aantal jaren dat een medewerker heeft gewerkt in zijn loopbaan, vanaf de eerste werkdag, en dat wordt meegerekend voor het berekenen van het salaris.
Dienstanciënniteit
het aantal jaren dienst dat je als statutair of contractueel opbouwt binnen de diensten van de Vlaamse overheid).
Niveau-anciënniteit
het aantal jaren dat je vanaf je statutaire proeftijd opbouwt in een bepaald niveau (bijvoorbeeld: 10 jaar in niveau C).
Graadanciënniteit
het aantal jaren dat je vanaf je statutaire proeftijd opbouwt in een bepaalde graad (bijvoorbeeld: 10 jaar in de graad van medewerker).
Personeelsaantal - personen
Het personeelsaantal wordt gedefinieerd als het aantal personen dat bij een entiteit in dienst is. Een persoon is in dienst bij de Vlaamse overheid als hij/zij een juridische band (tewerkstellingsrelatie) heeft met minstens één entiteit, in de vorm van een aanstellingsbesluit (statutair) of een tewerkstellingscontract, ongeacht of deze al dan niet bezoldigd wordt. Het personeelsaantal wordt uitgedrukt in ‘personeelsleden’ en wordt steeds berekend op een bepaald moment (bijvoorbeeld 31 december). Personeelsleden die onbeschikbaar zijn voor een entiteit omdat ze gebruik maken van enkele specifieke verloftypes worden toch meegeteld in het personeelsaantal van de entiteit omdat er aan het verlof van het betrokken personeelslid telkens een terugkeerrecht gekoppeld is. Dat betekent dat de tewerkstelling in de betrokken entiteit enkel wordt geschorst en dat de juridische tewerkstellingsrelatie tussen het personeelslid en de entiteit dus op geen enkel moment wordt verbroken.
173
Personeelsbeschikbaarheid - %
de verhouding van het aantal dagen dat een personeelslid in een bepaalde periode geacht wordt om te werken op basis van zijn/haar arbeidsregime ten opzichte van het aantal dagen dat een voltijds personeelslid in diezelfde periode dient te werken. De personeelsbeschikbaarheid geeft weer hoeveel personeelsleden van een entiteit in een bepaalde periode beschikbaar waren. De personeelsbeschikbaarheid wordt uitgedrukt in bruto VTE in een bepaalde periode. Er zijn vijf soorten onbeschikbaarheden: deeltijdse onbeschikbaarheid, verlof voor politiek ambt, verlof tewerkstelling elders, loopbaanonderbrekingen en ten slotte opschorting tewerkstelling. Het betreft hoofdzakelijk verloven die bedoeld zijn om gedurende langere tijd het arbeidsregime in de tewerkstellingsrelatie te wijzigen.
Personeelsaanwezigheid - %
het aantal personeelsleden van een entiteit die gedurende een periode werkelijk prestaties leveren. Dat kengetal wordt voor een bepaalde periode berekend in werkdagen en nadien omgezet naar ‘voltijdse equivalenten’ (nl. netto VTE). Voor de berekening ervan vertrekt men van de personeelsbeschikbaarheid en worden daarvan alle afwezigheden in mindering gebracht. Dat zijn: het jaarlijks vakantieverlof, andere betaalde verlofafwezigheden, afwezigheden ten gevolge van ziekte, arbeidsongeval en zwangerschap. Plaats- en tijdsonafhankelijk werken (telewerken), overuren, dienstreizen en opleidingen worden wel meegeteld, omdat personeelsleden tijdens deze uren reële prestaties leveren. het aantal werkuren dat de werknemer volgens het afgesproken 'regime' in een normale volledige werkweek verricht. Daarbij kan men een binair onderscheid maken tussen een voltijds en deeltijds regime of een meer gradueel onderscheid in meer categorieën, bijv. 100%, 80%, 60%, 50% ... het aantal voltijds equivalente werkdagen (VTE) dat de werknemer effectief per jaar heeft gepresteerd. Een VTE werkdag omvat 7,60 werkuren of 7 uur en 36 minuten. het aantal erkende voltijds equivalente werkdagen (VTE) per jaar, waarvoor men een normaal salaris ontvangt. het aantal voltijds equivalente werkdagen (VTE) dat de werknemer gemiddeld per maand heeft gepresteerd. Een VTE werkdag omvat 7,60 werkuren of 7 uur en 36 minuten. de som van het aantal opgenomen afwezigheidsdagen: betaalde vakantie, onbetaald verlof, ziekteverlof, loopbaanonderbreking, zorgkrediet en dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. de som van het aantal effectieve werkdagen per jaar, opgenomen dagen ziekteverlof en opgenomen dagen dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. Deze dagen worden erkend voor het loon. het aantal opgenomen betaalde verlof- of vakantiedagen, uitgedrukt in VTE dagen per jaar.
Werkuren regime
Werkdagen VTE per jaar Erkende werkdagen VTE per jaar Werkdagen VTE per maand Afwezigheid - VTE dagen per jaar Werk, ziekteverlof en dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Jaarlijks betaald verlof - VTE dagen per jaar Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar Ziekteverlof - VTE dagen per jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar Zorgkrediet - VTE dagen per jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar
Telewerken - VTE dagen per jaar
het aantal opgenomen dagen onbetaald verlof, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkend ziekteverlof, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkende loopbaanonderbreking, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkend zorgkrediet, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. het aantal opgenomen dagen erkende dienstvrijstelling, uitgedrukt in VTE dagen per jaar. Erkende dienstvrijstelling is onder meer mogelijk voor vakbondsactiviteiten overeenkomstig de federale bepalingen, voor vrijwillige brandweerlui, actieve vrijwilligers van het Rode Kruis, voor (verplichte) functies ter gelegenheid van verkiezingen, voor specifieke activiteiten van topsporters, voor specifieke gratis medische en zorgdiensten... (https://overheid.vlaanderen.be/deel-x-de-verloven-en-dienstvrijstellingen-titel-13). het aantal effectieve werkdagen met telewerk of plaats- en tijdsonafhankelijk werken (ptow), uitgedrukt in VTE werkdagen per jaar.
174
Loonkosten per maand Totaal bruto salaris per maand
Bruto toelagen per maand
Bruto salaris per maand Netto salaris per maand
Totaal netto salaris per maand Salaris per gepresteerd werkuur Salaris per erkend werkuur
alle kosten verbonden aan het tewerkstellen van de werknemer, ook de totale budgetlast genoemd (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. de loonkosten minus de bijdragen van de werkgever voor de Sociale Zekerheid, de extra vergoedingen, voor de maaltijdcheques en de hospitalisatieverzekering (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. alle algemene en specifieke toelagen bovenop het normale salaris, met uitzondering van het vakantiegeld en de eindejaarspremie, en is onderdeel van het totaal bruto salaris (gemiddelde per maand). Zie: https://overheid.vlaanderen.be/BVR_Deel07-T2. het totaal bruto salaris minus het bruto vakantiegeld, de bruto eindejaarspremie en de bruto toelagen (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. het totaal bruto salaris minus de bijdragen van de werknemer voor de Sociale Zekerheid, de bedrijfsvoorheffing (personenbelastingen), maaltijdcheques en de bijzonder RSZ, plus de extra vergoedingen (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. het netto salaris plus de vergoeding voor woon-werkverkeer (gemiddelde per maand). Zie ook Bijlage 3. is gelijk aan het salaris per jaar gedeeld door het aantal effectief gepresteerde VTE werkuren per jaar. is gelijk aan het salaris per jaar gedeeld door het aantal erkende VTE werkuren per jaar.
175
Bijlage 3
Componenten van het salaris Brutosalaris + Bruto Vakantiegeld (VAK) + Bruto Eindejaarstoelage (EJT) + Bruto Toelagen = Totaal bruto salaris + RSZ en FOP werkgever op brutosalaris, bruto VAK, bruto EJT en bruto toelagen + Vergoedingen + Maaltijdcheques (bijdrage werkgever + administratiekost) + Hospitalisatieverzekering (bijdrage werkgever) = Budgetlast + Vergoeding woon-werkverkeer = Totale budgetlast of loonkosten Bruto salaris + Bruto Vakantiegeld (VAK) + Bruto Eindejaarstoelage (EJT) + Bruto Toelagen = Totaal bruto salaris - RSZ werknemer - FOP werknemer - Bedrijfsvoorheffing - Maaltijdcheques (bijdrage werknemer) - Bijzondere RSZ + Vergoedingen = Netto salaris + Vergoeding woon-werkverkeer = Totaal netto salaris Geen RSZ + FOP werkgever op vergoedingen, maaltijdcheques, hospitalisatieverzekering en woon-werkverkeer. FOP = Financiering van de Overlevingspensioenen
176
Bijlage 4
GOVO - spss-bestand - variabelen Nr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53
Naam nt nrp aar jr nat nat2 la la3 la2 lag lag2 gw prov gs gj lf lf4c lf5 ond6 ond5 ond4 ond3 par2 gsp bcp ph ph4 ph3 lzh ba sta1 st1 stat3 niv1 ra1 rang1 bd1 ent1 wlprov wlprov7 wlgw3 wlgw2 sas1 agej agej7 agej4 agej3 adij adij7 adij4 adij3 adij2 anij
Beschrijving N teller Nummer persoon in bestand Aantal arbeidsrelaties Jaar Nationaliteit Nationaliteit - 2cat Land - woonplaats Land - woonplaats - 3cat Land - woonplaats - 2cat Land van geboorte Land van geboorte - 2cat Gewest - woonplaats Provincie - woonplaats Geslacht Geboortejaar Leeftijd Leeftijd - 4 cat Leeftijd - per 5 jaar Onderwijsniveau 6 cat Onderwijsniveau 5 cat Onderwijsniveau 4 cat Onderwijsniveau 3 cat Woont met partner Geslacht partner Beroepscategorie partner Aantal personen in huishouden Aantal personen in huishouden - 4cat Aantal personen in huishouden - 3cat Langdurige ziekte of handicap Beroepsactief heden Beroepsstatuut 1 - 3cat Beroepsstatuut 1 - 2cat Beroepsstatuut - 3cat Functieniveau 1 Rang 1 - 18 cat Rang 1 - 14 cat Beleidsdomein 1 Entiteit 1 Werklocatie - provincie Werklocatie - provincie - 7cat Werklocatie gewest - 3cat Werklocatie gewest - 2cat Salarisschaal 1 - 70cat Geldelijke anciënniteit VO - jaren Geldelijke anciënniteit VO - jaren - 7cat Geldelijke anciënniteit VO - jaren - 4cat Geldelijke anciënniteit VO - jaren - 3cat Dienstanciënniteit VO - jaren Dienstanciënniteit VO - jaren - 7cat Dienstanciënniteit VO - jaren - 4cat Dienstanciënniteit VO - jaren - 3cat Dienstanciënniteit VO - jaren - 2cat Niveau-anciënniteit VO - jaren
177
54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111
anij7 anij4 agrj agrj7 agrj4 aschj aschj7 aschj4 lg6 lg3 lg2 kf4 niv5 niv5a wur1 wur1c6 wurvd1 pbhj pbhj10 pbhj20 pahj pahj10 pahj20 wdj wdj2 wdj3 wdj6 wdj20 wdm wdmc6 wdgj wdgj6 wdgm wdgmc6 wdm1 wdm2 wdm3 wdm4 wdm5 wdm6 wdm7 wdm8 wdm9 wdm10 wdm11 wdm12 wuj wuj6 wum wumc6 nvwm nvwm4 afdj afdj6 afdj20 wadj wadj6 aafd
Niveau-anciënniteit VO - jaren - 7cat Niveau-anciënniteit VO - jaren - 4cat Graadanciënniteit VO - jaren Graadanciënniteit VO - jaren - 7cat Graadanciënniteit VO - jaren - 4cat Schaalanciënniteit VO - jaren Schaalanciënniteit VO - jaren - 7cat Schaalanciënniteit VO - jaren - 4cat Leidinggeven - kader - 6cat Leidinggeven - kader - 3cat Leidinggeven - 2cat Kaderfuncties - 4cat Functieniveau - 5cat Functieniveau - 5cat - omgekeerd Werkuren per week - regime 1 Werkuren per week - regime 1 - 6cat Werkuren regime - voltijds/deeltijds 1 Personeelsbeschikbaarheid - % Personeelsbeschikbaarheid - per 10% Personeelsbeschikbaarheid - per 20% Personeelsaanwezigheid - % Personeelsaanwezigheid - per 10% Personeelsaanwezigheid - per 20% Werkdagen VTE per jaar Werkdagen per jaar - 2cat Werkdagen per jaar - 3cat Werkdagen per jaar - 6cat Werkdagen per jaar - per 20 dagen Werkdagen VTE per maand Werkdagen VTE per maand - 6cat Werkdagen VTE - RSZ-gelijkgesteld per jaar - via wugj Werkdagen - RSZ-gelijkgesteld per jaar - 6cat Werkdagen VTE - RSZ-gelijkgesteld - per maand Werkdagen VTE - RSZ-gelijkgesteld - per maand - 6cat Werkdagen VTE - januari Werkdagen VTE - februari Werkdagen VTE - maart Werkdagen VTE - april Werkdagen VTE - mei Werkdagen VTE - juni Werkdagen VTE - juli Werkdagen VTE - augustus Werkdagen VTE - september Werkdagen VTE - oktober Werkdagen VTE - november Werkdagen VTE - december Werkuren per jaar Werkuren per jaar - 6cat Werkuren per maand Werkuren per maand - 6cat Aantal VTE werkmaanden Aantal VTE werkmaanden - 4cat Afwezigheidsdagen VTE per jaar Afwezigheidsdagen per jaar - 6cat Afwezigheidsdagen per jaar - per 20 dagen Werk- + afwez. dagen VTE per jaar Werk- + afwez.dagen VTE per jaar - 6cat Aandeel afwezigheidsdagen in werk- + afwez. dagen - %
178
112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168 169
aafd10 aafd20 jvdj jvdj6 ovdj ovdj6 zvdj1 zvdj2 zvdj zvdj6 lodj lodj6 zkdj zkdj6 dvdj dvdj6 dvuj twdj twdj6 atwd atwd10 atwd20 wasdj wasdj6 wzddj wzddj6 zddj zddj6 zddj8 ws2a ws2b blj wwtj wwtj6 lkj lkj20 lkj10 lkm lkm500 lkm1000 lkwu lkwu5 lkwu10 lkwu20 lkbu lkbu5 lkbu10 lkbu20 tbsj tbsj20 tbsj10 tbsm tbsm500 tbsm1000 tbswu tbswu5 tbswu10 tbswu20
Aandeel afwezigheidsdagen in werk- + afwez. dagen - per 10% Aandeel afwezigheidsdagen in werk- + afwez. dagen - per 20% Jaarlijks verlof - opgenomen dagen per jaar Jaarlijks verlof - opgenomen dagen per jaar - 6cat Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar Onbetaald verlof - VTE dagen per jaar - 6cat Ziekteverlof - VTE dagen per jaar - voltijds Ziekteverlof - VTE dagen per jaar - deeltijds Ziekteverlof - VTE dagen per jaar Ziekteverlof - VTE dagen per jaar - 6cat Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar Loopbaanonderbreking - VTE dagen per jaar - 6cat Zorgkrediet - VTE dagen per jaar Zorgkrediet - VTE dagen per jaar - 6cat Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 6cat Dienstvrijstelling - uren per jaar Telewerken - VTE dagen per jaar Telewerken - VTE dagen per jaar - 6cat Aandeel thuiswerkdagen in werkdagen - % Aandeel thuiswerkdagen in werkdagen - per 10% Aandeel thuiswerkdagen in werkdagen - per 20% Werk- + afwez. dagen VTE per jaar Werk- + afwez.dagen VTE per jaar - 6cat Werk + ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Werk + ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 6cat Ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar Ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 6cat Ziekte + dienstvrijstelling - VTE dagen per jaar - 8cat Typologie werksituatie - selectie inkomens per werkuur - 2cat Typologie werksituatie - selectie inkomens per werkuur - 2cat Budgetlast per jaar Woon-werkverkeer toelage per jaar Woon-werkverkeer toelage per jaar - 6cat Loonkosten per jaar Loonkosten per jaar - per 20000 euro Loonkosten per jaar - per 10000 euro Loonkosten per maand Loonkosten per maand - per 500 euro Loonkosten per maand - per 1000 euro Loonkosten per werkuur Loonkosten per werkuur - per 5 euro Loonkosten per werkuur - per 10 euro Loonkosten per werkuur - per 20 euro Loonkosten per betaald uur Loonkosten per betaald uur - per 5 euro Loonkosten per betaald uur - per 10 euro Loonkosten per betaald uur - per 20 euro Totaal bruto salaris per jaar Totaal bruto salaris per jaar - per 20000 euro Totaal bruto salaris per jaar - per 10000 euro Totaal bruto salaris per maand Totaal bruto salaris per maand - per 500 euro Totaal bruto salaris per maand - per 1000 euro Totaal bruto salaris per werkuur Totaal bruto salaris per werkuur - per 5 euro Totaal bruto salaris per werkuur - per 10 euro Totaal bruto salaris per werkuur - per 20 euro
179
170 171 172 173 174 175 176 177 178 179 180 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196 197 198 199 200 201 202 203 204 205 206 207 208 209 210 211 212 213 214 215 216 217 218 219 220 221 222 223 224 225 226 227
tbsbu atbslk atbslk10 atbslk20 abwglk abwglk10 abwglk20 btoem btoeu besm besu bspj bspj20 bspj10 bspm bspm500 bspm1000 bspwu bspwu5 bspwu10 bsj bsj20 bsj10 bsm bsm500 bsm1000 bswu bswu10 bswu20 bsbu tnsj tnsj20 tnsj10 tnsm tnsm500 tnsm1000 tnswu tnswu10 tnswu20 atnslk atnslk10 atnslk20 atnstbs atnstbs10 atnstbs20 nsj nsj20 nsj10 nsm nsm500 nsm1000 nswu nswu10 nswu20 gsd1 lfd1 lfd2 lfd3
Totaal bruto salaris per betaald uur Aandeel totaal bruto salaris in loonkosten - % Aandeel totaal bruto salaris in loonkosten - per 10% Aandeel totaal bruto salaris in loonkosten - per 20% Aandeel bijdragen werkgever in loonkosten - % Aandeel bijdragen werkgever in loonkosten - per 10% Aandeel bijdragen werkgever in loonkosten - per 20% Bruto toelagen per maand Bruto toelagen per werkuur Bruto extra salaris per maand Bruto extra salaris per werkuur Bruto salaris+ per jaar Bruto salaris+ per jaar - per 20000 euro Bruto salaris+ per jaar - per 10000 euro Bruto salaris+ per maand Bruto salaris+ per maand - per 500 euro Bruto salaris+ per maand - per 1000 euro Bruto salaris+ per werkuur Bruto salaris+ per werkuur - per 5 euro Bruto salaris+ per werkuur - per 10 euro Bruto salaris per jaar Bruto salaris per jaar - per 20000 euro Bruto salaris per jaar - per 10000 euro Bruto salaris per maand Bruto salaris per maand - per 500 euro Bruto salaris per maand - per 1000 euro Bruto salaris per werkuur Bruto salaris per werkuur - per 10 euro Bruto salaris per werkuur - per 20 euro Bruto salaris per betaald uur Totaal netto salaris per jaar Totaal netto salaris per jaar - per 20000 euro Totaal netto salaris per jaar - per 10000 euro Totaal netto salaris per maand Totaal netto salaris per maand - per 500 euro Totaal netto salaris per maand - per 1000 euro Totaal netto salaris per werkuur Totaal netto salaris per werkuur - per 10 euro Totaal netto salaris per werkuur - per 20 euro Aandeel totaal netto salaris in loonkosten - % Aandeel totaal netto salaris in loonkosten - per 10% Aandeel totaal netto salaris in loonkosten - per 20% Aandeel totaal netto salaris in totaal bruto salaris - % Aandeel totaal netto salaris in totaal bruto salaris - per 10% Aandeel totaal netto salaris in totaal bruto salaris - per 20% Netto salaris per jaar Netto salaris per jaar - per 20000 euro Netto salaris per jaar - per 10000 euro Netto salaris per maand Netto salaris per maand - per 500 euro Netto salaris per maand - per 1000 euro Netto salaris per werkuur Netto salaris per werkuur - per 10 euro Netto salaris per werkuur - per 20 euro Dummy Vrouwen Dummy Leeftijd 18-34 jaar Dummy Leeftijd 35-44 jaar Dummy Leeftijd 45-54 jaar
180
228 229 230 231 232 233 234 235 236 237 238 239 240 241 242 243 244 245 246 247 248 249 250 251 252 253 254 255 256 257 258 259 260 261 262 263 264 265 266 267 268 269 270 271 272 273 274 275 276 277 278 279 280 281 282 283
lfd4 lfdu1 lfdu2 lfdu3 adijd1 adijd2 adijd3 adijd4 niv5d1 niv5d2 niv5d3 niv5d4 niv5d5 wdjd1 wdjd2 wdjd3 wdjd4 std1 bdd1 entd1 entd2 hht1d1 hht1d2 hht1d3 hht1d4 hht1d5 hht2d1 hht2d2 hht2d3 ktl3d1 ktl3d2 niv1_gs1 niv1_gs2 niv2_gs1 niv2_gs2 niv3_gs1 niv3_gs2 niv4_gs1 niv4_gs2 niv5_gs1 niv5_gs2 niv1_lf1 niv1_lf2 niv1_lf3 niv2_lf1 niv2_lf2 niv2_lf3 niv3_lf1 niv3_lf2 niv3_lf3 niv4_lf1 niv4_lf2 niv4_lf3 niv5_lf1 niv5_lf2 niv5_lf3
Dummy Leeftijd 55+ jaar Dummy Leeftijd 18-39 jaar Dummy Leeftijd 40-49 jaar Dummy Leeftijd 50-64 jaar Dummy Dienstanciënniteit 0-5 jaar Dummy Dienstanciënniteit 5-15 jaar Dummy Dienstanciënniteit 15-25 jaar Dummy Dienstanciënniteit >25 jaar Dummy Functieniveau D Dummy Functieniveau C Dummy Functieniveau B Dummy Functieniveau A Dummy Functieniveau A+ Dummy Werkdagen/jaar 100-150 Dummy Werkdagen/jaar 175-200 Dummy Werkdagen/jaar 175-200 Dummy Werkdagen/jaar 200-220 Dummy Contractueel Dummy Bd Mobiliteit en Openbare Werken Dummy Entiteit 8 Dummy Entiteit 8 - niveau A Dummy Alleen - 1 ktl Dummy Alleen - 2+ ktl Dummy - Koppel - 0 ktl Dummy - Koppel - 1 ktl Dummy - Koppel - 2+ ktl Dummy Alleen - ktl Dummy Koppel - 0 ktl Dummy - Koppel - ktl Dummy 1 ktl Dummy 2+ ktl Dummy Niv. D - Vrouw Dummy Niv. D - Man Dummy Niv. C - Vrouw Dummy Niv. C - Man Dummy Niv. B - Vrouw Dummy Niv. B - Man Dummy Niv. A - Vrouw Dummy Niv. A - Man Dummy Niv. A+ - Vrouw Dummy Niv. A+ - Man Dummy Niv. D - 18-34 jr Dummy Niv. D - 35-49 jr Dummy Niv. D - 50+ jr Dummy Niv. C - 18-34 jr Dummy Niv. C - 35-49 jr Dummy Niv. C - 50+ jr Dummy Niv. B - 18-34 jr Dummy Niv. B - 35-49 jr Dummy Niv. B - 50+ jr Dummy Niv. A - 18-34 jr Dummy Niv. A - 35-49 jr Dummy Niv. A - 50+ jr Dummy Niv. A+ - 18-34 jr Dummy Niv. A+ - 35-49 jr Dummy Niv. A+ - 50+ jr
181
Publicatie van
Vlaamse overheid Dienst Diversiteitsbeleid - Agentschap Overheidspersoneel VSA - Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel