Skip to main content

dossier 2020-141.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/141

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/141

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 21 mei 2020 diende xxx een verzoek in bij de Vlaamse overheid, departement Omgeving, dienst Dierenwelzijn om inzage te verlenen in het dossier rond dierenwelzijn waarin tegen hem een klacht werd ingediend. Op 3 juni 2020 weigerde de dienst Dierenwelzijn het verzoek tot openbaarmaking. Op 3 juni 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen deze weigeringsbeslissing d.d. 3 juni 2020. Dit beroep werd geregistreerd op 4 juni 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Op 21 mei 2020 diende xxx een openbaarheidsverzoek in bij de dienst Dierenwelzijn De dienst heeft dit openbaarheidsverzoek afgewezen op 3 juni 2020. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheden en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, ยง1, derde lid van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Op 3 juni 2020 diende xxx beroep in tegen de voormelde weigeringsbeslissing. Het ingediende beroep is bijgevolg tijdig ingediend en is ontvankelijk.

www.vlaanderen.be


Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Bestreden beslissing

De dienst Dierenwelzijn weigert in te gaan op het verzoek van xxx op grond van art. II.36, §1, 1° van het Bestuursdecreet. Deze uitzonderingsgrond verplicht een milieu-instantie de aanvraag af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokkene met de openbaarmaking instemt. De dienst verwijst naar artikel 22 van de Grondwet dat het recht op eerbiediging van het privéleven waarborgt. Aangezien het onmiskenbaar vaststaat dat de identiteit van een persoon die een klacht indient tegen een andere persoon of een rechtspersoon deel uitmaakt van de persoonlijke levenssfeer en dat aldus dergelijke gegevens niet zonder meer mogen vrijgegeven worden, weigert de dienst Dierenwelzijn de openbaarmaking van de identiteit van de klager in het betreffende dossier.

2. Inhoud van het beroepschrift Beroeper stelt een vermoeden te hebben wie de indiener van de klacht is. Als zijn vermoeden klopt is deze klacht volgens hem totaal ongegrond en gaat dit over pesterijen aan zijn adres. Hij tekent daarom beroep aan.

3. Toelichting door de dienst Dierenwelzijn De beroepsinstantie contacteerde op 4 juni 2020 de dienst Dierenwelzijn voor toelichting bij de weigeringsbeslissing. Op 10 juni 2020 deelde de dienst Dierenwelzijn mee dat in het meldingsformulier dat de klacht bevat vermeld staat dat het invullen ervan een “snelle, vertrouwelijke en afdoende afhandeling” van de klacht garandeert. Deze bepaling werd nadrukkelijk bij het formulier vermeld om aan te geven aan de klager dat de door hem ingediende informatie vertrouwelijk wordt behandeld door de dienst Dierenwelzijn. Er wordt dus aangenomen dat de gegevens in vertrouwen door de klager aan de dienst werden bezorgd. Indien de klager, ondanks het feit dat hij door de vermelding op het meldingsformulier werd gerustgesteld dat zijn gegevens vertrouwelijk zouden worden behandeld, zou worden geconfronteerd met de beroeper aangaande zijn melding, is de kans eveneens reëel dat hij het vertrouwen in de dienst Dierenwelzijn kwijt is en hij bijgevolg bij eventueel toekomstige dierenwelzijnsproblemen bij de beroeper of elders, hiervan geen melding meer zal willen doen bij de dienst Dierenwelzijn.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/141

pagina 2 van 5


Voorts situeert de dienst Dierenwelzijn de inhoud van de klacht en bezorgt zij hiervan een afschrift aan de beroepsinstantie. De dienst Dierenwelzijn verwijst naar artikel 22 van de Grondwet dat uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven waarborgt. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.36,§1, 1° van het decreet van 7 december 2018 bedoelde uitzonderingsgrond bestaat erin om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De identiteit van een persoon en de gegevens met betrekking tot zijn woonplaats zijn ontegensprekelijk gegevens die kaderen binnen het privéleven van de klager. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer en de vrijgave van de inhoud van de klacht en de daarmee gepaard gaande persoonlijke gegevens zou afbreuk doen aan deze persoonlijke levenssfeer. De klacht bestaat grosso modo uit twee delen, nl. de identiteitsgegevens van de klager enerzijds en de inhoud van de klacht anderzijds. Aangezien de openbaarmaking van één van deze delen automatisch zou inhouden dat de beroeper de identiteit van de klager zou kennen, werd (omwille van hierboven aangehaalde redenen) een gedeeltelijke openbaarmaking niet overwogen.

4. Standpunt van de beroepsinstantie Het Bestuursdecreet maakt voor wat betreft de uitzonderingsgronden een onderscheid tussen enerzijds bestuursdocumenten die milieu-informatie bevatten en anderzijds bestuursdocumenten die geen milieuinformatie bevatten. Artikel I.4, 11° van het Bestuursdecreet somt gedetailleerd op wat onder milieuinformatie moet verstaan worden. De identiteit van de klager als zodanig wordt door de beroepsinstantie niet als milieu-informatie beschouwd. De inhoud van de klacht daarentegen kan wel als milieu-informatie worden beschouwd. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bepaalt dat een overheidsinstantie het verzoek voor wat betreft andere dan milieu-informatie afwijst als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen.

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/141

pagina 3 van 5


De beroepsinstantie merkt op dat bij onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De persoonsgegevens met betrekking tot de klachtindiener behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokken indiener van de melding of klacht. Het vrijgeven van deze gegevens zou wel degelijk een inbreuk uitmaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. Het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is, na inzage van de betrokken melding, van oordeel dat deze inderdaad elementen bevat zoals naamgegevens, adresgegevens, persoonlijk mailadres, telefoon- en/of gsm-nummer en dat deze tot de persoonlijke levenssfeer van de klachtindiener behoort. Het algemene, publieke belang dat met een openbaarmaking van deze gegevens zou worden gediend, weegt in casu niet op tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van gegevens van personen die bij de dienst Dierenwelzijn meldingen doen van mogelijk misbruik of verwaarlozing van dieren afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat dergelijke gegevens toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken personen. Het Bestuursdecreet voorziet eveneens dat de beroepsinstantie de betrokkenen hiervoor contacteert, indien de bestuursinstantie het niet zelf heeft gedaan. De dienst Dierenwelzijn stelt dat op het online-formulier dat moet dienen om een melding of klacht in te dienen vermeld staat dat klachten door de dienst Dierenwelzijn op discrete wijze behandeld worden om aan te tonen waarom zij geen toestemming heeft gevraagd aan de klachtindiener om alsnog tot openbaarmaking van diens persoonsgegevens over te gaan. Met een dergelijke vermelding op een in te vullen webformulier kan men echter de werking van het Bestuursdecreet en meer bepaald de toestemmingsvereiste vervat in artikel II.34, 2° niet buiten werking stellen. Daarom deed de beroepsinstantie zelf op 23 juni 2020 alsnog navraag bij de klachtindiener. Dezelfde dag ontving zij van de klachtindiener de melding dat er geen toestemming tot openbaarmaking wordt verleend. De beroepsinstantie besluit bijgevolg dat de dienst Dierenwelzijn terecht de openbaarmaking van gegevens van de persoon die vermeld worden in het klachtformulier geweigerd heeft in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Het beroep wordt voor dit onderdeel bijgevolg ongegrond verklaard. Voor wat betreft de inhoud van de klacht die wél betrekking heeft op milieu-informatie dient gesteld te worden dat dit gaat om vrijwillig meegedeelde en uitdrukkelijk als vertrouwelijk bestempelde informatie. Volgens artikel II.36, § 1, 5° van het Bestuursdecreet wijst een bestuursinstantie een aanvraag tot openbaarmaking af wanneer de bescherming van de milieu-informatie die een derde heeft verstrekt zonder //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/141

pagina 4 van 5


dat hij daartoe verplicht is, en die hij uitdrukkelijk als vertrouwelijk heeft bestempeld, tenzij die persoon met de openbaarmaking instemt. In casu kan de klacht die werd ingediend via het daartoe voorziene meldingsformulier als een document beschouwd worden waarvan gesteld kan worden dat het belang van de openbaarmaking ervan niet opweegt tegen het vertrouwelijk karakter van de klacht, gelet op de context zoals die blijkt uit de ingediende klacht. Ook hier dient echter opgemerkt te worden dat men met een vermelding op een in te vullen webformulier dat de klacht vertrouwelijk zal worden behandeld echter de werking van het Bestuursdecreet en meer bepaald de toestemmingsvereiste vervat in artikel II.36, § 1, 5° van het Bestuursdecreet niet buiten werking kan stellen. Daarom deed de beroepsinstantie zelf op 23 juni 2020 alsnog navraag bij de klachtindiener. Dezelfde dag ontving zij van de klachtindiener de melding dat er geen toestemming tot openbaarmaking wordt verleend. Het beroep wordt bijgevolg ook voor dit onderdeel ongegrond geacht. Op 19 juni 2020 deelde de dienst Dierenwelzijn mee aan de beroepsinstantie dat het klachtdossier ook nog een kort controleverslag bevat. De dienst Dierenwelzijn stelt geen bezwaar te hebben tegen de openbaarmaking van dit verslag. Het beroep wordt voor dit onderdeel bijgevolg als gegrond beschouwd. Om deze redenen wordt het beroep als deels ongegrond en deels gegrond beschouwd

BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 3 juni 2020 tegen de weigeringsbeslissing van de dienst Dierenwelzijn aangaande zijn verzoek tot inzage van het dossier houdende de klacht die tegen hem werd ingediend wordt als ontvankelijk en deels gegrond en deels ongegrond beschouwd. Bijgevolg dient er inzage verleend te worden in het kort controleverslag van de dienst Dierenwelzijn.

Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om het/de gevraagde bestuursdocument(en) te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Brussel, 29 juni 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// // https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/141

pagina 5 van 5


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
dossier 2020-141.pdf by Vlaanderen-be - Issuu