JAARVERSLAG GROEIPAKKET 2020
Opgroeien
GROEIPAKKET
VOORWOORD INTRODUCTIE: OPZET EN INHOUD VAN HET JAARVERSLAG Wat is opgenomen in dit jaarverslag en hoe is het opgebouwd?
GEZINSBIJSLAGEN Basisbedrag Cijfers op kindniveau Cijfers op gezinsniveau Kinderen geplaatst in een instelling
Sociale toeslagen Cijfers op kindniveau Cijfers op gezinsniveau
Zorgoeslagen Wezentoeslag Cijfers op kindniveau Cijfers op gezinsniveau Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte Cijfers over toegekende zorgtoeslagen Cijfers over aanvragen en beslissingen Pleegzorgtoeslag
Startbedragen geboorte en adoptie Universele participatietoeslag (Schoolbonus)
SELECTIEVE PARTICIPATIETOESLAG (SCHOOLTOESLAG) ANDERE TOELAGEN Kinderopvangtoeslag Kleutertoeslag Covid-19-Toeslag Coronatoeslag
BUDGETTAIR KADER BIJLAGE Bedragen kinderen geboren voor 1 januari 2019 Bedragen kinderen geboren na 1 januari 2019 Bedragen voor alle kinderen
3 4 4 5 5 6 8 9 10 11 12 13 13 13 14 15 15 17 17 19 20 21 24 24 25 26 26 27 33 33 34 35
VOORWOORD Sinds 1 januari 2019 heeft de Vlaamse overheid het Groeipakket ingevoerd, de nieuwe Vlaamse kinderbijslag. Dit is het tweede jaarverslag Groeipakket waarin we rapporteren over de belangrijkste cijfers: Hoeveel kinderen hebben recht op een Groeipakket? Wie heeft recht op welke bedragen en toeslagen? Wat zijn de kosten van het geheel en de verschillende componenten? … Via de periodieke rapportering willen we een duidelijk jaarlijks overzicht bieden, waardoor er over verschillende jaren kan worden vergeleken. Op die manier kan de financiële ondersteuning aan kinderen en gezinnen opgevolgd en waar nodig bijgestuurd worden zodat we een kansrijk opgroeiklimaat creëren dat zorgt voor kansrijke generaties. Dit jaar werden de interactieve dashboards uitgebreid. Naast aparte dashboards voor basisbedragen, sociale toeslagen, zorgtoeslagen en gezinstypes, bieden we nu ook een exclusieve inkijk op lokaal niveau (stad/gemeente, provincie) aan. De dashboards vormen zo een draaischijf van informatie die de samenwerking met partners, lokaal of beleidsmatig, kan ondersteunen. Onze dank gaat uit naar de vijf uitbetalers Groeipakket. Op basis van hun input en verwerking van gegevens in de centrale Groeipakketapplicatie, kunnen we dit totaalbeeld van het Groeipakket samenstellen. Dank ook aan het IT-team, team beleidsonderbouwing, de collega’s van het Agentschap Uitbetaling Groeipakket en al wie zijn steentje bijdroeg om de realisatie van het Groeipakket verder te optimaliseren. We wensen je veel leesplezier!
Katrien Verhegge, administrateur-generaal Opgroeien
Leo Van Loo, gedelegeerd bestuurder Agentschap Uitbetaling Groeipakket
3
INTRODUCTIE: OPZET EN INHOUD VAN HET JAARVERSLAG Wat is opgenomen in dit jaarverslag en hoe is het opgebouwd? In dit jaarverslag worden cijfers over alle kinderen en gezinnen met recht op een Groeipakket in 2020 gepresenteerd. De cijfers zijn gebaseerd op gegevens van de vijf uitbetalers. We brengen telkens de evolutie van de totaalcijfers van vorig jaar die in het jaarverslag 2019 werden opgenomen. Voor de toeslagen die maandelijks worden uitbetaald, schetsen we de cijfers van december 2020. Voor de toeslagen die eenmalig worden uitbetaald (startbedragen, kleutertoeslagen) nemen we het geheel van de uitbetaalde toeslagen mee, waar mogelijk per maand. Voor kinderopvangtoeslagen geven we mee hoeveel kinderen per maand recht hadden op minstens een toeslag voor een halve dag aanwezigheid. We schetsen eerst cijfers over de gezinsbijslagen (basisbedragen, leeftijdstoeslagen, sociale toeslagen, zorgtoeslagen, de startbedragen en de universele participatietoeslag/schoolbonus) en daarna cijfers over de participatietoeslagen (de selectieve participatietoeslag/schooltoeslag, de kinderopvangtoeslag en de kleutertoeslag). Ten derde voorzien we cijfers over twee maatregelen die naar aanleiding van de coronacrisis uitzonderlijk werden toegekend: de COVID-19-toeslag en de Coronatoeslag. Afsluitend nemen we ook een financieel overzicht op dat per onderdeel van het Groeipakket weergeeft wat de kosten ervan zijn. We geven de cijfers weer voor elk onderdeel van het Groeipakket op kindniveau, maar ook zoveel mogelijk op gezinsniveau. In dit jaarverslag vind je dus niet enkel het aantal kinderen, maar ook het aantal gezinnen waarvan minstens één kind geniet van het basisbedrag of een toeslag. We voorzien per onderdeel steeds in een korte toelichting over de betreffende bedragen, toeslagen en begrippen. Gegevens op kindniveau presenteren we waar mogelijk opgesplitst per leeftijdsklasse.
4
GEZINSBIJSLAGEN De gezinsbijslagen worden toegekend aan alle kinderen die in Vlaanderen wonen of toegelaten en gemachtigd zijn om er te verblijven. De gezinsbijslagen zijn onvoorwaardelijk tot en met de 18e verjaardag van het kind en kunnen maximaal tot en met de 25e verjaardag doorlopen als het kind voldoet aan de voorwaarden. Een aantal personen ouder dan 25 jaar krijgt echter ook gezinsbijslagen, omwille van verworven rechten uit de vroegere federale kinderbijslagregeling. Het gaat om personen die geboren zijn vóór 1 juli 1966 en die erkend zijn als volledig arbeidsongeschikt of tewerkgesteld zijn in een beschutte werkplaats. Zij hebben zonder leeftijdsbeperking recht op gezinsbijslagen. Ze hebben recht op het basisbedrag, een specifieke leeftijdsbijslag en een eventuele sociale toeslag voor eenoudergezinnen. Het gaat hier om een groep met verworven rechten die jaar na jaar afneemt.
Basisbedrag Sinds de hervorming kunnen de basisbedragen opgedeeld worden in twee grote categorieën: de transitiebedragen en de nieuwe bedragen. De nieuwe bedragen worden uitbetaald aan kinderen die sinds 1 januari 2019: - geboren zijn - naar Vlaanderen zijn verhuisd vanuit het buitenland - een (eerste) ouder hebben verloren - in een instelling waren geplaatst vóór 2019 en van wie de plaatsing ondertussen is gestopt1. De transitiebedragen uit de federale kinderbijslagregeling worden uitbetaald aan kinderen geboren vóór 1 januari 2019 en bestaan uit drie verschillende rangbedragen: een laag (95,81 euro), midden (177,28 euro) en hoog (259,46 euro) basisbedrag en een verhoogde wezenbijslag (368,05 euro). De gewone wezenbijslag komt overeen met de rangbedragen. Ten slotte zijn er gezinnen waar een of meer kinderen geplaatst zijn en waarbij de proportionele verdeling wordt toegepast2. Dat betekent dat het totaal aan gezinsbijslagen gelijk wordt verdeeld over het aantal kinderen. Kinderen geboren vóór 1 januari 2019 behouden het recht op de rangbedragen en het recht op de leeftijdsbijslagen. Die worden toegekend vanaf 6 jaar en worden verhoogd op de leeftijd van 12 en 18 jaar.
1
Het gaat hier om kinderen die geplaatst waren met een 1/3-2/3-regeling, waarbij het 1/3 op een geblokkeerde rekening werd gestort. Na het beëindigen van de plaatsing krijgen zij de nieuwe bedragen.
2
Dit is enkel het geval voor kinderen die op 31 december 2018 al geplaatst waren in een instelling. Voor kinderen die vanaf 1 januari 2019 geplaatst (of herplaatst) zijn, geldt die proportionele verdeling niet.
5
Alle kinderen zijn gelijk. Daarom koos Vlaanderen voor een vast basisbedrag van 166,46 euro voor elk kind. Kinderen die een ouder verloren, ontvangen de helft van dat basisbedrag als zorgtoeslag. Kinderen die twee ouders verloren, krijgen het basisbedrag als zorgtoeslag in hun Groeipakket. Naast de transitiebedragen en nieuwe bedragen is er nog een derde categorie die we kunnen onderscheiden. België heeft bilaterale overeenkomsten gesloten met een aantal landen: Algerije, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Marokko, Montenegro, Servië, Tunesië, Turkije en Israël. Elke overeenkomst bevat specifieke voorwaarden voor het recht op kinderbijslag vanuit een van de Belgische entiteiten. Wanneer een van de ouders sociaal verzekerd is in Vlaanderen, kan er recht zijn op het Vlaamse Groeipakket.
Cijfers op kindniveau Tabel 1 geeft het aantal kinderen weer dat een Groeipakket ontvangt, opgesplitst volgens de categorieën van bedragen zoals hierboven toegelicht. Regeling
Basisbedragen
Totaal 2019
Leeftijdsklasse
Totaal 2020
Aantal
Aandeel
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
+25 jaar
Aantal
1.513.418
94,9%
268.074
442.314
434.181
290.719
9.444
1.444.732
89,9%
Rangbedrag laag
812.717
51,0%
219.323
227.031
193.666
131.271
9.200
780.491
48,6%
Rangbedrag midden
481.805
30,2%
43.656
164.742
154.542
98.021
163
461.124
28,7%
Rangbedrag hoog
196.213
12,3%
4.631
47.791
79.361
53.471
25
185.279
11,5%
Verhoogde wezenbijslag
17.275
1,1%
305
2.106
5.327
7.371
0
15.076
0,9%
Proportionele verdeling
5.408
0,3%
159
644
1.285
615
56
2.759
0,2%
Bilaterale overeenkomsten
706
0,0%
139
203
171
116
0
629
0,0%
Kinderen met nieuwe bedragen
80.724
5,1%
135.015
9.781
10.252
6.586
0
161.634
10,1%
Basisbedrag nieuw
77.920
4,9%
134.538
8.643
8.338
4.582
0
156.101
9,7%
Half wees
2.768
0,2%
474
1.124
1.892
1.981
0
5.471
0,3%
Volledig wees
36
0,0%
3
14
22
23
0
62
0,0%
1.594.848
100,0%
403.228
9.444
1.606.995
100,0%
Kinderen met transitiebedragen
Totaal
452.298
444.604 297.421
Aandeel
Tabel 1: Aantal kinderen met recht op een Groeipakket eind 2019 en 2020 – volgens regeling (kinderen met transitiebedragen, bilaterale overeenkomsten en kinderen met nieuwe bedragen), basisbedrag en leeftijdsklasse
6
Eind 2020 waren er 1.606.995 kinderen in Vlaanderen met recht op een van de basisbedragen. Dat is een toename met 12.147 kinderen in vergelijking met de situatie eind 2019. 1 op de 10 kinderen krijgt de nieuwe basisbedragen uit het Groeipakket. Samen met het basisbedrag wordt aan kinderen met transitiebedragen ook een leeftijdsbijslag betaald. Die wordt voor het eerst toegekend op de leeftijd van 6 jaar en wordt verhoogd op de leeftijd van 12 en 18 jaar. De oudste kinderen krijgen slechts de helft van die leeftijdsbijslag, tenzij er ook een sociale toeslag of een toeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte wordt toegekend. Weeskinderen die een verhoogde wezenbijslag ontvangen, krijgen ook de volledige leeftijdsbijslag. Tabel 2 geeft het aantal kinderen weer met en zonder leeftijdsbijslag in december 2020. Type leeftijdsbijslag
Totaal 2019
Leeftijdsklasse
Totaal 2020
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
+25 jaar
Volledige leeftijdsbijslag
671.891
0
288.188
262.045
127.090
1.375
678.698
Gehalveerde leeftijdsbijslag
504.125
0
154.329
172.307
163.745
8.069
498.450
Geen leeftijdsbijslag
418.832
403.228
9.781
10.252
6.586
0
429.847
Totaal
1.594.848 1.594.848
403.228
452.298
444.604
297.421
9.444
1.606.995
Tabel 2: Aantal kinderen met recht op een leeftijdsbijslag eind 2019 en 2020 – volgens type leeftijdsbijslag en leeftijdsklasse
De vergelijking van de aantallen in tabel 2 toont aan dat er een duidelijke toename is van het aantal kinderen met een volledige leeftijdsbijslag. Die toename kan voornamelijk verklaard worden door de toename van het aantal kinderen met een sociale toeslag (zie verder). Kinderen met recht op een sociale toeslag hebben immers recht op de volledige leeftijdsbijslag. Het aantal kinderen zonder leeftijdsbijslag is toegenomen, hoewel het aantal kinderen met een Groeipakket onder de 6 jaar lager ligt dan in 2019. De stijging komt er dus door de toename van kinderen zonder leeftijdsbijslag in de categorieën ouder dan 6 jaar.
7
Cijfers op gezinsniveau In tabel 3 wordt het aantal gezinnen weergegeven volgens het gezinstype. We onderscheiden vier gezinstypes op basis van de categorieën van bedragen: - Gezin met enkel kinderen met nieuwe bedragen: dit gezin telt enkel kinderen die recht hebben op de bedragen uit het Groeipakket. - Gezin met enkel kinderen met transitiebedragen: dit gezin telt enkel kinderen die nog de basisbedragen uit de 'oude' kinderbijslagregeling ontvangen. - Gezin met enkel kinderen in bilaterale overeenkomsten: dit gezin telt enkel rechtgevende kinderen die kinderbijslag ontvangen in het kader van een bilaterale overeenkomst. - Combinatiegezin: dit gezin telt zowel kinderen met nieuwe bedragen als kinderen met transitiebedragen.
2019
2020
Type gezin
Aantal gezinnen
Aandeel
Aantal gezinnen
Aandeel
Gezin met enkel kinderen met nieuwe bedragen
45.072
5,1%
85.812
9,5%
Gezin met enkel kinderen met transitiebedragen
815.686
91,8%
757.083
84,2%
Gezin met enkel kinderen in bilaterale overeenkomst
362
0,0%
309
0,0%
Combinatiegezin
27.698
3,1%
56.288
6,3%
Totaal
888.818
100,0% 100,0%
899.492
100,0%
Tabel 3: Aantal gezinnen met recht op een Groeipakket eind 2019 en 2020 – volgens gezinstype
8
Kinderen geplaatst in een instelling Wanneer een kind geplaatst wordt in een instelling ontvangt de instelling of het Fonds Jongerenwelzijn twee derde van de gezinsbijslagen voor het kind. Een derde van de gezinsbijslagen gaat naar de begunstigde voor de plaatsing of wordt gestort op een andere rekening, meestal een rekening op naam van het kind. Tabel 4 geeft weer aan wie dat deel dan uitbetaald wordt. Leeftijdsklasse
Totaal
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
Rekening kind
105
439
1.242
424
2.210 2.210
Begunstigde vóór plaatsing
348
1.625
3.249
919
6.141 6.141
Totaal
453
2.064
4.491
1.343
8.351
Tabel 4: Aantal kinderen die geplaatst zijn in een instelling eind 2020 – volgens leeftijdsklasse en persoon aan wie het een derde wordt uitbetaald
9
Sociale toeslagen De sociale toeslag is er voor gezinnen die met hun inkomen de opvoedingskosten moeilijker kunnen dragen. De toeslag is bedoeld om de draagkracht van minder kapitaalkrachtige gezinnen te vergroten en is afhankelijk van het inkomen en de gezinsgrootte. Wanneer de voorwaarden zijn vervuld, ontvangen alle kinderen van het gezin automatisch een sociale toeslag. De belangrijkste vernieuwing hier is dat er een nieuw systeem van inkomensselectiviteit werd ingevoerd: - Het recht op een sociale toeslag wordt onderzocht voor alle gezinnen, ongeacht de socioprofessionele status. De inkomensgegevens worden automatisch opgevraagd en ingelezen. - Het inkomensbegrip houdt beter rekening met de draagkracht van het gezin. - Naast de inkomensgrens van 31.605,89 euro voor alle gezinnen, is er voor nieuwe grote gezinnen (gezinnen met minstens drie kinderen, van wie minstens een kind het nieuwe basisbedrag ontvangt) een extra inkomensgrens van 62.424 euro (middeninkomens). De kinderen in het gezin met een nieuw basisbedrag ontvangen het nieuwe bedrag van de sociale toeslag. De andere kinderen (met transitiebedragen als basisbedrag) ontvangen de transitiebedragen van de sociale toeslag.
10
Cijfers op kindniveau Tabel 5 geeft per leeftijdsklasse weer hoeveel kinderen in het Groeipakket in 2020 een sociale toeslag kregen en over welk type bedrag het ging. Regeling
Sociale toeslagen
Kinderen met transitiebedragen
Aandeel
Leeftijdsklasse 0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
+ 25 jaar
Totaal 2020
Aandeel
330.681 320.681
93,5%
64.699
103.459
95.781
57.079
1.195
322.213 322.213
86,2% 862%
Kind met hoogste toeslagbedrag
144.881
40,9%
47.188
43.265
32.071
20.782
0
143.306
38,3%
Kind met middelste toeslagbedrag
94.652
26,7%
11.578
36.632
29.361
16.284
0
93.855 93.855
25,1%
Kind met laagste toeslagbedrag
44.511
12,6%
1.470
13.277
18.520
9.458
0
42.725 42.725
11,4% 11,4%
Kind met toeslag ziekte & invaliditeit
23.437
6,6%
3.685
5.744
6.624
4.563
0
20.616
5,5%
Kind met toeslag eenoudergezin
20.601
5,8%
704
4.244
8.641
5.774
1.195
20.558
5,5%
Proportionele verdeling
2.599
0,7%
74
297
564
218
0
1.153 1.153
0,3%
23.174
6,5%
37.140
4.868
5.858
3.748
0
51.614 51.614
13,8% 6,5%
Gezin met laag inkomen en een of twee kinderen
10.783
3,0%
17.109
1656
2.761
2.591
0
24.117 24.117
6,5%
Gezin met laag inkomen en > twee kinderen
7.277
2,1%
10.046
2.679
2.535
844
0
16.104
4,3%
Gezin met middeninkomen en > twee kinderen
5.114
1,4%
9.985
533
562
313
0
11.393
3,0%
353.855 353.855
100,0%
101.639
60.827
1.195
373.827
100,0%
Kinderen met nieuwe bedragen
Totaal
Totaal 2019
101.839 108.327
Tabel 5: Aantal kinderen met een sociale toeslag eind 2019 en 2020 – volgens regeling, type sociale toeslag en leeftijdsklasse
11
Eind december 2020 waren er 373.827 kinderen met een sociale toeslag. Dat is een toename met 19.972 kinderen (5,6%) ten opzichte van december 2019. De toename doet zich hoofdzakelijk voor bij de sociale toeslagen voor middeninkomens, zoals blijkt uit tabel 6. In december 2019 waren er 15.318 kinderen in een gezin met een middeninkomen met een sociale toeslag, In december 2020 was dat aantal gestegen tot 32.216 kinderen. Dat is meer dan een verdubbeling (+110,3%). Die toename is logisch en was voorspeld omdat het recht op een sociale toeslag voor middeninkomens pas ontstaat als er minstens een kind met het nieuwe basisbedrag aanwezig is in het gezin met minstens 3 kinderen. 2019
Kinderen met nieuwe bedragen Kinderen met transitiebedragen Totaal
2020
inkomens onder de laagste inkomensgrens
inkomen tussen de laagste en hoogste inkomensgrens
inkomens onder de laagste inkomensgrens
inkomen tussen de laagste en hoogste inkomensgrens
18.060
5.114
40.221
11.393
320.477
10.204
301.390
20.823
338.537
15.318 15.318
341.611 341.611
32.216
Tabel 6 : Aantal kinderen met een sociale toeslag eind 2019 en 2020 – volgens inkomenscategorie
Eind 2018 waren er in de federale regeling 175.174 kinderen met een sociale toeslag. In 2020 zijn dat er 198.653 meer. Een stijging die slechts ten dele te wijten is aan de toeslagen voor grote gezinnen met een middeninkomen. Want als we zuiver vergelijken en enkel kijken naar de kinderen met een inkomen onder de laagste inkomensgrens dan tellen we eind 2020 166.437 kinderen meer met sociale toeslagen dan in 2018. Een evolutie die vooral het gevolg is van de loskoppeling van de statuten en de automatische rechtentoekenning.
Cijfers op gezinsniveau Tabel 7 geeft het aantal gezinnen weer met een sociale toeslag. 2019 Inkomenscategorie
2020
Aantal
Aandeel
Aantal
Aandeel
187.598
21,1%
197.797
22,0%
181.801
20,5%
186.039
20,7%
5.797
0,7%
11.758
1,3%
Gezinnen zonder een sociale toeslag
701.220
78,9%
701.695
78,0%
Totaal Totaal
888.818
100% 100%
899.492 988.492
100%
Gezinnen met een sociale toeslag inkomen onder de laagste inkomensgrens inkomen tussen de laagste en hoogste inkomensgrens
Tabel 7: Aantal gezinnen met en zonder een sociale toeslag eind 2019 en 2020
Het aantal gezinnen dat een sociale toeslag ontvangt, is gestegen van 187.598 eind december 2019 tot 197.797 eind december 2020.
12
Zorgoeslagen Het Groeipakket onderscheidt drie soorten zorgtoeslagen: een wezentoeslag voor kinderen die een of beide ouders verloren, een toeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte en een pleegzorgtoeslag voor kinderen die in een pleeggezin worden opgevangen.
Wezentoeslag Voor wezen verschilt de regeling naargelang het tijdstip waarop het kind de ouder(s) verloor. - De nieuwe regeling voor de wezentoeslag wordt toegepast voor alle kinderen die na 1 januari 2019 voor het eerst een ouder verliezen. Verliest een kind een ouder, dan krijgt het bovenop het basisbedrag van 166,46 euro een halfwezentoeslag van 83,23 euro. Een kind dat beide ouders heeft verloren sinds 1 januari 2019 ontvangt bovenop het basisbedrag van 166,46 euro een wezentoeslag van 166,46 euro. Beide toeslagen worden betaald zolang het kind recht heeft op gezinsbijslagen, dus ook voor de kinderen van wie de overlevende ouder eventueel een nieuw gezin vormt. - Kinderen die hun ouder(s) verloren voor 2019, behouden hun wezentoeslag volgens de oude regelgeving (verhoogde wezenbijslag). Dat wil zeggen dat de toeslag behouden blijft zolang de overlevende ouder niet gaat samenwonen of hertrouwt. Gebeurt dat wel, dan ontvangt het kind de gewone wezenbijslag, wat overeenkomt met de rangbedragen.
Cijfers op kindniveau Tabel 8 geeft aan hoeveel kinderen er eind 2020 welk type wezentoeslag kregen. Regeling
Type wezentoeslag
Leeftijdsklasse
Totaal 2020
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
17.275
305
2.106
5.327
7.341
15.079 15.079 18.957
17.275
305
2.106
5.327
7.341
15.079
2.804
477
1.138
1.914
2.004
5.533
Halfwees
2.768
474
1124
1892
1981
5.471
Volle wees
36
3
14
22
23
62
20.079
782
3.244
7.241
9.345
20.612
Kinderen met transitiebedragen
Verhoogde wezenbijslag Kinderen met nieuwe bedragen
Totaal Totaal
Totaal 2019
Tabel 8: Aantal kinderen met een wezentoeslag eind 2019 en 2020 – volgens regeling, type wezentoeslag en leeftijdsklasse
13
Het aantal kinderen dat een ouder verloren heeft is licht toegenomen. Eind 2019 waren er 20.079 kinderen met een wezentoeslag. Eind 2020 waren er 15.079 kinderen met een verhoogde wezenbijslag en daarnaast nog 62 kinderen met een volle wezentoeslag en 5.471 kinderen met een halfwezentoeslag. Dat maakt in totaal 20.612 weeskinderen met een wezentoeslag. Bovendien waren er ook nog 3.878 kinderen onder de 25 jaar die voor 2019 hun ouder(s) verloren hebben, maar toch de gewone wezenbijslag (de rangbedragen) ontvingen. Zij ontvangen geen bijkomende ondersteuning omdat de overlevende ouder samenwoont of hertrouwd is. Bij het Groeipakket kunnen nieuwe weeskinderen hun wezentoeslag combineren met een sociale toeslag, Tabel 9 toont het aantal kinderen dat een nieuwe wezentoeslag combineert met een sociale toeslag. 61,0% van de nieuwe halfwezen en 67,7% van de nieuwe volle wezen ontvangt een sociale toeslag. Dat is een kleine toename ten opzichte van 2019. Toen had 59,3% van de halfwezen en 66,7% van de volle wezen recht op een sociale toeslag. Halfwezen
Volle wezen
Aantal
Aandeel
Aantal
Aandeel
Gezin met laag inkomen en een of twee kinderen
1.973
36,1%
28
45,2%
Gezin met laag inkomen en > twee kinderen
991
18,1%
7
11,3%
Gezin met middeninkomen en > twee kinderen
374
6,8%
7
11,3%
Totaal met een sociale toeslag
3.338
61,0%
42
67,7%
Totaal zonder een sociale toeslag
2.133
39,0%
20
32,3%
Totaal
5.471
100,0%
62
100,0%
Tabel 9: Aantal kinderen met een wezentoeslag (nieuwe regeling) eind 2020 – volgens type sociale toeslag
Cijfers op gezinsniveau Tabel 10 geeft het aantal gezinnen weer met een wezentoeslag eind 2020. Het aantal is met bijna 400 toegenomen. Type wezentoeslag
Aantal 2019
Aantal 2020
Verhoogde wezenbijslag
11.776
10.379
Half wees
1.784
3.552
Volledig wees
31
56
Totaal
13.591
13.987
Tabel 10: Aantal gezinnen met wezentoeslag eind 2019 en 2020 – volgens type wezentoeslag
14
Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte Sommige kinderen hebben als gevolg van een beperking of handicap een specifieke ondersteuningsbehoefte. Zij hebben maandelijks recht op een extra bedrag bovenop het basisbedrag. Het bedrag van de zorgtoeslag hangt af van de mate waarin het kind meer ondersteuning nodig heeft dan zijn of haar leeftijdsgenoten. De graad van ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld door een evaluerend arts. Die artsen worden daartoe erkend door Opgroeien. Een evaluerend arts maakt gebruik van de medisch-sociale schaal om de ondersteuningsbehoefte zo objectief mogelijk vast te stellen. Drie pijlers omvatten zowel de lichamelijke en geestelijke gevolgen van de aandoening als de gevolgen voor het dagelijkse leven van het kind en de gevolgen voor het gezinsleven. Het kind kan maximaal 36 punten scoren op de drie pijlers samen. Het bedrag hangt af van het aantal punten per pijler. Een klein aantal jongeren en volwassenen ontvangt nog een zorgtoeslag op basis van een evaluatie aan de hand van de zelfredzaamheidsschaal, die inmiddels niet meer wordt toegepast.
Cijfers over toegekende zorgtoeslagen Er werd in 2020 een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte betaald voor 38.736 kinderen in 35.360 gezinnen. Onderstaande tabel bevat ook cijfers over 2019, namelijk de cijfers die in het jaarverslag 2019 stonden en ook in de online dashboards zijn opgenomen. Deze cijfers weerspiegelen de situatie in februari 2020. De afhandeling van aanvragen voor zorgtoeslagen vergt echter tijd en gaat vaak gepaard met retro-actieve toekenningen. Om deze reden, maar ook omdat de cijfers over 2020 pas in april 2021 werden getrokken, moet de evolutie tussen 2019 en 2020 voorzichtig geïnterpreteerd worden.
15
Systeem
Puntcategorie
Totaal 2020
Leeftijdsklasse 0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-21 jaar
37.713
3.847
12.818
15.283
6.787
38.735
Minstens 4 punten in pijler 1 en minder dan 6 punten over de 3 pijlers
27
10
3
5
2
20
Minder dan 4 punten in pijler 1 en 6-8 punten over de 3 pijlers
19.949
1.507
7.308
8.791
3113
20.719
Minstens 4 punten in pijler 1 en 6-8 punten over de 3 pijlers
550
87
63
156
166
472
Minder dan 4 punten in pijler 1 en 9-11 punten over de 3 pijlers
4.969
742
2.003
1.696
717
5.158
Minstens 4 punten in pijler 1 en 9-11 punten over de 3 pijlers
2.504
233
450
999
732
2.414
1.194
235
461
347
142
1.185
3.407
342
915
1.284
877
3.418
136
36
61
40
14
151
1.944
246
652
760
389
2.047
33
6
9
11
7
33
Minstens 4 punten in pijler 1 en 18-20 punten over de 3 pijlers
1.297
198
383
492
280
1.353
Minder dan 4 punten in pijler 1 en meer dan 20 punten over de 3 pijlers
20
3
3
7
3
16
Minstens 4 punten in pijler 1 en meer dan 20 punten over de 3 pijlers
1.683
202
507
695
345
1.749
8
0
0
0
1
1
Zelfredzaamheidsgraad 0-3
4
0
0
0
0
0
Zelfredzaamheidsgraad 4-6
1
0
0
0
1
1
Zelfredzaamheidsgraad 7-9
3
0
0
0
0
0
37.721
3.847
12.818
15.283
6.788
38.736
Medisch-sociale schaal
Minder dan 4 punten in pijler 1 en 12-14 punten over de 3 pijlers
Minstens 4 punten in pijler 1 en 12-14 punten over de 3 pijlers Minder dan 4 punten in pijler 1 en 15-17 punten over de 3 pijlers
Minstens 4 punten in pijler 1 en 15-17 punten over de 3 pijlers Minder dan 4 punten in pijler 1 en 18-20 punten over de 3 pijlers
Zelfredzaamheidsschaal
Totaal
Totaal 2019
Tabel 11: Aantal kinderen met een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte eind 2019 en 2020 – volgens systeem, puntencategorie en leeftijdsklasse
16
Cijfers over aanvragen en beslissingen De bevoegdheid om de evaluatie van de ondersteuningsbehoefte te organiseren ligt bij Opgroeien. In de eerste helft van 2020 was er echter nog een overgangsmaatregel van toepassing en heeft de FOD Sociale Zekerheid nog lopende herzieningen afgewerkt. Alle andere aanvragen (nieuwe, automatische herzieningen en herzieningen op aanvraag) werden behandeld door Opgroeien. In tabel 12 zien we het aantal aanvragen dat de uitbetalers in 2020 naar Opgroeien doorstuurden. Opgroeien Eerste aanvraag
8.848
Automatische herziening
10.043
Herziening op vraag van ouders of derden
2.101
Beroep aangetekend
83
Totaal
21.075
Tabel 12: Aantal aanvragen voor een zorgtoeslagevaluatie ontvangen in 2020 – volgens type
In tabel 13 vinden we het aantal beslissingen door de evaluerend arts per administratie. Die beslissingen omvatten zowel toekenningen van punten als negatieve beslissingen.
Medische vaststelling
FOD SZ
Opgroeien
Totaal
5.401
8.477
13.878
Tabel 13: Beslissingen in het kader van de zorgtoeslagevaluatie genomen in 2020 – volgens bron
Pleegzorgtoeslag Een pleegkind heeft net als elk ander kind in Vlaanderen recht op een Groeipakket. Wanneer het kind wordt opgevangen in een pleeggezin, gaat het basisbedrag en eventuele andere toeslagen (sociale toeslag, schooltoeslag, …) naar dat gezin. Het basisbedrag wordt aangevuld met een maandelijkse pleegzorgtoeslag van 64,29 euro. Wat nieuw is, is dat voor plaatsingen vanaf 1 januari 2019 het type plaatsing bepaalt wie de pleegzorgtoeslag krijgt. Als een kind voor lange tijd verhuist naar een pleeggezin (perspectiefbiedende pleegzorg), dan gaat het bedrag volledig naar de pleegouders. Bij pleegzorg van korte duur (perspectiefzoekende pleegzorg) gaat de toeslag naar de begunstigde vóór de plaatsing. Die begunstigde is meestal de biologische ouder.
17
De bijslagtrekkende vóór de plaatsing blijft de pleegzorgtoeslag ontvangen als die toegestaan is vóór 1 januari 2019, én zolang er zich geen wijziging in de plaatsing voordoet. In 2020 werd de toeslag toegekend aan 4.123 gezinnen voor 5.262 kinderen. Dit is een toename met 34,0% in vergelijking met 2019. Dit komt omdat er een achterstand is weggewerkt van dossiers uit de federale kinderbijslagregeling waar er geen pleegzorgtoeslag werd toegekend omdat er geen duurzame band was tussen de persoon die de kinderbijslag ontving vóór de plaatsing en het geplaatste kind. Het gaat hier om perspectiefbiedende pleegzorg en dus wordt de pleegzorgtoeslag uitbetaald aan de pleegouders. Totaal 2019
Totaal Totaal
3.927 3.927
Leeftijdsklasse
Totaal┤ĎDĎD 2020
0-5 jaar
6-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
1.057 1.057
1.649 1.649
1.842 1.842
714 714
5.262 5.262
Tabel 14: Aantal kinderen met een pleegzorgtoeslag eind 2020 – volgens leeftijdsklasse
18
Startbedragen geboorte en adoptie Kinderen geboren of geadopteerd in Vlaanderen ontvangen een startbedrag van 1.144,44 euro. Dat kan vóór de uitgerekende bevallingsdatum uitbetaald worden – indien tijdig en correct aangevraagd – of na de geboorte. Het startbedrag adoptie wordt uitbetaald zodra het kind in het gezin verblijft. Totaal 2019
Betaling na geboorte
Voorafbetaling
Totaal
januari
3.401
112
4.579
4.691 4.691
februari
6.599 6.599
404
5.388
5.792
maart
8.395 8.395
376
4.590
4.966
april
5.578 5.578
400
5.038
5.438
mei
6.250 6.250
467
5.351
5.818
juni
6.037
389
4.727
5.116 5.116
juli
5.451
399
4.514
4.913
augustus
6.059 6.059
535
4.140
4.675
september
4.868 4.868
417
4.136
4.553 4.553
oktober
5.482 5.482
561
5.126
5.687 5.687
november
5.343 5.343
369
4.843
5.212
december
4.674 4.674
423
5.258
5.681
Totaal
68.137
4.852
57.690
62.542
Tabel 15: Aantal uitbetaalde startbedragen in 2019 en 2020 – opdeling per maand
19
Universele participatietoeslag (Schoolbonus) In augustus krijgt elk kind dat in juli recht had op het basisbedrag een schoolbonus als duwtje in de rug bij de start van het nieuwe schooljaar. Ook kinderen die nog niet naar school gaan, krijgen de bonus als ondersteuning in de opvoedingskosten. Het bedrag hangt af van de leeftijd van het kind.
Leeftijdsklasse
Totaal
0-4 jaar
5-11 jaar
12-17 jaar
18-24 jaar
Aantal kinderen 2019
305.753
519.455
427.076
334.205
1.586.489 1.586.489
Aantal kinderen 2020
302.966
515.820
438.094
342.297
1.599.177 1.599.177
Tabel 16: Aantal kinderen met een schoolbonus in 2019 en 2020 – volgens leeftijdsklasse
20
SELECTIEVE PARTICIPATIETOESLAG (SCHOOLTOESLAG) De schooltoeslag wordt voor alle kinderen die in het Nederlandstalige kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs ingeschreven zijn automatisch onderzocht en toegekend als voldaan wordt aan de voorwaarden. Een belangrijke kanttekening bij de onderstaande cijfers is dat de schooltoeslag wordt toegekend per schooljaar. Voor het schooljaar 20202021 kunnen we dus geen volledige cijfers geven. De cijfers die hieronder worden weergegeven zijn dus voorlopige cijfers en geven weer hoeveel schooltoeslagen er zijn toegekend tot midden april 2021. Een eerste volledig beeld over de toegekende schooltoeslagen van een schooljaar zal immers maar pas eind 2021 kunnen worden gegeven, wanneer het schooljaar 2020-2021 volledig beëindigd is en de laatste controle op de zogenaamde pedagogische voorwaarde inzake inschrijving, aanwezigheden op school en type onderwijs volledig is afgerond. Die laatste controle kan immers ook nog aanleiding geven tot bijbetalingen of terugvorderingen.
In tabel 17 is een overzicht gegeven van het aantal toegekende schooltoeslagen in de laatste drie schooljaren. De aantallen van schooljaar 2019-2020 zijn de definitieve cijfers. De aantallen van schooljaar 2020-2021 geven de situatie op 19 april 2021 en geven dus een voorlopige stand van zaken weer. In vergelijking met het schooljaar 2019-2020 is er een toename met 4.758 leerlingen (+1%). In absolute aantallen is de stijging het grootst bij het secundair onderwijs (+10.733 leerlingen), maar relatief gezien kent HBO5 verpleegkunde de sterkste toename (+23,7%). Bij het kleuteronderwijs is er een daling met 5.976 leerlingen (-5,5%). 2018-201913 2018-20193
2019-2020 2019-2020
2020-2021 2020-2021
Kleuter onderwijs
62.070
109.302
Lager onderwijs
130.791
Secundair onderwijs
EvolutieEvolutie 2019-2020 t.o.v.t.o.v. 20182019-2020 2018-2019 2019
EvolutieEvolutie 2020-2021 t.o.v. t.o.v. 20192020-2021 2019-2020 2020
103.326
47.232
76,1%
-5.976
-5,5%
190.681
190.170
59.890
45,8%
-511
-0,3%
139.799
189.236
199.969
49.437
35,4%
10.733
5,7%
HBO5 verpleegkunde
2.136
2.163
2.675
27
1,3%
512
23,7%
Algemeen totaal totaal
334.796 334.796
491.382
496.140
156.586
46,8%
4.758
1,0% 1,0%
Tabel 17: Aantal leerlingen aan wie een schooltoeslag is toegekend per schooljaar (schooljaar 20202021: stand van zaken tot en met 19 april 2021)
(3)
Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams Onderwijs, 2018-2019
21
De bedragen die werden toegekend aan de rechtgevende leerlingen zijn weergegeven in tabel 18. Ook hier geldt de opmerking dat de bedragen voor het schooljaar 20202021 de situatie weergeven op 19 april 2021 en dus zeker nog niet definitief zijn. Tussen het schooljaar 2019-2020 en het schooljaar 2020-2021 (voorlopige situatie) is er dus voor 11,85 miljoen euro aan schooltoeslag méér toegekend. Dat is een stijging met 6,5%. De grootste toename doet zich voor bij het secundair onderwijs, waar er (voorlopig) 10,8 miljoen euro méér wordt toegekend dan in het schooljaar 2019-2020. Het feit dat er in het secundair onderwijs een toename was van het aantal rechthebbende leerlingen speelt hier uiteraard een rol (maar er kunnen ook andere factoren spelen, zoals de indexering van de bedragen). 3
2018-2019 2018-2019
2019-2020 2019-2020
2020-2021
Evolutie Evolutie 2019-2020 t.o.v. 2019-2020 t.o.v. 2018-2019 2018-2019
EvolutieEvolutie 2020-2021 t.o.v. 2020-2021 t.o.v. 2019-2020 2019-2020
Kleuteronderwijs
6.001.548
11.335.136
10.952.503
5.333.588
88,9%
-382.633
-3,4%
Lager onderwijs
18.180.791
29.941.962
30.458.800
11.761.171
64,7%
516.838
1,7%
Secundair onderwijs
64.917.451
136.671.782
147.448.565
71.754.331
110,5%
10.776.783
7,9%
HBO5 verpleegkunde
2.967.045
3.465.212
4.407.057
498.167
16,8%
941.845
27,2%
totaal Algemeen totaal
92.066.835
181.414.092
193.266.925
89.347.257
97,0%
11.852.833 11.852.833
6,5%
Tabel 18: Toegekende bedragen in het kader van de schooltoeslag per schooljaar (schooljaar 20202021: stand van zaken tot en met 19 april 2021)
Uit de combinatie van de twee voorgaande tabellen kan ook het gemiddelde toegekende bedrag per leerling worden afgeleid. Die gemiddelde bedragen zijn weergegeven in tabel 19. Het gemiddelde bedrag per leerling in het schooljaar 20202021 is toegenomen met 20,35 euro (+5,5%) ten opzichte van het voorgaande schooljaar. 3
Evolutie Evolutie 2019-2020 t.o.v. 2019-2020 t.o.v. 2018-2019 2018-2019
EvolutieEvolutie 2020-2021 t.o.v. t.o.v. 20192020-2021 2019-2020 2020
2018-2019 2018-2019
2019-2020
2020-2021
Kleuteronderwijs
96,7
103,7
105,98
7
7,2%
2,28
2,2%
Lager onderwijs
139
157,03
160,17
18,03
13,0%
3,14
2,0%
Secundair onderwijs
464,4
722,23
737,36
257,83
55,5%
15,13
2,1%
HBO5 verpleegkunde
1.389,10
1.602,04
1647,5
212,94
15,3%
45,46
2,8%
Algemeentotaal totaal Algemeen
275 275
369,19 369,19
389,54 389,54
94,19
34,3%
20,35 20,35
5,5% 5,5%
Tabel 19: Gemiddeld toegekend bedrag schooltoeslag per leerling (schooljaar 2020-2021: stand van zaken tot en met 19 april 2021)
22
Voor het kleuteronderwijs wordt er één bedrag toegekend, ongeacht de hoogte van de inkomens. Bij de andere opleidingsniveaus hangt het exacte bedrag van de schooltoeslag af van het gezinsinkomen. Per zwaarte van het gezin (zogenaamde punten van de leefeenheid) wordt een inkomensvork bepaald, met een minimum- en maximumgrens: - Indien het gezinsinkomen zich op of tegen de bovenste inkomensgrens bevindt, dan ontvangt het gezin de minimale schooltoeslag. - Indien het gezinsinkomen zich tussen de minimum- en maximumgrens bevindt, dan ontvangt het gezin een verminderde schooltoeslag. - Indien het gezinsinkomen zich onder of op de onderste inkomensgrens bevindt, dan ontvangt het gezin de volledige schooltoeslag. In uitzonderlijke omstandigheden (waarbij het inkomen zeer laag is én voor 70% bestaat uit een leefloon, een inkomensvervangende tegemoetkoming of een vervangingsinkomen), kan men de hogere uitzonderlijke toeslag ontvangen. Het soort toeslagbedrag (minimale toeslag, verminderde toeslag, maximale toeslag of uitzonderlijke toeslag) is dus wel een aanduiding van de hoogte van het gezinsinkomen. In tabel 20 wordt een verdeling gegeven van de leerlingen uit het lager en secundair onderwijs volgens bedragstype. 3
2018-2019 2018-2019
2019-2020 2019-2020
2020-2021 2020-2021
Evolutie Evolutie Evolutie 2019-2020 Evolutie 2020-2021 t.o.v. t.o.v. t.o.v. 2019-2020 t.o.v. 20182020-2021 2018-2019 2019-2020 2019 2019-2020
Minimaal
59.625
21,7%
94.884
25,0%
96.755
24,8%
35.259
59,1%
1.871
2,0%
Verminderd
97.756
35,6%
122.095
32,1%
126.792
32,5%
24.339
24,9%
4.697
3,9%
Volledig
115.500
42,0%
160.957
42,4%
165.134
42,3%
45.457
39,4%
4.177
2,6%
Uitzonderlijk
1.933
0,7%
1.981
0,5%
1.458
0,4%
48
2,5%
-523
-26,4%
Totaal Totaal
274.814
100,0%
379.917
100,0% 100,0%
390.139
100,0%
105.103
38,2%
10.222
2,7%
Tabel 20: Verdeling van de schooltoeslag voor het lager en secundair onderwijs volgens type van bedrag (schooljaar 2020-2021: stand van zaken tot en met 19 april 2021)
We zien dat er in vergelijking met het vorige schooljaar een toename van het aantal leerlingen is voor elk van de types toeslagbedragen, behalve voor de uitzonderlijke toeslag. Bij dat type is er een daling van het aantal leerlingen.
23
ANDERE TOELAGEN Kinderopvangtoeslag Ouders die gebruikmaken van Nederlandstalige niet-inkomensgerelateerde kinderopvang in Vlaanderen of Brussel kunnen rekenen op een kinderopvangtoeslag van 3,29 euro per kind, per opvangdag. Een halve dag opvang geeft recht op de helft van dat bedrag. Om recht te hebben op de kinderopvangtoeslag mag het kind nog niet naar de kleuterschool gaan. Tabel 21 geeft per maand het aantal kinderen weer dat een kinderopvangtoeslag ontving in 2019 en 2020. 2019
2020
januari
24.943
25.222
februari
24.764
24.959
maart
25.541
24.398
april
25.368
7.782
mei
24.761
17.365
juni
24.336
21.980
juli
23.468
22.096
augustus
24.124
23.433
september
24.709
24.254
oktober
25.733
25.183
november
24.772
23.924
december
24.928
23.453
Tabel 21: Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag in 2019 en 2020 – opdeling per maand
Wat opvalt in de cijfers van 2020 zijn de lagere aantallen voor april en (in mindere mate) mei. Dat is het gevolg van de coronacrisis en de lockdown in maart-mei 2020. Heel wat opvanglocaties waren gesloten of beperkt geopend, waardoor er minder kinderen naar de opvang gingen. Omdat de kinderen begin maart wel nog gewoon naar de kinderopvang konden gaan, is het effect pas zichtbaar vanaf april. Bijna 24% van de kinderen die formele opvang gebruiken, wordt opgevangen in een opvanglocatie waar niet gewerkt wordt volgens de regeling met inkomenstarief.
24
Kleutertoeslag Kleuters van drie jaar oud die ingeschreven zijn in door Vlaanderen erkend, gesubsidieerd of gefinancierd onderwijs en kleuters van vier jaar oud die ingeschreven blijven en voldoende aanwezig zijn op school kregen in 2020 132,60 euro extra per jaar. Die toeslag wordt jaarlijks automatisch uitbetaald in de maand na de derde verjaardag en/of de vierde verjaardag indien voldaan werd aan de voorwaarden. Dat er in 2020 minder kleutertoeslagen werden toegekend dan in 2019 heeft meerdere oorzaken. Enerzijds zijn er minder kinderen van die leeftijden door een dalend geboortecijfer, anderzijds werd er in 2020 voor het eerst nagegaan of de 4jarigen voldoende aanwezig waren op school. Er is ook een technische reden want de cijfers 2019 werden herberekend in april 2021. ffl Ă
ŞŋŝŽŽǩ’ 0fifl 7 (1) 2019 (4) Totaal
1 -jarigen3-jarigen
4-jarigen 2-jarigen
Totaal 2020 ŞŋŝŽŽǩ ’ 0fi0fi
īŽ ťŽþħ┤Ăjanuari
fl0#2fl5
12.417
3#406
5.628
3#6fl7 5.819
flfl#225 11.447
ʒďãþťŽþħfebruari
flfl#3fi4
11.506
3#1 fifi
5.300
3#3flfl 5.511
flfi#6flfl 10.811
ł ŽŽþŝ
maart
fl0#31 2
12.534
3#41 fi
5.630
3#7635.985
flfl#4fl3 11.615
Žõþħǩ
april
fl0#21 fl
12.431
3#271
5.493
3#7055.927
flfl#20fi 11.420
ł ďħ
mei
fl0#6fl1
12.831
3#71 4
5.936
4#fi516.073
fl0#fifi7 12.009
īť ħ
juni
fl0#671
12.893
3#61 0
5.832
4#fl4fl 6.161
flfl#771 11.993
īťǩħ
juli
fl1 #1 76
13.398
4#flfl2
6.114
4#03fl6.251
fl0#1 43 12.365
Žťf ťřŝťř augustus
fl1 #0fifl
13.201
4#064
6.286
4#fl67 6.189
fl0#253 12.475
řďõŝďł september ãďþ
fl0#01 5
12.237
3#66fi
5.880
4#fl07 6.129
fl0#fifi7 12.009
ŋj ŝŋãďþoktober
fl0#flfl3
12.115
3#76fi
5.980
3#6455.867
flfl#625 11.847
ŋůďł ãď þ november
flfi#742
10.964
3#1 fi4
5.306
3#1 225.344
flfi#43fi 10.650
çďæďł ãď þ december
flfl#1 33
11.355
3#222
5.444
3#3fifi5.500
flfi#722 10.944
ŞŋŝŽŽǩ Totaal
fl25#642
147.864
46#607
68.829
5fi#534 70.756
fl1 7#363 139.585
’
Tabel 22: Aantal kinderen met kleutertoeslag in 2019 en 2020 – opdeling per maand
(4) De cijfers over 2019 werden herberekend t.o.v. vorig jaarverslag omdat ze sinds 2021 in het DWH beschikbaar zijn. Dit impliceert ook dat rechtzettingen en retro-actieve toekenningen voor het jaar 2019 verrekend zijn.
25
Covid-19-Toeslag Gezinnen die hun inkomen zagen dalen als gevolg van de COVID-19-pandemie hadden recht op een COVID-19-toeslag. Concreet moesten de gezinnen daarvoor een inkomensverlies van minstens 10% kunnen aantonen in maart, april, mei of juni 2020 en moest hun inkomen onder de grens van 2.213 euro per maand liggen. De gedaalde gezinsinkomens van die maanden werden vergeleken met het gezinsinkomen van januari of februari 2020. Die gezinnen ontvingen eenmalig een toeslag van 120 euro per kind, uitbetaald in drie maandelijkse schijven. De toeslag kon aangevraagd worden van 15 juni 2020 tot en met 31 oktober 2020. De toeslag werd uitbetaald voor 24.205 kinderen.
Coronatoeslag In december 2020 werd een coronatoeslag van 35 euro per kind uitbetaald aan alle gezinnen met een beperkt inkomen. Die toeslag werd op 15 december 2020 automatisch betaald aan gezinnen die recht hadden op een sociale toeslag van het Groeipakket in november 2020 en een jaarinkomen hadden dat lager was dan 31.605,89 euro bruto belastbaar. De toeslag werd uitbetaald voor 342.354 kinderen.
26
BUDGETTAIR KADER In 2020 werd er 4,125 miljard euro aan toeslagbedragen uit het Groeipakket toegekend, een toename met ongeveer 218,2 miljoen euro ten opzichte van 2019 (+5,6%). De toename is te verklaren door meerdere factoren: - Een toename van de rechten van het lopende jaar met 53,6 miljoen euro, vooral bij de basisbedragen (+57,6 miljoen euro) en de sociale toeslagen (+8,6 miljoen euro), terwijl de startbedragen (-6,4 miljoen euro) en de wezentoeslagen (-6,4 miljoen euro) een daling kenden. - Het toegekende bedrag voor de schooltoeslag (schooljaar 2020-2021) lag 27,0 miljoen euro hoger dan het bedrag dat in boekjaar 2019 is toegekend voor de schooltoeslag (schooljaar 2019-2020). Dat is het gevolg van het feit dat bij de afsluiting van boekjaar 2019 de toekenningen voor de schooltoeslag nog volop bezig waren, terwijl bij de afsluiting van boekjaar 2020 het merendeel van de toekenningen voor de schooltoeslag (voor schooljaar 2020-2021) is gebeurd. De toename is dus te wijten aan een onderschatting van de kosten in boekjaar 2019, en is dus in feite geen reële toename van de kosten. - Specifiek voor 2020 zijn er voor 13,7 miljoen euro toekenningen gebeurd van toeslagen die niet bestonden in 2019. Het gaat om de COVID-19-toeslag (2,4 miljoen euro toekenningen) en de coronatoeslag (11,4 miljoen euro toekenningen). - Ten opzichte van 2019 zijn er nog meerkosten van 21,4 miljoen euro omwille van indexering. De bedragen van de gezinsbijslagen zijn in september 2020 met 2% opgetrokken, wat resulteert in 17,3 miljoen euro meerkosten. Daarnaast zijn de bedragen van de schooltoeslag met 2,2% opgetrokken, wat 4,1 miljoen euro extra kosten vertegenwoordigt. - In 2020 zijn er voor 95,3 miljoen euro rechten toegekend die betrekking hadden op het verleden (dus rechtsjaar 2019 of vroeger). De zogenaamde regularisaties van het verleden bedroegen in 2019 slechts 33,8 miljoen euro, dus er is sprake van een stijging met 61,6 miljoen euro. Die toename is deels te wijten aan eenmalige effecten. Zo waren de toekenningen voor de schooltoeslag (schooljaar 2019-2020) nog volop gaande toen het boekjaar 2019 werd afgesloten (effect: 28,3 miljoen euro) en werd in boekjaar 2020 de eindafrekening gemaakt van de sociale toeslag 2017 (waardoor er nog een nettobedrag van 16,0 miljoen euro werd bijgepast). Daarnaast werd 11,7 miljoen euro rechten uit 2018 of vroeger toegekend en 40,8 miljoen euro rechten uit 2019.
27
- De regularisaties van de rechten uit het verleden geven aan dat de gerapporteerde toekenningen uit boekjaar 2019 onderschat waren. Er zijn redenen om aan te nemen dat er in 2021 nog regularisaties zullen plaatsvinden, vooral voor rechten van 2020. Om te zorgen voor een juiste aanrekening van die kosten aan het juiste boekjaar is er daarom voor gekozen vanaf 2020 te werken met een provisionering (“te ontvangen factuur”) van de kosten die later zullen worden aangerekend, maar die nog betrekking hebben op het lopende boekjaar. Die provisionering zorgt in 2020 voor 36,1 miljoen euro extra aangerekende kosten, en het moet vermijden dat er kosten van 2020 worden aangerekend op het budget van 2021. Die manier van werken is mee een gevolg van de nieuwe Vlaamse Codex Overheidsfinanciën, waarbij kosten moeten worden aangerekend aan het boekjaar waarin het recht ontstaat. Het bedrag van 36,1 miljoen euro bevat naast een recurrent bedrag van 16,7 miljoen euro aan regularisaties, ook nog een voorziening voor de afrekening sociale toeslag 2018 die in 2021 zal plaatsvinden (16,0 miljoen euro), een voorziening voor de toekenningen van de COVID-19-toeslag en de coronatoeslag (1,3 miljoen euro), een provisie voor toekenningen van de schooltoeslag voor het schooljaar 2020-2021 die in 2021 zullen plaatsvinden (1,6 miljoen euro) en kosten voor de doorbetaling van de automatische herzieningen in het kader van de zorgtoeslag (0,7 miljoen euro). - Tot slot zijn er nog 5,0 miljoen euro aan andere kosten die onder meer bestaan uit afschrijvingen en waardeverminderingen van openstaande terugvorderingen (4,8 miljoen euro) en een aantal andere kleinere kosten.
Tabel 23 focust op de toegekende rechten voor het lopende jaar, en geeft weer hoe dat bedrag is verdeeld over de verschillende toeslagsoorten. In vergelijking met de bedragen die in het jaarverslag 2019 zijn weergegeven, werd één correctie uitgevoerd: de toegekende bedragen voor de schooltoeslag in 2019 werden gecorrigeerd met de bedragen die nog in 2020 werden toegekend. De bedragen zijn uitgedrukt op prijsniveau 2019, waardoor de vergelijking tussen 2019 en 2020 zuiver kan gebeuren (en de evolutie dus niet wordt vertekend door een indexeffect). Zowel in 2019 als in 2020 vertegenwoordigen de basisbedragen 81,4% van de totaal toegekende bedragen (nieuwe basisbedragen, rangbedragen, leeftijdstoeslagen, verschilbetalingen, bedragen uitgekeerd in het kader van bilaterale overeenkomsten). Ook het gewicht van de inkomensselectieve toeslagen (sociale toeslagen en schooltoeslag) is tussen 2019 en 2020 niet gewijzigd, waarbij ze een aandeel vertegenwoordigen van 9,2%. Het voorgaande impliceert dan ook dat er bij de andere toeslagen (zorgtoeslagen, startbedragen, participatietoeslagen) geen sprake is van een significante wijziging van het belang in de totaal toegekende bedragen.
28
2019
Evolutie 2019Evolutie 2019-2020 2020
2020
Basisbedragen
3.174.670
81,4%
3.232.312
81,4%
+57.642
Sociale toeslagen
170.745
4,4%
179.332
4,5%
+8.586
Zorgtoeslagen
197.590
5,1%
191.766
4,8%
-5.824
Startbedragen
76.467
2,0%
70.099
1,8%
-6.367
Universele participatietoeslag
66.747
1,7%
67.806
1,7%
+1.058
Selectieve participatietoeslag
186.422
4,8%
186.679
4,7%
+257
29.131
0,7%
27.631
0,7%
-1.500
13.749
0,3%
+13.749
3.969.375 3.969.375
100,00% 100,0%
66.490
Andere toelagen (kinderopvangtoeslag en kleutertoeslag) COVID-19- en coronatoeslag Totaal
3.901.773
100, 0% 100,0%
Tabel 23: Toegekende bedragen Groeipakket (rechten voor het lopende jaar), verdeeld volgens toeslagbedragstype (bedrag in duizend euro) (bedragen op prijsniveau 2019, dus exclusief indexering)
De globale toename van 66,5 miljoen euro zit sterk geconcentreerd bij de basisbedragen (+57,6 miljoen euro), de COVID-19- en coronatoeslagen (+13,7 miljoen euro) en de sociale toeslagen (+8,6 miljoen euro), terwijl er een uitgesproken daling is bij de startbedragen (-6,4 miljoen euro) en de zorgtoeslagen (-5,8 miljoen euro). De basisbedragen vertegenwoordigen zowel in 2019 als in 2020 een globaal bedrag van 3,2 miljard euro, maar de samenstelling ervan is wel duidelijk gewijzigd. In 2019 bestonden die toeslagen nog bijna uitsluitend (97%) uit de rang- en leeftijdstoeslagen voor kinderen met transitiebedragen. In 2020 gaat het merendeel van de basisbedragen nog steeds naar die kinderen, maar het aandeel is gedaald naar 92%, terwijl het belang van de basisbedragen voor de kinderen met nieuwe bedragen is toegenomen van 2,7% (2019) naar 7,4% (2020). Die evolutie is logisch gezien het feit dat de uitstroom plaatsvindt bij de kinderen met transitiebedragen en de instroom bij de kinderen met nieuwe bedragen. Er is globaal gezien een toename te zien van de toegekende basisbedragen (+57,6 miljoen euro): de stijging van de basisbedragen voor kinderen met nieuwe bedragen (+155,0 miljoen euro) wordt momenteel dus nog onvoldoende gecompenseerd door de daling van de basisbedragen voor de kinderen met transitiebedragen (-98,8 miljoen euro). Dat is mee te wijten aan het feit dat de leeftijdstoeslagen niet dalen, omdat de groep van kinderen die recht heeft op een leeftijdstoeslag (kinderen vanaf 6 jaar) nog min of meer constant blijft. Tot slot werden hier ook de bedragen in opgenomen die zijn toegekend in het kader van de bilaterale overeenkomsten, evenals de verschilbetalingen met het buitenland, maar die bedragen zijn relatief klein in het geheel van de toekenningen.
29
2019 Basisbedragen voor kinderen met
Evolutie 2019Evolutie 2019-2020 2020
2020
3.084.562
97,2%
2.985.736
92,4%
-98.826
Rangbedragen
2.581.710
81,3%
2.475.132
76,6%
-106.578
Leeftijdstoeslagen
502.853
15,8%
510.604
15,8%
+7.752
84.233
2,7%
239.257
7,4%
+155.024
334
0,0%
316
0,0%
-19
5.540
0,2%
7.004
0,2%
+1.464
3.174.670 3.174.670
100,0% 100,0%
3.232.312 3.232.312
100,0% 100, 0%
+57.642
transitiebedragen
Basisbedragen voor kinderen met nieuwe bedragen Bedragen in het kader van bilaterale overeenkomsten Verschilbetalingen met het buitenland Totaal Totaal
Tabel 24: Toegekende basisbedragen Groeipakket (bedrag in duizend euro) (bedragen op prijsniveau 2019, dus exclusief indexering)
De sociale toeslagen zijn goed voor iets meer dan 179 miljoen euro en ook hier is een verschuiving zichtbaar van de toekenningen aan kinderen met transitiebedragen naar kinderen met nieuwe basisbedragen. In 2019 werd nog bijna 95% van de sociale toeslagen toegekend aan kinderen met transitiebedragen, en dat aandeel is gedaald naar nog geen 85% in 2020. Er is een globale toename van de sociale toeslagen met 8,6 miljoen euro. Enerzijds is dat te verklaren door de substitutie van de kinderen met transitiebedragen door kinderen met nieuwe basisbedragen, aangezien de sociale toeslagen voor de kinderen met nieuwe basisbedragen hoger liggen dan voor kinderen met transitiebedragen. Anderzijds is de globale toename ook een gevolg van de stijgende toekenningen voor de middeninkomens. Die maatregel zal jaarlijks immers meer en meer op kruissnelheid komen. 2019 Sociale toeslagen voor kinderen met transitiebedragen Sociale toeslagen voor kinderen met nieuwe basisbedragen (lage inkomens)
Evolutie 2019Evolutie 2019-2020 2020
2020
161.809
94,8%
151.117
84,3%
-10.692
7.293
4,3%
22.395
12,5%
+15.102
1.643
1,0%
5.820
3,2%
+4.176
170.745 170.745
100,0% 100,0%
179.332 179.332
100,0% 100,0%
+8.586 +8.586
Sociale toeslagen voor kinderen met nieuwe basisbedragen (middeninkomens) Totaal
Tabel 25: Toegekende sociale toeslagen Groeipakket (bedrag in duizend euro) (bedragen op prijsniveau 2019, dus exclusief indexering)
30
De toekenningen voor de zorgtoeslagen dalen van 197,6 miljoen euro (2019) naar 191,8 miljoen euro (2020). De afname is zeer uitgesproken bij de wezentoeslag, en dat omwille van de substitutie van weeskinderen met transitiebedragen (met de verhoogde wezenbijslag) naar weeskinderen met nieuwe basisbedragen (met de wezentoeslag die significant lager ligt dan de verhoogde wezenbijslag). De toeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte vertegenwoordigt bijna 60% van de zorgtoeslagen, en het volume aan uitgekeerde bedragen ligt min of meer op hetzelfde niveau als in 2019. Bij de pleegzorgtoeslagen is er een toename te zien van 0,9 miljoen euro, omwille van de verruimde toepassing van de pleegzorgtoeslag in het Groeipakket. 2019 Wezentoeslag
Evolutie 2019Evolutie 2019-2020 2020
2020
81.052
41,0%
74.631
38,9%
-6.420
113.732
57,6%
113.461
59,2%
-272
Pleegzorgtoeslag
2.806
1,4%
3.674
1,9%
+868
Totaal Totaal
197.590 197.590
100,0% 100,0%
191.766 191.766
100,0% 100,0%
-5.824 -5.824
Toeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte
Tabel 26: Toegekende zorgtoeslagen Groeipakket (bedrag in duizend euro) (bedragen op prijsniveau 2019, dus exclusief indexering)
Tot slot zijn er de participatietoeslagen, bestaande uit de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslag en de schoolbonus. Die participatietoeslagen zijn samen goed voor een bedrag van iets meer dan 95 miljoen euro, waarvan de schoolbonus het grootste deel uitmaakt (71% in 2020). Opvallend is de daling bij de kinderopvangtoeslag (-1,9 miljoen euro). Die daling is een gevolg van de lockdown die plaatsvond in het voorjaar van 2020, waardoor de bezetting in de kinderopvangvoorzieningen sterk terugliep. Vanaf het najaar 2020 is het verschil met het voorgaande jaar terug minder groot, wat erop wijst dat de bezetting terug min of meer op een normaal niveau is gekomen. De schoolbonus kende ook een stijging met meer dan 1 miljoen euro. Die toename is te wijten aan een toename van het aantal rechtgevende kinderen, waarbij de toename zich vooral situeerde bij de hogere leeftijdsklassen (waar de toeslagbedragen ook het hoogst zijn). 2019
Evolutie 2019Evolutie 2019-2020 2020
2020
Kinderopvangtoeslag
10.980
11,5%
9.121
9,6%
-1.859
Kleutertoeslag
18.151
18,9%
18.510
19,4%
+359
Schoolbonus
66.747
69,6%
67.806
71,0%
+1.058
95.879 95.879
100,0% 100,0%
95.437 95.437
100,0% 100,0%
-442
Totaal Totaal
Tabel 27: Toegekende participatietoeslagen Groeipakket (bedrag in duizend euro) (bedragen op prijsniveau 2019, dus exclusief indexering)
31
Tabel 23 maakt tot slot ook nog melding van de COVID-19- en de coronatoeslag. Beide zijn tijdelijke toeslagen die werden ingevoerd naar aanleiding van de coronacrisis en voor beide toeslagen samen werd in een budget voorzien van 15 miljoen euro. In de loop van 2020 zijn er toekenningen gebeurd voor een totaalbedrag van 13,7 miljoen euro. Er wordt evenwel verwacht dat er in de loop van 2021 nog toekenningen zullen gebeuren, waardoor het volledige budget van 15 miljoen euro zal worden aangewend.
32
BIJLAGE5 Bedragen kinderen geboren voor 1 januari 2019 Gezinsbijslagen Basisbedrag Laag bedrag
€ 95,81
Middenbedrag
€ 177,28
Hoog bedrag
€ 259,49 Maandelijkse leeftijdsbijslag
6 tot 11 jaar
€ 32,63
12 tot 17 jaar
€ 49,86
Vanaf 18 jaar
€ 63,40
Maandelijkse leeftijdsbijslag oudste kind dat geen sociale toeslag, zorgtoeslag of een verhoogde wezenbijslag ontvangt 6 tot 11 jaar
€ 16,36
12 tot 17 jaar
€ 24,92
Vanaf 18 jaar
€ 28,72
Maandelijkse leeftijdsbijslag voor personen met een handicap die vóór 1 juli 1966 geboren zijn Oudste kind dat geen supplement voor eenoudergezin ontvangt
€ 55,02
Andere kinderen
€ 63,40 Sociale toeslag
Kind met laag basisbedrag
€ 48,77
Kind met middenbasisbedrag
€ 30,23
Kind met hoog basisbedrag
€ 5,30
Toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden Kind dat basisbedrag van € 95,81 ontvangt, zal in dit geval een toeslag krijgen van € 104,94 in plaats van € 48,77.
€ 104,94
Verhoging toeslag voor eenoudergezinnen Kind dat basisbedrag van € 259,49 ontvangt, zal in dit geval een toeslag krijgen van € 24,38 in plaats van € 5,30.
€ 24,38
(5) Deze bedragen zijn van toepassing sinds 1 september 2020.
33
Bedragen kinderen geboren na 1 januari 2019 Gezinsbijslagen Startbedrag geboorte of adoptie
€ 1.144,44
Basisbedrag
€ 166,46 Sociale toeslagen
< twee kinderen
inkomen onder € 31;605,89
€ 52,02 per kind
> twee kinderen
inkomen onder € 31.605,89
€ 83,23 per kind
> twee kinderen
inkomen tussen € 31.605,89 euro en € 62.424
€ 62,42 per kind
Wezentoeslag Weeskind
€ 166,46
Halfwees
€ 83,23
34
Bedragen voor alle kinderen Schoolbonus 0-4 jaar
€ 20,81
5-11 jaar
€ 36,41
12-17 jaar
€ 52,02
18-24 jaar
€ 62,42
Zorgtoeslagen voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte Minstens 4 punten in de eerste pijler en minder dan 6 punten over de drie pijlers
€ 84,02
6 – 8 punten over de drie pijlers en minder dan 4 punten in de eerste pijler
€ 111,89
9 – 11 punten over de drie pijlers en minder dan 4 punten in de eerste pijler
€ 261,11
6 – 8 punten over de drie pijlers en ten minste 4 punten in de eerste pijler 9 – 11 punten in de drie pijlers en ten minste 4 punten in de eerste pijler 12 – 14 punten over de drie pijlers
€ 431,01
15 – 17 punten over de drie pijlers
€ 490,09
18 – 20 punten over de drie pijlers
€ 525,10
+20 punten over de drie pijlers
€ 560,10
Pleegzorgtoeslag €64,29 Andere toeslagen Kinderopvangtoeslag
€ 3,29
Kleutertoeslag
€ 135,25
Selectieve participatietoeslag (schooltoeslag)
Minimumtoeslag
Kleuteronderwijs
Volledige toeslag
Uitzonderlijke toeslag
€ 105,98
Lager onderwijs
€ 123,67
€ 192,33
€ 249,75
Gehuwde/zelfstandige/alleenstaande leerlingen
€ 728,67
€ 3340,64
-
Leerlingen in derde lj. Van derde graad voltijds technisch of beroeps secundair
extern intern
€ 286,77 € 741,11
€ 1156,98 € 1902,03
€ 1358,47 -
Alle anderen voltijds secundair onderwijs
extern intern
€ 238,89 € 617,60
€ 964,05 € 1584,98
€ 1131,94 -
€ 200,87
€ 549,27
€ 708,59
€ 848,06 € 848,06
€ 1238,94 € 3720,75
-
Secundair onderwijs
Stelsel leren en werken Verpleegkundigen in hoger beroepsonderwijs
extern intern
Hoger onderwijs
€ 51,10/jaar (boven op de studietoelage, uitbetaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs)
35