Skip to main content

M&L_34_4.pdf

Page 1

•

MONUMENTEN,

«rgl-i •9

LANDSCHAPPEN

EN

ARCHEOLOGIE

W'

PT

S m \f M Li

^k

^

i

M


remmers

STREVEN NAAR PERFECTIE Duurzame bescherming van ons waardevol cultureel erfgoed

DROGE REINIGINGSTECHNIEKEN • NATUURSTEENCONSERVERING • NATUURSTEENRESTAURATIE • KELDERDIGHTING INJECTIES OPSTIJGEND VOCHT • ZOUTCOMPRESSYSTEMEN • BALKKOPRESTAURATIE • KALKVERFSYSTEMEN

Remmers BVBA • B-2280 Grobbendonk • Tel.: +32 (0) 14 84 80 80 • Fax: +32 (0) 14 84 80 81

www.remmers.be


o4/4

M O N U M E N T :E N , L A N D S C H A P P E N Tweemaandelijks tijdschrift

van de Vlaamse overheid. Onroerend

EN

ARCHEOLOGIE

Erfgoed

ISSN 0770-4948 Jaargang 34 nr. 4 JUU-AUGUSTUS2015

%

Vlaamse overheid

Inhoud Eerste proefopgraving in de grot van Matupi (Democratische Republiek van Congo) in 1973. een site waarvan het gebruik tot zeker 40.000 jaar teruggaat ( © Koninklijk Museum voor Midden-Afrika)

Voorzitter Kathleen Vancaester Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kernredactie Marjan Buyle Rudy DeGraef Herman Van den Bossche Peter Van den Hove Redactie Anna Bergmans jo Braeken Marc De Borgher Anton Ervynck jos Gyselinck Catheline Metdepenmnghen Dieter Nuytten Dirk Pauwels Paul Van den Bremt Maarten Van Dijck Thomas Van Driessche Inge Verdurmen Tom Verhofstadt Linda Wylleman Ereleden Edgard Goedleven Marcel M. Cells |o De Schepper Suzanne Van Aerschot HedwigVan den Bossche Christine Vanthlllo Het tijdschrift M & l is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd ais tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Red act iesec reta r i aat nancy, va ndenbo5sche@ rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 AbonnementenBelgië: 40 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. IBANBE^8 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten &. Landschappen Koning Albert H-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel •• Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd

De archeologie van Congo in kaart gebracht. De geschiedenis van 130 jaar veldwerk Els Cornelissen &. Alexandre Livingstone-Smith

28

48

Hakhout- en middelhoutbeheer in Vlaanderen

De Balegemse stokerij Van Damme, hoeder van industrieel en culinair erfgoed

Koen Smets

Eric Van Schoonenberghe

Website www.menl.be Advertentiewerving fabienne.vanmoerkercke@ yapado.com Vormgeving Bart Delva Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel

M&LI ^


HISTORISCHE ^UINEN EN PARKEN VLAANDERE

van

m il

Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Noordwestelijk Vlaams-Brabant. Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Mechtem, Opwijk, Wemmei Het cahier geeft een beschouwende inleiding van het inventarisgebied, beschrijft 63 tuinen en parken, biedt een Franse en Engelse samenvatting per object, situeringskaart en een tabel met kenmerken en kwaliteiten.

TECHNISCHE

GEGEVENS

AUTEURS

FORMAAT

ROGER DENEEF. JO WIJNANT. STEFAN VIDTS. WILFRIED VERLEYEN. JOSÉ A N N E DE MOLINA, HILDE KENNES. MARJOLIJN VAN DAMME, RAYMOND DELVAUX. THIERRY DE CLIPPELE. HENRY VAN DER HAEGEN. PETER SOENS. HERLINDE DEJAECK. LEONARD QUINTELIER. DIRK DE MEYERE, GEORGES JACOBS DE HAGEN. GRETA PAESMANS. ANDRÉ CRESENS en STEVEN VAN DEN BORNE

21 X 29,7 CM

C O Ö R D I N A T I E EN C O N C E P T LUC TACK

EINDREDACTIE ROGER DENEEF

FOTOGRAFIE OSWALD PAUWELS. ROGER DENEEF. OLGA FILENKO.JO WIJNANT, MARJOLIJN VAN DAMME. STEFAN VIDTS, MARTIN SCHACHT. HILDE KENNES. GRETA PAESMANS, CHRISTEL DARDENNE en CHRIS DEMAEGD

ILLUSTRATIES

KUNSTDRUK GALERIE ART SILK I3S G/M 1

AFWERKING GARENGENAAID GEBROCHEERD

PUBLICATIE1AAR

BESTELADRES

Vlaamse overheid - agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert ll-laan bus 5 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55 E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be U ontvangt het boek automatisch na overschrijving van 50 € op rekening nummer BE48 3751 1109 8627 (BIC BBRUBEBB) t.a.v. Vlaamse Overheid agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert ll-laan bus 5 1210 Brussel met vermelding .£••>•• i H H H . M "M&L Cahier 20" Z. ''•fpi" va» «wu • • • » >»

9

^asi.aiilWi?

erf-i goed

VLAAMSE OVERHEID


Het rijke verleden van Congo De Democratische Republiek Congo heeft een oppervlakte die overeenkomt met dat van West-Europa. De pioniers van de Congolese archeologie stonden in 1885 dan ook voor een onmetelijke taak. Tot op vandaag vertonen de kaarten met archeologische vindplaatsen nog heel wat lacunes. Els Cornelissen en Alexandre Livingstone-Smith nemen ons mee op een reis doorheen de geschiedenis van 130 jaar archeologisch veldwerk in Congo. Onderzoek waarvan de methoden, perspectieven en interesses varieerden doorheen de tijd. Onderzoek dat onder een voortdurende - maar niet altijd even intensieve - aandacht vanuit België stond en uiteraard ook onlosmakelijk verbonden is met het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren.

Hoe slapende knoppen nieuwe scheuten geven: hakhout als levend erfgoed Traditioneel werden bomen en struiken in de Vlaamse bossen periodiek in korte cycli tot bij de grond afgekapt. Bij goed uitgevoerde kappingen gaan de meeste houtsoorten immers spontaan weer uitlopen en kunnen ze na korte tijd opnieuw worden geoogst. Tot het begin van de 20ste eeuw beantwoordde deze vorm van bosbeheer aan een economische noodzaak: de levering van vooral brand- en geriefhout. Heeft een dergelijk beheersvorm nu nog enige toekomst? Koen Smets neemt het op voor deze duurzame vorm van omgaan met hout als levend erfgoed.

Van graan tot jenever De landbouwstokerij Van Damme in Balegem (Oosterzele) werd in 1864 opgericht en is de enige overblijvende stokerij in Vlaanderen waar de boer met eigen graan stookt. De Balegemse jenever wordt nog steeds met een grotendeels igde-eeuwse apparatuur en volgens een igde-eeuws recept gestookt. Europa erkende de naam Balegemse jenever in 2008 als geografische aanduiding. Eric Van Schoonenberghe maakte als doctor in de wetenschappen (biochemie) van jenever zijn studieonderwerp. In deze bijdrage verhaalt hij de geschiedenis van de jenever en van de landbouwstokerij Van Damme, sinds 2012 een beschermd monument.


De archeologie van Congo in kaart gebracht. De geschiedenis van 130 jaar veldwerk Els Cornelissen <% Alexandre Livingstone-Smith

De Democratische Republiek van Congo is een onmetelijk groot land, maar de archeologische vondstdichtheid bedraagt er nauwelijks i site per 1000 km 2 . De stiefmoederlijke behandeling van dit erfgoed is van alle tijden, ondanks de institutionele en individuele inzet van vaak enkelingen die sinds 1885 terreinwerk uitvoeren. Hun methoden, perspectieven en interesses varieerden doorheen de tijd met in het begin bijna exclusief toevalsvondsten en aandacht voor de prehistorie. De talrijke lacunes op de archeologische kaart vandaag betekenen echter ook een enorm onderzoekspotentieel dat voor verrassingen blijft zorgen. Opgravingen van het canal Cabu, Kinshasa 1935 (foto F. Van den Heuvel, archieven KM MA)

4

I M

I,


Kaart van archeologische vindplaatsen in de DR Congo (© KMMA)

A

site savanna

Een onderzoek met hindernissen Elke uiteenzetting over wetenschappelijk veldwerk in de Democratische Republiek Congo (DR Congo) wijst op de moeilijkheden: de trage en onoverzichtelijke administratie verspreid over verschillende ministeries, de transport- en bevoorradingsproblematiek, de dichte begroeiing door menshoog gras of regenwoud, de gezondheidsrisico's en de vele, aanslepende conflicten. Specifiek voor de archeologie komen daar de slechte bewaringsomstandigheden voor botmateriaal in zure bodems onder woudbegroeiing bovenop. De uitgestrektheid van het studiegebied moet eveneens in rekening gebracht worden: Congo komt ongeveer overeen met gans West-Europa. Het kan dan ook niet anders dat na 130 jaar veldwerk, gerekend vanaf de eerste vermelding van prehistorische vondsten in 1885, de kaart van archeologische vindplaatsen (1) nog steeds veel blinde vlekken vertoont. Die hiaten weerspiegelen niet noodzakelijk (pre)historisch onbewoonde gebieden maar wel de keuzes binnen het onderzoek, en de stand daarvan (2).

Over de geschiedenis van de archeologie van de DR Congo werden reeds substantiële overzichten gepubliceerd door Pierre de Maret en, voor de oudste periode, door Maarten Couttenier (3). Onderstaande bijdrage neemt de archeologische verspreidingskaart als leidraad. Uit een historisch overzicht van het onderzoek zal blijken dat de verspreidingskaart het resultaat is van een hele reeks toevalsvondsten, klein- en grootschalige prospectietochten en opgravingscampagnes, van personen en hun passies, van instellingen waaronder het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA, zie kadertekst), en regeringen en hun beleid, of de afwezigheid daarvan. De koloniale tijd is uiteraard een belangrijke periode binnen die ontwikkeling. Voor het wetenschappelijk kader zijn radiokoolstofdateringen, vanaf de jaren 1950, bepalend geweest, zowel voor de reconstructie van de bewoningsgeschiedenis op zich, als voor het opstellen van een chronologie (4) specifiek voor de streek en niet langer vanuit de Europese archeologie geëxtrapoleerd.

M&L


Toevalsvondsten onthullen de prehistorie van Congo (1885-1925)

Hematiet-bijl (20,2 x 6,1 x 3,4 cm) gevonden in het noordoosten van de DR Congo (uit: STAINIER 1899 en © KMMA)

Eerste archeologische

Bij het prille begin was het archeologisch onderzoek in wat nu de DR Congo is, geheel beïnvloed door de interesse voor de prehistorie die toen in heel Europa, inclusief België, geweldig opgang maakte (5). De oudste vondstmelding uit het gebied gebeurde door een ingenieur-legerkapitein-commandant, Claude Zboïnski (6). Hij werd door Koning Leopold II in 1884 op zending gestuurd ter voorbereiding van de aanleg van een spoorweg in de streek van de watervallen in Bas-Congo (7). In 1885 bracht hij vijfstenen werktuigen mee naar België, die hij vervolgens publiceerde (8). Hij had de stukken gevonden langs de oever van de Congo-stroom, in de buurt van Manyanga. Edouard Dupont, eminent Belgisch geoloog, paleontoloog en prehistoricus (9), en bovendien directeur van het Koninklijk Museum voor Natuurhistorie in Brussel, wijdde eveneens een artikel aan deze vondsten. In 1899 publiceerde Xavier Stainier (10) op zijn beurt een stand van zaken in de Annalen van het pas opgerichte Congomuseum, de voorloper van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Stainier was een geoloog die een tijdje verantwoordelijk was voor de prehistorische collecties van de Afdeling Antropologie van het Congomuseum. Victor Jacques, een geneesheer, beheerde er de collectie fysische antropologie (de menselijke skeletten) (n).

een dichte concentratie van vondsten in Bas-Congo zien, met 21 van de 26 toen bekende vindplaatsen (12). Ook in latere periodes zal Bas-Congo intensief doorzocht en doorkruist worden, voor een stuk te verklaren door de bereikbaarheid vanuit de hoofdstad en de talrijk aanwezige Europeanen in deze economisch en administratief belangrijke streek. Onder de typische stenen werktuigen uit Bas-Congo beschreef Stainier tweevlakkig bewerkte, nietgepolijste kernbijlen in fijnkorrelige gesteenten die later samengebracht zullen worden onder de

verspreidingskaart voor de DR Congo (uit: STAINIER X., L'Age de la pierre au Congo, Annates du musée du Congo. série 1 Ethnographic si, Anthropologie.

De kaart van de verspreiding van steentijdindustrieën, in 1899 opgesteld door Stainier, liet

vol 1 (1). KMMA. Tervuren, 1899)

CARTE DES STATIONS DE LAGE DE LA PIERRE DANS LE BAS-CONGO X .

11 M -y

6

I M&L

^

—

S T A I N I E R


noemer 'polymorfe zandsteen'. Verder somde hij pijlpunten en spitsen op, artefacten in kwarts, en gepolijste bijlen in groene hardsteen, waarvan meestal enkel de snede gepolijst is. Van de vijf vindplaatsen buiten Bas-Congo, beschreven door Stainier, bevond zich er een op de samenvloeiing van de Kasaï-rivier en de Congostroom, een op de oever van het Moero-meer in het oosten en een in de zuidelijke mijnprovincie Katanga. De twee vindplaatsen in noordoostelijk Congo leverden acht gepolijste bijlen in hematiet op die ter plaatse als 'donderstenen' (13) beschouwd werden Stainier stelde op basis van het ingezamelde materiaal een opvallende gelijkenis vast tussen de vondsten uit Congo en het neolithicum opgegraven in België en Europa. Overeenkomsten waren er niet alleen inzake werktuigtypes, maar ook in de ligging van de vindplaatsen op makkelijk verdedigbare punten in het landschap, in de nabijheid van water en grondstoffen. Stainier repte evenwel met geen woord over aardewerk, toch één van de grote neolithische innovaties, en bleef voorzichtig met uitspraken over de precieze ouderdom van de artefacten. In andere publicaties van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw blijkt het de overheersende overtuiging van de tijdgenoten van Stainier dat de prehistorie in Congo dan wel deel uit maakte van een wereldprehistorie maar inderdaad vooral neolithisch, eerder dan paleolithisch zou zijn. Volgens sommigen waren de artefacten het werk van de voorouders van de Pygmeeën, en zou de steentijd pas gestopt zijn met de aankomst van de Europeanen (14). De artefacten beschreven door Stainier, zijn allemaal toevalsvondsten ingezameld door geïnteresseerde ingenieurs, administratoren, geologen en militairen. Het materiaal werd verspreid over diverse instellingen en privécollecties, zowel in binnen- als buitenland. De privéverzameling van commandant Auguste Weyns maakte deel uit van de koloniale tentoonstelling in Tervuren in 1897 en werd naderhand ingeschreven in de registers van het Congomuseum, met nummers o tot en met 36.

Opgravingen in en rond Leopoldstad/ Kinshasa (1925-1935) In de periode van 1885 tot 1936 was er weinig of geen institutionele omkadering voor het archeologisch onderzoek. In het Museum voor Belgisch-Congo werd in igio de Afdeling Antropologie zelfs afgeschaft, wegens gebrek aan interesse (15). Archeologie - of beter prehistorie bleef een zaak van gepassioneerde enkelingen.

Dit geldt eveneens voor de eerste opgravingen in wat ondertussen Belgisch Congo geworden was. Jean Colette was in 1924 als postbeambte naar de kolonie vertrokken en zette daar als amateurarcheoloog zijn hobby verder. Na een aantal prospecties was hij er van overtuigd dat oppervlaktevondsten geen oplossing boden voor het ontwarren van de Congolese prehistorie en dat grootschalige opgravingen nodig waren om de artefacten in hun onderling stratigrafisch verband te plaatsen. Colette begon tussen 1925 en 1927 systematische opgravingen op de Kalina-landtong, later Gombe, in Leopoldstad (Kinshasa). Hij exporteerde 779 artefacten naar Tervuren waar ze deel werden van de collecties. Hij had bovendien nog 18.652 andere fragmenten en afslagmateriaal bekeken, die hij echter terug begroef. In plaats van steeds weer een vergelijking te maken met Europese industrieën gaf hij lokale namen aan de lithische ensembles die hij in de boven elkaar gelegen horizonten had aangetroffen: (van oud naar jong) het Kaliniaan, het Djokociaan, het Ndoliaan en het Leopoldiaan (16). Hij ging daarmee ook in tegen de tendens waarbij alle in Congo gevonden stenen werktuigen toegeschreven werden aan één enkele cultuur, het Tumbiaan dat verondersteld werd van relatief recente ouderdom te zijn. Het was Oswald Menghin die in 1925 op basis van oppervlaktevondsten, o.m. gedaan te Tumba in Bas-Congo, deze cultuur had gedefinieerd (17). De collectie stenen artefacten opgegraven door Colette gaf een nieuwe impuls aan de prehistorische collecties in Tervuren. Ze werden samen met de verzamelingen die tussen 1910 en 1928 bewaard werden bij de Afdeling Etnografie (voor de prehistorische artefacten) en bij Zoölogie (voor de fysische antropologie), weer verenigd in een nieuwe Afdeling Antropologie en Voorhistorische Wetenschappen. Pierre Golenvaux (18) werd aangeduid als hoofd terwijl Colette een aanstelling kreeg aan het Museum voor Natuurhistorie in Brussel. Golenvaux ondernam vervolgens een zending naar Congo (1929-1931) waarbij hij uit Bas-Congo en de mijnstreek van de Kasaï ongeveer 5300 artefacten meebracht, evenals een kleine collectie gepolijste bijlen in hematiet uit het Uele-gebied. Alle stukken waren bestemd voor het Museum voor Belgisch-Congo en werden in de rijksregisters ingeschreven. Golenvaux keerde zelf echter niet terug naar het museum, na een geschil. Jean Colette werd dan Afdelingshoofd van 1934 tot in 1937. Na zijn plotse overlijden waren er twee kandidaten waarbij Maurits Bequaert verkozen werd boven Francis Cabu. Bij beiden was net zoals bij Colette een interesse voor prehistorie uitgegroeid tot een wetenschappelijke carrière.


HET KONINKLIJK MUSEUM VOOR MIDDEN-AFRIKA EN DE ARCHEOLOGIE VAN CONGO

Het Konmkli|k Museum voor Midden-Afrika in Tervuren (foto O. Pauwels)

8 I ML

De geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Congo en die van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA) zijn onderling nauw verbonden en hangen samen met de kolonisatie. Ten tijde van de grote Europese koloniale machten had België één kolonie, vandaag de Democratische Republiek Congo (DR Congo), en het protectoraat Ruanda-Urundi, de nu afzonderlijke staten Rwanda en Burundi. De oorsprong van het huidige KMMA ligt in het vroegere (Koninklijk) Museum voor Belgisch-Congo (i). De archeologische collecties bevatten vooral vondsten uit de DR Congo en in mindere mate uit Rwanda en Burundi. Het lopend archeologisch onderzoek in de regio concentreert zich op de DR Congo, met inbegrip van het opstellen van de archeologische verspreidingskaart op basis van de eigen verzamelingen. Het betreft vooral niet-gedateerde vondsten uit de periode vóór i960 maar waarvoor gegevens in de archieven beschikbaar zijn om de sites te lokaliseren. Er worden uit deze onderzoeksperiode natuurlijk ook verzamelingen bewaard in andere musea maar daar vormen ze vaak slechts een zijdelings fenomeen,

dat niet helemaal past in het institutioneel beleid. Privéverzamelingen of verzamelingen in religieuze congregaties weerspiegelen meestal persoonlijke interesses. Bij overlijden raakt de verzameling verspreid of zoek, evenals de bijhorende archieven en notities. De werking van het KMMA biedt daarentegen het voordeel dat grote en belangrijke collecties en archieven uit het studiegebied samen bewaard blijven en dat de interesse en expertise voor de streek daardoor institutioneel blijvend is, zij het met hoogte- en dieptepunten. De garantie van continuïteit is een toegevoegde en unieke waarde eigen aan het museumsysteem dat aldus complementair is aan de universitaire wereld. Voor de gedateerde vindplaatsen en het veldwerk na i960 vormen literatuur en de African Archaeological Database een belangrijke bron (2). Behalve de officiële archeologische collecties samengebracht vóór i960, beheert het KMMA gastcollecties die niet behoren tot het Belgische staatserfgoed. Hun aanwezigheid betekent een verrijking en ondersteuning van de oude collecties.


Gewoonlijk gaat het om opgegraven materiaal uit de bredere regio van Centraal Afrika, dat meegebracht werd voor verdere studie door Belgische en internationale wetenschappers. Het gaat onder andere om vondsten uit Kameroen, Gabon, de Centraal-Afrikaanse republiek, de Republiek Congo en Equatoriaal Guinea. Deze collecties kunnen op elk moment terug naar het land van herkomst. Als gevolg van veranderende onderzoeksperspectieven bevatten de archeologische KMMA-collecties sinds 1995 ook recent aardewerk uit een nog ruimer gebied in Afrika ten zuiden van de Sahara. Observaties tijdens het volledige productieproces, van grondstoftot eindproduct, vormen referenties voor studies naar de opbouw- en versieringstechnieken van archeologisch vaatwerk.

Cabu startte zijn koloniale loopbaan als medisch assistent in Leopoldstad in 1924. Hij combineerde er zijn interesse voor de archeologie met zijn officiële opdracht toen hij het plan opvatte om in 1934 en 1935 in de alluviale vlakte van het oosten van de stad tot op 5 tot 6 m diepte draineringskanalen te graven voor het saneren van het moerassige gebied. Hij verzamelde enorm veel stenen artefacten waarvan hij er bijna 12.000 naar Tervuren stuurde. Hij zou die collectie in het museum bestuderen in het kader van zijn doctoraat in de antropologie aan de Universiteit van Luik. Hierin zette hij zich net zoals Colette aftegen het concept van het Tumbiaan dat hij beschouwde als een mengeling van diverse industrieën uit verschillende periodes (19).

Bij de aanstelling van Bequaert in Tervuren ging Cabu terug naar Congo, meer bepaald naar Katanga waar hij de grondlegger werd van het huidige Nationale Museum van Lubumbashi, lange tijd gekend als het Musée Cabu (20). In het begin kreeg hij nog fondsen van het Museum voor BelgischCongo maar toen hij weigerde vondsten naar het Museum te sturen, werden deze opgeschort. In het historisch overzicht worden enkele Cabu behoorde tot de pleitbezorgers voor musea in ankerpunten gebruikt: in 1885 wordt de eerste Congo met niet alleen een publieksgerichte vondst van stenen werktuigen in Bas-Congo opdracht, zoals Tervuren dat wenste voor de musea gemeld terwijl in 1925 de eerste systematische in de kolonie, maar ook met een wetenschappelijke opgravingen plaatsvinden in Leopoldstad/ onderzoekstaak (21). Hij ontwikkelde een bijzondere Kinshasa. In 1957 worden de eerste twee interesse voor de rotskunst in Katanga. In 1941 trok radiokoolstofdateringen voor de vindplaats hij met 331 stenen artefacten uit Katanga en de Ishango gepubliceerd en vinden opgravingen Kasaï naar de universiteit van Witswatersrand in plaats in het gebied van het Luba-koninkrijk. Zuid-Afrika. Het was de aanzet tot een wetenEen jaar later verschijnt het thema van de Bantuschappelijke discussie met grote namen uit de verspreiding op het archeologische toneel. prehistorie, waaronder abbé Henry Breuil. In 1971 wordt het Insitut des Musées naüonaux du Het leidde op basis van een uitgebreide vergelijkende Congo/Zaire opgericht, krijgt archeologie steun studie tot het bepalen van een lange culturele uit het politieke milieu, en wordt het onderzoek sequentie die begon met een rolkei-industrie, dan internationaler en meer interdisciplinair. diverse varianten van het Abbevilliaan en het Na 1995 gebeurt er een tijd geen internationaal Acheuleaan, een geëvolueerde vorm van het veldwerk meer maar dat wordt nu op bescheiden Acheuleaan, en vervolgens het Kaliniaan, het schaal hernomen in het kader van preventieve Djokociaan, het Lupembiaan en het Tshitoliaan. archeologie en nieuwe interdisciplinaire Deze culturen werden ten slotte gevolgd door het projecten (3). neolithicum dat in Bas-Congo Leopoldiaan zal genoemd worden, in het noordwesten Ubangiaan en in het noordoosten Ueliaan. Elk van deze (1) COUTTENIER M.. Ah muren spreken. Het museum van Tervuren iC)io-20io / Si les murs pouvaient parler. Le Musée neolithische culturen wordt gekenmerkt door een de Tervuren igio-2010, Tervuren, 2010. De naam van het bepaald type van gepolijste bijlen, die voor de museum was in 1898 Congomuseum. in 1908 Museum voor Belgisch-Congo en in 1952 werd het Koninklijk Muse- noordelijke streken echter enkel uit inzamelingen um voor Belgisch-Congo. aan de oppervlakte bekend waren of aangekocht {2) De African Archaelogical Database is een lopend project werden in de dorpen. gecoördineerd door A. Livingstone Smith, dat startte met Philippe Lavachery, toen verbonden aan het KMMA, en aangevuld wordt met gegevens van Hans-Peter Wotzka en tal van andere collega's. (3) Zie bijvoorbeeld http://www.fstafrika.phil-fak.uni-koeln. de/9i99.html. http://www.kongoking.org/. http://www. hms-archaeology.eom/#lprojects/ctzx

De nadruk op prehistorisch onderzoek, zonder veel aandacht voor metaaltijden of recente geschiedenis, de terminologische discussies onder prehistorici en het zoeken naar vindplaatsen vormden de achtergrond van twee reizen die Maurits Bequaert naar

M&LI 9


UGCNOC /\

Ei. C. D.

MflKB • EW COMBLEHtrtT

in in lil

ASSAINISSL/ILNT

fliiECHÏ 10 DftHiNt

; X F ID

ID

PROriLS GEQLOGIOL'L PflL[^T0LöCIOU[|

Originele tekening (Chinese inkt en waterverf), gemaakt door Francis Cabu met doorsnede en plan van 'zijn kanaal' in Leopoldstad/Kinshasa (KMMA. PA 91.24)

Rotsgravure van een olifant op de buitenwand van Kiantapo-grot in Katanga (foto via F. Van den Heuvel, archieven KMMA).

10 I M

L


Belgisch Congo maakte. Hij legde daarbij een niet aflatende ijver aan de dag voor het onderhoud van een lokaal netwerk van geïnteresseerden. Het is mede op hun inzet dat de verspreidingskaart van archeologische vindplaatsen berust.

Institutioneel veldwerk, de reizen van Bequaert (1938-1952) Maurits Bequaert was afdelingshoofd van de 'Afdeding voor Anthropologie en Vóórhistorie' van het Museum voor Belgisch-Congo van 1937 tot in 1958 (22). Hij had bij zijn aanstelling een koloniale loopbaan achter de rug als burgerlijk ingenieur voor wegen- en havenaanleg, tussen 1921 en 1933. Hij behaalde aan de Universiteit van Gent in 1936 zijn diploma van licentiaat in de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Net zoals zijn voorganger Colette en tijdgenoot Cabu werd zijn hobby uiteindelijk zijn beroep. Hij voerde twee grote expedities uit in opdracht van het Ministerie van Koloniën, expliciet om studiemateriaal voor de voorhistorische collecties van het Museum voor Belgisch-Congo in te zamelen. De twee reizen verliepen volgens hetzelfde stramien: over land met een vrachtwagen. Vanuit de opeenvolgende basiskampen verkende hij de streek ook te voet, en voerde opgravingen uit. Zijn echtgenote vergezelde hem en werkte met hem samen en qualité d'épouse, zoals dat heette. Hun eerste reis, in het zuidwesten van Congo, begon op 6 juni 1938 vanuit Antwerpen en eindigde daar anderhalfjaar later op 28 december 1939. Het resultaat waren 7000 stenen werktuigen voor de collecties in Tervuren. Hoewel zijn opdracht zich op de prehistorie richtte, bood Bequaert tijdens zijn missie ondersteuning aan de opgravingen die de Redemptorist-missionaris Georges Schellings begonnen was, op zoek naar het graf van de Kapucijnerpater Joris van Geel die als martelaar in 1652 in Congo gestorven was. De lokalisatie van het graf was nodig voor het dossier van zaligverklaring. Hiermee voerde Bequaert onbedoeld de eerste historische opgraving uit op de begraafplaats uit de 17de tot het begin van de 19de eeuw te Ngongo Mbata kia Madiadia (23).

1 Biongo 2 Dinga Saint Pierre 3. Gombe {Kalina), Kmgabwa 4 Manvanga 5 Mukila 6. Ngongo Mbata kia Madiadia 7 Tumba KINSHASA

ö

Eerste reis M. Bequaert 1938-1939. standplaatsen Q

§ ^ l l ^ ^ l §

Tweede reis M Bequaert 1950-1952. gebied Prospectie F Van Noten 1972-1973 River Reconnaissance

Project

Bayekoli Ebole Congo 2010

1977-1985

Stad • Archeologische vindplaats Uete Streek of plaatsnaam

Kaart met diverse reizen en expedities beschreven in de tekst

uitgediept, die volgens het trapsysteem in een centraal kwadraat van m 2 uitmondden en zo toelieten tot op 6,90 m diepte de afzettingen te verkennen. Er werden tal van haarden met kleine ateliers van steenbewerking gevonden. Te DingaSaint Pierre ging het over een oppervlak van 80 x 80 m waarbij 14 van de 20 putten interessante vondsten opleverden zoals de typische Tshitoliaan petits tranchets die het midden houden tussen kleine bijltjes en groot uitgevallen pijlsneden. Bequaert bracht uiteindelijk 7500 stukken mee uit prospecties en opgravingen, en 1491 artefacten die hij als schenking ontving van diverse personen ter plaatse. Net zoals archeologische stukken in die tijd ook aangebracht werden door niet-archeologen, verzamelde het echtpaar Bequaert nieuw materiaal

(© KMMA)

Zicht op de opgravingen van Maurits Bequaert in de Kwangostreek {© KMMA, foto archieven Bequaert, dia 1950-1952)

De tweede studiereis, van 10 september 1950 tot 7 december 1952, gebeurde opnieuw in opdracht van het Museum voor Belgisch-Congo en het Ministerie van Koloniën, met financiële steun van het Institut de la Recherche Scientifique en Ajrique Centrale {24). Bequaert trok door nagenoeg het zelfde gebied als bij zijn eerste reis. Sommige van de opgravingen die hij onderweg ondernam waren (voor die tijd) bepaald grootschalig. Op de site van Mukila Ecole Ménagère werden over een oppervlakte van 13 op 11 m 2 elf aan elkaar grenzende sleuven

M&LI n


heuveltoppen wees een steriele horizont tussen de Tshitoliaan-niveaus en de daarboven gelegen laag met ijzer en vaatwerk duidelijk op een van de ijzertijd gescheiden steentijd (27). Het aardewerk dat Bequaert tijdens deze prospectietocht inzamelde, bracht hij onder in de 'protohistorie' die volgens hem, en volgens de toen gangbare opvattingen, niet veel verder terug ging dan het einde van de 15 de eeuw.

Tshitoliaan-werktuigen in wit gepatineerde polymorfe zandsteen uit de opgravingen van Maurits Bequaert te Dinga SaintPierre in 1952. Links kernbijl (11,9 x 3,5 x 2,5 cm), rechtsboven grote pi)lsnede (4,3 x 2,8 x 0,8 cm en rechtsonder petit tranchet (5,0 x3,7 x 0 , 9 cm) (© KMMA)

Veel van Bequaert's opgravingen en prospecties bleven ongepubliceerd. In de archieven van het KMMA zijn er tal van versies van zijn 35 bladzijden lange zendingsaanvraag beschikbaar, maar geen enkel globaal zendingsverslag met kaart en beschrijvingen. Zijn reizen kunnen alleen gereconstrueerd worden uit talrijke kleine notitieboekjes en afzonderlijke, maar prachtige kleine kaartjes. Bequaert's overzichtswerk uit 1952 (28) bevat weinig concrete verwijzingen naar zijn eigen onderzoek en telt enkel drie algemene verspreidingskaarten, van bewerkte stenen, gepolijste bijlen en doorboorde stenen. De artefacten uit de laatste categorie, ook wel aangeduid als kwés, hebben allerhande maten en gewichten, werden uitgevoerd in een grote variëteit aan gesteenten en hebben allemaal een doorboring. Hun functie en ouderdom blijven tot vandaag pure speculatie. De prospecties en opgravingen van Bequaert leverden uiteindelijk studiemateriaal voor universitaire eindwerken (29). Ondanks de ondertussen verouderde veldmethoden blijven de resultaten een waardevolle documentatie voor archeologisch nu vrijwel ontoegankelijke gebieden.

Interdisciplinair onderzoek avant la lettre

Versierde kwé of doorboorde steen {diameter 10,1 cm, hoogte 5,4 cm) gevonden in de Kilo-Moto-mijnen (© KMMA)

voor andere wetenschapsdomeinen zoals de ornithologie (25), de malacologie, de entomologie, de geologie en de etnografie, naast houtstalen voor de collecties 'Economie' van het Museum voor Belgisch-Congo. Bequaert stelde zijn veldwerk in Kwango voor op internationale congressen (26). Het bracht hem tot de definitie van regionale varianten in het Tshitoliaan, de industrie die als het einde van de steentijd in het Congo-bekken beschouwd werd. Kenmerkend zijn kernbijlen en pijlspitsen die in het westen van het verspreidingsgebied tot het type van de pijlsnede behoren en in het oosten de vorm aannemen van gesteelde, al dan niet gevleugelde pijlpunten. Bij opgravingen op verschillende

12

I ML

Vaak wordt voor de beginperiode van het archeologisch onderzoek in Congo gewezen op het gebrek aan wetenschappers met academische vorming in de prehistorie, of de archeologie in het algemeen. Anderzijds brachten de geologen en antropologen die archeologische vondsten registreerden een dimensie in het onderzoek aan die later als vernieuwend en noodzaakzakelijk zal beschouwd worden. Het was de voorzet voor de interdisciplinairiteit die nu een essentieel kenmerk is van alle archeologische onderzoek. Georges Mortelmans was geoloog maar wijdde een deel van zijn onderzoek aan de prehistorie. Zijn grote verdienste ligt in het correleren van de door de geologie gedocumenteerde afwisseling van droge en vochtige perioden in Centraal Afrika, de tegenhanger van de opeenvolging van ijstijden en tussenijstijden in de noordelijke hemisfeer, en de diverse steentijd-industrieën in Congo, dit in een poging om mens en milieu met elkaar in verband te


wel doorgaan dankzij geïnteresseerde missionarissen, administratoren en mijnmaatschappijen. De archieven van het KM MA bevatten hun correspondentie met uitleg over de vondstomstandigheden, waaronder de lokalisatie of gegevens over het eigentijds gebruik en de betekenis van bepaalde artefacten zoals bijvoorbeeld gepolijste bijlen. Deze werden als tanden van de bliksem beschreven in de Ubangistreek en er als geluksbrenger beschouwd bij kansspelen. Voor een betere jacht werd fijn steenstof van de bijlen geschraapt, dat in lange inkervingen in de huid van de voorarm werd aangebracht (32).

Rotsgravure van een mythisch dier (± 45 x 82 cm) in de buurt van Biongo (© KMMA)

Naar een eigen tijdskader (1950-1959)

brengen. De opeenvolging van culturen kon aldus verklaard worden door veranderingen in de natuurlijke omgeving. Als voorbereiding voor excursies aangeboden ter gelegenheid van het derde internationale Pan-Afrikaanse congres, in 1955 in Livingstone, Zambia (toen Rhodesië), doorkruiste Mortelmans Katanga met financiering van het CEMUBAC (30). Hij deed hetzelfde in Bas-Congo in 1957 en 1959 voor het vierde Pan-Afrikaanse congres dat in 1959 in Leopoldstad gehouden werd. In Katanga verzamelde hij vooral oppervlaktevondsten, in Bas-Congo werden grotten en rotskunstsites geïnventariseerd (31). Mortelmans bracht een deel van het in Congo ingezamelde materiaal over naar de Université Libre de Bruxelles waar hij hoogleraar was. De universiteit schonk de collectie uiteindelijk aan het KM MA. Er is echter geen inventaris of kaart van vindplaatsen beschikbaar; momenteel worden die op basis van de informatie vermeld op de artefacten zelf en via de beschikbare archieven gereconstrueerd.

De Semliki-vallei In de jaren 1950 was de radiokoolstofmethode ontwikkeld en dat luidde een nieuw tijdperk in voor de archeologie in het algemeen en zeker voor het onderzoek in Congo. Tijdens zijn geologische exploratie in het Albert/Virunga Nationaal Park, in opdracht van het Instituut der Nationale Parken van Belgisch Congo, ondernam Jean de Heinzelin de Breaucourt in 1950 en 1959 opgravingen te Ishango (33). Omdat hij verbonden was aan het Instituut voor de Nationale Parken in Brussel werden de collecties daar bewaard. Na i960 werd het Instituut met inbegrip van collecties en wetenschappers geïntegreerd in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. de Heinzelin liet de voor Congo allereerste radiokoolstofdateringen uitvoeren die toen revolutionair waren, en het trouwens nu nog zijn. Te Ishango onderzocht hij aan de oever van het Albert-meer drie opeenvolgende lagen. Ze leverden een microlithische industrie in kwarts uit de late steentijd op, verder een gamma aan klop-, wrijf- en maalstenen waarvan aangenomen werd dat deze dienden voor het verwerken van wilde planten, het vermalen van

Opgravingen in 1959 onder leiding van Jean de Heinzelin de Breaucourt te Ishango, Nationaal Park van de Virunga, toen AlbertPark (©KBIN)

De prospecties zorgden ervoor dat het zuidelijk deel van de kolonie archeologisch op de kaart werd gezet. De noordelijke Ubangi- en Uele-streken zagen echter minder wetenschappers, laat staan systematische prospecties en opgravingen. Het inzamelen van artefacten aan de oppervlakte, in erosiegeulen en tijdens infrastructuurwerken bleef

M & L I 13


artefacten afkomstig van een ware traditie van beenbewerking met prachtige harpoenen die doorheen de tijd stijl- en vormveranderingen ondergingen.

rrëmi

Harpoenen in been, circa 20 000 jaar oud, Ishango (© KBIN)

Vier zijden van een gegraveerd beentje waarin een klein kwartsfragment vastgezet werd, Ishango (© KBIN)

H

I M L

kleurstof of het vervaardigen van benen voorwerpen. Het dierlijk botmateriaal wees op visvangst en jacht in de directe omgeving van het meer, naast de aanvoer van wild uit een wat verder gelegen dichter bebost milieu. Niet alleen dierenbotten bleken trouwens uitzonderlijk goed bewaard maar ook menselijke beenderen. Onderzoek wees uit dat deze mensen meer overeenkomsten vertonen met hun paleolithische tijdgenoten dan met de volkeren die nu in de streek wonen (34). Helemaal uitzonderlijk was de goede bewaringstoestand van een reeks

Een bot waarin een kleine kwartsafslag vastgezet werd, draagt drie rijen inkervingen die volgens de Heinzelin geen toeval waren, en die hij interpreteerde als een rekensysteem. De datering van deze en andere vondsten bleef echter een probleem, en daarom werd de radiokoolstofdatering ingeschakeld. Schelpen uit de middelste van de drie lagen werden gedateerd op 21.000 jaar oud. Jean de Heinzelin had echter ook recente schelpen opgeraapt aan de meeroever en die gaven bij datering een ouderdom van 3000 jaar. Hij verklaarde de afwijking door de vulkanische activiteit in de omgeving met als gevolg een toevoer van fossiele koolstof in het water, dat opgenomen werd door de daarin levende organismen. Daarom verwierp hij de datering van 21.000 jaar en hield hij het op maximaal 7.000 jaar, hetgeen in overeenstemming leek met de toenmalige onderzoeksresultaten uit de geologie en de archeologie. Eind jaren 1980 werden binnen het grootschalige en internationale Semlikiproject nieuwe dateringen uitgevoerd, op schelpen én op de eischaal van struisvogel, een dier dat aan land leeft en niet in het water. Ze bevestigen dat de ouderdom van 21.000 jaar correct is voor de horizont waarin het bot met de inkervingen gevonden werd (35). De cultuur van de microlieten bleek overigens elders nog ouder te zijn (zie het voorbeeld van Matupi hieronder), terwijl op de naburige sites van Katanda benen voorwerpen werden aangetroffen van maar liefst 70.000 jaar oud (36). Er is een groot chronologisch hiaat tussen de Katanda en de Ishango-sites, maar het is duidelijk dat het bewerken van been als grondstof in deze regio ver terug gaat in de tijd.

Necropolen in het Upemba-bekken Een andere tendens die zich aftekende in de jaren 1950 was de groeiende interesse voor de metaaltijden en de recente geschiedenis. In 1957 voerde Jacques Nenquin, die Bequaert in 1958 zou opvolgen als dienstdoend Afdelingshoofd in het Museum voor Belgisch-Congo, bijgestaan door Jean Hiernaux, arts en rector van de Université Officielle du Congo helge et du Ruanda-Urundi (UOCBRU) in Elisabethstad (Lubumbashi), opgravingen uit op de necropool van Sanga in het Upemba-bekken in Katanga. Radiokoolstofdateringen op menselijk botmateriaal gaven voor dit grafveld een ouderdom van de 8ste tot de 9de eeuw van onze tijdrekening (37). Een tweede opgraving door de UOCBRU volgde in 1958 (38). Een deel van het in 1957 opgegraven materiaal werd verstuurd naar Tervuren waar het nu deel uitmaakt van de collecties, een ander deel werd ondergebracht


aan de Universiteit in Elisabethstad. Zo brak er een periode aan waarin de aandacht voor prospecties verlegd werd naar grootschalige opgravingen waarbij de drijfveer in de eerste plaats het contextualiseren en dus ook het dateren van de vondsten werd, met een eigen chronologisch en cultureel kader voor de regio als uiteindelijk doel. Een tijdje zou deze wetenschappelijk onderbouwde aanpak, vrij uitzonderlijk in de geschiedenis van het archeologisch onderzoek in Congo, deel uitmaken van een politiek geïnspireerd cultuurbeleid, onder president Mobutu (zie verder).

Tussen Belgisch Congo en Zaïre (1960-1971) Nadat Belgisch Congo op 30 juni i960 de onafhankelijke staat van Congo was geworden, werd het Belgische Ministerie van de Koloniën, waaronder het koloniale Koninklijk Museum voor Belgisch-Congo ressorteerde, opgedoekt. De instelling werd hervormd tot het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika en het geografisch actiegebied werd verruimd tot het ganse continent ten zuiden van de Sahara (39). Op basis van de aanwezige expertise in de twee zusterinstellingen, het KMMA en het Koninklijk Belgisch Instituut

voor Natuurwetenschappen (KBIN), werd in 1964 besloten om de collecties van fysische antropologie (de menselijke skeletten) over te brengen naar het KBIN (40). De archeologische collecties uit Congo, waaronder de vondsten uit Ishango, zouden naar Tervuren overgaan. Dit laatste luik van de overeenkomst is echter nooit uitgevoerd. Elke verwijzing naar antropologie verdween uit het organogram van het KMMA en de vroegere Afdeling voor Anthropologie en Voorhistorie veranderde in de Afdeling Prehistorie en Archeologie, wat tegelijk aangaf dat het onderzoek niet meer exclusief aan prehistorie gewijd was. Nenquin voerde in deze periode intensief veldwerk uit in Rwanda en Burundi maar had Congo verlaten. Na zijn aanstelling aan de Universiteit van Cent werd hij in 1963 in het KMMA opgevolgd door Francis Van Noten die in 1972 naar Congo/Zaïre trok. In het onafhankelijke Congo zetten de aanwezige beroeps- en vrijetijds-archeologen ondertussen hun werk verder. Een toevals vondst tijdens graafwerken in 1933 had van Hendrik van Moorsel, een scheutist van Nederlandse origine, een gepassioneerd prehistoricus gemaakt, die een nauwe samenwerking had met Bequaert. Hij ging na de onafhankelijkheid door met prospecties en opgravingen in en rond

Opgraving in 1948 van het graf van een Bateke-chef door Hendrik van Moorsel in de Lemba-vlakte, Kinshasa ( ® SOFAM. foto H- Goldstein)

s^n

iJlRC f/'T

Mm tSEa

1VI&L I 15


-."^•wo Hendrik van Moorsel op een opgraving in de vlakte van Kinshasa in 1956 (© onbekend)

Kinshasa en publiceerde in 1967 met steun van lokale overheden en privépersonen zijn relaas van 30 jaar veldwerk, waaronder ook een reeks radiokoolstofdateringen, in de Atlas de la Préhistoire de la plaine de Kinshasa (41). Naast een overzicht van talrijke oppervlaktevondsten uit de steentijd wijdde hij aandacht aan zijn opgravingen te Kingabwa, die hij in 1948 had uitgevoerd op zoek naar de lokale geschiedenis van het gebied langs de Pool in het huidige Kinshasa. Volgens hem ging het op deze plek om de oude Téké markt van Ngombela of Concabella, beschreven in lyde-eeuwse teksten. Het op de site opgegraven aardewerk werd ook teruggevonden op sites in Bas-Congo, op de oevers van de Kwango, en aan het Mai Ndombe-meer, stroomopwaarts op de Congostroom. Dit wijst op handelsrelaties tussen de mensen van Kingabwa en het binnenland. Latere dateringen voor deze site variëren van de 15de tot de 19de eeuw (42).

In het voorwoord van zijn Atlas stelde van Moorsel niet de ambitie te hebben een wetenschappelijk maar wel een didactisch werk te brengen, bestemd voor het middelbaar onderwijs en het brede publiek van Kinshasa. Hij hoopte zo meer begrip voor archeologie te krijgen en aan te tonen dat het inzamelen van stenen artefacten slechts één kant van het verhaal is, terwijl prehistorisch onderzoek een veel bredere aanpak behoeft, met aandacht voor dateringen, stratigrafie en de verbanden tussen vondsten (43). Zijn collectie werd oorspronkelijk op de missie van Sint-Anna bewaard maar in de jaren 1950 had hij ze overgebracht naar de universiteitscampus van Leopoldstad. De collectie van van Moorsel werd naderhand geïntegreerd in de musea van de huidige Université de Kinshasa. De verzameling wordt er door een kleine equipe zorgvuldig bewaard in de oorspronkelijke vitrinekasten hoewel ze niet over middelen beschikken voor educatieve of conservatorische doeleinden en het moeilijk blijkt om de lokalen te behouden. In Lubumbashi werd ter vervanging en uitbreiding van het bestaande Leopold II-museum, tussen i960 en 1961 een nieuw complex gebouwd, met een collectietoren die gescheiden werd van burelen en tentoonstellingsruimten. Het oude Leopold IImuseum (ook gekend als het Musée Cabu) was in 1961 per ongeluk gebombardeerd. Het nieuwe museum werd als legerbarak gebruikt en zwaar geplunderd tijdens de secessieoorlog van Katanga in 1963. Ongeveer de helft van de etnografische collecties kon in veiligheid gebracht worden maar 70% van de prehistorische collecties ging verloren (44)-

Archeologie en de cultuurpolitiek van president Mobutu (1971-1997)

Ri)k versierd aardewerk opgegraven door H. van Moorsel, Kinshasa ^de-igde eeuw ( © SOFAM, foto H. Goldstein)

W

i6 I M

i

Een cruciale beslissing voor het archeologisch onderzoek en de museumwereld in de DR Congo, en ook voor het KMMA in België, viel op 11 maart 1970, toen het Instituut voor de Nationale Musea van Congo (IMNC/Z) werd opgericht (45). Het hing tijdens de eerste jaren van zijn bestaan direct af van de President van de Republiek. In 1984 ging die bevoegdheid over naar het Zaïrese Departement van Cultuur en Kunsten. De overeenkomst van 30 april 1971 tussen de Belgische en Congolese, of vanaf 27 oktober 1971 Zaïrese, regeringen bepaalde dat Belgische experten de leiding hadden van het Instituut, evenals van de musea in Kinshasa en Lubumbashi, in afwachting van de opbouw van een eigen Zaïrees, in archeologie opgeleid kader (46). Na een aantal jaren veldwerk werd in 1977-1978 een speciaal nummer van de Etudes d'Histoire Africaine (47) gewijd aan de stand van zaken van het archeologisch onderzoek in Zaïre. De reeks werd


(a) Acheuleaan vuistbijl {16,7 x 8,7 x 3,4 cm) en (b) Acheuleaan kliever (16,8 x 11,3 x 5,8 cm) in polymorfe zandsteen, Kamoa (© KMMAl

uitgegeven door de Campus van Lubumbashi van de Nationale Universiteit van Zaïre, in samenwerking met het KM MA en het Centre de diffusion de livres universitaires de languefrangaise (CLUF). In zijn bijdrage L'archéologie en Afiique Centrale: Synthese wees Daniel Cahen (48) op tal van lacunes in het onderzoek. Hij vatte het archeologisch programma van het IMNZ in drie doelstellingen samen; (1) een chronologisch en stratigrafisch kader opstellen voor de prehistorische culturen, (2) archeologisch slecht gekende gebieden prospecteren, en (3) het ontwikkelen van studies over de ijzertijd.

Andere bijdragen in de Etudes d'Histoire africaine waren van de hand van (Celestin) Kanimba Misago, (Donatien) Muya Kamwanga, toen nog jonge Zaïrese studenten die later in het IMNZ zouden opgenomen worden. Vanuit België waren de belangrijkste wetenschappers in die tijd Daniel Cahen, Francis Van Noten, Pierre de Maret, archeologen verbonden aan het KM MA, en geomorfoloog Jan Moeyersons en palynoloog Emile Roche die omwille van de interdisciplinariteit toegevoegd werden aan de Afdeling Prehistorie en Archeologie in Tervuren.

M & L I 17


rivierafzettingen langs de Kamoa in Katanga en vond er een sequentie die liep vanuit het laatAcheuleaan tot in de ijzertijd, met echter geen dateerbaar materiaal voor de oudere lagen (51). Hiermee kwam hij tegemoet aan de derde doelstelling van het IMNZ: het ontwikkelen van studies over de ijzertijd, de Maret breidde ondertussen de opgravingen van de necropolen in het Upembabekken uit (52). Hij zorgde voor een sterk onderbouwd chronologisch kader dat in de streek van het Luba-koninkrijk een continuïteit in bewoning laat zien van de 8ste eeuw tot in de moderne tijden. Terwijl Daniel Cahen zich concentreerde op de steentijdsites van Gombe en Kamoa, Donatien Muya op die uit het oosten en het zuiden. Pierre de Maret en Kanimba Misago zich toelegden op de ijzertijd in Katanga en het neolithicum in BasCongo, trok Francis Van Noten in opdracht van het IMNZ naar het noorden van Congo (doelstelling 2 van het IMNZ: archeologisch slecht gekende gebieden prospecteren) (53). Speciale aandacht ging daarbij uit naar het onderzoek van grotten die vanouds natuurlijke aantrekkingspunten in het landschap zijn. Door de begrensde ruimte en het intensieve gebruik ondergingen deze sites vele verstoringen maar de in de loop van de tijd afgezette sedimenten en de eventueel achtergelaten culturele resten staan er minder bloot aan de inwerking van wind en water, of andere vormen van erosie. Op die manier bieden grotafzettingen een unieke kans om een beeld te krijgen op de regionale bewoningsgeschiedenis.

Klassiek Kisaliaangraf, 12de eeuw AD, uit opgravingen in 1974 in de Sanga-necropool (foto en © P de Maret)

18 I M

L

Als antwoord op de eerste doelstelling van het IMNZ (een chronologisch en stratigrafisch kader voor de prehistorische culturen opstellen) werden opgravingen op referentiesites hervat. Een verruimde aanpak, met ondermeer geomorfologische waarnemingen en omvangrijke remontages van het lithisch materiaal, leidde tot het herkennen van verstoringen in de afzettingen op de site van Gombe in Kinshasa. Een gelijkaardige stratigrafie op veel prehistorische sites in de zuidelijke savannestreek overtuigde Cahen er van dat deze verstoringen een wijdverbreid fenomeen waren (49). Deze nieuwe resultaten deden de bestaande chronostratigrafie op haar grondvesten daveren. Cahen stelde voor om in afwachting van goed bewaarde, onverstoorde sites voorlopig alle nomenclatuur te vervangen door de term 'postAcheuleaan complex', zonder verdere onderverdeling (50). Cahen groef daarnaast op in de

De bestemming van het ingezamelde materiaal was totaal verschillend van de prospecties van Bequaert. Het diende niet om de collecties in Tervuren aan te vullen, maar wel die van het IMNZ (54). De prospectietocht van Van Noten gebeurde net zoals die van Bequaert: over land, per wagen. Na een opgravingscampagne in Nigeria was Van Noten met een landrover doorgereisd via het noorden van Kameroen doorheen de Centraal Afrikaanse Republiek tot in Bangui, waar hij op 7 december 1972 de Ubangi-rivier overstak om op 13 maart 1973 vanuit Kigali naar Brussel terug te keren (55). Tijdens deze tocht was hij, net zoals zijn voorganger Bequaert, vergezeld van zijn echtgenote. Zij kampeerden in dorpen of soms gewoon langs de weg, en hun reis verliep zonder zware logistieke of administratieve problemen. Het eerste deel van hun prospecties vond plaats in de streek van de Ubangi waar sinds het begin van de 20ste eeuw aan de oppervlakte of bewaard in de dorpen, gepolijste bijlen gevonden werden. Hun herkomst, makers of datering waren echter nog steeds onbekend. In de omgeving van Gemena en Motenge-Boma verzamelde Van Noten opnieuw van deze Ubangiaan gepolijste bijlen, maar geen enkele werd


Lupembiaan spits in vulkanisch gesteente (22,9 x 6,1 x3,2 cm), gevonden op een diepte van 3 tot 4 m tijdens de mijnexploitatie van riviersedimenten langs de

in een dateerbare context gevonden zodat tot vandaag de vraag naar datering onbeantwoord blijft. Gelijkaardige gepolijste bijlen werden wel samen met aardewerk gevonden in Batalimo en omgeving, aan de overkant van de Ubangi rivier, in de Centraal Afrikaanse Republiek (56). Dateringen situeren hun productie daar in de eerste eeuwen van onze tijdrekening. De reis vanuit de noordwestelijke Ubangi- naar de noordoostelijke Uele-streek bracht het echtpaar Van Noten naar de beruchte 'megalithische vloer' van Api, gekend sinds 1935. Dat bleek echter duidelijk geen bouwwerk van mensenhanden te zijn maar een natuurlijk erosiepatroon van een in regelmatige brokken opgebroken laterietkortst (57). In een opgraving bij het Buru-riviertje, waar sedert het begin van de 20ste eeuw gepolijste bijlen gevonden werden, troffen ze een mengeling aan van ijzerslakken met afslagmateriaal in hematiet. De afslagen en fragmenten kunnen afkomstig zijn van de vervaardiging van bijlen. Hematiet is echter ook een ijzererts. De datering van de site valt tussen het midden van de 16de en het einde van de 19de eeuw. Als het gaat over een atelier van bijlproductie, dan zijn de bijlen in ieder geval een stuk recenter dan hun tegenhangers in de Ubangi (58). Een korte prospectie in de buurt van de goudmijnen van Kilo en Moto, waar talrijke stenen werktuigen gevonden werden die zich nu bevinden in de collecties van het KMMA, leerde dat hier nog weinig toekomst is voor archeologie omdat de streek door de mijnactiviteit volledig op de schop genomen is. Het is weinig waarschijnlijk dat de prachtige lange, tweevlakkig bewerkte spitsen toegeschreven aan het Lupembiaan hier ooit in een onverstoorde archeologische context gevonden zullen worden. Het milieu, de levenswijze, de technologie en de datering van deze cultuur uit de midden-steentijd blijven onbekend. Bij de aanbevelingen in zijn eindverslag stelde Van Noten opgravingen voor in de grotten van Hau en Matupi, en op de vindplaats Buru (59). Uiteindelijk zullen enkel de opgravingen van Matupi (60)

uitgevoerd worden in 1973-1974, met als resultaat een van de belangrijkste referentiesites voor Centraal Afrika. In de sleuven waarvan sommige tot op 5 m diep afgegraven werden, verscheen een microlithische industrie op kwarts. De oudste datering overschrijdt het bereik van de radiokoolstofmethode van 40.000 jaar terwijl de meest recente lagen 3.000 jaar geleden afgezet werden. In Matupi werd een fragment van een kleine doorboorde en versierde steen of kwé gevonden in een horizont van ongeveer 20.000 jaar oud. Uitzonderlijk is net zoals te Ishango het vrij goed bewaarde faunamateriaal dat inzicht geeft in het menu en het milieu van de jager-verzamelaars doorheen de laatste 40.000 jaar (61). Hoewel de grot zich nu in het evenaarswoud bevindt, blijkt de omgeving in de oudere occupatieperiode savanne geweest te zijn. Houtskool werd gedateerd maar wacht in de collecties van het KMMA op verdere soortidentificatie die zal toelaten de toenmalige houtige vegetatie te reconstrueren.

Katendele-rivier (© KMMA)

De Bantu-verspreiding als thema voor veldwerk in het regenwoud De Bantu-verspreiding Terwijl de chronostratigrafie van de steentijd nog steeds niet uitgeklaard was (en is), kregen recente periodes en fenomenen - terecht - steeds meer aandacht. Een intrigerend en grootschalig fenomeen in Afrika ten zuiden van de Sahara is de verspreiding van de Bantu (62), een fenomeen dat vanaf het eind van de jaren 1950 in verband gebracht wordt met de verspreiding van ijzer en aardewerk. De term 'Bantu' is in gebruik sinds de late 19de eeuw om een groep van nauw met elkaar verwante talen aan te duiden en is inmiddels uitgegroeid tot een veel ruimer cultureel begrip. De ongeveer 500 beschreven Bantu-talen worden vandaag door 300 miljoen mensen gesproken. De bevolking in het evenaarswoud en zeker in het centrale bekken van de Congostroom, bestaat bijna uitsluitend uit Bantusprekende volkeren die aan landbouw, jacht en visvangst doen en in sommige gebieden in nauw contact staan met jager-verzamelaars (pygmeeën) die de talen van hun buren spreken. In het noordoostelijke deel van het evenaarswoud is de lappen-

M&L I 19


deken van talen nog veel complexer door de aanwezigheid van Adamawa-Ubangi en Soedanese taalfamilies. Vergelijkende taaistudie toont aan dat de Bantutalen zich op relatief korte tijd hebben verspreid vanuit een oorsprongsgebied op de grens tussen Nigeria en Kameroen. Taalkundigen vertrekken daarbij vanuit de kenmerken en verspreiding van de huidige talen en gaan via het in kaart brengen van overeenkomsten terug naar het verleden. Zo weten ze ook dat de proto-Bantu-sprekers woorden hadden voor aardewerk. Archeologen buigen zich over materiële sporen die informeren over gebruiken waaronder aardewerkproductie, gedrag en levenswijze van hun makers. Zij kunnen de samenlevingen in de tijd situeren, en eveneens overeenkomsten tussen groepen zien, maar op geen enkel moment kunnen ze ontdekken welke taal gesproken werd (63).

Overzicht van de expedities en de resultaten van het River Reconnaissance Project 1976-1985

Ondanks de grote geografische en chronologische lacunes in het verhaal van de Bantu-expansie, blijven de schaal, snelheid en algemene richting van de migraties verbazen (64). Op basis van de beschikbare dateringen van sites gesitueerd tussen 5° ten noorden en 5° ten zuiden van de evenaar lijkt er een chronologische opeenvolging van nederzettingen te bestaan, die van west naar oost liep

maar tegelijk een noord-zuid traject volgde. De culturele expansie schijnt daarmee te vertrekken vanuit de vroegste nederzettingen in het noordwesten van de huidige verspreiding van de Bantutalen. Het staat ondertussen vast dat de aardewerkproducerende groepen doorheen een gebied trokken dat nu onder dicht evenaarswoud ligt, maar de - wellicht verschillende - milieuomstandigheden ten tijde van de expansie zijn onvoldoende gekend. Dat geldt met name voor de rol van de droogte gedocumenteerd tussen 2500 en 1500 jaar geleden. De vraag is in welke mate deze droogte het evenaarswoud al dan niet heeft doen verdwijnen of veranderen in samenstelling, en of daardoor de migraties mogelijk vergemakkelijkt werden. De huidige homogeniteit binnen de Bantu-taalgroep wordt gezien als het gevolg van een snelle verspreiding van de talen. De hypothese van migraties van mensen die de talen spreken en de technologie kennen, lijkt daarbij beter aan te sluiten dan het idee dat technologie en taal tussen bestaande bevolkingen doorgegeven worden. Hoe de migratie en het contact verliepen en wat er precies gebeurde met de aanwezige jager-verzamelaars eens de Bantu-groepen aankwamen, blijft een actueel vraagstuk. Vandaar is er een grote nood aan het zoeken naar materiële sporen van bewoning in het gebied dat momenteel onder evenaarswoud ligt. De interpretatie van linguïstische, historische.

(© Hans-Peler Wotzka)

Imbonga Inganda Bokuma Longi BeKongo Bondongo Bokone

20 I M L

400-100 B C 200 B C - A D 80 0 - A D 650 A D 500 - 1O0O

? A D 1000 - 1400 post A D 1600


antropologische en archeologische resultaten zorgt echter ook nog steeds voor de nodige methodologische uitdagingen (65). Veldwerk in het regenwoud Koploper van het veldwerk in het regenwoud is de Duitse archeoloog Manfred Eggert. Eens ter plaatse merkte hij op hoe het rivierensysteem zich een weg baant in het evenaarswoud en dat het woud aldus geen belemmering vormt voor verkeer en transport in de streek, vandaag niet en in het verleden waarschijnlijk evenmin (66). De concrete aanzet voor het opzetten van wat de belangrijkste archeologische prospectietochten in het evenaarswoud zouden worden, was een toevalsvondst van dertig rijkversierde potten bij het uitgraven van een waterput in het dorp Bondongo-Losombo, in 1952. Duitse etnologen die in een naburig dorp aan het werk waren konden enkele exemplaren verwerven. In 1954 zagen zij dit vaatwerk in andere dorpen en bij missionarissen maar niemand kon hen meer vertellen over ouderdom of herkomst van de potten (67)Het jarenlange intensieve onderzoek van Manfred Eggert liep van 1977 tot in 1985 en kaderde binnen de doelstellingen van het IMNZ. Het werd gefinancierd door de Duitse regering (de Deutsche Forschungsgemeinschaft) en gebeurde in samenwerking met het IMNZ waarbij Kanimba Misago het team versterkte. Hans-Peter Wotzka verwerkte de terreingegevens samen met een gedetailleerde analyse van het aardewerk, tot een historische sequentie die begint in 400 vóór Chr. en tot in de 17de eeuw loopt (68). Uiteindelijk werd 4000 km afgevaren langs de zij- en bijrivieren van de Zaïreof Congostroom, de Ruki, de Momboyo, de Tshuapa, de Ikelemba, en de Lulonga die zich stroomopwaarts splitst in de Lopori en de Maringa. De veldseizoenen duurden telkens ongeveer zes maanden. Daarbij werd steeds dezelfde methode gevolgd: tijdens de reis stroomopwaarts werd van boord gegaan wanneer de oever hoog genoeg was. Met toestemming van de dorpsoudsten werd geprospecteerd. Aardewerk dat aan de oppervlakte lag, werd ingezameld en meegenomen naar de boot. Wanneer ze het eindpunt op de rivier bereikten, beslisten ze op basis van een analyse van het ingezamelde materiaal in welke dorpen opgravingen het meest aangewezen waren. Bij de terugkeer stroomafwaarts werd in die dorpen opnieuw aangelegd.

Kenmerkende structuren die door het Duitse team werden opgegraven bestonden uit ronde kuilen van ongeveer 60 tot 70 cm breed en 1,5 m diep. Ze bevatten enkele volledige potten en 20 tot 30 min of meer gebroken exemplaren die in en over elkaar

gerangschikt werden. Een dergelijke samenstelling doet denken aan begravingen maar er werd geen menselijk botmateriaal aangetroffen. Dit is echter geen argument voor of tegen een interpretatie als grafcontext vermits beendermateriaal in de zure en waterverzadigde bodems onder het evenaarswoud niet bewaard blijft. Andere structuren lijken afvalkuilen te zijn. Het aardewerk kan inzake stijl, versiering en vorm in verschillende groepen ondergebracht worden. Het oudste vaatwerk, naar de eerste vindplaats 'Imbonga' genoemd, dateert uit de eerste vier eeuwen vóór onze tijdrekening. Ook latere groepen van aardewerk werden geïdentificeerd, naast resten van ovens uit een 15deeeuwse artisanale ijzerproductie, en overblijfselen van verdedigingswerken. Deze cirkelvormige grachten waren tot 5 m breed en 2,5 m diep en liepen rond een aarden omwalling met een doorsnede van 50 tot 80 m. In de dorpen werd verteld hoe talrijke conflicten hun voorgangers genoopt hadden tot de aanleg van dergelijke defensieve bouwwerken. De toegang werd verzekerd maar ook afgesloten door een boomstam-brug die 's nachts binnengehaald werd. Vanaf 1880 werden deze verdedigingswerken opgegeven bij het binnendringen van de Europeanen.

Wanneer de resultaten van deze intensieve prospectietochten in kaart gebracht worden, zien we hoe de oudste aardewerkgroepen zich in de laatste vier eeuwen vóór onze tijdsrekening in het westen van het gebied bevinden terwijl het meer recente aardewerk steeds verder stroomopwaarts gevonden wordt, langs de verschillende bij rivieren in het centrale bekken van de Congostroom. Er is een duidelijke west-oost-richting van mensen die verder en verder het evenaarswoud in trekken. Er werden echter geen in situ steentijdsites in het centrale Congo-bekken aangetroffen. Dat gebeurde wel in het Ituri-woud, meer naar het oosten, door Julio Mercader, toen verbonden aan de Universiteit van Madrid. Onder kleinere rotsoverhangen vond hij een microlithische industrie op kwarts die sterk lijkt op die gevonden in Matupi (69). Net zoals daar bleef de industrie sinds ten minste 18.000 jaar geleden tot relatief recent in gebruik. Baanbrekend werk werd geleverd met de analyse van de fytolieten (70) van planten die aantoonden dat de rotsoverhangen in Ituri in tegenstelling tot Matupi vanaf het begin onder regenwoud lagen. Zowel jagerverzamelaars als regenwoud gedijden hier tijdens de extreme droogte op het einde van het Pleistoceen.

De prospectietochten voor het lokaliseren van vindplaatsen in het noorden en het centrum van Zaïre, uitgevoerd vanaf 1971, hadden tot nieuwe inzichten in de bewoningsgeschiedenis van de regio


geleid. De archeologische verspreidingskaart werd hierdoor aanzienlijk verrijkt, maar aan het einde van de jaren 80 werden de omstandigheden voor veldwerk in Zaïre steeds moeilijker. Het laatste veldseizoen in het Upemba-bekken vond in 1988 plaats, in de oostelijke slenk in 1990 en in het Ituriwoud in 1995. De diplomatieke breuk tussen de regering van president Mobutu en de internationale gemeenschap aan het einde van de 20ste eeuw betekende een volledige stilstand in de ondersteuning, financiering en ontwikkelingssamenwerking waardoor uitwisseling inzake onderzoek, onderwijs en cultuur tussen België en het toenmalige Zaïre geheel stil viel.

Projecten en prospecties in de ziste eeuw Bij het aantreden van Laurent-Désiré Kabila in 1997 werden de diplomatieke relaties met België stilaan terug opgebouwd. Zaïre werd de Democratische Republiek van Congo. Sinds 1990 had België ook een aantal veranderingen ondergaan en was een federale staat geworden. Onderwijs, onderzoek en cultuur werden geleidelijk aan regionale materies terwijl het KMMA een nationale of federale instelling bleef (71). Na het vertrek van Daniel Cahen in 1982 naar het KBIN, Francis Van Noten in 1987 naar de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis en de aanstelling van Pierre de Maret aan de Université Libre de Bruxelles, werd de Afdeling Prehistorie en Archeologie opeenvolgend door Jan Moeyersons en Emile Roche geleid. Sinds 2004 is de leiding ervan opnieuw in archeologische handen. Ondertussen werden de wetenschappelijke departementen van de hele instelling gereorganiseerd en is op 1 januari 2014 de Afdeling Prehistorie en Archeologie met haar twee archeologen opgegaan in de ruimere dienst Erfgoedstudies (72). In de periode tussen 1990 en 2000 werd een deel van de archeologische activiteit van het KMMA binnen Centraal Afrika verdergezet, zij het niet in de DR Congo zelf. In 2000 hernam de samenwerking met het IMNC via een institutioneel samenwerkingsproject met het Musée national de Lubumbashi (73) waar Donatien Muya sinds 1986 directeur is. Internationale samenwerking zou een stimulans moeten zijn voor het archeologisch onderzoek in Congo. Door de opgeschorte internationale contacten maar ook door het uitblijven van een archeologische opleiding op universitair niveau in de DR Congo, zijn er immers nu niet meer Congolese archeologen actief dan vóór de crisis op het einde van het Mobutu-regime. Een nieuwe trend in het archeologisch onderzoek in Centraal Afrika was, vanaf de jaren 1990, de preventieve archeologie samengaand met grote infrastructuurwerken (74). Waar vondsten tijdens

de grootschalige graafwerken vroeger toevallig waren en afhingen van persoonlijke interesses, worden impactstudies nu expliciet opgezet met als doel het in kaart brengen van het archeologisch potentieel. Westerse bedrijven zijn hier door wettelijke bepalingen toe verplicht, bedrijven uit het Verre Oosten volgen deze politiek echter niet. Op enkele gelukkige uitzonderingen na staan in de praktijk economische motieven, een gebrek aan een gecentraliseerd beleid, bijvoorbeeld voor impactstudies bij het verstrekken van ontginningstoelatingen, argwaan en vooroordelen het preventief onderzoek in de weg. Prospecties worden bijvoorbeeld ingebouwd op momenten dat het gras menshoog staat of wanneer de wegen in het regenseizoen onberijdbaar zijn. Zelfs als de studies gebeuren, verdwijnen de resultaten in rapporten die niet toegankelijk zijn voor de wetenschappelijke wereld. In het kader van een sensibilisering voor het erfgoed in de ondergrond van de DR Congo worden sinds enkele jaren aan het KMMA vindplaatsen uit de oude collecties gegeorefereerd. Het opzoekwerk in de archieven en collecties is echter erg tijdrovend en gebeurt naast alle andere opdrachten van de huidige dienst Erfgoedstudies. De oude onderzoeksvragen staan ondertussen nog steeds in het middelpunt van de archeologische belangstelling en vergen nog steeds nieuw terreinwerk. De onderzoeksthema's blijven bekend: de materiële sporen van de bewoningsgeschiedenis, het over- en samenleven van jager-verzamelaars in het regenwoud, de verspreiding van nieuwe technologieën waaronder landbouw, aardewerk en metallurgie en het daarmee eventueel parallelle verdwijnen van de productie en het gebruik van stenen werktuigen, evenals het ontstaan en de groei van politieke structuren zoals het Luba- of Kongokoninkrijk. Het toepassen van nieuwe technologieën en analysemethoden op museumcollecties krijgt momenteel vorm binnen specifieke onderzoeksprogramma's. Die variëren van grondstofanalyses in bestaande collecties voor het achterhalen van oude handelsnetwerken tot nieuwe wetenschappelijke projecten zoals Crossing Borders of KongoiCing (75). Hierin worden reeds lang gekende sites herbekeken en verder geëxploreerd, op zoek naar de oorsprong en evolutie van het Lubakoninkrijk in Katanga en het Kongo-koninkrijk in Bas-Congo. In beide projecten wordt een combinatie van historische taalkunde, archeologie en antropologie betracht, in samenwerking met het Instituut voor Nationale Musea van Congo. De lokalisatie van nieuwe vindplaatsen impliceert echter veldwerk en binnen het KongoKing- project gebeurt dat inderdaad in Bas-Congo, in combinatie met opgravingen in de buurt van reeds gekende sites zoals de begraafplaats Ngongo Mbata kia


Madiadia, onderzocht door Bequaert en Schellings in 1938. Terreinwerk in ertsrijke gebieden is minder evident omdat het graven van putten op zoek naar materiële cultuur erg sterk lijkt op het graven naar matières of delfstoffen. Grootschalige expedities op zoek naar nieuwe vindplaatsen in archeologisch onbekende gebieden zijn hier momenteel dus niet aan de orde. De optie blijft echter behouden en waar mogelijk in de praktijk omgezet. Dit verklaart de aanwezigheid van de KMMA-archeologen tijdens de Boyekoli Ebale Congo 2Qio expeditie in het regenwoud langs de Congostroom tussen Kisangani en Bumba. Dit initiatief wou in een partnerschap tussen Belgische (het KMMA, het KBIN en de Nationale Plantentuin van Meise) en Congolese (de Universiteit van Kisangani) wetenschappelijke instellingen tegemoet komen aan de dringende vraag naar nieuwe gegevens nodig voor een doordachte biomonitoring en duurzaam beheer van het Centraal-Afrikaanse regenwoud (76). Hierbij is kennis over de impact van zowel de mens als van het veranderende klimaat essentieel. Een van de onderzoeksmethoden is de analyse van houtskoolpartikels in de bodem, die tot verschillende millennia oud kunnen zijn en zo toelaten na te gaan hoe het evenaarswoud gereageerd heeft op klimaatschommelingen of menselijke aanwezigheid. Deze benadering komt tevens tegemoet aan de archeologische interesse om het milieu te reconstrueren van diverse samenlevingen in het verleden. De deelname aan de expeditie, geïnspireerd door de succesvolle prospecties in het Centrale Congo-bekken, bleek erg lonend. In 2010 werden archeologische vindplaatsen geïdentificeerd langs de rivieren Aruwimi, Lomami en Itimbiri en in 2013, tijdens een kleinschalige prospectie, langs de Lindi-rivier ten noorden van Kisangani. Een deel van het verzamelde aardewerk lijkt sterk op de Imbonga-groep uit de eerste eeuwen v.Chr. in het centrale Congo-bekken. Langs de Lomami werden aardewerkscherven samen met stenen artefacten gevonden, maar er zijn (nog) geen steentijdsites in het gebied gelokaliseerd. Net zoals in het evenaarswoud in het centrale Congo-bekken, was de afwezigheid van sites langs de Congo-stroom en haar bijrivieren tussen Kisangani en Bumba dus duidelijk het gevolg van de afwezigheid van onderzoek en niet van een gebrek aan bewaarde bewoningssporen.

Wie zoekt, die vindt De verspreidingskaart van archeologische vindplaatsen in de Democratische Republiek van Congo gaat terug tot vondsten uit het einde van de 19de eeuw en is het resultaat van meer dan een eeuw diverse initiatieven, uiteenlopende interesses, samenspel van toeval en specifiek opgezette

^«BUMBA

4*

1 250E

N

A

\

Bomane Aruwimi

i*"

V? Ilambi Moke

- 0o30'N 0 1

50 Km 1

^

J!

^ S ^

Baombi l i j f - i » f

KISANGANlN* " 1 Sites gelokaliseerd in 2010 tijdens de Boyekoli Ebale

expedities, prospecties en opgravingen. Het archeologisch veldwerk was gekenmerkt door wisselende accenten in de onderzoeksstrategieën en een voortdurende, maar niet altijd even intensieve aandacht vanuit België. In vergelijking met de eerste verspreidingskaart die Stainier in 1899 opmaakte, is het aantal vindplaatsen sterk aangegroeid maar er bestaan nog veel lacunes vooral inzake goed gedateerde opgegraven ensembles. Er zijn voor het onmetelijke studiegebied nauwelijks 400 absolute dateringen gepubliceerd waarvan 84% geconcentreerd zit in een beperkt deel van het gebied: Bas-Congo, langs de bijrivieren in het centrale bekken van de Congo-stroom, de necropolen uit het Upemba-bekken in Katanga en de sites van de Semliki vallei, het Ituri woud en de Matupi-grot in oostelijk Congo. De oudste radiometrische dateringen bedragen ongeveer 70.000 jaar maar de prehistorie gaat véél verder terug zoals de rolkei-industrieën en de Laat-Acheuleaanensembles laten veronderstellen. De archeologische resultaten wijzen op het potentieel om onderzoek uit te voeren dat relevant is voor zowel actuele vraagstukken in de evolutie van de mens als voor de studie van latere migraties en beginnende staatsstructuren. In dit enorme gebied geldt nog steeds de vuistregel 'wie zoekt, die vindt'. Het is tegelijkertijd de drijfveer om, ondanks tal van logistieke problemen, binnen het institutionele kader van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika archeologisch onderzoek in de regio in nationaal en internationaal verband te blijven ondersteunen, en zo dit rijke verleden alle eer aan te doen.

Expeditie op de Congo-stroom, en in 2013 langs de Lindi rivier (© KMMA)

Els Cornelissen en Alexandre Livingstone-Smith zijn als archeologen verbonden aan de dienst Erfgoedstudies van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren

M L I 23


Eindnoten (1)

(2)

(3)

Aardewerk (± 2000 jaar oud) gestapeld langs de Aruwimi-

De kaart is een tussentijds resultaat. Precieze lokalisaties met georeferenties zijn beschikbaar voor ongeveer 6 0 % van de vindplaatsen vertegenwoordigd in de collecties van het KMMA. Het is een werk van lange adem, met dank aan collega's Alexander Vral en Nadine Devleeschouwer voor het opzoekwerk in de archieven evenals aan Lien Speleers en aan stagiairs van de Université Libre de Bruxelles. Vakliteratuur over geschiedenis en vondsten in de Democratische Republiek van Congo is beschikbaar via http:// www.african-archaeology.net/biblio/bibliordc.html. Voor een historisch overzicht specifiek over archeologie zie DE MARET P., Phases and Facies in the Archaeology of Central Africa, in ROBERTSHAW P. (ed.), A History of African Archaeology, London, 1990, p. 109-134 en COUTTENIER M., Sociétés scientifiques, musées, universités. L'étude de la préhistoire du Congo beige (iSjj-igjS), in Les Nouvelles de l'Archéologie, 128, 2012, p. 23-27. Zie verder COUTTENIER M., Als muren spreken. Het museum van Tervuren igio-2010 / Si les murs pouvaient parier. Le Musée de Tervuren 1910-2010, Tervuren, 2010 en COUTTENIER M., Between Regionalization and Centralization: The Creation of the Musée Leopold U in Elisabethville (Musée national de Lubumbashi), Belgian Congo ( i g j i - j g ö i j , in History and Anthropology, jg. 25, nr 1, 2013, p. 72-101, DOL 10.1080/02757206.2013.823056. Voor een overzicht van archeologie en capacity building in de DR Congo: CORNELISSEN E., Archaeology in the Democratie Republic of Congo: old and current strategies for ancient issues, in VAN DER LINDE S.J., VAN DE DRIES M.H.,

(4)

(5)

(6)

(7)

rivier, Bomane (© KMMA)

(8) (9)

(10)

(n) (12)

(13)

(14) (15)

(16)

(17)

SCHLANGER N. en SLAPPENDEL C.G. (eds.), European Archaeology Abroad: Global Settings, Comparative Perspectives, Leiden, 2012, p. 205-222. In Afrika ten zuiden van de Sahara wordt de terminologie van Early, Middle en later Stone Age of oude, midden- en late steentijd gevolgd. In grote lijnen is er een overeenstemming met vroeg, midden- en laat paleolithicum/mesolithicum. Het gebrek aan referentiesites, zeker in Centraal Afrika, verklaart waarom het tijds- en cultuurkader niet vastligt. Het neolithicum is voorwerp van hevig debat omwille van de mozaïek aan levenswijzen in Afrika. De manier waarop aardewerk, gepolijste werktuigen, of metalen verspreid werden, is bovendien ook erg verschillend van streek tot streek. Ter illustratie, de index in MITCHELL P. & LANE P., The Oxford Handbook of African Archaeology (Oxford Handbooks in Archaeology), Oxford, 2013 bevat de term neolithicum niet, die ook afwezig is in de titels van de bijdragen Part V. Food for Thought: the archaeology of African Pastoralists and Farming Communities. De 'neolithische' termen Ueliaan, Leopoldiaan en Ubangiaan verwijzen uitsluitend naar gepolijste bijlen en niet naar het klassieke neolithische complex van aardewerk, gepolijste werktuigen, veeteelt, landbouw en sedentarisatie. VAN PEER Ph., Belgium, in MURRAYT. (ed.). Encyclopedia of Archaeology. History and Discoveries, Santa Barbara, 2001, p. 142-148. Voor informatie over de meeste historische figuren vermeld in de tekst, zie de website van de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen: http://www.kaowarsom. be/nl/zoekmachine. Hoewel ook de term 'Neder-Congo' in de koloniale periode gebruikt werd, geven we doorheen de tekst de voorkeur aan 'Bas-Congo' vermits dit de huidige naam voor het gebied is. ZBOÏSNKI C , Un age de la pierre au Congo, in Bulletin de la Société dAnthropologie de Bruxelles, VI, 1887-1888, p. 56. VAN PEER 2001, op. cit. en DUPONT E., Découverte faite par M. Le Capitaine commandant d'artillerie Zboïnski d'instruments de Vage de la pierre dans l'état du Congo, in Extrait des Bulletins de VAcadémie Royole de Belgique, jième série, tome XIII, nr. 4, 1887, 3 p. STAINIER X., L'age de la pierre au Congo, in Annates du musée du Congo, série 1 Ethnographic el Anthropologic, vol.i., nr 1, 1899, 24 p., 1 c , 5 pi. COUTTENIER 2012, op. cit. STAINIER 1899, op. cit. Achttien van deze sites werden reeds gepubliceerd door de geoloog (. Cornet in 1896. Zijn conclusie luidde « Quel est Vage despierres taillées de la region des cataractes du Bas-Congo? Préhistoriques, elles le sont: mals pour le Congo, la préhistoire n'afini qu'il y a quatre siècles. »: CORNET M.J., Vage de la pierre dans le Congo occidental, in Extrait du Bulletin de la Société d'Anthropologic de Bruxelles. XV, 1896-1897. STAINIER 1899, op. cit., p. 11-12. De auteur merkt op dat het bijgeloof waarin gepolijste hematiet-bijlen uit de hemel gebliksemd werden hetzelfde is als in Europa in verband met gepolijste vuurstenen bijlen waaraan magische en beschermende krachten toegedicht werden. Bijvoorbeeld CORNET 1896-1987, op. cit., DE MARET 1990, op. cit., p. 111-114 en COUTTENIER 2012, op. cit. COUTTENIER 2012, op. cit. en COUTTENIER M., Fysieke antropologie in België en Congo 1883-1964, in SL1GGERS B. en ALLEGAERT P. (uitg.). De exotische mens. Andere culturen als amusement, Tielt, 2 0 0 9 , p. 96-113. COLETTE J. R. F., Complexes et Convergences en Préhistoire, in Bulletin de la Société Royale Beige d'Anthropologic et de Préhistoire, L, 1935, p. 49-192. MENGHIN O., Die Tumha kultur am unteren Congo und der westafrikanische kulturkreis, in Anthropos, XX, 1925, p. 516-

557(18) COUTTENIER 2 0 0 9 , op. cit. (19) CABU F., La préhistoire congolaise. These de doctorat, Université de Liège, Luik, 1936. Zie ook p. 29 in CABU F., Données antérieures d igji et données actuelles sur la préhistoire congolaise au Pleistocene, in Bulletin de I'Association Congolaise des anciens étudiants de VUniversité de Liège, 2,1944, pp. 24-34. Hij verwijst hier naar zijn doctoraal onderzoek en zet zich in niet mis te verstane termen af tegen het Tumbiaan.

24 I M

1.


(20)

(21) (22)

(23)

(24)

(25)

(26l

Over de geschiedenis van het Musée national de Lubumbashi 45, 4 pis. en Francis Cabu, zie C0UTTEN1ER 2013, op. rit. (27) Over late steentijd, neolithicum en metaaltijd, zie eindnoot COUTTENIER 2013, op. rit. 4VAN NOTEN F., Maurits Bequaert, in Belgische Overzeese(28) BEQUAERT M., La Préhistoire au Congo Beige, in EncyclopéBiografie, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschap- die du Congo Beige, Brussel, 1952, band I, p. 45-77. pen, Brussel, T. VII-C, 1989, kol. 38-43, biografie met korte (29) In chronologische volgorde: CELIS M., Gepolijst archeoloschets van de twee reizen. gisch stenen materiaal uit de Demokratische Republiek Zaïre Dit laatste werd hem niet echt in dank afgenomen en de (met uitsluiting van het Vele Gebied) (onuitg. lic. verh.), toenmalige directeur van het museum schreef Bequaert: Rijksuniversiteit Gent, 1972; VANDENHOUTE J., De be"Toch zou ik U aanraden niet te veel tijd te "verspillen" (sic) graafplaats van Ngongo Mhata (Neder-Zaïre). Opgravingsveraan het onderzoek van min of meer moderne begraafplaatsen, slag en historische situering (onuitg. lic. verh.). Rijksuniversizooals U het gedaan hebt in Mbanza-bata ....Zeker is het inteteit Gent, 1973; HERIN A., Studie van een verzameling ressant, maar is het toch het doel niet van uw missie, niet waar." keramiek uit de Bushimaie vallei Kasai-Zaire in het Koninklijk Tervuren, KMMA, Bequaert archieven 5H, Brief Directie Museum voor Midden-Afrika te Tervuren (onuitg. lic. verh.). aan Bequaert 38/5707 van 9-12-1938. Rijksuniversiteit Gent, 1973; CLIST B., Etude archéologique BEQUAERT M., Préhistoire du Congo Beige, fouilles de 1950- du materiel de la mission Maurits Bequaert de 1950-1952 au 1952, in Aries du ^ème Congres international des Sciences Bas-Zaire (onuitg. lic. verh.), Université Libre de Bruxelles, Anthropologiques et Ethnologiques, Vienne, 1952, vol. 3,1956, 1982 en LAVACHERY Ph., L'age de la pierre récent au BasZaïre: Etude du materiel lithique des missions Bequaert 1950P- 30-351952 et de Maret 1973 (onuitg. lic. verh.), Université Libre de Mevrouw Bequaert had een speciale opleiding gevolgd voor Bruxelles, 1990. het opzetten van vogels, blijkbaar tot grote tevredenheid van de directie, zoals blijkt uit een brief aan Bequaert: "Wat de (30) CEMUBAC is het Centre Scientifique et Médical de l'Université Vogels betreft vraag ik U van mijnentwege Mw Bequaert te wil- de Bruxelles en Afrique Centrale. (31) MORTELMANS G., Préhistoire et protohistoire du Bas-Congo len danken voor de moeite die ze zich geeft dergelijke verzamelingen voor ons te doen. De toebereiding schijnt uitstekend te zijn Beige, une esquisse, in Trahalhos de Antropologia e Etnologia, behalve de nekken die een beetje uitgerokken zijn. Mr Chapin is XVII, 1959, p. 329-344. Met dank aan Geoffroy Heimlich die een doctoraalverhandeling voorlegt aan de Université Liin ieder geval zeer tevreden over zijn leerlinge." Tervuren, bre de Bruxelles over rotskunst in Bas-Congo: I 'art rupestre KMMA, Bequaert archieven 5H, Brief Directie aan M Bedu massif de Lovo (République démocratique du Congo). quaert 38/4404 van 23-9-1398. BEQUAERT 1956, op. rit.; ID., Recherches archéologiques au(32) Tervuren, KMMA, dossier AP 238 'Note sur les pierres taille'es'van 12.06.1938 opgesteld door A. Ronse, agent territoKwango en i952,in Aries du ^ème Congres International des Testput rial, Bobadi. Sciences Préhistoriques, Madrid 1954, Zaragoza, 1956, p. 29-

largs de Lomami-rivier,

llambi Moke

(© KMMA)

ï* ^a

^

%.ï: #$k>$ v .*

Br ^ ^m -St' ' K ' j E

P^wk

rw

• ^^0

m

^^

^.*^

b Tern 1'

i

HJilÉP 'fWi

1

5

IVI&L I 25


Aardewerk {± 2000 jaar oud) gestapeld langs de Lindi-rivier (© KMMA)

(33) DE HEINZELIN DE BREAUCOURT J., Les Fouilks (42) d'Ishango (Exploration du Pare National Albert, Fasc.2), Brussel, 1957; DE HEINZELIN J., Ishango, in Scientific American, 26,1962, p. 105-116. (34) TWIESSELMAN F., Les Ossements Humains du Gite Mesolithique D'Ishango {Exploration du Pare National Albert, Fase. 5), Brussel, 1958 en lopend onderzoek van Isabelle Crevecoeur, Chargée de recherche CNRS, UMR 5199 PACEA A3P, Université de Bordeaux. (35) Algemene projectleider was N. Boaz, voor de late en midden-Steentijd was dit Alison Brooks. BOAZ N.T. (ed.), Evo- (43)

CAHEN D., Contribution a la chronologie de Vage dufer dans la region de Kinshasa (Zaire), in ROUBET C, HUGOT H.-J. & SOUVILLE G. (ed.), Préhistoire africaine. Mélanges ojferts au doyen Lionel Balout (Recherche sur les grandes civilisations, Synthese n°6}, Parijs, 1981, p. 127-137. Radiokoolstofdateringen uit latere opgravingen door Daniel Cahen in 1973, op deze vindplaats en in Gombe, een andere wijk in Kinshasa, vallen in het platform van de kalibratiecurve van de laatste 500 jaar waardoor deze dateringen evenveel kans hebben om uit de 15de als uit de 19de eeuw te komen. Vertaling door een van de auteurs (E.C.) van VAN MOORSEL 1968, op.rit,p. 6 : "a ce sujet l'Atlas démontrera que si lution of Environments and Hominidae in the African Western collectionner des pierres taillées est une chose, faire de la Rift Valley (Virgmio Museum of Natural History Memoir 1), préhistoire est une toute autre affaire". Martinsville, 1990; BROOKS A. en SMITH C.C., Ishango (44) COUTTENIER 2013, op.rit.,ook voor verdere informatie en Revisited: New Age Determinations and Cultural Interpretaticontext. ons, in African Archaeological Review, 5, 1987, p. 65-78. (45) Officieel Institut des Musées nationaux du Congo (IMNC), (36) BROOKS A.S., HELGREN D., CRAMER J., FRANKLIN A., tussen 1971 en 1997 Institut des Musées nationaux du Zaïre HORNYAK W., KEATING )., TODD N., VERNIERS J. en (IMNZ). YELLEN J., Dating and Context of Three Middle Stone (46) Met dank aan Placide Mumbembele die een doctoraat voorAge Sites with Bone Points in the Upper Semliki Valley, Zaire, bereidt met als titel 'Projet Muséal en RDC, contexte social et in Science, 268, 1995, p. 548-553; YELLEN J., BROOKS A., historique. L'exemple de l'Institut des Musées Nationaux du CORNELISSEN E., MEHLMAN M. en STEWART K., Congo'. Over de cultuurpolitiek onder President Mobutu zie A Middle Stone Age Worked Bone Industry from Katanda, BOKONGA E., La Politique Culturelle en Répuhlique du ZaïUpper Semliki Valley, Zaire in Science, 286, p. 553-556, en re, Parijs, 1975 en CAHEN L., La Coi/ahoration entre Ie Musée YELLEN J.E., Barbed Bone Points: Tradition and Continuity Royal de l'Afrique Centrale et les Musées Nationaux du Zaïre: in Saharan and Sub-Sahara Africa, in African Archaeological un Chapitre de la «Politique Scientifique» du Musée de TervuReview, 15,1998, p. 173-198. ren, in Africa-Tervuren, 19 (4), 1973, p. 111-114. (37) NENQUIN J., Excavations at Sanga 1957. The protohistoric (47) Later zal het veldwerk verwerkt worden in VAN NOTEN F., necropolis (Annalen van het KMMA, Sociale en MenswetenThe archaeology of Central Africa, Graz, 1982. schappen, reeks in -i°, 45), 1963. (48) CAHEN D., 1977-1978. L'archéologieen Afrique centrale: Syn(38) HIERNAUX J., DE LONGREE, E. en DE BUYST J., Fouilks these, in Etudes d'Histoire africaine, IX-X, p. 133-136. archéologiques dans la vallée du Haut-Lualaba, I: Sanga, 195S (49) CAHEN D. en MOEYERSONS )., Subsurface movements of (Annalen van het KMMA, Sociale en Menswetenschappen, stone artefacts and their implications for the prehistory of Cenreeks in -8°, 73), 1971. tral Africa, in Nature, 266, n° 5605,1977, p. 812-815. (39) CAHEN, L. in zijn editoriaal voor het tijdschrift Afrika Ter- (50) CAHEN D., Vers une revision de la nomenclature des industries vuren in 1961, waarbij hij de taken van het museum herdepréhistoriques de l'Afrique centrale, in L'Anthropologie, 82 (1), finieert. 1978, p. 5-36. (40) Koninklijk Besluit van 1963, met dank aan M. Couttenier. (51) D. Cahen behaalde zijn doctoraat met de studie van Kamoa (41) VAN MOORSEL H., Atlas de Préhistoire de la Plaine de Kindie verscheen als CAHEN D., Le site archéologique de la Kashasa, Kinshasa, 1968. moa (region du Shaha, République du Zaïre), de Vage de la

26 I M

L


pierre ancien a Vage dufer {Annalen van het KMMA. Sociale(69) MERCADER J. en BROOKS A.. Across Forests and Savannas: en Menswetenschappen, reeks in -8°, 84). 1975. Later Stone Age AssemblagesfromIturi and Semliki, Democra(52) P. de Maret baseerde zijn doctoraalverhandeling op de optic Republic of Congo, in journal of Anthropological Research, gravingen in het Upemba-bekken: DE MARET P., Fouilles 57, 2001, p. 197-217. archéologiques dans la vallée du Haut Lualaha, Zaire, II: San(70) Fytolieten zijn microscopische stukjes silica te vergelijken ga et Katongo. 1974 {Annalen van het Koninklijk Museum voor met glas, die zich vormen in de cellen van vele plantensoorMidden-Afrika, Reeks Sociale en Menswetenschappen, 120), ten. Ze blijven in de vochtige tropen langer bewaard na het Tervuren, 1985, en DE MARET P., Fouilles archéologiques afsterven en verdwijnen van de planten dan andere plantdedans la vallée du Haut Lualaha, Zaïre, UI: Kamilamha, Kiku- len zoals pollen, [ulio Mercader en collega's waren de eerlu et Malcmba-Nkulu, 1975 {Annalen van het Koninklijk Musten om deze analyse toe te passen op archeologische sediseum voor Midden-Afrika, Tervuren. Reeks Sociale en Menswe- menten uit het Congolese Ituri-regenwoud. MERCADER J.. tenschappen, 131), Tervuren, 1992. Zie ook DE MARET P., RUNGE F., VRYDAGHS L, DOUTRELEPONT H., EWANFrom Pottery Groups to Ethnic Croups in Central Africa, in GO C.E.N., & JUAN-TRESSERAS J.. PhytolithsfromArchaeSTAHL A.B. (ed.), African Archaeology. A Critical Introducological Sites in the Tropical Forest of Ituri. Democratie Repution, {Blackwell Studies in Global Archaeology), Londen, 2005, blic of Congo, in Quaternary Research, 54, 2000, p. 102-112. p. 420-440. (71) Na een aantal wissels op ministerieel niveau, maakt het (53) VAN NOTEN F., Une prospection au Nord et Nord-Est du KMMA deel uit van BELSPO of de Programmatorische Zaïre, in Etudes d'Histoire Africaine, 9-10, 1977-1978, p. 75Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, in 2014 overgegaan van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksge77(54) Tervuren, KMMA Dossier AP-1498 Attestation IMNZ/ zondheid naar de bevoegdheden van de Staatsecretaris voor LC/189 van 20 oktober 1972 ondertekend door Lucien Armoedebestrijding, Gelijke Kansen, Personen met een Cahen als directeur van het IMNZ. beperking. Bestrijding van de fiscale fraude en Weten(55) Met dank aan Francis Van Noten voor het ter beschikking schapsbeleid. stellen van zijn persoonlijke veldnotities, zie ook VAN (72) Zie Staatsblad van 25.02.2008 en 12.06.2012 'Tot de hervorNOTEN F., op. rit., 1977-1978, p. 75-77 ming van de statuten van de federale wetenschappelijke instel(56) DE BAYLE DES HERMENS J.. Recherche préhistorique en lingen' en de daaruit voortvloeiende reorganisatie van de Répuhlique Centrafricaine, Nanterre, 1975. wetenschappelijke departementen. (57) VAN NOTEN F., Mystificatie en archeologie in Noord-Zaïre.(73) Over de impact van korte-termijn-projecten zie CORNELISin Africa Tervuren, XIX, 4,1973-1974, p. 97-102. SEN E. en MUYA D., Quelquesprojets a court terme au Musée (58) VAN NOTEN F. en VAN NOTEN E., Het ijzersmelten bij de national de Lubumbashi: pour un avenir d long terme? in Madi, in Africa Tervuren, XX, 1974 (3/4), p. 57-66. CEUPPENS B., (ed.), L'indépendance du Congo et ses lend(59) Tervuren KMMA, dossier AP-1498, kort eindverslag. emains dans quelques regards du XXIe siècle. Reflexions, histo(60) VAN NOTEN F., La grotte de Matupi (Ituri, Haut Zaïre), in riographie, mémoires, representations, collections, te verschijEtudes d'Histoire Africaine, 9-10,1977-1978, p. 79-85. nen. (61) VAN NEER W., Contribution to the archaeozoology of Central (74) DE MARET P., LAVACHERY Ph. en GOUEM GOUEM B., Africa. {Annalen van het Koninklijk Museum voor MiddenGrands Travaux Publics Grandes Opportunités ArchéologiAfrika. Zoölogische wetenschappen, 259), Tervuren, 1989. ques? Evaluation d'un Siècle d 'Experiences en Afrique, in NAF(62) Over de Bantu-verspreiding is veel vakliteratuur beschikFE B.O.M., LANFRANCHI R. en SCHLANGER N. (eds.), baar, we verwijzen hier naar DE MARET P., Archaeologies of L'Archéologie Preventive en Afrique: Enjeux et Perspectives. the Bantu expansion, in MITCHELL P. en LANE P. (eds.j. Actes du Colloque de Nouakchott. ier-} Fevrier 2007. SaintThe Oxford Handbook of African Archaeology. Oxford, 2013, Maur-des-Fossés, 2008, p. 142-152 en MACEACHERN S., p. 627-643, EGGERT M. K. H.. The archaeology of the Central Cultural Resource Management and Africanist Archaeology, in African rainforest: Its current state, in RENFREW C. & BAHN Antiquity, 75 (290). 2001, p. 866- 871. P. (eds.). The Cambridge World Prehistory. Vol. 1. New York, 2014, pp. 183-203, en de referenties in deze twee over- {75) Voor Crossing Borders, een BELSPO-project, zie SMITH A.L en VAN DER VEKEN A., The «Crossing Borders Project»: Potzichtsartikelen. tery traditions in Katanga (DRC) in Afrique, Archéologie el (63) Over de haalbaarheid van een interdisciplinaire aanpak van Arts, 5, 2009, p. 141-148; SMITH A.L., Pottery Traditions in het Bantu-vraagstuk lopen de meningen uit elkaar, zie hierKatanga (DRC), in Anthropos 105, 2010, p. 179-190; over DE MARET 2013, op.cit., EGGERT M.K.H., Central SMITH A.L. en VISEYRIAS A., Shaping Kabambian Pottery: Africa and the Archaeology of the Equatorial Rainforest: ReflecIdentification and Definition of Technical Features, in The tions on some Major Topics, in SHAW Th., SINCLAIR P.. Open Anthropology journal, 3, 2010, p. 124-141; voor KongoANDAH B. en OKPOKO A. (eds.). The Archaeology ofAfrica: King zie http://www.kongoking.org. Food. Metals and Towns. London, 1993, p. 289-329; EGGERT M.K.H., The Bantu Problem and African Archaeology, (76) Voor meer informatie over context en resultaten van de expeditie zie http://www.congobiodiv.org/en/projects/expein STAHL A.B. (ed.), African Archaeology. A Critical Introditions/expedition-2010. Voor de archeologie zie LIduction (Blackwell Studies in Global Archaeology), London, VINGSTONE SMITH A., CORNELISSEN E., HUBAU W. 2005, p. 301-326. In feite leunt deze problematiek nauw en EBOSSO V., Prospections et Fouilles Archéologiques de la aan bij die van de verspreiding van de Indo-Europese talen, Mission « Boyekoli Ebale Congo 2010 » (RDCj in Nyame Akuzie hierover EGGERT M.K.H.. Bantu und Indogermanen: Zur vergleichenden Anatomie eines sprach- und kulturgeschich- ma, 75, 2011, p. n-16, CORNELISSEN E., LIHANZU EBOSSO O. en MAMBU NSANGATHI C, Prospections sur la lichen Phanomenes, in Saeculum, 62 (I), 2012, p. 1-63. Lindi (Province Oriëntale, Répuhlique démocratique du Con(64) WOTZKA H.-P., Records of Activity: Radiocarbon and the Structure of Iron Age Settlement in Central Africa, in WOTZ- go), in Nyame Akuma, 79, 2013, p. 74-82. KA H.-P. (ed.), Grundlegungen, Beitrage zur Europaïschen und Afrikanischen Archaologie fiir Manfred K.H. Eggert, Tubingen, 2006, p. 271-289. (65) Zie DE MARET 2013, op.cit., EGGERT 1993, 2005, 2012, 2014 op.cit.

(66) EGGERT M.K.H., Archaologische Forschungen im zentralafrikanischen Regenwald, in R. PORTNER en H.G. NIEMEYER (eds.). Die grojlen Abenteuer der Archaologie, Band 9, Salzburg, 1987, p. 3217-3240. (67) Historiek en achtergrond van de prospecties komen uit EGGERT 1987, op.cit. (68) WOTZKA H.-P., Studiën zur Archaologie des Zentral-Afrikanischen Regenwaldes. {Africa Praehistorica, 9), Keulen, 1995. Met speciale dank aan Hans-Peter Wotzka voor het aanpassen van de Karte 21 voor deze bijdrage.


Hakhout- en middelhoutbeheer in Vlaanderen Koen Smets

Hakhout is een vorm van bosbeheer waarbij bomen dicht tegen de grond worden gekapt. Uit de slapende knoppen op de overblijvende stronk of stoof groeien al snel terug nieuwe scheuten. Na enkele jaren kunnen deze nieuwe stammetjes dan opnieuw gekapt worden en herhaalt de cyclus zich. Deze beheervorm was traditioneel de meest toegepaste vorm van bosbeheer in onze streken. Dit artikel wil inzicht verstrekken in het herkennen van hakhout als levend erfgoed. Daarvoor wordt het historische hakhoutbeheer belicht, met aandacht voor wat daarvan nog overblijft in de bossen van Vlaanderen. Ten slotte wordt aangetoond dat hakhoutbeheer in Vlaanderen niet alleen in de middeleeuwen mogelijk was, maar ook nu nog kan, mits een aantal randvoorwaarden (i).

Pas gekapte hakhoutstoven in Bos t'Ename in Oudenaarde (foto K. Vandevorst)

28 I M

L


Traditioneel hakhout- en middelhoutbeheer Hakhoutbeheer werd zo algemeen toegepast omdat het een grotere en regelmatiger houtopbrengst leverde dan hooghout, de bosbeheervorm waarbij uitsluitend opgaande bomen worden geteeld (2). Hakhout kwam voor in bijna alle Vlaamse bossen en bosjes, en speelde een grote rol in de middeleeuwse economie door het leveren van allerlei producten: vooral brandhout, maar ook bouwhout, ambachtshout, klein geriefhout en houtskool (3). Het traditionele hakhoutbeheer kende een aantal principes en begeleidende maatregelen, waarvan in veel bossen nog overblijfselen terug te vinden zijn. Deze relicten dreigen grotendeels te verdwijnen bij het thans meer voorkomende hooghoutbeheer. Nochtans kunnen ze mits de nodige aandacht bewaard worden. Onder bepaalde voorwaarden kan hakhoutbeheer ook opnieuw toegepast worden in bossen waar dit traditioneel gebeurde, of zelfs in nieuwe bossen. Samen met de teloorgang van het hakhoutbeheer is echter veel praktijkkennis over deze bosbeheervorm verloren gegaan. In volgende tabel enkele vaktermen. Uitgegroeid elzenhakhout in bosreservaat Coolhembos in Puurs

blekken of eken: het ontdoen van jonge eikenstammetjes van hun schors om deze te gebruiken in leerlooierijen als eek of run bovenetage, ook reserve of opperhout genoemd: de bomen waaruit deze bovenetage is opgebouwd, zijn de bovenstaanders eek, run: gedroogde en gemalen eikenschors, afkomstig van het blekken en gebruikt in leerlooierijen als bron van tannine hakhoutstoof: na de kap van het hakhout blijft de stronk of stoof achter, die in de lente terug uitloopt. Na elke kap wordt de hakhoutstoof groter hooghout ifiitaie): bosbeheer bestaande uit opgaande bomen houw of kap: een hakhoutperceel dat in hetzelfde jaar volledig gekapt wordt omlooptijd, kapcyclus: aantal jaar waarna het hakhout in een zelfde perceel opnieuw gekapt wordt opperhoutarm middelhout (taillis sousfittaie):

middelhoutsysteem met de klemtoon op het hakhout opperhoutrijk middelhout (futaie sur taillis): middelhoutsysteem met de klemtoon op de reserve rabatten: regelmatig patroon van evenwijdige greppels en ruggen. De ruggen worden opgehoogd met de aarde uit de greppels en vormen zo een drogere standplaats, bijvoorbeeld voor de groei van eik schaarhout of schaarbos: oude term voor hakhoutbos spaartelg: van een hakhoutstoof wordt één van de loten soms niet gekapt, maar verder beheerd alsof het een opgaande boom is stamreiniging: door beschaduwing van de stam, onder andere door de onderetage, kwijnen de onderste takken op de stam weg en sterven af, waardoor een kale stam verkregen wordt zonder zijtakken. Dit verbetert de kwaliteit van het hout door het ontbreken van knopen of kwasten.

(foto K. Smets)

M M . I 29


De lengte van de kapcyclus van hakhout is afhankelijk van de boomsoort, de groeiplaats, de beheerdoelstelling en de bestemming van het hout. Het grote voordeel van het hakhoutsysteem is dat er regelmatig kan worden geoogst, zonder dat er elke keer op het gehele gekapte perceel geïnvesteerd moet worden in bosverjonging. Hakhoutbeheer is op vrijwel alle groeiplaatsen en met alle loofboomsoorten toegepast, in onze streken slechts uitzonderlijk met beuk (4). De techniek van hakhout is zeer oud: Romeinse schrijvers maakten er 2000 jaar geleden reeds expliciet gewag van (5). Vanaf de vroege middeleeuwen werd hakhout op steeds grotere schaal toegepast, en vanaf circa 1300 was dit de meest gangbare beheervorm in West-Europese en Vlaamse bossen, in veel gevallen onder de vorm van middelhout.

Middelhout met pas gekapte hakhoutstoven in Poeke

Middelhout wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van opgaande bomen in geringe dichtheid te midden van hakhout. Deze opgaande bomen vormen de bovenetage: meestal zijn het bomen van verschillende leeftijden. De leeftijdsklassen van de bovenetage zijn een veelvoud van de omlooptijd binnen het hakhout. Bij iedere kap worden immers een aantal bomen geselecteerd om door te groeien. In een traditioneel middelhoutbos kwam een piramidale leeftijdsverdeling voor, te vergelijken met een bevolkingspiramide: er waren heel veel

(foto K. Smets)

jonge bomen, minder van middelbare leeftijd, en heel weinig oude. Het doel hiervan was om uit elke leeftijdsklasse bomen te kunnen gebruiken van de benodigde dikte. De term middelhout werd vroeger niet gebruikt, wat te verklaren is doordat in het algemeen de hakhoutlaag in middelhout economisch een stuk zwaarder woog dan de boomlaag. Uit een middelhoutbos konden de opgaande bomen als gevolg van bijvoorbeeld een oorlogskapping voor geruime tijd verdwijnen, maar het hakhoutaspect was permanent. Pas in de igde eeuw deden onder invloed van de École Nationale des Eaux et Forêts in Nancy met onder andere Bernard Lorentz en Adolphe Parade (6), waarvan de boeken ook hier werden gelezen, de termen taillis sousfutaie enfutaie sur taillis, afhankelijk van het relatief gewicht van beide componenten, schoorvoetend hun intrede. De benaming middelhout werd pas in de 20ste eeuw courant bij bosbouwers. In Nederland spreekt men, eveneens vanaf de 20ste eeuw, van middenbos (7). Hakhout en middelhout zorgen voor een grote en continue opbrengst van brandhout. Na de uitputting van de lokale turf- en veenvoorraden in Vlaanderen werd dit immers de belangrijkste brandstof. In de groeiende middeleeuwse maatschappij, met grote vraag naar zowel voedsel als brandstof, lag de oplossing in het zo efficiënt mogelijk benutten van de beperkte bosoppervlakte voor brandhoutproductie. Hiervoor bleek hakhout bijzonder geschikt. Dit systeem werd in Vlaanderen toegepast zowel binnen als buiten bossen. Hakhout in houtkanten, dus buiten het bos, was in sommige perioden waarschijnlijk belangrijker als houtleverancier dan het hakhout binnen de bossen. Er bleef een grote vraag naar brandhout bestaan tot de opkomst van de fossiele brandstoffen in het midden van de 19de eeuw. Hakhout was dus honderden jaren erg belangrijk. Vooral kleine en middelgrote bossen, maar ook kasteeldomeinen zoals bijvoorbeeld dat van Poeke bij Aalter, werden Elzenhakhout in een duinpanne in Koksljde, april 1908 (uit MASSART J.. Nos arbres, Brussel. I9ii,p.46)

Schematische tekening hakhout, middelhout en hooghout (naar lONDO G., Natuurbeheer in Nederland, dl.4 Natuurtechnisch bosbeheer. Wageningen, 1991, p. 4)

•v

if

1. MM.

te^'flWWitol^ hakhout

30 I M

hoogstamhakhout

L

middelhout

hooghout


Exploitatie van hakhout in middelhoutbos in Chimay in 1930 (BRADFER P. en TURLOT P., Cours élémentaire de Sylviculture. Namen, 1933. pi. 21 en 22)

benut om brandhout te produceren voor de lokale bevolking. In de landelijke gemeenschappen was er relatief minder vraag naar lokaal geproduceerd zwaar werkhout en waren er meer dan voldoende arbeidskrachten, dus het was geen probleem dat de verwerking van klein hout relatief meer handenarbeid vergde dan van zwaar hout. Zwaar hout was met de toenmalige technische vaardigheden tot het einde van de 19de eeuw zelfs bijzonder moeilijk te bewerken: in de lengte zagen was een tijdrovend karwei. In het middelhoutbeheer lag de nadruk dus grotendeels op de hakhoutlaag, en veel minder op de opgaande bomen: de middelhoutbossen bleven vrij arm aan bovenstaanders.

Er waren echter uitzonderingen: van het Zoniënwoud bij Brussel is bekend dat het al van in de middeleeuwen grotendeels uit hooghout bestond, en in het Meerdaalwoud bij Leuven werd in de 16de en 17de eeuw ook al veel zorg besteed aan de productie van omvangrijke stammen (de bovenstaanders) als bouwmateriaal. Archivalische documenten tonen het belang aan van het Meerdaalwoud als leverancier van eikenhout voor het optrekken van belangrijke gebouwen, zoals het paleis van Karel de Croy op de Coudenberg in Brussel.

Het weiden van varkens in een eikenbos

Middelhout kon variëren van een twintigtal bovenstaanders per hectare boven een dichte en krachtige hakhoutlaag, tot een bijna gesloten hooghoutbestand boven ijl hakhout (8), en alle vormen daartussen. Hoe rijker en vochtiger de bodem, hoe hoger het aantal bovenstaanders dat behouden kon worden zonder het hakhout te schaden. Dit gold zeker voor een bovenetage voornamelijk bestaande uit lichtdoorlatende boomsoorten zoals eik. Door de grote variatie in beheer die mogelijk is in middelhout (zoals variatie in dichtheid van bovenstaanders, menging van gewenste soorten en gekapte oppervlakte), kon elke eigenaar dit systeem naar believen aan zijn eigen noden aanpassen, en konden de bossen potentieel heel veel verschillende producten leveren, een voordeel dat des te belangrijker was in weinig beboste streken zoals Vlaanderen.

(Gebroeders Van Limburg, Tres Riches Heures du Due de Berty, 15de eeuw)

M&L I 31


De evolutie in het hakhout- en middelhoutbeheer hangt nauw samen met de afbouw van de traditionele gebruiksrechten in bossen. Het oorspronkelijke beheer van de Vlaamse bossen was in de volle middeleeuwen zeer multifunctioneel. Alle mogelijke producten en diensten van het bos werden benut: timmerhout, brandhout, sprokkelhout, rijshout, houtskool, schors, gras, bramen, vruchten en beweiding. Later verengde het gebruik van de meeste hakhoutbossen en werd er steeds sterker op louter houtproductie gefocust. Hiervoor werden de andere traditionele gebruiksrechten geleidelijk aan afgebouwd. Vooral beweiding was moeilijk combineerbaar met maximale houtproductie, wat vaak aanleiding gaf tot conflicten (9).

VERKOOPINr.

VAN 100 KOOI»EN

Schoon Sla&>hout EN 3,000 MUTSAERTS, In b e l boacb (e Eennrnir. D« Notiris B e a u r M i - n r , te Eenanie, ml op Djnuiag22 April 1851, ten een ure naiiiiüdag, opentMcrtvk verkoopen. 100 KUUl'KN Gereld SL4GI10U I en 3,000 MUTSiHUlS, liggende reeds alle verdeeld in koupen telki gerieve , in het borengemeld busch , op het deel genoemd Gnalinboiek digt ten den steenweg Tao Audeoaerde op Aclsl, duixcer geiuakkeljk roor den transpurl. De rerkooping u i gebeuren ter plaetR en op langen tjd Tan betaling rail»stellende guede borg.

VERKOOP1NG VAN T

Hakhoutbeheer genereert veel brandhout van kleine

In Vlaanderen was in elk geval vanaf de 17de eeuw een bijzonder intensief bosbeheer gebruikelijk, gebaseerd op empirisch 'bosmeesterschap' waarbij het bos met grote kennis van zaken maar volgens ongeschreven regels beheerd werd. Opgaande bomen werden niet gekapt maar gerooid. Men groef ze met wortel en al uit, zodat ook het wortelhout gebruikt kon worden. Wanneer oude hakhoutstoven niet meer voldoende opnieuw uitliepen, werden ze eveneens uitgegraven, verkocht en vervangen door jong plantgoed. Deze methode om het hakhout te verjongen bleek echter niet altijd gemakkelijk, omdat de omringende oude hakhoutstoven het jonge plantgoed vaak verstikten.

BOONIEN,

In de» Riuubotch te Uui/en. Deo Notaris B e j i i l j e n a , Ie Anden.ierde, ml den Maendag teerlienden unril 1H5I , ten negeu oren t'morgena verkoopen , nundcid kuupun Uuomen beataende in scbuune F.yken «an («vee meters ryflig centimeter* dikte, Oenke llooinen en Es^chers , aloenda reeds geleekeml in den Klnisbosoli te Uuyen, behooiendc aen drn ln-rr lloliogliel te Uuyeu en den heer Vjimil V,iu den Butsche te Oeut. Den transport is gemakkeljk en de verkoupin^ geschied op t|d van betaling.

Affiche van verkoop van hakhout en takkenbossen uit Bos t'Ename in 1851 [Nieuws- en Annoncenhlad van Audenaerde. 13 april 1851)

sortimenten, zoals in Bos t'Ename (foto K. Vandevorst)

'•V •

• •

32 I M

L

•


Vanaf de 18de eeuw werd de bosbouw in heel Europa meer en meer op wetenschappelijke leest geschoeid. De bosbouwkundige handboeken uit Duitsland en Frankrijk werden ook in onze streken verspreid, vertaald en bewerkt, en toen er in het begin van de 19de eeuw bosbouwscholen werden opgericht in Duitsland en Frankrijk, en in de tweede helft van de 19de eeuw ook in België en Nederland, werd de wetenschappelijke bosbouw sterk gepromoot ten koste van het traditionele bosbeheer. Vanaf het midden van de 19de eeuw veranderden de randvoorwaarden die hakhout zo rendabel maakten vrij plotseling: door de vlottere beschikbaarheid van steenkool werd de energievoorziening hertekend, en ook de technische vaardigheden om zwaar hout te verwerken gingen er in de tweede helft van de 19de eeuw sterk op vooruit door het gebruik van stoomzaagmachines. Vanaf dit omslagpunt was er relatief meer vraag naar zwaar hout en minder naar brandhout. Ook het aanbod aan goedkope arbeidskrachten nam af. Hierdoor werd hakhout in veel gevallen omgezet in middelhout, en werd het middelhout geleidelijk rijker aan bovenstaanders. Vanaf deze periode werd hooghout ook interessanter voor de boseigenaar. Vooral in de staatsbossen, zoals Houthulstbos in Houthulst, was deze tendens duidelijk merkbaar.

De veranderde economische factoren uit het midden van de 19de eeuw veroorzaakten ook een verlenging van de hakhoutcyclus. Deze langere omlooptijden zorgden voor meer klein industriehout. Vooral de houten mijnschoren {étais de mine) gaven een hogere verkoopprijs dan brandhout, met een lagere exploitatiekost. De langere omlooptijden zorgden ook voor bovenstaanders met langere takvrije stammen. Het hoger opschietende hakhout beschaduwde immers een groter deel van de stammen en zorgde zo voor een grotere natuurlijke stamreiniging. Hakhout van eik zonder bovenstaanders vond grote afzet in de leerlooierijen, die tot in het midden van de 19de eeuw de schors grootschalig opkochten. Toen chemische producten deze schors vervingen, was het belangrijkste afzetproduct onverkoopbaar geworden. Tot in de 20ste eeuw werden de grotere perchen van eikenhakhout nog verkocht aan de mijnen als stutten {boisage des galeries), maar het kleinere hout was in het midden van de 20 ste eeuw onverkoopbaar geworden. Ook voor houtskool was eik minder geschikt, omdat andere houtsoorten die veel sneller groeien en evenveel volumeaangroei hebben, houtskool van vergelijkbare kwaliteit leveren. Hakhout van eik geeft ook minder goed strooisel, wat nog een reden was waarom deze beheervorm werd afgeraden door professionele bosbouwers uit de 19de en 20ste eeuw.

Vaak werd eikenhakhout op stam geblekt of ontschorst. Het hout werd pas daarna gekapt (uit Buiktin de la Socitté Royale

In de 20ste eeuw werd hakhout in het algemeen dus steeds minder gewaardeerd door de bosbouwers. Als voordelen werden nog wel de snelle productie van brandhout geciteerd, en dus een snelle opbrengst zonder zware investeringen of lang vastzetten van kapitaal. In tegenstelling tot hooghoutbeheer echter, was de financiële opbrengst op lange termijn minder hoog, en werd hakhoutbeheer verondersteld een verarmend effect op de bosbodem te hebben. Sinds de laatste twee decennia van de 20ste eeuw (10) wordt hakhout vooral omwille van natuurbehoudsredenen opnieuw toegepast in een aantal bossen. De tijdelijke overvloed aan licht op de bosbodem na de hakhoutkap is immers ideaal voor een groot aantal dieren- en plantensoorten, die hier door de eeuwen heen een geschikte habitat vonden. Er werden verschillende vormen van beheer toegepast, al dan niet gestoeld op historische bronnen, en sterk afhankelijk van gebied, doelstelling en beheerder.

Foresüère de Belgique, jg. 63, nr. 6, 1956)

Hakhoutbeheer bepaald door de boomsoort en het beoogde gebruik Hoewel de nadruk bij het hakhoutbeheer meestal op de productie van brandhout lag, konden er ook allerlei andere houtproducten geleverd worden: mijnhout, bouwhout, geriefhout, houtskool, maar ook eikenschors voor leerlooierijen, palen voor omheiningen, bonenstaken, zinkstukken of vlechtmatten voor dijk- en waterwerken, en takkenbossen voor de bakkersovens. Deze veelheid aan producten is te verklaren doordat er een brede waaier aan loofboomsoorten gebruikt kon worden en het hakhout op verschillende leeftijden gekapt kon worden: de kapcyclus kon sterk variëren.

M&L

33


De kapcyclus Het beheer van de hakhoutbossen was erop gericht zoveel mogelijk nuttige materialen te produceren voor de lokale bevolking. Niet voor niets noemt Bechmann het bos Ie magasin de la nature (u)! De middeleeuwse boer kon naar believen in het bos gaan zoeken naar alle benodigdheden om gereedschap te maken of om zijn dak of stal te herstellen. De middeleeuwse boeren hadden niet zoveel dikke stammen nodig, maar des te meer klein en middelgroot hout. In elk bosje één dikke eik om de standaard of staak van de staakmolen van het dorp op termijn te kunnen vervangen, was voldoende

dichtbevolkte deel van Vlaanderen werd door de grote vraag naar hout en het beperkte aanbod, de kapcyclus voor hakhout in het algemeen verkort tot 7-8 jaar (13). Als kapcyclus voor eikenhakhout werd in de eerste helft van de 20ste eeuw 25 tot 30 jaar aangeraden, maar dit is al een latere aanpassing, en bleef afhankelijk van het beoogde product. Voor Vlaanderen, waar ook in die periode nog wel een markt was voor jonge eikenloten, werden kortere omlooptijden aanbevolen, en ook op betere gronden bleek een kapcyclus van circa 15 jaar een goed gemiddelde.

(12).

Het traditionele diverse gebruik van hakhout in de middeleeuwen werd later geformaliseerd door de eigenaars en de grote domeinbossen werden ingedeeld in houwen die een formele cyclische omloop van x jaar hadden. Elk jaar werd een x-de deel van het bos gekapt. Hierbij kwam er geleidelijk aan een langere omlooptijd in gebruik, en ook meer

De gehanteerde kapcyclus van het hakhout was gericht op de dimensie van de producten die de bevolking nodig had. Deze kapcyclus kon variëren naar gelang noodzaak en omstandigheden (oorlog of geldnood), maar schommelde ruwweg tussen 3 en 20 jaar. Vooral in het westelijke en meest

n

Kaart van de houwen van Heverleebos in de i g t eeuw (Algemeen Rijksarchief, Brussel)

/)„M

^

ErAf//e 'V

jÊÊÊÊm^ '.jlü^feih—

34 I M L

•rili, M

(/U/J a • 'ff

'

r/t'

l'nrr.


Binnenkrant Nr. 191 Bijlage bij M&L 34/4 juli-augustus 2015

iint-Stefanuskerk 1 Oppem. De geknielde eilige Hubertus foto J. Schoors)


Vervolgens stelde dagvoorzitter Yves Vanhellemont het dag-

rö

Congres

programma voor en volgde een inleiding over de transformatie en adaptatie van BK City sinds 2008 door Hans Warmelink Decaan van de Faculteit Bouwkunde TU Delft.

Ö CD

Ö

Nathalie

Vernimme

De eerste lezing werd gegeven door Dolf Broekhuizen - Architectuurhistoricus en ook lesgever aan BK City. Hij belichtte het omgaan met onderwijsgebouwen doorheen de tijd en meer

•rH

VERSLAG STUDIEDAG WTA NEDERLANDVLAANDEREN VAN 24 APRIL 2015 IN BK CITY (TUDELFT) OVER "EEN TOEKOMST VOOR MONUMENTALE ONDERWIJSGEBOUWEN. LEREN VAN RECENTE RENOVATIEEN RESTAURATIEPROJECTEN"

bepaald de mogelijkheden tot aanpassing, renovatie en restauratie versus sloop/nieuwbouw. Deze analyses vonden een vertaling in het project 'Scholenbouwatlas' waarin de mogelijkheden getoond worden van het behoud van bestaande gebouwen. Het project was gegroeid in de context van een scholenbouwonderzoek dat doorging na een advies van de rijksbouwmeester in 2009. Dit advies bracht onder de aandacht dat scholen vaak

Veel instellingen in het basis-, secundair en hoger onderwijs zijn

onaangepaste programma's van eisen hadden. Schoolbesturen

gehuisvest in monumentale (onderwijs)gebouwen. In een veran-

hebben concrete wensen rond verbetering van binnenklimaat,

derende onderwijskundige wereld is het niet eenvoudig om deze

de aanpak van onderhoud, de multifunctionele inzet en gedeeld

monumenten in stand te houden. Sommige instellingen slagen

gebruik van ruimtes, et cetera.

er in het erfgoed succesvol aan te passen aan de hedendaagse

In Nederland wordt immers al meer dan in Vlaanderen de keuze

onderwijskundige en bouwtechnische eisen, andere kiezen voor

gemaakt voor een 'brede school' waarin het schoolgebouw

nieuwbouw, waardoor het monument leeg komt te staan. Tij-

voor meerdere gebruikers (niet enkel onderwijsbetrokkenen)

dens deze studiedag werd aan de hand van recent gerealiseerde

dienst doet. Het project 'Scholenbouwatlas' resulteerde onder

projecten ingegaan op de uitvoeringstechnische, beheersmatige

andere in een website (www.scholenbouwatlas.nl) met prak-

en procesmatige aspecten van deze problematiek. De studiedag

tijkvoorbeelden over verbouwingen van basisscholen over heel

werd gehouden in het BK City gebouw te Delft, gelegen in de

Nederland. De website is ontwikkeld voor en door het veld

voormalige 'Rode Scheikunde' faculteit van de TUDelft en een

(architecten, studenten en specialisten bouwproces). Er wordt

rijksmonument. In dit gebouw waar momenteel werken door-

een overzicht gegeven van mogelijkheden en thematische oplos-

gaan voor verduurzaming is de faculteit Bouwkunde gehuisvest

singen waarbij het accent ligt op ruimtelijke ingrepen via negen

sinds de brand van hun eigen faculteitsgebouw in 2008.

verbouwmodellen. Het project wil scholen aanzetten te opteren voor het aanpassen van hun historische gebouwen eerder dan

De dag begon met een verwelkoming van de aanwezigen door

te kiezen voor nieuwbouw en wijst op de voordelen ervan: regel-

Rob van Hees - Voorzitter van de WTA Nederland-Vlaanderen,

matig onderhoud zorgt voor behoud van kwaliteit; hergebruik

in de monumentale Oostserre met oranje podium.

kan voordeliger zijn dan nieuwbouw; bij bestaande bouw blijft de identiteit van de school gehandhaafd.

Oostserre met oranje podium tijdens de studiedag (foto E. Verstrynge)

Vervolgens lichtten Kai Vonk en Ivana Radakovic van BNN adviseurs de zoektocht toe tussen de wensen en de mogelijkheden voor het verbouwen van het 'Rode Scheikunde' gebouw tot BK City Stay, aangevuld door Martijn Barendregt en Henny Malfait van aannemersbedrijf Jurriëns, die de visie op ontwerp en uitvoering door de aannemer weergaven en Job Roos van Braaksma en Roos Architectenbureau. De brand in mei 2008 vernielde een groot deel van de oude campus die dateerde van de jaren i960. Voor de nieuwe vestiging werd uitgeweken naar een oud scheikundegebouw uit de jaren 1930, meer richting binnenstad. Het aanpassen van dit gebouw voor ingebruikname verliep via een ontwerpwedstijd. Na discussies met ontwerpers werd gekozen voor het invoegen van een verbindende straat doorheen de gebouwen en voor het centraal inplannen van ontmoetingsruimtes en publieke functies. Er werd ingezet op de combinatie van oud en nieuw. De snelle manier van werken zorgde voor imperfecties maar ook voor verfrissing (er werd zelfs een Europese prijs mee gewonnen). Waar het gebouw aanvankelijk als een tijdelijke


De faseringsplanning verloopt in zeventien uitvoeringsfasen/ bouwdelen met bijhorende logistieke consequenties, zoals de interne verhuisbewegingen, maximale geluidsproductie, levermomenten, vluchtroutes et cetera. Er wordt ongeveer zeven è tien weken per fase gewerkt waarbij het respecteren van de start- en afrondingsplanning cruciaal is. Tot op heden (uitvoering gestart 2014) verloopt alles vlot, uiteraard dankzij veelvuldige afstemming. De lopende werkzaamheden (onder andere isolatie kap en vernieuwing raamstroken - met aandacht asbestproblematiek) werden aan de aanwezigen nog eens in detail toegelicht tijdens het werfbezoek op de middag. Aan het begin van het namiddagprogramma lichtte Zeljka

Hoofdtoegang BK City (foto E. Verstrynge)

Knezevic de aanpak toe van de divisie monumenten van de KULeuven voor het beheer en behoud van de historische

oplossing (5 jaar) bedoeld was om de studenten na de brand te

gebouwen in eigendom van de universiteit. Bij elk gebouw gaat

huisvesten, werd de afgelopen jaren beslist om er voor langere

het om het zoeken van een evenwicht tussen de ruimtelijke ver-

periode te blijven. Dit impliceerde bijkomende bouwkundige en

taling van onderwijsnoden en het behoud van erfgoedwaarden

installatietechnische ingrepen om het binnenklimaat en comfort

van het universitair patrimonium. Meer concreet illustreerde

voor de studenten te verbeteren en tevens achterstallig onder-

ze deze stelling via het verhaal van de transformatie van het

houd weg te werken. De werken dienden ook te resulteren in

leegstaande Farmaceutisch Instituut (beschermd in 2010, date-

een energielastenbesparing van 15% gedurende 30 jaar.

rend van 1932) tot ACORA Leercentrum. Het bouwprogramma

Er werden om deze doelen te bereiken door het ontwerpteam

voor het inrichten van een leercentrum was gestart in 2007, de

verschillende varianten uitgewerkt op basis van een levens-

bouwtechnische en bouwhistorische studiewas uitgevoerd in

cycluskostenanalyse (rekening houdend met investerings-,

2009. Tijdens de restauratie werden doorheen de tijd aange-

exploitatie- en onderhoudskosten). Uit de studie bleek dat

brachte binnenwanden verwijderd, waardevolle elementen zoals

hogere investeringen in thermische isolatie zichzelf niet zouden

schrijnwerk, oorspronkelijke tegelvloeren, trappen en delen van

terugverdienen op de langere termijn, waardoor voor een

het meubilair werden bewust behouden. In sommige ruimtes

minimum+ scenario werd gekozen: goedkopere isolatie, isolatie

werd het oorspronkelijk kleurenpalet opnieuw aangebracht. In

dak en toepassen nieuw HR++glas in bestaande stalen kozijnen

de grote zaal op de verdieping werd gekozen voor een harmo-

naast nieuwe dakbedekking, herstel natuursteen en metsel-

nieus samengaan van oud en nieuw: het originele laboratorium-

werk en schilderen bestaande kozijnen en een nieuwe venti-

meubilair werd gerestaureerd en er werd sober verplaatsbaar

latieaanpak. Aangezien de wens bestond het gebouw tijdens

hedendaags meubilair tussen geplaatst. Er was ook ruimte voor

de werkzaamheden te blijven gebruiken werden de ingrepen

hedendaagse ingrepen, zoals onder andere het realiseren van

gefaseerd gepland en kregen de uitvoerende partijen mee ver-

de toegankelijkheid (onder meer inbreng lift), conformiteit met

antwoordelijkheid in de verdere uitwerking van het ontwerp.

regelgeving brandveiligheid en evacuatie, audiovisuele uitrus-

De werkzaamheden zijn uiteindelijk in drie percelen verdeeld,

ting en de realisatie van maatregelen om de energiezuinigheid

namelijk bouwkundige, werktuigbouwkundige en elektrotechni-

te verbeteren (isolatie dak en buitenschrijnwerk). Van de oor-

sche installaties, waarbij de coördinerende werkzaamheden zijn

spronkelijke bezorgdheid dat van een oud gebouw dat boven-

ondergebracht in het perceel bouwkundige werkzaamheden.

dien beschermd was, geen hedendaags leercentrum zou kunnen gemaakt worden, is sinds de opening in 2013 geen sprake meer.

AGORA Leercentrum, stille studiezaal met origineel laboratoriummeubilair na restauratie (foto KULeuven)

Rutger Steenmeijer bracht het verhaal van de restauratie van een middelbare school in Vlaanderen, meer bepaald het Koninklijk Atheneum in Deurne van architect Van Steenbergen. Dit interbellumgebouw van een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Belgisch modernisme werd beschermd in 1995. Bij de restauratie werd dan ook uitgegaan van het behoud van de originele visie en ontwerpconcept van de architect. Het betrof in oorsprong een schoolgebouw voor duizend leerlingen met eenendertig klaslokalen op een vijfhoekig perceel. Er waren ook twee sportzalen, een feestzaal, een conciërgewoning en publieke stortbaden. Het concept sloot aan bij toen geldende normen voor pedagogie, scholenbouw en -inrichting. Zo waren er onder andere dubbele trapleuningen (hoge voor volwas-


J-I

Ö •rH

PQ

n ii ii KIT l

I

UI

I III

li* |l|i

'III

^"IB

HI in fill HU

Voorgevel van het gebouw PITO Mechelen tijdens de bouwperiode (© archief Provincie Antwerpen) senen en lage voor kinderen), tuintjes voor onderricht en lage

teerde dat het grootste deel van het s c h o l e n p a t r i m o n i u m in

doorgangen in functie van geborgenheid. Daarnaast legde de

Vlaanderen van vóór 1950 dateert. Veel van deze gebouwen

school ook de link naar de gemeenschap. De hoge toren van

ondergingen doorheen de jaren grote transformaties. Er zijn

het atheneum stond symbool voor de maatschappelijk belang-

zo'n tweeduizend scholen met erfgoedwaarde. In de praktijk

rijke rol van de school. De betrokkenheid van de o m w o n e n d e n

blijkt dat de eisen gesteld aan hedendaagse schoolgebouwen

werd beoogd via het publiek openstellen van de feestzaal en

vaak niet haalbaar zijn bij restauratie van de bestaande school-

de stortbaden. Doorheen de tijd had het gebouw veel aanpas-

gebouwen. Een voorbeeld van een school met erfgoedwaarde is

singen doorstaan, vaak omwille van plaatsgebrek. Samen met

de provinciale tuinbouwschool in Mechelen (PITO).

achterstallig onderhoud en opeenvolgende ad hoc herstellingen

Het betreft een onderwijsgebouw opgetrokken in de jaren 1920

zorgde dit ervoor dat het overzicht van de structuur en de een-

in functionalistische architectuur door architect Jan Lauwers.

heid van de architectuur wat zoek was. De restauratie werd goed

PITO werd uitgebouwd als een m o d e l t u i n b o u w s c h o o l met

voorbereid via een uitgebreide bouwhistorische studie en een

modelboerderij. Het gebouw werd beschermd als m o n u m e n t in

materieeltechnisch onderzoek. Oorspronkelijk materiaal werd

1997. Door de jaren heen werden ad hoc aanpassingen doorge-

zo veel als mogelijk gerecupereerd (vb. tegelvloeren/ bakstenen

voerd naargelang de veranderende onderwijssituatie. Zo werd

bouwvallige muur) en waar nodig werd tot reproductie over-

bijvoorbeeld een extra depot aangebouwd in 1939; werd de boer-

gegaan (vb. glastegels luifel) o f een waardig vervangmateriaal

derij in 1963 o m g e b o u w d tot machinekamer en schrijnwerkate-

gekozen. Er werden een aantal comfortverhogende maatregelen

lier en verdween de refter. De architectuur ging er zienderogen

uitgevoerd zoals het vervangen van enkel door dubbel glas.

op achteruit door ondoordacht en ad hoc oplapwerk en nieuwe

Heel wat restauratieopties werden echter omwille van budget-

aanplantingen die het zicht op het gebouw verhinderden. Het

taire redenen niet uitgevoerd, zo was het originele schrijnwerk

Provinciebestuur van Antwerpen heeft, naar aanleiding van haar

in 1967 vervangen door stalen ramen met andere ritmering en

ervaringen met de restauratie van de kathedraal, geleerd dat een

was er bij de restauratie geen geld voor vervanging. Ook werd

gestructureerde aanpak met principes van lange termijnplan-

de m o n u m e n t a l e toren die bouwvallig en ingekrompen was en

ning en preventieve conservatie nuttig kunnen zijn en besloot

het kleurenpatroon in de feestzaal niet hersteld wegens ontoe-

deze ook toe te passen voor de aanpak van PITO. In 2005 werd

reikend budget. Daarentegen werden wel een nieuwe keuken en

het masterplan goedgekeurd dat uit drie fasen bestond: de

refter voldoend aan hedendaagse n o r m e n geïnstalleerd, werden

eerste fase omvatte drie onderzoeksprojecten (kleurenonder-

oude schoolborden vervangen door smartboards

en werden waar

zoek; analyses baksteen, analyses mortel en structuur). De

noodzakelijk brandwerende deuren voorzien met behoud van

tweede fase omvat twee onderhoudsprojecten (herstel en toe-

het oorspronkelijk beeld. De hoop blijft dat in de t o e k o m s t extra

gankelijkheid daken en proefrestauratie schrijnwerk). De derde

budget vrijgemaakt kan worden o m het schoolgebouw in eer te

fase omvat de eigenlijke restauratie en een vierde essentiële fase

herstellen zoals voorzien door de ontwerper.

omhelst de opmaak en uitvoering van een onderhoudsplan en m o n i t o r i n g van de site. Momenteel zijn twee fases afgerond en is een derde in voorbereiding. De voordelen van dergelijke syste-

Maarten Fritz van architectenbureau Fritz schetste het traject van de o m b o u w i n g van de oude ijzergieterij Stork tot een regionaal opleidingscentrum. Het oorspronkelijke gebouw werd tijdens het gebruik als gieterij beschouwd als een functionele regenjas voor het bedrijf zonder echte esthetische waarde. Die visie en handelswijze werd ook doorgetrokken in de restauratieaanpak en herbestemming tot opleidingscentrum. Er werd glas

matische aanpak gebaseerd op preventieve conservatie en regelmatig o n d e r h o u d zijn onder meer dat het erfgoed optimaal afleesbaar blijf, dat risico's beperkt worden en de periode tussen restauraties aanzienlijk vergroot kunnen worden. Nadelen zijn dat de organisatie moet voorzien zijn op een continu inzet van personeel met knowhow.

over het dak geplaatst en een dubbele gevel aangebracht en de littekens van het gebouw werden gekoesterd in plaats van ze weg te restaureren. Het complex herbergt vandaag achtduizend

Meer informatie vindt u op de website van WTA NederlandVlaanderen:

studenten en achthonderd medewerkers.

http://www.wta-international.org/gruppen/

De dag werd passend afgerond door Rudy De Craef, erfgoed-

wta-nederland-vlaanderen/

consulent van het agentschap Onroerend Erfgoed. Hij consta-


Inge Verdunnen

goedkope kunstmest geraakte het oude bevloeiingssysteem in onbruik. Veel oude vloeiweiden werden omgezet naar open akkers of heringericht als natuurgebied waarbij de sporen van

HERSTEL VAN BEKEN EN OUDE WATERSYSTEMEN. ONS WATER! NATURE OR MAN-MADE?

dit oude systeem werden weggevaagd. Eens de traditie van irrigatie zijn landbouwkundige betekenis verloren had, verwerd dit tot cultureel erfgoed, zowel het irrigatielandschap zelf als de verschillende irrigatietechnieken en -gereedschappen. Als niet-

Op 16 april 2015 organiseerde het Netwerk Historisch Cultuur-

materiële elementen tellen de resterende kennis van het goed

landschap bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te

weteren, het vakjargon en de sociale en institutionele patronen

Amersfoort een symposium met als titel Herstel van beken en

(de rechten en plichten) verbonden aan het bevloeien. Al deze

oude watersystemen. Ons water! Nature or man-made?

elementen maken deel uit van het systeem en maken de erfgoedwaarde tastbaar.

Water is van oudsher een bepalende factor in de nederzettings-

Het doel is om te streven naar behoud, revitalisering en reha-

en ontginningsgeschiedenis en heeft bijgevolg een centrale rol

bilitatie van dit erfgoed. Door na te denken over alternatieve

gespeeld bij het ontstaan en de vorming van het landschap.

vormen van bodemgebruik en inrichting kan de erfgoedwaarde

Recent komt water weer op de voorgrond en wordt vooral

van bevloeiingssystemen geconsolideerd worden, bijvoorbeeld

ingezet op het herstel van beken en rivieren. Bij het ontwerpen

door de inrichting als museaal demonstratiegebied of als gras-

van de nieuwe inrichting van beken en rivieren ligt de focus vaak

land met gedeelde landbouw- en natuurfunctie.

op de te herstellen natuurlijke waarden en de technische, finan-

De vraag werd ook gesteld of de oude structuren van bevloeiing

ciële en bestuurlijke haalbaarheid. Dat veel van deze waterlopen

model kunnen staan voor duurzaam waterbeheer in de toe-

het resultaat zijn van menselijk handelen in het verleden en vaak

komst. De manier waarop de bevloeiing in het verleden werd

werden ingericht met een specifiek doel voor ogen wordt daarbij

georganiseerd kan inspiratie bieden voor moderne organisatie-

vaak vergeten. Dit kan leiden tot onnodig verlies van watererf-

vormen en vragen rond regelgeving, al dan niet inmenging van

goed. Tijdens het symposium werd dit erfgoed als kompas

de staat et cetera. Het traditioneel systeem had daarenboven

gebruikt voor de toekomst en als inspiratie voor nieuwe oplos-

een sterk sociale functie en zorgde voor een versterking van de

singen om ons water toekomstbestendig in te richten.

sociaal-culturele identiteit.

Als eerste sprekers schetsten Christian Leibundgut en Raimund

Hierop voortbouwend, lichtte Hans Bleumink (Bureau Over-

Rodewald (Universiteit Freiburg en Basel) een beeld van vloei-

land) in zijn lezing het actuele systeem van waterrechten en

weiden en bevloeiingssystemen als belangrijk deel van de Euro-

weidebevloeiing in Portugal toe als voorbeeld van modernise-

pese agrarische geschiedenis.

ring van traditionele systemen en als referentiekader voor het

Sinds het neolithicum maakt irrigatie deel uit van het landbouw-

onderzoek naar oude bevloeiingssystemen in Nederland.

systeem door de mens. Van zodra er sprake was van landbouw,

Het studiegebied heeft een vergelijkbaar klimaat met natte win-

was er ook sprake van irrigatie. Voorbeelden van bewijsmateriaal

ters en droge zomers. De landbouw concentreert zich bij kleine

voor deze vroegste periode zijn onder andere gegraven kanaal-

boerderijen met gemeenschappelijke gronden en gebruiks-

tjes met stenen dekplaten en houten buizen in de regio rond de

rechten op bos en heide. De geïrrigeerde graslanden zijn in

Zwarte Zee. Historische bronnen over bevloeiing zijn aanwezig

gemeenschappelijk beheer. Het betreft hier een historisch sys-

vanaf de gde eeuw en leveren bewijsmateriaal voor irrigatie vaak

teem dat grotendeels intact is en actief wordt gebruikt.

in combinatie met de inrichting van vijvers, molens et cetera.

Het watersysteem zelf bestaat uit een hoofdbron die de rivier

Het landbouwsysteem was opgebouwd rond de mestproductie die op haar beurt gebaseerd was op het drieslagstelsel, een gesloten systeem waarbij de mest enkel werd geleverd door het eigen vee van de hoeve. Door de input van bewatering werd dit systeem opengebroken waardoor de productiviteit van het cultuurland en ook de veestapel omhoog ging. Naast een hogere opbrengst zorgde bevloeiing ook voor bodemzuivering en -verbetering. Een efficiënte bevloeiing vereiste ook een degelijke organisatie vermits het complexe systemen betrof en er duidelijke afspraken nodig waren tussen de verschillende gebruikers van het water (landbouwers-molenaars-industrie). Veel historische bronnen getuigen van de onderlinge overeenkomsten met betrekking tot de watervoorziening tussen landbouwers, molenaars en andere industriële activiteiten. De teloorgang van het bevloeien werd ingezet met de modernisering van de landbouw vanaf 1950. Door de invoer van

De watering van Lommei-Kolonie. Bedden en afvoerslootjes (foto I. Verdurmen)


waarde van beekdalen. Vanaf de jaren 1990 gebeurde er meer systematisch onderzoek in beekdalen zodat deze niet langer een blinde vlek zijn op de archeologische kaarten. Toch blijft nog een groot oppervlak van de beekdalen niet onderzocht. Recent wordt het archeologisch erfgoed hier bedreigd door infrastructuur- en waterbeheerwerken zoals hermeandering of de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Als antwoord op deze problematiek werd binnen de RCE het project Archeologisch erfgoed in pleistocene valleien (2003-2008) opgestart dat focuste op de opmaak van een verwachtingskaart voor beekvalleien in afwachting van grote werken door de waterschappen. Op deze kaarten werd de beekvallei opgedeeld

De watering van Lommei-Kolonie. Aanvoersloot (foto I. Verdurmen)

in verschillende zones naargelang een hoge of lage verwachtingsgraad voor archeologische sites. De inschatting gebeurde op basis van al gekende sites en de kaart werd telkens bijgesteld

voedt. De rivier wordt afgetakt naar twee stromen waarvan een

naargelang zich nieuwe inzichten voordeden. Een belangrijke

naar het dorp gaat voor de winterirrigatie van de weilanden.

meerwaarde van dit project was het feit dat de resultaten van

De tweede stroom dient voor de bevloeiing van verder gelegen

het onderzoek ook waardering creëerden voor de vondsten bij

gronden en voor het vullen van een aantal waterreservoirs.

de waterschappen zelf en zo het maatschappelijk draagvlak voor

De reservoirs dienen om water op te slaan voor de zomerir-

archeologie vergrootten. Soms ging men zelfs een stapje verder

rigatie van de akkers maar ook om water te stuwen en beter te

en werden ook de toeristische mogelijkheden benut. Zo werd

gebruiken en te verdelen. De verdeling van de rechten op het

een Romeinse brug gereconstrueerd vlakbij de originele afge-

water en het beheer hiervan is historisch gegroeid en gebeurt

dekte en beschermde archeologische site.

zonder sturing door overheid of organisatie. De rechten zijn gekoppeld aan een bepaald perceel grond en vaak verkregen op

In de lezingen van Christian Huising (Waterschap Vallei en

basis van geleverde arbeid en hulp bij de constructie van het

Veluwe) en Berco Hoegen (Staatsbosbeheer) werd gekeken naar

waternetwerk zoals het graven van kanaaltjes. Voor de verdeling

de natuurlijke waarde van de beekdalen en hoe deze aspecten

van het water over de verschillende boerderijen wordt gebruik

kunnen verzoend worden met de erfgoedwaarden.

gemaakt van een duidelijke tijdstabel. Naargelang de opper-

Met de casus Hierdersebeek in de Veluwe werd een voorbeeld

vlakte grond, werd het recht op water gedurende een vast aantal

gegeven van een beek die in de 20ste eeuw sterk vervuild is ten

dagen toegezegd.

gevolge van de landbouw en in de zomer met sterke verdroging

Een dergelijk eenvoudig en logisch systeem met duidelijke

kampt. Het gaat om een natuurlijke beek maar het huidige uit-

regels is bijzonder flexibel en perfect beheersbaar door de

zicht is grotendeels bepaald door de menselijke ingrepen in het

gemeenschap zelf. Interventie door de overheid kan deze sys-

verleden zoals het opleiden van de beek, de inrichting van water-

temen zelfs bedreigen door een te sterke formalisering en een

molens, de aanleg van kanaaltjes voor de bevloeiing van tuinen

overdaad aan regelgeving. Bij herstel van oude bevloeiingssys-

en landhuizen enzovoort.

temen ligt de focus daarom beter op een concrete regelgeving

Recent gebeurt er beekherstel vanuit de natuursector om de bio-

en participatief waterbeheer. Door het publieke karakter van

diversiteit te verbeteren in het kader van een Europees netwerk

water te promoten, kan het draagvlak vergroot worden voor

van beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Zo ontstaan er

water als gemeenschappelijk (erf)goed.

meer gradiënten langs de beek waar een deel van het bos ook

Eelco Rensink (RCE) focuste in zijn lezing op de archeologische

onder water komt te staan. De verhoogde dynamiek van de beek

waarde van beekdalen en hoe dit aspect input kan leveren voor

zorgt voor meer variatie en structuur en sluit weer aan bij het

de ruimtelijke planning. Beekdalen zijn archeologisch vaak

historisch landschapsbeeld.

ongekend en dus weinig aanwezig op archeologische inschat-

De Tjonger is een kanaal aangelegd in een heidelandschap op

tingskaarten. Toch hebben ze een zeer gevarieerd aanbod aan

de plaats van de oorspronkelijke rivier. Toch zijn er nog een

archeologische sites zoals wegen, voorden, dumps, bruggen

aantal oude meanders bewaard die verwijzen naar de histori-

et cetera. Het nadeel is dat dergelijke sites door de vaak natte

sche loop van de rivier. In de vegetatie zijn er ook duidelijke

condities moeilijk te prospecteren zijn. Daarenboven zijn veel

aanwijzingen voor periodes van bevloeiing. Het huidige land-

archeologische vindplaatsen in de beekvalleien afgedekt door

schap telt met andere woorden nog talrijke elementen die

pakketten veen en sediment waardoor ze weinig zichtbaar zijn.

verwijzen naar het vroegere systeem. In dit specifieke geval is

Zo blijven dergelijke sites onzichtbaar voor courante prospectie-

herstel van het oorspronkelijk riviersysteem niet mogelijk. Wel

technieken zoals op basis van luchtfotografie. Wel gebeuren er

kan er gestreefd worden naar een verbinding tussen de verschil-

regelmatig toevalsvondsten bij infrastructuurwerken aan beken.

lende verstoorde maar nog duidelijk herkenbare elementen, om

Hoewel deze vondsten vaak niet nauwkeurig kunnen gesitueerd

zo naast de biodiversiteit ook de erfgoedwaarde in dit gebied te

worden, zijn dit toch duidelijke signalen van de archeologische

verhogen.


Conclusie

PROGRAMMA:

Het fenomeen van de vloeiweiden vormt een onlosmakelijk deel van de Europese landbouwgeschiedenis dat in sommige landen

Donderdag 12 november

nog steeds actiefis. Daarnaast zijn van veel van deze historische systemen en de oorspronkelijke waterlopen nog talrijke relicten

gu

Inschrijving en koffie

aanwezig in het landschap, vaak echter ongekend.

9.45U

Verwelkoming

Het in stand houden en reactiveren van dergelijke systemen kan

io.i5u Marie Postec en Marjan Buyle, Le conservateur-restaura-

bijdragen tot de natuurwaarde en cultuurhistorische waarde van

teur entre art et science/ De conservator-restaurateur tussen

een gebied en biedt mogelijkheden om het lokaal draagvlak en de betrokkenheid van de burger te vergroten. Kennis van oude water-

kunst en wetenschap 10.45U E. René de la Rie, Het consolideren van verflagen op cultu-

systemen kan bovendien als inspiratie dienen voor nieuwe oplossingen om ons water toekomstbestendig in te richten waarbij ook

rele objecten en trends in het restauratieonderzoek n.i5u

het erfgoedaspect mee in overweging wordt genomen.

Aletta Rambaut, Herinwerken van de ijde-eeuwse glasramen in de pandgang van de Abdij van Park in Heverlee: een evenwichtsoefening tussen het reële en het virtuele

13.15U Joke Vandermeersch, De i6de-eeuwse Mechelse Besloten Hofjes: onderzoek en behandeling van objecten met uiteen-

Marjan Buyle

lopende materialen 13.45U Patrick Storme, Het gebruik van atmosferisch plasma in de I N N O V A T I E I N DE C O N S E R V A T I E - R E S T A U R A T I E

conservatie-restauratie 14.15U Lieve Watteeuw, 'Reflectance Transformation Imaging' bij

De internationale BRK-APROA/Onroerend Erfgoed studiedagen

onderzoek en conservatiebehandeling van grafische documenten

zijn aan hun achtste editie toe. Ditmaal werd als thema de innovatie in de conservatie-restauratie gekozen. Als je de pers en de

15.30U Patrick Storme, Over het praktisch gebruik en nut om

metingen uit te voeren met een handmatig XRF-toestel op loodlegeringen

publicaties moet geloven, is conservatie-restauratie van kunstwerken uitgegroeid van een puur ambachtelijk gegeven in de 19de en eerste helft 20ste eeuw tot een hoogtechnologisch gebeuren,

15.45U Tanaquil Berto, Onderzoek naar het consoliderend effect

gedirigeerd door wetenschappers en ingewikkelde apparaten. Maar belanden we op die manier niet in een ander uiterste? Wetenschappelijke technieken kunnen een grote hulp zijn voor

van commerciële steenverharders op basis van ethylsilikaat i5u

Lorène Falco, Exploitation de l'image en UV et IR destinée ö 1'Identification des pigments

de conservatie-restauratie, nieuwe apparatuur kan als het ware dwars door het kunstwerk heen kijken en waardevolle informatie bezorgen. Maar kunnen ze ooit het hoofd en de handen, de sensibiliteit en de noodzakelijke handvaardigheid van de restaurateur vervangen? Is de zo geroemde multidisciplinariteit en pluridisciplinariteit een mythe of een verworvenheid? Tijd dus voor een tussentijdse balans van de innovatieve technieken, apparaten en producten, een kritische reflectie over de wijze waarop de wetenschap kan helpen om de restauratie te optimaliseren. Tijd ook om na te denken over de plaats en de relevantie van de restaurateur en zijn/haar veranderende rol in deze technologische, virtuele en gemediatiseerde maatschappij van de 21ste eeuw. Thema's die aan bod zullen komen zijn de volgende: - innovatieve onderzoekstechnieken: mogelijkheden en beperkingen (het colloquium focust op onderzoeksmethodes die impact hebben op de uitvoering van de conservatie-restauratie en niet op onderzoeksmethodes die louter kunsthistorische informatie bijbrengen) - nieuwe methodes en producten in de praktijk van de restauratie: consolidatie, reiniging, verlijming, fixering - methodes van virtuele restauraties en reconstructies: positieve inbreng en mogelijke gevaren - innovatie in de ontsluiting van de conservatie-restauratie: tentoonstellingen, publiekswerking, nieuwe technologieën in musea, monumenten en erfgoedsites

Het gebruik van atmosferisch plasma in de conservatie-restauratie (© EU-Project Panna, UAntwerpen)


• »—i

Reflectance Transformation Imaging voor onderzoek en conservatiebehandeling van grafische documenten (© RICH-KULeuven)

3D registratie voor visualiseren van archeologische opgravingen (© UGent)

Vrijdag 73 november Cuy Bovyn, Adaptief beheer en experimentele conservatierestauratiepraktijk 9.30U

Karin Keutgens, Innovatief bindmiddelenonderzoek in functie van de restauratie van muurschilderingen

lou

Maria Perla Colombini, Understanding wall paintings at molecular level: a survey from roman times up to the renaissance

11 u

Lorenzo Appolonia, Compatibilité en conservation-restauration et nettoyage au laser de surfaces polychromes

11.30U Roald Hayen, Hilde De Clercq, Voeg- en herstelmortels voor ijzerzandsteen en Ledesteen Conical Paint Research voor onderzoek van geschilderde lagen (© Chromart)

i2u

Hilde De Clercq, Sebastiaan Codts, Zoutproblematiek in historische monumenten

13.30U Jeroen De Reu, 3D registratie voor documenteren en visuai6.i5u Olivia Barani, Lefixage de peintures acryliques en dispersion sur support toile 16.30U Peter Taeymans, Nikolaus Wilke, Thermische insectenbehandeling met Thermo Lignum 16.45

Vragen en reacties / Questions et reactions

liseren van archeologische opgravingen i4u

Natalie Cleeren, Trends in onderzoek en conservatie van archeologische objecten in metaal

14.30U Sophie Hawotte en Julien Magnien, Impression 3D pour la conservation de céramique et d'objets archéologiques


15.15U Jean-Albert Clatigny, Nouvelles methodes pour Ie traitement des supports bois 15.3511 Marie Postec, Hélène Dubois en Bart Devolder, Specta-

geïdentificeerd en beschreven. Slechts een kwart daarvan was bij vroegere inventarisatiecampagnes weerhouden, maar nauwelijks gedocumenteerd. Zo kon het oeuvre van een flink aantal

culaire vondsten op het Lam Cods van de gebroeders Van

Antwerpse architecten uit de belle-epoque, het interbellum en

Eyck: de essentiële rol van de restaurateur/ Découvertes

de naoorlogse decennia worden uitgebreid met gegevens over

spectaculaires sur l'Agneau Mystique desfrères Van Eyck: Ie hun vaak minder gekende activiteiten in de landhuisbouw. Aanróle essentiel du restaurateur i6.ou5 Laureaat van de BRK-APROA Prijs, Voorstelling van zijn/ haar winnend project

Praktisch: Het congres gaat door op 12 en 13 november 2015 in het Consciencegebouw in Brussel. De inschrijvingen worden geopend in de loop van de maand september. Informatie hierover op de websites www.brk-aproa.org en www.onroerenderfgoed.be Congrestalen zijn Nederlands en Frans met simultaanvertalingen naar de andere landstaal. De Engelstalige lezing wordt niet vertaald. De lezingen worden gebundeld in de Postprints, die na het congres gepubliceerd worden. De vorige zeven Postprints zijn nog steeds verkrijgbaar. Informatie; marieanne.buyle@rwo.vlaanderen.be; marjanbuyle@hotmail.com

vullend onderzoek naar opdrachtgevers en bouwpromotoren bood een inkijk in de sociologische structuur van de wijk en de status van haar bewoners. De Conventie della Faille In 1910 verkochten de erfgenamen van René Jacques della Faille de Waerloos het kasteel Den Brandt aan de familie Kreglinger, en 48 ha van het domein als openbaar park aan de stad Antwerpen. Het overgrote deel van de gronden werd verkaveld door de maatschappij Extensions et Entreprises Anversoises, opgericht in de schoot van de familie, en later bekend onder de naam Extensa. De Conventie della Faille, afgesloten tussen de maatschappij en de stad Antwerpen, legde de stedenbouwkundige voorschriften vast, met strikte richtlijnen over de grootte van de percelen, en de aard en omvang van de op te richten gebouwen. Bouwdossiers dienden ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de maatschappij, die zo de controle behield over de kwaliteit en het karakter van de architectuur in de wijk. Daarvan was het kerngebied rond het restant van het park voorbehouden voor exclusieve landhuizen op grote percelen, met uitsluiting van elke vorm van handel, nijverheid of horeca, tehuizen, scholen of kloosters. In de randgebieden ten noord- en zuidwesten voorzag het verkavelingsplan verstedelijkte overgangs-

Inventarisatie

zones met rijbebouwing van een meer democratisch kaliber. Het aanlegplan van de Nieuw-Parkwijk Den Brandt werd ontworpen door Richard Lemeunier, hoofdingenieur-directeur van de dienst Wegenis. Hoofdas van de pittoreske parkaanleg met

Jo Broeken

beboomde lanen is de Della Faillelaan, die in een wijde boog rond het Park Den Brandt loopt, met rotondes op de belangrijkste kruisingen. In 1911 gingen de wegwerken en de aanplant

COTTAGES A L'ANCLAISE. DE NIEUW-PARKWIJK DEN BRANDT IN ANTWERPEN Onder lommerrijke dreven, achter smeedijzeren hekken en opgeschoten hagen, gaat aan de zuidrand van Antwerpen, een van de meest exclusieve woonoorden van de stad schuil. Deze statige wijk werd aan de vooravond van de Eerste Wereld-

van de bomen van start, waarna midden dat jaar al de eerste bouwvergunningen konden worden uitgereikt. De Compagnie Electrique Anversoise ontwikkelde speciaal voor het villapark een ondergronds type elektriciteitscabine, te herkennen aan het elegante gietijzeren toegangspaviljoen in - noblesse oblige ~ neo-Lodewijk XVI-stijl. De plechtige inhuldiging van de NieuwParkwijk Den Brandt vond plaats op 7 september 1913, gepaard met concerten en vuurwerk.

oorlog aangelegd, op de grens van Antwerpen en Wilrijk.

In het meest riante gedeelte van de Nieuw-Parkwijk Den Brandt

Bedoeld als 'pare habité' voor de beau monde, behoort het

rond de Della Faillelaan vestigden zich vóór en na de Eerste

Quartierdu Nouveau Pare of de Nieuw-Parkwijk Den Brandt,

Wereldoorlog vooral kooplui en fabrikanten, reders, scheeps-

tot de oudste en meest prestigieuze villaparken in België.

bouwers en stouwers, financiers en juristen, vaak expats eerst

In de loop van 2014 voerde het Agentschap Onroerend Erfgoed

van Duitse, later van Britse origine. Jozef Nellens, die later

een grondig architectuurhistorisch onderzoek uit in de wijk, als

naam zou maken in Knokke, zette hier met de maatschappij

deelproject van de lopende herinventarisatie van Antwerpen.

Voorspoed zijn eerste succesvolle stappen als bouwpromotor.

Op basis van veldwerk gevolgd door systematisch onderzoek

Terwijl de dames en heren zich vermaakten in de tennisclub, of

van de bouwdossiers in het Stadsarchief of van de mutatie-

op mondaine party's de kolommen van de society pages vulden,

schetsen in het kadaster, werden in totaal tweehonderdtweeën-

bekommerde een leger meiden, nanny's en chauffeurs zich

dertig individuele of gegroepeerde panden met erfgoedwaarde

om het huishouden, de kinderen en de limousines. De verste-


ö

delijkte randzone van de wijk was het domein van renteniers, speculanten, aannemers, kleine middenstanders en bedienden. Achter gutbürgerliche fagades, deftig als de natuursteen waaruit ze waren opgetrokken, gingen echter veelal opbrengsthuizen

Ö <L>

werd verhuurd. Op de vanuit commercieel oogpunt meest stra-

Ö

tegisch gelegen hoekpercelen, zorgden herbergiers en pension-

•rH

schuil, of woningen waarvan de eerste etage als extra inkomen

houders voor vertier, spijs en drank.

PQ Inglenooks versus Dudokvoegen IO

Waar de wijk vóór de Eerste Wereldoorlog slechts een beperkte bouwactiviteit kende, met uitzondering van de zone in het noordwesten, situeert de belangrijkste bebouwingsgolf zich tijdens de eerste helft van de jaren 1920, gevolgd door een tweede tijdens de jaren 1950 en i960. Afgelopen decennia stond de wijk opnieuw onder grote druk van de vastgoedmarkt, waarbij percelen zowel werden opgesplitst voor de bouw van bijkomende woningen, als samengevoegd voor nog grotere nieuwbouwvilla's. Al bij al ging daarbij slechts een beperkt aandeel van de oorspronkelijke bebouwing verloren, te vergelijken met de schade die bominslagen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden veroorzaakt. De eerste, kortstondige bebouwingsfase tussen 1911 en 1914

H Villa La Croix-Galler, Kastanjelaan 14 in Antwerpen (foto J. Braeken)

werd gedomineerd door de beaux-artsstijl, onder meer toegepast door Joseph Hertogs voor het verdwenen kasteel Lejeune,

enkel de cottage nog geschikt om hun ideaal van het landelijke

het oudste en grootste landhuis van de wijk. Vandaag brengen

wonen uit te dragen. De architectuur uit het Engeland van de

onder meer het statige Acaciahof (Acacialaan 16) door Fernand

Tudors leverde de inspiratie voor tientallen uit rode baksteen,

de Montigny en Louis Somers en de villa Fridt (Delia Faillelaan

witte natuursteen en houten vakwerk opgetrokken villa's. Met

23) door Michel De Braey, de aanvankelijk voor de wijk beoogde

hun typische erkers, luifels, dakkapellen en schoorstenen,

allure in herinnering. Tot de zeldzame voorbeelden van art nou-

gingen de cottages vanaf begin jaren 1920 het straatbeeld van

veau behoort de villa Aeby (Delia Faillelaan 29) door Jan Jacobs,

Delia Faillelaan, Acacialaan, Hagedoornlaan, Olmenlaan en Kas-

daar waar de vroegste uiting van de later zo populaire cottage-

tanjelaan bepalen. Leopold De Coninck en Maurice Potié, met

architectuur, de villa Drory (Hagedoornlaan 3) door Florent Vaes

meer dan veertig bouwprojecten de onbetwiste smaakmakers

en Joan Coninck Westenberg, ei zo na een bouwvergunning

van de Nieuw-Parkwijk Den Brandt, maakten hun handelsmerk

werd geweigerd vanwege het gebruik van ... houtbouw.

van dit soort architectuur. Tot hun belangrijkste verwezenlijkingen in de wijk behoren de groep van negen villa's voor de

Bij de hervatting van de bouwbedrijvigheid na de Wapenstilstand leek in de ogen van de modebewuste nouveaux riches

Naamlooze Bouw- Crediet- en Spaarmaatschappij 'Voorspoed' (Acacialaan 31-47), en het ensemble cottages aan de Delia Faillelaan gevormd door de villa's Van den Eynde-Coodman en Fischer (nummers 31-33), de villa's Eyben (nummers 47-49)

Villa Samuels, Acacialaan 28 in Antwerpen (foto J. Braeken)

en de villa's De Groote en Goeman-Rigole (nummers 53-57). Andere belangrijke vertegenwoordigers als Florent Vaes met onder meer de villa Samuels (Acacialaan 28) en Alfred Portielje met de villa Stappers (Sorbenlaan 12), hadden zich de finesses van de cottage fysiek eigen gemaakt, door hun jonge jaren in Engeland door te brengen. Niet bekend is de ontwerper van de villa La Croix-Galler (Kastanjelaan 14), een imposant landhuis met Hollywood-allures. De Britse scheepsingenieur John Joseph Snowdon engageerde landgenoot Robert John Thompson, gemeente-architect van Wimbledon voor het ontwerp van zijn cottage {Olmenlaan 7) ... de enige echte in de wijk?

Binnen dit pittoreske universum van inglenooks en timber framed gable tops, dat de wijk tot in de jaren 1970 in zijn greep zou houden, vormen de uitingen van modernisme haast een curi-


De schoonzoon van Raymond Neefs, Georges Baines, breidde in de naoorlogse periode met een reeks van niet minder dan negen landhuizen een opmerkelijk vervolg op het schaarse modernisme in de Nieuw-Parkwijk Den Brandt. Ontworpen tussen 1955 (woning Jack Baines, Delia Faillelaan 60) en 1971 (villa Klein, Acacialaan 9), illustreren zij de evolutie die zijn oeuvre in deze periode onderging, van een Scandinavisch geïnspireerd modernisme naar een persoonlijke interpretatie van het brutalisme. Veertig jaar na Smekens bezorgde Baines de wijk in 1968 overigens een tweede Prijs van de Ven, voor de woning van zijn schoonbroer Jean Reypens (Delia Faillelaan 54).

Villa Neefs, Delia Faillelaan 73 in Antwerpen (foto O. Pauwels)

Praktisch De inventaris van de Nieuw-Parkwijk Den Brandt is online raadpleegbaar op de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/) onderde rubrieken 'bouwkundig relict' en '(bouwkundig) geheel'. Hier vindt U architectuurhistorische nota's van de 232 weerhouden gebouwen of ensembles, hun ontwerpers en opdrachtgevers, en gegevens over de stedenbouwkundige aanleg van de wijk, over de evolutie van de bebouwing in de achttien straten die er deel van uitmaken, en over de belangrijkste verdwenen of verbouwde villa's.

Bescherming

Jcrnne Vaes

L I O N C A C H E T EN H E T M O T O R J A C H T ALLECONDA

Woning Baines, Delia Faillelaan 60 in Antwerpen (foto J. Braeken)

Inleiding & algemene duiding

osum. De Nederlander Jos Ritzen, die zich in 1923 te Antwerpen

1911 te watergelaten op de werf De Amstel te Amsterdam. De

De sierlijke bakdekspitssalonkruiser Allegonda werd op 10 juni gevestigd had, raakte betrokken bij een ambitieus vastgoedpro-

eigenzinnige werfleider J.P.C. Thiebout stond naar alle waar-

ject van de investeerder Tony Deckers, die op twee bebouwde

schijnlijkheid in voor de exterieure vormgeving van dit klein

percelen na een volledig bouwblok had weten te verwerven

motorjacht, alsook vooreen deel van het interieur. De Allegonda

tussen Delia Faillelaan en Sorbenlaan. Hiervoor liet hij Ritzen

is een uitzonderlijk vroeg voorbeeld van de motorpleziervaart in

een country club (huidige tennisclub) omringd door een homo-

de Lage Landen. Bovendien is deze bakdekkruiser doorheen de

geen ensemble vroeg-modernistische villa's in baksteenbouw

jaren in een bijzonder gave staat bewaard. Dit heeft te maken

ontwerpen, waarvan er uiteindelijk slechts vijf zouden worden

met haar uitzonderlijk salon en de inspanningen van de opeen-

opgetrokken (Sorbenlaan 31-33 en Ahornenlaan 34). Repesenta-

volgende eigenaars om dit drijvende salon te bewaren. Het

tief voor het eigenzinnige, expressieve oeuvre van )ef Huygh is

salon van het motorjacht Allegonda werd immers ontworpen

de villa Sauter (Berkenlaan 29). Paul Smekens, die hier zelf zijn

door Carel Adolph Lion Cachet en is overvloedig gedecoreerd

eerste architectenwoning bouwde (Delia Faillelaan 63), behaalde

met dierenmotieven, uit waardevolle materialen vervaardigd.

in 1929 de prestigieuze Prijs Van de Ven met de door Frank

Voornamelijk om deze twee redenen werd dit motorjacht op

Lloyd Wright beïnvloede villa voor de likeurstoker Raymond

24 november 2014 beschermd als varend erfgoed. In hetzelfde

Neefs (Delia Faillelaan 73).

beschermingsdossier rond de motorpleziervaart in Vlaanderen


Motorjacht Allegonda aan de kade (© L. Verhaeghen)

Salon van het motorjacht Allegonda (© L. Verhaeghen)

werden nog vier andere jachten beschermd: de Napoleon,

Het interieur werd uitgevoerd door de vaste medewerker van

de Alice, de Centiana en de Elektra.

Lion Cachet, Anton Fortuyn. Fortuyn zal van een zekere vrijheid

De Allegonda is een representatief voorbeeld van de vroege

genoten hebben bij het uitvoeren van het ontwerp van Lion

motorpleziervaart en is sinds 1997 in Vlaanderen. Ze is te

Cachet, die op dat moment druk bezig was met vele andere

bezichtigen in het Bonapartedok te Antwerpen.

ontwerpen. Het ontwerp blijft wel duidelijk van de hand van

Exterieur en indeling van de Allegonda

kingsgraad en zijn voorkeur voor het afbeelden van dieren. In

Lion Cachet door zijn typische materiaalkeuze en hoge afwerDe Allegonda is opgebouwd met een stalen romp en een dek

het salon worden meer dan honderd dieren afgebeeld in vele

en opbouw in teak. Het motorjacht is vijftien meter lang, drie

verschillende materialen en technieken.

meter breed en heeft een diepgang van één meter. Qua uiterlijke

Hij maakte gebruik van luxueuze materialen zoals exotische

vormgeving is het een zeer typische Nederlandse bakdekkruiser

houtsoorten, metaal, glas-in-lood, kleurrijke tegels, marmer,

uit de vroege twintigste eeuw. Kenmerkend aan deze schepen

koper, en hier en daar ivoor en koraal. Het plafond is uitgevoerd

is de sierlijke zeeglijn die ontstaat door het bakdek. Door het

in eternitplaten. Cachet gebruikte in zijn ontwerp diverse tech-

verheven dek vooraan, het bakdek, ontstaat in deze zeeglijn een

nieken om die materialen te bewerken zoals houtsnijwerk, inleg-

vloeiing naar boven toe. Bakdekken komen vaak voor bij vroege

werk en etsen. In het salon zijn vooral vlakornamenten gebruikt,

motorjachten. Het bakdek ontstond uit noodzaak aan beschut-

hoewel een licht bas-reliëf ook vaak voorkomt. De kwaliteit van

ting voor regen, doorgaans gecombineerd met een zonnedek

dit salon ligt niet uitsluitend in de aanwezigheid van de vele

dat vanzelfsprekend bescherming biedt tegen de hevige zon.

ornamenten maar evenzeer in de subtiliteit ervan.

De Allegonda is op zeer efficiënte manier ingericht met een zonnedek, salon, kombuis en sanitair en een slaapruimte.

Het idee van luxueuze, representatieve jachten met kleine maar

Naast deze algemene leefruimten mogen ook de stuurstand en

mooi afgewerkte interieurs, past dus goed in Lion Cachets visie

machinekamer niet over het hoofd gezien worden.

op zowel zijn eigen werk alsook op het comfort van de passa-

De Allegonda heeft een salon achter de stuurstand. Salons op

gier. "Hoofdzaak blijft de gerieflijkheid en het comfort der reiziger."

deze plaats ontstonden wanneer toen scheepsbouwers en -eige-

schreef Lion Cachet zelf in 1917. Hoewel het salon dus het wer-

naars niet langer tevreden waren met het weinige licht dat door

kelijke paradepaardje van de Allegonda is, mag niet vergeten

de kleine patrijspoorten in het bakdek binnendrong. Sinds de

worden dat ook de andere ruimten van dit motorjacht met grote

opkomst van zogeheten bakdeksalonkruisers kreeg het bakdek

zorg zijn ontworpen en bewaard. De Allegonda is een mooi

dan ook niet langer de functie van salon, maar werden er slaap-

voorbeeld van de vroege motorpleziervaart, maar ook een dui-

vertrekken in ingericht. De stuurstand van dit motorjacht was

delijk voorbeeld van de efficiënte vormgeving.

oorspronkelijk open, aangezien de gegoede jachteigenaar niet zelf aan het roer stond, maar hiervoor personeel in dienst had. Een comfortabele stuurhut werd voor het personeel niet nodig geacht. Naar alle waarschijnlijkheid werd de huidige stuurhut gebouwd in het interbellum.

Lion Cachet (1864-1945) Deze Amsterdamse ontwerper was een artistieke duizendpoot, een totaalkunstenaar die vooral actief was tussen 1890 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Hoewel hij bekwaam was in elk aspect van de sierkunsten, is hij vooral bekend om

Interieur van de Allegonda

zijn inrichtingen en dan specifiek zijn scheepsinrichtingen.

Hoewel dit jachtje al een sierlijk exterieur heeft is het toch vooral

Naast zijn eigen ontwerpen, is ook zijn rol binnen de Nieuwe

het interieur dat verbaast. De vormgeving dringt zich niet op

Kunst bekend.

aan de toeschouwer, maar komt het best tot haar recht wanneer

De Nieuwe Kunst ontstond eind 19de eeuw uit de zoektocht van

men rustig gezeten de ruimte op zich laat inwerken. In deze zin

jonge ontwerpers naar een nieuwe vormentaal, jonge kunste-

dient de vormgeving de functie van deze ruimte. Naast deze

naars als Berlage en het trio Dijsselhof, Nieuwenhuis en Lion

kwaliteit is het ontwerpprincipe ook consequent doorgevoerd.

Cachet zochten een Nederlands antwoord op de internationale

Dit ontwerpprincipe is ontleend aan de typisch Nederlandse,

art nouveau, die hen te zwierig en frivool leek. Hun nieuwe deco-

zelfs Amsterdamse, artistieke stroming van de Nieuwe Kunst.

ratieve vormentaal moest rationeel zijn, ondergeschikt aan de


drager, op geen enkele manier een leugenachtige derde dimensie

terug. Lion Cachets werk bij de firma E.J. Van Wisselingh & Co

suggereren en - indien mogelijk - typisch Nederlands zijn. De

waar hij van 1898 tot 1906 in dienst was, kan hiervoor als voor-

jonge Nieuwe Kunst was om deze reden gebaseerd op een per-

beeld dienen. Ook interieurs zoals dat van Dentz Van Schaik

soonlijke interpretatie van het verleden en de historische kunst-

zijn goede voorbeelden van zijn voorliefde voor rationeel gecon-

stijlen en daarnaast beïnvloed door niet-westerse (oriëntaalse)

strueerde zaken met de floraal geïnspireerde - maar steeds

kunstuitingen. De Nieuwe Kunst bracht relatief strakke en sobere

gestileerde - ornamenten die sober vormgegeven lijken maar

ontwerpen voor rationeel geconstrueerde kunstvoorwerpen.

uitgevoerd zijn in luxueuze materialen en met uiteenlopende technieken. Aan zijn persoonlijke stijl is Lion Cachet bij zijn

Scheepsontwerpen voor Nederlandse stoomvaartmaat-

scheepsontwerpen steeds trouw gebleven: de mengvorm van

schappijen

historische en oosterse stijlen is voelbaar, hij eiste nog steeds

Rond dezelfde periode beslisten Nederlandse stoomvaartmaat-

zeer dure materialen om het optimale effect van zijn ontwerp te

schappijen nieuwe bredere schepen te bouwen met een luxu-

garanderen en zeer veel van zijn ornamenten waren afkomstig

euze inrichting in eerste klasse-verblijven. Hoewel toen minder

uit de flora en fauna. Daarnaast liet hij zich voor de inrichting

vanzelfsprekend, lijkt het vandaag logisch dat de rederijen

van de grote lijnschepen vaak inspireren door de historische

beroep deden op de jonge Amsterdamse kunstenaars voor de

figuur naar wie het schip werd vernoemd. Naast het aanstellen

inkleding van hun schepen die vanaf dat moment een bredere

van grote firma's in heel Nederland voor het uitvoeren van zijn

en harmonieuzere ruimte-indeling kregen. Zo kwam het dat de

ontwerpen, bleef hij ook zijn eigen medewerkers trouw.

Stoomvaart Maatschappij Nederland, met aan het hoofd de heer Op ten Noort, in 1906 koos voor Lion Cachet om de interi-

Receptie van zijn scheepsontwerpen

eurvormgeving van de Crotius voor zijn rekening te nemen. Op

Hoewel hij af en toe kritiek kreeg op zijn ontwerpen voor de

dit schip werd - voor het eerst in Nederland - een lichtkoepel

stoomschepen, werden deze algemeen toch goed ontvangen.

op het eetsalon geplaatst waardoor een lichtrijke ruimte meer

Waar sommige critici hem verweten dat zijn ontwerpen hun

comfort bood aan de eerste klasse reiziger. Lion Cachet zag in

band met de scheepvaart verloren hadden of dat zijn werk te

die vernieuwing vele voordelen zoals het groter aantal decoreer-

decoratief was, schreef de Vries in 1912 "zijn meubels waren onte-

bare plaatsen. De lichtkoepel bleek een doorbraak op construc-

genzeggelijk van 'dezen tijd' maar waarin bovendien al de bezonken

tief vlak, aangezien nu verschillende dekken verticaal met elkaar

kwaliteiten van vroegere kunstperioden vereenigd waren." Een

verbonden konden worden en de lichtschacht nu het centrale

andere positieve kritiek ontving Lion Cachet van een van zijn

punt in de ruimte werd. Lion Cachet zag zijn ontwerpopdracht

opdrachtgevers bij de S.M.N, de heer den Tex: "Het is ons aan-

als een uitdaging en schoolde zich bij in de specifieke eisen die

genaam schriftelijk te herhalen dat het gehele plan en de afwerking

kwamen kijken bij de interieurinrichting van schepen. De con-

tot in de kleinste details van een zorg en een kunstzin getuigen die

structieve problemen, zoals de gebogen wanden van een schip,

boven onze lof verheven zijn." Lion Cachet zelf, misschien wel het

zijn maar één zaak. Hiernaast waren nog vele technische eisen

meest begaan met het comfort van de passagier, zal waarschijn-

van belang. De grootste moeilijkheid was misschien wel dat een

lijk nog het meest dankbaar zijn geweest met de opmerking van

scheepsinterieur tegelijkertijd met het schip diende te worden

Louis Couperus die in 1921 over zijn reis aan boord van de Prins

gebouwd en geplaatst. Het is immers onmogelijk het interieur

der Nederlanden, schreef: "Ik vrees alleen dat wij zeer verwend

na de constructie van een schip nog in dat schip te passen.

zullen zijn als deze reis ten einde is."

Om die reden was Lion Cachet minutieus voorbereid op elke opdracht voor een scheepsinterieur. Zijn ontwerpen en schetsen lieten niets onbenoemd, elk detail werd duidelijk beschreven en getekend. Ook de boekhouding voor het uitvoeren van zijn

Belang van de bescherming van het motorjacht Allegonda Hoewel het oeuvre van Lion Cachets oeuvre voornamelijk uit

ontwerpen nam hij voor zijn rekening en hij besprak elke kost,

scheepsinterieurs bestaat, zijn hiervan bijna geen voorbeelden

alle leveringen en hun duur, de lonen van de arbeiders,... Met

bewaard. De glorieuze ruimten in de stoomschepen zijn door-

zijn hele dossier en zijn professionele aanpak wist hij de direc-

Plan van de Allegonda - werf De Amstel - werfleider Thiebout

tieleden van de rederijen te overtuigen van zijn ontwerpen.

(© www.maritiemdigitaal.nl)

Deze zakelijke bezigheden deden hem wel betreuren dat hij zelf weinig met de eigenlijke uitvoering te maken had. Wel bleef hij het werk en de kwaliteit van de materialen controleren. Zijn persoonlijke voorkeur voor dure tropische houtsoorten, voor moeilijke technieken en voor een fijne afwerking bleven dus ook gelden wanneer de ontwerper niet zelf zijn handen uit de mouwen stak. De perfectionistische werkwijze is terug te vinden in alle ontwerpen die Lion Cachet vervaardigde. Niet alleen in de scheepsontwerpen, maar eveneens in zijn interieurs, boekomslagen, tapijten, in zijn drukwerk, batik, ceramiek, in zijn gobelins, meubels en nog veel meer komt deze karakteristiek


heen de tijd verloren gegaan. Slechts enkele kleinere jachtinterieurs bestaan vandaag nog en geven een indruk van Cachets scheepsinterieurontwerpen. Die uniciteit verleent aan de bescherming van het motorjacht Allegonda een groot belang.

Ö CU

ö • I—I

CQ 14

Bibliografie • BEULAKKER E., Onderscheid moet er zijn. Pkziervaren in Nederland, een cultuurgeschiedenis, Verloren, Hilversum, 2012. • DE BOIS M. (red.), C A Lion Cachet. 1864-7945, Drents Museum, Assen, 1994 • DE BOIS M., Inleiding, in DE BOIS M. (red.), op. cit. • DOMINICUS-VAN SOEST M., Meubel-en interieurontwerpen, in DE BOISM. (red.), op. c/t. • GROOT A., Beknopte biografie van CA. Lion Cachet in jaartallen, in DE BOIS M. (red.), op. cit. • LEWIN E., De scheepsinterieurs, in DE BOIS M. (red.), op. cit. • MANTELEERS W., Schatten van schepen. M/y Allegonda is loojaar, in Ruimschoots, jg. n , nr. 3, 2011. • THOMAS M. S., De Leer van het Ornament. Versieren volgens voorschrift - 1850-1930, De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 1996. • VAN DER BOOM A., CA. Lion Cachet. 1S64-1945, Uitgeverij F.C. Kroonder, Bussum, 1952. • VAN 'T SPIJKER en BOSHUIZEN-HOEK, Varende motorjachten uit het begin van de pleziervaart, 2003.

.Jh^r'A

•U-^rr '

Meer info De Allegonda ligt in het Bonapartedok in Antwerpen. Meer informatie vindt u via de Inventaris van het Varend Erfgoed: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ivm/ varend/9.

Het hert van de heilige Hubertus met de aanzet van het kruis tussen zijn gewei (foto J. Schoors)

nu bekend is werd opgetrokken omstreeks 1500. Het schip is verlicht door een drietal grote spitsboogvensters waarvan het maaswerk nu verdwenen is. Eén noordelijk spitsboogvenster werd later toegevoegd. In het interieur is een m o n u m e n t a l e witstenen laatgotische

Restauratie

bogenstructuur ter hoogte van het doksaal frappant. Er zijn bouwsporen die er op wijzen dat het schip niet overwelfd was maar afgedekt was met een houten zoldering op korbeelstellen. Ook in de kapstructuur van het hoogkoor zijn er concrete aan-

Marjan Buyle enjohan Grootaers

wijzingen dat het plafond een beschoten houten spitsboogton was. O p het eind van de 17de eeuw werd dit middeleeuwse plafond vervangen door een stucwerkdecoratie met fraai rankwerk

DE RESTAURATIE VAN DE SINT-STEFANUSKERK IN OPPEM

zoals dat nu bekend is. O p dat ogenblik werd ook een zuidersacristie toegevoegd; op de buitengevel ervan is originele geschilderde baksteenimitatie aangetroffen.

Bouwhistorisch onderzoek

De huidige steekboogvensters van het hoogkoor dateren uit de

In 2008 werd door Johan Grootaers een bouwhistorisch voor-

eerste helft van de 18de eeuw en vervangen voormalige spits-

onderzoek uitgevoerd ter voorbereiding van de restauratie van

boogvensters. Het kerkmeubilair dateert grotendeels uit de

de Sint-Stefanuskerk. De buitenrestauratie werd gerealiseerd

tweede helft van de 18de eeuw.

in 2012-2013. Uit het onderzoek is gebleken dat er binnenin

Naar aanleiding van het nu lopende vooronderzoek naar muur-

de kleine bakstenen westertoren uit het begin van de 16de

schilderingen hebben conservator/restaurateur Jan Verbeke en

eeuw een veel oudere wellicht 14de eeuwse vakwerkstructuur

zijn team aanwijzingen gevonden in het muurpleisterwerk dat

verborgen zit die wijst op een voormalige toren in geleemd

de muurschilderingen wellicht ouder zijn dan de kerkbouw van

stijl- en regelwerk. Kerktorenfragmenten in hout in deze streek

circa 1500. De laatgotische bogenstructuur ten westen zou een

van Vlaanderen zijn uiterst zeldzaam. De laatmiddeleeuwse

laatgotische toevoeging kunnen zijn van een oorspronkelijke

dorpskerk met eenbeukig schip en rechthoekig koor zoals die

mogelijks oudere 15de eeuw zaalkerk. Meer doorgedreven bouw-


ters en tonen een groot aantal populaire middeleeuwse heiligen. Bij het betreden van de kerk, onmiddellijk links, gedeeltelijk doorsneden door het latere orgeldoksaal, staat meteen ook het best bewaarde tafereel: de jacht van Sint-Hubertus. Een opvallend jonge heilige zit geknield vóór het hert, dat een kruisbeeld

ö

tussen zijn gewei draagt. Van dat kruisbeeld is omwille van het doksaal enkel het onderste deel nog te zien. Vreemd genoeg is Hubertus niet alleen vergezeld van zijn paard en van jachthonden, maar ook van twee gehalsbande windhonden, die zeer raak en levendig geschilderd zijn. Het kleurenpalet van dit tafereel is beperkt tot gele en rode aardekleuren. Links hiervan is een andere voorstelling, die echter zwaar beschadigd is.

De muurschilderingen in het koor: van links naar rechts heilige bisschop, heilige Gillis met de hinde, heilige Catharina van Alexandrië met de draak onder haar voeten, de beul die de heilige Stefanus met pijlen doorboort en de heilige Michael met de duivel (?) (foto J. Schoors)

Het gaat vermoedelijk om de marteling van de heilige Adrianus, waarbij zijn ledematen worden afgehakt. Boven het huidige doksaal, op het bovenste deel van de muur, staat een grote voorstelling van de heilige Christoffel. Het tafereel is zeer fragmentair bewaard, al herkent men nog duidelijk het hoofd van de heilige

historisch onderzoek is aan de gang en zal gekoppeld worden aan het materiaaltechnisch en iconografisch onderzoek van de muurschilderingen.

en het jezuskind dat hij op zijn schouders over de rivier draagt. Traditioneel wordt dit tafereel zeer groot (Christoffel was een reus!) afgebeeld aan de inkom van de kerk of op een duidelijk zichtbare plaats, omdat het belangrijk was dat de gelovigen

Vondst van middeleeuwse muurschilderingen Een uitgebreid vooronderzoek van de middeleeuwse pleisterlagen bracht tal van restanten van muurschilderingen aan het licht. Ze zijn aangebracht in twee boven elkaar liggende regis-

deze heilige elke dag zagen, om zo beschermd te zijn tegen een schielijke dood, dat wil zeggen een dood zonder 'christelijke' voorbereiding in de vorm van bijvoorbeeld een laatste biecht.

Opstand van de linkermuur van de kerk met de plaatsing van de muurschilderingen (© Dirk Geeroms en )an Verbeke)

PQ 15


•rH

PQ 16

In het koor op de linkermuur staan vijf heiligen, waarvan er

Voor de uiteindelijke identificatie van alle voorgestelde figuren

enkele spijtig genoeg door latere vergrotingen van de ramen

en een nauwkeurige datering is echter meer kunsthistorisch

'onthoofd' zijn: van links naar rechts zien we de bijna levens-

onderzoek nodig. Het is nu al wel duidelijk dat deze configuratie

grote figuren van een bisschop, de heilige Gillis, de heilige

van zoveel heiligen in een vrij kleine dorpskerk uniek is.

Catharina van Alexandrië met de draak onder haar voeten, de

Hoe moet het nu verder met de binnenrestauratie van de kerk,

heilige Stefanus die door een beul met pijlen doorschoten wordt

die vóór de huidige restauratie bestond uit een vrij 'homogeen'

en de heilige Michael (?) in volledige wapenrusting met de

i8de-eeuws ensemble van altaren, zijaltaren, lambrisering met

duivel onderzijn voeten.

ingewerkte biechtstoelen, grotere ramen en stucwerkplafonds?

De heiligen zijn naast elkaar afgebeeld op een heuvelachtige

Dit is een probleem dat zich vaak stelt wanneer in een kerkinte-

ondergrond, zonder enige onderlinge connectie, en ze zijn netjes

rieur met een lange geschiedenis restanten gevonden worden van

afgeboord door een zwarte band. Naast de gele en rode aarde-

vroegere afwerkingen en decoraties. De vondsten veroorzaken

kleuren van de Hubertusvoorstelling zijn hier ook (kool)zwart

een soort van euforie - en terecht - , maar de erfgoedconsulenten

en groen gebruikt. Op de tegenoverliggende muur herkennen

staan voor de moeilijke opdracht om afwegingen en aangepaste

we onder andere de heilige Victor met de molen. Ondertussen

restauratieopties te overwegen in het belang van het monument,

werden nog andere heiligenfiguren, in al of niet herkenbare toe-

omdat ook de latere aankledingen van het interieur hun waarde

stand, blootgelegd in de rest van het kerkinterieur.

hebben. Het wordt een moeilijke evenwichtsoefening.

Op vraag van de restauratie-architect Dirk Ceeroms werden de vondsten ingetekend op een opstand van de kerk, om een beter zicht te krijgen over de plaats die ze innemen in het geheel en om een afweging te kunnen maken welke fragmenten eventueel zichtbaar bewaard kunnen worden, zonder afbreuk te doen aan de organisch gegroeide i8de-eeuwse aankleding van het interieur. De vondst van deze muurschilderingenreeks is zonder-

De Sint-Stefanuskerk is gelegen in het dorp Oppem in de gemeente Melse (Vlaams-Brabant), aan de Oppemkerkstraat i. Meer informatie en het beschermingsbesluit vindt u via de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed; https://inventaris. onroerenderfgoed.be/dibe/relict/40181

meer merkwaardig en zeldzaam te noemen.

Een grote stad is duizend keren dakloos, een grote stad is duizend keren thuis. Een grote stad is onvoorspelbaarheid, ze kent de weg, ze aarzelt, wil verdwalen, ze houdt de pas in, haast zich verder, botst. Een grote stad is duizend ritmesecties, ze is een open wonde, ze is eelt. Een grote stad is zevenduizend talen, gehakkeld en verhakkeld en gekoppeld, gelachen en geschreeuwd in barensnood, een grote stad is moederschoot en schroot.


aandacht voor de productie van grotere stammen (middelhout). Zo werden de hertogelijke bossen van Meerdaal, Mollendaal en Heverlee bij Leuven in 1610 elk onderverdeeld in 20 houwen. Het was de bedoeling om in elk van de drie bossen elk jaar precies één houw te kappen, zodat elk bos om de 20 jaar volledig gekapt zou zijn, en het hakhout dus 20 jaar had om te groeien. In de 18de eeuw was de kapcyclus teruggebracht naar 12-13 ) a a r - De bovenstaanders werden in deze houwen behouden en apart verkocht. De boomsoorten in het hakhout Op het einde van de 18de eeuw werden in België ongeveer alle loofboomsoorten gebruikt voor hakhout: eik, gewone es, zwarte els, hazelaar, haagbeuk, (bos)wilg, populier, ratelpopulier, beuk, olm, winterlinde, gewone esdoorn en Spaanse aak. In België kwamen meer oude, gemengde hakhoutbossen voor dan in Nederland, maar deze menging werd vooral door latere bosbouwers niet altijd als positief ervaren: Félix Goblet d'Alviella (14) pleit in de eerste helft van de 20ste eeuw op basis van zijn eigen ervaringen voor bestanden van dezelfde soort, of eventueel groepsgewijze menging, omdat hakhoutstoven van verschillende boomsoorten met verschillende jeugdgroeisnelheden elkaar zullen verdringen, en de beoogde menging dus toch niet lukt (15). De houtproducten Brandhout De bedrijfsvorm in de bossen (hakhout, middelhout of hooghout) hing deels samen met de beschikbaarheid van alternatieve brandstoffen in de vorm van turf en houtkanten buiten het bos (16). Hoe minder brandstof er buiten het bos te vinden was, hoe meer dit in het bos gezocht werd, en bij een stijgende vraag naar brandhout werd de kapcyclus van hakhout meestal verkort. Doordat de turfvoorraden in het westen van het huidige Vlaanderen al veel vroeger uitgeput waren dan in de Kempen, werd brandhout hier al vroeger erg belangrijk. Voor de productie van brandhoutbussels werd er in het westen van het huidige Vlaanderen algemeen om de 5 a 7 jaar gekapt. Elzenhakhout werd soms nog sneller, al na 3 of 4 jaar gekapt (17). Dit jonge hakhout diende voor de vervaardiging van takkenbussels, die onder andere gebruikt werden in brood- of steenovens. Houtskool Om de transportkosten van brandhout te verlagen, werd hout vroeger vaak verkoold tot houtskool. Houtskool weegt veel minder dan hout en heeft een tweemaal zo grote energie-inhoud. Vanaf de middeleeuwen tot in de igde eeuw kende de productie van houtskool een enorme ontwikkeling

Oude foto van houtskoolmeiler in opbouw met grote aantallen

in onze streken. Pas geleidelijk gedurende de 18de en 19de eeuw begon steenkool ook voor huishoudelijk gebruik een ruimere verspreiding te krijgen, waardoor houtskool aan belang inboette (18).

dunne stammetjes (uit Pares Natwnaux. jg. 46. nr. 3, iggi.p. 89)

Traditioneel werd houtskool in het bos gemaakt in een houtskoolmeiler. Dit is een op een speciale wijze gestapelde berg hout, afgedekt met plaggen of strooisel, waaroverheen een laag vochtige, liefst leemhoudende aarde wordt aangebracht om toetreding van zuurstof te beletten. Het hout wordt aangestoken via een centrale schacht in het midden van de meiier en moet dagenlang blijven smeulen om al het hout te verkolen. Ongeveer alle boomsoorten konden gebruikt worden voor de productie van houtskool, maar de meest geprefereerde soorten waren eik, beuk, meidoorn, haagbeuk en es. Ook els werd vaak gebruikt. In Zoerselbos werden sporen van vroegere houtskoolmeilers recent onderzocht en in kaart gebracht (19). Hier werd zeker houtskool gebrand vanaf de 14de eeuw en tot na 1650, waarschijnlijk eerder af en toe dan op heel regelmatige basis. De onderzochte houtskoolmeilers bestonden hier vooral uit houtskool van els. Ook hazelaar kwam in een aantal gevallen voor, en in beperkte mate nog verschillende andere boom- en struiksoorten. Vermoed wordt dat deze houtskoolproductie in Zoerselbos een tijdelijk neveneffect was van de omzetting van elzenbossen naar hooibeemden, en dat het reguliere hakhoutbeheer vooral producten leverde voor lokaal gebruik. Ook in heel veel andere bossen gebeurde houtskoolbranden: zo zijn er archiefbronnen uit de 18de eeuw bekend over het keeren van de smoorhoop en het branden van hoschcolen in het domein van het Kasteel van Poeke. Sporen van houtskoolmeilers zijn vaak nog zichtbaar in de bosbodem als zones met een concentratie van kleine stukjes houtskool.

M & L I 35


Houtskoolmeilers zijn soms nog zichtbaar als een kleine verhevenheid, in het Zoerselbos zi)n er enkele archeologisch opgegraven (foto L. De Keersmaeker. INBO)

Soms is er ook nog een kleine verhevenheid in het terrein te zien. Eikenschors De schors van eiken bevat hoge concentraties aan looizuur of tannine, waardoor de boom zich beschermt tegen infecties. Bij het proces van leerlooien binden deze looizuren de rottingsgevoelige eiwitten in dierenhuiden en laten ze neerslaan, waardoor huiden bewaard en gebruikt kunnen worden als leer. Om die reden werd zeker al sinds de late middeleeuwen eikenschors gebruikt in de leerlooierijen. Zowel schors van takken en stammen van opgaande eiken, als schors van hakhout, deed hiervoor dienst. Eikenhakhout, in Nederland ook akkermaalshout (20) genoemd, ten behoeve van de leerlooierijen kende een grote bloei in de 19de eeuw. Voor de productie van schors voor leerlooierijen werden de eiken in Vlaanderen en Brabant om de 9 a 12 jaar gekapt (21). Ook het Peerdsbos werd in het begin van de 18de eeuw omschreven als een groot schaer en bleek Bos genaemt het peirts Bos ten hremdonck (22). Eikenschors werd in het Peerdsbos gewonnen oigebleekt (ontschorst) van minstens de 16de tot in de 19de eeuw, van bomen van 6 tot 7 jaar oud. Blekken of eken is het ontdoen van jonge eikenstammetjes van hun schors om deze te gebruiken in leerlooierijen als eek of run, dit is gedroogde en gemalen eikenschors, als bron van tannine. In latere eeuwen werd in het algemeen de kapcyclus voor schors ook verhoogd tot circa 20 jaar (23)-

36 I M L

Blijkbaar waren er behoorlijke regionale verschillen in de gebruikte methoden: soms werden de eikenstammetjes ontschorst voor ze gekapt werden, soms erna. Ook de periode waarin dit gebeurde, varieerde van streek tot streek, maar meestal wordt de periode van stijgende sapstroom in de literatuur aangehaald als beste periode voor dit werk. In mei komt de schors het gemakkelijkst los van het hout (24). Na 1880 ging het snel bergaf met de akkermaalsbossen. Toch bestond in 1934 het overgrote deel van de eikenbossen in België nog uit middelhout. Een deel hiervan was zeker een restant van eikenhakhout aangelegd of geëxploiteerd voor de schors. Veel eikenbossen in beheer als hooghout waren afkomstig van de toenmalige omzetting van middelhout naar hooghout via spaartelgen. Dit illustreert het grote belang van eikenhakhout in de tweede helft van de 19de eeuw. Bouwhout Eikenhout was heel geliefd als bouwmateriaal omwille van zijn superieure technische eigenschappen. Op een verre tweede plaats kwamen olm en es. Daarnaast werden vanaf de 17de eeuw ook abeel, populier en dennenhout gebruikt voor minder zwaar belast timmerhout, vooral in gewone boerenwoningen. Ook 'krom hout' was een gezochte bron van bouwhout: kromgegroeide zware eikentakken werden op grote schaal gebruikt in dakkappen en in de scheepsbouw. Al heel vroeg, ten tijde van de grote middeleeuwse ontginningen, werd er overzee uit Engeland en Noorwegen timmerhout geïmporteerd in onze streken, onder


Gebruik van hakhoutproducten als ambachtshout: kuiperij {miniatuur uit Heures o l'usage de Rome. Pavia, 14de eeuw)

Gebruik van hakhoutproducten als bouwhout: vakwerkbouw (De Geboorte van Christus. Robert Campin. 1425-1430)

andere door abdijen. Eikenhout was door de grote vraag en door de trage groei immers chronisch zeldzaam. Voor vlechtwerkwanden bij vakwerk werden gespleten stikstokken en vlechtroeden van wilg, hazelaar, soms ook els, berk, sporkehout of lijsterbes, en vanaf de 19de eeuw ook tamme kastanje gebruikt. Ambachtshout Ambachtshout stelde uiteenlopende eisen aan het geleverde product. Een groot deel van deze producten werd geleverd door hakhoutbossen, onder meer voor wagenmakers en kuipers. Olmenhout was geschikt voor wagenwielen, omdat het over de vereiste hardheid en taaiheid voor het centrum van het wiel beschikte. Plaatselijk werd ook wel essenhout gebruikt, dat eveneens ideaal bleek voor het maken van de velgen. De spaken van het wiel bestonden dan weer uit gekloven eikenhout, de dragende boom uit een zwaardere eik, en de bak of vloer van de wagen uit lichter abelen-, populieren- of wilgenhout. Hakhout voor specifieke doeleinden werd met een welbepaalde kapcyclus behandeld, zoals om de 9 jaar voor de vervaardiging van hopstaken en hoepels voor tonnen, waarvoor tamme kastanje veel gebruikt werd. De duigen van tonnen bestonden en bestaan dan weer uit eik. Geriefhout Voor allerlei soorten geriefhout was een gemengd hakhoutperceel een bijzonder interessant gegeven. Gereedschapsstelen werden gemaakt uit dunne stammetjes, afkomstig van hakhout of vanop de knot van knotessen of-wilgen. Voor tuinhout of

omheiningen van vlechtwerk werd vooral eik gebruikt als duurzaamheid vereist was, maar ook els, hazelaar, es en wilg deden hiervoor dienst. Mutsaarden, dat zijn takkenbossen van verschillende afmetingen en leeftijden, werden enerzijds gebruikt als brandstof voor ovens, maar ook voor wegenonderhoud: de sporen en putten in moerassige wegen werden ermee opgevuld.Vaak was dit de taak van de aangelanden (25). Ook voor oeverwerken en allerhande waterwerken, zoals het beschoeien van dijken, boorden van waterlopen en vijvers, was veel hakhout nodig: de staken en het vlechtwerk van horden konden worden gemaakt van eik, els of es (26).

Andere beheerwerken in hakhout en nog overblijvende relicten daarvan Naast de eigenlijke kap van het hakhout waren er verschillende andere werkzaamheden gangbaar in de houwen. De belangrijkste hadden als bedoeling om het hakhout productiever te maken, zoals oude stobben vervangen (inboeten), dunnen, snoeien en de bodem draineren. Daarnaast kreeg de afbakening van de houwgrenzen ook veel aandacht: hiertoe werden hoek- of randbomen behouden en geknot, en/of grachten aangelegd. Ten slotte hadden sommige werken de bedoeling om het bos te beschermen, zoals het aanleggen en onderhouden van boswallen rondom het bos om de jonge loten te beschermen tegen het vee. Vooral van deze begeleidende maatregelen zijn er actueel in veel bossen nog sporen terug te vinden. Door het vroeger zeer intensieve beheer van

M & L I 37


hakhoutbossen, komen er bij ons relatief veel relicten voor van het courante inrichtingssysteem: grensaanduidingen (hoekbomen, boswallen) en vooral rabatten zijn in Vlaanderen in veel bossen nog aanwezig, meer dan in regio's met een historisch minder intensief bosbeheer zoals Engeland. Bij het thans meer voorkomende hooghoutbeheer of bij het in natuurbeheer soms gepropageerde 'nietsdoen-beheer', dreigen sommige van deze sporen verloren te gaan. Dit zijn echter de meest tastbare relicten van het hakhoutbeheer, en ze kunnen vaak bewaard worden. Houwverzorging en productieverhoging Na de cyclische kap moest de houw eerst en vooral grondig worden gekuist. Doel hiervan was de planten te verwijderen die het heruitschieten van de stoven zouden kunnen beletten. Bramen, brem, slingerplanten en doornige planten werden zorgvuldig uit het hakhout verwijderd en meestal ontworteld (27). Dit werk, samen met de afwisseling van zeer lichtrijke en donkere perioden in het hakhoutbos, had een grote impact op de vegetatie van de hakhoutbossen, die nu vaak zeer rijk zijn aan voorjaarsbloeiers. Dit is nog in veel bossen te zien, zoals in Meerdaalwoud of Bos t'Ename bij Oudenaarde in een aantal bestanden. In veel bossen zorgde de verkoop van niet-houtige bosproducten als bosgras, turf en strooisel voor een zekere nevenopbrengst, zoals bijvoorbeeld gedocumenteerd voor Zoerselbos. Ook voor het Coolhembos in Puurs zijn er documenten die de verkoop van gras op verhoogd liggende bosstroken

Rijke voorjaarsvegetatie onder middelhoutbeheer in Meerdaalwoud (foto K. Vandevorst)

38 I M

L

aantonen (28). Bosbessen plukken gebeurde in de meeste bossen waar ze voorkwamen, zoals in Grotenhout bij Turnhout, en genereerde eveneens een beperkte extra opbrengst. Verder werd het drainagesysteem van het hakhoutperceel ter gelegenheid van de kap uitgebouwd of terug in orde gebracht. De meeste bossen op valleigronden of de nattere zandgronden werden vanaf de 18de eeuw in een groot aantal evenwijdige, doorgaans 6-12 meter brede stroken of rabatten onderverdeeld door het graven van drainagegrachten. In sommige erg natte bossen werden de grachten al veel vroeger aangelegd, vaak als gevolg van veenwinning zoals bijvoorbeeld het Coolhembos in Puurs (29). De inhoud van de geruimde grachten, bestaande uit sediment en bladval, werd zorgvuldig op de verhoogd liggende stroken uitgespreid en diende daar als meststof, zoals in West-Vlaamse bossen in het begin van de 19de eeuw gebruikelijk bleek (30). In Nederland werd in dezelfde periode aangeraden om in de laaggelegen schaarbossen sloten aan te leggen, ook als dit niet echt noodzakelijk was voor de waterhuishouding: enerzijds om het overtollige regenwater af te leiden, en anderzijds, vooral bij els, omdat op deze manier een bijzonder goede meststof verkregen werd. Hiervoor moest het jaar voor de kap in september of oktober de organische ruimingsspecie uit de grachtjes op de bosstroken worden gelegd, en dan in februari, vlak voor de kap, rond de stronken worden uitgespreid. Dit zorgde voor betere groei van de uitlopende scheuten (31).


Rabatten in hakhoutbos, Poeke (foto K. Vandevorst)

Middelhoutbos met opgaande eiken tussen Eeklo en Waarschoot, na de hakhoutkap: bemerk de rabatten en de net opgesnoeide bovenstaanders (uit GOBLET d'ALVI ELLA F.. Elements de Sylviculture, dl. 1. Parijs/ Brussel, icjtc). p. rSy)

Rabatten werden ook aangelegd om eik beter te laten groeien op gronden die eigenlijk langdurig te nat waren voor deze boomsoort. Dit gebeurde nog in de 19de eeuw. Door de grote vraag naar eikenschors loonde deze investering de moeite (32). Greppels en rabatten komen nog steeds op grote schaal voor in onze bossen. Een volgend onderdeel van het begeleidende werk in een hakhoutperceel betrof het inboeten of aanvullen van de hakhoutlaag door inplanting met jong plantsoen, en het eventuele voorbereidende werk hiervoor. Oude hakhoutstoven die een mindere productie gaven of die afstierven, werden

uitgegraven en verkocht (33). In tegenstelling tot in andere streken zoals Engeland zijn echt grote hakhoutstoven, daterend uit de periode van het traditionele hakhoutbeheer, in bijna alle Vlaamse, Henegouwse en Brabantse bossen momenteel beperkt tot grenzen, waar ze ook een andere functie dan houtproductie vervulden: grenzen van kadastrale of kappercelen, boswallen, meestal op taluds vanwege hun bodemfixerend vermogen, bijvoorbeeld in Bos t'Ename op een steile talud of in Zoerselbos in hakhoutkanten. In onze streken ontbreken oude hakhoutstoven voor zover bekend volledig binnen de kappercelen. De oorzaak hiervoor is dat afgestorven of weinig productieve

M&L I 39


Grote oude hakhoutstoof op talud in Bos t'Ename (foto K. Vandevorst)

Opgaande eiken in middelhoutbos, met typische lage zware zijtakken. Bots de Grandhan, Durbuy (foto K. Smets)

40 I M

L


struiken in onze streken met zijn grote vraag naar hout en intensief bosbeheer snel werden uitgegraven en vervangen. Het inboeten volgde hier sinds de 18de eeuw, mogelijk al vroeger, in veel gevallen op het uitgraven van de oude stoven. Nazorg van de houw bestond onder andere uit het snoeien van hakhout én hooghout. Bij het hakhout werden bijvoorbeeld de horizontaal uitgroeiende takken van haagbeuk, hazelaar en tamme kastanje weggesnoeid, om de groei van jonge zaailingen niet te verhinderen en de loten knoopvrij te maken. Bij middelhout werd ook de stam van de opgaande bomen gesnoeid of gesleund, enerzijds om knoopvrije stammen te produceren, anderzijds ook om het hakhout optimaal te laten hergroeien. Later werd dit opsnoeien van het opperhout niet meer toegepast, waardoor we nu in oude middelhoutbossen vooral opgaande bomen met een typische korte stam en zware lage zijtakken aantreffen. Het dunnen van hakhoutstoven bestond uit het verwijderen van een deel van de loten om de andere loten of jonge opgaande bomen sneller te laten groeien. In de 18de en 19de eeuw, en waarschijnlijk al vroeger, werd het veelvuldig toegepast. In de 20ste eeuw bestond er minder eensgezindheid in bosbouwkringen over het nut hiervan (34). Afbakening van de te kappen percelen of houwen De afbakening van de houwgrenzen was een belangrijk aandachtspunt voor de boseigenaars: hoewel de houwen vaak over een langere periode min of meer vastlagen en een vast toponiem kregen, waren de juiste grenzen niet altijd even duidelijk zichtbaar. Zeker wanneer het hakhout niet door de eigenaar zelf of diens personeel werd gekapt, maar op stam werd verkocht om dus door derden te worden gekapt, rezen er soms problemen. Dit zorgde ervoor dat er al vrij vroeg door landmeters kaarten werden opgesteld van bossen, om de lokale situatie te verduidelijken. Ook op het terrein moesten de grenzen aangeduid worden. Soms werden grensstenen geplaatst, maar vaker werden de hoeken of grenzen van de houw gemarkeerd door het aanplanten van één of meerdere knotbomen, vooral haagbeuk, zoals in Bos t'Ename. Een andere manier om een houw of een kapperceel af te bakenen, was het vrij kappen van een strook van enkele meter breed op de perceelsgrens, zoals in veel Brabantse bossen gebruikelijk was. In bossen met veel drainagegrachten werden de afzonderlijke kappercelen begrensd door deze grachtjes, waarbij het aantal stroken kon variëren, maar de oppervlakte per kap ongeveer gelijk bleef (35).

Haagbeuk als hoekboom van het te kappen perceel. Bos t'Ename

Bescherming van het bos Ten slotte werd aandacht besteed aan de bescherming van het hak- of middelhout. In de eerste plaats moesten de pas gekapte bospercelen beschermd worden tegen het vee, dat graag de knoppen en blaadjes van de jonge loten afgraasde. Voor veel bossen waren er echter in de vroege en volle middeleeuwen beweidingsrechten toegekend, die de omwonenden niet zonder slag of stoot wilden opgeven. Vaak werden er dan ook strenge afspraken gemaakt om de dieren de eerste jaren na de hakhoutkap uit het bos te houden, totdat de malse jonge scheuten buiten bereik van het vee waren. Daarnaast waren ook niet alle dieren gelijk: runderen mochten meestal in het bos grazen,

(foto K. Vandevorst)

M LI 4!


Rij knothaagbeuken als bosgrens, Foreest. Horebeke (foto K. Vandevorst)

Rij knothaagbeuken op boswal, Hallerbos (foto K. Smets)

paarden meestal ook, maar schapen niet altijd en geiten nooit. Het vee werd soms uit het bos gehouden door een boswal: een gracht werd uitgegraven en de aarde werd in de meeste gevallen aan de te beschermen zijde opgeworpen. De wal werd dan beplant met een haag van doornstruiken of een andere afsluiting; soms ook met hakhoutstoven, knotbomen en/of opgaande bomen. Door

42 I M

L

deze dichte beplanting diende de boswal niet heel hoog te zijn om een afschermende functie te vervullen. Waarschijnlijk hierdoor zijn er slechts weinig boswallen bewaard in onze streken. Soms wordt nog wel een deel van een boswal of van de beplanting erop aangetroffen, zoals de kaphaag van haagbeuk rond het Foreest in het Oostvlaamse Horebeke. Ook op de grens van het domein van de


Bloelende wilde appel in het Meerdaalwoud

Arenbergs in Hallerbos staat nog een rij bijzonder oude knothaagbeuken op een wal. Naast de bescherming na de kap van het volledige perceel tegen vraat van dieren, werden er ook individuele bomen of boomsoorten uitgesloten van kapping, en dus gevrijwaard. In het middelhout werd de verjonging van opgaande bomen gereserveerd om het systeem in stand te kunnen houden: in de 16de eeuw moest in Meerdaalwoud elke koper van hakhout 16 jonge eiken per hectare laten staan die geschikt waren om opgaande eiken te worden. Bij gebrek aan voldoende geschikte eiken mochten ook beuken of andere waardevol geachte boomsoorten blijven staan. Ook de instandhouding van vruchtdragende bomen of struiken (appel, mispel, kers, hazelaar en peer) volgt uit i6de-eeuwse reglementen van de hakhoutkap in het Meerdaalwoud, overgenomen uit reglementen van het Zoniënwoud: de kap van deze vruchtdragende soorten was streng verboden! Deze vruchten dienden immers als voedsel voor het wild, dat belangrijk was voor de jacht. Dit zal zeker

bijgedragen hebben tot het behoud van deze, ook nu nog zeldzame, boomsoorten in het bos. Ook voor de bossen ten zuiden van Antwerpen in Aartselaar zijn er uit de 15de eeuw verbodsbepalingen bekend om het hout dat witte bloemen draget (en dus ook vruchten) te kappen. Ook in het Zoniënwoud en het Nederlandse Nederrijkswald bij Nijmegen werden bloeiende en vruchtdragende struiken beschermd (36).

(foto K.Vander Mijnsbrugge) Inzet; wilde appeltjes (uil MAES e.a.. 2006. p. 174)

Hakhoutbeheer nu: een afwegingskader Er zijn in de bossen van Vlaanderen nog een groot aantal sporen en relicten van het traditionele hakhoutbeheer bewaard, maar deze zijn vaak niet gekend en daardoor kwetsbaar voor schade of vernieling. Meer aandacht voor deze elementen en het bewust in kaart brengen ervan zijn dus zeker gewenst. Afhankelijk van de gemaakte afwegingen qua uitgangssituatie en doelstellingen, kan het verderzetten of opnieuw opstarten van het hakhouten middelhoutbeheer een bewuste keuze zijn. Maar hoe en waar gebeurt dit dan best, en welke andere begeleidende ingrepen zijn dan nodig? Kennis van

IVI&L I 43


de historische toestand en aandacht voor de erfgoedaspecten van het bosbeheer kunnen een bijzonder waardevolle bijdrage leveren aan de te kiezen beheerdoelstellingen (37). Na de publicatie van Bossen van Vlaanderen in 1993 kwam er een hernieuwde aandacht voor het traditionele hakhout- en middelhoutbeheer. Dit resulteerde in het opnieuw invoeren van hakhoutbeheer in een aantal Vlaamse bossen en natuurgebieden, zowel door openbare als private beheerders. Het tijdstip waarop het hakhout een laatste keer afgezet was, varieerde sterk van gebied tot gebied, en ook werden er soms andere, meer pragmatische overwegingen meegenomen in de beslissing om opnieuw te beginnen kappen in een bepaald perceel of bosgebied. Er waren dus in de praktijk zeer diverse uitgangssituaties van waaruit hakhoutbeheer werd heropgestart (38). Hieruit bleek dat er voor elk bos waar men hakhoutbeheer na langere tijd opnieuw wil instellen, best geval per geval een aantal afwegingen worden gemaakt. De eerste vraag zou telkens moeten zijn: wat is het doel van het opnieuw in hakhoutbeheer nemen van dit bos? Is een zo getrouw mogelijke terugkeer naar een bepaald type bosbeheer uit vroeger tijden de bedoeling, of zijn natuurdoelstellingen het belangrijkste? In het eerste geval wordt het traditionele beheer best zo minutieus mogelijk gevolgd (voor zover bekend voor een bepaald bos). Essentieel is normaal gezien dat de houw na de kap wordt opgekuist: het hakhout en alle overblijvend fijn hout worden afgevoerd. Fijn hout kan ook op een beperkt aantal takkenhopen gezet worden. Bij middelhoutbeheer wordt ook in het opperhout ingegrepen: via gerichte kappingen wordt gestreefd naar een piramidale leeftijdsverdeling van de bovenstaanders (39). Indien de nadruk vooral ligt op de natuurwaarde van het hakhout, kan van het traditionele schema op bepaalde punten afgeweken worden. Een aantal courante praktijken uit het verleden blijken in de huidige context immers niet meer wenselijk of haalbaar, zoals bevoordeling van eik in de bovenstaanders, de gewoonte om stobben uit te graven, het strooisel te verzamelen en alle dood hout tot het kleinste takje op te ruimen. Dood hout sprokkelen en strooiselroof werden vaak uitgevoerd door omwonenden, maar waren een ergernis voor de bosbouwers, die deze praktijken verboden (40). Te hoge begrazingsdruk, vooral door wild maar uitzonderlijk ook door veevraat, kan een probleem zijn bij het uitlopen van oud hakhout: als de weinige opslag die er is, afgegeten wordt door reeën, kan een eeuwenoude hakhoutstoof op enkele


jaren volledig afsterven. Ook de mogelijkheid om de wilddruk mee te bepalen, is dus een belangrijke factor bij het afwegen van een eventuele terugkeer naar hakhoutbeheer. Hoe belangrijk wordt de houtproductie gezien in de (nabije) toekomst, en hoe groot is de lokale afzetmarkt voor deze producten? Hakhoutbeheer blijft een erg arbeidsintensief karakter behouden, dus de inzet over een langere periode van voldoende mensen is eveneens essentieel. Bij eventuele inzet van zware machines voor houtafvoer moet het lokale archeologische bodemarchief onder bos vooraf gekend zijn en bodemschade vermeden worden. Naast de doelstellingen van het hernieuwde hakhoutbeheer, worden dus ook best de randvoorwaarden en -aspecten bekeken, waarbinnen deze doelstellingen gerealiseerd kunnen worden, en tot een verantwoorde keuze kan gekomen worden. Al deze vragen leiden naar een bepaald hakhoutsysteem, en geven een antwoord op de vraag welke kapcyclus zal worden aangehouden, en welke begeleidende werkzaamheden er kunnen en zullen uitgevoerd worden. Als na het toetsen aan dit afwegingskader blijkt dat hakhoutbeheer in een bepaald gebied een geschikte en haalbare optie is, kan men evalueren welke percelen in aanmerking komen om opnieuw als traditioneel hakhout beheerd te worden. De uitgangstoestand is een cruciale factor: percelen met vitale hakhoutstoven en een ijle bovenetage bieden de beste voorwaarden voor een duurzaam beheer als hakhout of middelhout. Gunstige omstandigheden hiervoor, met name voldoende licht op de bosbodem, dienen aanwezig te zijn, of op korte termijn realiseerbaar te zijn zonder al te zware kappingen in de bovenetage uit te voeren. Dit laatste kan in sommige bossen immers moeilijk te combineren zijn met de beoogde natuurwaarden. Secundaire argumenten om percelen in hakhoutbeheer te nemen, kunnen verder zijn: de exploitatiemogelijkheden van het perceel, de spreiding van hakhoutpercelen over verschillende bodemtypes (bijvoorbeeld zowel in vallei- als in hellingbos), en de ruimtelijke spreiding en grootte van de houwen. Voor de hierboven al aangehaalde natuurbehoudsdoelstellingen van hakhout en middelhout blijken er grote effectverschillen op de dier- of plantengroepen: vooral voor lichtminnende soortengroepen, zoals voorjaarsbloeiers, bepaalde dagvlinders en vogels, is hakhout een zeer geschikte beheervorm (41). Dit zorgt immers voor een frequente afwisseling van lichte en donkere fasen in het bos, wat in hooghoutsystemen maar zelden voorkomt. Voor bepaalde andere bosgebonden soorten, zoals

houtzwammen, doodhoutkevers en bepaalde vliegenfamilies, zijn oude, gesloten bossen met veel dikke en dode bomen, dan weer ideaal (old growth) (42). Toch zijn ook sommige van deze soorten gebaat bij een hakhoutperceel in de buurt, bijvoorbeeld insecten omwille van de nectar die bloeiende planten leveren. In de ideale situatie, dus in voldoende grote bossen, kunnen om ecologische redenen zowel 'nietsdoen-beheer' of hooghoutbeheer als hakhout- of middelhoutbeheer naast elkaar toegepast worden. Het zijn immers complementaire beheervormen die samen de beste voorwaarden geven voor een natuurgericht bosbeheer. Voor alle bossen waar opnieuw hakhout of middelhout wordt toegepast, is ook een evaluatie van alle aspecten van dit beheer nuttig. Het is bijzonder interessant om de gedocumenteerde ervaringen in de toekomst te bundelen en te evalueren in welke gevallen het opnieuw invoeren van hakhoutcycli winst opleverde voor natuur, voor erfgoed en voor brandhoutvoorziening. Voorbeelden van bossen waar een gelijkaardig afwegingskader recent werd toegepast, zijn Bos t'Ename, Wijnendalebos bij Torhout, het kasteeldomein van Poeke, de Vorte Bossen in Ruiselede en het Meerdaalwoud: in al deze gebieden werden een aantal van bovenstaande principes gehanteerd om te bepalen waar en hoe hakhout- of middelhoutbeheer terug kon worden opgestart, en kan deze beheervorm in de praktijk bekeken worden. Een apart geval zijn extreem oude, individuele, monumentale stoven die vroeger mogelijk als hakhout zijn beheerd zoals in het Speelbos in Weiteren, op de Kruisberg en Klaverberg in Opglabbeek. Door hun hoge ouderdom, genetische waarde en mogelijk andere ontstaansgeschiedenis (ondergestoven eiken) is het beheer van deze stoven individueel en heel voorzichtig te benaderen (43).

Toekomst Hakhoutbeheer werd meestal stopgezet omdat het geen economisch nut meer opleverde: door de gestegen arbeidskost en de verminderde vraag naar kleine sortimenten daalde de financiële haalbaarheid van hakhout. Oplossingen hiervoor kunnen zijn: beter valoriseren van hakhoutproducten en inzetten van vrijwilligers of van particulieren die nog geïnteresseerd zijn in het brandhout omwille van de huidige hoge prijs van fossiele brandstoffen. In Bos t'Ename, de Vorte Bossen en het kasteeldomein van Poeke bijvoorbeeld wordt al 20 jaar gewerkt met een communautair brandhoutverdeelsysteem: op basis van de aanwezigheid van vrijwilligers op werkdagen, krijgt elke vrijwilliger


98F fft&ï

••'•I

tfi'nmM

'«iiBi

f

'Y

M

^

"

Éls5^/ ^

r5»sr

.

,

-" "f%sv

Vrijwilligers voeren hakhoutbeheer uit in het kasteeldomein van Poeke en verdelen het bout (foto K, Vandevorst)

een bepaalde hoeveelheid brandhout toegewezen. Op deze drie locaties lijkt dit systeem te werken. Dit is misschien wel de beste methode om hakhoutbeheer consequent verder te zetten: ervoor zorgen dat het zijn nut behoudt voor de mensen die het uitvoeren. Tegelijk kunnen dan ook alle cultuurhistorische en natuurhistorische relicten bewaard

(3) (4)

blijven, die nauw verbonden zijn met dit type van duurzaam bosbeheer.

Koen Smets is erfgoedonderzoeker landschap bij

(5)

(6)

het agentschap Onroerend Erfgoed. (7)

DEN OUDEN J., MUYS B., MOHREN F. en VERHEYEN K., Bosecologie en Bosbeheer, Leuven/Den Haag, 2010, hfdst. 1 en 24; POSKIN A., Le chêne pédonculé et Ie chéne rouvre. Leur culture en Belgique. in Encyclopédie agronomique et vétérinaire. Gembloux. 1934, p. 136-170: GOBLET dALVlELLA F., Cahiers Forestiers I. Parijs/Brussel, 1947, p. 61-83 e n I 5 2 ' 164. LUST N., Het hakhout, in Groene Band, 19,1975. Beuk is moeilijk als hakhout te behandelen in ons klimaat; in andere streken van Europa kan dit op bepaalde bodems en onder bepaalde omstandigheden wel. COLUMELLA, De Re Rustica, Lihri I-IV. Cambridge/Londen, 1993, Loeb Classical Library 361; VISSER R., Geveld door de Romeinen? Aanwijzingen voor bosbouw in de Romeinse tijd, in Vitruvius, 1 (4), 2008, p. 46-51. LORENTZ M. en PARADE A., Cowrs élémentaire de culture des bois, Nancy, 1837. Beide auteurs waren op hun beurt beïnvloed door de Duitse bosbouwschool. BOER R., Bijdragen tot de kennis der houtteell. Zwolle, 1857, p. 212-214; BUIS J., Historiaforestis: Nederlands bosgeschiedenis, Wageningen, 1985, p. 631.

(8) GOBLET dALVIELLA F., op.rit.:gebruikt in dit tweede geval de term souille, een nogal negatieve benaming voor de kwijnende hakhoutlaag. (i) Met dank aan Paul Van den Bremt, Guido Tack, Koen Himpe, Herman Van den Bossche en Kris Vandekerkhove voor (9) Dit afbouwen van de gebruiksrechten gebeurde niet overal op hetzelfde moment, maar was afhankelijk van de streek het kritisch nalezen van eerdere versies van dit artikel, en en de lokale bosoppervlakte, vraag en aanbod van hout en aan Hans Denis, Kris Vandevorst en Kristine Vander Mijnsandere producten die door het bos geleverd konden worbrugge voor hulp met de figuren. den. In het westen van Vlaanderen (het oude graafschap (2) Dit artikel is hoofdzakelijk gebaseerd op volgende publicaVlaanderen) was er veel vroeger een tekort aan hout, waarties: TACK G., VAN DEN BREMT P. en HERMY M., Bossen van Vlaanderen: een historische ecologie. Leuven, 1993, door de doorgedreven optimalisatie van de houtproductie hier circa 100 jaar vroeger plaatsvond dan in het oosten van vooral p. 93-148, 173-187 en 204-221; BAETE H.. DE BIE Vlaanderen (Brabant en de Kempen). M., HERMY M. en VAN DEN BREMT P., Miradal. Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Leuven, 2009, hfdst. 5 en(1°; O.a. ten gevolge van de publicatie van het boek Bossen van Vlaanderen. 6; ADRIAENSSENS S. en VERHETEN K., Oude bossen van de Antwerpse Kempen, Leuven, 2013: JANSEN P. en KUIPER BECHMANN R., Des arbres et des hommes. Laforêt au moyenL, Hakhout. Suggesties voor het beheer, Wageningen. 2001; dge, Mayenne, 1984, p. 211-214.

Eindnoten

46 I M L


(i2) In de plaats van eik werd hiervoor soms ook een dikke olm (30) (31) gebruikt. (13) Enkele voorbeelden van regionale verschillen; in het Wij- (32) nendalebos in Torhout werd het hakhout in het begin van de 19de eeuw om de elf jaar gekapt voor brandhout, het grote hakhout om de 25 jaar, en de bovenstaanders om de 60 of (33) (34) 100 jaar. De Sint-Sixtusbossen in Poperinge bestonden in het begin van de 19de eeuw bijna volledig uit hakhout, dat (35) (36) om de zeven jaar gekapt werd. In het Houthulstbos werd om de 14 jaar gekapt en in Zonnebeke om de 9 jaar (RADCLIFF T., A report on the agriculture of Eastern and Western Flanders, drawn up al the desire of the Farming Society of Ireland, Londen, 1819, p. 239-244). (14) Graaf Felix Goblet d'Alviella (1884-1957) was Belgisch jurist en privéboseigenaar en had veel ervaring opgedaan in de bosbouw. Hij was voorzitter van de Société Centrale Forestière de Belgique en auteur van het vierdelige werk Histoire (37) des hois etforêts de Belgique. Des origines a la fin du régime autrichien, Parijs/Brussel, 1927-1930. (15) DE POEDERLE M., Manuel de l'arboriste et duforestier helgiques, Brussel, 1772, p. 40. (38) (16) VERBOVEN H., VERHEYEN K. en HERMY M., Bos en hei in het Land van Turnhout {i^de-igde eeuw). Een bijdrage tot de historische ecologie, Leuven, 2004, p. 1. (17) DE POEDERLE M., op. cit., p. 40-41: in Coolhembos in Puurs werden veel brandhoutloten verkocht van 3- en 4-jarig elzenhakhout (SMETS K. e.a.. Bosreservaat Coolhembos. Basisrapport. Situering, standplaats, historiek en onderzoek, Geraardsbergen, 2005, p. 46 en 73-74; JOOSTEN E., Antwoord op de vraag 'Daar de behandeling van het hakhout....', in Verhandelingen uitgegeven door de Maatschappij ter bevordering van de landbouw. 16, Amsterdam, 1821, p. 37. (39) (18) BECHMANN R., op. cit., p. 185. (19) BOEREN I. e.a.. Relicten van houtskoolmeilers in het Zoersel-(40) bos, in MIJ{L, jg. 29, nr. 6, 2010, p. 20-34.

RADCLIFF T., op. cit., p. 247 JOOSTEN E., op. cit., p. 3-4 en 35-37 JANSEN P. en VAN BENTHEM M., Historische boselementen. Geschiedenis, herkenning en beheer, Wageningen, 2005, p. 69. VAN DEN BREMT P. en DE MEIRSMAN R., op. cit. RADCLIFF T., op. cit., p. 247. SMETS K. e. a., op. cit., p. 45. VAN PASSEN R., Bos en hout. Toponymica en appellativa uit het Antwerpse, in Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam, jg. 37, nr. 3-4, 1961, p. 126; BOUWER K., Een notabel domein. De geschiedenis van het Nederrijkswald, Utrecht, 2003, p. 53; MAES B. e.a.. Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik, Amsterdam, 2006, p. 176-177 en 215. VANDEKERKHOVE K., Criteria voor de selectie van bosreservaten in functie van een hetere kadering van de Vlaamse bosreservaten in een Europees netwerk, in Mededelingen van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, nr. 3,1998, p. 38-39. Mededeling van Guido Tack; enerzijds werd er vaak vertrokken van oud hakhout, ingeplant met populier; hier bestond het omvormingsbeheer meestal uit het afzetten van het hakhout, het wegnemen van de (meeste) populieren, en soms het behoud van een aantal jonge spaartelgen, waardoor een opperhoutarm middelhout ontstond. Anderzijds bestond de uitgangssituatie op een aantal locaties, vooral in openbare bossen, uit een naar hooghout omgevormd middelhout, waarbij de bovenstaanders, vooral van eik, sterk uitgegroeid waren. In dat geval was er vaak nog slechts een kwijnende hakhoutlaag aanwezig, en dus nood aan zware kappingen om terug tot middelhout te kunnen komen. VANDEKERKHOVE K., op. cit.. p. 38-39 Vooral de praktijk van strooiselroof werd door de professionele bosbouwers gezien als bijzonder verarmend voor de bodem en de bosbouwkundige productie. Hoewel dit nooit grondig onderzocht is, is er wel een sterke impact op bodemleven en -biodiversiteit te verwachten, en wordt er best voorzichtig met dit soort praktijken omgesprongen. Een beperkte experimentele behandeling kan hier eventueel bijzonder interessant zijn. VAN DEN BREMT P., Bmssds lof: over orchideeën, heide, hos en vergane glorie, in Mcfl. jg. 22, nr. 6, 2003, p. 4-36; GORISSEN D., MERCKX T-, VERCOUTERE B. en MAES D., Veranderd bosgebruik en dagvlinders. Waarom verdwenen dagvlinders uit bossen in Vlaanderen?, in Landschap, jg. 21, nr. 2, 2004. p. 86-87; TACK G. en BLONDE P., Dagvlinders van Bos t'Ename-Volkegembos en Vlaamse Ardennen: recente evolutie in relatie tot het natuurbeheer, in Limoniet, jg. 2, nr.

{20) Woordenboek der Nederlandsche Taal, 1881; Akkermaal: uit Akker en Maal in den verouderden zin van teeken. inzonderheid grensteeken: vanwaar ook maalboom en maalsteen, boom of steen die degrens van een erf aanwijst. Akkermaal (...) beteekent dus eigenlijk akkergrens. De grenzen van erven of landerijen werden oudtijds {waar zij niet door een water, bosch of landweg bepaald waren) door heggen, aardhoogten, slooten. greppels, (41) palen ofsteenen aangewezen. Akkermaal werd meer bijzonder gezegd van de heggen of hagen, die tot afscheiding dienden, en is zoo de benaming geworden van eiken hakhout, in heggen langs de akkers geplant: later ook, bij uitbreiding, van eiken hakhout dat als bosch geplant wordt. Thans is het meest gewoon in de samenst. Akkermaalshout, maar ook het enkele Akkermaal is nog in gebruik gebleven. Akkermaalshout: Eiken hakhout, hetzij in heggen langs de akkers, hetzij als bosch; dat gewoonlijk om de 1/2, 2 0 0 9 , p. 2-21. negen, tien of elf jaren geveld wordt, en daarna geschild om den (42) Een goed overzicht en bespreking van de literatuur terzake bast (eek genaamd) als looistof te gebruiken. vindt men in VANDEKERKHOVE K. e.a.. Reappearance of De bloeitijd van de akkermaalsbossen situeerde zich tussen old-growth elements in lowland woodlands in northern Belgium: 1840 en 1880. Do the associated species follow? in Silva Fennica, jg. 45, nr. 5, 2011, p. 909-935. (21) DE POEDERLE M., op. cit.. p. 41. (43) BASTIAENS J. e.a.. Eikenerfgoed in Nederland en Vlaanderen. (22) ADRIAENSSENS S. en VERHEYEN K., op. cit, p. 179. (23) DECKER M, La tannerie et les tailles a écorces dans Ie canton Eikenbossen en eikenstoven in heden, verleden en toekomst, in Historisch-geografisch Tijdschrift, jg. 28. nr. 4, 2010, p. 115de Wiltz (Luxembourg), in Pares Nationaux, jg. 41, nr . 2, 139; VANDER MIJNSBRUGGE K.. MISSOORTEN M., 1986, p. 76. HUBRECHTS E. en BEECKMAN H., Eikenhakhout op land(24) DE POEDERLE M., op. cit., p. 41; VANDERVELDE, E., duinen, in Bosrevue, 39, 2012, p. 13-16. L'Exode rural et Ie retour au champs, Parijs, 1903, p. 61; JOOSTEN E., op. cit.. p. 17-20; DECKER M., op. cit., p. 71. (25) De gelanden of aangelanden zijn de belendende eigenaars of buren in landbezit. (26) KÜMMER U.-N., Essoi sur les travaux defascinages et de la construction des digues, ou description du réendiguement des polders du Bas Escaut beige; precede d'une notice historique sur ces polders, Brussel, 1849, pi. VIII-XIII; VAN DRIESSCHE T., Het Zand en Hingenebroek. De omgeving van de Notelaer, in BUIJS [. en BERGMANS A., Een belvedère aan de Schelde. Paviljoen De Notelaer in Hingene (ijgz-iygy) ( Relicta Monografieën. 5), 2010, p. 77; VAN DEN BREMT P. en DE MEIRSMAN R., De Stroopers in het vizier! (2), in voorbereiding. (27) RADCLIFF T., op. cit., p. 247. (28) SMETS K. e. a., op. cit., p. 45 en 75. De verhoogd liggende beboste stroken tussen de grachten worden hier dammen genoemd. (29) Ibidem, p. 36.


De Balegemse land bouwstokerij van Damme, hoeder van industriee en culinair erfgoed Eric Van Schoonenberghe

De Balegemse landbouwstokerij Van Damme werd in 1864 opgericht. Het is de enige nog werkende landbouwstokerij in de Lage Landen waar de boer met eigen geteeld graan jenever aanmaakt en met het residu ervan, de spoeling, zijn runderen voedert. De runderen produceren op hun beurt mest die op de akkers wordt gebruikt. De stokerij, de bijhorende vierkantshoeve, de kasseiweg naar de hoeve en de boomgaard werden in 2010 als m o n u m e n t beschermd. De Balegemse jenever wordt nog steeds gestookt volgens een igde-eeuws recept met grotendeels igde-eeuwse apparatuur. De smaak ervan is uniek en de Balegemse jenever werd in 2008 door Europa als een geografische aanduiding beschermd.

De binnenkeer van de jeneverstokerij Van Damme in

Balegem (foto O. Pauwels}

48 I M

L


Jenever, erfgoed met een eeuwenoude traditie Het medicine rike van Jacob van Maerlant Tussen 1230 en 1245 schreef de Brabantse franciscaan Thomas van Bellingen uit Sint-PietersLeeuw zijn Liher de natura rerum waarin hij de wetenschappelijke kennis van zijn tijd samenvatte (1). Thomas was toen kanunnik in het klooster van Cantimpré nabij Kamerrijk waaraan hij zijn naam Thomas van Cantimpré ontleende. Zijn natuurencyclopedie werd meerdere malen gekopieerd en tussen 1266-1269 door Jacob van Maerlant in het Nederlands bewerkt en berijmd onder de titel Der Naturen Bloeme {2). In het hoofdstuk over de bomen beschrijft Jacob de eigenschappen van Juniperus, de jeneverboom. Zo zijn jeneverbessen in wijn gekookt goed om lancevel (buikkrampen) tegen te gaan. Deze medicinale wijn kunnen we gerust beschouwen als de verre voorloper van onze huidige jenever. Opvallend is ook dat er in Der Naturen Bloeme slechts eenmaal sprake is van distilleren en wonderwel betreft het de distillatie van jeneverhout. Het is een distillatio per descensum: twee potten worden met hunnen mont in elkaar geschoven en aan elkaar gekit met bloem of het wit van eieren zoals toen gebruikelijk was. De onderste pot werd in de grond gegraven en onder de bovenste pot gevuld met jeneverhout werd vuur gemaakt. De etherische olie verdampte en condenseerde in de onderste pot. Deze olie kon gebruikt worden tegen de meest uiteenlopende ziekten. Jacob noemde deze olie dan ook een medicine rike. Dat sterke geloof in de geneeskundige krachten van jeneverbes en jeneverhout komt meermaals tot uiting in verschillende Middelnederlandse manuscripten (3). Sommige ervan hebben onder meer te maken met de bestrijding van de pest (4).

4 ) icinf uuir uS mcattfnt talie t b tf ftttmtcudn «ia» $ Icgfrntclcum mcr b« JH a«? ou Rfh fotttr tan amfc ftm Imi?ftfftyriw mttötp firti> ut ti guatt fun udt hom Mms toennmf ttöttitn 'O igitnmtncMUmttfai fU «ftmrtggiif non* ittuHwrhwr a^ en bmJt ent' xovcttn (her ^ n«nlagfthtminfalttmtir l) cHiffcn fuif Mtttt % un luirtt tap «rnnimcluttn £ s nurtt iwftiès fhTmrot htai , O cc f11reWr fftp niet quott i> curimrtt Otf möoffim gtur \<G iiUnius it uftanf roet 1 ê iiicfimiruOuuintnurgctr (<6 «ïmcralopfahut •f» dfiuffc fit met gittighwart ~ agiis m mt 1* itfaljf tf« t Imn öjcinai leef lortit mt itrudir re fettt in if mout 1 Jll ACT qimct ttr Irrft m dlrr ftotit. j ip ti gixm olie nes fo datre ^> U Irtci- iet ut I/nnptf tirtiT 5>mi Otmit UÜII Itrtmt fluet § tml»iireslvinTtfIioiiUtqiidet ^ odtta'etnttihttioenucttlftnt ^) ctt tam tmft ut mcnfrii lant. T tsmm rt ai8 vfiaBrtis fegtcr i ^mmicnPeffririrlttfplegf^ l lonii tti mittciermt fdiaefaf Ci> te cWt OiHjwft utit «adittn Jll f maettcr meit tud nmi br.mr jn ftmmjfyfc met atfuittclwnt

(? nkgijfctacr oitbcSt Cal reefcn ^> dtt'bUuct ent blmttuü celen <f febt bteitmetaïlutt «© beftanrptnricstntötetnt J c^imftuwcntti uglfgalen ) it fum« tfrncnfth-Ittaltn : f dien fnwrftn ai eWtn Urf ! tiwtiimarwliijsfffrtaf Tb d gtruwcu? met naennf Tbuie <6 8 entftatrfttmtDumt 3> aer h n t te btobat firn V attcfdtMlwuift-algtóon' § onörftnitrljnttgftmant Jr r i) onwntttnnmoucj'lane 3> it tuwt es gtcöitmhm goct j&tcn öicmdatttJW. umpnr* dus nmtt icgtcm §> uut m ittefen ötc tairib W. <F n otc ts ons gteiattmt •J> at cm ccd uiers fiaer Outrr 4>atmgmct (mm afdin tut 3 Ifo aispUit'nwt Tb OUc imettTuiftetn ih eet ctt dvogbtudmmitevai ij der icen reu^tcriitti-natutt ) nttniUc cti tttctoi bumtmt cjtim bi^t cud «5 tóm § o fabttê imttmt faati J iitwtlöm'CttiiHtentfeen 2> ttnut lantcud es ituam •^ t ö t ttncacr m i t m t •f ts gttt t^fjn fmtpuit Ö anttfmtouttmacdnimtit 43 Utudgvoxtmcegijaitisie FcttfanicagitOtxgitc'axtm n ött tStit tJiouruan £dm at fetmf mm pot^thcd

4

In Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant wordt voor het eerst in het Nederlands een distillatieproces beschreven. Het betreft de distillatie van jeneverhout, een medicinale wijn tegen lancevel (buikpijn), voorloper van onze huidige jenever {Universiteitsbibliotheek Leiden, hs. BPL. 14A, f. 115 v en f. 116 r, ca. 1266).

MSiL I 49


Aqua vite, dots water des levens:

Met de rook van brandend jeneverhout werden ruimten ontsmet waarin pestlijders hadden verbleven, een remedie die in 1554 nog door Dodoens in zijn Cruiydeboeck wordt aanbevolen (5). In Den herbarius in dyetsche, het eerste in het Nederlands geschreven boek over planten dat in 1484 bij Jan Veldener in Leuven werd uitgegeven, wordt het baden in regenwater waarin jeneverbessen zijn gekookt, aangeraden om huidziekten en darmaandoeningen te genezen (6). Dat geloof in de genezende kracht van de jeneverbessen en jeneverhout, alsook het feit dat de jeneverstruik (Juniperus communis) aanwezig was op onze zanderige streken, liggen mede aan de basis van de ontwikkeling van jenever tot dé gedistilleerde drank van de Lage Landen.

de oudst gekende publicatie in het Nederlands over de bereiding van alcohol (Koninklijke Bibliotheek Brussel, hs. 15624 • 15641, f. 6 v, 1351)

tt f f e f t ^ - d t r . IM** g o o r r t ^ t ^ f t r v « « j r « ÓSC lipC'taïhcrfló»»-«•"««BS'w*pf!!»« • » » « :

*c/Min»**. ^r«ie«E «f'>»ra»nti« •»? fiknd (tfé* to«I-wGS'•(!5»•«r£4fe'^>*, t e t c ^ au-»»iFV«ié''VÏ ^ /]0ine-ó!&af fctS. rA^firtjtc ö f I ^ - H W C - * H SCHC: ftfiï * * 2 " l<T«> * n Ctottmc W/WW V k x t f e ^ ? * ^ * » ^

»recpfic(Vi»^-»H t»i£<rfeVi-t ^tfkr-eê' norav rfia-'-aï loei iUaae (\i>ff cSTSOn «üpUcr bat-^MiV^ * « « • M'-»»*-fc!^^-(KT fttft-tAn«rtt Ü© ^tt(Vtr(i&i fncauZofi—

i i r t r - H ö r f t e f i ^ * i tfio-'cvf « " d - t o - ^

- b f ^ a ^ > & » H M^C f4Atc'\iS't«-cc iMcr

»t» j n i ê u E a f t ' - * « - - » . • £ « & « « : «S t v ^ t f » 6ut • j J ^ w T ' M u t - « c K H t - » ( t e i n » ' - e f l " ^ s f i ^ - b é etiS ^ v - C G A ^ Svïfi£'^HSK ft*«^i

<3r **«1> plf l^uï. I^cr* aoec-«gé al ge

I f ^ t f « r « r - t » ffirt|( e r e t o e ^ e ü U c ^ r f c u F < Ü & « * & : • £ ! ' C ^ L ^ t - Ê o u Z a C i H 11 gt>CC- re « 1 £ n £ ^ M S l - H<J*^Ctr- CöuS flUB - m ^ t ^ ^ c - l U a c ^ U * ^ e ^ w i i ^ Att-cAMit (»c£r

£Mc&

f i t t t o r - «ja»-' E « « oer-opeer- «ne-

mV •««?• 4&0 •»>u»l^«x« Mu Jttr& ««xt^-i.w<»i>c& a f • *•

9e»"6^''«**'»^*-*«'( ï t u *^ « f e a » e - « • j j o c t - e n t,-wiacrf*-«wjÈTw^-' jwtc-dtV? iet»-*'fcocS'fluwi-IJ*«««oPfU^to ^»^*-c« HifAtrfV » t i r - ^ i AréC - ffïT

-»MAtrf- t » u E Aflo* fc-v»t^c ^OAC Qh*ajt— t>^ qp»Mn«i-e-«U*-8^«iJtE t i c . . p ? • « • 4 a * ' MT-CMT (iSe^f C o o f ^ a» tt»an?Vc AJA C»«>I ÓT jVftMtef- l > £ c ^ ^ O A C « p £ e p a r «uAT »

v«ftH «.arè. erf (ofr^ T sctriSaU; Vic ^ n ü •na t ö a f è i S A m r - e»AW8 S ^ i . t ^ f c M - a f i ! ' .i-i«4f o f ^ • <s5> W ^ * £ iw-"«««^-Mt * « *

Van oquo vitae en medicinale wateren In 1351 kopieerde Johannes de Altre het "aqua vite, dats water des levens of levende water" (7). Dat was drie jaar na het uitbreken van de pest in de Nederlanden toen er rusteloos naar nieuwe geneesmiddelen werd gezocht. Het is het oudst bekende, in het Nederlands geschreven manuscript over de bereiding en de bijzondere eigenschappen van aqua vitae. Het aqua vitae werd als volgt bereid: "Aqua vite, dats water des levens of levende water ende dat maect men aldus Nemt enen pot die houdt IX stopen, beneden wijt ende boven nauwe ende doeten al vol wijns van den besten datmen vint van serjans ende doet boven den pot .1. alembijt dat wel gemaect es na den mont vanden potte ende stopt wel tusscen den pot enden mont crage des alembijts met bloemen ende met witten van den eye ende geplaestert met linen cledren ende set den pot op tfier ende latei altoes sleden ende dan ontfaet dat water dat daer uut loept" De pot of stookketeltje had een inhoud van negen stopen of ongeveer twintig liter en werd gevuld met wijn uit serjans. Dat is Saint-Jean-d'Angély, een dorp in de buurt van de stad Cognac. Het was een van de betere wijnen die toen verkrijgbaar was (8). Hierna werd de alembijt of helm op de pot vast gekit en bedekt met linen cledren of een linnen doek, die nat werd gemaakt om de condensatie van de dampen te bevorderen. Het manuscript vermeldt dat het distillaat vier- tot vijfmaal werd gedistilleerd totdat het genoeg was. Dat werd gecontroleerd met de brand- of olieproef: een stukje linnen in het distillaat gedrenkt moest bij een brandende kaars gehouden vuur vatten en olie op het distillaat gegoten diende te zinken. Het wijndistillaat bleek verder in staat het bederf van voedingsmiddelen tegen te gaan. Het moest volgens de middeleeuwers dan ook in staat zijn ziekten, een vorm van bederf, tegen te gaan en het leven te verlengen. Vandaar de naam aqua vitae of levend water. De geneeskrachtige werking van het aqua vitae kon nog versterkt worden door er allerlei kruiden, bessen, zaden en wortelen in te laten trekken. Dat gaf aanleiding tot de bereiding van de zogenaamde medicinale wateren zoals het jeneverbessenwater.

(b *nog*>1 file 1|3''HOtC,'«i*««{HM£ CïT^J^f ï ^

fieAfl*-0»«ï"itf0a^i4ftt

&*&••»« «•4***'

l>arp ec&Qocr- t€&S cv^unuc .>^c en

50

IM

L

S ^

'S» etCynüi^ . f Aèn-Cyr- f!> 'Htt'alMAnSK' «MAmcvf ( V f ^ u i f - j l m & e & v e M - a f - m a

Van aqua vitae naar brandewijn Dat aqua vitae kreeg nog een andere bijzondere eigenschap toebedeeld bij Johannes de Altre: "het doet oec den mensche droefheit vergeten ende maecten van hertten vro ende oec stout ende come". Het zijn deze euforieverwekkende eigenschappen die maken dat het geneesmiddel aqua vitae vrij vlug


overgaat in een genotmiddel, brandewijn genaamd. Dat kan afgeleid worden uit eind i5de-eeuwse recepten om gebranden wijn te maken (9). Die recepten lijken sterk op het recept van Johannes de Altre met dat verschil dat aan de helm een koelslang is verbonden die in een met koud water gevulde koelton is gedompeld. In een van de recepten wordt wijn vermengd met homborgh byr, dit wil zeggen bier uit Hamburg, het beste bier dat in die tijd verkrijgbaar was. Naast de titel van deze recepten werd in de marge de aqua vina geschreven. De recepten staan evenwel niet meer bij de geneeskundige recepten maar bij de keukenrecepten wat toelaat te veronderstellen dat brandewijn een genotmiddel is geworden. Dat blijkt ook uit de accijnzen die de stad Amsterdam in 1497 instelde op de invoer, de productie en de verkoop van brandewijn (10). De Amsterdamse primeur werd door de meeste andere steden gevolgd. In Antwerpen en Gent gebeurde dat respectievelijk in 1541 en in 1568. De alambiek van Philippus Hermanni In 1552 verscheen in Antwerpen het succesvolle Een constelijck distileerboec van de Antwerpse arts Philippus Hermanni (n). Er volgden verscheidene herdrukken en na de scheiding der Nederlanden in 1585 werd het boek ook meermaals in Amsterdam uitgegeven. Het boek bevat het oudste gedrukte recept om jeneverbessenwater te maken. Het is een treksel van gekneusde jeneverbessen in aqua vitae dat daarna wordt gedistilleerd. Het grote succes van het boek had echter te maken met het hoofdstuk over "Die maniere hoemen den Ghehranden wijn maken sal metten onderwijsingen der Instrumenten diemen daertoe hebben ofbesighen moet". Hierin beschreef

i i £>ic maniereftocineiiDen <ahcbjiinöcntatinnialini fal mrttm onDcr» icgfingcnticr ^nfinimtntf bifmr bac» toe i;f bben oft brfigfytn moet.

Philippus de constructie van de alambiek en hoe er diende gestookt te worden. De koperen ketel werd opgehangen in een gemetste oven zodanig dat de hete lucht bekomen door de verbranding van kolen of turf, de ketel niet alleen onderaan maar ook zijdelings kon opwarmen. Hierdoor kon met een minimum aan brandstof een maximum aan verwarmingsrendement worden bekomen. De kolen of de turf lagen op een rooster waaronder regelbare luchtgaten waren aangebracht en waardoor de intensiteit van de verbranding kon geregeld worden. Dat was voor Philippus heel belangrijk omdat goede brandewijn enkel te verkrijgen was door "met cleynder hitten te disteleren". De helm werd met behulp van natgemaakte tarwebloem of het wit van eieren op de met wijn gevulde ketel gekit. Aan deze helm die bol- of kegelvormig kon zijn, werd een spiraalvormige koelslang gehecht die in een houten, met water gevulde koelton was gedompeld. Philippus hechtte ook veel belang aan deze koeling en stelde dat een ketel van twee aam (een Antwerpse aam is 137,4 liter) een koelton nodig had van acht tot negen amen. Het distillaat werd opgevangen in een glas. De sterkte van het distillaat werd door proeven bepaald. Enkel het sterkste deel werd opgevangen en gaf de allerbeste brandewijn. De rest werd samen met de rest van een vorige distillatie nogmaals gedistilleerd en gaf de minder goede brandewijn.

Van brandewijn naar korenbrandewijn en jenever In zijn boek verzet Philippus zich tegen distilleren van andere alcoholische dranken dan wijn. Door het verdwijnen van de wijngaarden ten gevolge van verschillende koudegolven en misoogsten, begonnen de stokers immers ook andere alcoholische dranken zoals mede, cider en vooral bier te distilleren. Deze evolutie zette de stokers er uiteindelijk toe aan zelf een graanbeslag aan te maken, dit te versuikeren, te vergisten en te distilleren. Het distillaat werd korenbrandewijn of moutwijn genoemd. Deze korenbrandewijn werd een echt succes en slokte heel wat graan op. Zo erg dat de aartshertogen Albrecht en Isabella in 1601 een plakkaat uitvaardigden waarbij het stoken en het verkopen van korenbrandewijn in de Spaanse Nederlanden verboden werden. De overheid maakte zich immers zorgen over het overmatige gebruik van deze drank die heel wat overlast opleverde. Bovendien achtte ze de korenbrandewijn schadelijk voor de gezondheid en vond ze dat granen moesten dienen voor het bakken van brood. Dat verbod werd niet strikt nageleefd en het plakkaat moest tijdens de 17de eeuw steeds opnieuw worden gepubliceerd.

Een constelijck distileerboec van Philippus Hermanni werd gedrukt in Antwerpen in 1552 en meermaals herdrukt. Het bevat een hoofdstuk over de productie van brandewijn dat twee eeuwen lang de stokers inspireerde

In de Verenigde Provinciën daarentegen werd het stoken van korenbrandewijn toegelaten behalve in perioden van graanschaarste. In 1606 werd er naast

M&L I 51


Plakkaat van 20 maart 1601 van

ORDONNANTIE ende

de aartshertogen Albrecht en Isabella met het verbod op het stoken van brandewijn en medicinale wateren uit granen (Universiteitsbibliotheek Gent)

PLACCAET

VANDE E E R Ï Z H E R T O G H E N TEGEN d'abuiylcndiCTgefchiedenin fommigeplactfen, end« Landen van hervvtrtloujer,deui dé om matigen drack cndellecevand*Ghtbrand«-vvynen,anderfinsgtheeté Lenende-vvacercn^nde ander gelytke diib 1 laticn.

>T BRVESSEL, By Ru tgeert Vdpins, Boeck-vcrcooper ende Dm cker vanden Houe, inden gulden Arent by t'Hoft", 1 6 0 1 . MctPnuiIcgit. St^ni

Op 16 april 1610 neemt Sampson

ff-*?

van Horne in Hasselt de accijns op brandewijn en wachtelwater

(^i,.

^,-—

Strtton

trKr^'L-S

^r*

.">*>-, (Vt-.

^'' ^ -x^-Ve^^n^i—

(jenever) in pacht (Rijksarchief Hasselt, Stadsrekeningen van Hasselt)

Brandewijnfles uit de 17de eeuw. De familie Bols uit de Antwerpse Kempen vluchtte tijdens de godsdienstoorlogen en begon in 1575 een likeurstokerij in Amsterdam (jenevermuseum SchiedamJ

brandewijn uit wijn ook een accijns gelegd op korenbrandewijn en op anijs-, venkel- en jeneverbessenwater (12). Deze medicinale wateren werden immers niet langer meer als geneesmiddel maar als een genotmiddel gebruikt. Ook in Hasselt, dat niet tot de Spaanse Nederlanden maar tot het Prinsbisdom Luik behoorde, mocht er korenbrandewijn gestookt worden en werd er in 1610 ook een accijns op wachtelwater (jenever) ingesteld (13). Wanneer Hasselt van 1675 toi ^ ^ ( i o o r e e n Hollands garnizoen werd bezet, steeg het jeneververbruik fors en gingen de lokale stokers zich de verfijnde Hollandse methode van aromatiseren en distilleren toe-eigenen (14). Dat verklaart onder meer het huidige smaakverschil tussen de Oost-Vlaamse en Hasseltse jenever. Vlaamse stokers zwermen uit Vele stokers uit de Zuidelijke Nederlanden hadden reeds ten tijde van het schrikbewind van de Spaanse hertog van Alva het land verlaten. Door het stook-

52 I fvl L

verbod van de aartshertogen weken nog eens heel wat stokers uit. Ze gingen aan de slag in Londen waar ze brandy en later gin produceerden (15) en in de Franse geuzenstad La Roebelle en in de stad Cognac waar ze brandevin stookten (16). De meeste stokers weken echter uit naar de Duitse regio's die aan de Lage Landen grensden (17). Sommigen bleven er en stookten er Kombranntwein en Genever. Anderen trokken verder naar de de Verenigde Provinciën. Dat was onder meer het geval met de familie Bols uit de Antwerpse Kempen die via het dorpje Brauweiler nabij Keulen in Amsterdam terecht kwam. Daar startte de familie in 1575 een kleine stokerij op die onder Lucas Bols uitgroeide tot een wereldspeler. Lucas was ook een grootaandeelhouder van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Mede hierdoor werd jenever wereldwijd verspreid en de op de terugreis meegebrachte kruiden en specerijen werden gebruikt bij de aanmaak van jenever en likeuren.


Hollandse en Vlaamse graanjenever Tijdens de 17de en de iSdeeeuw werd de productie van korenbrandewijn en graanjenever in de Lage Landen geoptimaliseerd waarbij de stad Schiedam de toon aangaf. De korenbrandewijn, meestal moutwijn genoemd, werd er in bijna identieke branderijen aangemaakt (18). Het vergiste graanbeslag werd driemaal gedistilleerd waarbij de stokers moutwijn bekwamen van 46 % vol alcohol. In de distilleerden jen werd deze moutwijn voorzien van gekneusde jeneverbessen en andere specerijen en kruiden. Na een maceratie die twee dagen in beslag nam, werd er een vierde maal gedistilleerd. De moutwijn en de jenever werden via de haven van Rotterdam uitgevoerd en hadden wereldwijd de status die whisky nu heeft. In de 18de eeuw lieten de Oostenrijkse Habsburgers het stoken van korenbrandewijn in de Oostenrijkse Nederlanden opnieuw toe (19). Meer zelfs, het stoken werd aangemoedigd. Het was de overheid hierbij niet zozeer te doen om de korenbrandewijn dan wel om de spoeling. Bij de eerste distillatie worden de vluchtige stoffen, het flegma, gescheiden van de niet-vluchtige componenten, de spoeling. Hierna volgt de distillatie van het flegma waarbij de voor- en de naloop van de middenloop of moutwijn worden gescheiden. De spoeling bevat kaf, restjes bloem en gist. Deze eiwit- en vezelrijke spoeling was een waardevol veevoeder waardoor de dieren tijdens de wintermaanden op stal konden worden gehouden en de melk- en vleesbevoorrading werd gegarandeerd. Met de stikstof- en fosforrijke mest van deze dieren en de kaliumrijke as uit de stookfornuizen werden onvruchtbare landbouwgronden vruchtbaar gemaakt. Een bijkomend voordeel was ook dat de boeren hun knechten tijdens de kalme wintermaanden aan het werk konden houden. De kwaliteit van de Vlaamse jenever was echter ondermaats. Dat had te maken met de wijze van de accijnsinning. In tegenstelling tot Holland waar de accijns op het eindproduct werd bepaald, betaalden de stokers in het graafschap Vlaanderen een eenmalige jaarlijkse accijns berekend op basis van de grootte van de alambiek. Hoe meer er werd gestookt, hoe minder de accijns op de eindprijs van de jenever doorwoog. De versuikering van het zetmeel en de gisting werden ingekort waardoor er minder alcohol werd bekomen. Verder werd er zeer vlug en met een heet vuur gestookt waardoor het flegma een brandsmaak verkreeg. Dat flegma werd nogmaals gedistilleerd (gerectificeerd) waarbij de voor- en naloop van de middenloop of moutwijn niet sterk werden gescheiden. In de meeste gevallen werd er geen gebruik gemaakt van jeneverbessen ofschoon het distillaat jenever werd genoemd. In 1795 telde de stad Gent 23 stokerijen waarvan er

slechts twee jeneverbessen gebruikten (20). Dergelijke jenever kon in het buitenland niet concurreren met de Hollandse jenever. Om dit te verhelpen richtte de overheid in Waasten een modelstokerij op waar Schiedamse stokers volgens de Hollandse methode jenever aanmaakten en waar Vlaamse stokers deze wijze van stoken konden aanleren (21). De jenever volgens de Hollandse methode bereid genoot van een accijnsreductie en de voor uitvoer bestemde jenever werd accijnsvrij en kreeg een uitvoerpremie. Dat leidde tot de oprichting van enkele grotere stokerijen. Tijdens de Franse periode werden de voordelen afgeschaft (22).

Een jeneverstokerij uit de 18de eeuw, opstelling in het Museum Van Thorenburg-Mestdagh (uit Constant van Thorenburgs' Histoire du commerce des vms d Gand uit 1904)

Landbouwstokerijen en industriële stokerijen Ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tussen 1814 en 1830 werd de accijns op het eindproduct bepaald en begonnen onze grotere stokerijen op zijn Hollands te stoken. Na de onafhankelijkheid van België verbood het Voorlopig Bewind de import van de populaire Hollandse jenever en werd de accijns op alcohol verlaagd. Hierdoor steeg het aantal stokerijen van 599 in 1831 tot 1092 in 1835 (23). De nieuwe stokerijen waren voornamelijk kleinschalige stokerijen op boerderijen gevestigd. De grotere stokerijen maakten vanaf 1828 meer en meer gebruik van stoomketels, stoommachines en stookkolommen (24). Dat was onder meer te danken aan de oprichting van de bietsuikerfabrieken en hun melassestokerijen die gebruik maakten van de nieuwste vindingen van de eerste industriële revolutie. Tijdens de Continentale Blokkade vanaf 1806 kon geen rietsuiker meer worden ingevoerd. Op bevel van Napoleon dienden de boeren suikerbieten aan te planten. Tijdens de eerste productiejaren werd de bietsuiker onder meer in alcohol uitgekristalliseerd. De hierbij bevuilde alcohol werd

M&L

53


De intellectuele eigendom van de uitvinding van Cellier-Blumenthal werd betwist en moe van vele gerechtszaken kwam Cellier-Blumenthal in 1820 in Koekelberg wonen. Daar ontwikkelde hij een stookkolom met schotels voorzien van klokken geschikt om dikke graanbeslagen te distilleren. De eerste stookinstallatie in ons land installeerde hij in 1828 in de stokerij Doorns te Lessen (26). Vele industriële stokerijen volgden en konden door het gebruik van de goedkope melasse en het invoeren van stookketels, stoommachines en de continu werkende, energie- en mankrachtzuinige stookkolom goedkope alcohol op de markt brengen. De kleine stokerijen die nog op de klassieke manier werkten, kregen het moeilijk en toen de accijns op alcohol na 1835 verdrievoudigde, hielden heel wat kleine stokerijen het dan ook voor bekeken. De overheid zag deze evolutie met lede ogen aan. Om de landbouw te beschermen werd met de Loi du ij juin 1842 sur les distilleries aan de landbouwstokers een accijnsreductie van 15 % toegekend en dat onder drie voorwaarden:

Continu werkende stookkolom van Cellier-Blumenthal bekend onder de naam la colonne beige (Rijksarchief Brussel. Brevet n" 2019, 30 aout 1841)

In 1885 bezat de stokerij Meeus in Wijnegem, toen de grootste stokerij van Europa, elf dergelijke stookkolommen (privècollectie K. Wouters, Wijnegem)

54 I M iL

door distillatie terug gezuiverd wat tijd, energie en mankracht vergde. Dat leidde in 1813 tot de uitvinding van de continu werkende, energie- en mankrachtzuinige stookkolom door de Fransman Cellier-Blumenthal (25). Deze verticale kolom bestond uit verschillende geperforeerde schotels. De wijn stroomde naar beneden en doorliep de verschillende schotels. Onderaan de kolom werd er stoom ingeblazen die bij het opstijgen de vluchtige componenten naar de koelslang transporteerde. De damp liep eerst door de bovenste warmtewisselaar gevuld met de nog te distilleren wijn die hierbij werd opgewarmd en vervolgens door de onderste warmtewisselaar gekoeld met stromend water.

- ze mochten slechts één alambiek kleiner dan 5 hectoliter bezitten waarmee gedistilleerd en gerectificeerd kon worden, - per 1,5 hectoliter inhoud van de week-, beslag- en gistkuipen (en andere kuipen die een beslag in gisting of een reeds vergist beslag konden bevatten, de alambiek niet meegerekend) dienden ze tijdens de stookwerkzaamheden één rund te voederen, - per 1,5 hectoliter inhoud van de hierboven vermelde vaten moesten ze binnen een straal van 5 kilometer één hectare land bewerken. Het jaar na de invoering van deze wet telde België 282 industriële stokerijen en 455 landbouwstokerijen. De wet kon echter een verdere daling van het aantal stokerijen niet tegengaan. In 1913 telde ons land nog 96 industriële stokerijen en 24 landbouwstokerijen. Ondanks de daling van het aantal stokerijen nam de alcoholproductie toe. Dat had onder meer te maken met de enorme jeneverconsumptie die rond het jaar 1870 piekte. In dat jaar lag de jaarlijkse jeneverconsumptie rond 13,2 liter aan 50 % vol per inwoner en per jaar en in Nederland was de consumptie in 1877 tot 9,97 liter opgelopen. Nadien daalde de alcoholconsumptie door verschillende accijnsverhogingen en antialcoholcampagnes. De alcoholproductie bleef echter nagenoeg constant door de productie van goedkope spiritus (alcohol van 85 a 90 % vol) uit suikerbieten, suikerbietmelasse en ingevoerde maïs. Deze spiritus werd vooreerst als universeel oplos- en extractiemiddel gebruikt in de chemische, farmaceutische en parfumindustrie. Spiritus was de voorloper van petroleum en werd tijdens het laatste decennium van de 19de eeuw aangewend voor de


verwarming van huishoudtoestellen, voor de binnenhuis- en straatverlichting en de aandrijving van motoren (27). Vieux système Tijdens de twee laatste decennia van de 19de eeuw zien we dat er meer en meer industriële stokerijen de smaakloze spiritus gebruiken om jenever aan te maken. Daartoe werd de spiritus tot de gewenste verkoopsconcentratie verdund en gearomatiseerd met extracten of distillaten van jeneverbessen, specerijen en kruiden. Tegen het einde van de 19de eeuw nam ook in Nederland het gebruik van de goedkope spiritus bij de bereiding van jenever toe.

De Schiedamse branders en distillateurs gingen in het verzet en voorzagen hun flessen van het Schiedamse echtheidszegel. Dat betekende dat hun jenever met de klassieke moutwijn, geproduceerd in alambieken, was aangemaakt (28). Ook de Belgische landbouwstokers gingen in het verweer. Op hun flesetiketten en affiches werd vieux système afgedrukt wat betekende dat hun jenever niet met spiritus maar met moutwijn was aangemaakt. Een dalende jeneverconsumptie Door de anti-alcoholpropaganda en de opeenvolgende accijnsverhogingen kennen we vanaf de laatste twee decennia van de 19de eeuw tot 1913 een dalende jeneverconsumptie. Die daling werd deels goedgemaakt door de productie van likeuren die de stokers als gezondheid bevorderend aanprezen en een nieuwe consumentengroep, de vrouwen, aansprak. De productie van industriële alcohol bleef nagenoeg constant. Om de jenever betaalbaar te houden daalde de gemiddelde alcoholgraad van 50 % vol tot 40 % vol. Toch daalde het aantal stokerijen. Door de massale import van graan begonnen de boeren zich steeds meer op vetmesterij toe te leggen wat de prijs van vlees deed dalen en ook deed de productie van kunstmest de prijs van stalmest ineenstorten. In 1913 telde ons land nog 24 landbouwstokerijen en 96 industriële stokerijen (29). De Eerste Wereldoorlog was rampzalig voor onze stokers. De Duitse bezetter nam de koperen installaties in beslag en door de geringe beschikbaarheid en de hoge kostprijs van jenever was de consumptie in 1919 gedaald tot 0,56 liter per inwoner en per jaar. De werkelijke consumptie moet echter veel hoger zijn geweest want in dat jaar werden er 789 clandestiene stokerijen opgerold (30). Datzelfde jaar werd de Wet Vandervelde gestemd. Hierbij werd het schenken van sterke dranken in cafés en andere publiek toegankelijke plaatsen verboden en mocht gedistilleerd enkel per 2 liter verkocht worden wat buiten het bereik van de arbeiders kwam te liggen. Ondanks deze maatregel steeg de consumptie van jenever die meer en meer met melassealcohol werd aangemaakt en aan 30 % vol werd verkocht. In 1930 steeg de consumptie tot 3,18 liter per inwoner en per jaar om daarna wegens de crisisjaren verder te dalen. Het jaar na de Tweede Wereldoorlog bedroeg de consumptie nog 0,91 liter. In Nederland voerde de overheid na 1945 de begrippen jonge en oude jenever in. Jonge jenever mag maximaal 15 % moutwijn bevatten terwijl oude jenever minimum 15 % moutwijn moet bevatten. Vandaag drinkt de gemiddelde Belg of Nederlander ongeveer 2,8 liter gedistilleerd berekend aan 50 % vol. In België drinken we het meest whisky gevolgd door jenever, de Nederlanders drinken het meest

Affiche van de stokerij Theunissen uit circa 1900. Stokers die bij de aanmaak van jenever enkel moutwijn en geen spiritus gebruikten benadrukten dat ze volgens het vieux système werkten (Jenevermuseum, Hasseltj

De likeurdrinksters door Gustave Van de Woestijne: door accijnsverhogingen en de antialcoholpropaganda daalde de jeneverconsumptie. Likeuren zouden de gezondheid bevorderen en ook de vrouwen als nieuw publiek aantrekken (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten AntwerpenJ

55


jonge jenever gevolgd door whisky. De laatste jaren kennen we een hype van gin, een dochter van jenever.

stal voor honderd runderen. Naast de fabrieksschoorsteen en palend aan de stookplaats werd in 2012 een bottelruimte bijgebouwd.

De landbouw/stokerij Van Damme in Balegem

De stokerij werd in 1864 door Henri De Backer opgericht. Henri stierfin 1885 en zijn onroerende goederen werden verdeeld onder zijn drie kinderen waarbij Sidonie De Backer de hofstede met stokerij erfde. Datzelfde jaar huwde Sidonie met Gustaaf Van Damme en van dan af werd de naam Van Damme aan de stokerij van de Balegemse jenever verbonden. In 1898 installeerde Gustaaf een stoomstokerij. Hij overleed in 1929 waarna zijn zoon Henri het bedrijf overnam. Wanneer Henri in 1950 kwam te overlijden, namen zijn eveneens ongehuwde broer Odilon en de vier zusters Anna, Maria, Gabrielle en Celine het bedrijf over. Maria huwde in met Raphael Ghijs en hun dochter Cecile met André Van Hecke die in 1958 het bedrijf ging leiden. Cecile overleed in 1979 kinderloos. In 1980 kwam Ludo Lampaert, neef van André Van Hecke in de feitelijke vereniging Van Damme. André overleed in 1993 en Ludo Lampaert en zijn vrouw Dominique Kerckhof namen de leiding van het bedrijf over.

De landbouwstokerij Van Damme maakt deel uit van een semi-gesloten vierkantshoeve gelegen in de wijk Issegem van het landelijke Balegem aan de poort van de heuvelachtige Vlaamse Ardennen (31). De hoeve ligt geïsoleerd ingeplant aan een met kasseien geplaveide straatbocht en is vanop afstand zichtbaar. Aan de straatkant (westelijke erfzijde) liggen de toegangspoort naar de gekasseide binnenkoer en de vroegere koestallen die werden omgevormd tot ontvangstruimte voor groepen en het koffiehuis. De stallen aan de oostzijde werden in 2002 tot een Bed e[ Breakfast omgebouwd en na een brand in 2011 volledig vernieuwd. Aan de noordelijke erfzijde, haaks ingeplant ten opzichte van de straat bevindt zich een vleugel met twee bouwlagen. De vleugel bevat de statige boerenwoning en aan de noordoostzijde de stookplaats met daarboven de graanzuiveringsinstallatie en de molenzaal. Achter deze vleugel ligt de boomgaard. Naast de stookplaats aan de oostzijde bevindt zich de opslagplaats voor moutwijn en de schuur met de graandroger en de graansilo's. Op het achtererf staan de fabrieksschoorsteen en ongeveer 50 meter verder de loods voor stro, hooi en aardappelen en de

Grondplan van de landbouwstokerij Henri De Backer, voorloper van de stokerij Van Damme te Balegem, 1864

Het begin: de stokerij van Henri De Backer Op 13 oktober 1864 diende Henri De Backer bij het gemeentebestuur van Balegem een verzoekschrift in om in zijn vierkanthoeve, gelegen in de wijk Issegem, een genever branderij op te richten. Dat jaar

V>v ï-tm

IUUÏJ

|

t

fUtlwc

(Rijksarchief Gent, Provincie OostVlaanderen 1851-1870, nr. 1508/1I

AAA

Ö^ fcof^k.-.L-... "j

UP . . . J . - i >

1. ) U .

r Mdt'niHiHa . b erf»**,

56 I M&L

M a M f -'••• • /*

k

-v


telde België 313 landbouwstokerijen voor meer dan de helft in Oost-Vlaanderen gelegen. Zijn aanvraag met inplantingsplan, luidde als volgt:

Volgens de Loi de 75 avril 7896 relative ó la fabrication et ó 'jDod-Ciiies

l'importation des aicools diende elke stokerij over een gestandaardiseerd meetvatte

"Mijne heeren, Vertoond eerbiediglijk, Henri De Backer, landbouwer te Baelegem dat hij voornemens is eene genever branderij opterigten, ter door hem bewoonde hofstede gestaan in voormelde gemeente, wijk Issegem en bekend ter kadaster nummer 99 sectie A. Deze oprichting zou geschieden onder de volgende voorwaarden: 1' Het lokaal geschikt tot de branderij is gelegen op 28m van den gemeente weg des wijks, heeft eene lengte van 8m25 op j m o j breedte, waarvan het dak is verveerdigt met pannen. 2' De te plaetsen beslag kuipen, aengeduid onder de letter A op het hier nevens gevoegd plan, zijn voor het oogenblik ten getalle van drij, inhoudende te samen 900 /iters. f De stookketel met toebehoortens, aengeduid onder letter B is verveerdigt in koper en bevat ongeveer 300 liters inhoud. 4" De pijp der schouw zal eene hoogte hebben van 10 meters, te rekenen van de grondlijn of basis. 5e Eijndelijk de jaerlijksche hoeveelheid te stoken genever zal de 35.000 liters niet te hovengaen. Deze interigten branderij zich op gom van de naest bijgelegen gebouwen bevindende, en dus aen niemand nadeel kunnende toebrengen, durft vertooner hopen dat r»e U zult gelieven zijne vroeg gunstig intewilligen. Aenveerd Mijnheeren de verzekering zijner hoogachting. De stokerij van Henri De Backer en haar werking De stokerij was zoals de meeste landbouwstokerijen Baelegem den ij/10/1864 van die tijd vrij eenvoudig opgebouwd. Ze bevatte Henri De Backer" (32). drie cilindrische houten beslagkuipen die ook als gistkuipen werden gebruikt. Ze hadden elk een De aanvraag was goed opgesteld. Ze hield rekening inhoud van 300 liter. Ze waren op een houten met de accijnswetgeving, het brandgevaar en het verhoog geplaatst zodat hun bovenkant boven deze milieu. De stokerij bevond zich op 28 m van de van de alambiek uitstak waardoor de inhoud van de openbare weg, wat een clandestien verpompen van kuip, geschept in een mobiele houten goot liggend de moutwijn bemoeilijkte. Het dak van de stookop de alambiek en de kuip, naar de alambiek kon plaats was niet met stro maar met pannen bedekt vloeien. De koperen alambiek had eveneens een wat het brandgevaar minimaliseerde. De schoorinhoud van 300 liter en was onderaan voorzien van steen stak bovendien ver boven het dak uit wat niet een aftapkraan. Verder bevatte hij een afneembare alleen brandveiliger was maar waardoor de buren helm verbonden met een koelslang, gedompeld in die op 90 m woonden geen roetneerslag moesten een houten koelton. Het koelwater werd onderaan vrezen. Een jaarlijkse productie van maximum 15.000 liter jenever betekende dat de familie tijdens in de koelton aangevoerd. De alambiek was in een gemetselde haard opgehangen. Onderaan lag de de wintermaanden wanneer de runderen op stal vuurhaard die met kolen werd gestookt en een stonden volop kon stoken. aslade. De hete brandlucht verwarmde de kuip niet De lokale overheid startte met een openbaar onderalleen onderaan maar ook zijdelings om daarna via zoek en niemand diende bezwaar in. Het schepende schouw van 10 meter naar buiten te stromen. college bracht op 16 november 1864 een gunstig Verder, maar niet op het plan aangeduid, waren advies uit en zond het dossier op 8 december 1864 er twee in de grond gegraven houten citernes naar de gouverneur die nog dezelfde maand, aanwezig waarin het flegma, toen vlegge genoemd, op 24 december 1864, aan Henri De Backer een en de moutwijn werden bewaard. Deze citernes vergunning van dertig jaar verleende om een waren bedekt met een afneembare houten plank jeneverstokerij op te richten.

beschikken. Dat zette Gustaaf Van Damme er toe aan de stokerij te vernieuwen

M

L I 57


voorzien van enkele openingen van 4 3 5 cm met een houten stop. Door deze openingen kon een meetlat worden geschoven en een monster worden genomen. De houten plank zorgde tevens voor het afsluiten van de lucht waardoor het brandgevaar werd geminimaliseerd. Verder was er een in de grond gemetste spoelingput en was de stookplaats voorzien van verschillende pompen, elk met een eigen bestemming. Meestal maakte het bedrijf gebruik van goedkope rogge waarvan het zetmeel met gerstemout werd afgebroken tot gistbare suikers. Hiertoe stortte de stoker 2/3 gemalen rogge en 1/3 gemalen mout in de beslagketel gevuld met water van ongeveer 70 °C. Dat water was opgewarmd in de alambiek. Gedurende een kwartier werd het beslag met de roerstok geroerd. De versuikering nam drie a vier uur in beslag. Hierna werd het beslag door toevoeging van koud water afgekoeld tot ongeveer 25°C en al roerend voorzien van brouwersgist. De gisting duurde 2 3 3 dagen. Nadien liet men het vergist graanbeslag naar de alambiek vloeien.

Plan van de stoomstokenj Van Damme in Balegem, 18 (archief van de stokerij)

(Kudl!,.

nL-n i * .

J

Ö\c£

Het vergist graanbeslag werd, om aanbranden te voorkomen, geroerd tot de eerste dampen te voorschijn kwamen. Dan pas werd de helm op de kuip van de alambiek geplaatst en er met roggemeel aan vastgehecht. Bij de eerste distillatie die ongeveer 2 uur duurde, bekwam de stoker flegma met een alcoholgehalte van 30 a 35 % vol. Dit werd in het flegma grondvat opgevangen terwijl de spoeling afgelaten werd naar de spoelingput. Dat flegma kon ofwel aan een industriële stokerij worden verkocht die het dan rectificeerde ofwel deed landbouwer dat zelf. Hierbij kon hij het te rectificeren flegma voorzien van jeneverbessen wat in Balegem, zoals in de meeste Oost-Vlaamse landbouwstokerijen, niet gebruikelijk was. Bij de rectificatie werden de vooren naloop afgescheiden van de middenloop of moutwijn. Deze moutwijn die rond de 75 % vol alcohol bevatte, werd met water verdund tot ongeveer 50 % vol. Ondanks het gemis aan jeneverbessen werd deze verdunde moutwijn onder de naam jenever verkocht. De stoomstokerij van Gustaaf Van Damme Op 15 april 1896 werd de Loi relative a la fabrication et a /'importation des alcools gepubliceerd. Deze wet wijzigde het accijnsstelsel wat een grondige herinrichting van de stokerijen vereiste. Voortaan werd de accijns niet meer berekend op de grootte van de alambiek en de kuipen maar op de alcoholgraad van het flegma. Daartoe diende het flegma te worden opgevangen in een meetvat waarvan de constructie beschreven werd in een bijlage van de wet. Dat meetvat moest in het bijzonder lokaal staan waarvan de deur met het zogenaamde bulletijnslot werd gesloten. Dat slot was verzegeld met een papiertje met een handtekening en kon enkel worden geopend in aanwezigheid van de accijnsbeambte en de stoker. Het meetvat was geijkt en via kijkvensters kon de accijnsbeambte het volume flegma aflezen en via een zijdelingse buis, op drie verschillende hoogten met het meetvat verbonden, een monster nemen. Alvorens een monster te nemen, diende er eerst te worden geroerd waardoor het flegma werd gehomogeniseerd. Door het meten van de densiteit en de temperatuur , herleid tot I5°C, van het De vierkanthoeve van de stokerij Van Damme in Balegem (archief van de stokerij)

58 I M

L


verzamelmonster en het bepalen van het volume flegma kon de accijns berekend worden. Elke stokerij diende bovendien te beschikken over een accijnslokaal met tafel, stoel en kast waarin de accijnsbediende zijn densimeters, tabellen voor alcometrie en het werk- en voorraadregister kon bewaren. Verder moest de stoker beschikken over een kleine proefalambiek waarmee de accijnsbeambte af en toe het alcoholgehalte van het vergist beslag kon bepalen. Om te voorkomen dat de landbouwstokerijen door die wetswijziging zouden stoppen, werd de accijnsreductie voor landbouwstokerijen niet afgeschaft. Gustaaf Van Damme paste zich aan de nieuwe wetgeving aan en verving in 1898 de oude stokerij door een splinternieuwe stoomstokerij. Daartoe diende Gustaaf een toelating te krijgen om een stoomketel en stoommachine te plaatsen. Deze vergunning werd hem op 17 december 1898 door de burgemeester en de schepenen van Balegem verleend.

De stoommachine van 1898 werd gebouwd door de Société

De stoomketel en de stoommachine De liggende stoomketel werd vervaardigd door de Chaudronnerie Louis Fassin in Gent. De inwendige vuurpijp had een lengte van 4,7 m en een diameter van 0,75 m en was voorzien van twee Gallowaybuizen vervaardigd in Manchester uit zacht staal. De platen en de vuurpijp waren vervaardigd uit ijzer. De ketel was in de lengte dubbel genageld en kon een druk weerstaan van 7 kg/cm 2 . De stoomketel zorgde voor de opwarming van het beslag, de stookkolom en de alambiek en voor de aandrijving van de stoommachine die op haar beurt zorgde voor de aandrijving van de graanmolen, de roerwerken en de pompen. Deze stookketel werd in 1947 vervangen door een tweedehandse stoommachine afkomstig van de ondertussen verdwenen Zuivelfabriek Sint-Hubertus in Baaigem. Het is eveneens een met kolen gestookte horizontale tankketel van het Cornwalltype met een gegolfde, gietijzeren vuurgang van 5 m lengte en 1,6 m diameter die aan

De stoomketel werkt op hout en kolen en werd in 1910 vervaardigd door de Usines dejumet (foto O. Pauwels)

een druk van 7 kg/cm 2 weerstaat. De stookketel werd vervaardigd in 1910 door de Usines dejumet in Jumet en is nog steeds in dienst. De stoommachine is een Governor-stoommachine, in mei 1898 gebouwd door de Société Anonyme du Phoenix uit Gent volgens een patent van de Engelse firma Tangye Lid. uit Birmingham. Het bedrijf Le Phoenix, opgericht in 1821, groeide met de steun van Koning Willem I uit tot het eerste metaalbedrijf in Oost-Vlaanderen. Het is een liggende stoommachine met een zuigerloop van 500 m m en een zuigerdiameter van 280 mm. Het aantal toeren per minuut bedraagt 120 en ze heeft een vermogen van 8 pk. De machine zorgt voor aandrijving van de transmissieassen, van de takel voor het naar de zolder brengen van het graan, en brengt de maalstenen, de pompen en het roerwerk van de macerator en het meetvat in beweging. Ook de stoommachine is nog altijd in werking.

Anonyme du Phoenix uit Gent. Zij zorgt voor de aandrijving van de transmissieassen, van de takel voor het naar boven brengen van het graan, en brengt de maalstenen, de pompen en het roerwerk van de beslagkuip en het meetvat in beweging (foto O. Pauwels)

De graanbehandeling De stokerij teelt haar eigen granen. Dat veronderstelt de aanwezigheid van een graandroger, een graanzuiveringsinstallatie en een graansilo. Deze zijn met elkaar verbonden via elevatoren en schroeven van Archimedes. Wanneer de granen te vochtig (boven 16 % vocht) worden geoogst, moeten ze worden gedroogd. Zoniet is er kans op schimmel wat aanleiding kan geven tot een muf smakende jenever. De stokerij beschikt hiertoe over een cilindroconische, ijzeren graandroger waarin een geperforeerde korf is opgehangen. Hij werd in 1967 gebouwd door de firma Jules Theunynck en Zonen uit Diksmuide. De vochtige granen, ongeveer 2.500 kilogram, worden in de geperforeerde korf gebracht en belucht met buitenlucht die met een mazoutbrander tot ongeveer 35 °C wordt opgewarmd.

M&L I 59


^p. • m

\ ï

^

De stokerij Van Damme bezit een zeldzame graanzuiveringsinstallatie met een graanharp en

\

een tobogan voor de scheiding van grote en kleine graankorrels en onkruidzaden j O. Pauwels}


De granen worden gemalen met een stenen graanmolen uit 1901 (foto O. Pauwels)

Om de granen te zuiveren beschikt de stokerij over een wanmolen, graanharp en tobogan. Deze werden in 1937 bij Jean Bruyninckx e[ Fik uit Brussel aangekocht. De droge granen komen in een wanmolen waar een ventilator een luchtstroom opwekt die over de aangevoerde dunne laag granen strijkt en zorgt voor de verwijdering van lichtere deeltjes zoals kaf, strootjes en stof. Hierna worden de granen verdeeld over een van de 12 compartimenten van de houten graansilo die elk 15.000 kilogram graan kunnen bevatten. De compartimenten zijn rechthoekig maar onderaan eindigen ze piramidaal en zijn ze voorzien van een uitlaat. Deze silo werd in 1967 geconstrueerd door Moknbouw Alexis Meirdeire uit Gontrode. In functie van het stoken wordt het graan in zakken afgevuld en met een katrol naar de molenzaal getrokken waar zich de graanharp, de tobogan en de stenen graanmolen bevinden. Een graanharp bestaat uit een schuin opgestelde bak met een vaste rechthoekige geperforeerde zeef en een daarboven geplaatste tremel waarin de granen worden gestort. De zeef heeft perforaties van verschillende grootte. Het te reinigen graan glijdt over de zeef waarbij onkruidzaden, gebroken zaden en granen door de gepaste perforaties vallen en afzonderlijk worden afgevoerd. Eventueel aanwezige stenen vallen niet door de perforaties en worden op die manier verwijderd. Bij een tobogan worden grote, kleine en gebroken graankorrels en onkruidzaden gescheiden op basis van middelpuntvliedende kracht. Het malen van de granen en het aangekochte mout gebeurt in een molen bestaande uit twee cilinder-

vormige stenen in een houten kast. Hij werd in 1901 aangekocht. De herkomst ervan is onbekend. De stokerij en haar werking De stookapparatuur bestaande uit de macerator, de gistkuip, de wortpomp, de stookkolom, het meetvat en de alambiek werd door de firma Rdecom et Fils. Ingénieurs-constructeurs uit Halle geconstrueerd. Het bedrijf beschikte over een eigen gieterij en fabriceerde vooral uitrustingen voor mouterijen, brouwerijen en stokerijen. De versuikering van het graanzetmeel gebeurde oorspronkelijk in een macerator. Dat is een liggende cilindrische koperen kuip met roerwerk en een tegen de overlangse binnenwand opgedraaide spiraalvormige stoomslang. De macerator werd gevuld met water afkomstig uit een artesische put van ongeveer 40 m diep en opgewarmd tot 40°C. Dan werd de gemalen rogge gestort en opgewarmd tot ongeveer 75°C om het zetmeel te ontsluiten. Het beslag werd gedurende een kwartuur gekookt, wat een verdere ontsluiting van het zetmeel en een lichte pasteurisatie met zich meebracht. Vervolgens werd het beslag afgekoeld door over de buitenkant van de macerator putwater te later stromen. Rond 75°C werd het gemalen mout toegevoegd. De versuikering, die drie a vier uur in beslag nam, gebeurde bij ongeveer 68°C. Hierna werd het versuikerd beslag afhankelijk van de omgevingstemperatuur afgekoeld tot 22 a 25 °C en onder roeren werd vloeibare brouwersgist toegevoegd. Daarna liet de stoker het versuikerde beslag naar één van de twee gistkuipen lopen.

M&LI 61


Huizingen. Bovenaan is langs de binnenkant een versterkte rand met klinknagels aangebracht die voorzien is van vier gaten om de kuip te kunnen takelen. De bodem is aan de cilinder gelast. Onderaan is er een uitlaatbuis met kraan die verbonden is met de beslagpomp. Na de gisting die ongeveer 48 uur duurt, wordt het vergist beslag, met ongeveer 8 % vol alcohol, met de beslagpomp bovenin de koperen stookkolom gepompt. De stookkolom is 3,60 m hoog, heeft een buitendiameter van 1,30 m en een inhoud van 18,86 hectoliter. Ze bevat zestien schotels met elk drie klokken en een overloop. Het vergiste beslag loopt via de overloop van de ene schotel naar de andere naar beneden. Onderaan de stookkolom wordt stoom ingeblazen die via de klokken door het vergist beslag naar boven stroomt en de vluchtige componenten met zich meeneemt. Dit flegma stroomt door een spiraalvormige opgerolde buis gedompeld in het koelvat gevuld met koud putwater en verder via het meetglas of proeftepel naar het ijzeren meetvat. De niet-vluchtige stoffen verlaten de kolom onderaan en vloeien naar de spoelingput. Het flegma bevat ongeveer 35 % vol alcohol.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog namen de Duitsers de koperen stookkolom in beslag. Het bovenste deel van de stookkolom werd echter in de grond verborgen. In 1923 werd deze stookkolom vervolledigd met het eveneens verborgen onderste deel van de stokerij Thienpont, eveneens uit Balegem, die een gelijkaardige stookinstallatie bezat maar met het stoken stopte. Wel werd het bovenste deel aangepast: tussen de veertiende en vijftiende schotel werd een tussenstuk met een spiraalvormige koperen slang aangebracht waardoor het vergist beslag werd gestuurd. Hierdoor werd het vergist beslag reeds voorverwarmd, wat een energiewinst met zich meebracht.

Vandaag is de werkwijze nog steeds dezelfde maar in 1913 werd de liggende macerator vervangen door een beslagkuip, ook nog 'weker' genaamd. Deze open stalen beslagkuip bewerkt met klinknagels heeft een inhoud van 47,48 hectoliter, een koperen roerwerk, een klokvormige stoominjector, een tegen de wand opgedraaide spiraalvormige koelslang en een uitlaat voor het versuikerde beslag dat na afkoeling door de zwaartekracht naar de gistkuip loopt. De plaatsing van deze beslagkuip had tot gevolg dat één van de gistkuipen werd verwijderd.

Het flegma wordt met de flegmapomp van het meetvat naar de alambiek of overhaalketel gepompt. Deze koperen alambiek had een inwendig buizensysteem waardoor stoom werd gestuurd. Tijdens deze tweede distillatie of rectificatie wordt de voorloop gescheiden van de middenloop en de naloop, respectievelijk ook aangeduid als de kop, het hart en de staart. De middenloop heeft een alcoholgehalte van maximum 75 % vol en wordt opgevangen in een houten verzamelton en gelagerd. De voor- en naloop worden opgevangen in een andere ton en bij een volgende rectificatie meegedistilleerd.

In 1931 werd een nieuwe ijzeren, cilindrische gistkuip met een inhoud van 56,70 hectoliter geïnstalleerd. Ze werd geconstrueerd door de firma Chaurobd, de opvolgers van Relecom et Fik, uit

Door de inbeslagname van de koperen alambiek kon er na de Eerste Wereldoorlog niet meer gerectificeerd worden en werd het flegma ofwel nogmaals in de stookkolom gedistilleerd ofwel aan

De stookzaal met van links naar rechts de stookkolom, de alambiek (overhaalketel) en de beslagkuip (foto O. Pauwels)

62 I M

L


De moutwijn wordt gelagerd op houten vaten (foto O. Pauwels)


Flesetiket van de Balegemse jenever

*

>

*

•

Inde Centner

yiEW(SYSTf.ME (ftaranti pur #r<inv

^

Öpiritufuï

Stokerij V A N D A M M E OOSTERZELE BALECEM

I«K Afgedankte flesvuimachine op de binnenkeer (foto O- Pauwcls)

.r--4i

64 I M

L

dPmSJ/ftl

ipps

inhoud

een industriële stokerij verkocht. In 1931 werd bij de firma Chaurobel uit Huizingen een nieuwe alambiek van 17 hectoliter aangekocht. Deze bestaat uit een cilindrisch vat met gebombeerd deksel waarop een rectificeerkolom staat die zes schotels bevat, elk voorzien van drie klokken en een overloop. De verwarming gebeurt door middel van een spiraalvormige stoomslang. Na de lagering op een houten vat, die minstens zes maanden in beslag neemt, wordt de jenever of moutwijn op een kartonfilter gefilterd en met water verdund tot de gewenste alcoholgraad: 54, 41 of 31 % vol. Tijdens de 19de eeuw werd de jenever in flessen van twee of vijf liter manueel afgevuld. Balegemse jenever en de landbouwstokerij Van Damme beschermd De stokerij Van Damme is de enige Belgische stokerij waar de stoker met eigen graan jenever stookt, de spoeling aan zijn runderen voedert en de mest van de dieren gebruikt om zijn landbouwgronden te bemesten. De rijk bemeste velden leveren hoge graanopbrengsten: een ecologische kringloop avant la lettre. De gebruikte stookinstallatie is grotendeels iQde-eeuws en illustreert hoe er tijdens de eerste industriële revolutie met


stoom werd gewerkt. Omwille van deze bijzondere eigenschappen werd op 8 februari 2010 de stokerij, de woning van de stoker, het oorspronkelijk deel van de vierkantshoeve en de omgeving met kasseiweg en boomgaard, als monument beschermd. De onderhoudswerken en restauraties aan de installaties getuigen van een groot respect voor de erfgoedwaarden van de stokerij. In 2013 werd de beslagkuip grondig gerestaureerd waarbij de kuip werd vernieuwd en de stoomtoevoer en het roerwerk werden hersteld. Tezelfdertijd werd de met baksteen geplaveide vloer vernieuwd. In 2014 werd de uitgeleefde stookkolom vervangen door een identiek exemplaar en werden ook de koelvaten vervangen. De Balegemse jenever wordt nog steeds volgens een igde-eeuws recept geproduceerd. Op het etiket staat de vermelding vieux système wat betekent dat de jenever uit graan is bereid en dat er geen gebruik is gemaakt van melassealcohol of zuivere graanalcohol van 96 % vol maar van moutwijn tot minder dan 75 % vol gedistilleerd. Hierdoor heeft de Balegemse jenever een typische moutsmaak. Omwille van zijn uniciteit werd Balegemse jenever in 1997 door de Vlaamse Gemeenschap erkend als geografische benaming (Ministerieel besluit van 9 juli 1997 houdende erkenning als geografische benaming van gedistilleerde dranken). De Balegemse jenever werd ook door de Europese Gemeenschap als geografische aanduiding beschermd (33).

Eric Van Schoonberghe is doctor in de biochemie en maakte van jenever zijn studieonderwerp

Eindnoten (1)

THOMAS VAN CANTIMPRE, Liber de natura rerum (13de eeuw). Openbare Bibliotheek Brugge, ms. 410, f. 168 r en f. 168 v. (2) )ACOB VAN MAERLANT, Der Naturen Bloeme (tweede helft 13de eeuw). Universiteitsbibliotheek Leiden, ms. BPL 14A, f. ii5ven f. n 6 r . (3) KEIL G. en REINECKE H., Der Kranewitber-Traktat des Doctor Hubertus. Untersuchungen zur spatmittelalterlichen Pharmakologie der Baccae Juniperi. in Sudhoffs Arch., jg. 57, nr. 4, 1973, p. 362-415. (4) BRAEKMAN W. en DEVOLDER A., Twee middelnederlandse prozatraktaten en enkele recepten tegen de pest, in Scientiarum Historia, jg. 13,1971, p. 65-91. (5) DODOENS R.. Cruydeboeck, Antwerpen, 1554, p. 805-806. (6) Den Herbarius in Dyetsche (facsimile). Antwerpen, ca.1500. p. 75-76. (7) VANDEWIELE L, De eerste publicatie in het Nederlands over alcohol, in Pharmaceutisch Tijdschriji voor België, jg. 41.1964, p. 65-80. (8) CRAEYBECKX |., Wijn in het graafschap Vlaanderen (XlleXVUIe eeuw), in Van Rank tot Drank. Brussel, 1990, p. 104109. (9) Londen, British Museum: Gebranden wyn te maken (eind 15de eeuw), ms. Sloane 345, f. 51 r en f. 51V. (10) Amsterdam. Gemeentearchief: Ordonnantie op den brandewijnaccijns te Amsterdam. 1497. Keurboek B, f. 28. (11) HERMANNI P., Een constelijck distileerboec. Antwerpen, 1552. (12) Den Haag. Nationaal Archief: Staten-ordonnantie op de brandewijnen. 1606, Groot Placaet Boek, deel 1. f. 1685. (13) Hasselt, Rijksarchief: Accijns op brandewijn en wachtelwater, 16 april 1610. (14) HOUTMAN E.. Geschiedenis van de Hasseltse jenevernijverheden van de 16de eeuw tol heden, in De Tijdspiegel. Cultureel blad voor Limburg, jg. 34, nr. 2-3, 1979, p. 23-32. (15) BARNETT R., The book of gin, New Yoric, 2011, p. 36. (16) TROCME E. en DELAFOSSE M., Le commerce rochelais de la fin du XVe au déhut du XVlle siècle. Parijs, 1952, p. 74-176. (17) ARNTZ H., Weinbrenner. Die Geschichte vom Geist des Weines. Stuttgart. 1975, p. 125,145 en 184. (18) KRAMERS C , De moutwijnindustrie te Schiedam. Schiedam, 1946, p. 7-9. (19) Recueil des ordonnances des Pays-Bas Autrichiens, 1, 6. (20) DE HERDT R.. Gentse brandewijn- en likeurhistoriën. in In en om de alamhiek. tent. cat.. Gent. 1981, p. 47. (21) VANDENBROEKE C , Legenièvre. in Agriculture et alimentation. Centrum voor Landelijke Geschiedenis, Publicatie nr. 49, Gent-Leuven, 1975, p. 547-565. (22) Mémoire pour les distillateurs de geniévre a la maniere hollandaise dans le département de l'Escaut d sa majesté l'Empereur des Francais. Gent, ca. 1804. (23) MOMMENS T., De Belgische voedingsnijverheid tijdens de negentiende eeuw. 1. De bier- en jeneverindustrie (iSio-igij). Centrum voor Economische Studiën, Leuven, 1993. (24) VAN SCHOONENBERGHE E., Alcohol tijdens de negentiende eeuw. Biotechnologie in volle evolutie, Heule, 2012, p. 56-73. (25) FIGUIER L., Industrie de lakooi et de la distillation, in Les merveilles de l'industrie, dl. IV, 1869, p. 417- 544. (26) FORBES R., A short history of the art of distillation. Leiden, 1970, p. 313. (27) VAN SCHOONENBERGHE E., op. rit., p. 56-73. (28) DIRKZWAGER C . De geschiedenis van de gemeentelijke controle op de echtheid van Schiedamse jenever. Schiedam, 1942. (29) MOMMENS T., op. cit. (30) SPAPENS P.. Sluikstoken en smokkelen, een grensoverschrijdende activiteit, in Tersluiks. Alcoholsmokkel en sluikstokerij in de Lage Landen, Heule, 2012, p. 36. (31) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/36707 (32) RAG Provincie Oost-Vlaanderen 1851-1870. nr. 1508/1. (33) Verordening EG Nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2 0 0 8 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken.

M

l, I 65


Summar MAPPING THE HISTORY OF ARCHAEOLOGY IN CONGO

Europeans. During later periods the region would continue to be studied thoroughly, partly because of the easy access from the capital and the many Europeans residing in this area, so important for economy and administration. Between 1925 and 1935 the first major

The depicted

66 I M&L

map of archaeological findings in the

excavations by Francis Cabu and Jean Colette, took place

Democratic Republic of Congo is a representation of

in and around Leopoldville/Kinshasa. For them as well

the state and history of the research started in 1885. Its

as for their contemporary compatriot Maurits Bequaert,

history is closely linked to the Royal Museum of Central

their interest in prehistory led to a scientific career. In 1938

Africa, the collection and archives which are the main

and in 1950-1952 the latter made two major expeditions

sources for undated sites. The historical overview shows

in the southwest part of Belgian Congo for the Museum

that the map is the result of accidental findings, small-

for Belgian Congo and the Ministry of Colonies. In the

and large-scale international expeditions and excavation

1950's the first Carbon-14 datings were done by Jean de

campaigns, by scientists, dedicated collectors, Belgian

Heinzelin for the Stone Age and Jacques Nenquin for

and Congolese institutions and governments with their

the Iron Age, leading to the first outline of a regional

own cultural policy. A few remarkable expeditions are

prehistoric and historic framework. During the regime

discussed separately illustrating the research orientation

of President Mobutu archaeological research was part of

and because of their impact on the creation of the

a politically inspired cultural policy. The Institute of the

archaeological map.

National Musea of Congo/Zaire (IMNC/Z) was founded

Accidental findings mainly from Bas-Congo illustrate the

in 1970 with clear goals, among which the prospecting

Congolese stone age which, according to the formerly

of archaeologically uncharted areas. In 1972 this would

prevailing conviction, only ended with the arrival of

bring Francis Van Noten to the north of Zaire where he


researched the Matupi cave, turning it into one of the major reference sites in Central Africa for the last 40.000 years. The research is becoming more international and the phenomenon of Bantu dissemination was the instigation for conducting fieldwork in the rainforest with large-scale prospection along rivers, led by Manfred Eggert between 1977 and 1985. These campaigns and others led to a more complete archaeological view of the Central Congo basin. After a standstill in fieldwork in the late 20th century, projects are gradually being restarted, among which the

prospection

of archaeologically

unexcavated regions. In 2010 and 2013 the authors have located new archaeological sites near the Congostreams' affluents between Kisangani and Bumba.

COPPICE AND COPPICEWITH-STANDARDS WOODLAND MANAGEMENT IN FLANDERS Coppicing is a forest management system where trees are cut close to the ground. New shoots will grow from the sleeping buds on the remaining stump or stool. After a few years these new stems can again be cut, repeating the cycle. In our region this management system was traditionally the most common type of forest management, with a larger and more regular wood revenue than high forest, the forest management system where only standard trees are grown. Typical for coppice-with-standards is the presence of standard trees in low density amid coppice wood, this was also widespread in Flemish forests. Coppice and coppice-with-standards were common in almost all Flemish forests and played an important part in mediaeval economy generating a wide variety

1VI&LI 67


of products: mainly fuelwood but also timber, wood for craftsmen, wood for tools, and bark and charcoal. Coppice management declined duringthe 19th and 20th century for lack of economic use: the rising labour costs and the falling demand for smaller woodland products

THE VAN DAMME FARM DISTILLERY IN BALEGEM, KEEPER OF INDUSTRIAL AND CULINARY HERITAGE

reduced the economic benefits of coppicing. It is important to recognize coppicing as living heritage.

Jenever is an essential part of culinary heritage in the

Traditional coppice management comprised a number

Low Countries. Jenever and grain jenever are protected

of activities, remains of which have been preserved in

European geographical appelations. Since 2008 jenever

our forests. The presence of a dense layer of coppice

can only be produced in Belgium, the Netherlands,

wood under low branched trees, internal ditch systems

France (departments Nord and Pas-de-Calais) and

in the plots, rare fruit-bearing tree species like apple

Germany

(the

states

of

Nordrhein-Westfalen

and

trees spared from cutting, could be relicts from coppice

Niedersachsen) and grain jenever only in Belgium, the

management. Other relicts are fell boundary marker

Netherlands and France (departments Nord and Pas-de-

trees or forest banks, sometimes still planted with old

Calais).

coppice stools or pollard trees.

Originally sold as a medicine in the 16th century it

Coppice management in Flanders was not only possible

became a stimulant in the next century. The 19th century

in the Middle Ages, but is still an option nowadays,

was without doubt the most important century for

provided a number of conditions are met. Knowledge

jenever and it had worldwide renown not unlike whiskey

of the historical situation and attention for the heritage

nowadays. In 1835 there were some 1.092 distilleries in

aspects of forest management, could contribute to the

Belgium. Most of these were small distilleries on farms

management options. A number of matters should

producing low grade malt wine from rye and malt. The

be addressed in order to create a relevant framework.

introduction of steam boilers, steam machines and the

What would be the purpose of re-introducing coppice

continuously operating distilling column, economical in

management in a forest? Is the goal a true replica

labour and energy, the use of molasses and imported

of a traditional forest management, or are nature

maize, allowed larger distilleries to produce cheap, high

conservation goals more important?

grade alcohol, creating a different type of jenever. In

How important will wood production be in the (near)

1842, with a view of protecting farming, the government

future and how much of it can be traded locally? Can the

made a distinction between industrial and agricultural

labour of a sufficient number of people be guaranteed

distilleries. The latter benefitted from a tax reduction

over a longer period of time?

of 15%. The farm distillery Van Damme in Balegem

Coppice management can contribute to a cultural-

(Oosterzele) dates from 1864 and is the only distillery

historical as well as ecological forest management and

left in jenever producing countries where the farmer

certainly has a future in Flanders, provided the goals and

uses his own grain for the distilling proces and uses the

feasibility are considered thoroughly in advance.

residue, the rinsing, as fodder and the manure to fertilize his farming grounds. The Balegem jenever is still mainly produced with 19th century equipment and following a 19th century recipe. The name Balegem jenever has been specified by ED regulations as a geographical appelation. In 2012 the farm distillery Van Damme and its surroundings were protected as a monument.

68 I M&L


nmne

RESTAURATIE & MONUMENTZORG

Kunstatelier Gerard Thienpont bvba R © S t Q U T Q 11©

V O D

Conservatie en restauratie van kunstwerken Hout, steen en stucwerk Beeldhouwwerken hout en steen Polychromeerwerken en bladgoud beleggen Kerkmeubilair Draaiwerk in natuursteen Onderzoek en behandeling Rozenstraat, 6, 9810 Eke Nazareth Tel.: 09/385 54 32 - Fax: 09/385 45 52 E-mail: info@kunstatelier-thienpont.be

Profiel CV Guido Gezellestraat, 23 8650 Wevelgem

info@rmp.be D56 32 38 12

^quaötra Gevelreiniging en restauratie Algemene renovatiewerken Kelderdlchting Betonrenovatie Injectie tegen opstijgend vocht

Dronckaertstraat 484 - 8930 Lauwe 056/41 02 79 - www.aquastra.be


AGREF BVBA

WANNEER DE VORM HET HOOFDDOEL IS

Reg. nr.: 042801 Erkenning: D23 klasse 2

VEN NOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN - Restauratie van moderne en oude schilderijen (namelijk grote formaten) - Restauratie van gemaroufleerde doeken - Restauratie van gepolychromeerde altaren

m Ursulinenklooster Onze-Lieve- Vrouw- Waver Pinakels in architectonisch beton.

BETONNEN SIERVORMEN EN SIERELEMENTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN NIEUWBOUW 4 0 JAAR AKTIEF I N S A M E N W E R K I N G M E T DE O F F I C I Ë L E I N S T A N T I E S

A G R E F Nv

DIEPESTRAAT 18 - 3061 BERTEM (Leefdaal) TEL. & FAX 0 2 - 7 6 7 97 80 E-mail: salvartes@pandora.be

Tragelweg4 - B 9230 Weiteren Tel. 09-369 19 11 - Fax 09-369 07 04 www.agref.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook