Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Januari 2012 Finaal Uitgave Nr. 2 43641497 / 43641497-02
43641497 Rapport Het Vinne Finaal
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Project Titel: Rapport Titel:
Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Project Nr.:
43641497
Rapport Ref.:
43641497-02
Status:
Finaal
Contactpersoon Klant:
Hoy Ming To
Bedrijfsnaam Klant:
Vlaamse Landmaatschappij
Opgemaakt door:
URS Belgium BVBA De Vunt 13 3220 Holsbeek Tel.: +32 (0) 16 46 86 60 Fax.: +32 (0) 16 46 86 61
Document Productie / Goedkeuring Uitgave Nr.: 2
Naam
Handtekening
Datum
Functie
Opgemaakt door
Landmax, URBO
i.o.
Januari 2012
Project Consultants
Nagekeken door
Michael Tans
i.o.
Januari 2012
Project Manager
Goedgekeurd door
Michael Tans
i.o.
Januari 2012
Project Manager
Document Revisies Uitgave Nr.
Datum
Details van de Revisies
1
November 2011
Originele uitgave
2
Januari 2012
Finale uitgave
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
BEPERKINGEN URS heeft dit rapport uitsluitend opgemaakt voor gebruik door Vlaamse Landmaatschappij in overeenstemming met de overeenkomsten waaronder de werken werden uitgevoerd. Geen andere garantie, uitgedrukt of ingesloten, wordt gegeven, dan op het professionele advies bevat in dit rapport of eender welke andere dienst door ons geleverd. Op dit rapport mag niet gesteund worden door eender welke andere partij zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toelating van URS. Tenzij anders vermeld in dit rapport, gelden de gemaakte berekeningen enkel wanneer de sites en faciliteiten hun huidig gebruik blijven behouden, zonder significante verandering. De besluiten en aanbevelingen bevat in dit rapport, zijn gebaseerd op door anderen aangeleverde informatie en in de veronderstelling dat alle relevante informatie werd voorzien door die partijen van wie ze werd gevraagd. De informatie verkregen van derden werd niet onafhankelijk door URS gecontroleerd, tenzij dit anders wordt vermeld in het Rapport. Daar waar veldonderzoek werd verricht, werd dit beperkt tot het detailniveau nodig om de gestelde doelen of diensten te bereiken. De resultaten van gedane metingen kunnen zowel in de ruimte als de tijd variëren en bijgevolg moeten verdere bevestigende metingen uitgevoerd worden na elke significante vertraging in het gebruik van dit Rapport. AUTEURSRECHTEN © Dit Rapport valt onder het auteursrecht van URS Belgium BVBA. Elke niet geautoriseerde reproductie of elk gebruik door iemand anders dan de geadresseerde is strikt verboden.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
INHOUD Sectie
Pagina Nr.
Niet-technische samenvatting – Non technical summary 1.
INLEIDING ....................................................................................................................... 1
2.
GROND- EN OPPERVLAKTE WATER .......................................................................... 2
2.1. 2.1.1. 2.1.2. 2.2. 2.2.1. 2.2.2. 2.3.
Methodiek ......................................................................................................................... 2 Grondwatermeetnet ......................................................................................................... 2 Oppervlaktewatermeetnet ................................................................................................ 3 Resultaten ........................................................................................................................ 4 Grondwatermeetnet ......................................................................................................... 4 OPPERVLAKTEWATERMEETNET............................................................................... 12 Besluit oppervlaktewater ................................................................................................ 15
3.
VEGETATIE ................................................................................................................... 16
3.1. 3.2. 3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.2.4. 3.3.
Methodiek ....................................................................................................................... 16 Resultaten ...................................................................................................................... 16 Update BWK................................................................................................................... 16 Huidige invulling van de natuurstreefbeelden ................................................................ 16 De PQ’S: Huidige vegetatie en evolutie TOV monitoringsfase T-1 ............................... 23 Bijzonderen plantensoorten ........................................................................................... 34 Besluit ............................................................................................................................. 34
4.
VISSEN .......................................................................................................................... 35
4.1. 4.2. 4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3. 4.3.1. 4.3.2. 4.3.3. 4.4. 4.4.1. 4.4.2. 4.4.3. 4.5.
Inleiding .......................................................................................................................... 35 Methodologie .................................................................................................................. 37 Staalname ...................................................................................................................... 37 Verwerking van de gegevens ......................................................................................... 38 Bemonsterde sectoren ................................................................................................... 38 Resultaten ...................................................................................................................... 40 Inventaris per transect .................................................................................................... 40 Inventarisatie per habitat (punt bemonstering) .............................................................. 45 Inventarisatie met warrelnetten ...................................................................................... 46 Discussie ........................................................................................................................ 48 Populatie en biomassa ................................................................................................... 48 Index voor Biotische Integriteit ....................................................................................... 51 Evolutie in de tijd ............................................................................................................ 52 Besluit ............................................................................................................................. 57
Kaart met situering van de peilbuizen Foto’s PQ’s Bijlagen
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) NIET-TECHNISCHE SAMENVATTING – NON TECHNICAL SUMMARY Het doel van het monitoringsprogramma is het nagaan van de effectiviteit van de maatregelen voor natuur die in het kader van het natuurinrichtingsproject “Het Vinne” werden uitgevoerd. Specifiek in deze studie zullen voor de tweede keer na de ingrepen (jaar +6) de effecten op hydrologie en ecologie worden geëvalueerd. Er kunnen 3 belangrijke studieonderdelen onderscheiden worden: •
Deel 1 : Grond- en oppervlaktewater
•
Deel 2 : Vegetatie
•
Deel 3 : Vissen
1) Grond- en oppervlaktewater In het Vinne werden in het kader van de ecohydrologische studie van het Vinne (De Wilde et al., 1999) een 70-tal peilbuizen geplaatst, verspreid over het gebied. Na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen werden een 26-tal daarvan geselecteerd voor verdere monitoring. De verhoging van het meerpeil heeft geleid tot 3 reacties. Peilbuizen nabij het meer volgen het verloop van het meerpeil. Voor enkele peilbuizen zien we afwijking ten opzichte van het peil van het meer in 2011. De neerslaghoeveelheid in augustus 2011 was uitzonderlijk, vermoedelijk is dat een verklaring. Peilbuizen verder van het meer (hoger) hebben twee verschillende reacties. Sommige peilbuizen hebben een minder uitgesproken schommeling en de grondwaterstand is hoger dan voorheen. De peilstand in het meer heeft een bufferende werking en verhoging van het grondwater tot gevolg. Bij andere peilbuizen zien we dat door de drainerende invloed van het meer hier de grondwaterspiegel gedaald is maar de schommelingen zijn nog steeds uitgesproken. Het grondwater werd éénmaal bemonsterd en geanalyseerd begin oktober 2011. De staalname werd uitgevoerd volgens de methode beschreven in Huybrechts & De Becker (1997). Hieruit kunnen voor staalnamecampagne (T+5) volgende vaststellingen worden gedaan: -
De stalen hebben een overwegend lage pH (< 6.5);
-
De elektrische conductiviteit (EC) ligt tussen 127 en 251 µS/cm. Dit betekent zoet tot heel zoet;
-
Op basis van het chloridegehalte is het meer zoet,
-
Bij de meeste stalen was de sulfaat- en chlorideconcentratie hoger dan het richtniveau;
-
Voor alle opgenomen peilbuizen zien we een verlaging van de conductiviteit van hoger dan 400 µS/cm naar < 250 µS/cm; en
-
Alle grondwaterstalen behoren tot het CaSO4-watertype. Dit was reeds het geval vóór de inrichtingsmaatregelen, zodat er tot nu toe geen verschuiving in watertype heeft plaatsgevonden.
Het oppervlaktewater werd op 8 staalnamelocaties 2 maal fysico-chemisch bemonsterd; een eerste staalname is uitgevoerd in februari 2011 en een tweede oktober 2011. Voor alle meetpunten in het meer zien we een geleidelijke verhoging van het chloridegehalte en verlaging van het sulfaatgehalte. Vermoedelijk gevolg van de inrichtingsmaatregelen. 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) We zien in de zomerperiode een lager zuurstofgehalte omdat de oplosbaarheid van zuurstof daalt bij hogere temperatuur. De orthofosfaat- en nitraatconcentraties van de weerhouden analyses zijn getoetst aan de trofieklassen volgens Stuijfzand (1993) en Vollenweider (1968). Het oppervlaktewater is overwegend mesotroof. Het CaHCO3-watertype domineert met een pH van ongeveer 7-7,5. 2) Vegetatie Er zijn zowel opnames gemaakt van permanente quadraten (PQ’s) met de bedekkingsschaal van Londo als proefvlakdekkende opnames met de bedekkingsschaal van Tansley. Het Vinne is door verdere vernatting en beheermaatregelen verder ontwikkeld naar een gebied met duidelijke natuurtypes. Het verstoorde beeld van net na de maatregelen is overgegaan naar een homogener gebied. Open water en een goed ontwikkeld rietland, ruigtes als gradiënten in overgangsgebieden, graslanden in beheer zijn geëvolueerd naar hc of hu. Het bos is verder ontwikkeld en etages zijn gevormd. De overgang nat/droog is op vele plaatsen abrupt waardoor het Broekbos is verdwenen. De kwalitatieve beoordeling van de ontwikkeling van de natuurstreefbeelden wordt weergegeven in onderstaande tabel. Natuurstreefbeeld
Ontwikkeling
Eutrofe plas
Goed ontwikkeld
Rietland
Goed ontwikkeld
Grote zeggenvegetatie
Zwak-matig ontwikkeld
Kleine zeggenvegetatie
Goed ontwikkeld
Dottergrasland
Matig ontwikkeld
Glanshavergrasland
Goed ontwikkeld
Moerasspirearuigte
Zwak ontwikkeld
Elzenbroekbos
Zwak ontwikkeld
Elzen-vogelkersverbond
Zwak tot matig ontwikkeld
Beuken-eikenbos
Zwak ontwikkeld
Eiken-berkenbos
Matig ontwikkeld
3) Vissen De monitoring van de aanwezige ichtyologische fauna in het provinciale natuurreservaat van Zoutleeuw werd uitgevoerd tussen 27 en 30 juni 2011 door het team van FUNDP-URBE. Er werden staalnametechnieken toegepast zoals beschreven door Belpaire et al. (2000) in het kader van het opmaken van de opstelling van een index voor biotische integriteit aangepast aan ichtyologische populaties en aan Vlaamse watertypes. Alle staalnames werden uitgevoerd in goede omstandigheden (open weer, zwakke wind…). De natuurlijke hoge troebelheid van het milieu heeft geen invloed gehad 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) op de resultaten van de inventarisatie. De ichtyologische populatie van het meer is in voortdurende ontwikkeling sinds het terug onder water zetten. In 2006 werden maar 3 soorten gevangen met een grote dominantie van pseudoboras invasieve soorten. Vijf jaar later hebben 3 inheemse soorten hun intrede gemaakt waaronder twee karperachtigen, de rietvoorn en de blankvoorn. De ontwikkeling van deze secundaire consumenten evenals de toename van de snoekpopulatie heeft het aantal aanwezige pseudorasbora beperkt. De afwezigheid van snoekbaars, ondanks de poging tot het uitzetten van pootvis van deze laatste laat toe te bevestigen dat het milieu beter geschikt is voor snoeken en dat deze de dominante tertiaire predator is. De winst van twee kwaliteitsklassen volgens de IBI tussen 2006 en 2011 evenals de actuele ichtyologische populatie laten veronderstellen dat deze laatste evolueert naar deze van alkalische meso-eutrofe meren. Men kan veronderstellen dat ook naargelang de toevalligheden van de natuurlijke verspreiding een groot aantal taxa, momenteel afwezig in het biotoop maar typisch voor dit type milieu, hun intrede zullen doen (baars, brasem, zeelt…).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) The objective of the monitoring program is to oversee the effectivity of the measures that were taken in the project “nature design Het Vinne. Especially, for the second time since the intervention (year +6), the effects on hydrology and ecology were evaluated. Three important parts were defined: •
Part 1 : Groundwater and surface water
•
Part 2 : Vegetation
•
Part 3 : Fish
1) Groundwater and surface water For the ecohydrological study of ‘Het Vinne’ approximately 70 piezometers were placed (De wilde et al., 1999). After rearrangement measures, 26 of them were selected for further monitoring. Due to increase of the water level of the lake three types of reactions can be seen. Piezometers near the lake follow the increase of the water level. For some of them we see a deviation in 2011, probably due to the exceptionally high precipitation level in August 2011. Piezometers further from the lake (higher) have two different types of reaction. Some of them have less water level fluctuation and have a higher groundwater level than before. The lake water level has a buffering influence and causes a higher groundwater table. At other piezometers the draining force of the lake results in a lower ground water table, but fluctuations are still significant. The groundwater was sampled and analysed once in October 2011. The sampling was done in accordance with the method of Huybrechts & De Becker (1997). For this sampling period (T+5) the following was seen: -
The samples have a predominantly low pH (<6,5);
-
The electric conductivity (EC) is between 127 en 251 µs/cm. This means fresh to very fresh water;
-
Based on the chloride concentration the water is fresh;
-
The sulphate and the chloride concentrations are higher then the standard for most samples;
-
For all samples conductivity has declined from more than 400 µS/cm to < 250 µS/cm; and
-
All groundwater samples belong to the CaSO4-watertype. This was already the case before the rearrangement measures, so no change in water type has occurred so far.
The surface water was physico-chemically sampled twice at 8 sampling locations, once in February and a second time in October 2011. For all samples in the lake the chloride concentration gradually increases in comparison with earlier studies and the sulphate concentration decreases, probably due to the rearrangement measures taken. In summer period the oxygen concentration decreases as the oxygen solubility decreases at higher temperatures. Orthophosphate and nitrate concentrations were compared to the trophic classes of Stuijfzand (1993) and Vollenweider (1968). The surface water is predominantly mesotrophic. 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) The water type is CaHCO3. The pH is about 7-7,5. 2) Vegetation Permanent plots were monitored with the method of Londo. We also did some Tansley measures. Because the area is getting wetter and because the measures taken also have an influence, the different biotopes are getting more clearly separated. The disturbed landscape is now a homogeneous area. Open water, reed land, grass areas and brushwood are well developed. Wetlands developed to hc or hu. The forest has developed and different layers have been formed. The transition between wet and dry is abrupt at several locations, causing the desappearance of the Alnion glutinosae. The qualitative assessment of the nature goals is given in the table below. Nature goal
Development
Eutrofe plas – Ae
Well developed
Rietland – Mr
Well developed
Grote zeggenvegetatie – Mc
Little developed
Kleine zeggenvegetatie – Ms
Well developed
Dottergrasland – Hc
Little developed
Glanshavergrasland - Hu
Well developed
Moerasspirearuigte - Hf
Little developed
Elzenbroekbos – Vb
Little developed
Elzen-vogelkersverbond - Va
Little developed
Beuken-eikenbos - Fa
Little developed
Eiken-berkenbos - Qb
Little developed
3) Fish The monitoring of the fish fauna in the domain was performed between 27 and 30 june 2011 by a team of FUNDP-URBE. 3 sampling technique were used, as described by Belpaire et al (2000) when calculating an index for biotic integrity modified for fish populations in the Flemish water types. All samples were taken in good circumstances (open sky, poor wind). The naturally high turbidity of the water had no influence on the results of the investigation. The fish population of the lake was further developed since the flooding of the site. In 2006 only 3 fish species were captured with a major dominance of invasive Pseudorasbora. Five years later, 3 extra local fish species were encounter, of which 2 cyprinids, the roach and the rudd. The development of these secondary consumers as such as the increase of pike populations limited the number of Pseudorasbora. The absence of pike perch, whilst these were diverted in the lake, show that the environment better suits for pike and that this species is the dominant tertiary predator. The jump of 2 classes of quality in the IBI between 2006 and 2011 also let suppose that the population evolutes towards a meso-eutrophic population. One can estimate that, depending on the accidental and natural dispersion, number of taxa, that are currently absent in the biotope although typical for this type of environment will be present in the future (perch, bream, tench). 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
1.
INLEIDING
Het doel van het monitoringsprogramma is het nagaan van de effectiviteit van de maatregelen voor natuur die in het kader van het natuurinrichtingsproject “Het Vinne” werden uitgevoerd. Specifiek in deze studie zullen voor de tweede keer na de ingrepen (jaar +6) de effecten op hydrologie en ecologie worden geëvalueerd. Er kunnen 3 belangrijke studieonderdelen onderscheiden worden: •
Deel 1 : Grond- en oppervlaktewater
•
Deel 2 : Vegetatie
•
Deel 3: Vissen
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 1 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
2.
GROND- EN OPPERVLAKTE WATER
2.1.
Methodiek
2.1.1.
Grondwatermeetnet
In het Vinne werden in het kader van de ecohydrologische studie van het Vinne (De Wilde et al., 1999) een 70-tal peilbuizen geplaatst, verspreid over het gebied. Na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen werden een 26-tal daarvan geselecteerd voor verdere monitoring (zie bijgevoegde kaart in bijlage). 2.1.1.1.
Grondwaterpeilmetingen
De peilmetingen worden uitgevoerd door VLM en werden aangeleverd voor verwerking. Er zijn 26 peilbuizen in het studiegebied en zowel deze peilbuizen als het meerpeil worden regelmatig gemeten. Voor een aantal peilbuizen zijn gegevens beschikbaar vanaf 1998. Een aantal peilbuizen, die geplaatst werden in het kader van de ecohydrostudie, wordt nu nog steeds opgevolgd. Indien het de originele peilbuis betreft, heeft de IDcode een eindletter X, indien de peilbuis in de loop van de meetcampagne werd herplaats, heeft de IDcode een eindletter A (vaak vanaf 1/04/2005). Het betreft in essentie de peillocatie, zodat voor de gegevensverwerking deze metingen worden samengenomen (eind van de peilbuiscode: A/X). Zo zijn er 10 peilbuizen waarvoor gegevens beschikbaar zijn vanaf 1998. Hierbij moet worden opgemerkt dat de metingen in het kader van de ecohydrostudie zijn gestopt in mei 1999 (de metingen in het kader van de ecohydrostudie betreffen geen volledig hydrologisch jaar: deze zijn gestart in juli 1998 en gestopt in mei 1999) en dat de metingen door VLM zijn gestart in maart 2003. Voor de tussenliggende periode zijn er geen gegevens. Door de uitvoering van de inrichtingswerken zijn er ook geen metingen tussen oktober 2003 en april 2005. - Voor twee peilbuizen zijn gegevens beschikbaar vanaf 13/03/2003. - Van 6 peilbuizen en de peilschaal aan het pomphuis zijn voldoende gegevens beschikbaar vanaf1/04/2005 en voor 2 peilbuizen vanaf 28/10/2005. Dus na het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen. Van een aantal peilbuizen zijn onvoldoende meetgegevens beschikbaar voor een degelijke hydrodynamische analyse: het betreft peilbuizen die in de loop van de meetcampagne zeer vaak droog stonden. Het is enkel zinvol om deze peilbuizen verder op te meten indien ze dieper worden geplaatst (in essentie dus worden vervangen door een diepere peilbuis). Voor de gegevens tussen 2006 en 2011 zijn voor verschillende pijlbuizen het aantal metingen te beperkt (droog, beschadigd, defect,). Zoals vermeld hierboven dienen deze vervangen te worden. Voor de meetcampagne tussen 2006-2011 kunnen we slechts 12 peilbuizen als volledig beschouwen: -
sinds 1998: VINP025A,VINPO26X,VINP030A,VINP040A,VINP063X en VINP066A Voor VINP005 en VINP024X ontbreekt 1 jaar
-
Sinds 2003:VINPO71X en VINPO79
-
sinds 2005: VINP072X en VINP083X
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 2 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) 2.1.1.2.
Grondwaterstaalname
Het grondwater werd éénmaal bemonsterd en geanalyseerd begin oktober 2011 (zie kaart A4). De staalname werd uitgevoerd volgens de methode beschreven in Huybrechts & De Becker (1997). Voor de staalname werden de piëzometers gereinigd en leeggepompt. De staalname gebeurde met een chemisch inerte teflondarm. Elektrische conductiviteit en pH werden rechtstreeks op het veld gemeten met een WTW veldmeter. De overige parameters werden geanalyseerd in het labo. De stalen werden genomen door Landmax en de analyses werden uitgevoerd door ALcontrol Laboratories (erkend voor het uitvoeren van wateranalyses). Volgende parameters werden geanalyseerd: pH, conductiviteit, o-PO4-, N-NO3-, NH4-N, HCO3-, SO4-, Cl-,Ca2+,K+, Na+, Fe tot, Mg2+. Van de 8 piëzometers konden enkel 4 worden bemonsterd. Peilbuis PB 25 is afgebroken boven het maaivlak en vervuild, PB37 is niet meer aanwezig en PB14 en PB30 geven onvoldoende debiet. Vervanging of zuiveren van deze peilbuizen is noodzakelijk voor verdere staalname.
2.1.2.
Oppervlaktewatermeetnet
8 staalnamelocaties (Bijlage A3) werden in de loop van de studie 2 maal fysico-chemisch bemonsterd; een eerste staalname is uitgevoerd in februari 2011 en een tweede oktober 2011 (totaal: 16 stalen). Volgende parameters werden geanalyseerd: - Bij staalname: pH, Elek. Cond., O2 (mg/l en %), - In het labo: pH, Elek. Cond., o-PO4-, P-tot., NO3--N, NO2--N, NH4+-N, SO4-, Cl-, HCO3-, zwevende stof, BOD, de opgeloste elementen Ca, K, Na, Fe tot, Mg. 2.1.2.1.
Toetsing aan de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater
Een eerste analyse van de oppervlaktewaterstalen bestaat uit een toetsing aan verschillende milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater: -
De basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater en viswater (Vlarem IIbis).
-
De ecologische normstellingen m.b.t. de trofiegraad.
2.1.2.2.
Oppervlaktewatertypologie
Om grond- en oppervlaktewaterchemie maximaal te kunnen vergelijken, werden oppervlaktewaterstalen worden verwerkt volgens de methodes beschreven onder grondwatertypologie (Stiffdiagrammen en IR-EC-diagrammen).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
de de
Pagina 3 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
2.2.
Resultaten
2.2.1.
Grondwatermeetnet
2.2.1.1.
Grondwaterdynamiek
2.2.1.1.1.
Hydrologische variabelen
Alle beschikbare gegevens werden verwerkt (bijlage B). Er wordt enerzijds een onderscheid gemaakt tussen de meetjaren onderling en anderzijds tussen de peilen voor en na de uitvoering van de natuurinrichtingsmaatregelen. Voor de analyse van de hydrodynamiek op jaarbasis kunnen uit de grondwaterpeilmetingen 9 hydrologische variabelen worden afgeleid indien de peilbuizen topografisch zijn opgemeten (Zcoördinaat in mTAW). Hiervoor worden alle betrouwbare metingen gebruikt over een periode van 1 hydrologisch jaar. Indien geen gegevens beschikbaar zijn van een volledig meetjaar wordt het gemiddelde vervangen door de mediaan. Variabelen die de dynamiek van het ondiep grondwater beschrijven: - Gemiddelde stijghoogte in de waarnemingsperiode (mTAW); - Minimum stijghoogte in de waarnemingsperiode (mTAW) - Maximum stijghoogte in de waarnemingsperiode (mTAW) - Gemiddeld voorjaarsgrondwaterpeil in de waarnemingsperiode (mTAW) - Gemiddelde diepte onder maaiveld in de waarnemingsperiode (m) - Minimum diepte onder maaiveld in de waarnemingsperiode (m) - Maximum diepte onder maaiveld in de waarnemingsperiode (m) - Gemiddeld voorjaarsgrondwaterpeil in de waarnemingsperiode (m) - Maximale schommeling in de waarnemingsperiode (m) Voor de berekening van het voorjaarsgrondwaterpeil wordt het gemiddelde berekend van de 3 metingen rond 1 april van het betreffende meet jaar (De Becker et al., 2004). In december 2004 werden de pompen stilgelegd. Om de effecten van het natuurinrichtingsproject op de waterpeilen te kunnen evalueren, werd een vergelijking gemaakt tussen de peilen voor en na het stilleggen van de pompen. Zowel voor (ecohydrologische studie) als na het stilleggen van de pompen is voor een aantal peilbuizen een voldoende lange meetreeks beschikbaar. Een synthese van de grondwaterdynamische gegevens van “Periode 4” is opgenomen in bijlage B: 1. Periode 9/07/1998 – 12/05/1999 (ecohydrostudie INBO); 2. Periode 12/03/2003 – 9/10/2003 (voor stilleggen pompen); 3. Periode 28/10/2005 – 25/10/2006 (na uitvoering inrichtingsmaatregelen). 4. Periode 11/2006 – 09/2011 ( T+6) 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 4 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Er moet worden opgemerkt dat de 2e periode (12/03/2003 – 9/10/2003) louter is opgenomen voor de volledigheid. Doordat deze meetreeks slechts héél kort is en geen winterperiode bevat, zijn behalve de voorjaarsgrondwaterstanden (VG), de waterpeilen weinig representatief. De aandacht gaat dus in eerste instantie naar de perioden 1,3 en 4: van 10 peilbuizen zijn er gegevens beschikbaar van voor en na de ingrepen. Wat betreft de spreiding van de peilbuizen in het Vinne kunnen geografisch 4 zones onderscheiden worden: 1. De NO-hoek met de peilbuizen VINP025A, VINP026X, VINP030A, VINP044X, VINP066A; 2. De Z/ZO-hoek met de peilbuizen VINP040A, VINP077A, VINP079A; 3. De Westrand met de peilbuizen VINP071X, VINP072X, VINP083X en de peilschaal VINS001X; 4. De Oostrand met de peilbuizen VINP076A en VINP063X. Pijlbuizen in het rood werden voor het bespreken van de resultaten niet opgenomen. Uit de plaspeilgegevens zien we dat er een verdere stijging is van waterpeil in Het Vinne. Als we de minimum en maximum plaspeilstanden tussen 2006 en 2011 vergelijken zien we een geleidelijke verhoging van het plaspeil ( zie figuur hieronder).
Tabel 1. Plaspeilgegevens
VINS001X
Min. (m)
2006 2007 2008 / 2009 2010 2011 2011-2006
Max (m)
24,7 24,88
25,1 25,1 /
25,07 25,01 25,2 0,5
25,19 25,26 25,5 0,4
Door deze verhoging van het peilmeer is de reactie op de verschillende peilbuizen zichtbaar. Peilbuizen nabijheid meer (vb.VINPO44X, VINPO40A, VINPO30A, VINPO29A, VINPO71X, VINPO72X, VINPO76A) volgen het verloop van meerpeil. Voor enkel peilbuizen zien we afwijking ten opzichte van het peil van het meer in 2011 De neerslaghoeveelheid in augustus 2011 was uitzonderlijk, vermoedelijk is dat een verklaring. Peilbuizen verder van het meer (hoger) hebben twee verschillende reactie. Peilbuizen VINPO25A en VINPO26X hebben een minder uitgesproken schommeling en de grondwaterstand is hoger. De peilstand in het meer heeft een bufferende werking en verhoging van het grondwater. De andere reactie zien we bij de peilbuizen VINPO77A, VINPO83X, VINPO63X en VINPO66A. Deze liggen hoger en we vermoeden dat door de drainerende invloed van het meer hier de grondwaterspiegel gedaald is maar de schommelingen zijn nog steeds uitgesproken.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 5 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) We kunnen de conclusies over het grondwater voor en na de werken van het vorige rapport bevestigen. “ …was reeds aangegeven dat het peil in een aantal peilbuizen duidelijk wordt beïnvloed door het plaspeil (en dus de inrichtingsmaatregelen) en dit blijkt ook het duidelijk uit de tijdscurven. De overige peilbuizen vertonen wel een eerder seizoenaal patroon: dit wijst erop dat andere factoren (neerslag en evapotranspiratie) een grotere invloed hebben dan het plaspeil. Uit de duurcurven blijkt dat het grondwaterpeil in de peilbuizen, die duidelijk worden beïnvloed door het plaspeil, een zeer geleidelijk verloop kennen. Echter: zeer opvallend; voor een aantal peilbuizen waar gegevens beschikbaar zijn van de periode 1998-1999 en 2004-2006, blijkt dat deze na de inrichtingsmaatregelen ook een veel geleidelijker verloop kennen. Zie bijvoorbeeld de duurcurven van de peilbuizen VINP005X en VINP026X. In de periode 1998-1999 worden deze peilbuizen gekenmerkt door een beperkte grondwatervoeding. Dit betekent dat in het loop van het jaar, wanneer evapotranspiratie groter wordt dan de voeding, het grondwaterpeil relatief snel daalt. Dit is niet het geval voor de periode 2004-2006. Vermoedelijk zorgt het plaspeil ervoor dat de grondwaterpeilen minder hoog komen (drainerende invloed), maar ook minder diep wegzakken (bufferende invloed) en waardoor de peilschommelingen kleiner zijn (geleidelijker verloop van de duurcurven).” 2.2.1.1.2.
GRAFISCHE ANALYSE
De hydrodynamiek kan grafisch worden geanalyseerd met behulp van tijdscurven en duurcurven. In een tijdscurve worden de grondwaterpeilfluctuaties per meetpunt weergegeven voor een bepaalde periode. Dergelijke figuur geeft een beeld van de jaarschommelingen voor elke piëzometer of peilschaal. Het grondwaterpeil wordt weergegeven ten opzichte van het maaiveld of als stijghoogte (mTAW). Per grafiek is het aantal meetpunten beperkt tot maximaal 6 - 7 om de leesbaarheid te behouden. In een duurcurve wordt aangeven hoe lang een bepaalde grondwaterstand in bepaald jaar wordt overschreden. Hier wordt het grondwaterpeil weergegeven ten opzichte van het maaiveld. Het opstellen van een duurcurve is enkel zinvol indien gegevens beschikbaar zijn voor een (bijna) volledig meetjaar (ideaal: 26 14-daagse metingen). Zoniet geeft dit een vertekend beeld en kan dit aanleiding geven tot verkeerde conclusies. De grafische analyse bevestigd de voorgaande analyse. Namelijk dat pijlbuizen verder van het meer een grotere amplitude hebben dan peilbuizen dichter bij het meer. De figuren zijn opgenomen in bijlage B. 2.2.1.2.
BESLUIT GRONDWATERDYNAMIEK
We kunnen de dynamiek in de peilbuizen onderverdelen in drie categorieën. -
Peilbuizen nabij het meer met een duidelijke beïnvloeding door het meerpeil.
-
Peilbuizen verder van het meer hebben een verhoging van de grondwatertafel en verlopen geleidelijker ( bufferende invloed meer).
-
Peilbuizen verst verwijderd van het meer hebben een lager grondwaterpeil ( drainerende invloed) en de schommelingen zijn nog steeds uitgesproken.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 6 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) 2.2.1.3.
GRONDWATERCHEMIE
Voor de verwerking van de analyseresultaten zijn verschillende methoden beschikbaar: -
Toetsing aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater (VLAREM);
-
Enkelvoudige analysemethoden chlorideconcentratie);
-
Samengestelde (grafische) analysemethoden (Stiffdiagrammen, IR-EC-diagrammen en EC-pHdiagrammen).
2.2.1.3.1.
op
basis
van
één
parameter
(EC,
pH
en
Toetsing aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater
Een eerste analyse van de grondwaterstalen bestaat uit een toetsing aan de milieukwaliteitsnorm voor grondwater (Vlarem afdeling 2.4.1), waarbij er een onderscheid wordt gemaakt tussen het richtniveau (RN) en de maximaal toelaatbare concentratie (MTC). Hierbij dient te worden benadrukt dat een overschrijding van de MTC niet noodzakelijk het gevolg is van verontreiniging, maar veroorzaakt kan worden door de normale geochemische evolutie van het grondwater. Deze milieukwaliteitsnormen worden daarom in eerste instantie gebruikt om bepaalde gemeten concentraties van de typische eutrofiëringsparameters te situeren en een indicatie te geven van de kwaliteit van het grondwater. De resultaten van de grondwateranlayses zijn weergegeven in bijlage B. Hieruit kunnen voor staalnamecampagne T+5 kunnen volgende vaststellingen worden gedaan: -
De stalen hebben een overwegend lage pH (< 6.5);
-
De elektrische conductiviteit (EC) ligt tussen 127 en 251 µS/cm;
-
Bij de meeste stalen was de sulfaat- en chlorideconcentratie lager dan het richtniveau (250 mg/l);
-
Voor al de opgenomen pijlbuizen zien we een verlaging van de conductiviteit van hoger dan 400 µS/cm naar < 250 µS/cm.
2.2.1.3.2.
IR-EC-Diagrammen
De IR-EC-methode (Ionic Ratio en Elektrische Conductiviteit) probeert met een beperkt aantal basisgegevens een ordening te maken tegen de achtergrond van verschillen in waterkwaliteit die in de hydrologische kringloop optreden. Er wordt een onderscheid gemaakt in thalassoclien water (zeewater),atmoclien water en lithoclien water. Bij het lithoclien ('gerijpt') grondwater kan nog een onderscheid worden gemaakt tussen zacht lithocliengrondwater, afkomstig uit kalkarme sedimenten en hard lithoclien grondwater, afkomstig uit kalkrijke sedimenten. Het referentiepunt voor zacht, lithoclien grondwater kan theoretisch berekend worden volgens de verhouding 20 % neerslagwater en 80 % hard lithoclien grondwater (Jansen et al. 1994).). De IR wordt als volgt gedefinieerd:
IR =
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
[Ca 2 + ] [Ca 2 + ] + [Cl −]
(meq/l)
Pagina 7 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Figuur 1. IR-EC-diagram van de grondwaterstalen van de staalnamecampagne 2011
IR-EC grondwater 1
Li 0,9
0,8
0,7
IR
0,6
0,5
0,4
0,3
At 0,2
0,1
Th 0 0
0,5
1
1,5
2
2,5
3
3,5
4
4,5
5
log10(EC) µS/cm
In het IR-EC diagram worden drie referentiepunten aangegeven als de hoekpunten van een driehoek. Het toppunt van de driehoek is een referentiepunt voor lithoclien water, het punt uiterst rechts voor thalassoclien water en het linkerhoekpunt voor atmoclien water (Beltman et al. 1989; Van Wirdum 1991). Als we de IR-EC-diagram van staalnamecampagne 2011 vergelijken met deze van de 3 vorige staalnamecampagnes dan blijkt dat de stalen ook gegroepeerd zijn maar nu gelegen op en buiten de atmo-lithocliene referentielijn. VINP040X wijkt af naar boven wat een groter aandeel in grondwater inhoudt. 2.2.1.3.3.
EC-PH-Diagrammen
In een EC-pH-diagram wordt de elektrische conductiviteit (veldmeting) uitgezet tegen de pH (veldmetingen). Het doel van een dergelijk diagram bestaat erin om grafisch verschillen te onderzoeken tussen verschillende staalnamepunten.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 8 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Figuur 2. EC-pH-diagrammen van de grondwaterstalen van de staalnamecampagne 2011.
PH
EC-PH Diagram_grondw_okt 8 7,5 7 6,5 6 5,5 5 4,5 4 3,5 3 0
200
400
600
800
1000
EC (µS/cm 20°C)
In de het diagram zie we dat de punten allen voor 400 µS/cm liggen. Ten opzichte van de vorige staalnames is de verlaging van conductiviteit opmerkelijk. 2.2.1.3.4.
Grondwatertypologie
Voor de afleiding van verschillende grondwatertypes wordt enerzijds gebruik gemaakt van enkelvoudige analysemethoden op basis van één parameter en anderzijds van Stiffdiagrammen. Bij Stiffdiagrammen worden watertypen onderscheiden naar combinaties van de dominerende kationen en anionen (op basis van procentuele verhoudingen). De enkelvoudige analysemethoden betreffen een indeling op basis van de elektrische conductiviteit (De Moor & Breuck, 1969), de chloride concentratie (Stuyfzand, 1986) en de pH. Tabel 2. kwaliteitsbeoordeling van water op basis van zijn geleidbaarheid (De Moor & Breuck,1969).
(µS/cm bij 20°C)
Kwalitatieve beoordeling
< 200 200 – 400 400 – 800 800 – 1600 1600 – 3200 3200 – 6400 6400 – 12800 12800 - 25600 26500 - 38400
zeer zoet zoet matig zoet zwak zoet matig brak brak zeer brak matig zout zout
Geleidbaarheid
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 9 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Tabel 3. Kwaliteitsbeoordeling van grondwater op basis van zijn chloridegehalte (Stuyfzand,1986).
chloride gehalte (mg/l)
kwalitatieve beoordeling
< 150 150 – 300 300 – 1000 1000 – 10000 10000 – 20000 > 20000
zoet zoet tot brak brak brak tot zout zout hyperhalien
Voor de pH wordt een indeling gemaakt op basis van de ondergrens van het richtniveau (RN) uit Vlarem II. De ondergrens is 6.5. Grondwater met een pH lager dan 6.5 wordt beschouwd als zuur grondwater (zonder verdere onderverdeling), terwijl grondwater met een pH tussen 6.5 en 7.5 neutraal is. Bij een pH boven de 7.5 wordt gesteld dat het grondwater basisch is (zonder verdere onderverdeling). In tabel 4 worden de grondwaterstalen getoetst aan de toetsingscriteria van de elektrische geleidbaarheid (De Moor & Breuck, 1969), pH (Vlarem II) en chlorideconcentratie (Stuyfzand, 1986). Hieruit blijkt dat het grondwater tijdens de laatste staalname een overwegend zuur karakter heeft (pH < 6.5). Op basis van de chlorideconcentratie kan de opdeling worden gemaakt zoet (de gemeten concentraties zijn allemaal lager dan 150 mg/l). Op basis van de elektrische conductiviteit zijn de stalen zoet of zeer zoet. Er werden geen elektrische conductiviteiten gemeten boven de 400µS/cm. Tabel 4. Indeling van de grondwaterstalen o.b.v. EC, pH en chlorideconcentratie. peilbuisID
datum
EC
beoordeling
pH
beoordeling
Cl
beoordeling
VINP014X
9/09/1998
627
matig zoet
6,42
zuur
37
zoet
VINP014X
17/03/1999
626
matig zoet
7,02
neutraal
38
zoet
VINP014X
12/08/2011
VINP024X
7/09/1998
1653
zwak zoet
5,51
zuur
45
zoet
VINP024X
15/03/1999
1561
zwak zoet
3,57
zuur
50
zoet
VINP024X
27/09/2006
439
matig zoet
4,52
zuur
47,9
zoet
VINP024X
12/08/2011
251
zoet
5,41
zuur
VINP025X
7/09/1998
399
zoet
5,73
zuur
44
zoet
VINP025X
15/03/1999
399
zoet
4,24
zuur
41
zoet
VINP025X
27/09/2006
393
zoet
6,42
zuur
36,1
zoet
VINP025X
12/08/2011
234
zoet
6,35
zuur
48
zoet
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 10 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) peilbuisID
datum
EC
beoordeling
pH
beoordeling
Cl
beoordeling
VINP026X
7/09/1998
432
matig zoet
5,63
zuur
32
zoet
VINP026X
15/03/1999
543
matig zoet
5,34
zuur
47
zoet
VINP026X
27/09/2006
411
matig zoet
4,42
zuur
28,4
zoet
VINP026X
12/08/2011
137
zeer zoet
4,85
zuur
31
zoet
VINP030X
7/09/1998
553
matig zoet
6,06
zuur
48
zoet
VINP030X
15/03/1999
474
matig zoet
5,2
zuur
50
zoet
VINP030X
27/09/2006
421
matig zoet
6,32
zuur
53,8
zoet
VINP030X
12/08/2011
216
zoet
6,73
neutraal
VINP037X
9/09/1998
1037
zwak zoet
6,28
zuur
105
zoet
VINP037X
15/03/1999
821
zwak zoet
6,12
zuur
52
zoet
VINP037X
27/09/2006
388
zoet
5,89
zuur
33,2
zoet
VINP037X
12/08/2011
VINP040X
9/09/1998
562
matig zoet
4,8
zuur
31
zoet
VINP040X
17/03/1999
592
matig zoet
6,64
neutraal
23
zoet
VINP040X
27/09/2006
1396
zwak zoet
6,31
zuur
107
zoet
VINP040X
12/08/2011
150
zeer zoet
6,36
zuur
75
zoet
VINP044X
7/09/1998
440
matig zoet
5,31
zuur
39
zoet
VINP044X
15/03/1999
370
zoet
4,24
zuur
27
zoet
VINP044X
27/09/2006
627
matig zoet
3,84
zuur
55,3
zoet
VINP044X
12/08/2011
127
zeer zoet
5,25
zuur
34
zoet
Alle Stiffdiagrammen op basis van de grondwaterstalen zijn opgenomen bijlage B. In de literatuur (Van der Hoek & Witte, 1994) worden 2 niet-verontreinigde grondwatertypen beschreven op basis van de Stiffdiagrammen: -
Watertype 1 wordt bepaald door calcium en bicarbonaat. Dit is typisch voor lithoclien grondwater. In de literatuur wordt bij dit watertype minstens 50 % van de kationensom ingenomen door calcium en minstens 50 % van de anionensom door bicarbonaat.
-
Watertype 2 wordt bepaald door calcium en sulfaat waarbij calcium minstens 50 % van de kationen inneemt en het percentage sulfaat in de anionensom groter is dan het
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 11 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) percentage van chloride en bicarbonaat en in essentie dus ook minstens 50 % van de anionensom inneemt. Alle grondwaterstalen behoren tot watertype 2, het CaSO4-watertype. Dit was reeds het geval voor de inrichtingsmaatregelen, zodat er tot nu toe geen verschuiving in watertype heeft plaatsgevonden. 2.2.1.3.5.
Besluit Grondwatertypologie
Het grondwatertype CaSO4- is niet veranderd t.o.z. van vorige opname. De pH-waarden en chloride-en sulfaat concentraties vallen binnen de richtwaarden van de milieukwaliteitsnormen voor grondwater in Bijlage 2.4.1 in VLAREMII Doordat het grondwaterpeil zich bevindt in de zone waar oxidatiereacties (aëroob milieu) mogelijk zijn is het aandeel van SO4- groot. De oxidatiereacties (vrijkomen H+) verklaren ook de lage pH-waarden.
2.2.2.
OPPERVLAKTEWATERMEETNET
2.2.2.1.
OPPERVLAKTEWATERSTAALNAME
8 staalnamelocaties (Bijlage A3) werden in de loop van de studie 2 maal fysico-chemisch bemonsterd; een eerste staalname is uitgevoerd in februari 2011 en een tweede in augustus 2011 (totaal: 16 stalen). Volgende parameters werden geanalyseerd: -
Bij staalname: pH, Elek. Cond., O2 (mg/l en %),
-
In het labo: pH, Elek. Cond., o-PO4-, P-tot., NO3--N, NO2--N, NH4+-N, SO4-, Cl-, HCO3-, zwevende stof, BOD, de opgeloste elementen Ca, K, Na, Fe tot, Mg.
2.2.2.2.
Toetsing aan de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater
Een eerste analyse van de oppervlaktewaterstalen bestaat uit een toetsing aan verschillende milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater: -
De basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater en viswater (Vlarem IIbis);
-
De ecologische normstellingen m.b.t. de trofiegraad.
Een eerste toetsing van de analyseresultaten gebeurt aan de basiskwaliteits- en viswaterkwaliteitsnormen. Het resultaat van deze toetsing is weergegeven in tabel 5. De analyseresultaten staan gegroepeerd per meetpunt waardoor de verschillen tussen meerdere monsternamecampagnes duidelijk worden weergegeven. Voor de meetpunten gelegen in het meer is de pH tussen 1998 en 1999 gelegen tussen 4-7 en na de inrichtingsmaatregelen is er een evolutie naar een ph-waarde tussen 7 en 8. FC 105 heeft de laagste pH tussen 4.08 in 1999 en 6.37 in 02/11. Voor alle meetpunten in het meer zien we een geleidelijke verhoging van het chloride-gehalte en verlaging van het sulfaatgehalte. Vermoedelijk gevolg van de inrichtingsmaatregelen.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 12 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) We zien in de zomerperiode een lager zuurstofgehalte omdat de oplosbaarheid van zuurstof daalt bij hogere temperatuur. Dit kan voor problemen zorgen door het zuurstofverbruik s’ nachts door de aanwezige hydrofieten. Tijdens de opnames in februari werden op de volgende meetpunten: Pomphuis,116,113 en 122 hoge BOD-waardes opgenomen die wijzen op een mogelijke tijdelijke vervuiling. Voor meetpunt FC120 (afwaarts de KWZI) was de waterstand steeds laag in de gracht en t.o.z van vorige opnames zien we geen verbetering van de waterkwaliteit. Volgens medewerker van Het Vinne is de KWZI niet meer in werking. De orthofosfaat- en nitraatconcentraties van de weerhouden analyses zijn getoetst aan de trofieklassen volgens Stuijfzand (1993) en Vollenweider (1968) opgenomen in tabel 5. Het oppervlaktewater is overwegend mesotroof. Meetpunt FC120 (afwaarts KWZI) springt er duidelijk uit: deze gracht is hypertroof. Tabel 5. Toetsing van de orthofosfaat- en nitraatconcentraties aan de trofieklassen. meetpunt FC105
FC106
FC113
FC115
FC116
FC120
datum
Stuijfzand
nitraat(mg/l) Vollenweider
26/02/2011
<0,1
<Eutroof
<0,75
Mesotroof
12/08/2011
0,22
Eutroof
<0,75
Mesotroof
26/02/2011
<0,1
<Eutroof
<0,75
Mesotroof
12/08/2011
<0,05
<Licht Eutroof
<0,75
Mesotroof
26/02/2011
<0,1
<Eutroof
<0,75
Mesotroof
12/08/2011
<0,05
<Licht Eutroof
<0,75
Mesotroof
26/02/2011
<0,1
<Eutroof
<0,75
Mesotroof
12/08/2011
<0,05
<Licht Eutroof
<0,75
Mesotroof
26/02/2011
<0,1
<Eutroof
<0,75
Mesotroof
12/08/2011
<0,05
<Licht Eutroof
<0,75
Mesotroof
26/02/2011
1,8
Hypertroof
28
Hypertroof
12/08/2011
0,71
Sterk Eutroof
50
Hypertroof
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
orthosfosfaat(mg/l)
Pagina 13 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
FC122
Pomphuis
26/02/2011
<0,1
<Uetroof
<0,75
Mesotroof
12/08/2011
<0,05
<Licht Eutroof
<0,75
Mesotroof
26/02/2011
<0,1
<Eutroof
4,1
Hypertroof
12/08/2011
<0,05
<Licht Eutroof
<0,75
Mesotroof
3.1.2.3 IR-EC-Diagrammen Naar analogie met de grondwaterstalen, werd ook voor de oppervlaktewaterstalen van de staalnamecampagne 2011 een IR-EC-diagram opgesteld. Als we deze vergelijken met vorige 4 staalnamecampagnes zien we nu een uitgesproken clustering van de meeste stalen. Deze clustering kunnen we mogelijk verklaren doordat de watermassa in het meer is verhoogd waardoor een betere watercirculatie mogelijk is ( betere menging). FC 105 (instroom) en FC 120 (gracht) wijken af. De cluster situeert zich nabij het lithoclienreferentiepunt en deels aan de buitenkant van de de atmolithocliene referentielijn. Dit resultaat is vergelijkbaar met de grondwaterstalen. Figuur 3. IR-EC-diagrammen van de oppervlaktewaterstalen van de staalnamecampagne 2011.
IR-EC oppervlaktewater 1
Li
0,8
IR
0,6
0,4
At
0,2
Th 0 0
0,5
1
1,5
2
2,5
3
3,5
4
4,5
5
log10(EC) µS/cm
2.2.2.3.
Oppervlaktewatertypologie
Om grond- en oppervlaktewaterchemie maximaal te kunnen vergelijken, werden van de oppervlaktewaterstalen eveneens Stiffdiagrammen gemaakt. De Stiffdiagrammen zijn opgenomen in bijlage B. 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 14 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) De resultaten van de Stiffdiagrammen van de oppervlaktewaterstalen verschillen van de grondwaterstalen: bij de grondwaterstalen overheerst het CaSO4-watertype, waarbij de pH altijd lager is dan 7, terwijl bij de oppervlaktewaterstalen het CaHCO3-watertype domineert met een pH van ongeveer 7-7,5 enkel FC 105 is lager dan 7. De Stiffdiagrammen van meetpunt FC105 en FC 120 zijn minder uitgesproken (mengvorm). CaHCO3- is een watertype dat wijst op een diepe kwel. Op basis van de beschikbare gegevens zijn deze resultaten als normaal te beschouwen.
2.3.
Besluit oppervlaktewater
Het aandeel grondwater is verhoogd en de waterkwaliteit voldoet aan de basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater en viswater VLAREM II. (De hoge BOD-waardes op verschillende punten tijdens de winteropnames kan men verklaren door een tijdelijke vervuiling of door de kering van het water in die periode). Er is een verdere eutrofering van mesotroof naar mesotroof-eutroof. Het oppervlaktewater CaHCO3- bevestigt dat het grondwater dat het meer voed afkomstig is uit dieper gelegen lagen (anaëroob milieu) waar verschillende reductie-reacties plaats vinden (vrijkomen OH-). Hierdoor stijgt de pH-waarde en door de reductiereacties ontstaat H2S(g), NH3(g) of N2(g) waardoor het water N en S arm is.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 15 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
3.
VEGETATIE
3.1.
Methodiek
Er zijn zowel opnames gemaakt van permanente quadraten (PQ’s) met de bedekkingsschaal van Londo als proefvlakdekkende opnames met de bedekkingsschaal van Tansley.
3.2.
Resultaten
3.2.1.
Update BWK
De kaart in bijlage A1 geeft de update weer van de BWK kartering zoals geïnventariseerd op het terrein in 2011.
3.2.2.
Huidige invulling van de natuurstreefbeelden
Moeras en stilstaand water bedekken meer dan de helft van de gebiedsoppervlakte. Voor deze berekening werd uitgegaan van de vereenvoudiging dat het ‘meer’ voor 60% uit rietland en voor 40% uit open water (eutrofe plas) bestaat. Het Vinne is door verdere vernatting en kapping homogener geworden. Openwater (ae), riet (mr), Moerassperiaruigte (hf), graslanden (hc,hj,…), bossen (vn,vf,qs) en bosaanplanten van populier, es, beuk en haagbeuk. De overgangen tussen de verschillende doelsystemen zijn abrupt en kleine fragmenten zijn verdwenen. Het aandeel bos is gestegen omdat enkele aanplantingen en ruigtes met boomsopslag nu worden gekarteerd als bos. De rietruigte of moerasspirearuigte die in vorige analyse vervat was onder moeras is nu verder ontwikkeld naar rietland en aldus nu op zijn plaats in dit doelsysteem. Door verdere vernatting en beheermaatregelen is het Elzenbroekbos verdwenen. Tabel 6.Natuurstreefbeelden - Het Vinne Doelsysteem
Opp.(ha)
%
Natuurstreefbeeld
BWK
Opp.(ha)
Stilstaand water Moeras
27
21
Eutrofe plas
ae
27
46
36
Grasland
10
8
Rietland Verruigd rietland Grote zeggen-vegetatie Kleine zeggen-vegetatie Dottergrasland Glanshavergrasland Vochtig lichtbemest grasland gedomineerd door russen soortenarm permanent grasland Moerasspirearuigte verruigd grasland Nitrofiel alluviaal elzenbos Vochtig elzen-eikenbos Zuur eikenbos (voorheen fa en fs) Eiken-berkenbos
mr mru mc ms hc hu
44 1,3 in mr 0,7 1 2
hj
2,5
hp hf hr vn vf
4,5 4,3 1,7 4 2,3
qs
24,6
qb
1,1
Ruigte
6
5
Bos
32
25
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 16 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Onbepaald Totaal
6
5
127
100
k,u,
6 127
Uit de tabel blijkt dat de natuurstreefbeelden eutrofe plas en rietland nu over de grootste oppervlakte voorkomen (samen 57 % van het gebied). Voor deze berekening werd eveneens uitgegaan van hierboven vermelde vereenvoudiging met betrekking tot het ‘meer’. Als derde meest voorkomend BWK staat zuur eikenbos. Het natuurstreefbeeld beuken-eikenbos (fa en fs) is nog steeds discutabel daar de corresponderende BWK codes niet voorkomen in het gebied. Qua vegetatie, trofie- en vochtigheidsgraad zijn deze bossen te typeren als qs (Zuur eikenbos). Een ander opmerkelijke punt is de aanwezigheid van een eenheid grote-zeggenvegetatie na de kaalkap van een sparrenbestand. De ontwikkeling van de verschillende graslanden zijn zeer uiteenlopend en slechts een beperkte oppervlakte is te duiden als hc en hu. 3.2.2.1.
Kwalitatieve ontwikkeling: Tansley opnames
Om een kwalitatieve beoordeling te kunnen geven van de ontwikkeling van de vegetatie binnen de natuurstreefbeelden werden er per aanwezig natuurstreefbeeld ten minste 1 vegetatieopname verricht. Deze opnames gebeurden over een volledige homogene vegetatie-eenheid (“perceel”) en aan de aanwezige soorten werd een bedekkingscode toegekend volgens de Tansley-schaal. Om per natuurstreefbeeld de kwalitatieve ontwikkeling te kunnen afwegen wordt er gebruik gemaakt van de doelsoortenlijst uit het monitoringsrapport T-1 (Messiaen,2003) . Deze lijst werd aangevuld met soorten die kenmerkend zijn voor de vegetatietypes die blijkens voorliggende monitoringsresultaten aanwezig zijn in het Vinne én die bovendien historisch in of nabij het Vinne aanwezig waren. De aangevulde doelsoorten staan in de respectievelijke tabellen in italic weergegeven. Elk natuurstreefbeeld wordt gequoteerd als zwak, matig of goed ontwikkeld. Hierbij wordt uitgegaan van: -
het al of niet aanwezig zijn van doelsoorten;
-
de mate van hun aanwezigheid (bedekking);
-
hun diagnostische betekenis (sommige soorten zijn meer typisch voor het vegetatietype dan andere);
-
van de oppervlakte waarover het streefbeeld voorkomt (oppervlakte is rechtevenredig met de kwaliteit van een natuurtype, zie oa Heutz & Paelinckx (2005));
-
van de ecologische relevantie van het type in de (ruimere) omgeving;
-
van de verwachte maximale ontwikkelingsgraad die kan worden bereikt, oa afhankelijk van de aanwezigheidheid van ‘bron’soorten in nabije natuurgebieden en van potentiële aanwezigheid in de zaadbank van doelsoorten op basis van historische waarnemingen;
-
voorkomen van zeldzaamheden;
-
huidig belang voor fauna in verhouding tot de potentie.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 17 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Tabel 7. Eutrofe plas met veel waterplanten en/of rijke fauna Aanwezig in vegetatieopname
Waargenomen in gebied in 2011
Grof hoornblad Gekroesd fonteinkruid Gewoon sterrenkroos Veenwortel Waterranonkel sp. (Kranswieren) Puntkroos X Klein kroos Veelwortelig kroos Kransvederkruid Duizendknoopfonteinkruid Kikkerbeet Klein fonteinkruid
X
Witte waterlelie
X
X
Mogelijke waterypes: -
Aan de noordelijk zijde Pitrus-wolfspoot ionenarm
-
De ondiepe zones van het meer Kroos–schedefonteinkruid
-
Diepste stukken Waterlelie-gele plomp.
Uit de tabel blijkt niet dat er al enige verscheidenheid zit in de waterflora maar in de praktijk worden zeer grote oppervlaktes ingenomen door Groot Nimfkruid en grootblaasjeskruid en in de rietzones Tenger Fonteinkruid. Ook nu werden soorten uit de Fonteinkruidklasse waargenomen (Waterlelie, Gele plomp). Tijdens de opnames werden zeer weinig draadalgen waargenomen. Op basis van de huidige waterflora, en toekomstmogelijkheden voor diversifiëring indachtig, wordt het natuurstreefbeeld als goed ontwikkeld gequoteerd. Tabel 8. Rietland Aanwezig in vegetatieopname Riet 20-60% min 30% Waterzuring Grote waterweegbree Holpijp Grote egelskop Grote lisdodde Grote kattenstaart Watertorkruid Blauwe waterereprijs Rode waterereprijs 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Waargenomen in gebied in 2011
X
X X
X X
X X
Pagina 18 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Gele waterkers Ruwe bies Hoge Cyperzegge Pluimzegge
X
Moerasvaren Belangrijkste doelsoort is Riet (Phragmites australis), die massaal voorkomt en zich nog uitbreidt. Bij het beoordelen van de kwaliteit van een rietland overwegen de faunistische belangen. Hier scoort het Vinne buitengewoon hoog en bovendien zijn een meerderheid van de voorgestelde plantendoelsoorten voor Rietland aanwezig in het gebied. Volgende soorten niet opgenomen in doelsoortenlijst maar wel in het BWK Mr. werden waargenomen Gele Lis, Liesgras, en wolfspoot. Dit natuurstreefbeeld is goed ontwikkeld. Tabel 9. Grote zeggenvegetatie Aanwezig in vegetatieopname Moeraszegge Scherpe zegge Blaaszegge Pluimzegge
X
Waargenomen in gebied in 2011 X X
Oeverzegge Dominantiegemeenschap van Moeraszegge komt voor aan de noordzijde van het Vinne in de kwelzone. Deze gemeenschap komt voor onder dezelfde omstandigheden als Mr. maar meer landinwaarts, namelijk tussen het rietland en de oever. Volgende soorten opgenomen in het BWK type Mc komen voor Gele Lis, Wolfspoot en Cyperzegge. Gezien de plantensoortenrijkdom van het type laag is, wordt vooral beoordeeld op de aanwezige oppervlaktes. Daarom is dit natuurstreefbeeld zwak - matig ontwikkeld in het Vinne. Tabel 10. Kleine zeggenvegetatie Aanwezig in vegetatieopname Zompzegge Zwarte zegge Pijpenstrootje Tormentil Egelboterbloem Gewone waternavel Zeegroene muur Sterzegge Holpijp Zomprus Moerasstruisgras Moeraskartelblad Geelgroene zegge Veenmos sp.
Waargenomen in gebied in 2011
x X
X X
X
X
X X X
X X
Kamvaren 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 19 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Het natuurstreefbeeld kleine zeggenvegetatie (zuur laagveen) is een lage vegetatie, rijk aan mossen en kleine zeggen, in moerassige laagten. Het is ook in dit perceel dat de meeste van de doelsoorten aanwezig zijn. In het BWK type ms is de waargenomen snavelzegge een typerende soort. Bovendien gaat de vegetatie er op de hogere delen over in heischrale vegetatie. Op basis van de soortensamenstelling wordt het natuurstreefbeeld beschouwd als goed ontwikkeld. Tabel 11. Dottergrasland Aanwezig in vegetatieopname Dotterbloem Moerasvergeet-mij-nietje Moerasrolklaver Echte koekoeksbloem Bosbies Tweerijige zegge Moerasstreepzaad Brede orchis Knolsteenbreek Ruw walstro
Waargenomen in gebied in 2011 x x x x
X X
x
Wilde bertram
Hooiland of slecht onderhouden weiland, tenminste in het winterhalfjaar drassig. Komt voor op mesotrofe bodems. De dominerende grassen worden vergezeld door veel moerasplanten. Soorten typisch hiervan, niet opgenomen in doelsoortenlijst en waargenomen in het gebied zijn veldrus, pitrus. Worden deze graslanden niet beheerd dan evolueert de vegetatie naar moerasspirea-ruigte. In het enige als Dottergrasland beoordeelde perceel komen slechts 2 van de doelsoorten voor in de opname. Bovendien is er een hoge bedekking van Veldrus (typische soort) aanwezig en is de soortenrijkdom vrij hoog, waardoor we het natuurstreefbeeld als matig ontwikkeld beschouwen. Tabel 12. Glanshavergrasland Aanwezig in vegetatieopname Grote vossenstaart Margriet Wilde peen Glad walstro Knoopkruid Veldlathyrus Knolsteenbreek Grote bevernel Beemdkroon Kraailook Groot streepzaad Morgenster 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
X
Waargenomen in gebied in 2011 X X X X
X
X Pagina 20 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Gewone pastinaak Goudhaver
x
Kleine klaver
Mesofiel hooiland met veel schermbloemigen en composieten. Waargenomen soorten opgenomen in het dit BWK type maar niet in doelsoortenlijst zijn fluitekruid, bereklauw, frans raaigras en kropaar De glanshaverhooilanden in het zuiden van het Vinne hebben door het maaibeheer zich verder ontwikkeld van een zwak naar een goed ontwikkeld natuurstreefbeeld.
Tabel 13. Moerasspirearuigte Aanwezig in vegetatieopname Moerasspirea Gewone valeriaan Moerasandoorn Grote kattenstaart Kantig hertshooi Moesdistel
Waargenomen in gebied in 2011 x
X X
x x x x
X
Poelruit
Het aandeel moerasspirearuigte is beperkt in omvang en meer fragmentarisch dan voorheen. Vele ruigtes zijn door vernatting ontwikkeld tot Rietland of Rietruigte. Andere zijn door aangepast beheer overgegaan tot half natuurlijke graslanden. Typisch aan het vegetatietype is dat het niet vlakdekkend voorkomt, maar meestal als ruigtezoom langs nat bos, langs sloten enz. Andere soorten waargenomen zijn harig wilgenroosje, wederik en rietgras. Globaal zijn deze vegetaties zwak ontwikkeld. Tabel 14. Elzenbroekbos Aanwezig vegetatieopname Zwarte els dominant Gele lis Bitterzoet Elzenzegge Wolfspoot Moeraszegge Kale jonker Veenmos Pijpenstrootje Zompzegge Smalle stekelvaren Brede stekelvaren Hoge cyperzegge 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
x
in Waargenomen in gebied in 2011 x x x x x x x x x x Pagina 21 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Moerasvaren Hennegras Zwarte bes Watertorkruid
De bossen die werden benoemd als Elzenbroek, zijn verdwenen ten gevolge van de te hoge waterstand en kapping. Over het hele gebied stelt men een verscherping vast van de grens tussen water en land habitats. De verschillende tussenvormen gaan achteruit. Enkele fragmenten zijn nog aanwezig en daarom is het natuurstreefbeeld zeer zwak ontwikkeld. Tabel 15. Elzen-vogelkersverbond Aanwezig vegetatieopname Zwarte els boom Grauwe els boom Vogelkers boom Hop Gelderse roos Aalbes Groot heksenkruid Gewone es Bosandoorn Schaduwgras Gevlekte aronskelk Gewone salomonszegel Knopig helmkruid Bosanemoon Boskortsteel Daslook Muskuskruid Slanke sleutelbloem Gele dovenetel Ruige veldbies Reuzenzwenkgras Bloedzuring Dagkoekoeksbloem
in Waargenomen in gebied in 2011
x
x
x x x
x x x x
x x
x x
x
x
x
Bosgierstgras
De bostypes uit het elzen-vogelkersverbond zijn in 2011 nog maar slecht vertegenwoordigd. De bosv(om)vorming is een traag proces en het koloniseren van nieuw terrein door bosplanten is dat zeker. We determineren hier twee bostypes: Nitofiel alluviaal elzenbos en vochtig of vrij vochtig elzeneikenbos. De evolutie van deze twee bostypes Vn en vf is een kwestie van (lange) tijd, momenteel is het slechts zwak tot matig ontwikkeld. 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 22 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Tabel 16. Beuken-eikenbos Aanwezig vegetatieopname Gewone salomonszegel Hazelaar Gladde witbol Dalkruid Lelietje-van-Dalen Ruige veldbies Ruwe berk Wintereik Wilde lijsterbes Adelaarsvaren Valse salie
in Waargenomen in gebied in 2011
X
x
X
x
X
x
X
x
In een ontwikkeld Beuken-Eikenbos bestaat de boomlaag uit een combinatie van Zomereik, Beuk, Ruwe berk en Wintereik. In het terreinonderzoek werd nergens bos aangetroffen dat voldoende geleek op een Beuken-Eikenbos om het als dusdanig te benoemen. Als natuurstreefbeeld werd dit type echter over een aanzienlijke oppervlakte afgelijnd voor de loofhoutaanplanten die zich nu tot bos ontwikkelen. Dit bostype heeft echter dezelfde trofiegraad als zuur eikenbos. Het typische FagoQuercetum komt hooguit plaatselijk (zie eikenberkenbos) voor en is dit hoe dan ook zwak ontwikkeld. Tabel 17. Eiken-berkenbos Aanwezig in vegetatieopname Ruwe berk boom Fijn schapegras Valse salie Wilde kamperfoelie Bochtige smele Struikhei
Waargenomen in gebied in 2011
X
x
X X
x x
Pilzegge
Zeer lokaal, aangrenzend aan de kleine zeggenvegetatie/heischraal grasland, komt een bostype voor dat als dit natuurstreefbeeld kan worden geidentificeerd. De boomlaag bestaat uit Zomereik en Berk waarin helaas populieren zijn ingeplant (ringen?) in de struiklaag vinden we hulst, lijsterbes en beuk.. De ondergroei getuigt van een eerder eutrofe grond met veel braam en brandnetel. Daarom is dit streefbeeld matig ontwikkeld.
3.2.3.
De PQ’S: Huidige vegetatie en evolutie TOV monitoringsfase T-1
De nummering van de PQ’s is weergegeven op kaart in bijlage A2. Per PQ wordt hieronder een bespreking gegeven van het vegetatietype en de evolutie van de vegetatie ten opzichte van de opname voor de ecohydrologische studie in 1998. 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 23 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Per pq zijn weergegeven: 1. PQ nr: de volgnummer (1 tot 32) van de geselecteerde PQ’s; 2. PQ nr Orig.: de originele PQ nummer uit de ecohydrologische studie (De Wilde et al., 1999); 3. Associa 1, 2 en 3: de uitkomst van het identificatieprogramma associa, dat het meest gelijkende syntaxon weergeeft in dalende similariteit volgens Schaminee et al. (1995; 1996; 1998) en Stortelder et al. (1999).; 4. Bespreking huidige vegetatie; 5. EVOLUTIE: Vergelijking met de opnames uit de vorige monitoringsronde. PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 1 Open water met een diepte van 0.60 m. Tijdens de opname werd enkel Riet aangetroffen. Buiten de PQ in de nabije omgeving troffen we witte waterlelie en gele plomp aan. EVOLUTIE: T.o.z. van vorige opname is enkel riet waargenomen. Klein- en Puntkroos, blaasjeskruid kwamen niet voor in de PQ. Gezien de vorige opname is uitgevoerd in september is het niet uitgesloten dat na onze opname in mei 2011 de situatie is veranderd.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 2
01AA01A
01AA01B
01AA01B
Open water met een diepte van 0.40 m. Tijdens de opname werd enkel grootblaasjeskruid aangetroffen. In tegenstelling tot vorige opname werd het aanwezige blaasjeskruid gedetermineerd als groot blaasjeskruid. EVOLUTIE: T.o.z. van vorige opname is enkel groot blaasjeskruid waargenomen. De verschillende soorten van vochtig storingsmilieu en natte ruigte zijn volledig verdwenen.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 3
32RG04
08BB04C
08BB04B
Deze pq is gelegen in de oeverzone van het rietveld. Hier ziet men dat ruigtezone tussen het populierenbestand en de rietzone terrein verliest. In deze PQ is er duidelijk een evolutie van een natte strooiselruigte met RG van Bitterzoet-Riet naar een Riet-verbond. EVOLUTIE: De soorten van de moerasspirearuigte die voorkwamen tijdens de vorige opname zijn verder terug gedrongen en brandnetel en kleefkruid zijn enkel zeer fragmentarisch aanwezig. Verdere vernatting zal leiden naar een riet-associatie, typische subassociatie.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 24 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 4
16RG11
33RG01
16RG09
De vegetatie kan men omschrijven als een vochtig grasland van het type RG Grote vossestaartKweek-[Glanshaver-verbond]. De facultatief dominante soorten en constante soorten voor dit type grasland zijn aanwezig. EVOLUTIE: De verruiging van het vochtig grasland is teruggedrongen. We zien een duidelijke afname van de berenklauw, grote brandnetel en andere ruigte-soorten. Een verder aangehouden maaibeheer (2x jaarlijks) zal resulteren in een (vochtige versie van) glanshaverhooiland.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 5
08AA04
10AA01A
08BB03D
Open water met een diepte van 0.5 m. en aanwezigheid van afgestorven populierenopslag. Enkel Grote lisdodde en Riet zijn aanwezig. EVOLUTE: T.o.z. van vorige opname is enkel riet nog waargenomen. De verwachte evolutie van een uitbreiding van het riet is nog niet gebeurd. Daarentegen is de Grote Lisdodde binnengedrongen in deze PQ.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 6
08BB04C
08bb03D
08BB04D
Open water met een diepte van 0.7 m. Tijdens het doorwaden van het PQ werd een sterke H²S geur waargenomen (geur afkomstig van anaëroob rottingsproces). Riet domineert sterk. Dit is een vitaal rietland dat fytosociologisch wordt benoemd als een Typho-Phragmitetum. De pq is zeer soortenarm (maar ecologisch wel gunstiger voor fauna).
PQ nr Associa 1
Associa 2
PQ 7
05BB02
06AD01
Associa 3 06AC03
Open water met een diepte van 0.4m en een beperkte sliblaag. De PQ bevat nog een beperkte overgangszone met de oever. De waargenomen vegetatie vormt grotere eilandjes aan de oeverzijde en gaat over in enkel kleine eilandjes. De PQ is gelegen in de overgangszone tussen oeverkruidklasse en Fonteinkruid-klasse. EVOLUTIE: Door de aanwezigheid van Cyperzegge en pitrus wordt de vegetatie ondergebracht in de oeverklasse. Of deze zone zal evolueren naar een riet-klasse zal afhankelijk zijn van de onderlinge concurrentiekracht op deze bodem en toekomstig beheer (vernatting, maaien,…).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 25 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 9
01AA01B
01AA02A
01AA01A
Openwater met een diepte van 1 m. Buiten deze PQ zien we dat het groot nimfenkruid op de diepere plaatsen dominant aanwezig is.
Groot Nimfenkruid (Najas marina) Beschrijving Afmeting: 10 tot 70 cm. Levensduur: Overblijvend. Bloeimaanden: Juli t/m september. Wortels: De wortels ontspringen aan de onderste stengelknopen en zijn vastgegroeid in het bodemslib. Stengels: De sterk vertakte stengels staan rechtop. Ze zijn bedekt met verspreide stekels. Bladeren: De smal langwerpige, bochtige bladen zijn 1 tot 6 mm breed. De randen en vaak ook de middennerf is aan de onderkant stekelig getand. Bloemen: De planten zijn tweehuizig. De meestal alleenstaande, groenige bloemen groeien in de bladoksels. De mannelijke bloemen (met de meeldraden) zijn 4-hokkig en 3 tot 4 mm groot. Het bloemsteeltje is hoogstens 2 mm. De vrouwelijke bloemen hebben een eivormig vruchtbeginsel op een korte dikke stijl met meestal 3 priemvormige stempels. Vruchten: De nootjes zijn iets afgeplat, met 1 glanzend, 3 tot 5 mm lang zaadje met een onregelmatig patroon van vrij ronde mazen. Biotoop Bodem: Zonnige, warme plaatsen in ondiep (minstens een halve meter diep), matig voedselrijk, stilstaand of zwak stromend, kalkhoudend, zoet of zwak brak water met een bodem die bedekt is met een vrij dikke losse laag organisch materiaal. Groeiplaatsen: Plassen, petgaten, brede sloten en rivierlopen. Verspreiding Wereld: In alle werelddelen, voornamelijk in de warmere streken. In Europa het meest in het midden en oosten, noordelijk tot langs de Botnische golf. Verspreidingskaart België: Zeer zeldzaam in het Belgisch-Franse grensgebied langs de Schelde bij Maulde. Beschermd. Rode lijst Vlaanderen. Zeldzaam. Rode lijst Wallonië. Ernstig bedreigd.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 10 04BA02
36AA02A
05CA01
Rietland in open water met een diepte van 1 m. Deze PQ bevat een eilandje dat ontstaan is door de stronken van enkele omgevallen bomen. De stammen van de zachte berk zijn na de kap niet verwijderd. De PQ ligt aan de grens van de meeuwenkolonie (eutrofering) en daar waar er open plaatsen zijn in het rietland zien we een overvloedige aanwezigheid van aquatische vegetatie.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 26 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Buiten de eilandjes zijn al de verlandingssoorten verdwenen. De aquatische Grootblaasjeskruid, puntkroos en tenger fonteinkruid begeleiden het riet en grote lisdodde
soorten
EVOLUTIE: Het rietland zal op termijn de open plaatsen innemen maar door de dominante aanwezigheid van de verschillende aquatische soorten zal dit proces niet zo snel verlopen.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 11 08BB04B
08BB03D
32RG04
Rietland in open water met een diepte van 0.6m. Buiten de grote lisdodde en riet zien we hier LIESGRAS. EVOLUTIE: De afwezigheid van de begeleidende aquatische soorten grootblaasjeskruid, kroos is waarschijnlijk geralateerd aan de periode van de opname. Het voorkomen van liesgras is opvallend door zijn afwezigheid in de rest van gebied. Liesgras zal bij verdere eutrofering van het meer sterk kunnen uitbreiden en is het dus raadzaam een aangepast beheer te voeren in deze zone. Liesgras maaien in oktober met afvoer ( Goede resultaten in Babbelbeekse Beemden door Natuurpunt).
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3.
PQ 12 01AA01A
01AA01B
01AA02A
Open water centraal gelegen in het meer met een diepte van 1.20 m. Alle vegetatie toz van vorige opname is verdwenen door de stijging van het waterpeil. Geen zichtbare aanwezigheid van aquatische vegetatie. Afgebroken stukken Groot nimfkruid (vegetatieve voortplanting) en groot blaasjeskruid drijven in het PQ.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 13 38AA03A
04BA02
08RG03
Deze PQ met een diepte van 0.4 m is gelegen in de emergente zone. Grote Lisdodde is hier de dominante soort. Boomopslag van zwarte Els en Grauwe wilg. Verder zien we Pitrus en als aquatische vegetatie Puntkroos en Groot Blaasjekruid. EVOLUTIE: Door de verdere vernatting is de soorten rijkdom nog verder afgenomen. We zien een verdere evolutie naar Riet-klasse met RG Grote lisdodde en een verder afname van Wilgenvloedstruwelen.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 27 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 14 42DG02
41DG02
40AA01C
De pq is gelegen in een vrij droog bos, op de plaats waar dit overgaat naar de aangrenzende nattere vegetaties. Door de omgevallen berken op de grens van droog/vochtig is een open plek ontstaan. Door ontsluiten van de kroonlaag is er een sterke toename van Braam en kiemen van Amerikaanse eik. In de boomlaag zit zowel Zachte berk als Ruwe berk en verder zien we Amerikaanse Eik en Zomereik. In de struiklaag Spork, Lijsterbes en Hazelaar. Er is duidelijk een natte en droge zone. De benoeming van deze PQ is moeilijk door hetrogrene samenstelling van de waterhuishouding binnen deze PQ. Associa houdt het op Eiken-Beukenbossen op Voedselarme bodem DG Amerikaanse Eik, klasse der Naaldbossen DG Braam en Berkenbroekbossen. EVOLUTIE: In de overgangszone droog/nat aan de rand van de PQ zal een verdere verstrueling plaatsvinden. De PQ zal dus een een gradient vormen tussen natte ruigte en Eiken-Beukenbos indien er geen verdere vernatting plaats vind. Voor verdere monitoring is het misschien raadzaam een PQ te plaatsen in de droge zone en een PQ in de natte zone.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 15 42RG02
42AA02E
34AA01B
Vegetatiekundig benadert de opname het dichtst het Eiken-Beukenbos op voedselarme grond Hoogste bedekkers zijn Zomereik en zachte berk in boomlaag, Spork en Wilde lijsterbes in struiklaag en Braam/Hennep netel/waterpeper/Pitrus in kruidlaag. De kruidlaag bevat verscheidene freatofyten (zie hieronder). EVOLUTIE: Er is een duidelijke bosstructuur met 3 niveaus. Door het sluiten van de kroonlaag is braam teruggedrongen. De aanwezigheid van de freatofyte soorten zoals Bitterzoet/ Pitrus/ waterpeper duiden op een vochtige bodem. OPM. Tijdens vorige opname spreekt men van Beklierde Duizendknoop maar nu werd Waterpeper gedetermineerd.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 16 39RG01
42RG02
18RG01
We zien hier een ijl fragment van een Eiken-Beukenbos op voedselarme grond. De struiklaag (Spork) werd verwijderd en door begrazing is de kruidlaag beperkt aanwezig. Het bos is ingesloten tussen zeer vochtig jong bos en vochtig grasland . De kroonlaag is gesloten door de grote vrijstaande Zomer Eiken. In de kruidlaag zien we kiemen van spork en lijsterbes. Aan de zijde die grenst met het jong vochtig bos zien we verschillende vochtindicatoren, Bitterzoet, grote wederik, pitrus. EVOLUTIE: Doordat het bos bestaat uit enkele hoge Zomer Eiken en omringd is met lagere vegetatie structuren kan het licht goed doordringen. Indien de begrazingsdruk niet hoog zal zijn zal er een 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 28 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) dense struiklaag ontstaan van vooral Spork, Amerikaanse Vogelkers en lijsterbes met in kruidlaag smalle stekelvaren, Wilde Kamperfoelie,Braam,… OPM. Beheermaatregelen tot het bestrijden van Amerikaanse vogelkers is aangewezen.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 17 19AA02
09RG02
28AA02B
Vochtig grasland gelegen in een depressie en verdicht door de machines voor de eindkap van Populier. Door de ontbossing en begrazing is een zeer soortenrijk grasland ontstaan. De typering is moeilijk door verstoring van de grond en door de ligging van het PQ in een depressie. We zien hier fragmenten van heischraal grasland, Verbond van zwarte zegge maar even goed kan deze zone verschuiven naar riet-klasse of oeverkruidklasse. De determinatie van Gele zegge willen we hier plaatsen als behorende tot de groep van de gele zegge (een vijftal soorten). Gele zegge is zeer zeldzaam en de verschillende flora spreken elkaar tegen wat betreft de determinatie van Gele Zegge (Carex Flava). Een verdere determinatie in 2012 van deze PQ is wenselijk. Waarschijnlijk door het rooien van het bestand zijn de verschillende zegge soorten gaan kiemen. Deze zeggesoorten zijn soorten van het Blauwgrasland.
De groep van de Gele Zegge en indien later blijkt Gele Zegge is zeer waardevol en een aangepast beheer is nodig. Gele zegge is een pioneervegetatie en zal verdwijnen zonder beheer. Maaibeheer met afvoer en verwonding bodem kunnen een optie zijn maar verder onderzoek is nodig om het juiste beheer te bepalen. Namen Nederlands: Gele zegge Wetenschappelijk: Carex flava Familie: Cypergrassenfamilie, Cyperaceae Beschrijving Afmeting: 30 tot 70 cm. Levensduur: Overblijvend. Bloeimaanden: Mei en juni. Wortels: Een korte wortelstok. Stengels: De starre stengels zijn scherp driekantig, glad en meestal niet langer dan de langste bladen. Er zijn zelden meer dan 4 spruiten per pol. De onderste scheden zijn bleekbruin en gaan vezelen. Bladeren: De slappe bladeren zijn lichtgroen, maar worden spoedig geelgroen. Ze zijn 4 tot 5 mm breed en gootvormig of vlak. Bloemen: Een compacte bloeiwijze met een vrijwel zittende mannelijke topaar en dicht daaronder 2 of 3 rechtopstaande, eivormige en dichtbloemige vrouwelijke aren van 1 tot 1½ cm en 1 cm breed met 3 stempels. De bladachtige schutbladen staan af of zijn teruggeslagen. Ze zijn veel langer dan de bloeiwijzen en hebben een korte, nauwe schede. Vruchten: De 5 tot 7 mm grote, gele urntjes zijn gekromd-spoelvormig. De snavel is ongeveer even lang als de rest van het urntje en heeft een 2-tandige top. Biotoop Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde, vaak vrij open plaatsen op vochtige tot natte, matig 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 29 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) voedselarme tot matig voedselrijke, onbemeste, kalkhoudende, humeuze grond (laagveen, leem, komklei en zavel). Vaak op plekken met basenrijke kwel. Groeiplaatsen: Greppels, moerassig grasland, schraal grasland, veentjes, loofbossen (vooral plekken waar gerooid is) en kleigroeven. Verspreiding Wereld: In Noord-Amerika, op enkele plaatsen in West- en Midden-Azië, in Noord-Afrika en in Noord-, Midden- en Zuidwest-Europa. Zeer zeldzaam in Groot-Brittannië (op 1 plek) en in de Noord-Duitse laagvlakte. Verspreidingskaart Vlaanderen: Zeer zeldzaam. Rode lijst. Met verdwijning bedreigd. Beschermd. PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 18 34AA01C
18AA01
42AA02C
Quercion-bos met een rijke struik- én kruidlaag. Meest overeenkomende associatie is het Beuken – Eikenbos maar door de verstoring van het proefvlak door een pad krijgt de klasse der kapvlaktegemeenschap en de klasse van Gladde Witbol en Havikskruid (zoom) voorrang in associa. Het pad wordt weinig gebruikt en was waarschijnlijk de afvoerpiste en nu de toegangsweg voor machines die het maaibeheer uitvoeren ( naast PQ ligt een grote hoop maaiafval). EVOLUTIE: Door een verdere verbossing zal de structuur en vegetatie meer overgaan naar een goed ontwikkeld Beuken-Eikenbos. De struiklaag zal zich verder ontwikkelen en de kruidlaag zal soortenarmer worden. Braam zal waarschijnlijk de dominante soort worden.
PQ nr Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 19 08RG08
07AA02C
36AA02A
Zeer vochtig rietlandschap met als globale vegetatie moeraszegge. Door verdere vernatting zijn er enkel soorten verdwenen zoals zompzegge, koniginnenkruid, ruwe berk,pijpenstrootje. Andere soorten zijn sterk afgenomen zoals Pitrus of sterk toegenomen zoals Moeraszegge. De soorten van nat milieu zoals riet, grote lisdodde, Grote Kattenstaart, Blauw glidkruid hebben zich kunnen handhaven. EVOLUTIE: Vanuit een natte kapvlakte is er een vegaetatie onstaan van de Riet-Klasse met een RG van Moeraszegge. We zien nog fragmenten van bos vegetatie (Spork, Brede Stekelvaren) maar deze zullen waarschijnlijk verdwijnen indien het waterpeil niet veranderd of verder verhoogt. OPM In nabijheid van deze PQ werd ook Bosbies waargenomen.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 20
39RG03
37AB01A
36AA02A
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 30 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Deze vochtige ruigte is net als PQ 19 geëvolueerd van natte kapvlakte naar een Riet landschap met een RG van Moeraszegge. Door vernatting zien we hier ook duidelijk de toename van moeraszegge en afname Pitrus. In de drogere zones zien we braam, brede stekelvaren en lijsterbes. EVOLUTIE: De ruigtevegetatie werd gedomineerd door Pitrus tijdens de vorige opname en vertoonde globaal het meest affiniteit met Moerasspirearuigte (Filipendulion). Toch waren ook soorten als Gestreepte witbol en Braam in hoge bedekking aanwezig. Door een verdere vernatting is deze PQ ook geëvolueerd naar de Riet-klasse met een RG van Moeraszegge.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 21
32RG04
08BB04C
08RG08
De huidige vegetatie is een zeer vochtig rietlandschap Moeraszegge een erg hoge bedekking.
(waterdiepte 0.2 m). Behalve Riet haalt
EVOLUTIE: In 2006 was dit een overgang tussen moerasspirearuigte en rietland. Het aandeel Riet is gestegen en de soorten rijkdom is verder gedaald van 11 naar 5. Overgang tussen Klasse der natte strooiselruigten met RG van Bitterzoet en Riet-verbond.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 22
36AA02A
10RG04
36AA02B
Rietland met Veenmos en Pijpenstrootje. Associa plaatst deze PQ bij de klasse der wilgenbroekstruwelen en de Klasse der hoogveenbulten en natte heide. De soortenrijkdom in het pq is eerder laag; zowel Snavelzegge als Bloem/Blaaszegge komen er in voor. EVOLUTIE: PQ is relatief stabiel gezien de bedekking van dominanten Riet en Pijpenstrootje vergelijkbaar blijft. Verschil is het verdwijnen van Grote wederik, Beklierde basterdwederik.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 23
16RG02
16RG01
16AB01
Klasse der vochtige graslanden met een RG van gestreepte witbol en Echte Koekoeksbloem. In deze PQ zien we een hoog aandeel aan Veldrus en Gestreepte witbol. EVOLUTIE: Veldrus neemt binnen de PQ toe in bedekking. We kunnen hier moeilijk conclusies trekken daar er reeds twijfel bestaat over kwaliteit van de vorige opname (opname in 2006 vrij laat gedaan: na half juli). Als we de soorten vergelijken zien we dat 8 soorten verdwenen zijn en 13 nieuwe soorten aanwezig zijn.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 31 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 24
43AA02A
43AA01B
43RG01
Deze pq werd niet opgenomen in 2006. Het is een jong vochtig loofbos met 3 niveau’s. Associa geeft hier Eiken-Beukenbossen op voedselrijke grond.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 25
33AA05B
16RG01
33AA04B
Vochtig grasland met sterke grassendominantie van Gestreepte Witbol s en Glanshaver. In de huidige toestand een rompgemeenschap die onder verder maaibeheer zal evolueren naar een voedselarmere vorm van Glanshaverhooiland of dotterbloemhooiland. Door de determinatie van Gladde witbol in 2006 en nu van Gestreepte Witbol is de vergelijking in associa tussen beide opnames moeilijk. EVOLUTIE: Grote verschillen tussen de twee monitoringsrondes: We noteren nu 18 soorten en waarschijnlijk door de latere monitoring in 2006 zijn verschillende soorten niet gedetermineerd.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 26
16RG09
31CA01B
16RG01
Matig vochtig grasland in hoogstamboomgaard.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 27
43AA02A
43AA01B
37AB01C
Deze PQ is gelegen aan de rand van een gesloten jonge aangeplant van loofbos en aan de andere zijde en open meer ontwikkeld loofbos. De overgang is een ruigte met zware vermesting door de uitwerpselen van de aanwezige runderen. De PQ kunnen we dus indelen 2/6 loofhoutaanplant met nauwelijks ondergroei, 3/6 ruigte en 1/6 open bos. Voor verdere monitoring raden we aan om voor elk bos-type een PQ te voorzien.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 28
08BB04B
08BB04C
01RG02
PQ bevind zich op een open plek in het Rietland. 60 % is open water met een diepte van 1.25 m. Verder zien we puntkroos en groot blaasjeskruid.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 32 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) EVOLUTIE: Toz van vorige opname is door verdere vernatting de soorten rijkdom verder afgenomen en is enkel Riet nog aanwezig.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 29
43AA02A
43AA01B
33AA04A
Vochtig ontwikkeld bos met drie duidelijke etages. Voedselrijkbos van het Iepenrijk eiken-essen verbond ingeplant met populieren. De boomlaag bestaat verder uit Es. In de struiklaag is er hoge bedekking van Eenstijlige meidoorn en in de kruidlaag valt het hoge aandeel Geel nagelkruid, Braam en Gewone es op. EVOLUTIE: Toz van 2006 is verdere kroonsluiting en zien we een toename van Braam en Meidoorn en een afname van Hondsdraf. Riet en Gewone Hennepnetel zijn niet meer aanwezig.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 30
08RG03
10DG01
08BB03D
Ondiep openwater met riet en grote lisdodde. Er werden hier geen waterplanten gevonden. EVOLUTIE: Door verdere vernatting is er een rietlandschap ontstaan.
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 31 Open water in peligiale zone van het meer. Er drijft enkel puntkroos en fragmenten grootblaasjeskruid en Groot Nimfkruid in deze PQ (later op het jaar zal een groot deel worden ingenomen door groot nimfkruid ook voor PQ 9 en 12).
PQ nr
Associa 1
Associa 2
Associa 3
PQ 32
43AA01C
33AA04A
43AA02A
Dit is een aanplant die zich tot een jong bos heeft ontwikkeld met een matige onderbegroeing. We zien nog geen duidelijke differentiatie tussen boom-, struik- en, kruidlaag. In de kruidlaag zien we nog steeds nietrofiele soorten als brandnetel, kleefkruid en fluitenkruid maar de struiklaag is verder ontwikkeld met als grootste aandeel lijsterbes en meidoorn. Zoete kers en zomereik vormen een gesloten kroon. EVOLUTIE: De jonge aanplant heeft zich ontwikkeld tot een jong bos waarin de kronen zich sluiten en er een differentiatie van de verschillende lagen zichtbaar is. Het is een voedselrijke omgeving en door een verdere sluiting van de kroonlaag zal de soortenrijkdom van de kruidlaag. 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 33 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) 3.2.4.
Bijzonderen plantensoorten
In het totaal werden in de 31 PQ’s en de 13 Tansley-opnames (kaart A5) 149 plantensoorten aangetroffen. Gezien deze opnames slechts plaatsvonden over een fractie van de totaaloppervlakte van het Vinne, geeft dit getal geen idee van de totale soortenrijkdom aan planten in het Vinne, die alleszins veel groter is. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de in 2011 aangetroffen soorten die op de Vlaamse rode lijst staan .
Tabel 17. Vlaamse rode lijst staan Wetenschappelijke naam Calluna vulgaris (L.) Hull Cynosurus cristatus L. Potentilla erecta (L.) Räuschel Carex flava L. Najas marina L. Utricularia vulgaris L.
3.3.
Nederlandse naam Struikhei Kamgras Tormentil Gele zegge Groot nimfkruid Groot blaasjeskruid
Rode Lijst categorie achteruitgaand achteruitgaand achteruitgaand met verdwijning bedreigd zeldzaam zeldzaam
Besluit
Het Vinne is door verdere vernatting en beheermaatregelen verder ontwikkeld naar een gebied met duidelijk natuurtypes. Het verstoorde beeld van net na de maatregelen is overgegaan naar een homogener gebied. Open water en een goed ontwikkeld rietland, ruigtes als gradiënten in overgangsgebieden, graslanden in beheer zijn geëvolueerd naar hc of hu. Het bos is verder ontwikkeld en etages zijn gevormd. De overgang nat/ droog is op vele plaatsen abrupt waardoor het Broekbos is verdwenen. De potenties van het Vinne zijn duidelijker waardoor bepaalde natuurstreefbeelden zullen moeten aangepast worden. Voor verdere monitoring zal een verplaatsing van sommige PQ’s aangewezen zijn om bepaalde natuurstreefbeelden op te volgen.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 34 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
4.
VISSEN
4.1.
Inleiding
De monitoring van de aanwezige ichtyologische fauna in het provinciale natuurreservaat van Zoutleeuw werd uitgevoerd tussen 27 en 30 juni 2011 door het team van FUNDP-URBE. Deze studie werd uitgevoerd als vervolg op de monitoring uitgevoerd in 2006 door het studiebureau AEOLUS. Het meer van Zoutleeuw bevindt zich boven vroegere overstroombare weilanden waarvan de drainage onderbroken werd (Figuur 4). De beheerders hebben in dit meer geen pootvissen uitgezet om een natuurlijke herkolonisatie van de ichtyologische populatie toe te laten. Enkel pootvissen van roofvissen
Figuur 4: Uitzicht op het meer vanaf de centrale observatietoren (Sander lucioperca) werden geïntroduceerd om de ontwikkeling van een invasieve soort voor België te beperken, nl. de Pseudorasbora (Pseudorasbora parva) (communicatie met het technische personeel van het reservaat). Het meer van Zoutleeuw bestaat vooral uit vrij ondiepe zones (ongeveer 50 cm) doorsneden door geulen, ongeveer twee meter breed, van grotere diepte. Deze geulen zijn vrij van aquatische vegetatie maar worden omzoomd door omvangrijke rietvelden. De minder diepe zones zijn op hun beurt gekoloniseerd door diverse hydrofieten en helofieten evenals door enkele houtachtige soorten. Deze habitatdiversiteit biedt een potentieel interessante omgeving voor talrijke vissoorten (Figuur 5)
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 35 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Figuur 5 : Foto’s van de verschillende habitats aanwezig op het meer van Zoutleeuw (geulen en rietvelden – helofieten aan de waterkant – houtachtige halfwaterplant)
Een puntmeting van de fysico-chemische toestand van het meer werd uitgevoerd in de namiddag van 28/06/2011 met behulp van een multiparameter sonde « Hydrolab ». De meting werd uitgevoerd vanuit de zodiac ter hoogte van een geul. De concentratie opgeloste zuurstof is hoger dan 6 mg/l ondanks de hoge temperatuur van het water van het meer (30,2°C). De zuurstofverzadiging is met zekerheid constant gedurende de dag dankzij de fotosynthese van de hydrofieten maar riskeert omlaag te gaan gedurende de nacht en kan beperkend zijn voor de goede ontwikkeling van de aquatische fauna. De pH is neutraal (7,68) maar de geleidbaarheid is hoog (605,9 µS/cm) wat zou kunnen voortkomen uit een belangrijke concentratie van organisch materiaal (Tabel 18). Tabel 18 : Fysico-chemische toestand van het meer van Zoutleeuw, op 28/06/2011 Parameter
Waarde
Eenheid
T°
30,2
°C
Geleidbaarheid
605,9
µS/cm
Opgeloste O2
84,6
%
O2
6,39
mg/l
pH
7,68
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 36 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
4.2.
Methodologie
4.2.1.
Staalname
Wij hebben 3 staalnametechnieken toegepast zoals beschreven door Belpaire et al. (2000) in het kader van het opmaken van de opstelling van een index voor biotische integriteit aangepast aan ichtyologische populaties en aan Vlaamse watertypes. Alle staalnames werden uitgevoerd in goede omstandigheden (open weer, zwakke wind…). De natuurlijke hoge troebelheid van het milieu heeft geen invloed gehad op de resultaten van de inventarisatie. 4.2.1.1.
Elektrisch vissen
De variabele diepte van het meer evenals de verslibbing hebben het nodig gemaakt om vanaf een boot (Zodiac) te vissen. De DKA generator gebruikt bij het elektrisch inventariseren wekt een continue stroom (gelijkgericht) op van 300 volt en 5 ampère. De inventarisaties werden uitgevoerd door een team van 4 personen (Figuur 3). Twee monsternametechieken met behulp van elektriciteit werden gebruikt op 27 en 29/06/2011 (Belpaire et al, 2000): - De vangst per transect, ter hoogte van de 8 in 2006 geïnventariseerde geulen. Er werd één doortocht per transect uitgevoerd en alle gevangen soorten werden individueel geïdentificeerd, gemeten en gewogen. De individuen die werden waargenomen maar ontsnapten aan de vangst werden in rekening gebracht als hun identificatie zeker was. - De punt bemonstering op 6 verschillende zones van het meer. Deze kwalitatieve techniek laat toe om alle potentiële microhabitats te dekken en om de vangst van de verschillende soorten te maximaliseren. Enkel de snoeken (Esox lucius) evenals de nog niet eerder gevangen taxa werden onderworpen aan individuele meting. 4.2.1.2.
Visvangst met netten
Een inventarisatie met warrelnetten werd uitgevoerd in de nacht van 27 op 28/06/2011 om de diversiteit van de gevangen soorten te maximaliseren en om de CPUE (Vangst per Inspanningseenheid of Catch Per Unit of Effort) van de verschillende soorten in te schatten (Quiros, 1990). De warrelnetten van eendradig nylon zijn uitgerust met een met lood verzwaard ondernet en met een bovennet met vlotter en hebben een lengte van 50 m op een hoogte van 2 m. Een set van 3 netten (20, 30 en 50 mm maaswijdte) werd geplaatst om alle grootteklassen van de potentieel aanwezige soorten te dekken. De vissen werden individueel gedetermineerd op soort, gemeten en gewogen. In het licht van de omvang van de vangsten, werd echter een aselecte steefproef van 100 karperachtigen individueel gemeten en gewogen en werd de rest enkel gewogen per lot en geteld.
De omvang van het aantal vangsten met warrelnetten evenals de hoge mortaliteit verbonden met deze techniek (in het bijzonder bij de temperatuursomstandigheden tijdens de staalname) heeft ons genoodzaakt tot het slechts eenmaal uitvoeren van deze techniek.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 37 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) 4.2.2.
Verwerking van de gegevens
De methode van Seber en Le Cren (1967) kon niet gebruikt worden aangezien slechts één enkele doortocht uitgevoerd werd op de verschillende transecten. Het aantal individuen en de biomassa per hectare kon uitgedrukt worden door de geïnventariseerde oppervlakte te schatten (lengte van de transecten * diameter van het elektrische veld van de anode (2 m bij conventie)). Op basis van de vangstgegevens en na verwerking van de gegevens volgens Belpaire et al. (2000) (selectie van de matrices, gebruik van tolerantieniveaus), werden de geselecteerde parameters berekend en werd de IBI score bepaald. Voor de karperachtigen wordt de K-conditiefactor (Tesch, 1971) berekend, die de dikte van de vis beoordeeld. De ruwe gegevens evenals de verwerkte gegevens werden in bijlage weergegeven ter aanvulling van het voorliggende rapport.
4.2.3.
Bemonsterde sectoren
Wij hebben dezelfde transecten als in 2006 geïnventariseerd om de evolutie van de populaties te kunnen beoordelen. Tabel 19 herneemt de Lambertcoördinaten van de start- en eindpunten van de transecten. De opgegeven transecten bevonden zich op plaatsen waar vroeger in het gebied sloten aanwezig waren. De centrale geulen zijn tot 2 m diep, terwijl deze aan de randen van het meer minder diep zijn. Tabel 19 : Lambertcoördinaten van de geïnventariseerde transecten in 2011 Startpunt Transecten 1 2 3 4 5 6 7 8
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
X 203.333 203.260 203.220 203.498 203.056 203.051 202.966 203.777
Y 169.992 169.858 169.697 169.809 169.781 169.737 169.575 169.927
Eindpunt X 203.216 203.320 203.270 203.380 203.027 202.981 202.928 203.629
Y 170.066 169.935 169.774 169.664 169.758 169.605 169.497 169.993
Pagina 38 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Figuur 6 : Locatie van de verschillende ichtyologische inventarisaties uitgevoerd in 2011 op het meer van Zoutleeuw 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 39 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
4.3.
Resultaten
4.3.1.
Inventaris per transect
Acht transecten werden elektrisch bemonsterd op 27 en 29/06/2011. In totaal werd 1230 meter geïnventariseerd, wat geleid heeft tot de vangst van 92 individuen met een totaal gewicht van 2,47 kg. Het aantal gevangen vissen varieerde tussen 0 en 43 individuen naargelang het transect (Tabel 20). Tabel 20 : Resultaten van de elektrische inventarisatie met de transectmethode (27 en 29/06/2011) N° transect 1 2 3 4 5 6 7 8 Totaal
Lengte transect (m) Soortendiversiteit 180 180 180 100 220 90 120 160 1230
1 4 1 1 2 0 2 1 4
Aantal individuen 2 43 1 1 20 0 17 8 92
Gewicht (g) 508 232 1240 / 183 0 215 94 2472
Tabel toont de gevangen vissoorten. Slechts vier vissoorten werden gevangen in de geulen: de snoek (Esox lucius), de karper (Cyprinus carpio), de pseudorasbora (Pseudorasbora parva) en de rietvoorn (Scardinius erythrophthalmus). Deze laatste vertegenwoordigt het gros van de vangsten, met 78 individuen (of 317 individuen per hectare), voor een matig grote biomassa (1,4 kg/ha) als gevolg van hun kleine individuele grootte (tussen 40 en 135 mm met een dominantie van individuen van 5069 mm). Tabel 21 : Resultaten van de elektrische inventarisatie met de transectmethode (27/06/2011)
Snoek (Esox lucius) Karper (Cyprinus carpio) Pseudorasbora (Pseudorasbora parva) Rietvoorn (Scardinius erythrophthalmus) Totaal
Aantal gevangen individuen 11 2
44,7 8,1
Totale biomassa (g) 2136 /
1
4,1
/
/
78 92
317,1 374
336 2472
1,4 10
Aantal ind./ha
Biomassa (kg/ha) 8,7 /
Snoek (Esox lucius) is een roofvis, die op vertebraten predateert vanaf een lengte van 6 tot 10 cm. Naast vissen worden ook kikkers en jonge watervogels gegeten. Snoek is gebonden aan plantenrijke wateren, waarin het aanbod aan schuilplaatsen groot is en van waaruit de prooien worden bespied en gegrepen. Snoek komt voor in stilstaande en zwakstromende wateren en wordt zelfs in brakke 43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 40 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) wateren aangetrofen. Snoek is een typische vissoort voor het rietvoorn-snoekwatertype. De Europese karper (Cyprinus carpio), ook wel gewone karper, is een beenvis uit de orde van karperachtigen. De karper is net als de brasem een vis die de bodem omwoelt, dit noemt men azen. Vooral in de vroege ochtend en tijdens de schemering kan men dit waarnemen. De vis staat dan vaak rechtop in het water en door het gewoel in de bodem ziet men afhankelijk van het soort bodem trossen kleine dan wel grotere belletjes opstijgen naar de oppervlakte. In ondiep water kan men soms aan de staartvin zien om welke vis het gaat. De karper doet dit als hij op zoek is naar eten, voornamelijk planten en waterinsecten. De karper is geen roofvis. In tegenstelling tot de brasem aast karper ook in de ondiepe sterk begroeide gedeeltes van het water en dicht tegen de oever. Door deze manier van azen worden met name fosfaten in de bodem teruggebracht in de waterkolom. Bij een voedselrijke bodem en een aanzienlijke populatie karper leidt dit tot een welige groei van zwevende algen (fytoplankton). Samen met de omgewoelde bodempartikels leidt dit tot het troebel worden van het water en tot een afname van de onderwaterflora. De blauwbandgrondel kwam voor in Oost-Azie in stilstaande en zwakstromende wateren. In de jaren zestig was deze soort reeds in Roemenië geïntroduceerd door transporten van consumptievis uit China. In 1992 werd de blauwbandgrondel voor het eerst waargenomen in Vlaanderen en Nederland (De Vocht et al., 2002). Sindsdien komt deze soort in Duitsland, Nederland, België en Frankrijk voor. In 1997 werd de blauwbandgrondel voor het eerst in Engeland gesignaleerd . In Vlaanderen is de soort sterk verspreid in het Demerbekken. In het Maasbekken wordt de blauwbandgrondel slechts sporadisch en in geringe aantallen waargenomen. Of de introductie van deze exotische soort gevolgen heeft voor onze inheemse visfauna is nog onduidelijk. In Duitse vijvers werd vastgesteld dat de populatie vetjes drastisch was achteruitgegaan sinds het voorkomen van de blauwbandgrondel. Recent werd ontdekt dat de blauwbandgrondel drager is van de eukaryote, intracellulaire parasiet Sphaerothecum destruens, die de voorplanting bij het vetje verhinderd en een verhoogde mortaliteit tot gevolg heeft (Gozlan et al., 2005). In De Maten (Genk) werd vastgesteld dat tussen de blauwbandgrondel en bijvoorbeeld juveniele blankvoorn een sterke voedseloverlap bestond. Het is mogelijk dat de explosieve ontwikkeling in het Demerbekken te wijten is aan de nog precaire waterkwaliteit en de snelle kolonisatie door deze pioniersoort. Aangezien het visje zeer tolerant is voor watervervuiling en zich op verschillende tijdstippen voortplant en reeds na een jaar geslachtsrijp is, is een snelle kolonisatie van minder goede wateren mogelijk. De ruisvoorn, ook wel rietvoorn, "rode rijer" en "roodvoorn" genoemd, wordt ongeveer 35 centimeter lang en weegt dan ruim 500 gram. De ruisvoorn komt veel voor in iets voedselrijker helder water met veel waterplanten. Hij leeft in scholen aan het oppervlak van het water. Omdat de ruisvoorn in dit type water een van de dominante soorten is, wordt het ook wel het snoek/ruisvoorn-watertype genoemd. Ruisvoorns eten ook veel waterplanten, als de watertemperatuur boven de 18°C komt, zodat ze voor tuinvijvers en aquaria niet aan te bevelen zijn. Anderzijds zijn het wel fraaie vissen met goed zichtbare felrode vinnen. Het relatief belangrijke aantal vangsten van de rietvoorn laat ons toe de volgende frequentie-grootte grafiek uit te zetten (Figuur 7). De afwezigheid van rietvoorn van grote afmeting betekent niet dat adulten afwezig zijn in het meer (cfr. Figuur 6) maar dat ze de rietvelden die de kanalen omzomen niet vaak bevolken. De individuen van grote afmeting vinden hun schuilplaatsen hoofdzakelijk in de diepere zones waar zij vluchten voor predatoren, terwijl de juvenielen zich verstoppen in de vegetatie.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 41 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
35 N rotangle = 58 30
Frequence (%)
25
20
15
10
5
0 30-39
40-49
50-59
60-69
70-79
80-89
90-99
100-109 110-119 120-129 130-135
Taille (mm)
Figuur 7 : Lengtefrequentie diagram van de elektrisch gevangen rietvoorn in de transecten (27 en 29/06/2011) De snoek (Esox lucius) is de enige piscivore vis die geïnventariseerd werd in het meer. Het aantal individuen per hectare is vrij hoog (44,7 in/ha), maar de biomassa is relatief gering (8,7 kg/ha). Twee gewone karpers (Cyprinus carpio) en een pseudorasbora (Pseudorasbora parva) werden ook geïdentificeerd in de geulen (Tabel 5). Tabel 22 geeft de verschillende vangsten weer voor elk van de uitgevoerde transecten. Transect 2 blijkt het transect met de meeste vissen te zijn. Dit transect bevat zowel de grootste soortenrijkdom (de 4 in het waterlichaam aangetroffen soorten werden er gevonden) als de grootste biomassa.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 42 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011) Tabel 22 : Samenvatting van de elektrische vangsten via de transectmethode (27/06/2011)
Transect
Transect 1
Soort
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
Snoek
2
55,5
Transect 2
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
Transect 3
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
2
55,5
0,135
3,75
Karper
1
27,8
/
/
Pseudorasbora
1
27,8
/
/
Rietvoorn
39
1083,3
0,097
2,7
0,508
14,1
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
1
27,8
Transect 4
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
1,24
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
1
50
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
34,4
/
/
Totaal
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 43 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Transect
Transect 5
Transect 6
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
Soort
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
Snoek
1
22,7
0,118
1
22,7
0,065
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
Transect 7
Transect 8
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
2,68
2
83,3
0,135
5,62
1,48
15
625
0,08
3,33
Aantal (ind)
Densiteit (ind/ha)
8
250
Biomassa Biomassa totale (kg/ha) (kg)
Karper
Pseudorasbora
Rietvoorn
0,094
2,94
Totaal
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 44 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
4.3.2.
Inventarisatie per habitat (punt bemonstering)
De zoektocht naar nieuwe nog niet geïnventariseerde soorten in de verschilllende habitats van het meer van Zoutleeuw heeft geleid tot een totaal aantal van 5 aangetroffen soorten. Jonge blankvoorns (Rutilus rutilus) werden gevangen in de habitats gekoloniseerd door de rietvoorn. Deze twee soorten hebben een brede verspreiding over het meer en koloniseren zowat alle beschikbare habitats (Tabel 23). Tabel 23 : Aanwezigheid/afwezigheid van soorten in de verschillende habitats van het meer van Zoutleeuw (28/06/2011) Zone 1 2 3 4 5 6
Habitats voor snoek,
Paaiplaats rietveld, boomtakken Vlonders, waterlelie, ondiepe zone Boomtakken, weinig/matig diepe zone Rietveld, boomtakken, helofiet Hydrofiet, helofiet Rietveld, helofiet
Snoek
Karper Blankvoorn
X
X X
X
X X X
X
Pseudorasbora
Rietvoorn
X X
X X
X
X X X
De snoeken worden voornamelijk vertegenwoordigd in de geulen, maar ook in de rietvelden tussen helofieten. Twee jaarlingen van snoek, met een lengte van 98 en 104 mm , werden gevangen in de zone 1 waarvan het dominante habitat bestaat uit rietveld. De karpers werden geobserveerd in de zone 5 (ondiepe zone met aanwezigheid van hydrofieten) evenals in de geulen. De pseudorasbora, een invasieve soort, werd gevangen in drie verschillende milieus (rietvelden, helofieten en onder de vlonders). De grootte van de pseudorasboras in het meer ligt tussen 50 en 73 mm, wat relatief gering is voor deze soort waarvan de gemiddelde lengte 80 mm bedraagt en die tot 110 mm kan reiken (Figuur 8).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 45 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
50% Aantal pseudorasbora : 13
45% 40% 35% Frequentie (%)
30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 40-49
50-59
60-69
70-79
80-89
Lengte (mm)
Figuur 8 : Lengtefrequentie diagram voor de elektrisch gevangen pseudorasboras in habitat 2 op 29/06/2011
4.3.3.
Inventarisatie met warrelnetten
Drie netten van 50 meter lang en met een maaswijdte van 20, 30 en 50 mm werden in een geul van het meer geplaatst (Figuur 8) in de nacht van 27 op 28/06/2011. In totaal werden 831 individuen gevangen, waarvan 599 in het net van 20 mm, 218 in het net van 30 mm en 14 in het net van 50 mm (Tabel 24). De netten van 20 en 30 mm hebben de vangst van een groot aantal rietvoorns en blankvoorns mogelijk gemaakt terwijl het net van 50 mm voornamelijk grote snoeken heeft gegrepen. De CPUE van de netten van 20 en van 30 mm is vrij hoog, met 47 individuen per 100m² net en per uur plaatsing voor het net van 20 mm, en 17,1 individuen voor het net van 30 mm. Het net van 50 mm heeft de vangst van grote adulten van rietvoorn, snoek en karper mogelijk gemaakte met een gemiddeld individueel gewicht van 1179 g. Tabel 24 : Resultaten van de vangsten, voorgesteld per maaswijdte, in het meer van Zoutleeuw op 28/06/2011 CPUE Maaswijdte (mm)
Soortendiversiteit
20
3 3 3 4
30 50
Totaal
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Aantal individuen 599 218 14 831
Gewicht (g) 30124 34999 16500 81623
Aantal ind./100m²/h 47,0 17,1 1,1 21,7
kg/100m²/h 2,4 2,7 1,3 2,1
Pagina 46 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
De rietvoorns vertegenwoordigen 78% van de vangsten (of 648 individuen) voor een gewicht van 48,8 kg met groottes begrepen tussen 123 en 367 mm. De blankvoorns zijn ook overvloedig aanwezig met 21% van de vangsten (176 individuen) en met groottes begrepen tussen 148 en 285 mm. Zes volwassen snoeken van grote afmeting (630 en 710 mm) werden gevangen (0,7%) evenals een gewone karper (Tabel 8). Tabel 25 : Resultaten van de vangsten, voorgesteld per soort, in het meer van Zoutleeuw op 28/06/2011 CPUE
Snoek Karper Blankvoorn Rietvoorn Totaal
Aantal Individuen 6 1 176 648 831
Grootte (min/max) 630/710 550 148/285 123/367 /
Gewicht (g) 11640 5000 16176 48807 81623
Aantal ind./100m²/h 0,2 0,03 4,6 16,9 21,7
kg/100m²/h 0,3 0,1 0,4 1,3 2,1
Geen enkele pseudorasbora werd gevangen met de warrelnetten aangezien de gebruikte maaswijdte het vangen van deze soort niet toeliet.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 47 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
4.4.
Discussie
4.4.1.
Populatie en biomassa
De ichtyologische inventarisatie uitgevoerd op het meer van Zoutleeuw van 27 tot 29/06/2011 heeft geleid tot de vangst van 998 individuen met een totaal gewicht van 81,75 kg van vissen verdeeld over 5 soorten (Tabel 26). Tabel 26 : Resultaten van de gerealiseerde vangsten van 27 tot 29/06/2011 per soort in het meer van Zoutleeuw
Snoek Karper Blankvoorn Pseudorasbora Rietvoorn Totaal
Electriciteit (transect + puntbemonstering) Aantal Biomassa (g) individuen 17 3045 3 / 7 234 40 800 100 1045 167 5124
Warrelnetten Aantal individuen 6 1 176 / 648 831
Biomassa (g) 11640 5000 16176 / 48807 81623
Totaal Aantal individuen 23 4 183 40 748 998
Biomassa (g) 14685 / 16410 800 49852 81747
Drie van de 5 aangetroffen soorten zijn secundaire consumenten (foeragerende vissen). De rietvoorn is een in hoofdzaak insectenetende vis die in open water dicht bij de oppervlakte ontwikkelt. Hij heeft een voorliefde voor lentische wateren met hoge temperatuur en rijk aan vegetatie. Hij is dus perfect aangepast aan het meerbiotoop en vertegenwoordigt op zichzelf 75% van de vangsten (748 individuen). De populatie wordt op ideale wijze vertegenwoordigd door een groot aantal juvenielen, subadulten en adulten (Figuur 9) die een hoge conditiefactor hebben (1,33) (Tesch, 1971).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 48 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
16,0 Aantal rietvoorns = 148
14,0 12,0
Frequentie (%)
10,0 8,0 6,0 4,0 2,0
40 -4 9 60 -6 9 80 -8 10 9 010 12 9 012 14 9 014 16 9 016 18 9 018 20 9 020 22 9 022 24 9 024 26 9 026 28 9 028 30 9 030 32 9 032 34 9 034 36 9 036 9
0,0
Lengte (mm) Figuur 9 : Lengtefrequentie diagram van de gevangen rietvoorn in het meer van Zoutleeuw van 27 tot 29/06/2011 (alle vangsttechnieken samen) De blankvoorns consumeren zonder voorkeur zoöplankton, insecten en divers organisch materiaal en stellen ook de lentische wateren op prijs. Zij vertegenwoordigen 18% van de vangsten, of 183 individuen, en alle leeftijdsklassen worden vertegenwoordigd. De jonge individuen werden allemaal aangetroffen langsheen de oevers en tussen de hydrofieten en niet langs de geulen zoals bij de rietvoorns. Men kan veronderstellen dat deze soort de oppervlakte van de geulen vermijdt aangezien dit de geprefereerde jachtzone is voor de snoeken die talrijk aanwezig zijn in dit milieu. De adulten van middelmatige grootte werden allemaal gevangen in de geulen met behulp van het net van 30 mm. De afwezigheid van grote adulten (> 300 mm) in het net van 50 mm kan betekenen dat de blankvoorns het meer later gekoloniseerd hebben dan de rietvoorns, waarvan talrijke grote adulten geïnventariseerd werden (Figuur 10). De conditiefactor hoger dan 1 (1,44) lijkt erop te wijzen dat de individuen zich goed voeden en dat de competitie voor voedsel gering moet zijn.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 49 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
25
Aantal blankvoorns = 33 20
Frequentie (%)
15
10
5
300-309
290-299
280-289
270-279
260-269
250-259
240-249
230-239
220-229
210-219
200-209
190-199
180-189
170-179
160-169
150-159
140-149
130-139
120-129
110-119
100-109
90-99
80-89
70-79
60-69
50-59
40-49
0
Lengte (mm)
Figuur 10 : Lengtefrequentie diagram van de gevangen blankvoorn in het meer van Zoutleeuw van 27 tot 29/06/2011 (alle vangsttechnieken samen) De pseudorasbora is een omnivore vis en vertegenwoordigt 4% van de vangsten. Het aantal vangsten van deze soort is evenwel onderschat door zijn beperkte grootte die het onmogelijk maakt te vissen met een net van 20 mm, en ook door de ligging van zijn geprefereerde habitat (bijna afwezig in de geulen, maar overvloedig langsheen de waterkant waar de vangstinspanning lager was). Bij het elektrisch vissen vertegenwoordigt de pseudorasbora 24% van het aantal individuen en minder dan 15% van de biomassa. Zijn populatie lijkt dus onder controle, zodat de aantallen snoeken overvloedig zullen blijven. De snoek is de enige piscivore vis gevangen in het meer van Zoutleeuw tijdens de inventarisatie. Het is een opportunistische roofvis die een voorliefde heeft voor lentische wateren gekoloniseerd door hydrofieten en helofieten. Ondanks een biotoop dat perfect geschikt is voor dit taxon, vertegenwoordigen deze vangsten slechts 2,3% van het totaal (of 23 individuen), maar 18% van de biomassa, hetgeen perfect aannemelijk is. Twee jaarlingen werden geïnventariseerd evenals 7 subadulten en 5 adulten (Figuur 11). De afwezigheid van grote adulten van meer dan 800 mm is een indicatie van de “recente” kolonisatie van het meer aangezien men kan veronderstellen dat het biotoop en de beschikbare voedingsbronnen zouden toelaten om grote individuen van meer dan 1 meter lang te herbergen.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 50 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
25,0
Aantal snoeken = 14
20,0
Frequentie (%)
15,0
10,0
5,0
0,0 0-49 50-99 100149
150199
200249
250299
300349
350399
400449
450499
500549
550599
600649
650699
700749
750799
Le ngte (mm)
Figuur 11 : Lengtefrequentie diagram van de gevangen snoek in het meer van Zoutleeuw van 27 tot 29/06/2011 (alle vangsttechnieken samen) De enige typisch bentische vissoort die geïnventariseerd werd in het meer is de gewone karper met slechts 4 gevangen/waargenomen volwassen individuen tijdens deze inventarisatie. Geen enkele snoekbaars werd gevangen, ondanks de gerealiseerde uitzettingen in het verleden.
4.4.2.
Index voor Biotische Integriteit
Op basis van de gegevens van de ichtyologische inventaris werd de IBI (Belpaire et al., 2000) van het meer van Zoutleeuw berekend (Tabel 10). Het biotoop is geklasseerd als van goede kwaliteit (volgens de Kaderrichtlijn Water 2000/60/EG) met een beoordeling van 3,25/5 wat overeenkomt met klasse 4 van de IBI (“redelijke“ toestand). Volgens de IBI zijn de parameters populatie van snoek (5/5), biomassa (5/5), invasieve soorten (5/5) en spreiding van de taxa (4/5) ideaal voor de site. De ichtyologische populatie is daarentegen niet voldoende gediversifieerd (2/5), het aantal piscivore vissen is te gering (1/5) en zeelten zijn afwezig in het systeem (1/5). Tussen 2006 en 2011 heeft de ichtyologische kwaliteit van het meer twee IBI-klassen gewonnen (overgang van middelmatige naar goede toestand), hoofdzakelijk door de aanzienlijke vestiging van twee soorten karperachtigen (blankvoorn en rietvoorn) en door de toename van de snoekpopulatie.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 51 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Tabel 27 : Resultaat van de IBI-score voor het meer van Zoutleeuw in juni 2011 Parameter Aantal taxa Vervuilingstolerantie Type soort Snoek (aanwas en biomassa) Zeelt (aanwas en biomassa) Biomassa % niet inheemse soorten Ratio piscivore/niet piscivore
4.4.3.
Evolutie in de tijd
4.4.3.1.
Soortensamenstelling
Resultaat 5 1,8 3,6 30,4 0 213,4 <1 0,024 IBI klasse = 4
Score 2 3 4 5 1 5 5 1 3,25
Zoals eerder vermeld werd geen enkele snoekbaars gevangen, ondanks de gerealiseerde uitzettingen van pootvis in het verleden, wat zou kunnen te wijten zijn aan de aanwezigheid van snoeken. Deze evolutie is echter positief aangezien de ontwikkeling van een populatie van snoekbaars zich vaak ten koste van de populaties van snoek voordoet. In 2011 werd één van de taxa gevangen in 2006 niet teruggevonden (driedoornige stekelbaars) maar hebben 3 nieuwe soorten hun intrede gedaan (blankvoorn, rietvoorn en karper). Als men de elektrische vangsten gedaan in 2006 en 2011 vergelijkt (Tabel 11), stelt men vast dat de vispopulatie in 2006 bestond uit 3 taxa in grote mate gedomineerd door de pseudorasbora (322 gevangen individuen) en dat de andere soorten zeer weinig vertegenwoordigd waren (1 snoek en 1 stekelbaars). In 2011 is de dominante soort niet meer de pseudorasbora, waarvan de populatie sterk verminderd is ten gunste van de rietvoorns (78 individuen). Het aantal snoeken is ook toegenomen tussen 2006 en 2011 (van 1 naar 7 individuen) en nieuwe soorten hebben hun intrede gedaan (karper, blankvoorn). 4.4.3.2.
Biomassa
In 2006 was de gemiddelde biomassa van pseudorasbora in de geulen 11,7 kg/ha. In 2011 is de aanwezigheid van pseudorasbora verwaarloosbaar in deze milieus. Men vindt er daarentegen talrijke rietvoorns (1,4 kg/ha) en snoeken (8,7 kg/ha). De populatie van pseudorasbora blijft echter belangrijk langsheen de oevers en onder de vlonders. De daling van de populatie van pseudorasbora is met zekerheid veroorzaakt door de competitie voor voedsel met nieuw aanwezige soorten (blankvoorns, rietvoorns…) en door de toename van het aantal predatoren (snoek).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 52 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Tabel 28 : Vergelijking tussen de elektrische vangsten (transect) van 2006 en 2011 in Zoutleeuw Aantal individuen 2006 2011 Snoek Karper Driedoornige stekelbaars Pseudorasbora Rietvoorn Totaal
4.4.3.3.
Aantal ind./ha 2006 2011
1 -
11 2
7 -
44,7 8,1
1 322 324
1 78 92
7 2300 2314
4,1 317,1 374
IBI
In 2006 berekende Aeolus een IBI-score voor elk van de transecten. De waargenomen waarden varieerden tussen 0 en 1,5. URS heeft geoordeeld dat het meer aangewezen was om een globale IBI te berekenen eerder dan transect per transect. De doelstelling van de IBI is immers om de globale staat van de populatie van het waterlichaam te bepalen en daarom is het noodzakelijk om het maximum aan informatie te verzamelen over de omgeving door het aantal en het type inventarisatie uit te breiden (elektriciteit, net, enz.). In 2011 is de berekende IBI 3,25 (klasse 4). Er is dus een sprong van 2 klassen in vergelijking met 2006. De omgevingskwaliteit neigt dus naar een noemenswaardige verbetering. Bovendien laat de winst tussen 2006 en 2011 van twee kwaliteitsklassen volgens de IBI evenals de actuele ichtyologische populatie veronderstellen dat deze laatste evolueert naar deze van alkalische mesoeutrofe meren. 4.4.3.4.
Vissoortenassociatie
Op basis van de omgevingsvariabelen en de resultaten van het onderzoek wordt de vissoortenassociatie bepaald. De volgende viswatertypes worden in stilstaande wateren in Vlaanderen en Nederland onderkend (Zoetemeyer en Lucas 2001):
- Baars-blankvoorn viswatertype De wateren die tot dit type behoren zijn voedselarme wateren met een voedselarme bodem. - Rietvoorn-snoek viswatertype Dit type kwam in Vlaanderen tot het midden van deze eeuw het meest voor. Het gaat om ondiepe, heldere wateren met rijke plantenzones, waarbij ondergedoken waterplanten een aanzienlijk deel van het bodemoppervlak bedekken (doorzicht 1 m). Het zijn matig voedselrijke tot voedselrijke wateren.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 53 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Deze wateren bevatten een soortenrijk visbestand, gekenmerkt door een natuurlijke aanwas bij alle soorten. De sleutelsoorten zijn aangepast aan deze vegetatierijke wateren. Naast rietvoorn, die veel insectenlarven en -poppen van het wateroppervlak en de waterplanten eet, komt meestal ook zeelt voor, die voor een groot deel zijn voedsel uit de zachte onderwaterbodem haalt. Naast deze soorten komen ook meestal blankvoorn, kroeskarper, vetje, bittervoorn, driedoornige en tiendoornige stekelbaars, jonge karper en paling voor. De draagkracht kan tot 350 kg/ha bedragen, de snoekstand is vrij hoog (tot 50 kg/ha). - Snoek-blankvoorn viswatertype Dit zijn wateren met nog tamelijk helder water met een vrij rijke oevervegetatie, maar door het verminderde doorzicht (40-70 cm) zijn de drijfbladplanten schaars en de onderwaterplanten veel minder abundant. Er is meer ‘open water’ aanwezig maar nog 20 tot 60% is begroeid. In dit type komt meer plantaardig en dierlijk plankton voor. Deze visgemeenschap komt vaak voor in polderwateren, in afgesloten rivierarmen en stadsvijvers. Rekening houdend met de huidige waterhuishouding en waterkwaliteit is dit type meestal het meest realistische streefdoel met een optimaal compromis tussen ecologische waarden en de hydrologische functies en beperkingen. Door de afwisseling van plantenrijke zones en open water komt een zeer gevarieerde visgemeenschap voor. Vaak is in dit type water de biodiversiteit naar vissoorten het hoogst. In de ondiepe, begroeide oeverzones komen de plantenminnende vissoorten uit het rietvoorn-snoek type voor. In het open water komen soorten uit het blankvoorn-brasem of brasem-snoekbaars type voor zoals brasem en pos. Dit type wateren bevat een goede visstand met natuurlijke aanwas. Sleutelsoorten zijn blankvoorn, baars, blei en snoek als roofvis. Door de beperktere schuilmogelijkheden voor jonge snoek treedt meer kannibalisme op bij snoek en is de predatie op de juveniele blankvoorn beperkter. Dit geeft samen met een hoger aanbod aan dierlijk plankton aanleiding tot een grotere populatie aan jonge witvis. De zichtdiepte laat toe dat de aanwezige soorten op zicht plankton bejagen en de grove kieuwzeef laat het uitfilteren van muggenlarven uit de bodem toe. De bezetting is meestal lager dan 500 kg/ha, doch naast snoek (max. 50 kg/ha) is ook snoekbaars reeds aanwezig (max. 10 kg/ha). Deze wateren vormen een overgangstype naar het volgende watertype. - Blankvoorn-brasem viswatertype Dit viswatertype wordt gekenmerkt door troebeler water met een doorzicht dat tussen april en oktober ligt tussen 40 en 60 cm. In dit watertype komt maar een matige groei van waterplanten voor. Emergente planten en drijfbladplanten beslaan 10 tot 20 % van het wateroppervlak. In de zomerperiode kan een massale ontwikkeling van plantaardig plankton (groenwieren) optreden. Door de aanwezigheid van een lemige of kleiige ondergrond en slib komen door opwerveling door wind en bodemwoelende vissoorten meer nutriënten in de waterkolom in de zomerperiode, wat de algenontwikkeling bevordert. Deze viswatergemeenschap wordt vaak aangetroffen in wateren waar een dichtere begroeiing met waterplanten om diverse redenen niet tot stand kan komen. Vanuit de oeverzone kan de vegetatie zich onvoldoende ontwikkelen. De visgemeenschap wordt gekenmerkt door soorten zoals brasem, blankvoorn en snoekbaars, die ook in het brasem-snoekbaars viswatertype voorkomen. Fytofiele soorten komen nog steeds in beperkte mate voor.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 54 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
- Brasem-snoekbaars viswatertype Dit zijn wateren, gekenmerkt door algenbloei en een schaarse oevervegetatie (doorzicht 10-30 cm). Maximaal 10 % is bedekt met oeverplanten. Door de hoge voedselrijkdom domineert het plantaardig plankton en permanent of tijdelijk in de zomer kan bloei van groen- en blauwwieren optreden. De onderwaterbodem levert het hele jaar door voedingsstoffen aan de waterkolom. Dit type is kenmerkend voor vele kanalen maar ook voedselrijke wateren en wateren die effluenten ontvangen of onder invloed staan van een diffuse aanrijking met nutriënten van omliggende landbouwgebieden. De visstand wordt overwegend gedomineerd door brasem, terwijl snoekbaars (en soms pos) de dominerende roofvis is geworden. De soortendiversiteit is in dit type het minst hoog. Brasem is met zijn fijne kieuwzeef goed aangepast aan dit watertype en kan efficiënter dan andere soorten plankton of muggenlarven filteren uit het water en de bodem. Het bodemsubstraat moet in tegenstelling tot het rietvoorn-snoek viswatertype uit zeer fijn materiaal bestaan. Brasem en snoekbaars zijn beiden voor hun voortplanting niet afhankelijk van waterplanten. Snoekbaars is in tegenstelling tot snoek nog een efficiënte jager in de lichtarme omstandigheden. Door de predatie van snoekbaars staat de aanwezige blankvoornpopulatie bovendien sterk onder druk. De densiteit kan variëren tussen 450 en 800 kg/ha. - Stekelbaars-paling viswatertype Het betreft hypertrofe, vervuilde wateren die gedomineerd worden door vervuilingsresistente soorten. De uitgesproken algenbloei (doorzicht minder dan 20 cm) en de slechte waterkwaliteit zorgen voor regelmatige vissterfte. Zij bevatten een slecht tot zeer slecht visbestand (minder dan 100 kg/ha), dat dan nog voornamelijk gedragen wordt door driedoornige of tiendoornige stekelbaars, karper en paling. Deze theoretische indeling is in de praktijk vaak niet als dusdanig terug te vinden. Deze indeling slaat dan ook op natuurlijke wateren. In vele gevallen bevinden wateren zich in een overgangsfase of is de menselijke beïnvloeding van het visbestand zo groot dat de aanwezige visfauna niet meer de resultante is van de abiotische en biotische uitgangsvariabelen, maar veeleer van de humane beïnvloeding. Deze viswatertypen kunnen wel als algemene streefbeelden worden gebruikt. De viswatertypen maken de relatie tussen de wateren en de aanwezige visstand inzichtelijker. Daardoor wordt het gemakkelijker om het beheer op de doelstelling voor deze wateren af te stemmen. De viswatertypen zijn genoemd naar een bepaalde visgemeenschap. De visgemeenschap draagt de naam van de twee kenmerkende vissoorten. De meeste vissoorten worden echter in meer dan één van de viswatertypen aangetroffen. De belangrijkste sleutelfactoren die het voorkomen van de verschillende visgemeenschappen bepalen zijn de voedselrijkdom en de mate waarin waterplanten voorkomen. De ichtyologische populatie van Zoutleeuw in 2011 lijkt te evolueren naar deze van alkalische mesoeutrofe meren (Aeolus, 2006). Onder de 7 belangrijkste soorten zijn er reeds 5 goed vertegenwoordigd in het milieu (Tabel 29). De toename van de snoekpopulatie en de vestiging van nieuwe soorten (blankvoorn, rietvoorn, karper…) doen denken dat een groot aantal taxa, momenteel afwezig in het biotoop maar typisch voor dit type milieu (de gewone baars (Perca fluviatilis), de kroeskarper (Carassius carassius), de gewone brasem (Abramis brama) en de zeelt (Tinca tinca) op natuurlijke wijze het meer van Zoutleeuw zouden kunnen koloniseren binnen enkele jaren.
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 55 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Tabel 29 : Dominante soorten van alkalische meso-eutrofe meren (bron : Aeolus, 2006) Dominant blankvoorn
Gewoonlijk baars paling karper
Frequent brasem rietvoorn snoek
De gelijkmatigheid van de verspreiding van taxa, de afname van de populatie van pseudorasbora en de aanzienlijke toename (tussen 2006 en 2011) van de diversiteit en biomassa van aanwezige vissen, vormt een bevestiging dat het uitzetten van pootvis van nieuwe soorten niet vereist is voor deze site. Echter, als de beheerders streven naar een toename van de soortenrijkdom, is het aangeraden om de volgende soorten opnieuw te introduceren: -
Zeelt (Tinca tinca): de zeelt is een limnofiele soort die door zijn introductie de overvloed van karpers en ook het opnieuw in suspensie gaan van sedimenten kan beperken.
-
Gewone baars (Perca fluviatilis): dit is een soort die de snoek begeleidt, die de ontwikkeling van deze laatste niet beperkt en die zijn eigen populatie reguleert door kannibalisme (Argillier et Al., 2002). Bovendien zou deze soort de populatie van de pseudoboras van het meer kunnen inperken.
Het is echter aangeraden om geen pootvis uit te zetten van snoekbaars, een zeer vraatzuchtige soort die oorspronkelijk afkomstig is uit de Donau en zich ontwikkelt ten koste van de snoek (Goubier, 1977).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 56 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
4.5.
Besluit
Op mondiale schaal maken de vochtige gebieden sinds de 19de eeuw deel uit van de door de mens meest bedreigde milieus. Echter, als gevolg van de vereisten van Europa en door toepassing van de Kaderrichtlijn Water, genieten deze ecosystemen sinds kort van maatregelen met het oog op hun herstel en bescherming. Het meer van Zoutleeuw heeft geprofiteerd van deze bewustwording en als gevolg van haar “restauratie” heeft dit ecosysteem zich ontwikkeld en biedt het momenteel talrijke geschikte ecologische niches voor diverse inheemse soorten. De ichtyologische populatie van het meer is in voortdurende ontwikkeling sinds het terug onder water zetten. In 2006 werden maar 3 soorten gevangen met een grote dominantie van pseudoboras invasieve soorten. Vijf jaar later hebben 3 inheemse soorten hun intrede gemaakt waaronder twee karperachtigen, de rietvoorn en de blankvoorn. De ontwikkeling van deze secundaire consumenten evenals de toename van de snoekpopulatie heeft het aantal aanwezige pseudorasbora beperkt. De afwezigheid van snoekbaars, ondanks de poging tot het uitzetten van pootvis van deze laatste laat toe te bevestigen dat het milieu beter geschikt is voor snoeken en dat deze de dominante tertiaire predator is. De winst van twee kwaliteitsklassen volgens de IBI tussen 2006 en 2011 evenals de actuele ichtyologische populatie laten veronderstellen dat deze laatste evolueert naar deze van alkalische meso-eutrofe meren. Men kan veronderstellen dat ook naargelang de toevalligheden van de natuurlijke verspreiding een groot aantal taxa, momenteel afwezig in het biotoop maar typisch voor dit type milieu, hun intrede zullen doen (baars, brasem, zeelt…).
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Pagina 57 Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Kaart met situering van de peilbuizen
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
VINP026X VINP005XVINP025A VINP025X VINP066A
VINP024X
VINP082X
VINP029X VINP029A
VINP081X
VINP076X VINP075X VINP076A VINP075A VINP073X
VINP071X VINP072X
VINP084X
VINP037X VINP037A
VINP083X
VINP080X VINP080A VINP079X VINP078X VINP079A VINP077A VINP040A VINP040X
VINP014X VINP014A
VINP030X VINP030A
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Foto’s PQ’s
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 2
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 3
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 4
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 5
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 6
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 7
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 13
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 15
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 16
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 17
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 18
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 19
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 20
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 21
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 22
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 23
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 24
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 25
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 26
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 27
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 28
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 29
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 30
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
PQ 32
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Natuurinrichtingsproject Het Vinne Uitvoering monitoringprogramma, jaar +6 (2011)
Bijlagen
43641497 Rapport Het Vinne Finaal Januari 2012
Finaal 43641497 / 43641497-02
Title:
BWK Kartering – Het Vinne
Site Location:
Date:
09/11/2011 Het Vinne
Drawn by:
GR Client:
Vlaamse Landmaatschappij
Job No: 43641497
-
Title:
Locatie PQ’s - Rapport monitoring Het Vinne
Site Location:
Date:
09/11/2011 Het Vinne
Drawn by:
GR Client:
Vlaamse Landmaatschappij
Job No: 43641497
-
Bijlage B- Synthese van de grondwaterdynamische gegevens
Peilbuis VINP005X VINP014X VINP024X VINP025A VINP026X VINP029A VINP030A VINP037A VINP040A VINP044X VINP063X VINP066A VINP071X VINP072X VINP073X VINP074X VINP075A VINP076A VINP077A VINP078A VINP079A VINP080A VINP081X VINP082X VINP083X
Peilbuis VINP005X VINP014X VINP024X VINP025A VINP026X VINP029A VINP030A VINP037A VINP040A VINP044X VINP063X VINP066A VINP071X VINP072X VINP073X VINP074X VINP075A VINP076A VINP077A VINP078A VINP079A VINP080A VINP081X VINP082X VINP083X
17 november 2006 - 24 augustus 2007 Diepte onder maaiveld (m) Stijghoogte (m TAW)) Mediaan min diepte max diepte VG Mediaan min max -0,61 -0,35 -0,81 -0,56 26,96 27,23 26,77 -0,16 -0,04 -0,27 -0,16 26,14 26,25 26,02 -0,32 -0,12 -0,52 -0,32 26,49 26,69 26,29 -0,38 -0,12 -0,63 -0,36 26,63 26,89 26,38 -0,94 -0,67 -1,36 -0,85 27,76 28,03 27,34 -1,28 -0,77 -1,49 -1,07 25,06 25,57 24,85 -0,47 -0,32 -0,57 -0,43 25,51 25,65 25,40 -1,54 -1,01 -1,74 -1,46 25,13 25,65 24,92 -0,27 -0,12 -0,43 -0,29 25,07 25,22 24,91 0,13 0,19 0,06 0,13 26,24 26,30 26,17 -2,77 -1,93 -3,64 -2,42 26,72 27,56 25,85 -0,32 -0,10 -0,80 -0,45 28,41 28,63 27,93 -1,22 -1,03 -1,25 -1,23 24,92 25,11 24,89 -0,28 -0,11 -0,31 -0,29 24,89 25,06 24,86 -1,46 -1,46 -1,46 -1,46 26,50 26,50 26,50 -0,89 -0,83 -0,95 -0,83 26,07 26,13 26,01 -0,27 -0,88 -1,20 -1,35 -0,76 -0,98 -0,97 -2,02
25,00 25,02 25,81 24,84 24,82 24,98 26,00 26,65
25,10 25,45 26,48 25,32 25,19 25,07 26,25 27,20
21 september 2007 - 19 september 2008 Diepte onder maaiveld (m) Stijghoogte (mT TAW)) Mediaan min diepte max diepte VG MEDIAAN min max -0,41 -0,27 -0,88 -0,31 27,17 27,31 26,70 -0,10 -0,07 -0,26 -0,08 26,19 26,22 26,03 -0,18 0,03 -0,68 -0,18 26,63 26,84 26,13 -0,25 -0,19 -0,62 -0,22 26,76 26,82 26,39 -0,71 -0,59 -1,21 -0,63 27,99 28,11 27,49 -0,99 -0,77 -1,54 -0,83 25,35 25,57 24,80 -0,34 -0,23 -0,67 -0,24 25,63 25,74 25,30 -1,34 -1,10 -1,63 -1,26 25,32 25,56 25,03 -0,13 -0,12 -0,35 -0,14 25,21 25,22 24,99 0,16 0,20 0,06 0,17 26,27 26,31 26,17 -2,48 -1,95 -3,59 -2,12 27,01 27,54 25,90 -0,31 -0,08 -0,90 -0,09 28,42 28,65 27,83 -1,07 -1,04 -1,69 -1,05 25,07 25,10 24,45 -0,08 -0,06 -0,13 -0,07 25,09 25,11 25,04 -0,87 -0,85 -1,31 -1,01 27,09 27,11 26,65 -0,93 -0,89 -0,93 -0,93 26,04 26,07 26,03
VG 27,27 26,21 26,63 26,79 28,07 25,51 25,73 25,40 25,20 26,29 27,37 28,63 25,09 25,10 26,95 26,03
-0,16 -0,70 -1,01 -1,13 -0,61 -0,81 -0,70 -1,94
-0,20 -0,40 -0,65 -0,56 -0,22 -0,84 -0,61 -1,39
-0,06 -0,49 -0,87 -0,72 -0,33 -0,76 -0,47 -1,46
-0,36 -1,51 -1,32 -1,76 -1,12 -1,06 -1,17 -2,30
-0,30 -1,50 -1,27 -1,70 -1,04 -1,02 -1,24 -2,24
-0,26 -1,08 -0,65 -1,28 -0,75 -0,97 -0,92 -1,75
-0,09 -0,73 -1,09 -0,96 -0,49 -0,80 -1,65
25,10 25,65 25,92 25,26 25,18 25,07 26,20 26,93
25,20 25,84 26,12 25,47 25,33 25,23 26,47 27,01
25,16 26,13 26,48 26,04 25,72 25,20 26,56 27,56
VG 27,02 26,13 26,49 26,65 27,85 25,27 25,54 25,20 25,05 26,24 27,07 28,28 24,91 24,88 26,50 26,13
25,30 26,04 26,26 25,88 25,61 25,28 26,70 27,49
25,06 25,03 25,86 24,90 24,90 25,02 25,93 26,71
25,27 25,80 26,04 25,64 25,45 25,24 27,30
fluctuatie # metingen 0,46 8 0,23 8 0,40 8 0,51 8 0,69 8 0,72 8 0,25 8 0,73 8 0,31 8 0,13 8 1,71 8 0,70 8 0,22 8 0,20 8 0,00 1 0,12 2 0,16 1,11 0,67 1,20 0,90 0,22 0,56 0,91
8 7 4 8 8 8 8 8
fluctuatie # metingen 0,61 9 0,19 9 0,71 9 0,43 9 0,62 9 0,77 8 0,44 9 0,53 9 0,23 9 0,14 9 1,64 9 0,82 8 0,65 9 0,07 9 0,46 4 0,04 4 0,24 1,01 0,40 0,98 0,71 0,26 0,77 0,78
9 8 7 9 9 9 5 9
Peilbuis VINP005X VINP024X VINP025A VINP026X VINP029A VINP030A VINP040A VINP044X VINP063X VINP066A VINP071X VINP072X VINP074X VINP076A VINP077A VINP078A VINP079A VINP083X
17 oktober 2008 - 11 augustus 2009 Diepte onder maaiveld (m) Stijghoogte (mT TAW)) Mediaan min diepte max diepte VG Mediaan min max -0,32 -0,22 -0,60 27,26 27,36 26,98 -0,18 0,30 -0,29 26,63 27,11 26,52 -0,21 -0,14 -0,65 -0,20 26,80 26,87 26,36 -0,47 -0,21 -0,78 -0,48 28,23 28,49 27,92 -0,69 -0,08 -0,70 -0,69 25,65 26,26 25,64 -0,26 -0,20 -0,43 -0,25 25,71 25,77 25,54 -0,12 -0,06 -0,34 -0,11 25,22 25,28 25,00 0,19 0,20 0,10 0,17 26,30 26,31 26,21 -2,00 -1,68 -2,39 -1,97 27,49 27,81 27,10 -0,10 -0,10 -0,51 -0,10 28,63 28,63 28,22 -1,04 -0,99 -1,43 -1,07 25,10 25,15 24,71 -0,03 0,03 -0,06 0,00 25,14 25,20 25,11 -0,80 -0,75 -0,93 -0,81 26,16 26,21 26,03 -0,10 -0,06 -0,15 -0,10 25,26 25,30 25,21 -0,97 -0,47 -1,37 -0,97 25,56 26,06 25,16 -0,83 0,00 -1,32 -1,21 26,30 27,13 25,81 -1,08 -0,56 -1,68 -1,11 25,52 26,04 24,92 -1,79 -1,41 -2,11 -1,76 27,16 27,54 26,84
Peilbuis VINP005X VINP024X VINP025A VINP026X VINP029A VINP030A VINP040A VINP044X VINP063X VINP066A VINP071X VINP072X VINP076A VINP077A VINP078A VINP079A VINP083X
11 september 2009 - 11 september 2010 Diepte onder maaiveld (m) Stijghoogte (mT TAW)) Mediaan min diepte max diepte VG Mediaan min max -0,45 -0,38 -0,49 -0,45 27,13 27,20 27,09 -0,19 -0,16 -0,30 -0,26 26,62 26,65 26,51 -0,25 -0,18 -0,75 -0,18 26,76 26,83 26,26 -0,66 -0,36 -0,82 -0,66 28,04 28,34 27,88 -1,00 -0,79 -2,13 -0,88 25,35 25,55 24,21 -0,33 -0,24 -0,67 -0,29 25,65 25,73 25,30 -0,17 -0,10 -0,40 -0,16 25,17 25,24 24,94 0,00 0,02 -0,02 26,11 26,13 26,09 -1,80 -0,50 -3,14 -2,04 27,69 28,99 26,35 -0,77 -0,73 -0,84 -0,81 27,96 28,00 27,89 -1,02 0,00 -1,25 -1,06 25,11 25,16 24,89 -0,08 -0,01 -0,19 -0,10 25,09 25,16 24,98 -0,17 -0,09 -0,28 -0,14 25,20 25,27 25,08 -0,90 -0,22 -1,47 -0,72 25,63 26,31 25,06 -1,00 -0,90 -1,63 -1,63 26,13 26,26 25,50 -1,07 -0,92 -1,84 -1,33 25,53 25,68 24,76 -1,97 -1,60 -2,42 -1,83 26,98 27,35 26,53
VG
26,81 28,22 25,65 25,72 25,23 26,29 27,53 28,63 25,07 25,17 26,15 25,26 25,56 25,92 25,49 27,19
VG 27,09 26,51 26,83 28,04 25,42 25,65 25,17 27,53 27,90 25,05 25,03 25,20 25,79 25,50 25,07 27,01
fluctuatie # metingen 0,38 3 0,59 4 0,51 9 0,57 9 0,62 8 0,23 8 0,28 9 0,10 9 0,71 9 0,41 9 0,44 9 0,09 9 0,18 6 0,09 9 0,90 9 1,32 9 1,12 9 0,70 9
fluctuatie # metingen 0,11 5 0,14 5 0,57 9 0,46 9 1,34 8 0,43 8 0,30 9 0,04 7 2,64 4 0,11 9 1,25 9 0,18 9 0,19 9 1,25 5 0,72 5 0,92 5 0,82 8
Peilbuis VINP005X VINP014X VINP024X VINP025A VINP026X VINP029A VINP030A VINP040A VINP044X VINP063X VINP066A VINP071X VINP072X VINP076A VINP077A VINP079A VINP080A VINP081X VINP082X VINP083X VINP084X
11 september 2010 - september 2011 Diepte onder maaiveld (m) Stijghoogte (mT TAW)) Mediaan min diepte max diepte VG Mediaan min max -0,61 -0,34 -0,64 -0,47 26,97 27,24 26,94 -0,40 -0,07 -0,30 -0,15 26,22 26,35 25,99 -0,29 -0,16 -0,38 -0,25 26,52 26,65 26,43 -0,25 -0,15 -0,36 -0,23 26,76 26,86 26,65 -0,60 -0,56 -0,78 -0,57 28,10 28,14 27,92 -1,01 -0,87 -1,39 -0,99 25,33 25,47 24,95 -0,36 -0,26 -0,52 -0,31 25,61 25,71 25,45 -0,22 -0,06 -0,30 -0,21 25,12 25,28 25,04 0,20 0,21 -0,06 0,20 26,31 26,32 26,05 -2,33 -2,10 -2,94 -2,28 27,16 27,39 26,55 -0,71 -0,18 -0,99 -0,45 28,02 28,55 27,74 -1,17 -1,00 -1,19 -1,01 24,97 25,14 24,95 -0,04 0,03 -0,35 -0,01 25,13 25,20 24,82 -0,29 -0,05 -0,34 -0,16 25,07 25,31 25,02 -0,98 -0,72 -1,31 -0,92 25,55 25,81 25,22 -1,56 -1,34 -1,62 -1,40 25,04 25,26 24,98 -0,62 -0,54 -0,84 -0,66 25,32 25,40 25,10 -0,40 -0,23 -0,96 -0,31 25,64 25,81 25,08 -0,92 -0,80 -0,98 -0,88 26,25 26,37 26,19 -2,07 -1,94 -2,59 -2,19 26,88 27,01 26,36 -0,94 -0,91 -0,97 -0,93 25,33 25,36 25,30
VG 27,11 26,14 26,55 26,78 28,13 25,35 25,66 25,13 26,32 27,22 28,28 25,13 25,16 25,20 25,61 25,20 25,28 25,73 26,29 26,76 25,34
fluctuatie # metingen 0,30 13 0,23 8 0,22 13 0,21 13 0,22 13 0,52 13 0,26 13 0,24 13 0,27 9 0,84 13 0,81 13 0,19 13 0,38 13 0,29 13 0,59 13 0,28 13 0,30 9 0,73 9 0,18 9 0,65 13 0,06 9
Bijlage C- Grondwaterdynamische gegevens voor en na inrichtingswerken
Peilbuis VINP005X VINP014X VINP024X VINP026X VINP044X VINP063X VINP066A VINP071X VINP073X VINP074X VINP081X
Mediaan voor na -0,46 -0,64 -0,43 -0,13 -0,41 -0,37 -0,64 -0,78 0,04 0,11 -1,93 -2,62 -0,21 -0,49 -1,75 -1,19 -2,02 -1,16 -2,30 -0,90 -1,80 -1,02
.
maaiveld min diepte voor na -0,23 -0,22 -0,05 -0,04 -0,25 0,30 -0,38 -0,21 0,14 0,21 -0,74 -0,50 -0,01 -0,05 -1,62 -0,98 -1,64 -0,85 -1,71 -0,75 -1,62 -0,23
max diepte voor na -1,32 -1,12 -1,30 -0,30 -1,14 -0,94 -1,42 -1,36 -0,23 -0,09 -3,92 -3,89 -0,86 -0,99 -1,83 -1,77 -2,64 -1,46 -2,66 -0,96 -2,04 -1,56
VG voor -0,37 -0,44 -0,36 -0,48 0,09 -1,99 -0,22 -1,71 -1,64 -2,16 -1,62
na -0,52 0,13 -0,33 -0,71 0,14 -2,35 -0,38 -1,25 -1,14 -0,88 -0,99
Mediaan voor na 27,12 26,92 25,87 26,18 26,40 26,39 28,06 27,92 26,15 26,21 27,57 26,87 28,52 28,24 24,39 24,96 26,09 26,80 24,66 26,06 24,24 25,02
taw min diepte voor na 26,26 26,94 24,99 25,99 25,67 26,44 27,28 27,34 25,88 26,02 25,57 25,60 27,87 27,74 24,31 24,37 25,32 26,50 24,30 26,00 24,00 24,48
max diepte voor na 27,35 27,36 26,24 26,35 26,56 27,11 28,32 28,49 26,25 26,32 28,75 28,99 28,72 28,68 24,52 25,14 26,32 27,11 25,25 26,21 24,42 25,81
VG voor 27,21 25,85 26,44 28,22 26,20 27,50 28,51 24,43 26,32 24,80 24,42
na 27,06 26,17 26,48 27,99 26,25 27,14 28,35 24,89 26,83 26,08 25,05
fluctuatie voor na 1,09 0,90 1,25 0,36 0,89 1,24 1,04 1,15 0,37 0,30 3,18 3,39 0,85 0,94 0,21 0,79 1,00 0,61 0,95 0,21 0,42 1,33
Bijlage D- Tijds en duurlijnen
Duurlijnen pijlbuizen: VINP005, VINP014A, VINP024X, VINP025A
Duurlijnen pijlbuizen VINP026X, VINP029A, VINP030A, VINP037A
Duurlijnen pijlbuizen VINP040A, VINP044X, VINP063X, VINP066A
Duurlijnen pijlbuizen VINP071X, VINP072X, VINP076X, VINP077X
Duurlijnen pijlbuizen VINP079X, VINP081X, VINP082X, VINP083X, VINP084X
Bijlage E- Toetsing van de grondwaterstalen aan de milieukwaliteitsnormen
Norm
FC 105
parameter Basiskwal.
Viskwal.
BOD ZS Kj-N O²-verz P-tot
=<6 =<25
<3
<1
<0,05
=<6 <50 <6 >=5 <1
Norm Viskwal.
BOD ZS Kj-N O²-verz P-tot
=<6 =<25
<1
FC122 Pomphuis 26-226-22011 2011 26-2-2011 26-2-2011 26-2-2011 26-2-2011 26-2-2011
26-2-2011
FC113
FC115
FC116
FC120
5,1
8,7 5,2 6 32 <10 <10 3,1 4,1 2,7 2,7 10,42 7,73 12,06 11,66 0,2 <0,05 0,2 <0,05
21 <10 1,1 4,75
FC 105
parameter Basiskwal. =<6 <50 <6 >=5 <1
FC106
FC106
12-8-2011
FC122 Pomphuis 12-812-82011 2011 12-8-2011 12-8-2011 12-8-2011 12-8-2011 12-8-2011
5,6 <3 56 <10 3,69 0,51 1 <0,05
3,1 6,48
FC113
FC115
<3
<3 10 3,2 5,25 0,1
FC116
3,1 12 7,2 230 16 17 14 2,9 3,1 14,08 11,68 11,24 3,2 <0,05 <0,05
FC120
<3 <3 12 <10 3,2 3,3 4,95 3,06 0,2 0,1
3,2 <3 28 <10 1,5 6,66 0,7
3,2 3,6 0,1
12 2,8 6,41 0,1
Bijlage F- Stiff-diagrammen
Bijlage F-1 Stiff-diagrammen van de grondwaterstalen
Bijlage F-2 Stiff-diagram van het oppervlaktewater
Bijlage G – Visvangstgegevens
Bijlage G.1 : Detail van de opbrengst van de elektrische vangst per transect in het meer van Zoutleeuw, dd 27/06/2011 Datum
n° transect
Soort
Aantal individuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
27/06/2011
1
Snoek
1
359
284
27/06/2011
1
Snoek
1
332
224
27/06/2011
2
Snoek
1
295
135
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
60
2
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
58
6
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
53
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
54
2
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
59
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
63
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
65
2
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
62
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
82
6
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
53
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
54
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
56
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
58
2
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
60
2
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
58
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
71
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
63
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
68
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
50
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
80
6
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
62
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
69
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
66
2
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
60
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
56
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
58
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
66
4
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
58
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
55
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
81
6
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
82
7
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
64
4
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
57
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
54
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
56
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
62
3
Opmerkingen
Datum
n° transect
Soort
Aantal individuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
57
3
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
56
1
27/06/2011
2
Rietvoorn
1
49
1
27/06/2011
2
Snoek
1
/
/
Waargenomen
27/06/2011
2
Karper
1
/
/
Waargenomen
27/06/2011
2
Pseudorasbora
1
/
/
Waargenomen
27/06/2011
3
Snoek
1
640
1240
27/06/2011
4
Karper
1
/
/
27/06/2011
5
Snoek
1
275
118
27/06/2011
5
Rietvoorn
19
/
65
27/06/2011
6
/
0
/
/
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
104
8
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
69
2
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
60
2
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
66
3
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
70
3
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
72
3
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
120
21
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
83
11
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
87
8
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
80
7
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
55
3
29/06/2011
7
Snoek
1
288
135
29/06/2011
7
Snoek
4
29/06/2011
7
Rietvoorn
1
88
9
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
90
7
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
76
6
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
135
26
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
120
23
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
87
8
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
85
9
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
84
10
29/06/2011
8
Rietvoorn
1
75
5
Opmerkingen
Waargenomen
Waargenomen
Bijlage G.2 : Detail van de opbrengst van de vangst met elektrisch vissen in het meer van Zoutleeuw, dd 29/06/2011 Zone
Soort
Aantal invidivuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
Habitats
1
Snoek
1
350
235
Paaiplaats voor snoek, rietveld, boomtakken
1
Snoek
1
357
216
1
Snoek
1
104
8
1
Snoek
1
98
6
1
Rietvoorn
1
71
6
1
Rietvoorn
1
60
3
1
Rietvoorn
1
72
3
1
Rietvoorn
1
60
2
1
Rietvoorn
1
73
4
1
Rietvoorn
1
64
3
1
Rietvoorn
1
59
2
2
Rietvoorn
1
250
204
2
Blankvoorn
1
110
13
2
Blankvoorn
1
70
3
2
Blankvoorn
1
54
1
2
Pseudorasbora
1
61
2
2
Blankvoorn
4
2
Rietvoorn
14
2
Pseudorasbora
1
52
2
2
Pseudorasbora
1
68
3
2
Pseudorasbora
1
68
4
2
Pseudorasbora
1
65
3
2
Pseudorasbora
7
58
2
2
Pseudorasbora
3
54
1
2
Pseudorasbora
6
56
1
2
Pseudorasbora
1
58
2
2
Pseudorasbora
3
66
1
2
Pseudorasbora
7
73
3
2
Pseudorasbora
4
58
1
2
Pseudorasbora
3
62
1
3
/
0
/
/
Boomtakken, weinig tot matig diepe zone
4
Snoek
2
/
/
Rietveld, boomtakken, helofiet
4
Blankvoorn
/
4
Rietvoorn
/
5
Blankvoorn
/
5
Rietvoorn
/
5
Pseudorasbora
/
5
Karper
/
6
Blankvoorn
/
6
Rietvoorn
/
Vlonders, waterlelie, ondiepe zone
Hydrofiet, helofiet
Rietveld, helofiet
Bijlage G.3 : Detail van de opbrengst van de vangst met warrelnetten in het meer van Zoutleeuw, dd 28/06/2011 Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
30
Rietvoorn
1
193
89
30
Rietvoorn
1
229
170
30
Rietvoorn
1
193
101
30
Rietvoorn
1
192
97
30
Blankvoorn
1
265
249
30
Blankvoorn
1
194
120
30
Blankvoorn
1
230
157
30
Blankvoorn
1
251
231
30
Rietvoorn
1
202
105
30
Rietvoorn
1
190
106
30
Blankvoorn
1
148
242
30
Rietvoorn
1
207
137
30
Rietvoorn
1
227
168
30
Rietvoorn
1
201
103
30
Blankvoorn
1
225
164
30
Rietvoorn
1
193
96
30
Rietvoorn
1
188
101
30
Blankvoorn
1
243
221
30
Rietvoorn
1
236
183
30
Rietvoorn
1
196
113
30
Rietvoorn
1
185
90
30
Rietvoorn
1
180
88
30
Rietvoorn
1
196
124
30
Rietvoorn
1
190
106
30
Blankvoorn
1
285
300
30
Blankvoorn
1
231
176
30
Rietvoorn
1
210
120
30
Rietvoorn
1
196
120
30
Rietvoorn
1
191
101
30
Blankvoorn
1
152
120
30
Rietvoorn
1
200
101
30
Rietvoorn
1
200
106
30
Rietvoorn
1
217
146
30
Blankvoorn
1
250
211
30
Rietvoorn
1
230
179
30
Rietvoorn
1
190
56
30
Rietvoorn
1
196
111
30
Rietvoorn
1
203
103
30
Rietvoorn
1
225
139
30
Blankvoorn
1
235
206
Opmerkingen
Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
30
Blankvoorn
1
247
230
30
Blankvoorn
1
228
169
30
Rietvoorn
1
198
127
30
Blankvoorn
1
180
30
Rietvoorn
7
825
30
Blankvoorn
3
749
30
Rietvoorn
6
940
30
Snoek
1
30
Blankvoorn
3
723
30
Rietvoorn
7
822
30
Rietvoorn
4
496
30
Rietvoorn
3
340
30
Rietvoorn
2
211
30
Rietvoorn
5
660
30
Blankvoorn
2
269
30
Rietvoorn
4
642
30
Blankvoorn
2
39
30
Rietvoorn
4
449
30
Rietvoorn
6
758
30
Rietvoorn
4
372
30
Rietvoorn
5
595
30
Rietvoorn
5
636
30
Blankvoorn
1
173
30
Rietvoorn
7
817
30
Rietvoorn
2
198
30
Blankvoorn
2
423
30
Rietvoorn
5
628
30
Rietvoorn
2
222
30
Blankvoorn
2
295
30
Rietvoorn
2
206
30
Rietvoorn
2
275
30
Blankvoorn
2
380
30
Rietvoorn
2
222
30
Rietvoorn
2
165
30
Rietvoorn
2
189
30
Blankvoorn
1
210
30
Rietvoorn
3
430
30
Rietvoorn
2
251
30
Blankvoorn
2
293
30
Blankvoorn
1
177
670
1820
Opmerkingen
Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
30
Rietvoorn
3
358
30
Blankvoorn
1
133
30
Rietvoorn
3
508
30
Snoek
1
30
Rietvoorn
3
360
30
Blankvoorn
1
180
30
Rietvoorn
2
260
30
Blankvoorn
1
161
30
Rietvoorn
4
673
30
Rietvoorn
5
673
30
Rietvoorn
4
480
30
Rietvoorn
4
574
30
Rietvoorn
2
276
30
Rietvoorn
1
100
30
Snoek
1
2240
30
Rietvoorn
3
367
30
Rietvoorn
4
528
30
Rietvoorn
3
432
30
Rietvoorn
3
309
30
Rietvoorn
2
253
30
Rietvoorn
4
480
30
Rietvoorn
1
280
30
Rietvoorn
1
226
30
Rietvoorn
2
206
20
Rietvoorn
1
127
33
20
Rietvoorn
1
128
39
20
Rietvoorn
1
167
26
20
Rietvoorn
1
123
26
20
Rietvoorn
1
131
80
20
Rietvoorn
1
190
96
20
Blankvoorn
1
190
87
20
Rietvoorn
1
140
35
20
Rietvoorn
1
140
35
20
Rietvoorn
1
135
23
20
Rietvoorn
1
143
36
20
Rietvoorn
1
137
31
20
Rietvoorn
1
147
40
20
Blankvoorn
1
175
68
20
Blankvoorn
1
186
78
20
Rietvoorn
1
140
35
Totale lengte (mm)
680
Gewicht (g)
1680
Opmerkingen
Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
20
Blankvoorn
1
187
80
20
Rietvoorn
1
126
39
20
Rietvoorn
1
140
41
20
Rietvoorn
1
140
31
20
Rietvoorn
1
132
33
20
Rietvoorn
1
141
35
20
Rietvoorn
1
132
25
20
Rietvoorn
1
160
55
20
Rietvoorn
1
141
34
20
Blankvoorn
1
182
77
20
Rietvoorn
1
180
73
20
Blankvoorn
1
175
72
20
Rietvoorn
1
140
30
20
Rietvoorn
1
132
28
20
Blankvoorn
1
160
46
20
Rietvoorn
1
132
28
20
Rietvoorn
1
140
31
20
Blankvoorn
1
190
84
20
Rietvoorn
1
144
32
20
Rietvoorn
1
176
75
20
Blankvoorn
1
174
72
20
Rietvoorn
1
130
27
20
Blankvoorn
1
176
79
20
Rietvoorn
1
161
54
20
Blankvoorn
1
160
48
20
Rietvoorn
1
129
28
20
Rietvoorn
1
126
34
20
Rietvoorn
1
137
38
20
Rietvoorn
1
132
33
20
Blankvoorn
1
170
66
20
Rietvoorn
1
170
56
20
Rietvoorn
1
130
28
20
Blankvoorn
1
177
74
20
Rietvoorn
1
173
62
20
Rietvoorn
1
130
31
20
Rietvoorn
1
145
34
20
Rietvoorn
1
123
23
20
Blankvoorn
1
196
100
20
Rietvoorn
1
161
53
20
Rietvoorn
6
235
Opmerkingen
Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
20
Blankvoorn
1
190
82
20
Blankvoorn
1
170
61
20
Rietvoorn
1
141
45
20
Rietvoorn
9
390
20
Rietvoorn
13
630
20
Blankvoorn
5
313
20
Rietvoorn
14
691
20
Blankvoorn
3
260
20
Rietvoorn
11
478
20
Blankvoorn
3
206
20
Rietvoorn
8
304
20
Rietvoorn
10
472
20
Blankvoorn
2
104
20
Rietvoorn
7
322
20
Blankvoorn
3
275
20
Rietvoorn
9
426
20
Rietvoorn
6
298
20
Rietvoorn
8
269
20
Blankvoorn
3
298
20
Rietvoorn
4
185
20
Rietvoorn
9
414
20
Blankvoorn
3
220
20
Rietvoorn
7
370
20
Rietvoorn
11
461
20
Blankvoorn
2
191
20
Rietvoorn
4
206
20
Rietvoorn
7
322
20
Rietvoorn
8
269
20
Blankvoorn
2
155
20
Rietvoorn
9
425
20
Blankvoorn
2
161
20
Blankvoorn
3
246
20
Rietvoorn
8
291
20
Blankvoorn
5
417
20
Rietvoorn
8
393
20
Blankvoorn
2
156
20
Rietvoorn
7
340
20
Rietvoorn
5
204
20
Blankvoorn
2
131
20
Rietvoorn
8
349
Opmerkingen
Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
20
Blankvoorn
3
204
20
Blankvoorn
11
484
20
Rietvoorn
9
440
20
Rietvoorn
12
437
20
Rietvoorn
8
369
20
Blankvoorn
4
313
20
Blankvoorn
3
258
20
Rietvoorn
7
293
20
Rietvoorn
6
220
20
Rietvoorn
8
446
20
Rietvoorn
7
338
20
Blankvoorn
4
292
20
Rietvoorn
10
426
20
Rietvoorn
6
275
20
Rietvoorn
5
288
20
Rietvoorn
3
107
20
Blankvoorn
2
93
20
Rietvoorn
10
488
20
Blankvoorn
4
371
20
Rietvoorn
7
233
20
Blankvoorn
2
158
20
Rietvoorn
8
320
20
Blankvoorn
1
73
20
Rietvoorn
4
207
20
Blankvoorn
5
211
20
Rietvoorn
2
180
20
Rietvoorn
8
332
20
Blankvoorn
7
298
20
Rietvoorn
4
374
20
Rietvoorn
4
244
20
Blankvoorn
1
137
20
Rietvoorn
5
246
20
Blankvoorn
4
174
20
Rietvoorn
13
275
20
Rietvoorn
4
356
20
Rietvoorn
11
504
20
Blankvoorn
5
308
20
Rietvoorn
12
550
20
Blankvoorn
3
245
20
Rietvoorn
8
320
Totale lengte (mm)
Gewicht (g)
Opmerkingen
Maaswijdte van het net
Soort
Aantal individuen
20
Blankvoorn
2
140
20
Rietvoorn
11
588
20
Blankvoorn
3
195
20
Rietvoorn
8
332
20
Blankvoorn
9
300
20
Rietvoorn
2
136
20
Rietvoorn
5
244
20
Blankvoorn
6
315
20
Rietvoorn
1
20
Rietvoorn
4
270
20
Blankvoorn
2
119
20
Rietvoorn
12
560
50
Rietvoorn
1
348
696
50
Rietvoorn
1
333
580
50
Snoek
1
700
2174
50
Snoek
1
630
1535
50
Rietvoorn
1
327
521
50
Rietvoorn
1
283
320
50
Rietvoorn
1
323
600
50
Rietvoorn
1
325
550
50
Rietvoorn
1
296
400
50
Rietvoorn
1
343
651
50
Snoek
1
710
2191
50
Karper
1
550
5000
50
Rietvoorn
1
295
402
50
Rietvoorn
1
367
880
Totale lengte (mm)
286
Gewicht (g)
Opmerkingen
316
Geschat gewicht
Bijlage H- Bibliografie
Bibliografie
Aeolus, 2006. Natuurinrichtingsproject “Het vinne” – Monitoringsprogramma T+2. Argillier C., Pronier O., Molinier O., 2002. Approche typologique des peuplements lacustres francais. Bull. Fr. Pêche Piscic. p.16 Belpaire C., Smolders R., Vanden Auweele I., Ercken D., Breine J., Van Thuyne G., Ollevier F., 2000. An Index of Biotic Integrity characterizing fish populations and the ecological quality of Flandrian water bodies. Hydrobiologia 434: 1733. De Vocht, A., Coeck, J., Van Thuyne, G., Breine, J. en Belpaire, C. 2002. Vissen in Limburg: oude bekenden en nieuwe gezichten. LIKONA-jaarboek 2001: 78-85. Goubier J., 1977. Interet piscicole des introductions de Sandre (Lucioperca lucioperca). Bull. Fr. Pêche Piscic. 3p. Gozlan, R.E., St-Hilaire, S., Feist, S.W., Martin, P. en Kent, M.L. 2005. Disease threat to European fish. Nature Vol 435|: p. 1046. Quiros R., 1990. Predictors of relative fish biomass in lakes and reservoirs of Argentina. Canadian scientist journal of fish and aquaculture 47: 928-939. Seber G.A. and Le Cren E.D., 1967. Estimating population parameters from catches large relative to the population. J. Anim. Ecol. 36 : 631-643. Tesch, F. W., 1971: Age and growth. In: Methods for assessment of fish production in fresh waters. W. E. Ricker (Ed). Blackwell Scientific Publications, Oxford, pp. 99–130.