Skip to main content

SV_rapport_2021_05_COVID_19_bevraging_werk.pdf

Page 1

RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2021/5

RESULTATEN COVID-19-BEVRAGING

WERK, INKOMEN EN LEVENSLANG LEREN


INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1

GEBRUIKTE METHODE

7

2

RESULTATEN COVID-19-BEVRAGING

11

2.1 Werk

11

2.1.1 Wijziging in werksituatie

12

2.1.2 Wijziging in gewerkte uren

14

2.1.3 Wijziging in loon/inkomen

17

2.1.4 Telewerk

20

2.1.5 Wijziging in werkdruk

23

2.1.6 Wijziging in werkzekerheid

26

2.1.7 Wijziging in evenwicht werk-privéleven

29

2.1.8 Wijziging in werkplezier en motivatie

32

2.1.9 Tevredenheid met werksituatie

35

2.2 Inkomenssituatie van gezinnen

38

2.2.1 Wijziging inkomenssituatie van gezinnen

38

2.2.2 Achterstallige betalingen

42

2.3 Levenslang leren

45

BESLUIT 50


WERK, INKOMEN EN LEVENSLANG LEREN SAMENVATTING Vlaanderen werd net als de rest van de wereld vanaf het voorjaar van 2020 zwaar getroffen door de coronapandemie. Dat zorgde voor een grote nood aan betrouwbare en actuele gegevens over de impact van deze crisis op de leefsituatie van de bevolking. Om aan die nood tegemoet te komen, organiseerde Statistiek Vlaanderen in het voorjaar van 2021 een grootschalige COVID-19-bevraging. Aan 20.000 meerderjarige inwoners van het Vlaamse Gewest, geselecteerd via een toevallige steekproef uit het Rijksregister, werd gevraagd naar de impact van de crisis op hun gezondheid, sociale contacten, werksituatie, inkomen en woon- en gezinssituatie. Dit rapport is het 2de in een reeks van 3 rapporten waarin de algemene resultaten van de COVID-19-bevraging worden voorgesteld. In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van de vragen over werk, inkomen en levenslang leren. De resultaten van de COVID-19-bevraging geven duidelijk aan dat de coronacrisis een grote impact heeft gehad op de arbeids- en inkomenssituatie van de werkende bevolking. Groepen die zich traditioneel in een meer kwetsbare positie bevinden op de arbeidsmarkt, zoals jongeren, laaggeschoolden, zelfstandigen of werknemers met een tijdelijk contract, blijken ook tijdens de coronacrisis sterker getroffen. Zij zijn vaker tijdelijk werkloos (geweest), veranderden vaker van job,

werden vaker geconfronteerd met loon- of inkomensverlies en met een verminderde werkzekerheid. Maar ook groepen werkenden die in normale tijden een sterkere en stabielere positie bekleden op de arbeidsmarkt, ondervinden de impact van de coronacrisis. Het gaat om hooggeschoolden, de middelste leeftijdsgroepen, werknemers met een vast contract en voltijds werkenden. Zij werken vaker dan voor de crisis (noodgedwongen) van thuis uit en werken meer uren. Zij signaleren ook een hogere werkdruk dan voor de crisis, een moeilijkere combinatie van het werk met het privéleven en minder werkplezier en -motivatie. Alles samen geeft 1 op de 3 werkenden aan in het algemeen minder tevreden te zijn met de werksituatie dan voor de coronacrisis. De coronacrisis heeft echter niet enkel een duidelijke impact op de inkomenssituatie van werkenden, maar meer algemeen op die van de totale bevolking. 18% geeft aan dat het gezinsinkomen achteruitgegaan is in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis, 10% kon tijdens de coronacrisis 1 of meer rekeningen niet of niet op tijd betalen. Opvallend: deze inkomensproblemen doen zich meer voor bij de leeftijdsgroepen op actieve leeftijd dan bij de oudere groepen. Ten slotte volgde ruim een kwart tijdens de coronacrisis een opleiding, vorming of training, voor het werk of in de vrije tijd. Dat aandeel ligt het hoogst bij de jongere leeftijdsgroepen en bij hoger geschoolden.


INLEIDING Statistiek Vlaanderen (SV) publiceert op haar website de meest actuele Vlaamse openbare statistieken over tal van thema’s. In het voorjaar van 2020 brak onverwacht de coronapandemie uit, wat een grote impact had op de leefsituatie van de bevolking. Daardoor ontstond de nood aan betrouwbare en actuele data om de impact van de crisis in kaart te brengen. Statistiek Vlaanderen nam daarom het initiatief om een specifieke burgerbevraging op te zetten over de impact van de COVID-19-crisis. De bevraging werd ontwikkeld in samenspraak met actoren uit het netwerk Statistiek Vlaanderen en een aantal externe experten. Dit rapport is het 2de in een reeks van 3 rapporten waarin de algemene resultaten van de COVID-19-bevraging worden voorgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de vragen over werk, inkomen en levenslang leren

gepresenteerd. In een eerste rapport, gepubliceerd eind april 2021, werd al ingegaan op de vragen over gezondheid, welzijn en sociale contacten. In een 3de rapport, dat eind mei 2021 verschijnt, staan de thema’s woonsituatie, mobiliteit, kinderen en onderwijs en digitalisering centraal. Alle rapporten zijn te vinden op de website van Statistiek Vlaanderen: www.statistiekvlaanderen.be. Verderop in 2021 zullen aanvullend nog bijkomende SV-rapporten gepubliceerd worden waarin bepaalde topics van de COVID-19-bevraging meer in de diepte worden uitgespit. Vanaf midden 2021 worden de data ook ter beschikking gesteld aan derden die zelf analyses willen uitvoeren op de data. Geïnteresseerden kunnen een data-aanvraag indienen bij Statistiek Vlaanderen via een aanvraagformulier dat opgevraagd kan worden door te mailen naar sv@vlaanderen.be.

5


1.


GEBRUIKTE METHODE

1

De resultaten van de COVID-19-bevraging voldoen dankzij de gebruikte hoogwaardige methodologie aan de hoogste statistische kwaliteitsstandaarden. Er werd vooreerst gebruik gemaakt van een toevalssteekproef op basis van het Rijksregister. 20.000 personen van 18 jaar en ouder die wonen in het Vlaamse Gewest werden willekeurig geselecteerd voor deelname aan de bevraging. De COVID-19-bevraging was daarnaast opgebouwd als een zogenaamde ‘mixed mode’-bevraging. Dat betekent dat de respondenten de vragenlijst op verschillende manieren konden invullen. De geselecteerde personen werden eind januari 2021 per brief uitgenodigd om de bevraging online in te vullen. Wie niet online deelnam, kreeg eind februari alsnog een schriftelijke vragenlijst in de bus. De bevraging werd afgesloten eind maart 2021. De combinatie van een online en papieren vragenlijst zorgde ervoor dat ook personen die geen of onvoldoende digitale toegang hebben, mee werden opgenomen in de bevraging. Ten slotte werd de vragenlijst zo opgesteld dat hij makkelijk in te vullen is via de smartphone (‘mobile first’-design). Daarmee wordt ingespeeld op de sterke toename van de rol van de smartphone in onlinecommunicatie en dit met het oog op een beter bereik van specifieke moeilijk bereikbare groepen zoals jongeren. De voornaamste uitdagingen bij het uitwerken van het ‘mobile first’-principe liggen bij het reduceren van de lengte van de vragenlijst en het herontwerpen van de vraagstelling om het invullen van de vragen zo eenvoudig mogelijk te maken. Dat vertaalt zich concreet in het gebruik van kortere vragen die passen op het kleinste scherm (smartphone) en in het beperken van de vraaglast via het gebruik van een beperkt aantal antwoordmogelijkheden en toegankelijk taalgebruik. De combinatie van bovenstaande elementen zorgt ervoor dat de resultaten van de COVID-19-bevraging een uniek representatief beeld geven van de impact van de coronacrisis op de houdingen, gedragingen en leefsituatie van de inwoners van het Vlaamse Gewest. Uiteindelijk leverde de COVID-19-bevraging 10.035 bruikbare enquêtes op. Afgezet tegenover de brutosteekproef van 20.000 personen komt dat overeen met een responsgraad van 50,2%. Van de 10.035 bruikbare enquêtes werden er 72,5% online ingevuld en 27,5% op papier. Naar achtergrondkenmerken van de respondenten stellen we hier opvallende verschillen vast, vooral naar leeftijd en opleiding. Terwijl bij de respondenten tot 35 jaar maar 14% via de papieren vragenlijst deelnam, stijgt dat aandeel tot 57% bij de 75-plussers. Ook sprekend is het verschil naar opleidingsniveau: 47% van de laaggeschoolden nam deel via de papieren vragenlijst, bij hooggeschoolden gaat het om 14%. Het onderstreept het belang van het aanbieden van een

7


papieren versie van de bevraging. Indien dat niet gebeurt, bestaat het risico dat een belangrijk deel van de doelgroep niet wordt bereikt, vooral dan oudere en laagopgeleide respondenten. Omwille van de onvermijdelijke verschillen in de respons naar achtergrondkenmerken werd de uiteindelijke steekproef gewogen bij de berekening van de resultaten. Dat houdt in dat men de ondervertegenwoordigde groepen meer laat doorwegen, terwijl de groepen die oververtegenwoordigd zijn minder gewicht krijgen. Op die manier worden de verhoudingen tussen de verschillende doelgroepen in de uiteindelijke steekproef hersteld en in overeenstemming gebracht met het steekproefkader. Zo bekomt men een representatieve steekproef voor de beoogde doelpopulatie, alvast op grond van de gebruikte achtergrondkenmerken. Bij de weging van de COVID-19-bevraging werd rekening gehouden met volgende 5 achtergrondkenmerken: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, nationaliteit (Belg/niet-Belg) en urbanisatiegraad. Een meer uitgebreide bespreking over de steekproeftrekking, de manier waarop de vragenlijst werd aangeboden (‘mixed mode’), het ontwerp van de vragenlijst (‘mobile first’), de gerealiseerde respons, de representativiteit van de bevraging en de gebruikte weging is te vinden in het eerder gepubliceerde eerste rapport dat raadpleegbaar is op www.statistiekvlaanderen.be.


9


2.


RESULTATEN COVID-19-BEVRAGING 2

In dit rapport worden de algemene resultaten gepresenteerd van de vragen uit de COVID-19-bevraging over werk, inkomen en levenslang leren. Daarbij worden telkens eerst de resultaten voor de totale populatie besproken, waarna ingegaan wordt op mogelijke verschillen naar een aantal achtergrondkenmerken. Om te beoordelen of er sprake is van een statistisch significant verschil tussen de scores van de verschillende groepen binnen een bepaald achtergrondkenmerk (bijvoorbeeld tussen mannen en vrouwen) wordt gebruik gemaakt van de Cramer’s V-test. Als de bijhorende p-waarde kleiner is dan 0,050 beschouwen we het verband als significant. Dat geven we aan in de figuren door de staven een blauwe kleur te geven. In de beschrijving van de verschillen staan we ook voornamelijk stil bij de significante verschillen. In de figuren van dit rapport zijn niet alle resultaten opgenomen. Die zijn raadpleegbaar in de bijlage die samen met dit rapport gepubliceerd werd op de website van Statistiek Vlaanderen (www.statistiekvlaanderen.be). In die bijlage is bij elke vraag ook het aantal respondenten opgenomen.

2.1 WERK Een uitgebreid deel van de vragenlijst peilt naar de invloed van de coronacrisis op de arbeids- en inkomenssituatie van de werkende bevolking. Daarbij wordt ingezoomd op wijzigingen in specifieke werkaspecten zoals gewerkte uren, inkomen/loon, telewerk, werkdruk, werkzekerheid, combinatie werk-privé, werkplezier en motivatie. Er werd ook gevraagd naar de tevredenheid met de werksituatie in het algemeen en de mate waarin die tevredenheid geëvolueerd is in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. De cijfers in dit deel van het rapport zijn gebaseerd op de antwoorden van personen van 18 tot en met 64 jaar die betaald werk hadden op het moment van de bevraging. Het gaat in totaal om 5.267 respondenten. Niet-werkende personen en het beperkt aantal werkende personen van 65 jaar en ouder werden niet meegenomen in de berekening van de hier gepresenteerde cijfers. De resultaten worden in dit deel niet alleen opgesplitst naar geslacht, leeftijd en opleiding, maar ook naar statuut (werknemer/zelfstandige) en arbeidsregime (voltijds/deeltijds). Bij de werknemers wordt ten slotte ook de opdeling gemaakt naar soort contract (tijdelijk contract/vast contract).

11


2.1.1 WIJZIGING IN WERKSITUATIE Bijna drie kwart van de werkenden geeft aan dat hun werksituatie op het moment van de bevraging niet is veranderd in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis (73%). 11% zegt tijdelijk werkloos te zijn geweest maar is ondertussen opnieuw aan het werk. 4% is tijdelijk werkloos geworden en is dat op het moment van de bevraging nog steeds. Verder geeft 5% aan dat men een andere functie of andere taken gekregen heeft bij dezelfde werkgever, 4% is van job of werkgever veranderd en 2% van de werkenden was werkloos bij het begin van de crisis en heeft ondertussen een job gevonden. Tabel 1. Vergelijking werksituatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % IN %

Werksituatie is niet veranderd Ik werd tijdelijk werkloos maar ben nu opnieuw aan het werk Ik heb een andere functie of andere taken gekregen bij mijn huidige werkgever Ik werd tijdelijk werkloos en ben dat nog steeds Ik ben van job/werkgever veranderd Ik was werkloos bij het begin van de crisis en heb ondertussen een job gevonden Weet niet/geen antwoord

73 11 5 4 4 2 5

Noot: doordat respondenten bij deze vraag meer dan 1 antwoord konden aanduiden, is de som van de percentages in de tabel groter dan 100%. Het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn beperkt voor de geschetste wijzigingen in de werksituatie door de coronacrisis. Naar leeftijd vallen er wel duidelijke verschillen te noteren. Het aandeel dat zegt tijdelijk werkloos te zijn geweest maar nu terug aan de slag is, ligt duidelijk hoger bij de jongere leeftijdsgroepen. Bij de werkenden van 18 tot 24 jaar gaat het om 18%, bij de werkenden van 55 tot 64 jaar om 8%. Het zijn ook de jongere groepen die het vaakst van job of werkgever zijn veranderd. Daarnaast ligt het aandeel dat een andere functie of taak heeft gekregen bij dezelfde werkgever het hoogst bij de 25- tot 34-jarigen en de 35- tot 44-jarigen. Daar gaat het telkens om 6%. Bij de groep van 18 tot 24 jaar ligt dat aandeel het laagst (2%). Het aandeel dat tijdelijk werkloos is geweest ligt het hoogst bij de laaggeschoolden en het laagst bij de hooggeschoolden (respectievelijk 15% en 8%). Tegelijk blijkt dat hoe hoger geschoold, hoe vaker men een andere functie of taken gekregen heeft bij de huidige werkgever. Bij hooggeschoolden gaat het om 6%, bij laaggeschoolden om 2%.


Figuur 2.1.1.a. Vergelijking werksituatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Tijdelijk werkloos weer aan het werk Totaal

11

Man Vrouw

4

12 10

25-34 jaar

15

45-54 jaar 55-64 jaar

Middengeschoold 8

7 7

6

4

4 3

14

4

6

4

15

4

2

4

8

4

5

3

11

Laaggeschoold

Hooggeschoold

4

10

Van job/werkgever veranderd

4 3

18

Andere functie of taken 5

4

18-24 jaar

35-44 jaar

Nog steeds tijdelijk werkloos

4

4 3

2

5 3

1

3

4

4 6

5

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

In vergelijking met werknemers zijn zelfstandigen op het moment van de bevraging iets vaker nog steeds tijdelijk werkloos (respectievelijk 3% en 6%). Werknemers (5%) hebben vaker dan zelfstandigen (1%) een andere functie of taken gekregen bij dezelfde werkgever. Werknemers met een tijdelijk contract geven duidelijk vaker aan dat ze tijdelijk werkloos geworden zijn tijdens de coronacrisis maar ondertussen weer aan het werk zijn dan werknemers met een vast contract (respectievelijk 17% en 11%). Zij zijn ook vaker veranderd van job of werkgever dan werknemers met een vast contract (respectievelijk 15% en 3%). Werknemers met een vast contract kregen vaker een andere functie of taken bij de huidige werkgever dan diegenen met tijdelijk werk (respectievelijk 5% en 2%). Naar arbeidsregime ten slotte blijven de verschillen op vlak van wijzigingen in de werksituatie beperkt.

13


Figuur 2.1.1.b. Vergelijking werksituatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Tijdelijk werkloos weer aan het werk Totaal

Nog steeds tijdelijk werkloos

11

Werknemer

4

12

3

Zelfstandige

11

6

Vast contract

11

3

Tijdelijk contract

17

Voltijds

11

Deeltijds

11

4

Van job/werkgever veranderd

5

4

5

4

1

5

4

3

2

3 4

Andere functie of taken

5 5

15

4 3

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.2 WIJZIGING IN GEWERKTE UREN Als gevraagd wordt om het gemiddeld aantal gewerkte uren per week op het moment van de bevraging te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis, dan geeft 65% van de werkenden aan dat dit min of meer gelijk is gebleven. 18% werkt meer uren en 12% minder uren.


Figuur 2.1.2.a. Vergelijking gemiddeld aantal werkuren per week op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Minder uren per week

12

Ongeveer evenveel uren per week

65

Meer uren per week

18

Weet niet/geen antwoord

4

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Een hoger aandeel vrouwen dan mannen zegt op het moment van de bevraging meer uren per week te werken dan voor de coronacrisis (respectievelijk 21% en 15%). Omgekeerd geeft een hoger aandeel mannen dan vrouwen aan minder uren te werken (respectievelijk 14% en 11%). Ook naar leeftijd zijn er verschillen. Het hoogste aandeel dat aangeeft meer uren per week te werken dan voor de crisis is te vinden bij de 35- tot 44-jarigen (20%). De groep van 55 tot 64 jaar noteert het laagste aandeel (13%). Het aandeel dat stelt dat er minder uren gewerkt wordt dan voor de coronacrisis ligt het hoogst bij de 25- tot 34-jarigen (16%) en het laagst bij de 35- tot 44-jarigen (10%). Het aandeel dat meer uren per week werkt dan voor de coronacrisis stijgt naarmate het opleidingsniveau toeneemt. Bij de laaggeschoolden gaat het om 7%, bij de hooggeschoolden om 26%. Tegelijk ligt het aandeel dat minder uren werkt hoger bij de laag- en middengeschoolden (telkens 14%) dan bij de hooggeschoolden (11%).

15


Figuur 2.1.2.b. Vergelijking gemiddeld aantal werkuren per week op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Meer uren per week Totaal

Minder uren per week

18

Man

12

15

14

Vrouw

21

18-24 jaar

11

16

25-34 jaar

15 19

35-44 jaar

16

20

45-54 jaar

10

18

55-64 jaar

13

13

Laaggeschoold Middengeschoold

11

7

14 11

Hooggeschoold

14 26

11

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar statuut blijkt dat zelfstandigen vaker dan werknemers minder uren per week werken dan voor de coronacrisis (respectievelijk 25% en 11%). Werknemers met een vast contract geven minder vaak dan werknemers met een tijdelijk contract aan dat ze minder uren per week werken dan voor corona (respectievelijk 10% en 16%). Naar arbeidsregime blijven de verschillen beperkt.


Figuur 2.1.2.c. Vergelijking gemiddeld aantal werkuren per week op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Meer uren per week Totaal

18

Werknemer

18

Zelfstandige

12

11

16

Vast contract

25

18

Tijdelijk contract

10

20

Voltijds Deeltijds

Minder uren per week

19 16

16

12 13

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.3 WIJZIGING IN LOON/INKOMEN Ruim drie kwart van de werkenden stelt dat het loon of inkomen op het moment van de bevraging min of meer gelijk gebleven is in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. Bij 14% is er sprake van een lager loon of inkomen en in 7% van de gevallen ligt het loon of inkomen hoger.

17


Figuur 2.1.3.a. Vergelijking loon/inkomen op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Loon/inkomen is lager dan voor de crisis

14

Loon/inkomen is ongeveer even hoog als voor de crisis

76

Loon/inkomen is hoger dan voor de crisis

7

Weet niet/geen antwoord

3

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Mannen geven vaker dan vrouwen aan dat hun loon/inkomen op het moment van de bevraging lager is dan voor de coronacrisis (respectievelijk 16% en 12%). Hoe jonger, hoe hoger het aandeel dat nu een hoger loon/inkomen heeft in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. 16% van de 18- tot 24-jarigen geeft aan een hoger loon/inkomen te hebben. Bij de 55- tot 64-jarigen gaat het om 2%. Bij de leeftijdsgroepen vanaf 45 jaar zegt 15% dat het loon/inkomen nu lager is dan voor de coronacrisis, bij de jongste leeftijdsgroep (18 tot 24 jaar) is dat bij 9% het geval. Ook naar opleidingsniveau zijn er verschillen. Laaggeschoolden (18%) stellen vaker dan hooggeschoolden (11%) dat hun loon/inkomen nu lager ligt dan voor de coronacrisis. Omgekeerd vinden meer hooggeschoolden (9%) dan laaggeschoolden (4%) dat hun loon/inkomen nu hoger is dan voor de coronacrisis.


Figuur 2.1.3.b. Vergelijking loon/inkomen op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Loon/inkomen lager dan voor de crisis Totaal

14

Man

7

16

Vrouw 18-24 jaar

7

12

7

9

16

25-34 jaar

13

35-44 jaar

13

14 6

45-54 jaar

15

55-64 jaar

15

Laaggeschoold

5 2

18

Middengeschoold Hooggeschoold

Loon/inkomen hoger dan voor de crisis

16

4 6

11

9

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Zelfstandigen geven veel vaker dan werknemers aan dat het loon/inkomen nu lager ligt dan voor de coronacrisis (respectievelijk 38% en 10%). Werknemers met een tijdelijk contract geven iets vaker werknemers in vast dienstverband aan dat hun loon/inkomen nu lager ligt dan voor de crisis. Tegelijk geven zij ook vaker aan dat hun loon net hoger ligt (respectievelijk 17% en 7%). Werkenden met een voltijdse baan geven in vergelijking met hun collega’s met deeltijds werk meer aan dat hun loon/inkomen nu hoger ligt dan voor de coronacrisis (respectievelijk 8% en 4%).

19


Figuur 2.1.3.c. Vergelijking loon/inkomen op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Loon/inkomen lager dan voor de crisis Totaal

14

Werknemer

8 38

Vast contract

5

10

Tijdelijk contract

Deeltijds

7

10

Zelfstandige

Voltijds

Loon/inkomen hoger dan voor de crisis

7 13

17

14 13

8 4

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.4 TELEWERK Op het moment van de bevraging geeft 17% aan dat ze elke dag van thuis uit werken (telewerk). 24% werkt enkele keren per week tot enkele keren per maand van thuis uit en 2% enkele keren per jaar. 55% werkt nooit van thuis uit. Van de personen die nooit thuiswerken geeft 65% aan dat thuiswerken niet mogelijk is door de aard van het werk. Bij 34% is het niet toegelaten door de werkgever. Slechts 1% geeft aan dat men niet van thuis uit werkt terwijl het wel toegelaten is. Als gevraagd wordt om de frequentie van thuiswerk te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis dan geeft 39% aan dat men op het moment van de bevraging vaker van thuis uit werkt. 23% geeft aan dat de situatie ongeveer gelijk is gebleven. Slechts 4% werkt minder van thuis uit. 35% weet het niet of heeft geen antwoord gegeven.


Figuur 2.1.4.a. Vergelijking frequentie van thuiswerk op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Minder vaak van thuis uit

4

Ongeveer evenveel van thuis uit

23

Vaker van thuis uit

39

Weet niet/geen antwoord

35

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Vrouwen geven iets meer dan mannen aan dat ze vaker van thuis uit werken in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. Bij vrouwen gaat het om 40% van de werkenden, bij mannen om 37%. Ook naar leeftijd zijn er verschillen. 45% van de groep van 35 tot 44 jaar geeft aan dat men vaker van thuis uit werkt. Bij de groep 18 tot 24 jaar gaat het om 12%. Naarmate de opleiding hoger is, stijgt het aandeel dat vaker vanuit thuis werkt sterk. 60% van de hooggeschoolde respondenten werkt vaker van thuis uit dan voor de coronacrisis. Bij de laaggeschoolden gaat het om 8%.

21


Figuur 2.1.4.b. Vergelijking frequentie van thuiswerk op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Vaker van thuis uit Totaal

Minder vaak van thuis uit

39

Man

4

37

Vrouw

4

40

18-24 jaar

3

12

9

25-34 jaar

38

35-44 jaar

4 45

45-54 jaar

4

40

55-64 jaar

4

34

Laaggeschoold Middengeschoold

2

8

8 22

Hooggeschoold

4 60

2

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

39% van de werknemers geeft aan vaker van thuis uit te werken dan voor de coronacrisis. Bij de zelfstandigen gaat het om 31%. Het aandeel dat vaker thuiswerkt dan voor de crisis ligt ook duidelijk hoger bij werknemers met een vast contract (41%) dan bij werknemers met een tijdelijk contract (25%). En dat aandeel ligt ook hoger bij voltijds werkenden (41%) dan bij deeltijds werkenden (32%).


Figuur 2.1.4.c. Vergelijking frequentie van thuiswerk op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Vaker van thuis uit

Minder vaak van thuis uit

Totaal

39

4

Werknemer

39

4

Zelfstandige

31

Vast contract Tijdelijk contract

41

4

25

7

Voltijds Deeltijds

3

41 32

4 3

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.5 WIJZIGING IN WERKDRUK Ook naar de werkdruk werd gevraagd in de COVID-19-bevraging. 42% van de werkenden ervaart een hogere werkdruk dan voor de coronacrisis. Bij een ongeveer even grote groep ligt de werkdruk even hoog als voor de crisis (43%). 11% ondervindt minder werkdruk dan voorheen.

23


Figuur 2.1.5.a. Vergelijking werkdruk op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Hogere werkdruk dan voor de crisis

42

Ongeveer gelijk aan voor de crisis

43

Lagere werkdruk dan voor de crisis

11

Weet niet/geen antwoord

4

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Vrouwen melden vaker dan mannen dat de werkdruk nu hoger ligt dan voor de coronacrisis (respectievelijk 48% en 35%). De leeftijdsgroep die het vaakst aangeeft dat de werkdruk nu hoger is, is de groep van 25 tot 34 jaar (44%). Bij de oudere leeftijdsgroepen daalt dat aandeel. Maar het is bij de 18- tot 24-jarigen dat dat aandeel het laagst ligt (32%). Het aandeel dat aangeeft dat de werkdruk nu hoger ligt dan voorheen neemt toe naarmate de opleiding stijgt. Bij de laaggeschoolden ervaart 31% een hogere werkdruk. Bij de hooggeschoolden gaat het om 48%.


Figuur 2.1.5.b. Vergelijking werkdruk op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Hogere werkdruk dan voor de crisis Totaal

42

Man

11 48

32 44

35-44 jaar

10

41

55-64 jaar

Hooggeschoold

14

43

45-54 jaar

Middengeschoold

10

11

25-34 jaar

Laaggeschoold

11

35

Vrouw 18-24 jaar

Lagere werkdruk dan voor de crisis

10

39

9

31

12 37

12 48

9

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Een hoger aandeel werknemers (43%) dan zelfstandigen (31%) ondervindt nu een hogere werkdruk dan voor de coronacrisis. Omgekeerd spreekt een hoger aandeel zelfstandigen (19%) dan werknemers (10%) over een lagere werkdruk dan voor de coronacrisis. Werknemers met een vast contract (43%) rapporteren vaker dan collega’s met een tijdelijk contract (36%) dat de werkdruk hoger ligt dan voor de coronacrisis. Het aandeel dat nu een hogere werkdruk ondervindt dan voor de coronacrisis ligt ook iets hoger bij deeltijds werkenden dan bij voltijds werkenden. Bij de deeltijds werkenden gaat het om 45%, bij de voltijds werkenden om 41%.

25


Figuur 2.1.5.c. Vergelijking werkdruk op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Hogere werkdruk dan voor de crisis Totaal

Lagere werkdruk dan voor de crisis

42

Werknemer

43

Zelfstandige

11

10

31

19

Vast contract

43

Tijdelijk contract Voltijds

36

12

41

Deeltijds

9

10 45

11

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.6 WIJZIGING IN WERKZEKERHEID 70% geeft aan dat de werkzekerheid op het moment van de bevraging min of meer gelijk gebleven is met de situatie voor de coronacrisis. 20% vindt dat de werkzekerheid verslechterd is, 6% spreekt over een verbetering.


Figuur 2.1.6.a. Vergelijking werkzekerheid op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Slechter dan voor de crisis

20

Ongeveer gelijk aan voor de crisis

70

Beter dan voor de crisis

6

Weet niet/geen antwoord

4

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Vrouwen (18%) zijn minder van oordeel dan mannen (21%) dat hun werkzekerheid verslechterd is. Naar leeftijd valt op dat het aandeel dat aangeeft dat de werkzekerheid verbeterd is, vermindert naarmate de leeftijd stijgt. Bij de groep van 18 tot 24 jaar vindt 16% dat de werkzekerheid is verbeterd, bij de groep van 55 tot 64 jaar ligt dat aandeel op 2%. Naar opleiding blijkt het aandeel dat vindt dat de werkzekerheid verslechterd is het grootst bij de middengeschoolden (22%). Bij de andere groepen ligt dat aandeel telkens op 18%.

27


Figuur 2.1.6.b. Vergelijking werkzekerheid op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slechter dan voor de crisis Totaal

Beter dan voor de crisis

20

Man

6

21

Vrouw

6

18

18-24 jaar

7

17

25-34 jaar

16 21

35-44 jaar

9

18

6

45-54 jaar

20

55-64 jaar

20

Laaggeschoold

2

18

Middengeschoold Hooggeschoold

6

6 22

18

7 6

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Het aandeel dat een verslechtering van de werkzekerheid aangeeft, ligt bij zelfstandigen veel hoger dan bij werknemers (respectievelijk 37% en 17%). Werknemers met een tijdelijk contract geven vaker aan dan werknemers met een vast contract dat ze nu minder werkzekerheid hebben (respectievelijk 22% en 17%). Tegelijk zijn het de werknemers met een tijdelijk contract die het vaakst spreken over een verbetering van de werkzekerheid. Bij de voltijds werkenden zegt 21% dat de werkzekerheid verslechterd is, bij de respondenten die deeltijds werken ligt dat aandeel op 17%.


Figuur 2.1.6.c. Vergelijking werkzekerheid op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slechter dan voor de crisis Totaal Werknemer

20

7 37

17

4

6

Tijdelijk contract

22

Voltijds Deeltijds

6

17

Zelfstandige Vast contract

Beter dan voor de crisis

21 17

11

6 6

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.7 WIJZIGING IN EVENWICHT WERK-PRIVÉLEVEN Op de vraag om het evenwicht tussen werk en privéleven op het moment van de bevraging te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis antwoordt 57% dat de situatie ongeveer gelijk is gebleven. 26% meent dat de combinatie werk-privéleven slechter geworden is, 13% vindt de verhouding verbeterd.

29


Figuur 2.1.7.a. Vergelijking evenwicht werk-privéleven op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Slechter dan voor de crisis

26

Ongeveer gelijk aan voor de crisis

57

Beter dan voor de crisis

13

Weet niet/geen antwoord

5

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Meer vrouwen (28%) dan mannen (24%) oordelen dat de combinatie werk en privé nu slechter is dan voor de coronacrisis. Naar leeftijd zijn er enkele opvallende verschillen. Bij de 25- tot 34-jarigen vindt 30% dat de combinatie werk-privé nu slechter is dan voor de coronacrisis, bij de 55- tot 64-jarigen is dat 21%. Bij de jongste leeftijdsgroep is 7% ervan overtuigd dat de combinatie werk-privé verbeterd is, bij de 45tot 54-jarigen loopt dat op tot 15%. Naarmate de opleiding stijgt neemt het aandeel toe dat vindt dat de combinatie werk-privéleven verslechterd is. Bij de laaggeschoolden gaat het om 15%, bij de hooggeschoolden om 33%. Maar tegelijk vinden hooggeschoolden ook vaker dan laaggeschoolden dat de combinatie werkprivéleven beter is dan voor de coronacrisis (respectievelijk 17% en 5%).


Figuur 2.1.7.b. Vergelijking evenwicht werk-pivéleven op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slechter dan voor de crisis Totaal

26

Man

13

24

Vrouw

13 28

18-24 jaar

14

25

25-34 jaar

7 30

35-44 jaar

14

28

45-54 jaar

14

22

55-64 jaar Laaggeschoold

Beter dan voor de crisis

15

21

10

15

Middengeschoold Hooggeschoold

5 20

11 33

17

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar statuut en soort contract blijven de verschillen beperkt. Wat arbeidsregime betreft, is het verschil groter: voltijds werkenden geven meer dan deeltijds werkenden aan dat het evenwicht tussen werk en privé verslechterd is (respectievelijk 27% en 21%).

31


Figuur 2.1.7.c. Vergelijking combinatie werk-privéleven op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slechter dan voor de crisis Totaal

26

Werknemer

25

Zelfstandige

25

Vast contract

25

Tijdelijk contract

25

Voltijds 21

13

13 15

13 12

27

Deeltijds

Beter dan voor de crisis

13 13

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.8 WIJZIGING IN WERKPLEZIER EN MOTIVATIE In de COVID-19-bevraging werd ook gepeild naar werkplezier en motivatie. Ruim de helft van de werkende respondenten is van mening dat hun werkplezier en motivatie min of meer hetzelfde is als voor de coronacrisis (52%). 38% beleeft minder plezier en is minder gemotiveerd, 6% zegt dat die aspecten net verbeterd zijn.


Figuur 2.1.8.a. Vergelijking werkplezier en motivatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Slechter dan voor de crisis

38

Ongeveer gelijk aan voor de crisis

52

Beter dan voor de crisis

6

Weet niet/geen antwoord

4

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Bij vrouwen ligt het aandeel dat minder werkplezier en motivatie heeft dan voor de coronacrisis iets hoger dan bij mannen (respectievelijk 40% en 36%). Opgesplitst naar leeftijd blijkt dat het aandeel dat minder werkplezier en motivatie ervaart het hoogst ligt bij de 25- tot 34-jarigen (43%) en het laagst bij de 18- tot 24-jarigen. Het aandeel met minder werkplezier en motivatie ligt ook hoger naarmate de opleiding stijgt. Bij de laaggeschoolden heeft 29% minder werkplezier en motivatie dan voor de crisis. Bij de hooggeschoolden gaat het om 44%.

33


Figuur 2.1.8.b. Vergelijking werkplezier en motivatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slechter dan voor de crisis Totaal

Beter dan voor de crisis

38

Man

6

36

Vrouw

6 40

18-24 jaar

6

35

25-34 jaar

5 43

35-44 jaar

37

45-54 jaar

37

55-64 jaar

7 7 6

36

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

3

29

4 35

6 44

6

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar statuut blijven de verschillen op vlak van werkplezier en motivatie beperkt. Bij de werknemers zijn er naargelang het contracttype wel verschillen. Daar ligt het aandeel met minder werkplezier en motivatie hoger bij werknemers met een vast contract dan bij werknemers met een tijdelijk contract (respectievelijk 39% en 30%). Tegelijk ligt het aandeel dat meer werkplezier en motivatie heeft in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis hoger bij werknemers met een tijdelijke job dan bij werknemers met een vaste baan (respectievelijk 10% en 6%). Naar arbeidsregime ten slotte varieert het aandeel met minder werkplezier en motivatie van 39% bij voltijds werkenden tot 36% bij deeltijds werkenden.


Figuur 2.1.8.c. Vergelijking werkplezier en motivatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slechter dan voor de crisis

Beter dan voor de crisis

Totaal

38

6

Werknemer

38

6

Zelfstandige

37

Vast contract Tijdelijk contract

39

6

30

10

Voltijds Deeltijds

6

39 36

6 5

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.9 TEVREDENHEID MET WERKSITUATIE Ter afronding van het deel over werk worden hier nog de resultaten gepresenteerd van de algemene vraag naar tevredenheid met de werksituatie en de wijzigingen daarin in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. Op het moment van de bevraging is 61% van de werkenden (heel) tevreden over hun werksituatie in het algemeen, 16% toont zich (heel) ontevreden. 23% neemt een middenpositie in en is niet tevreden en niet ontevreden. Als gevraagd wordt om dat te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis dan geeft 56% aan dat zijn of haar tevredenheid over de werksituatie min of meer gelijk gebleven is. Tegelijk zegt 33% dat er sprake is van een achteruitgang, 8% stelt dat zijn of haar tevredenheid over de werksituatie erop vooruit is gegaan.

35


Figuur 2.1.9.a. Vergelijking tevredenheid over werksituatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Achteruitgegaan

33

Min of meer gelijk gebleven

56

Vooruitgegaan

8

Weet niet/geen antwoord

2

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Vrouwen geven vaker dan mannen aan dat ze minder tevreden zijn met hun werksituatie dan voor de coronacrisis. Bij vrouwen gaat het om 36%, bij mannen om 30%. Naar leeftijd zijn de verschillen groter. Bij de groep van 25 tot 34 jaar geeft 36% aan dat hun tevredenheid met de werksituatie in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis er op achteruitgegaan is. Bij de 18- tot 24-jarigen gaat het om 26%. Het is ook die leeftijdsgroep die het vaakst aangeeft dat de tevredenheid met de werksituatie erop vooruitgegaan is (15%). Bij de 55- tot 64-jarigen gaat het nog om 4%. Er blijkt ook een opvallend verschil naar opleiding: hoe hoger geschoold, hoe vaker men zegt dat de tevredenheid met het werk erop achteruitgegaan is in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. Bij laaggeschoolden gaat het om 27%, bij hooggeschoolden om 36%.


Figuur 2.1.9.b. Vergelijking tevredenheid over de werksituatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar geslacht, leeftijd en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Achteruitgegaan

Vooruitgegaan

Totaal

33

Man

30

8

Vrouw 18-24 jaar

36

15 36

35-44 jaar

9

34

55-64 jaar

Hooggeschoold

11

32

45-54 jaar

Middengeschoold

9

26

25-34 jaar

Laaggeschoold

8

30

7 4

27

7 31

9 36

9

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Zelfstandigen geven vaker dan werknemers aan dat hun tevredenheid met de werksituatie erop achteruitgegaan is (respectievelijk 41% en 31%). Naar contracttype zijn er ook verschillen. Werknemers met een tijdelijk contract geven vaker dan werknemers met een vast contract aan dat hun tevredenheid met het werk er op vooruitgegaan is (respectievelijk 18% en 8%). Tegelijk ligt bij werknemers met een tijdelijk contract het aandeel dat vindt dat de tevredenheid met het werk erop achteruitgegaan iets lager dan bij werknemers met een vast contract (respectievelijk 29% en 32%). De verschillen tussen deeltijds en voltijds werkenden blijven op dit vlak beperkt.

37


Figuur 2.1.9.c. Vergelijking tevredenheid over de werksituatie op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij werkenden van 18 tot 64 jaar naar statuut, contract (enkel werknemers) en arbeidsregime Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Achteruitgegaan

Vooruitgegaan

Totaal

33

Werknemer

8

31

9

Zelfstandige

41

Vast contract

32

Tijdelijk contract Voltijds

8

29

18

33

Deeltijds

7

34

9 8

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.2 INKOMENSSITUATIE VAN GEZINNEN In het vorige deel werd ingegaan op de vragen over de arbeids- en inkomenssituatie van werkenden van 18 tot 64 jaar. In wat volgt komt de inkomenssituatie van alle gezinnen aan bod. De resultaten zijn dus gebaseerd op de antwoorden van alle respondenten van alle leeftijden, niet enkel op de antwoorden van de werkenden tussen 18 en 64 jaar.

2.2.1 WIJZIGING INKOMENSSITUATIE VAN GEZINNEN 70% geeft aan dat zijn of haar gezin op het moment van de bevraging gemakkelijk of eerder gemakkelijk kan rondkomen met het totale beschikbare huishoudinkomen. Bij ruim een vijfde gaat dat moeilijk of eerder moeilijk. Gevraagd naar de vergelijking met de situatie voor de coronacrisis antwoorden ruim 7 op de 10 dat de inkomenssituatie van hun gezin min of meer gelijk is gebleven. 18% vindt dat de inkomenssituatie er op achteruitgegaan is, 5% spreekt over een vooruitgang.


Figuur 2.2.1.a. Vergelijking inkomenssituatie van gezin op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Achteruitgegaan

18

Min of meer gelijk gebleven

72

Vooruitgegaan

5

Weet niet/geen antwoord

5

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Het aandeel dat aangeeft dat de inkomenssituatie van het gezin er door de coronacrisis is op achteruitgegaan ligt iets hoger bij mannen dan bij vrouwen (respectievelijk 19% en 17%). Naar leeftijd ligt dat aandeel het hoogst bij de personen tussen 25 en 54 jaar (telkens 22% tot 23%). Bij de 75-plussers ligt dat aandeel het laagst (9%). De groep waar het inkomen er op vooruitgegaan is, is het grootst bij de 25- tot 34-jarigen (8%) en het kleinst bij de leeftijdsgroepen vanaf 65 jaar (telkens 2%). Naar huishoudpositie geeft de groep die zonder partner woont maar met kinderen het vaakst aan dat de inkomenssituatie van het gezin er op achteruitgegaan is (27%). Bij de personen met partner maar zonder kinderen ligt dat aandeel het laagst (15%). Het aandeel met een lager gezinsinkomen dan voor de coronacrisis ligt het hoogst bij de middengeschoolden en het laagst bij de hooggeschoolden (respectievelijk 22% en 15%). Hoe hoger geschoold, hoe vaker aangegeven wordt dat het gezinsinkomen er op vooruitgegaan is.

39


Figuur 2.2.1.b. Vergelijking inkomenssituatie van gezin op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Achteruitgegaan Totaal

Vooruitgegaan

18

Man

5

19

Vrouw

5

17

18-24 jaar

5

20

4

25-34 jaar

22

35-44 jaar

22

45-54 jaar

75 jaar en ouder

6

23

55-64 jaar 65-74 jaar

8

5

19

4

11

2

9

Woont alleen Met partner zonder kinderen

2

17

5

15

Met partner en kind(eren)

4 20

Niet met partner wel met kind(eren)

27

Bij ouders

20

Laaggeschoold

18

Middengeschoold Hooggeschoold

6

4

2 22

15

3

4 6

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


De verschillen tussen de provincies blijven op dit vlak vrij beperkt. Het aandeel met een lager inkomen dan voor de coronacrisis ligt iets lager in Vlaams-Brabant (17%) en iets hoger in Limburg, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen (telkens 19%). Naar urbanisatiegraad zijn de verschillen meer uitgesproken: in de grootsteden geeft 22% aan dat de inkomenssituatie van het gezin er op achteruitgegaan is, in de gemeenten van het overgangsgebied en het platteland gaat het telkens om 16%. Figuur 2.2.1.c. Vergelijking inkomenssituatie van gezin op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Achteruitgegaan

Vooruitgegaan

Totaal

18

Antwerpen

18

5

4

Limburg

19

5

Oost-Vlaanderen

19

5

Vlaams-Brabant

17

West-Vlaanderen

4

19

Grootsteden

22

Centrumsteden Stedelijke rand

4

20 18

Kleinere steden

19

6 5 5 4

Overgangsgebied

16

4

Platteland

16

4

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Als aan de personen die aangeven dat het gezinsinkomen er op achteruitgegaan is in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis gevraagd wordt naar de reden van het inkomensverlies, geeft 33% tijdelijke werkloosheid aan. Bij 26% gaat het om een verlies van inkomen als zelfstandige, 10% spreekt over volledige werkloosheid. Bij 7% wordt de reden van het inkomensverlies gelegd bij een verandering in de gezinssituatie.

41


Tabel 2. Reden van inkomensverlies bij personen die aangeven dat inkomenssituatie van het gezin achteruitgegaan is in vergelijking met situatie voor de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % IN %

Tijdelijk/economisch werkloos geworden Inkomensverlies als zelfstandige Volledig werkloos geworden Verandering in gezinssituatie Faillissement van bedrijf als zelfstandige Andere reden inkomensverlies Weet niet/geen antwoord

33 26 10 7 1 30 9

Noot: doordat respondenten bij deze vraag meer dan 1 antwoord konden aanduiden, is de som van de percentages in de tabel groter dan 100%. Het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.2.2 ACHTERSTALLIGE BETALINGEN Gevraagd naar eventuele betalingsproblemen tijdens de coronacrisis geeft 1 op de 10 aan dat hij of zij of iemand anders uit het gezin om financiële redenen 1 of meer rekeningen niet of niet tijdig heeft kunnen betalen. Het gaat om rekeningen voor huishuur, energiekosten, gezondheidskosten of schoolkosten. Figuur 2.2.2.a. Achterstallige betalingen tijdens de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Ja

10

Nee

84

Weet niet/geen antwoord

6

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar geslacht zijn er op dit vlak geen verschillen. Naar leeftijd zijn die er wel. Het aandeel met achterstallige betalingen tijdens de coronacrisis ligt het hoogst bij de groepen van 25 tot 34 jaar en van 35 tot 44 jaar (respectievelijk 14% en 15%). Bij de leeftijdsgroepen van 65 tot 74 jaar en 75 jaar en ouder ligt dat aandeel het laagst. Daar gaat het telkens om 4%.


Bijna 1 op de 5 personen die samenleven met kinderen maar zonder partner zegt 1 of meer rekeningen niet te hebben kunnen betalen tijdens de coronacrisis. Bij de andere huishoudposities ligt dat aandeel duidelijk lager. Bij de groep die samenwoont met een partner maar zonder kinderen ligt dat aandeel het laagst (6%). Het aandeel met achterstallige betalingen ligt hoger bij de laag- en middengeschoolden (telkens 12%) dan bij de hooggeschoolden (5%). Figuur 2.2.2.b. Achterstallige betalingen tijdens de coronacrisis naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

% Totaal

10

Man

10

Vrouw

10

18-24 jaar

12

25-34 jaar

14

35-44 jaar

15

45-54 jaar

11

55-64 jaar

7

65-74 jaar

4

75 jaar en ouder

4

Woont alleen

9

Met partner zonder kinderen

6

Met partner en kind(eren)

10

Niet met partner wel met kind(eren)

19

Bij ouders

12

Laaggeschoold

12

Middengeschoold

12

Hooggeschoold

5

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

43


Naar provincie ligt het aandeel personen dat tijdens de coronacrisis 1 of meer rekeningen niet heeft kunnen betalen iets hoger in Oost-Vlaanderen (11%) en iets lager in Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen (telkens 8%). Het aandeel met achterstallige betalingen ligt ten slotte het hoogst in de grootsteden (15%) en het laagst in de stedelijke rand, het overgangsgebied en het platteland (telkens 8%). Figuur 2.2.2.c. Achterstallige betalingen tijdens de coronacrisis naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

% Totaal

10

Antwerpen

10

Limburg

9

Oost-Vlaanderen

11

Vlaams-Brabant

8

West-Vlaanderen

8

Grootsteden

15

Centrumsteden Stedelijke rand

10 8

Kleinere steden

10

Overgangsgebied

8

Platteland

8

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


2.3 LEVENSLANG LEREN In het laatste deel van dit rapport wordt de mate besproken waarin personen tijdens de coronacrisis deelgenomen hebben aan een cursus, opleiding, vorming of training. Het gaat hier zowel over initiatieven in georganiseerd verband als over zelfstudie (fysiek of online). Bovendien wordt zowel rekening gehouden met opleidingen voor het werk als met opleidingen in de vrije tijd. Net als in het vorige deel over de inkomenssituatie van gezinnen zijn de hier opgenomen resultaten gebaseerd op de antwoorden van alle respondenten van alle leeftijden, dus niet alleen van de werkenden tussen 18 en 64 jaar. Bijna 3 op de 10 geven aan tijdens de coronacrisis een opleiding, vorming of training te hebben gevolgd. 18% deed dat voor het werk, 9% voor bezigheden in de vrije tijd. Figuur 2.3.a. Deelname aan een cursus, opleiding, vorming of training tijdens de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Ja, voor het werk

18

Ja, voor vrije tijd

9

Nee

71

Weet niet/geen antwoord

2

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Iets meer dan de helft volgt een opleiding om bij te leren over een interessant onderwerp, 44% om het werk beter te kunnen doen en 26% om de carrièrevooruitzichten te verbeteren. Bijna een kwart volgde een opleiding voor het plezier en ontspanning of omdat het door de werkgever of de wet verplicht is.

45


Tabel 3. Reden om een cursus, opleiding, vorming of training te volgen tijdens de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % IN %

Om bij te leren over een onderwerp dat mij interesseert Om mijn werk beter te kunnen doen Om mijn carrièrevooruitzichten te verbeteren Voor het plezier, ontspanning Omdat dit verplicht werd door de werkgever of door de wet Om de kans op het vinden van een (nieuwe) job te verhogen Om nieuwe mensen te ontmoeten

51 44 26 23 22 11 6

Om de kans op jobverlies kleiner te maken

5

Om mijn eigen zaak op te starten

4

Om mijn vrijwilligerswerk beter te kunnen doen

4

Andere reden

9

Weet niet/geen antwoord

1

Noot: doordat respondenten bij deze vraag meer dan 1 antwoord konden aanduiden, is de som van de percentages in de tabel groter dan 100%. Het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Vrouwen volgen iets vaker een opleiding dan mannen, zowel voor het werk als voor vrije tijd. Naarmate de leeftijd stijgt, daalt het aandeel dat deelneemt aan opleidingen. De participatie ligt het hoogst binnen de groep van 25 tot 34 jaar: 30% volgt een opleiding voor het werk en 15% voor vrije tijd. Bij de oudere groepen liggen die aandelen duidelijk lager. Bij de groep van 55 tot 64 jaar volgt 15% een opleiding voor het werk en 6% voor vrije tijd. Bij de 65- tot 74-jarigen volgt 7% een opleiding in de vrije tijd, bij de 75-plussers nog 4%. Opvallend is ook het verschil naar huishoudtype. Wat betreft opleidingen voor het werk, halen de personen die samenwonen met partner en kinderen het hoogste percentage (28%). Het laagste aandeel is te vinden bij personen die alleen wonen en personen die samenwonen met een partner zonder kinderen (telkens 11%). Wat betreft opleidingen voor de vrije tijd, is het hoogste aandeel te vinden bij personen die bij de ouders wonen (13%). Naarmate het opleidingsniveau stijgt, neemt ook de deelname aan opleidingen toe, zowel voor het werk als voor vrije tijd. 32% van de hooggeschoolden volgde een opleiding voor het werk en 13% voor vrije tijd. Bij de laaggeschoolden gaat het telkens om 4%.


Figuur 2.3.b. Deelname aan een cursus, opleiding, vorming of training tijdens de coronacrisis naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Voor het werk

Voor vrije tijd

Totaal

18

Man

18

Vrouw

9

8

19

10

18-24 jaar

28

25-34 jaar

30

35-44 jaar

10

24

55-64 jaar

75 jaar en ouder

15

29

45-54 jaar

65-74 jaar

13

9

15

6

1

7

0

4

Woont alleen

11

8

Met partner zonder kinderen

11

8

Met partner en kind(eren)

28

Niet met partner wel met kind(eren)

20

Bij ouders Laaggeschoold

7 10

24

13

4

Middengeschoold Hooggeschoold

4 16

8 32

13

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

47


De geografische verschillen zijn minder uitgesproken. Inwoners uit VlaamsBrabant (22%) en Oost-Vlaanderen (20%) volgen iets vaker een opleiding voor het werk dan inwoners uit andere provincies. En bij opleidingen in de vrije tijd ligt de deelname het hoogst in de grootsteden en het laagst in de gemeenten van het platteland (respectievelijk 11% en 7%). Figuur 2.3.c. Deelname aan een cursus, opleiding, vorming of training tijdens de coronacrisis naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Voor het werk

Voor vrije tijd

Totaal

18

Antwerpen Limburg

9

17

9

15

8

Oost-Vlaanderen

20

Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

9 22

9

17

9

Grootsteden

19

Centrumsteden

19

10

Stedelijke rand

19

9

11

Kleinere steden

18

8

Overgangsgebied

18

8

Platteland

19

7

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


49


BESLUIT

3

Vlaanderen werd net als de rest van de wereld vanaf het voorjaar van 2020 zwaar getroffen door de coronapandemie. Dat zorgde voor een grote nood aan betrouwbare en actuele gegevens over de impact van deze crisis op de leefsituatie van de bevolking. Om aan die nood tegemoet te komen, organiseerde Statistiek Vlaanderen in het voorjaar van 2021 een grootschalige COVID-19-bevraging. Aan 20.000 meerderjarige inwoners van het Vlaamse Gewest, geselecteerd via een toevallige steekproef uit het Rijksregister, werd gevraagd naar de impact van de crisis op hun gezondheid, sociale contacten, werksituatie, inkomen en woon- en gezinssituatie. Dit rapport is het 2de in een reeks van 3 rapporten waarin de algemene resultaten van deze COVID-19-bevraging worden voorgesteld. In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van de vragen over werk, inkomen en levenslang leren. De resultaten van de COVID-19-bevraging geven duidelijk aan dat de coronacrisis een grote impact heeft gehad op de arbeids- en inkomenssituatie van de werkende bevolking. 15% van de werkenden was tijdens een bepaalde periode van de coronacrisis tijdelijk werkloos of was dat op het moment van de bevraging nog steeds. 5% heeft een andere functie of andere taken gekregen bij dezelfde werkgever, 4% is van job of werkgever veranderd. Groepen die zich traditioneel in een meer kwetsbare positie bevinden op de arbeidsmarkt, zoals jongeren, laaggeschoolden, zelfstandigen of werknemers met een tijdelijk contract, blijken ook tijdens de coronacrisis sterker getroffen. Zij zijn vaker tijdelijk werkloos (geweest), veranderden vaker van job, werden vaker geconfronteerd met loon- of inkomensverlies en met een verminderde werkzekerheid. Maar ook groepen werkenden die in normale tijden een sterkere en stabielere positie bekleden op de arbeidsmarkt, ondervinden de impact van de coronacrisis. Een grote groep van vooral hooggeschoolden, werknemers met een vast contract en voltijds werkenden, werkt vaker dan voor de crisis (noodgedwongen) van thuis uit. Bijna 1 op de 5 werkenden geeft aan meer uren te werken dan voor de crisis. Dat is het vaakst het geval bij vrouwen, hoogopgeleiden en de middelste leeftijdsgroepen. Deze groepen signaleren ook een hogere werkdruk dan voor de crisis, een moeilijkere combinatie van het werk met het privéleven en minder werkplezier en -motivatie. Alles samen geeft 1 op de 3 werkenden aan in het algemeen minder tevreden te zijn met de werksituatie dan voor de coronacrisis. De coronacrisis heeft echter niet enkel een duidelijke impact op de inkomenssituatie van werkenden, maar op die van de totale bevolking. 18% geeft aan dat het gezinsinkomen achteruitgegaan is in vergelijking met


de situatie voor de coronacrisis, 10% kon tijdens de coronacrisis 1 of meer rekeningen niet of niet op tijd betalen. Opvallend: deze inkomensproblemen doen zich meer voor bij de leeftijdsgroepen op actieve leeftijd dan bij de oudere groepen. Ook personen die samenleven met kinderen maar zonder partner, laag- en middengeschoolden en inwoners van de grootsteden worden vaker dan gemiddeld geconfronteerd met een lager gezinsinkomen dan voor de crisis. Ten slotte volgde ruim een kwart tijdens de coronacrisis een opleiding, vorming of training, voor het werk of in de vrije tijd. Dat aandeel ligt het hoogst bij de jongere leeftijdsgroepen en bij hoger geschoolden.

51


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Werkten mee aan dit nummer: Ahmed Abdelhakim, Ann Carton, Dirk Festraets, Jo Noppe, Tina Vander Molen, Myriam Vanweddingen, Dries Verlet en Karolien Weekers Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen: Guy De Smet en Nancy Jadoul Depotnummer D/2021/3241/163 Contact sv@vlaanderen.be


Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SV_rapport_2021_05_COVID_19_bevraging_werk.pdf by Vlaanderen-be - Issuu