Skip to main content

M&L_34_6.pdf

Page 1

•/

• Si^'

. •

IF

L

>

-•

•

£4: •'

<

Cl

• • > . . .

'MONUMENJf-EN,

LANDSC+|APP

>-

< -^ :->.

vm "r:

V

h ui .-- *

1

*M* i

.*•••

i

• 3: v » .

;


Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk

Arte Constructo 3 - 2627 Schelle - Belgium

+32(0)3 880 73 73 info@arteconstructo.be


34/6

M.1

EN, L A N D S C H A P P E N EN A R C H E O L O G I E

Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid, Onroerend

Erfgoed

ISSN 0770-4948 Jaargang 34 nr. 6 NOV.-DEC.2015

^

Vlaamse overheid

Inhoud Grafmonument van Auguste Castermans op de begraafplaats van Robermont in Luik. Het monument lijkt gebaseerd op één van zijn eigen ontwerpen ( © foto O. Pauwels}

Voorzitter Kathleen Vancaester Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kern redactie Marjan Buyle Rudy DeGraef Herman Van den Bossche Peter Van den Hove Redactie Anna Bergmans Jo Braeken Marc De Borgher Anten Ervynck jos Gyselmck Cathehne Metdepennmghen Dieter Nuytten Dirk Pauwels Paul Van den Bremt Maarten Van Dijck Thomas Van Driessche Inge Verdurmen Tom Verhofstadt Linda Wylleman Ereleden Edgard Goedleven Marcel M. Cells Jo De Schepper Suzanne Van Aerschot HedwigVan den Bossche Christine Vanthillo Het ti)dschrift M & l is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen o f herwerken zijn voorbehouden.

Redactiesecretariaat nancy. vandenbossche@ rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 40 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. IBANBE^8 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten &. Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel

De 'verdwenen' kerk van Zelem Danny Keyers, Bert Tops en Wim De Baere

* Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd

18

30

De Lievebermen in Damme. Getuigen van de grootschalige onteigening voor het Lievekanaal in de 13de eeuw

Bouwgeschiedenis en restauratie van het Leuvense jezuïetencollege, later het veteranencollege Dieter Nuytten

Caroline Terryn

Website www.menl.be Ad verten tiewervl ng fabienne.vanmoerkercke@ yapado.com Vormgeving Bart Delva Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel

48 Eclectische monumenten op papier vereeuwigd: de publicatie Parallèle des maisons de Bruxelles van Auguste Castermans Edith Willekens

M&L I 1


orofiB

RESTAURATIE & MONUMENTZORG

R GStd U TQ tJG

VOD

www.rmp.be Profiel CVBA Guido Gezellestroat, 23 8650 Wevelgem ^M

| info@rmp.be fel: 056 32 38 12


Een verdwenen kerk Tot in de 17de eeuw bevond zich net voorbij het Limburgse dorpje Zelem, langsheen de snelweg E314, een mysterieus middeleeuws kerkje. Op vraag van de Vlaamse overheid startte studiebureau RAAP er een waarderend archeologisch onderzoek in combinatie met een zoektocht in verschillende archieven. Een schat aan nieuwe informatie was het resultaat. Op 6 november 2014 werd deze voormalige gewijde grond zelfs wettelijk beschermd. Danny Keijers, Bert Tops en Wim De Baere schetsen het ontstaan en het verval van deze oudste dorpsparochie van Zelem, nu een beschermde archeologische site.

Uitweg naar zee In de 13de eeuw floreerde Cent als handelsstad. Het Lievekanaal, een grootschalig project dat gepaard ging met enorme infrastructuurwerken, vormde een 46,5 km lange tolvrije uitweg naar zee die eindigde in de overslaghaven Damme. Dat slechts de helft van het kanaal binnen de Gentse Oudburg lag en de andere helft buiten haar invloedssfeer, in het Brugse Vrije, doet vermoeden dat ook politieke motieven een rol speelden bij de aanleg. In het huidige landschap zijn de jaagpaden en een deel van de Lievebermen nog zichtbare en unieke getuigen van dit middeleeuwse kanaal. In deze bijdrage pleit Caroline Terryn dan ook voor verder onderzoek, waardering en bescherming.

Ten behoeve van arme theologiestudenten Elke bezoeker aan de Leuvense universiteitsstad wordt onmiddellijk geconfronteerd met de veelheid aan collegegebouwen. Minder bekend is het Collegium Veteranorum, oorspronkelijk gebouwd als het eerste jezuïetencollege in de voormalige Nederlanden. Dieter Nuytten beschrijft de woelige gebruiksgeschiedenis van de gebouwen, met talrijke afbraken en verbouwingen, tot aan de huidige restauratie en (alweer) herbestemming van de gebouwenvleugels van het Collegium Veteranorum, het enige overblijfsel van een eertijds veel groter complex. Vooral de constructieve elementen zoals voor- en achtergevels en enkele latere interieurelementen kregen tijdens deze restauratiecampagne hun noodzakelijke herwaardering.

Tot voorbeeld en lering De Luikse architect Auguste Castermans publiceerde in het midden van de 19de eeuw een platenalbum met voorbeelden van eclectische architectuur, bedoeld als inspiratiebron voor ontwerpers en opdrachtgevers, die de platen onderling konden vergelijken. Omdat deze publicatie nooit eerder uitvoerig onderzocht werd, nam Edith Willekens deze taak op zich en kon ze aantonen dat de Parmllèle des maisons de Bruxelles et des principales villes de la Belgique niet minder dan Castermans' levenswerk was, zijn persoonlijk pleidooi voor het gebruik van deze eclectische bouwstijl in een periode van voortschrijdende commercialisering.


De Verdwenen' kerk van Zelem Danny Keijers, Bert Tops en Wim De Baere

Net voorbij het Limburgse dorpje Zelem (gemeente

Onderzoeken om te beschermen

Halen, provincie Limburg), achter de bossen langs de Zelem is een dorpje zoals er zo vele zijn, verscholen in de glooiingen op de grens tussen Vlaams-Brabant en Limburg. De huidige dorpskern is echter van relatief jonge datum. Oorspronkelijk lag het dorp met kerk langs de oostelijke oever van de Demervallei, aan de westvoet van de Sint-Jansberg.

snelweg £314, ligt voormalige gewijde grond. Bovengronds is er niets te zien, maar volgens een middeleeuwse kroniek was daar in de 7de eeuw een kerk gesticht. In 2012 werd, in opdracht van de Vlaamse overheid, een onderzoek gestart naar deze verdwenen kerk. De uitgebreide zoektocht in archieven gecombineerd met archeologisch onderzoek op het terrein leverde een schat aan informatie op. Vlak onder het maaiveld heeft het oude kerkje sporen nagelaten. Het onderzoek gaf een ruimer inzicht in het ontstaan en verval van de oudste dorpsparochie van Zelem.

Gezicht op het onderzoeksgebied (foto O. Pauwels)

1 nfiP'

•Wl

4

IM

L

• É

3H

ÜÜ

In opdracht van de Vlaamse Overheid (het agentschap Onroerend Erfgoed en het agentschap voor Natuur en Bos) startte RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2012 met het onderzoek naar de verdwenen kerk van Zelem (1). Het onderzoek situeerde zich in een gebied van zo'n 20 hectare ten noorden van de E314 aan de Kolenbergstraat in Zelem. Door enkele aanwijzingen was de locatie bij benadering bekend. Er was ook een kort historisch onderzoek naar de kerk gedaan door een lokale geestelijke (2) en waren er enkele oude kaarten voorhanden. Bij een inspectie van Monumentenwacht Vlaanderen in opdracht van het agentschap voor Natuur en Bos waren muurresten van ijzerzandsteen in het talud van de Zwarte Beek gesignaleerd en in verband gebracht met de kerk (3). Verder wierpen enkele getuigenissen over een strijdtafereel tijdens de Tweede Wereldoorlog enig licht op de mogelijke ligging van de kerk. Naar de omvang en het uiterlijk van de kerk, en naar wat er mogelijk ondergronds nog van restte, viel alleen te gissen. Het hoofddoel van de studieopdracht was het opsporen en waarderen van de 'verdwenen' kerk van Zelem en het aanpalende kerkhof, om de opmaak van een archeologisch beschermingsdossier te onderbouwen. Het werd een uitgebreide zoektocht in archieven en oude kaarten. Een voorstudie verschafte inzicht in de geschiedenis van de kerk en de historische en landschappelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied.


Vervolgens werden in het veld boringen, proefsleuven, metaaldetectie en geofysische technieken ingezet. Aanvullende informatie kwam van fysischantropologisch onderzoek en van mondelinge getuigenissen.

Gezicht op een proefsleuf met enkele prehistorische en vol-middeleeuwse sporen (foto RAAP)

Met het booronderzoek is de bodemkundige evolutie van het gebied in kaart gebracht en getracht het voormalige kerkterrein op te sporen en te begrenzen. Een volgende stap was een test met geofysisch onderzoek om de resten van de kerk en het omliggende kerkterrein strakker te begrenzen. Tot slot zijn vijf proefsleuven gegraven om zowel het kerkterrein als de oudste parochie van Zelem beter te kunnen lokaliseren en evalueren naar gaafheid en bewaring. Vier proefsleuven zijn aangelegd ter hoogte van het kerkterrein, een vijfde sleuf bevond zich ten zuiden hiervan. De resultaten van de verschillende onderzoeken resulteerden in een synthese waarin de evolutie van de verdwenen dorpsparochie van verschillende kanten is belicht.

Een adellijk goed Voor de ouderdom van de kerk is een i4de-eeuwse kroniek van de abdij van Sint-Truiden een interessante informatiebron (4). Hieruit valt namelijk op te maken dat het ontstaan van de kerk verband houdt met de lokale yde-eeuwse adellijke familie van Sint-Trudo. Sint-Trudo was de zoon van Wicbold, afstammeling van de Merovingische koning Chilperic, en van Adela, een nicht van Pepijn I van Landen, die sinds 622 als hofmeier Austrasië bestuurde (5). Trudo stichtte in 655 een eigen priestergemeenschap op het familiedomein van zijn vaders kant, zo'n 25 kilometer ten zuiden van Zelem. Na zijn dood en heiligverklaring groeide dat uit tot de abdij van Sint-Truiden, een steunpunt voor het bekeringswerk in de regio (6). In de i4de-eeuwse kroniek is te lezen dat de kern van de abdij goederen uit de erfgoederen van de

1VI L I


Uitsnede van de Ferrariskaart (1771-1778) Inzet: fragment van een i8de-eeuwse overstromingskaart waarop de rivierovergang (passagie) nog staat aangeduid { © Rijksarchief Brussel en Rijksarchief Luik)

Fragment uit de Cartes des limites de Zellhem (vóór 1763) waarop het oude kasteel (rood omcirkeld en inzet) nog staat aangegeven. De locatie van het oude kerkgebouw is aangeduid met een kruis op een verhoging (© Rijksarchief Luik)

heilige Trudo bestaat, namelijk de villae van Zelem en het nabijgelegen Webbekom. Waarschijnlijk vond de stichting van de oudste kerk van Zelem dus onder Wicbold en Adela plaats aan het begin van de 7de eeuw. De kerk werd tevens gebruikt als eigen begraafplaats, want de kroniek vermeldt ook dat Adela na haar overlijden in 644 in de kerk werd begraven (7). Toen naderhand bleek dat haar lichaam wonderen opwekte, werd ze bijgezet in het altaar. Het zou kunnen dat de kerk op dat ogenblik als bedevaartsoord is gaan functioneren.

Een kanttekening is hier op zijn plaats. Een kroniek uit de 14de eeuw is immers een nogal late bron voor gebeurtenissen van zeven eeuwen daarvoor. Mogelijk maken de verwijzingen naar Wicbold en Adela deel uit van de aanspraak op deze gebieden door de abdij. Maar toch is wat de kroniek over de oorsprong van Zelem verhaalt waardevol. Dat Adela te Zelem was begraven, wijst er sterk op dat Zelem met de kerk oorspronkelijk een allodium of eigengoed was van de familie van Sint-Trudo (8). Verder is de ouderdom van Zelem ook toponymisch te achterhalen. Aan de oudste vermelding van Zelem in een kroniek uit 1114 als Salechem is een vroegmiddeleeuwse oorsprong toe te schrijven. Het is een samenstelling van Sali (gelukkig, gelukzalig) en haim (woning) (9). Toponiemen op -haim dateren veelal uit de 5de eeuw of van na de kerstening in de 7de en 8ste eeuw (10).

Van vroege nederzetting tot verlaten dorp Een geschikte woonplek De stichting van het kerkdorpje Zelem, maar ook de verplaatsing naar de huidige plek aan de noordzijde van de Sint-Jansberg, houdt mede verband met de landschappelijke omstandigheden. Zelem ligt in het heuvelland van Lummen, een gebied met heuvelruggen die gescheiden worden door brede rivierdalen. De Sint-Jansberg, ook wel Kolenberg genoemd, is zo'n heuvelrug. Al in de midden steentijd verbleven er jager-verzamelaars in deze contreien en ook voor de landbouwers in de nieuwe

6

IM

L


steentijd en daarna waren de hoger gelegen getuigenheuvels en directe omgeving goede woonplekken. Hiervan getuigen de prehistorische scherven die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen. Na de val van het Romeinse rijk nam de bevolking in het gebied af, om in de vroege middeleeuwen weer te groeien. Met name aan de randen van de brede Demervallei, op de grens van het natte met het droge landschap, ontstonden toen verscheidene dorpen en gehuchten (n). Zelem ontwikkelde zich aan de voet van de SintJansberg, nabij de samenvloeiing van de Velp en de Demer. De Demervallei was hier relatief smal en de hogere oeverwallen van beide rivieren vormden natuurlijke dijkjes die uitermate geschikt waren om het natte Demerdal te doorkruisen. Bovendien bleek uit het booronderzoek dat er hier een zandige opduiking in het rivierdal ligt. Door latere afgraving is de verhoging echter niet meer te herkennen in het terrein. De strategische ligging - hoog en droog en nabij een geschikte rivierovergang - kan in elk geval de locatiekeuze van het kerkterrein verklaren (12).

Ontginning van het rivierdal In de Demervallei lagen geschikte graslanden waar het vee kon grazen, en aan de voet van de SintJansberg lagen gunstig gedraineerde gronden die geschikt waren als akker. Het rivierdal van de Demer werd in fasen ontgonnen. Rond de 7de eeuw zullen stukken bos op de hogere gronden langs en op de Sint-Jansberg zijn platgebrand of gerooid om er akkerland te creëren en nieuwe nederzettingen te stichten. De steile hellingen hogerop waren echter niet bruikbaar als akker. Als gevolg van geologische ontwikkelingen miljoenen jaren geleden, bestonden deze hellingen uit moeilijk erodeerbare ijzerzandsteen.

Met name de iode tot en met de 13de eeuw was een periode van bevolkingsgroei en economische expansie. Tijdens het onderzoek zijn ten zuiden van het kerkterrein bewoningssporen uit deze periode aangetroffen. Hoewel geen duidelijke structuur te ontdekken viel, behoren de aangetroffen paalkuilen, greppels en het gebruiksaardewerk vermoedelijk tot een vol-middeleeuws omgreppeld erf. Het waren de heren van Diest die toen de dienst uitmaakten in Zelem. In de 13de eeuw waren de rechten op de heerlijkheid Zelem in hun bezit gekomen, maar hoe dat is gebeurd, blijft duister. Uit historische bronnen is wel bekend dat de heren van Diest zich goederen van de abdij van SintTruiden probeerden toe te eigenen, maar Zelem wordt daarbij niet vermeld (13). De heren van Diest bezaten in de 14de eeuw als de heren van Zelem naast de oude dorpskerk ook de nabijgelegen burcht. Over het ontstaan van deze versterking - die we voor het eerst in bronnen tegenkomen in 1337 - is weinig bekend. De burcht was in 1438 alweer in verval geraakt, maar restanten ervan waren in de 17de eeuw nog zichtbaar (14). Omstreeks 1329 schonk de heer van Diest een stuk grond op de Sint-Jansberg voor de stichting van een kartuizerklooster (15). Het klooster kende een snelle groei dankzij vele schenkingen van gronden en hoeven. De agrarische hoogconjunctuur leidde overal tot ontginningen. Op de hoger gelegen getuigenheuvels groeide veel bos en daar werd hout

Sporen van ijzerzandsteengroeven in het onderzoeksgebied {foto O. Pauwels)

Het Kartuizerklooster op de kaart van Boris uit 1769 (© Algemeen Rijksarchief)

Coiiveiit des Ch&rtmoe

Ml.

^Mi

'./*F"'Ö^ M&LI 7


gewonnen. Het hout werd gebruikt als brandstof, maar ook als materiaal voor bouwwerken, transportmiddelen, werktuigen, huisraad, etc. Waren de eerste bouwwerken in deze streek nog van hout, vanaf de volle middeleeuwen werd ijzerzandsteen als bouwmateriaal gebruikt, met name voor grotere gebouwen als kerken en kastelen. De ijzerzandsteengroeves op de SintJansberg waren al in de 13de eeuw in gebruik (16). De toepassing van deze steensoort zou vanaf 1270 leiden tot de zogenaamde Demergotiek, een gotische bouwstijl die bekend staat om het gebruik van de typerende roestbruine ijzerzandsteen. In combinatie met een sterke oppervlakkige afwatering waren de hellingen van de getuigenheuvels ideaal voor wijngaarden. Vanaf de 13de eeuw was er dan ook een bloeiende wijnbouw. In het begin van de 14de eeuw bezat de heer van Diest op de Sint-Jansberg een wijngaard en een ijzerzandsteengroeve (17). Nog steeds zijn langs de zuidoostelijke flank van deze berg diverse groeven herkenbaar die herinneren aan de vroegere ijzerzandsteenwinning.

Fragment van een overstromingskaart van de Demer tussen Diest en Grave Sluys uit 1772 ter hoogte van het onderzoeksgebied

De Demer was in de middeleeuwen een belangrijke handelsweg en speelde een grote rol in de ontwikkeling van de streek. De ontgonnen ijzerzandsteen werd grotendeels via deze rivier vervoerd. Ook de invoer van graan verliep via de rivier en de wijnbouw kon zich zo gunstig ontwikkelen (18). Niet alleen als transportroute was de Demer van belang, ook de Heigronden die de

rivier had afgezet, waren voor de grotendeels agrarische bevolking van levensbelang. Deze natte gebieden waren niet echt geschikt om te bewonen, maar uitstekend geschikt als weiland voor het vee en als hooiland. De nabijheid van steden als Diest maakte een intensieve veeteelt hier ook lonend. Verder kon men er turf, leem en klei winnen. Dat het gebruik van de valleigronden in het onderzoeksgebied van economisch belang was, blijkt uit een uitgerekte kuil met baksteen en tegelfragmenten die tijdens het proefsleuvenonderzoek werd aangetroffen. Deze kuil kan mogelijk geïnterpreteerd worden als een ovenkuil uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd(i9). Ook een bewaard gebleven procesdossier uit 1646 in het archief van de Raad van Brabant stipt het belang van deze gronden nadrukkelijk aan (20). Opmerkelijk is de gedetailleerde kaart die vanwege dit proces tussen de dorpen Zelem en Zeik van de directe omgeving van het onderzoeksgebied is opgetekend. Hierop staan voor het onderzoeksgebied onder meer de locaties aangeduid waar leem werd gewonnen voor het maken van bakstenen en waar de vroegere steenovens te vinden waren (21). Toenemende overstromingen De opbrengsten van de akkerlanden bepaalden hoeveel monden er gevoed konden worden, en beïnvloedden dus direct de groei van de nederzettingen. Toen door bevolkingsgroei de vraag naar weiland en akkerland steeg, evenals de winning van ijzerzandsteen voor de steden, werkte dat de ontbossing in de hand. Door de versnelde waterafvoer leidde dit tot zwaardere erosie van de flanken van de Sint-Jansberg en kreeg het gebied steeds vaker last van overstromingen. Ten zuiden van de Sint-Jansberg stroomden diverse beken samen in de Demer, waardoor vooral de omgeving van Zelem veel te leiden had van overstromingen. Om de oogstrisico's te minimaliseren en gebieden geschikt te maken en te houden voor landbouwdoeleinden, moest de waterstand gereguleerd worden. Al vanaf de middeleeuwen hebben mensen direct op de loop van de Demer ingegrepen (22). Zo is in de 15de eeuw de Demer in de nabijheid van het onderzoeksgebied voor een deel rechtgetrokken. Door deze verlegging kwam de voormalige burcht van Zelem ten westen van de nieuwe loop van de Demer te liggen. In de 16de eeuw overstroomde de rivier nog jaarlijks honderden bunders weide en werd daarom verbreed en verdiept. In 1665 kregen eigenaren van de graslandpercelen in het beekdal langs het Linkhouts Broek toestemming om de Demer om te leiden (23). Als onderdeel van de inrichting werd in 1666 langs de westelijke voet van de Sint-Jansberg

8

IM L


een kanaal gegraven door het Demerdal om het overtollige water weg te leiden. In het stadsarchief van Diest staat vermeld dat deze nieuwe waterloop "lancx ende door het kerckhoffvan Zeclhem" en "lancx die parochiekerck van zeelhem" werd aangelegd. Bij de aanleg van dit kanaal, Zwart Water genoemd, is een deel van het oude kerkterrein doorsneden. De nieuwe inrichting liet echter te wensen over en de ingrijpende maatregelen brachten weer vele nieuwe afwateringsproblemen met zich mee. Verscheidene schadeclaims zijn hierover voor de rechtbanken in die tijd uitgevochten. Zo protesteerden de beenhouwers van Diest in 1682 omdat wel zeker 900 weiden onder water hadden gestaan. In de 18de eeuw volgden nog allerlei werkzaamheden om de afwatering in het natte Demerdal te versnellen: de verdere bedijking van de Demer, het afsnijden van rivierbochten en de aanleg van waterleidingen onder de bedding van de Demer naar het Zwart Water (24). Een leeg gelopen dorp Op het einde van de late middeleeuwen was het met de wateroverlast en bodemerosie erg slecht gesteld. Aangezien de dorpskern van het oude Zelem vlakbij de Demer lag, moeten de afwateringsproblemen een rol hebben gespeeld in de leegloop van het dorp. Zo blijken de aangetroffen middeleeuwse grondsporen en vondsten afgedekt door een ongeveer 1 m dik colluvium- en alluviumpakket dat door de erosie en overstromingen is afgezet. Op basis van historische

kaarten blijkt dat de oude dorpskern van Zelem al in de 17de eeuw grotendeels verlaten was. Wanneer en hoe deze terugloop van de bevolking precies tot stand kwam, is nog niet geheel duidelijk. Mogelijk versterkte ook het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog (of de Opstand: 15681648), waarvan Zelem sterk te lijden had, de leegloop. Uiteindelijk verschoof de nederzetting naar de noordzijde van de Sint-Jansberg, ter hoogte van het huidige centrum. Omdat het oude kerkterrein op een hogere kop in het rivierdal lag, en daardoor in principe minder last van de overstromingen had, bleef de oude kerk nog in gebruik tot in de 17de eeuw.

De kerk door de eeuwen heen De vroegste archiefstukken Volgens de eerder genoemde i4de-eeuwse kroniek van Sint-Truiden , was de kerk van Zelem al in het midden van de 7de eeuw een eigenkerk van de adellijke familie van Sint-Trudo. Archiefstukken uit die vroege periode zijn echter niet bekend. De eerste schriftelijke bronnen die direct betrekking hebben op de kerk zijn te vinden in archieven vanaf de 13de eeuw. Toen was Zelem, inclusief de kerk, in het bezit van de heren van Diest en de eerste die specifiek vermeld staat als heer van Zelem is Gerard, zoon van Arnold III van Diest in 1202 (25). Een zekere Willem van Geneffia schonk in 1293 de patronaatsrechten en grote

Kaart die werd vervaardigd in 1646 in het kader van het proces over het gebruik van de gemene gronden tussen Zeik en Zelem. Hierop zijn duidelijk de vroegere steenovens, leemkuilen, schansen en de oude ommuurde dorpskerk van Zelem zichtbaar ( © Rijksarchief Brussel j

C

de kerk van Zelem (M)

de s t e e n o v e n (B) l e e m k u i l e n in het eetbroek

de s c h a n s van Zelem (P)

de s c h a n s van Zeik

Kartuizerklooster

(F)

1VI&LI

9


tienden (een winstbelasting op de oogst) van Zelem aan de abt van het Sint-Bernardusklooster in Hemiksem (26). Volgens de toen geldende voorschriften van het bisdom Luik stond degene die de tienden mocht heffen, in voor het onderhoud van het schip van de kerk. Hij moest ook zorgen dat de kerkmuren in orde waren en dat er voldoende licht door de ramen naar binnen viel, om het beeld van het Heilig-Kruis te verlichten. Ook de kerkklok viel onder verantwoordelijkheid van de abt: de klok moest zo zwaar zijn dat deze in de hele parochie te horen was. Het onderhoud van het koor viel daarentegen onder verantwoordelijkheid van de pastoor van Zelem. Het is aannemelijk dat de oudste kerk van Zelem gebouwd was in hout, maar in de 13de eeuw was het gebouw al in steen opgetrokken. Wanneer dit precies gebeurde, valt niet af te leiden uit historische of archeologische bronnen. Op zijn vroegst zal het in de volle middeleeuwen zijn geweest, omdat vanaf dan in de omgeving van Zelem ijzerzandsteen wordt gebruikt voor de bouw van kerken (27). De ijzerzandsteen kon gewonnen worden uit de nabijgelegen groeves op de SintJansberg. Niet alleen de fundamenten, maar vermoedelijk ook het opgaande muurwerk van de kerk was in de 13de eeuw in deze steen opgetrokken. Een van de weinige en in principe ook oudst bekende afbeelding van de parochiekerk van Zelem is te vinden op een kaart uit de 18de eeuw (28). Deze kaart is een kopie van een i6de-eeuwse kaart die het wegen- en waternet weergeeft voor de overstromingen van 1533-1535. De tekening moet echter gezien worden als een symbolische afbeelding van een kerk, want het nabijgelegen kartuizerklooster is namelijk op dezelfde wijze afgebeeld. De meest gedetailleerde en tot nog toe enige afbeelding van het kerkgebouw staat op de kaart van het reeds genoemde procesdossier uit 1646 (29). Binnen een cirkelvormige kerkhofmuur staat een west-oost georiënteerd gebouw. Het betreft een eenvoudig eenbeukig rechthoekig zaalkerkje met aan de oostzijde een lager rechthoekig koor. Op basis van de gebruikte kleuren lijken de muren van baksteen en is het dak afgedekt met leien. De leistenen dakbedekking wordt bevestigd door de kerkrekeningen van Zelem tussen 1642 en 1672 (30). Op latere kaarten is het kerkgebouw symbolisch weergegeven, of is de locatie met een kruis aangeduid (31). Vermoedelijk is dat het stenen kruis dat in 1726 het kapelletje verving, dat kortstondig op de plek van de oude kerk had gestaan. Wat ook opvalt bij latere kaarten is dat de omgeving rond het kruis staat ingetekend met

reliëfstrepen: dat wijst op een verhoging. De oude kerk stond blijkbaar op een hoger deel in het rivierdal van de Demer wat overeenkomt met de aangetroffen zandopduiking. Ook zijn er op het kerkterrein fundamenten ingetekend (32). Dat zouden funderingen kunnen zijn van de oude kerk, maar ook restanten van het i8de-eeuwse kapelletje dat daar kort heeft gestaan. Kerkonderhoud en vervanging Een kerkgebouw vergt onderhoud en de overgebleven bewijzen hiervan geven extra informatie over de kerk van Zelem. De vroegste bron over werkzaamheden aan de kerk dateert uit 1564 en bevindt zich in het archief van de abdij van Tongerlo (33). Dat klooster had toen de opdracht gegeven om een duivenhok te maken in de kerk van Zelem. De reden hiervoor is onduidelijk. Mogelijk is er een verband met uitgebreide schenkingen van heerlijke en kerkelijke rechten door de heren van Diest aan de abdij van Tongerlo enkele eeuwen vroeger (34). De oudst bewaarde rekeningen van de kerk van Zelem betreffen kleine herstellingswerken tussen 1642 en 1672 (35). Zo blijkt onder andere dat de gevel en het dak van de kerktoren een aantal keer hersteld is door schaliedekkers. Leistenen dakbedekking is door zijn structuur gemakkelijk in plaatvormen te bewerken, maar het is ook broos materiaal en moet daardoor vaak vervangen worden. Uit de rekeningen blijkt ook dat de muur om het kerkhof in de loop van de 17de eeuw in verval is geraakt. Uiteindelijk werden de gaten in de muur gedicht door de veldwachter met behulp van doornstruiken. Een andere bijzondere anekdote is de diefstal van de kerkklok door soldaten van Condé in maart 1648. Het heeft het gemeentebestuur uiteindelijk 29 Brabantse gulden en 16 stuivers gekost om de klok weer terug te krijgen van de Italianen. Ook visitatieverslagen geven interessante informatie over de fysieke staat van de kerk (36). Zo was er volgens de deken van Beringen in 1605 geen doopkapel in de kerk. De pastoor beschikte slechts over een albe en twee kazuifels en een fragment van een handgeschreven zangboek, maar altaardwalen (linnen doeken voor op het altaar) waren niet aanwezig. Blijkbaar ging het niet erg voorspoedig met de kerk. In 1642 start de bouw van een nieuwe kapel op de Sint-Jansberg. Deze Apolloniakapel was in 1656 nog in volle opbouw en zou tot ver in de 19de eeuw dienst gaan doen als parochiekerk van Zelem. De oude kerk van Zelem vervulde rond die tijd nog wel al haar taken. In 1654 had de kerk echter geen zoldering meer. Een doopkapel was er wel maar stond in een hoek van de kerk die afgesloten was door een slecht onderhouden hek. De pastoor had dan ook aangemaand tot netheid.


In 1666 raakte het westelijke deel van het kerkterrein beschadigd door de aanleg van het Zwart Water langs de voet van de Sint-Jansberg. Omstreeks 1700 was de kerk tot op haar fundamenten afgebroken. Rond die tijd wordt ook een verordening uitgeschreven voor de bouw van een kapel op de voormalige locatie van de kerk. Er was blijkbaar nog steeds behoefte aan een gebedsplaats. In 1726 werd er echter alweer een machtiging gegeven om deze kapel af te breken, op voorwaarde dat er een groot stenen kruis kwam te staan. Het is onduidelijk of dit hetzelfde kruis is als dat op het altaar van de Zalige Adela. In een studie naar het klooster van Zelem uit 1863 wordt dit kruis vermeld dat toen reeds geborgen was op het kasteel. Het lijkt er op dat het kerkterrein in de loop van de 18de eeuw uiteindelijk ook zijn functie van kerkhof is verloren.

vloertegels en de onderliggende lemen vloer van de kerk hebben uitgegraven omdat dit gemakkelijk 'schupte'. Later werden de taluds van het Zwart Water opgehoogd, waarbij er veel beenderen en voornamelijk schedels van kinderen uit de grond staken. Dit laatste wordt bevestigd door de broer van Jef, die als jongen ging vissen langs de beek en de schedelpannen gebruikte als emmertje om gevangen stekelbaarsjes in te bewaren. De skeletresten moeten afkomstig zijn geweest van het voormalige kerkhof rondom de kerk.

Ondergrondse resten van de kerk van Zelem Op basis van de archeologische voorstudie was de globale ligging van het kerkterrein bekend. Door middel van boringen werd de daadwerkelijke

Overzicht van de aangetroffen sporen ter hoogte van het vroegere kerkterrein ( © RAAP)

Altaren Rond 1400 waren in Zelem twee altaren aanwezig: dat van Sint-Niklaas en Sint-Catharina en dat van de Heilige Maria van 't Kasteel, het latere OnzeLieve-Vrouw altaar (37). We kennen de plaatsen van die altaren niet uit historische bronnen, maar dat van Maria van 't Kasteel bevond zich gezien de naam vermoedelijk in de burcht van Zelem. Het is plausibel dat het altaar na het verval van de burcht terecht kwam in het kerkje van Zelem. In visitatieverslagen van 1605 en 1611 is namelijk te lezen dat dit altaar in het kerkje van Zelem te vinden was. Het altaar van Sint-Niklaas en Sint-Catharina zou zich in het midden van de 17de eeuw bevinden op het kasteel van Lobos elders in Zelem.

T20C6«I ZZ

legenda archeologie sporen

• • • • • • • • •1 • • • 14

coliuvium greppel inhumatiegraf {verstoord'') inhumatiegraf kuil ovenkuil menglaag muuruitbraak poer paalkuil verstonng natuurlijke ondergrond spoomummer

overig

Getuigen uit de Tweede Wereldoorlog Een opmerkelijke informatiebron over het oude kerkterrein is een aantal getuigenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Zo is er een brief van Desire Eykens die verslag doet van een gebeurtenis tijdens de Tweede Wereldoorlog in Zelem (38). In 1940 blies het Belgische leger de weg tussen de Demer en het Zwart Water ter hoogte van de kerk op. Volgens het verslag van Desire Eykens, destijds arbeider bij de spoorwegen, veroorzaakte dat een enorme put van 33 m doorsnede. De put werd gedicht met grond uit de directe omgeving en tijdens deze graafwerkzaamheden zijn de arbeiders gestoten op een "schoon glad rode vloer" van de oudste kerk van Zelem. De getuigenis van Jef Wuestenberghs, de vroegere jachtwachter van het domein, vertelt hetzelfde verhaal. Hij was er ook bij toen de bom insloeg in het oevertalud op de kasseibaan tussen het Zwart Water en de Demer. Hij herinnerde zich nog dat de krater in de weg opgevuld moest worden omdat het een belangrijke verbindingsweg was. Van een andere, inmiddels overleden arbeider, heeft Jef vernomen dat ze de

•^

locatie muurresten in oostelijke oever Zwart Water (Zwartebeek}

^1

water

M&L I 11


ligging van het kerkterrein opgespoord en begrensd. Het booronderzoek leverde tevens sporen op die verband houden met het kerkgebouw: fundamenten, kuilen en een (mogelijke) omgrachting van het kerkterrein. Bij een visuele inspectie van het oostelijke talud van het Zwart Water werden de eerder vermelde muurresten opgespoord en gedocumenteerd. Voor een duidelijker beeld diende echter een gedetailleerder terreinonderzoek te gebeuren. Als test is op een deel van het kerkterrein geofysisch onderzoek uitgevoerd om vervolgens de meest succesvolle techniek in te kunnen zetten in een groter gebied. Met geofysische technieken zijn bijvoorbeeld muren en grachten in de bodem op te sporen. De resultaten van zowel het elektrisch weerstandsonderzoek als het magnetometrisch onderzoek bleken echter teleurstellend. Uitsluitend diepere sporen, puinconcentraties en brandresten kwamen hiermee aan het licht. Het zou te maken kunnen hebben met de geologische gesteldheid van het terrein. Bij deze testfase is het daarom gebleven. Met de metaaldetector werden op en rondom het vermoedelijke kerkterrein diverse metalen voorwerpen gevonden. Enkele bouwmaterialen zijn verzameld zoals ijzeren (dakpan-)spijkers, een fragment van een deurscharnier en loden architectuurpeggen. Verder ook onderdelen van kleding, zoals knopen en gespen, en enkele munten: een zilveren munt uit de 15e eeuw, een billon munt en Franse rekenpenning uit de 16de eeuw.

muurn in de oostelijke net Zwart Water

Uitgebroken fundamenten Na het vooronderzoek zijn ter hoogte van de zandige opduiking vier proefsleuven gegraven om de locatie van het kerkgebouw en de begrenzing van het kerkterrein te bepalen. Het kerkgebouw kwam onmiddellijk onder de bouwvoor tevoorschijn als drie parallelle uitbraaksleuven: de grotendeels uitgebroken ijzerzandstenen fundamenten van het kerkgebouw. Wat opvalt is dat de kerk opgebouwd blijkt te zijn uit drie muurfundamenten die niet in het verlengde liggen van de overeenkomstige muurfundamenten die eerder werden aangetroffen in het oevertalud van het Zwart Water. De meest noordelijke uitbraaksleuf vormt de noordelijke begrenzing van het kerkgebouw, maar of de meest zuidelijke uitbraaksleuf ook de zuidelijke begrenzing voorstelt is onduidelijk. Er zijn namelijk nog twee mogelijke bakstenen poeren (deel van een fundering) gevonden circa 1,5 m ten zuiden van dit spoor. Voorafgaand aan het graafwerk is een poging gedaan om met behulp van een peilstok een mogelijk vierde muurfundament op te sporen, ten zuiden van de huidige fundamenten langs het oostelijke oevertalud van de beek. Dit leverde helaas geen resultaten op, maar hoeft niet te betekenen dat het fundament niet aanwezig is. De peilstokmethode werkt vooral als er vaste gesteenten of sedimenten zoals grindlagen in de bodem aanwezig zijn. Uitbraaksporen van muren zijn echter lastig te vinden. Verder is met het onderzoek ook niet bepaald of de aangetroffen fundamenten wel tot eenzelfde fase gerekend mogen worden. Verbouwingen van kerkgebouwen, inclusief aanbouwen, kwamen tijdens de volle en late middeleeuwen wel vaker voor.

Gezicht op de drie uitgebroken fundamenten van het kerkgebouw (foto RAAP)

L


De uitbraaksleuven zijn nog maximaal 40 cm bewaard in de ondergrond. Op deze sporen is geboord met een guts en onder de fundamenten kwam een intacte B-horizont aan het licht. Dat wil zeggen dat de bodem er ongestoord is en dat oudere sporen, zoals de eventuele eerste houtbouwfase van de kerk, nog goed bewaard zullen zijn. Van oorsprong zal de kerk vermoedelijk een klein houten zaalkerkje zijn geweest, zoals in de Lage Landen op vroegmiddeleeuwse kerkterreinen gebruikelijk was (39). Concrete bewijzen hiervoor zijn helaas tijdens het onderzoek niet gevonden. De kerk die aan het licht kwam, bestond uit fundamenten van ijzerzandsteen. Mogelijk was het een zaalkerk met een aanbouw langs een van de zijden. Het gehele kerkterrein heeft een ovale tot ronde vorm met een diameter van ongeveer 50 m en bezit binnen het onderzoeksgebied een oppervlakte van 1.735 m 2 - De exacte afmetingen van het kerkgebouw waren niet te bepalen, maar het lijkt erop dat het een minimale lengte had van 17 m en een breedte van 15 m. Het is echter niet duidelijk of de aangetroffen resten één of meerdere fasen van het gebouw voorstellen. Bakstenen, vloertegels en dakpannen Op en rond de uitbraaksleuven lagen grote hoeveelheden bakstenen, die tot het bovengrondse muurwerk en de vloer van de kerk hebben behoord. Op de plek van het kerkgebouw zijn ook veel fragmenten van dakschalie (leisteen), daktegels, geglazuurde dakpannen, enkele vloertegels en een fragment vensterglas gevonden. De 'verstening' van de kerk heeft vermoedelijk in de late middeleeuwen plaatsgevonden. De vroegste baksteenfase van de kerk dateert gezien het aangetroffen materiaal uit de 14de / 15de eeuw. Het bovengrondse muurwerk bestond uit plaatselijk gebakken baksteen en ook misbaksels werden hierbij in de basis van de muren verwerkt. De kerk had rond deze tijd geen lemen maar een bakstenen vloer.

duidelijk de openingen herkenbaar, waar ze met spijkers aan het onderliggende dakgebinte werden vastgenageld. Onder het laatmiddeleeuwse vloerniveau van de kerk kwamen scherven gebruiksaardewerk tevoorschijn uit de volle tot late middeleeuwen. Het meeste opgegraven aardewerk is van lokale makelij en duidelijk geïmporteerd aardewerk ontbreekt. Er is evenwel een duidelijke Maaslandse invloed te herkennen, wat gezien de ligging van het onderzoeksgebied niet zo opmerkelijk is. Naast veel roodbakkend geglazuurd aardwerk komen ook vroegere fragmenten grijsbakkend, steengoed, bolpot en Pingsdorf-achtig aardewerk voor. Een omgracht kerkhof Bij de kerk hoorde een kerkhof en dat is ten noorden van het kerkgebouw ook aangetroffen. Het is echter mogelijk dat de begraafplaats zich uitstrekte rondom het gehele kerkgebouw. Om het kerkhof lag de kerkhofmuur als symbolische afscheiding tussen de profane en sacrale wereld. Het was een cirkelvormige muur die de grens van de zandige verhoging volgde waarop het kerkterrein zich bevond. Alleen de ijzerstenen fundamenten ervan zijn aangetroffen. Buiten de kerkhofmuur is een gracht gegraven. De gracht omsloot vermoedelijk het gehele kerkterrein, was zo'n twee tot zeven meter breed en werd herhaaldelijk opnieuw uitgegraven na een overstroming of verzanding. De gracht lijkt dan ook niet zozeer symbolisch van aard, maar aangelegd als reactie op de toenemende vernatting die vanaf de volle/late middeleeuwen plaatsvond (40). Digitale reconstructietekening van de kerk van Zelem tijdens de volle en late middeleeuwen (© RAAP)

Van de bakstenen die tussen de uitgebroken muufundamenten lagen, vertoonde een deel slijtagesporen. Daar was dus veelvuldig op gelopen. Op het einde van de middeleeuwen zal de kerkvloer geheel of gedeeltelijk vervangen zijn door vloertegels waarvan slechts enkele kleine fragmenten zijn aangetroffen. De meeste vloertegels werden immers tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgegraven, zoals we via de getuigenissen weten. In de opgegraven tegels van het kerkdak en de kerktoren zijn twee soorten dakbedekking te onderscheiden. Het oudst zijn de geglazuurde daktegels die rond het jaar 1000 dateren. Deze zijn later, in de 17e eeuw, vervangen door dakschalie. Op enkele van de leien dakpannen waren nog

MêiL I 13


kunnen tussen het eind van de 17de eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog begraven zijn. Waarschijnlijk zijn het graven uit de laatste gebruiksfase van het kerkhof aan het begin van de 18de eeuw.

Verval en bescherming Tot in de late middeleeuwen bleef het kerkje aan de voet van de Sint-Jansberg in gebruik, en tot in de eerste helft van de 17de eeuw is er nog onderhoud uitgevoerd. Vanaf die tijd ging ook de bouw van de nieuwe kerk bij het klooster op de Sint-Jansberg van start. Het verval van de oorspronkelijke dorpskerk zette daarna definitiefin en uiteindelijk werd de kerk gesloopt. Afgaande op historische bronnen was de kerk rond 1700 al afgebroken. De muren werden tot op hun fundamenten afgebroken en delen van deze fundamenten zijn deels uitgebroken, zoals ook in de proefsleuven te zien was. Op de plek van de kerk kwam later een kapel te staan die slechts kort heeft gefungeerd voordat ook deze werd afgebroken.

Zicht op de noordelijke gracht zoals aangetroffen in het oosteli)i<e profiel van sleuf 2 (foto RAAP)

Onder de gracht kwamen op een diepte van twee meter beneden maaiveld enkele kuilen tevoorschijn (foto RAAP)

Op het kerkhof zijn vier duidelijke graven opgegraven. Uit het fysisch-antropologisch onderzoek van de botten bleek dat er op de plek van de graven meermaals is begraven. Dat is op zich niet zo verwonderlijk omdat het kerkhof meerdere eeuwen in gebruik is geweest. Zowel mannen, vrouwen als kinderen zijn op het kerkhof begraven. Hun precieze lichaamslengte was vanwege de incomplete resten niet vast te stellen. De gedateerde botmonsters bleken overigens subrecent te zijn en

Door het onderzoek is wel duidelijk geworden dat de erosie (door wateroverlast en ontbossing) waardoor de kerkparochie werd bedreigd, ook zorgde voor afdekkende sedimenten (colluvium en alluvium) in het onderzoeksgebied. Over het algemeen heeft dat een positieve invloed gehad op de conservering van de archeologische resten van de kerk. Ze vormden als het ware een beschermende buffer tegen diepgaande bodemverstoringen. Het kerkterrein zelfheeft wel te lijden gehad van de recente afgravingen in de 18de eeuw en de

Schematische weergave van de bodemopbouw en evolutie

Prehistorie t/m Vroege Middeleeuwen

Volle t/m Late Middeleeuwen

16e t/m 17e eeuw

vanaf 18e eeuw

hiervan ter hoogte van het kerkterrein vanaf de prehistorie tot heden (© RAAP)

.^mL

\

legenda

H

IM L

zandkop (restant vroeg-holocene oevervral')

oude akkerlaag

matig grofzandige nvierafzettngen

nviersedimenten vermengd met colluvium


Reconstructietekening met de kerk in haar ruimere cultuur-

bomkrater uit de Tweede Wereldoorlog. Omdat de fundamenten van de kerk en ook de graven direct onder de bouwvoor tevoorschijn kwamen, weten we dat er zeker ter hoogte van het kerkhof 70 tot 80 cm van het oorspronkelijke oppervlak is afgegraven. Verder is het ook duidelijk dat de aanleg van het Zwart Water in 1666 een deel van het kerkterrein heeft aangetast. Ook al herinnert bovengronds niets meer aan het oudste dorpskerkje van Zelem, archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de bodem nog tal van vondsten en sporen herbergt. Het nog aanwezige bodemarchief vormt een belangrijke bron van informatie voor de reconstructie van de geschiedenis van het kerkdomein en de verschillende bewoningsfasen in de onmiddellijke omgeving van de kerk. De resultaten van het archeologisch onderzoek kunnen ook bijdragen aan een duurzame inrichting en ontsluiting van het kerkterrein, zodat het erfgoed in de bodem ook voor toekomstige generaties bewaard blijft. De 'verdwenen' resten van de oudste parochie van Zelem refereren immers naar de oorsprong en

evolutie van het huidige dorp. Om die reden werd dan ook een beschermingsdossier opgesteld door het agentschap Onroerend Erfgoed en besliste de bevoegde minister om op 6 november 2014 de site van de verdwenen kerk van Zelem te beschermen als archeologische zone (41).

landschappeiijke context (© RAAP)

Danny Keijers is projectleider bij RAAP Archeologisch Adviesbureau Bert Tops is historicus en archivaris bij het Rijksarchief in Brussel Wim De Baere is hoofd bij RAAP Archeologisch Adviesbureau, vestiging Zuid-Nederland en Vlaanderen

M L

15


Op de beschermde archeologische site plaatste het agentschap voor Natuur en Bos een infopaneel dat de bezoekers informeert over de resultaten van het onderzoeken de geschiedenis van de site (foto P. Van den Hove}

Eindnoten (i)

(2) (3)

SPRENGERS N. en KEIJERS D., Een archeologische evaluatie en waardering van de 'verdwenen' kerk van Zelem (Halen, provincie Limburg) (RAAP-rapport 2400), Weesp, 2012. In dit artikel ligt de focus op het kerkgebouw; voor gedetailleerde informatie over het landschap, de kerkparochie en geraadpleegde literatuur wordt verwezen naar dit rapport. CLAES F., De oude burcht en de oude kerk van Zelem Brabant 1980(3): 176-182), 1980. GOEMINNE N., Oude kerk Zelem. Inspectierapport Monumentenwacht Vlaanderen in opdracht voor het schap voor Natuuren Bos, onuitg. rapport, Antwerpen,

(Oost{pilot) Agent2010.

(4)

KOPKE R. (red.), Gesta abbatum Trudonensium (Monumenta Germaniae Historica. Scriptores 10), 1852, p. 227-272 & 281-291.

(5)

CLAES F., Was Sint-Trudo een Hagelander (Oostbrabant 1976(2): 36-38), 1976, p. 36

(6)

DIRK S., De heilige Trudo van Serckinghe: eene bydrage tot de kerkelyke geschiedenis van ons vaderland in de zevende eeuw, Hasselt, 1854, p.112-130. MENNEN V. "Zelem", in DEBRABANDERE F. ea. (red.). De Vlaamse Gemeentenamen. Een verklarend woordenboek. Leuven, 2010, 289.

(7)

(8)

CLAES F., Oude nederzettingsnamen en middeleeuwse geschiedenis in de streek van Diest, in Naamkunde 24, 1992, p. 116146.

(9) MENNEN V., op. dt., p. 289. (10) SEGERS )., Haspengouwse nederzettingsnamen. Een inleiding I. (Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde 73), 1993. 17. Net als Zelem is ook Webbecom afgeleid van een vroeg middeleeuwse haimnaam nl. Wibbinga Haim, woningen van de leden van Wibbo. Volgens de kroniek van de abdij van Sint-Truiden zou Wibbo slaan op Wicbold, vader van St. Trudo zie KOPKE, R. (red.), Gesta abbatum Trudonensium (Monumenta Germaniae Historica. Scriptores 10), 1852, 227-272 & 281-291. (11) Behalve Zelem en Webbecom lijken ook Zeik en Diest al in de Vroege Middeleeuwen te hebben bestaan zie CLAES F.,

-16 I IVI L

Oude nederzettingsnamen en middeleeuwse geschiedenis in de streek van Diest, in Naamkunde 24, 1992, p. 116-146. In de Demervallei zijn diverse oude kerken bekend op een natuurlijke verhoging zoals de kerk van Donk en Weerde. Zie o.m. VAN KEMPEN P., De zoektocht naar de verdwenen kerk van Weerde in de gemeente Aarschot, in Monumenten en Landschappen, 27, 2008. p.6-22. (13) VAN DER EYCKEN M., Geschiedenis van Diest, Diest, 1980,15. (•4) "Van den huse te Zelhem met den grochte, dat alle wuest legt".

RAYMAEKERS, ]., Historische oogopslag op het voormalige karthuizersklooster te Zeelhem, in Noord en Zuid Maendschrift voor Kunsten, letteren en wetenschappen, Volume 2,1863,118. ('5) RAYMAEKERS J., op. rit., p. 113-123. (16) De Sint-Catharinakerk te Diest is volledig opgetrokken in de I3de/i4de eeuw met ijzerzandsteen afkomstig uit de groeven van de Sint-Jansberg. Zie o.m. RAYMAEKERS, F., Het kerkelijk en liefdadig Diest: geschiedenis der kerken, kapellen, kloosters enz. van het voormalig en huidig Diest, Leuven, p. 460-465 (17) "inter ecclesiam de Zeelhem ex una parte et vineam praedictorum nobilium ex altera". Fragment uit de stichtingsakte van het klooster die zich in het Rijksarchief te Hasselt bevindt (mededeling Tom Gaens). AVERMAETE T., De Wijnbouw in Oost-Brabant (i}de-i6de eeuw) met bijzondere aandacht voor de regio Leuven (Boek I) (onuitg. lic. verh.), KULeuven, 1996. (19) DRURY P., Post-Medieval Brick and Tile Kilns at Runsell Green, Danbuny, Essex (Post-Medieval Archaeology 9: 203211), London, 1975. (20) Rijksarchief Brussel (Anderlecht), Archief van de Raad van

Brabant, processen van de gemeenten, 151. Dit procesdossier en bijbehorende kaart werden pas na de beëindiging van de studieopdracht ontdekt door dhr. Tops. De kaart, getekend door Jan van Surple gezworen landmeter van het land van Brabant, mag als relatief nauwkeurig worden beschouwd aangezien de kerk van Zeik en het karthuizerklooster goed overeenkomen met de weergave op latere kaarten. De kaart versterkt en vervolledigt de resultaten van het onderzoek. Rijksarchief Brussel (Anderlecht), Archief van de Raad van Brabant, processen van de gemeenten, 151. "over de welcke


Gezicht op het onderzoeksgebied (foto O. Pauwels)

(30) VRANCKEN )., Het oude Zelem (overdruk uit Eigen Schoon die gemeynte van Zdck plachten henne bestiaekn soo peerden horenbeeslen schaepen als anderssints te drijven opden selven en de Brabander), Pittem, 1967, 54, 93. Bruel endegemeynle van Zeelhem voors. genaempt het Eetbroeck (31) BREUGELMANS )., Het beheer van de Demer tijdens de d'welck zy doen ter tijdt onvferjdeijlt door malcandere(nj plach- 17de en 18de eeuw. Brussel, 2001, p.128: Kaart van de Deten tegebruycken ... Item designeren seeckere(n) steenhove(n) mer en zijn bijrivieren tussen Diest en Lummen. Anoniem, opde(nj selve(n) groote(n) Bruel, alwaer de heeren chartroisen begin 18e eeuw. AR, Kaarten en plattegronden in handals heeren van Zelck hunne careelsteene(n) vermoege(n) ende schrift. Eerste reeks, nr. 335. altyt hebbe(nj gebacke(nj ... leemceulen gelegen opt voors eet(32) Plan des terrain ^e-devant inondés depuis la ville de Diest broeck der rescribenten alwaer de selve rescribenten hunnen leem ijn stekende ende in anderen tyden steenen hebben gebacken son- jusqu'a la Grave Sluys, avec les changements faits au cours der dyer aengaende den voors. grooten Bruel (als wel wetende des Rivières depuis l'année 1757 jusqu'a celle 1772 pour hun int minste nyet toe te behooren oynt getoucheert te hebben)" l'usage de M. Vandormael 1772. (33) ERENS A, Zeelhem. Een duivenhok op de kerktoren (Limburg (22) CLAES F., De oude burcht en de oude kerk van Zelem (Oost9), 1927. brabant 1980(3): 176-182), 1980, p. 176-177. (34) VAN DER EYCKEN M. Geschiedenis van Diest, Diest, 1980. (23) BREUGELMANS J., Het beheer van de Demer tijdens de if' (35) VRANCKEN J., Het oude Zelem (overdruk uit Eigen Schoon en i8d' eeuw, Brussel, 2001, p. 123-125. en de Brabander), Pittem, 1967, 54, 93 (24) VRANCKEN J., Het oude Zelem (overdruk uit Eigen Schoon 36) GRAUWELS ]., De aartsdiakonale visitaties van het dekanaat en de Brabander), 1967, p. 19-21. Beringen (1646-1726) (Het Oude Land van Loon, jaarboek (25) RAYMAEKERS ]., op. at., 1863, p. 115. (26) GOETSCHALCKX P., Bijdragen lot de geschiedenis bijzonder- van de federatie der Geschied- en Oudheidkundige kringen van Limburg 32: 33-190), 1977. lijk van het aloude hertogdom Brabant, Volume 3, 51-52. Een afschrift van deze oorkonden wordt vandaag nog bewaard (37) SCHOOLMEESTERS M., L'archidaconéde Campine en 1400 in een cartularium van klooster van Hemiksem dat zich (Analectes pour servir a l'histoire ecclésiastique de la Belgiin het abdijarchief van Bornem bevindt, register nr. 327. que 32: 289-344), ^ o ó , 325. Zie ook GRAUWELS ]., 1977 De schenker was vermoedelijk Guillaume de Jeneffe, rid(voorgaande noot). der en kastelein en voogd Waremme, heer van (ehay. DE (38) SPRENGERS N. en KEljERS D., op. rit., bijlage 1, bron KaBORMAN C. en PONCELET E., Oeuvres de Jacques de Hemrel Rymen. ricourt. Dl. II. Miroir des nobles de Hesbaye, Brussel, 1925, (39) Voor een algemeen overzicht: AHRENS C, Die jrühen p. 266. Holzkirchen Europas, in Schrijien des Archdologischen Landes (27) BOS K. en GULLENTOPS F., Ijzerzandsteen als bouwsteen museums 7, Stuttgart, 2001; GLAZEMA P., Oudheidkundige in en rond het Hageland, (Bulletin de la Société beige de Geoopgravingen in de door de oorlog verwoeste Limburgse kerken, in logie 99(2): 131-151), Brussel, 1990,131-132. Publications de la Societé Historique et Archéologique dans Ie (28) Luik, Rijksarchief: Archives des Etats du pays de Liège et Limbourg&4,1948, p.197-280. comté de Looz, 2942-2944, Travaux d'endiguement du Démer (1663-1793), 2945-2946, Cartes et plans du cours du (40) Het oudst aangetroffen aardewerk uit de gracht dateert uit de overgang van de volle naar de late middeleeuwen. Démer et des travaux d'endiguement, 1664-1778. Bovendien zijn onder de gracht nog oudere (paal)kuilen (29) Rijksarchief Brussel (Anderlecht), Archief van de Raad van aangetroffen. Brabant, processen van de gemeenten, 151. Een cirkelvormige kerkhofmuur is eveneens herkenbaar op een over- (41) Ministerieel besluit tot inschrijving van de verdwenen kerk van Zelem in Halen op de lijst van de beschermde stromingskaart uit 1682, een copie van een kaart uit 1666: archeologische zones (publicatie Belgisch Staatsblad op Rijksarchief Brussel (Anderlecht), Archief van de Raad van Brabant, processen van de gemeenten, nr. 882. 19/12/2014).

M & L I 17


De Lievebermen in Damme Getuigen van de grootschalige onteigening voor net Lievekanaal in de 13de eeuw Het Lievekanaal van Cent naar Damme

Caroline Terryn

De Lieve was Gents eerste kunstmatige kustverbinding. Gent was eigenaar van het hele kanaal van in Gent tot in D a m m e , maar in het oosten bezat de stad enkel het kanaal en jaagpad en in het westen bezat ze een strook van 77 m breed. De strook was tien keer breder dan nodig voor de scheepvaart op het kanaal. Deze Lievebermen werden nog niet eerder beschreven en zijn enkel in Damme bewaard. Dat West-Vlaamse deel van de Lieve is, in tegenstelling tot het Oost-Vlaamse deel, (nog) niet beschermd.

Een rietkraag herinnert aan het Lievekanaal. Rechts de relicten van de brede Lievedijken. Op de achtergrond (links) het Schipdonkkanaal (Foto O. Pauwels)

IB

In de i}de eeuw was Gent, na Parijs, de grootste stad ten noorden van de Alpen. Ze dankte haar rijkdom en macht aan haar rivieren Schelde en Leie, maar spaarde geld noch moeite voor een kunstmatige verbinding naar de kust. De kustvaart boomde omdat de koopvaardij rendabeler werd dank zij de kogge, een nieuw, meer zeewaardig scheepstype. In 1269 was de Lieve klaar en had Gent een tolvrije uitweg naar zee die veel korter was dan de Schelde. De Lieve was geen zeekanaal. De vracht werd in Damme overgeladen van de zeeschepen - koggen van ongeveer. 60 ton - op scheepjes van max. 4 ton: aanvankelijk mocht de lading het gewicht van vijf vaten wijn niet overtreffen. De Lieve was niet het eerste Vlaamse kanaal, want in de polders verbonden kanalen al sinds de 12de eeuw oudere steden met hun nieuwe zeehaven. Het Reiekanaal tussen Brugge en Damme aan de zeearm Zwin was daar een voorbeeld van. Vergeleken met die kustkanaaltjes was de Lieve veel langer - 46,5 km i.p.v. 5 a 10 km - en vooral veel complexer: ze bleef niet binnen de eigen invloedssfeer en het eigen rivierbekken, maar overschreed zowel een politieke als een hydrografische grens. De Lieve begon in Gent aan de Leie in de Oudburg en eindigde in het Brugse Vrije. Damme, de voorhaven van aartsrivaal Brugge, werd zo de overslaghaven van Gent. Halverwege Gent en Damme dwarste de Lieve de waterscheiding tussen Scheldebekken en kustvlakte. De Lieve was een kanaal zonder weerga in i3de-eeuws Europa. Gent investeerde in de Lieve zolang ze nuttig was voor de kust- en regionale handel. Vanaf 1623 nam de Brugse Vaart die rol over en verwaarloosde Gent haar kanaal.

De 'ontdekking' van de Lievebermen De Lievebermen mogen dan nog niet eerder beschreven zijn, ze zijn al lang gekend in de Damse deelgemeente Moerkerke: er is de straat Lieveberm en generaties schooljongens leerden dat de wijk Moerkerke Brug, waar de gemeenteschool stond, 18 I M

L


Ten oosten van Damme zijn de Lievebermen te herkennen in een strook langgerekte percelen die 6 km verder aansluiten op de

/

afleidingskanalen (© Vlaamse Milieumaatschappij)

•fc~t?r7

^V?

'^r-i •," - iï ' :'v^^p

^ ^ A De reliëfkaart toont dat de Lievedijken nog steeds een bijna ononderbroken lijnrelict vormen dat de hele breedte van de strook van 77 m beslaat { © Vlaamse Milieumaatschappij)

Circa 1690 liet het stadsbestuur van Gent de Lievebermen in

haar naam dankte aan de brug over de Lieve en dat het middeleeuwse kanaal weliswaar bijna dichtgegroeid was, maar dat de brede dijken, de bermen, nog zichtbaar waren in het landschap. Dat de Lievebermen de literatuur nog niet haalden, kan op verschillende manieren verklaard worden. De Lieve werd tot nog toe vooral door Gentenaars bestudeerd en de brede Lievebermen kwamen enkel voor in het Brugse Vrije, niet in de Oudburg, het Burggraafschap van Gent. Historici interesseerden zich vooral voor de bloeitijd van de Lieve in de middeleeuwen en doorzochten de oudste akten. Daarin is enkel sprake van twee jaagpaden langs het kanaal, niet van een brede strook. Heemkundigen hadden ook oog voor later kaartmateriaal. Op de cover van het boek De Lieve, tscoenste juweel dat de stede heeft prijkt de kaart van de Lievebermen uit 1612 (1). Toch gaat ook dit boek niet in op de brede strook en beperkt het zich tot de Lieve met haar jaagpaden (2). De miskenning van de Lievebermen kan tevens verklaard worden doordat ze midden 19de eeuw grotendeels verdwenen. Bij de aanleg van het Leopoldkanaal en Schipdonkkanaal werd de Lieve verbreed en die verbreding maakte gebruik van de Lievebermen, behalve in Moerkerke en Damme. Daar is 6 km van de Lievebermen bewaard. Op luchtfoto's valt de strook van 77 m breed meteen op. Ze is bijna ongewijzigd sinds ze in de 17de eeuw in kaart werd gebracht.

De Lievebermen volgens lyde-eeuwse kaarten en een landboek

kaart brengen. Tussen Damme en Moerkerke zijn ze heel gaaf bewaard (© Stadsarchief Gent)

In 1612 bracht landmeter Jan De Buck in opdracht van de stad Gent de Lievebermen in kaart. De Universiteitsbibliotheek bewaart zijn 5 m lange kaart (3). Het stadsarchief Gent bezit dezelfde kaart opgedeeld in 14 kaartbladen en de bijhorende register "mette namen ende toenamen vander jeghenwoordighe ghebruuckers" (4). Gent verpachtte de Lievebermen; de kartering en registratie moest het innen van cijnzen en pachten vergemakkelijken. De kaarten geven per perceel een nummer, de oppervlakte en het grondgebruik weer. Rond 1690 werden de Lievebermen opnieuw opgemeten en de percelen kregen een nieuw nummer (5). Dit vond haar neerslag in een prestigieus landboek dat gekend staat als de Lieve-atlas (6). Al deze kaarten beelden enkel Gents eigendom af "gheleghen up beede de syden vander Lieve." Die gronden liggen niet her en der verspreid langs de Lieve, maar vormen één aaneensluitende strook "beghinnende van seker ghracht ghenaempt de Roovoort, boven Raveschoot ende streckende totter stede van Damme "(7). De strook begint dus niet in Gent, maar wel pas halverwege de Lieve. Het perceel met nummer 1 ligt aan de 'Roovoordegracht' één km ten zuiden van de Raverschootbrug

M LI 19


in Adegem (8). Het laatste perceel ligt in Damme. Het Lievekanaal Gent-Damme was 46,5 km lang, maar enkel de westelijke helft, meer bepaald 23 km, is opgetekend.

In het Kaartboek van de Lieve zijn in het meest westelijke deel de perceelgrenzen kaarsrecht, behalve aan de kruising van de Lieve met de Ede in Maldegem (© Stadsarchief Gent)

De Lievebermen vormden niet alleen een aaneengesloten geheel, maar ook een echte strook, want de grenzen met de aangrenzende percelen waren kaarsrecht. De Lieve liep in het midden - zij het niet altijd pal in het midden - van de strook. De strook bedroeg meestal 20 (lengte)roeden of 77 m (9). In het meest westelijke deel, tussen Damme en Steentjesrabot - 17 km van de 23 km of 71 % waren de Lievebermen effectief 20 roeden breed. Ter hoogte van de rabottenreeks varieerde de breedte van de strook in de Lieve-atlas van ca. 1690 tussen 69 m en 92 m; heel lokaal, bij Raverschootrabot waren de Lievebermen zelfs 125 m breed. De totale oppervlakte van de Lievebermen bedroeg 177 ha (10).

Geen brede Lievebermen op het oostelijke Lievedeel De i7de-eeuwse kaarten beperken zich dus tot het westelijke deel van de Lieve. Toen Jozef II in 1780 opdracht gaf de Gentse eigendommen langs de Lieve op te lijsten om ze te verkopen, beperkte de lijst die de Gentse administratie in 1788 opgesteld had, zich eveneens tot het westelijke deel, beginnend van Adegem-Eeklo en strekkend tot Damme (11). Dat er in het oostelijke Lievedeel geen brede Lievebermen waren, leiden we verder af uit de kaart van de Lieve uit 1717, die het hele kanaal weergeeft met enkel in het westen een brede stook (12). De Buurtwegenatlassen, die opgemaakt werden vóór de aanleg van het Leopoldkanaal in 1847-48 bevestigen dit. De brede Lievebermen zijn wel aanwezig langs de westelijke, maar niet langs de oostelijke helft van de Lieve. In West-Vlaanderen

Ter vergelijking, dezelfde locatie op de latere en meer gedetailleerde 'Lieve-atlas' (© Stadsarchief Gent)

Op deze kaart uit 1717 die de hele 45 km van de Lieve weergeeft is het duidelijk dat enkel het westelijke deel brede Lievebermen heeft (© Rijksarchief Gent)

20 I M

L


valt het Lievekanaal meteen op dankzij de langwerpige percelen langs beide oevers (13). Ook Maldegem, dat nu in Oost-Vlaanderen ligt, maar in het Ancien Régime tot het Brugse Vrije hoorde, vertoont op de Buurtwegenatlas dezelfde brede Lievebermen (14). Meer oostwaarts, zoals in Waarschoot, ontbreken die langwerpige percelen langs de Lieve. Het is duidelijk dat de Lieve er de bestaande percelering doorsneden heeft, want de percelen lopen door aan de andere oever, maar ze worden er enkel onderbroken door het kanaal of het jaagpad, niet door brede Lievebermen. De overgang van enkel kanaal en jaagpad in het oosten en brede Lievebermen in het westen is erg duidelijk op de lyde-eeuwse kaarten: de Lievebermen vatten aan bij perceel 1 op de linkeroever (in Adegem); daartegenover ligt perceel 15 op de rechteroever (in Eeklo). Op de Buurtwegenatlas van 1845 is de overgang vertroebeld. Enkel op bepaalde plaatsen, zoals bij de Blakstraat in Eeklo zijn de Lievebermen nog dezelfde als op de lyde-eeuwse kaarten; elders in het overgangsgebied is de 77 m brede strook zodanig verkaveld dat ze niet meer herkenbaar is.

De Lieve als Cents privébezit: kanaal, jaagpaden en bermen Het mag verwonderen dat Gent in het Brugse Vrije 177 ha grond bezat, maar niet dat het kanaal en de jaagpaden stedelijk bezit waren. Het was gebruikelijk dat een stad de waterlopen in haar ommeland bezat: Brugge kon stroomopwaarts rechten doen gelden op de Reie en haar zijrivieren. Stroomafwaarts bezat ze het Oude Zwin en het Reiekanaal naar Damme. Steden wilden zelfde watertoevoer en -afvoer kunnen regelen om watertekort en -overlast te beperken, maar ook om de waterstand op een bevaarbaar peil te houden. Scheepvaart was immers noodzakelijk voor handeldrijvende stedelingen. Dat Gent een kanaal bezat was dus niet bijzonder, wel dat de helft ervan buiten haar invloedssfeer, de Oudburg, lag. Aanvankelijk was dat niet de

bedoeling. Volgens de eerste akten uit 1251 ging Aardenburg als partner optreden in het Brugse Vrije. Elk zou in zijn kasselrij - Aardenburg in het Brugse Vrije en Gent in de Oudburg - een deel van het kanaal delven, uitbaten en politiebevoegdheden uitoefenen op kanaal en jaagpad (15). Waarom Gent in tweede instantie op eigen kosten in het Brugse Vrije en meer bepaald in 1262 in Damme begon te delven en Damme als voorhaven verkoos boven Slepeldamme bij Aardenburg is niet gedocumenteerd (16). Wat ook de reden van Gents koerswijziging moge geweest zijn, het resultaat was een kanaal Gent-Damme waarvan Gent de enige eigenaar en gebruiker was. Gent bezat niet alleen het kanaal; van in het begin was er ook sprake van jaagpaden. Op kanaal en jaagpad mocht de kanaaleigenaar ook recht spreken (17). Nog voor de graafwerken aanvingen, onttrok de acte van 1251 de jurisdictie aan de heerlijkheden die de Lieve zou doorkruisen: voortaan zou niet de lokale heer, maar wel de kanaaleigenaar er de orde handhaven (18). De bedoeling was een vlot verkeer op het kanaal garanderen door te voorkomen dat lokale heren, die geen baat hadden bij de Lieve, de rechtspraak onnodig lang zouden rekken voor zaken die zich op het kanaal of de trekwegen hadden voorgedaan. De trekwegen hoorden bij een scheepvaartkanaal, want als de binnenschippers niet konden zeilen, werden de vaartuigen vanop het jaagpad getrokken of gejaagd. In het erfgoedjargon heten jaagpaden tragels. Van het Franse chasser voor jagen komt ook het Vlaamse ketsen, een term die nu nog in de Westhoek gebruikt wordt. In Moerkerke heette het Lievejaagpad de Ketsbermwegel (19). De akte van 1251 voorzag aan weerszijden van de Lieve een trekweg. Ze zijn niet aangeduid op de i7de-eeuwse kaarten, maar staan wel op de Buurtwegenatlassen. Op die igde-eeuwse kaarten is er meestal slechts op één oever een trekweg, zelden langs beide oevers. Volgens de acte van 1251 lag op elke oever een tragel van 4 voet breed (20). In de Oudburg was een voet 27,53 c m - Een jaagpad was dus zo'n 1,10 m breed. De documenten laten in het ongewisse of de Lieveschepen door mensen dan wel door paarden werden getrokken. Het trekken door mensen is voor de middeleeuwen meer aannemelijk. Tot in de 20ste eeuw werden binnenschepen door de schippersvrouw of-kinderen getrokken. In het Ancien Régime vormden de boottrekkers, de 'schippersmaats' een eigen afdeling binnen de Gentse schippersambachten (21). Het eerste door paarden getrokken bargeschip zou in de Nederlanden pas in 1561 gevaren hebben en dat gebeurde op het zeekanaal van Gent naar Sas-van-Gent, dat ook voor zeeschepen geschikt was (22); de 13de-

Ketsers jagen een binnenvaartschip (uitGIUCCIARDIJNM.L, Beschryvinghe van alle de Nederlanden, Amsterdam/Nieuwkoop. 1968, p. 105)

1VI&LI 21


Halverwege Gent en Damme overschreed de Lieve de waterscheiding tussen het Scheldebekken en de kustvlakte ( © Vlaamse Milieumaatschappij)

eeuwse Lieve was beperkt tot kleine binnenvaartschepen (23). Bovendien waren de Lievetragels vrij smal om paard en menner toe te laten. Ze waren 4 voet breed of 1,10 m terwijl in de 17de eeuw 10 voet of 2,74 m de norm was voor de paardentrekwegen langs de Schelde. De tmghels... van Audenaerde op Doornicke, daer t' maertschip ketsen mach metten peerden [moeten hebhen de breedte van] thien voeten (24). Langs de vaart Brugge-Gent was de tragel volgens een ordonnantie van 1669 zelfs 7,80 m breed; voor die prestigieuze trekschuit werden doorgaans 2, soms zelf 6, paarden ingespannen (25)De breedte van de Lieve jaagpaden was dus vastgelegd op elk 1,10 m; de kanaalbreedte zelf werd niet meegedeeld. Ze kan voor de middel-

eeuwen enkel afgeleid worden uit de maximale breedte van de schepen die op de Lieve toegelaten werden. Die was beperkt tot 2,30 m breed (26). Redelijkerwijze mag men verwachten dat de Lieve niet veel breder geweest zal zijn dan strikt nodig om twee schepen te laten kruisen en dat de vaarbreedte van het kanaal bijgevolg een vijftal meter bedroeg (27). In het oostelijke deel van de Lieve was Gents eigendom beperkt tot de kanaalbreedte en twee jaagpaden. Alles bij elkaar dus niet veel meer dan 7,5 m. In het westelijke deel was Gents eigendom tien keer zo breed. Op de westelijke 23 km van het 46,5 km lange kanaal bezat Gent een strook van zo'n 77 m breed. De Lieve had dus twee gedaantes.

De tweedeling lag nabij een politieke en hydrografische grens

Schema van de Lieve met smalle bermen in de Oudburg en brede Lievebermen in het Brugse Vrije ( © C. Terryn, 2015)

Damme Reiek

Brugge

Brugse Vrije 22 I M

L

Oudburg

De opdeling enkel Lievekanaal en -trekweg in het oosten en brede Lievebermen in het westen komt grosso modo overeen met een politieke grens. In de Oudburg bezat Gent nergens brede Lievebermen, maar in het Brugse Vrije had Gent op 91% van het Lievetracé brede Lievebermen. Het enige stuk Lieve in het Brugse Vrije waar Gent geen brede strook bezat was de 2 km ten zuiden van de Roovoordegracht (28). Merkwaardig in deze is ook het verschil in benaming. In het Brugse Vrije, waar het Gentse kanaal geenszins geliefd was, werd ze zelden Lieve genoemd, maar wel Gentsche Leye (29). De Lievebermen werden er doorgaans aangeduid als de Gentsche erve ofte baermen. De opdeling brede en smalle Lievebermen lag ook


Watering, niet vlak langs de Lieve gedolven werd, maar wel tegen de grens van de zuidelijke Lieveberm, moeten de Lievebermen toen of al voordien afgebakend zijn.

Jean de Hervy gaf in 1501 op de Kaart van de Zwinstreek de Lieve weer vanaf Moerkerkebrug tot aan het Zwin. Vlak voor Damme beeldde hij een rabot af f © Foto: Lukas - A r t in Flanders

nabij de hydrografische grens tussen kustvlakte en Scheldebekken, want op het Lievetracé reikte de Oudburg tot aan de rand van het Scheldebekken. Tot Raverschoot liep het water van nature afin oostelijke richting om ten noorden van Gent via Kale, Durme en Schelde en Oosterschelde de Noordzee te bereiken. Vanaf Raverschoot liep het water in noordwestelijke richting via het Zwin in de Noordzee. De Lieve dwarste de waterscheiding tussen de kuststreek en het Scheldebekken ter hoogte van Raverschoot op de dekzandrug Oudenburg-Maldegem-Eeklo-Stekene (30). Vanaf Raverschoot lag het moeilijkste stuk van heel het tracé: waar de Lieve afdaalde naar de polders moesten zes rabotten het water tot op een bevaarbaar peil ophouden. Rabotten zijn keersluizen met één deur. Als een schip door wou, wond de rabothouder de hefdeur op. Daarbij stroomde water naar het lagere kanaalpand. Om de waterdruk op de deur te beperken en het schip in de stroming niet te laten kantelen, beperkte men het hoogteverschil per rabot tot 50 cm en plaatste men indien nodig meerdere rabotten na elkaar. Bij de afdaling naar de 2 m lager gelegen polders plaatste men in 1269 over 4,7 km een reeks van 6 rabotten. De Lieve had toen in totaal 11 rabotten (31). Gent heeft vandaag nog een rabot; Damme heeft een Rabattestraat. Het Damse Lieverabot heette 'de Gentsche speye'.

Totstandkoming van de brede Lievebermen Gent moet de strook in één keer verworven hebben aangezien ze bijna overal even breed was en de strook rechte perceelgrenzen had. Logischer wijze gebeurde dat bij aanleg van de Lieve of kort nadien. Volgens de bronnen werd de Lieve in het Brugse Vrije gedolven tussen 1262 en 1286. In Damme startten de graafwerken, kort vóór of in 1262, want toen kregen de eigenaars van de gronden waar de Lieve werd gedolven veertien dagen de tijd om hun bezwaren in te dienen bij een geschillencommissie (32). Op 13 juli 1286 sprak de Vierschaar van het Brugse Vrije een vonnis uit waarbij ze Gent beval een afwateringskanaal te graven van Maldegem tot Damme (33). Aangezien dit kanaal, de Hoge

De klachtenbank geeft blijk van het verzet tegen de Lieve(bermen) in het Brugse Vrije. Ondanks alle protest ging de koop altijd door, want de Gentsche baermen vormden één aaneengesloten strook. Wellicht kwam het meer dan eens neer op een gedwongen verkoop, waarbij Gent zwaaide met de acte van 1251 waarin de gravin haar fiat gaf. We kunnen dus spreken van een onteigening en wel van een massale onteigening: 177 ha! Dat er tijdens de aanleg van de Lieve groot ongenoegen heerste in Damme blijkt niet enkel uit de klachtenbank, maar ook uit de grafelijke schenking van grond aan Damme in 1272. Margareta, gravin van Vlaanderen deed dat omdat "onze goede vrienden, nl. de schepenen en de gemeenschap van onze stad Damme, last en nadeel ondervonden hebben van onzentwege en vanwege onze mannen, en dat we wensen hen daarin te vergoeden" (34). De grafelijke schenking van 1272 was geen alleenstaand geval. Gravin Margareta schonk Damme al een molen en grond in 1267 en een waterleiding vanuit haar kasteel van Male in 1269. Wij signaleren hier alleen dat deze grafelijke schenkingen en het lokale ongenoegen, plaats vonden tijdens de aanleg van de Gentse Leie. Nader onderzoek moet aantonen of er effectief een verband is, m.a.w. of deze vergoedingen kunnen gezien worden als 'compensaties' voor de Lieve en het feit dat Gent zich toegang verschafte tot de haven van haar aartsrivaal Brugge.

V Z W (www.lukasweb.be) Hugo Maertens)

Reden van de brede Lievebermen Gent onteigende dus 177 ha in de vorm van een strook van 77 m breed. Naar de reden waarom hebben we het raden. Politieke factoren zijn niet uitgesloten aangezien Gent in de Oudburg nergens en in het Brugse Vrije bijna overal (91 %) brede Lievebermen bezat. In die zin is het merkwaardig dat er in 1251 geen sprake was van een brede onteigeningsstrook, enkel van kanaal en trekweg. Aardenburg ging in het Brugse Vrije en Gent in de Oudburg de Lieve aanleggen en uitbaten. Pas vanaf 1262, als Gent zich buiten haar invloedssfeer begaf en in het Brugse Vrije begon te delven, daagde de brede onteigeningsstrook op (35). Een politieke begrenzing kan duiden op een politieke reden: wilde Gent door een indrukwekkend stuk grond op te kopen haar macht tentoonspreiden in het Brugse Vrije? Of was het juist omgekeerd en eiste het Brugse Vrije dat als Gent een kanaal wou, ze een breed stuk grond moest kopen? Wat Gent tot ieders verbazing nog deed ook?

M&L I 23


WN^V

F-fZ*

X,

'

. • • •

••

. • . •

Vi-'

^^KÊÊp*^

\\ ^ ^ ^ ;

'h #'-*

Il '^JL

;

> • '

^fWi

ft hi

!

*Wt


Een machtsfactor kan gespeeld hebben, maar er moet ook een praktische reden geweest zijn waarom Gent een strook van 77 m opkocht of daartoe gedwongen werd. In de 18de eeuw zou de verkoop van de talrijke bomen op de Gentsche erve ofte baermen de stadskas spijzen. Die inkomsten kunnen evenwel niet verklaren waarom Gent vijf eeuwen eerder tien maal meer grond kocht dan strikt nodig. Mogelijk kocht Gent een brede berm om het onderhoud van het kanaal over te kunnen laten aan lokale pachters. Uit latere documenten blijkt dat de Lievebermen waren opgedeeld in percelen en dat de pachters verplicht waren om op hun stuk de Lievetrekweg, de oever en de helft van het kanaal te onderhouden. De Gentse schepenen bepaalden in 1323 dat Annekin Bodemanskint voor zijn hofstede op de Lievebermen ook verantwoordelijk was voor "den waterganc ten halven hodeme vander Lieve, dewelke hi houden moet souffisantelick op sijne oosten" (36). Jaarlijks moesten de oeverplanten uitgetrokken worden om verlanding tegen te gaan. Dat rijten was enkel lonend als het perceel voldoende opbracht als hooi- en graasland. Pachten was dus enkel rendabel als de breedte van de bermen in verhouding stond tot de lengte van de Lieve die jaarlijks moest gerijt worden. Als dat de reden was van die grote onteigeningen, dan getuigt dat wel van goed bestuur door de Gentse schepenen, maar verklaart nog niet waarom ze dat wel in het Brugse Vrije en niet in de Oudburg toepaste. Het lijkt er dan ook eerder op dat het Brugse Vrije Gent gedwongen heeft om de brede strook op te kopen. Het Brugse Vrije kan geëist hebben de Lieve in een eigen Gentse brede strook aan te leggen uit voorzorg tegen overstromingen, om Gent met eigen grond zeer stevige Lievedijken te doen bouwen.

De Lievedijken waren zo breed als de Lievebermen Weinig documenten bevatten concrete gegevens over het reliëf van de Lievebermen, maar dat er althans in het Brugse Vrije - dijken langs de Lieve lagen, getuigen de vele documenten uit de 17de en 18de eeuw waarin het Brugse Vrije bij Gent aan-

drong om haar kanaal en dijken te onderhouden. Nu de Lieve niet meer diende voor internationaal en regionaal transport, maar enkel nog voor heel lokaal vervoer, onderhield Gent enkel nog het stuk in de Oudburg, de zogenaamde Opperlieve, en verwaarloosde ze de Nederlieve, waaraan ze zelf niets verdiende (37). Concrete gegevens over profiel, hoogte en breedte van die dijken kennen we enkel uit een doorsnede van de Lievebermen tussen de bruggen van Moerkerke en van Leeskens, op de grens met Maldegem. Landmeter Jan D'Herbe maakte ze in december 1730 in opdracht van het Brugse Vrije (38). Na herhaalde aanmaningen van het Brugse Vrije en de hogere overheid had Gent in juni 1730 de Nederlieve uitgebaggerd en een vaargeul aangelegd tussen twee dijkjes. Die zomer kon weerom gevaren worden, maar 's winters overstroomden de dijkjes omdat ze niet met stevige kleiaarde, maar met opgebaggerd slib waren opgehoogd. Ze lekten zo erg dat de hele strook van 77 m breed blank stond; meer zelfs, de gracht die de Gentsche erve, scheidde van de aangrenzende percelen dreigde te overstromen (39). Landmeter Jan D'Herbe boog zich in opdracht van het Brugse Vrije over het probleem. Hij had geen vertrouwen in de nieuwe smalle dijkjes en stelde voor de noordelijke oude dijk te verhogen van 2,3 m tot 2,5 m boven het maaiveld van de aangelanden, t'opperste van t'saijlandt. In 1730 dienden de dijken tegen overstromingen vanuit het binnenland, 's Winters kwamen de ahondante vrimde wateren van de helling van de dekzandrug Maldegem-Eeklo. Ze overstroomden de polders als gevolg van de verwaarlozing van dijken van de Lieve en meer bepaald van de Nederlieve sinds bouw van de stenen heer. In 1666 had Gent de reeks rabotten, die het water op de helling ophielden vervangen door één sluis met saskom ter hoogte van Balgerhoeke, maar al in 1682 was die vervangen door een vaste stuw die de Lieve opdeelde in Opper- en Nederlieve (40). De bedoeling was het oostelijke deel, de zogenaamde Opper- of Hogelieve, op een bevaarbaar peil te houden door waterverlies richting kustvlakte te voorkomen. Daardoor was er ten westen van de

Deze zeldzame doorsnede van de Lievebermen tussen Moerkerke- en Leest)esbrug uit 1730 toont hoe de dijken de hele breedte beslaan (© Rijksarchief Brugge)

<• 1

,.->f JS-*^ - 1 - fl. *• V itó"» r*

'^1

Ai

-iiir—i-

.'• "öfi-^Jvn!

\A+.TO

J3

~> 1 J.i>_ .O» o - i ,

££?

-Ui ,

F

cc

s t^yfi"^,

^-•-.•-««.-JS. n

:-y>.-f.^^ynr^.

,1 „,,:.,,,. .,,..-1*- E C f i T Ü - i — -

f'.

-2. 7an3^^r

M&LI 25


stuw nog amper water en groeide de Lieve dicht. Als het water 's winters over de stenen beer stroomde kon de verlande Nederlieve de watermassa niet aan en overstroomden de verwaarloosde dijken. Bij de aanleg van de Lieve in de 13de eeuw functioneerde de rabottenreeks ,voor zover we weten, naar behoren en was er geen overstromingsgevaar vanuit het binnenland. Vanuit zee daarentegen was de dreiging reëel. Logischerwijze eiste het Brugse Vrije dat de Lievedijken even hoog waren als de dijken langs het Zwin en dus hoger dan hoogtij. Hoogtij komt nu op circa 5 m TAW en Damme lag/ligt grotendeels lager dan 3 m TAW. Zelfs rekening houdend met de zeespiegel die in de 13de eeuw meer dan een meter lager lag, waren enkel dijken van meer dan een meter hoog betstand tegen springtij. Ze waren nog hoger aangezien de Lieve geen ingegraven kanaal, maar een kanaal in ophoging was. De bodem van de Lieve lag hoger dan het maaiveld. Dat zou later een militaire troef of zwakte blijken: voor een inundatie van de omgeving volstond "het duersnyden vande haermen vande selve Lieve" want "de leghe landen inde prochyen van Sint Cathelyne buyten Damme, Moerkercke, Middelburgh ende Maldeghem" waren "voor den meerderen deel veele legher ghelegen ... als den grondt ofte bodem van de voorschrevene Lieve"^!). De doorsnede van 1730 bevestigt de hoge Lievedijken: het winterwaterpeil lag meer dan 2,30 m boven het maaiveld en vóór de uitdieping in de zomer van 1730 lag de bodem boven "t'opperste van t'saaylandt". Als de Lieve in 1730 een kanaal in ophoging was, dan was ze in de 13de eeuw evenmin ingegraven. Bij de aanleg van het kanaal in ophoging moest alle aarde voor de

Vanop de dijk van het Schipdonkkanaal is de Lieve te herkennen aan de rietkraag. De linkerberm is intact, maar de rechterberm is

afgevlakt (foto O. Pauwels)

26 I M

L

dijken aangevoerd worden. Bij voorkeur werd ondoorlaatbare klei gebruikt. Klei kon in de nabijheid ontgonnen worden, want in het Brugse Vrije liep de Lieve in het overgangsgebied naar de polders, waar boven de zandgrond een vruchtbare kleilaag lag. Om een kanaal in ophoging met twee dijken boven het niveau van hoogtij aan te leggen was wel veel klei nodig: 15 m' klei per meter dijk (42). Dat Gent voor haar kanaal van 5 m breed een strook van 77 m opkocht kan dan ook verklaard worden doordat het Brugse Vrije hoge dijken eiste en Gent de klei die ze daarvoor nodig had ter plaatse kocht. Dat verklaart evenwel nog niet waarom Gent niet enkel de klei kocht, maar ook de grond zelf. De ultieme verklaring voor de brede Lievebermen zit wellicht in de vorm van de dijken. Uit de doorsnede van 1730 blijkt dat de oude dijken opvallend breed waren: de binnentaluds vatten met een zeer flauwe helling aan op de perceelgrens van de Gentsche erve. In 1730 waren beide Lievedijken samen dus even breed als de strook van de Lievebermen. Er is geen reden om aan te nemen dat er sinds de aanleg van de Lieve veel gewijzigd werd aan de helling van het binnentalud van de dijken. Onderhoudswerken zullen zich immers enkel aan het buitentalud, de helling van de dijk waar het kanaal tegenaan stroomt, hebben voorgedaan. Die zijn sterk afgekalfd. De helling van het binnentalud van de dijken lijkt daarentegen intact. Dat de helling zo flauw is, amper 9 % op de zuidoever, kan er op wijzen dat men in de 13de eeuw het schuiven van de dijk wou voorkomen door het vrij steile talud aan de zijde van de Lieve te steunen door middel van een zeer flauwe helling aan de andere kant van de dijk.


Tracé van de Lieve van Gent (i) tot Damme (2) in 1269: aangeduid op een huidige kaart

Tracé van het Leopoldkanaal van Boekhoute (3) tot Heist (4); in 1848 wordt de Lieve over een afstand van 5 km gevolgd, van Stroobrugge (Maldegem) (5) tot Raepschot (Moerkerke) (5)

Tracé van het Schipdonkkanaal van Deinze (7) naar Heist (4); in 1856 wordt de Lieve over een

Dat de Lievedijken de volledige breedte van de Lievebermen bestreken, wordt bevestigd door de Lievebermrelicten. In Damme en Moerkerke zijn de Lievebermen goed bewaard. Op reliëfkaarten die gebruik maken van het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHM) vormen de hogere bermen een vrijwel ononderbroken lijnrelict van 6 km lang en 77 m breed (43). Slechts op enkele plaatsen in Damme zijn de Lievedijken deels verdwenen. Als we de doorsnede van 1730 vergelijken met de huidige situatie ten oosten van Moerkerkebrug dan blijkt dat nabij het Schipdonkkanaal de zuidelijke Lieveberm nog redelijk bewaard is, maar dat de noordelijke Lieveberm, die in 1730 de meeste problemen vertoonde, volledig afgevlakt is. Vanop de dijk van het Schipdonkkanaal is het verschil tussen beide Lieveoevers goed zichtbaar. Van het Lievekanaal zelf rest er slechts een smalle rietkraag. Ten noorden daarvan is er geen reliëf, maar ten zuiden is de dijk goed te herkennen in de brede rug tussen het voormalige scheepvaartkanaal en het afwateringskanaal de Hoge Watering, die in 1286 werd gedolven en nog steeds functioneert. Nader onderzoek kan uitwijzen hoe de noordelijke berm is verdwenen, of hij verder weggespoeld is door overstromingen of is weggegraven. Relevanter is evenwel de nog bewaarde zuidelijke dijk te onderzoeken op materiaal en constructie en vooral tegen afgraving te beschermen (44). Dit is immers een relict van een dijk of berm die 750 jaar geleden werd aangelegd.

Het is een hardnekkig misverstand dat enkel het Schipdonkkanaal gebruik heeft gemaakt van de Lieve (46). Over een - weliswaar beperkt - deel van 5 km had het Leopoldkanaal al eerder de Lievebermen gebruikt. Kaarten van Moerkerke en Maldegem, gemaakt tussen 1848 en i860, tonen het reeds gedolven Leopoldkanaal en het ontwerp van het Schiponkkanaal. Een vergelijking met kadastrale plannen bewijst dat het Leopoldkanaal daar al de Lievebermen had gebruikt en het Schipdonkkanaal niet binnen de strook van 77 m, maar ten zuiden ervan gelegd werd (47).

afstand van 12 km gevolgd, van Stoktevijver (Zomergem) (8) tot Stroobrugge (Maldegem) (5) waarna het kanaal parallel loopt met het Leopoldkanaal tot Heist { © C. Terryn, 2015)

De Lieverelicten in Damme West-Vlaanderen telt met betrekking tot de Lieve amper twee beschermde monumenten: het Sas van de Lieve en de Kazemat. Er is nochtans veel meer van bewaard. Zelfs van het Lievekanaal rest meer dan gedacht. Na de aanleg van het Leopoldkanaal groeide het kanaal, dat volgens de Buurtwegenatlasssen van Moerkerke en Damme in 1845 nog 8 m breed was, langzaam dicht tot een gracht waar enkel 's winters water in staat (48). Toch is nog zo'n 85% van de 6 km kanaal een open gracht. Midden 19de eeuw werd het kanaal slechts heel lokaal gedempt; enkel ter hoogte van de 3 voormalige bruggen (49) en aan het conduit (50). Verder werd ze met rust gelaten, behalve in Damme, waar een stuk van 700 m lang verdween toen tussen 1952 en 1966 noord- en zuidoever

Dit detail van een kaart uit 1857 toont dat in 1847-1848 het Leopoldkanaal gebruik gemaakt heeft van de Lieve in het oosten van Moerkerke. Links van het Leopoldkanaal is een nieuw kanaal, het Schipdonkkanaal ontworpen

De Lievebermen bestaan enkel nog in Damme

( © Rijksarchief Bruggej

De Lievebermen waren 23 km lang, maar daarvan is slechts 6 km bewaard gebleven, want de rest verdween bij de aanleg van twee afwateringskanalen. In 1847-48 werd de 5 km Lieve tussen Raapschot (in Moerkerke) en Stroobrugge (in Maldegem) gebruikt voor het Leopoldkanaal en vervolgens werd in 1854-56 de Lieve tussen Stroobrugge en Stoktevijver (in Zomergem) over ca. 12 km verbreed voor het Schipdonkkanaal (45)-

1VI&L I 27


Sas van de Lieve in Damme,

Kazemat van de Lieve in Damme

gebruikt van 1616 tot i 5 6 o

(foto O. Pauwels)

(foto O. Pauwels)

werden samengevoegd tot één groot landbouwperceel (51). Afgezien van deze onderbreking vormt het kanaal een bijna doorlopend lijnrelict. In Damme staat de Lieve in het kadaster ingeschreven als een waterloop van 8 m breed, maar in de werkelijkheid is het perceel met de droge gracht nog amper 2 m breed (52). De Lievejaagpaden vormen een ander lijnrelict. Ze werden in 1845 als voetweg in de Buurtwegenatlas opgenomen en zijn nu deels als geasfalteerde openbare weg in gebruik (53). Gezien hun statuut als voetweg kunnen de overige stukken als onverharde trage weg heropend worden om het Lieve-erfgoed te ontsluiten. Een recreatieve ontsluiting als fietspad zou de best bewaarde lijnrelicten van de Lieve, de bermen en dijken, ten goede komen. Los daarvan moeten de Lievebermen beschermd worden, want het zijn unieke getuigen - enkel in Damme bewaard - van een zeer vroege (13de eeuw!) en zeer grote onteigening: 177 ha. Én van reusachtige infrastructuurwerken: de Lieve was een smal kanaal van 5 m breed, maar werd in het Brugse Vrije geflankeerd door twee zeer brede bermen. Nader onderzoek moet uitwijzen of de hypothese standhoudt dat het Brugse Vrije Gent verplichtte

om een strook van 77 m op te kopen om langs de Gentsche Leye zeer hoge en brede dijken op te werpen. Dit artikel wil dan ook slechts een aanzet zijn tot een verbreding en uitdieping van de studie en bescherming van de Lievebermen.

Caroline Terryn is licentiate Geschiedenis en voorzitter van Erfgoed Damme vzw.

Eindnoten (1)

ANDRIES A., De Lieve tscoenste juweel dat de stede heeft. Wondelgem, 2008. {2) DEBBAUT R. vermeldt wel het verpachten van de Lievebermen, maar gaat ervan uit dat die zich over "een lengte van meer dan 40 km" uitstrekten en laat zich niet uit over de breedte van de bermen. DEBBAUT R.. De Lieve en het platteland in ANDRIES A., De Lieve tscoenste juweel dat de stede heeft. Wondelgem, 2008, p. 153. (3) Gent. Universiteitsbibliotheek, kaart nr. 1149 (Inventarisnr. 215) BUCK J.D., Chaerte ende descriptie figurative van alle de gronden van eerjven compiterende der stede van Ghendt gheleghen up beede de syden vander Lieve. 1612. (4) Gent, Stadsarchief: reeks 529/7 Kaartboek van de Lieve, ongedateerd [1612]. Bij deze kaarten, die ingebonden werden in 1855. hoort een register: Gent, Stadsarchief: reeks 529/4. Zie TERRYN C , De Gentse Lieve-atlas als bron voor de studie van de Lievebermen in Damme in Rond de poldertorens, jg. 55. 2014. nr. 1. (5) Het gaat om 110 percelen in 1612 en 170 percelen ca. 1690.

De Lieve ten oosten van

De Lieve ten oosten van

Moerkerke, winterbeeld 2010

Moerkerke, zomerbeeld 2015

(foto M. Van den Broeck)

(foto O. Pauwels)


(6|

(7) (8)

(9) (10) (n) (12)

(13) (14) (15) (16) (17) (18)

(19)

Gent, Stadsarchief: 98/11 'Lieve-atlas', [ca. 1690]. Ook de kladversie voor dit landboek is bewaard: Gent, Stadsarchief: AG L 165/13. Gent, Universiteitsbibliotheek, kaart nr. 1149, zie 1. De Rovoordegracht werd ook Roogracht of Roovoort genoemd. Noch de Vlaamse Hydrografische Atlas, noch de topografische kaarten sinds 1880 vermelden een waterloop met die namen. Eén km ten zuiden van Raverschootbrug mondt de waterloop met provinciaal nummer 0440 uit in het Schipdonkkanaal. Met dank aan Mathias Vanden Bulcke, Bekkensecretariaat Brugse Polders, Vlaamse Milieumaatschappij. 1 Gentse roede = 14 voeten van 27.53cm =3,84m; 20 roeden =76,8m. Een gemiddelde van 77 m breed op een lengte van 23 km geeft een oppervlakte van 177 ha. Gent, Stadsarchief: reeks 146. verkoop van stadsgoederen, 1780-1788. Van de Kaart van de Lieve van 1717 bestaan 2 versies: Gent, Stadsarchief, Atlas Goeghebuer. Lade 171, nr 56 [zonder legenda] en Gent. Rijksarchief, Kaarten en Plans, 1247 [met legenda]. Buurtwegenatlassen West-Vlaanderen: www. West-vlaanderen.be/kwaliteit/Leefomgeving/mobiliteit/tragewegen Buurtwegenatlassen Oost-Vlaanderen. www.gisoost.be/ATLASBW BOES J., De Lieve, eerste kunstmatige verbinding tusschen Gent en de zee. Gent, 1929, p. 62. Ibidem, p. 14. Ibidem, p. 62. Zware misdrijven als moord vielen wel onder de bevoegdheid van de lokale rechtspraak, net als lichtere misdrijven gepleegd buiten het kanaal en jaagpaden, maar op de Lievebermen. TERRYN C., Ketsbermwegel was de naam van de Lievejaagpaden in Moerkerke in Erfgoedblad Damme, jg. 13, 2012, nr. 3, p.

73(20) 'et in utroque latere ipsius per quator pedes', Stadsarchief Gent, charter nr. 67, zie BOES ]., op.cit.. p. 62. (21) DECAVELE J., Gent op de wateren en naar de zee, Antwerpen, 1976, p. 141 en 157. (22) RIJKSWATERSTAAT, A brief History of Navigation and Waterways. The development of the waterway infrastructure in the Neterlands, 2011, p. II. (23) De Lieveschepen mochten volgens i5de-eeuwse reglementen niet breder zijn dan 2,3 m en niet langer dan 5 m: de diepgang was beperkt tot 90 cm. DECAVELE J.. Gent op de wateren en naar de zee, Antwerpen, 1976, p. 39. (24) Costumen van Oudenaarde 1619, geciteerd in lemma ketsen op http://www.inl.nl/. (25) VAN DEN KERKHOVE A., Een trekschuit voor koningen. De barge tussen Gent en Brugge, Gent, 1993, p. 38 en p. 102. (26) De Lieveschepen mochten volgens I5de-eeuwse reglementen niet langer zijn dan 5 m; de diepgang was beperkt tot 90 cm. DECAVELE ]., Gent op de wateren en naarde zee, Antwerpen, 1976, p. 39. (27) Ibidem. (28) Die 2 km op grondgebied Brugse Vrije zonder onteigeningsstrook kan mogelijk verklaard worden doordat de Lieve daar de bedding volgde van de Wagemakersbeek, die de grens vormde tussen Oudburg en Brugse Vrije. NOTTEBOOM H., Het ontstaan van de lieve in ANDRIES A., De Lieve tscoenste juweel dat de stede heeft, Wondelgem, 2008, p. 16. (29) Volgens Maurits Gysseling (1954) is de naam Lieve een fonetische variant van Leie. De Lieve is blijkbaar de naam geweest van de westelijke bocht van de buitenste Oude Leie en werd door de Gentenaars uitgebreid tot het gehele kanaal. Met dank aan Frank Gelaude. (30) Met dank aan Mathias Vanden Bulcke, Bekkensecretariaat Brugse Polders, Vlaamse Milieumaatschappij. (31) Raverschoot-, Blaks-, Doornkens-, Balgerhoeke-, Steenkensen Celierabot. Lijst op basis van Gent, Stadsarchief: 93 bis/5, het Transportboek. Wellicht was er in 1269 ook bij Celie een rabot want het Transportboek uit begin 15de eeuw meldt "hauden rabotte te celyen" en "houden rabotte te celie". Met dank aan Jan Hutsebaut. (32) BOES J., op.cit., p. 14. (33) DE SMET J., Afwateringsprobleem ten Oosten van Brugge van 110 tot 1850 in Rond de poldertorens. 1978, p. 106 e.v. (34) "en nom de restitucion de gravance et des opressions qu'il ont eues et soujfertes pour l 'ocquoison de nous et des nostres" werd door Coornaert vertaald in COORNAERT M., De watermolen en de havenkille van Damme in Rond de poldertorens, 1990, p. 103. (35) BOES J., op.cit., p. 14. (36) NOTTEBOOM H., Het ontstaan van de Lieve in ANDRIES A.,

De Lieve tscoenste juweel dat de stede heeft, Wondelgem, 2008, p. 21. (37) DEBBAUT R., De Lieve en het platteland in ANDRIES A., op.cit., p. r6o en Brugge. Rijksarchief: Bundels Brugse Vrije (TBO 142). 658, dossier i.v.m. de Lieve, 1726-1730. (38) Brugge, Rijksarchief: Bundels Brugse Vrije (TBO 142), 658, dossier i.v.m. de Lieve, 1726-1730. (39) TERRYN C . Als de abondante vrimde wateren afcomen. De doorsnede van de Lievebermen tussen Leestjes en Moerkerkebrug tijdens de overstroming van 1730 in Erfgoedblad Damme, jg. 13, 2014, nr. 3, p. 76. (40) In 1666-1667 kende de Lieve een korte heropbloei omdat ze tijdelijk als omleiding werd gebruikt tijdens werken aan de Brugse Vaart. Dat kanaal was echter berekend op grotere binnenschepen, zodat de Lieve moest worden aangepast. Over de hele lijn werd ze verbreed van 5 naar 8 m. De rabottenreeks ter hoogte van de afdaling naar de polders werd door één moderne sluis vervangen. BOES J., op.cit.. p. 48; DE KEYSER A., De sluis op het Zwin of Zoute Vaart in Rond de Poldertorens. 1995, nr. 4. p. 119. (41) Gent, Stadsarchief: AG lade 175, 49, Carte figurative inhoudende de gheleghentheyt ende situatie der stede ende forticatie van Damme, 1660. (42) Ir. Fernand Sabbe berekende dat 15 m ' kleiaarde per meter nodig is voor een dijk van 8 m breed aan de voet, een heling van 45% en een platte kruin van 2 m breedte op 3 m hoogte. Bij een bodemlaag van 50 cm klei is voor elke dijk een strook van 30 m breed nodig. (43) Het DHM is een gedetailleerd hoogtebestand dat bekomen werd d.m.v. een laserscanner aan boord van een vliegtuig, meer info op: www.agiv.be/gis/projecten. (44) Onderzoek zou kunnen uitwijzen waaruit de middeleeuwse dijk was opgebouwd: mogelijk kan er ook gebruik gemaakt zijn van rijshout en zijn daar sporen van te vinden of kan men de herkomst van de grond achterhalen. Tussen de Conduitput en de Zuiddijk in Damme is er alvast een verschil tussen de kleigrond van de Lievebermen en de meer zandige grond van de omgeving. Mededeling Michel Van den Broeck. (45) Het Leopoldkanaal is het afwateringskanaal voor de polders van Oost- en West-Vlaanderen. Het Schipdonkkanaal heet ook Afleidingskanaal van de Leie omdat het een deel van het Leiewater afleidt naar zee en zo Gent van overstromingen spaart. Het Leiewater stonk zo naar het roten van het vlas dat het Afleidingskanaal van de Leie de bijnaam Stinker kreeg en haar parallelle kanaal de Blinker. Het duo Blinker en Stinker lopen 20 km naast elkaar naar zee. (46) De vakliteratuur - van Boes tot De Lieve tscoenste juweel... vermeldt slechts het Schipdonkkanaal. maar dat geldt enkel voor het stuk van Stroobrugge tot Stoktevijver. (47) TERRYN C , De Lievebermen van Leestjesbrug naar Raepschot en de 'exacte' ligging van het Leopoldkanaal t.o.v. de Lieve in Erfgoedblad Damme, jg. 14, 2013, nr. 4, p. 99. (48) Op twee plaatsen staat de Lieve nooit droog: in Damme: 100 m vertrekkend vanaf de aansluiting op de voormalige buitengracht; daar is ze ca. 2m breed; in Moerkerke: de 330 m tussen Moerkerkebrug en de Vissersstraat met een breedte van ca. 1 m. (49) De brug in Moerkerke werd gesloopt in 1851 bij de aanleg van de steenweg van Sint-Kruis naar Middelburg. Brugge, Rijksarchief: Watering Moerkerke Zuid over de Lieve, nr. 236, aanbesteding 1849, uitvoering 1851. De Hoge Brug in Damme verdween bij de heraanleg van de Oude Sluissedijk. Brugge, Kadasterarchief, Damme, Oude Sluissedijk, mutatieschets 1866. De Ketsberm- of Westleiebrug onderging toen hetzelfde lot. (50) Het conduit was een sifon onder de Lieve waarlangs de polders ten zuiden van de Lieve vanaf 1376 noordwaarts afwaterden. In de 18de eeuw werd de houten buis onder de Lieve vervangen door een stenen duiker met twee kokers. Die werd in 1872 gesloopt en de Lieve ter plaatse gedempt. (51) Brussel, Nationaal Geografisch Instituut, Luchtfoto's, reeks F13 B3 52, foto 036 (1952) en reeks F13 B4b 66, foto 1109 (1966). Met dank aan drs. Jan Trachet. (52) Tussen de Conduitput en de Zuiddijk in Damme draagt de Lieve het nummer 240 en staat genoteerd als water. Parallel ermee loopt nr. 239; volgens het igde-eeuwse register van het kadaster was het 'dijk alsnu weiland'. Beide percelen waren van de Wateringen en zijn nu van de Oostkustpolder. In buurgemeente Moerkerke staat de Lieve niet meer op het kadasterplan sinds de mutatie van 1876. TERRYN C , De Lieve werd in Moerkerke al eerder van de kaart geveegd door kadastermutatie van 1876 in Erfgoedblad Damme, jg. 13. 2012, nr. 4, p. 94. (53) Vier van de zes km Lievejaagpad werd geasfalteerd; meestal het jaagpad zelf, soms een parallelle weg op de perceelgrens van de Lievebermen.


Bouwgeschiedenis en restauratie van het Leuvense jezuïetencollege, later het Veteranencollege ieter Nuytten

De historische binnenstad van Leuven herbergt tot vandaag nog tal van oude collegegebouwen (i). Zoals in vele historische steden in de vroegere katholieke Zuidelijke Nederlanden, hoorde hier ook ooit een jezuïetencollege bij. De gebouwen van dit voormalige college, later ook in gebruik als Veteranencollege of Collegium

Veteranorum,

vormen het onderwerp van voorliggende bijdrage (2). Dit college maakt samen met het Pauscollege en het MariaTheresiacollege deel uit van een groter historisch geheel gelegen aan de Sint-Michielsstraat en het Hogeschoolplein (3). Het volledige complex werd beschermd als m o n u m e n t

De drie voormelde colleges zijn op historisch, architecturaal en functioneel vlak bijzonder nauw met elkaar verweven. Ze kenden een ingewikkelde en boeiende geschiedenis met vele onderlinge raakpunten, die plaats vond in de bredere context van opeenvolgende maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. Hun gezamenlijke geschiedenis wordt gekenmerkt door de vele bestemmingswijzigingen die de gebouwen in de loop van hun geschiedenis ondergingen. Het volledige gebied is sinds de Franse Revolutie eigendom van de stad Leuven maar is voor lange tijd in erfpacht gegeven aan de Katholieke Universiteit, die sinds midden vorige eeuw ook instaat voor het onderhoud.

op 5 januari 1973 (4). De restauratie van het hele ensemble wordt stapsgewijze voorbereid en uitgevoerd, waarbij als eerste het Veteranencollege aan bod kwam, gevolgd door de Grote Aula van het Maria-Theresiacollege. De restauraties werden respectievelijk voltooid in 2 0 0 9 en 2011. De gebruiksgeschiedenis van het Veteranencollege kenmerkt zich door achtereenvolgende herbestemmingen. Thans is het na een vakkundige grondige restauratie opnieuw door de universiteit in gebruik genomen.

Het Veteranencollege vormt bouwkundig het oudste deel van dit complex en gaat terug tot de 16de en 17de eeuw, met mogelijks zelfs nog enkele oudere bouwonderdelen. Recent werd hun volledige restauratie, waaraan een zorgvuldige voorbereiding voorafging, voltooid. Uit het vooronderzoek bleek dat de veelvuldige en vaak los van elkaar staande ingrepen uit een recent verleden, zowel aan het exterieur als in het interieur, de kwaliteit van het geheel niet altijd ten goede waren gekomen. Bij de recente restauratiecampagne werd daarom getracht om het historisch waardevolle gebouw, ooit onderdeel van het verdwenen Leuvense jezuïetencollege, een deel van zijn vroegere luister terug te geven. Het gerestaureerde gebouw werd op 1 juli 2009 plechtig ingewijd (5). Een woelige gebruiksgeschiedenis Het testament van 1523 van de enige uit de historische Nederlanden afkomstige paus, Adrianus VI (in 1459 geboren als Adriaan Floriszoon Boeyens) voorzag in de oprichting van een college ten behoeve van arme theologiestudenten (6). Aanvankelijk werd het college georganiseerd in zijn eigen woning gelegen aan de Oude MuntDe straatgevel van het Collegium Veteranorum. Toestand na de restauratiewerken (foto O. Pauwels 2012)

30 I M L


Ferrariskaart van het historische stadscentrum van Leuven op het einde van de 18de eeuw (Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden 1771-1778)

straat, maar nadien breidde het zich uit naar een aantal nabijgelegen panden binnen het huizenblok. In 1595 vestigde de jezuïetenorde zich in hetzelfde huizenblok en verwierf een aantal panden dat zij geleidelijk aan omvormden tot kloostercomplex, waarin ook een college werd georganiseerd. Gedurende geruime tijd bleven beide colleges naast elkaar bestaan, maar na de ontbinding van de jezuïetenorde in 1773 werden hun gebouwen toegevoegd aan het Theologie- of Pauscollege. Het door paus Adrianus gestichte college was inmiddels uitgegroeid tot één van de meest welvarende in Leuven wat ertoe leidde dat in de periode tussen 1775 en 1778 de bestaande gebouwen werden vervangen door een monumentaal nieuw complex. Tijdens die grootschalige vernieuwbouwcampagne verbleven de studenten van het college in de gebouwen van de verdreven jezuïeten. Toen die gebouwen in 1778 opnieuw vrijkwamen, boden zij voortaan onderdak aan de ouderejaarsstudenten in de theologie die tot priester waren gewijd en hun baccalaureaat hadden behaald. Zij konden hun pastorale taken uitvoeren in de Sint-Michielskerk en zich voorbereiden op hun latere taak in de zielenzorg (7). Hiertoe stichtte keizerin Maria Theresia op vraag van de Theologische Faculteit in 1778 het zogeheten Collegium Veteranorum, dat echter geen lang leven zou zijn beschoren (8). Eind 1786 schafte keizer Jozef II in het kader van zijn hervormingen verschillende universitaire colleges af, zoals onder meer het Pauscollege en het Veteranencollege. De gebouwen van beide colleges, samen met deze van het College De Bay en het College Van Winckele, werden samengevoegd tot één groot SeminarieGeneraal dat instond voor één geüniformiseerde opleiding van de volledige clerus. Ook deze instelling was geen lang bestaan beschoren: na de officiële inhuldiging van het Seminarie-Generaal op 1 december 1786 werd het op 20 november 1789 alweer afgeschaft (9).

Nog tijdens de Franse Revolutie werden de colleges hersteld maar uiteindelijk sloten alle colleges op

8 november 1797 officieel als gevolg van de opheffing van de Oude Universiteit op 25 oktober van dat jaar (10). In de daaropvolgende periode dienden de gebouwen van het voormalige Seminarie-Generaal als bijhuis van het Hotel des Invalides in Parijs (1801-1804) voor het herbergen van oud-soldaten, waarbij het Veteranorum zelf als commandantswoning werd gebruikt (n). In 1810 verwierf de stad Leuven alle gebouwen van dit Succursale des Invalides en bij de oprichting van de nieuwe Rijksuniversiteit der Verenigde Nederlanden in 1817 door koning Willem I, werden de overblijvende gebouwen hiertoe ter beschikking gesteld: het Veteranorum diende als laboratorium voor de opleiding chemie (12). Aansluitend op de

Detail uit de Ferrariskaart. Centraal de Sint-Michielskerk met rechts daarachter het voormalige Jezuïetencollege. Het huidige Maria-Theresiacollege en Pauscollege zijn nog niet gebouwd

1VI&L I 31


De Sint-Michielsstraat met links de straatgevel van het voormalige Jezuïetencollege en de Sint-Michielskerk. De lage aanbouw tegen de kerk is vandaag verdwenen, toestand in 1914-1918 (foto KIK 619656)

De Sint-Michielsstraat met links de straatgevel van het

ontbinding van het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden en de stichting van België volgde ondermeer de heroprichting van de universiteit als 'Katholieke' Universiteit op 1 december 1835. De gebouwen van het Pauscollege werden herbestemd voor de Faculteit van Letteren en Wijsbegeerte en de aanpalende vleugels met onder meer het Veteranencollege werden vanaf 1837 ingericht als pedagogie voor studenten aan de Faculteiten Wetenschappen en Geneeskunde (13). Dit gedeelte werd herbenoemd tot Maria-Theresiacollege, naar de keizerlijke stichtster van het Vetemnorum (14). Vanaf 1893 werden hier de speciale scholen van de Faculteit Wetenschappen ondergebracht, de Ecoles spéciales des Arts et Manufactures, du Génie Civil et des Mines, de voorlopers van de opleidingen Ingenieurswetenschappen (15). Vanaf 1925 verhuisden deze opleidingen geleidelijk naar de nieuwe gebouwen in het Arenbergpark, gelegen rond het gelijknamige kasteel in Heverlee dat dan net door de universiteit op de hertog van Arenberg was verworven (16).

32 I M

L

voormalige jezuïetencollege en de Sint-Michielskerk. De lage aanbouw tegen de kerk is vandaag verdwenen. Toestand 1942: de bepleistering van de lage aanbouw is intussen verwijderd (foto KIK 333521)

Jezuïetencolleges in de Zuidelijke Nederlanden

belangrijke rol in de beweging van de contrareformatie, waarbij de katholieke kerk haar gezag na een lange periode van godsdiensttwijfels (de reformatie) en -oorlogen in Europa trachtte te herstellen. Jezuïeten waren geen kloosterorde in de strikte zin van het woord en leefden niet noodzakelijk in kloosters. Zij onderscheidden zich vooral van andere orden door hun absolute gehoorzaamheid aan de paus en ze vielen niet onder het gezag van de bisschop. In 1773 werd de orde door de paus opgeheven. Tot dan hebben de jezuïeten echter een duidelijke stempel gedrukt op de samenleving van de Zuidelijke Nederlanden, die een katholiek frontgebied vormden tegen de gereformeerde Noordelijke Nederlanden. Hier zijn dan ook in de 16de en 17de eeuw veel jezuïetencolleges opgericht, meer dan in andere Europese landen.

De Sociëteit van Jezus werd in 1534 gesticht in Parijs door een groep rond de vroegere legerofficier Inigo Lopez de Loyola, beter bekend onder zijn verlatijnste naam Ignatius van Loyola, met als doel hulpverstrekking aan de zieken. De jezuïetenorde kreeg aanvankelijk veel tegenwind van de inquisitie maar verkreeg uiteindelijk in 1540 de goedkeuring van paus Paulus IIII en in 1622 werd Ignatius van Loyola zelfs heilig verklaard. De orde speelde een

Het pedagogisch werk vormde wereldwijd een van de belangrijkste sociale engagementen van de orde door de vorming van een netwerk van colleges waar jonge, militant katholieke intellectuelen werden geschoold. In 1559 werd de organisatie van het onderwijssysteem van de jezuïeten vastgelegd in het studieplan Ratio Studiorum, dat nog vele eeuwen van kracht bleef. Omdat het onderwijs kosteloos werd aangeboden, verwierf de orde een grote


maatschappelijke invloed en waren de colleges zeer populair: in elke stad van enige betekenis werd een college gesticht en in 1640 telde men in de Waalse en Vlaamse provincie van de Zuidelijke Nederlanden niet minder dan 34 colleges (17). De jezuïetenvestigingen werden niet gebouwd volgens het traditionele kloosterplan, maar hadden een eigen basistypologie: zij waren samengesteld uit drie grote componenten, zijnde het verblijfsgebouw (het huis of collegium), het onderwijsgebouw en de kerk. In het jezuïetenhuis woonden de paters en de scholastieken en werden gasten ontvangen: in tegenstelling tot vele andere orden hadden de jezuïeten geen slaapzalen of dormitoria, maar individuele kamers. De grote ruimten hier waren de refter en de recreatiezaal op het gelijkvloers niveau en de bibliotheek op de bovenverdieping, waar ook de kamers van de paters lagen. Het geheel was meestal ondergebracht in één of meerdere vleugels, al dan niet gegroepeerd rond een binnenplaats of aan een tuin. De klassen werden ondergebracht in een afzonderlijk gebouw of vleugel om de paters niet te storen. Vaak hadden ze een eigen buitenruimte of binnenplaats, samen met de ruimten van de congregaties, dit zijn de broederschappen van leken die zich onder leiding van de paters verenigden voor het gebed en maatschappelijk werk (18).

eerste was in de Nederlanden (19). Ze kwamen van de universiteit van Parijs, waar koning Frans I in 1540 had bevolen dat alle onderdanen van de Roomse Keizer Karel V het land dienden te verlaten. Aanvankelijk vestigden ze zich in een huis gelegen aan het kerkhof van de (oude) Sint-Michielskerk, maar vanaf 1549 werd hen kosteloos een huis ter beschikking gesteld in de Vanderkelenstraat, de vroegere Nieuwstraat (20). Later verhuisden ze naar gebouwen in de Backeleynestraat, nu Vital Decosterstraat, waar in 1571 ook een kleine kapel werd gebouwd (21). Het Leuvense jezuïetencollege was als universitair college verbonden aan de centrale organisatie van de universiteit, de Alma Mater (22). Er woonden jezuïetenstudenten die er hun opleiding genoten en er werd daarnaast publiek les gegeven in de filosofie en theologie (23). De relatie met de universiteit verliep eerder moeizaam en na jaren van meningsverschillen, kregen de jezuïeten in 1569 de toestemming om autonoom lessen te organiseren. Aanvankelijk was dit enkel voor jezuïeten in opleiding, maar vanaf 1570 waren de lessen ook toegankelijk voor reguliere universiteitstudenten. Vooral de cursus pastorale werking bleek bijzonder populair en werd later gevolgd door de lessen Hebreeuws en theologie. Vanaf 1593 werden ook cursussen metafysica en wiskunde georganiseerd. De meningsverschillen met de universiteit en de kerkelijke autoriteiten bleef zorgen voor een moeizaam samengaan tussen jezuïetenorde en de Leuvense universiteit. Zo werden de plannen om cursussen filosofie en om een humaniora-opleiding in te voeren door de universiteit gedwarsboomd. De lessen wiskunde werden erg gewaardeerd: de hoogstaande cursus wiskunde die vanaf 1617 door de paters Francois Aguilon en Grégoire de Saint Vincent in het

De absidiale afsluiting van de noordelijke dwarsbeuk van de Sint-Michielskerk en staatgevel van het bovendeel van het voormalige Jezuïetencollege. De vensters op de verdieping zijn dichtgemetst. Toestand 1957 (foto KIK 131663061

De voorgevel van de SintMichielskerk, de voormalige jezuïetenkerk van het in 1773 opgeheven jezuïetencollege van Leuven (foto KIK 1119654)

Herinrichting en uitbreiding van het jezuïetencollege In 1543 vestigden de eerste Spaanse jezuïeten zich in Leuven om er aan de universiteit te studeren en richtten er in 1547 het college op, dat daarmee het

M LI 33


hergebruikt en eventueel ten gevolge van de nieuwe gebruiknoden aangepast of uitgebreid. Het beschikbaar iconografisch materiaal betreft een verbouwingsplan uit 1691 en een gravure van Renier Blockhuyzen die in 1726 in Sanderus' Chorographia sacra Brahantiae werd uitgegeven (28). Daarnaast geeft de perspectivische stadskaart van Joannes Blaeu een beeld van de toestand op dat moment, al is er weinig bruikbare informatie uit af te leiden over de gebouwen op de site. Bijkomend leveren de opmetingplannen uit de periode 17731778 als de gebouwen werden herbestemd, bijkomende informatie (29). Als geschreven bron geldt de hoger aangehaalde Historia Collegii.

Gezicht op koor en noordelijke dwarsbeuk van de Sint-Michielskerk en het bovendeel van de achtergevel van het voormalige Jezuïetencollege. Toestand 1957 (foto KIK bi6S307)

Antwerpse jezuïetencollege werd ingericht, verhuisde in 1621 naar de Leuvense vestiging om later, in 1640, opnieuw naar Antwerpen te trekken (24). Het was de politiek van de orde om altijd grote, goed gelegen terreinen in het stadscentrum in te nemen, met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. In 1595 werden dan ook drie gebouwen aangekocht op de beter gelegen site aan de huidige SintMichielstraat, die in de geschreven bron Historia Collegii wordt omschreven als "lieflijk, ruim, in het midden van de stad gelegen en in de schoot van de universiteit" (25). Het was bovendien de hoogst gelegen plaats binnen het stadcentrum wat de site structureel gezond maakte zodat ze bewoond werd door rijke vooraanstaande families. Door de weliswaar moeizame maar succesvolle aankoop van aanpalende gebouwen en gronden kon het bezit vergroot worden. In 1598 werd ook het nabijgelegen Craenendonckcollege verworven en op minder dan vijfjaar tijd hadden de paters bijna het hele huizenblok in hun bezit. Ook drie grote adellijke hoven werden aangekocht: het Hof van Aarschot, het Hof van Schoonhoven en het Hof van Sestich. Het aangekocht Hof van Aarschot, voordien eigendom van de hertogin van Aarschot, werd ingericht als kerkruimte, die als dusdanig bleef dienen tot aan de bouw van de huidige grootse barokkerk van 1650 tot ongeveer 1666 (26). Over de bouwactiviteiten op de site zijn vooralsnog weinig precieze gegevens bekend (27). Verschillende van de bij aankoop van de gronden reeds bestaande gebouwen werden vermoedelijk

34 I M

L

De bouwdatum van de langs de Sint-Michielstraat gelegen vleugel is onbekend, maar gaat vermoedelijk terug op de eerdere bebouwing aanwezig op de site, te weten de voormalige huizen, delen van het Craenendonckcollege of delen van het Hof van Schoonhoven. De drie noordoostelijke traveeën zijn hierbij afkomstig van een eerdere bouwperiode dan de later opgetrokken zuidwestelijke traveeën (30). Belangrijke bouwwerken werden ondernomen aan deze vleugel in 1607. Het geheel werd later ook verbreed, zoals blijkt uit de verbouwing van de dakspanten. In 1610 is er sprake van een grote nieuwbouwvleugel die 15 kamers, een eetzaal en een ruime recreatiezaal bevatte. Dit is vermoedelijk de op de plannen van 1773-1778 getekende grote vleugel, dwars op de straatvleugel. De op de 18deeeuwse plannen aangegeven functies réfectoire, vestibule en salie a chanter of: salie de musique onderbouwen dit. Deze vleugel blijkt in zijn totaliteit bovendien ook 15 traveeën te bevatten, wat overeen komt met de vermelde 15 kamers. Tussen de grote vleugels, te weten de straatvleugel en de daarop staande dwarsvleugel, bevonden zich kleinere gebouwen die als dienstgebouwen dienden (waszaal, trapzaal, infirmerie) en teruggaan tot het oudere Hof van Schoonhoven. Ook het hier gesitueerde polygonale traptorentje, een typisch attribuut van oude voorname stadsresidenties, lijkt dit te bevestigen (31). De dwarsvleugel is vandaag verdwenen maar is afgebeeld op de gravure van Blockhuyzen. Hieruit blijkt, als de betrouwbaarheid van de weergave wordt aangenomen, dat deze eveneens twee bouwlagen telde, zoals de vandaag bewaard gebleven straatvleugel (32). In 1613 wordt melding gemaakt van een nieuwe vleugel: aan de overkant van de grote rechthoekige tuin gebouwd, langsheen de Charles De Beriotstraat, de vroegere Kattestraat. Hier werden onder meer de leslokalen ondergebracht voor de cursussen theologie en filosofie, alsook enkele nutsfuncties zoals de eigen brouwerij. Vermoedelijk betreft het hier eveneens een uitbreiding van reeds bestaande, oudere gebouwen. Bij gebrek aan verdere informatie kan.


Binnenkrant Nr. 193 Bijlage bij M & l 34/6 nov.-dec. 2015

jfje met Calvarie cht op de Eenhoorn echelen 3 Musea & Erfgoed)


heeft hiervoor 3,4 miljoen euro vrijgemaakt. De laatste uittocht

Restauratie

van het schip voor grote reparatiewerken dateert van oktober 2008. Toen moest de Mercator naar de scheepswerf, voornamelijk omwille van de herstellingen aan het achterdek, masten en tuigage. De laatste droogdokbeurt voor onderhoud aan de romp dateert echter van 2000. Toen werd het nog een uitstap naar Antwerpen, naar het droogdok van het Scheepvaart en Konstruktiebedrijf (S.K.B.). Deze twee laatste grote restaura-

PQ

Anne Dompas

tiecampagnes werden mogelijk gemaakt door onder andere tussenkomst in 2008 van het budget van de rederij dab VLOOT en in 2000 via tussenkomst van het budget van de restauratie-

DE MERCATOR IN HET DROOGDOK VOOR RESTAURATIE

premieregelgeving.

Op 29 september 2015 verliet de Mercator zijn vaste ligplaats in

stige koopvaardijofficieren uit 1932 uit de vaart genomen en

het Oostendse Mercatordok voor dringende herstellingswerken.

ingericht als museum onder het beheer van de vzw Mercator

In 1961 werd het voormalige opleidingsschip voor toekom-

Het is geleden van de restauratiecampagne van 2008-2009

(1961-2008). Deze kreeg initieel de opdracht het schip maxi-

dat hij de trossen mocht losgooien. Het 8om lange zeilschip

maal in zijn oorspronkelijke staat te bewaren, aan boord een

werd verhaald naar de Oostendse scheepswerf/nrfustn'e//e des

tentoonstelling in te richten over de geschiedenis van de Bel-

Pêcheries (IDP). Daar werd hij op het droge getrokken voor

gische zeilopleidingsschepen en het vaartuig open te stellen

onderhoudswerken aan de stalen romp. Bij deze werkzaam-

voor het publiek. Sinds 1965 ligt de Mercator bijna onafgebro-

heden horen onder andere het onderhoud van de dekken, de

ken afgemeerd in Oostende. De Mercator was oorspronkelijk

vervanging van de dekbeplanking, het nazicht van tanks en het

eigendom van de Belgische Staat. Met de regionalisering werd

vervangen van pijperij. Plaatselijk zal ook de houten interieuraf-

de Mercator in 1994 overgedragen aan het Vlaams Gewest, de

werking moeten worden gedemonteerd en hersteld.

vzw Mercator bleef de uitvoerende partner ter plaatse, eerst als erfpachter, later als vruchtgebruiker. Sinds 2008 is deze taak

De langzame doortocht door dok en haven is en blijft een blik-

door de vzw Zeilschip Mercator, onder de voogdij van de Stad

vanger. Bij elke verplaatsing vaart de Mercator zich opnieuw

Oostende, overgenomen. Deze overeenkomst met de stad

even onder de aandacht en komen de toekomst en de kosten

Oostende beklemtoonde de museale uitbating van het schip en

voor het beheer van de Mercator alweer ter sprake. De Merca-

een bestendiging van de Mercator als publiekstrekker en statig

tor is eigendom van het Vlaamse Gewest en is beschermd als

pronkstuk in het stadsbeeld.

monument. De huidige restauratieopdracht werd uitgeschreven door de rederij van overheidsvaartuigen, het Agentschap voor

Hier tegenover bestaat de feitelijke potentie om het schip

Maritieme Dienstverleningen Kust, dab VLOOT. Ben Weyts,

opnieuw in de vaart te brengen. De restauratiecampagnes

Vlaams minister bevoegd voor mobiliteit en openbare werken

van VLOOT en het dagelijks onderhoud aan boord hebben deze mogelijkheid steeds ondersteund. De bescherming als

De mastloze Mercator (Foto P. Leeuwerck)

monument bij MB van 24 september 1996 erkende de Mercator toen als maritiem erfgoed. Het werd het eerste vaartuig dat in Vlaanderen een erkenning als erfgoed kreeg, zij het via het decreet op het onroerend erfgoed. Op dat ogenblik was er geen ander instrument voorhanden om dit roerend patrimonium van algemeen belang een beschermd statuut te verlenen. Dit beschermingsbesluit gaf aan een roerend object een onroerende verankering in Oostende, de Mercatorjachthaven; specifieke erfdienstbaarheden met betrekking tot het verlaten van de ligplaats werden vastgelegd. De overweging in 2007 binnen de Vlaamse Regering om het schip definitief in Oostende in een droogdok museaal op te stellen, zette de Afdeling Varend Erfgoed van de KCML ertoe aan een omstandig negatief advies naar de toenmalige minister bevoegd voor onroerend erfgoed. Dirk Van Mechelen, uit te brengen en het standpunt voor behoud van de Mercator als drijvend en potentieel varend ambassadeur van het Vlaams Gewest te kunnen garanderen. Naar aanleiding van de beëindiging van de restauratiewerken aan de masten en de tuigage in 2008 geeft een omstandig


artikel, via het contactforum voor erfgoedverenigingen (VCM-

Rudy De Craef

contact, jaargang i5, april-mei-juni 2009) een aantal overwegingen weer in het kader van de latente discussie of de Mercator beter kan overleven als een statisch museumschip of als varend

ZIE DE MAAN SCHIJNT DOOR MECHELEN

erfgoedschip. Het artikel eindigt met de profetische woorden "wordt ongetwijfeld vervolgd...".

In 2011 kende de bevoegde minister. Geert Bourgeois, een restauratiepremie toe voor de restauratie van de Kapel van de

We zijn nu 2015. Wat als de Mercator binnen een jaar het Mer-

Heilige Geest en het Heilig Geesthuis, gelegen in de Mechelse

catordok opnieuw invaart? Komt er een nieuwe discussie over

Minderbroedersgang in de ochtendlijke schaduw van de Sint-

een al dan niet permanent statische opstelling van het schip?

Romboutskerk en in gebruik door het Mechels figurentheater

De problematiek van de kosten voor het onderhoud van de

De Maan. Voor deze opdracht, stelde het stadsbestuur van

Mercator en het spanningsveld over de toekomst van dit vaar-

Mechelen in eerste instantie de ontwerpbureau's Architecten

tuig zullen opnieuw opduiken. Deze laatste verhaling eind sep-

Beeck &, Hermans en Architectenburo Oostpool aan. Later - na

tember naar het droogdok was slechts mogelijk bij een extreem

een procedure via de Vlaamse Bouwmeester - vervoegde het

hoog tij, wegens de geringe beschikbare diepte in het dok. Uit

architectenbureaubureau import.export.ARCHITECTURE (IEA)

de haven varen, zelfs naar een scheepswerf voor onderhoud,

het ontwerpersteam. De restauratie en de bijhorende herbe-

wordt steeds moeilijker, het dok geraakt niet gebaggerd. Noch-

stemming van de gebouwen kadert in een grondige renovatie

tans wordt de 'varende' optie steeds opengehouden, mede

van de gehele site in hoofdzaak voor het Mechels figurentheater

dankzij de inzet van de vzw, van vrijwilligers en van de aanwe-

De Maan. Naast de beschermde gebouwen betreft het ook nog

zige kennis bij dab VLOOT. Het functioneel houden van tuigage

een directeurswoning uit 1953 en een te integreren autogarage,

en voortstuwingsmogelijkheden werden voortdurend met oog

thans een cultuurcentrum voor hedendaagse kunst. In oktober

op een hypothetisch operationeel brengen van het vaartuig én

2015 werd de eerste fase van de werken opgeleverd en kon het

met respect voor de erfgoedwaarden uitgevoerd.

Mechels figurentheater De Maan een deel van de gebouwen betrekken. Nu rest nog de verdere restauratie van de kapel zelf.

Met het gewijzigde Varenderfgoeddecreet van 9 mei 2014 en het in opmaak zijnde uitvoeringsbesluit (een eerste keer prin-

Voor dit gebouw dient men nog een nieuwe bestemming te vinden.

cipieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 17 juli 2015 en een tweede keer op 2 oktober 2015) wordt een instrument aangereikt dat inspeelt op het roerende karakter van dit bij uitstek nautisch patrimonium van algemeen belang. Een wijziging van het beschermde statuut via het Varenderfgoeddecreet zou een aanzet kunnen zijn om het toekomstperspectief van de Mercator te verruimen en een eerste stap naar beweging voor het vaartuig. In dit gewijzigde Varenderfgoeddecreet wordt het opnieuw operationeel maken van het vaartuig ook als beheersmaatregel omschreven, naast de versterking van de erfgoedwaarden. Het nieuwe statuut van beschermd varend erfgoed beoogt dan immers naast het onderhoud en het herstel van de erfgoedwaarden ook het herstel van de operationele staat van het beschermd vaartuig. Varend en reizend krijgt de Mercator immers toch de uitstraling die het verdient.

Link naar de inventaris van het varend erfgoed: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ivm/varend/99054

Niewbouwgedeelte Mechels figurentheater De Maan (foto import.export.ARCHITECTURE)


De voormalige Heilige Ceestkapel en het naastgelegen Hei-

C C •i-H

PQ

en historiserend gerestaureerd door bouwmeester Edmond

lige Ceesthuis werden op 25 maart 1938 samen met een reeks

Peel. Hij wijzigde de gevels onder andere door in de noordwes-

gebouwen als monument beschermd omwille van de artistieke,

telijke zijgevel het oorspronkelijke venster te vervangen door

oudheidkundige of historische waarde. Beide gebouwen heb-

vier spitsboogvormige tweelichten met een deelzuiltje en door

ben immers een rijk verleden dat wat de kapel betreft minstens

twee deuren toe te voegen. In de voorgevel werd een nis aange-

teruggaat tot de 13de eeuw. Ze behoren daarmee tot de oudste

bracht. Daarnaast werd een deel van de natuursteen vervangen

gebouwen van Mechelen. Vóór 1300 was er al vermelding van

en werd het interieur aangepast.

de zogeheten Heilige Ceestkapel van de Sint-Romboutsparo-

Ten zuidwesten van de kapel bevindt zich het Bureel van Welda-

chie. Net zoals in andere steden was de 'Tafel van de Heilige

digheid. Dit gebouw is een breedhuis met zijtrapgevels dat werd

Geest' een liefdadigheidsorganisatie. Twee Heilige Ceestmees-

opgetrokken in 1675 a ' s vernieuwbouw van een ouder pand uit

ters leidden dit 'armbestuur', dat instond voor de steun en

1530. Hierbij bleef enkel een oorspronkelijke interne scheidings-

verzorging van armlastige parochianen. Donaties, cijnzen en

muur tussen twee delen van het huis behouden. Het oorspron-

pachtgelden zorgden voor de nodige middelen. Na de val van

kelijke gebouw was het gastenhuis van de minderbroeders.

het ancien régime werden de Heilige Ceesttafels opgeheven en

Het pand heeft twee bouwlagen en zolders die in gebruik

hun bezittingen overgedragen naar het Bureel van Weldadig-

waren als opslagplaats. De gevels zijn opgetrokken in baksteen

heid , later Commissie voor Openbare Onderstand (COO) en

met schaars bewaarde delen van de plint, de speklagen en de

momenteel Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn

dagkanten in zandsteen. Het gebouw heeft vernieuwde kruis-

(OCMW).

kozijnen met op de begane grond diefijzers. Op de verdieping

De voormalige Heilige Ceestkapel is een eenbeukige kapel in

werden de onderdorpels uitgewerkt als een doorgetrokken cor-

gotische stijl die vermoedelijk gebouwd werd op het einde van

donlijst. Onder de bolle daglijst zijn er steigergaten zichtbaar.

de 13de eeuw. Het gebouw werd opgetrokken in zandsteen en

Centraal in de gevel is er een indrukwekkend houten laadvenster

heeft een met leien gedekt zadeldak. In het interieur getuigen

met flankerende getrapte dakvensters. Ook dit gebouw werd

een piscien en een uitgewerkte fries nog van de oorspron-

grondig onder handen genomen door architect Van Peel.

kelijke functie: er werden missen voor de armen gelezen en

Zo werd bijvoorbeeld de voorgevel volledig gereconstrueerd,

aalmoezen gegeven. Rond 1910 werd het gebouw ingrijpend

enkel de achtergevels gaan nog terug tot 1675. In 1968 werden de kapel en het Weldadigheidsbureel door de stad aangekocht. De kapel werd ingericht als toneelscène waar-

Originele lyde-eeuwse luiken (foto R. De Graef)

door het oorspronkelijke interieur volledig verbouwd werd. Het interieur van de begane grond van het Heilige Ceesthuis werd ook ingrijpend aangepast - er werd ondermeer een betonnen tribune in gebouwd - en er werd een brede glazen inkomdeur voorzien. De scheidingsmuur tussen beide gebouwen verdween zodat er één theaterruimte ontstond. In 1972 werden de gebouwen dan in gebruik genomen door het toenmalig Mechels Stadspoppentheater, vandaag het Mechels figurentheater De Maan.

Een nieuwe aanpak Met een eerste onderhoudspremie werd de kapel ontruimd. Met een tweede onderhoudspremie werd materieeltechnisch onderzoek uitgevoerd door de firma Ornament cvba uit Antwerpen. Het onderzoek ging na in welke mate sporen aanwezig waren in het interieur van oudere afwerkingen, met het oog op verwerking van deze gegevens in het restauratiedossier. Daarnaast werd nagegaan op welke manier aanwezige al gekende historische elementen behandeld dienden te worden. Daarna werd een restauratiepremiedossier opgesteld voor de volledige restauratie van het exterieur en het interieur van de Heilig Ceestkapel en de restauratie van straat- en zijgevel, dak en interieur van het heilig Ceesthuis. Tegelijk ontwierp IEA een nieuw 'gouden' (koper met een vleugje aluminium) theatervolume op de plaats van de oude directeurswoning en - als evenwichtsoefening - een tweede grote zaal op het dak van cultuurcentrum De Garage.


Het geheel is gevat in een theatercomplex dat als het ware de twee monumenten ruggesteunt. Deze aanpak had drie belang-

Beschermingen

rijke gevolgen. Ten eerste kon men de 'zware' theaterfuncties uit de fragiele monumentale delen halen waardoor ze beter aan hedendaagse eisen qua theatertechniek, comfort, toegankelijk-

ö

Peter Van den Hove

heid en dergelijke konden voldoen. Ten tweede kon men op die

Ö

manier de monumenten maximaal in ere herstellen: de tussenmuur kon herbouwd worden en de oorspronkelijke afwerking kon opnieuw zichtbaar gemaakt worden en waar nodig her-

26 BESCHERMDE ARCHEOLOGISCHE SITES IN VLAANDEREN

nomen of hersteld. Eén van de mooiste elementen die daarbij aan de oppervlakte kwamen waren de oude en originele (I)

Op 1 januari 2015 trad het nieuwe onroerenderfgoeddecreet in

lyde-eeuwse luiken in de achtergevel van het Heilig Ceesthuis.

werking. Dit betekent voortaan een nieuwe procedure voor de

Zij kwamen quasi ongeschonden uit een jarenlange eenzame

bescherming van onroerend erfgoed en dus ook voor archeo-

opsluiting tevoorschijn en vroegen weinig behandeling. Ten

logische sites. Sinds de eerste Vlaamse wetgeving archeologie

derde kon men het nieuwe 'gouden' volume inzetten als ele-

werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 september

ment dat op verschillende niveaus werkt. De onmiskenbare link

1993, zijn er in Vlaanderen in totaal 26 archeologische sites

met de 'maanlander' doet ons dromen van een avontuurlijker,

beschermd. Dit gebeurde volgens een procedure ingeschreven

theatraler en vrijer leven: de boog van Apollo kan immers niet

in het zogenaamde 'archeologiedecreet' van 1993, een proce-

steeds gespannen staan. De gevelafwerking van het volume

dure die sterk was geïnspireerd door het 'decreet tot bescher-

is onmiskenbaar een reminiscentie aan de detaillering van de

ming van monumenten en stads- en dorpsgezichten'. Deze

Sint-Romboutskerk. Beide gebouwen hebben een eerder zware

wetgeving, gestemd één jaar na het veelbetekenende monu-

basisopbouw uit grote volumes en vlakken, als je de kerktoren

mentenjaar 1975, had op dat ogenblik al een indrukwekkende

in detail bekijkt zie je echter een zeer verfijnde detaillering, een

staat van dienst inzake de bescherming van monumenten.

kantwerk dat de massiviteit verzacht. Een gelijkaardige aanpak

Met het nieuwe onroerenderfgoeddecreet valt het doek voor de

is zichtbaar bij de koperen gevelafwerking van het theater-

beschermingsprocedures van weleer. Een uitgelezen ogenblik

volume, de architecten ontwierpen hiertoe een zeer elegant

voor een korte terugblik en een stand van zaken.

plaatpatroon, waardoor de gevel bijna fragiel wordt. Stedenbouwkundig verbindt het theatervolume het monument nu veel

De eerste archeologische beschermingen in Vlaanderen waren

sterker met het achterliggende pleintje - er is een gelijkvloers

de archeologische zones van de site van de Chartreuse' in Brugge

theatercafé - en het koperen doosje lijkt een schitterende eye-

(Sint-Michiels) en het kasteel en dorpskern van Maldegem (Mid-

cacther te zijn die de twee monumenten opnieuw aanwezig

delburg). Beide dossiers kwamen erg ad hoc tot stand en onder

stelt. Maar ook het interieur speelt een subtiel spel van nieuw

sterke impuls van onderzoek van enerzijds de Universiteit

versus oud, open versus gesloten, binnen versus buiten.

Cent en anderzijds de provincie Oost-Vlaanderen. De Vlaamse

Mechelen is een monument rijker en een bezoek aan De Maan

werden definitief beschermd in 2005. Ondanks het feit dat er

is dus meer dan gerechtvaardigd. Nu is het nog uitkijken naar

sinds 1993 al een archeologiewetgeving bestond, heeft het dus

administratie startte de dossiers op begin 2004 en beide sites

een nieuwe bestemming voor de Heilig Ceestkapel, een plek die veel potentieel heeft om een belangrijke publieke ontmoetingsplaats in het hart van Mechelen te worden.

Bibliografie - Inventaris van het bouwkundig erfgoed (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/3885) - Restauratiepremiedossier Meer informatie vindt u via over het theatercomplex De Maan, hun voorstellingen, ateliers en tentoonstellingen vindt u via: http://www.demaan.be/ Met veel dank aan Elke Denissen (Onroerend Erfgoed), Elfi Hermans (Architecten Beeck & Hermans bvba) en Oscar Rommens en Joris Van Reusel (import.export.ARCHITECTURE) voor het verstrekken van de nodige informatie.

Luchtfoto van een deel van de beschermde archeologische site van de Chartreuse (foto Vakgroep Archeologie, Universiteit Gent)

• V ; . '^ s -

•rH

pa


Ö Ö • l—l PQ

Het archeologisch onderzoek in een leemgroeve in VeldwezeltHezewater was de aanleiding voor de bescherming van de site (foto E. Meijs)

In 2015 werd de beschermde site Veldwezelt-Hezewater ontsloten voor het publiek (foto P. Van den Hove)

tien jaar geduurd vooraleer de eerste archeologische bescher-

digde declasseringsprocedure. De vernieuwde ideeën rond

mingen in Vlaanderen er daadwerkelijk kwamen. Die t i m i n g is

de bescherming van archeologisch erfgoed, zoals die in 1992

niet zo toevallig.

ingeschreven waren in het Europees verdrag inzake de bescher-

O p het einde van 2003 en begin 2 0 0 4 onderging de Vlaamse

m i n g van het archeologische erfgoed, het zogenaamde in situ

erfgoedzorg een grote en ingrijpende h e r v o r m i n g met verre-

b e h o u d , stonden in Vlaanderen en in België op dat ogenblik

gaande gevolgen. Aan de toenmalige dienst voor M o n u m e n t e n

nog in de kinderschoenen. Uiteindelijk zou België pas op

en Landschappen werden 11 statutaire erfgoedconsulenten

8 oktober 2010 dit Europese verdrag officieel ratificeren.

archeologie in dienst genomen die dienden uitvoering te geven aan een vernieuwd archeologiebeleid en beheer in Vlaanderen.

Na de eerste twee wettelijke archeologische beschermingen in

Dit beheer bestond voortaan uit twee pijlers: enerzijds het

2005, volgde einde 2007 een derde archeologische bescher-

onafhankelijk adviseren van bouwdossiers en anderzijds de

m i n g : de midden-paleolithische

opmaak van beschermingsdossiers. Beide taken waren tot dan

de provincie L i m b u r g . O p deze locatie vond de Katholieke Uni-

een bevoegdheid van het toenmalige Instituut voor het Archeo-

versiteit Leuven sporen terug van de aanwezigheid van Nean-

logisch P a t r i m o n i u m (IAP). Gelijktijdig werd ook het VIOE als

derthalers. Ook de prestigieuze tentoonstelling

wetenschappelijke instelling opgericht, bestaande uit archeolo-

in het provinciaal Gallo-Romeins M u s e u m in Tongeren, die

site te Veldwezelt Hezerwater

in

Neanderthalers

gen van het voormalige IAP en onderzoekers van de kenniscel

maar liefst 150.000 bezoekers trok, bracht het belang van de

van de voormalige afdeling m o n u m e n t e n en landschappen. In

site in Veldwezelt onder de aandacht. Voor de unieke ontslui-

dezelfde periode werd ook de Vlaamse Archeologische Raad

t i n g van deze beschermde archeologische site werd voor het

hervormd. Dit adviesorgaan van de minister werd voortaan

eerst gebruik gemaakt van het premiebesluit archeologie. De

opgenomen binnen de werking van de Koninklijke Commissie

Vlaamse overheid maakte een belangrijk bedrag (ca. 6 5 0 . 0 0 0

voor M o n u m e n t e n en Landschappen van het Vlaamse Gewest

euro) vrij voor restauratie, consolidatie en het toegankelijk

als derde van in totaal vijf afdelingen (3de afdeling Archeologie).

maken van de site.

Vóór deze h e r v o r m i n g , tussen 1993 en 2003, was er bij het IAP nauwelijks aandacht voor de opmaak van archeologische beschermingsdossiers. Dit was enerzijds het gevolg van een v o o r t d u r e n d tekort aan mensen en middelen waardoor prioritair alle aandacht ging naar het adviseren van bouwdossiers, het uitvoeren van daaruit voortvloeiende noodopgravingen en de publicaties van de onderzoeksresultaten. Anderzijds overheerste er nog een duidelijke andere 'visie' met betrekking tot het beschermen van archeologische sites. In de m e m o r i e van toelichting bij het oorspronkelijke archeologiedecreet kon men onder meer lezen: "hierbij weze nogmaals herhaald dat de bescherming in het kader van onderhavig decreet niet op de eerste plaats een permanente

bescherming beoogt". M e n w o u dus in

feite beschermen o m te kunnen opgraven, waarna de site weer snel gedeclasseerd kon worden middels een sterk vereenvou-

In 2 0 0 9 volgden nogmaals twee archeologische beschermingen: Het Romeinse aquaduct

in Tongeren en Heers en De primi-

tieve parochie van V/eerde. Niet alleen werd met het Romeinse aquaduct één van Vlaanderens grootste archeologische ' m o n u m e n t e n ' beschermd, de bescherming van de primitieve

parochie

van Weerde zorgde tevens voor een belangrijke kentering in de aanpak en opmaak van archeologische beschermingsdossiers binnen de Vlaamse administratie. Voor het eerst w e r d , voorafgaand aan de opmaak van een beschermingsdossier, door de Vlaamse overheid een studieopdracht uitgeschreven o m een archeologische site voorafgaandelijk te evalueren, te waarderen en af te bakenen. In tegenstelling tot ons m o n u m e n t a a l en landschappelijk erfgoed - dat meestal bovengronds en duidelijk zichtbaar aan-


summier gepubliceerde oude opgravingsarchieven, vaak nog daterend uit de tijd van de Nationale Dienst voor Opgravingen (1963-1991). De onderzoeken op het plateau van Caestert in Kanne en op de Kesselberg in Leuven zijn daar twee mooie voorbeelden van. Voor de studieopdracht in Kanne is het volle-

Ö

dige opgravingsarchief van Heli Roossens, voormalig directeur van de Nationale Dienst voor Opgravingen herbekeken, gedigitaliseerd en uitgewerkt. Voor het onderzoek op de Kesselberg in Leuven gebeurde hetzelfde met het opgravingsarchief van

PQ

professor Jozef Mertens. Op beide sites zijn ook oude opgravingssleuven heropend. Op die manier is gepoogd om een maximum aan nieuwe informatie in te winnen met een minimale verstoring van het archeologisch bodemarchief.

Niet destructief geofysisch onderzoek op het plateau van Caestert in Kanne bracht belangrijke nieuwe informatie aan het licht met betrekking tot de afbakening van de archeologische site (foto ZOLAD+)

Op basis van de gerapporteerde en opgeleverde onderzoeksresultaten werden de archeologische sites afgetoetst aan een reeks beschermingscriteria. Vervolgens werd door de administratie bevoegd voor onroerend erfgoed (eerst het agentschap

wezig is - is ons archeologisch erfgoed haast per definitie aan

Ruimte en Erfgoed, nu het agentschap Onroerend Erfgoed)

het oog onttrokken, doordat de sporen in de bodem aanwezig

beslist om al dan niet over te gaan tot de opmaak van een

zijn onder het hedendaags loopniveau of'maaiveld'. Slechts

beschermingsdossier. Sinds 2009 werden vijfentwintig derge-

een beperkt aantal archeologische monumenten, zoals het

lijke studieopdrachten uitgeschreven.

beschermde Romeinse aquaduct in Tongeren en Heers, hebben een direct raakpunt met zichtbare monumenten en land-

De rapporten van de studies zijn te raadplegen via het Open

schappen. Het opstellen van een inhoudelijk sterk en duidelijk

Archief van OE-publicaties (https://oar.onroerenderfgoed.be;

afgebakend beschermingsdossier voor archeologische sites is

zoeken op: evaluatie- en waarderingsonderzoeken archeologie).

dan ook niet zo evident. Door het uitbesteden van opdrachten

Zestien onderzoeksrapporten werden intussen omgezet in een

aan archeologische studiebureaus werd voortaan getracht om

archeologische bescherming en verschillende andere dossiers

met een minimale ingreep in de bodem en met zoveel mogelijk

zijn in opmaak. Het gaat daarbij om erg diverse archeologische

niet-destructieve onderzoeksmethoden een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de archeologische site die men wou gaan beschermen. Belangrijk is dat bij de uitvoer van dergelijke studieopdrachten ook maximaal werd ingezet op de uitwerking van niet of

Oude archeologisch onderzoek van Heli Roosens (i 973-1975) op het plateau van Caestert (gemeente Riemst) (foto agentschap Onroerend Erfgoed)

Recent waarderend onderzoek (2014) op de Kesselberg in Leuven (foto agentschap Onroerend Erfgoed)

7


sites. S o m m i g e dateren uit het n e o l i t h i c u m , andere uit de ijzer-

Vrij Universiteit Brussel een beschermingsvoorstel op voor

t i j d o f de Romeinse periode en nog andere uit de middeleeu-

de burchtzone in A n t w e r p e n . O p basis van onderzoek van de

wen o f uit de nieuwe t i j d .

Katholieke Universiteit Leuven werd dan weer de middenneo-

Naast uitbestede onderzoeksopdrachten werden ook dossiers

lithische site te O t t e n b u r g beschermd. De Stad Gent en haar

opgesteld op voorstel van externe instanties. Zo maakte de

dienst archeologie lagen aan de basis van de bescherming van het Prinsenhof in Cent. Het agentschap Onroerend Erfgoed streefde er ook naar om de soms moeilijk leesbare onderzoeksrapporten bijkomend te ontsluiten voor een breder publiek van erfgoedgeïnteresseerden. Verschillende studies werden omgezet naar korte maar rijk geïllustreerd artikels die gepubliceerd werden in het tijdschrift M & L (www.MenL.be). Z o werden de laatste jaren onder andere bijdragen gebracht over: de verdwenen kerk van Weerde, het Romeinse aquaduct in Tongeren, de abdijsite van Sint-Truiden, een middeleeuwse versterking in Ver-Assebroek, de kasteelsite Butsel in Boutersem, het kasteel van Schendelbeke , het archeologisch onderzoek op het plateau van Caestert en de verdwenen kerk van Zelem. Aan deze traditie lijkt evenwel een eind te komen doordat het agentschap Onroerend Erfgoed, in het kader van een nieuw kerntakenplan, alle eigen publicaties stopzet.

Voorbeeld uit het Geoportaal met weergave van de beschermde archeologische site 'Het Hoge Hof in Spiere-Helkijn. De in Vlaanderen beschermde archeologische sites kunnen

Overzicht van de beschermde archeologische sites in Vlaanderen per provincie.

geraadpleegd worden via het Geoportaal van het agentschap Onroerend Erfgoed (https://geo.onroerenderfgoed.be). Archeologische sites zijn in het grijs aangeduid. Door op

provincie West-Vlaanderen

de polygoon te klikken kan je ook het ministerieel besluit

Archeologische zones van de site van de Chartreuse in Brugge (Sint-Michiels)

van de bescherming raadplegen én een inventarisfiche van

De circulaire structuur van Ver-Assebroek in Assebroek

de archeologische site met een historisch overzicht en een

Het Hoge Hof in Spiere

beschrijving.

provincie Oost-Vlaanderen Kasteel en dorpskern in Maldegem (Middelburg) Kasteelsite te Schendelbeke De site van het Prinsenhof in Cent provincie Vlaams-Brabant

Aukje

De

Haan

De primitieve parochie van Weerde in Aarschot De middenneolithische site te Ottenburg in Huldenberg De drie Callo-Romeinse tumuli van Crimde in Tienen

ANKERPLAATSEN IN DE INVENTARIS

De Keizersberg in Leuven De kasteelsite van Wezemaal in Rotselaar De site van Sinte Citter in Landen De middenneolithische site op de Hermansheuvel in Bekkevoort (Assent) De Spaanse Citadel in Zoutleeuw provincie Antwerpen Burchtzone Antwerpen

Vanaf 15 oktober 2015 kan je op de inventariswebsite van het agentschap de ankerplaatsen uit de Landschapsatlas terugvinden. Dat is belangrijk o m d a t aan 70 van deze ankerplaatsen rechtsgevolgen zijn gekoppeld. Ankerplaatsen zijn vanuit een erfgoedperspectief de meest

Het finaalpaleolitisch en mesolithisch sitecomplex in het Landschap De Liereman in Oud-Turnhout en Arendonk

waardevolle landschappelijke ensembles in Vlaanderen.

Zennegat in Mechelen

van gevarieerde erfgoedelementen terugvindt. Ankerplaatsen

Nieuwerck van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen

zijn o p g e n o m e n in de Landschapsatlas, een inventaris waar-

Het zijn grotere landschappelijke gehelen waarin je een geheel

provincie Limburg

mee ons agentschap in 2001 startte. In deze databank vind

Midden-Paleolithische site te Veldwezelt Hezerwater en het tallud tussen deze zone en het Albertkanaal in Lanaken (Veldwezelt)

je alle relicten terug van traditionele landschappen. Naast

Basiliek O.L.V.- Geboorte en omgeving in Tongeren Het Romeinse aquaduct Tongeren en Heers Meerperiodensite te Butsel in Boutersem

ankerplaatsen zijn er ook afzonderlijke landschapselementen in opgetekend, zoals holle wegen, poelen en akkercomplexen. Ankerplaatsen kon je tot voor kort terugvinden in de bescher-

Kolverenschans in Zonhoven

mingsdatabank van ons agentschap. Vanaf 15 oktober zijn ze

De verdwenen kerk van Zelem in Halen

doorzoekbaar op de inventariswebsite. We bieden je daar fiches

Bandkeramische site aan de Toekomststraat in Riemst

aan met onder andere een beschrijving van elk gebied, de

De abdijsite van Munsterbilzen in Bilzen

precieze afbakening ervan en foto's. Je kan in de databank ook


Ö

ö ö • I—I

PQ Ankerplaats Vallei van de Handzamevaart; zicht vanuit de Handzamebroeken op de kerk van Werken en de site Hogen Andjoen (foto K. Himpe)

Ankerplaats Ijzervallei tussen Roesbrugge-Haringe en Elzendamme en de vallei van de Poperingevaart; slotenrijk graslandcomplex nabij de stenen windmolen, zogenaamd 'Broeckmolen' te Beveren-Ijzer (foto K. Himpe)

vlot filteren op specifieke zoektermen, bijvoorbeeld welke anker-

ten we als landschapselement, bijvoorbeeld de Dries van

plaatsen een abdijdomein bevatten.

Sinaai. Sommige fiches herschreven we grondig, zoals het kre-

Dat we de ankerplaatsen hebben toegevoegd aan onze inven-

kengebied te Assenede, of hevelden we over naar een andere

taris is geen toeval. Het is een logisch gevolg van het nieuwe

inventaris. Zo maakt het kasteeldomein van Breivelde nu bij-

Onroerenderfgoeddecreet. In dit decreet wordt de Landschap-

voorbeeld deel uit van de inventaris van historische tuinen en

satlas namelijk omschreven als een inventaris die kan worden

parken, waar het inhoudelijk beter thuishoort.

vastgesteld. Dat heeft de volgende consequentie: ankerplaatsen worden niet meer 'aangeduid' zoals vroeger, ze worden 'vastgesteld'. Wanneer het decreet van kracht is gegaan, begin 2015, werden 70 al bestaande aangeduide ankerplaatsen gelijkgesteld met een vastgestelde ankerplaats. In deze vastgestelde ankerplaatsen moet je je houden aan de rechtsgevolgen van het Onroerenderfgoeddecreet. Meer bepaald ben je gebonden aan de

Wil je de ankerplaatsen doorzoeken, dan kun je op de website inventaris.onroerenerfgoed.be het zoekformulier gebruiken. Of je kunt op het geo.onroerenderfgoed.be geografisch zoeken naar ankerplaatsen. Professionele gebruikers kunnen de CIS-laag van de afbakeningen downloaden op https://inventaris.onroerenderfgoed.be/portaal/kaarten om zelf te gebruiken in een CIS-project.

informatieplicht. Als administratieve overheid moet je je ook houden aan de zorg- en motiveringsplicht. In de inventaris hebben we zowel de vastgestelde ankerplaatsen opgenomen als de nlet-vastgestelde ankerplaatsen. We voegden enkele nieuwe waardevolle gebieden toe, zoals de Leievallei tussen Ooigem en Bavikhove. Andere ankerplaatsen herdoop-

Ankerplaats Kanaal Nieuwpoort-Plassendale en omgeving Schuddebeurze; Opgaande populierenrij langsheen het kanaal Nieuwpoort-Plassendale (foto K. Himpe)

Tentoonstelling

Marjan Buyle

ANATOLIA Marc Waelkens, de Belgische archeoloog waarvan de naam onlosmakelijk verbonden is met de opgravingen in Sagalassos en zijn Turkse collega Zülküf Yilmaz stelden voor de Bozar en in het kader van Europalia Turkije een bijzonder boeiende tentoonstelling samen over het heel diverse erfgoed in Anatolië. Turkijke fungeerde eeuwenlang als de brug tussen Europa en Azië. De Turkse streek Anatolië kende twaalf millennia lang een onderbroken opeenvolging van de meest uiteenlopende culturen, die garant staan voor een zeer gediversifieerd erfgoedaanbod. Toch lopen de cultus en de rituelen als een rode draad doorheen


•i-H

PQ IO

de verschillende culturen. De beide curatoren gebruikten deze

verwerkt werden. De islam verbood het afbeelden van Allah en

continuïteit van de rituelen als rode draad doorheen de tentoon-

de Profeet en de artiesten zochten hun toevlucht in kalligrafi-

stelling. De getoonde stukken zijn zeer divers: beelden, grafmo-

sche weergaves van hun namen en door zogenaamde 'woord-

numenten, reliëfs, keramiek, meubilair, boeken, kledingstukken,

portretten' en afbeeldingen van de voetzolen of sandalen van

huisraad en -versiering. Interessant is dat veel van deze stukken

de Profeet. Maar binnen de Turkse Islam, vooral onder de Seld-

nooit eerder aan het publiek werden getoond.

joeken, zien we toch een grote verdraagzaamheid ten opzichte

Het verhaal begint in de bronstijd met de rituele objecten van

van menselijke en dierlijke afbeeldingen in de gesofisticeerde

de Alacahöyük-site uit het Museum voor Anatolische Bescha-

seculiere architectuur en kunstambachten. Er is schitterend

vingen in Ankara, reliëfs en beelden uit de klassieke oudheid

meubilair te zien en gebruiksvoorwerpen uit moskeeën, net als

van de Archeologische Musea in Istanbul en miniaturen en

miniaturen en textiel.

textiel uit de Seldjoek en Ottomaanse periodes uit onder andere het Topkapi-paleis, die getuigen van de verering van de hemel,

Van de cultusplaatsen van de diverse Anatolische beschavingen

de sterrenbeelden, de zon of de maan.

zijn architecturale restanten bewaard: tempels, byzantijnse ker-

Een tweede hoofdstuk focust op de verering van natuurfenome-

ken en moskeeën, elementen van hun interieur en exclusieve,

nen zoals bergen, rotsformaties, bronnen, rivieren en fonteinen

bij de eredienst gebruikte objecten. Er wordt eveneens aandacht

en allerlei rituelen die zich op deze verering geënt hebben. We

geschonken aan offers en altaren, aan religieuze festivals en

zien riviergoden, nimfen, levensbomen en andere. De oudste

spelen, en aan de pelgrimstochten die zich vanaf de klassieke

objecten gaan terug tot de bronstijd en de jongste behoren tot

oudheid ononderbroken tot de hedendaagse hadj voortzetten.

de Ottomaanse periode.

Het laatste luik behandelt goddelijke interventies in de wereld van de mensen. Aan goden en heiligen werd genezingskracht

Het derde gedeelte focust op het goddelijke. Van de oudste

toegedicht en eeuwenlang probeerde de mens zich te bescher-

mensbeelden ter wereld (iode millennium vóór Christus) gaan

men tegen allerlei vormen van onheil, waaronder het Boze Oog.

we via de neolithische moedergodinnen in terracotta en stenen

Ondermeer sculpturen van Asklepios en ex voto's tonen het

idolen uit de vroege bronstijd (3de millennium vóór Christus)

voortdurende belang van de bijhorende rituelen. Topstukken

tot de goddelijke wezens in een correcte antropomorfe vorm.

uit de Romeinse keizercultus illustreren de relatie tussen religie

De Griekse kunstenaars waren uiteraard in staat om lichaams-

en politiek in die periode. Om af te sluiten tonen exclusieve

vormen perfect weer te geven, zoals in de beelden van de Olym-

objecten hoe zowel aan het Byzantijnse als aan het Ottomaanse

pische Goden vanaf de 5de eeuw vóór Christus. Hier maken we

hof de vorst via een hofceremonieel en ceremoniële kledij ver

ook kennis met de typisch 'oosterse' voorstellingen van goden

boven zijn onderdanen verheven werd.

als gevleugelde goddelijke wezens. De tentoongestelde objecten zijn alle van hoge kwaliteit en Binnen de opkomst van de monotheïstische religies wordt aan-

inventie. De smeltkroes van al deze culturen heeft een uitzon-

getoond hoe heidense godenbeelden door de eerste christenen

derlijk erfgoed nagelaten. De presentatie en de scenografie zijn

Iznik keramiek met twee pauwen, ottomaanse periode. 17de eeuw (Sadberk Hanim Museum Istanbul)

Twin idool van Alacahoyuk, 3de eeuw vóór Christus (Ankara Museum of Anatolian Civilizations)

••^^ccr.


ö

Congres

c Madeleine Manderyck

ö ö

CORPUS VITREARUM. HOW TO TAKE CARE OF A FRAGILE HERITAGE? 9TH FORUM FOR THE CONSERVATION AND TECHNOLOGY OF HISTORIC STAINED-GLASS Parijs, 8-io juli 2015 Het Franse Comité Corpus Vitrearum, ICOMOS France, het International Committee of the Corpus Vitrearum for the Conservation of Stained Class en het Laboratoire de recherche des monuments historiques organiseerden in Parijs op 8-10 juli jongstleden een forum gewijd aan de preventieve conservering van glasramen en de maatregelen die kunnen genomen worden om de conservatie- en restauratiewerkzaamheden duurzamer te maken. Welk onderhoud, welke kleine werkzaamheden kunnen het goede behoud bewerkstelligen, welke instanties kunnen daarbij betrokken worden en welke innovatieve technieken zijn inzetbaar? De tweejaarlijkse fora van het Corpus Vitrearum zijn open voor alle belangstellenden en hebben tot doel het onderzoek op het gebied van de conservatie en de restauratie van monumentale

Karakoy (© Ara Güler)

glaskunst te bevorderen en te verspreiden. De bevindingen geïnspireerd op de traditionele vormentaal en zijn vervaardigd

werden in het verleden in Newsletter gepubliceerd. Thans is er

uit traditionele materialen zoals notelaar, koper enz. Elk object

het online magazine Vidimus met een kosteloos abonnement

heeft voldoende ruimte om tot de verbeelding te spreken.

via http;//vidimus.org/. Veel informatie is zo onmiddellijk

De bijschriften zijn gemakkelijk leesbaar en bereikbaar en de

beschikbaar.

verklarende teksten zijn interessant.

De eerste lezingen zoomden in op het onderhoud van glas-

Tegelijkertijd, nog tot 24 januari 2016, loopt de tentoonstelling

ramen en hoe dat in het verleden werd benaderd. Raphaëlle

Imagine Istanbul, een boeiende expo van fotos vanaf de 19de

Chossenot [Université Paris 1) bracht interessante archiefdo-

eeuw tot nu. Vooral het werk van Ara Güler, de belangrijkste

cumenten uit de 15de en 16de eeuw naar voor in verband met

Turkse fotograaf van de 20ste eeuw, valt op.

De tentoonstellingen lopen in de Bozar aan de Ravensteinstraat 23 in Brussel van 7 oktober tot 17 januari 2016. Open van dinsdag tot zondag van iou tot i8u, op donderdagen tot 21 u. Meer info op www.bozar.be

s*^* / *è«Uhfe

Roosvenster van Saint-Chapelle in Parijs (foto M. Manderyck)

11


PQ 12

de basiliek Nótre-Dame te Mézières. Vermeldenswaardig is

barsten in driedimensionele glasblokken blijken momenteel niet

de gewoonte om een roosterwerk van bindwilg (osier) voor de

te consolideren met de bestaande materialen en technieken.

ramen te plaatsen ter bescherming van het glas tijdens bouw-

Het tweede gedeelte van het forum was gewijd aan de recente

werkzaamheden of in afwachting van het plaatsen van ijzeren

vernieuwingen op het gebied van conservatie en restauratie.

hekwerken. Daar waar de glazenier instond voor het jaarlijkse

Joost Caen en zijn collega's van de Universiteit Antwerpen licht-

reinigen van het glas ter gelegenheid van Pasen en voor het

ten de mogelijkheden van de MA-XRF scanning voor de docu-

herstel van gebroken stukken, was het de slotenmaker die de

mentatie van glasramen toe. Deze performante methode, die

metalen onderdelen herstelde. In Catalonië was het dan weer

vooral bij het onderzoek van schilderijen al voor spectaculaire

gebruikelijk in de late middeleeuwen om vaste contracten af te

resultaten zorgde, laat toe de bepaling van de samenstelling

sluiten met glazeniers voor het regelmatige nazicht, onderhoud

van het glas, van zilvergeel, van emails en van sanguine toe.

en herstel van glasramen. Silvia Canellas (Barcelona) toonde

Ook de degradatie van glas en eventueel vroegere restauraties

aan de hand van archiefonderzoek aan dat het vaak reizende

zijn in sommige gevallen op te sporen. Deze informatie kan de

glazeniers betrof die hun diensten in verschillende steden

conservator-restaurator en de kunsthistoricus zeer van nut zijn.

aanboden en zo gezorgd hebben voor de goede bewaring

Een volgende presentatie door Felix Busse (Clasmalerei Peters

van het fragiele glasramenpatrimonium in Catalonië tot in de

Paderborn) bracht de mogelijkheden naar voor van kathodische

16de eeuw. Dergelijke organisatie van regelmatige inspectie en

bescherming voor de preventieve conservering van glaswanden

onderhoud kan vandaag inspirerend zijn.

opgebouwd uit glas-in-beton en beton versterkt met een meta-

Waar houdt onderhoud op? Waar begint de restauratie?

len netwerk. De corrosie daarvan door de carbonatatie van het

Claudine Loisel (Laboratoire de Recherche des Monuments

beton maakt het behoud van het ensemble problematisch. De

Historiques) en haar collega's menen dat alles wat in situ kan

toepassing van kathodische bescherming blijft experimenteel,

gebeuren eerder onderhoud is, terwijl restauratie steeds een

maar lijkt belovend.

uitname inhoudt én een gedegen vooronderzoek, wat aangetoond werd aan de hand van enkele voorbeelden. Haar collega Annick Texier benaderde de problematiek van het onderhoud van de metalen onderdelen en de complexiteit van de corrosiefenomenen, belangrijk als men weet dat er gemiddeld ca. 25 ton ijzer nodig was voor de ramen van een doorsnee kathedraal als bijvoorbeeld die van Troyes! Een anti-corrosiebehandeling toepasbaar voor alle metaal bestaat echter niet. Jessica Degain (Direction régionale des affaires culturelies Paris / DRAC Paris) sneed hout met haar uiteenzetting over het maken van keuzes. De stad Parijs bezit 98 kerken met een omvattend patrimonium, waaronder zeer veel glasramen. Zij deed een dringende oproep om de doorgedreven restauraties gezien de budgettaire beperkingen, te vervangen door grote campagnes voor het veilig stellen van dit fragiele patrimonium. Sprekend was haar voorbeeld van de glasramen van Mauméjean in de Saint-Pierre-de-Chaillotkerk waarvan de behandeling enkel tot

Een andere bekommernis betreft de esthetiek van het buitenuitzicht van monumenten bij het plaatsen van beschermende beglazing en de bescherming van de gebruikte conserveringsmaterialen tegen UV-licht. Dit zette Reiner Meindl (Clashütte Lamberts) aan om een gelaagd glas met volledige UV-wering te ontwikkelen met mondgeblazen glas. Het werd toegepast voor het oostraam in de York Minster. Niet alleen de conservatieingrepen (vooral de gebruikte lijmen en invulligen) zullen hierdoor duurzamer zijn, maar ook het interieur en het kunstbezit van de kerk komen in een betere bewaarconditie. Nick Teed (York Claziers Trust) ontwikkelde dan weer een gesofisticeerd fotografisch documentatiesysteem, terwijl Verginia Raguin (College of the Holly Cross, Worcester USA) en Léonie Seliger (Canterbury Cathedral) de digitale mogelijkheden van reconstructie exploreerden in St. Andrew's Church Catton.

doel had om de bestaande toestand te stabiliseren, zonder restauratie.

Tot slot werden enkele recente casestudies gepresenteerd. Daar mocht het project van de terugkeer en de herplaatsing van een

In New-York blijkt de situatie dan weer geheel anders. Het moet

aantal lyde-eeuwe glasramen in de Abdij van 't Park in Leuven

gezegd dat glasramen daar natuurlijk ook veel schaarser zijn en

niet ontbreken. Aletta Rambaut (Studiebureau Conservatie-

dus met veel meer zorg, lees middelen, omringd worden. Zo

Restauratie, Cent) stelde een stand van zaken van haar onder-

werd in de St. Patrick's Cathedral de oorspronkelijk aanwezige

zoek voor en deed voorstellen voor de terugplaatsing van deze

igde-eeuwse beschermbeglazing zonder ventilatie na omvat-

unieke reeks glasramen, uiteraard met integraal behoud van

tend onderzoek volledig vervangen door een meer performante

de waardevolle oude metalen constructiedelen. Een uitgekiend

bescherming. Interessant was de mededeling van Nancy Ceorgi

systeem voor beschermende beglazing is daarvoor ter studie.

(York Claziers Trust) die een heel aantal droge reinigingsmetho-

Keith Barley (Barley Studios York) presenteerde de restauratie

des testte, die effectief bleken en zeker in geval van glascorrosie

van de monumentale i6de-eeuwse glasramen in de kathedraal

aan te bevelen zijn.

van Lichfield, ons zo bekend aangezien deze topwerken van

Een heel ander probleem en moeilijk op te lossen is de conso-

renaissancekunst afkomstig zijn uit de abdij van Herckenrode

lidatie van dalle de verre. Het onderzoek van Kristel De Vis en

bij Hasselt. Dit gebeurde in nauwe samenwerking met het Cor-

haar collega's van de Universiteit Antwerpen toonde de grenzen

pus Vitrearum België, met name met Yvette Vanden Bemden en

van de mogelijkheden van restauratie aan de hand van een

Isabelle Lecocq, die hierover samen met het Brits Comité een

onderzoek voor de kerk van Zwartberg in Limburg. Scheuren en

publicatie voorbereiden.


Als toemaatje werden een aantal masterscripties voorgesteld:

ders, de laatste in Vlaanderen. Speciaal voor deze gelegenheid

Amélie Duntze-Ouvry sprak over de Parijse glazenier Eugène

had de brandweer het water uit een van de twee gashouders

Oudinot de la Faverie (1827-1889) en Katrien Mestdagh (Claze-

gepompt en was er een stelling gebouwd opdat de deelnemers

niersatelier Mestdagh Gent) sneed het interessanten actueel

aan het symposium in de gashouder konden afdalen. Dit was

thema aan van de herlocatie van glasramen en reikte hiervoor

waarschijnlijk de laatste kans ooit om deze gashouders van

enkele richtlijnen aan, uitgaande van een goede waardenstelling

binnen te bekijken.

waarbij de contextuele waarde belangrijk is. Een weloverdachte

Stadsgas heeft in Vlaanderen vanaf circa 1927 tot in de jaren

herlocatie kan een oplossing zijn wanneer een kerkgebouw

vijftig van de twintigste eeuw een rol gespeeld. Het werd in eer-

afgebroken wordt of grondig van bestemming wijzigt.

ste instantie geproduceerd voor verlichting. Later werd verwarmen en koken ontwikkeld als functie. Kolen werden dusdanig

Aansluitend aan het forum werd er een bezoek gebracht aan

verhit dat er gas uit ontsnapte. Dit gas werd gezuiverd en opge-

enkele markante projecten in Parijs: Saint-Etienne-du-Mont,

slagen in een gashouder om vervolgens door leidingen onder

Salnt-Cermaln-en-Auxerrois, Saint-Odile en vooral aan de Sainte-

de grond naar huizen en andere gebouwen gedistribueerd te

Chapelle waar kennis gemaakt werd met de omvattende restau-

worden. Een gassite werd aan de rand van de stad gebouwd.

ratie van de beroemde glasramen uit de 13de en 15de eeuw

Door de groei van de stad werd de site ingesloten. Als de vraag

waareen systeem van beschermende buitenbeglazing werd

naar stadsgas bleef stijgen was verhuizen van de gasfabriek

toegepast met thermogeformeerd glas, waarbij de loodlijnen

naar een ander deel van de stad nodig. Elke gassite is uniek

van het gebrandschilderde glas in reliëf hernomen zijn in het

door de ontwikkelingsgeschiedenis en door de fabricageproces-

buitenglas.

sen die er plaatsvonden. Ook de geografische ligging en het klimaat maken een gassite

Verslagboek tegen € 39 te bestellen via /COMOS France: http://france.icomos.org/store/ Publications-speciales/3709-Le-vitrail-commentprendre-soin-d-un-patrimoine-fragile-Stained-glass-howto-take-care-of-a-fragile-heritage

uniek. Zo zijn in landen met strenge winters de gashouders in een gebouw geplaatst omdat de gashouder het gewicht van de sneeuw niet kan dragen en de afdichting anders stuk zou vriezen waardoor er gas kan ontsnappen. Niet alleen fabrieken voor stadsgas zijn bezig geweest met de besproken technologie. Vele fabrieken en spoorwegsites hadden vaak hun eigen productie van gas. Dit laatste is nog minder bekend dan de stadsgasfabrieken. Ogenschijnlijk onbeduidende

Martijn Kivit

fabrieksterreinen zouden dus ook op hun industriële erfgoedwaarde voor gasproductie gescand moeten worden om het verhaal compleet te krijgen. Aan de hand van oude landkaarten en archiefstukken kan vrij snel geconcludeerd worden of er

INTERNATIONAL SYMPOSIUM AND EXHIBITION ON THE REDEVELOPMENT OF MANUFACTURED CAS PLANT SITES

gasproductie heeft plaats gevonden.

Op 9 en 10 november jongstleden vond het Sixth International

Restproducten werden met opzet gedumpt en verdwenen een-

Symposium and Exhibition on the Redevelopment of Manufactured

voudigweg in de bodem. De restproducten ontstaan door het

Cos Plant Sites (MCP 2015) plaats. Het is een met wisselende

zuiveren van het gas, nadat het aan de kolen onttrokken is. Pas

regelmaat terugkerende bijeenkomst voor educatie en profes-

door de introductie van wetgeving kwam aan het dumpen een

Een voormalige gassite heeft per definitie bodemvervuiling.

sionele netwerken op het gebied van gassites. Normaliter vindt het symposium in de Verenigde Staten plaats. Dit jaar was Cent het toneel dankzij de hulp van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) die aanbood om mee te organiseren. Eerder heeft OVAM in het centrum van Cent het terrein van de gassite Waalse Krook gesaneerd. Het jaar 2015 is door de Raad van Europa uitgeroepen tot Industrial and Technical Heritage Year. Tevens is dit jaar door de Verenigde Naties uitgeroepen tot International Year of Soils. Daarom concentreerde het symposium zich dit jaar grotendeels op het saneren van de bodem. Naast dit hoofdthema was er ruimte voor de historiek van gassites en voor het algemene begrip van hoe een gassite functioneerde. Ten slotte was er een bezoek aan de voormalige gassite van het herbestemmingsproject De Tondelier \r\ Cent. Het agentschap Onroeredn Erfgoed is bij dit project betrokken vanwege de twee beschermde gashou-

Twee voormalige gashouders in Gent. Alleen de geleiders zijn zichtbaar, de rest bevindt zich onder de grond (foto M. Kivit)


einde. Door de fabricageprocessen van een voormalige gassite te kennen kan redelijk goed voorspeld worden welke vervuiling

Varia

waar in de bodem aangetroffen zal worden. Hiervoor is archiefonderzoek noodzakelijk. Door eerdere herontwikkeling kan de grond van de gassite vervuild zijn met nog meer andere stoffen dan die welke van de gasfabriek afkomstig zijn. De grond is dan

Persbericht

gedeeltelijk afgegraven voor de komst van een nieuwe fabriek. • i—i

14

De nieuwe fabriek bracht zijn eigen vervuiling mee en voegde dus een laag toe.

RED DE BESLOTEN HOFJES

Budgetten en tijd staan meer en meer onder druk. Daarom zal

Vanaf vandaag kan iedereen een steentje bijdragen aan de

er in de toekomst vaker beperkt gesaneerd worden. Dit wil zeg-

restauratie en conservatie van de zeven Besloten Hofjes van

gen dat niet meer alle vervuiling verwijderd wordt. Afhankelijk

Mechelen. Met een grote crowdfundactie wil Musea & Erfgoed

van de mate van vervuiling wordt het terrein dusdanig ingericht

geld inzamelen om de volledige reeks hofjes te behandelen en

dat de kans op aanraking met de chemische stoffen geminima-

klaar te maken voor een permanente opstelling in het nieuwe

liseerd wordt.

stadsmuseum. De Besloten Hofjes zijn 16de eeuwse retabel-

In Vlaanderen zijn 120 gassites met potentiële vervuiling

kastjes gemaakt door de Mechelse gasthuiszusters.

geïdentificeerd. Deze vervuiling staat een herontwikkeling in de

De Besloten Hofjes behoren tot de absolute hoogtepunten uit

weg. Ze is namelijk een bedreiging voor zowel de aannemers

de collectie van Musea & Erfgoed Mechelen. Deze i6de-eeuwse

die op de voormalige site aan het werk gaan als de omwonen-

retabelkastjes gemaakt door de Mechelse gasthuiszusters zijn

den van de site. Vlaanderen kent als enige een bodemattest.

sinds 2011 geregistreerd als Vlaamse topstukken. Uiterst nauw-

Hiermee wordt aan de koper van een stuk grond duidelijk

gezet creëerden de zusters hun hofjes met daarin voorstellin-

gemaakt wat voor vervuiling zich in de bodem bevindt. Wat dit

gen van een ideale, spirituele en paradijselijke wereld. Behalve

betekent in termen van sanering wordt door de koper vaak min-

geschilderde panelen en polychrome beeldjes, vind je er ook

der goed begrepen.

tientallen handgemaakte zijdebloemen, minuscule gebruiks-

Om een nieuwe woonwijk te bouwen is in Arnhem (Nederland)

voorwerpen, glazen parels, druiventrosjes gemaakt van ker-

de bodem van de tweede gassite gesaneerd. Deze sanering was

senpitten, stukjes echte beenderen en allerlei kleine relikwieën.

uniek doordat er als enige in de wereld archeologie plaats vond

De Besloten Hofjes zijn zeldzame voorbeelden van 'anonieme'

tegelijkertijd met de bodemsanering. Bodemvondsten konden

vrouwelijke kunst, devotie en spiritualiteit. Zij zijn uniek in hun

gekoppeld worden aan de productie die er heeft plaats gevon-

soort en nergens ter wereld vind je een zo'n grote verzameling

den. Samen met archiefonderzoek is zo het gehele verhaal van

van Besloten Hofjes.

gasproductie in Arnhem in kaart gebracht

Helaas maakt hun kwetsbaarheid en diversiteit aan materialen de bewaring van de hofjes niet altijd makkelijk. Om ook

Er zijn nog gassites met gebouwen en ondergrondse infrastruc-

volgende generaties van de Besloten Hofjes te kunnen laten

tuur. Deze zullen grotendeels verdwijnen. Het saneren van de

genieten, is een team van specialisten in 2014 gestart met de

bodem is duur. Alleen op die locaties waar de grondprijs hoog

restauratie van de drie Besloten Hofjes. Zij zullen voor het eerst

genoeg is genereert de herbestemming voldoende financiële

weer aan het publiek getoond worden tijdens de tentoonstelling

middelen om niet alleen de bodemsanering te financieren maar ook voor het behouden van het industriële erfgoed. Besloten hofje met Calvarie en Jacht op de Eenhoorn (© KIK Brussel)

r

Symposium deelnemers onderin een van de twee gashouders die leeggepompt is (foto M. Kivit) a?- 1

*

-

M I

•


Op Zoek naar Utopia in Leuven in het najaar van 2016. Musea &

zich actiefin te zetten voor de realisatie van de doelstellingen

Erfgoed Mechelen gaat nu nog op zoek naar middelen om ook

en de werking van de vereniging.

de vier andere hofjes te restaureren, zodat ze als reeks kun-

De vereniging wil de erkenning van het beroep van restauratie-/

nen worden opgenomen in de permanente opstelling van het

conservatiearchitect bevorderen als specialisatie van de archi-

nieuwe stadsmuseum dat in 2018 haar deuren zal openen. Het

tectuurpraktijk. Wij willen de collegialiteit onder de leden en van

is nu of nooit voor de Besloten Hofjes. Een topteam van acht

de restauratie-/conservatiearchitecten bevorderen, onder meer

restauratoren, elk met een eigen specialisatie, werkt nu aan de

door het delen van informatie en kennis en door het opbouwen

eerste drie hofjes en zou graag verder werken om de hele reeks

van een netwerk.

te restaureren en het proces te documenteren.

De vereniging wil zich als gespreksforum opwerpen voor iedereen die actiefis bij de conservatie en restauratie van

"Met de Besloten Hofjes beschikt de Mechelse collectie over

het onroerend, roerend en immaterieel erfgoed en wil zich

een verzameling échte topstukken, een unicum in de wereld.

vertegenwoordigen in andereorganisaties actiefin het veld.

Een schat die we moeten koesteren." zegt Björn Siffer, Mechels

Corduna wil op termijn ook een forum worden door het orga-

schepen van Cultuur en Toerisme. "Ook het restauratieproces

niseren van of het meewerken aan vervolmakingsinitiatieven,

van deze gelaagde kunstwerken is uniek en kan op internatio-

opleidingen, studiedagen, lezingen, tentoonstellingen en het

nale belangstelling rekenen."

uitgeven van publicaties. Corduna wil zich specifiek richten op het bespreken van,

Musea &. Erfgoed Mechelen doet daarom beroep op het grote

adviseren in, en de goede toepassing bewerkstelligen van

publiek om een deel van dit restauratieproject te bekostigen.

regelgeving waaraan het gebouwde erfgoed onderworpen is en

Met een crowdfundactie via het online platform Crofun wil ze In

aanbevelingen doen die de goede restauratiepraktijk beogen,

het totaal i o 000 euro ophalen. Doneren kan al vanaf 5 euro en

van lokaal tot internationaal niveau.

tegenover elke donatie staat er een leuke return. Ook ideaal als alternatief kerstcadeautje dus! Naast het crowdfunden zal er nog gezocht worden naar extra subsidies en sponsors, want met 10 000 euro zijn nog niet alle kosten gedekt. De crowdfundactie is voor Musea & Erfgoed meer dan een grote geldinzameling; het is ook de bedoeling de Mechelaar en het brede publiek bewust te maken van het cultuurhistorisch belang van deze bijzondere hofjes en hen trots te laten zijn op 'hun' topstukken.

De huidige samenstelling (oktober 2015) van de vereniging is: Karel Beeck, Karel Breda, Wouter Callebaut, BenoTt Delaey, Philippe Depotter, Robin Engels, Jochen Ketels, Rutger Steenmeijer, Stijn Thomas, Barbara Van der Wee, Dries Vanhove, Edith Vermeiren en Philippe Vierin. De statuten en de huishoudelijke orde van de vereniging kunnen ter informatie opgevraagd worden en kandidaturen voor lidmaatschap ingediend via: info@gorduna.be

Tijdens de crowdfundactie, die drie maanden loopt, zal Musea &, Erfgoed enkele speciale acties ondernemen. Zo staat er een CT-scan (3D beeldvorming met Röntgenstralen) van een hofje in AZ Maarten in Mechelen op het programma en zijn de jon-

"Carinea werd aan één zijde begrensd door Eekhout, een heilig

geren van Project Wolf druk in de weer om leuke filmpjes over

en geheimzinnig bos. Aan de andere zijde van Eekhout, meer

de hofjes te maken. Fans of Flanders kwam al eerder langs om

naar de Leie toe, lag Corduna, de nederzetting van een zacht-

een mooie reportage in te blikken.

aardige, Keltische stam, de Cordunen. Hun stamhoofd had zich een mooi kasteel laten bouwen.

Meer informatie vindt u via; Projectpagina: www.beslotenhofjes.com Crowdfundpagina: www.crofun.be Facebook: www.facebook.com/uwstadsmuseumisnietaf Twitter: twitter.com/Uw_Stadsmuseum

Huize Malpertuus, waarover al gauw vele verhalen de ronde deden. Toen Carineus over Huize Malpertuus hoorde, werd hij toch wel nieuwsgierig en hij besloot om zijn buurman met een bezoek te vereren. Onderweg ontmoette hij een mooi jong meisje dat op de helling blauwe kelkbloemen plukte. Het bleek Corduna, de dochter van het Keltische stamhoofd te zijn. Zoals in alle verhalen deed ook hier Cupido zijn werk en korte tijd later werd een gelukkig huwelijk gesloten, dat eenjaar

CORDUNA, VERENIGING VOOR RESTAURATIEEN CONSERVATIEARCHITECTEN

later verrijkt werd met de geboorte van een lief, schattig dochtertje, Canda. Een logisch gevolg van deze verbintenis was natuurlijk dat beide volkeren en nederzettingen versmolten tot

Op 19 september 2014 werd Corduna vzw boven de doopvont

één gemeenschap en één stad, die de naam Canda kreeg, wat

gehouden. Deze vzw wil restauratie- en conservatiearchitecten

in de volksmond al gauw Cent werd."

in Vlaanderen en Brussel verenigen en richt zich tot de bij de Orde van Architecten ingeschreven architecten (natuurlijke personen) die professioneel actief zijn in de conservatie en restauratie van bouwkundig erfgoed. Onze leden engageren zich door

uit Gentianen. Een resem oude Gentse sagen, samengesteld door dr. Paul de Ryck, Gent, Dienst voor Toerisme, 1955, p. 11-13


M&L 1981 -2015 \n januari/februari 7997, in de raadszaal van het voormalig ASLK-directiegebouw in Brussel, bekende Edgard Coedleven bij zijn: lojaar M&L, boegbeeld en troetelkind van het Bestuur Monumenten en Landschappen niet zonder gepaste trots dat een decennium voordien zijn evensverwachting voor het tijdschrift maar eerder matig waren, maar tegelijk dat een vaktijdschrift na tien jaar standhouden de inspanningen waard geweest was, desgevallend zonder enige spijt of schroom kon ophouden te bestaan."


evenmin als voor de eerdere bouwfazen in 1607 en 1610, met zekerheid de omvang de bouwactiviteiten worden bepaald. Wel is het aannemelijk dat de straatvleugel tijdens een latere bouwcampagne in 1691 grondig werd gewijzigd en dat het deel dat onmiddellijk aansluit op de kerk, dan integraal was herbouwd (33).

^«/V/r. rfc. Li tufie

Inrichting tot Veteranorum en SeminarieGeneraal Als de jezuïetenorde in 1773 na lang aanslepende politieke verwikkelingen werd opgeheven, werden al hun gebouwen en bezittingen in de Zuidelijke Nederlanden in beslag genomen door de Habsburgse overheid, die het Comité Jesuitique in het leven had geroepen om het patrimonium te beheren en te herbestemmen. Tijdens de grootschalige nieuwbouwwerken aan het aanpalende Pauscollege in 1775-1778 namen de theologiestudenten hun intrek in een deel van de leegstaande jezuïetengebouwen. Nadien, in 1778, werden de plannen getekend om het geheel in te richten als Collegium Veteranorum, wat de nodige verbouwingen vereiste. Op een plan uit dat jaar, waarop het deel van de tuinen is aangeduid dat aan het Pauscollege zou verkocht worden om de uitbreiding ervan mogelijk te maken, is het voormalige jezuïetencollege in zijn toenmalige en maximale omvang te zien (34). Indien de bisdommen der Spaanse Nederlanden in de eerste helft van de 17de eeuw te lijden hadden onder een groot tekort aan priesters, en dan vooral de streken aan de grens met de Verenigde Provinciën, dan was dit tegen het midden van de 18de eeuw dankzij ruime mogelijkheden tot priesteropleiding, omgekeerd in een belangrijk priesteroverschot. Nieuw gewijde priesters moesten soms jaren wachten alvorens een passende betrekking te krijgen. De enige collegestichting in de 18de eeuw in Leuven was in dat opzicht veelbetekenend: het was de bedoeling dat afgestudeerde priesterstudenten in het Veteranencollege zouden kunnen verblijven in afwachting van een benoeming. Hier kregen ze dan in die tussentijd bijkomende pastorale bijscholing, zodat ze zich niet onledig zouden houden of integendeel op meer wereldse bezigheden zouden richten (35). De straatvleugel en twee dwarse vleugels werden behouden, terwijl de middelste dwarsvleugel werd afgebroken. Intern werd voorzien in verschillende wijzingen, het verplaatsen van muren en een grondige herinrichting van de ruimten. De aansluiting tussen de straatvleugel en de grote dwarse vleugel kon worden gewijzigd en de achtergevel van de straatvleugel neergehaald en in meer oostelijke richting herbouwd zodat een circulatiegang zou worden gerealiseerd. Deze plannen werden echter

•

niet volledig uitgevoerd wegens de opeenvolgende functiewijzigingen ten gevolge van de woelige politieke situatie op het einde de 18de eeuw. Bij de oprichting van het Seminarie-Generaal werden namelijk nieuwe grondige verbouwingen gepland. Als gevolg hiervan werd de benedenverdieping opnieuw heringedeeld en heraangekleed. De hoofdingang werd één travee verplaatst in zuidelijke richting. Uit deze periode dateert de huidige hardstenen omlijsting met driehoekig fronton in de Sint-Michielsstraat (de vroegere 's Meierstraat), met opschrift "seminarium regnum / theologis.veteranis.pastorali.officio / aptandis.auspiciis. Mariae.Theresia.augustae / Josepho.II.conregente.VII. kal.dec.MDCCLXXVIII / erectum.car.Lotharingo. Belgii.Praefecto / Ge.Adamo.Starhembergio.rerum. administro".

Plan de l'église et college des Jésuites ó Louvain et d'une portie de la v\lle van het voormalige jezuïetencomplex met tuin en de Sint-Michielskerk (Rijksarchief. Oude Universiteit Leuven, nr. 4348)

Bij de overdracht van de gebouwen aan de Faculteit Theologie met als doel de oprichting van het Veteranencollege, moesten aan enkele voorwaarden voldaan worden. Vooreerst diende een woning

M&L I 35


Plan van het primitief kadaster met de Sint-Michielskerk en gelijknamige straat. Aansluitend op de kerk de restanten van het jezuïetencollege, het grote vierkant is de binnenkeer van het vernieuwde Pauscollege, dan in gebruik als Hötei des Invalides. Het plein voor het Pauscollege, nu Hogeschoolplein, heet dan Place d'Armes

«^ « ^ ^ ^

\ • ff 36 IM L

ingericht te worden voor de priester van de voortaan van de gebouwen afgescheiden SintMichielskerk en bijkomend moest een archiefruimte ter beschikking gesteld worden om er het lokale archief van de opgeheven jezuïetenorde in onder te brengen. De priesterwoning situeerde zich vermoedelijk in de zuidelijke dwarse vleugel die een rechtstreekse verbinding had met de kerk. De overige gebouwen dienden als opbrengsthuizen waarvan het huurgeld het nieuwe Veteranencollege ten goede kwam. Dit lot ondergingen onder meer de twee huizen en de grote collegevleugel in de Charles De Beriotstraat waar zich de brouwerij en de leslokalen van de jezuïeten bevonden en waar dertien particuliere huurwoningen werden ingericht (36). De buitenmuren bleven bewaard, maar het inwendige werd volledig herbouwd. Ook de grote tuin werd gedeeltelijk te gelde gemaakt om het nieuwe college van inkomsten te voorzien: een deel werd verkocht ter uitbreiding van het nieuw gebouwde Pauscollege. Met het oog op de instelling van een Seminarie-Generaal, kreeg hofarchitect Louis Montoyer in 1786 de opdracht van keizer Jozef II om de aan elkaar palende gebouwen van het Pauscollege, het Veteranencollege, het Baiuscollege en het Van Winckelecollege om te bouwen tot één groot complex ter huisvesting van de in eerste instantie verwachtte 600 studenten, een aantal dat later zou worden opgetrokken tot 1400 (37). De president van het nieuwe Seminarie vond onderdak in het presidentskwartier van het Veteranencollege: de exacte locatie hiervan blijft onbekend, maar volgens de deels uitgevoerde plannen van 1778, zou deze in de oostelijke hoek van de noordelijke dwarse vleugel ingericht worden, waar door het samenvoegen van bestaande ruimten een enfilade van presidentiële vertrekken elkaar zouden opvolgen: een traphal, antichambre, eetkamer en groot salon.

Geheel volgens de tijdsgeest bedacht Montoyer een groots opgezet complex bestaande uit verschillende gebouwenvleugels die symmetrisch ingeplant zouden worden rond drie ruime binnenkoeren. De bouwwerken namen snel een aanvang en startten kort daarna, op het einde van het jaar 1786 of het begin van 1787 en vorderden aan een verschroeiend tempo. De bestaande, haaks op de straatvleugel ingeplande vleugels van het Pauscollege werden tot 23 traveeën verlengd en de eerste binnenplaats werd afgesloten door een nieuwe, twee bouwlagen hoge vleugel in strenge classicistische stijl, die tot op vandaag is bewaard gebleven. In de SintMichielstraat werden de minstens tot de 16de eeuw teruggaande noordelijke traveeën van het jezuïetencollege afgebroken ten voordele van een nieuwe straatvleugel met een grote koetsdoorrit naar de tweede binnenplaats. De zestien zuidelijke traveeën bleven behouden: het is dit deel dat vandaag het pas gerestaureerde Veteranencollege uitmaakt. De verschillende oudere dwarsvleugels, die teruggaan totr de gebouwen van de vroegere adellijke hoven en door de jezuïeten waren uitgebreid, werden nu afgebroken en vervangen door de monumentale nieuwbouw van wat vandaag het Maria-Theresiacollege wordt genoemd. Door de tijdelijke opschorting van het Seminarie-Generaal vielen de bouwwerken eind juni 1787 alweer stil maar een groot deel van de werken was intussen voltooid (38). Als op 20 november 1789 het SeminarieGeneraal uiteindelijk definitief werd opgeheven, bleek het complex volledig volgens de plannen van Montoyer te zijn afgewerkt. Het complex bleef aansluitend op de opheffing jarenlang leeg staan.

Hotel des Invalides, Rijksuniversiteit, Filosofisch College en école Spéciale Over de aanpassingen van de gebouwen om dienst te doen als een bijhuis van het Parijse Hotel des Invalides in de periode tussen 1797 en 1814, zijn geen gegevens bewaard gebleven (39). Op vraag van het centraal bestuur werden in 1806 het aanpalende Standonckcollege en de pedagogie Het Varken, die vermoedelijk in slechte staat waren en waar bordelen waren ingericht, afgebroken om plaats te ruimen voor een groot rechthoekig plein, de Place Impériale, die in 1812 geheel volgens de toenmalige regels der kunst met bomen werd beplant, naar ontwerp van stadsarchitect De Rare. De naam van het nieuwe plein zou nog wijzigen naar Place des Invalides en, vanaf 1829 naar Place Saint-Michel, om vanaf 1842 Place de l'Université, nu Hogeschoolplein, te heten (40). In 1817 gaf de nieuwe eigenaar, de stad Leuven, de gebouwen van het Veteranencollege in gebruik aan de nieuwe Rijksuniversiteit die er een laboratorium in onderbracht. Hierbij werd het gebouw opnieuw


W:illH.llMS«»-1MUlV.V'IOA\1l\Ms-W|

;,,;;..

, ^ , ^

j

,;

^ [

;r^'i^t:t^^' \'"-: i •••••••••••••••i e ••••••iii|iiii-;

gedeeltelijk heringedeeld en heringericht en werden de muren uit de bouwcampagne van 1786 terug afgebroken. Mogelijk gaat de huidige indeling van het gebouw grotendeels op deze bouwcampagne terug. In 1825 wijzigde de functie echter opnieuw en voortaan maakten de gebouwen van het Veteranorum deel uit van een groter geheel waarin het door koning Willem I opgerichte Filosofisch College werd gevestigd. Hiertoe werden onder meer een nieuw groot auditorium op halfronde plattegrond in sobere neoclassicistische stijl opgetrokken, de huidige Grote Aula van de universiteit (41). In de periode gaande van de afschaffing van het Filosofisch College in 1830 tot de inbreng van de

Speciale Scholen in 1893 werd het oude Veteranencollege gespaard van verdere verregaande verbouwingen. Op basis van plannen van Joris Helleputte werd het gebouw opnieuw ingericht waarbij sommige muren werden afgebroken en nieuwe wanden werden geplaatst. Op de binnenkeer werd een nieuwe aula op vierkant grondplan gebouwd. Vermoedelijk werd de hoofdtrap toen verplaatst waarbij delen van het houtwerk, zoals de baluster trapleuning en de houten trappaal uit het einde van de 18de eeuw in Lodewijk XVI-stijl, werden hergebruikt (42). Omstreeks 1900 werden cementen tegelvloeren met geometrische en florale motieven aangelegd in de gang en inkomhal terwijl de indeling van de verdieping niet werd gewijzigd. Dit gebeurde later, na 1921, toen hier een lange gang werd ingebracht waartoe nieuwe scheidingswanden werden gebouwd. Hoewel grote delen van het Pauscollege en het Maria-Theresiacollege omstreeks 1965 en 1985 grondig werden gerenoveerd, waarbij het interieur een volledig nieuwe indeling en aankleding kreeg, bleven de oude gebouwen van het Veteranencollege gevrijwaard (43). Hiermee vormt het Veteranencollege het oudste deel van het ensemble van de drie colleges Paus-, MariaTheresia- en Veteranencollege. De interieuraankleding is verre van oorspronkelijk gezien de zeer woelige gebruikersgeschiedenis en de vele aanpassingen die dit telken male met zich mee-

Gravurevan Blockhuysen, Collegium Societatis lesu Lovaniensis, waarop de verschillende vleugels van het Jezuïetencollege staan afgebeeld: vooraan de van de sloop gespaard gebleven straatvleugel, het latere Collegium Veteranorum (uit SANDERUS A.,Chorographm sacra Brabantiae, Den Haag, 1726-1729)

De voorgevel van de straatvleugel De voorgevel van de straatvleugel van

van het voormalige jezuïetencollege

het voormalige jezuïetencollege

met achteraan de Sint-Michielskerk

(postkaart van vermoedelijk

(postkaart van vermoedelijk begin 20ste

begin 20ste eeuw)

eeuw)

Louvain. — College du Pope

M&L

37


bracht, maar bevat toch belangrijke historische componenten, waarmee in het restauratieproject rekening werd gehouden.

Recente herbestemming van het Veteranorum Voorafgaand aan de in 2009 voltooide restauratie, stond het gebouw enige tijd leeg. Bij de herbestemming en restauratie werden een aantal ongelukkige ingrepen en verbouwingen ongedaan gemaakt en werden de historische elementen niet alleen behouden en geherwaardeerd, maar tevens aangevuld met eigentijdse elementen om tot een harmonisch architecturaal geheel te komen, in overeenstemming met het historische karakter van het gebouw. Er werd in dit geval niet gestreefd naar het herstellen of bevestigen van één bepaalde periode of stijl die in het gebouw aanwezig is, maar naar het handhaven van een historische continuïteit waarbij waardevolle elementen uit verschillende perioden in de bouwgeschiedenis van het gehele complex naast elkaar werden gevaloriseerd en tegelijkertijd nieuwe ingrepen in een eigentijdse vormgeving mogelijk waren. Na de restauratie is het gebouw in gebruik genomen door de centrale diensten en het decanaat van de faculteit van de Godgeleerdheid. Er is ook een appartement voor een conciërge ingericht. Ter voorbereiding van het restauratieproject is op vraag van Onroerend Erfgoed een historisch vooronderzoek uitgevoerd in 2003-2004. Voorliggende bijdrage ontleent veel van de vermelde historische gegevens aan dit onderzoek, uitgevoerd door het ontwerpbureau

Plan voorgevel, toestand na de werken (arch. P. Van Aerschot)

38 I M

L

BOA (44). Deze gegevens werden aangevuld met eigen onderzoek en observaties vóór, tijdens en na de restauratie. Om het historisch onderzoek aan te vullen en te vervolledigen werd een materiaaltechnisch vooronderzoek van de afwerkingslagen in het gebouw uitgevoerd door Studiebureau Monumentenzorg (45). Het onderzoek werd inhoudelijk begeleid door Onroerend Erfgoed en betoelaagd met een restauratiepremie (46). De eigen diensten van de universiteit onderzochten de bouwfysische toestand van het gebouw, waarbij vooral aandacht gng naar de controle van de toestand en opbouw van de plafonds en houten vloeren. De restauratie van het gebouw werd voltooid in 2011. Bij de herbestemming werd de monumentale inkompartij van het Maria-Theresiacollege opnieuw ingericht als de hoofdtoegang tot het gebouw. De in de loop der tijd aangebrachte secundaire toegangen in de achtergevel bleven wel behouden en een nieuwe interne verbinding werd ingebracht met de gemeenschappelijke hal van het aanpalende MariaTheresiacollege. Het gebouw werd in overeenstemming gebracht met de hedendaagse regelgeving omtrent brandveiligheid en evacuatiemogelijkheden: het is voortaan verticaal en horizontaal gecompartimenteerd met brandwerende constructies met een brandweerstand van 1 uur en elk compartiment kan via een afzonderlijke trap geëvacueerd worden. Hiertoe diende een bijkomende betonnen trap te worden ingebracht in het gebouw en op de bovenverdiepingen moest de bestaande historische trap door brandwerende wanden en deuren worden


Grondplan der verdiepingen, toestand na de werken (arch. P. Van Aerschot)

KAIHOUEKE UMVDKITEIT TE LEUVEN

» FocuTDT ntöïöaë

T~-

T^

VtRMUWlMG CCILEaUM VlfEfiAHWnJM , • -

jl ® ®

beveiligd. Bij de afbakening van de compartmenten is rekening gehouden met de historische structuren: er is met dat doel gezocht naar die plaatsen waar de brandweerstanden konden worden gerealiseerd zonder de erfgoedwaarden te schaden (47).

De straatgevel van het Collegium Veteranorum. Toestand na de restauratiewerken (foto O. Pauwels 2012)

aks

®

Bouwchronologie en -sporen Het Veteranencollege omvat de straatvleugels van het vroegere jezuïetencollege, waarvan alle dwarse, dieper liggende vleugels eertijds zijn afgebroken om plaats te maken voor de i8de-eeuwse nieuwbouw van het aanpalende Paus- en Maria-Theresiacollege. De laatste weergave van de noordelijke gebouwen is op een plan uit 1778, toen de mogelijkheid van het behoud van een deel ervan nog werd overwogen. De afbraak van de zuidelijke dwarsvleugels is te dateren tussen 1787 en 1821 (48). De exacte datering van de bewaard gebleven vleugel blijft problematisch: de enige archiefbronnen tonen aan dat de twee delen ervan grondig verbouwd werden in respectievelijk 1607 (het noordelijke deel) en 1691 (het zuidelijke deel, naast de Sint-Michielskerk). De scheidingsmuur tussen beide delen behoort tot het noordelijke deel, dat dus ouder is. Het zuidelijke deel werd hier tegenaan gebouwd. De bouwnaden tussen dit zuidelijke deel in aansluiting met de kerk doen vermoeden dat deze laatste eerst gebouwd was alvorens dit deel van het college er werd aangebouwd. Daar de kerk in de periode 1651-1665 is opgetrokken, dateert het zuidelijke deel van het college van daarna en is de kans groot dat dit inderdaad uit 1691 stamt. Op het ogenblik van de publicatie van de gravure van Blockhuysen in 1727 was het geheel zeker afgewerkt. Het noordelijke deel is ouder dan het zuidelijke en gaat vermoedelijk grotendeels op de verbouwingen van 1607 terug, met hergebruik van oudere delen, afkomstig van de bestaande vleugels

M&L I 39


De straatgevel van het Collegium Veteramrum. Toestand na de restauratiewerken: een aantal vensters van de eerste verdieping zijn opnieuw opengemaakt (foto O. Pauwels 2012)

van de door de Jezuïeten aangekochte adellijke hoven. De drie meest noordelijke traveeën blijken inderdaad ouder en ook op het niveau van de kap is hier een onderscheid te maken met de rest van het gebouw (zie verder). Het is niet uitgesloten dat dit overeenkomt met een deel van de vleugel die de grote zaal, huiskapel en trapzaal bevatte van het Hof van Schoonhoven (49). Bij het vertrek van de

De straatgevel van het Veteranencollege met het later ingebrachte classicistische portaal. Toestand na de werken (foto O. Pauwels 2012)

ü

Mm

Jezuïeten, was het straatgebouw nog langer, maar de meest noordelijke traveeën, mogelijks eveneens opklimmend tot dit Hof, werden afgebroken voor de bouw van de nieuwe grote koetsdoorgang van het Maria-Theresiacollege. Waar de buitenmuren en de scheidingsmuur teruggaan tot de oudste en originele bouwfazen, geldt dit niet voor de binnenstructuur van het gebouw: de opeenvolgende verbouwingscampagnes wijzigden telkens veel van de inwendige dispositie van de ruimten. De eerste verbouwingen dateren van 1778 voor de inrichting als Veteranencollege. In 1782 werd het huidige toegangsportaal samen met de muren van de inkomhal ingebracht. In de periode 1787-1789 volgde de herinrichting naar ontwerp van Montoyer als onderdeel van het Seminarie-Generaal. De indeling van de zuidelijke vleugel gaat terug op de verbouwingen tot Speciale School onder Joris Helleputte vanaf 1893. De salons op de verdiepingen vertonen i9de-eeuwse stijlkenmerken. Voor 1841 werden hier zes ramen in de voorgevel dicht gemetst om nog onduidelijke redenen: omwille van een reorganisatie van het interieur, het tegengaan van straatlawaai of inkijk, of een belasting op het aantal vensters? De inbreng van de gang dateert van na 1893. Ook de toegangen tot het gebouw, zowel in voor- als achtergevel, wijzigden vaak van plaats in overeenkomst met de interne reorganisaties. Over het algemeen betekent dit de inrichting van gangen om de verschillende ruimten te verbinden in plaats van de doorgangen van de ene ruimte naar de andere.

40 I M

L


gebouwd die daartoe gedeeltelijk werd afgebroken maar op zolderniveau duidelijk zichtbaar is: het bestaan van deze wand verklaart mogelijkerwijs de verticale scheuren in de scheidingswand. De sporen van een witstenen sokkel wijzen erop dat deze wand ooit een buitenwand was (50).

Materiaaltechnisch onderzoek Het Veteranencollege bestaat in wezen uit twee hoofdvleugels, elk twee bouwlagen hoog, die in eikaars verlengde langs de Sint-Michielsstraat liggen. Deze opdeling is ook afleesbaar in de straatgevel. Deze voorgevel kent de voor onze streken traditionele 16de en lyde-eeuwse opbouw in de zogeheten bak- en zandsteenstijl met een witstenen plint, speklagen, raamomkaderingen en stellinggaten. Het gebruik van de karakteristieke natuurstenen speklagen en omkaderingen der ramen is niet uniform toegepast over de volledige lengte van de gevel. De oudste muren zijn opgebouwd uit massief baksteenmetselwerk met dikte variërend tussen 30 en 50 cm. wat overeenkomt met anderhalf tot twee stenen. Het metselwerk van deze oudste muren, waartoe ook de volledige voorgevel behoort, is namelijk opgebouwd met relatief grote bakstenen van formaat 25 x 12 x 5,5 cm, soms ook Spaanse moeffen genoemd, waarbij als metselverband voornamelijk het kruisverband is toegepast. Waar beide vleugels op elkaar aansluiten zijn enkele onregelmatigheden te merken. De achtergevel, waaraan na de bouwtijd verschillende wijzigingen zijn doorgevoerd, bestaat in hoofdzaak uit hetzelfde type metselwerk, maar de voorzetwand, die is aangebouwd om de scheefstand en verzakkingen te verdoezelen, is opgemetst in een kleiner formaat 19,5 x 9,5 x 5cm in een onregelmatig metselverband. Ook de kleine aanbouwvolumes zijn in een klein formaat baksteenmetselwerk uitgevoerd. De scheidingswand tussen beide vleugels werd tegen een oudere muur aan-

De straatgevel en Sint-Michielskerk, oestand na de werken (foto O- Pauwels 2012)

Wat de buitenramen betreft, is een groot aantal verschillende constructiewijzen zichtbaar (51). Dit wijst op de complexe bouwgeschiedenis van het geheel, dat tot stand is gekomen in verschillende losstaande bouw- en uitbreidingsfasen gevolgd door meerdere verbouwingscampagnes. Een belangrijke vaststelling is dat de vensters in de voorgevel allemaal kruisvensters waren. Er zijn twee verschillende manieren toegepast om de druklast boven deze kruisvensters op te vangen en af te leiden: bij aanwezigheid van een speklaag werd een wigvormige steen boven de verticale tussenstijl aangebracht en bij afwezigheid van een speklaag werden twee ontlastingsboogjes gebruikt. Beide methodes wijzen ondubbelzinnig op de oorspronkelijke aanwezigheid van kruismonelen, die later echter werden verwijderd met uitzondering van de twee dichtgemetste vensters op de bovenverdieping waar de stenen stijlen in het invulmetselwerk zijn bewaard gebleven. Waar de tussenstijlen en -dorpels zijn weggenomen, ondersteunen smeedijzeren staven de latei. Op sommige plaatsen verbinden smeedijzeren krammen de onderdelen van de latei met elkaar.

De kappen van het Veteranencollege Er zijn drie verschillende types gebinten in de kap van het Veteranorum, die getuigen van de complexe bouwgeschiedenis. De eerste groep van zes gebinten is asymmetrisch opgebouwd door een opeenstapeling van twee schaargebinten: het tweede gebint rust aan straatzij de op het eerste gebint eronder, maar aan de achterzijde steun het op een metselwerkwand, die hoger is dan de voorgevel. De bovenste twee schaargebinten zijn voorzien van een centrale makelaar. Deze gebinten dragen de telmerken I tot VI oplopend van het noordoosten naar de kerk toe. De tweede groep gebinten is opgebouwd uit drie op elkaar gestapelde, naar boven toe verjongende schaargebinten. Deze gebinten dragen de telmerken I tot VII oplopend naar het noordoosten toe. De gebinten zijn regelmatig en traditioneel van opbouw. De schuin geplaatste stijlen zijn telkens met de dekbalk verbonden waarbij de verbinding telkens met de gebruikelijke schuine korbeel wordt verstevigd. De telmerken van deze beide groepen gebinten zijn met de beitel aangebracht, wat een aanwijzing kan zijn dat ze dateren uit de 17de eeuw (52). De trekbalken van de gebinten doen tevens dienst als

1VI&LI 41


werd verplaatst. Afgaande op de vorm van de gebinten, moet dit met ongeveer een zestigtal centimeter zijn geweest. De bestaande gebinten werden wel behouden, maar aangepast aan de nieuwe situatie: hiertoe werd de trekbalk verlengd. Merkwaardig genoeg staan de gebinten niet loodrecht op de voorgevel of de lengteas van het gebouw zoals gebruikelijk. Dit kan erop wijzen dat de oorspronkelijke lengteas hier anders verliep dan tegenwoordig, of dat de oorspronkelijke achtergevel wel loodrecht op de gebinten stond. De nieuwe achtergevel sloot dan mogelijk aan op deze van de aanpalende vleugel om in het verlengde ervan te liggen. De onderste hanebalken van de gebinten zijn telkens doorbroken, wat, samen met de belangrijke aanpassingen aan de overspanning, de stabiliteit van het geheel verminderde. Bij de restauratie zijn de gebinten geconsolideerd en behouden, maar buiten gebruik gesteld: een nieuwe stalen spantconstructie neemt hier voortaan de dragende rol over. De verschillende soorten telmerken die op deze gebinten voorkomen, bleken zonder samenhang. In tegenstelling tot de telmerken van de beide hoger vermelde groepen gebinten, zijn ze niet met een beitel in het hout gehakt, maar gekrast. Dit kan erop wijzen dat ze ouder zijn en mogelijk tot de 15de eeuw teruggaan (54).

Onderzoek van de afwerkingslagen

De zolders van het Veteranencollege zijn na de werken in gebruik genomen als bijkomende kantoorruimte (foto O. Pauwels 2012)

moerbalken voor de zoldervloeren, die, zoals de andere vloeren in het gebouw, zijn opgebouwd volgens het principe van moer- en kinderbalken. De oorspronkelijke kinderbalken zijn verdwenen: op een gegeven ogenblik zijn nieuwe kinderbalken lager aangebracht ten behoeve van een nieuw plafond met lijst- en koofwerk: de oorspronkelijke uitsparingen voor de kinderbalken zijn nog zichtbaar (53). De derde en laatste groep omvat de twee gebinten aan de noordoostelijke zijde van het gebouw. Deze getuigen het duidelijkst van de verschillende wijzigingen die het gebouw in de loop van zijn geschiedenis heeft ondergaan. De oorspronkelijke overspanning van de gebinten, en dus van het gebouw op het ogenblik dat de gebinten zijn ingebracht, was namelijk duidelijk kleiner dan de huidige. Dit betekent dat de achtergevel hier op een bepaald ogenblik is afgebroken en naar achteren

Uit het materiaaltechnisch onderzoek van de afwerkingsiagen bleek dat de voorgevel van het Veteranorum, opgebouwd in baksteenmetselwerk en ingesneden kalkmortelvoegen, ooit afgewerkt was met een dunne roodkleurige pleisterlaag die vermoedelijk de hele voorgevel bedekte. Het betreft een voegmortel specie die over de hele gevel werd uitgestreken en waarvan de lint- en stootvoegen waren ingesneden (55). Dit type gevelafwerking werd vaak gebruikt om een gevelmetselwerk opgebouwd met bakstenen met oneffen oppervlak en die eerder afgeronde hoeken hadden, toch een strak en eenvormig aanzicht te geven. Er waren echter onvoldoende resten ter plaatse op de gevel bewaard gebleven om de precieze samenstelling en juiste kleur van de pleisterlaag te kunnen achterhalen, zodat een reconstructie hiervan moeilijk te realiseren was door gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing. De achtergevel bestaat wat de afwerking betreft uit twee delen: het linker gedeelte bestaat uit baksteenmetselwerk dat gevoegd is met een beige kalkmortel waarin met een dagijzer een daggestreep is getrokken. Plaatselijk is het metselwerk ingevoegd met een roze kalkmortel, waarvan de kleur gevormd werd door het inmengen van baksteengruis en -poeder. In het rechter gedeelte is het metselwerk platvol gevoegd. Op het volledige


De achtergevel en SintMichielskerk, toestand na de werken (foto O. Pauwels 2012)

gevelparament zijn sporen van verschillende kalk afwerkingslagen (kaleilagen). Door de vuilaanslag kon geen exacte kleurbepaling worden gemaakt, maar er zijn duidelijke sporen van een oudste witte kaleilaag (56). Rond posterieur aangepaste vensteropeningen zijn sporen aangetroffen van een rode kaleilaag. Vermoedelijk werd de gevel daarna, in een latere fase, volledig bepleisterd met een zeer dunne kalkpleister, afgewerkt met een okergele verflaag: hierdoor kreeg de gevel een strak en uniform uitzicht en werden de sporen van alle ingrepen verdoezeld. De oudste in het interieur aangetroffen afwerkingslagen zijn lagen kalkwitsel. Het pleisterwerk werd op verschillende plaatsen vernieuwd.

De restauratie van het Veteranorum De rode lijn in de restauratie was een combinatie van behoud en herwaardering, of met andere woorden een zo conserverend mogelijke aanpak combineren met het terugschroeven van een aantal ongelukkige ingrepen uit het verleden en het terugbrengen van de uitstraling van het geheel. De voorgevel werd gereinigd en plaatselijk gerestaureerd waarbij een aantal beeldbepalende maar in deze context minder geslaagde ingrepen uit het verleden zijn weggewerkt. Zo zijn de verdwenen tussenstijlen en -dorpels in de grote vensteropeningen opnieuw ingebracht in een eigentijdse vormgeving. Een aantal van de dichtgemaakte bovenvensters werd in diezelfde geest opnieuw opengemaakt. Waar dit niet haalbaar bleek om constructieve of stabiliteitstechnische redenen, is geopteerd om de blinde raamnissen met een trompe ï'oeil-schildering in te vullen om het algemene karakter en de typische ritmiek van het geheel van de historische gevel te herwaarderen (57). Deze restauratieoptie werd mede ingegeven

door de bouwfysische staat en de beperkte bouwhistorische waarde van het aanwezige schrijnwerk uit de 19de en vooral 20ste eeuw. Er werd nieuw schrijnwerk ingebracht met geprononceerde tussenstijlen waarmee het oorspronkelijke kruisvenster opnieuw wordt geëvoceerd. De historische voordeur met typisch waaiervormig bovenlicht werd in situ behouden, gerestaureerd en opnieuw bruikbaar gemaakt: aan de binnenzijde worden storende elementen zoals de deurpomp en de brievenbus verwijderd terwijl de hengsels en schuifgrendels worden hersteld. Voor de restauratie van het witstenen parament is conserverend opgetreden: enkel sterk verweerde of beschadigde Gobertange stenen zijn vervangen door nieuwe of gerecupereerde stenen (58). Andere beschadigde elementen zijn met restauratiemortels bijgewerkt terwijl licht beschadigde stenen werden behouden.

Detail van blinde raamnissen Sporen van een dichtgemetseld

in de straatgevel met een trompe

kruisvenster in de achtergevel

/'oe//-schildering

{foto O. Pauwels 2012)

(foto O. Pauwels 2012) M M

r.Srs " saHHSSirHHS^ •mn

•^£S

SB

.., S

xSSs.'SsvasiSzri M&L I 43


Voor de restauratie van het baksteenmetselwerk is een analoge zachte conserverende behandeling aangehouden. De onderdelen in blauwe hardsteen zijn telkens behouden waarbij ontbrekende delen met inzetstukken of met plastische aanvullingen door restauratiemortels zijn vervolledigd.

Interieur van de inkomhal: bij de restauratie zijn de weinige historische interieurelementen behouden: de cementen tegelvloer, de trap met barokke trappaal (foto O. Pauwels 2012J

Waar de architectuurhistorisch waardevolle voorgevel zeer behoed- en behoudzaam werd aangepakt, was het echter noodzakelijk om de veel minder waardevolle achtergevel grondiger onder handen te nemen gezien de soms precaire bouwkundige staat waarin zij zich op bepaalde plaatsen bevond. Alle in de loop der tijden aangebouwde storende bij bouwsels werden weggenomen en de vele overbodige schoorstenen werden verwijderd. Door de slechte toestand was het hier noodzakelijk om al het voegwerk te hernemen. De natuurstenen dorpels werden behouden, terwijl de ontbrekende natuurstenen delen werden aangevuld met een betonnen stuk met identieke profilering aangezien de volledige gevel werd gekaleid. Deze maatregel werd mede ingegeven door de slechte staat waarin de halfsteense voorzetgevel zich bevond, die in de 18de of 19de eeuw voor de eigenlijke achtergevel is geplaatst in een poging om de sterke uitbuiging ervan bij te sturen. Het bleek nodig om de wankele

bovendelen van de gevel te verankeren naar de achterliggende constructie. Het te sterk uitgebogen metselwerk op zolderniveau diende echter te worden weggenomen en herbouwd door middel van een lichte structuur die met natuurleien werd bekleed, aansluitend op de nieuwe natuurleien dakbedekking die ter vervanging van de oude pannen werd aangebracht. De kap van het gebouw bleek opgebouwd uit verschillende kwaliteiten houtwerk die bij restauratie een verschillende aanpak vereisten: de verdwenen delen van goede gebinten werden opnieuw aangevuld maar de onvolledige gebinten die restanten waren van oudere en verschillende dakconstructies dienden buiten gebruik te worden gesteld. Zij werden conserverend behandeld en behouden als relict maar hun functie werd opgenomen door nieuwe stalen spanten waaraan tevens de achtergevel kon worden verankerd. De kooflij st werd over de gehele lengte van de gevel bewaard en waar nodig opnieuw aangevuld.

Restauratie van het interieur In het interieur werden alle belangrijke ruimten behouden en gerestaureerd: het betreft de inkomhal met gang en trappenhuis, de salons op de begane grond, en de salons op de bovenverdieping. Tijdens het vooronderzoek zijn geen waardevolle afwerkingslagen aangetroffen in het gebouw (59). De schouwmantels en stucplafonds in de salons bleven behouden en de stuclijsten en centrale stucversieringen werden waar nodig gerestaureerd. Het bleek noodzakelijk de bestaande vloerstructuur te versterken, deels omdat zij zich in een slechte bouwfysische staat bevond en deels omdat de bestaande structuur te zwak bleek voor een modern gebruik als les- en vergaderlokalen en als kantoren. De waardevolle tegelvloeren zijn echter alle behouden. De cementen motieftegels van de hal bleven ter plaatse behouden: het op bepaalde plaatsen ontbrekende randmotief kon gelukkig worden aangevuld met identieke tegels afkomstig uit een af te breken aanbouw aan de achtergevel. Op de bovenverdieping zijn de houten kepervloeren versterkt door het inbrengen van bijkomende stalen profielen die evenwijdig aan de moerbalken zijn aangebracht (60). Het eiken Versailles-parket bleef er behouden en het werd gerestaureerd waarbij de ontbrekende delen worden aangevuld met op kleur gebrachte nieuwe stukken. Omdat de zolderverdieping voortaan in gebruik wordt genomen, diende hier voldoende natuurlijke verlichting te worden voorzien. Daartoe zijn aan de straatzijde vijf nieuwe dakkapellen ingebracht naar oorspronkelijk model van de hier reeds bestaande historische dakkapellen

44 I M L


die werden behouden en gerestaureerd. In de achtergevel zijn nieuwe dakkapellen naar een eenvoudig hedendaags model aangebracht.

Besluit De gebouwvleugels van het Collegium Veteranorum vormen het enige overgebleven deel van het voormalige uitgestrekte complex van het jezuïetencollege van Leuven, de oudste vestiging van deze Orde in de Nederlanden. Ondanks een zeer woelige gebruikersgeschiedenis, waarbij grote delen van het complex zijn afgebroken, vormen de overgebleven delen nog steeds een belangwekkend geheel, gelegen op het hoogste punt in de binnenstad, langsheen de Sint-Michielsstraat en naast de grote barokke Sint-Michielskerk. De vele op elkaar volgende functiewisselingen en de daarbij gepaard gaande aanpassing- en verbouwingswerken hebben door de eeuwen heen weliswaar sterk ingegrepen op de gebouwen maar desondanks is een belangrijke historische bouwsubstantie tot vandaag bewaard gebleven. Ze gaan terug op de vestigingsgeschiedenis van het jezuïetencollege in de vroege 17de eeuw op deze plaats, wanneer de Orde daartoe enkele grote 15de en i6de-eeuwse adellijke stadsresidenties aankoopt. De gebouwen hiervan werden hergebruikt bij de bouw van het college en verdwenen pas in de loop van de 18de of zelfs 19de eeuw. Mogelijks zijn enkele muurdelen van het Veteranencollege overblijfselen zelfs van één van deze hoven. De snelle opeenvolging van nieuwe bestemmingen in de 18de, 19de en 20ste eeuw grepen telkens grondig in op de interne indeling en de aankleding van het interieur. De overgebleven interieurelementen betreffen in wezen enkele igde-eeuwse schouwmantels, lambriseringen en plafondlijsten in de i9de-eeuwse salons die tijdens de restauratie gerespecteerd werden. De grootste historische waarde van het gebouw ligt op het niveau van de constructieve delen, de voorgevel en delen van de achtergevel. Deze werden door de restauratiewerken geherwaardeerd waarbij gestreefd werd om de oorspronkelijke prestigieuze aanschijn terug te brengen. Anderzijds diende een zwaar functioneel programma doorgevoerd te worden omdat het gebouw opnieuw, na leegstand, ingeschakeld werd in het universitair gebeuren. Deze moeilijke evenwichtsoefening kon tot een goed einde gebracht worden dankzij de grondige vooronderzoeken, een nauwkeurig architecturaal ontwerp en het veelvuldig intensief overleg tussen de opdrachtgever, de onderzoekers, de ontwerper en de erfgoedconsulent.


Eindnoten RESTAURATIEFICHE (1) PAESMANS G., De i8dc-eeuwse universitaire colleges te Leuven, in Majl, jg. n , nr. 4, p. 32. De historische gegevens in deze bijdrage steunen op de drie vooronderzoeken die door de Technische Diensten van de KU Leuven en met ondersteuning, begeleiding en betoelaging van de Vlaamse Overheid Onroerend Erfgoed werden ondernomen tussen 2 0 0 6 en 2010: BOA-Arter, WOUTERS A., PCR, Bouwhistorisch vooronderzoek en materiaaltechnische studie van het gebouwencomplex Pauscollege, Maria-Theresiacollege en Veteranencollege. Het interieur van de Grote Aula - deelstudie], onuitg. rapport, 2007; BOA, Bouwhistorisch vooronderzoek van het gebouwencomplex Pauscollege, Maria-Theresiacollege en Collegium Veteranorum, onuitg. rapport, 2004; Sofie Beyen architecten, Studiebureau Lode De Clercq, WOUTERS A. en STEVENS P. Bouwhistorisch vooronderzoek Maria-Theresiacollege te Leuven, onuitg. rapport, 2010. Bijkomend onderzoek werd verricht in het gebouw. De auteur wenst volgende personen te danken voor de goede samenwerking en het veelvuldig overleg tijdens het volledige traject van onderzoeks- en restauratieproject: Zeljka Knezevic, Paul Van Aerschot, Mare Vanderauwera, Annelies Wouters en Caroline Vandegehuchten.

Uitvoerders: o.a. Corvers NV (dakwerken), PIT (2) (Gevelwerken) Opdrachtgever: Katholieke Universiteit Leuven (Technische Diensten, Divisie Monumenten) Premieverlenende en toezichthoudende overheden: provincie Vlaams-Brabant (20%), Vlaamse Overheid (60%) Ontwerp: Paul Van Aerschot (architectuur), Hans De Petter (stabiliteit) Advies en begeleiding: Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed (Dieter Nuytten) Historisch vooronderzoek: (3) BOA- Johan Van Dessel (Mare Vanderauwera, Guido Jan Bral, Leentje Gunst, Roel Hendrickx) i.s.m. Annelies Wouters Materiaaltechnisch vooronderzoek gevels: Studiebureau Monumentenzorg (Caroline Vandegehuchte, Dirk Bouve) Bouwteam: (4) ontwerper (Paul Van Aerschot), opdrachtgever (5) (Zeljka Knesevic), Onroerend Erfgoed (Dieter Nuytten) Kostprijs restauratiewerken: (5) 908.111,44 euro (BTW inbegrepen) Uitvoeringstermijnen: vooronderzoeken 2004, ontwerp 2004-2006, vergunningen- en premieprocedure 2006{7) 2007, uitvoering der werken 2008-2011

MONDELAERS L, VERLOOVE C , VAN ROY D., VAN DAMME M. en MEULEMANS K., Inventaris van het bouwkundig erfgoed. Provincie Vlaams-Brahant. Leuven binnenstad. Herinventarisatie in Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, onuitg. werkdocument), 2 0 0 9 ; GENICOT L.-F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. en VANHOVE J., Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, Architectuur, Provincie Brabant, Arrondissement Leuven, (Bouwen door de eeuwen heen), Luik 1971. Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, beschermingsdossier 05.01.1973 Ter gelegenheid hiervan werd door de KUL een publicatie verzorgd: ROEGIERS J., Collegium Veteranorum Aedes sacrae facultatis, Leuven, 2 0 0 9 . DE MAESSCHALCK E., Collegestichtingen aan de universiteit van Leuven 1425-1530, Leuven, 1977, p. 1036; BOA Brussels Ontwerpbureau voor Architectuur, Bouwhistorisch vooronderzoek van het gebouwencomplex Pauscollege, Maria-Theresiacollege en Collegium Veteranorum, onuitg. rapport), Brussel, 2004, p. 9.

ROEGIERS J., De Leuvense theologen en de Verlichting. Onderwijs, wetenschap, polemiek en politiek van 1730 tot 1797, onuitg. doet. verh. KU Leuven, 1979, p. 483-491. (8) Boven het classicistische ingangsportaal staat het opschrift "Seminarium Regium Theologis Veteranis Pastorali Officio Aptandis Auspiciis Mariae Teresiae Augustae losepho II Conregente VU Kal Dec MDCCLXXVIII Erectum Car Lotaringo Belg Praefecto Ge Adamo Starhembergio Rerum Administro" (9) ROEGIERS J., Seminarie-Generaal en Seminarie-Filiaal {ijS6-ijSc)/go), in AERTS E. e.a.. De centrale overheidsinstellingen in de Habsburgse Nederlanden (1482-1795], Brussel, 1994, p. 958-967; BOA, op. cit., p. 9. (10) PAESMANS G., op. cit., p. 32. (11) Het hoofdhuis Hotel National des Invalides in Parijs is in 1671 opgericht door de Eranse koning Lodewijk XIV als onderkomen voor oud-legersoldaten. VAN EVEN E., Louvain dans Ie passé et dans Ie présent: formation de la ville, Leuven, 1895 (2001), p. 86 en 602 : BOA, op. cit., p. 10. (12) EVEN E., op. cit., p. 602 (13) MONDELAERS L. e.a.. op. cit. (14) 550 jaar universiteit Leuven 1425-1975, tent. cat., Leuven, 1976, p. 458; BOA Brussels Ontwerpbureau voor Architectuur, Bouwhistorisch vooronderzoek van het gebouwencomplex Pauscollege, Maria-Theresiacollege en Collegium Veteranorum, onuitg. rapport, Brussel, 2004, p. 10.


(15) VAN EVEN E., op. at., p. 602 (37) ROEGIERS J. Seminarie-Generaal en Seminarie-Filiaal, in (16) LAMBRECHT E. en ROEGIERS J., De univenitüt te Leuven AERTS E. e.a.. De centrale overheidsinstellingen in de HabsitfiyigSj, Leuven, 1988. hurgse Nederlanden (i^Sz-ijg^j. Brussel, 1994, p. 959; REUSENS V., Documents relatifs d l'histoire de l'Université de Lou(17) Voor 1612 waren de beide landsdelen nog verenigd in één vain, Leuven, 1881-1903, p. 168. jezuïetenprovincie. PUT E. (ed.), De Jezuïeten in de Nederlanden en hetprinshisdom Luik 1572-377J, Brussel 1991, p. 35. (38) BOA, op. cit., p. 29. (18) HENDRICKX R. jezuïetenarchitectuur in de Zuidelijke Neder-(39) Ibidem. landen 1585-1648. Typologische studie van jezuïetencolleges(40) en EVEN E., op. cit.. p. 234. onderzoek van hun Italiaanse bronnen, onuitg. ing.verh., p. (41) Zie hierover eveneens: SNAET J. en VERBIST T., De grote 46 e.v.; BOA, op. at., p. n. aula van de Leuvense Universiteit, in M&L, jg. 32, nr. 1. (19) Voor een volledige geschiedenis van de jezuïetenorde in Bel- (42) BOA, op. cit., p. 34. gië, zie: PONCELET A., Het gezelschap van Jezus in België. (43) In 1967 werden moderniseringswerken uitgevoerd in de Historisch overzicht, z. p., 1908; ID., Histoire de la Compagnie noord, oost- en westvleugel van het Pauscollege naar ontdejésus dans les anciens Pays-Bas. Etablissement de la Compag- werp van architect ir. P. Van Aerschot. VAN AERSCHOT P., Le college du Pape d Louvain in Environnement, nr. 7-8, 1971. nie dejésus en Belgique et ses développemenls jusqu'd lafm du Het interieur van de presidentswoning werd toen volledig régne d'Albert et d'isabelk, Brussel, 1927: BOA, op. cit., p. 14. (20)DEV0S B.. De Sint-Michielskerk te Leuven. Bijdrage tot een nieuw ingericht. historische studie en architecluuranalyse. onuitg. lic.verh. KU(44) BOA, op. cit. Het onderzoek werd uitgevoerd door Roel Hendrickx en Leentje Gunst onder coördinatie van Mare Leuven, 1989. Vanderauwera. Het historische luik werd onderzocht door (21) BOA, op. cit., p. 15. Annelies Wouters. {22) De jezuïetencolleges van de 15de. 16de, 17de en 18de eeuw waren, in tegenstelling tot de hedendaagse jezuïetencolle- (45) Studiebureau Monumentenzorg Onderzoek naar de pleister- en kleurafwerkingslagen in het Veteranencollege te Leuven, ges, geen scholen waar humaniora onderwijs wordt gegeven onuitg. rapport, Tessenderlo, 2005. Het onderzoek werd aan 12 tot 18- jarigen, maar waar hoger onderwijs werd gegeuitgevoerd door Caroline Vandegehuchte en Dirk Bouve. ven. Vandaag telt Vlaanderen zeven humaniora colleges: het Sint Jozefscollege te Aalst, het OLVcollege in Antwerpen, (46) Conform het Besluit van de Vlaamse regering tot het instelhet Xaveriuscollege in Borgerhout, het Smt-)an-Bercmanslen van een restauratiepremie van 2001 college in Brussel, het Jan-van-Ruusbroeckollege in Laken (47) VAN AERSCHOT P., Restauratie van het Collegium Veteranoen het Sint-Jozefscollege in Turnhout. Op gebied van hoger rum. Diagnose, verantwoordings- en bestemmingsnota, Leuven, onderwijs stichtten ze de UFSIA in Antwerpen, die nu deel 2006. uitmaakt van de Antwerpse universiteit (48) BOA, op. cit., p. 45-46. {4c)) Ibidem, p. 46. (23) BONTE B., Academie interests and catholic confessionalisation: (50) Ibidem, p. 36-37. The Louvain privileges of nomination to ecclesiastical benefices, (51) Ibidem, p. 37-38. Leuven, 2010. (24) BOA, op. tit., p. 12; DONNELLY J.P. Padua. Louvain, Paris, (52) NUYTTEN D., Middeleeuwse dakkappen in het voormalige Herthree cases of university-Jesuit confrontation 1591-1596, Louvain togdom Brabant, in Mflji, jg. 24, nr. 4, 2005. p. 22-36; NUYTTEN D., HOUBRECHTS D. en EECKHOUT ]„Typologische Studies, 15/1990, p. 38-52. en dendrochronologische analyse van het gebinte in De Onze(25) Archief van de Vlaamse jezuïeten. Historia Collegii S.I. LovaLieve-Vrouw-ten-Zavelkerk te Brussel, Brussel, p. 100-107. niensis 1542-1695 (transcriptie door P. Waldack op basis van ex. in het Rijksarchief in Antwerpen), p. 136-137; BOA, op. (53) Mogelijk werden de oude kinderbalken hierbij hergebruikt. BOA. op. cit., p. 39. cit., p. 15. (54) NUYTTEN D., op. cit.. p. 22-36; NUYTTEN D., HOUB(26) BOA, op. cit. RECHTS D. EN EECKHOUT ]., op. cit., p. 100-107. (27) Ibidem, p. 18. (28) Rome, Archivum Romanum Societatis lesu, Franco-Belgica (55) Studiebureau Monumentenzorg, op. cit.. p. 1. (56) Ibidem, p. 3. 71, fol.3i5(nr.253 in Inventaris Lamalle). BLOCKHUYZEN R. kopergravure Collegium Societatis lesu Lovaniensis in SAN-(57) Aanvankelijk was in het restauratieproject voorzien om deze eveneens opnieuw op te maken, maar de stabiliteit zou DERUS A. Chorographia sacra Brabantiae, Den Haag 1726hier mogelijks door in gevaar gebracht worden. Op vraag 1729. BOA, o.c, p.18. van Onroerend Erfgoed werd er dan voor geopteerd om een (29) Zie hiervoor de studie BOA, op. cit., p. 19-20. visuele continuïteit na te streven en de blinde nissen van (30) Ibidem, p. 19 een trompe l'oeil schildering te voorzien. Dit komt namelijk (31) Dergelijke torentjes dienden als prestigesymbool en komen wel meer voor in de Leuvense context, bijvoorbeeld in het vandaag ondermeer nog vaak voor in vroegere adellijke hocomplex van de huizen Groenendael en Drie Koningen in ven en abdijrefugies in Mechelen en aan voorname stadsde Goudsbloemstraat. Zie: NUYTTEN D., "Groenendael" en residenties in Antwerpen. NUYTTEN D., Hans Vredeman "Dry Coningen": bouwgeschiedenis van een laatbarok dubbelde Vries' Architectura, oder Bauung der Antiquen auss dem Vitruvius. Analyse en evaluatie van een architecturaal voorbeel- huis te Leuven, in Historische Woonsteden en Tuinen, nr. 164, 2 0 0 9 , p. 10-15 e n n r - 1 65> 2009, p. 15-20. denboek uit de 16de eeuw, onuitg. ing. verb. KU Leuven, 1994 (58) Deze laatste werden herbekapt. Voor nieuwe stenen is gep. 139-141. mengd gebruik gemaakt van zowel Gobertangesteen als (32) Dat de gravure redelijk betrouwbaar is, kan worden veronMassangis. dersteld dankzij de relatief betrouwbare weergave van de (59) Studiebureau Monumentenzorg, op. cit.. nog steeds bestaande Sint-Michielskerk. (60) Dit gebeurde echter niet in de salons waar de plafondcon(33) BOA, op. cit., p. 21-22. (34) Plan del'église et college desjésuites a Louvain et d'unepartie de structie zichtbaar diende te blijven. la ville van het voormalige jezuïetencomplex met tuin en de Sint-Michielskerk (Rijksarchief, Oude Universiteit Leuven, nr. 4348) opgenomen in BOA, op. cit. (35) ROEGIERS J., Revolutie in de seminaries. De priesteropleiding voor seculieren in de Zuidelijke Nederlanden 1780-1830, in Trojecta, 2, 2000, p. 116; ID., De Leuvense theologen, p. 483-491. (36) BOA, op. cit., p. 27.

M&LI 47


Eclectische monumenten op papier vereeuwigd: de publicatie Parallèle des maisons de Bruxelles van Auguste Castermans Edith Willekens

In de jaren 1970 kwam de eclectische architectuur

Het levenswerk van Castermans

voor het eerst in de belangstelling te staan (1). Het onderzoek naar deze stijlstroming bleek echter niet evident. Vele igde-eeuwse gebouwen in mengstijl waren in de loop der tijd immers gesloopt, omdat deze ontwerppraktijk lang was geassocieerd met respectloosheid voor de eenheidsstijlen en een vermeende ondeskundigheid. Bijgevolg bleek de publicatie Parallèle des maisons de Bruxelles et des pr'mcipales villes de la Belgique {2) een uiterst waardevolle bron te zijn. Dit tweedelige platenalbum met eclectische ontwerpen werd tussen 1852 en 1869

Over de architect Auguste Castermans, de auteur van de Parallèle, zijn er slechts een handvol biografische gegevens terug te vinden. Castermans werd geboren op 4 juli 1828 te Luik (4). Hij was de zoon van een schrijnwerker (5) en genoot een opleiding tot architect aan de Luikse Académie Royale des Beaux-Arts (6). Castermans vatte zijn studies aan op 24 april 1843 en werd onderwezen door de stadsarchitect Julien-Etienne Rémont. Volgens de overgeleverde rapporten van het schooljaar 1844-1845 was hij geen uitmuntend student. Rémont karakteriseert hem op het eind van het eerste semester als "peu assidu, conduite,

gerealiseerd door de Luikse architect Auguste Castermans (1828-1881) (3). Maar behoudens het historiografische belang van dit werk stelt zich de

mom'

vraag naar de waarde in de 19de eeuw en naar de precieze totstandkoming ervan. Deze tot nog toe onderbelichte aspecten worden in dit artikel onthuld. In drie delen ontdekt u achtereenvolgens wat de publicatie betekende binnen het oeuvre van Castermans, binnen de ontstaanstijd en wat de waarde van het werk op zich was. Tot slot wordt een blik geworpen op de bouwgeschiedenis en de huidige toestand van enkele nog overeind staande gebouwen uit de publicatie.

Frontispice van de Parallèle des maisons de Bruxelles van Auguste Castermans (uit CASTERMANS. Poraliéle. vol.i)

48 I M

L

IE&1K ! I EfiLijiinr.tDyraii.


Voorgevel van het maison ó caryatides aan de rue Louvrex in Luik, een ontwerp van üjj^if

'fc-^^

'tf-ii^

< i-'

Castermans, ca. 1856-1867 (uit CASTERMANS, PardUk. vol.i

'FTTf' jKT^Tif riKyyi/T'"^

pl.105)

rrtr»

[««««««ft i T * « » * t * « ; T * « « » « «

feg:ö:Tgr{:«:agas;

3>n«»:ic:

passable bonne intelligence" (7). In het eindejaarsrapport klinkt de commentaar van de docent al ietwat positiever, Castermans was "plus assidu, bonne conduite, eet élève est intelligent mais sa distraction lui fait perdre du temps" (8). Het is niet geweten wanneer Castermans precies als architect afstudeerde. Alleszins behaalde hij zijn diploma voor zijn huwelijk met Marie Fran^oise Clementine Toby op 4 mei 1850 (9). Het echtpaar kreeg twee dochters en vier zonen (10), waarvan er twee later in de voetsporen van hun vader zouden treden (n). Binnen het beroepsleven was Castermans actief als lid van de internationale vereniging Société l'Union des Artistes (12). Ook is zijn naam in 1874 terug te vinden op de ledenlijst van de Société Centrale d'Architecture de Belgique (13). Castermans overleed op 7 september 1881 in Luik op 53-jarige leeftijd, aan de gevolgen van een slepende ziekte (14). Hij werd er begraven in de familie grafkelder op de begraafplaats van Robermont (15). Het hoofdbestanddeel van Castermans' oeuvre bestaat uit eclectische woonarchitectuur voor een kapitaalkrachtige burgerij, opgetrokken in de toen nieuw aangelegde en gesaneerde straten van zijn geboortestad Luik (16). Zijn architecturale vaardigheden en verwezenlijkingen werden erg geapprecieerd door zijn tijdgenoten. Het overlijdensbericht van Castermans in de lokale krant La Meuse huldigt hem als "un architect d'un vrai talent et doué de connaissances tres variées" (17). Daarnaast getuigt de architect Charlier (18) in zijn grafrede aan Castermans dat alle Luikse architecten "rendaient unanimement hommage aux qualités d'artiste que possédait Castermans", wat volgens hem een zeldzaam fenomeen was (19). Ook Emile Lebens, architect en professor aan de Luikse Academie omstreeks 1881, bevestigt in zijn unieke registratie van Castermans' verdiensten als architect dat de man beschikte over "un talent

Huidige toestand van de voorgevel van een huis aan de rue Lonhienne in Luik, naar ontwerp van Castermans (foto O. Pauwels)

d'omemantistefort exceptionnel". Daarenboven beweert deze auteur dat niet enkel de stadsgenoten, maar ook "les visiteurs de Liège, les architectes étrangers surtout, admirent beaucoup des constructions ouvertes au public, édifiées par Castermans"(2o). Het merendeel van Castermans' verwezenlijkingen werd in de loop der jaren gesloopt, maar dankzij de Parallèle zijn 28 platen met tekeningen van acht

M&L I 49


van zijn realisaties toch op papier aan ons overgeleverd. Het meest opmerkelijke ontwerp is dat voor een woning aan de Rue Louvrex die bekend stond als het maison a caryatides en erg bewonderd werd. Deze naam verwijst naar de vier kolossale figuren in de onderste bouwlaag die de gevel torsen. Ook Castermans leek erg trots op dit ontwerp, want hij wijdde er in zijn platenalbum niet minder dan vijftien opeenvolgende platen aan. In de jaren 70 van de vorige eeuw werd de erfgoedwaarde van het maison a caryatides door architectuurspecialisten erkend. Omwille van de dreigende afbraak van de woning startte de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in 1978 een procedure op om de gevel en de bedaking ervan te beschermen als monument. Uiteindelijk werd er toch toestemming gegeven voor de afbraak van het pand onder de voorwaarde dat de voorgevel elders heropgebouwd zou worden. Het gebouw werd in 1979 gesloopt, maar van de gevel ontbreekt vandaag helaas elk spoor (21). Verder toont de Parallèle onder meer het gevelontwerp voor een woning aan de Rue Lonhienne te Luik. Dit is de enige verwezenlijking van Castermans uit zijn album die vandaag nog overeind staat. De voorgevel is inmiddels ontpleisterd en de inwendige opdeling van het pand is volledig gewijzigd (22). Afgezien van de acht projecten van eigen hand die opgenomen zijn in de Parallèle realiseerde

Ontwerptekening van

Castermans in 1880 nog een woning aan de Rue Dartois 12 en aan de Rue de la Régence 38 in Luik (23). Tot slot toont het i9de-eeuwse recueil Motifs de decoration extérieure et inferieure appliques aux edifices publics comme aux habitation de particuliers van Charles Claesen enkele al dan niet uitgevoerde ontwerpen voor deuren en schouwmantels van Castermans. Naast woonarchitectuur was Castermans ook betrokken bij de bouw van vier parochiale kerken (24). Het betreft nieuwbouw en uitbreidingen in neoromaanse stijl die werden uitgevoerd in het derde kwart van de 19de eeuw. Voor de parochiekerk Saint-Antoine de Padoue te Verviers ontwierp hij tevens het hoofdaltaar met retabel, de preekstoel en de twee wijwatervaten. Eén van de vaten draagt de hulde "A la mémoire de A. Castermans architecte de l'église en 1882", wat blijk geeft van de waardering voor de architect, die overleed voordat de kerk voltooid was. Daarnaast worden ook de grafmonumenten van de Minister van Staat Auguste Delfosse (1859) e n v a n de Luikse burgemeester Louis Jamme (i860) met zekerheid aan Castermans toegeschreven. Beide staan opgesteld op de begraafplaats van Robermont te Luik. Het eerder aangehaalde recueil van Charles Claesen bevat twee platen met nog andere ontwerpen van Castermans voor grafmonumenten. Eén hiervan is quasi identiek aan het monument dat op het graf van de architect zelf prijkt. Deze flagrante gelijkenis toont aan dat het gebaseerd is op een eigen ontwerp.

Castermans voor de gevel van een woning aan de rwe Dartois in Luik, 1880

Ontwerp van Castermans voor een

{Service des archives de la Ville de liège)

grafmonument, ca. 1870 (uit CLAESEN, Motifs de decoration, pi. }i)

t m rsrn HÖ>-

50 I M

L

• •


Castermans liet zich ook kennen als publicist. De Parallèle is de enige architectuurpublicatie die hij realiseerde, maar ze is werkelijk volumineus en bekleedt een belangrijke positie binnen zijn oeuvre. Het werk bestaat uit twee delen van elk 120 platen waarop eclectische architectuur is afgebeeld, hoofdzakelijk woningen. Oorspronkelijk werd de publicatie uitgegeven tussen 1852 en 1869 in afleveringen die telkens een aantal losse platen bevatten (25). Castermans startte dus vrijwel onmiddellijk met de productie nadat hij als architect afstudeerde en besteedde er 18 jaar van zijn carrière aan. In de inleiding van zijn platenalbum verklaart Castermans dat zijn publicatie bedoeld is om als inspiratiebron te dienen in de ontwerppraktijk en dit door de afgebeelde gebouwen onderling met elkaar te vergelijken. Hoewel de Parallèle 28 platen telt met acht eigen ontwerpen, reikte Castermans' ambitie verder dan het promoten van zijn eigen kunnen. Op het overige deel van de platen presenteerde hij immers tekeningen van 86 eclectische gebouwen van maar liefst 34 andere, Belgische architecten die in zijn tijd werkzaam waren. Zo profileerde Castermans zich via zijn publicatie als kenner van de eigentijdse architectuurpraktijk.

carrière aan de productie van dit platenalbum te wijden. Een confrontatie van het werk met de ontstaanscontext biedt hier inzicht in. De 19de eeuw werd over het algemeen gekenmerkt door tal van vernieuwingen die leidden tot een ruim aanbod aan mogelijkheden, wat de gelegenheid gaf om keuzes te maken. Deze maatschappelijke cultuur, het eclecticisme genaamd, drong ook door in de architectuur. Auguste Castermans stelt in de inleiding van zijn publicatie vast dat sinds 1830 "Veclecticisme parait de plus en plus conquérir les sympathies des artistes" en het is deze stijlstroming waarvan zijn publicatie een neerslag is. Als vurig voorstander van een creatieve omgang met de historische stijlen bepleitte hij een rol voor de architecten als "créateurs de leurs oeuvres et non d'un système". Hiermee gaf Castermans aan dat hij de eclectische praktijk verkoos boven de neostijlen, waarbij werd vastgehouden aan de regels van één welbepaalde stijl uit het verleden. Toch kan vanuit hedendaags architectuurhistorisch oogpunt gesteld worden dat de Parallèle ook gebouwen bevat die stijlzuiver zijn. Echter, in de 19de eeuw behelsde de eclectische praktijk niet zozeer het combineren van elementen uit verschillende historische stijlen, als wel de vrijheid in omgang met het historische vormenvocabularium. De nadruk lag op de keuzemogelijkheid om binnen een ontwerp, per typologie of binnen eenzelfde oeuvre met elementen van diverse stijlen te experimenteren. Zo kon dus ook binnen een ontwerp één stijltraditie overheersen (26). Dit resulteerde in ontwerptekeningen die vandaag als stijlzuiver ervaren worden, zoals bijvoorbeeld het volgens de vakterminologie

Grafmonument van Auguste Castermans op de begraafplaats van Robermont in Luik, ca. 1881 (foto O. Pauwels)

Ontwerp van Adolphe Guillaume Thirion voor een tuinpaviljoen (uit CASTERMANS. Parallèle, vol. 1.

pi. 22)

Een repliek op eigentijdse noden Het belang van de Parallèle binnen Castermans' oeuvre is onweerlegbaar. Nu rijst de vraag wat de architect er precies toe dreef om 18 jaar van zijn

M & L I 51


'neogotisch' ontwerp van Adolphe Guillaume Thirion voor een tuinpaviljoen.

zich binnen de heersende zoektocht naar een nieuwe vormentaal die de vooruitgang van het tijdperk incorporeerde. Hij deelde de gangbare overtuiging dat de 19de eeuw niet over een eigen stijl beschikte en opperde het eclecticisme als een volwaardige overgangspraktijk in afwachting van een 'moderne' stijl. Vanwege de creatieve omgang met de historische stijlen had de eclectische ontwerppraktijk volgens hem potentieel om vernieuwing te brengen in het architectuurlandschap. Ten vierde positioneerde Castermans zich binnen het eigentijdse streven naar een nationale stijl die de identiteit van België als jonge natiestaat aanschouwelijk diende te maken. Hij claimde dat het eclecticisme verzoenbaar was met nationalistische belangen en wou met zijn publicatie aantonen dat de Belgische architectuurschool zich dankzij deze stijlstroming had losgescheurd van de Franse dominantie in de architectuur.

De opkomst van het eclecticisme in de architectuur voltrok zich binnen een veelheid van aan elkaar gelieerde omstandigheden. De belangrijkste hiervan zijn de opkomst van de burgerij, de verhoogde bouwproductie, de zoektocht naar een eigentijdse vormentaal en het streven naar een nationale stijl (27). In de inleiding van de Parallèle getuigt Castermans hoe deze vier factoren de architecturale ontwikkelingen beïnvloedden en de eclectische architectuurpraktijk vormgaven. Ten eerste speelde Castermans met zijn Parallèle in op de frequente vraag van de opkomende burgerij naar eclectische woningen. Deze nieuwe, gegoede klasse wenste door middel van de eigen woning haar recentelijk verworven machtspositie te manifesteren. Het eclecticisme was bij hen zeer gegeerd omdat deze stijlstroming, vanwege de vrijheid in het ontwerpen, kon voldoen aan hun verzuchtingen. Ten tweede De publicatietraditie verschafte Castermans met zijn publicatie aan Architectuurpublicaties dienden in de 19de eeuw ontwerpers een hulpmiddel om kwalitatief als een belangrijk instrument voor het architectuurhoogstaande architectuur te creëren. Het was een debat over de zoektocht naar een eigentijdse stijl. weerwoord op de commerciële ontwikkeling van de Twee verschillende soorten publicaties, namelijk bouwkunst in de 19de eeuw ten gevolge van de het tijdschrift en het recueil, zetten de ontwikkeomvangrijke stadssaneringen en uitbreidingen van lingen in de architectuurpraxis in beweging. de Belgische grootsteden. Deze omstandigheden Beide publicaties verschillen voornamelijk in de voerden de snelheid van de bouwproductie op met verhouding tussen het tekst- en het platengedeelte. als gevolg dat de kwaliteit ervan in het gedrang Het enige Belgische architectuurtijdschrift dat werd gebracht. Ten derde profileerde Castermans gelijktijdig met de Parallèle werd uitgegeven was de

Ontwerp uit het Parijse platenalbum van het Maison rue Rambuteau van architect Chateau (uit CAILUAT. Parallèle des maisons de Parts, pl.y)

mtr, I—1—1

i 52 I M

L

1

ïw-Wi


Journal beige de l'architecture. Hierin werd het eclecticisme als doel op zich echter fel bekritiseerd en werd deze architectuur nauwelijks in beeld gebracht (28). De Parallèle is een sprekend voorbeeld van een recueil. Het bundelt architectuurprenten, met in dit geval eclectische woonarchitectuur, en wordt voorafgegaan door een inleiding die de selectie verantwoordt. Castermans motiveert zijn keuze vanuit de praktische inzetbaarheid van de aangereikte stijl en typologie als inspiratiebron voor architecten en bouwheren. Binnen het architectuurdebat vormde zijn publicatie duidelijk een tegengewicht voor de Journal waarin het eclecticisme werd gehekeld. Door zijn eigen realisaties naast eclectische werken van tijdgenoten te presenteren kaderde Castermans zijn eigen ontwerppraktijk binnen het tijdsbeeld en legitimeerde hij zijn standpunt. Tegelijkertijd vulde hij met de Parallèle een hiaat op door vooruitstrevende, Belgische architecten de mogelijkheid te geven om hun eclectische ontwerpen te verspreiden. Zo poogde Castermans tevens deze architectuurpraktijk in de hand te werken.

beschouwd als het eerste verzamelwerk waarin de rijkdom aan historische en eigentijdse architectuur van de Nederlanden via illustraties werd tentoongespreid. Maar in tegenstelling tot Goetghebuer, die in eerste instantie de aandacht op het nationaal patrimonium wou vestigen, ambieerde Castermans met zijn Parallèle geen historiografisch werk af te leveren. Hij streefde enkel naar het bevorderen van de schoonheidszin door in smaakmakende voorbeelden te voorzien. Deze ronduit vernieuwende doelstelling maakte Castermans' publicatie tot het eerste, Belgische recueil waarin de 'moderne' architectuur als ijkpunt werd gesteld voor de actuele ontwerppraktijk. Met zijn Parallèle was Castermans dus pionier en wegbereider van een reeks recueils die op gelijkaardige wijze de didactische waarde van de contemporaine, Belgische architectuur zouden uitdragen (31).

De publicatie onder de loep

De productie De Parallèle werd periodiek uitgegeven in afleveringen met losse platen tussen 1852 en 1869. De verschijningsfrequentie varieerde van geen Het concept voor de Parallèle was niet origineel. enkele tot vijf afleveringen per jaar. Deze onregelHet werk was geïnspireerd op de Franse publicatie Parallèle des maisons de Paris, construits depuis 1830 d matigheid hield wellicht verband met de wissel van uitgever en publicatieplaats die zich over de nosJours van de architect Victor Calliat (1801-1881) productie jaren heen voordeed. De druk van het (29). Dit gelijkaardige recueil, dat de eclectische werk werd aangevat door de Luikse uitgever E. woonarchitectuur van Parijs in beeld brengt, Noblet (32). Omstreeks 1855 opende hij een filiaal verscheen in 1850 en werd een jaar later in België in Parijs (33) en fusioneerde er rond 1863 met de uitgegeven door E. Noblet te Luik. Dezelfde uitgeverij van de Parijse boekhandelaar }. Baudry. uitgever zou een jaar nadien de productie van In 1867 kwam de uitgave van de Parallèle uitCastermans' recueil aanvatten. Het idee voor de eindelijk volledig in de handen van deze laatstpublicatie werd dus mogelijks door hem aangenoemde terecht (34). Auguste Castermans zelf gereikt. Castermans voorzag met zijn publicatie stond in voor het vervaardigen van de tekeningen echter niet louter een Belgische pendant van het op basis van de originele plannen van de architecten. Franse werk, maar een krachtige én bewuste Zijn werk bestond uit het vergaren van ontwerpen, repliek. In de inleiding van de Parallèle observeert het positioneren van de architectuur op het blad en hij namelijk dat de Brusselse privéarchitectuur die het uniformiseren van de platen onderling. Uit sinds 1830 werd opgetrokken zich duidelijk vergelijking van de platen met originele aquarelonderscheidde van de Parij se woonarchitectuur die wegens het gebrek aan nog bebouwbare oppervlakte tekeningen van de architecten blijkt dat Castermans hieraan wel eens wijzigingen durfde aan te bestond uit monotoon ogende appartementsbrengen ten behoeve van een geschikte bladspiegel. blokken. Castermans wou met zijn publicatie dus Castermans' tekeningen werden vervolgens niet alleen de kwalitatieve architectuurproductie in vermenigvuldigd door minstens twee professionele zijn eigen land stimuleren, hij beoogde tevens de graveurs, namelijk Aug. Goffard en Ph. Keppel (35). Belgische, creatievere manier van bouwen als De inleiding en de titelplaat van de Parallèle alternatief promoten in de streken in Frankrijk die verschenen samen met de eerste aflevering, de minder dens bebouwd waren dan de hoofdstad. inhoudstafels werden toegevoegd aan het eind van de productie van elk volume (36). Binnen de lokale traditie van recueils trad de Parallèle met het voorstellen van de eigentijdse architectuur in de voetsporen van de Choix des De inhoud monumens, edifices et maisons les plus remarquables De inhoud van de Parallèle kan systematisch du Royaume des Pays-Bas van de Gentse architect geanalyseerd worden volgens de vier aspecten die Pierre-Jacques Goetghebuer (1788-1866) (30). Deze opgelijst zijn in de inhoudstafels, namelijk de publicatie, gerealiseerd tussen 1817 en 1827, wordt locatie, de typologie, de voorstellingswijze en de


architect van elk ontwerp. Wat de locatie betreft legt de titel van de publicatie de nadruk op Brussel. Het aantal opgenomen realisaties uit Brussel (19 gebouwen op 72 platen) concurreert echter sterk met dat uit Luik (23 gebouwen op 63 platen), Castermans' geboortestad en werkomgeving. Maar de geografische spreiding van de opgenomen gebouwen beslaat geheel België. Ze werd voornamelijk verruimd in het tweede volume door de opname van telkens een enkel project uit de steden Charleroi, Oostende, Hasselt en Leuven. De architectuurtypologie die in de Parallèle het meest aan bod komt is uiteraard, overeenkomstig de titel en de motivatie voor de verzameling ontwerpen, de woonarchitectuur.

• .Hw, fmi AflnyMM>> « ^ ^

Doorsnede van de bibliotheek van het Hotel Goethals ontworpen door Jean-Pierre Cluysenaar (uitCASTERMANS. Paralléle.volz. pl.85)

Detailtekening van de gevel van het Maison te Antwerpen ontworpen door Pieter Dens (uit CASTERMANS, Parattèk, volt, pl.71)

54 IM L

De publicatie bevat een uitgebreid aanbod aan burgerwoningen, herenhuizen, villa's, kastelen en bijgebouwen. Toch werden er ook projecten geïntegreerd voor semipublieke gebouwen die voortkwamen uit privé-initiatief, zoals een fabriek, een casino en verenigingsgebouwen. Het tweede volume telt zelfs enkele openbare gebouwen, namelijk een kerk, vier stationsgebouwen, twee gevangenissen en een schouwburg. Elk van deze projecten verdiende een plaats in de Parallèle omwille van de typologische innovatie of het baanbrekend ontwerpconcept. Voorts wordt de architectuur binnen het platenalbum op zeer uiteenlopende wijze in beeld gebracht. Ontwerpen van gevels, plattegronden, interieurafwerking en detailtekeningen wisselen elkaar voortdurend af. Al deze deelcomponenten van de architectuur zijn gelijkwaardig behandeld, maar niet voor elk gebouw worden dezelfde onderdelen gevisualiseerd. Deze verscheidenheid sluit aan bij de beoogde functie van de publicatie als werkinstrument. Toch laat de publicatie zich niet louter gelden als een voorbeeldboek dat inspiratie diende op te wekken. De gepresenteerde ornamenten waren vanwege de aanwezigheid van maatvoering en technische details immers gemakkelijk over te nemen in nieuwe ontwerpen.

Wat de architecten betreft toont Castermans in zijn Parallèle werk van 35 verschillende, Belgische bouwmeesters van twee opeenvolgende generaties. De eerste generatie bestaat uit Tilman Francois Suys, Louis Roelandt, Francois Coppens, JulienEtienne Rémont, Louis Minard en Auguste Payen. Deze architecten keerden zich als één der eersten aftegen het heersende neoclassicisme en ontwikkelden een interesse voor de vormentaal van de Italiaanse renaissance. Tevens groeide er bij hen een belangstelling voor andere historische stijlen, waarvan ze hun kennis zowel in de restauratiepraktijk als in nieuwe ontwerpen aanwendden (37). De architecten Suys, Roelandt en Rémont onder-


wezen aan de Academies van respectievelijk Brussel, Gent en Luik een groot deel van de tweede generatie architecten waarvan ontwerpen in de Parallèle opduiken. Ze vormden er onder meer Jean-Pierre Cluysenaar, Wynand Janssens, Hendrik Beyaert, Gustave Saintenoy, Adophe Pauli, Emile Vierset-Godin, Godefroid Umé, Jean-Charles Delsaux, Evariste Halkin, Hyacinte Dejardin, Laurent Demany en Auguste Castermans zelf (38). Castermans integreerde in de Parallèle dus zowel projecten van gevestigde als van beginnende architecten, waaronder hijzelf, en droeg ongetwijfeld bij tot de lancering van deze laatsten.

,.,..;, .,:,,,.

,

.

,,,,„ . ,

_

.

?

> ^ . ^-v 'rr

^ ^

I r r 1 • rr

iï liï' iiï

• ir •

Vanuit hedendaags, historiografisch inzicht beschouwd komen enerzijds de voornaamste, 19deeeuwse architecten die indertijd een eclectische praktijk hanteerden, zoals Henri Beyaert, JeanPierre Cluysenaar, Joseph Jonas Dumont en Louis Roelandt, in de Parallèle aan bod. Maar de afwezigheid van de icoonfiguur van het Belgische eclecticisme, Joseph Poelaert, die ook woningen realiseerde (39), is opvallend en niet onmiddellijk te verklaren. Anderzijds duiken in de publicatie heel wat ontwerpen op van architecten die vandaag minder gekend zijn, maar waarvan Castermans het

•

1

n

Zijgevel van het Pavilion de Cazeaux aan de Koningsstraat te Brussel, een destijds gewaardeerd project van Tilman Francois Suys, ca. 1830-1835 (uit CASTERMANS. Parallèle, vol.i, pi. 82)

Voorgevel en plannen van een eclectische woning aan de Kunstlaan in Brussel, een destijds controversieel project van Joseph jonas Dumont, ca. 1850 (uit CASTERMANS. Parallèle. vol. 1, pi 1)

SF3

IPTI IL.

^

Ja

i_r

.

M&LI 55


werk ten zeerste leek te appreciëren. De drie belangrijkste, gezien het platenaantal dat gewijd werd aan hun ontwerpen, zijn Lambert Blandot, Hyacinthe Dejardin en Charles Toussaint. De twee laatstgenoemden hadden samen met Castermans school gelopen. Deze drie bouwheren waren werkzaam in het zuidelijke deel van het land. De Parallèk toont hun realisaties van burgerwoningen, landhuizen, kastelen en bijgebouwen in en rondom Luik en Verviers en Hoei. Van Blandot werd zelfs het interieurontwerp voor een theaterfoyer in de laatste stad opgenomen. Deze architect zou in 1869 het platenalbum Maisons et écoles communales de la Belgique publiceren, met projecten van diverse architecten waarvan eerder ook werk in de Parallèle was opgenomen.

ornamentgebruik' werden ze in de Journal fel bekritiseerd in een bijdrage die dateerde van tussen augustus en oktober 1852 (46). In het artikel werd gewaarschuwd voor de slechte invloed die deze ontwerpen van Dumont, die als architect toen reeds naam had gemaakt, uitoefenden en werd een verwoede poging gedaan om de navolging ervan alsnog tegen te gaan. Het feit dat Castermans de Parallèle opent met een van deze eclectisch woningontwerpen getuigt dan ook van zijn bekwaamheid om de architecturale ontwikkelingen van het moment te vatten en bevestigt de grondigheid van zijn selectiecapaciteit. Bovendien schemert uit de reactie van het tijdschrift een mogelijke invloed van zijn publicatie door in de stimulatie van de eclectische ontwerppraktijk.

De Parallèle bevat een gegronde selectie aan architectuurontwerpen. Vele van de gepresenteerde projecten vormden een scharnier- of hoogtepunt in de oeuvres van de architecten. Zo toont Castermans onder meer de schoorsteenmantel van het Koninklijke Paleis naar ontwerp van A.-J. Leclercq dat reeds in 1851 op de wereldtentoonstelling in Londen aan het publiek werd gepresenteerd (40). Ook het ontwerp voor het Guislaingesticht in Gent van de architect Adolphe Pauli, het project waar hij zijn naam mee vestigde (41), is in het recueil geïntegreerd. Verder werd ook het ontwerp voor de kerk van Kalfort van Joseph Schadde omstreeks 1858 opgenomen. Het was de eerste nieuwbouwkerk die deze architect realiseerde. Het ontwerp was zowel vernieuwend op stilistisch als op constructief vlak (42) en was eerder tentoongesteld op het Salon van Brussel van 1854 (43). Deze voorbeelden onderbouwen stuk voor stuk de relevantie van Castermans' keuze.

De impact Contemporaine bibliografieën tonen aan dat de Parallèle werd verspreid in België (47), Frankrijk (48) en Duitsland (49). Ondanks de veelvuldige advertenties voor het werk in binnen- en buitenland zijn recensies die de receptie van de Parallèle op dat moment onthullen uitermate schaars. Noch in de Journal beige de l'architecture, noch in de Franse Revue générale de l'architecture et des travaux puhliques van César Daly werd met een woord over de publicatie gerept. Ook in de grafrede aan Castermans werd opvallend genoeg niet naar zijn verdienste als publicist verwezen. Wel werd de Parallèle door Emile Lebens aangehaald in zijn beknopt overzicht van Castermans' oeuvre, maar hij gaf de start van de productie verkeerdelijk aan in 1854 (50). De enige aangetroffen en tevens erg opmerkelijke recensie is terug te vinden in de Franse Annales archéologiques. Hierin huldigde de redacteur van het blad, Didron ainé, de Parallèle en promootte haar inzetbaarheid in de ontwerppraktijk. Maar bijkomend schreef hij ook historiografische eigenschappen aan het werk toe. Didron zag namelijk potentie in het recueil voor de archeologische praktijk, "car nos voisins les Belges, un peu mieux avisés que nous, demandent aux constructions civiles du moyen age des elements qu 'ils reproduisent dans leurs habitations moderne" (51). Uit dit citaat blijkt dat de Belgische identiteit van de voorgestelde architectuur in het buitenland erkend werd, wat Castermans beoogde.

Daarnaast bestaat er binnen de Parallèle een evenwicht tussen reeds bij het publiek bekende en gewaardeerde gebouwen en meer controversiële ontwerpen. Twee extreme voorbeelden zijn de Brusselse woning aan de Koningsstraat van Tilman Francois Suys enerzijds en die aan de Kunstlaan van Joseph Jonas Dumont anderzijds. Het eerstgenoemde stond bekend als het Pavilion de Cazeaux. Deze villa was voorheen reeds opgemerkt door de architectuurhistoriograaf Antoine Guillaume Bernard Schayes die er in zijn publicatie Histoire de l'architecture en Belgique depuis les temps les plus reculésjusqu'a l'époque actuelle een beschrijving aan wijdde (44). De woning aan de Kunstlaan van Dumont is het allereerste ontwerp uit de Parallèle en verscheen in de eerste aflevering aan het begin van het jaar 1852 {45). Het is een van de vele uitgesproken eclectische woningen met rijkelijk gedecoreerde gevels die Dumont rond 1850 in deze laan verwezenlijkte. Omwille van het 'overmatige

Verder werden delen van de Parallèle aangetroffen in inventarissen van bibliotheken van diverse architecten wiens werk in de publicatie is opgenomen, zoals Louis Roelandt (52) en Adolphe Guillaume Thirion (53). Of het platenalbum ook werkelijk door hen op de tekentafel werd geraadpleegd, blijft echter een vraagteken. Alleszins is het vermoeden groot dat Castermans' publicatie niet lang in de ontwerppraktijk werd ingezet, want


vanaf het midden van de jaren 1870 boette het eclectische gedachtegoed in aan impact ten voordele van een groeiende interesse voor de neoVlaamserenaissance-stijl (54). Wel werden de platen verzameld om andere redenen. Zo vergaarde Pierre-Jacques Goetghebuer de platen met de Gentse ontwerpen van Louis Roelandt louter als documentatiemateriaal (55). Ook werd de Parallèk al snel ingezet in de architectuurhistoriografie. De Gentse architect Louis Cloquet raadpleegde het werk aan het eind van de 19de eeuw om de Belgische woonarchitectuur van de voorbije halve eeuw te bestuderen in het vierde volume van zijn Traite d'architecture. Uit zijn bibliografie blijkt dat de Parallèle een unieke bron was voor de Belgische woonarchitectuur van de periode 1830-1868. Tot op heden krijgt de publicatie nog steeds deze historiografische rol toebedeeld. Het platenalbum is een onmisbaar puzzelstuk voor de kennis van de eclectische architectuur uit de regeerperiode van Leopold I, aangezien deze lang ondergewaardeerd is geweest en vele monumentale bronnen in de loop der jaren zijn gesneuveld.

De Parallèle in het huidig straatbeeld Van de 94 eclectische Belgische gebouwen die in de Parallèle worden voorgesteld, staan er vandaag nog maar een kleine twintig overeind. Hieronder wordt per gewest een overzicht gegeven, waarbij de stijlkenmerken worden beschreven volgens het gangbare vakjargon. Daarnaast wordt telkens ingezoomd op de bouwgeschiedenis van een aantal bewaarde gebouwen, die ook vanuit het onderzoek naar de publicatie een bijzondere aandacht verdienen. Eclectische relicten in het Vlaams Gewest In het Vlaamse Gewest treffen we vandaag in Antwerpen onder meer nog twee herenhuizen terug van de architect Pieter Dens, die beide beschermd zijn als monument. Een eerste is de woning gelegen aan de Meir 105. Deze werd ontworpen voor J. Blockx omstreeks 1853 i n Second-Empirestijl met neorenaissancistische decoratie. Doorheen de jaren werd de begane grond aangepast en verdween het centrale balkon. De tweede woning naar het ontwerp van Dens is een herenhuis in Louis-Philippestijl aan de Meir 23-25 dat dateert van 1854. De oorspronkelijke kroonlijst van dit gebouw werd in de loop der tijd wel aangepast en in de onderste bouwlaag verdwenen de kariatiden die zich aan weerszijden van de inkompoorten bevonden. Verder is in Antwerpen nog het Maison longue rue Neuve van Heliodore Ledef aan te treffen aan de Lange Nieuwstraat 64. Leclef ontwierp dit herenhuis in Louis-Philippestijl in opdracht van Auguste Joostens omstreeks 1855.

Aan de Oude Koornmarkt 66 staat de woning die architect Joseph Antoine Hompus ontwierp voor J. Hartog in Second-Empirestijl omstreeks 1858. Dit gebouw werd beschermd als monument in 1981. In Gent is het Etablissement pour 350 hommes aliénés van Adolphe Pauli nog terug te vinden aan de Jozef Guislainstraat 43. Deze psychiatrische kliniek in eclectische stijl, werd opgetrokken op vraag en volgens de richtlijnen van Dr. Jozef Guislain, één van de voorlopers van de moderne psychiatrie. De bouw werd aangevat in 1851 en zou pas in 1876 volledig voltooid zijn, maar de instelling werd sinds 1857 in gebruik genomen. Vandaag doet een deel van het gebouw ook dienst doet als museum met focus op geestesziekenzorg. Verder is ook het Chateau de Deurle aan de Pontstraat 83 te SintMartens-Latem bewaard gebleven. De oorsprong van dit kasteel gaat terug tot de 17de eeuw. Maar omstreeks 1841 werd het door de architect Louis Minard grondig verbouwd tot een neoclassicistisch landhuis. Het is deze interventie die in de Parallèle in beeld wordt gebracht. In het Gentse stadscentrum is de eclectische gevelwand van het Maison rue Pont de Fer van Louis Roelandt nog te bewonderen aan de Lammerstraat 1-11. Binnen de Parallèle is dit ontwerp een van de vele voorbeelden van nieuwbouwprojecten in destijds recent aangelegde stadsdelen die de publicatie rijk is. Het getuigt van de actualiteit van Castermans' selectie. Het Maison rue Pont de Fer werd gerealiseerd na de goedkeuring van Roelandts voorstel om deze straat, die de Sint-Pietersnieuwstraat met pas gerealiseerde Zuidstation verbond, te verbreden en recht te trekken. Verschillende eigendommen werden hiertoe onteigend en de bestaande panden moesten wijken (56). Aan deze heringerichte straat verwezenlijkte Roelandt deze eclectische eenheidsbebouwing in opdracht van Ed. Maeterlinck. De bouwaanvraag voor het complex dateert van 1851. Het gebouw was van oudsher opgesplitst in verschillende woningen met winkels op de begane grond. Op twee deuren na is de originele pui echter volledig vervangen door moderne winkelramen. De huizenrij werd in 1978 beschermd als monument en in 1979 als stadsgezicht en werd recent gerestaureerd.

Het Maison d'arrêt van Hasselt en het Maison penitentiaire cellulaire van Leuven pronken vandaag nog steeds aan respectievelijk de Martelarenlaan 42 en de Geldenaaksevest 68 van deze steden. Beide gevangenissen vormen een buitenbeentje in de Parallèle, als platenalbum gewijd aan woonarchitectuur. De integratie van deze projecten in het tweede volume van de Parallèle kadert binnen Castermans' ambitie, geformuleerd in de inleiding


Gevel- en planontwerp voor het Maison rue Pont de Fer in Cent, ontworpen door Louis Roelandt. 1851 (uit CASTERMANS, Pamllèle, voLi, pl.31)

• U J :.::.i :.:..i I.-.:I.::.:I.:.;I Huidige toestand van de eenheidsbebouwing van Roelandt aan de Lammerstraat 1-11 te Gent (foto O. Pauwels)

aan het begin van het eerste volume van zijn publicatie, om uiteindelijk een omvangrijker werk te creëren dat ook de publieke en religieuze moest omvatten. Beide eclectische gevangenisontwerpen met stervormig grondplan zijn hun plaats in de Pamllèle als inspiratiebron waardig, want hun programma was indertijd erg vernieuwend. De planindeling was gebaseerd op de recent ontwikkelde principes van de Belgische jurist Edouard Ducpétiaux, die in de lijn lagen van het panoptische gedachtegoed van Jeremy Bentham (57).

58 IM L

Bovendien beschikte de Leuvense gevangenis over een opmerkelijk verwarmings- en verluchtingssysteem. De gevangenis van Hasselt werd in gebruik genomen vanaf 1859, maar verloor in 2005 zijn oorspronkelijke functie als gevangenis wegens plaatsgebrek. Omdat het gebouw niet beschermd was, werd zijn voortbestaan bedreigd door de plannen voor een nieuwbouw voor de faculteit Rechten of voor de topsportschool. Na onderhandelingen werd toch het akkoord bereikt om niet uitsluitend de gevel, maar het volledige gebouw te


Grondplan van de gelijkvloerse verdieping van de Oude Gevangenis te Hasselt, ontworpen door Francois Derré. ca.1859 (uit CASTERMANS. Parallék. vol. 2. pi. 6)

bewaren en te restaureren en er de faculteit rechten van de Universiteit Hasselt in onder te brengen. Het project werd via een wedstrijd toegekend aan noAarchitecten, die met respect voor het historische pand en met aandacht voor de oorspronkelijke indeling van het terrein, het gebouw geschikt maakten voor haar nieuwe functie. De werken werden voltooid in 2012. De plannen voor de gevangenis van Leuven werden uitgekend door Joseph Jonas Dumont tussen 1854 en 1855. Het is een ontwerp met gotische stijlelementen en een neo-Tudorinslag. Een jaar later werd de bouw van het complex aangevat. Na de inhuldiging van de gevangenis in i860, werd het een schoolvoorbeeld voor alle gevangeniscomplexen die de daaropvolgende jaren in België opgetrokken zouden worden. De Leuvense gevangenis werd in 1996 beschermd als monument en is nog in gebruik.

Grondplan voor de faculteit Rechten van de UHasselt ontworpen door noAarchitecten, ondergebracht in de voormalige

Eclectische relicten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Van alle Brusselse gebouwen die in de Parallèle zijn opgenomen, werden er nog slechts twee in het straatbeeld getraceerd. Aan de Nieuwstraat 44 staat het Maison rue Neuve of het voormalige gebouw voor de Nationale Bank van België van de architect Henri Beyaert (58). Het ontwerp dateert van 1865 en het werd volgens het gevelopschrift gerealiseerd in 1866. Het gebouw is opgenomen in de inventaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en herbergt momenteel een handelszaak. Verder treffen we aan weerszijden van de Sint-Jozefkerk aan het Frère-Orbanplein de gevels aan van

gespiegelde herenhuizen naar ontwerp van Jean-Pierre Cluysenaar. De gebouwen werden opgetrokken tussen i860 en 1862 in de nieuw aangelegde Leopoldswijk en de gevel en de bedaking zijn vandaag beschermd als monument. Beide herenhuizen zijn echter ten prooi gevallen aan fagadisme. De gevels staan nog netjes overeind, maar wat erachter schuilgaat is volledig nieuwbouw. Castermans nam in zijn Parallèle echter enkel de plattegronden van het Maison a cèté de l'église St.-Joseph op en niet de gevel. Dit bewijst dat de bijzonderheid van de woning net lag in de ruimte-indeling. Bijgevolg zijn de platen vandaag onmisbaar om de kwaliteiten van het oorspronkelijke gebouw te begrijpen.

Oude Gevangenis van Hasselt, 2008-2012 (© noAarchitecten)

MêiL

59


Gevel van het Mo/son rue Neuve in Brussel, ontworpen door Hendrik Beyaert, 1865-1866 ( u i t C A S T E R M A N S , Parallck.

vo\.2.

pl.113)

Gevels van de gespiegelde woningen naast de Sint-Jozefkerk aan het Frère-Orbanplein in Brussel, naar ontwerp van JeanPierre Cluysenaar (foto O, Pauwels)

Afgezien van haar bijdrage tot mentale reconstructie van een vernietigde ruimte, laat de Parallèle ook toe om smaakveranderingen en stijlwissels in de 19de eeuw te analyseren. Een aanzienlijk aantal ontwerpen werden in publicatie opgenomen nog voor ze gebouwd waren. Bijgevolg bevat het werk ook nooit gerealiseerde projecten. Aan de Louizalaan 77 staat vandaag de woning Godefroy. Het werd omstreeks 1874 opgetrokken naar de plannen van Henri Beyaert in neoVlaamserenaissance-stijl. In het tweede volume van de Parallèle is van Beyaert het Maison avenue Louise te zien, met gevelopschrift 'anno 1864'. Wegens de opmerkelijke gelijkenissen in volumewerking tussen deze tekening en de gerealiseerde woning Godefroy, kan het als een eerder ontwerp voor dit project worden beschouwd (59). Dit voorbeeld illustreert de constante zoektocht naar een geschikte stijl gedurende de 19de eeuw en staaft de kortstondige relevantie van de Parallèle als hulpinstrument in de ontwerppraktijk. Het uiteindelijk uitgevoerde ontwerp voor de woning Godefroy werd uitgegeven in de publicatie Travaux d'architecture excécutés en Belgique, dat Beyaert's realisaties vanaf 1868 bundelt. Wetend dat de productie van de Parallèle in ditzelfde jaar was afgesloten, vullen beide platenalbums elkaar inhoudelijk aan inzake het architecturale oeuvre van Beyaert. Hieruit blijkt dat de Parallèle voor architecten een waardevol medium was om eigen creaties kenbaar te maken.

Een laatste Brussels project uit de Parallèle dat hier de aandacht verdient omwille van de relatie met het gebouwde patrimonium is het reeds eerder aangehaalde Pavilion de Cazeaux. Het werd tussen 1830 en 1835 werd opgetrokken aan de Brusselse Koningsstraat, naar het ontwerp van Tilman Francois Suys. Deze neo-Palladiaanse villa werd Plan van de kelder en gelijkvloerse verdieping van het Maison ó cöté

Plan van de eerste en tweede verdieping van het Maison d cöté de

de l'église St-Joseph in de Leopoldswijk in Brussel, naar ontwerp van

l'église St.-Joseph in de Leopoldswijk in Brussel, ontworpen door

Cluysenaar, 1860-1862

Cluysenaar, 1860-1862

(uit CASTERMANS. ParaUile. vol.2, pl.88|

(uit CASTERMANS, Parallèle. vol.2. pl.89)

izr 1111 •

• 111 •

1111 •

LIIIIl 60 I M

L


Eerste gevelontwerp van Beyaert voor de woning Godefroy aan de Louizalaan, 1865 {uit CASTERMANS, Pardlik. vol.2, pl-95)

Woning Godefroy aan de Louizalaan 77 in Brussel, naar

Baron de Menil op hetzelfde perceel, maar dan tegen de rooilijn aan. Dit gebouw, ook wel gekend als het herenhuis Puccini, is vandaag te lokaliseren aan de Koningsstraat 292-298.

ontwerp van Hendrik Beyaert (foto O. Pauwels)

Tweede gevelontwerp van Beyaert voor de woning Godefroy aan de Louizalaan, 1874 (uit BEYAERT, NEIRYNCK |. en F.. Travaux d architecture. ol. 1. pi. 2, detail)

omstreeks 1868 afgebroken vanwege haar ongepast landelijk karakter te midden van de inmiddels met rijwoningen volgebouwde straat. Diverse gevelfragmenten, zoals de aediculavensters, werden echter door de architect A. Mennessier gerecupereerd bij de bouw van een nieuwe woningengroep voor

Eclectische relicten in het Waalse Gewest In het Waalse Gewest vinden we van de gebouwen uit de Parallèle in Verviers nog het Obsetvatoire dans Ie pare du chateau de Sewulle van Adolphe Guillaume Thirion terug aan de Avenue du Pare 24 en de Pont d'entrée du chateau de Mazures van dezelfde architect aan de Mazures te Pepinster. In de omstreken van Luik staat het Chateau de Strée nog overeind aan de Route de Strée te Mondave. Dit kasteel, dat in

M & L I 61


Geveltekening van het Hotel Cerfontaine te Luik, ontworpen door Jean-Pierre Ouysenaar,

_

1S48-1849 (uit CASTERMANS. Paralléle. vol.i. pl.7)

Voorgevel van het huidige winkelcomplex Le Grand Bazar aan de Place Saint-Lambert 23-25 in Luik, dat het Hotel Cerfontaine van Cluysenaar incorporeert {foto O. Pauwels)

62 I M

L

mm'i

NHMI Ril UlilllJIiil


oorsprong teruggaat tot de 13de eeuw, werd rond i860 op vraag van de eigenaar, baron de Rosen, door Emile Vierset-Godin grondig verbouwd. Het is in deze gedaante dat we het kasteel, dat tot op vandaag in privé-eigendom is, aantreffen. Ook het Chateau de Sainval van Evariste Halkin aan de Rue de Sainval 1 te Tilff bestaat nog. Dit kasteel is tevens in privébezit en doet dienst als residentie voor universiteitstudenten. In de stad Luik stuiten we op de enige woning uit de Parallèle die van Auguste Castermans bewaard is gebleven, gelegen aan de Rue Lonhienne 9. Op de Place Saint-Lambert 23-25 in Luik is vandaag nog de voorgevel van het Hotel Cerfontaine te bewonderen. Dit herenhuis was het eerste van vier woningontwerpen die van deze architect in de Parallèle verschenen omstreeks 1852. De plannen voor het gebouw waren gerealiseerd tussen 1848 en 1849 (60) in opdracht van de bankier Cerfontaine (61), maar het herenhuis werd pas opgetrokken in 1853 (62). Het ontwerp werd dus door Castermans verspreid nog voor het gebouw overeind stond. Bovendien was Cluysenaar op dat moment al een gevestigd architect. Hij had reeds voor de bouw van het Hotel Cerfontaine een groot aantal eclectische woningen verwezenlijkt, waaronder erg gewaardeerde realisaties zoals het Maison Bloemaert (1842-1843) en het Hotel Goethals (1847) in de Leopoldswijk te Brussel (63). Maar deze twee woningen zouden pas enkele afleveringen later uitgebreid in de Parallèle geïllustreerd worden. Dit fenomeen lijkt erop te wijzen dat de interesse van Castermans voor de ontwerpen van Cluysenaar gewekt werd na notie te hebben gehad van de plannen van het Hotel Cerfontaine in Luik, zijn eigen geboortestreek. Een vergelijking van het gevelontwerp uit de Parallèle met de huidige aanzicht verraadt een rijke bouwgeschiedenis. Aanvankelijk telde deze eenheidsbebouwing tien traveeën en vier bouwlagen. Het herbergde toen verschillende appartementen, winkels en verenigingen. Aan het eind van de 19de eeuw werd het gebouw opgeslokt door de rechts aanpalende winkelgalerij Le Grand Bazar. In 1905 werd de gevelordonnantie van het voormalige Hotel Cerfontaine doorgetrokken over het gehele perceel en dus met vijf traveeën uitgebreid. In een tweede fase werd ook het pand links van het oorspronkelijke herenhuis geannexeerd bij het winkelcomplex waardoor nog eens zeven traveeën werden toegevoegd. Deze ingreep gaf het gebouw haar huidige breedte van 22 traveeën. Le Grand Bazar vf^s, gedurende vele decennia het commerciële hart van de stad Luik. Omstreeks 1977 ging de winkelketen failliete en dit luidde jaren van verval in (64). Een eerste reddingspoging was de bescherming van de volledige gevel in 1985. Aan het eind van de 20ste eeuw werden de glorierijke jaren van de galerij

Ceveltekening van het Maison quai Cockerill in Luik, ontworpen door Charles Toussaint, 1867 (uit CASTERMANS, Paraüik.

voU.

pl.U5)

r'jfÉiïÊÊ^&ï -jM—t^jt-i;^—^

i il Bü

Huidige toestand van het Maison quai Cockerill van Toussaint gelegen aan de Boulevard Piercot 42 in Luik (foto O. Pauwels)

IVl L I 63


onder de aandacht gebracht in de tentoonstelling genaamd Liège: vie et mort du Grand Bazar in het Musée de la Vie wallone (65). Hieruit groeide het plan om het gehele complex te renoveren, te restaureren en te vergroten zodoende er een shopping center in onder te kunnen brengen. Sinds 2004 schuilt achter de historische facade een totaal gereorganiseerde ruimte die beantwoordt aan de hedendaagse noden van de handelszaken in de Galeries Saint-Lambert en van de woongelegenheden op de bovenste verdiepingen. Desondanks heeft het Hotel Cerfontaine zijn gecombineerde handels- en residentiële functie doorheen de jaren kunnen bewaren. Tot slot heeft in het stadscentrum van Luik heeft ook het Maison quai Cockerill van Charles Toussaint de tijd getrotseerd. Het gebouw dateert volgens het gevelopschrift van 1867 en is vandaag te aanschouwen aan de Boulevard Piercot 42. In de Parallèle behoorde de plaat met de voorgevel van deze woning tot de allerlaatste aflevering die werd uitgegeven in 1869. Het jaar voordien was op een tentoonstelling van de Société l'Union des Artistes te Luik het ontwerp van Toussaint voor de woning voor een zekere Monsieur H., gelegen aan dezelfde straat, te zien (66). Hoogstwaarschijnlijk gaat het om hetzelfde gebouw en werd het hier door Castermans, die lid was van de vereniging, opgemerkt. Een vergelijking met de plaat uit de Parallèle geeft aan dat de originele pleisterlaag van de facade is verwijderd. De gevel en de bedaking van de woning werden in 1993 beschermd als monument.

Besluit Er kan absoluut gesteld worden dat de Parallèle, het levenswerk van de Luikse architect Auguste Castermans, destijds een dankbare onderneming vormde om de Belgische, eclectische architectuur op de kaart te zetten. De publicatie kan tevens beschouwd worden als een poging van Castermans om deze creatieve ontwerppraktijk te stimuleren via het aanbieden van kwalitatieve voorbeelden. Bovenal huist de waarde van het i9de-eeuwse platenalbum echter in de uniciteit van de registratie van waardevolle, eclectische woonarchitectuur in België. Gezien er vandaag slechts een twintigtal gebouwen uit de publicatie te traceren zijn in het huidige straatbeeld, vormt de Parallèle een onmisbaar puzzelstuk voor de kennis van de eclectische stijlstroming. Het is dankzij Castermans' inspanning om de Belgische eclectische architectuur op de kaart te zetten dat ook de overige realisaties die de auteur naar waarde schatte, en die we vandaag wellicht stuk voor stuk met de titel 'monumenten' zouden bekronen, alsnog op papier bewaard bleven.

64 I M

L

Edith Willekens is Master in de Kunstwetenschappen en studeert Conservation of Monuments and Sites aan het RLICC

Eindnoten (1) Dit artikel resulteert uit een masterproef in de Kunstwetenschappen aan de Universiteit van Gent, met als promotor prof. dr. Linda Van Santvoort. (2) CASTERMANS A., Parallèle des maisons de Bruxelles et des principales villes de la Belgique, construites depuis 1830 jusqu'a nos jours, representees en plans, elevations, coupes el détails intérieurs et extérieurs, 2 vols., Parijs-Luik, 1852-1869. (3) VAN DE VIJVER D., Castermans. Auguste, in Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen.

2003, p. 196. (4) Ibidem; Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre d'Etat civil de Liège, Acte de Naissance n" 1040,1828. (5) Ibidem; Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre de Population de Liège, VOL 1, REC 1848 - DIV 1 - FOLIO 81. (6) LEBENS E., L'Architecture a Liège, in Liège: histoire, arts. lettres, sciences, industrie, travaux publics. Luik, 1881, p. 259. (7) Luik, Archief van de Académie Royale des Beaux-Arts: RÉMONT, Cours d'architecture. Salie d etudes, Semestre d'hyver. Lemons sur l'architecture, rere partie du programme, rapport van 17 maart 1845. (8) Luik, Archief van de Académie Royale des Beaux-Arts: RÉMONT, Classe d'architecture. Rapport du 3me trimestre de 1844 a 1845, tere classe, 2me section, rapport van 26 juli 1845. (g) Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre d'Etat civil de Liège, Acte de Mariage n° 4105,1850. (10) Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre de Population de Liège, VOL 2, REC 1859 - DIV 2 - FOLIO 82: Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre de Population de Liège, VOL 5, REC 1881 - DIV 1 - FOLIO 128: Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre d'Etat civil de Liège, Acte de Dècès n" 831,1886. (n) Namelijk h u n oudste zoon Paul Jean Hubert Castermans en h u n jongste zoon Charles Auguste Castermans: Ibidem; BOUVY COUPERY DE SAINT GEORGES-NEYS M.L. Tot meerdere glorie van de bulldozer, in Woonstede door de eeuwen heen. nr. 121,1999, p, 39. (12) Castermans was minstens in de jaren 1868, 1872 en 1878 'membre effectif van deze vereniging: Exposition générale des Beaux-Arts comprenant des ouvrages de peinture, sculpture, gravure, dessin 1? lithographie 1868: catalogue explicatif {tent. cat). Luik, 1868, p. 6; Annales de la Société l'Union des Artistes, vol. 4, Luik, 1872, p. vii; Annales de la Société l'Union des Artistes, vol. 5, Luik, 1878, p. viii. (13) BOUVY COUPERY DE SAINT GEORGES-NEYS M.L, op. cit., p. 39; MARTINY V.-G., La Société Centrale d'Architecture de Belgique depuis sa fondation (1872-1974^. Brussel, 1974, p. 253. (14) Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Registre d'Etat civil de Liège, Acte de Dècès n° 2247,1881: Necrologie, in La Meuse. 8 september 1881. (15) Castermans was de eerste die in het graf te rusten werd gelegd. Ook zijn oudste zoon Paul Castermans, zijn vrouw Clementine Toby en een doodgeboren kind werden er nadien begraven: Luik, Begraafplaats van Robermont: Concession de la familie Castermans-Toby, Dossier n°i339, parcelle 7-62-1. (16) LEBENS E., op. cit.. p. 263. (17) Necrologie, in La Meuse, 9 september 1881. (18) Vermoedelijk gaat het hier om de Luikse architect Gustave Charlier (1848-1922). Auguste Castermans en Gustave Charlier bouwden in 1880 immers aanpalende woningen aan de Rue de la Régence te Luik: MOOR T.. Charlier. Gustave. in Repertorium van de architectuur in België van ISJO tot heden., Antwerpen, 2003, p. 202. (19) Necrologie, in La Meuse, 10 en 11 september 1881. (20) LEBENS E., op. cit., p . 263-264. (21) BOUVY COUPERY DE SAINT GEORGES-NEYS M.L, op. cit., p. 36-39; Luik, Centre d'Archives et de Documentation


vandeCRMSF: Fonds de la CRMSF- Fonds des dossiers no(1830-1930] (uitg. doct.verh.j, Columbia Univeristy. 1985. p. minatifs des biens. Dossier 2.427. me Louvrex n° 80. 197836-37; Official catalogue of the Great Exhibition of the Works 1979. of Industry of all Nations (tent.cat.), Londen, 1851, nr. 425, p. (22) Luik, Service des Archives de la Ville de Liège: Permis de 207. batir, n° 71562, me Lonhienne 9,10 november 2005. (41) WYLLEMAN L.. Architect Adolphe-Edouard-Theodore Pauli {23) Alle informatie met betrekking tot het gebouwde patrimo1820-1895 (onuitg. lic.verh.), UGent, 1972-1973, p. 49. nium in deze bijdrage is afkomstig uit de inventarissen van (42) MEUL V., Joseph Schudde, academicus en historiserend bouwhet Vlaamse, Brussels Hoofdstedelijke en Waalse Gewest; meester in de tweede helft van de 19de eeuw, in Monumenten el Luik. Service des archives de la Ville de Liège: Permis de Landschappen, jg. 13, nr. 6,1994, p. 49. batir, n0 486 B, me Dartois 12.14 febmari 1881. (43) Exposition générale des Beaux-Arts 1854: catalogue explicatif (24) Namelijk de parochiekerken Sint-Stefanus in Val-Meer. (tent.cat.). Bmssel, 1854. nr. 850, p. 100. Sint-Servatius in Neren, Saint-Antoine de Padoue in Ver- (44) SCHAYES A.G.B., Histoire del'architecture en Belgique depuis viers en Saint-Jean-Baptiste in Aubel. les temps les plus reculésjusqu'dl'époque actuelle, 2de uitg.. vol. 2, Bmssel. 1853. p. 659-660. (25) LORENZ O.. Catalogue general de la Uhmirie franfaise, Parijs, 1867, p. 450; ID., Catalogue general de la librairie fran^aise,(45) Op de achterkant van het voorblad van het exemplaar van Parijs, 1876, p. 250; VAN DE VI)VER D., op.rit.,p. 196. het eerste volume van de Paraüèle dat bewaard wordt door (26)SCHOONIANS Y.. Architectuur enTOoruifgong:de cultuur het Sint-Lukasarchief vzw te Bmssel is met pen het volgenvan het eclecticisme in de icjde eeuw, Gent, 2007. p. 15-20. de opschrift aangebracht: "A Monsieur Joseph Lejear l'elève [sic] architecte de la part de l'auteur Aug. CastermansfisLiege (27) VANDENBREEDEN )., Eclecticisme, in De igde eeuw in Bel[sic] Ie 24 janvier 1S52". gië: architectuur en interieurs. Tielt, 1994, p. 87-120; VAN LOO A., De eeuw van het eclecticisme 1830-1890. in Reperto- (46)VANDENAELE R. et al., op.rit.,p. 152; VERSLUYS CD., La rium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwernouveauté en architecture - Le désier d'étoumer - M. Dumont pen, 2003, p.18-32. - Ses gagades de la Rue des Arts - Son école, in Joumal beige de (28) ONRAET L, Journal (beige) de l'architecture: studie over een l'architecture et de la science des constructions, Bmssel, 1853, architectuurtijdschrift uit het midden van de igde eeuw (onuitg. p. 21-23. lic.verh.), UGent, 2001-2002. p. 1.108-123, M-S(47) HEN C, Journal de l'imprimerie et de la lihrairie en Belgique, (29) De Paraüèle van Castermans werd gemaakt "suite a celui de Brussel, 1854-1868. M. Calliat sur les Maisons de Paris": BRUNEI J.-C, Manuel (48) REINWALD C, Catalogue annuel de la librairie frangaise, du lihraire et de l'amateur de livres, Parijs, i860, p. 1627; Parijs, 1859-1867. BOUVIER B., L'Edition d'architecture d Paris au XlXe siècle(49) De verschijning van de afleveringen is alleszins vermeld in les maisons Bance et Morel et lapresse architecturale, in Histoire de Bibliographie de la Belgique ou Catalogue general des livres et civilisation du livre, vol. 27, Genève, 2004, p. 120. belges van Charles Muquardt. een boekhandelaar en uitge(30) VAN DE VIJVER D., Goetghebuers' Choix des monumens, edi- ver van Duitse origine, die gevestigd was in Bmssel, maar fices et maisons les plus remarquables du Royaume des Pays-Bas: die tevens over een filiaal in Gent en in Leipzig beschikte: facetten van de architectuurbeleving in het Verenigd Koninkrijk SARTORIUS, Les Allemands en Belgique, in Histoire des étrangers et de l'immigration en Belgique de la préhistoire d nos jours, (1815-1830]. onuitg. lic.verh. KU Leuven, 1992. Bmssel, 2004, p. 181. (31) Enkele voorbeelden: CLUYSENAAR J.-P., Maisons de campagne, chateaux, fermes, maisons de jardinier. garde-chasse et MUQUARDT C, Bibliographie de la Belgique ou catalogue ged'ouvriers, etc,, executes en Belgique par jean-Pierre Cluysenaar, neral des livres heiges, Brussel. 1850. p. 1. architecte, Brussel, 1859 ; BLANDOT L.. Maisons et écoles (50) LEBENS E., op. rit., p. 264. communales de la Belgique, Luik, 1869; CLAESEN C, op. rit. (51) D1DRON A. N.. Annaks archéologiques, vol.16, Parijs. 1856, (32) JANNETP., La propriété littéraire et artistique.joumal mensuel p. 188. des auteurs, des artistes, des éditeurs, des libraires et marchands (52) Catalogue des livres, formant la bibliothèque de feu Mr. Louis d'oh jets d'arts de tous lespap, Parijs, 1854-1855. Roelandt, ancien architecte de la ville et professeur émérite de (33) Bibliographie de la France ou journal general de l'imprimerie et l'Universitéde Gand: 11 Mars 1868, Gent, 1868, nr. 61, p. 5. de la lihrairie, Parijs. 1855. nr. 29, p. 307. (53) Luik, Rijksarchief: Fonds de families, E.1.1205, Registre de (34) REINWALD C, Catalogue annuel de la lihrairiefrangaise,Pal'inventaire après décès des biens de A. Thirion de Verviers rijs. 1864-1876. (1859-1862), 31 december 1862, nrs.391 en 567. (35) Hun namen komen meermaals voor rechts onderaan op de (54) WILLIS A., op. rit., abstract. platen van het eerste volume. De platen van het tweede vo- (55) De platen maken deel uit van Goetghebuers immense collume bevatten geen namen van graveurs. lectie aan beeldmateriaal dat hij had vergaard naar aanlei{36J Op de titelplaten wordt immers een toekomende tijd geding van de productie van zijn publicatie Choix en die hij bruikt in de mededeling "eet ouvrage se composera de 120 plan- gedurende zijn hele leven bleef aanvullen. Zijn verzameling ches gravées". Dit citaat komt bovendien dikwijls voor in de staat bekend als de Atlas Goetghebuer en wordt bewaard in eigentijdse bibliografische tijdschriften die de verkoop van het Gentse Stadsarchief de Zwarte Doos. de afleveringen promootten: HEN C, Journal de l'imprimerie (56) Gent, Stadsarchief de Zwarte Doos: Pierre-Jacques Goetgheet de la lihrairie en Belgique, Bmssel, 1855, nr. 36, p. 160; f AN- buer, Atias Goetghebuer, L29/i, 2a, 2b en 3. NEX P., Courrier de la lihraire, journal de la propriété littéraire (57) MIHA1L B., Dumont. Joseph Jonas, in Repertorium van de aret artistique pour la France et l'étranger, Parijs, februari 1856, chitectuur in België van 1S30 tot heden. Antwerpen. 2003, p. nr. 37, p. 112. 290. Het was gebruikelijk om de inhoudstafels aan het eind (58) VANDERPERREN J. en VICTOIR ).. Hendrik Beyaert: van van de productie van een publicatie toe te voegen, getuigt classicisme tot art nouveau. Deurle, 1992, p. 129. een aankondiging voor het platenalbum Motifs de decora- (59) VANDERPERREN J. en VICTOIR J., op. rit., p. 132,156-157. tion extérieure et intérieure van Charles Claesen. Deze meldt (6o)HUYSMANS-CLUYSENAAR F.. J.-P. Cluysenaar, architecte, dat "une table serajointe aux demieres livraisons": Joumal de in Les Cluysenaar: une familie d'artistes, Bmssel, 1928, p. 13l'imprimerie et de la lihrairie en Belgique, Brussel, 1859. nr. 14; 1123, p. 131. (61) Ibidem, p. 15, 22; GOBERT T., Liège d travers les ages: les rues (37) MIDANT J.-P., Académie de Bruxelles: deux siècles d'archide Liège, vol. 3. Luik. 1926, p. 485. tecture (tent.cat.). Archives d'Architecture Moderne. 1989, (62) Ibidem; CORTEMBOS T. et al., Patrimoine architectural et p. 185-186. territoires de Wallonië: Liège, Sprimont, 2004. p. 314. (38) VAN LOO A., op. rit., Antwerpen, 2003. (63) HUYSMANS-CLUYSENAAR F., op.rit.,p. 14-15, 21-22. (39) Poelaert bouwde twee identieke en welbekende, eclectische (64)MARTICHE J., Chantier les galeries Saint-Lambert, in Le Soir. herenhuizen op het Congresplein te Bmssel tussen 1850 en 13 maart 2003, p. 23. 1852. Verder worden ook twee woningen van dokter Cof- (65) DELAUNOIS, A.. Liège: vie et mort du Grand Bazar d fin aan de Guldenvlieslaan aan Poelaert toegeschreven. Het l'Université, on collecte la « mémoire de travail». in Le Soir, 27 november 1999. p. 16. bouwjaar van deze realisaties is echter onbekend en kan dus {66) Exposition générale des Beaux-Arts comprenant des ouvrages de van na de productie van de Paraüèle dateren: peinture, sculpture, gravure, dessin si lithographic 1868: cataloVANDENDAELE R. et al., op. rit., p. 172-187. (40) WILLIS A., Flemish Renaissance revival in Belgian architecture gue explicatif, tent.cat., nr. 271. p. 33.


THE 'LOST' CHURCH OF ZELEM In 2012 the Archaeological consultants RAAP carried out an archaeological evaluation and assessment of the 'lost' church of Zelem, as commissioned by the Flemish government. Tradition has it that this church in Halen in the Province of Limburg was founded in the early Middle Ages and demolished in the 17th century. At the start of this study, the location was only known approximately. Combining different methods of investigation allowed the researchers not only to trace the former church site, but also to reveal the evolution of the terrain from the Middle Ages to the Modern Period. The church grounds were found at the base of SintJansberg (St. John's hill) in the Demer valley along the eastern bank of the Zwart Water brook. The digging of this brook in the 17th century disturbed parts of the terrain and caused it to stretch out further to the west of the research area. The church's location is on an ancient, sandy elevation in the valley of the Demer river. The suitable location of this sandy elevation in the lower dale explains the choice of this church location. The study revealed that the Demer river valley, at the foot of Sint-Jansberg, had been a suitable location for settlement as of the Stone Age until the early Middle Ages. In the lower parts of the research area there are traces of flooding as of the transition from the High to the Late Mediaeval Period. The region then suffers more and more from floods and deforestation causes increasing erosion on the slopes of Sint-Jansberg. During this period the church terrain was moated. The first church in Zelem was probably made of wood, as then was customary for religious buildings in the Southern Netherlands. No conclusive evidence was found to prove this. Later on the church was made out of stone, presumably at the earliest in the High Middle Ages. From then on ironstone was used for religious buildings in the research area. The ironstone was extracted from nearby quarries on the Sint-Jansberg. Not only were the church foundations (partly recovered in trenches during the sample trenches' exploration) made of ironstone, but also the walls on the surface. The findings lead to the conclusion that the church was made out of brick as of the I4th/i5th century. The roof covering first consisted of glazed tiles and from the 17th century on, of slate. During the 16th and 17th century the continuing floods and acts of war caused the move of the village of Zelem to its present location north of Sint-Jansberg. This is

66 I M&L

also the place where a new chapel was built which was to serve as parish church until the 19th century. Around 1700 Zelem's oldest church was demolished to its foundations. An ordinance was then issued for the construction of a chapel on the former location of the church. Already a few decades later the chapel was demolished and replaced with a stone cross. The ancient graveyard was used until the early 18th century.

THE BANKS OF THE LIEVE IN DAMME. RELICS OF A LARGE-SCALE EXPROPRIATION FOR THE LIEVE-CANAL DURING THE 13TH CENTURY The Lieve-canal was Ghent's first manmade connection with the coast. Ghent owned the canal's entire length of 46,5 km. To the east the ownership of Ghent was limited to the width of the canal (appr. 5 m) and two towpaths (each measuring 1,10 m). To the western 23 km of the Lieve, Ghent owned a strip ten times the width necessary for navigation on the canal. The strip with dead straight parcels mostly measured 20 rods (length) or 77 m wide. These Lieve (banks) had not yet been described in literature. Ghent owning a canal was not exceptional in itself, what was exceptional was the fact that only half of it lay within its range of influence, the Oudburg, and the other half out of it, within the Bruges Liberty. At first this was not the intention. According to the first acts from 1251, the partner Aardenburg would dig the canal within the Bruges Liberty, exploit it and exercise police authority on the canal and towing paths. These towpaths were an integral part of the shipping canal as barge skippers unable to sail, had to have their barges pulled by people on the towpath. The division between only Lieve-canal and towpath versus Lieve banks measuring 77 m wide, roughly corresponds with a political (Oudburg versus Bruges Liberty) and a hydrographical border (Scheldt basin versus coastal plain). Ghent must have acquired the strip in one time as it has the same width almost everywhere and had straight borders all the way. This probably happened around 1286 as Ghent was then sentenced to dig the Hoge Watering and this drainage canal was not dug next to the Lieve, but along the limits


of the southern Lieve bank. The lawsuit is an indication of the resistance against the Lieve(banks). Thanks to the act from 1251 whereby the countess authorized the canal, Ghent overcame all resistance and could enforce compulsory purchase of grounds and expropriate 177 ha in the Bruges Liberty. As Ghent acquired broad Lieve banks nowhere in the Oudburg and almost everywhere (91%) in the Bruges Liberty, this was clearly a political decision. On the one hand Ghent might have acquired wide banks in order to leave the canal's maintenance to the local tenants. They were obliged to remove waterside plants on their plot to as far as the middle of the canal. Such works could only be profitable if their plot yielded enough as hayfields and meadows and therefore had to be wide enough. On the other hand the Bruges Liberty could have forced Ghent to purchase a broad strip as protection against flooding; either to urge Ghent as adjoining landowner to maintain its banks, or else to oblige Ghent to construct very broad Lieve banks. According to a profile dated 1730, the banks were as wide as the expropriated strip, since the inner banks started with a slightly inclining slope on the parcels' limits. The Lieve banks were 23 km long, but 5 km of it disappeared with the digging of the Leopold canal in 1847-48 and 12 km with the Schipdonk canal in 1854-56. Only the 6 km in Damme and Moerkerke have been preserved. The Lieve canal has gradually grown thick to a ditch only filled with water in wintertime. The Lieve towpaths are partly in use as public roads, the other parts could be reopened as unimproved slow local roads. The Lieve-banks and verges have been well preserved. On relief maps using the DHM (digital altitude model Flanders), the elevated Lieve banks form a nearly uninterrupted 77 m wide linear relic. These need to be protected as unique relics of a large-scale compulsory purchase from the 13th century.

BUILDING HISTORY AND RESTORATION OF THE LEUVEN JESUIT COLLEGE, THE COLLEGIUM VETERANORUM There are still quite a few ancient college buildings in Leuven's historic centre, one of which is the former Jesuit college. Following a professional and thorough restoration, it is now once again used by the Leuven University. Together with the "Pauscollege" (papal

college) and the Maria-Theresia college, this college is part of a larger historical complex in the SintMichielsstraat and Hogeschoolplein. The entire complex was listed as a protected monument on January 5, 1973. The building of the Veterans' college is the most ancient part of this complex and originally dates from the 16th and 17th century with some parts possibly dating from older mediaeval constructions. The carefully prepared restoration has been completed recently. It appeared during preliminary research that numerous and often uncoordinated recent interventions had done the interior as well as exterior more bad than good. During the latest restoration campaign, the goal was to restore the historically valuable building, once part of the former Leuven Jesuit college, in its original splendour. The restored building was solemnly inaugurated on July i, 2009. The wings of the Collegium Vetemnorum are all that is left of the former vast Jesuit college complex in Leuven, the oldest establishment of the Jesuit order in the Low Countries. In 1543 the first Spanish Jesuits settled in Leuven to study at the university and they founded the college in 1547, the first in the Low Countries. Despite an extremely turbulent history, in the course of which large parts of the complex were demolished, the remaining parts are still an impressive whole. It is located on the highest point of the city centre, between the high baroque Sint-Michiels, the former Jesuit church, and Pauscollege. For quite some time, both colleges co-existed, but as the Jesuit order was disbanded in 1773, ^ e i r buildings were added to the Pauscollege. By then the college founded by pope Adrian had become one of the most prosperous in Leuven, resulting in the replacement between 1775 and 1778 of the existing buildings with a monumental new complex. During this massive renovation campaign, students of the Pauscollege stayed in the buildings of the evicted Jesuits. In 1778 the drawings are made to turn the whole into the Collegium Vetemnorum. In the 18th century the major surplus in priests forced newly ordained priests to wait several years before getting a suitable post. The idea was for graduated priest-students to stay in the Veterans' college pending an appointment. The complex later had a few changes of use. The many successive changes in function and the consecutive alteration and renovation works have drastically changed the buildings, still a major historical building substance has still been preserved until today. They go back to the earliest development of the Jesuit college in the early 17th century on this location, when the order acquires a few large 15th and 16th residences from nobility. The buildings were re-used for the construction of the college

1V1&LI 67


and only disappeared in the 18th, even igth century. Possibly some wall-parts of the Veterans' college are still remains from one of these courts. The quick succession of new uses in the 18th, 19th and 20th century each affected the interior lay-out and decoration. The remaining interior elements basically only concern a few 19th century mantelpieces, wainscoting and ceiling mouldings in the 19th century salons which had been maintained during restoration. This building's main historical value lies in its constructive parts, the facade and parts of the rear elevation. These were revalued with the restoration works, aiming to render its original, prestigious aspect. On the other hand, an important functional programme needed to be carried out in order to re-integrate the building within the academic operation, after a period of vacancy. This delicate balance could only be reached thanks to thorough preliminary research, accurate architectural design and intense consultations between principal, researchers, designer and Onroerend Erfgoed (immovable heritage agency).

that Parallèle can be considered as Auguste Castermans' magnum opus. Besides the design of eclectic residential architecture, churches and monumental graves, this architect spent 18 years of his rather short career on this album with prints. With the creation of Parallèle, Castermans met the need of the upcoming bourgeoisie for eclectic houses and provided designers with a tool to help them in the creation of superior architecture in spite of growing commercialization. He thus promoted eclecticism as a worthy transition in the quest for a contemporary style which could also propagate the typically Belgian identity. Castermans had clearly been inspired by the similar edition Parallèle des maisons de Paris by the French architect Victor Caillait. Whereas in Belgium the Parallèle was a unique and ground-breaking concept. Eclecticism was after all fiercely criticized in the only contemporary architectural journal, the Journal de I'architecture. The album's production was done by the publishers E. Noblet and J. Baudry, Castermans as draughtsman and at least two professional engravers. The contents of the Parallèle is in many ways varied. The work contains eclectic architecture from all over Belgium, laying emphasis on eclectic architecture in Brussels and Liège. The edition mainly presents residential architecture, but also a few semi-public and even public buildings. Furthermore the album contains inspiring ground plans as well as drawings of fagades and details. Finally the publication shows designs by two progressive generations of Belgian architects and contains a thorough selection of valued as well as controversial projects. The Parallèle was distributed in Belgium, France and Germany and was a prized collector's item among architects. It is still unclear whether the prints were already put in during the design. Their utility as a source of inspiration was During the 19th century, architectural publications were nevertheless short-lived, as eclecticism lost influence as an important instrument for the architectural debate in of 1870 at the expense of Neo-Flemish Renaissance. This the search of a contemporary style. Within this context, publication was soon used as a source in architectural the architect from Liège, Auguste Castermans (1828historiography and remains, until today, still relevant 1881), between 1852 and 1869 launched the illustrated for research in architectural history. After all, of all 94 album Parallèle des maisons de Bruxelles et desprincipales buildings represented in this album, hardly twenty can villes de la Belgique. This edition consists of two volumes, still be traced nowadays. In short the Parallèle was a each containing 120 plates, with eclectic architecture fair initiative to put Belgian, eclectic architecture on the designed by different architects in Belgium since 1830. map and at the same time stimulating it. The value of The edition was meant to inspire new projects by this publication is however mainly due to the unicity of comparing different prints with each other. Existing Castermans' registration of eclectic architecture in his professional literature often refers to Parallèle as a own country. source for studies of ngth century Belgian architecture. Until now there had not been a thorough study as to the significance of this edition in the 19th century and its realization. This contribution wishes to clarify these somewhat neglected aspects. The study has revealed

ECLECTIC PAPER MONUMENTS PERPETUATED: THE PUBLICATION PARALLÈLE DES MAISONS DEBRUXELLESBY AUGUSTE CASTERMANS


Archeologie in de provincie Antwerpen

De dienst Erfgoed van de provincie Antwerpen speelt een actieve rol in het behoud, de studie en de ontsluiting van alle vormen van erfgoed in de provincie. In de brochurereeks 'Archeologie in de Provincie Antwerpen' laat ze het publiek kennismaken met de archeologische vondsten en vindplaatsen in de provincie.

Deze rijkelijk geïllustreerde brochures zijn gratis verkrijgbaar bij de dienst Erfgoed. Je kan ze aanvragen via cultuurloket(aprovincieantwerpen.be of via het nummer 03 240 66 30. Meer info en andere erfgoedpublicaties: www.provincieantwerpen.be 1 Puurs-Pullaar Aan de rand van de middeleeuwse bewoning 2 Vosselaar-Lindehoeve Een erf uit de ijzertijd aan het Hofeinde 3

4

Meer-Meirberg Steentijdbewoning op een Kempense duinrug Meer-Zwaluwstraat Een ijzertijdnederzetting bij de Mark

5 De v e r z a m e l i n g - Z i m m e r m a n n (1918) Militaire luchtfoto's van Beveren tot Oud-Turnhout 6 H e t M e c h e l s e Steen Een laatmiddeleeuwse gevangenis op de Grote Markt

Provincie Antwerpen

o

7 Rumst-Molenveld

o 14

Romeinse nederzetting, Romeins kamp a •

8 9

Edegem-Buizegem Vierduizend jaar begraven en cremeren Boom-Krekelenberg

bronstijdgrafheuvels a 15 R a n s t - Z e v e n b e r g e n Kelten en Romeinen tussen kerk en kasteel

Een erfenis uit de ijzertijd a 10

Beerse-Krommenhof Middeleeuwers op en rond

Bornem-Wintam Baggervondsten bij de aanleg

o 16

van de zeesluis

o 17 De S i n t - M a r t i n u s k e r k D u f f e l De bewogen geschiedenis van een parochiekerk

o 11 K o n t i c h - D u f f e l s e s t e e n w e g Ijzertijdcrematies onder een verkaveling o 12 Z o e r s e l - Z o e r s e l b o s Sporen van houtskoolbranders in een oud-bos • 13 H e t arresthuis in M e c h e l e n Van randgeval tot lieu de mémoire

Broechem-Nierlender Het Merovingisch grafveld

o 18

Nijlen-Mussenpad Vroegmiddeleeuwse metaalverwerking op het Kempense platteland

• 19

Laakdal-Oost-Molenveld Middeleeuwse boerderijen tussen de Grote en Kleine Laak

DIENST ERFGOED Desguinlei 100 2018 Antwerpen erfgoed@provincieantwerpen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook