Skip to main content

Analyse_mogelijkheden_bos_natuurontwikkeling_Rumst_Boom.pdf

Page 1

Analyse van de mogelijkheden voor bos- en natuurontwikkeling in het klei-ontginningsgebied van Rumst en Boom na sanering en grondberging Project RUMBOOLAR Bruno De Vos, Luc De Keersmaeker, Luc Denys en Jo Packet

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen www.inbo.be

Cover_rapport_25p.indd 1

05/06/2020 17:02


Auteurs: Bruno De Vos, Luc De Keersmaeker, Luc Denys en Jo Packet Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Gert Van de Genachte, Bram Verschoren, Jan Blancke Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: INBO Geraardsbergen Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen www.inbo.be e-mail: bruno.devos@inbo.be Wijze van citeren: De Vos, B., De Keersmaeker, L., Denys, L. & Packet, J. (2020). Analyse van de mogelijkheden voor bos- en natuurontwikkeling in het klei-ontginningsgebied van Rumst en Boom na sanering en grondberging. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (24). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.18416046 D/2020/3241/164 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (24) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Foto cover: Pioniersbos met berk en wilg op proefvlak BB01 (c) INBO Dit onderzoek met projectacroniem “RUMBOOLAR” (Rumst en Boom LandschapsReconstructie) werd uitgevoerd in opdracht van : De Vlaamse Waterweg nv, Havenstraat 44, 3500 Hasselt.

© 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Cover_rapport_25p.indd 2

05/06/2020 17:02


Analyse van de mogelijkheden voor bosen natuurontwikkeling in het kleiontginningsgebied van Rumst en Boom na sanering en grondberging

Project RUMBOOLAR 20 mei 2020

Bruno De Vos, Luc De Keersmaeker, Luc Denys en Jo Packet

doi.org/10.21436/inbor.18416046 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 1 van 211


Dankwoord/Voorwoord Dit rapport is tot stand gekomen na een ‐uit de hand gelopen‐ desk‐studie die mogelijk werd gemaakt onder stimulans van de Heer Gert Van de Genachte, Intendant Sanerings‐ en grondbergingsproject Rumst, in samenspraak met de Heer Jan Blancke, Directeur Bedrijventerreinen (POM Antwerpen) en met middelen van de Vlaamse Waterweg nv, vertegenwoordigd door Mevrouw Frieda Brepoels, Voorzitter van de Raad van Bestuur en de Heer ir. Chris Danckaerts, gedelegeerd bestuurder. Dank aan deze mensen om dit EVINBO‐project te financieren zodat er voldoende tijd en middelen beschikbaar waren voor de onderzoekers om hun werk ‘grondig’ te doen. Al vlug bleek dat met bestaande gegevens we niet zo ver zouden geraken om de wetenschappelijke nieuwsgierigheid te bevredigen en tot adequate antwoorden te komen voor de gestelde vragen. Vandaar dat er aan deze studie een luik veldwaarnemingen, staalnames en analyses werd gekoppeld zodat met voortschrijdend inzicht enkele pertinente kennisvragen konden beantwoord worden. Voor dit bijkomend luik zijn we bijzondere dank verschuldigd aan Bram Verschoren, Projectverantwoordelijke milieuzaken Investeringen van de Vlaamse Waterweg nv om ons te assisteren op het terrein en via zijn netwerk in contact te brengen met relevante personen en informatie, alsook voor de administratieve opvolging van deze studie. Bram, uw hulp werd in hoge mate geapprecieerd. Uiteraard konden we ook altijd terecht bij Gert Van de Genachte om uit te maken welke piste zinvol en nodig was en welke niet. Bedankt Gert ! Voorafgaand aan deze studie kregen we een rondleiding op het terrein door Fried Happaerts (Milieuambtenaar Rumst) en Natascha Segers (milieuambtenaar Boom) die ons de nodige achtergrondinformatie bezorgden en enkele Boomse kleistalen die we via Fried van Wienerbergen konden bemachtigen. Volgende personen leverden advies, stalen en/of data voor deze studie: Kjeld Vandeputte (LANTIS), Chandra Algoe (MOW, Geotechniek), Katrien De Nil (VPO), Stijn Mulders (Tractebel) en Pepijn van Eynde (Wienerberger). Dank ook voor ondersteuning inzake communicatie aan Kathleen Art (Pers‐ en communicatie‐ verantwoordelijke POM) en Koen Van Muylem (Woordvoerder INBO), alsook aan Nicole De Groof voor de finale layout en productie van dit rapport. Uiteraard willen we ook onze eigen INBO‐medewerkers bedanken voor hulp bij het terreinwerk (Koen Willems, Arthur De Haeck) en staalvoorbehandeling (Mathieu Pieters) en de medewerkers van het INBO‐ labo die de bodemanalyses tegen de klok en met Corona‐restricties hebben uitgevoerd: in het bijzonder Els Mencke (labo‐verantwoordelijke) en de laboranten: Nele Roosens, Liesbeth Papeleu, An Capieau en Alexander Houtave. Gerrit Genouw (INBO) overzag de analyses van oppervlaktewater en bodem. Dank om de schakel die iedereen heeft aangeleverd om de ketting van dit rapport te kunnen smeden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Samenvatting In deze studie verschaft het INBO inzichten voor de landschapsreconstructie en natuurinrichting van het voormalige klei‐ontginningsgebied Terhagen dat van 1970 tot 1995 in gebruik was als stortplaats. Zo omvat het gebied een voormalig huisvuilstort, een gipsstort, een baggerstort, een vliegasstort en een asbeststort en is er een inherente milieuproblematiek van asbest, zware metalen in de bodem, sulfaten en chloriden in grond‐ en oppervlaktewater en zelfs verhoogde radioactiviteit aanwezig. De Vlaamse Waterweg nv (DVW) en het Provinciebestuur Antwerpen willen overgaan tot de sanering en gedeeltelijke ophoging van het gebied door gebruik te maken van ca. 3,6 miljoen m³ ontgraven grond die vrijkomt bij de aanleg van de Oosterweelverbinding rond Antwerpen. Het doel is om op deze wijze de historische milieuproblematiek aan te pakken door een selectie van bodemvormende geolagen uit Oosterweel nuttig te gebruiken om duurzaam te saneren en tegelijk een meer gevarieerd en klimaatrobuust bos‐ en natuurgebied te creëren in het belang van de omwonenden (zachte recreatie) en de natuur (biodiversiteit). Binnen een afgelijnd projectgebied van 53 ha werd met een ecologische bril naar de mogelijkheden en beperkingen van ecotechnische landschapsreconstructie gekeken. Er werd een kennisbasis opgebouwd met een synthese van de beschikbare gegevens over de bodem‐ en waterkwaliteit van het gebied, aangetroffen soorten, biotopen en landschapselementen. Dit werd aangevuld met een verkennende terreinstudie voor een beknopte vegetatiebeschrijving en gerichte staalnames van bodem en strooisel in de actuele bosbestanden, alsook een beoordeling van de ecologische kwaliteit van de plassen en vijvers. Er werd vastgesteld dat de actuele milieukwaliteit van het gebied nog steeds ondermaats is en een duurzame sanering absoluut noodzakelijk lijkt. Tot voor kort kwam asbest aan de oppervlakte en is die nog steeds op geringe diepte (20‐30 cm) plaatselijk aanwezig met blijvend risico op blootstelling door erosie of afschuiving op de taluds. Tevens werd in meer dan de helft van de boringen over het terrein puin, dakpannen, grind, afval of andere artefacten aangetroffen die de bewortelbare ruimte beperken en negatieve effecten hebben op de bodemfuncties. In tegenstelling tot voorgaande studies, werden er strengere saneringsnormen gehanteerd voor Bos‐ en Natuurgebied (BSNI). Uit de toetsing bleek de bodemverontreiniging aan zware metalen in de bovenste meter nog aanvaardbaar, maar dat vooral de diepere bodemlagen gecontamineerd zijn met Cd, Cr, Cu, Pb en Zn vooral in de stortzones 1 en 2 (asbeststort en ‘huisvuilstort’). Op 14 onderzochte proefvlakken werden verhoogde biobeschikbare concentraties vastgesteld aan Cu, Zn en Cd in strooisellagen, maar kritische ecotoxicologische drempels werden niet overschreden, tenzij voor Cd op 1 locatie. De waterkwaliteit, zowel van grondwater als oppervlaktewater, werd slechter beoordeeld dan de bodemkwaliteit. Zeer hoge elektrische geleidbaarheden wezen op hoge concentraties aan opgeloste zouten (voornamelijk sulfaten en chloriden), een onnatuurlijk hoge alkaliniteit (extreem hoge pH’s) en lage zuurstofconcentraties van specifieke plassen werd vastgesteld, doorgaans te verklaren door uitloging uit het asbest‐ en gipsstort. Bij een aantal plassen werd Zn‐verontreiniging vastgesteld, maar over het algemeen waren de zware metaal‐gehalten in oppervlakte en grondwater acceptabel. Vermoedelijk zijn deze metalen vooral vastgelegd in de onderwaterbodem, waar ook precipitaties in het sediment werden vastgesteld. De actuele kwaliteit van de oppervlaktewateren kan dus sterk verbeterd worden. Ook het grondwater is zwaar belast, waarbij hoge geleidbaarheden (EC > 2000 µS/cm) wijzen op het overmatig voorkomen van anionen (vooral sulfaten). Het actuele bos is een jong, spontaan ontstaan pionierbos met een maximale leeftijd van 20‐25 jaar en boomhoogtes zelden meer dan 18 m, een hoog stamtal maar een beperkt grondvlak en bovengrondse houtvoorraad. Vooral pionierssoorten zoals wilg en berk zijn dominant. Dit pioniersbos is niet echt duurzaam en lokaal werden reeds sterke perturbaties vastgesteld door verdroging, insectenaantasting en stormschade. De kruidlaag herbergt slechts een beperkt aantal soorten die tevens vlot kunnen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 3 van 211


verbreiden. De ecologische waarde van het bos is beperkt, behoudens enkele specifieke groeiplaatsen met nat en zuur bos met veenmossen en klei‐houdende steilranden met een aantal vrij zeldzame varensoorten. Door de geplande landschapsbouw zal dit pioniersbos in het projectgebied ‘gereset’ en dus vervangen worden door andere bostypes en zullen bepaalde groeiplaatsen verdwijnen. Na de ingreep echter zal er een gevarieerd landschap ontstaan, met steile hellingen met verschillende exposities wat kan leiden tot een hoge variabiliteit in luchtvochtigheid, en dit op kalkrijke, zandige tot kleihoudende, droge tot natte bodems. Wellicht zal het herbeboste projectgebied snel opnieuw spontaan gekoloniseerd worden door veeleisende mobiele soorten. In functie van de landschapsbouw werd de geschiktheid van de belangrijkste tertiaire geolagen gescreend voor gebruik als bodem (0 ‐ 1 m), substraat (1 – 1,5/2 m) of ondergrond (> 1,5 m). We concluderen dat voor bodemontwikkeling best een combinatie van formaties van Lillo en Kattendijk kunnen gebruikt worden. Deze bevatten milieu‐veilige concentraties aan zware metalen en zijn voor het betrokken Oosterweel transect niet belast met problematische concentraties aan chloriden en sulfaten (EC < 500 µS/cm). Wel is hun pH hoog (pH>8) wat bepalend is voor de biobeschikbaarheid zodat mogelijks gebreksverschijnselen van bepaalde nutriënten kunnen optreden, maar tegelijk is hun kalkbuffer remediërend voor de sulfaatproblematiek veroorzaakt door de pyriethoudende Boomse klei in het gebied. Gebruik van de formaties van Berchem (hoog Cr‐gehalte) en Boomse klei (hoog aan Cr en S) worden afgeraden als bodemmateriaal (0‐1 m), maar kunnen nuttig gebruikt worden als substraat en als afdeklaag boven de stortplaatsen. Veen‐materiaal zou slechts in beperkte mate ter beschikking komen, maar gebruik ervan is af te raden wegens een hoog zwavel en sporadisch arseen gehalte. Als onderwaterbodem voor het rietmoeras wordt Fm van Kattendijk aanbevolen, gezien het lagere gehalte aan organische stof, kleigehalte en fosforgehalte in vergelijking met de andere geolagen. Om de bosontwikkeling op gang te brengen werd een selectie gemaakt van pioniers‐ en climaxsoorten, aangepast aan de textuur en hoge pH van de geolagen. Speciale aandacht werd besteed aan autochtone soorten met een stikstof‐fixerend vermogen en/of wortelopslag. In functie van de terreinmorfologie van de landschapsheuvel werden de meest geschikte pioniers‐ en climaxsoorten schematisch aangegeven. Op de steilste hellingen suggereren we het toepassen van hydroseeding met mulches en zaadmengsels van vlinderbloemigen en eventueel met zaden van bomen en struiken. Op de plateau’s doen we aanbevelingen voor het verbeteren van de opperbodem door middel van groencompost om het bodemleven te activeren, bodemvorming te initiëren, de bodemstructuur en waterbergend vermogen te verbeteren en kieming van zaden te bevorderen. Er worden aanbevelingen gedaan voor natuurinrichting in open plekken met kalkrijk zand en beheer van aangepaste vegetaties, mogelijkheden voor behoud van geschikt habitat voor de rugstreeppad en de kamsalamander. Voor de inrichting van de rietvijver wordt aangeven welke streefbeelden er zijn voor structuurrijke rietvegetaties en open waterzones, de te voorziene dieptes en vereiste kwaliteit van de onderwaterbodem. Een bijzondere vraag in dit project was het primair begroten van de koolstofbalans, zowel voor de actuele toestand als de toekomstige bosontwikkeling. De 38 ha actueel bos vertegenwoordigt een totale opslag van 23,2 kt CO2‐equivalenten in bodem, strooisel, dood hout en biomassa. Er werd geraamd dat voor de realisatie van de landschapsheuvel tussen de 14,5‐20 kt CO2‐eq uitgestoten zal worden. In het kader van mitigatie van klimaatverandering stellen we voor niet alleen de huidige bodems te ‘begraven’, maar ook de houtige biomassa anaeroob te bergen, als een vorm van een Biologisch Carbon Capture and Storage proces. Hierdoor kan de CO2‐uitstoot van de landschapsreconstructie ruimschoots gecompenseerd worden nog voor de natuurlijke koolstofvastlegging van de herbebossing opstart en is de koolstofbalans positief. Finaal geven we aan welke kennishiaten en onderzoeksnoden er nog zijn, wil men wetenschappelijk onderbouwd de landschapsreconstructie aanpakken. De ideale timing voor deze studies is aangegeven. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


English abstract This report deals with landscape reconstruction, reforestation and nature restoration of a former clay quarry near Terhagen (Rumst) village that was exploited as a landfill between 1970 and 1995. The landfill partially consisted of a garbage dump, a gypsum waste disposal site, a dredged sediment landfill and disposal areas of fly ash and asbestos. There are concerns and environmental risks regarding dispersion of asbestos particles, heavy metals in soils and biota, sulphates and chlorides in ground‐ and surface waters and even radioactive pollution has been observed. The Flemish Waterway authority (De Vlaamse Waterweg nv) and the Province of Antwerp, responsible for the area, plan to clean up the site by isolation of the disposal areas combined with mineral capping using ~3.6 million m³ of geological materials originating from new large infrastructural works near Antwerp (Oosterweel‐ringway). The aim is to tackle the historical environmental problem by using a selection of suitable soil forming geological materials from Oosterweel as mineral capping, reconstructing the landscape and creating a climate‐robust green forested area beneficial for local residents (soft recreation) and nature (biodiversity). For a project area of 53 ha we made an ecological evaluation of the opportunities and limitations of ecotechnical landscape reconstruction. A knowledge base was compiled based on available datasets and reports on the soil and water quality of the area, species, biotopes and landscape elements. Knowledge gaps were filled with a reconnaissance field survey consisting of a vegetation description, sampling of soils and forest floors in the forested area and an evaluation of the ecological quality of the surface waters. The environmental quality of the area remains poor and needs an adequate sanitation and revalorization. Until recently, asbestos could be found at the surface and is still present at shallow depth (20‐30 cm), posing a threat of surfacing through erosion or landslides on the slopes. At the same time we observed in more than half of the cores coarse fragments of debris, roof tiles and bricks, gravel, garbage and other artifacts limiting rootable soil‐space and causing a negative impact on soil functioning. In this study we applied stricter Flemish soil contamination limits for Forest and Nature areas (BSNI) than those used in the past for recreational areas (BSNIV). Based on these limits, we found still acceptable heavy metal concentrations in the upper 1 m soil, but higher contamination levels of Cd, Cr, Cu, Pb and Zn exceeding the limits are present in deeper soil layers, especially in the disposal areas 1 and 2 near the asbestos site. We checked 14 plots and discovered bioavailable and enhanced concentrations of Cu, Zn and Cd in the forest floor, but critical ecotoxicological limits were not exceeded, except for Cd on 1 location. The water quality, both of ground and surface waters, was judged to be worse than soil quality. Very high levels of electrical conductivity indicated high concentrations of dissolved ions, especially sulfates and chlorides. High unnatural alkalinity (extremely high pH levels) and low oxygen concentrations were observed in several surface waters, readily explained by leaching substances from the asbestos and gypsum dumpsites. Zinc contamination was found in some surface waters, but in general heavy metal concentrations were in the tolerable range for surface and ground waters. We assume these metals are present in the underwater sediments where also precipitations were observed. The actual quality of the surface waters needs to be improved substantially. Also ground waters are contaminated as indicated by high electrical conductivity levels (EC > 2000 µS/cm) due to excess sulphates. The current forest vegetation consists of a young, spontaneously grown pioneering forest with a maximum age of 20 to 25 years and tree heights of maximum 18 m, a high stem density but limited basal area and stocking density. Especially pioneering species like willows and birches are dominating. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 5 van 211


The sustainability of these young forest stands is rather weak and locally strong perturbations were observed caused by drought, insect attacks and windthrow. The herb layer hosts a limited number of easily migrating plant species. The ecological value of the current forest is limited, except for some specific sites occupied by wet and acidified forest types with a peaty moss‐layer and some clayey slopes with a number of rare fern species. The current pioneering forest will be reset and replaced by other forest types in the project area, and some specific site conditions will inevitably get lost. However, after this landscape reconstruction a more diverse landscape will emerge, with steep slopes in different directions yielding a wide variation in micro‐climates and a range of carbonate‐rich, sandy to clayey and dry to wet soils. We expect that the reforested area will be colonized spontaneously by multiple, highly demanding and mobile species. We evaluated the suitability of the major tertiary geolayers from Oosterweel for their use as soil (0‐1 m), substrate (1‐1.5/2 m) or underground (>1.5 m) material. We concluded that for the development of new soils a combination of geological formations of Lillo and Kattendijk would be best. Those formations from the specific Oosterweel transect contain environmentally‐safe concentrations of heavy metals and are not burdened with problematic concentrations of chlorides or sulphates (EC < 500 µS/cm). On the one hand, alkalinity of these geolayers is high (pH>8) limiting the bioavailability of some nutrients and possibly causing deficiencies, on the other the calcareous buffer may remediate the acid‐sulphate problems caused by pyrite‐holding clays (Boomse klei) still present in the area. Use of the formations of Berchem (high Chromium content) and Boomse klei (elevated levels of Cr and S) are not recommended as soil‐forming material (0‐1 m), but may be applied as substrate (> 1.5m) or as capping material above the original dump sites. Our data suggests that limited amounts of peat will become available. Anyway, we dissuade its use due to its high sulfur and occasionally arsenic content. As bottom sediment for the reed marsh formations of Kattendijk is recommended by reason of its low content of organic matter, clay and phosphorus compared to the other geolayers. To initiate forest development a selection of pioneering and climax tree species suitable for the soil texture and elevated pH of the geolayers is proposed. Special attention is paid to autochthone species with N‐fixing abilities and/or development of propagative roots (suckers). A scheme of the terrain morphology was designed showing the most suitable tree and shrub species. On the steepest slopes we recommend hydro‐seeding with mulches and seed mixtures of N‐fixing herbal species or seeds from suitable trees and shrubs. On the plateaus we suggest improving the topsoil using woody compost to activate soil life, initiate soil forming processes, enhance soil structure, waterholding capacity and the germination success of seeds. Various recommendations are made for nature development in open areas on calcareous sands and their specific vegetation management and opportunities for creating suitable habitats for natterjack toad and northern crested newt. For the design of the reed pond/march some targets were set to create structurally rich reed vegetation and open water zones, recommended water depths and quality levels of the sediment. A particular question in this project was to quantify the carbon balance, both for the actual forest as for the future one. The actual 38 ha of forests represents a total carbon stock of 23.2 kt CO2‐equivalents in soil, forest floor, dead wood and woody biomass. For the realization of the new landscape an estimated emission between 14,5 and 20 kt CO2‐eq will be emitted. With respect to climate change mitigation we recommend not only to bury the actual soil organic carbon stocks, but also to store the actual wood biomass anaerobically as a Biological Carbon Capture and Storage (BCCS) process. By doing so, the BSSC will compensate by far the CO2 release of the reconstruction activities even before the natural sequestration begins of the reforestation, guaranteeing a positive C‐balance. Finally we provide an overview of the knowledge gaps and research needs still existing for the evidence – based underpinning of the landscape reconstruction. We also suggested the best timing for these studies. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 7 van 211


Inhoudstafel 1

Inleiding

14

2

Aanpak en methoden

16

2.1. Algemene aanpak

16

2.2. Veldmethoden

17

2.2.1. Dendrometrie en inventarisatie van de vegetatie

17

2.2.2. Strooisel‐staalname en ‐analyse

17

2.2.3. Bodemstaalname en ‐analyse

19

2.3. Labo‐analyses

23

2.3.1. Textuuranalyse met laserdiffractie

23

2.3.2. Bulkdensiteit bodem

23

2.3.3. Zuurtegraad (pH) en Electrische geleidbaarheid (EC) bodem en water

23

2.3.4. Organisch materiaal (LOI) en totale koolstof (TC) en Stikstof (TN)

24

2.3.6. Aqua regia extraheerbare elementen

24

2.3.7. Analyses oppervlaktewater

24

2.4. GIS‐analyses

25

3 Kennisbasis

27

3.1. Samenvatting beschikbare kennis

27

3.1.1. Ruimtelijke indeling projectgebied

27

3.1.2. Bodemkwaliteit

31

3.1.2.1. PIH studie 2008

31

3.1.2.2. Oriënterend en Beschrijvend Bodemonderzoek Technum

32

3.1.3. Waterkwaliteit

35

3.1.3.1. PIH studie

35

3.1.3.2. Grondwaterkwaliteit OBBO – Technum rapport

36

3.1.3.3. Ontwerp bodemsaneringsproject Tractebel

37

3.1.4. Landschapseenheden

37

3.1.5. Soortgegevens

38

3.1.6. Landschapsvisie

39

3.2. Verkennende terreinstudie

41

3.2.1. Projectgebied

41

3.2.2. Bodemkwaliteit

42

3.2.2.1 Bodemsurvey in projectgebied

42

3.2.2.2 Geologische substraten Oosterweel

56

Volumemassa van geolagen

61

Glauconietgehalte

62

Bodemkundige eigenschappen van de geostalen

62

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.2.3. Strooiselkwaliteit

71

3.2.4. Dendrometrie en vegetatie

74

3.2.5. Waterkwaliteit

80

3.2.5.1 Algemene situering

80

3.2.5.2 Beschrijving van de plassen en staalnamepunten

81

3.2.5.3. Analyseresultaten

83

3.2.6. Landschap en reliëf

85

4. Beoordeling en bespreking

87

4.1. Milieukwaliteit

87

4.1.1. Actuele milieukwaliteit

87

4.1.2. Milieukwaliteit na landschapsbouw met geolagen

88

4.2 Ecologische kwaliteit huidige bos

90

4.3 Ecologische kwaliteit aquatische ecosystemen

91

4.4 Koolstofbalans

91

4.4.1. Actuele koolstofvoorraden

91

4.4.2. Toekomstige koolstofvoorraden

93

4.5. Grondverzet en gebruik geolagen

95

4.5.1. Ontgravingsvolumes

95

4.5.2. Bergingsvolumes

98

4.5.3. Fysico‐chemische kwaliteits‐eisen

100

4.5.3.1. Bodem

101

4.5.3.2. Onderwaterbodem

105

4.5.3.3. Ondergrond

108

4.6. KSF bos‐ en natuurontwikkeling

108

4.6.1. Saliniteit

108

4.6.2. Ontwikkeling van een organisch rijke bodem

109

4.6.3. Vochtleverend vermogen en waterhuishouding

110

4.6.4. Stabiliteit en erosiegevoeligheid

111

4.6.5. Zuurtegraad/kalkgehalte van de aangebrachte substraten

113

4.6.6. Bestrijding van invasieve (Japanse) duizendknoop

114

4.6.7. Landschappelijke isolatie

114

4.6.8. Referentiebeelden voor landschapsontwikkeling (terrestrische habitats)

115

4.6.9. Specifieke vereisten voor rietmoeras en andere aquatische habitats

117

5. Conclusies

119

5.1. Toestand en ecologische kwaliteit huidige bos

119

5.2. Geschiktheid van bodemmaterialen voor bosontwikkeling

120

5.3. KSF bos‐ en natuurontwikkeling

120

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 9 van 211


5.3.1. Bosontwikkeling

120

5.3.2. Natuurontwikkeling en specifieke maatregelen voor doelsoorten

124

5.4. Projectie Bosontwikkeling

125

5.5. KSF Landschapsreconstructie

125

5.6. Koolstofbalans

126

5.7. Kennishiaten en onderzoeksnoden

128

Bijlagen

134

A. Evaluatietabellen voor zware metalen overeenkomstig VLAREBO BSNI (Natuur) en BSNIV (Parkgebied). De gecorrigeerde normen zijn aangeduid in grijs: SW=streefwaarde, RW= richtwaarde, BSNI=bodemsaneringsnorm Natuur, BSNIV=bodemsaneringsnorm parkgebied. De evaluatiekleur geeft aan waar er problemen zijn: groen voldoet aan norm; oranje betekent aangerijkt maar norm niet overschreden, rood wijst op overschrijding. 134 A1. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen voor de PIH bodemstaalnames

134

A2. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen voor de OBBO bodemstaalnames (Technum Rapport) 139 A3. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen voor de INBO staalnames

154

A4. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen in de geosubstraten van Geotechniek en de Boomse kleistalen 161 B. Overzicht bodemstalen INBO voor verkenning huidige toestand

166

C. Overzicht geologische stalen voor Karakterisering Oosterweel substraten

167

C1. Stalen ter beschikking gesteld door Geotechniek (MOW)

167

C2. Stalen ter beschikking gesteld door De Vlaamse Waterweg (DVW): Talboom en Délo boringen 170 D. Virtuele boringen volgens DOV Geologisch 3D model en Hydrologisch 3D model op de boorlocaties waarvan stalen werden bekomen. 172 E. Lijst van vaatplanten die tolerant zijn voor licht verhoogde saliniteit op basis van indicatorwaarden: E volgens Ellenberg et al. (1992) en H volgens Hill et al. (1999). Soorten van zoute moerassen zijn niet opgenomen. N: N‐fixerende soorten zijn met x gemarkeerd. 179 F. Overzicht van vereisten aan de groeiplaats en ecologische kenmerken van houtige soorten die na de landschapsbouw kunnen worden ingezet 182 G. Overzichtsfoto’s van de bemonsterde plassen binnen het studiegebied.

185

H. Overzichtsfoto’s van de bemonsterde proefvlakken voor verkennende strooisel en bodemstaalname binnen het studiegebied.

190

I. Overzichtsfoto’s van enkele geostalen (vers materiaal) bekomen van Geotechniek

204

J. Geologische coupes (profielen) voor de trajecten MO1 en ME1 (bron LANTIS, april 2020)

207

K. Voorbeeld analyseresultaten VLACO groencompost

209

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Lijst van figuren en foto’s Figuur 1. Frame voor staalname van de strooisellaag en vrijmaken van de minerale bodem voor een boring: (a) met strooisel (plot BB07) en (b) na verwijderen van moslaag (plot BB15) voor strooiselstaal eronder. ........................................................................................................................................................17 Figuur 2. Schematische voorstelling van de Vlaamse strooiselkwaliteits‐normen op basis van concentraties op droge stof‐basis ................................................................................................................18 Figuur 3. Minerale bodemstaalname door profielboring: (links) boring binnen RVS kader na verwijderen strooisel ‐ merk op rode kleur van baksteenresten tussen 20‐30 cm (locatie BB16), (rechts) topsoil bemonstering op BB09: geroerde en ongeroerde staalname in gesloten Kopecky‐ring. .............................19 Figuur 4. Links: Glauconietrijk vers geostaal (Geo26) en Rechts: rietveenstaal (Geo25), beide stalen ter beschikking gesteld door Geotechniek/MOW ..............................................................................................21 Figuur 5. Geoliners van twee boringen aangeleverd door Talboom. Doorheen de doorzichtige wand van de plastic liners valt de groene kleur door het hoge glauconietgehalte van de stalen op. ..........................22 Figuur 6. Nemen van een schepstaal in ANTBOO0065 (locatie plas in Figuur 32). ......................................25 Figuur 7. Overzicht van stortplaatsen volgens Technum OBBO rapport ......................................................27 Figuur 8. Wegenregister (Wegen2019, Ruimte Vlaanderen) rond en binnen het projectgebied. Groen wandelwegen, bruin aardewegen. ...............................................................................................................28 Figuur 9. Digitaal hoogtemodel Vlaanderen (1 m resolutie) van de kleiontginningsput. Terrein ophoging en dijkconstructies zijn goed zichtbaar. .......................................................................................................29 Figuur 10. Vegetatie hoogte‐model van het jaar 2015. Hoe donker de kleuren, hoe hoger de vegetatie. Perimeter van het projectgebied in het zwart. .............................................................................................30 Figuur 11. De 17 boorlocaties in de bodem (B01‐B017) en 2 staalnames van het oppervlaktewater (V01& V02) uitgevoerd door PIH in 2008. De rode locaties wijzen op de hoogste verontreinigingsgraad, de groene op de laagste. ...................................................................................................................................31 Figuur 12. De 73 boorlocaties met verontreinigingsgegevens uit het Technum rapport. Codes beginnend met B zijn boringen in minerale bodem, P geeft locaties met peilbuizen aan (n=19). .................................33 Figuur 13. Waargenomen correlatie tussen kleigehalte en concentratie aan Cr in de bodems van het projectgebied................................................................................................................................................34 Figuur 14. Elektrische geleidbaarheid, Chloriden en sulfaten in grondwater (bijlage 12 uit Technum OBBO rapport) ........................................................................................................................................................36 Figuur 15. Vindplaatsen van varens en mossen in het projectgebied, op basis van waarnemingen.be (INBODATAVR‐237, 2020) en een recente inventarisatie door de werkgroep Bryologie en Lichenologie ...39 Figuur 16. Aflijningen binnen het projectgebied: studiegebied, bodemsaneringsgebied (BSP) en voorziene afdichtlaag ...................................................................................................................................................42 Figuur 17. Effectief bemonsterde sites (codes BBxx) tijdens de bos‐ en bodemsurveys. De initiële strooiselstaalnames (codes FF_Px) zijn aangeduid met gele stip. ...............................................................43 Figuur 18. Profielstalen van het studiegebied volgens de Belgische textuurdriehoek. De stalen komen voor in de klassen Z (zand, n=13), S (lemig zand, n=12), P (licht zandleem, n=3), L (zandleem, n=3), en E (lichte klei, n=7). Er werden geen stalen aangeboord met A (Leem) of zware klei (U). ..........................................46 Figuur 19. Overzichtskaartjes (a) Oosterweeltracé en (b) Oosterweelknooppunt en aansluiting op E19 Noord/R1 ......................................................................................................................................................56 Figuur 20. Boorlocaties (n=12) waar momenteel chemische analyseresultaten van boringen beschikbaar zijn. Nummers verwijzen naar boorgegevens in Tabel 3.11. ........................................................................57 Figuur 21. Schematische voorstelling van de geologische opbouw van een beperkte zone in het Oosterweeltraject. De volledige trajecten zijn weergeven in Hoofdstuk 4.5.1. ...........................................59 Figuur 22. Log van de Boomse Klei. De lijn van “Terhagen (1974)” komt overeen met het pakket dat in de Wienerberger groeve wordt aangetroffen (afbeelding uit Vandenberghe & Van Echelpoel, 1987). ..........60 Figuur 23. Geotechniek stalen van de geolagen geklasseerd volgens de Belgische textuurdriehoek. Het label geeft de geologische formatie aan van het staal. ...............................................................................63 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 11 van 211


Figuur 24. Boxplot met distributie van pH (H20) waarden per Formatie volgens toenemende diepte: Fm van Vlaanderen, Gent, Rozebeke in Qu (n=15), Fm Lillo (n=18), Fm Kattendijk (n=23), Fm Diest (n=4), Fm Berchem (n=25) en Fm Boom (n=4). .............................................................................................................65 Figuur 25. Boxplot met distributie van EC waarden per Formatie volgens toenemende diepte: Fm van Vlaanderen, Gent, Rozebeke in Qu (n=15), Fm Lillo (n=18), Fm Kattendijk (n=23), Fm Diest (n=4), Fm Berchem (n=25) en Fm Boom (n=4). .............................................................................................................65 Figuur 26. Boxplot met distributie van EC waarden per geoboring. Boornummers volgens Figuur 20. Geoboring 0 is referentie in Wienenberger‐kleigroeve. ...............................................................................66 Figuur 27. Boxplot met Cr‐gehalten van de geolagen geschikt per formatie. .............................................70 Figuur 28. Berkenbestand met Cladonia sp. .................................................................................................75 Figuur 29. Aandelen van de belangrijkste boom‐ en struiksoorten in het stamtal, grondvlak en levend volume in het studiegebied, op basis van 13 proefvlakken (ligging: zie Figuur 17). ....................................75 Figuur 30. Opslag van invasieve duizendknoop langs de tijdelijke afdichting van het asbeststort (foto Bram Verschoren, DVW) ...............................................................................................................................79 Figuur 31. Opslag van invasieve duizendknoop langs de omheining rond het asbeststort (foto Bram Verschoren, DVW) ........................................................................................................................................79 Figuur 32. Overzicht van de plassen in het studiegebied (rood) volgens Watervlakken 1.0 (links) en situering van de staalnamepunten voor oppervlaktewater op 18/02/2020 (rechts). .................................80 Figuur 33. Aspect van ANTBOO0065. ..........................................................................................................81 Figuur 34. (a) Hoogte boven TAW (in meter) van het projectgebied na landschapsbouw; witte lijn: projectgebied; rode lijn: perimeter van de afdichtlaag; (b) Hellingenkaart (%) van het projectgebied na landschapsbouw; (c) Dikte boven de afdichtlaag (m) na landschapsbouw; (d) coupe van het 500 m lange transect doorheen het projectgebied, weergegeven door de zwarte lijn in de andere deelfiguren ............85 Figuur 35. Invloed van bodem‐pH op de biobeschikbaarheid van nutriënten voor planten. Bron: www.emporiumhydroponics.com. Groene kleur wijst op optimale beschikbaarheid; rode op gebrekkige biobeschikbaarheid. .....................................................................................................................................89 Figuur 36. Conceptueel model van een koolstofbalans (uitgedrukt in ton koolstof per ha) doorheen de tijd van koolstof die netto wordt opgeslagen in een multifunctioneel bos op basis van eik vertrekkend van landbouwgrond (naar Muys et al. 2002). .....................................................................................................93 Figuur 37. Oosterweelknoop‐Kanaaltunnels traject MA1 (links) en R1 traject ME1 (rechts) waarvoor geologische coupes werden gemaakt door Lantis. ......................................................................................95 Figuur 38. Geologische coupes (profielen) voor de trajecten MA1 (boven) en ME1 (onder). .....................96 Figuur 39. Tractebel 3D landschapsbouw ontwerp 2019 waarop de bergingsvolumes werden berekend. Isolijnen zijn hoogtelijnen (m ophoging tov huidig reliëf). ...........................................................................99 Figuur 40. Pedon‐concept voor de nieuw te ontwikkelen bodems op basis van geolagen in het projectgebied. Substraatdiepte start gemiddeld op 100 cm diepte maar kan variëren tussen 50 en 200 cm. ................................................................................................................................................................... 101 Figuur 41. Oordeelkundige aanbrengen van natte, plastische bodems voor ‘soil stock‐piling’. (p29 uit Defra, 2009)............................................................................................................................................... 104 Figuur 42. Mogelijke aanlegvolgorde van landschapsheuvel (1 => 10). Geolagen worden aangevoerd vanaf Rupel (ZW) via centrale werfweg. Opbouw gebeurt van noord (1) naar zuid (3) en oost (3) naar west (10). De oostelijke heuvel (2‐3‐4‐5) nabij rietmoeras (blauw) kan reeds afgewerkt worden tijdens aanlegfase van westelijke deel (6‐7‐8‐9‐10). ............................................................................................ 105 Figuur 43. Bram Verschoren (DVW): geulvorming door afstromend water, in de afdeklaag waarmee het asbeststort tijdelijk werd afgedekt. ........................................................................................................... 112 Figuur 44. De sulfaatdijk langs de Scheldelaan, A’pen RO: vegetatie maakt geen kans op deze dijk van pyriethoudende Boomse klei. Zonder vegetatie tast geul‐erosie het dijklichaam aan. ............................ 113 Figuur 45. Ontwikkeling van pionierbos na landschapsbouw, met aanduiding van de soorten die geschikt zijn langsheen de gradiënt in vochtvoorziening. De coupe is ook weergegeven is in Figuur 34. De rode lijn geeft het maaiveld weer, de zwarte lijn is de afdichtlaag. De stippellijn is het substraat die de infiltratie van neerslagwater gedeeltelijk belemmert; 1 ruwe berk en zachte berk kunnen zich spontaan vestigen, of ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


eventueel via hydroseeding ingebracht worden; 2duindoorn enkel te gebruiken bij aanzienlijk verhoogde saliniteit ..................................................................................................................................................... 123 Figuur 46. Ontwikkeling van een climaxbos na landschapsbouw, met aanduiding van de soorten die geschikt zijn langsheen de gradiënt in vochtvoorziening. De coupe is ook weergegeven in figuur 34. De rode lijn geeft het maaiveld weer, de zwarte lijn is de afdichtlaag. De stippellijn is het substraat die de infiltratie van neerslagwater gedeeltelijk belemmert; 3 meelbes en elsbes enkel te gebruiken bij droogtestress van de andere soorten; 4 es enkel gebruiken van zodra plantgoed verkrijgbaar is dat tolerant is voor de essentaksterfte ............................................................................................................ 123

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 13 van 211


1 INLEIDING De Vlaamse Waterweg nv (DVW) en het Provinciebestuur Antwerpen willen overgaan tot de sanering en gedeeltelijke ophoging van het voormalige klei‐ontginningsgebied Terhagen, op het grondgebied van de gemeenten Rumst en Boom (totale oppervlakte ca 53 ha). Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van ca. 3,6 miljoen m³ bodemmateriaal (hoofdzakelijk zand) dat vrijkomt bij de grootschalige werken aan de Oosterweelverbinding rond Antwerpen. Het projectgebied bevat onder meer een voormalig huisvuilstort, een gipsstort, een baggerstort, een vliegasstort en een asbeststort die nog niet (volledig) werden afgedekt. Als gevolg hiervan komt asbesthoudend materiaal aan de oppervlakte en kunnen verontreinigende stoffen (zware metalen, organische polluenten, zouten) zich verspreiden in het milieu met gezondheidsrisico’s voor omwonenden, fauna en flora. Hierdoor is er een verplichting om het projectgebied te saneren. OVAM begeleidt deze sanering. Ter hoogte van het asbeststort werden voorzorgsmaatregelen getroffen in afwachting van een definitieve afscherming. Na het storten, voornamelijk in de jaren ’70 en ’80, heeft het gebied zich spontaan ontwikkeld, waardoor het een belangrijke groene ruimte is geworden voor de regio, met een zekere recreatieve en ecologische waarde. Actueel is een aanzienlijke oppervlakte van het projectgebied spontaan verbost, waardoor juridisch een boscompensatieplicht vereist is (voor de bosbestanden met leeftijd van minstens 22 jaar). Vooropgesteld wordt om de boscompensatie op dezelfde locatie uit te voeren na de sanering en de gedeeltelijke opvulling/ophoging van het voormalige klei‐ontginningsgebied. Dit is ook de wens van de omwonenden, zoals is gebleken uit het doorlopen participatieproces. Het is hierbij essentieel om de ecologische en zacht‐recreatieve functie van het gebied na de definitieve sanering en opvulling zo snel mogelijk te herstellen en zo goed mogelijk te versterken. Een complex en ambitieus project dat bodemsanering, landschapsherstel en een duurzame bos‐ en natuurontwikkeling wil combineren heeft nood aan wetenschappelijke ondersteuning, waarbij de huidige toestand objectief in kaart wordt gebracht en grondig wordt geëvalueerd, dat kennishiaten detecteert en invult en evidence‐based advies levert. Op basis van praktijkervaring en ecologische kennis dienen onderbouwde antwoorden te worden gegeven op de talrijke praktische en theoretische vragen van zowel de eigenaars (in casu DVW en Provincie Antwerpen), diensten van de Vlaamse Overheid (ANB, OVAM), lokale overheden (Gemeenten Rumst en Boom) en belanghebbenden (omwonenden en gebruikers, zoals vissers en wandelaars, NGO’s,…). Het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek (INBO) wil op een onafhankelijke en transparante manier deze rol vervullen met de betrachting om daarbij duurzame, klimaatrobuuste, biodiverse, multifunctionele en gezonde ecosytemen te realiseren. Zodoende heeft het INBO aanvaard om het saneringsproces in goede banen te leiden voorafgaand aan de uitvoering van de werken (werffase). Deze taak omvat niet alleen de ecologische advisering bij de landschapsbouw, herbebossing en natuurontwikkeling, maar ook de uitvoering van gerichte surveys van bodem en oppervlaktewater (voor en na de werken), de inschatting van de (gevolgen voor de)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


koolstofbalans, uitvoeren van praktijkgericht experimenteel onderzoek en het opzetten van een monitoringsysteem voor wetenschappelijke kennisverwerving en onderbouwing. Dit eerste rapport is de neerslag van een kortlopende desk‐studie (februari tot april 2020) en een richtinggevend advies waarbij INBO experten de kritische succesfactoren (KSF), de slaagkansen en de randvoorwaarden van bos‐ en natuurontwikkeling aangeven voor een projectgebied van ca 53 ha. Door de COVID‐19 pandemie zijn vertragingen opgetreden bij boringen, labo‐analyses en GIS‐analyses (beperkte toegankelijkheid infrastructuur en inzet personeel), waardoor deze studie langer heeft geduurd dan initieel gepland. Er is voortschrijdend inzicht verworven op basis van de analyseresultaten van de stalen die met mondjesmaat ter beschikking kwamen en na overleg en discussies met de opdrachtgevers en stakeholders. Deze studie zal gevoegd worden als zelfstandig leesbaar document bij het MER en de omgevingsvergunningsaanvraag. Deze desk‐studie werd in hoofdzaak uitgevoerd door de INBO teams Milieu en Klimaat (verantwoordelijke milieuonderzoek: Bruno De Vos), Bosecologie en –beheer (verantwoordelijke bosonderzoek: Luc De Keersmaeker) en Zoetwaterhabitats (verantwoordelijke oppervlaktewater Luc Denys).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 15 van 211


2 AANPAK EN METHODEN 2.1. ALGEMENE AANPAK Voor deze opdracht werden 7 concrete vraagstellingen door de opdrachtgevers geformuleerd die als volgt in dit rapport worden behandeld: 1) een overzicht geven en synthese maken van de reeds aanwezige, beschikbare kennis en hoe die tot stand is gekomen (Hoofdstuk 3.1); 2) bepalen welke kennis er ontbreekt en die via gerichte veldsurveys en laboanalyses vergaren (Hoofdstuk 3.2); 3) beoordelen en bespreken van mogelijkheden en beperkingen (Hoofdstuk 4). 4) systematisch beantwoorden van de desk‐studie vragen zoals geformuleerd door de opdrachtgever en formuleren van voorlopige conclusies (Hoofdstuk 5). Voor het uitwerken van de hoofdstukken zijn de opdrachten verdeeld onder INBO experten. Omdat de beschikbaarheid aan data (terrein observaties, analyseresultaten van het labo, GIS gegevens, informatie van diverse instanties) in verspreide slagorde werden aangeleverd en dus ook kon verwerkt worden, is dit rapport fragmentair tot stand gekomen en gebaseerd op voortschrijdend inzicht. We hopen dat de verzamelde gegevens en antwoorden als basis kunnen dienen voor meer onderbouwde en gerichte studies, vergunningsaanvragen en aanbestedingen zodat dit landschapsreconstructie‐ en natuurontwikkelingsproject kan gerealiseerd worden op een efficiënte, betaalbare, ecologisch verantwoorde en duurzame manier.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


2.2. VELDMETHODEN 2.2.1. Dendrometrie en inventarisatie van de vegetatie In de beboste delen van het projectgebied werden op 30/1/2020 en 12/2/2020 bomen en struiken geïnventariseerd en opgemeten in 13 cirkelvormige proefvlakken, met een straal van 9 m. Van elke soort werd het aantal individuen per proefvlak, de gemiddelde DBH (diameter op 1,5 m) en de gemiddelde hoogte bepaald. Er werd voor de DBH geen ondergrens vastgelegd, omdat verjonging slechts spaarzaam aanwezig was in het projectgebied. Om het volume te bepalen van de houtige biomassa, werd gebruik gemaakt van de tarieven die door het INBO worden toegepast bij de monitoring van de onbeheerde bosreservaten (De Keersmaeker et al. 2005) en die ook door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) gehanteerd worden bij de Vlaamse Bosinventarisatie. De bedekking van kruiden en mossen werd geschat met behulp van de decimale schaal van Londo (1984), op hetzelfde tijdstip als de opmetingen van bomen en struiken. Voor de inventarisatie van houtige soorten is het winterhalfjaar een gunstig tijdstip, maar de beoordeling van de vegetatie is dan heel wat moeilijker en de inventarisatiegegevens uit de proefvlakken zijn hierdoor eerder indicatief. In de winter is de bedekking van de aanwezige kruidsoorten immers laag en worden wellicht soorten gemist, die nog geen bovengrondse delen ontwikkeld hebben. Deze inventarisaties werden aangevuld met soortgegevens uit waarnemingen.be (INBODATAVR‐237, 2020). Voor een bespreking van deze gegevens wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

2.2.2. Strooisel‐staalname en ‐analyse Binnen het gehele projectgebied werd op 17 locaties de strooisellaag bemonsterd in februari 2020 door middel van een 25x25 cm RVS frame (Figuur 1). Het aanwezige strooiselmateriaal (wintertoestand) werd integraal geoogst (L, F en H laag) binnen het frame en meegenomen voor analyse in het INBO‐labo. De staalname en analyse is conform de ICP Forests Soil Manual (Cools en De Vos, 2016).

Figuur 1. Frame voor staalname van de strooisellaag en vrijmaken van de minerale bodem voor een boring: (a) met strooisel (plot BB07) en (b) na verwijderen van moslaag (plot BB15) voor strooiselstaal eronder.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 17 van 211


Van het strooiselmonster wordt het drooggewicht (necromassa) en de C‐ en N‐gehalten bepaald (C:N ratio) en is een semi‐totaalanalyse uitgevoerd van macro‐elementen (P, K, Ca, Mg, S, Na, Fe, Al en Mn) en zware metalen (Cu, Cr, Pb, Ni, Zn, Cd, As, Co en Se). Op basis van het drooggewicht en C‐gehalte is de actuele koolstofvoorraad in de strooisellaag geschat, wat nodig is voor de bepaling van de koolstofbalans. De C:N ratio is een maat voor de mineralisatiesnelheid van de strooisellaag en turn‐over van nutriënten. De concentraties macronutriënten (P, K, Ca, Mg, S) aanwezig in de strooisellaag worden vergeleken met mediaanwaarden en normale ranges uit Vlaamse bossen (ForSite databank van INBO). De chemische strooiselkwaliteit is getoetst op basis van een normenstelsel uitgewerkt door De Vos (1997) dat veelvuldig wordt toegepast voor de evaluatie van strooisellagen in het Vlaamse gewest (De Vos, 2006). In dit toetsingskader zijn achtergrondwaarden, maximaal toelaatbare concentraties en kritische niveaus gedefinieerd op basis van regiospecifieke achtergrondwaarden (‘natuurlijke’ gehalten + ubiquitaire verontreiniging) en kritische concentraties voor chemische bodemprocessen en bodemorganismen. De grenswaarde voor de concentraties van de zes betrokken metalen worden schematisch toegelicht in figuur 2.

Figuur 2. Schematische voorstelling van de Vlaamse strooiselkwaliteits‐normen op basis van concentraties op droge stof‐basis

Indien de concentratie onder de referentiewaarde (‘baseline’) valt voor een bepaald metaal, wordt een score 0 toegekend (concentratie ≤ normale achtergrondwaarde). Boven de kritische waarde wordt een score 3 toegekend. Voor sommige bodemprocessen en voor de leefbaarheid van bepaalde organismen (> LOEC) betekent dit een bedreiging. Een maximaal toegelaten concentratie (MAC) situeert zich exact tussen de referentiewaarde en de kritische concentratie. Onder de MAC maar boven de referentiewaarde (score 1) spreken we van “aangerijkt”. Effecten van die aanrijking zijn weinig waarschijnlijk, zelfs voor gevoelige organismen. Boven de MAC (score 2), maar onder de kritische waarde, kunnen processen en levensgemeenschappen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


wel nadelige effecten ondervinden. Hier zitten we al in de gevarenzone voor metaalverspreiding via accumulerende organismen en kunnen we spreken van de klasse “verontreinigd”. Een additieve totaalscore, herschaald tussen 0 en 1, leidt tot een index voor metaalaanrijking (SMCI). Hierbij worden geen aparte gewichten meer toegekend aan specifieke metalen voor de mate van (eco)toxiciteit, omdat dit reeds vervat zit in de kritische concentratie.

2.2.3. Bodemstaalname en ‐analyse Op 30/01/2020 en 12/02/2020 werd de minerale bodem bemonsterd op de 17 locaties waar ook de dendrometrische‐ en vegetatiekundige opnames werden uitgevoerd. Op elke locatie werd slechts één boring uitgevoerd van de minerale bodem, op dezelfde plaats waar de strooisellaag werd bemonsterd en verwijderd, dit om dubbeltelling van C‐ of nutriëntenstocks van de compartimenten bodem en strooisel te vermijden. De boring gebeurde met een edelmanboor tot een diepte waar er obstructie was, veelal door steenbrokken of andere compacte lagen met antropogene oorsprong. Wanneer er geen obstructie was werd geboord tot maximaal 1.2 m diep. Indien er obstructie was door boomwortels, werd de profielboring enkele decimeter verplaatst. De boordiepte is hiermee een indicatie van de bewortelbare ruimte en nuttig bodemvolume. De core (boorspaan) werd uitgelegd en opgedeeld in pedogenetische horizonten (Figuur 3). Er werd speciale aandacht besteed aan antropogene artefacten (baksteenresten, asbestfragmenten, houtskool, grind, plastics, exogeen materiaal) die verwijzen naar stortactiviteiten. Ook werd gelet op geur (minerale oliën) en kleur (redox toestand, mineralogie) van de aangeboorde bodemlagen.

Figuur 3. Minerale bodemstaalname door profielboring: (links) boring binnen RVS kader na verwijderen strooisel ‐ merk op rode kleur van baksteenresten tussen 20‐30 cm (locatie BB16), (rechts) topsoil bemonstering op BB09: geroerde en ongeroerde staalname in gesloten Kopecky‐ring.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 19 van 211


Per horizont werden geroerde stalen genomen en getransporteerd naar het labo. Per horizont werd tevens een ongeroerd staal genomen in een stalen Kopecky ring ter bepaling van de bulk densiteit (Figuur 3.). Dit laat toe stocks te berekenen van koolstof (koolstofvoorraad) en nutriënten en geeft een indicatie van de bodemcompactie. Alle minerale bodemstalen (n=38) werden koel vertransporteerd naar het INBO labo voor analyse op droge stof, textuur (Laserdiffractie), zuurtegraad (pH), elektrische geleidbaarheid (EC), organisch materiaal (LOI), koolstof (TOC), stikstof (TN), aqua regia extraheerbare elementen (P, K, Ca, Mg, Na, S, Al, Fe, Mn, Cd, Co, Cr, Cu, Ni, Pb, Se, Zn). Organische polluenten werden niet bepaald. De gebruikte methodes worden toegelicht in hoofdstuk 2.3, maar zijn overwegend conform CMA en ISO standaarden. De zware metaalgehalten in de bodem worden getoetst aan de VLAREBO normen (VLAREBO 2008) voor bestemmingstype I (Natuur) en bestemmingstype IV (Parkgebied).

2.2.4. Geoboringen en ‐analyse Om een idee te krijgen van de ecologische bodemkwaliteit van de geologische substraten die zullen vrijkomen uit de Oosterweel ontgravingen werden 25 bodemstalen (1 L potten) ter beschikking gesteld door Afdeling Geotechniek van MOW. Een overzicht van de geostalen is gegeven in Bijlage B. De locatie en achtergrond van de recente geostalen is opgenomen in Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV) en opgelijst in Tabel 2.1. De lithologische beschrijving van elke laag (geostaal) kan geconsulteerd worden in het tabblad ‘interpretaties’ van de fiche waarvan de URL link is opgelijst in Tabel 2.1. De geostalen zijn bekomen door een combinatie van avegaar‐, lepel‐ en pulsboring. Zie desbetreffende fiches voor de dieptes. Tabel 2.1. Overzicht van de boringen door Geotechniek met link naar de boorfiches waarvan geostalen ter beschikking werden gesteld aan INBO. Boornummer

Boordatum

LB72X

LB72Y

Aanvangspeil

Boordiepte

Lithologische beschrijving

(m)

(m)

(mTAW)

(m)

1445‐GEO‐ 18/132‐B5b

21.06.2019

153964

215708

5.65

0‐36

https://www.dov.vlaanderen.be/data/int erpretatie/2019‐320197

1445‐GEO‐ 18/132‐B9b

28.08.2019

153954

215029

3.35

1.5‐32

https://www.dov.vlaanderen.be/data/int erpretatie/2019‐320196

1445‐GEO‐ 18/132‐B11

25.09.2019

153881

214618

4.83

1.5‐31

https://www.dov.vlaanderen.be/data/int erpretatie/2019‐320030

1445‐GEO‐ 18/132‐B2b

15.10.2019

154047

216278

4.13

0‐36

https://www.dov.vlaanderen.be/data/int erpretatie/2019‐320032

GEO‐19/089‐ B5

06.01.2020

150690

214651

6.08

5‐5.5

https://www.dov.vlaanderen.be/data/bo ring/2020‐169402

GEO‐19/089‐ B8

13.01.2020

150451

214583

10.46

10‐10.5

https://www.dov.vlaanderen.be/data/bo ring/2020‐169401

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


In samenspraak met Afdeling Geotechniek (Mevr. Chandra Algoe) werden er uit de eerste vier boringen (Tabel 2.1) 24 stalen geselecteerd, waarvan 1 Quartair staal, 4 stalen van Formatie van Lillo, 13 stalen van Fm van Kattendijk, 6 stalen van Fm van Berchem (Figuur 4, links). Op speciale vraag van INBO naar veenstalen werd uit boringen ter hoogte van de ingang Scheldetunnel (Rechter Schelde‐oever), GEO‐19/089‐B5 en GEO‐19/089‐B8 twee veenstalen gehaald om karakteristieken van veenlagen uit af te leiden. Het betreft voornamelijk roodbruin donkerbruin, cohesief rietveen van op respectievelijk 5‐5.5 m en 10‐10.5 m diepte (Figuur 4., rechts).

Figuur 4. Links: Glauconietrijk vers geostaal (Geo26) en Rechts: rietveenstaal (Geo25), beide stalen ter beschikking gesteld door Geotechniek/MOW

De stalen werden vers aangeleverd in potten van 1L, waarvan de helft van het volume werd gestockeerd in de koelruimte van INBO (voor eventuele latere uitlogingsproeven) en de andere helft overgebracht in bakjes voor droging en labo‐analyse (Figuur 4). Bijkomend werden 4 Boomse klei stalen bekomen uit de kleigroeve van Wienerberger, ten NO van het projectgebied (Coördinaten LB72: X=152351, Y=197871). Daarmee werd een volledige set aan teststalen van mogelijke substraten bij Oosterweel ontgravingen bekomen. Deze stalen werden in het INBO labo geanalyseerd op vochtgehalte, DS, LOI, EC, pH, Textuur, C, N, P, K, Ca, Mg, Na, S, Al, Fe, Mn, Zn, Cd, Pb, Se, As, Co, Cr, Ni en Cu. De zware metaalgehalten van de geostalen worden getoetst aan de VLAREBO normen (VLAREBO 2008) voor bestemmingstype I (Natuur) en bestemmingstype IV (Parkgebied). Van de bezorgde Geotechniek stalen waren geen gegevens bekend van volumemassa (wet bulk density), dry bulk density, vochtgehalte of glauconietgehalte. Preliminaire data waren wel beschikbaar voor stalen van boring Geo‐18/132‐B5. Deze gegevens worden gerapporteerd in Hoofdstuk 3.1.3 voor de Formaties Lillo, Kattendijk en Berchem.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 21 van 211


De volume massa wordt door Geolab bepaald door het monster uit de staalnamebus te duwen en in het uitgeduwde monster opnieuw ringen te steken om de volumemassa te bepalen. De volumering van de staalname kan dus verschillen van de volumering van de staalnamebus (mededeling An Baertsoen,hoofd labo bij Geotechniek). Dus er wordt niet gecorrigeerd voor verstoring of expansie. Het glauconietgehalte wordt in Geolab geschat door een empirische techniek gebaseerd op het gewichtspercent aan magnetische partikels groter dan 63 µm. Geoliners van TALBOOM Bijkomend werden 2 boringen uitgevoerd door Talboom in opdracht van DVW en dat leverde 28 liners op van 1.2 m lengte: 15 liners tot 17.7 m diepte uit boring 1 en 13 liners tot 16.3 m diepte uit boring 2 (Figuur 5). Het was bedoeling om dezelfde labo‐analyses uit te voeren op deze stalen als op de Geotechniekstalen maar door sluiting van het INBO labo wegens de Covid‐19 epidemie is dit niet kunnen gebeuren.

Figuur 5. Geoliners van twee boringen aangeleverd door Talboom. Doorheen de doorzichtige wand van de plastic liners valt de groene kleur door het hoge glauconietgehalte van de stalen op.

Voor deze liners is de volumemassa geschat in de liner, door de netto bodemmassa (totaalgewicht liner in lege liner) te delen door het zichtbare bodemvolume in de liner (binnendiameter 32 mm). Deze volumemassa gegevens werden gerelateerd aan de geologische formatie van Gent (zandige deklagen), Fm van Rozebeke (Pleistocene afzettingen), Fm van Lillo, Fm van Kattendijk, Fm van Diest en Fm van Berchem. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


2.3. LABO‐ANALYSES In dit hoofdstuk worden kort de labo‐analyses toegelicht die werden aangewend in deze studie, teneinde een correcte interpretatie mogelijk te maken en na te gaan of de analyseresultaten uit diverse bronnen en databanken vergelijkbaar zijn.

2.3.1. Textuuranalyse met laserdiffractie De textuur of korrelgrootte van de bodem werd bepaald met Laserdiffractie (LD) door een Beckman‐ Coulter LS13320 apparaat overeenkomstig SAP‐200B van het INBO labo. Deze is gebaseerd op ISO 13320:2009 (particle size analysis with laser diffraction). Het bodemstaal werd gecrushd kleiner dan 2 mm (inclusief bakstenen fragmenten) en textuur werd bepaald op de fractie 0.4µm ‐ 2mm. Het staal werd verder voorbehandeld door het organisch materiaal en carbonaten te verwijderen, respectievelijk met geconcentreerd waterstofperoxide en 10% zoutzuur. Nadien werd natriumpolyfosfaat toegediend als dispersievloeistof. Deze werkwijze is conform de voorbehandeling van bodemmonsters volgens de standaard textuurbepaling door zeving en pipetmethode. Het volumetrisch aandeel van alle textuurfracties werd berekend met het model van Fraunhofer. Omdat de fractiegrenzen bepaald worden door de optische diameter worden deze omgerekend naar Stokes‐ diameter, zodat deze maximale overeenkomst vertonen met de textuurklassen van de Belgische textuurdriehoek met standaardgrenzen 0 – 2 – 50 ‐ 2000 µm, wat overeenkomt met LD grenzen 0.4 – 6 – 63 ‐ 2000 µm. De cumulatieve textuur (fingerprint) wordt bewaard zodat elke fractie kan bepaald worden voor verder onderzoek of rapportering.

2.3.2. Bulkdensiteit bodem De (droge) bulk densiteit (BD) is een belangrijke maat die vaak ontbreekt in bodemdatabanken en zelden voorkomt in bodemsaneringsrapporten. Nochtans essentieel voor het berekenen van stocks aan nutriënten en als maat voor bodemdichtheid of bepalen van water‐retentiekarakteristieken (water holding capacity, pF, Ksat, …) Voor dit project werd bulk densiteit gemeten in standaard stalen Kopecky ringen (cilinders) van 100 cc waarmee een ongeroerd bodemstaal werd genomen in een specifieke horizont of bodemlaag. Het staal wordt gedroogd bij 105°C en de netto droogmassa gedeeld door het ongeroerde bodemvolume en uitgedrukt in g/cm³ of t/m³.

2.3.3. Zuurtegraad (pH) en Electrische geleidbaarheid (EC) bodem en water Analyse volgens INBO SAP‐209B voor bepaling van geleidbaarheid in vaste matrix. Deze methode is conform CMA/2/I.A.21 en ISO 11265:1994. De bodem wordt gedurende 15 minuten met water geëxtraheerd bij een extractie verhouding van 1:5 (m/V: 20 g staal in 100 ml water). Daarna wordt de geleidbaarheid en de temperatuur in het extract onder matig roeren bepaald met behulp van een geleidbaarheidselektrode met ingebouwde temperatuursonde. Het resultaat wordt uitgedrukt in de EC‐ eenheid (elektrische geleidbaarheid = Electric Conductivity) µS/cm en wordt gecorrigeerd naar een temperatuur van 25 °C. Deze methode werd aangewend door het INBO‐labo en ook door Eurofins voor bepaling van de saliniteit van grond door ROTS/ SWECO (geo‐boringen B60006 en B60007) aan de Scheldetunnel. Deze gegevens zijn dus onderling vergelijkbaar.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 23 van 211


2.3.4. Organisch materiaal (LOI) en totale koolstof (TC) en Stikstof (TN) Bodemstalen werden gegloeid bij 550°C ter bepaling van Loss‐on‐ignition (LOI), die een maat is voor de organische stof (OS) in bodem of geolaag. Wanneer het testmateriaal > 10% klei bevat wordt tevens interstitieel water bij het massaverlies bepaald en wordt dus het gehalte aan OS overschat. Totale C en stikstof werden bepaald met een Total CN analyser type Primacs SNC100 van Skalar volgens SAP‐253B (INBO) conform ISO 10694 voor C bepaling en ISO 13878 voor N bepaling. Dit is compatibel met CMA/2/II/A.7.

2.3.6. Aqua regia extraheerbare elementen Teneinde de semi‐totale concentraties aan macro‐ en oligo‐elementen, waaronder de zware metalen, te kennen worden de bodem‐ en strooiselstalen ontsloten in een microgolfoven systeem (MARS 6, CEM) in teflon bommen met aqua‐regia mengsel (65% HNO3 en 37% HCl) volgens ISO 12914:2012. Dit is een semi‐totale extractie, omdat de silicaten niet gedestrueerd worden (met HF bvb), maar wel de maximale concentraties bepaald kunnen worden toegankelijk voor/door biota. Het kan beschouwd worden als een totaalanalyse vanuit een ecologisch perspectief. In het extract werd met ICP‐AES (Optima 8300, Perkin Elmer ) de concentraties aan P, K, Ca, Mg, Na, S, Al, Fe, Mn, Cd, Co, Cr, Cu, Ni, Pb, Se en Zn bepaald en uitgedrukt op droge stof basis. Dit is conform ISO 11466. De uitwisselbare kationen van het bodemcomplex of biobeschikbare fracties van voedingselementen (bvb P‐Olsen) werden in deze studie niet bepaald. Afhankelijk van het element en organisme is slechts een fractie van de aqua‐regia extraheerbare elementen effectief biobeschikbaar. Alle analyseresultaten in dit rapport zijn uitgedrukt op ovendroge stof (ds) basis (i.e. gedroogd bij 105°C), tenzij uitdrukkelijk vermeld dat dit niet zo is.

2.3.7. Analyses oppervlaktewater Schepstalen van het oppervlaktewater werden genomen op 18/2/2020 (Figuur 6.). Temperatuur, pH, EC25, saliniteit, zuurstofgehalte en zuurstofverzadiging werden ter plaatse gemeten met een MultiLine 340i‐350i‐P3‐toestel en specifieke, geijkte, elektroden (pH volgens SAP‐101A ‐ ISO 10523: 2008, O2 volgens SAP‐100A ‐ ISO 5814: 2012, EC volgens SAP‐102A ‐ ISO 7888: 1985). Volumes ongefilterd water en aangezuurd water werden in vooraf gelabelde recipiënten meegenomen naar het labo ter analyse en binnen 24 u. geanalyseerd. Chlorofyl a en faeofytine werden spectrofotometrisch bepaald bij 665 nm met achtergrondcorrectie bij 750 nm (SAP‐158B ‐ ISO 10260:1992), evenals de absorptie bij 440 nm als indicatie voor ‘Gelbstoff’. Anionen en kationen werden bepaald door CFA van gefilterd water (Chromafil A20/25 van 20 µm) volgens SAP‐153A ‐ ISO 7890‐3:1988, ISO 15682:2000, ISO 22743:2006; ISO 11732:2005). Zwevende stof werd bepaald na filteren over een glasvezelfilter en drogen bij 105°C en als asrest na verbranding bij 550°C (SAP‐105A ‐ ISO 11923:1997). Totaalfosfor is bepaald door ICP na destructie in zwavelzuur volgens SAP‐154B (ISO 15681‐1:2003, ISO 15681‐2:2003). Metalen, fosfor en zwavel werden geanalyseerd door ICP‐AES na destructie (SAP‐261A ‐ ISO 11885:2007). Niet‐purgeerbare organische koolstof is bepaald na aanzuren en purgeren met een FormacsHT analyzer (SAP‐152A ‐ ISO 8245:1999).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 6. Nemen van een schepstaal in ANTBOO0065 (locatie plas in Figuur 32).

2.4. GIS‐ANALYSES Alle GIS analyses werden uitgevoerd met ArcMap 10.4.1. Er werden twee GIS projecten aangemaakt: ● ●

RUMBOOLAR met alle geodata/GIS lagen die betrekking hebben op het projectgebied RUMBOOLAR_GEO met alle geodata/GIS lagen die betrekking hebben op geologische boringen en substraten van het Oosterweel traject

De geodata werden verder verwerkt met het RASTER (v3.0.2) package in R (v3.6.1). Specifieke 3D weergaven werden uitgevoerd met Surfer 10 (Golden Software). Alle gebruikte GIS lagen worden hieronder opgelijst en kort besproken. Tabel 2.2. Overzicht van project‐specifieke RUMBOOLAR GIS lagen GIS laag

Type

Omschrijving

Perimeter studiegebied

Polygoon

Aflijning van studiegebied

Aflijning stortzones

Polygoon

Afbakening 7 stortzones volgens Technum rapport

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 25 van 211


Perimeter BSP variant 2

Polygoon

Aflijning saneringsplan

Afdichtlaag

Polygoon

Perimeter afdichtlaag

Technum OBBO boorlocaties

Punten

72 boorlocaties van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek

PIH 2008 studie

Punten

18 boorlocaties PIH studie + concentraties zware metalen

INBO bos‐ en bodemsurvey

Punten

14 staalnamelocaties INBO survey

Watervlakken

Polygoon

Alle plassen binnen projectgebied (Watervlakken 1.0 – INBO)

DHM modellen Tractebel

Raster

Huidig reliëf, afdichtlaag, ophoging, hellingen

VHM Vegetatie hoogte model 2015

Raster

3D vegetatiemodel met 1x1m resolutie, hoogte in cm

VHM Vegetatie hoogte model 2020

Raster

3D vegetatiemodel met geprojecteerde bijgroei sinds 2015

Tabel 2.3. Overzicht van project‐specifieke RUMBOOLAR_GEO GIS lagen GIS laag

Type

Omschrijving

Oosterweel tracé Noord

Lijn

Oosterweeltracé

Geologische boringen

Polygoon

12 geoboringen langsheen Oosterweeltrace (locaties labomonsters)

Vegetatie‐hoogte model (VHM) De boomhoogtes (toestand 2015) binnen het projectgebied worden afgeleid uit het verschil van het Lidar‐gebaseerd DHMV‐II oppervlaktemodel Vlaanderen met het DHMV‐II terreinmodel met een resolutie van 1x1 m. Het volledige projectgebied is gelegen binnen kaartblad 23. De hoogte van gebouwen en kunstwerken (zeer beperkt binnen het studiegebied) zijn uitgefilterd op basis van de bodembedekkingskaart 1x1 m resolutie. Uiteraard is de vegetatie gegroeid sinds 2015. De bijgroei voor vegetatie > 2 m hoog hebben we geraamd op gemiddeld 30 cm per jaar, wat voor 4 groeijaren (2016‐2019) een extra hoogtegroei oplevert van 120 cm. We hebben dus VHM modellen: VHM2015 (toestand tijdens LIDAR meting) en VHM2020 (toestand met geschatte bijgroei begin 2020). Statistieken inzake vegetatiehoogte zijn berekend binnen het studiegebied. 3D‐modellen landschapsbouw De berekeningen van de benodigde grondvolumes gebeurden op basis van het 3D ontwerp uitgewerkt door Tractebel (versie februari 2020) en ter beschikking gesteld door Dhr. Stijn Mulders. Het betreft een kaart met ophoging boven het bestaande relief en boven de voorziene afdichtlaag bestaande uit een kleimat, folie en drainagemat en in het tussengelegen gebied en aan te leggen rietmoeras uit een kleilaag. Ook een hellingskaart werd berekend. Alle rasterdata hadden 1 m XY resolutie en hoogte in cm. De gegevens werden verwerkt met het R package Raster v3.0.2 en gevisualiseerd in ArcMap 10.4.1 en Surfer 10.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3 KENNISBASIS 3.1. SAMENVATTING BESCHIKBARE KENNIS 3.1.1. Ruimtelijke indeling projectgebied Gezien de voorgeschiedenis als klei‐ontginningsput, met nadien de inrichting van diverse stortplaatsen van 1970 tot 1995, is het relevant het projectgebied in te delen volgens de stortzones gehanteerd in het Technum‐rapport (Borremans, 2014). Deze stortzones zijn aangegeven in Figuur 7, en hun omschrijving en gedigitaliseerde oppervlakte in Tabel 3.1.

Figuur 7. Overzicht van stortplaatsen volgens Technum OBBO rapport

De ruimtelijke afbakening van deze zones werd gebruikt om de initiële survey‐ en staalnamelocaties te selecteren. Tabel 3.1. Diverse stortzones binnen de kleiontginningsput met hun benaderde netto‐oppervlakte

Code

Omschrijving

Opp (m²) Aandeel (%)

Zone 1

Eternit stort (1970‐1983)

41447

7,9

Zone 2

Verkleind huishoudelijk afval (1973‐1983)

66653

12,7

Zone 3

Gipsstort NV Zeekanaal (1991)

31544

6,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 27 van 211


Zone 4

Deponie sedimenten doorsteek Zeekanaal (1994‐1995)

122378

23,3

Zone 4b Deponie sedimenten doorsteek Zeekanaal (1994‐1995)

28925

5,5

Zone 5

Deponie sedimenten Hazewinkel‐E19 (1972‐1973)

200515

38,1

Zone 6

Stortmateriaal ca 70 cm puin/zand

18350

3,5

Zone 7

Aanvulling ca 1 m in Zuidwestelijke hoek

16408

3,1

526220

100,0

Totaal

Gezamenlijk beslaan de afgebakende zones 52,6 ha, waarvan Zone 5 de grootste is, en de aanvullingen in zone 7 de kleinste. Een tweede ruimtelijke indeling van het gebied kan gemaakt worden op basis van het wegenregister. Wandelwegen en aardewegen dooraderen het gebied en lopen vaak op de perimeter van voormalige stortactiviteiten of inrichtingswerken (taluds, bermen). Zij bepalen in grote mate de toegankelijkheid en ontsluiting van het gebied (Figuur 8).

Figuur 8. Wegenregister (Wegen2019, Ruimte Vlaanderen) rond en binnen het projectgebied. Groen wandelwegen, bruin aardewegen.

Een ruimtelijke indeling volgens het reliëf is mogelijk via het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHMV II_terreinmodel, 1 m resolutie, Figuur 9). Het projectgebied situeert zich langs de rechteroever van de Rupel, tegen het cuestafront waar de Boomse klei dagzoomt. Deze Boomse klei werd al in de ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


middeleeuwen ontgonnen, en de ontginning schoof doorheen de eeuwen op van de kant van de rivier, naar het noorden. De natuurlijke helling van de cuesta werd hierdoor uitgegraven en zo ontstond een steile talud aan het ontginningsfront. Gebieden die gespaard bleven van de ontginning zoals de Bosstraat in Boom en een deel van de Hoogstraat in Rumst, allebei aan de rand van het projectgebied, geven het natuurlijke reliëf weer en zijn duidelijk afgetekend op het DHM. De zone die is ontgraven, werd later gedeeltelijk weer opgevuld en het DHM illustreert dat de wegen in het projectgebied de ophogingen en bermen van de deponiën volgen. Het terrein kent momenteel een groot hoogteverschil variërend van 2 m TAW op diepste punt actuele kleigroeve (NO op kaart) en Rupel (ZW) tot 31 m op oorspronkelijk maaiveld.

Figuur 9. Digitaal hoogtemodel Vlaanderen (1 m resolutie) van de kleiontginningsput. Terrein ophoging en dijkconstructies zijn goed zichtbaar.

Een meer ekologische indeling van het terrein kan gebeuren op basis van het vegetatiehoogte model (VHM), waarbij de hoogte van de vegetatie (toestand 2015) wordt weergegeven (Figuur 10.). De donkere kleuren geven aan waar bomen het langst konden groeien, omheen het vijvercomplex en bezuiden Zone 4, in het Bos van Terhagen en ten noorden van de Hoogstraat. Ook aan de kant van De Schorre (Oosten Bosstraat) zijn de bomen duidelijk hoger. Deze hogere bomen liggen grotendeels buiten het projectgebied en blijven dus gespaard. Aandachtspunt zijn de hogere bomen langsheen de aanvoerroute vanaf het kanaal die best zoveel mogelijk gevrijwaard worden. Binnen het volledige projectgebied van 52.9 ha was in 2015 ongeveer 17.1 ha onbegroeid, dat is dus 1/3 van het projectgebied, inclusief de wateroppervlakten: plassen (~4 ha) plus een deel van de Rupel. (Figuur 10).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 29 van 211


Figuur 10. Vegetatie hoogte‐model van het jaar 2015. Hoe donker de kleuren, hoe hoger de vegetatie. Perimeter van het projectgebied in het zwart.

Het begroeide deel was in 2015 dus ca. 36 ha. Ongeveer 8.8 ha (17%) bestond uit vegetatie < 2 hoog, 21.2 ha (40%) tussen 2 en 10 m, 4.9 ha (9%) tussen 10‐15 m hoog, 1.4 ha was tussen 15 en 20 m en slechts een kleine 4 are is hoger dan 20 m zoals weergegeven in figuur 10.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.1.2. Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit van het studiegebied werd reeds herhaaldelijk gescreend en bodemdata werden voornamelijk verzameld en besproken in het kader van twee opdrachten: de PIH studie van 2008 en het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek van Technum uit 2014. 3.1.2.1. PIH studie 2008 In figuur 11 zijn de staalnamelocaties weergegeven waar het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH) in opdracht van de Provincie Antwerpen in februari 2008 boringen heeft uitgevoerd van de minerale bodem (17 locaties) en twee staalnames van oppervlaktewater nam (Provinciaal Instituut voor Hygiëne 2008). Het onderzoek kaderde in een initiatief om een mogelijk golfterrein te realiseren aansluitend op De Schorre. Het betrof vooral een eerste screening van de bodemkwaliteit. In het totaal werden 26 geroerde bodemstalen geanalyseerd tot een bodemdiepte variërend van 55 cm tot 2 m. Volgende bodemvariabelen werden bepaald: LOI, OM, pH‐H20, kleigehalte en de metalen As, Cd, Cr, Cu, Hg, Pb, Ni, Zn. Daarnaast werden tevens minerale olie, EOX , 16 PAKs, cyaniden en asbest gerapporteerd. Uit de pedologische beschrijving bleek er geen Boomse klei meer voor te komen in het zuidwestelijke deel van het terrein, maar enkel in het noordoostelijke deel werd er nog een kleilaag aangetroffen.

Figuur 11. De 17 boorlocaties in de bodem (B01‐B017) en 2 staalnames van het oppervlaktewater (V01& V02) uitgevoerd door PIH in 2008. De rode locaties wijzen op de hoogste verontreinigingsgraad, de groene op de laagste.

Belangrijk is dat in deze studie de toetsing aan de bodemsaneringsnormen gebeurde volgens de normen van bestemmingstype IV vermits de doelstelling het realiseren van een golfterrein was. In deze studie echter is de doelstelling het realiseren van natuur en bos (Bestemmingstype I) waardoor wij de PIH analyses hebben getoetst aan de strengere BSNI normen. De Evaluatietabel is opgenomen in Bijlage A1. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 31 van 211


Wat opvalt uit de analyseresultaten is de grote variatie aan bodemzuurtegraad (pH‐H2O): van lage pH waarden (3.1 ‐ 3.5) op locaties B06, 12, 13 en 14 in N en O (Figuur 10) en uiterst hoge pH’s (9.1 ‐ 12.1) op locaties B03 en B05 in de westelijk gelegen asbestzone. Op de andere locaties werd doorgaans een relatief hoge basische pH range (7 – 8) aangetroffen hoger dan de verwachte natuurlijke verzuringsgraad. Op locatie B06 werd tevens een zeer hoog kleigehalte (~54%) aangetroffen wat wijst op het voorkomen van Boomse klei wat de lage pH van 3.3 verklaart. Dit is echter niet het geval op de locaties B12‐B14 die ook lage pH’s vertonen bij een laag kleigehalte. Door her‐evaluatie van de zware metaalgehalten (Bijlage A1) komen we tot volgende conclusies (metalen met overschrijdingen in vet): ∙ ∙

∙

∙ ∙ ∙ ∙ ∙

Er is nergens overschrijding van Arseen (As), waarden doorgaans lager dan de richtwaarde (RW) De bodemsaneringsnorm BSNI voor Cadmium (Cd) wordt overschreden op locatie B05 (gehele bodemprofiel tot 2m) en op locatie B08 (enkel topsoil). Op B05 wordt zelfs de BSNIV overschreden in de topsoil (10.1 µg/g Cd). B05 is gelegen op het asbeststort (Zone 1, Figuur 7), B08 in het zogenaamde huisvuilstort (Zone 2). Chroom (Cr) concentraties overschrijden de BSNI op locaties B03, B06 en B08 en komen op B05 en B015 voor boven de richtwaarde. B03 ligt op het asbeststort (Zone I), B06 buiten de stortzones, maar heeft duidelijke invloed van Boomse klei (vaak gerelateerd met hoge Cr gehalten) en B08 is opnieuw het huisvuilstort, waar vermoedelijk ook ander afval werd gestort. Koper (Cu) overschrijdt op 1 locatie (B08 opnieuw) de BSNI norm op een diepte van 150‐200 cm en is boven de richtwaarde in de topsoil (0‐50 cm). Op alle andere locaties is Cu gehalte laag. Het kwikgehalte (Hg) is over het algemeen laag (onder bepaalbaarheidsgrens) en vertoont enkel aanrijkingen op B05 en B08 (tot 2.56 µg/g) maar overschrijdt nergens de BSNI Lood (Pb) overschrijdt de BSNI op B03, B05 en B08. Op B08 wordt zelfs de BSNIV overschreden voor bodemlaag 0‐50 cm. Nikkel (Ni) overschrijdt enkel op B05 de BSNI en komt licht aangerijkt voor in B03. De BSNI wordt overschreden voor Zink (Zn) op de locaties B05 (alle lagen tot 2 m), B08 (enkel topsoil) en B09 (enkel van 100‐150 cm). Op B05 en B09 wordt zelfs de BSNIV overschreden (Bijlage A1)

Organische polluenten werden waargenomen op locatie B03 (~1110 µg/g) en in mindere mate op B05 en B08 (500‐600 µg/g).Op B05 en B08 werden extraheerbare oliën aangetroffen (EOX van 10‐52 µg/g) en op B08 (huisvuilstort) ook cyaniden (19.7‐15.5 µg/g) die ook humane en ecotoxicologische risico’s met zich meebrengen. Door gerichte analyse werd het voorkomen van asbest (chrysotiel en crocidoliet) bevestigd op B03, gelinkt met de uitermate hoge pH= 12.1 en ook op locatie B05. Samenvattend kan gesteld worden dat de BSN voor Natuur (BSNI) overschreden wordt voor de zware metalen Cd, Cr, Cu, Pb en Ni, doorgaans op dezelfde locaties B03, B05 en B08 die deel zijn van de stortzones 1 en 2. De verontreinigingen worden soms enkel vastgesteld op grotere diepte (1‐2 m) waardoor ze bij boringen tot 1 m niet waargenomen worden. 3.1.2.2. Oriënterend en Beschrijvend Bodemonderzoek Technum In de periode 18/04/2011‐27/04/2011 werden 30 boringen verricht in het kader van het oriënterend bodemonderzoek en in de periode 06/08/2013‐28/11/2013 nogmaals 43 boringen voor beschrijvend bodemonderzoek (Figuur 12). De analysedata werden gerapporteerd in Bijlage 11 (pag 515 e.v.) van het TECHNUM rapport (Borremans, 2014). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 12. De 73 boorlocaties met verontreinigingsgegevens uit het Technum rapport. Codes beginnend met B zijn boringen in minerale bodem, P geeft locaties met peilbuizen aan (n=19).

De diepte van de boringen binnen het oriënterend onderzoek varieerden van 0.5 m tot 12 m, deze binnen het beschrijvend bodemonderzoek van 10 cm tot 16.9 m. Deze analyses geven dus een algemeen inzicht in het voorkomen van verdachte stoffen en de algehele horizontale en verticale verontreinigingsgraad van het volledige projectgebied en de stortplaatsen. Er werden tevens uitloogproeven uitgevoerd per stortmassief om na te gaan welke risico’s er zijn voor het grondwater. Op basis van preliminaire analyses was reeds duidelijk dat naast chloriden en sulfaten, de metalen As, Cu, Pb en Ni verdachte stoffen waren, die ook in het grondwater werden aangetroffen. Van de 73 boorlocaties werden op 37 plaatsen (51 %) lagen aangetroffen met puin, baksteenresten, grind of asbesthoudend materiaal, meestal enkele decimeters dik (Tabel 13, Technum rapport). De meeste analyses werden uitgevoerd door de laboratoria EUROFINS NV en door het PIH. Op de bodemanalyses werden zowel bij het oriënterend als beschrijvend bodemonderzoek volgende parameters bepaald: DS, pH, OS, kleigehalte, 8 zware metalen, minerale olie GC en PAKs. Bij het beschrijvend bodemonderzoek werd dit aangevuld met asbestidentificatie. Ook door Technum gebeurde de VLAREBO toetsing op basis van de BSNIV (Parkgebied). Zij stelden 2 overschrijdingen vast: op locatie P14 voor de metalen Cu en Zn en minerale olie en op locatie B19 voor Zn. De locatie P14 ligt in de buurt van B08 boring (PIH) in Zone 2 (Huisvuilstort) en B19 iets zuidelijker dan B05 uit de PIH studie, in zone 3 (Gipsstort Zeekanaal). Een hertoetsing van de VLAREBO normen van alle OBBO bodemanalyses zowel voor BSNI als BSNIV is weergegeven in bijlage A2. Hierbij betreft het dus ook stalen genomen op grotere diepte. Hierbij stelden we vast dat (metalen die norm overschrijden in vet):

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 33 van 211


 

     

Voor Arseen (As) de bodemsaneringsnorm BSNI nergens werd overschreden. De meeste waarden liggen in de buurt van de streefwaarde (natuurlijke achtergrondwaarde). Slechts eenmaal werd de richtwaarde overschreden. Voor Cadmium (Cd) werd op één locatie B19 (zone 3) de BSNI overschreden maar niet de BSNIV. Het betreft een concentratie van 6.12 µg/g Cd op een diepte van 170 – 270 cm. Licht aangerijkte concentraties (hoger dan richtwaarde maar lager dan saneringsnorm) werden aangetroffen op P14 (> 10 m) en op B200 in de bovenste 15 cm (3.6 µg/g). Ook de BSNI norm voor Chroom (Cr) werd slechts op 1 locatie overschreden: op P13 op een diepte van 7.60 ‐ 8.40 m (131 µg/g Cr). Op een aantal locaties wordt de richtwaarde overschreden in de topsoil (0‐50 cm): P12B en P12D, B226, B228, B216. Het metaal Koper (Cu) vertoonde enkel een overschrijding van de BSNI én de BSNIV op locatie P14 op een diepte tussen 9.6‐10.4 m Het betrof een Cu gehalte van 1460 µg/g. Nergens werd de saneringsnorm BSNI overschreden voor Kwik (Hg), enkel aangerijkt op P14 en P17. Lood (Pb) vertoont 4 overschrijdingen van de BSNI: op locatie P2 (30‐70 cm), P14 (> 9 m diep) en B200 (0‐15 cm). Vooral deze laatste concentratie is zeer hoog 4040 µg/g Pb waarbij ook de BSNIV wordt overschreden. Het metaal Nikkel (Ni) overschreed nergens de BSNI Het zware metaal Zink (Zn) vertoonde een overschrijding op 4 locaties: B19 (1.7‐2.7 m diep), P14 (9.6‐10.4 m diep), B200 (0‐15 cm diep, Zone 1) en B220 (0‐50 cm diep). Op B19 en P14 werd tevens de BSNIV overschreden gezien de concentraties van respectievelijk 3950 en 1480 µg/g Zn.

Op het meest verontreinigde punt P14 (diepte 9.60‐10.4 m) werd ook de BSNI én BSNIV voor minerale olie overschreden. Er werd een concentratie vastgesteld van 3500 µg/g waar de BSNIV norm 1500 µg/g bedraagt.Uit de OBBO data kon worden vastgesteld dat het kleigehalte gecorreleerd is met Cr en in mindere mate met de Ni concentratie. Bij een zware klei (kleigehalte > 30%) stijgt het Cr gehalte makkelijk boven de 100 µg/g zoals aangegeven in Figuur 13. Slechts een drietal observaties ontsnappen aan dit verband.

Figuur 13. Waargenomen correlatie tussen kleigehalte en concentratie aan Cr in de bodems van het projectgebied.

Het Technum rapport vermeldt ook het voorkomen van radioactiviteit door het gestorte gips (vrijkomen radon gas), voornamelijk ter hoogte van zone 1, westelijk gelegen in het studiegebied en ook in een gebied ten oosten van zone 6 (Figuur 7). Met een achtergrondwaarde van ~100 tot 200 cps komen volgens dit rapport de zones met verhoogde stralingsniveaus overeen met 3 tot 8 maal de normale waarden. Een verblijf van 3,5 uur per dag op de zones met verhoogd stralingsniveaus zou aanleiding geven tot het overschrijden van de maximale jaardosis voor de bevolking. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.1.2.3. Samenvatting bestaande bodemkennis In zowel het PIH als Technum rapport werden de geobserveerde concentraties aan zware metalen getoetst aan de BSNIV, uitgaand van een toekomstig bestemmingstype parkgebied/golfterrein. Door onze her‐evaluatie aan de strengere bodemsaneringsnorm voor Natuur en Bosgebieden (BSNI) werden niet noemenswaardig meer overschrijdingen van de saneringsnormen vastgesteld. Bovendien worden meer dan de helft van de overschrijdingen vastgesteld in de ondergrond (>2 m) en betreft het sensu stricto niet meer de bodem. Het ecotoxicologisch risico van oppervlakkige bodemverontreiniging op het niveau van het ecosysteem is dan ook beperkt. Overschrijdingen betreffen vooral de metalen Cd, Cr, Cu, Pb, Zn en Ni. Hiervan zijn Cr en in mindere mate Ni gelinkt met het voorkomen van Boomse klei en andere geologische substraten. Vooral Cd, Cu en Pb verdienen aandacht om het risico van ecosysteemcontaminatie te beperken, vooral in de stortzones 1 (asbest) en zone 2 (huisvuilstort) waar reeds een saneringsplicht op rust. Daar waar asbest en asbesthoudende restproducten aan de oppervlakte komen is een adequate isolering en afdekking absoluut noodzakelijk, zodat asbestvezels niet verder in de omgeving kunnen verspreid worden. Verontreiniging met organische polluenten werd in beperkte mate vastgesteld. Het probleem is dus niet zozeer gelinkt aan oppervlakkige bodemcontaminatie, dan wel aan uitloging van zware metalen uit de ondergrond naar het grondwater, waarbij ook de verhoogde sulfaat en chloridegehalten een belangrijke mobiliserende rol spelen. Een belangrijke vaststelling is het voorkomen van puin, baksteenresten, grind of asbesthoudend materialen op geringe dieptes over minstens de helft van het terrein. Dit beperkt de wortelgroeiruimte voor struiken en bomen, leefruimte voor bodemorganismen en beperkt het waterbergend vermogen.

3.1.3. Waterkwaliteit 3.1.3.1. PIH studie De kwaliteit van het oppervlaktewater van twee kleine vijvers werd onderzocht : (1) de groene vijver (Figuur 11, locatie V01) en (2) de witte vijver (V02) werden bemonsterd op 5/03/2008 door PIH. Deze watervlakken komen respectievelijk overeen met ANTRUM0027 en ANTRUM0004 (zie Hoofdstuk 3.2.5). Van de oppervlaktewatermonsters werden bepaald: temperatuur, zuurtegraad, geleidbaarheid en zuurstofgehalte (ter plaatse), de gehaltes aan ammonium‐, nitriet‐ en nitraatstikstof, het gehalte aan orthofosfaatfosfor, de alkaliniteit, het gehalte aan minerale olie, het gehalte aan opgeloste organische koolstof, de concentraties aan metalen: Na, K, Ca, Mg, As, Cd, Cr, Cu, Hg, Pb, Ni, Zn, Ag en de gehaltes aan vluchtige organische solventen. De resultaten werden beoordeeld door toetsing aan de basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater (Vlarem II), de milieukwaliteitsnormen voor grondwater (Vlarem II, bijlage 2.4.1.) en de bodemsaneringsnormen voor grondwater (VLAREBO,bijlage IV). Met een pH = 11,7 overschreed het watermonster uit de groene vijver (V01) ruim de basismilieukwaliteitsnorm voor oppervlaktewater en de milieukwaliteitsnorm voor grondwater. Deze hoge pH werd gelinkt aan het voorkomen van vliegas en/of cement, gezien ook het hoge Na (152 mg/l) en K gehalte (92,3 mg/l) in het oppervlaktewater. Vooral de elektrische geleidbaarheid (EC) in beide vijvers is hoog (1066‐1095 µS/cm) wat wijst op veel opgeloste zouten. Het zuurstofgehalte van de watermonsters voldoet aan de basismilieukwaliteitsnorm. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 35 van 211


De alkaliniteit van de watermonsters was relatief hoog. De watermonsters bevatten geen aantoonbare hoeveelheden minerale olie en ook de gehaltes aan zware metalen overschreden de saneringsnormen voor grondwater niet. Alleen in de groene vijver (V01) konden enkele vluchtige organische stoffen aangetoond worden (tolueen, xyleen en 2‐chloortolueen). De gehaltes aan deze solventen waren echter laag. In het PIH rapport werd geconcludeerd dat de waterkwaliteit van de groene en de witte vijver niet voldeed aan de basismilieukwaliteitsnormen. Het water bevatte relatief veel zouten, vermoedelijk afkomstig van de op het terrein aanwezige storten (asbest, vliegas, cement). Hierbij moet opgemerkt worden dat de beoordeling op basis van een eenmalige bepaling hooguit indicatief kan zijn. 3.1.3.2. Grondwaterkwaliteit OBBO – Technum rapport In het kader van het OBBO werden 19 peilbuizen geplaatst in de periode april‐mei 2011, met dieptes variërend van 3,5 tot 12 m (Figuur 14). De parameters die bepaald werden op het grondwater waren: zware metalen, minerale olie, BTEX, VOCL, Al, Ba, Ca, P, Fe, K, Mg, Mn, Na, fenol‐index, sulfide, ammonium, bromide, BZV, chloride, CZV, fluoride, fosfaat, nitraat, nitriet, sulfaat en Kjeldahl‐stikstof. De pH en EC werden op het terrein bepaald tijdens de staalname.

Figuur 14. Elektrische geleidbaarheid, Chloriden en sulfaten in grondwater (bijlage 12 uit Technum OBBO rapport) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Ter hoogte van 6 van de 19 bemonsterde peilbuizen werden sterke verontreinigingen aan enkele zware metalen in het grondwater vastgesteld. Het betreft de metalen As, Cu, Pb en Ni die overschrijdingen vertonen met een factor 1,33 tot 7,5 maal de BSN. Waar het er meest verwacht werd, namelijk ter hoogte van het gipshoudend stort, werden geen sterke contaminaties aan zware metalen aangetroffen. De 6 bewuste peilbuizen lagen telkens in zones die aangevuld werden met in hoofdzaak originele sedimenten. Ter hoogte van 10 van de 15 bemonsterde peilbuizen overschreden de gemeten concentraties aan sulfaat de milieukwaliteitsnorm, soms met een factor 12, met concentraties tot 3010 mg/l op locatie P13 (Figuur 14). Chloriden werden in minder hoge overschrijdingen aangetroffen, met factoren variërend van 1.3 tot 1.65. De Cl‐gehalten varieerden van 23,3 tot 413 mg/l (Figuur 14). Opvallend is dat nagenoeg ter hoogte van alle peilbuizen sterk verhoogde geleidbaarheden (EC > 2000 μS/cm) werden aangetroffen. De sterk verhoogde geleidbaarheden wijzen opnieuw op sterk verhoogde concentraties aan kationen en anionen zoals chloride en sulfaat. Niettegenstaande de gemeten gehaltes aan beide parameters sterk fluctueren, stelt het Technum rapport dat het grondwater boven de afsluitende kleilaag over het volledig studiegebied (sterk) aangerijkt is met beide anionen. 3.1.3.3. Ontwerp bodemsaneringsproject Tractebel Mulders (2018) bespreekt drie schepstalen van het oppervlaktewater (staalname VEC, analyse Eurofins) genomen op 21/09/2016. Twee monsters werden genomen in de afwateringsgracht aan de zuidwestrand van, maar net buiten, het studiegebied (S2‐S3), een vierde (S4) in de visvijver ANTRUM0048 (zie hoofdstuk 3.2.5). Tabel 3.2 geeft het resultaat. Vooral de hoge sulfaatwaarden, inz. ter hoogte van de drainagebuis die het hoger gelegen studiegebied ontwatert (S2) en in de visvijver, springen in het oog. Sulfaten werden in de groene en witte vijver niet onderzocht, wel de chloriden. Die lagen in deze vijvers in dezelfde grootte orde: i.e. 76 en 47 mg/l. De chloriden in het oppervlaktewater zijn dus beduidend lager dan wat aangetroffen wordt in het grondwater. Dit is evenzeer het geval voor de sulfaat concentraties die tot 6 maal hoger kunnen zijn in het grondwater. Tabel 3.2. Resultaten analyse oppervlaktewater 21/09/2016 (Mulders 2018).

variabele

S2

S3

S4

sulfaat (mg/l)

410

150

550

chloride (mg/l)

57

51

55

3.1.4. Landschapseenheden Het projectgebied heeft een oppervlakte van ongeveer 53 ha. Volgens de boswijzer 2.0 (2015) ligt daarvan ongeveer 38 ha onder bos. Van het bos valt ongeveer 22 ha onder de compensatieplicht, omdat het een leeftijd heeft van meer dan 22 jaar. De oppervlakte aan watervlakken (11 in totaal) werd begroot op 4 ha. De overige oppervlakte, ongeveer 12 ‐14 ha, wordt ingenomen door vegetatie die overwegend lager is dan 3m, of door onbegroeid terrein (vooral open zand). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 37 van 211


De BWK/habitatkaart (versie 2018) geeft een ecologische waardering weer op basis van een terreinbezoek in 1998. Voor het projectgebied is deze kaart dus bijna 22 jaar oud en een aanzienlijke oppervlakte in het centrale deel van het projectgebied wordt omschreven als een ruigte of pioniervegetatie met beperkte opslag van struiken en bomen (ecologisch waardevol). Aan de zuidelijke rand zijn op het tijdstip van de kartering, natte wilgenstruwelen en rietruigtes aanwezig, die gekarteerd worden als biologisch zeer waardevol. Verder is een complex aanwezig van zeer waardevolle elementen (rietland, open water) met waardevolle elementen (pioniervegetatie, ruigte en vochtig grasland).

3.1.5. Soortgegevens Om de ecologische waarde van het gebied te evalueren, werd een screening uitgevoerd van soortgegevens, die werden opgevraagd uit waarnemingen.be (INBODATAVR‐237, 2020). Vooral gegevens over vaatplanten in de locatie ‘Boom/Rumst ‐ Kleiputten Terhagen ‐ Prov. terreinen’ werden geanalyseerd, als aanvulling op de inventarisaties tijdens de terreinverkenningen. Voor een beoordeling van de diversiteit aan mossen en korstmossen kon beroep worden gedaan op een recente inventarisatie van de werkgroep Bryologie en Lichenologie op 22/2/2020. De opgevraagde gegevens werden gescreend op de aanwezigheid van oudbosplanten, een soortengroep die wijst op een lange en continue aanwezigheid van bos. Van de 44 soorten oudbosplanten in de lijst van Cornelis et al. (2009), zijn er slechts 5 aanwezig in het projectgebied: ijle zegge, klimop, wilde kamperfoelie, wijfjesvaren en adelaarsvaren (op het asbeststort langs de Bosstraat). Het betreft relatief algemene oudbossoorten, met relatief goede verbreidingsmogelijkheden. In het projectgebied is een relatief grote diversiteit aan varensoorten aanwezig, wat te danken is aan de aanwezigheid van vele steile taluds, de hoge luchtvochtigheid van het gebied, en de kleibodem. Varens kunnen zich als sporenplanten bovendien vlot verbreiden, waardoor geschikte terreinen vrij snel gekoloniseerd kunnen worden. Op enkele kleidijkjes centraal in het projectgebied is tongvaren talrijk aanwezig en op de westelijke steile flank van de Hoogstraat groeien stijve naaldvaren, geschubde mannetjesvaren, en koningsvaren, dit zijn zeldzame soorten. Deze steile flank van de Hoogstraat zou in de geplande landschapsbouw gedeeltelijk worden aangevuld, om de stabiliteit te verhogen (Figuur 15). De recente mossen‐ en korstmosseninventarisatie door de werkgroep Bryologie en Lichenologie leverde een aanzienlijke soortenlijst op, met daarin vele epifytische soorten die verwacht mogen worden in wilgenbossen en ‐struwelen. De meeste van deze epifytische soorten werden gevonden in en net ten westen van het ‘bos van Terhagen’, in een zone die buiten de geplande landschapsbouw valt (Figuur 15). Onder de terrestrische mossoorten die in het projectgebied werden gevonden, zijn enkele soorten veenmossen (Sphagnum spp.) en roodviltmos (Aulacomnium palustre), indicatoren voor een natte en zure groeiplaats, het vermelden waard. De vindplaats van deze soorten situeert zich tussen de geplande ophoging van het Keibrekerspad, de visvijver die wordt ingericht als rietmoeras en de talud van de Hoogstraat die gestabiliseerd zal worden.. Op de zandige open plekken komen plaatselijk veel korstmossen voor (Cladonia, Peltigera, …). Op 08/02/2020 werden de diepe plassen in beheer van Natuurpunt ten oosten van het studiegebied bezocht en gescreend op de aanwezigheid van kranswieren. In de drie van de vijf onderzochte diepe plassen werden kranswieren gevonden. In totaal werden 3 soorten aangetroffen: Chara globularis, Chara virgata en Nitella mucronata var. gracillima. In de grootste centraal gelegen diepe plas (de Grote plas) werden alle soorten aangetroffen. De aanwezigheid van Chara virgata als kensoort van het habitattype 3140 ‘Kalkhoudende oligo‐mesotrofe wateren met benthische Chara spp. Vegetaties’ houdt in dat deze plas habitatwaardig is. In de zuidelijke en noordelijke Tweelingsplassen werd enkel Chara globularis aangetroffen. De aanwezigheid van de gevonden kranswiersoorten duiden op de potenties die deze plassen binnen het gebied voor het verder ontwikkelen van aquatische habitats en in het bijzonder deze van het habitattype 3140. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Bij de screening van de faunagegevens uit waarnemingen.be (INBODATAVR‐237, 2020) valt in de eerste plaats het groot aantal vogelsoorten op van waterrijke gebieden: watervogels zoals dodaars, bergeend, fuut, krakeend, kuifeend, slobeend, smient, tafeleend, zomertaling, wintertaling, visdief; riet‐ en moerasvogels zoals roerdomp, woudaap, porseleinhoen, waterral, watersnip, rietzanger, blauwborst, bosrietzanger, bruine kiekendief, kleine karekiet, rietgors, Cetti's Zanger en sprinkhaanzanger; steltlopers: groenpootruiter, tureluur, oeverloper, witgat. In de steile flanken langs de kleiputten broeden ijsvogel en oeverzwaluw. Deze soorten van waterrijke gebieden zijn vooral te vinden in en langs de plassen ten noorden en oosten van het projectgebied, waarvan het merendeel beheerd wordt door Natuurpunt. In dit natuurgebied zijn eveneens tapuit en roodborsttapuit aanwezig, soorten van (half)open terrein. Bij de amfibieën uit dit natuurgebied zijn rugstreeppad en kamsalamander aandachtsoorten, omdat ze opgenomen zijn in bijlage IV van de habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Figuur 15. Vindplaatsen van varens en mossen in het projectgebied, op basis van waarnemingen.be (INBODATAVR‐ 237, 2020) en een recente inventarisatie door de werkgroep Bryologie en Lichenologie

Het projectgebied is minder open dan de omgeving van de kleiputten die door Natuurpunt worden beheerd, en bestaat vooral uit struweel en opgaand bos. Deze afwisseling is een geschikte habitat voor gekraagde roodstaart, houtsnip, nachtegaal, zomertortel, wielewaal en wespendief. De lijst met waarnemingen werd eveneens gescreend op vleermuizen, omdat alle soorten zijn opgenomen in de bijlage van de habitatrichtlijn (92/43/EEG). Aan de noordkant van de visvijver in het projectgebied werden in 2018 volgende soorten waargenomen, met behulp van een automatische batdetector: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis en bosvleermuis.

3.1.6. Landschapsvisie In opdracht van de Provincie Antwerpen werd een natuurontwikkelingsplan opgemaakt voor het kleiontginningsgebied in Boom en Rumst, waar het projectgebied deel van uitmaakt (Laurijssens & De Blust, 2012). Centraal in deze visie staat het natuurgebied, thans in beheer van Natuurpunt, dat alle ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 39 van 211


kenmerken heeft van een kleigroevenlandschap met uiteenlopende successiestadia: een afwisseling van kleiputten met open water, pioniersvegetatie, ruigte‐ riet‐ en struisgrasvegetatie, en struwelen en bossen van wilgen en berk. Voor het kleiontginningsgebied werden doelsoorten en kapstoksoorten opgelijst, waaraan de inrichting en het beheer kunnen worden opgehangen (Tabel 3.3). Heel wat van deze soorten zijn ook terug te vinden in de soortgegevens, behandeld in onderdeel 3.1.5. De landschapsvisie voor het kleiontginningsgebied ging uit van een nabestemming als ecogolf na sanering van het projectgebied. Inmiddels is dit bijgesteld en zal het projectgebied na sanering en landschapsbouw een bos‐ en natuurgebied worden. Van het bos dat door de sanering gerooid moet worden, zal 22 ha bos ter plaatse worden gecompenseerd omdat het een minimum leeftijd heeft van tenminste 22 jaar. Tabel 3.3 (uit Laurijssens & De Blust, 2012): Doelsoorten voor het ontginningslandschap te Boom – Rumst voor de nagestreefde doelbiotopen. In vet ‘kapstoksoorten’, waarvan de ecologie goed gekend is en waarvan de habitateisen kunnen vertaald worden naar oppervlaktedoelen en inrichtingsmaatregelen.

Niettemin zijn er ook na de landschapsbouw mogelijkheden om de principes van de landschapsvisie toe te passen op het plangebied. Zo kan het rietmoeras een verbinding realiseren met de kleiputten van het natuurgebied, in functie van soorten van ondiepe plassen en overgangsbiotopen (Tabel 3.3). Het reliëf dat wordt opgebouwd met kalkrijk en kleirijk tertiair materiaal, biedt mogelijkheden voor pionierssoorten, zoals zomerbitterling en rugstreeppad. De reconstructie van een vallei voor de Potgatbeek biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van alluviale bossen (zie onderdeel 4.6.8).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.2. VERKENNENDE TERREINSTUDIE 3.2.1. Projectgebied De perimeter van het projectgebied (Tabel 3.4 en Figuur 16) werd afgelijnd door de intendant en komt overeen met de perimeter voor de Omgevingsvergunningsaanvraag (52,9 ha). Het is de bedoeling dat binnen deze perimeter alle grondverzet plaats vindt. De bossen buiten deze perimeter blijven behouden, waaronder het bos van Terhagen. Het projectgebied sluit aan op de Rupel voor aanvoer van bodemmaterialen, alsook met de Hoogstraat in het oosten en aanvoerwegen in het noorden. Door de grillige vorm heeft het projectgebied een grote perimeter (7,4 km) en dus veel randeffect. De uitbreiding in het NO betreft de ophoging met 2‐3 m om een fietspad (ic het Keibrekerspad) meer comfortabel te maken qua helling. Binnen het projectgebied is het bodemsaneringsgebied gelegen, voor deze studie gelijkgesteld aan BSP variante 2 (versie najaar 2019), rood gearceerd in Figuur 16. Dit is een meer homogeen deel dat de verontreinigde zone omhelst die gesaneerd dient te worden. Hierbinnen wordt het gros van de Oosterweelsubstraten geborgen (huidige raming ca 3 mio m³). De overige 600 000 m³ zitten buiten de BSP perimeter maar wel nog binnen de Omgevingsaanvraagperimeter. Het grootste volume daarbij is voor de demping van de diepe visvijvers en de ombouw tot rietmoeras. Het verschil tussen de 3,6 mio m³ (binnen de omgevingsaanvraagperimeter) en het contractueel vastgelegde streefcijfer 4,5 mio m³ (i.e. 0,9 mio m³) zit buiten het projectgebied (en valt niet binnen deze studie) en omvat onder andere de verondieping van de plassen van Natuurpunt. De afdichtlaag zoals ontworpen door Tractebel is geel gerasterd in Figuur 16 en valt grotendeels binnen het BSP variant 2, met uitzondering van een oostelijk deel dat ook in de visvijvers een afdekking voorziet ter voorkoming van doorslag naar het grondwater. Tabel 3.4. Overzicht van oppervlaktes en perimeters binnen het projectgebied (gebaseerd op BSP najaar 2019)

Gebied

Oppervlakte (ha)

Perimeter (km)

Opmerking

Projectgebied

53

7.37

Conform omgevingsvergunni ng

Bodemsaneringsgebied

32.4

2.78

BSP variant 2

Afdichtlaag

29.4

2.67

Zoals berekend door Tractebel

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 41 van 211


Figuur 16. Aflijningen binnen het projectgebied: studiegebied, bodemsaneringsgebied (BSP) en voorziene afdichtlaag

3.2.2. Bodemkwaliteit 3.2.2.1 Bodemsurvey in projectgebied Op 30/01/2020 en 12/02/2020 werden twee bos‐ en bodemsurveys uitgevoerd binnen het projectgebied. Initieel werden 18 interessante locaties geselecteerd (BB01‐BB18), waarvan er 14 werden weerhouden en effectief bemonsterd (Tabel 3.5). De niet weerhouden locaties lagen buiten de projectperimeter of waren niet langer nodig om een globaal beeld te krijgen van het projectgebied. Foto’s van de bemonsterde proefvlakken en hun aangeboorde bodemprofielen zijn opgenomen in Bijlage H. Op de initiële verkenning met de milieuambtenaren (10/05/2019) werden reeds op 4 locaties strooiselstalen genomen die ook werden geanalyseerd en in dit rapport verwerkt. Deze zijn in geel aangeduid op Figuur 17.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 17. Effectief bemonsterde sites (codes BBxx) tijdens de bos‐ en bodemsurveys. De initiële strooiselstaalnames (codes FF_Px) zijn aangeduid met gele stip.

Tabel 3.5. Overzicht bemonsterde sites met zone‐aanduiding en coördinaten van bodemstaalname

NR

CODE

ZONE

DDLAT

DDLONG

LB72X

LB72Y

Datum Survey

1

BB01

Niet in stortzone

51.085657

4.386141

151218

197282

30.01.2020

2

BB02

Niet in stortzone

51.086002

4.387538

151316

197321

30.01.2020

3

BB03

Zone 1_Asbeststort

51.088806

4.392678

151676

197633

30.01.2020

4

BB04

Zone 3_Gipsstort NV Zeekanaal

51.088207

4.393635

151743

197566

30.01.2020

5

BB06

Niet in stortzone

51.090072

4.396114

151916

197774

12.02.2020

6

BB07

Niet in stortzone

51.089406

4.395081

151844

197700

12.02.2020

7

BB08

Zone 4_Zeekanaal sedimenten

51.085362

4.390048

151492

197250

12.02.2020

8

BB09

Zone 4_Zeekanaal sedimenten

51.086635

4.389696

151467

197391

30.01.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 43 van 211


9

BB10

Zone 2_Huisvuilstort

51.087751

4.395187

151852

197515

12.02.2020

10

BB11

Zone 5_Sedimenten Hazewinkel

51.085528

4.397149

151989

197268

12.02.2020

11

BB15

Zone 5_Sedimenten Hazewinkel

51.082242

4.39515

151849

196903

12.02.2020

12

BB16

Niet in stortzone

51.082025

4.401739

152311

196879

12.02.2020

13

BB17

Zone 5_Sedimenten Hazewinkel

51.084083

4.397322

152001

197107

12.02.2020

14

BB18

Zone 7_Aanvullingen

51.083463

4.388595

151390

197038

30.01.2020

15

FF_P1

Zone 4_Zeekanaal sedimenten

51.085994

4.392841

151687

197320

10.05.2019

16

FF_P2

Zone 2_Huisvuilstort

51.088352

4.39444

151799

197582

10.05.2019

17

FF_P3

Zone 4_Zeekanaal sedimenten

51.087483

4.39901

152120

197486

10.05.2019

18

FF_P4

Zone 4_Zeekanaal sedimenten

51.084023

4.389636

151463

197101

10.05.2019

In totaal werden 38 minerale bodemstalen onderzocht, waarvan 9 mogelijks asbest‐partikels konden bevatten (boringen BB01‐BB04) en dus een bijzondere behandeling kregen bij het drogen, crushen, ontsluiten en analyseren in het INBO labo. Een overzicht van de stalen is opgenomen in Bijlage B. De aangeboorde profielen waren soms begrensd in de diepte, doorgaans door baksteen‐ of puinresten, asbest of grind (Tabel 3.6). Exact 5 van de 14 profielen (36%, > 1/3) waren dus minder dan 1 m diep. Dit heeft een impact op de wortelgroeiruimte en waterhuishouding. Het voorkomen van puinlagen is een fysische barrière voor (boom)wortels en heeft vaak een drainerend effect (vocht‐redistributie in profiel). Foto’s van de proefvlakken en de bodemprofielen zijn opgenomen in Bijlage H. In bijna alle bodemprofielen zijn in mindere of meerder mate baksteenfragmenten aan te treffen, wat wijst op grote menselijke beïnvloeding (bodemtypes: Anthrosols, Technosols). De natuurlijke bodemhorizonten zijn dus doorgaans ook verstoord door vergravingen en ophogingen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Tabel 3.6. Profieldieptes van boringen met vermelding van de stortzone. NA betekent gelegen buiten de 7 onderscheiden stortzones uit Figuur 7.

Profieldiepte Plot

Zone

(cm)

Opmerking/beschrijving

BB01

NA

55

Dakpannen en ander puin op geringe diepte, geen Kopecky

BB02

1

80

Staalname tegen helling aan, beperkte staalnamediepte

BB03

1

22

Staalname in depressie; bodem slechts 22 cm boven asbest

BB04

3

>100

Bodem > 100 cm

BB06

NA

100

Diepe bodem ‐ geen obstructies – Boomse klei vanaf 80 cm

BB07

2

120

Diepe bodem – kleiig 10‐30 cm – grondwatertafel > 30 cm

BB08

4

100

Diepe bodem

BB09

4

90

Obstructie op 90 cm

BB10

2

100

Diepe bodem, grof zand in topsoil, kleiig in de diepte (> 60 cm)

BB11

5

100

Diep zandig profiel

BB15

5

100

Diepe bodem

BB16

NA

>100

Baksteenpuin op 30 cm, maar profiel dieper

BB17

5

100

Diep profiel ‐ watertafel op geringe diepte

BB18

7

45

Obstructie op 45 cm door baksteenresten/puin

De basiskarakteristieken van de 38 bodemstalen zijn opgelijst in Tabel 3.7. Het bodemvochtgehalte bij staalname varieerde tussen 12 en 70 vol%, dus van nagenoeg droge tot uiterst natte bodemmonsters, wat indirect de grote variatie aan vochtcondities aantoont. De bulk densiteit (BD) van de bodems varieerde van 0,68 t/m³ voor organisch rijke bodemstalen tot 1,75 t/m³ voor compacte bodemstalen of stalen aangerijkt met stenig materiaal. In natuurlijke omstandigheden neemt de BD toe met de diepte. Bij vergraven bodems is dit vaak niet het geval. Het terrein is zeer variabel wat textuur betreft: klei‐fractie (0‐2 µm) varieert van 2 tot 31%, leem van 5 tot 59% en zand van 15‐93 %. Gemiddeld (± SD) is er 10 ± 8% kleifractie, 20 ±15% leemfractie en 70 ± ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 45 van 211


21% zandfractie. Er is echter grote textuurvariatie zowel lateraal als verticaal, wanneer de textuurfracties geplot worden volgens de Belgische textuurdriehoek (Figuur 18).

Figuur 18. Profielstalen van het studiegebied volgens de Belgische textuurdriehoek. De stalen komen voor in de klassen Z (zand, n=13), S (lemig zand, n=12), P (licht zandleem, n=3), L (zandleem, n=3), en E (lichte klei, n=7). Er werden geen stalen aangeboord met A (Leem) of zware klei (U).

Bij 10 van de 38 stalen (26%) werden grove partikels (> 2mm) vastgesteld, doorgaans baksteenfragmenten. Die werden mee geanalyseerd omdat ze effectief voorkomen op het terrein en deel uitmaken van de bodem. De dominante textuurklassen van de bodem (0‐1 m) in het actuele gebied zijn Z (zand) en Lemig zand (S). Een aantal profielen bevatten lagen met lichte klei (E) (Figuur 18). Tabel 3.7. Basiskenmerken van de bodemstalen uit de profielboringen: bulk densiteit, textuurfracties, zuurtegraad en elektrische conductiviteit.

SID

TOP

BOT

FMC

DS

BD

KLEI

LEEM

ZAND

CF

pH‐H2O

EC

(cm)

(cm)

(vol%)

g/kg

(t/m³)

(%)

(%)

(%)

‐

‐

µS/cm

BB01_0‐17

0

17

32,2

990

1,63

15,1

19,6

65,3

ja

5,15

45,02

BB01_17‐55

17

55

32,2

993

1,63

15,1

20,1

64,9

ja

6,51

171,52

BB02_0‐12

0

12

28,11

993

1,70

10,1

16

73,9

ja

8,32

69,54

BB02_12‐40

12

40

29,31

990

1,69

20,2

26,2

53,6

ja

8,39

104,99

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB02_40‐70

40

70

39,41

986

1,50

31,2

39,9

29

8,89

110,07

BB03_0‐20

0

20

30,1

992

1,05

8,1

12,8

79,1

8,31

105,37

BB04_0‐16

0

16

40,11

990

1,31

4,9

7

88,1

7,49

70,31

BB04_16‐39

16

39

32,81

996

1,58

3,7

9,8

86,5

ja

8,6

135,39

BB04_39‐100

39

100

31,18

995

1,75

3,6

6,1

90,2

8,68

59,96

BB06_0‐10

0

10

58,82

982

0,95

9

35,7

55,3

7,56

150,39

BB06_10‐50

10

50

48,61

990

1,02

7

21,6

71,4

ja

7,26

95,58

BB06_50‐100

50

100

63,7

983

0,95

24,3

51,3

24,4

5,47

1533

BB07_0‐10

0

10

69,75

996

0,68

5,7

13,4

80,8

ja

5,32

53,61

BB07_10‐27

10

27

60,31

973,4

0,91

25

53,7

21,3

7,62

1169

BB07_27‐120

27

120

63,12

996

0,95

4,1

11,6

84,3

7,56

532,46

BB08_0‐37

0

37

40,26

991

1,31

5,8

28,5

65,6

8,23

85,6

BB08_37‐70

37

70

43,37

993

1,27

7,8

22,5

69,7

8,48

116,05

BB08_70‐100

70

100

45,65

993

1,24

5,1

19,2

75,7

8,41

189,74

BB09_0‐16

0

16

59,58

977

0,89

9,4

42,5

48,1

8,43

398,87

BB09_16‐50

16

50

57,51

992

1,03

6,1

33,8

60

8,53

380,84

BB09_50‐90

50

90

58,3

995

1,12

5,1

19,5

75,4

8,6

255,55

BB10_0‐10

0

10

22,05

992

1,29

2,7

6,4

90,9

7,74

68,23

BB10_10‐60

10

60

13,41

996

1,50

2,4

4,7

92,9

8,59

88,46

BB10_60‐100

60

100

51,93

974

1,18

27,5

33,2

39,3

7

1817

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 47 van 211


BB11_0‐16

0

16

15,63

994

1,40

3

4,7

92,2

7,83

120,41

BB11_16‐50

16

50

11,64

996

1,25

2,5

5,6

92

8,72

76,95

BB11_50‐100

50

100

14,15

995

1,30

3,7

7,7

88,6

8,76

67,98

BB15_0‐14

0

14

15,89

996

1,66

3,6

4,8

91,6

4,41

118,6

BB15_14‐60

14

60

12,36

996

1,68

7,1

7,7

85,3

4,16

88,26

BB15_60‐100

60

100

32,84

998

1,63

3,6

5

91,3

4,59

61,37

BB16_0‐17

0

17

32,1

979

1,31

18,9

20,2

60,9

5,88

196,83

BB16_17‐30

17

30

28

993

1,62

9,6

15,4

75

ja

5,68

99,54

BB16_30‐100

30

100

31

960

1,16

25,5

59,3

15,2

7,63

381,06

BB17_0‐15

0

15

54,3

990

1,18

6

8,7

85,3

7,85

302,77

BB17_15‐50

15

50

38,0

995

1,33

4,3

13,5

82,2

7,26

209,08

BB17_50‐100

50

100

56

996

1,35

5,1

17,3

77,5

7,83

162,72

BB18_0‐30

0

30

32,5

992

1,50

9,4

12,9

77,7

ja

NA

NA

BB18_30‐45

30

45

36,1

992

1,65

11,4

17,1

71,5

ja

7,18

99,97

TOP en BOT geven de boven en ondergrens (cm) van de bodemlaag aan waaruit staal genomen is; FMC (vol%) is het bodemvochtgehalte bij staalname, DS de droge stof factor (luchtdroog/ovendroge massa), BD is bulk densiteit, KLEI,LEEM en ZAND zijn de textuurfracties bepaald met Laserdiffractie, CF (Coarse fragments) geeft aan of er partikels > 2 mm voorkomen in staal, pH‐H2O is de zuurtegraad in 1:5 m/V water extract en en EC de electrische geleidbaarheid in zelfde extract.

Ook de bodemzuurtegraad (pH‐H2O) is vrij variabel over het terrein en varieert tussen 4,16 en 8,89, met een gemiddelde van 7,38 ± 1,37. Sommige profielen zijn duidelijk zuur (zoals BB15), terwijl andere duidelijk basisch (BB02 en BB03) zijn, nl op het asbeststort. Dit bevestigt voorgaande waarnemingen. De meeste profielen zijn neutraal tot basisch. Opmerkelijk is de grote variatie in elektrische geleidbaarheid (EC), die varieert van 45 µS/cm tot 1817 µS/cm, gemiddeld 265 ± 397 µS/cm. Merk op dat de hoge EC waarden (> 1000 µS/cm) steeds gerelateerd zijn met hoge kleigehalten (> 25%) wat aangeeft dat voorkomen van Boomse klei hier wellicht een rol speelt. Er komen echter ook stalen voor met een hoog kleigehalte waar de EC wel normale waarden aangeeft (< 200 µS/cm).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Tabel 3.8. Gehalte aan organisch materiaal, totale koolstof (TOC), microbiële koolstof (HWC), totale stikstof (TN) en C:N verhouding van de bodemstalen uit de profielboringen

SID

TOP

BOT

LOI550

TOC

HWC

TN

C:N

(cm)

(cm)

(g/kg)

(g/kg)

(mg/kg)

BB01_0‐17

0

17

38,04

19,7

657,4

1,02

19,3

BB01_17‐55

17

55

27,42

16,8

167,5

0,73

23,0

BB02_0‐12

0

12

24

14,2

232,2

0,68

20,9

BB02_12‐40

12

40

29,31

14,1

217,1

0,78

18,1

BB02_40‐70

40

70

32,15

9,6

124,9

0,61

15,7

BB03_0‐20

0

20

41,21

22,7

610,7

1,51

15,0

BB04_0‐16

0

16

48,72

24,8

695,3

1,79

13,9

BB04_16‐39

16

39

5,61

2,5

62,9

0,26

9,6

BB04_39‐100

39

100

9,68

4,4

149,8

0,42

10,5

BB06_0‐10

0

10

80,09

39,2

566,2

2,65

14,8

BB06_10‐50

10

50

38,76

21,2

238,4

1,34

15,8

BB06_50‐100

50

100

43,06

12,4

99,4

0,98

12,7

BB07_0‐10

0

10

9,55

3,6

164,6

0,41

8,8

BB07_10‐27

10

27

78,65

38,7

314,7

2,61

14,8

BB07_27‐120

27

120

7,59

3

103,5

0,31

9,7

BB08_0‐37

0

37

31,2

16,1

341,4

1,15

14,0

BB08_37‐70

37

70

21,2

15,3

188,0

0,88

17,4

(g/kg)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 49 van 211


BB08_70‐100

70

100

21,92

13,2

145,9

0,67

19,7

BB09_0‐16

0

16

128,03

65,1

1374,4

4,34

15,0

BB09_16‐50

16

50

32,95

19,9

230,4

0,98

20,3

BB09_50‐90

50

90

17,73

10,9

166,8

0,58

18,8

BB10_0‐10

0

10

31,15

14

512,8

1,25

11,2

BB10_10‐60

10

60

7,73

3,1

93,6

0,37

8,4

BB10_60‐100

60

100

59,89

22

283,7

1,85

11,9

BB11_0‐16

0

16

21,14

9,8

354,0

0,73

13,4

BB11_16‐50

16

50

8,43

4,5

114,6

0,35

12,9

BB11_50‐100

50

100

12,11

7,5

76,8

0,36

20,8

BB15_0‐14

0

14

14,11

7,2

495,6

0,56

12,9

BB15_14‐60

14

60

7,3

2,1

131,2

0,32

6,6

BB15_60‐100

60

100

3,92

1,2

60,6

0,22

5,5

BB16_0‐17

0

17

116,53

66,3

1754,6

4,69

14,1

BB16_17‐30

17

30

24,08

11,3

386,0

0,84

13,5

BB16_30‐100

30

100

18,3

9,3

103,7

0,65

14,3

BB17_0‐15

0

15

34,89

15,5

215,6

0,95

16,3

BB17_15‐50

15

50

11,49

5

91,4

0,46

10,9

BB17_50‐100

50

100

7,22

3

92,6

0,32

9,4

BB18_0‐30

0

30

34,94

18,7

468,7

1,25

15,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB18_30‐45

30

45

28,46

14,4

218,2

0,8

18,0

Het gehalte aan organisch materiaal in de bodem varieert van 3,9 tot 128 g/kg (= 0.4 ‐ 12.8%), met een gemiddelde van 31.8 ± 28 g/kg (Tabel 3.8). Het totale C gehalte varieert van 1.2 tot 66,3 g/kg en is gemiddeld 15,8 ± 14,9 g/kg, dus ~1.5%. Het totale stikstofgehalte varieert van 0,22 tot 4,69 g/kg met gemiddelde 1,07 ± 1,01 g/kg, dus ~0,1%. De C:N ratio ligt in het bereik 5.5 – 23, met gemiddelde 14 ± 4 wat wijst op een vlotte mineralisatie van de organische stof. Hot‐water‐extractable Carbon (HWC) is een proxy voor microbiële C en dus een maat voor microbieel bodemleven. Dit neemt normalerwijze af met de diepte, wat op de meeste plots inderdaad wordt bevestigd. De semi‐totale gehalten aan macro‐elementen zijn weergegeven in Tabel 3.9. In de stalen met hoge EC, werd tevens een hoog Fe en S gehalte vastgesteld, indicatief voor pyriet (FeS2) dat kan voorkomen in Boomse klei. Op die locaties zal bij oxidatie sulfaat gevormd worden wat de EC de hoogte instuwt. Bovendien is dit duidelijk geassocieerd met een hoger Cr gehalte in het bodemstaal (Tabel 3.10). Merk op dat het Ca gehalte in de bodemstalen aanzienlijk varieert, van 188 mg/kg tot 19034 mg/kg (~2%). Dit is vooral te wijten aan het voorkomen van kalkrijk schelpzand of fijn verdeelde calciumcarbonaten in het bodemstaal. Het magnesium gehalte varieert niet in dezelfde mate. Tabel 3.9. Aqua‐regia extraheerbare gehalten aan macro‐elementen P, K, Ca, Mg, S, Na, Al, Fe en Mn van de bodemstalen uit de profielboringen

SID

P

K

Ca

(mg/kg) (mg/kg) (mg/kg)

Mg

S

Na

(mg/kg)

(mg/kg)

(mg/kg)

Al

Fe

Mn

(mg/kg) (mg/kg) (mg/kg)

BB01_0‐17

291

3119

1327

1726

510

106,8

9004

13610

103,5

BB01_17‐55

405

1878

1879

1130

458

87,1

5471

11028

92,8

BB02_0‐12

294

2135

7159

1523

249

106,4

5839

11133

155,7

BB02_12‐40

363

3586

6463

2740

482

197,6

12876

18077

164,5

BB02_40‐70

280

4906

8299

3697

313

175,7

21304

24538

231,2

BB03_0‐20

353

1992

3636

979

286

57,9

4860

11339

70,3

BB04_0‐16

231

3088

3083

1296

276

<50

3589

12114

120,3

BB04_16‐39

189

2419

3305

1092

146

50,2

2791

10678

145,7

BB04_39‐100

189

2748

3612

1219

75

<50

3305

12575

117,2

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 51 van 211


BB06_0‐10

306

2466

4358

1595

709

69,0

6511

15545

347,3

BB06_10‐50

349

2164

2638

1222

422

66,4

5240

16041

185,3

BB06_50‐100

339

8425

4905

5379

5737

372,4

28857

28936

172,2

BB07_0‐10

153

1767

727

916

96

<50

4403

10823

42,7

BB07_10‐27

1343

5649

19035

4664

2463

264,5

20529

36145

520,3

BB07_27‐120

144

1926

2231

892

1030

<50

3009

8494

90,4

BB08_0‐37

461

2794

7847

1847

301

68,6

5580

13989

223,8

BB08_37‐70

415

3158

13626

2098

295

108,1

5826

14994

234,8

BB08_70‐100

408

3204

14130

2056

319

134,2

5869

15554

217,4

BB09_0‐16

565

3303

16582

2387

1173

452,9

7659

16215

372,6

BB09_16‐50

535

3125

14128

1931

468

376,2

5772

14969

255,0

BB09_50‐90

419

3325

12442

2035

489

260,0

5506

14612

199,9

BB10_0‐10

353

3442

3109

1428

385

<50

3980

12597

114,1

BB10_10‐60

260

3311

2678

1376

130

<50

3408

13975

121,7

BB10_60‐100

563

8879

7984

5312

2895

215,2

21296

38335

172,1

BB11_0‐16

294

2960

4305

1367

199

<50

3607

12212

139,2

BB11_16‐50

263

3003

6211

1267

79

51,6

3469

13350

196,5

BB11_50‐100

329

2845

7096

1324

82

56,8

3528

13370

178,9

BB15_0‐14

154

1592

216

699

188

<50

2438

8607

34,8

BB15_14‐60

171

2370

188

1041

276

<50

4827

11197

60,8

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB15_60‐100

98

1750

233

755

87

<50

3393

6721

40,5

BB16_0‐17

838

3563

3772

2002

945

227,1

13522

19217

104,8

BB16_17‐30

213

2310

1615

1343

320

213,3

7779

17057

91,4

BB16_30‐100

1654

5902

16865

5075

1664

239,9

21017

39886

1255,8

BB17_0‐15

329

2306

3584

1155

436

62,3

4882

21963

641,0

BB17_15‐50

171

2088

1378

1101

308

<50

4143

10422

153,0

BB17_50‐100

158

2132

1517

1154

785

<50

4414

9369

88,0

BB18_0‐30

350

2443

2351

1182

322

86,1

6229

11378

115,4

BB18_30‐45

466

2643

2653

1296

336

130,3

7705

25394

198,4

Tenslotte zijn de concentraties aan zware metalen opgelijst in Tabel 3.10. Het zware metaal Se is in elk staal onder de bepaalbaarheidsgrens. Voor de andere zware metalen werd een evaluatie gemaakt met aftoetsing van de VLAREBO BSNI en BSNIV normen (Bijlage A3). Uit deze evaluatie concluderen we dat:       

In geen enkel bodemstaal Arseen (As) de BSNI of zelfs de richtwaarde overschrijdt; In geen enkel bodemstaal Cadmium (Cd) de BSNI of zelfs de richtwaarde overschrijdt; Het metaal Chroom, niettegenstaande de verhoogde waarden in Boomse klei (rood aangegeven in Tabel 3.10), nergens de BSNI en zelfs de richtwaarde overschrijdt; In geen enkel bodemstaal Koper (Cu) de BSNI of zelfs de richtwaarde overschrijdt; Lood (Pb) nergens de BSNI overschrijdt en enkel op 2 locaties licht hoger is dan de richtwaarde (120 µg/g). In geen enkel bodemstaal Nikkel (Ni) de BSNI of zelfs de richtwaarde overschrijdt; Zink (Zn) nergens de BSNI overschrijdt en enkel op 4 locaties licht hoger is dan de richtwaarde met concentraties van 104 tot 116 µg/g Zn.

Deze toetsing van zware metaal (ZM) gehalten aan de bodemsaneringsnormen betreft enkel de bovenste meter van het bodemprofiel, vanuit ecotoxicologisch standpunt voor terrestrische habitats het meest relevant. Uit vorig onderzoek is gebleken dat er wel overschrijdingen van de ZM gehalten zijn in de ondergrond, die mogelijks risico’s opleveren door uitspoeling ervan naar grondwaterlagen (humaantoxicologsiche risico’s bij oppompen) of voor contaminatie van oppervlaktewateren (aquatische ecosystemen). Onze vaststellingen doen dus geen afbraak aan de saneringsverplichting voorzien in het BSP zoals vooropgesteld door OVAM of andere bevoegde instanties. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 53 van 211


Tabel 3.10. Zware‐metaalconcentraties in de bodemstalen uit de profielboringen

SID

Cd

Co

(µg/g) (µg/g)

Cr

Cu

Ni

Pb

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

Se

Zn

(µg/g) (µg/g)

BB01_0‐17

0,36

3,83

25,1

13,03

8,25

23,38

<1,5

62,1

BB01_17‐55

0,14

3,06

13,8

15,78

6,9

26,76

<1,5

46,0

BB02_0‐12

0,43

4,11

14,7

21,21

8,03

126,24

<1,5

143,7

BB02_12‐40

0,34

5,92

31,3

17,97

14,64

67,85

<1,5

117,8

BB02_40‐70

0,31

7,34

53,3

27,46

23,45

133,89

<1,5

169,0

BB03_0‐20

1,79

2,43

13,8

14,24

4,86

66,42

<1,5

107,9

BB04_0‐16

0,15

2,27

19,6

3,42

3,09

17,63

<1,5

74,4

BB04_16‐39

0,16

2,25

12,7

4,56

2,86

18,11

<1,5

115,4

BB04_39‐100

<0,1

2,26

16,9

1,66

2,67

9,27

<1,5

43,0

BB06_0‐10

0,26

5,96

21,1

6,61

24,16

7,68

<1,5

37,7

BB06_10‐50

0,17

3,86

14,4

8,18

11,86

16,02

<1,5

32,7

BB06_50‐100

0,28

8,46

62,8

16,45

23,7

1,41

<1,5

52,2

BB07_0‐10

<0,1

1,96

11,6

3,45

3,66

7,12

<1,5

13,1

BB07_10‐27

0,89

10,87

51,1

20,74

27,86

30,3

<1,5

185,8

BB07_27‐120

<0,1

2,23

11,6

1,49

3,4

3,53

<1,5

22,2

BB08_0‐37

0,12

4,05

20,6

3,58

6,1

7,77

<1,5

46,7

BB08_37‐70

0,17

3,8

22,8

4,87

6,09

15,17

<1,5

74,0

BB08_70‐100

0,23

3,95

23,3

5,37

5,84

15,04

<1,5

87,8

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB09_0‐16

0,24

5,88

23,9

7,67

10,71

9,35

<1,5

62,0

BB09_16‐50

0,11

4,37

22,8

3,89

6,8

8,27

<1,5

41,6

BB09_50‐90

0,15

3,35

22,6

4,43

5,37

14,82

<1,5

64,8

BB10_0‐10

0,26

2,49

19,3

3,59

3,17

22,46

<1,5

95,7

BB10_10‐60

0,19

2,21

15,4

2,73

2,76

22,57

<1,5

104,1

BB10_60‐100

0,44

8,47

70,7

15,84

23,46

19,96

<1,5

127,7

BB11_0‐16

0,29

2,69

19,6

3,49

3,26

13,3

<1,5

115,7

BB11_16‐50

0,24

2,63

18,3

3,57

3,04

12,13

<1,5

116,1

BB11_50‐100

0,26

2,93

15,9

4,56

3,61

13,63

<1,5

114,7

BB15_0‐14

<0,1

1,14

9,3

1,72

1,54

5,45

<1,5

9,6

BB15_14‐60

<0,1

2,92

13,6

1,39

3,26

1,15

<1,5

15,6

BB15_60‐100

<0,1

1,92

10,8

<1

2,12

1,11

<1,5

11,0

BB16_0‐17

1,07

6,22

28,7

48,65

22,8

53,06

<1,5

119,5

BB16_17‐30

0,24

3,52

19,2

12,25

8,13

11,54

<1,5

36,3

BB16_30‐100

1,16

18,78

50,6

19,74

54,57

31,8

<1,5

242,0

BB17_0‐15

0,21

5,1

19,1

10,94

10,76

18,22

<1,5

63,0

BB17_15‐50

<0,1

3,37

13,1

2,34

5,14

3,29

<1,5

22,5

BB17_50‐100

<0,1

3,07

13,9

1,67

4,53

2,53

<1,5

21,8

BB18_0‐30

0,25

3,12

14,5

9,82

6,54

17,31

<1,5

47,3

BB18_30‐45

0,26

5,91

21,1

17,21

11,95

26,34

<1,5

61,0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 55 van 211


3.2.2.2 Geologische substraten Oosterweel Het was niet evident om op korte termijn aan representatieve stalen en relevante bodemkundige gegevens te geraken van Oosterweel substraten. Het betreft substraten die zullen vrijkomen bij uitgravingen van het Oosterweel‐knooppunt en de Oosterweeltunnels (zone Kanaaltunnel en Den Dam zijn het meest representatief) (Figuur 19).

Figuur 19. Overzichtskaartjes (a) Oosterweeltracé en (b) Oosterweelknooppunt en aansluiting op E19 Noord/R1

Via Lantis konden geen grondstalen verkregen worden wegens niet meer beschikbaar (Comm Kjeld Vandeputte, Lantis, 26/11/2019). Alle stalen worden slechts 5 weken bijgehouden en er stond geen verdere bemonstering van de diepere lagen op het programma. Wel werden twee boringen uitgevoerd ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


(Nrs 7 en 8 in Figuur 20) nabij ingangen toekomstige Scheldetunnel om de Saliniteit na te gaan. Van de boring 7 zijn naast Na, Cl en EC ook verontreinigings‐gegevens beschikbaar.

Figuur 20. Boorlocaties (n=12) waar momenteel chemische analyseresultaten van boringen beschikbaar zijn. Nummers verwijzen naar boorgegevens in Tabel 3.11.

Door Afdeling Geotechniek (MOW Vlaanderen) werden op 24/02/2020 exact 25 substraten ter beschikking gesteld voor bodemkundige analyse door INBO (overzicht in Bijlage C1). Het betreft stalen van relatief recente boringen langsheen E19 tracé tussen Antwerpen‐Luchtbal en de Masurebrug (Nrs 1‐ 4 in Figuur 20). Deze stalen omvatten 1 Quartair staal, 4 stalen van de Formatie van Lillo (en 1 overgang Li‐Kd), 11 stalen Formatie van Kattendijk en 6 stalen Formatie van Berchem. Voorheen waren reeds 4 stalen van de Formatie van Boom (Boomse klei) ter beschikking gesteld aan het INBO via de Milieuambtenaar van Rumst (Dhr Fried Happaerts) en firma Wienerberger (Dhr Pepijn van Eynde). Afdeling Geotechniek stelde ook twee veenstalen ter beschikking uit boringen Nrs 5 en 6 (Tabel 3.11), in de nabijheid van de Scheldetunnel, kant Rechteroever. Onder impuls van DVW werd een bijkomende boring uitgevoerd door Talboom/Geosonda (Nrs 9 en 10) vooral om het volumegewicht (wet Bulk density) en de saliniteit na te gaan. Omdat er nog geen stalen waren in de buurt van de kanaaltunnels werd ter hoogte van het Havenhuis nog twee extra boringen (Nrs 11 en 12 in Figuur 20) uitgevoerd op 14‐15 april 2020, die 33 stalen opleverden (Bijlage C2). In deze desk studie konden dus ca. 87 stalen uit 12 boringen worden gebruikt voor verdere screening (Tabel 3.11) van de geolagen voor gebruik bij de landschapsreconstructie. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 57 van 211


Tabel 3.11. Gegevens boorlocaties en aantal geologische stalen voor labo‐analyse

# Nr

Boornummer

Boordatum

LB72X

LB72Y

Aanvangspeil (mTAW)

Boordiepte (m‐MV)

Opdrachtgever

Recipienten

stalen

Labo

1445‐GEO‐ 18/132‐B5b

21.06.2019

153964

215708

5,65

0‐36

MOW

potten 1L

3

INBO

1

1445‐GEO‐ 18/132‐B9b

28.08.2019

153954

215029

3,35

1.5‐32

MOW

potten 1L

12

INBO

2

1445‐GEO‐ 18/132‐B11

25.09.2019

153881

214618

4,83

1.5‐31

MOW

potten 1L

5

INBO

3

1445‐GEO‐ 18/132‐B2b

15.10.2019

154047

216278

4,13

0‐36

MOW

potten 1L

4

INBO

4

GEO‐19/089‐ B5

06.01.2020

150690

214651

6,08

0‐35

MOW

potten 1L

1

INBO

5

GEO‐19/089‐ B8

13.01.2020

150451

214583

10,5

0‐35

MOW

potten 1L

1

INBO

6

7

B60006

04.03.2019

150579

214581

10,9

0‐30

LANTIS

NA

0

Eurofins

8

B60007

04.03.2019

149783

214018

9,8

0‐31.2

LANTIS

NA

0

Eurofins

TB01

04.03.2020

154209

214130

5,3

0‐17.7

DVW

Geoprobe Liners 1.2m

15

INBO

TB02

04.03.2020

154206

214119

5,8

0‐16.3

DVW

Geoprobe Liners 1.2m

13

INBO

11

Délo_B1

14.04.2020

152878

214567

7,7

0‐20

DVW

Emmers

20

INBO

12

Délo_B2

15.04.2020

152902

214558

7

7‐20

DVW

Emmers

13

INBO

9

10

De stratificatie van de geologische lagen zoals opgenomen in het Lantis‐SWECO grondmodel is schematisch weergegeven in figuur 21. De sequentie met de diepte is doorgaans A: anthropogeen (bodemlagen/aanvulgronden), Q: Quartair substraat, Qp: Quartair pleistoceen zand, Li: Formatie van Lillo, Kd: Kattendijk formatie, Di: Diest formatie, Bc: Berchem formatie en Bm: formatie van Boom. We houden deze codes en sequenties aan binnen dit rapport.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 21. Schematische voorstelling van de geologische opbouw van een beperkte zone in het Oosterweeltraject. De volledige trajecten zijn weergeven in Hoofdstuk 4.5.1.

De formatie van Boom (Boomse klei) wordt niet over het gehele Oosterweeltraject aangetroffen binnen de ontgravingsdiepte. De Boomse klei is wel een belangrijk substraat en is opgebouwd uit verschillende strata (Figuur 22). Door het bedrijf Wienerberger wordt de Boomse Klei ontgraven in 4 lagen, waarvan we typische stalen hebben verkregen voor analyse. Laag 1 komt overeen met de top van het Lid van Putte, laag 2 met de onderkant van dit Lid. Laag 3 is het bovenste deel van het Lid van Terhagen en laag 4 de onderkant van dit Lid. Het Lid van Belsele‐Waas zit onder de vergunde exploitatie‐diepte en wordt derhalve niet ontgraven. Merk op dat er wel wat variatie is aan organisch materiaal en kalkgehalte in de Boomse klei lagen, alsook van de textuurfractie > 32µm (licht leem‐ en zandfractie). Het organisch materiaal varieert tussen 1 en 5% DS, het carbonaatgehalte van minder dan 1 % tot pieken van 25.2 % in kalkhoudende lagen (S50 in figuur 20) in het Lid van Putte. De zwaarste kleilagen (hoge klei en fijne siltfractie <32 μm, lage >32 µm fractie) vertonen minder dan 20% aan fractie >32µ. Er komen ook gelaagde pyrietconcreties voor en septaria horizonten. Vooral het voorkomen van pyriet heeft belangrijke ecotechnische consequenties wanneer dit oxideert.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 59 van 211


Figuur 22. Log van de Boomse Klei. De lijn van “Terhagen (1974)” komt overeen met het pakket dat in de Wienerberger groeve wordt aangetroffen (afbeelding uit Vandenberghe & Van Echelpoel, 1987).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Volumemassa van geolagen Om richtwaarden te krijgen van de volumemassa zijn er gegevens van Geolab (Tabel 3.12) en de eigen waarnemingen van de Talboom liners (Tabel 3.13). Opvallend is dat de volumemassa (in situ) niet veel verschilt tussen de geolagen onderling en varieert rond de 2 ton versgewicht per m³. Er is geen substantieel verschil tussen de metingen die we uitvoerden op de geoliners en deze van Geolab, die bekomen werden door het subsampelen van staal nadat het uit de steekhuls werd gehaald. De (droge) bulk densiteit op basis van Geolab data varieert van 1.56 t/m³ (Fm van Lillo) tot 1.7 t/m³ (Fm van Berchem). Tabel 3.12. Gemiddelde volumemassa, Bulk density en vochtgehalte op basis van Geolab data

Geolaag

Diepte (m)

Volumemassa (t/m³)

Bulk density (t/m³)

Vochtgehalte (%)

Fm van Lillo

6,5 ‐ 11,4

1,95

1,56

25,0

Fm van Kattendijk

16,5 ‐ 17

2,00

1,59

25,7

Fm van Berchem

19 ‐ 25

2,06

1,70

20,9

29,5 ‐ 30

2,06

1,69

21,7

Lid van Antwerpen

Fm van Berchem Lid van Edegem

Tabel 3.13. Geschatte volumemassa op basis van Talboom liners (eigen bepalingen)

Geolaag

Diepte (m)

n

Gemiddelde (t/m³)

Bereik (t/m³)

Fm Gent

0 ‐ 2

3

2,02

1,96 ‐ 2,0

Fm Rozebeke, Kruishoutem

2 ‐ 4

2

1,93

1,91 ‐ 1,94

Fm Lillo en Poederlee

4 ‐ 6

2

1,98

1,97 ‐ 1,99

Fm Kattendijk en Kasterlee

6 ‐ 7

2

2,08

1,97 ‐ 2,18

Fm Diest

7 ‐ 9,6

4

2,14

2,08 ‐ 2,19

Fm Berchem en Voort

9,6 ‐16

13

2,12

1,96 ‐ 2,24

Deze gemiddelde cijfers en waargenomen bereiken zijn belangrijk voor de inschatting van het te bergen volume met deze geologische substraten. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 61 van 211


Glauconietgehalte Het glauconietgehalte werd recent bepaald door Geolab op 8 stalen uit boring Geo‐18/132‐B5. De gemiddelde waarden en bereik zijn weergegeven in Tabel 3.14. Tabel 3.14. Massa‐aandeel aan glauconiet (in massa%) van enkele formaties

Geolaag

Diepte (m)

n

Gemiddeld glauconiet gehalte (%)

Bereik (%)

Fm van Lillo

6,5 ‐ 11,4

3

6,4

5,2‐8,7

Fm van Kattendijk

16,5 ‐ 17

1

18,5

‐

Fm van Berchem Lid van Antwerpen

19 ‐ 25

3

43,3

39‐46

Fm van Berchem Lid van Edegem

29,5 ‐ 30

1

17,3

‐

De formatie van Lillo bevatte duidelijk het laagste glauconietgehalte. Bij zanden van Kattendijk was er slechts één waarneming van 18,5% wat vergelijkbaar was met het glauconietgehalte van Fm van Berchem‐Lid van Edegem. Het hoogste gehalte wordt aangetroffen in de Fm van Berchem‐Lid van Antwerpen met tot 7x meer glauconiet dan in de Fm van Lillo. De variatie tussen de Formaties is dus substantieel. Bodemkundige eigenschappen van de geostalen Op basis van de analyses van de Geotechniek stalen en de Boomse klei uit de groeve kunnen de bodemkundige eigenschappen van de geolagen ingeschat worden. Figuur 23 en Tabel 3.15 geven informatie over de textuurfracties. Zoals verwacht zijn de formaties van Kattendijk en Berchem het meest zandig. De Fm van Lillo zit in de textuurklasse lichte klei (E) en de Boomse klei is uiteraard zware klei (U). Opgemerkt dient wel dat glauconiet zich als pseudo‐partikels kan gedragen bij een textuuranalyse, waarbij eigenlijk kleideeltjes meegerekend worden als zandfractie. Dit is afhankelijk van de mate van dispersie bij de chemische voorbehandeling of ultrasoonbehandeling bij laserdiffractie. Dit kan voor Bc stalen met het hoge glauconietgehalte zeker het geval zijn, waardoor die ook kan geklasseerd worden als zandleem (L) of lichte klei (E) (Tabel 3.15). Bodemecologisch gezien gedraagt glauconiet zich als zandkorrels (fysicochemisch) dus sluit deze indeling aan bij de realiteit. De Boomse klei heeft gemiddeld de hoogste klei‐ én leemfractie vandaar dat in steenbakkerijen ook de 32 µm fractiegrens (klei+zwaar leem) gebruikt wordt. Over het algemeen zijn de texturen van de onderzochte geostalen iets zwaarder (fijnere granulometrie) dan de texturen van de actuele bodems in het projectgebied (vergelijk Figuur 23 met Figuur 18).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 23. Geotechniek stalen van de geolagen geklasseerd volgens de Belgische textuurdriehoek. Het label geeft de geologische formatie aan van het staal. Tabel 3.15. Opdeling van de Geotechniek boorstalen volgens Belgische textuurklasse

Textuur Z S P L A E U Omschrijving Zand Lemig zand Licht zandleem Zandleem Leem Lichte klei Zware klei Li ‐ ‐ ‐ ‐ ‐ 4 ‐ Kd 1 8 ‐ 3 ‐ 1 ‐ Bc 2 1 ‐ 2 ‐ 1 ‐ Bm ‐ ‐ ‐ ‐ ‐ ‐ 4 De analytische gegevens van de Geotechniek geostalen per formatie zijn weergegeven in Tabel 3.16, waaronder naast de klei, leem en zandfracties ook de zuurtegraad en elektrische geleidbaarheid (EC). Heel belangrijk is de gemiddeld hoge basische pH van de Formaties Li, Kd en Bc en de eerder neutrale pH van de Boomse klei. Kattendijk heeft van die stalen de meest homogene pH. De electrische geleidbaarheid van de onderzochte geolagen (Stalen Geotechniek) varieert van gemiddeld 320 µS/cm (Kd) tot 820 µS/cm (Bm). Merk op dat de hoogste EC waarden voorkomen in Bc en Bm geolagen tot maximaal 1254 µS/cm. Hogere waarden worden verwacht dichter bij de Schelde. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 63 van 211


Tabel 3.16. Basiskenmerken textuur, pH en EC van de tertiaire geolagen van de Geotechniek stalen, gerangschikt volgens Formaties Variabele

Statistiek

Li

Kd

Bc

Bm

Aantal Obs

N

4

13

6

4

Klei (%)

Gemiddelde

23.8

11.7

14

45.6

Stdev

5.5

4.0

5.5

6.2

Min‐Max

18.9‐30.1

6.1‐20.4

7.5‐21.3

39.5‐52.3

Gemiddelde

27.5

15.9

12.8

45.3

Stdev

6.1

5.9

5.8

5.6

Min‐Max

18.5‐31.7

9.8‐29.7

6.2‐21.1

40‐51.8

Gemiddelde

48.7

72.4

73.2

9.0

Stdev

9.9

8.5

10.6

2.0

Min‐Max

40.1‐62.6

Gemiddelde

8.2

8.4

8.3

7.5

Stdev

0.2

0.1

0.3

0.2

Min‐Max

7.9‐8.4

8.2‐8.7

7.9‐8.7

7.2‐7.7

618

320

543

820

Stdev

288

49.2

298

291

Min‐Max

273‐922

259‐439

Leem (%)

Zand (%)

pH‐H2O

EC (µS/cm) Gemiddelde

58.4‐84.1 61.6‐86.3

6.3‐10.6

299‐1022 644‐1254

Gezien het zeer belangrijk is te weten in welke mate de geolagen die in aanmerking komen voor de landschapsreconstructie niet te veel opgeloste zouten bevatten werd van alle beschikbare geoboringen (n= 89 stalen) de pH‐H2O en EC gemeten. Wanneer opgesplitst naar geologische Formaties, waarbij de Formaties van Vlaanderen, Gent en Rozebeke worden ingedeeld bij het Quartair (Qu), is de opdeling van de pH en EC weergegeven in de boxplot figuren 24 en 25. De hoge basische pH van alle formaties wordt nogmaals aangetoond, met uitzondering van de Boomse klei hebben alle andere formaties een pH‐H20 tussen 8 en 9, met een paar uitschieters tot pH 11 en meer. De elektrische geleidbaarheid is voor alle onderzochte stalen van de Quartaire formaties en de formaties Li, Kd, Di en Bc onder de 1000 µS/cm, behoudens een paar uitschieters. Het is vooral de Boomse klei die hogere EC waarden optekent (Figuur 25). Wanneer we de distributie van de EC waarden per boring bekijken (Figuur 26), met de boor‐nummers aangeven op kaart in figuur 20, dan zien we weinig significante verschillen tussen de boorlocaties over het gehele Oosterweeltraject en springt enkel boring 0 in de Wienerberger kleigroeve er uit. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 24. Boxplot met distributie van pH (H20) waarden per Formatie volgens toenemende diepte: Fm van Vlaanderen, Gent, Rozebeke in Qu (n=15), Fm Lillo (n=18), Fm Kattendijk (n=23), Fm Diest (n=4), Fm Berchem (n=25) en Fm Boom (n=4).

Figuur 25. Boxplot met distributie van EC waarden per Formatie volgens toenemende diepte: Fm van Vlaanderen, Gent, Rozebeke in Qu (n=15), Fm Lillo (n=18), Fm Kattendijk (n=23), Fm Diest (n=4), Fm Berchem (n=25) en Fm Boom (n=4).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 65 van 211


Figuur 26. Boxplot met distributie van EC waarden per geoboring. Boornummers volgens Figuur 20. Geoboring 0 is referentie in Wienenberger‐kleigroeve.

De veenstalen (Tabel 3.17) hebben uiteraard het hoogste organisch gehalte (44%). Ook de Boomse klei heeft een hoge LOI, maar dat is deels te verklaren door verlies aan interstitieel water, dus deze LOI wijst niet alleen op organisch materiaal maar ook klei‐aandeel. Kattendijkse zanden hebben slechts gemiddeld 1.7% aan organisch gehalte. De koolstofwaarden wijzen op totale C, dus organische (TOC) én inorganische C (TIC). Het aandeel TOC kan geschat worden als de helft van LOI550. Het C‐gehalte is duidelijk het laagst in Kd en Bc. Tabel 3.17. Resultaten voor LOI, C, HWC en N van de tertiaire Geotechniek geolagen

Variabele

Statistiek

Li

Kd

Bc

Bm

Veen

Aantal Obs

N

4

13

6

4

2

29,0

17,1

24,9

51,1

440

5,0

2,3

4,1

8,7

9,1

44,3‐63,1

434‐446

LOI550 (g/kg) Gemiddelde Stdev Min‐Max TC (g/kg)

22,3‐34,1 14,4‐23,2 20,0‐30,2

Gemiddelde

35,7

12,4

4,5

16,0

274

Stdev

7,8

4,1

2,3

4,6

41,9

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Min‐Max

25,5‐42,2

9,2‐23,8

3,1‐9,1

4,6‐22,5

244‐303

77,0

64,7

66,9

‐

1176

Stdev

9,1

3,9

4,4

‐

368,4

Min‐Max

68,7‐89,9

57‐71,9

60,9‐74,4

‐

916‐1437

Gemiddelde

0,36

0,28

0,30

1,00

18,86

Stdev

0,01

0,02

0,04

0,25

0,88

0,80‐1,33

18,2‐19,5

HWC (mg/kg) Gemiddelde

N (g/kg)

Min‐Max C:N ratio

0,35‐0,38 0,25‐0,30 0,26‐0,37

Gemiddelde

97,4

44,8

14,6

16

14,6

Stdev

19,5

12,6

6,6

1,5

2,9

Min‐Max

73‐115

33‐79,3

10‐27,6

14,4‐17,6

12,5‐16,6

Het microbieel C gehalte (HWC in mg/kg !) is vergelijkbaar tussen de geolagen Li, Kd en Bc en komt overeen met wat onderaan natuurlijke bodemprofielen wordt gevonden. Voor veen is die labiele C pool heel wat groter. Met het activeren van de biologische activiteit na berging en vegetatieontwikkeling zullen deze HWC waarden dus moeten opgetrokken worden tot de HWC waarden van de huidige bosbodems. Het totale N‐gehalte is zoals te verwachten heel laag in deze geolagen, met uitzondering van het veen dat toch nog 1,9 % N bevat. De C:N ratio is gemiddeld hoog bij Li en Kd, maar laag bij Bc, Bm en Veen. Bij Li en Kd is er dus een relatief tekort aan N voor de mineralisatie. Het veen daarentegen zal snel afbreken wanneer oppervlakkig aangebracht en blootgesteld aan microbiële afbraak. Het laagste totaal P gehalte komt voor in de Boomse klei. Hoge K gehalten worden aangetroffen in Bc en Kd geolagen. Li en Kd bevatten het hoogste totale Ca gehalte. Het magnesium gehalte is opvallend veel lager dan het Ca gehalte, maar is het hoogst in de Bc en Bm geolagen. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 67 van 211


Tabel 3.18. Gehalten aan macro‐elementen in de tertiaire geolagen van Geotechniek.

Variabele

Statistiek

Li

Kd

Bc

Bm

Veen

Aantal Obs

N

4

13

6

4

2

P (mg/kg)

Gemiddelde

526

435

673

245

656

Stdev

120

49

179

50,5

156

Min‐Max

408‐649

381‐555

408‐890

192‐299

546‐767

Gemiddelde

6412

11047

28841

10602

3821

Stdev

1265

2658

8871

164

2176

Min‐Max

4717‐7463

8273‐17921

91237

34892

12918

6165

21971

Stdev

33043

9142

6519

4101

4092

Min‐Max

58638‐136525

27311‐57423

8801‐25641

3075‐12194

19078‐24865

4522

4524

9261

9187

5401

Stdev

110

660

2553

351

578

Min‐Max

4394‐4647

3590‐6231

5462‐12590

8843‐9636

4993‐5810

Gemiddelde

4676

2534

2542

10461

26270

Stdev

2949

503

1549

3169

5193

Min‐Max

1377‐8499

1931‐3984

1441‐5378

7710‐14299

22598‐29942

1040

405

329

440

2614

K (mg/kg)

Ca (mg/kg) Gemiddelde

14353‐39439 10415‐10769

2282‐5360

Mg (mg/kg) Gemiddelde

S (mg/kg)

Na (mg/kg) Gemiddelde

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Al (mg/kg)

Stdev

335

132

44

109

3184

Min‐Max

641‐1430

269‐762

259‐385

341‐579

362‐4865

Gemiddelde

12274

11384

22649

42912

18939

Stdev

3325

1425

6881

2831

13025

Min‐Max

8421‐16206

9224‐14944

33067

35045

69523

33501

35839

Stdev

2807

4902

22280

3226

15740

Min‐Max

29812‐35988

Fe (mg/kg) Gemiddelde

Mn (mg/kg) Gemiddelde

12802‐31762 39692‐46534

9730‐28149

28067‐46466 35225‐95197 29961‐37658 24709‐46969

204

83,3

35,4

91,0

368,9

Stdev

100,3

9,9

3,3

5,2

109,8

Min‐Max

107‐341

67,2‐106

32,6‐41,1

85,2‐95,9

291‐447

Het zwavelgehalte is zeer hoog in de Boomse klei (gemiddeld 1%) en superhoog in het veen (~2,6%). Beide zijn dus potentiële sulfaatbronnen, in tegenstelling tot de andere geolagen. In de Boomse klei werd in het Lid van Putte veel meer S aangetroffen dan in het eronder gelegen lid van Terhagen. De hoogste Na gehalten worden aangetroffen in Fm van Lillo en in de veenstalen. In Kd, Bc en Bm worden dezelfde Na‐gehalten aangetroffen als in standaard bosbodems. Om de chemische bodemkwaliteit inzake zware metalen te beoordelen wordt dezelfde toetsing gedaan op basis van VLAREBO normen voor BSNI en BSNIV. De evaluatietabel is opgenomen in Bijlage A4. We komen bij deze toetsing tot volgende conclusies:    

Voor Arseen wordt de BSNI enkel overschreden bij één van de twee veenstalen die een concentratie van 212 µg/g As bevat. Alle andere geostalen hebben een gehalte lager dan de richtwaarde. Voor Cadmium liggen alle geolagen onder de richtwaarde en wordt dus nergens de BSNI overschreden Voor Chroom wordt de BSNI voor 4 stalen overschreden, alle 4 van de formatie van Berchem. De richtwaarde wordt bijkomend overschreden voor Boomse klei van het Lid van Putte. Het metaal Koper situeert zich voor alle geostalen ver onder de streefwaarde en vormt dus geen enkel probleem

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 69 van 211


  

Ook het metaal Lood situeert zich voor alle geostalen ver onder de streefwaarde en vormt dus geen enkel probleem Ook het metaal Nikkel situeert zich voor alle geostalen ver onder de streefwaarde en vormt dus geen enkel probleem Ook het metaal Zink situeert zich voor alle geostalen ver onder de streefwaarde en vormt dus geen enkel probleem

Het zwaar metaal Se komt overal onder de bepaalbaarheidsgrens voor (<1 µg/g). Kobalt (Co) komt iets verhoogd voor in Boomse klei (10‐12,8 µg/g) tegenover de andere geolagen die allemaal minder dan 8 µg/g Co vertonen. Dus enig aandachtspunt wat betreft zware metalen in de geolagen die onderzocht werden (stalen Geotechniek) is er voor de zware metalen As en Cr: Arseen in de veensubstraten en Cr vooral in de lagen uit de Fm van Berchem. Zoals in figuur 27 aangegeven overstijgt de concentratie de bodemsaneringsnorm (BSNI) voor trivalent Cr. Met uitzondering van Boomse klei blijven de stalen uit alle andere formaties onder de richtwaarde.

Figuur 27. Boxplot met Cr‐gehalten van de geolagen geschikt per formatie.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.2.3. Strooiselkwaliteit In een bosecosysteem is het strooisel een goede toestandsindicator. Het strooiseltype (mull, moder, mor) geeft de snelheid van mineralisatie weer en dus de turnover van nutriënten. De chemische samenstelling van het strooisel vertelt iets over de hoeveelheid nutriënten die erin opgeslagen liggen én is een graadmeter voor verontreiniging, in het bijzonder voor zware metalen (De Vos et al. 1997, 2006). Tabel 3.19 geeft de chemische samenstelling aan macro‐elementen in de strooisellaag, alsook de C:N en C:P ratio’s. De meeste strooiselmonsters zijn hoofdzakelijk organisch, terwijl deze met LOI550 < 500 g/kg een behoorlijk aandeel minerale deeltjes bevatten. De C‐gehalten worden verder gebruikt voor de schatting van de C‐stock aanwezig in het strooiselcompartiment. De koolstof‐stikstof verhoudingen liggen in een normale range (20‐30), hoe lager, hoe sneller het strooisel zal mineraliseren (‘verteren’). De meeste macro‐elementen liggen binnen de normale, te verwachten range zoals aangegeven door de mediaan en P99‐referentiewaarden voor Vlaamse bossen. Opmerkelijk echter is het S‐gehalte van strooisel op site FF‐P4, gecombineerd met een zeer hoog Fe gehalte. De combinatie wijst op de aanwezigheid van oxidatieproducten van pyriet, die in Boomse klei voorkomt. Tabel 3.19. Macro‐elementen in de onderzochte strooisellagen en hun C:N en C:P verhoudingen. Mediaanwaarden en 99e percentiel (P99) waarden voor strooisellagen in Vlaanderen worden meegegeven ter referentie.

Nr

SID

DS

LOI550

C

N

P

K

Ca

Mg

Na

S

Fe

Al

Mn

C:N

g/kg

g/kg

g/kg

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

1

BB01

921,4

820

477

14,8

1136

2180

20495

2163

165

1628

2720

1415

628

32,3

419,5

2

BB02

950,7

450

357

12,8

1138

2064

15586

1904

169

1255

12036

3638

182

27,8

313,9

3

BB03A

949

479

417

15,9

1076

3317

19086

1667

177

1361

3622

2391

87

26,2

388,1

4

BB03B

946,2

484

400

16,4

1162

3749

18848

1722

200

1476

4604

3217

81

24,3

344,1

5

BB04

944,2

610

420

14,4

816

1955

14512

1348

82

1382

4400

1629

126

29,1

514,3

6

BB06

924,7

701

478

15,4

1299

1717

25406

1785

138

2088

3894

2002

613

31,1

368,3

7

BB07

925,9

742

454

15,3

1524

2752

25403

2225

144

2032

7476

4038

523

29,7

297,7

8

BB08

972,6

210

165

8,8

856

2503

12634

1948

76

1089

10905

5376

214

18,8

192,8

9

BB09

936,8

578

418

13,7

1066

2620

24470

2231

242

1673

5311

3253

177

30,5

391,8

10

BB10

948,1

415

386

19,1

1225

2830

22812

1983

100

2255

7256

2441

397

20,2

314,9

C:P

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 71 van 211


11

BB11

961,6

361

380

12,8

860

2290

14396

1528

109

1114

6513

2160

209

29,6

442,3

12

BB15A

942

636

450

13,8

1143

2981

9096

1601

248

1244

3322

1410

851

32,7

394,1

13

BB15B

967,2

339

227

9,4

691

1587

6576

1245

93

1007

4780

1791

940

24,2

328,0

14

BB16A

947

522

386

17,3

1182

2496

13272

1787

173

1807

6851

5212

203

22,3

326,5

15

BB16B

949,3

485

335

16,4

1088

2615

14308

2020

152

1751

8353

5895

196

20,4

308,4

16

BB17

937

556

410

12,6

1061

1597

24251

1258

122

1481

27572

1603

2843

32,5

386,3

17

BB18

958

341

300

12,2

796

2451

12405

1263

93

1151

5584

4087

105

24,6

377,0

18

FF_P1

900,6

839

487

NA

1214

1859

25929

2158

99

1481

3166

2971

100

NA

401,3

19

FF_P2

933,9

521

302

NA

931

2490

17037

1862

77

1239

7137

2041

134

NA

324,5

20

FF_P3

919,5

787

457

NA

985

1708

18023

1305

102

1330

1908

929

159

NA

464,0

21

FF_P4

897,4

790

458

NA

1549

2652

25320

1981

137

11425

11004

6322

263

NA

295,6

medVla

706

14,5

716

1038

3888

675

143

1740

4165

2362

260

P99Vla

936

2,24

2809

6626

32560

3147

453

4209

49593

12528

2280

De resultaten van de strooiselanalyse en evaluatie van de strooisellagen voor 6 zware metalen volgens Vlaams toetsingskader (zie sectie 2.2.2) zijn weergegeven in Tabel 3.20. Voor de metalen As, Co en Se zijn er geen evaluatiegrenzen voor strooisellagen bekend. De metalen Pb en Cr liggen voor alle onderzochte locaties in het achtergrondbereik (groene zone). Nikkel is enkel (licht) aangerijkt (in geel) op locatie BB16. Koperaanrijking komt voor op BB1, 2, 3, 7, 10 en FF_P1 en FF_P4 en komt in de verontreinigde range op locatie BB16, maar dat is buiten de studiezone (referentiegebied). De meeste overschrijding is er voor Zn met aanrijking op quasi alle locaties (deelstaal op BB3 is uitzondering) en verontreinigingen (oranje kleurcode) op de sites BB1, 6, 7, 10, 11, 17 en FF_P1, P3 en P4. Nergens wordt echter de kritische concentratie van 480 µg/g overschreden. Voor Cd is dat wel het geval op site BB01 (Figuur 17) die ook buiten een stortzone maar binnen het projectgebied valt (ZW zone nabij Bosstraat). Cd komt verder ook op de meeste sites in aangerijkte concentraties voor en op site FF_P1 in de verontreinigde range. Opvallend is een relatief hoge waarde voor Cobalt (Co) op locatie BB17. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Tabel 3.20. Resultaten en evaluatie van verontreinigingsgraad van de strooiselstalen (n=21 stalen).

Nr SITE

SID

Cu

Cr

Pb

Ni

Zn

Cd

As

Co

Se

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

µg/g

1

BB01

BB01

20,9

4,7

17,0

7,3

436

4,34

<1,5

2,43

<1,5

2

BB02

BB02

20,3

8,9

59,2

6,4

262

1,20

5,39

2,43

<1,5

3

BB03

BB03A

19,0

7,3

34,6

3,7

119

0,86

3

1,08

<1,5

4

BB03

BB03B

16,7

8,9

37,6

4,5

88

0,82

3,47

1,53

<1,5

5

BB04

BB04

12,8

7,7

10,9

2,4

177

0,60

<1,5

1,09

<1,5

6

BB06

BB06

16,8

6,3

10,3

17,2

308

0,94

<1,5

3,10

<1,5

7

BB07

BB07

18,8

10,1

11,7

16,3

406

1,46

3,67

4,37

<1,5

8

BB08

BB08

9,9

15,1

8,3

6,7

146

0,66

5,31

3,35

<1,5

9

BB09

BB09

13,0

9,2

5,5

5,1

226

0,74

2,82

2,24

<1,5

10

BB10

BB10

18,0

9,3

15,8

3,5

382

1,44

2,06

2,62

<1,5

11

BB11

BB11

14,3

10,5

13,0

3,2

336

1,31

2,03

1,59

<1,5

12

BB15

BB15A* 14,6

5,7

12,7

4,8

233

0,78

<1,5

1,36

<1,5

13

BB15

BB15B

12,7

7,5

13,9

4,7

197

0,77

2,46

1,55

<1,5

14

BB16

BB16A

40,2

11,0

30,4

12,7

215

1,40

5,08

4,40

<1,5

15

BB16

BB16B

47,1

12,0

42,3

12,7

209

1,74

5,61

4,79

<1,5

16

BB17

BB17

15,6

6,1

13,6

23,2

346

1,30

3,14 10,60 <1,5

17

BB18

BB18

16,1

10,3

24,4

5,4

214

1,10

2,71

2,09

<1,5

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 73 van 211


18 FF_P1

FF_P1

19,5

12,8

10,5

7,6

419

3,87

<1,5

1,55

<1,5

19 FF_P2

FF_P2

12,6

18,8

8,1

8,8

227

1,80

<1,5

1,89

<1,5

20 FF_P3

FF_P3

14,7

15,5

10,1

9,7

299

1,57

<1,5

1,42

<1,5

21 FF_P4

FF_P4

30,1

17,7

18,3

18,5

458

2,38

2,39

4,95

<1,5

Stalen A en B zijn replicates van zelfde veldstaal, met uitzondering van BB15A dat hoofdzakelijk bestaat uit mos terwijl BB15B uit de onderliggende strooisellaag (LFH) bestaat.

De hoogste strooisel‐contaminatieindex (SMCI) van 0.33 is voor site BB01, terwijl over alle sites de SMCI gemiddeld 0.16 is. Dit betekent dat op basis van de strooisellaag de bosecosystemen slechts in beperkte mate verontreinigd zijn. Zn is ecotoxicologisch gezien niet zo een problematisch metaal, Cd en Cu daarentegen kunnen meer ecosysteemschade aanbrengen.

3.2.4. Dendrometrie en vegetatie Het bos in het projectgebied heeft vele kenmerken van een jong, spontaan ontstaan pionierbos met een leeftijd van hooguit enkele decennia. De dendrometrische variabelen wijzen in die richting: het stamtal is hoog (1261 bomen per ha), maar het grondvlak (11,7 m²/ha) en de bovengrondse voorraad (77,4 m³/ha) zijn laag (Tabel 3.21). De aanwezige bomen hebben overwegend kleine dimensies: in de proefvlakken werd zelden een gemiddelde diameter van meer dan 20 cm gemeten. De smalbladige wilgen (wellicht vooral Salix alba), die relatief snel groeien, hebben de grootste dimensies. De hoogte van de dominante bomen bedraagt zelden meer dan 18 m. De gemiddelde voorraad van het bos (77,4 m³/ha) is aanzienlijk lager dan het Vlaamse gemiddelde (274 m³/ha), dat op basis van de tweede bosinventarisatie werd gemeten (Govaere 2020). De 13 proefvlakken in het projectgebied vertonen echter een aanzienlijke variabiliteit, met een bovengrondse voorraad die varieert tussen 28,1 m3/ha en 168,7 m3/ha. Dit resulteert in een hoge standaarddeviatie van 44,8 m3/ha op de gemiddelde houtvoorraad. Pionierboomsoorten, met name wilgen en berken, zijn dominant in wisselende verhoudingen. Globaal nemen berken en smalbladige wilgen samen ruim 60% van het stamtal, en ruim 80% van het grondvlak en het volume voor hun rekening (figuur 29, tabel 3.21). Opgaande smalbladige wilgen, vooral schietwilgen (Salix alba), domineren in de lager gelegen delen van het projectgebied (bvb BB09, BB10). De breedbladige wilgen zijn vooral boswilgen (Salix caprea), die deel uitmaken van de onderetage. Berken hebben de overhand op de drogere standplaatsen (bvb BB11) en daar gaat het vooral om ruwe berk (Betula pendula). Op vochtige tot natte standplaatsen, vaak in menging met smalbladige wilgen, vinden we eveneens berken met kenmerken van zachte berk (Betula pubescens) (zie bvb BB01). Lokaal komen onder de berken Cladonia korstmossen voor (Foto 3.22). Naast berken en wilgen vinden we in het projectgebied frequent zomereik, gewone esdoorn, hazelaar, rode kornoelje, gewone vlier, es, Spaanse aak en hartbladige els, een mediterrane soort. Spaanse aak en wellicht ook hartbladige els zijn op en naast het asbeststort aan de westkant van het studiegebied aangeplant, tegen de steilrand die wordt begrensd door de Bosstraat ‐ Nachtegaalstraat. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Figuur 28. Berkenbestand met Cladonia sp.

De overige soorten vestigden zich spontaan in het gebied, vermoedelijk ook vanuit de omgevende tuinen, beplantingen en bossen. Hierbij occasioneel ook exoten, zoals Amerikaanse vogelkers, vlinderstruik, en haagliguster.

Figuur 29. Aandelen van de belangrijkste boom‐ en struiksoorten in het stamtal, grondvlak en levend volume in het studiegebied, op basis van 13 proefvlakken (ligging: zie Figuur 17). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 75 van 211


Tabel 3.21. Stamtal, grondvlak en volume van de boom‐ en struiksoorten in de 13 proefvlakken van het projectgebied. de Ligging van de proefvlakken wordt weergegeven in Figuur 17.

Soort

Species

Stamtal Grondvlak Volume

zomereik

Quercus robur

70

0,1

3,2

gewone esdoorn

Acer pseudoplatanus

36

0,0

0,1

Spaanse aak

Acer campestre

39

0,2

0,5

es

Fraxinus excelsior

15

0,1

0,7

wilde lijsterbes

Sorbus aucuparia

3

<0,1

0,5

vlinderstruik

Buddleja davidii

3

<0,1

<0,1

gewone vlier

Sambucus nigra

15

<0,1

<0,1

haagliguster

Ligustrum ovalifolium

3

<0,1

<0,1

hartbladige els

Alnus cordata

12

0,5

4,4

hazelaar

Corylus avellana

36

0,1

0,1

berk

Betula spp.

426

4,2

25,5

ratelpopulier

Populus tremula

3

<0,1

<0,1

smalbladige wilg

Salix alba group

342

5,3

39,5

breedbladige wilg

Salix caprea group

100

0,9

1,8

grauwe abeel

Populus canescens

3

0,1

0,4

kers

Prunus spp.

36

<0,1

<0,1

(1/ha)

(m2/ha) (m3/ha)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Amerikaanse vogelkers Prunus serotina

9

<0,1

<0,1

eenstijlige meidoorn

Crataegus monogyna

15

<0,1

<0,1

rode kornoelje

Cornus sanguinea

94

0,2

0,6

totaal

1261

11,7

77,4

Het aandeel dood hout is sterk variabel en bedraagt in de meeste proefvlakken ongeveer 5 à 10% van de levende voorraad en is voornamelijk afkomstig van een natuurlijke stamtalreductie. Dit proces treedt op door competitie tussen de talrijke jonge bomen die op korte tijd het open terrein hebben gekoloniseerd, en die samen doorgroeien. Het dood hout heeft daardoor ook kleine dimensies, omdat vooral kleine, onderdrukte bomen afsterven. Lokaal is de sterfte groter (>15% dood hout), bijvoorbeeld in proefvlak BB10 dat zich op het huisvuilstort centraal in het projectgebied situeert. De smalbladige wilgen in dit proefvlak vormen luchtwortels aan de stambasis, wat wijst op een wisselende waterstand. De hoge sterfte bij de wilgen wordt hier dus wellicht gedeeltelijk verklaard door de opeenvolging van natte periodes en tijdelijk sterke uitdroging van de standplaats, in de voorbije jaren. Ook de kruid‐ en moslagen in de proefvlakken van het projectgebied, wijzen in de richting van een recent ontstaan bos. De meest frequente soorten, met name bramen, grote brandnetel, gewoon dikkopmos en kleefkruid, zijn indicatoren voor verstoring en vestigen zich snel in nieuw ontstane bossen op voedselrijke bodem. Lokaal nemen mossen een grote bedekking in, bij voorbeeld in proefvlak BB01 waar veel resten van pannen in de bodem te vinden zijn. Bosplanten met goede verbreidingsmogelijkheden, zoals dagkoekoeksbloem en robertskruid, zijn plaatselijk al aanwezig het projectgebied, maar oudbossoorten werden niet gevonden in de proefvlakken (Tabel 3.22). De meest natte proefvlakken (BB04, BB06, BB07) zijn weinig geschikt voor verstoringsindicatoren, zoals bramen en grote brandnetel, en ontwikkelen zich tot broekbos. Naast de karakteristieke facies vormende zeggensoorten (vooral moeraszegge) is geoord helmkruid opvallend frequent aanwezig en lokaal werd ook hoge cyperzegge gevonden. In de moerassige zones ten zuiden en ten noorden van het projectgebied, aan het ontginningsfront van de Boomse klei, is ook reuzenpaardestaart aanwezig. Deze soort wijst op een sterke kweldruk en is wellicht weinig gevoelig voor de hoge sulfaatgehaltes van het uittredende grondwater. Tabel 3.22. Overzicht van plantensoorten aangetroffen in de 13 bezochte proefvlakken

Soort

Species

Proefvlakken Bedekking (%)

braam

Rubus fruticosus aggl.

11

28

grote brandnetel

Urtica dioica

7

8

gewoon dikkopmos

Brachythecium rutabulum 5

13

kleefkruid

Galium aparine

5

1

moeraszegge

Carex acutiformis

4

39

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 77 van 211


pitrus

Juncus effusus

4

1

fijn laddermos

Eurhynchium praelongum 3

12

hop

Humulus lupulus

3

2

ijle zegge

Carex remota

3

3

mannetjesvaren

Dryopteris filix‐mas

3

1

riet

Phragmites australis

3

14

brede stekelvaren

Dryopteris dilatata

2

7

Canadese fijnstraal

Conyza canadensis

2

2

gewoon struisriet

Calamagrostis epigejos

2

2

geoord helmkruid

Scrophularia auriculata

2

1

gewone smeerwortel

Symphytum officinale

2

1

hondsdraf

Glechoma hederacea

2

7

akkerdistel

Cirsium arvense

1

1

bijvoet

Artemisia vulgaris

1

1

dagkoekoeksbloem

Silene dioica

1

2

wilgenroosje

Epilobium angustifolium

1

1

harig wilgenroosje

Epilobium hirsutum

1

2

hoge cyperzegge

Carex pseudocyperus

1

1

Japanse duizendknoop Fallopia japonica

1

40

kale jonker

Cirsium palustre

1

1

klimop

Hedera helix

1

1

kruipende boterbloem Ranunculus repens

1

1

pinksterbloem

Cardamine pratensis

1

1

robertskruid

Geranium robertianum

1

1

smalle weegbree

Plantago lanceolata

1

1

vergeet‐me‐nietje

Myosotis spp.

1

13

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


wijfjesvaren

Athyrium filix‐femina

1

1

wilgenroosje

Epilobium spp.

1

1

zevenblad

Aegopodium podagraria

1

1

Recent werden door Bram Verschoren (DVW) in het projectgebied nieuwe groeiplaatsen van invasieve duizendknoop gevonden, die talrijk opslaat langs de tijdelijke afdeklaag van het asbeststort (foto 3.24) en de afsluiting die rond deze zone is aangebracht (foto 3.25). Wellicht zijn wortelstokken van deze soort bij de werken aangevoerd.

Figuur 30. Opslag van invasieve duizendknoop langs de tijdelijke afdichting van het asbeststort (foto Bram Verschoren, DVW)

Figuur 31. Opslag van invasieve duizendknoop langs de omheining rond het asbeststort (foto Bram Verschoren, DVW)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 79 van 211


3.2.5. Waterkwaliteit 3.2.5.1 Algemene situering In het studiegebied zijn 11 watervlakken aanwezig (Watervlakken 1.0; Packet et al. 2018) met een totale oppervlakte van 4,04 ha (Figuur 32). Op basis van de waterstand en de aanwezige vegetatie is na een eenmalig veldbezoek (18/02/2020) uitgemaakt dat 3 plassen (RUMBOO0004, ‐0006, ‐0010) eerder een periodiek karakter vertonen en doorgaans enkel in het winterhalfjaar water zullen bevatten. Ze hebben een eerder moerassig karakter en de oppervlakte open water is zeer beperkt. In de moerasvegetatie zijn eveneens niet‐freatofyten aanwezig. De gezamenlijke oppervlakte van deze periodieke plassen bedraagt 1,33 ha. De oppervlakte aan permanent stilstaand water in het studiegebied bedraagt aldus 2,71 ha. Negen plassen werden bij het veldbezoek bemonsterd voor fysisch‐chemische analyse van de waterkwaliteit (Figuur 32, rechts). Tevens is het algemene aspect van de vegetatie nagegaan. Gezien het tijdstip en het feit dat van de diepere plassen enkel de oevernabije zone (tot ca. 3‐4 m diep) door harken kon worden onderzocht, moet er van uitgegaan worden dat de vegetatie beschrijving onvolledig is. Bijlage G geeft foto’s van de bemonsterde vijvers. Er werden geen afwateringsgrachten bemonsterd.

Figuur 32. Overzicht van de plassen in het studiegebied (rood) volgens Watervlakken 1.0 (links) en situering van de staalnamepunten voor oppervlaktewater op 18/02/2020 (rechts).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.2.5.2 Beschrijving van de plassen en staalnamepunten ANTBOO0065 Deze plas is 3.800 m2 groot, geïsoleerd en voornamelijk begroeid met riet (Phragmites australis); plaatselijk zijn grote lisdodde (Typha latifolia) of moeraszegge (Carex acutiformis) dominant. Verder is er tussen de helofytenvegetatie wat dwergkroos (Lemna minuta) aanwezig. Er werden geen ondergedoken groeiende waterplanten aangetroffen. Deze vegetaties bedekken ongeveer 85%. Ongeveer 25% is open water, verdeeld in gescheiden zones. De plas bevindt zich aan de voet van een asbeststort. Bodem en planten (riet) in de kleinere delen open water aan de noordwestzijde zijn bedekt een witgrijs sediment (zie Foto 3.27), wellicht geprecipiteerde sulfaten. Daaronder vindt men een gereduceerd, slap sapropel. Het water is er zeer helder en maximaal 0,75 m diep (ANTBOO0065A). Een tweede monster, ANTBOO0065B, is genomen in het grootste openwatergedeelte aan de zuidwestzijde van de plas. Het troebele water vertoont hier een lichte bruinkleuring en is maximaal 0,45 meter diep. Van een bleekgekleurde neerslag hier geen spoor.

Figuur 33. Aspect van ANTBOO0065.

ANTRUM0007 Deze kleine, driehoekige plas (ca. 240 m2) is gelegen aan de kruising van twee bermen. Het poeltje wordt sterk beschaduwd door overhangende bomen (75%). Het is hooguit 0,47 m diep. De bodem bestaat voornamelijk uit deels vergane bladeren. Het water is troebel (geen bodemzicht, Secchi‐diepte 0,27 m) wellicht als resultaat van een algenbloei. Er was nauwelijks enige vegetatie aanwezig, op enkele plantjes dwergkroos na. ANTRUM0007 werd in het midden van het plasje genomen. ANTRUM0010 Deze plas heeft een eerder periodiek karakter. In het diepste deel van de moerassige depressie stond ca. 0,25 m zeer helder (bodemzicht) water. 90% van de depressie is begroeid door riet en verschillende ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 81 van 211


soorten wilgen (Salix sp.), met daar tussen watermunt (Mentha aquatica) en grote brandnetel (Urtica dioica). Er werd bruine kikker (Rana temporaria) gevonden. ANTRUM0047 Deze plas is de meest noordelijke van het vijvercomplex in het oostelijke deel van het studiegebied. Ze is 2.430 m2 groot. Ze ontvangt ijzerrijk kwelwater uit hoger gelegen terrein vanuit het noorden. De diepte van de plas wordt tussen de 1,5 en 2 m geschat. De zuidelijke oever is steil maar oogt vrij natuurlijk, de noordelijke oever is grillig, met ondiepere delen begroeid door helofyten, voornamelijk riet. Vrij opmerkelijk is de aanwezigheid van grote boterbloem (Ranunculus lingua); deze is plaatselijk dominant en wellicht geïntroduceerd. Langs de oostelijke oever is zeer veel stortmateriaal, vooral piepschuim, aanwezig, in die mate dat de bodem veert bij betreding. Het water is vrij helder en bezaaid met brokken piepschuim. Twee echte waterplanten zijn frequent: aarvederkruid (Myriophyllum spicatum) en grof hoornblad (Ceratophyllum demersum). Bij hoge waterstand staat de plas in verbinding met ANTRUM0026 via een buis door de dijk die beide plassen scheidt. Deze plas lijkt weinig of niet te worden bevist. ANTRUM0026 Deze plas is met 12.390 m2 de grootste in het studiegebied. Een maximale diepte was moeilijk vanaf de oever vast te stellen; ze bedraagt minstens 1,7 m. Het water is helder en in tegenstelling tot ANTRUM0047 zijn hier langs de oever slechts plaatselijk wat helofyten (grote lisdodde) aanwezig. In het water is grof hoornblad frequent, draadwieren en watermunt slechts occasioneel. Ook hier werden enkele fragmenten van grote boterbloem aangetroffen. Er werden karpers en zonnebaars opgemerkt. De oevers zijn vrij natuurlijk en heeft er alle schijn van dat op deze plas weinig intensief wordt gevist. De plas ontvangt via buizen water van zowel de noordelijk (ANTRUM0047), als de zuidelijk gelegen plas (ANTRUM0048); het is wellicht de diepst gelegen plas van al deze visvijvers. ANTRUM0048 Deze vijver van 5.990 m2 wordt intensief gebruikt als visvijver. De oevers zijn verstevigd en intensief onderhouden. In de vijver zijn twee beluchters aanwezig. Er werden redelijk wat karpers waargenomen. Het water is zeer troebel, groenig door fytoplanktonbloei en zonder waterplanten. Het doorzicht was tot 0,5 meter beperkt. De diepte bedraagt minstens 2,2 m. ANTRUM0041 Deze plas is 1650 m2 groot en wordt grotendeels door helofyten bedekt. Riet bedekt ongeveer 60 % van de oppervlakte. Plaatselijk is grote lisdodde dominant. Grote delen van de oevers, uitgezonderd de noordelijke oever, worden gedomineerd door bomen en struiken. Het water is ondiep (0,5 meter), is licht troebel maar er werd bodemzicht vastgesteld. Er is op de bodem veel organisch materiaal aanwezig (0,2 meter) en er werden geen waterplanten gevonden. Er werden kleine watersalamanders (Lissotriton vulgaris) vastgesteld. ANTRUM0171 De kleinste plas (210 m2) van het studiegebied is grotendeels verland. Dit plas ontvangt opvallend veel ijzerrijk grondwater dat wordt afgeleid naar de plas ANTRUM0048. Het bevat nog een waterkolom van 0,22 meter en er is een organisch pakket aanwezig van ongeveer 0,80 meter dik. Het vijvertje werd recent vrijgesteld en de vegetatie bestond voornamelijk uit wilg, riet, gele lis (Iris pseudacorus), grote egelskop (Sparganium erectum) en moeraszegge. In het ondiepe water werd dwergkroos vastgesteld. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


ANTRUM0159 Deze kleine plas van 360 m2 ligt aan de voet van een hoog talud naar een open, zanderig terrein. Ze is sterk beschaduwd (75%) door bomen op de oever. In de poel is dan ook veel organisch materiaal aanwezig (incl. veel dood hout). Het water is ondiep (0,35 m) en helder (bodemzicht). Plaatselijk zijn er matten van gewoon puntmos (Calliergonella cuspidatum), daarnaast ook verschillende exemplaren blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus). 3.2.5.3. Analyseresultaten De eenmalige bepalingen van 18/2/2000 geven hooguit de grootste verschillen tussen de verschillende plassen weer. In onderstaande zal de nadruk dan ook hier op liggen. De resultaten zijn bovendien enkel relevant voor dit tijdstip van het jaar, waarin sprake is van sterkere verdunning, lagere temperatuur en minder biologische activiteit. De monsters van ANTBOO0065 onderscheiden zich door een extreem hoge pH en hogere concentraties carbonaat, hydroxide, kalium, natrium, aluminium, maar merkelijk minder sulfaat en magnesium, dan alle overige (Tabel 3.23). Monster A heeft een hoger ionengehalte (hoger dan alle overige monsters) en bevat aanzienlijk meer calcium, nitriet en ammonium en minder sulfaat dan monster B; vermoedelijk slaat hier calciumsulfaat neer (cf. beschrijving). De zuurstofconcentraties zijn in beide gevallen zeer laag (uittredend grondwater, verbruik door afbraak > productie door fytoplankton). Het nikkelgehalte stijgt enkel hier boven de bepalingsdrempel uit. Uitloging van het aanpalende stort is evident. De overige monsters hebben alle een alkalische, circumneutrale (ANTRUM0007, ANTRUM0010), of zelfs zwak‐zure (ANTRUM0171) pH, hoge tot zeer hoge bicarbonaatgehalten en hoge sulfaat‐, calcium‐ en magnesium‐concentraties, waarvan de oorsprong bij de aanwezigheid van gips, cement en asbest gezocht kan worden. Tussen deze monsters kunnen nog volgende verschillen genoteerd worden: een sterk verhoogde fosforconcentratie bij ANTRUM0007 en ANTRUM0010, een hoog gehalte natrium en minerale stikstof (hoofdzakelijk nitraat en ammonium) bij ANTRUM0159 (huisvuil), een zeer hoog ijzergehalte bij ANTRUM0171, zuurstofdeficiëntie bij ANTRUM0010 en ANTRUM0171 (oxidatie ijzer) en betrekkelijk veel fotosynthetisch pigment (chlorofyl en faeofytine als afbraakproduct hiervan) bij ANTRUM0007 en ANTRUM0171. Van arseen, cadmium, cobalt, chroom, koper, lood en selenium zijn nergens bepaalbare concentraties gemeten; bij ANTRUM0007, ANTRUM0010 en vooral ANTRUM0159 wordt zink‐verontreiniging vastgesteld. Tabel 3.23. Resultaten fysisch‐chemische oppervlaktewaterkwaliteit van plassen in het studiegebied; 18‐2‐2020 (zie Figuur 32; laboratorium INBO). Ter indicatie zijn waarden die afwijken van de BVR‐norm voor een ondiep ionenrijk, alkalisch stilstaand oppervlaktewater onderstreept; let wel, deze normen gelden niet voor eenmalige bepalingen. Voor stilstaand oppervlaktewater sterk aberrante waarden, die in belangrijke mate of louter aan de aanwezigheid van gestort materiaal te wijten zijn, staan in vet (ook overige waarden kunnen hierdoor beïnvloed zijn, maar in dit geval is dit oorzakelijk minder eenduidig). variabele en eenheid

ANTBOO ANTBOO ANTRUM ANTRUM ANTRUM ANTRUM ANTRUM ANTRUM ANTRUM ANTRUM 0065A 0065B 0007 0010 0047 0026 0048 0041 0171 0159

temperatuur (°C)

8,5

6,6

7,1

7,6

8

8,1

7,6

7,4

9,5

7,8

pH

12,7

11,9

7,1

7,3

7,8

8,2

7,9

7,8

6,4

7,8

EC25 (µS/cm)

3370

1064

1589

1692

2180

1368

1329

1483

2070

2220

zuurstof (mg/L)

1,7

4,84

11,28

2,15

9,82

11,4

10,37

10,75

2,77

8,35

zuurstofverzadiging (%)

14,5

39,0

92,3

17,8

82,4

95,2

85,9

88,9

24,1

69,9

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 83 van 211


saliniteit (g/kg)

1,7

0,5

0,7

0,8

1,0

0,6

0,6

0,7

1,0

1,1

carbonaat (mg/L)

43,44

68,88

<1,20

<1,20

<1,20

<1,20

<1,20

<1,20

<1,20

<1,20

bicarbonaat (mg/L)

<1,22

<1,22

222,22

224,18

208,97

163,58

223,28

486,23

326,25

921,77

hydroxide (mg/L)

221,98

25,78

<0,36

<0,36

<0,36

<0,36

<0,36

<0,36

<0,36

<0,36

chlorofyl a (µg/l)

<5

<5

52

<5

<5

<5

39

24

49

<5

faeofytine (µg/l)

<5

<5

133

<5

5

6

60

46

138

7

zwevende stof (150°C; g/L)

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

0,071

<0,025

zwevende stof (550°C; g/L)

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

0,048

<0,025

niet‐purgeerbare organische koolstof (mg/L)

19,4

23,4

24,1

14,68

8,21

9,29

12,64

15,73

12,81

26,94

absorptie 440 nm (m )

0,011

0,0161

0,0207

0,0181

0,0082

0,0087

0,012

0,0182

0,0881

0,0243

totaalstikstof (mg/L)

7,32

4

1,66

7,02

0,59

0,9

2,58

1,39

1,84

22,17

ammonium (mg/L)

8,01

3,77

<0,05

0,23

<0,05

<0,05

0,28

<0,05

0,88

17,41

nitriet (mg/L)

4,39

1,08

<0,05

0,39

<0,05

<0,05

0,08

<0,05

<0,05

0,92

nitraat (mg/L)

0,4

0,23

0,35

21,89

0,14

0,6

4,42

0,11

<0,1

26,15

fosfaat (mg/L)

<0,1

<0,1

<0,1

1,05

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

<0,1

totaalfosfor (mg/L)

0,026

0,066

0,336

0,401

0,030

0,031

0,048

0,149

0,037

0,031

fosfor_ICP (mg/L)

<0,24

<0,24

<0,24

<0,24

<0,24

<0,24

<0,24

<0,24

0,3061

<0,24

chloride (mg/L)

59,36

67,59

62,33

41,44

30,52

57,89

58,77

60,62

55,03

83,55

sulfaat (mg/L)

45,3

112,16

638,29

747,23

1140,45 554,42

475,73

377,5

910,72

442,15

zwavel_ICP (mg/L)

17,149

36,3

192,35

225,69

297,87

173,62

143,98

121,34

280,51

138,08

calcium (mg/L)

204,11

19,35

254,99

334,02

317,32

169,2

185,86

228,14

359,62

356,87

calcium_ICP (mg/L)

180

12,4

211,3

282,2

29,8

146,8

159,9

205,4

322,7

310,2

kalium (mg/L)

94,2

84,16

44,43

20,24

22,86

21,53

18,75

26,8

12,91

49,66

kalium_ICP (mg/L)

933,262 770,749 42,738

215,556 244,929 230,261 195,212 270,811 126,265 452,515

natrium (mg/L)

115,92

116,9

36,11

34,42

36,33

53,46

51,62

59,22

48,8

78,75

natrium_ICP (mg/L)

116,99

99,16

32,87

33,89

37,94

47,43

45,35

72,57

45,53

100,06

magnesium (mg/L)

<0,1

<0,1

47,8

36,91

125,62

58,78

44,19

42,78

51,04

58,28

magnesium_ICP (mg/L)

<0,12

0,51

4,178

34,33

116,13

52,82

39,24

40,13

48,85

53,46

aluminium_ICP (mg/L)

15,32

0,65

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

arseen_ICP (mg/L)

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

<0,05

cadmium_ICP (mg/L)

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

<0,002

kobalt_ICP (mg/L)

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

<0,004

chroom_ICP (mg/L)

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

<0,008

koper_ICP (mg/L)

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

<0,012

‐1

ijzer_ICP (mg/L)

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

<0,48

784,64

<0,48

mangaan_ICP (mg/L)

<0,024

<0,024

10,225

0,212

0,084

<0,024

0,371

0,256

36,475

0,434

nikkel_ICP (mg/L)

0,03

0,02

<0,02

<0,02

<0,02

<0,02

<0,02

<0,02

<0,02

<0,02

lood_ICP (mg/L)

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

<0,06

selenium_ICP (mg/L)

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

<0,025

zink_ICP (mg/L)

<0,024

<0,024

0,038

0,076

<0,024

<0,024

<0,024

<0,024

<0,024

0,143

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


3.2.6. Landschap en reliëf Na de sanering wordt in het projectgebied een landschap opgebouwd met behulp van de tertiaire gronden, vooral van de formaties van Lillo en Kattendijk, die beschikbaar komen door de realisatie van de Oosterweelverbinding. De hoogte van dit op te bouwen landschap, varieert van ongeveer 7 m (zuidkant projectgebied) tot meer dan 30 m (hoogste punt oostelijke heuvel) (Figuur 34a). De dikte van de ophoging boven de ondoorlatende afdichtlagen, waarmee de storten worden afgeschermd van het infiltrerende neerslagwater, varieert eveneens sterk (Figuur 34d). De zones die het minst worden opgehoogd na de sanering, zijn de centrale vallei waar zich voorheen de loop van de Potgatbeek situeerde (gemeentegrens Boom ‐ Rumst), het rietmoeras dat ontwikkeld wordt aan de oostkant (de huidige locatie van de visvijver) en de westzijde waar zich het asbeststort situeert (Figuur 34d). Een minimale dikte van de tertiaire zanden bovenop de Boomse klei is hier wel aangewezen, om de ontwikkeling van valleibos en rietmoeras te faciliteren (zie verder onderdeel 4.6.8).

Figuur 34. (a) Hoogte boven TAW (in meter) van het projectgebied na landschapsbouw; witte lijn: projectgebied; rode lijn: perimeter van de afdichtlaag; (b) Hellingenkaart (%) van het projectgebied na landschapsbouw; (c) Dikte boven de afdichtlaag (m) na landschapsbouw; (d) coupe van het 500 m lange transect doorheen het projectgebied, weergegeven door de zwarte lijn in de andere deelfiguren

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 85 van 211


De afdichtlaag helt vanaf het asbeststort aan de westelijke grens van het projectgebied af in de richting van de centrale vallei: aan de Bosstraat situeert de afdichtlaag zich op een hoogte van ongeveer 30 m en aan de zuidkant van de centrale vallei is dat nog slechts op 13 m hoogte (Figuur 34d). De oostelijke heuvel wordt tot 22 m boven de afdichtlaag opgehoogd en de topografie van het maaiveld volgt er min of meer die van de afdichtlaag, met waterscheiding die centraal van noord naar zuid loopt (Figuur 34d). De hellingsgraad van het landschap loopt sterk op aan de noordelijke kop van de vallei en ter hoogte van de zijvalleitjes in westelijke richting. Een ruwe analyse op basis van de GIS data van het ontwerp landschap, wijst op een helling van ongeveer 40% op beide plaatsen (Figuur 34 b). In natuurlijke omstandigheden is de hellingshoek voor bodemstapeling maximaal rond de 40° (83%), afhankelijk van textuur en vochtigheidsgraad van de bodem. Wanneer echter gras of kruiden worden ingezaaid en de helling beheerd dient te worden is een maximum helling van 1:2 (27° of 50%) aanbevolen (DEFRA, 2009). De voorziene hellingen van 40% zijn dus acceptabel.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


4. BEOORDELING EN BESPREKING 4.1. MILIEUKWALITEIT 4.1.1. Actuele milieukwaliteit In deze studie hebben we vooral de bodem‐ en de waterkwaliteit beschouwd binnen het projectgebied. Luchtkwaliteit is buiten beschouwing gelaten, evenals lichtvervuiling of geluidsdruk, maar met die factoren kan binnen het MER wel rekening worden gehouden. Binnen de projectperimeter is de huidige bodemkwaliteit in de bovenste meter niet dramatisch. Fysisch is de bodem sterk beïnvloed door vergravingen en vooral door het lokaal storten van baksteenpuin, asbest en andere inerte materialen. Op vele plaatsen is de bodem daardoor ondiep waardoor de bewortelbare ruimte beperkt is en vooral in tijden van droogte de vegetatie zal lijden onder een beperkte vochtvoorraad. Dit is zeker het geval in Zone I waar boven het asbest‐stort er een zeer ondiepe bodem voorkomt (bvb 20 cm op meetlocatie BB03, Figuur 17). Ook stelt zich op het huisvuilstort (Zone 2, Figuur 7) een probleem door slechte bodemhydrologische condities, waarbij deze groeiplaats te nat is in de winter en te droog in de zomer. Het is duidelijk dat de vitaliteit van het wilgenbestand daar sterk onder lijdt en gevoelig is voor windworp en massale sterfte. De chemische bodemkwaliteit in de bovenste meter, relevant voor een natuurlijke (bos)vegetatie, valt na grondige evaluatie van de beschikbare analysegegevens redelijk mee. Bodemnutriënten zijn er in voldoende mate aanwezig voor een goede bosontwikkeling en bij een doorgaans neutrale bodem‐pH zijn de nutriënten vlot opneembaar. Er zijn geen nadelige effecten vastgesteld op de paar plaatsen waar er een hoge elektrische geleidbaarheid (> 1000 µS/cm) in de bodem werd vastgesteld door contact of menging met Boomse klei substraten. Op die plaatsen bleek de bodem‐pH niet sterk verlaagd te zijn wat wijst op een efficiënte buffering door de kalkhoudende bodem (schelpbijmenging). De zware‐metaalverontreiniging en de verhoogde zoutgehalten aan chloriden en sulfaten zijn vooral een probleem van de ondergrond. Uit het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek bleek voor de zware metalen de grootste verontreiniging dieper dan 2 m voor te komen. Vooral de zware metalen Pb en Zn overschreden de bodemsaneringsnorm voor bestemmingstype natuur en bos (BSNI). Wanneer de bodemanalyses vastgesteld door het PIH (2008) worden getoetst aan de BSNI norm, worden overschrijdingen vastgesteld voor Cd, Cr, Cu, Pb en Zn; heel vaak in dezelfde zones: ter hoogte van het asbeststort (Zone 1) en het huisvuilstort (Zone 2) (Figuur 7). Uit onze eigen, recente analyse van de zware metaalgehalten in de bovenste meter bleek echter nergens de BSNI overschreden te worden. Er werden enkel aanrijkingen met Zn vastgesteld waarbij de VLAREBO richtwaarde werd overschreden, maar het bleef onder de BSNI. Om de biobeschikbaarheid van zware metalen na te gaan in het bosecosysteem werd het strooiselcompartiment onderzocht. Er werden vooral aanrijkingen vastgesteld met Zn en Cd, maar slechts op één locatie werd voor Cd de risicogrens overschreden. En die locatie viel dan nog buiten de saneringszone (BB01 op Figuur 17). Vermits wilgen (en populieren) preferentieel Zn en Cd opnemen (Vandecasteele et al. 2002) is dit een bijzonder gevoelige toets voor dit gebied. Op basis van de strooiselkwaliteit kan gesteld worden dat het (bovengrondse) ecotoxicologisch risico wat betreft zware metalen aanvaardbaar is binnen het project gebied. Wat de kwaliteit van het grondwater betreft, beoordelen we de toestand anders. Uit de grondwateranalyses van het OBBO (Borremans, 2014) blijken zeer hoge zoutgehalten voor te komen, in ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 87 van 211


het bijzonder sulfaten en chloriden, geïndiceerd door een hoge elektrische geleidbaarheid (EC). Vooral de hoge zwavelgehalten (sulfaten en sulfiden) baren zorgen door hun verzurend karakter en omdat ze eventueel aanwezige zware metalen in de ondergrond kunnen mobiliseren. Ook zijn de sulfaten in het oppervlaktewater sterk verhoogd ten opzichte van referentiewaarden. Van de 10 geanalyseerde plassen werd in 8 plassen een te hoog sulfaatgehalte vastgesteld, terwijl dit nergens het geval was voor chloriden. In alle 10 plassen was de elektrische geleidbaarheid te hoog voor dit type vijvers (Tabel 3.23). Daarnaast is er sprake van een duidelijke nutriëntenbelasting (zowel N als P). Vergelijking met de (eveneens beperkte) gegevens voor de plassen in het noordoostelijk gelegen plassencomplex ‘Natuurpunt‐Terhagen’ (Van Damme & Vergauwe 2019) laat er weinig twijfel over bestaan dat uitspoeling uit lokaal stortmateriaal hier een belangrijk aandeel in heeft. Deze hoge sulfaatgehalten zijn wellicht een combinatie van uitloging uit het voormalige gipsstort en oxidatieproducten van pyriet ruim aanwezig in Boomse klei, en zwavelhoudende verbindingen in andere geologische lagen (bvb. sulfiderijke veenlagen). Het wordt aanbevolen om tijdens en na de sanering de (resterende) flux aan sulfaten vanuit het gebied naar de Rupel te monitoren en actie te ondernemen wanneer er overschrijdingen worden vastgesteld. Een ander probleem is de in sommige plassen hoge vastgestelde pH > 10, vermoedelijk door uitloging van het asbest‐stort, het gipsstort en/of gestorte cement en puinresten, in combinatie met hoge stikstofwaarden en zuurstofarmoede, gezien dit toxische omstandigheden oplevert (NH3, NH4+). Dergelijke omstandigheden dienen in toekomstige plassen vermeden te worden. Ook hierom dient interactie van het gestorte materiaal met het oppervlaktewater via het grondwater volledig te worden uitgesloten.

4.1.2. Milieukwaliteit na landschapsbouw met geolagen Indien de geologische substraten (geolagen) ontgraven uit het Oosterweeltracé geborgen worden in het projectgebied is het de bedoeling dat de milieukwaliteit van het gebied er substantieel op vooruit gaat. Dit betekent dat deze geolagen een voldoende fysische en chemische bodemkwaliteit moeten hebben waarop zich duurzame, klimaatrobuuste vegetatietypes en ecosystemen kunnen ontwikkelen. Wat betreft de milieukwaliteit is het elementair dat deze substraten geen noemenswaardige hoge concentraties aan inorganische polluenten (zware metalen) én organische polluenten bevatten. Bovendien mogen ze geen extra vracht aan zouten in dit reeds zwaar belast gebied inbrengen. We denken dan vooral aan sulfaten en chloriden. Concreet betekent dit voor de landschapsbouw dat : (1) pyriethoudende Boomse kleilagen beter niet dagzomen om oxidatie en sulfaatuitloging te vermijden en blootstelling aan verhoogde Cr concentraties te beperken; (2) er beter niet gewerkt wordt met vergraven veengronden met een hoog zwavelgehalte en/of een hoog Arseen gehalte; (3) de geolagen niet belast zijn met een hoge zoutvracht (EC < 1500 µS/cm); (4) de geolagen voor gebruik in het bodemcompartiment (zie onderdeel 4.5.3), geen verhoogde zware‐metaalgehalten (verhoogd t.o.v de richtwaarden) mogen bevatten (zoals Chroom gehalten in Fm van Berchem en Fm van Boom); (5) de geolagen een voldoende carbonaatbuffer moeten hebben om de aanwezige verzuring in het gebied af te bufferen (Fm van Lillo heeft hoogste carbonaatgehalte). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Zoals aangetoond hebben de meeste formaties een basische pH, binnen het pH‐H2O bereik 8 ‐ 9 (Figuur 35). De biobeschikbaarheid van de meeste voedingselementen is sterk pH afhankelijk zoals aangetoond in Figuur 35.

Figuur 35. Invloed van bodem‐pH op de biobeschikbaarheid van nutriënten voor planten. Bron: www.emporiumhydroponics.com. Groene kleur wijst op optimale beschikbaarheid; rode op gebrekkige biobeschikbaarheid.

Met de meeste formaties zitten we volgens Figuur 35 in het ‘medium’ tot ‘strongly alkaline’ bereik, waardoor gebreksverschijnselen kunnen optreden voor N, P, Fe, Mn, B, Cu en Zn. Er is genoeg N‐ depositie in Vlaanderen (> 25 kg N/ha/j) zodat N zeker niet limiterend zal worden, maar voor de andere elementen kan dit wel het geval zijn, tenzij er via aangebracht organisch materiaal (groencompost, mulch) in deze elementen wordt voorzien, daar waar het nodig is. Naast de chemische bodemkwaliteit van de geolagen moeten ze ook (potentieel) goede fysische kwaliteiten hebben. Zo is het belangrijk dat: (1) er zich een voldoende diep, niet gecompacteerd bodemprofiel kan ontwikkelen (minstens 1 m diep) met plaatselijk een voldoende dik (0.5‐1 m) onderliggend substraat voor (tijdelijke) hemelwateropvang en nutriëntenvoorziening; (2) de fysische bodemeigenschappen (mineralogie, textuur) goede bodemhydrologische condities toelaten (waterretentie, waterbergend vermogen, hydrologische conductiviteit, bodemverluchting); (3) bodemleven zich voldoende kan ontwikkelen (bodem als habitat); (4) op hellingen de geolagen niet (al te) erosiegevoelig zijn of afschuiven op kleilagen (land‐slides). In hoofdstuk 4.5 worden een aantal kritische succesfactoren besproken die de verwachte milieukwaliteit concretiseren. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 89 van 211


4.2 ECOLOGISCHE KWALITEIT HUIDIGE BOS Het huidige bos heeft in hoge mate het karakter van een recent ontstaan, spontaan gevestigd pionierbos. Slechts zeer lokaal is een geometrisch verband aanwezig, dat wijst op aanplant: zo staat de Spaanse aak tegen de steile talud van de Bosstraat op rijen. De hartbladige els, die talrijk aanwezig is in lage delen van het noordwesten van het projectgebied, heeft zich waarschijnlijk grotendeels spontaan gevestigd (Happaerts, pers. med.; Laurijssens & De Blust, 2012). Lokaal is de bodem ondiep en weinig doorlatend wat aanleiding geeft tot afwisselend zeer natte en droge omstandigheden. Op die plaatsen is er veel sterfte en kan de stabiliteit van het pionierbos in het gedrang komen door de toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering. Vooral berken en wilgen zijn dominant, in wisselende verhoudingen afhankelijk van de groeiplaats‐ kenmerken. Beide pionierboomsoorten kunnen zich zeer goed via de wind verbreiden en zijn in staat snel open terreinen te koloniseren. Houtige soorten die later in de successie de overhand nemen (zwarte els, es, eiken, linde, haagbeuk, gewone esdoorn e.a.), zijn veel minder talrijk of zelfs afwezig in het projectgebied. De levende en dode bomen in het pionierbos hebben overwegend nog geringe dimensies en bieden daarom slechts in beperkte mate broed‐ en nestgelegenheid aan holenbewonende soorten. De vleermuizensoorten die werden waargenomen in het projectgebied, foerageren wellicht in de gevarieerde groene omgeving en boven de waterplassen, maar het is weinig waarschijnlijk dat kolonies van boombewonende soorten (rosse vleermuis, bosvleermuis) in het projectgebied aanwezig zijn. Dat was ook reeds de conclusie van het natuurontwikkelingsplan, al wordt er op gewezen dat de potentie voor deze soortengroep zal toenemen naarmate het bos ouder wordt (Laurijssens & De Blust, 2012: 31). Het recente ontstaan van de bossen en de afwezigheid van verbindingen met bos met een langdurige ecologische continuïteit, resulteert in een gering aantal oudbosplanten. Van de 44 soorten die door Cornelis et al. (2009) werden opgelijst, zijn in het projectgebied slechts 5 waargenomen: ijle zegge, klimop, wilde kamperfoelie, wijfjesvaren en adelaarsvaren. Dit zijn relatief algemene soorten, die zich via de wind of met vogels kunnen verbreiden (uitgezonderd ijle zegge). De meest waardevolle elementen van de bosvegetatie, zijn gebonden aan groeiplaatsen met een hoge vochtigheid: plaatselijk ontwikkelen zich broekbossen met elzen en zachte berk, waarin een aantal kenmerkende soorten reeds aanwezig zijn (diverse soorten zeggen, hop, geoord helmkruid, …). Op de meest zure groeiplaatsen (tussen de visvijver en de Hoogstraat, wellicht direct op zure Boomse klei) zijn in het broekbos ook koningsvaren en veenmossen aangetroffen. De kleiige hellingen met een hoge luchtvochtigheid zijn een geschikte groeiplaats voor een aantal weinig algemene tot zeldzame varensoorten (stijve naaldvaren, tongvaren, geschubde mannetjesvaren). Het pionierbos met wilgen, in combinatie met een hoge luchtvochtigheid, staat garant voor een gevarieerd aanbod van epifytische mossen. Ook de avifauna weerspiegelt het pionierkarakter van het bos: een aantal soorten zijn karakteristiek voor struwelen en halfopen parklandschappen: nachtegaal, zomertortel en gekraagde roodstaart hebben een voorkeur hebben voor dergelijke omgeving. Matkop, die verspreid in het projectgebied en daarbuiten is waargenomen, vereist zacht dood hout met kleine dimensies om in te broeden. Het grote aanbod aan kleine dode berken, die het resultaat zijn van een natuurlijke stamtalvermindering, zijn voor deze soort bijzonder gunstig. De opslag van invasieve duizendknoop in het projectgebied, langsheen de omheining en de tijdelijke afdekking, kan een bedreiging zijn voor een gevarieerd en ecologisch waardevol landschap. Bij de landschapsbouw moet de nodige aandacht gaan naar de zorgvuldige bestrijding van invasieve duizendknoop (zie onderdeel 4.4).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


4.3 ECOLOGISCHE KWALITEIT AQUATISCHE ECOSYSTEMEN De waterkwaliteit van vijvers in het projectgebied was hooguit richtinggevend vast te stellen door een eenmalige bemonstering, zeker op een tijdstip (winter) wanneer de biologische activiteit gering is, de temperatuur laag en er sterke verdunning kan zijn van polluenten in het oppervlaktewater. Dit geldt eveneens voor de vegetatiekenmerken. Omtrent de ecologische kwaliteit kunnen dan ook slechts enkele algemene vaststellingen worden gemaakt. Er kon wel worden vastgesteld dat sommige plassen een zeer hoge pH (> 10) vertoonden en alle 10 onderzochte plassen een onnatuurlijk hoge elektrische geleidbaarheid hadden. Er was tevens een hoge sulfaat‐ en stikstofbelasting en in sommige gevallen zijn ook erg hoge fosforconcentraties gevonden. In de plas nabij het asbeststort is de waterbodem plaatselijk bedekt met witgrijs sediment, wellicht door precipitatie van sulfaten. Het is niet bekend of dit materiaal ook asbesthoudend is. De meeste plassen zijn relatief ondiep, soms sterk verland. Kleinere poelen zijn sterk beschaduwd en belast met organisch materiaal (bladresten); ze zijn slechts schaars begroeid. De afbraak van organisch materiaal kan leiden tot zeer lage zuurstofconcentraties, wat in combinatie met de verontreinigingen in zeer ongunstige omstandigheden resulteert. De belasting met zware metalen valt ogenschijnlijk mee: enkel Zn‐verontreiniging werd vastgesteld, terwijl arseen, cadmium, kobalt, chroom, koper, lood en selenium onder de bepaalbaarheidsgrens bleven. Let wel, concentraties in het water zijn doorgaans aanzienlijk lager dan in de waterbodem en minder bepalend voor de mogelijke effecten op biota en de opname in de voedselketen. Bij de grotere (vis)vijvers zijn de hellingen vaak (te) steil en zouden zacht hellende oevers meer ecologische mogelijkheden bieden. Vaak bevatten de oevers stortmateriaal (puin), of zelfs piepschuim.

4.4 KOOLSTOFBALANS 4.4.1. Actuele koolstofvoorraden Op basis van de 14 proefvlakken werd de koolstofvoorraad van het huidige bosgebied geschat in 4 compartimenten: (1) de minerale bodem, (2) de strooisellaag, (3) de houtige levende biomassa en (4) het dood hout. De minerale bodem bevat doorgaans 2/3 van de totale C in een bosecosysteem. We observeerden tussen de 40,9 en 247 ton C/ha in de minerale bodem, met een gemiddelde van 131,4 t C/ha (SD = 62 t C/ha). De variatie in C voorraden is zeer groot voornamelijk te wijten aan de variatie in bodemdiepte. Op BB03 en BB15 werd slechts 40‐45 t C/ha bepaald, in de natste boszones werd meer dan 200 t C/ha in de bodem gemeten. Door beperkte afbraak in anoxische omstandigheden kan koolstof er immers accumuleren. Ook was er heel wat variatie in koolstofvoorraad tussen de strooisellagen van de bezochte plots: dit varieerde van 4 t C/ha tot 13,1 t C/ha, met gemiddeld 7,5 t C/ha (SD=3,0 t C/ha). Een gemiddelde strooisellaag in Vlaanderen bevat 21,4 t C/ha (De Vos, 2009). De strooisellagen in het projectgebied waren alle mull en moder types die relatief snel afbreken en waardoor C via bioturbatie (werking van bodemorganismen) in de bodem wordt ingewerkt. Uit de dendrometrische opnames (zie onderdeel 3.2.4) werd een gemiddelde staande houtvoorraad van 77,4 m³/ha geschat en 10% dood houtvolume (dus ca 7,7 m³/ha). Wilgenhout heeft een massadichtheid van ongeveer 450 kg/m³ en bij berk is dat hoger (ca 550 kg/m³), gemiddeld dus 500 kg/m³. De houtvooraad (levend) is dus 77,4*500 = 38,7 t houtige biomassa per ha. Nu ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 91 van 211


bevat 1 ton hout 500 kg C (LUCUCF conversie factor 0.5) dus 38,7/2 is 19,4 t C/ha in de houtige biomassa. De staande houtvoorraad vertegenwoordigt gemiddeld 75% van de totale bovengrondse biomassa, ongeveer 24% is aanwezig in takken en 1 % in bladeren (Vande Walle et al., 2001). Dus takken en bladeren wegen ongeveer 25*38.7/75 = 12.9 ton aan biomassa met een koolstofinhoud van 6,5 t C/ha. Dood hout heeft, afhankelijk van de degradatietoestand, een lagere dichtheid (nemen we aan 400 kg/m³) en vertegenwoordigt hier dus 7.7*400 = 3 t houtmassa of 3 x 0,5 = 1.5 t C/ha. De koolstof aanwezig in levende en dode wortels zitten vervat in de koolstofbegroting van de bosbodem. Ruw geschat bevat een virtuele ha bos binnen het projectgebied de C voorraad in Tabel 4.1. Tabel 4.1. Geschatte C‐voorraad en gestockeerde CO2‐equivalenten in 1 ha bos binnen het projectgebied

Compartiment Takken en bladeren Staande houtvoorraad Dood hout Strooisellaag Minerale bodem Totaal

t C/ha 6,5 19,4 1,5 7,5 131,4 166,3

t CO2eq/ha 23,8 71,0 5,5 27,5 481,5 609.3

Volgens de boswijzer ligt 38 ha van het projectgebied onder bos. De huidige totale CO2 opslag wordt voor dat bosaandeel geschat op 23153 ton CO2‐equivalenten (6,3 kt C). Uiteraard stockeren ook de niet‐bosbodems koolstof (hiervan ontbreken gegevens) en zal de C stock van het volledige projectgebied daardoor hoger liggen dan deze primaire schatting. Ook werd abstractie gemaakt van de lokaal aanwezige kruid‐ en struiklaag die ook een zekere C‐voorraad herbergen. Een conceptuele C balans is weergegeven in Figuur 36. Hierbij wordt met toenemende bestandsleeftijd C opgeslagen in de (langlevende) bomen, strooisel en bodem en pas na enkele decennia eerst in korte‐ termijn producten (met beperkte levensduur) en nadien in duurzame houtproducten (met lange levensduur). Vooral die duurzame producten (bvb. bouwhout) zijn een substitutie voor beton en staal, die een enorm (fossiel) energieverbruik (en dus CO2 uitstoot) kennen bij fabricatie, waardoor bovenop de gesequestreerde CO2 in het hout een substitutie‐effect gerealiseerd wordt (Figuur 36). Het pionierbos binnen het projectgebied is na 20 jaar niet in staat om voldoende duurzame houtproducten te leveren. Maar het bos heeft wel in 2 decennia 23153 ton CO2‐equivalenten vastgelegd, wat kan gezien worden als het resultaat van een ‘biologisch’ Carbon Capture and Storage (BCCS) proces. Vanuit koolstofperspectief bevelen we aan om het hout uit het bestaande bos niet af te voeren naar de houtverwerkende nijverheid. De koolstofwinst om dit (houttechnologisch minderwaardige) hout als grondstof te gebruiken (substitutie‐effect) en te sequestreren in een houtproduct (bvb vezelplaat) zal wellicht teniet gedaan worden door de gecombineerde CO2 uitstoot veroorzaakt door kapping, ruiming en transport enerzijds en CO2‐ productiekost van het doelproduct anderzijds. Dit kan desgewenst nauwkeurig uitgerekend worden met concrete parameters (afstand tot houtwerkend bedrijf, levensduur en type houtproduct) maar onze inschatting is dat het bestaande bos (=alle compartimenten uit Tabel 4.1) best ter plaatse begraven (gestockeerd) worden onder de landschapsheuvel. De geraamde C‐stock wordt dan voor langere tijd gesekwestreerd. Simpelweg hetzelfde proces van hoe fossiele koolstofbronnen zijn ontstaan, maar dan gerealiseerd door menselijke tussenkomst. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Idealiter wordt dan bij de aanleg van de landschapsheuvel minder CO2 uitgestoten dan 23153 ton CO2‐ equivalenten zodat er geen off‐set is van de duurzaam vastgelegde CO2. In het kader van het BSP werd door Tractebel, met behulp van de CO2‐calculator van OVAM, berekend wat de CO2‐impact potentieel is van de eigenlijke sanering (aanvoer en aanbrengen folies en afdichtlagen, de grondberging en de landschapsontwikkeling (last mile aanvoer dumper, profileren van gronden). Voor wat de sanering betreft volgens het BATNEEC‐scenario (3 mio m3 gronden) leverde dit een geraamde hoeveelheid CO2‐uitstoot op van 14525 ton CO2‐eq. Dit is 63% van wat gesequestreerd kan worden door BCCS. Er dient hierbij vermeld dat een aantal activiteiten voor ontbossing en heraanplant niet zijn ingecalculeerd, alsook het grondverzet en aanbrengen van de 600 000 m³ grond buiten het BSP. Echter in een worst‐case zal dit niet de 20 kton CO2‐eq overstijgen, waardoor in het voorgestelde scenario meer kan worden vastgelegd dan door de werken wordt uitgestoten, en dit alvorens het proces start van natuurlijke CO2 sequestratie door het nieuwe bos en natuurgebied. Een praktische aanpak voor de duurzame opslag (storage) van houtbiomassa is als volgt:   

alle stammen en takken > 7 cm diameter worden verzaagd op werkbare lengtes (meter hout) en geborgen in de plassen en (vis)vijvers, voorafgaand aan de ophoging; alle takhout & bladeren blijven ter plaatse en worden afgedekt met bodemmateriaal , waarbij natuurlijk vermeden wordt dat takken de eventuele liners kunnen perforeren of beschadigen. Er wordt naar gestreefd het hout zo anaeroob en zo diep mogelijk te begraven zodat deze C‐ stock niet kan aangetast worden door bacteriën of schimmels.

4.4.2. Toekomstige koolstofvoorraden Het accuraat inschatten van de toekomstige CO2 opslag door bos‐ en natuurontwikkeling over de tijd dient rekening te houden met diverse parameters zoals bodemtype en ‐fertiliteit, initiële bodemkoolstofstock, boomsoort(en), ondergroei, beheer (plantdichtheid, dunningsregimes), nutriëntenstatus en vochtvoorziening, functionele bodembiodiversiteit, etc. Het is dus bijzonder moeilijk om de ontwikkeling van de toekomstige koolstofvoorraden voor het gebied correct in te schatten. Anderzijds, zal wanneer de landschapsbouw gerealiseerd wordt, heel wat kunnen geleerd worden over koolstofopslag op de neogene bodems met initieel een zeer lage C‐voorraad, op voorwaarde dat we de uitgangstoestand (T0) degelijk documenteren.

Figuur 36. Conceptueel model van een koolstofbalans (uitgedrukt in ton koolstof per ha) doorheen de tijd van koolstof die netto wordt opgeslagen in een multifunctioneel bos op basis van eik vertrekkend van landbouwgrond (naar Muys et al. 2002).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 93 van 211


In de studie van Muys et al. 2002 is een simulatie gemaakt van de potentiële CO2 opslag van nieuw aangelegd multifunctioneel bos (op basis van eik) op verschillende bodemtexturen, vertrekkend van landbouwgrond (Tabel 4.2). Tabel 4.2. Simulatie CO2 sequestratie nieuw aangelegd bos op diverse bodemtexturen (naar studie Muys et al. 2002)

De geolagen vertonen vooral de textuurklassen Z (Zand), S (Lemig zand) en L (zandleem). De voedingstoestand van landbouwgronden zal vele malen hoger liggen dan de geolagen, zelfs als die door middel van groencompost aangerijkt worden met nutriënten. Aangenomen dat de nutriëntenvoorziening toerijkend is voor de nieuw aan te leggen bossen zal na 10 jaar een totale biomassa kunnen opgebouwd worden tussen de 153 en 160 t CO2 per ha, en na 20 jaar tussen de 200 en 260 ton CO2 per ha. Het actuele bos heeft een staande voorraad van omgerekend ~100 ton CO2 per ha (Tabel 4.1) na meer dan 22 jaar dus dat is ruim de helft lager dan wat kan verwacht worden met stabiele, langlevende boomsoorten zoals eiken. De jaarlijkse opbrengst (houtproducten) varieert tussen de 1,3 en 12 t CO2 ha‐1 jr‐1. Wanneer de vuistregel wordt gehanteerd dat 1 m³ hout ca. 1 ton CO2 vertegenwoordigt is dat 1,3 ‐ 12 m³ hout per ha en per jaar, wat tevens realistisch is. Een gemengd jong bos behaalt de eerste 150 jaar een gemiddelde opbrengst van 3.9 ‐ 8.1 t CO2 ha‐1jaar‐1, of snel omgerekend 4 – 8 m³ ha‐1jaar‐1 aanwas. In de jeugdfase kan deze aanwas echter het dubbele zijn. De netto opslag in de bodem + strooisellaag is volgens het gemodelleerde voorbeeld op zandgronden ongeveer 5 ton CO2 ha‐1 jr‐1, wat overeenkomt met 1,36 t C ha‐1 jr‐1. Dit is relatief hoog, wetende dat de gemiddelde sequestratie capaciteit 0,24 ‐ 0,35 t C ha‐1 jr‐1 is in een minerale bosbodem en 0,88 ‐ 1 t C ha‐1 jr‐1 in de strooisellaag (De Vos, 2009). Dus, gebaseerd op dit cijfermateriaal en aangenomen dat opnieuw 38 ha effectief zal bebost worden op de landschapsheuvel, dan kan na 10 jaar: 1,9 kt CO2 vastgelegd worden in bodem+strooisel en 5,9 kt CO2 in de bosbiomassa, samen 7,8 kt CO2 (= 205 t CO2 per ha). Na 20 jaar is dat ongeveer: 3,8+8,74 ~ 12,5 kt CO2 (= 329 t CO2 per ha) , abstractie makend van houtopbrengst. Dus gemiddeld kan er de eerste 20 jaar 0.63 kt CO2 per jaar worden gesequestreerd door het nieuwe bosgebied of 16.5 ton CO2 ha‐1jr‐1 . Stel dat volgens het voorgestelde scenario de bestaande C voorraad niet begraven zou worden om CO2‐ neutraliteit te waarborgen, dan zou er 23 jaar bosontwikkeling nodig zijn om de geraamde 14.5 kt CO2 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


uitstoot door de landschapsreconstructie te compenseren. De huidige bovengrondse C‐voorraad zal op minder dan 10 jaar door eenzelfde oppervlakte aan nieuwe bos geëvenaard kunnen worden bij optimale groeicondities. De opbouw van de bodemkoolstofvoorraad in de nieuwe bodems verloopt echter veel langzamer en zal ettelijke decennia vergen vooraleer hetzelfde niveau van de begraven bodems wordt bereikt, maar dat is nu eenmaal het natuurlijke proces van duurzame koolstofopslag in de bodem.

4.5. GRONDVERZET EN GEBRUIK GEOLAGEN 4.5.1. Ontgravingsvolumes De geschatte hoeveelheden aan te ontgraven bodemmaterialen werden geraamd door Lantis. De hoeveelheden per geologische laag zijn afhankelijk van het Oosterweel traject/deelfase van de ontgravingen (Figuur 37 en 38). Slechts een deel van het uitgegraven materiaal zal bestemd zijn voor de landschapsbouw in Rumst indien het voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen (zie 4.5.3).

Figuur 37. Oosterweelknoop‐Kanaaltunnels traject MA1 (links) en R1 traject ME1 (rechts) waarvoor geologische coupes werden gemaakt door Lantis.

In de coupes in Figuur 38 is met blauwe stippellijn de ligging van de ‘vloer’ van de tunnel en snelweg aangegeven (Info september 2019) zodat duidelijk is welke geolagen aangesneden worden in functie van het trajectbereik (afstand in X‐as). Zo is duidelijk dat Boomse klei (Bm) alleen aangesneden wordt in traject MA1, binnen het bereik 1,5 ‐ 3 km, en helemaal niet vrijkomt langsheen het R1 traject (ME1). Formatie van Berchem komt dan weer niet voor de eerste 1,2 km in MA1 traject, en ook niet de eerste 500 m of na 1,8 km in traject ME1. Het is dus belangrijk de beschikbaarheid van de geolagen als functie van het ontgravingstraject af te stemmen op de benodigde geolagen en hun volumes in het landschapsbouwproject.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 95 van 211


Figuur 38. Geologische coupes (profielen) voor de trajecten MA1 (boven) en ME1 (onder).

Op 26/11/2019 werd door Lantis een eerste raming overgemaakt van de volumes aan geologische substraten die zullen vrijkomen bij de ontgravingen voor het Oosterweelproject (Tabel 4.3) We onderscheiden het totale aandeel van elke laag en het aandeel aan Tertiaire formaties: Lillo (Li), Kattendijk (Kd), Berchem (Bc) en Boom (Bm).

Tabel 4.3. Raming van volumes per Laag of Formatie

Code

Laag of Formatie

Totaal m³

Aandeel Totaal

Subaandeel Tertiair

A

Aanvullaag/Anthropogeen

2381433

39%

‐

Q

Quartair

722502

12%

‐

Qp

Quartair Pleistoceen zand

44965

1%

‐

Li

Fm Lillo

813763

13%

27%

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Kd

Fm Kattendijk

1259287

20%

42%

Bc

Fm Berchem

798943

13%

27%

Bm

Fm Boom

129492

2%

4%

Totaal volume

6150385

100%

Volume Tertiaire materialen

3001485

48%

100%

Merk op dat ongeveer de helft van de ontgraven volumes uit bodem en Quartaire materialen bestaat, de andere helft uit Tertiaire substraten. Het aandeel Boomse klei is gering (2% op totaalaandeel en 4% van Tertiaire substraten). De formatie van Kattendijk heeft duidelijk het grootste aandeel. Op 13/03/2020 werd door Lantis een nieuwe schatting gemaakt van de in‐situ ontgravingen per deelfase. Deze volumes zijn niet noodzakelijk de volumes af te voeren of te gebruiken gronden voor de landschapsbouw, maar geven wel het potentieel aan van de te gebruiken bodemmaterialen. Er worden drie deelzones onderscheiden: 1) Oosterweelknoop 2) Kanaaltunnels 3) Traject R1 van Masurebrug tot Antwerpen Oost Hoe de aannemer uiteindelijk zal ontgraven is nog te bepalen. De berekeningen per deelzone zijn een voorlopige oefening. In maart 2020 werden door Lantis nieuwe berekeningen uitgevoerd opgesplitst voor zone 3A (Oosterweelknoop) en 3B (overige traject) met een totaalvolume (3A+3B) van 7 697 868 m³. Dit is 1,5 miljoen m³ meer dan de raming in 2019 (Tabel 4.4). Dit geeft aan dat deze volumes nog sterk fluctueren, afhankelijk van de afbakening en berekeningswijze.

Tabel 4.4. Raming van volumes per laag of formatie en deelfase (berekeningen november 2019)

Code

Omschrijving

Oosterweelknoop

Kanaaltunnels

Traject R1

Totaal

A

Aanvullaag/Anthropogeen

497686

142265

1741482

2381433

Q

Quartair

320478

78916

323108

722502

Qp

Quartair Pleistoceen zand

37026

7831

108

44965

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 97 van 211


Li

Fm Lillo

280740

78205

454818

813763

Kd

Fm Kattendijk

328155

238390

692742

1259287

Bc

Fm Berchem

49264

464592

285087

798943

Bm

Fm Boom

18591

110901

129492

Totaal volume

1531940

1121100

3497345

6150385

Een voorzichtige fasering in de tijd is dat de ontgravingen van Oosterweelknooppunt starten vanaf 2021, in de kanaaltunnels vanaf 2022 en R1‐noord vanaf 2023. Dit betekent dat vanaf begin zomer 2022 zowel uit Oosterweelknoop als kanaaltunnels ontgraven geolagen zullen vrijkomen. De deelzones (trajecten) die naar Rumst kunnen afgevoerd worden zijn op dit moment ook nog onduidelijk. Zo is het mogelijk dat het lot dat vrijkomt uit de Oosterweelknoop niet (meer) in aanmerking komt en dat alle materiaal afkomstig zal zijn van de Kanaaltunnels en Traject R1 (Tabel 4.4).

4.5.2. Bergingsvolumes Volgens DVW dient het deel dat kan aangevoerd en geborgen worden te voldoen aan de grondverzetcodes 211, 311NA en 411NA, zoals contractueel bepaald tussen de partijen en betreft het hoofdzakelijk Tertiaire bodemmaterialen (Tabel 4.5) die geborgen kunnen worden. Er dient evenwel nog nagegaan of afdek‐ en Quartaire bodemmaterialen mogelijks nuttig gebruikt kunnen worden. Uiteraard dienen ze ook aan alle gestelde kwaliteitseisen en normen te voldoen.

Tabel 4.5 Effectief te benutten Tertiaire grondvolumes van Antwerpen Rechter‐oever die voldoen aan toegelaten grondverzetcodes 211 en 411NA volgens inschatting van DVW.

Code Omschrijving

Totaal m³

Aandeel

A

Aanvullaag/Anthropogeen

*

Q

Quartair

*

Qp

Quartair Pleistoceen zand

*

Li

Fm Lillo

1031925

30%

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Kd

Fm Kattendijk

1365838

40%

Bc

Fm Berchem

862513

25%

Bm

Fm Boom

153370

4%

3413646

100%

Totaal volume

* gebruik van codes A, Q en Qp is mogelijk indien ze voldoen aan de bodemkwaliteitseisen 211,311,411

Deze laatste volumes liggen iets hoger dan de Lantis raming van wat beschikbaar komt, maar het aandeel van deze grondstromen zit in dezelfde grootte orde. We gaan uit van deze bergingsvolumes per formatie om de mogelijkheden en beperkingen van de specifieke substraten voor de landschapsbouw in te schatten. We adviseren om de te bergen geolagen op te splitsen in drie bestemmingscategorieën, die elk dienen te voldoen aan specifieke fysicochemische kwaliteitseisen: 1) geolagen voor gebruik als bodem (bovenste 1.5 m inclusief substraat) 2) geolagen voor gebruik als onderwaterbodem (1‐1.5 m bodem van plassen/rietvijver) 3) geolagen voor gebruik als ondergrond (> 1.5 m diep) Uitgaand van het 3D ontwerpmodel (Ophoging tov huidig reliëf, Figuur 39.) binnen het studiegebied zijn de benodigde volumes (eigen kuberingen) voor bodem en ondergrond opgenomen in Tabel 4.6

Figuur 39. Tractebel 3D landschapsbouw ontwerp 2019 waarop de bergingsvolumes werden berekend. Isolijnen zijn hoogtelijnen (m ophoging tov huidig reliëf).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 99 van 211


De oppervlakte van de rietvijver, die het grootste wateroppervlak is binnen het studiegebied met een onderwaterbodem wordt geschat op 2.8 ha op basis van het ontwerp (ingetekend op figuur 42). Van de 52,9 ha van het projectgebied wordt 44,4 ha vergraven, waarvan 1,7 ha uitgegraven, ongeveer 3,2 ha blijft op huidige reliëf en 39,4 ha wordt opgehoogd (landschapsbouw). Het uitgegraven volume bedraagt 24471 m³, het opgehoogde volume volgens het ontwerpmodel in Figuur 39 is 3,49 mio m³. Van dit opgehoogde volume kan 2,94 mio m³ geborgen worden als ‘ondergrond’ en is ~550000 m³ nodig om ‘bodems’ in de bovenste 1,5 m te ontwikkelen, over een oppervlakte van 41,3 ha (Tabel 4.6). Voor het bodemcompartiment ‘substraat’ van gemiddeld 0,5 m dikte is ~183400 m³ nodig. Onder het rietveld zal voor de onderwaterbodem (1 m dikte boven substraat) een volume van ca 28250 m³ volstaan. Tabel 4.6 geeft een overzicht van de benodigde volumes om bodem, onderwaterbodem en ondergrond van het ontwerpmodel te realiseren, en dit verder uitgesplitst naar de gewenste geolagen. Tabel 4.6. Theoretische berekening van bergingsvolumes voor bodem en ondergrond volgens het 3D ontwerpmodel en uitsplitsing per type bodemlaag en geolagen.

Landschapsmodel Oppervlakte (ha) Aangeboden volume (m³) Fm Lillo Fm Kattendijk Fm Berchem (substraat) Fm Boom Totaal gebruikt (m³) Totaal aandeel (%)

Bodem (0‐1.5 m) 38.5 518224 150000 197258 170966 0 518224 15%

Onderwaterbodem (0‐1.5 m) 2.8 28250 0 28250 12434 0 40684 1%

Ondergrond (1.5‐24 m) 39.2 2944385 881925 1140330 679113 153370 2854738 84%

Totaal 52.9 3490859 1031925 1365838 862513 153370 3413646 100%

Formatie van Boom wordt niet gebruikt in het bodemcompartiment, maar wel als afdichtlagen in de ondergrond. Met dit materiaal wordt vooral de onderafdek van het vijvercomplex gerealiseerd en afdekking/isolatie van de valleizone tussen asbeststort en huisvuilstort. Het moedermateriaal voor de toekomstige bodem bestaat overwegend uit Fm van Lillo en Fm van Kattendijk, waardoor enige variatie in bodemtextuur wordt bekomen. De top van de Fm van Lillo is kleiiger (Figuur 29) en zal lokaal de bodemtextuur wat verzwaren tegenover de meer zandige Fm van Kd die het hoogste volume‐aanbod heeft. Vooral de glauconiethoudende fracties van de Formatie van Berchem worden best ook lokaal gebruikt als kalium‐rijke substraten en om het waterbergend vermogen van de bodems te verhogen. Als onderwaterbodem worden vooral Kattendijkse zanden als meest geschikt bevonden (zie 4.5.3.2).

4.5.3. Fysico‐chemische kwaliteits‐eisen De fysico‐chemische kwaliteitseisen voor de bodemlaag (terrestrische bodem en onderwaterbodem) worden voornamelijk bepaald vanuit een (bodem)ecologisch perspectief, deze van de ondergrond vooral vanuit civieltechnisch perspectief en eventuele milieurisico’s voor de grondwaterkwaliteit. Dit laatste is echter voorwerp van de Tractebel studie ‘ontvangende groeve’.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


We baseren ons hier op het ingeburgerde ‘pedon’ concept om de verschillende bodemkompartimenten te benoemen en een onderscheid te maken met de ‘ondergrond’, die biologisch niet of weinig actief is (Figuur 40). Bodemkundigen beschouwen het pedon als 3‐dimensioneel bodemlichaam groot genoeg om de individuele bodemhorizonten te bestuderen, typisch 1x1x2m diep.

Figuur 40. Pedon‐concept voor de nieuw te ontwikkelen bodems op basis van geolagen in het projectgebied. Substraatdiepte start gemiddeld op 100 cm diepte maar kan variëren tussen 50 en 200 cm.

Voor deze studie harmoniseren we de diepte van het ‘bodem’kompartiment met de milieukundige definitie van de ‘leeflaag’. Volgens de EMIS/VITO best beschikbare technieken (BBT) bij saneringsprojecten is deze leeflaag typisch 1 m dik (Goovaerts et al., 2006) maar in het kader van dit project wordt 1.5 m tot 2 m voorgesteld, waarbij substraat met een gemiddelde dikte van 50 – 100 cm inbegrepen is. Bij de landschapsbouw onderscheiden we dus een nieuw te ontwikkelen bodemcompartiment (0‐200 cm) en de geologische sokkel of ondergrond dieper dan 150 cm die reikt tot aan de afdichtlagen of huidig maaiveld van het studiegebied, tot wel 24 m diep (Figuur 39). Merk op dat boomwortels van sommige boomsoorten, plaatselijk doorheen het substraat tot diep in de ondergrond kunnen doordringen op zoek naar nutriënten en water. 4.5.3.1. Bodem We delen het bodemcompartiment verder op in een opperbodem (topsoil, 0‐30 cm), een onderbodem (subsoil, 30‐100 cm) en een substraat (100‐150/200 cm), analoog als bij conventioneel bodemonderzoek in natuurlijk ontwikkelde bodems (Figuur 40). De master‐horizonten die we klassiek onderscheiden (O, A, B, C) zijn hier niet het resultaat van langdurige bodemontwikkeling (pedogenese), maar zullen door ecotechnische ingrepen versneld tot stand gebracht worden. De ontwikkeling van een organische A horizont zal geactiveerd worden door inbreng van geschikte organische materialen zoals groencompost ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 101 van 211


of mulchings (humusbouw) en bebossing met aangepaste boom‐ en struiksoorten zodat snel een actieve strooisellaag en humusrijke toplaag wordt verkregen. Door bomen en struiken aan te planten (in tegenstelling tot kruidachtigen) zal ook de onderbodem doorworteld geraken en biologisch geactiveerd, waardoor bodemchemische en –fysische processen opstarten. Slechts weinig boomsoorten wortelen in minerale afdeklagen dieper dan 1,3 m (Hutchings et al. 2001), met uitzondering van Zwarte els die in anaerobe omstandigheden kan wortelen. Op chemisch arme groeiplaatsen worden echter frequent worteldieptes van twee meter of meer vastgesteld, als de doorwortelbaarheid van de bodem dit toelaat (Pigott 1991; Meier et al. 2018). Door een weldoordachte keuze van het type substraat en de dikte ervan, variërend tussen 0‐100 cm, kunnen we de waterhuishouding (hydrologische condities) van het bodemprofiel in zekere mate bepalen, het nutriëntenaanbod regelen alsook de eventuele biobeschikbaarheid van polluenten binnen aanvaardbare grenzen houden (redox condities). De chemische kwaliteitseisen voor de geolagen die in het bodemcompartiment (bodem+substraat) worden aangebracht zijn:    

de elektrische geleidbaarheid op een 1:5 m/v (massa/volume) extract is lager dan 1500 µS/cm; het sulfaatgehalte in een 1:10 m/v extract dient lager te zijn dan 1000 mg/kg sulfaat; het chloridegehalte van het bodemvocht dient lager te zijn dan 300 mg/l; de gehalten aan zware metalen mogen nergens de BSN I (saneringsnorm Natuur‐ en Bosgebied) overschrijden en liggen bij voorkeur in de buurt van de VLAREBO richtwaarden (kritisch is Cr in Formatie van Berchem en As in veenbijmenging).

We bevelen aan de Fm van Berchem enkel te gebruiken als substraat. Wanneer deze geolaag hoge Cr‐ gehalten vertoont dienen maatregelen getroffen te worden om oxidatie van CrIII naar CrVI te vermijden, gezien de hogere ecotoxiciteit van hexavalent chroom. Uit voorzorg deze geolaag gereduceerd houden als substraat is vermoedelijk de meest efficiënte aanpak. Uiteraard zal het organische stofgehalte van deze geolagen bij aanvoer laag zijn. Indien het gehalte aan organisch materiaal < 2.5 % op droge stof basis is dient de opperbodem aangerijkt te worden met humusvormende materialen, bij voorkeur goed verteerde groencompost (type VLACO compost) of mulchings. Screening van de aangebrachte organische materialen wordt aanbevolen. In Bijlage K wordt een voorbeeld gegeven van een samenstelling van Groencompost afkomstig van IGEAN Brecht. Er dient nagegaan of ook de groencompost inzake zoutgehalten (EC) en gehalten aan zware metalen (in het bijzonder Cr) geen extra belasting vormt van het nieuw aangelegde ecosysteem. Het voorbeeld in bijlage voldoet helemaal . Humusbouw van de bodem is essentieel voor een efficiënte en duurzame bosaanleg (zie aanbevelingen koolstofbalans 4.4.) en natuurontwikkeling (4.6.2). De fysische kwaliteitseisen worden vooral gesteld aan de compactie en porositeit van de bodem, wat sterk samenhangt met de textuur en mineralogische samenstelling (in casu glauconiethoudend of niet, schelphoudend, …). Topsoil, subsoil en substraat vereisen een verschillende compactiegraad en door daar van bij de aanleg rekening met te houden of zelfs gericht naar te streven kunnen gewenste standplaatscondities bekomen worden inzake een goede lucht‐ en waterhuishouding van de bodem. Volgens ons pedon concept begint het substraat gemiddeld op 1 m diepte. Bestaat dit substraat uit glauconiethoudende geolagen of klei wat goed gecompacteerd is met machines, dan zal zich hierop een ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


(stuw)watertafel ontwikkelen afhankelijk van de geomorforlogie van het terrein. Tabel 4.7 geeft volgens het Belgische drainageklassen‐systeem de gemiddelde dieptes aan van de hoogste grondwaterstanden en dieptes waar permanent gereduceerde (waterverzadigde) condities aangetroffen worden. De bodemlaag kan opgebouwd worden op basis van geolagen met texturen van ‘lichte bodems’ (textuur klassen Z, S, P) maar ook uit de groep zware bodems (L, A, E, U; zie Texuurklassen geolagen in Tabel 3.15). Nemen we als voorbeeld een S textuur bestaande uit Kd geolagen, dan zal een verdicht (waterstuwend) substraat op 100 cm diepte nooit drainageklasse .a. (zeer droge bodems) of zelfs .b. (droge bodems) kunnen opleveren omdat de hoogste grondwaterstand respectievelijk reeds 150 en 105 cm is. Matig droge (.c.) en matig natte bodems (.d) zullen zich wel kunnen ontwikkelen, waarbij de watertafel maximaal respectievelijk 25 en 50 cm boven het substraat (van 1 m diep) komt te staan. Omheen de kleigroeve hebben de meeste bodems de bodemseries Sdh, Scm, Sdh, Pdc en Pdh volgens de Belgische bodemkaart. Vochttrappen .c. en .d. zijn er dus de regel en rekening houdend met toenemende droogteperiodes door klimaatverandering ook de na te streven vochttrappen. Mogelijks kan onder de bodem een kuipvormig substraat worden aangelegd dat een zekere reserve aan hemelwater kan bergen. De diepte van het substraat zal in de landschapsbouw variëren tussen de 100 cm‐MV en 200 cm‐MV op de hoogste plaatsen. In dit geval wordt een diepe bodem gecreëerd die zeer droog kan worden. In de vallei die zich situeert op de voormalige loop van de Potgatbeek zit het substraat op 50 cm‐MV en kan zich, ook door zijdelingse voeding, een permanente watertafel vormen met reductiehorizont <25 cm‐MV (Tabel 4.7). Op de hellingen tussen de hierboven genoemde vallei en de toppen van de heuvels heeft de waterhuishouding intermediaire kenmerken, waardoor een geschikte groeiplaats ontstaat voor mesofiele soorten (zie 4.6.3) Tabel 4.7. Gemiddelde diepte (cm onder maaiveld) van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (DHGWS) en gemiddelde diepte reductiehorizont (DREDH) voor zware en lichte texturen overeenkomstig de Belgische bodemkaart. (Uyttenbroeck et al. 2014)

Binnen het gebied wordt ernaar gestreefd verschillende standplaatsen te realiseren teneinde een variatie aan bostypes toe te laten. Geschikte boom‐ en struiksoorten voor elke bodemserie kunnen ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 103 van 211


gesimuleerd worden door gebruik van de online‐tool BOBO waarbij textuurklasse, vochttrap en profielontwikkeling (voor de nieuwe bodems steeds ‘p’ = zonder profielontwikkeling ) kan ingegeven worden en de geschikte boom – en struiksoorten worden opgelijst (Uyttenbroeck et al. 2014). De fysische kwaliteitseisen na aanleg zijn verschillend per bodemcompartiment (Tabel 4.8). Tabel 4.8. Fysische kwaliteitseisen inzake penetratieweerstand en bodemdichtheid

Compartiment Cone index Bulk densiteit Ecotechnische info (MPa) (ton/m³) Opperbodem < 1 < 1.2 Door verhogen van OM gehalte Onderbodem < 3 < 1.6 Geen wortelbegrenzende lagen Substraat > 3 > 1.6 Afhankelijk van type geolaag (klei‐ en glauconiet‐aandeel) Op hellingen dient erover gewaakt te worden dat de bodemlaag niet kan afschuiven op onderliggende verdichte substraten of dat substraten afschuiven op de ondergrondlagen. Vooral sterke textuur discontinuïteit in samenspel met de lokale hydrologie (sub‐surface flow) kan verschuivingen (land slides) veroorzaken. Tevens dient op hellingen de opperbodem (30 cm topsoil) niet te los gefreesd om erosie te beperken. Inwerken van organisch materiaal ten behoeve van een goede bodemstructuur (en bodemleven) en om snelle vestiging van vegetatie te bewerkstelligen die de helling zal vasthouden is tevens op hellingen essentieel. Voor de aanleg van ondergrond, substraat en bodem rekening houdend met compactie raden we de best practices aan beschreven in Construction Code of Practice for the Sustainable Use of Soils on Construction Sites (Defra, 2009) (Figuur 41)

Figuur 41. Oordeelkundige aanbrengen van natte, plastische bodems voor ‘soil stock‐piling’. (p29 uit Defra, 2009)

Op ondergrond en substraat kunnen bulldozers en graafmachines ongestoord rijden om die te compacteren. De 1 m bodemlaag wordt zijdelings aangebracht en graafmachines vermijden zoveel mogelijk over de net aangebrachte bodem te rijden. Om de opperbodem te creëren kunnen organische ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


materialen (bvb groencompost) of natuur/bosbodem (ent‐materiaal) door middel van landbouwmachines met aangepaste bandenprofielen aangebracht en ingefreesd worden. De volgorde van aanbreng wordt in samenspraak met de aannemer bepaald, maar een mogelijke werkwijze is weergeven in figuur 42.

Figuur 42. Mogelijke aanlegvolgorde van landschapsheuvel (1 => 10). Geolagen worden aangevoerd vanaf Rupel (ZW) via centrale werfweg. Opbouw gebeurt van noord (1) naar zuid (3) en oost (3) naar west (10). De oostelijke heuvel (2‐3‐4‐5) nabij rietmoeras (blauw) kan reeds afgewerkt worden tijdens aanlegfase van westelijke deel (6‐7‐8‐9‐10).

Door OVAM of MER aanbevolen codes van goede praktijk worden maximaal opgevolgd en gecontroleerd. 4.5.3.2. Onderwaterbodem Bij de inrichting van plassen dienen, wat de geschiktheid van opvullingsmateriaal als toekomstige waterbodem betreft, naast de VLAREBO‐normen (https://codex.vlaanderen.be/Portals/Codex/documenten/1015384.html), zowel textuur, gehalte aan organisch materiaal, zwavelhoudende verbindingen en nutriënten, als de fosforbindingscapaciteit de nodige aandacht te krijgen. We lichten de voornaamste voorwaarden in dit kader toe, vertrekkend vanuit het uitgangspunt dat een voldoende aanwezigheid van waterplanten sterk bepalend is voor de ecologische kwaliteit van stilstaande wateren en een duurzame ontwikkeling van een meer complexe levensgemeenschap. Waterplanten concurreren met fytoplankton voor licht en nutriënten. Deze factoren bepalen in essentie de omslag van waterplanten naar fytoplankton als dominante primaire producenten (cf. helder water met een hogere biodiversiteitswaarde versus troebel water met lagere biodiversiteit en ongewenste fenomenen zoals zuurstofgebrek, algenbloei,…). Hieruit volgen aanknopingspunten voor het beoordelen van substraten als opvullings‐ en bodemmateriaal. De textuur heeft consequenties voor de doorstroming van grondwater, de fysische stabiliteit van het substraat, de begroeibaarheid door waterplanten (vasthechting), de zuurstofhuishouding van de waterbodem, de retentie van stoffen en hun uitwisseling naar de waterkolom. In ondiepe plassen staan grote delen van de waterbodem bloot aan verstoring door windwerking en bioturbatie. Zwevende minerale deeltjes zullen, door extinctie en reflectie, het doordringen van licht in de waterkolom verlagen en sedimenteren op ondergedoken planten, waardoor ze bijdragen aan lichtbeperking van ondergedoken vegetatie. Bij een substraat met grovere textuur blijft de zwevende fractie beperkt. Dit is ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 105 van 211


een eerste reden waarom zandig materiaal met een beperkt aandeel lutum te verkiezen zal zijn, boven een meer kleiig materiaal. Als voornaamste limiterend element voor de primaire productie is de beschikbaarheid van fosfor een cruciaal aandachtspunt. Wortelende waterplanten nemen fosfor voornamelijk op uit de waterbodem, fytoplankton enkel uit de waterkolom, dit steeds onder de vorm van fosfaat. Is er voldoende fosfor in de waterkolom beschikbaar om de concentratie fytoplankton dermate te laten oplopen dat er in het vegetatieseizoen langdurige lichtbeperking van ondergedoken (wortelende) planten optreedt, dan verdwijnen deze laatste. Fosfor kan van externe bronnen afkomstig zijn (als fosfaat in grondwater, of al dan niet organisch gebonden in oppervlaktewater en afspoelend water), maar fosfaat kan ook vanuit de waterbodem naar de waterkolom diffunderen. Het ligt voor de hand dat een van meet af aan fosforrijk substraat een groter risico impliceert dat dit zal gebeuren: een laag fosforgehalte is, bijgevolg, een eerste vereiste. Minerale bodemdeeltjes met een fijne textuur bieden veel bindingsplaatsen voor uitwisselbaar fosfaat. Zwevende stof met individuele en in organische complexen geaggregeerde kleipartikels zal door evenwichten, microbiële activiteit en eventuele ingestie door zoöplankton, fosfaat uitwisselen naar de waterkolom. Grotere minerale deeltjes dragen minder uitwisselbaar fosfaat en verblijven minder lang in de waterkolom. Ze ‘transporteren’ minder voedingstoffen van bodem naar water. Ook dit is een reden om een meer zandig bodemsubstraat te verkiezen. Door het grotere interstitiële volume en de betere gasuitwisseling zal een zandige waterbodem langer en tot op een iets grotere diepte onder het bodemoppervlak een hogere redox behouden dan een kleiige. Fosfaat wordt hierin geïmmobiliseerd door binding met driewaardig ijzer (Fe3+), zodat het niet naar de waterkolom kan diffunderen. Daalt de redox van de toplaag, dan verdwijnt deze barrière en neemt de flux van fosfaat naar de waterkolom toe. De zuurstoftoestand van de waterbodem zal afhangen van de zuurstofvraag vanwege de afbraak van organisch materiaal. Als de omzetting van organisch materiaal meer zuurstof verbruikt dan de toplaag kan opnemen daalt de Eh en levert de waterbodem fosfaat aan de waterkolom. In een waterbodem met veel organisch materiaal zullen reducerende omstandigheden vlugger optreden. Een laag gehalte organisch materiaal is daardoor eveneens bepalend voor de geschiktheid. Hoewel klei, als dusdanig, meer fosfaat kan binden dan zuiver zand, is dit laatste dus efficiënter om ‘interne eutrofiëring’ (eutrofiëring veroorzaakt door verhoogde beschikbaarheid van reeds in het systeem aanwezige nutriënten) te verhinderen, tenminste zolang hierin voldoende driewaardig ijzer aanwezig is. De beschikbaarheid van ijzer wordt bepaald door wat er door verwering van ijzerhoudende mineralen (bijv. glauconiet) geleidelijk wordt vrijgegeven en er met (grond)water in gereduceerde vorm (Fe2+) wordt aangevoerd. Hoe meer ijzer, hoe meer fosfor ‘verwerkt’ kan worden zonder dat de trofie toeneemt. Een hoog ijzergehalte is daarom een gunstig gegeven bij een eventuele keuze. Ook andere metalen (i.c. aluminium, magnesium) kunnen door binding fosfor vastleggen in de waterbodem. In relatie tot de hier relevante geolagen is een relatief hoog glauconietgehalte dus veeleer als positief te beschouwen, omdat het positief correleert met het uitwisselbare gehalte aan fosforbindende metaalionen. Fosfor kan eveneens met calcium vrij stabiele verbindingen aangaan, zolang de pH voldoende hoog blijft. Een hoger calciumgehalte is daarom aan het lijstje van positieve criteria toe te voegen. Een ander belangrijk aspect is de zwavelhuishouding. De aanwezigheid van zwavel in gereduceerde vorm heeft twee negatieve kanten. Ten eerste, zal het zich sterk binden met Fe2+, waardoor depletie van Fe3+ op treedt zodat hiervan minder over blijft om fosfor te binden. Ten tweede, zal vrij sulfide gevormd worden eenmaal het tweewaardig ijzer is opgebruikt. Dit is reeds bij lage concentraties in de waterbodem toxisch voor planten en als het naar de waterkolom diffundeert ook niet‐wortelende vegetatie en dieren beïnvloeden (Vermaat et al. 2012; Lamers et al. 2013). Daarnaast heeft sulfaat nog andere effecten op de P‐huishouding. Het stimuleert de afbraak van organisch materiaal en kan (net als ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


chloride) fosfaat van bindingsplaatsen verdringen. Zwavel wordt, behalve via atmosferische weg, als sulfaat aangevoerd met grond‐ en oppervlaktewater. Hierin is het aanwezig vanwege bemesting en contact met zwavelhoudende mineralen, zoals pyriet. Een pyriethoudend bodemmateriaal is dus zonder meer te mijden vanwege de sulfaatproductie bij oxidatie. Ecologisch gerichte normen omtrent de geschiktheid van opvullingsmateriaal als potentiële waterbodem zijn nog maar in beperkte mate verkend. In Nederland zijn enkele richtwaarden afgeleid die bij het gebruik van bodemmateriaal voor verondieping van plassen gehanteerd worden (IBB 2010; Tabel 4.9). Hierbij wordt er van uitgegaan dat grond sowieso meer fosfaat zal vrijstellen dan baggermateriaal, maar er worden ook hogere eisen gesteld aan de biologisch actieve laag. Deze laag waarin de interacties met de waterkolom door biologische, fysische en chemische processen het sterkst zijn dient minimaal 0,5 m dik te zijn en in dit rapport raden wij 1 m aan. Tevens wordt vermeld dat, in het geval van aangevoerd materiaal, de richtwaarden voor P en P/Fe gemiddelde waarden zijn voor een partij (ex situ) en dat het maximum per onderzochte partij in geen geval meer mag bedragen dan 2 maal de gestelde norm voor het gemiddelde. De norm voor de P/Fe‐ratio vervalt evenwel als het P‐gehalte lager is dan 0,5 g P/kg . Tabel 4.9. Normen (gemiddelden) voor opvulmateriaal van diepe plassen volgens IBB (2010).

Type materiaal baggerspecie grond

onderliggend vulmateriaal P (g/kg) P/Fe 1,36 0,055 * 0,5 0,055

afdeklaag P (g/kg) 0,68 0,3

P/Fe 0,055 *

Daarnaast stellen Jaarsma et al. (2008) en Osté et al. (2010) een gehalte organische stof van bij voorkeur <5 % en van maximaal 10% als voorwaarde voor een geschikt substraat. Wat betreft de samenstelling van de geolagen die hier in aanmerking genomen worden voor de opvulling, kan op basis van deze richtwaarden en het voorgaande gesteld worden dat:      

Bm niet in aanmerking komt vanwege het pyrietgehalte en de kleiige textuur; veen sowieso uitgesloten dient te worden vanwege het organische karakter (tevens veel N en P); Kd en Bc de laagste gehalten organische stof en zwavel vertonen; Kd iets minder klei bevat dan Bc; Kd iets minder fosfor bevat dan Bc – enkel bij Kd voldoen alle monsters aan de Nederlandse richtwaarde voor gebruik als afdeklaag. Het gemiddeld fosforgehalte is voor Bc hoger dan 0,5 g/kg, terwijl de P/Fe‐gewichtsverhouding voor Kd en Bc vrij vergelijkbaar is (0,012 vs 0,01); Kd meer calcium bevat dan Bc, maar minder aluminium.

Tabel 4.10 geeft een overzicht van enkele ratio’s, ditmaal als mol/mol, ter vergelijking van de geolagen. De verhoudingen werden berekend met de gemiddelde waarde voor de totaalinhoud van alle analyses op de desbetreffende laag. Ze staan dus niet voor de uitwisselbare fractie en verhoudingen voor individuele analyses kunnen sterk afwijken. De negatieve (Fe‐S)/P‐ratio toont dat het veen eerder een potentiële bron van fosfor is dan dat het dit zal sequestreren. Li scoort erg hoog voor Ca/P, maar lager voor Fe/P en (Fe‐S)/P dan de overige geolagen. Voor dit laatste scoren Kd en vooral Bc, hoger dan Bm, ondanks het lagere fosforgehalte van de Boomse klei. Ca/P is meer dan vier maal zo hoog voor Kd als voor Bc, Al/P ca. 20% hoger voor Bc dan voor Kd. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 107 van 211


Tabel 4.10 Molaire verhouding van gemiddelde totaalgehalten voor de geolagen.

Geolaag Li Kd Bc Bm veen

Fe/P 34,9 44,7 57,3 75,8 30,3

Fe/S 4,1 7,9 15,7 1,8 0,8

(Fe‐S)/P 26,3 39,0 53,6 34,6 ‐8,4

Ca/P 134,0 62,0 14,8 19,4 25,9

Al/P 26,8 30,0 38,6 201,1 33,1

(Fe+Ca+Al‐S)/P 187,1 131,1 107,1 255,1 50,6

Al bij al lijken de zanden van de Formatie van Kattendijk dus als waterbodemsubstraat het meest geschikt. Ze kunnen wellicht zelfs als biologisch actieve laag worden toegepast. Materiaal van de geolaag Bc wordt vanwege het hogere P‐ en Cr‐gehalte bij voorkeur enkel dieper geborgen, bijvoorbeeld als substraat. 4.5.3.3. Ondergrond De fysico‐chemische kwaliteitseisen voor de berging in het ondergrondse compartiment worden vooral bepaald door civiel‐technische overwegingen (stabiliteit van de heuvel) en milieu‐kwaliteitseisen voor grondwater waaraan een monitoringsprogramma wordt gekoppeld. Dit wordt niet tot de opdracht van deze desk‐studie gezien, maar zal bepaald worden in ondermeer de Tractebel studie ‘Ontvangende groeve’ en in het MER.

4.6. KSF BOS‐ EN NATUURONTWIKKELING 4.6.1. Saliniteit De bodem die wordt uitgegraven bij de aanleg van de Oosterweelverbinding, ligt mogelijk in een zone met matig brak tot brak grondwater. Onder de Schelde is het bovenste gedeelte van de freatische aquifer gevuld met brak water. Elders op het traject van de Oosterweelverbinding is het bovenste gedeelte van de freatische aquifer (tussen 0 en ‐5m TAW) wellicht zoet, maar het grondwater zou op de diepte van de Kattendijk en Lillo formaties wel een verhoogde saliniteit van 400‐1600 µS/cm vertonen (Pary et al. 2013). Een deel van het Oosterweeltraject loopt onder het Albertkanaal door (traject van de kanaaltunnels). Uit eigen metingen van het INBO blijkt dat de saliniteit ter hoogte van dit traject overwegend lager is dan 500 µS/cm, slecht één analyse resulteerde in een waarde van iets meer dan 1000 µS/cm (Figuren 25 en 26). De kritische grenswaarde voor boomgroei werd door Huvenne et al. (1996) proefondervindelijk gelegd bij 1500 µS/cm. Verhoogde saliniteit veroorzaakt bij bomen droogtestress en belemmert de stikstofopname, maar de effecten zijn in hoge mate soortspecifiek (zie hieronder). Als de aangevoerde bodem zoals voorzien ter hoogte van de kanaaltunnels wordt opgegraven, zal de saliniteit volgens onze meetresultaten op de proefboringen (Figuur 26) ruim onder de kritische grens liggen. In dat geval stellen er zich geen problemen voor een snelle herbebossing. Indien alsnog gebruik gemaakt wordt van bodem die nabij of onder de Schelde wordt ontgraven, moet rekening gehouden worden met een saliniteit die zich rond de kritische bovengrens voor boomgroei situeert.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Als dit alsnog het geval zou zijn, kan de herbebossing één of meerdere jaren uitgesteld worden. De uitspoeling van zouten uit een opgehoogde bodem gaat, onder invloed van de neerwaartse flux van neerslagwater, snel door de hoge oplosbaarheid van zouten. Door Huvenne et al. (1996) werd vastgesteld dat de EC van brak baggerslib met een hoog kleigehalte, na 4 jaar meer dan gehalveerd was: van 3500 µS/cm tot minder dan 1500 µS/cm. De uitloogsnelheid is evenwel sterk afhankelijk van de bodemtextuur en we mogen verwachten dat dit bij de formaties van Lillo en Kattendijk, die een hogere zandfractie bevatten (Tabel 3.15), nog aanzienlijk sneller zal gaan dan bij baggerslibgronden. Om een snelle herbebossing mogelijk te maken, kan ook gekozen worden om boom‐ en struiksoorten aan te planten die relatief tolerant zijn voor een verhoogde saliniteit. Tot deze soorten rekenen Huvenne et al. (1996) en Šerá (2017): witte abeel en andere populieren (grauwe abeel, ratelpopulier, cultuurpopulieren), zwarte els, wilgen, sleedoorn, wilde liguster, gewone vlier, boksdoorn (af te raden: exoot), robinia (af te raden: invasieve exoot), olijfwilg (af te raden: exoot) en duindoorn. Zwarte els en duindoorn kunnen het geringe stikstof aanbod van het tertiair materiaal, waarin nog geen organische bodem aanwezig is, opvangen door eigen stikstoffixatie en zijn hierdoor geschikte ‘nurse plant species’ voor bomen en struiken met een hogere nutriëntenbehoefte. Niet of matig geschikt door hun geringe zouttolerantie, zijn volgens Huvenne et al. (1996) en Šerá (2017): zomereik, linde, esdoornsoorten en naaldhoutsoorten, met uitzondering van zwarte den (Pinus nigra) die in het verleden ook veel gebruikt werd bij de bebossing van kustduinen. Vaatplanten die op basis van de indicatorwaarden van Ellenberg et al. (1992) en Hill et al. (1999) tolerant zijn voor een licht verhoogde saliniteit, staan opgelijst in Bijlage E. Ook bij de relatief lage waarden voor saliniteit die we hebben gemeten, is het aangeraden om in functie van een snelle vegetatieontwikkeling, door middel van bezaaiing, voornamelijk soorten uit deze lijst te gebruiken.

4.6.2. Ontwikkeling van een organisch rijke bodem De kleiige zanden van de formaties van Lillo en Kattendijk bevatten fossiele schelpen en zijn hierdoor kalkrijk. De bodem is rijk aan basen (calcium, magnesium, kalium, cf Tabel 3.18) en hierdoor potentieel geschikt voor een zeer groot aantal houtige soorten. Goed ontwikkelde bossen hebben echter een diepe organische bodem, die naast basen ook een stabiele voorraad aan stikstof en koolstof bevat (Leuschner & Rode, 1999; Rode 1999). Het uitwisselingscomplex van de organische bodem reguleert niet alleen de nutriëntenhuishouding en vastlegging van polluenten, maar draagt ook bij tot een verbetering van het vochtleverend vermogen van de bosbodem in de loop van de successie (Leuschner 2002). De aanwezigheid van glauconietklei in de tertiaire formaties afkomstig van Oosterweel kan beschouwd worden als een voordeel voor de bosontwikkeling na de landschapsbouw: hierdoor is de bodem beter in staat om nutriënten en bodemvocht vast te houden, wat het initiële gebrek aan organisch materiaal deels kan compenseren. Glauconiet is bovendien een belangrijke leverancier van kalium, die een aanvulling is van de Ca en Mg aangedragen door de schelpfagmenten. Pioniers zijn aangepast aan de specifieke kritische groeiomstandigheden van een minerale bodem: de lage uitwisselingscapaciteit, de beperkte beschikbaarheid van nutriënten (met name stikstof en fosfor) en het geringe vochtleverende vermogen (Greipsson, 2011). Wanneer een vegetatie van pioniers zich vestigt, kan de organische bodem zich geleidelijk aan ontwikkelen, zodat de groeiplaats geschikt wordt voor plantensoorten die hogere eisen stellen. Bij ecosysteemrestauratie, in het bijzonder het herstel van bos, kunnen pioniers geïntroduceerd worden om dit proces te versnellen. N‐fixerende soorten zoals soorten van de vlinderbloemenfamilie (Fabaceae) en elzen (Alnus spp.) worden hiervoor frequent gebruikt (Greipsson, 2011). De lijst in Bijlage E, met kruiden en houtige soorten die in beperkte mate tolerant zijn voor verhoogde saliniteit, geeft ook aan welke soorten in staat zijn tot N‐fixatie. Slechts een beperkt aantal inheemse boom‐ en struiksoorten is tot stikstoffixatie in staat: zwarte els, duindoorn, gaspeldoorn (op zure bodem) en brem (op zure bodem). Er kan ook ingezet worden op de combinatie ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 109 van 211


van N‐fixerende kruidensoorten, vooral van de vlinderbloemenfamilie (Fabaceae), met daartussen houtige pioniers die niet over dit vermogen beschikken (bij voorbeeld abelen of wilgen). Bijlage F geeft een overzicht van ecologische kenmerken van houtige soorten die na de landschapsbouw kunnen worden aangeplant, met kenmerken die voor de landschapsinrichting van belang zijn, zoals: de vorming van wortelopslag, stikstoffixatie, schaduwtolerantie en lichtbehoefte, ecologische amplitude voor zuurtegraad en vochtgehalte van de bodem, de aanwezigheid van stekels of doornen en een indicatie of ze als pionier kunnen worden ingezet. Om een snelle vestiging van vegetatie eb bosplantsoen mogelijk te maken dient de opperbodem los en humeus te zijn. Zaden kiemen immers beter in een luchtige bodem en profiteren van nutriënten die vrijkomen bij de mineralisatie van organisch materiaal. Groencompost, als eindproduct van een correcte compostering van houtachtige gewassen (houthaksel, takken, schors) is een ideaal product om de neogene bodems die uit de geolagen zullen ontstaan te voorzien van een startkapitaal aan nutriënten voor de bodembiota en vegetatie. Tevens wordt een natuurlijk microbioom met de groencompost ingebracht op de site. Het is vooral belangrijk dat de compost overwegend bestaat uit ligninehoudende componenten, zodat een stabiele humus wordt bekomen. Andere composten, zoals Groente‐, Fruit‐ en Tuinafval (GFT) wordt afgeraden voor natuurontwikkeling, omdat die ongewenste (rest)stoffen (pesticiden, herbiciden, fungi …) kunnen bevatten die nadelige effecten kunnen hebben op het bodemleven. Uit ervaring hebben we geleerd dat infrezen/inwerken van een ~10 cm laag GFT compost in de 20‐30 cm toplaag een significant bodemverbeterend effect heeft. Dit komt overeen met 35 g GFT compost per 100 g bodem (1/3 gewichtsaandeel) en ongeveer 850 ton groencompost (versgewicht) per ha aan ~1000 m³/ha. Op hellingen (>30%) kan met hydroseeding geëxperimenteerd worden waarbij mulches met zaadmengsels worden aangebracht. Gerichte experimentele proeven dienen ideale combinaties van organische matrices enerzijds en zaadmengsels anderzijds op punt te zetten. Eenmaal een vegetatie zich duurzaam gevestigd heeft op een helling zal de normale koolstofcyclus (strooiselinput, afsterven fijnwortels) het organisch gehalte in de bodem in stand houden. Een correcte humusbouw in de opperbodem is de sleutel tot succes voor de natuurinrichting en bebossing op geolagen.

4.6.3. Vochtleverend vermogen en waterhuishouding Door het reliëf en de variabele diepte van de ondoorlatende substraten, zal door de landschapsbouw een grote variabiliteit ontstaan in vochtbeschikbaarheid. De tolerantie van boomsoorten voor droogte is in hoge mate soortspecifiek en op basis van de fichier écologique (www.fichierecologique.be) en de F‐ indicatorwaarde (Hill et al. 1999) onderscheiden we drie groepen (Tabel 4.11). Deze driedeling kan helpen om voor elke groeiplaats een geschikt soortenpalet aan te planten, als de landschapsbouw voltooid is. Het is belangrijk na de landschapsbouw naast een textuurkartering ook de hydrologische condities in kaart te brengen (in feite komt dit neer op het aanvullen van de Belgische bodemkaart). Het vochtleverend vermogen van een bodemlaag die zich niet in het bereik van grondwater bevindt, wordt sterk bepaald door de textuur (capillaire opstijging) en het organisch materiaal (waterhoudend vermogen). De landschapsbouw voorziet plaatselijk ophogingen van meer dan 20 m boven de afdichtlaag, dus tot ver boven het bereik van een freatische grondwatertafel die zich boven de ondoorlatende afdichtlagen kan vormen. Het meeste bodemvocht zal dus door middel van (tijdelijk) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


stuwwater op de substraten aan de vegetatie geleverd worden. In droogteperiodes kan dit snel uitgeput geraken en dan worden best soorten gebruikt die tolerant zijn voor droogte (zie Tabel 4.11). Tabel 4.11. Droogtetolerantie van boomsoorten die in aanmerking komen voor aanplant in het projectgebied. Pioniersoorten, die beter in staat zijn om op minerale bodem te groeien en de bosontwikkeling op gang te trekken, zijn vet weergegeven. Een uitgebreide lijst is weergegeven in Bijlage F.

Droogtetolerantie

Soort

Hoge droogtetolerantie

wintereik, Spaanse aak, Noorse esdoorn, elsbes, winterlinde, zomerlinde, ruwe berk

Matige droogtetolerantie (mesofiel)

grauwe en witte abeel, haagbeuk, zomereik, tamme kastanje, gewone esdoorn, beuk, wilde appel, wilde lijsterbes, gladde iep, ruwe iep, zoete kers

Vochtbehoevend, geringe droogtetolerantie

zwarte els, ratelpopulier, schietwilg, fladderiep, zachte berk

In de centrale vallei (voorheen de vallei van de Potgatbeek) en aan de oostzijde waar een rietmoeras wordt ontwikkeld,zijn de ondoorlatende lagen/substraten op geringe diepte (< 1m) aanwezig. Door de afhelling van de afdichtlaag stroomt het grondwater in de richting van de centrale vallei en kan zich daar mogelijk een beekje vormen. In mindere mate gaat dit ook op voor het rietmoeras dat aan de oostkant wordt ontwikkeld: deze zone vangt het grondwater van een deel van de oostelijke heuvel, meer bepaald het deel dat ten oosten van de waterscheiding infiltreert (zie Figuur 42). Locaties die voldoende gevoed worden door grondwater, zijn geschikt voor boomsoorten met een hoge vochtbehoefte (zie Tabel 4.11). Op de hellingen kan gekozen worden voor mesofiele soorten, die een intermediaire vochtbehoefte hebben.

4.6.4. Stabiliteit en erosiegevoeligheid Een beperkte erosie na de landschaps(re)constructie kan bijdragen tot een natuurlijker en gevarieerd landschap, zoals we dat kennen in reliëfrijke streken in het zuid‐oost Vlaanderen. Door erosie zijn daar holle wegen, droogdalen of dellen, colluvium, en graften ontstaan (zie bijvoorbeeld Langohr, 2009). Beperkte erosie moet daarom niet als een probleem gezien worden ‐ en is wellicht onvermijdelijk ‐ maar omvangrijke (geul)erosie kan wel een probleem worden in volgende gevallen: 1. Het gewenste reliëf wordt sterk aangetast, waardoor bijvoorbeeld het rietmoeras snel verzandt 2. De worteldiepte tot het substraat wordt te klein, of het substraat komt zelfs bloot te liggen, waardoor bosontwikkeling moeilijker wordt. Voor winterlinde, één van de meest geschikte soorten om aan te planten op de hellingen en plateau’s in het projectgebied, moet gerekend worden op een doorwortelbare bodem van minimum 2m dik (Pigott 1991) 3. Door aanhoudende erosie kan de bosontwikkeling sterk vertraagd worden, omdat het plantgoed niet aanslaat. Het DHM dat het geplande landschap weergeeft, voorziet hellingen tot maximaal 40% wat correspondeert met een hellingshoek van 22°. De hoek van inwendige wrijving (storthoek) van droog zand bedraagt 34°, die van nat zand 45° (Beakawi Al‐Hashemi & Baghabra Al‐Amoudi, 2018). In theorie ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 111 van 211


stelt zich dus geen probleem, maar bij intense neerslag kan omvangrijke erosie ontstaan door de fysische werking van het afstromende water (runoff; zie bijvoorbeeld de foto hieronder).

Figuur 43. Bram Verschoren (DVW): geulvorming door afstromend water, in de afdeklaag waarmee het asbeststort tijdelijk werd afgedekt.

Omvangrijke erosie kan in de hand gewerkt worden door een aantal factoren die vooral kunnen inwerken net na de landschapsbouw: ‐ ‐ ‐

een verhoogde saliniteit van de bodem (verslemping); een geringe hoeveelheid organisch materiaal en de afwezigheid van een vegetatie die de bodem vasthoudt en de interceptie en infiltratie van neerslagwater verhoogt; een watervoerende laag die voor extra druk zorgt door uittredend water aan de voet van de hellingen.

Om de erosie binnen de perken te houden, kunnen volgen volgende technieken toegepast worden: ‐

‐ ‐ ‐

het landschap zo snel mogelijk vergroenen door het aanplanten of uitzaaien van pioniersoorten met een verschillende worteldiepte. Diep wortelende en stolonen vormende soorten dragen de voorkeur weg (zie bij voorbeeld honingklaversoorten als geschikte soorten). Voor het zaaien kunnen technieken zoals hydroseeding gebruikt worden. Innovatief is dit te testen met inheemse zaadmengsels, eventueel zelfs van bomen (bvb berk, els); aanplant van houtkanten evenwijdig aan het reliëf, om de erosiekracht van het afstromende water te beperken; aanbrengen van een organische bodembedekking, zoals mulch of GFT compost; aanplanten van soorten die wortelopslag vormen en zo hellingen stabiliseren. Traditioneel werd bij bermen van bruggen en taluds vaak gebruik gemaakt van robinia, maar dit is een invasieve exoot en het is dus niet wenselijk om deze soort nog te gebruiken. Geschikte alternatieven (Inheemse soorten of archaeofyten) die eveneens wortelopslag vormen, zijn: veldiep, rode kornoelje, Europese vogelkers, witte en grauwe abeel of ratelpopulier, sleedoorn;

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


‐

zorgen voor een geleidelijke ‘uitloop’ van de helling in de vallei en aan het rietmoeras, waar het substraat rust op de watervoerende laag. Deze zone is immers zeer gevoelig voor afschuiving, door de druk van het uittredend grondwater.

4.6.5. Zuurtegraad/kalkgehalte van de aangebrachte substraten Aangezien de aangevoerde tertiaire materialen (formaties van Lillo, Kattendijk en Berchem) kalkrijk zijn en een hoge pH hebben, is het aantal potentieel geschikte boomsoorten voor bosontwikkeling bij gebruik van deze bodem groot. De Boomse klei daarentegen bevat pyriet, dat door oxidatie aanleiding geeft tot verzuring en vrijstelling van sulfaten. Dit verklaart gedeeltelijk de geringe biodiversiteit van waterplassen die in de Boomse klei zijn uitgegraven en kan mogelijk ook verklaren waarom plaatselijk veenmossen werden waargenomen in de broekbossen (zie 3.1.5). De Boomse klei is niet alleen zuur maar ook bijzonder compact; voor de ontwikkeling van bos en rietland is dit een ongunstige combinatie. Op de Schelde rechteroever, ter hoogte van de plaat van Boomke, is een dijk van 2.8 km lang opgebouwd uit Boomse klei waar al 5 jaar quasi niets op kan groeien, tenzij Japanse duizendknoop en wat riet (bodempH < 3.5, EC > 2700 µS/cm, meer dan 10000 mg/kg sulfaat). Door het ontbreken van een (gras)vegetatie erodeert de Scheldedijk (Figuur 44, rechts) met erosiegeulen tot 30 cm diepte. DVW i.s.m. INBO gaat de dijk begroenen door toepassing van een mengsel van GFT compost en een graszaadmengsel. Praktijkproeven waren succesvol en worden opgeschaald. Belangrijke conclusie uit dit praktijkgericht onderzoek: zoveel mogelijk dagzomen (risico voor permanente oxidatie) van Boomse klei vermijden.

Figuur 44. De sulfaatdijk langs de Scheldelaan, A’pen RO: vegetatie maakt geen kans op deze dijk van pyriethoudende Boomse klei. Zonder vegetatie tast geul‐erosie het dijklichaam aan.

De verzurende werking van de Boomse klei, die als afdichtlaag toegepast kan worden bij de landschapsbouw, kan gedeeltelijk gebufferd worden door afdekking met de kalkhoudende tertiaire zanden. De afdekking voorkomt vrijstelling aan de lucht en kan bijgevolg oxidatie van het pyriet afremmen, waardoor weinig sulfaat wordt gevormd. Het beperkt vrijkomen van verzuringsproducten kan mogelijks voldoende gebufferd worden door de oplossing van schelpkalk uit de tertiaire zanden bovenop de Boomse klei. De zanden kunnen als substraat ook veel vlotter doorworteld worden door bomen en riet, dan rechtstreeks in de Boomse klei. Wij raden daarom aan om ook op de laagste plaatsen (de centrale vallei, het rietmoeras), de Boomse klei af te dekken met tenminste 50 cm kalkhoudende tertiaire zanden. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 113 van 211


De hoge zuurtegraad (pH > 8) van de Fm van Li en Kd kan wel de plantbeschikbaarheid van bepaalde macro‐ en micronutriënten beperken (Figuur 35). Dit zal vastgesteld kunnen worden door gebreksverschijnselen op bladeren van bomen en struiken, zoals vergeling en bladnecrosen. Gerichte bladanalyses kunnen de voedingstoestand evalueren en de tekorten aan specifieke nutriënten aangeven.

4.6.6. Bestrijding van invasieve (Japanse) duizendknoop De opslag van invasieve duizendknoop, die her en der is vastgesteld in en rond het asbeststort, is een bedreiging voor de vegetatieontwikkeling na de landschapsbouw. Invasieve duizendknoop verbreidt zich enkel via wortelstokken en kan een breed spectrum van groeiplaatsen koloniseren, van lichtrijk tot (half)schaduw. Invasieve duizendknoop is zeer moeilijk te bestrijden als de soort eenmaal aanwezig is. Mogelijke bestrijdingswijzen worden besproken op https://www.ecopedia.be/planten/japanse‐ duizendknoop‐sachalinse‐duizendknoop‐en‐boheemse‐duizendknoop). De twee methodes die voor het projectgebied het meest in aanmerking komen, zijn afgraven en aanplant van competitieve inheemse (houtige) soorten. Het grondverzet in het kader van de geplande landschapsbouw houdt het risico in dat de soort over het gehele projectgebied verspreid wordt. Het onbegroeide landschap zou dan snel door invasieve duizendknoop ingepalmd kunnen worden, alvorens inheemse soorten zich kunnen vestigen. Anderzijds bieden de geplande grondwerken de gelegenheid om invasieve duizendknoop grondig aan te pakken, door de groeiplaatsen uit te graven (min. 0,5 ‐ 0,75m diep) en de grond die met wortelstokken “biologisch vervuild” is, diep te begraven. Groeiplaatsen die niet vergraven zullen worden, kunnen eventueel beplant worden met competitieve inheemse bomen en struiken. De aanplant van een bomen‐ of een struikengordel rondom of langsheen invasieve duizendknoop helpt om de haard in te dijken. Ook het vlakdekkend beplanten van een terrein met bomen en/of struiken maakt een ecosysteem weerbaarder tegen invasieve duizendknopen (https://www.ecopedia.be/beheermaatregel/inbrengen‐bevorderen‐van‐met‐invasieve‐duizendknoop‐ concurrerende‐vegetatie). In het bijzonder wintergroene soorten en soorten met een zeer hoge schaduwdruk zouden hiervoor in aanmerking kunnen komen: hazelaar, inlandse vogelkers (loopt zeer vroeg uit én vormt wortelopslag), haagbeuk, hulst en taxus. De wintergroene soorten hulst en taxus zijn echter trage groeiers. Houtige soorten die relatief veel licht doorlaten en voor halfschaduw zorgen, zoals bij voorbeeld zwarte els, Gelderse roos, rode kornoelje, meidoorn, kunnen wellicht invasieve duizendknoop niet volledig onderdrukken.

4.6.7. Landschappelijke isolatie Heel wat soorten uit bossen zijn afhankelijk van een continue aanwezigheid van bos, in de tijd en in de ruimte. De volledigheid van bosecosystemen wordt bijgevolg in hoge mate verklaard door continuïteit van de habitat (De Keersmaeker 2013). Soorten met een sterke binding aan langdurig beboste locaties ‐ de zogenaamde oude bossen ‐ zijn te vinden in vele groepen, maar wellicht het best gekend zijn de oudbosplanten (zie de lijst van Cornelis et 2009). Ook bij de kevers, pissebedden, fungi, mossen en vleermuizen zijn soorten gekend die meer of exclusief in oude bossen te vinden zijn. De sterke binding van soorten met oude bossen heeft uiteenlopende redenen: vele soorten verbreiden zich slechts langzaam en hebben een geringe overlevingskans buiten bos, of ze zijn gebonden aan specifieke microhabitats of milieuomstandigheden, die vooral in langdurig beboste locaties te vinden zijn. Dit impliceert dat recent ontstane bossen die geïsoleerd liggen van oude bossen, zich veel minder gunstig ontwikkelen dan gelijkaardige bossen die aansluiten bij oude bossen. Dit is veelvuldig aangetoond voor de vegetatie van bossen (zie bij voorbeeld Jacquemyn et al, 2003), maar recent werd ook aangetoond ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


dat connectiviteit de ontwikkelingskansen voor mycorhizzagemeenchappen van recent ontstane bossen mee bepaald (Boeraeve et al. 2018). De bossen in het projectgebied zijn recent ontstaan en liggen bovendien geïsoleerd van oude bossen. Zonder introductie zal zich na de landschapsbouw slechts een beperkte pool van mobiele soorten vestigen in het nieuw ontwikkelende bos. Er kan daarom overwogen worden om soorten te introduceren, of om bosbodem te transplanteren om zo het projectgebied te ‘inoculeren’. De kalkrijke grond die gebruikt wordt voor de landschapsbouw in het projectgebied, biedt de mogelijkheid om een rijke voorjaarsflora te ontwikkelen en dit kan bijdragen tot de ecologische en recreatieve waarde van het gebied. In een volgend onderdeel beschrijven we een aantal referentiebeelden voor bos‐ en natuurontwikkeling op een gelijkaardige bodem. Introductie door zaaien of planten mikt vaak op aantrekkelijk bloeiende soorten en gaat voorbij aan de bodembiodiversiteit, waarvoor eveneens aanzienlijke verschillen tussen oude en recente bossen werden vastgesteld (zie bijvoorbeeld mycorrhiza hierboven in Boeraeve et al, 2018). Transplantatie is een techniek die nog maar weinig werd onderzocht, maar die wel perspectieven biedt om een vollediger bosecosysteem te ontwikkelen, met inbegrip van bodembiodiversiteit. De evaluatie van een transplantatie van bos op kalk in het zuiden van Engeland (kanaaltunnel), leert dat de abiotiek van de donor‐ en receptorsite goed op elkaar moeten afgestemd zijn, om overleving van de kenmerkende plantensoorten te garanderen (Buckley et al. 2017). Ook de lichtcondities bleken in het onderzoek van Buckley et al. (2017) erg belangrijk te zijn voor de overlevingskansen van de geïntroduceerde soorten. Het is daarom aan te bevelen om introductie pas te overwegen, nadat zich een gesloten kronendak heeft ontwikkeld.

4.6.8. Referentiebeelden voor landschapsontwikkeling (terrestrische habitats) De vegetatie van graslanden, struwelen en bossen op kalkrijke, kleiige bodem kan bijzonder soortenrijk zijn. Hieronder beschrijven we enkele natuurgebieden die een referentie kunnen zijn voor de graslanden, struwelen en bossen die zich in het projectgebied kunnen ontwikkelen Bos van Ranst (Zevenbergenbos en Muizenbos) Tussen de dorpskern van Ranst en het Albertkanaal liggen een aantal oude, goed ontwikkelde bossen op een zandlemige bodem, met als belangrijkste het Muizenbos (eigendom ANB) en het Zevenbergenbos (in beheer van Natuurpunt). De formatie van Lillo dagzoomt hier als een kleizand substraat met een wisselend gehalte aan fossiele schelpresten (De Keersmaeker et al. 1995). De kalkrijke glauconiethoudende bodem in het bos van Ranst lijkt in textuur wellicht sterk op het materiaal dat op het Oosterweeltraject wordt uitgegraven, maar het vochtgehalte in het projectgebied zal door de geplande topografie en stratigrafie meer variatie vertonen dan in Ranst, waar de kleiige bodem vochtig tot nat is. De bossen in Ranst hebben een uitbundig voorjaarsaspect en zijn hierdoor erg soortenrijk. Deze bossen kunnen in de indeling van Cornelis et al. (2009) getypeerd worden als een Iepen‐Essenbos met aalbes en groot heksenkruid (type E1), een Essen‐Elzenbos met gevlekte aronskelk (D6) en lokaal op wat minder kalkrijke delen als een Essen‐Eikenbos met gewone salomonszegel en wilde kamperfoelie (type G3). In de kruidlaag van deze bossen vinden we: slanke sleutelbloem, bosanemoon, heelkruid, bosviooltjes, eenbes, gewone vogelmelk, gele dovenetel, grote keverorchis, grote muur, herfsttijloos, bosgierstgras, witte klaverzuring, gulden boterbloem, etc. De meeste van deze soorten zijn oudbosplanten, die gebonden zijn aan langdurige bebossing en moeilijk nieuwe, geschikte terreinen koloniseren. De kalkrijke tijdelijk vochtige bodem van het bos van Ranst is ook geschikt voor een groot aantal soorten bomen en struiken: es, grauwe abeel, veldiep, haagbeuk, vogelkers, Spaanse aak, gewone esdoorn, Noorse esdoorn, winterlinde, taxus, zomereik, beuk, zoete kers, cultuurpopulieren, rode kornoelje, kardinaalsmuts, zwarte els, trosvlier, hazelaar, bosroos. Verder naar het noordoosten, in de regio ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 115 van 211


Zoersel‐Zandhoven, zijn op gelijkaardige standplaatsen ook autochtone individuen van fladderiep en wegendoorn aanwezig. Duinbossen en ‐struwelen. Goed ontwikkelde bossen op droge tot matig vochtige, kalkrijke bodem zijn bijzonder schaars in Vlaanderen. De bodem van de kalkrijke kustduinen is wellicht zandiger en minder kleirijk dan die van het toekomstige projectgebied, maar de vegetatieontwikkeling in de duinen kan een referentie zijn voor de droogste locaties in het projectgebied. De bossen aan de kust zijn allemaal relatief recent ontstaan en de soortensamenstelling, in het bijzonder die van de kruidlaag, is daardoor onvolledig. Het oudste en best ontwikkelde duinbos is het Calmeynbos, een bebossing uit het begin van de 20ste eeuw in De Panne (Zwaenepoel et al., 2004). Dergelijke duinbossen worden door Cornelis et al. (2009) getypeerd als een esdoornen‐abelenbos met veldhondstong en witte winterpostelein (type A1). Van de oorspronkelijke aanplant uit het begin van de 20ste eeuw blijven sporadisch nog zomereik, beuk, gewone es, haagbeuk, winterlinde, paardekastanje, fladderiep, en kraakwilg over, maar deze soorten verjongen zich weinig. Ook ruwe iep en veldiep zijn in vitale populaties aanwezig. Gewone esdoorn werd in het Calmeynbos eveneens aangeplant en verjongt zich wel zeer talrijk (Zwaenepoel et al., 2004). De struwelen die zich spontaan in open kalkrijke duinen van de westkust ontwikkelen, zijn erg soortenrijk, met als opmerkelijke soorten: rode kamperfoelie, kardinaalsmuts, wollige sneeuwbal, bosrank, zuurbes, wegendoorn, donzige eik, palmboompje, elsbes, wilde liguster, boskdoorn. Lokaal hebben zich volgende soorten in de kruidlaag van de bossen en struwelen gevestigd: wilde narcis, welriekende salomonszegel, mannetjesorchis, wilde akelei, glad parelzaad, donderkruid, gulden sleutelbloem, slanke sleutelbloem, diverse parelgrassoorten, en tongvaren (Zwaenepoel et al., 2004). Mergelbossen In het zuiden van Limburg (Haspengouw) en op de St. Pietersberg liggen enkele kleine oude bossen, met een goed ontwikkelde kruidlaag op mergel. Mergel is een poreus krijtgesteente dat verweert tot een kalkrijke klei. In het Hasselbos (Tongeren) is de bodem vrij vochtig, omdat de mergel afgedekt wordt door leem en klei. In dit bos vinden we een flora die sterk gelijkt op die van het Muizenbos (Ranst), maar met als extra soorten: ruig klokje, wrangwortel, mannetjesorchis en welriekende nachtorchis. Bij de struiken, bomen en lianen zijn Spaanse aak, wilde liguster en bosrank te vermelden. Het Overbos en Noorderbos op het plateau van Caestert (Riemst) zijn 2 bosjes op mergel die getypeerd worden als een Esdoornen‐Essenbos met kruisbes en bosrank (F1) volgens Cornelis et al. (2009). Kenmerkende bomen en struiken van dit type zijn: bosrank, klimop, Noorse esdoorn, ruwe iep, Spaanse aak, es, gewone esdoorn, rode kamperfoelie, gele kornoelje, rode kornoelje. De mergelbossen in het zuiden van Limburg kunnen door een aangepast beheer rijk zijn aan orchideeënsoorten, zoals bruine orchis en bosvogeltjes. Kanaalbermen van Moen Het kanaal Kortrijk‐Bossuit is ter hoogte van Moen (Zwevegem) uitgegraven in kalkrijke Ieperiaanse klei en met dit materiaal is een heuvel van 26 ha opgebouwd, waarop het Orveytbos werd aangeplant. Meer naar het westen, dichter bij Kortrijk, ligt het Kennedybos op gelijkaardige kalkrijke bodem. De graslanden op de kanaalbermen liggen op een vochthoudende kleibodem, waar lokaal ook grondwater uittreedt. De graslanden die zich door deze abiotiek hebben ontwikkeld, zouden een referentie kunnen zijn voor de open vegetatie in het projectgebied, op de kalkhoudende en kleirijke zanden van de Formaties van Lillo en Kattendijk. Enkele van de bijzondere soorten die in Moen voorkomen, zijn: vleeskleurige orchis, rietorchis, moeraswespenorchis, bijenorchis, soldaatje, parnassia, grote keverorchis, zomerbitterling, ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


wilde marjolein, kleine pimpernel, kattendoorn, en reuzenpaardstaart (Van den Bussche 2012). Het is opmerkelijk dat zich even buiten het projectgebied, reeds een aantal soorten van kalkgrasland hebben gevestigd, namelijk: hondskruid, bosorchis, bijenorchis en zomerbitterling (waarnemingen.be). Deze soorten kunnen zich wellicht in het gebied verspreiden, als de bodem voldoende kalkrijk is. Kennedybos (Kortrijk) en Keizersberg (Marke) Gelijkaardig aan het Orveytbos is bij de aanleg van de E‐17 ter hoogte van Kortrijk de kalkrijke Ieperiaanse klei gestockeerd op een 14 ha groot terrein langs deze autosnelweg. Dit terrein werd bebost in 1971 en kent aldus een langere ontwikkelingsgeschiedenis dan het vrij gelijkaardige Orveytbos te Moen. Het aangeplante bos bestaat vooral uit zomereik, haagbeuk, berk, beuk en winterlinde en in de bosranden vindt men vooral eenstijlige meidoorn, gewone vlier, kardinaalsmuts, wilde rozen en sleedoorn terug. In de pioniersfase van dit terrein werden een 10‐tal soorten orchideeën gevonden. Door de verdere successie en de ontwikkeling van het bos verdwenen de meeste soorten. Door een aangepast beheer komen nu nog soorten als rietorchis, gevlekte orchis, breedbladige wespenorchis en hondskruid voor in het gebied. In de nabijheid van het Kennedybos maar aan de andere kant van de E‐17 kan men op de flanken van de Keizerberg een zeer bloemenrijke vegetatie vinden op een voormalige kleiontginning. De vegetatie bestaat er vooral uit mesofiele graslanden met knoopkruid en margrieten en kent door de spontane ontwikkeling een gevarieerde structuur met de vorming van doornstruweel. Verder worden er soorten van kalkbodems gevonden zoals donderkruid. De site bevatte eind vorige eeuw nog soorten als zomerbitterling en bijenorchis. De site van de Keizersberg vormt momenteel onderdeel van het Preshoekbos.

4.6.9. Specifieke vereisten voor rietmoeras en andere aquatische habitats Op de locatie waar zich momenteel de visvijvers (ANTRUM0026, ‐0041, ‐0047, ‐0048 en ‐0171; Figuur 32) bevinden, in het oosten van het studiegebied, wordt na inrichting een complex van rietmoeras en ondiep water voorzien van ongeveer 3 ha groot. Deze zone moet enerzijds een onderdeel worden van de natte corridor in het gebied voor de otter die aansluit bij de noordoostelijk gelegen plassen en anderzijds typische soorten van (riet)moerassen kunnen huisvesten. Om deze doelstellingen te kunnen realiseren is een vrij gevarieerd moerasgebied nodig, waarin verschillende types rietland aanwezig zijn, gecombineerd met plassen en eventueel andere moerastypes, zoals grote zeggenvegetaties. Een deel van het rietland zal doorsneden moeten worden door een netwerk van diepere greppels. De verhouding tussen het aandeel moeras en open water kan bepaald worden op respectievelijk ca. 2/3 en 1/3. De verschillende types rietland komen enkel voor wanneer een vrij geleidelijke overgang van land naar open water kan bekomen worden. Hierbij groeit op de oeverzones landriet, eventueel in combinatie met wilgenkoepels en grote zeggenvegetatie. In ondiep water kan zich overgangsriet ontwikkelen en verder naar het open water toe kan zich waterriet ontwikkelen. Deze drie riettypes zijn van belang voor het bereiken van de doelstellingen met betrekking tot het bekomen van een diverse moerasfauna. Er zal ten opzichte van het waterpeil, van noord naar zuid, een geleidelijk aflopend bodemprofiel moeten worden gerealiseerd. Het verloop kan van noord naar zuid in 3 zones worden ingedeeld. In het noorden wordt circa een kwart van de oppervlakte voorzien voor landriet, grote zeggevegetaties en wilgenstruweel. In deze zone staat het waterpeil in de winter net boven of gelijk aan het maaiveld, maar staat het in de rest van het jaar er net onder. In een tweede, aansluitende, grotere zone wordt overgangsriet beoogd. In dit deel dient het water in het grootste deel van het jaar boven het maaiveld te staan, maar valt in de zomermaanden valt deze zone droog. In een derde van het gebied wordt naar voldoende waterriet gestreefd in combinatie met open water (resp. ca. 1/3 en 2/3). De open waterzones worden best tot enkele meters diep ingericht, zodat ze niet volledig dicht groeien, met een geleidelijk aflopend profiel ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 117 van 211


richting overgangsriet. Vanuit het overgangsriet tot op een diepte van ca. 1 meter kan zich waterriet ontwikkelen. Dit riet staat het jaar rond onder water en is het best vrij ijl van structuur. Het is van belang om in de zones met moeras‐ en waterriet een netwerk van diepere greppels te voorzien van ± 3 meter breed en ± 2 meter diep. Op deze manier wordt de foerageeroppervlakte voor moerasvogels sterk uitgebreid en worden delen van het rietland vrijwel onbereikbaar voor predatoren. Het gebied zal vanuit het noorden gevoed worden door een klein beekje met een, naar inschatting beperkt debiet. Uit een éénmalige meting in het voorjaar van 2018 (Van Damme & Vergauwe 2019; ‘voeding baggertuigplas’) blijkt dit stroompje vrij ijzerrijke kwelwater af te voeren; het water heeft een vrij hoge geleidbaarheid en alkaliniteit, met hogere concentraties calcium, chloride en sulfaat. De nutriëntenconcentraties lijken mee te vallen (cf. ook de bepalingen voor de Baggertuigplas in maart en juli). Een vrij constante voeding zou kunnen zorgen voor voldoende water en zou bovendien voor doorstroming kunnen zorgen van het systeem van noord naar zuid. Door een stuwsysteem aan de zuidkant van het moeras/plas‐zone te voorzien kan het waterpeil worden ingesteld in functie van de doelen en het beheer (bv. maaien of ruimen). Een beperkt beeld van de kwaliteit van het aangevoerde water doorheen het jaar en onduidelijkheid over het potentiële debiet van het beekje zijn nog belangrijke kennishiaten in verband met een dergelijke inrichting. Zowel voor de ontwikkeling van de moerasvegetaties, als voor de kwaliteit van het water in het moeras, is de keuze van het substraat belangrijk. Hiervoor kunnen de bevindingen onder 4.5.3.2 worden gevolgd, waarbij gekozen wordt voor gronden uit de Formatie van Kattendijk. Doordat de vegetatie in het moeras/plas‐gebied relatief veel strooisel zal produceren, wordt er na verloop van tijd in grote delen een organisch pakket gevormd. Gezien de aanvoer van vrij sulfaatrijk water (500‐600 mg/l) is dit op termijn een ideale situatie voor de ontwikkeling van een sulfiderijke moeras‐ en waterbodem. Echt vergelijkbare systemen die als referentie in aanmerking komen lijken er in Vlaanderen momenteel niet te zijn.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


5. CONCLUSIES 5.1. TOESTAND EN ECOLOGISCHE KWALITEIT HUIDIGE BOS Het huidige bos in het projectgebied heeft alle kenmerken van een spontaan, recent ontwikkeld pionierbos. De leeftijd van de bomen is gering (enkele decennia) en vlot verbreidende pioniers (berken en wilgen) domineren. Door de afwezigheid van bosbeheer voltrekt zich een natuurlijke stamtalreductie met een behoorlijke hoeveelheid dood hout, weliswaar van geringe dimensies, als resultaat. Ook de kruidlaag herbergt slechts een beperkt aantal, vlot verbreidende soorten. De ecologische waarde van het bos situeert zich vooral in volgende aspecten:   

de avifauna die typisch is voor halfopen parklandschappen, zoals nachtegaal en zomertortel de aanwezigheid van een diverse epifytengemeenschap op pionierboomsoorten (wilgen en berken) de specifieke groeiplaatsen voor bijzondere soorten: nat en zuur bos met veenmossen en kleihoudende steilranden met een groot aantal vrij zeldzame varensoorten

De aanwezige epifyten, mossen en varens vallen gedeeltelijk buiten het projectgebied, of situeren zich in een zone die niet wordt vergraven. De varens langs de Hoogstraat kunnen eventueel tijdelijk uitgegraven worden en op dezelfde locatie getransplanteerd worden, nadat de talud is gestabiliseerd. Globaal genomen bestaat de biodiversiteit van het projectgebied dus vooral uit mobiele soorten, die in sommige gevallen wel hoge eisen stellen aan de habitat of groeiplaats en om die reden vrij zeldzaam zijn, maar die relatief goed in staat zijn om nieuwe geschikte groeiplaatsen te koloniseren. Door de geplande landschapsbouw wordt het bos in het projectgebied ‘gereset’ en zullen een aantal groeiplaatsen verdwijnen. Na de ingreep ontstaat echter een gevarieerd landschap, met steile hellingen in verschillende windrichtingen wat leidt tot een hoge variabiliteit in luchtvochtigheid, en dit op kalkrijke, zandige tot kleihoudende, droge tot natte bodem. Wellicht zal het projectgebied opnieuw vanzelf gekoloniseerd worden door veeleisende mobiele soorten. Daarenboven zal door aanplant en introductie een vollediger bosecosysteem ontstaan, met traag verbreidende houtige soorten en kruiden die kenmerkend zijn voor oude bossen met een geringe vervangbaarheid. De methodiek die hierboven werd beschreven, streeft naar een balans tussen gericht ingrijpen (door aanplant of inzaaien van pioniers, aanplant van kloempen met climaxsoorten, introductie van oudbossoorten) en spontane ontwikkeling, waarbij de geïntroduceerde soorten de geschikte groeiplaatsen in het projectgebied verder koloniseren. Het huidige bos heeft zich gevestigd op artificiële standplaatsen, die voor minstens de helft van de oppervlakte bestaan uit ondiepe bodems met puin, baksteenresten, asbest‐afval, gipshoudende materialen of gedegradeerd huisvuil. Dit leidt tot milieurisico’s en slechte hydrologische condities (bvb op huisvuilstort) wat een duurzame bosontwikkeling hypothekeert en perturbaties door droogte en storm in de hand werkt (veel sterfte en windworp op huisvuilstort). Bij toenemende hittegolven, neerslagtekorten (droogte) en stormen zijn grote delen van het huidige bos niet voldoende klimaatrobuust. Het huidige bos heeft momenteel vooral een sociale/recreatieve functie, wat duidelijk de nood aangeeft aan toegankelijk groen in de directe nabijheid van de woongebieden (Terhagen, Rumst, Boom). In deze tijd van Corona‐pandemie is eens te meer aangetoond hoe belangrijk dit is voor de bevolking. Het omvormen van het huidige pioniersbos naar een meer gevarieerd boscomplex met plaats voor open terrestrische en aquatische natuur (rietvijver) zal niet alleen de belevingswaarde van deze natuur ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 119 van 211


substantieel kunnen verhogen voor de wandelaars (zachte recreatie), maar ook betere garanties geven dat deze habitats duurzaam in stand gehouden en beheerd kunnen worden.

5.2. GESCHIKTHEID VAN BODEMMATERIALEN VOOR BOSONTWIKKELING De tertiaire geolagen van de Formaties van Lillo (Li), Kattendijk (Kd), Berchem (Bc) en Boom (Bm)werden door ons primair gescreend op hun geschiktheid voor de landschapsreconstructie en gebruik als bodemvormende materialen voor bos‐ en natuurinrichting. Globaal kan gesteld worden dat voor bodemontwikkeling in de bovenste meter best een combinatie van Li en Kd kan gebruikt worden. Dit zal zorgen voor voldoende bodemvariatie naar textuur (van zand tot lichte klei) en waterbergend vermogen. Deze geolagen bevatten milieu‐veilige concentraties aan zware metalen en zijn voor het bekeken Oosterweel transect wellicht niet belast met problematische concentraties aan chloriden en sulfaten (EC < 500 µS/cm). Wel is hun pH hoog (pH>8) zodat mogelijks gebreksverschijnselen aan nutriënten kunnen optreden, maar anderzijds is hun kalkbuffer remediërend voor de sulfaatproblematiek veroorzaakt door de pyriethoudende Boomse klei in het gebied. De kalkrijkdom is positief voor het ontwikkelen van kalkrijke bosecotypes, die zeer zeldzaam zijn in Vlaanderen (uitzondering Voerstreek), waar we vooral bossen op verzuurde en sterk verweerde bodems kennen. Dit biedt mogelijkheden voor kalkminnende plant‐ en diersoorten. De geolagen zullen pas ‘bodems’ kunnen worden indien voldoende organisch materiaal wordt ingebracht (humusbouw), enerzijds op natuurlijke wijze (door de vegetatie), anderzijds door menselijk ingrijpen (inwerken van geschikte mulchings en/of groencompost) als startkapitaal aan nutriënten en incubator voor het bodemleven. Wij raden gebruik van de geolagen Formatie van Berchem (Bc) en Boomse klei (Bm) af als bodemmateriaal (0 ‐ 1m). De eerste omwille van een vrij hoog (natuurlijk) gehalte aan chroom, de tweede omwille van vorming van sulfaten wanneer die pyriethoudend is. Bc materiaal wordt wel geschikt geacht als substraat (1‐1,5 m). Wanneer die rijk is aan glauconiet kan die waterstuwende eigenschappen hebben en tevens een bron van kalium en andere voedingselementen zijn. Als substraat worden eventuele verhoogde concentraties aan Cr gereduceerd gehouden zodat geen toxisch hexavalent Cr kan ontstaan. De beperkte hoeveelheid Boomse klei die beschikbaar komt is vooral nuttig als afdekking van de stortplaatsen in de diepe ondergrond en bedding van de Potgatbeek vallei, of dieper onder het rietmoeras, maar het wordt afgeraden deze te laten dagzomen zodat oxidatie van pyriet kan optreden.

5.3. KSF BOS‐ EN NATUURONTWIKKELING 5.3.1. Bosontwikkeling Na de landschapsbouw ontstaat een reliëfrijk landschap, met kalkrijke zanden van tertiaire oorsprong, die arm zijn aan beschikbare fosfor en aan stikstof. Dit is een gevolg van de afwezigheid van organisch materiaal en van bemesting en door het van nature hoge gehalte aan kalk en ijzer, die beide fosfor binden in aërobe omstandigheden. Op basis van eigen metingen mag worden verondersteld dat de aangevoerde geolagen uit de kanaaltunnels en ring geen sterk verhoogde saliniteit vertonen, waardoor bosontwikkeling vertraagd zou worden. De vochtvoorziening van de zandige bodem kan echter een knelpunt zijn en wordt bepaald door de hoogte van de landschapsbouw en de diepte van het substraat dat zal moeten fungeren als waterstuwende laag. De kalkrijkdom en de geringe beschikbaarheid van nutriënten zijn gunstige eigenschappen voor de ontwikkeling van een ecologisch waardevol, soortenrijk bos op middellange tot lange termijn. In eerste instantie kan deze geringe beschikbaarheid van stikstof en fosfor een snelle bosontwikkeling afremmen, vooral omdat het samengaat met andere factoren, ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


namelijk een hoog risico op erosie langs de steile hellingen en een geringe vochthoudend vermogen vooral wanner de bodems zeer zandig zijn. Dit kan op de hooggelegen delen tot droogtestress leiden tijdens droogteperiodes. Om deze risico’s op te vangen en de bosontwikkeling snel op gang te brengen, raden we aan om de vestiging van een pioniervegetatie actief te stimuleren, via aanplant en bezaaiing. Het is eveneens aangewezen om in een tweede fase ook climaxsoorten aan te planten. Pioniers zijn aangepast aan de specifieke omstandigheden van het onbegroeide landschap, en versnellen de vorming van een groeiplaats en bosklimaat dat geschikt is voor de vestiging van veeleisende climaxsoorten, die later in de successie de overhand kunnen nemen in het bos. Zonder actief ingrijpen kan de ontwikkeling van een bos decennia op zich laten wachten, en vele climaxsoorten die zich moeizaam verspreiden, zullen zich wellicht niet spontaan vestigen. De lijst in Bijlage F geeft een aantal ecologische kenmerken weer van houtige soorten – met een onderscheid tussen pioniers en climaxsoorten ‐ die in het projectgebied kunnen worden ingezet: ‐ ‐ ‐ ‐

de ecologische amplitude voor vocht (F getal), bodem pH (R getal)en voedselrijkdom (N getal) van de bodem, volgens de indicatorwaarden van Ellenberg et al. (1992) en Hill et al. (1999); het stikstoffixerend vermogen; de vorming van wortelopslag; de beschikbaarheid van autochtone zaadbronnen. De locatie van autochtone zaadbronnen en de beschikbaarheid van autochtone soorten in de handel moet evenwel geverifieerd worden (zie https://www.natuurenbos.be/autochtonebomen#contact of via contact met de kwekers van bosplantsoen).

De pioniers voor bosontwikkeling, zowel houtige soorten (Bijlage F) als kruiden (Bijlage E), beschikken over volgende eigenschappen: ‐

‐

‐

Pioniers hebben een geringe behoefte aan nutriënten (in het bijzonder voor N en P), maar zijn aangepast aan een kalkrijke bodem. In de lijst van geschikte kruiden die tevens tolerant zijn voor een licht verhoogde saliniteit (bijlage E), zijn vooral vlinderbloemen (Fabaceae) aan te bevelen omdat ze als ‘groenbemester’ de groeiplaats voor veeleisende soorten geschikt maken. Pioniers kunnen zich vestigen op open, onbeschutte, minerale zandbodem die tijdelijk sterk kan uitdrogen. Op de hooggelegen delen en bovenaan de steile flanken wordt best gekozen voor soorten die tolerant zijn voor droogte. Pioniers kunnen met hun wortels de bodem vastleggen en erosie voorkomen. Houtige soorten met wortelopslag zijn bijzonder geschikt om een helling te fixeren.

We stellen volgende concrete acties voor om de ontwikkeling van een gevarieerd bosecosysteem zo snel mogelijk op gang te brengen, waarbij gefaseerd pioniers en climaxsoorten worden geïntroduceerd: 1. Hydroseeding van de steilste hellingen (> 30%) – gesitueerd in de vallei op het voormalige traject van de Potgatbeek (Figuur 45) – en dit zo snel mogelijk na de afronding van de landschapsbouw. Hiervoor wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van vlinderbloemen (Fabaceae) uit de lijst in Bijlage E. Als drager van de hydroseeding kan gebruik gemaakt worden van stro mulch. Deze mulch beschermt tegen de eroderende werking van afstromend neerslagwater en verhoogt tegelijk het organische stofgehalte van de bodem, wat gunstig is voor de vegetatieontwikkeling. Het zadenmengsel kan eventueel ook houtige soorten bevatten, voor zover deze als zaad verkrijgbaar zijn. Op de minder steile hellingen en plateaus kan oppervlakkig groencompost ingebracht worden om de bulk dichtheid van de bodem te verlagen en het bodemleven te activeren. Kieming van zaden zal veel gemakkelijker verlopen en de bodems zullen minder snel uitdrogen. Bovendien zal bodemvorming worden geïnitieerd en de bodemstructuur verbeteren. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 121 van 211


2. Aanbrengen van een verdichte bodemlaag als substraat in de heuvels, op een diepte van 1 ‐ 1,5 m. Deze compacte laag bestaande uit glauronietrijke Bc materialen kan de infiltratie van neerslagwater vertragen en droogtestress op de hoogste plaatsen voorkomen. We raden een diepte van minstens 1 m aan, om voldoende wortelruimte te bieden aan diep wortelende soorten zoals winterlinde (kan meer dan 2m diep wortelen, cfr Pigott 1991) en om de waterberging boven de weinig doorlatende compacte laag te maximaliseren. De diepte van het substraat mag lokaal beginnen op 50 cm diepte wil men natte standplaatsen creëren met reductielagen, bij voeding door zijdelings afstromend grondwater bvb naar de vallei van de nieuwe Potgatbeek (schematisch weergegeven in Figuren 45 & 46). 3. Aanplant van snelgroeiende pionier boomsoorten in een ruim plantverband (8m x 8 m tot 10m x 10m). Deze actie richt zich in de eerste plaats op de hooggelegen, droogste groeiplaatsen en op de hellingen. De houtige pioniers worden aangeplant in het ideale plantseizoen, namelijk het najaar nadat de landschapsbouw is afgerond. De meest geschikte soorten hiervoor zijn witte en grauwe abeel (Populus alba en Populus x canescens). Eerstgenoemde soort is aangepast aan droge, kalkhoudende, zandige bodem en werd om die reden ook in de kustduinen ingezet. Grauwe abeel stelt wat hogere eisen aan de vochtvoorziening en is frequent te vinden in oude bossen op leemhoudende bodem. Beide soorten vormen wortelopslag, een gunstige eigenschap om de hellingen te fixeren. Op de laaggelegen vochtige groeiplaatsen zijn schietwilg (Salix alba) en ratelpopulier (Populus tremula) geschikte soorten (Figuur 45). Deze snelgroeiende pionierboomsoorten fungeren als ‘nurse trees’ en kunnen de ontwikkeling van een bosecosysteem versnellen. De voordelen van deze strategie voor de ontwikkeling van ecologisch hoogwaardig bos worden toegelicht in het advies INBO.A.3803 (De Keersmaeker 2019). 4. Aanplant van struweelsoorten en soorten uit de onderetage die de erosie kunnen beperken en de recreatiestromen kunnen sturen. Deze actie kan tegelijk met vorige actie gerealiseerd worden en de soorten uit de onderetage en struweelsoorten worden op gerichte plaatsen tussen de snelgroeiende pioniers geplant, die in ruim verband staan en daardoor veel licht doorlaten. Soorten die zeer tolerant zijn voor uitdroging (bij voorbeeld wilde liguster, wollige sneeuwbal, bepaalde soorten wilde rozen, zie Bijlage E) zijn geschikt voor de hoogst gelegen plaatsen. Soorten met wortelopslag (sleedoorn, rode kornoelje) zijn bijzonder geschikt om aan te planten op de hellingen na de hydroseeding. Soorten met stekels of doornen kunnen lokaal de meest kwetsbare hellingen beschermen tegen erosie door betreding. 5. Aanplant van groepen (kloempen) van climaxboomsoorten. Uit Bijlage F kunnen geschikte boom‐ en struiksoorten voor het climaxbos geselecteerd worden, rekening houdende met de vocht‐ en kalkbehoefte van de soorten (zie Figuur 46). Deze soorten worden in groepjes aangeplant tussen de pionierboomsoorten die in een ruim verband staan en die sneller groeien. Door de verschillen in groeisnelheid ontstaat snel een vertikaal gestructureerd bos en de open ruimte tussen de groepjes biedt ruimte aan natuurlijke verjonging of wortelopslag en zorgt voor horizontale structuurvariatie. De climaxsoorten worden twee jaar na de pioniers en struiken of struweelsoorten aangeplant, omdat het microklimaat en de bodem dan gunstiger zijn voor deze soorten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


PIONIERBOS

Figuur 45. Ontwikkeling van pionierbos na landschapsbouw, met aanduiding van de soorten die geschikt zijn langsheen de gradiënt in vochtvoorziening. De coupe is ook weergegeven is in Figuur 34. De rode lijn geeft het maaiveld weer, de zwarte lijn is de afdichtlaag. De stippellijn is het substraat die de infiltratie van neerslagwater gedeeltelijk belemmert; 1 ruwe berk en zachte berk kunnen zich spontaan vestigen, of eventueel via hydroseeding ingebracht worden; 2duindoorn enkel te gebruiken bij aanzienlijk verhoogde saliniteit

CLIMAXBOS

Figuur 46. Ontwikkeling van een climaxbos na landschapsbouw, met aanduiding van de soorten die geschikt zijn langsheen de gradiënt in vochtvoorziening. De coupe is ook weergegeven in figuur 34. De rode lijn geeft het maaiveld weer, de zwarte lijn is de afdichtlaag. De stippellijn is het substraat die de infiltratie van neerslagwater gedeeltelijk belemmert; 3 meelbes en elsbes enkel te gebruiken bij droogtestress van de andere soorten; 4 es enkel gebruiken van zodra plantgoed verkrijgbaar is dat tolerant is voor de essentaksterfte ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 123 van 211


6. Introductie van oud bossoorten uit de kruidlaag. Kalkrijke gronden zijn potentieel geschikt voor een groot aantal soorten uit de kruidlaag (waaronder heel wat voorjaarsbloeiers), die zich evenwel maar moeizaam verspreiden en daarom gebonden zijn aan oud bos. De introductie van deze soorten, bij voorkeur via translocatie van bosbodem, is pas te overwegen nadat het bosecosysteem al een zekere rijping heeft doorgemaakt. Wij vermoeden dat deze actie pas ongeveer 10 jaar na de landschapsbouw succesvol kan zijn, als lokaal al kroonsluiting is opgetreden (bij voorbeeld onder schaduw werpende soorten zoals hazelaar of linde).

5.3.2. Natuurontwikkeling en specifieke maatregelen voor doelsoorten Voor de ontwikkeling van natuur in de open sfeer en voor het behoud van doelsoorten van het kleiputtengebied, stellen we volgende acties voor: 1. Behoud van open plekken met kalkrijk zand. Onbemeste kalkrijke zanden zijn potentieel erg geschikt voor waardevolle open vegetatie en belangrijk voor ongewervelden. Uit de directe omgeving zijn meerdere soorten orchideeën, zomerbitterling, e.a. gekend van dergelijke groeiplaatsen, dus kolonisatie van geschikte groeiplaatsen na landschapsbouw is niet onwaarschijnlijk. De meest kansrijke locaties zijn zuidwaarts gerichte hellingen hoog op de heuvels die centraal in het projectgebied gerealiseerd zullen worden, of de voet van de oostelijk gerichte helling die grenst aan het voorziene rietmoeras. De meest steile hellingen zijn minder geschikt, omdat het risico op erosie te groot is. Deze open plekken kunnen aanvankelijk spontaan ontwikkelen en op termijn via een maaibeheer open gehouden worden, van zodra de vegetatie voldoende ontwikkeld is. De overgangen naar het bos kunnen deels worden aangeplant (soortenpalet: zie Bijlage F), maar voldoende ruimte voor spontane ontwikkeling van zachte randen en struwelen is aan te bevelen. Deze zijn tevens waardevol voor insecten (bijen, vlinders, ...) en avifauna. 2. Behoud van geschikt habitat voor rugstreeppad. De rugstreeppad is in Vlaanderen een zeldzame soort die slechts in enkele regio’s voorkomt en het is een prioritaire soort voor de provincie Antwerpen (Dienst Duurzaam Milieu‐ en natuurbeleid 2010). Het is een uitgesproken pionier, die behoefte heeft aan een zandige bodem en ondiep, snel opwarmend water zonder sterke begroeiing. Wellicht zal het projectgebied tijdens of net na de landschapsbouw bijzonder geschikt zijn voor deze soort, maar neemt de geschiktheid daarna terug af naarmate de vegetatie zich verder ontwikkelt en het gesloten karakter toeneemt. Voor deze soort kan overwogen worden om de ontwikkeling van het rietmoeras aan de oostzijde te starten (bij voorbeeld via aanplant van riet) en de westkant onbegroeid te laten, samen met de aangrenzende zandige helling. Hierdoor breidt het riet zich (wellicht) uit van oost naar west en kan lange tijd een natte, zandige laagte blijven bestaan die potentieel geschikt is voor rugstreeppad. De beperkte erosie van de helling, eventueel in stand gehouden door recreatie, kan het zandige substraat op en onderaan de helling na afronding van de landschapsbouw een tijdlang in stand houden. Deze inrichting in functie van rugstreeppad, is ook gunstig voor kalkminnende pioniersoorten van vochtige bodem, zoals zomerbitterling (cfr. hierboven) 3. Behoud van kamsalamander. De kamsalamander is een zeldzame, Europees beschermde soort die vrij hoge ecologische eisen stelt aan zijn biotoop, en die niet overeenstemmen met die van rugstreeppad. Het voortplantingsbiotoop bestaat immers voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Veel vindplaatsen zijn beek‐ of rivierbegeleidend. De poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten (Laurijssens & De Blust, 2012). Om aan deze soort tegemoet te komen kunnen in het rietmoeras diepere delen voorzien worden die permanent water dragen, bij voorkeur aan de noordoost zijde die aansluit bij de huidige gekende vindplaats. De doorstroming van het rietmoeras met relatief voedselrijk water dat in het kleiputtengebied insijpelt vanuit het ontginningsfront, is voor deze soort waarschijnlijk gunstig omdat het de vegetatieontwikkeling stimuleert. Een afzonderlijk advies over deze soort is echter in de maak (Speybroeck, in voorbereiding) ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


5.4. PROJECTIE BOSONTWIKKELING Als de strategie voor bosontwikkeling uit onderdeel 5.3 wordt gevolgd, ontstaat 10 jaar na de aanplant een halfopen boslandschap. De kruiden die als pionier werden ingezaaid met hydro seeding of zich spontaan hebben gevestigd op de humusaangerijkte opperbodem, zijn grotendeels verdwenen door lichtgebrek. Lokaal is reeds gesloten bos aanwezig, dat bestaat uit snelgroeiende pioniers met een hoogte tussen 5m en 10m, en daartussen trager groeiende climaxboomsoorten (linde, boskers, haagbeuk, esdoornsoorten) die maximum 5m hoog zijn. Dit gesloten bos is vooral te vinden rond het voormalige traject van de Potgatbeek, waar ook de steilste hellingen te vinden zijn. Door het gesloten kronendak is dit bos geschikt voor de introductie van soorten uit de kruidlaag die kenmerkend zijn voor kalkrijke, mesofiele tot vochtige bodem. Naast dit jonge bos dat reeds een gevarieerde verticale opbouw heeft, is er ook een afwisseling in de horizontale landschapsstructuur. De soortenrijke kalkrijke struwelen (sleedoorn, rode kornoelje, wilde kardinaalsmuts, wollige sneeuwbal, wilde liguster, rozensoorten) zijn na 10 jaar goed ontwikkeld en zomen delen van het landschap af die niet beplant zijn en die spontaan verbossen, of als open plek beheerd zullen worden. Na 10 jaar kan deze keuze gemaakt worden, omdat de vegetatiemat wellicht volledig ontwikkeld zal zijn en de aanwezigheid van bijzondere plantensoorten (orchideeën, zomerbitterling, e.a.) vastgesteld kan worden. De open plekken situeren zich vooral op de hooggelegen, minder steile delen van de landschapsheuvels en op de helling aan de westkant van de laagste die zich ontwikkelt tot rietmoeras. We mogen veronderstellen dat na 30 jaar, de biomassa van het bos dat in het projectgebied na de landschapsbouw tot ontwikkeling is gekomen, die van het actueel aanwezige bos heeft overtroffen. Bovendien is de soortendiversiteit van het nieuwe bos veel groter dan dat van het actueel aanwezige bos, waar vrijwel uitsluitend pioniers te vinden zijn. In het bos dat zich na de landschapsbouw heeft ontwikkeld, hebben de snelgroeiende pioniers (abelen, wilgen, ratelpopulier) reeds aanzienlijke dimensies bereikt, met een hoogte tot ongeveer 20 m. De trager groeiende soorten die er zijn tussen geplant, hebben een hoogte bereikt tot 10‐15m. Een aantal soorten bloeien reeds (esdoornsoorten, boskers, lindesoorten, zomereik…) en zaaien zich verder uit vanuit de groepjes, zodat ook niet‐beplante delen tussen de pioniers en open plekken die spontaan mogen verbossen, gekoloniseerd worden. De kruidlaag die 10 jaar na de landschapsbouw werd geïntroduceerd, vormt kleine eilandjes en relatief goed verspreidende soorten (speenkruid, robertskruid, gevlekte aronskelk, heelkruid, bosviooltjes, slanke sleutelbloem) zijn talrijk aanwezig in en op de flanken van de vallei centraal in het projectgebied. Het rietmoeras heeft zich verder uitgebreid en de voet van de heuvel aan de westelijke grens bereikt.

5.5. KSF LANDSCHAPSRECONSTRUCTIE In dit rapport worden aanbevelingen gegeven aangaande de fysico‐chemische kwaliteitseisen van de te gebruiken geolagen die ontgraven worden uit het Oosterweel‐traject (onderdeel 4.5.3) en de kritische succesfactoren voor bos‐ en natuurontwikkeling gedetailleerd beschreven (onderdeel 4.6). We hebben ons hierbij gebaseerd op het 3D landschapsmodel ontwikkeld door Tractebel. Indien dit model nog verder wordt aangepast in functie van de vergunningsprocedure of aan nieuwe randvoorwaarden, dan wordt INBO hiervan graag op de hoogte gesteld. Idem als het aangeboden type en volume van geolagen zoals ingeschat werd in hoofdstuk 4.5.2 Bergingsvolumes op basis van LANTIS gegevens nog significant zou wijzigen. INBO houdt zich aanbevolen kortlopend bijkomend advies te verlenen op basis van beschikbare gegevens en kennis. Indien bijkomende terreinmetingen en (labo)analyses noodzakelijk zijn kan dit enkel ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 125 van 211


door middel van een nieuw onderzoeksproject zoals deze studie, al dan niet in (nauwe) samenwerking met andere onderzoeksinstellingen, laboratoria of studiebureaus. Als de finaal goedgekeurde landschapsreconstructie een feit is en de aanbesteding is gebeurd, stellen we voor de uitvoeringsplannen verder op punt te stellen door mee te werken aan een compleet inrichtings‐ en stappenplan ism met betrokkenen waaronder ANB, Provincie, DVW, Gemeentelijke milieudienst, Natuurpunt en andere belanghebbenden. In afwachting van de ‘eerste spadesteek’ kunnen er diverse kennishiaten aangepakt worden of experimenten met geolagen uitgevoerd (bvb potproeven met soorten). Hoofdstuk 5.7 geeft een aanzet wat er wanneer zou kunnen gebeuren.

5.6. KOOLSTOFBALANS Dit landschaps‐reconstructieproject leent zich bijzonder om een koolstofboekhouding bij te houden teneinde kennis op te bouwen rond CO2‐uitstoot (sources) en (duurzame) CO2‐sequestratie (sinks), de verhouding tussen beide (koolstofbalans) en het verloop van beide in de tijd. In tegenstelling tot wat verwacht wordt is er nog steeds grote nood aan gevalideerde metingen bij grote infrastructuur‐ en landschapswerken en een correcte wetenschappelijke verwerking van die data. Wat er reeds bestaat aan CO2‐calculators en C‐modellen (empirische en mechanistische) kan bovendien best eens getoetst worden op hun betrouwbaarheid. Vermits in dit project een nieuw landschap op voldoende grote schaal (40‐50 ha) wordt opgebouwd met neogene gronden (‘starting from scratch’) biedt dit project wetenschappelijke opportuniteiten voor het C‐onderzoek in het kader van klimaatadaptatie en ‐rapportering. We bevelen daarom een holistische benadering aan dat (1) de CO2‐uitstoot van alle werken (opmetingen, ontgravingen, aanvoer, berging en afwerking), (2) de CO2‐kost van alle verbruikte materialen, inclusief plantsoenen en bodemverbeteringsproducten, (3) alle acties nodig voor de natuurinrichting (standplaatsvoorbereiding, aanplantingen, hydroseeding, translocaties, …) in kaart brengt en qua CO2 kost zo correct mogelijk tracht te begroten. Dit zal een kritische analyse toelaten van de globale koolstofbalans van dergelijke grootschalige werken en wijzen op mogelijke koolstoflekken die dienen aangepakt te worden in toekomstige projecten binnen Vlaanderen. Voor deze studie waren we genoodzaakt een snelle inschatting te maken op basis van best beschikbare gegevens van de actuele C‐voorraad (4.4.1) en de te verwachten C voorraden na landschapsbouw (4.4.2). Er werden hierbij aannames gedaan inzake oppervlaktes en volumes en de C‐voorraden in bodem, strooisel en bos werden berekend op basis van waarnemingen op 14 locaties en uitgemiddeld. Bovendien werden globale factoren uit de literatuur gebruikt. Het ware beter geweest de verschillende bodems en bos/natuurtypes te stratificeren over het gehele gebied, de C‐voorraad per stratum goed in te schatten (met meer gegevens) en dan op te schalen voor het hele studiegebied, inclusief de niet beboste oppervlakten. Maar dit vereist een meer intensieve survey. Voor de 38 ha bos wees onze eerste inschatting op een totale CO2 opslag van 23153 ton CO2‐ equivalenten (6,3 kt C). Hierbij is dus niet de C‐stock meegeteld in ruigtes en onbegroeide bodems, of in kruien en struiken, dus deze stock is een conservatieve inschatting voor het projectgebied. De hoogste C ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 126 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


voorraad (131 ton C/ha, 79% van totaal) zit in de bodem en gemiddeld slechts 26 t C/ha (16 %) in de bovengrondse bosbiomassa. De overige 5% in strooisel en dood hout (Tabel 4.1). Het toekomstige bos met stabiele boomsoorten kan ruw geschat op de voorziene textuurklassen (studie Muys et al. 2002) een totale bovengrondse biomassa opbouwen van ~42 t C per ha na 10 jaar en ~63 t C per ha na 20 jaar, vergelijkbaar met wat in het huidige bos werd opgebouwd. In bodem en strooisellaag kan bij goede vitaliteit van het bosbestand maximaal 1.36 t C per jaar en ha worden vastgelegd. Koolstof opbouw in de bodem verloopt immers veel trager dan bovengrondse vastlegging maar kan wel eeuwen doorgaan tot de maximale sequestratie‐capaciteit is bereikt voor elk type bodem. Dus gebaseerd op dit cijfermateriaal en aangenomen dat opnieuw 38 ha effectief zal herbebost worden op de landschapsheuvel, dan kan na 10 jaar: 1,9 kt CO2 vastgelegd worden in bodem+strooisel en 5,9 kt CO2 in de bosbiomassa, samen 7,8 kt CO2. Na 20 jaar is dat ongeveer 12,5 kt CO2 , abstractie makend van houtopbrengst. Dus gemiddeld kan er de eerste 20 jaar 0.63 kt CO2 per jaar door het nieuwe boscomplex worden gesequestreerd. Door de huidige koolstofvoorraad van 23,2 kt CO2 te begraven onder de landschapsheuvel (bodemkoolstofstock én houtige biomassa lokaal gestockeerd in de visvijvers bij wijze van biologische ‘carbon capture and storage’ techniek), dan kan de volledige CO2‐kost van de aanleg (geraamd op maximaal 20 kt CO2) ruimschoots gecompenseerd worden en is alle nieuwe sequestratie door bosaanleg en natuurinrichting pure winst (positieve balans, netto CO2 vastlegging). Deze projectie dient echter met hard cijfermateriaal en op basis van correcte veldmetingen gevalideerd te worden.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 127 van 211


5.7. KENNISHIATEN EN ONDERZOEKSNODEN Bij het uitwerken van deze studie werden volgende kennishiaten vastgesteld waarvoor bijkomend onderzoek nodig en gewenst is: 1. Er is weinig gekend over de fysische en vooral hydrologische eigenschappen van de glauconiethoudende zanden en de andere geolagen. Er zijn betrouwbare gegevens nodig betreffende de waterretentie (pF curve), verzadigde en onverzadigde hydraulische conductiviteit (Ksat) en erodibiliteit. 2. Om de waarde van de Tertiaire substraten (Fm van Lillo, Kattendijk en Berchem) voor het aanleveren van nutriënten aan planten goed te kunnen inschatten dient verder bodemonderzoek te gebeuren, ondermeer bepaling van CEC en uitwisselbare kationen en plantbeschikbaar P. We raden ook aan potproeven met deze substraten op te starten om groei en ontwikkeling van enkele te voorziene soorten te testen, inclusief hun nutriëntopname. Dit kan gebeuren in de kwekerij van het INBO. 3. Chroom is een probleemelement in het gebied. Verder onderzoek is nodig naar de concentraties aan CrIII en CrVI die bij gebruik van de geolagen voor landschapsbouw zullen voorkomen en de biobeschikbaarheid en ecotoxiciteit van tri‐ en hexavalent Cr voor de toekomstige terrestrische, semi‐terrestrische en aquatische habitats. Tevens dient onderzocht of er een relatie is tussen glauconietgehalte en Cr‐gehalte in de Fm van Berchem. 4. Er dient nagegaan te worden wat de capaciteit is van de schelp‐ en glauconiethoudende geolagen om sulfaat af te bufferen. Dit kan belangrijk zijn om het juiste type geolagen en de gewenste hoeveelheid ervan te bepalen om de sulfaatproblematiek te bekampen in de ondergrond. 5. Technische uitvoerbaarheid en mogelijkheden dienen onderzocht van hydro‐seeding met natuurlijke zaadmengsels (kruiden, struik‐ en boomzaden) op de taluds en hellingen voorzien binnen het landschapsbouwproject. Alternatief is het maken van GFT compost‐zaadmengsels en die mechanisch verspreiden over kritische taluds (systeem sulfaatdijk). Deze technieken kunnen met elkaar vergeleken worden in een gecontroleerde proefopzet, op locaties waar het succes van de proef geen effect heeft op de landschapsontwikkeling (dus niet op erosiegevoelige hellingen). 6. Experimentele introductie van bosplanten, via translocatie van bosbodem, door uitplanten of door bezaaiing is nog weinig getest. Door translocatie van bosbodem kan ook bodemleven geïntroduceerd worden, wat van belang kan zijn voor de ontwikkeling van het bosecosysteem, maar deze techniek is nauwelijks onderzocht. In Vlaanderen zijn heel wat bossen ‘begrensd’ in hun ontwikkeling en in het kader van de geplande bosuitbreiding op locaties met een geringe connectiviteit is het aangewezen om de mogelijkheden en beperkingen van translocatie beter te leren kennen. 7. De geolagen die aangebracht worden zijn neogene substraten, die nog gekoloniseerd moeten worden door bodemorganismen. Enten van de geolagen om de bodemlevensgemeenschappen versneld te activeren kan interessant zijn. Idem voor het inbrengen van zaden. Er dient nagegaan of de gewenste bodemorganismen niet even makkelijk via mulchings of groencompost geïntroduceerd worden en of het effect in vergelijking met een lokale controle meetbaar en duurzaam is. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 128 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


8. Monitoring van de oppervlaktewaterkwaliteit voor de kritische parameters (pH, EC, Sulfaten, …) is nodig na aanleg van het rietmoeras. 9. Een te gering zicht op de waterkwaliteit van het beekje dat het rietmoeras zal voeden doorheen het jaar enerzijds en het gebrek aan gegevens over debieten van het beekje anderzijds vormen nog kennishiaten die dienen aangepakt te worden. 10. Na de landschapsbouw is het aangewezen een T0 kaart te maken met de fysico‐chemische en hydrologische kenmerken (bodemkaart) van het nieuwe landschap en de variatie aan standplaatsen, zodat de ontwikkeling van het bos en de open natuur beter gestuurd en verklaard kan worden. 11. Het nauwkeurig begroten en bijhouden van de C‐balans voor de gehele projectuitvoering kan onze inzichten inzake ‘Biological Carbon Capture and Storage’ verhogen en verifiëren of het CO2‐ mitigatie scenario (voorgesteld onder 4.4 en 5.6) realistisch en duurzaam is. Dan wordt dit luik een soort demonstratieproject (proof of concept). We onderscheiden 4 fasen in de toekomst waar bovenstaande onderzoeksvragen idealiter behandeld worden: Fase A) voor de eerste berging, B) tijdens de berging en C) na de berging voorafgaand aan bosaanleg/natuurontwikkeling en D) na natuurinrichting.

Studies

Fase A Voor berging

Fase B Tijdens berging

1, 4, 9,11

2, 3, 5,11

Fase C Fase D Na berging – Na start natuurinrichting natuurinrichting 5, 7, 8, 10, 11 6, 11

Bij het uitvoeren van deze studies wil INBO graag betrokken worden en/of (nauw) samenwerken met andere wetenschappelijke instellingen, studiebureaus, laboratoria en kenniscentra.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 129 van 211


Referenties Beakawi Al‐Hashemi, H.M., Baghabra Al‐Amoudi, O.S. (2018). A review on the angle of repose of granular materials. Powder Technol. 330: 397–417. Boeraeve M, Honnay O, Mullens N, Vandekerkhove K, De Keersmaeker L, Thomaes A, Jacquemyn H (2018) The impact of spatial isolation and local habitat conditions on colonization of recent forest stands by ectomycorrhizal fungi. Forest Ecology and Management 429: 84‐92 Borremans, M. (2014) TECHNUM rapport Oriënterend en Beschrijvend Bodemonderzoek ‐ Voormalige kleiontginning gelegen tussen de Bossstraat, de Kapelstraat en de Hoogstraat te Boom en Rumst: TRACTEBEL ENGINEERING N.V. Buckley P, Helliwell D.R., Milne S., Howell R. (2017). Twenty‐five years on – vegetation succession on a translocated ancient woodland soil at Biggins Wood, Kent, UK. Forestry 90: 561–572. Cools, N. & De Vos, B.(2016). Part X: Sampling and Analysis of Soil. In: UNECE ICP Forests Programme Co‐ ordinating Centre (ed.): Manual on methods and criteria for harmonized sampling, assessment, monitoring and analysis of the effects of air pollution on forests. Thünen Institute of Forest Ecosystems, Eberswalde,Germany, 115 p. [http://www.icp‐forests.org/Manual.htm]. DEFRA (2009). Construction Code of Practice for the Sustainable Use of Soils on Construction Sites. Department for Environment, Food and Rural Affairs, UK . www.defra.gov.uk. 64p. De Keersmaeker L, Van de Kerckhove P, Baeté H, Walleyn R, Christiaens B, Esprit M, Vandekerkhove K (2005) Monitoringprogramma integrale bosreservaten: inhoudelijk programma en basishandleiding. IBW Bb R 2005.003, Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Geraardsbergen, Belgium De Keersmaeker L. (2013) Spatio‐temporal patterns of vegetation recovery in post‐agricultural forests in Flanders. PhD in Bioscience engineering, Land & Forest Management, Ghent University, Faculty of Applied Biological Sciences. De Keersmaeker L. (2019) Advies over de ontwikkeling van ecologisch waardevolle bossen op landbouwgronden. INBO.A.3803. De Vos, B. (1997). Chemical element analysis of the forest floor in the macro‐invertebrate soil fauna plots: IBW, IBW BbR:98:005. De Vos, B. (2006). Evaluatie van de concentratie aan zware metalen in bosbodems nabij de UMICORE vestigingen te Hoboken, Olen, Balen en Overpelt. Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek. De Vos, B. (2009). Uncertainties of forest soil carbon stock assessment in Flanders. Doctoral dissertation no. 865 of the Faculty of Bioscience Engineering of the K.U.Leuven. 318 p. Dienst Duurzaam Milieu‐ en Natuurbeleid (2010). Provinciale Prioritaire Soorten Provincie Antwerpen. Provincie Antwerpen. Ellenberg H., Weber H.E., Düll R., Wirth V., Werner V. & Paulissen D. (1992). Zeigerwerte von Pflanzen in Mitteleuropa. Scripta Geobotanica 18, 1‐248 Govaere L. (2020) Een blik op de kenmerken van bos in Vlaanderen – eerste resultaten van twee opeenvolgende Vlaamse bosinventarisaties. Bosrevue 83a, 1‐14. ISSN 2565‐6953 – Bosrevue 83a.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 130 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Goovaerts, L., Lookman, R., Vanbroekhoven, K., Gemoets, J. en K. Vrancken. (2006) Beste Beschikbare Technieken (BBT) bij het uitvoeren van bodemsaneringsprojecten en bij grondreinigingscentra, Gent, Academia Press, xv + 191 pp. Greipsson, S. (2011). Restoration Ecology. Jones & Bartlett. Sudbury, MA (USA). DOI: 10.13140/2.1.4997.9207. Hill, M.O.; Mountford, J.O.; Roy, D.B.; Bunce, R.G.H.. 1999 Ellenberg's indicator values for British plants. ECOFACT Volume 2 Technical Annex. Huntingdon, Institute of Terrestrial Ecology, 46pp. (ECOFACT, 2a). Hutchings, T.R., Moffat, A.J. & Kemp, R.A. (2001). Effects of rooting and tree growth of selected woodland species on cap integrity in a mineral capped landfill site. Waste Management & Research, 19, 194‐200. Huvennne P, De Vos B, Lust N (1996) Boomgroei en bebossing op geconsolideerd brakwaterslib. Proefproject op de Linkerscheldeoever te Beveren. Eindrapport 1992‐1995. Laboratorium voor Bosbouw UGent i.o.v. Ondernemingen Jan De Nul N.V. IBB ‐ Implementatieteam Besluit Bodemkwaliteit (2010). Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen. Ministerie van Verkeer & Waterstaat. INBODATAVR‐237 (2020). Waarnemingen afkomstig van Waarnemingen.be, de website voor natuurinformatie van Natuurpunt en Stichting Natuurinformatie. Deze gegevens mogen niet worden overgenomen zonder toestemming. Jaarsma N., Klinge M., Lamers L. & van Weeren B.J. (2008). Van helder naar troebel... en weer terug: een ecologische systeemanalyse en diagnose van ondiepe meren en plassen voor de kaderrichtlijn water. STOWA, Utrecht. Jacquemyn H, Butaye J, Hermy M (2003) Impacts of restored patch density and distance from natural forests on colonization success. Restoration Ecology 11, 417‐423 Lamers L.P.M., Govers L.L., Janssen I.C.J.M., Geurts J.J.M., Van der Welle M.E.W., Van Katwijk M.M., Van der Heide T., Roelofs J.G.M. & A.J.P. Smolders (2013). Sulfide as a soil phytotoxin—a review. Frontiers in Plant Science 4: 1‐14. Langohr R. (2009). Hoofdstuk 20. Het Zoniënwoud, uniek voor aardwetenschappen en archeologie. In: De Vrienden van het Zoniënwoud (ed.). Het Zoniënwoud, een nieuwe visie op een patrimonium met toekomst. Groeninghe Uitgeverij/Drukkerij ISBN 10: 9077723900. Laurijssens G & De Blust G (2012) Natuurontwikkelingsplan voor het kleiontginningsgebied te Boom – Rumst (Rupelstreek). Perspectieven voor natuurontwikkeling in een dynamisch ontginningslandschap. INBO.R.2012.14. Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, Brussel. Leuschner C. (2002) Forest succession and water resources: soil hydrology and ecosystem water turnover in early, mid and late stages of a 300‐yr‐long chronosequence on sandy soil. In: Dohrenbusch A., Bartsch N. (eds) Forest Development. Springer, Berlin, Heidelberg Leuschner C. & Rode M.W. (1999) The role of plant resources in forest succession: changes in radiation, water and nutrient fluxes, and plant productivity over a 300‐yr‐long chronosequence in NW Germany. Perspect Plant Ecol Evol Syst 2:103–147. Laga, P.; Louwye, S. & Geets, S (2002) Paleogene and Neogene lithostratigraphic units (Belgium), Geologica Belgica 4(1‐2), p. 135‐152.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 131 van 211


Londo G (1984) The decimal scale for relevés of permanent quadrats. In: Knapp R (Ed), Sampling methods and taxon analysis in vegetation science. The Hague, Dr. W. Junk Publishers, pp. 45‐49. Meier, I.C., Knutzen, F., Eder, L.M. et al. (2018) The Deep Root System of Fagus sylvatica on Sandy Soil: Structure and Variation Across a Precipitation Gradient . Ecosystems 21: 280–296. Mertens J, Piesschaert F (2005) Hergebruik van baggerspecie in landschapsdijken. Risico’s, ontwikkelingsmogelijkheden en beheer van dijken uit brak baggerslib. Laboratorium voor Bosbouw (UGent) en Instituut voor Natuurbehoud. Eindrapport van wetenschappelijk onderzoek i.o.v. Port of Antwerp Muys et al. (2002). Scenario’s voor broeikasgasreductie door vastlegging van koolstof en energiesubstitutie: ruimtebeslag, milieu‐impact en kostenefficiëntie. Eindrapport PBO98/41/16. Laboratorium voor Bos, Natuur en Landschap, K.U.Leuven; Onderzoeksgroep Planten‐ en Vegetatie‐ Ecologie Universiteit Antwerpen, Centrum voor Economische Studiën, K.U.Leuven. Osté A., Jaarsma N. & van Oosterhout F. (2010). Een heldere kijk op diepe plassen. Kennisdocument diepe meren en plassen: ecologische systeemanalyse, diagnose en maatregelen. STOWA‐ rapportnummer 2010‐38. Amersfoort. Pigott, C.D. (1991). Tilia cordata (Miller). Biological Flora of the British Isles No.174. Journal of Ecology 79: 1147‐1207. Provinciaal Instituut voor Hygiëne (2008). Indicatief Bodemonderzoek. Onderzoek van het terrein met als mogelijke bestemming golfterrein gelegen naast "De Schorre" te Boom. Provincie Antwerpen, Departement Recreatie, Sport en Toerisme ‐ BO/IM/08/09. 88p + 9 bijlagen. Packet J., Scheers K., Smeekens V., Leyssen A., Wils C., Denys L. (2018). Watervlakken versie 1.0: polygonenkaart van stilstaand water in Vlaanderen. Een nieuw instrument voor onderzoek, water‐, milieu‐ en natuurbeleid. Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (14)). Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, Brussel.DOI: doi.org/10.21436/inbor.14178464 Rode, M. W. (1999): The interaction between organic layer and forest growth and forest development on former heathland. Forest Ecol. Manage. 114, 117–127. Šerá B. (2017): Salt‐tolerant trees usable for Central European cities – A review. Hort. Sci. (Prague), 44: 43–48. Vandecasteele, B., De Vos, B. & Tack, F.M.G. 2002. Cadmium and Zinc uptake by volunteer willow species and elder rooting in polluted dredged sediment disposal sites. The Science of the Total Environment, 299, 191‐205. Van den Bussche W. (2012) Studiegroep Europese en Mediterrane Orchideeën (SEMO) Excursieverslag 19 mei ‐ Vaarttaluds Moen en Kennedybos Kortrijk. Nieuwsbrief 12(4) december. Zwaenepoel A., Van de Genachte G. & Lambrechts J. (2004) Natuur‐ en bosbeheerplan voor de Oosthoekduinen, het Calmeynbos en de Krakeelduinen (De Panne) Uyttenbroeck, R., De Vos, B. & Vander Mijnsbrugge, K. (2014). Verspreiding en Standplaats van Inheemse Bomen en Struiken in Vlaanderen. Onderzoek naar de relatie tussen voorkomen, bodem en omgevingskenmerken. . In: Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek p. 366. Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, Brussel. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Van Damme S., Vergauwe D. (2019) Inschatting van de ecologische potenties van de plassen ‘Natuurpunt‐Terhagen’. Rapport ECOBE 018‐R228 – draft. Vande Walle, I., Mussche, S., Samson, R., Lust, N. & Lemeur, R. (2001). The above‐ and belowground carbon pools of two mixed deciduous forest stands located in East‐Flanders (Belgium). Ann. For. Sci., 58, 507‐517. Vermaat J., Harmsen J., Hellmann F., van der Geest H., de Klein J., Kosten S., Smolders F. & J. Verhoeven (2012). Zwaveldynamiek in het West‐Nederlandse laagveengebied. Met het oog op klimaatverandering. Rapport AE‐12/01, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam. VLAREBO (2008). Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende bodemsanering en de bodembescherming. Online available at EMIS: url: https://navigator.emis.vito.be/mijn‐navigator?woId=23001

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 133 van 211


BIJLAGEN A. EVALUATIETABELLEN VOOR ZWARE METALEN OVEREENKOMSTIG VLAREBO BSNI (NATUUR) EN BSNIV (PARKGEBIED). DE GECORRIGEERDE NORMEN ZIJN AANGEDUID IN GRIJS: SW=STREEFWAARDE, RW= RICHTWAARDE, BSNI=BODEMSANERINGSNORM NATUUR, BSNIV=BODEMSANERINGSNORM PARKGEBIED. DE EVALUATIEKLEUR GEEFT AAN WAAR ER PROBLEMEN ZIJN: GROEN VOLDOET AAN NORM; ORANJE BETEKENT AANGERIJKT MAAR NORM NIET OVERSCHREDEN, ROOD WIJST OP OVERSCHRIJDING.

A1. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen voor de PIH bodemstaalnames TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

As

As_SW

As_RW

As_BSNI

As_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

PROF

Arseen SID

(cm)

(cm)

(%)

(%)

(‐)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

<14

8

19.4

32.1

267

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

22

10.4

25.3

42

267

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

<14

11

26.6

44

267

1

0

0

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

<14

11

26.6

44

267

1

0

0

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

21

9

21.9

36.3

267

1

0

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<14

8

19.4

32.1

267

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

16

10.9

26.3

43.6

267

1

0

0

0

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

16

13

30.2

50.1

267

1

0

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

16

13

30.2

50.1

267

1

0

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

<14

13.1

30.4

50.3

267

1

0

0

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

17

32.5

51.1

84.7

267

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

17

32.5

51.1

84.7

267

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<14

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

28

11.9

28.3

46.8

267

1

0

0

0

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

17

22.2

42.4

70.3

267

1

0

0

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<14

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<14

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<14

12.4

29.2

48.4

267

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<14

12.4

29.2

48.4

267

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<14

12.1

28.6

47.5

267

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<14

8

19.4

32.1

267

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

21

19.7

39.7

65.8

267

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<14

11

26.6

44

267

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

19

23.1

43.3

71.8

267

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<14

10.1

24.5

40.6

267

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<14

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 134 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Cadmium PROF

SID

TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

Cd

Cd_SW

Cd_RW

Cd_BSNI

Cd_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

0.51

0.7

2.4

4

9.5

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

1.49

0.7

2.3

3.9

9.5

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

0.65

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

0.65

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

1.94

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

10.1

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

1

1

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

3.85

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

3.85

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

2.63

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

0

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

<0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

<0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<0.45

0.7

1.9

3.2

9.5

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

6.31

0.7

1.8

3

9.5

0

1

1

0

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

2.04

0.7

2.2

3.7

9.5

1

0

0

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

<0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

<0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<0.45

0.7

1.7

2.8

9.5

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<0.45

0.7

1.3

2.2

9.5

1

0

0

0

LOI550

pH‐KCl

Cr

CrIII_SW

CrIII_RW

CrIII_BSNI

CrIII_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

Chroom PROF

SID

TOP

BOT

Klei

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

65

15.3

91

130

560

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

91

24.5

91

130

560

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

138

34.2

91

130

560

0

1

1

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

138

34.2

91

130

560

0

1

1

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

106

18

91

130

560

0

1

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

34

24.3

91

130

560

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

77

31.9

91

130

560

1

0

0

0

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

96

48.3

91

130

560

0

1

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

96

48.3

91

130

560

0

1

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

82

40.8

91

130

560

1

0

0

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

145

93.3

91

130

560

0

1

1

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

145

93.3

91

130

560

0

1

1

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<30

25.2

91

130

560

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

192

31.3

91

130

560

0

1

1

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 135 van 211


B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

120

68.6

91

130

560

0

1

0

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<30

15.3

91

130

560

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<30

25.2

91

130

560

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<30

47.6

91

130

560

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<30

47.6

91

130

560

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<30

50.9

91

130

560

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<30

26.5

91

130

560

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

76

71.1

91

130

560

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<30

45.3

91

130

560

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

116

74

91

130

560

0

1

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<30

39.9

91

130

560

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<30

25.2

91

130

560

1

0

0

0

PROF

Koper SID

TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

Cu

Cu_SW

Cu_RW

Cu_BSNI

Cu_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

16

14.7

73

121.8

500

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

28

19.8

127.1

218.5

500

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

22

17.9

82.7

138.9

500

1

0

0

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

22

17.9

82.7

138.9

500

1

0

0

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

52

17.1

103.5

175.9

500

1

0

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<14

12.2

39.9

64.4

500

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

46

18.4

92.1

155.6

500

1

0

0

0

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

52

18

70.7

117.7

500

1

0

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

52

18

70.7

117.7

500

1

0

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

59

21.3

111.7

190.7

500

1

0

0

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

30

38.9

206.1

363.9

500

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

30

38.9

206.1

363.9

500

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<14

11.5

33

52.6

500

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

202

21.9

132.2

227.8

500

0

1

0

0

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

400

32.1

185.2

325

500

0

1

1

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<14

14.2

66.9

111

500

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<14

11.5

35

56

500

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<14

16.8

62.3

103

500

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<14

16.8

62.3

103

500

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<14

15

50.8

83

500

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<14

11.7

27.6

43.7

500

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

<14

24.3

92.8

156.9

500

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<14

14.2

37.4

60.1

500

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

44

30.9

136.1

235

500

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<14

13.4

39.4

63.5

500

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<14

11.5

30.4

48.3

500

1

0

0

0

Kwik PROF

SID

TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

Hg

Hg_SW

Hg_RW

Hg_BSNI

Hg_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

0.55

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 136 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

2.21

0.1

1.7

2.9

4.8

0

1

0

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

2.56

0.1

1.7

2.9

4.8

0

1

0

0

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<0.5

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<0.50

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

Lood PROF

SID

TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

Pb

Pb_SW

Pb_RW

Pb_BSNI

Pb_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

40

36.9

120

200

735

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

59

58.8

120

200

735

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

394

40

120

200

735

0

1

1

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

394

40

120

200

735

0

1

1

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

125

48.4

120

200

735

0

1

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<35

21.1

120

200

735

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

135

44.1

120

200

735

0

1

0

0

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

105

31.6

120

200

735

1

0

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

105

31.6

120

200

735

1

0

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

254

51.5

120

200

735

0

1

1

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

<35

73.6

120

200

735

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

<35

73.6

120

200

735

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<35

18.4

120

200

735

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

2420

64.4

120

200

735

0

1

1

1

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

414

75.2

120

200

735

0

1

1

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<35

33.9

120

200

735

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<35

18.4

120

200

735

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<35

27.6

120

200

735

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 137 van 211


B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<35

27.6

120

200

735

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<35

20.4

120

200

735

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<35

18.5

120

200

735

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

<35

40

120

200

735

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<35

20

120

200

735

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

62

63.1

120

200

735

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<35

19.5

120

200

735

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<35

18.4

120

200

735

1

0

0

0

PROF

Nikkel SID

TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

Ni

Ni_SW

Ni_RW

Ni_BSNI

Ni_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

20

5.4

56

93

530

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

25

8.1

56

93

530

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

28

8.9

56

93

530

1

0

0

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

28

8.9

56

93

530

1

0

0

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

81

6.4

56

93

530

0

1

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<6

5.4

56

93

530

1

0

0

0

B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

93

8.7

56

93

530

0

1

1

0

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

64

11.4

56

93

530

0

1

0

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

64

11.4

56

93

530

0

1

0

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

54

11.6

56

93

530

1

0

0

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

30

49.3

56

93

530

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

30

49.3

56

93

530

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

40

10

56

93

530

1

0

0

0

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

27

26.9

56

93

530

1

0

0

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

<6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

<6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

7

10.7

56

93

530

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

7

10.7

56

93

530

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

<6

10.3

56

93

530

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<6

5.4

56

93

530

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

10

22.2

56

93

530

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<6

8.9

56

93

530

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

38

28.7

56

93

530

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<6

7.7

56

93

530

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

Zink PROF

SID

TOP

BOT

Klei

LOI550

pH‐KCl

Zn

Zn_SW

Zn_RW

Zn_BSNI

Zn_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B01

BM1A

0

50

2.1

4

6.8

110

39.7

204.5

340.5

1000

1

0

0

0

B02

BM2A

0

50

3.8

8.9

6.7

264

63.5

482

802.6

1000

1

0

0

0

B03

BM3A

0

40

4.3

4

8.5

157

59.7

247.9

412.8

1000

1

0

0

0

B03

BM3A

40

50

4.3

4

8.5

157

59.7

247.9

412.8

1000

1

0

0

0

B03

BM3B

50

100

2.7

6.5

11.5

457

51.1

350.5

583.6

1000

0

1

0

0

B04

BM4A

0

50

2.1

1.3

7.1

<49

29.5

80.3

133.7

1000

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 138 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B05

BM5A

0

50

4.2

4.9

8.9

6480

60.9

292.8

487.6

1000

0

1

1

1

B05

BM5B

50

90

6.2

2.3

11

889

64.9

194.5

323.8

1000

0

1

1

0

B05

BM5B

90

100

6.2

2.3

11

889

64.9

194.5

323.8

1000

0

1

1

0

B05

BM5D

150

200

6.3

6.1

10.6

813

74.2

394.7

657.2

1000

0

1

1

0

B06

BM6A

0

30

54

7.9

2.7

74

134.4

1018.7

1696.2

1000

1

0

0

0

B06

BM6A

30

50

54

7.9

2.7

74

134.4

1018.7

1696.2

1000

1

0

0

0

B07

BM7A

0

50

<1

0.9

6.2

<49

25.8

59.7

99.4

1000

1

0

0

0

B08

BM8A

0

50

5.1

32.1

6

2720

72.8

512.3

853

1000

0

1

1

1

B08

BM8D

150

200

21

17.6

6.6

721

112.3

863.1

1437.1

1000

1

0

0

0

B09

BM9A

0

50

1.3

3.4

7.3

50

36.9

178.4

297

1000

1

0

0

0

B09

BM9C

100

150

1.2

0.8

7.2

147

25.8

65.4

108.9

1000

0

1

1

0

B010

BM10A

0

10

5.6

1.8

7

<49

59.9

159.8

266

1000

1

0

0

0

B010

BM10A

10

50

5.6

1.8

7

<49

59.9

159.8

266

1000

1

0

0

0

B011

BM11A

0

50

5.3

0.6

7.1

100

53

116.5

194

1000

1

0

0

0

B012

BM12A

0

50

2.1

0.5

2.9

<49

27.2

45.5

75.7

1000

1

0

0

0

B013

BM13A

0

50

16

3

2.6

<49

93.8

296.4

493.6

1000

1

0

0

0

B014

BM14A

0

50

4.3

0.5

2.5

<49

47.2

72.5

120.7

1000

1

0

0

0

B015

BM15A

0

50

23

6.9

3.4

135

111.5

536.1

892.6

1000

1

0

0

0

B016

BM16A

0

50

3.5

0.7

5.9

<49

41.4

78.7

131

1000

1

0

0

0

B017

BM17A

0

50

<1

0.4

5.2

<49

25.8

52.6

87.6

1000

1

0

0

0

A2. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen voor de OBBO bodemstaalnames (Technum Rapport) Arseen

Klei

LOI550

pH‐KCl

As

As_SW

As_RW

As_BSNI

As_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

code_diepte (cm)

(%)

(%)

(‐)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

B51_0‐50

2

10

B52_0‐40

2

10

7.5

12

7.9

18.9

31.3

7.4

14

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

267

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

13

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

11

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

<10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

31

7.9

18.9

31.3

267

0

1

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

11

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

19.1

21

41.2

68.3

267

1

0

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

10

8.2

19.8

32.9

267

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

17.2

18

37.7

62.5

267

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

13.5

24.9

45.1

74.7

267

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

10

15.9

34.8

57.7

267

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

15.8

27.6

47.4

78.6

267

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

10

10.7

25.8

42.8

267

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 139 van 211


P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

10

21.1

41.3

68.4

267

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

14.4

19

38.9

64.4

267

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

11.5

21

41.2

68.2

267

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

10

31

50.1

83

267

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

10

11.4

27.2

45.1

267

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

10

23.3

43.5

72.2

267

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

10.7

16.5

35.8

59.3

267

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

11.5

11.9

28.3

46.8

267

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

16.6

12.3

29

48.1

267

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

11

12.4

29.2

48.4

267

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

11

16.2

35.3

58.5

267

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

10

10.4

25.3

42

267

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

10

30.4

49.6

82.2

267

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

13.5

31.5

50.4

83.5

267

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

17.5

29.7

49.1

81.4

267

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

14.7

31.6

50.5

83.7

267

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

10

11.6

27.7

45.8

267

1

0

0

0

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

18.7

25.3

45.4

75.2

267

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

10

24.4

44.6

74

267

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

11.7

20.4

40.5

67.1

267

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

22

9.8

23.9

39.6

267

1

0

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

10

12.1

28.6

47.5

267

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

10

18

37.6

62.4

267

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

10

16

35

58

267

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

10

18

37.6

62.4

267

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

10

18.5

38.4

63.6

267

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

12

20.2

40.3

66.8

267

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

11

21.7

41.9

69.5

267

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

14

19.7

39.7

65.8

267

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

12

16.7

36

59.6

267

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

10

17.3

36.8

61

267

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

10

12.6

29.5

49

267

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

16

32.5

51.1

84.7

267

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

10

31.9

50.7

84

267

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

14

32.5

51.1

84.7

267

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

15

32.2

50.9

84.4

267

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

10

10

24.2

40.1

267

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 140 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B221_0‐100

3

0.2

7.9

10

9.4

23

38

267

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

10

10

24.2

40.1

267

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

10

7.9

18.9

31.3

267

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

10

12.6

29.5

49

267

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

10

10

24.2

40.1

267

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

10

9

21.9

36.3

267

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

10

11.7

27.9

46.2

267

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

16

32.2

50.9

84.4

267

1

0

0

0

Cadmium

Klei

LOI550

pH‐KCl

Cd

Cd_SW

Cd_RW

Cd_BSNI

Cd_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

0.5

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

0.69

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

1.3

0.7

2.5

4.2

9.5

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

0.72

0.7

2.5

4.2

9.5

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

1.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

1.3

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

1.9

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

6.12

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

1

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

0.35

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

0.68

0.7

1.6

2.6

9.5

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

0.8

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

0.55

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

0.85

0.7

1.9

3.2

9.5

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

1.03

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

0.49

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

0.8

0.7

1.3

2.2

9.5

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

0.74

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

1.27

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

0.75

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

1.2

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

0.35

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

0.35

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

0.35

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

0.88

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

0.53

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

1.35

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

0.6

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

1.08

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

0.43

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

0.75

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

0.54

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

0.68

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

0.35

0.7

1.2

2

9.5

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

0.35

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 141 van 211


P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

2.58

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

2.83

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

0.74

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

0.71

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

0.73

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

0.54

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

2.49

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

2.55

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

1.27

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

3.6

0.7

2.6

4.4

9.5

0

1

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

0.6

0.7

2.5

4.2

9.5

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

0.87

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

0.54

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

1.39

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

0.78

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

0.45

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

0.45

0.7

2.3

3.9

9.5

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

0.45

0.7

1.5

2.5

9.5

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

0.45

0.7

1.3

2.2

9.5

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

0.45

0.7

0.9

1.6

9.5

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

0.45

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

Chroom

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

Cr

CrIII_SW

CrIII_RW

CrIII_BSNI

CrIII_BSNIII

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

70

6.6

91

130

240

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

47

6.6

91

130

240

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

43

6.6

91

130

240

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

36

6.6

91

130

240

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

29

6.6

91

130

240

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

73

6.6

91

130

240

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

34

6.6

91

130

240

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 142 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

110

75.1

91

130

240

0

1

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

26

20

91

130

240

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

37.8

27.7

91

130

240

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

73.2

59.1

91

130

240

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

118

82.5

91

130

240

0

1

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

21.5

25.2

91

130

240

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

40.9

64.1

91

130

240

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

104

91.7

91

130

240

0

1

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

24.5

42.5

91

130

240

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

32.8

25.2

91

130

240

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

50.6

79.5

91

130

240

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

53.4

72.2

91

130

240

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

53.2

78.2

91

130

240

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

116

102.6

91

130

240

0

1

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

32.2

42.1

91

130

240

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

23.3

90.1

91

130

240

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

39.6

53.4

91

130

240

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

34.9

23.3

91

130

240

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

39.4

39.5

91

130

240

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

38.9

34.7

91

130

240

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

39.7

46.3

91

130

240

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

46.6

54.5

91

130

240

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

30.8

41.8

91

130

240

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

110

99

91

130

240

0

1

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

104

102.8

91

130

240

0

1

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

114

90.9

91

130

240

0

1

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

131

98

91

130

240

0

1

1

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

51.8

29.7

91

130

240

1

0

0

0

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

35.6

8.3

91

130

240

1

0

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

13.4

25.2

91

130

240

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

18

25.2

91

130

240

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

21

25.2

91

130

240

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

25

17.7

91

130

240

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

71.6

79.1

91

130

240

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

30.3

91.7

91

130

240

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

71.1

76.2

91

130

240

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

43

28.5

91

130

240

1

0

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

24

50.9

91

130

240

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

50

71.2

91

130

240

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

52

50.6

91

130

240

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

58

62.6

91

130

240

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

56

73.7

91

130

240

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

68

73.3

91

130

240

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

57

78.2

91

130

240

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 143 van 211


B212_0‐50

16

3.2

7.4

65

70.6

91

130

240

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

59

63.7

91

130

240

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

57

63.5

91

130

240

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

32

53.2

91

130

240

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

110

102.6

91

130

240

0

1

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

33

108.9

91

130

240

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

121

107.3

91

130

240

0

1

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

119

105.7

91

130

240

0

1

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

24

39.2

91

130

240

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

21

25.2

91

130

240

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

23

35.9

91

130

240

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

20

39.2

91

130

240

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

20

25.2

91

130

240

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

44

44.7

91

130

240

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

20

39.2

91

130

240

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

20

33.1

91

130

240

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

30

48.8

91

130

240

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

113

106.7

91

130

240

0

1

0

0

Koper

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

Cu

Cu_SW

Cu_RW

Cu_BSNI

Cu_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

16

17

135

232.9

500

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

20

17

135

232.9

500

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

20

17

133.8

230.7

500

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

13

17

133.8

230.7

500

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

12

17

135

232.9

500

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

42

17

135

232.9

500

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

11

17

135

232.9

500

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

35.4

25.3

122.2

209.7

500

1

0

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

5

12.8

48

78.2

500

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

5

11.8

32.7

52.1

500

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

33.5

26.6

109.8

187.4

500

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

22.7

29.8

160.8

280

500

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

5

11.5

33

52.6

500

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

5

18.8

74.9

125.1

500

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

19.4

29.8

143.5

248.3

500

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

5

14.2

41

66.3

500

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

5

11.5

35

56

500

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

8.7

23.2

110.5

188.5

500

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

8.3

22.2

99.1

168

500

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

5.1

23.6

112.1

191.4

500

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

23.8

29.5

163.4

284.9

500

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

13.4

16

58.9

97.1

500

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

5

22.4

118.9

203.7

500

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

8

25.5

139

240.2

500

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 144 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


P9_10‐70

2

1.26

7.9

5

12

38.8

62.6

500

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

8.3

18.4

81.6

137

500

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

5

21.7

130.8

225.3

500

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

5

17.2

65.9

109.3

500

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

5.6

24

119.7

205.1

500

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

5

13.8

44.3

71.9

500

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

19.5

30.6

161.9

282.1

500

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

20.5

30.1

167.9

293.1

500

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

34.8

34.7

185.4

325.4

500

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

22.3

33.6

178

311.8

500

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

1460

21.5

143.7

248.7

500

0

1

1

1

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

49.5

16.4

117

200.3

500

1

0

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

5

11.5

35

56

500

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

5

11.5

35

56

500

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

5

11.5

35

56

500

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

5

13.5

56.1

92.3

500

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

23.8

32.9

187.7

329.7

500

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

5.9

23.7

129.2

222.4

500

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

11.7

23.3

108.5

185

500

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

45

16.2

72.1

120.1

500

1

0

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

10

15

50.5

82.5

500

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

10

20.4

87.7

147.7

500

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

23

25.4

143.3

248.1

500

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

14

24.5

117.3

200.8

500

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

16

20.6

90.2

152.3

500

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

13

24.4

114.9

196.6

500

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

17

25.2

122.9

210.8

500

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

24

24.6

115.5

197.6

500

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

20

20.8

87.9

148.1

500

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

26

22.5

99.9

169.5

500

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

10

15.4

53

86.9

500

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

18

32.1

178.9

313.4

500

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

10

27.2

191.9

337.4

500

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

19

29.1

173.2

302.8

500

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

19

29.6

171.8

300.4

500

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

10

13.3

41.9

67.9

500

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

10

11.5

35

56

500

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

10

12.8

40

64.6

500

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

10

13.3

41.9

67.9

500

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

10

11.5

35

56

500

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

10

18.4

74.5

124.3

500

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

10

13.3

38.1

61.3

500

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

10

12.5

33.7

53.9

500

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

10

14.7

41.1

66.5

500

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 145 van 211


B234_0‐50

49

1.4

2.8

18

28.9

170.8

298.4

500

1

0

0

0

Kwik

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

Hg

Hg_SW

Hg_RW

Hg_BSNI

Hg_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

<0.1

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

0.12

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

<0.10

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

<0.10

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

<0.10

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

0.14

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

0.9

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

0.0927

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

0.0533

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

0.112

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

0.145

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

0.07

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

0.08

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

0.35

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

0.288

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

0.163

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

0.147

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

0.115

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

0.0823

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

0.101

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

0.0798

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

2.39

0.1

1.7

2.9

4.8

0

1

0

0

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

0.605

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

1.8

0.1

1.7

2.9

4.8

0

1

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 146 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

1.01

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

0.05

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

0.3

0.1

1.7

2.9

4.8

1

0

0

0

Lood

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

Pb

Pb_SW

Pb_RW

Pb_BSNI

Pb_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

25

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

41

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

79

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

52

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

40

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

91

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

23

58.1

120

200

735

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

53

40.7

120

200

735

1

0

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

22.2

25.4

120

200

735

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

20.4

18.6

120

200

735

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

521

59.7

120

200

735

0

1

1

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

18.5

50.6

120

200

735

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

19.8

18.4

120

200

735

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

13.4

26.3

120

200

735

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 147 van 211


P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

26.4

43

120

200

735

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

31.4

21

120

200

735

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

17.5

18.4

120

200

735

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

38.9

31.3

120

200

735

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

40.4

32.4

120

200

735

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

19.1

33.2

120

200

735

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

19.8

34.6

120

200

735

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

57.2

27.5

120

200

735

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

27.5

24.1

120

200

735

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

54.4

60.4

120

200

735

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

21.8

20.6

120

200

735

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

44.2

38.8

120

200

735

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

32.1

59.4

120

200

735

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

36.5

29.8

120

200

735

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

23.8

51.9

120

200

735

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

42

20

120

200

735

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

36.6

40

120

200

735

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

24.2

36.2

120

200

735

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

20.4

60.3

120

200

735

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

24.8

49.7

120

200

735

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

609

64

120

200

735

0

1

1

0

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

281

52.3

120

200

735

0

1

1

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

25.2

18.4

120

200

735

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

23.1

18.4

120

200

735

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

21.9

18.4

120

200

735

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

19.7

29.2

120

200

735

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

47.3

65.8

120

200

735

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

24.6

26.4

120

200

735

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

22.4

33.3

120

200

735

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

4040

35.8

120

200

735

0

1

1

1

B202_0‐40

5.3

1

6.9

23

20.4

120

200

735

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

25

27.6

120

200

735

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

56

62.8

120

200

735

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

38

47.3

120

200

735

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

55

26.9

120

200

735

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

28

38.9

120

200

735

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

35

38.2

120

200

735

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

49

41.3

120

200

735

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

67

32.9

120

200

735

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

26

38.7

120

200

735

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

20

20.7

120

200

735

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

20

41.4

120

200

735

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

33

26.1

120

200

735

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

21

31

120

200

735

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 148 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B216_0‐50

49

1.6

3.9

21

33

120

200

735

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

29

19.5

120

200

735

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

26

18.4

120

200

735

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

23

19.2

120

200

735

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

20

19.5

120

200

735

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

20

18.4

120

200

735

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

20

35.2

120

200

735

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

20

19.5

120

200

735

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

20

19

120

200

735

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

20

20.3

120

200

735

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

21

30.9

120

200

735

1

0

0

0

Nikkel

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

Ni

Ni_SW

Ni_RW

Ni_BSNI

Ni_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

29

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

21

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

19

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

15

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

11

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

38

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

10

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

53.2

24.7

56

93

530

1

0

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

5.7

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

6.9

5.5

56

93

530

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

31.6

19.3

56

93

530

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

46.1

32.4

56

93

530

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

3.6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

13.4

15.8

56

93

530

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

23.2

38.1

56

93

530

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

5.5

8.4

56

93

530

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

7.5

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

17.8

24.8

56

93

530

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

17.9

20.9

56

93

530

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

18.4

24.6

56

93

530

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

29.9

45.9

56

93

530

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

12.6

9.3

56

93

530

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

3.4

29.1

56

93

530

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

15.6

16.9

56

93

530

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

9.4

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

14.4

10

56

93

530

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

14.5

10.5

56

93

530

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

12.1

10.7

56

93

530

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

18.3

16.3

56

93

530

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

8.2

8.1

56

93

530

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

33.8

44.5

56

93

530

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 149 van 211


P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

35.5

47

56

93

530

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

56

42.9

56

93

530

0

1

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

50.6

47.3

56

93

530

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

28.5

9.6

56

93

530

1

0

0

0

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

40.8

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

3.6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

4.5

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

6.3

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

7.1

5.2

56

93

530

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

25

33.1

56

93

530

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

7.6

31.4

56

93

530

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

26.3

23.5

56

93

530

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

16

7.4

56

93

530

1

0

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

6

10.3

56

93

530

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

12

19.2

56

93

530

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

27

16

56

93

530

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

20

19.2

56

93

530

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

16

20.2

56

93

530

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

19

23.2

56

93

530

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

21

26

56

93

530

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

29

22.2

56

93

530

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

18

17.1

56

93

530

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

18

18.2

56

93

530

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

6

10.9

56

93

530

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

25

49.3

56

93

530

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

15

48

56

93

530

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

27

49.3

56

93

530

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

28

48.7

56

93

530

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

6

7.5

56

93

530

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

6

6.9

56

93

530

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

6

7.5

56

93

530

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

6

5.2

56

93

530

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

11

10.9

56

93

530

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

6

7.5

56

93

530

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

6

6.4

56

93

530

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

7

9.7

56

93

530

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

27

48.7

56

93

530

1

0

0

0

Zink

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

Zn

Zn_SW

Zn_RW

Zn_BSNI

Zn_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

64

46.7

529.2

881.2

1000

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

110

46.7

529.2

881.2

1000

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

150

46.7

522

869.1

1000

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

83

46.7

522

869.1

1000

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 150 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B55_10‐30

2

10

7.3

68

46.7

529.2

881.2

1000

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

180

46.7

529.2

881.2

1000

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

46

46.7

529.2

881.2

1000

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

3950

98

453.8

755.6

1000

0

1

1

1

P1_400‐480

2

1.91

7.8

15.8

31.7

106.7

177.7

1000

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

19.1

28.5

58.9

98

1000

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

197

95.9

384.6

640.3

1000

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

83.5

112

693.5

1154.8

1000

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

10.7

25.8

59.7

99.4

1000

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

39

73.5

212.6

354

1000

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

59.1

115.1

581.5

968.3

1000

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

26.6

46.2

83.7

139.4

1000

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

21.2

25.8

65.4

108.9

1000

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

110

93.4

388

646.1

1000

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

107

87.8

327.7

545.6

1000

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

43.6

94.2

396.8

660.7

1000

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

98.3

118

711.5

1184.6

1000

1

0

0

0

B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

162

54.7

146.7

244.2

1000

0

1

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

55.9

94.6

434.7

723.8

1000

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

82.9

91.1

553.7

921.9

1000

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

41.1

27.9

77

128.1

1000

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

191

63.6

242.9

404.4

1000

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

152

73.3

504

839.1

1000

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

123

61.3

174.5

290.5

1000

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

81.3

87.1

439.2

731.3

1000

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

92

44

94.2

156.9

1000

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

87.7

119.5

701

1167.3

1000

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

85.8

119.7

741.5

1234.7

1000

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

98.4

125.5

864.4

1439.3

1000

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

159

125.7

812.1

1352.2

1000

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

1480

71.1

582.7

970.3

1000

0

1

1

1

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

646

44.7

424.1

706.2

1000

0

1

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

7.5

25.8

65.4

108.9

1000

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

13.7

25.8

65.4

108.9

1000

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

80.5

25.8

65.4

108.9

1000

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

18

34.2

136

226.5

1000

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

138

117.6

881.4

1467.5

1000

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

51.8

99

494.6

823.5

1000

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

77.5

92.5

377.5

628.5

1000

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

674

50.9

200.3

333.5

1000

0

1

1

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

29

53

115.4

192.2

1000

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

123

81.7

271.2

451.6

1000

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

415

89.8

580.7

966.9

1000

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

125

91.5

425.8

709.1

1000

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 151 van 211


B206_0‐40

14

1.4

7.4

115

83.2

283.7

472.3

1000

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

160

94.9

412.6

687

1000

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

104

98.7

457.4

761.5

1000

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

135

94.4

415.9

692.5

1000

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

157

80.5

272.3

453.5

1000

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

14

85.8

332.1

553

1000

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

54

55.5

124.5

207.3

1000

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

71

123.9

818.3

1362.5

1000

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

77

114.5

911.9

1518.3

1000

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

76

118.7

778.1

1295.6

1000

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

71

119.3

768.8

1280.1

1000

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

71

40.6

86.7

144.3

1000

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

116

25.8

65.4

108.9

1000

0

1

1

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

126

37.1

80.5

134.1

1000

0

1

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

89

40.6

86.7

144.3

1000

0

1

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

109

25.8

65.4

108.9

1000

0

1

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

22

65.2

210.6

350.7

1000

1

0

0

0

B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

10

40.6

74.7

124.4

1000

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

10

34.2

61.9

103

1000

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

28

50.8

84.1

140

1000

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

67

118.1

761.6

1268

1000

1

0

0

0

Minerale olie

SID

Klei

LOI550

pH‐KCl

MinOlie

BSNI

BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

B51_0‐50

2

10

7.5

50

1000

1500

1

0

0

0

B52_0‐40

2

10

7.4

50

1000

1500

1

0

0

0

B53_20‐50

2

10

6.9

50

1000

1500

1

0

0

0

B54_0‐35

2

10

6.9

50

1000

1500

1

0

0

0

B55_10‐30

2

10

7.3

50

1000

1500

1

0

0

0

B56_30‐50

2

10

7.5

50

1000

1500

1

0

0

0

B57_20‐50

2

10

7.1

55

1000

1500

1

0

0

0

B19_170‐270

18.6

3.01

7.2

316

1000

1500

1

0

0

0

P1_400‐480

2

1.91

7.8

20

1000

1500

1

0

0

0

P1_760‐840

2.2

0.53

5.7

20

1000

1500

1

0

0

0

P2_30‐70

13.1

6.98

3.9

901

1000

1500

1

0

0

0

P2_360‐480

27.4

4.27

7.3

20

1000

1500

1

0

0

0

P3_100‐120

2

0.22

6.2

20

1000

1500

1

0

0

0

P3_510‐600

9.8

1.44

7.6

20

1000

1500

1

0

0

0

P4_150‐240

34.6

2.92

3.7

20

1000

1500

1

0

0

0

P4_880‐920

4

1.12

5.2

20

1000

1500

1

0

0

0

P5_120‐240

2

0.62

7.8

20

1000

1500

1

0

0

0

P5_660‐720

18.7

1.77

7.8

20

1000

1500

1

0

0

0

P6_240‐330

14.7

2

7.6

20

1000

1500

1

0

0

0

P6_600‐700

18.5

2

7.6

20

1000

1500

1

0

0

0

B7_50‐120

45.1

1.79

3.3

20

1000

1500

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 152 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


B7_0‐50

4.6

1.87

7.6

41.5

1000

1500

1

0

0

0

P8_10‐50

23.5

0.41

8

20

1000

1500

1

0

0

0

P8_400‐480

10.8

7.45

7.5

47.6

1000

1500

1

0

0

0

P9_10‐70

2

1.26

7.9

20

1000

1500

1

0

0

0

P9_200‐300

5.1

3.63

7.7

25.8

1000

1500

1

0

0

0

P10_80‐180

5.5

8.36

7.6

26.7

1000

1500

1

0

0

0

P10_280‐380

5.6

2.1

7.5

20

1000

1500

1

0

0

0

P11_0‐50

10.3

5.56

7.5

20

1000

1500

1

0

0

0

P11_150‐240

3.8

1.03

7.9

20

1000

1500

1

0

0

0

P12B_10‐60

43.1

2.41

3.3

220

1000

1500

1

0

0

0

P12D_30‐80

46.6

1.94

3.3

20

1000

1500

1

0

0

0

P13_600‐680

40.9

5.54

5

239

1000

1500

1

0

0

0

P13_760‐840

47.1

3.65

3.7

20

1000

1500

1

0

0

0

P14_960‐1040

4.8

18.6

7.7

3500

1000

1500

0

1

1

1

P14_1080‐1180

2

8.1

8.1

675

1000

1500

1

0

0

0

P15_50‐150

2

0.2

7.2

20

1000

1500

1

0

0

0

P15_400‐500

2

0.36

7.8

20

1000

1500

1

0

0

0

P16_160‐200

2

0.33

8.1

20

1000

1500

1

0

0

0

P16_720‐840

2

2.53

7.6

20

1000

1500

1

0

0

0

P17_250‐360

28.3

7.17

7.1

143

1000

1500

1

0

0

0

P17_800‐900

26.2

1.17

7.2

38.2

1000

1500

1

0

0

0

P18_430‐530

17.3

2.05

7.4

31.9

1000

1500

1

0

0

0

B200_0‐15

3.3

3.4

7.4

44

1000

1500

1

0

0

0

B202_0‐40

5.3

1

6.9

10

1000

1500

1

0

0

0

B203_0‐35

13

1.5

7.4

16

1000

1500

1

0

0

0

B204_0‐10

10

8.2

7.5

127

1000

1500

1

0

0

0

B205_0‐10

13

4.4

7.4

87

1000

1500

1

0

0

0

B206_0‐40

14

1.4

7.4

16

1000

1500

1

0

0

0

B207_0‐25

17

2.8

7.5

26

1000

1500

1

0

0

0

B209_0‐50

20

2.6

7.5

16

1000

1500

1

0

0

0

B212_0‐50

16

3.2

7.4

26

1000

1500

1

0

0

0

B213_0‐50

11

2.2

7.7

52

1000

1500

1

0

0

0

B224_0‐50

12

3

7.6

68

1000

1500

1

0

0

0

B225_0‐50

5.8

0.8

7.7

10

1000

1500

1

0

0

0

B226_0‐50

72

2.5

3.1

21

1000

1500

1

0

0

0

B227_0‐50

48

1

7.5

10

1000

1500

1

0

0

0

B228_0‐50

52

1.4

3.1

15

1000

1500

1

0

0

0

B216_0‐50

49

1.6

3.9

39

1000

1500

1

0

0

0

B218_0‐50

3.4

0.4

7.7

19

1000

1500

1

0

0

0

B220_0‐50

1.9

0.2

8

17

1000

1500

1

0

0

0

B221_0‐100

3

0.2

7.9

15

1000

1500

1

0

0

0

B222_0‐70

3.4

0.2

7.8

28

1000

1500

1

0

0

0

B223_0‐60

1.1

0.2

8

17

1000

1500

1

0

0

0

B229_50‐100

5.8

2.9

6.7

36

1000

1500

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 153 van 211


B230_0‐100

3.4

0.2

5.6

28

1000

1500

1

0

0

0

B232_0‐100

2.7

0.2

5.2

13

1000

1500

1

0

0

0

B233_0‐50

4.9

0.4

4.4

14

1000

1500

1

0

0

0

B234_0‐50

49

1.4

2.8

19

1000

1500

1

0

0

0

A3. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen voor de INBO staalnames Arseen

Klei

LOI550

pHKCl

As

As_SW

As_RW

As_BSNI

As_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

SID

(%)

(%)

(‐)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

7.27

19.2

39.1

64.8

267

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

5.55

19.2

39.1

64.8

267

1

0

0

0

BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

7.55

16.1

35.1

58.2

267

1

0

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

10.28

21.8

42

69.7

267

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

11.67

26.4

46.4

76.9

267

1

0

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

9.34

14.6

32.9

54.5

267

1

0

0

0

BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

4.86

11.7

27.9

46.2

267

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

5.41

10.3

25.1

41.5

267

1

0

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

4.95

10.2

24.8

41.1

267

1

0

0

0

9

8.009

6.96

7.1

15.3

33.9

56.3

267

1

0

0

0

BB06_10‐50

7

3.876

6.66

7.21

13.7

31.4

52.1

267

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

12.07

23.6

43.9

72.7

267

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

4.15

12.5

29.4

48.7

267

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

20.17

23.9

44.2

73.2

267

1

0

0

0

BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

3.65

10.8

26.1

43.2

267

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

6.4

12.6

29.5

49

267

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

6.58

14.3

32.5

53.9

267

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

8.18

11.9

28.3

46.8

267

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

10.58

15.6

34.4

57

267

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

7.29

12.9

30.1

49.8

267

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

5.54

11.9

28.3

46.8

267

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

5.51

9

21.9

36.3

267

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

5.3

8.5

20.7

34.3

267

1

0

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

15.84

25

45.1

74.8

267

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

6.09

9.4

23

38

267

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

5.25

8.7

21.1

35

267

1

0

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

5.71

10.3

25.1

41.5

267

1

0

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

4.76

10.2

24.8

41.1

267

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

5.56

13.8

31.6

52.3

267

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

4.34

10.2

24.8

41.1

267

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

11.67

21.2

41.4

68.6

267

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

5.91

15.7

34.6

57.3

267

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

19.67

24.1

44.4

73.5

267

1

0

0

0

6

3.489

7.25

6.73

12.8

29.9

49.5

267

1

0

0

0

BB06_0‐10

BB17_0‐15

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 154 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

4.84

11

26.6

44

267

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

5.13

11.9

28.3

46.8

267

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

5.54

15.6

34.4

57

267

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

11.02

16.9

36.3

60.2

267

1

0

0

0

Cd_RW

Cd_BSNI

Cadmium

Cd_SW

Cd_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

SID

Klei

LOI550

pHKCl

Cd

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

0.36

0.7

1

1.7

9.5

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

0.14

0.7

1.7

2.9

9.5

1

0

0

0

BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

0.43

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

0.34

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

0.31

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

1.79

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

0.15

0.7

2.5

4.2

9.5

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

0.16

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB06_0‐10

9

8.009

6.96

0.26

0.7

2.6

4.3

9.5

1

0

0

0

BB06_10‐50

7

3.876

6.66

0.17

0.7

2.3

3.8

9.5

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

0.28

0.7

1.1

1.9

9.5

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

<0.1

0.7

1.1

1.8

9.5

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

0.89

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

<0.1

0.7

2.6

4.3

9.5

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

0.12

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

0.17

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

0.23

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

0.24

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

0.11

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

0.15

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

0.26

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

0.19

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

0.44

0.7

2.1

3.5

9.5

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

0.29

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

0.24

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

0.26

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

<0.1

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

<0.1

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

<0.1

0.7

0.8

1.4

9.5

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

1.07

0.7

1.3

2.2

9.5

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

0.24

0.7

1.2

2.1

9.5

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

1.16

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB17_0‐15

6

3.489

7.25

0.21

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

<0.1

0.7

2.3

3.8

9.5

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

0.25

0.7

2.2

3.6

9.5

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

0.26

0.7

2.2

3.7

9.5

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 155 van 211


Chroom

CrIII_SW

CrIII_RW

CrIII_BSNI

CrIII_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

SID

Klei

LOI550

pHKCl

Cr

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

25.1

67.7

91

130

560

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

13.81

70.3

91

130

560

1

0

0

0

BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

14.67

60.8

91

130

560

1

0

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

31.26

77.4

91

130

560

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

53.32

88.2

91

130

560

1

0

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

13.76

50.6

91

130

560

1

0

0

0

BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

19.59

36

91

130

560

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

12.68

41.4

91

130

560

1

0

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

16.88

40.7

91

130

560

1

0

0

0

BB06_0‐10

9

8.009

6.96

21.11

48.1

91

130

560

1

0

0

0

BB06_10‐50

7

3.876

6.66

14.38

47.3

91

130

560

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

62.8

79.2

91

130

560

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

11.57

52.8

91

130

560

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

51.09

75.1

91

130

560

1

0

0

0

BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

11.61

44.1

91

130

560

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

20.64

44.1

91

130

560

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

22.76

55

91

130

560

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

23.28

43.5

91

130

560

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

23.94

47.4

91

130

560

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

22.76

45

91

130

560

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

22.55

45.2

91

130

560

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

19.34

23.9

91

130

560

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

15.39

30

91

130

560

1

0

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

70.66

79.8

91

130

560

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

19.55

29.8

91

130

560

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

18.29

31.1

91

130

560

1

0

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

15.89

39.8

91

130

560

1

0

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

9.25

37.9

91

130

560

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

13.55

58.6

91

130

560

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

10.83

40.7

91

130

560

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

28.7

65.8

91

130

560

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

19.19

59.4

91

130

560

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

50.6

73.7

91

130

560

1

0

0

0

BB17_0‐15

6

3.489

7.25

19.08

44.1

91

130

560

1

0

0

0

BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

13.07

44.2

91

130

560

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

13.95

49.8

91

130

560

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

14.54

55.9

91

130

560

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

21.04

62.6

91

130

560

1

0

0

0

Koper

SID

Klei

LOI550

pHKCl

Cu

Cu_SW

Cu_RW

Cu_BSNI

Cu_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

13.03

24.9

99.8

169.3

500

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

15.78

23.6

101

171.5

500

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 156 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

21.21

20.7

86.8

146.1

500

1

0

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

17.97

25.8

126.6

217.7

500

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

27.46

29.5

162.8

283.7

500

1

0

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

14.24

21.3

97.8

165.8

500

1

0

0

0

BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

3.42

19.2

93.5

158.1

500

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

4.56

13.6

43.4

70.3

500

1

0

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

1.66

13.5

42.9

69.5

500

1

0

0

0

BB06_0‐10

9

8.009

6.96

6.61

24.6

138.1

238.5

500

1

0

0

0

BB06_10‐50

7

3.876

6.66

8.18

20.3

89.1

150.2

500

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

16.45

28.9

132.6

228.6

500

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

3.45

15.3

45.4

73.8

500

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

20.74

32.3

184.2

323.2

500

1

0

0

0

BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

1.49

14

45.2

73.4

500

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

3.58

18.6

78.6

131.6

500

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

4.87

18.9

74.9

125.1

500

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

5.37

16.9

65

107.7

500

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

7.67

25.8

157.5

274

500

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

3.89

19

81.7

137.1

500

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

4.43

16.3

59.8

98.7

500

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

3.59

15.1

66.3

110

500

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

2.73

12.1

37

59.5

500

1

0

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

15.84

31.6

169.3

295.6

500

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

3.49

14.6

55.1

90.6

500

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

3.57

12.2

37.5

60.3

500

1

0

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

4.56

14

46.3

75.3

500

1

0

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

1.72

14.3

38.2

61.6

500

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

1.39

16.2

48.6

79.2

500

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

<1

13.5

34.4

55.1

500

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

48.65

31.2

161.4

281.1

500

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

12.25

20.4

74.6

124.5

500

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

19.74

33.8

202.8

357.8

500

1

0

0

0

BB17_0‐15

6

3.489

7.25

10.94

19.1

83.4

140.2

500

1

0

0

0

BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

2.34

14.5

47.2

76.9

500

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

1.67

14.8

49.9

81.5

500

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

9.82

21.6

92.6

156.5

500

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

17.21

22

93.7

158.4

500

1

0

0

0

Lood

SID

Klei

LOI550

pHKCl

Pb

Pb_SW

Pb_RW

Pb_BSNI

Pb_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

23.38

44.8

120

200

735

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

26.76

38

120

200

735

1

0

0

0

BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

126.24

34

120

200

735

0

1

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

67.85

40.6

120

200

735

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

133.89

44.6

120

200

735

0

1

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

66.42

43.5

120

200

735

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 157 van 211


BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

17.63

44.7

120

200

735

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

18.11

19.7

120

200

735

1

0

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

9.27

19.6

120

200

735

1

0

0

0

BB06_0‐10

9

8.009

6.96

7.68

61.3

120

200

735

1

0

0

0

BB06_10‐50

7

3.876

6.66

16.02

41.5

120

200

735

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

1.41

50.2

120

200

735

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

7.12

20.6

120

200

735

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

30.3

68

120

200

735

1

0

0

0

BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

3.53

19.9

120

200

735

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

7.77

36.5

120

200

735

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

15.17

31.1

120

200

735

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

15.04

30.1

120

200

735

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

9.35

68.9

120

200

735

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

8.27

37.7

120

200

735

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

14.82

27.1

120

200

735

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

22.46

33.5

120

200

735

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

22.57

18.7

120

200

735

1

0

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

19.96

60

120

200

735

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

13.3

27.9

120

200

735

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

12.13

18.8

120

200

735

1

0

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

13.63

21.6

120

200

735

1

0

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

5.45

23.3

120

200

735

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

1.15

21.1

120

200

735

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

1.11

19.6

120

200

735

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

53.06

74.4

120

200

735

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

11.54

33.9

120

200

735

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

31.8

76.9

120

200

735

1

0

0

0

BB17_0‐15

6

3.489

7.25

18.22

38.7

120

200

735

1

0

0

0

BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

3.29

21.4

120

200

735

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

2.53

20.4

120

200

735

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

17.31

40.7

120

200

735

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

26.34

37.5

120

200

735

Nikkel

1

0

0

0

SID

Klei

LOI550

pHKCl

Ni

Ni_SW

Ni_RW

Ni_BSNI

Ni_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

8.25

21.3

56

93

530

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

6.9

21.3

56

93

530

1

0

0

0

BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

8.03

16.1

56

93

530

1

0

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

14.64

26.2

56

93

530

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

23.45

35.5

56

93

530

1

0

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

4.86

13.8

56

93

530

1

0

0

0

BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

3.09

9.7

56

93

530

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

2.86

8

56

93

530

1

0

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

2.67

7.8

56

93

530

1

0

0

0

BB06_0‐10

9

8.009

6.96

24.16

14.9

56

93

530

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 158 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB06_10‐50

7

3.876

6.66

11.86

12.5

56

93

530

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

23.7

29.8

56

93

530

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

3.66

10.8

56

93

530

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

27.86

30.4

56

93

530

1

0

0

0

BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

3.4

8.6

56

93

530

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

6.1

10.9

56

93

530

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

6.09

13.4

56

93

530

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

5.84

10

56

93

530

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

10.71

15.3

56

93

530

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

6.8

11.3

56

93

530

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

5.37

10

56

93

530

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

3.17

6.4

56

93

530

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

2.76

5.9

56

93

530

1

0

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

23.46

32.5

56

93

530

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

3.26

6.9

56

93

530

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

3.04

6.1

56

93

530

1

0

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

3.61

8

56

93

530

1

0

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

1.54

7.8

56

93

530

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

3.26

12.6

56

93

530

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

2.12

7.8

56

93

530

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

22.8

25

56

93

530

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

8.13

15.5

56

93

530

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

54.57

30.8

56

93

530

1

0

0

0

BB17_0‐15

6

3.489

7.25

10.76

11.2

56

93

530

1

0

0

0

BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

5.14

8.9

56

93

530

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

4.53

10

56

93

530

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

6.54

15.3

56

93

530

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

11.95

17.5

56

93

530

1

0

0

0

Zink

SID

Klei

LOI550

pHKCl

Zn

Zn_SW

Zn_RW

Zn_BSNI

Zn_BSNIV

< RW

> RW

> BSNI

> BSN IV

BB01_0‐17

15.1

3.804

4.55

62.12

94.3

331.5

552

1000

1

0

0

0

BB01_17‐55

15.1

2.742

5.91

46.03

91.4

337.9

562.6

1000

1

0

0

0

BB02_0‐12

10.1

2.4

7.72

143.72

78.9

266.9

444.4

1000

1

0

0

0

BB02_12‐40

20.2

2.931

7.79

117.82

100.1

479.4

798.2

1000

1

0

0

0

BB02_40‐70

31.2

3.215

8.29

169.03

113.1

707.1

1177.3

1000

1

0

0

0

BB03_0‐20

8.1

4.121

7.71

107.91

77.7

321.4

535.2

1000

1

0

0

0

BB04_0‐16

4.9

4.872

6.89

74.37

65.2

299.7

499.1

1000

1

0

0

0

BB04_16‐39

3.7

0.561

8

115.38

43

91.3

152

1000

0

1

0

0

BB04_39‐100

3.6

0.968

8.08

43.02

42.2

89.8

149.5

1000

1

0

0

0

BB06_0‐10

9

8.009

6.96

37.66

86.6

548.1

912.6

1000

1

0

0

0

BB06_10‐50

7

3.876

6.66

32.67

73

278

462.8

1000

1

0

0

0

BB06_50‐100

24.3

4.306

4.87

52.18

108.7

515

857.4

1000

1

0

0

0

BB07_0‐10

5.7

0.955

4.72

13.09

55

98.1

163.3

1000

1

0

0

0

BB07_10‐27

25

7.865

7.02

185.75

115

856.2

1425.6

1000

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 159 van 211


BB07_27‐120

4.1

0.759

6.96

22.22

45.8

97.2

161.8

1000

1

0

0

0

BB08_0‐37

5.8

3.12

7.63

46.72

65.8

229

381.3

1000

1

0

0

0

BB08_37‐70

7.8

2.12

7.88

73.99

70.6

212.7

354.1

1000

1

0

0

0

BB08_70‐100

5.1

2.192

7.81

87.78

59

170.6

284.1

1000

1

0

0

0

BB09_0‐16

9.4

12.803

7.83

62.04

89.8

671.8

1118.6

1000

1

0

0

0

BB09_16‐50

6.1

3.295

7.93

41.6

67.7

243.1

404.8

1000

1

0

0

0

BB09_50‐90

5.1

1.773

8

64.8

57.1

150.2

250.1

1000

1

0

0

0

BB10_0‐10

2.7

3.115

7.14

95.68

44.5

176

293.1

1000

1

0

0

0

BB10_10‐60

2.4

0.773

7.99

104.05

30.9

71.4

118.9

1000

0

1

0

0

BB10_60‐100

27.5

5.989

6.4

127.74

115.2

751

1250.5

1000

1

0

0

0

BB11_0‐16

3

2.114

7.23

115.66

43.9

132.3

220.3

1000

1

0

0

0

BB11_16‐50

2.5

0.843

8.12

116.06

32

72.9

121.4

1000

0

1

0

0

BB11_50‐100

3.7

1.211

8.16

114.71

44.7

101

168.2

1000

0

1

0

0

BB15_0‐14

3.6

1.411

3.81

9.57

45.3

75.1

125

1000

1

0

0

0

BB15_14‐60

7.1

0.73

3.56

15.56

61.2

108.7

181

1000

1

0

0

0

BB15_60‐100

3.6

0.392

3.99

10.96

42.2

63.7

106.1

1000

1

0

0

0

BB16_0‐17

18.9

11.653

5.28

119.54

109.3

697.6

1161.6

1000

1

0

0

0

BB16_17‐30

9.6

2.408

5.08

36.25

77.5

211.2

351.7

1000

1

0

0

0

BB16_30‐100

25.5

18.323

7.03

242.04

117.7

993.8

1654.8

1000

1

0

0

0

BB17_0‐15

6

3.489

7.25

62.99

67.8

251.3

418.4

1000

1

0

0

0

BB17_15‐50

4.3

1.149

6.66

22.46

48.4

104

173.2

1000

1

0

0

0

BB17_50‐100

5.1

0.722

7.23

21.77

51.9

113.3

188.7

1000

1

0

0

0

BB18_0‐30

9.4

3.494

6.5

47.33

80.3

295.4

491.9

1000

1

0

0

0

BB18_30‐45

11.4

2.846

6.58

61

83.9

300.6

500.5

1000

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 160 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


A4. VLAREBO evaluatie‐tabel voor zware metalen in de geosubstraten van Geotechniek en de Boomse kleistalen > R W

> BSN I

> BS N IV

LOI55 0

pHKC l

As

As_SW

As_RW

As_BSNI

As_BSNIV

< R W

(%)

(‐)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

(µg/g)

2.9

7.85

14.41

21.2

41.4

68.6

267

1

0

0

0

2.2

7.67

20.93

21.5

41.7

69.2

267

1

0

0

0

1.6

7.77

17.68

21.9

42.1

69.8

267

1

0

0

0

Geo5_Kd_16.5‐17

(%) 18. 9 19. 6 20. 4 11. 9

1.4

7.87

17.65

17.3

36.7

60.9

267

1

0

0

0

Geo6_Kd_11.5‐12

7.1

1.6

7.86

14.53

13.8

31.6

52.3

267

1

0

0

0

2.2

7.45

18.4

20.9

41.1

68.1

267

1

0

0

0

3.1

7.34

23.18

24.6

44.8

74.2

267

1

0

0

0

1.7

7.83

16.16

16.5

35.7

59.1

267

1

0

0

0

15.56

19.1

39.1

64.7

267

1

0

0

0

16.7

19.7

39.8

65.9

267

1

0

0

0

21.31

14.1

32.1

53.2

267

1

0

0

0

12.61

20.3

40.4

67

267

1

0

0

0

18.66

26

46

76.3

267

1

0

0

0

14.12

12.9

30.1

49.8

267

1

0

0

0

17.4

16.1

35.1

58.2

267

1

0

0

0

17.68

15.6

34.4

57

267

1

0

0

0

18.67

17.5

37.1

61.4

267

1

0

0

0

20.24

19.2

39.2

64.9

267

1

0

0

0

15.83

17

36.4

60.3

267

1

0

0

0

17.54

14.5

32.8

54.3

267

1

0

0

0

23.85

20.3

40.4

66.9

267

1

0

0

0

211.5

25.9

46

76.2

267

0

1

1

0

17.68

32.3

51

84.5

267

1

0

0

0

Arseen

Klei

SID Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5 Geo4_Kd_16‐16.5

Geo10_Kd_10.5‐11

18. 4 26. 6 10. 7

Geo11_Kd_13‐13.5

15

1.7

7.83

Geo12_Kd_14.5‐15

16. 1

1.8

7.72

Geo13_Bc_17.5‐18

7.5

2.8

7.71

2.1

7.48

3.4

7.41

Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5

Geo15_Li_6.5‐7

17. 2 30. 1

Geo16_Kd_10‐10.5

6.1

1.4

7.86

Geo17_Kd_12.5‐13

10. 1

1.7

7.83

Geo18_Kd_13.5‐14

9.4

1.6

7.84

Geo14_Bc_25.5‐26

2.7

7.7

2.3

7.8

Geo21_Kd_15‐15.5

12. 3 15. 2 11. 5

1.9

7.64

Geo22_Kd_17‐17.5

8

1.8

7.85

Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5

3

7.34

44.6

6.9

Geo25_V_10‐10.5

17. 1 29. 9 49. 3

43.3

6.9

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

2

7.99

15.99

14.7

33.1

54.9

267

1

0

0

0

11

1.6

8.07

15.88

16.7

36

59.6

267

1

0

0

0

2.3

8.08

18.19

22.3

42.6

70.5

267

1

0

0

0

5.2

6.98

14.81

32.3

51

84.5

267

1

0

0

0

6.3

7.14

11.93

32.5

51.1

84.7

267

1

0

0

0

4.5

6.71

10.85

29.3

48.7

80.8

267

1

0

0

0

4.4

7.28

11.5

29.9

49.2

81.5

267

1

0

0

0

Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Geo27_Kd_13.5‐13.50

Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

Cadmium

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte

LOI55 pHKC < > > SID Klei 0 l Cd Cd_SW Cd_RW Cd_BSNI Cd_BSNIV R R BSN ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 161 van 211

> BS


Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5 Geo4_Kd_16‐16.5 Geo5_Kd_16.5‐17 Geo6_Kd_11.5‐12 Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5 Geo10_Kd_10.5‐11

18. 9 19. 6 20. 4 11. 9 7.1 18. 4 26. 6 10. 7

2.9

7.85

2.2

7.67

1.6

7.77

1.4

7.87

1.6

7.86

2.2

7.45

3.1

7.34

1.7

7.83

Geo11_Kd_13‐13.5

15

1.7

7.83

Geo12_Kd_14.5‐15

16. 1

1.8

7.72

Geo13_Bc_17.5‐18

7.5

2.8

7.71

2.1

7.48

3.4

7.41

Geo15_Li_6.5‐7

17. 2 30. 1

Geo16_Kd_10‐10.5

6.1

1.4

7.86

Geo17_Kd_12.5‐13

10. 1

1.7

7.83

Geo18_Kd_13.5‐14

9.4

1.6

7.84

Geo14_Bc_25.5‐26

2.7

7.7

2.3

7.8

Geo21_Kd_15‐15.5

12. 3 15. 2 11. 5

1.9

7.64

Geo22_Kd_17‐17.5

8

1.8

7.85

Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5

W

W

I

N IV

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

0.14

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

0.14

0.7

2.5

4.2

9.5

1

0

0

0

3

7.34

44.6

6.9

Geo25_V_10‐10.5

17. 1 29. 9 49. 3

43.3

6.9

0.17

0.7

2.5

4.2

9.5

1

0

0

0

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

2

7.99

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

Geo27_Kd_13.5‐13.50

11

1.6

8.07

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

2.3

8.08

<0.1

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

5.2

6.98

0.19

0.7

2.6

4.3

9.5

1

0

0

0

6.3

7.14

0.21

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

4.5

6.71

0.2

0.7

2.3

3.9

9.5

1

0

0

0

4.4

7.28

0.14

0.7

2.6

4.4

9.5

1

0

0

0

LOI55 0

pHKC l

Cr

CrIII_S W

CrIII_R W

CrIII_BSN I

CrIII_BSNI V

< R W

> R W

> BSN I

> BS N IV

28.9

7.85

36.76

75.8

91

130

560

1

0

0

0

22.3

7.67

47.38

78.9

91

130

560

1

0

0

0

Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

Chroom

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte

SID Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5

Klei 18. 9 19. 6

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 162 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Geo4_Kd_16‐16.5

20. 4 11. 9

15.69

7.77

71.43

82.7

91

130

560

1

0

0

0

14.36

7.87

66.72

69.3

91

130

560

1

0

0

0

15.74

7.86

62.76

54.9

91

130

560

1

0

0

0

21.84

7.45

37.82

77.4

91

130

560

1

0

0

0

30.59

7.34

41.02

84.4

91

130

560

1

0

0

0

16.87

7.83

50.35

65.2

91

130

560

1

0

0

0

15 16. 1

16.67

7.83

66.39

74.1

91

130

560

1

0

0

0

18.27

7.72

75.3

91

130

560

1

0

0

0

7.5 17. 2 30. 1

27.9

7.71

81.63 193.2 8

51.7

91

130

560

0

1

1

0

21.14

7.48

73.04

75.8

91

130

560

1

0

0

0

34.14

7.41

44.64

86.7

91

130

560

1

0

0

0

6.1 10. 1

14.47

7.86

50.52

51.6

91

130

560

1

0

0

0

17.18

7.83

59.79

63.5

91

130

560

1

0

0

0

9.4 12. 3 15. 2 11. 5

16.41

7.84

62

91

130

560

1

0

0

0

27.11

7.7

64.39 193.1 8

65

91

130

560

0

1

1

0

23.21

7.8

56.76

71.8

91

130

560

1

0

0

0

19.41

7.64

58.58

65.9

91

130

560

1

0

0

0

17.83

7.85

57

91

130

560

1

0

0

0

30.24

7.34

55.03 196.0 8

72.8

91

130

560

0

1

1

0

446.32

7

29.7

77.9

91

130

560

1

0

0

0

Geo25_V_10‐10.5

8 17. 1 29. 9 49. 3

433.48

7

91.1

91

130

560

1

0

0

0

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

20.04

7.99

55.74 119.8 2

57.1

91

130

560

0

1

0

0

Geo27_Kd_13.5‐13.50

15.93

8.07

66.3

91

130

560

1

0

0

0

22.96

8.08

50.33 151.4 8

80.8

91

130

560

0

1

1

0

5.2

6.98

90.69

96.3

91

130

560

1

0

0

0

6.3

7.14

100.3

95.2

91

130

560

1

1

0

0

Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

11 21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

4.5

6.71

71.55

91.7

91

130

560

1

0

0

0

4.4

7.28

65.65

93

91

130

560

1

0

0

0

Koper

LOI55 0

pHKC l

Cu

Cu_SW

Cu_RW

Cu_BSNI

Cu_BSNIV

< R W

> R W

> BSN I

> BS N IV

28.86

7.85

7.6

25.3

122

209.3

500

1

0

0

0

22.28

7.67

2.67

24.4

118

202

500

1

0

0

0

15.69

7.77

2.21

23.3

114.2

195.2

500

1

0

0

0

14.36

7.87

2.07

19.8

82.9

139.2

500

1

0

0

0

15.74

7.86

1.88

17.5

65.7

109

500

1

0

0

0

Geo5_Kd_16.5‐17 Geo6_Kd_11.5‐12 Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5 Geo10_Kd_10.5‐11 Geo11_Kd_13‐13.5 Geo12_Kd_14.5‐15 Geo13_Bc_17.5‐18 Geo14_Bc_25.5‐26 Geo15_Li_6.5‐7 Geo16_Kd_10‐10.5 Geo17_Kd_12.5‐13 Geo18_Kd_13.5‐14 Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5 Geo21_Kd_15‐15.5 Geo22_Kd_17‐17.5 Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte

SID

7.1 18. 4 26. 6 10. 7

Geo5_Kd_16.5‐17

Klei 18. 9 19. 6 20. 4 11. 9

Geo6_Kd_11.5‐12

7.1

Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5 Geo4_Kd_16‐16.5

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 163 van 211


Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5 Geo10_Kd_10.5‐11

18. 4 26. 6 10. 7

21.84

7.45

2.93

23.9

113.6

194.1

500

1

0

0

0

30.59

7.34

3.39

28

147.7

256.1

500

1

0

0

0

16.87

7.83

2.01

19.8

81.1

136.1

500

1

0

0

0

15 16. 1

16.67

7.83

2.11

21.6

96.6

163.7

500

1

0

0

0

18.27

7.72

2.32

22.4

102.2

173.6

500

1

0

0

0

7.5 17. 2 30. 1

27.9

7.71

3.42

19.6

81.3

136.5

500

1

0

0

0

21.14

7.48

3.27

23.4

108.8

185.5

500

1

0

0

0

34.14

7.41

4.16

29.5

161.3

281

500

1

0

0

0

6.1 10. 1

14.47

7.86

1.64

16.6

60

99

500

1

0

0

0

17.18

7.83

2.12

19.5

79.2

132.7

500

1

0

0

0

9.4 12. 3 15. 2 11. 5

16.41

7.84

2.03

19

75.6

126.4

500

1

0

0

0

27.11

7.7

3.29

22.3

98

166.1

500

1

0

0

0

23.21

7.8

2.52

23

104.1

177

500

1

0

0

0

19.41

7.64

2.15

20.7

86.9

146.4

500

1

0

0

0

17.83

7.85

1.94

18.5

71.8

119.7

500

1

0

0

0

30.24

7.34

4.97

24.8

117.5

201.1

500

1

0

0

0

446.32

7

15.08

35.3

213.1

377

500

1

0

0

0

Geo25_V_10‐10.5

8 17. 1 29. 9 49. 3

433.48

7

16.8

40.4

262.2

469

500

1

0

0

0

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

20.04

7.99

2.73

19

75.5

126.2

500

1

0

0

0

Geo27_Kd_13.5‐13.50

15.93

8.07

1.16

19.7

81.2

136.3

500

1

0

0

0

22.96

8.08

2.75

25.1

124.2

213.2

500

1

0

0

0

5.2

6.98

27.14

36.2

228.1

405

500

1

0

0

0

6.3

7.14

29.28

37.5

238.4

424.2

500

1

0

0

0

Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

11 21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

4.5

6.71

17.72

33.2

193.7

340.8

500

1

0

0

0

4.4

7.28

16.55

33.5

201.1

354.7

500

1

0

0

0

Lood

LOI55 0

pHKC l

Pb

> R W

> BSN I

> BS N IV

28.86

7.85

22.28

Geo11_Kd_13‐13.5 Geo12_Kd_14.5‐15 Geo13_Bc_17.5‐18 Geo14_Bc_25.5‐26 Geo15_Li_6.5‐7 Geo16_Kd_10‐10.5 Geo17_Kd_12.5‐13 Geo18_Kd_13.5‐14 Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5 Geo21_Kd_15‐15.5 Geo22_Kd_17‐17.5 Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte

SID Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5 Geo4_Kd_16‐16.5 Geo5_Kd_16.5‐17 Geo6_Kd_11.5‐12 Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5 Geo10_Kd_10.5‐11

Klei 18. 9 19. 6 20. 4 11. 9 7.1 18. 4 26. 6 10. 7

Pb_SW

Pb_RW

Pb_BSNI

Pb_BSNIV

< R W

15.2

40

120

200

735

1

0

0

0

7.67

13.67

35.2

120

200

735

1

0

0

0

15.69

7.77

11.38

29.7

120

200

735

1

0

0

0

14.36

7.87

11.94

26.8

120

200

735

1

0

0

0

15.74

7.86

11.28

26.5

120

200

735

1

0

0

0

21.84

7.45

12.43

34.7

120

200

735

1

0

0

0

30.59

7.34

11.63

42.7

120

200

735

1

0

0

0

16.87

7.83

10.48

28.7

120

200

735

1

0

0

0

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 164 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


15 16. 1

16.67

7.83

11.82

29.6

120

200

735

1

0

0

0

18.27

7.72

14.58

31.2

120

200

735

1

0

0

0

7.5 17. 2 30. 1

27.9

7.71

22.8

35.5

120

200

735

1

0

0

0

21.14

7.48

12.21

33.8

120

200

735

1

0

0

0

34.14

7.41

15.53

45.7

120

200

735

1

0

0

0

6.1 10. 1

14.47

7.86

10.71

25

120

200

735

1

0

0

0

17.18

7.83

11.79

28.8

120

200

735

1

0

0

0

9.4 12. 3 15. 2 11. 5

16.41

7.84

12.05

27.9

120

200

735

1

0

0

0

27.11

7.7

21.61

36.9

120

200

735

1

0

0

0

23.21

7.8

12.27

35

120

200

735

1

0

0

0

19.41

7.64

11.71

31

120

200

735

1

0

0

0

17.83

7.85

10.85

28.6

120

200

735

1

0

0

0

30.24

7.34

26.87

40.5

120

200

735

1

0

0

0

446.32

7

18.36

78.2

120

200

735

1

0

0

0

Geo25_V_10‐10.5

8 17. 1 29. 9 49. 3

433.48

7

30.9

82.6

120

200

735

1

0

0

0

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

20.04

7.99

17.66

30.4

120

200

735

1

0

0

0

Geo27_Kd_13.5‐13.50

15.93

8.07

9.72

28

120

200

735

1

0

0

0

22.96

8.08

19.76

36.1

120

200

735

1

0

0

0

5.2

6.98

37.45

59.7

120

200

735

1

0

0

0

6.3

7.14

34.17

65.7

120

200

735

1

0

0

0

Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

11 21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

4.5

6.71

33.65

54

120

200

735

1

0

0

0

4.4

7.28

33.73

53.9

120

200

735

1

0

0

0

Nikkel

LOI55 0

pHKC l

Ni

Ni_SW

Ni_RW

Ni_BSNI

Ni_BSNIV

< R W

> R W

> BSN I

> BS N IV

28.86

7.85

6.24

25

56

93

530

1

0

0

0

22.28

7.67

5.53

25.6

56

93

530

1

0

0

0

15.69

7.77

4.52

26.3

56

93

530

1

0

0

0

14.36

7.87

4.82

18.1

56

93

530

1

0

0

0

15.74

7.86

4.95

12.6

56

93

530

1

0

0

0

21.84

7.45

7.29

24.5

56

93

530

1

0

0

0

30.59

7.34

6.64

31.7

56

93

530

1

0

0

0

16.87

7.83

4.91

16.8

56

93

530

1

0

0

0

16.67

7.83

5.23

21.2

56

93

530

1

0

0

0

18.27

7.72

5.91

22.3

56

93

530

1

0

0

0

0

0

0

0

Geo11_Kd_13‐13.5 Geo12_Kd_14.5‐15 Geo13_Bc_17.5‐18 Geo14_Bc_25.5‐26 Geo15_Li_6.5‐7 Geo16_Kd_10‐10.5 Geo17_Kd_12.5‐13 Geo18_Kd_13.5‐14 Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5 Geo21_Kd_15‐15.5 Geo22_Kd_17‐17.5 Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte

SID Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5 Geo4_Kd_16‐16.5 Geo5_Kd_16.5‐17 Geo6_Kd_11.5‐12 Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5 Geo10_Kd_10.5‐11 Geo11_Kd_13‐13.5 Geo12_Kd_14.5‐15

Klei 18. 9 19. 6 20. 4 11. 9 7.1 18. 4 26. 6 10. 7 15 16. 1

Geo13_Bc_17.5‐18

7.5 27.9 7.71 13.06 13.1 56 93 530 1 0 17. Geo14_Bc_25.5‐26 2 21.14 7.48 10.87 23.4 56 93 530 1 0 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 165 van 211


Geo15_Li_6.5‐7

30. 1

34.14

7.41

11.46

34.6

56

93

530

1

0

0

0

6.1 10. 1

14.47

7.86

4.6

11.3

56

93

530

1

0

0

0

17.18

7.83

5.01

16.1

56

93

530

1

0

0

0

9.4 12. 3 15. 2 11. 5

16.41

7.84

4.77

15.3

56

93

530

1

0

0

0

27.11

7.7

11.42

18.5

56

93

530

1

0

0

0

23.21

7.8

5.72

21.4

56

93

530

1

0

0

0

19.41

7.64

5.07

17.6

56

93

530

1

0

0

0

17.83

7.85

4.79

13.7

56

93

530

1

0

0

0

30.24

7.34

14.54

23.3

56

93

530

1

0

0

0

446.32

7

8.68

34.4

56

93

530

1

0

0

0

Geo25_V_10‐10.5

8 17. 1 29. 9 49. 3

433.48

7

30.38

48.9

56

93

530

1

0

0

0

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

20.04

7.99

7.87

14

56

93

530

1

0

0

0

Geo27_Kd_13.5‐13.50

15.93

8.07

4.36

17.1

56

93

530

1

0

0

0

22.96

8.08

11.56

27.2

56

93

530

1

0

0

0

5.2

6.98

45.4

48.9

56

93

530

1

0

0

0

6.3

7.14

43.54

49.3

56

93

530

1

0

0

0

Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

11 21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

4.5

6.71

36.33

41.8

56

93

530

1

0

0

0

4.4

7.28

34.28

43.2

56

93

530

1

0

0

0

Zink

LOI55 0

pHKC l

Zn

Zn_SW

Zn_RW

Zn_BSNI

Zn_BSNIV

< R W

> R W

> BSN I

> BS N IV

28.86

7.85

56.31

98.1

452.6

753.5

1000

1

0

0

0

22.28

7.67

28.35

96.8

429.5

715.1

1000

1

0

0

0

15.69

7.77

26.16

94.7

408.4

680

1000

1

0

0

0

14.36

7.87

27.56

78.9

248.7

414

1000

1

0

0

0

15.74

7.86

28.19

65.3

173.6

289.1

1000

1

0

0

0

21.84

7.45

35.34

94.8

404.9

674.2

1000

1

0

0

0

30.59

7.34

31.85

108.2

608.5

1013.2

1000

1

0

0

0

16.87

7.83

30.21

77.3

240.7

400.7

1000

1

0

0

0

15 16. 1

16.67

7.83

36.61

86.7

315.5

525.3

1000

1

0

0

0

18.27

7.72

38.48

89.5

343.7

572.3

1000

1

0

0

0

7.5 17. 2 30. 1

27.9

7.71

42.52

72

241.6

402.2

1000

1

0

0

0

21.14

7.48

24.17

92.6

379.1

631.2

1000

1

0

0

0

34.14

7.41

39.58

112.6

697

1160.5

1000

1

0

0

0

14.47

7.86

28.84

60.3

150.8

251.2

1000

1

0

0

0

17.18

7.83

34.12

75.9

231.9

386.1

1000

1

0

0

0

0

0

Geo16_Kd_10‐10.5 Geo17_Kd_12.5‐13 Geo18_Kd_13.5‐14 Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5 Geo21_Kd_15‐15.5 Geo22_Kd_17‐17.5 Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte

SID Geo1_Li_6‐6.5 Geo2_Li_11‐11.5 Geo4_Kd_16‐16.5 Geo5_Kd_16.5‐17 Geo6_Kd_11.5‐12 Geo8_Qu_3.5‐4 Geo9_Li_7‐7.5 Geo10_Kd_10.5‐11 Geo11_Kd_13‐13.5 Geo12_Kd_14.5‐15 Geo13_Bc_17.5‐18 Geo14_Bc_25.5‐26 Geo15_Li_6.5‐7 Geo16_Kd_10‐10.5 Geo17_Kd_12.5‐13

Klei 18. 9 19. 6 20. 4 11. 9 7.1 18. 4 26. 6 10. 7

6.1 10. 1

Geo18_Kd_13.5‐14 9.4 16.41 7.84 34.04 73.5 215.9 359.5 1000 1 0 ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 166 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Geo19_Bc_17.5‐18 Geo20_Kd_14‐14.5 Geo21_Kd_15‐15.5 Geo22_Kd_17‐17.5

12. 3 15. 2 11. 5

27.11

7.7

40.23

85.5

322.2

536.5

1000

1

0

0

0

23.21

7.8

32.89

90

353.8

589.1

1000

1

0

0

0

19.41

7.64

31.43

80.6

267.7

445.7

1000

1

0

0

0

17.83

7.85

35.77

69.7

199.2

331.6

1000

1

0

0

0

30.24

7.34

44.42

95.7

426.7

710.4

1000

1

0

0

0

446.32

7

30.27

122.1

1073.1

1786.8

1000

1

0

0

0

433.48

7

49.58

136.1

1478.4

2461.7

1000

1

0

0

0

Geo25_V_10‐10.5

8 17. 1 29. 9 49. 3

Geo26_Bc_28.5‐29.0

8.3

20.04

7.99

40

71.8

215.4

358.6

1000

1

0

0

0

Geo27_Kd_13.5‐13.50

11 21. 3 49. 3 52. 3 39. 5 41. 3

15.93

8.07

28.14

77.6

241.1

401.4

1000

1

0

0

0

22.96

8.08

43.16

99.4

464.9

774.1

1000

1

0

0

0

5.2

6.98

77.54

130.2

1192.2

1985

1000

1

0

0

0

6.3

7.14

76.09

132.3

1276

2124.6

1000

1

0

0

0

4.5

6.71

69.62

122.7

925.3

1540.7

1000

1

0

0

0

4.4

7.28

67.81

123.8

981.1

1633.5

1000

1

0

0

0

Geo23_Bc_20‐20.5 Geo24_V_5‐5.5

Geo28_Bc_26.0‐26.5 Wien_Laag1_LidvPutte Wien_Laag2_LidvPutte Wien_Laag3_LidvTerhage n Wien_Laag4_LidvTerhage n

B. OVERZICHT BODEMSTALEN INBO VOOR VERKENNING HUIDIGE TOESTAND Nr

SID

TOP

BOT

LaboCode

Staalnummer

Monstern.Datum

VoorbehandelingExtern

Staalinfo

1

BB01_0‐17

0

17

20‐002053

235084

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Mogelijke asbestverontreining !

2

BB01_17‐55

17

55

20‐002054

235085

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Mogelijke asbestverontreining !

3

BB02_0‐12

0

12

20‐002055

235086

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Bevat asbest in kleine partikels !!

4

BB02_12‐40

12

40

20‐002056

235087

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Bevat asbest in kleine partikels !!

5

BB02_40‐70

40

70

20‐002057

235088

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Bevat asbest in kleine partikels !!

6

BB03_0‐20

0

20

20‐002058

235089

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Mogelijke asbestverontreining !

7

BB04_0‐16

0

16

20‐002059

235090

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Mogelijke asbestverontreining !

8

BB04_16‐39

16

39

20‐002060

235091

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Mogelijke asbestverontreining !

9

BB04_39‐100

39

100

20‐002061

235092

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

Mogelijke asbestverontreining !

10

BB06_0‐10

0

10

20‐002062

235093

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

11

BB06_10‐50

10

50

20‐002063

235094

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

12

BB06_50‐100

50

100

20‐002064

235095

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

13

BB07_0‐10

0

10

20‐002065

235096

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

14

BB07_10‐27

10

27

20‐002066

235097

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

15

BB07_27‐120

27

120

20‐002067

235098

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

16

BB08_0‐37

0

37

20‐002068

235099

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

17

BB08_37‐70

37

70

20‐002069

235100

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

18

BB08_70‐100

70

100

20‐002070

235101

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

19

BB09_0‐16

0

16

20‐002071

235102

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

20

BB09_16‐50

16

50

20‐002072

235103

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 167 van 211


21

BB09_50‐90

50

90

20‐002073

235104

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

22

BB10_0‐10

0

10

20‐002074

235105

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

23

BB10_10‐60

10

60

20‐002075

235106

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

24

BB10_60‐100

60

100

20‐002076

235107

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

25

BB11_0‐16

0

16

20‐002077

235108

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

26

BB11_16‐50

16

50

20‐002078

235109

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

27

BB11_50‐100

50

100

20‐002079

235110

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

28

BB15_0‐14

0

14

20‐002080

235111

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

29

BB15_14‐60

14

60

20‐002081

235112

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

30

BB15_60‐100

60

100

20‐002082

235113

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

31

BB16_0‐17

0

17

20‐002083

235114

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

32

BB16_17‐30

17

30

20‐002084

235115

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

33

BB16_30‐100

30

100

20‐002085

235116

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

34

BB17_0‐15

0

15

20‐002086

235117

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

35

BB17_15‐50

15

50

20‐002087

235118

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

36

BB17_50‐100

50

100

20‐002088

235119

13.02.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

37

BB18_0‐30

0

30

20‐002089

235120

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

38

BB18_30‐45

30

45

20‐002090

235121

30.01.2020

D40_KAAK_MEC_KOG

C. OVERZICHT GEOLOGISCHE STALEN VOOR KARAKTERISERING OOSTERWEEL SUBSTRATEN C1. Stalen ter beschikking gesteld door Geotechniek (MOW) Nr

SID

Boornummer

Datum

Geostaal

Geolaag

Van

Tot

(cm)

(cm)

1

Geo1_Li_6‐6.5

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2201‐G013: 6‐ 6.50 (Lillo)

LI

6

6.5

2

Geo2_Li_11‐11.5

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2211‐G023: 11‐ 11.50 (Lillo)

LI

11

11.5

3

Geo3_Li‐Kd_13‐13.5

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2215‐G027: 13‐ 13.50 (Grens Lillo‐ Kattendijk)

Li‐Kd

13

13.5

4

Geo4_Kd_16‐16.5

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2221‐G033: 16‐ 16.50 (Kd)

Kd

16

16.5

5

Geo5_Kd_16.5‐17

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2222‐G34: 16.50‐ 17 (Kd)

Kd

16.5

17

6

Geo6_Bc_26‐26.5

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2241‐G053: 26‐

Bc

26

26.5

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 168 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


26.5 (Berchem)

7

Geo7_Bc_28.5‐29

1445‐GEO‐18/132‐B5b

21.06.2019

19/2246‐G058: 28.50‐29 (Bc)

Bc

28.5

29

8

Geo8_Qu_3.5‐4

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2790‐G005: 3.5‐4 (Quartair)

Quartair

3.5

4

9

Geo9_Li_7‐7.5

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2797‐G012: 7‐7.5 (Lillo)

Li

7

7.5

10

Geo10_Kd_10.5‐11

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2804‐G019: 10.50‐11 (Kd)

Kd

10.5

11

11

Geo11_Kd_11.5‐12

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2806‐G021: 11.50‐12 (Kd)

Kd

11.5

12

12

Geo12_Kd_14.5‐15

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2812‐G027: 14.50‐15 (Kd)

Kd

14.5

15

13

Geo13_Bc_17.5‐18

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2818‐G033: 17.50‐18 (Bc)

Bc

17.5

18

14

Geo14_Bc_25.5‐26

1445‐GEO‐18/132‐B9b

28.08.2019

19/2834‐G049: 25.5‐ 26 (Bc)

Bc

25.5

26

15

Geo15_Li_6.5‐7

1445‐GEO‐18/132‐B11

25.09.2019

19/3108‐G011: 6.50‐ 7 (Lillo)

LI

6.5

7

16

Geo16_Kd_10‐10.5

1445‐GEO‐18/132‐B11

25.09.2019

19/3115‐G018: 10‐ 10.5 (Kd)

Kd

10

10.5

17

Geo17_Kd_12.5‐13

1445‐GEO‐18/132‐B11

25.09.2019

19/3120‐G023: 12.50‐13 (Kd)

Kd

12.5

13

18

Geo18_Kd_13.5‐14

1445‐GEO‐18/132‐B11

25.09.2019

19/3122‐G025: 13.50‐14 (Kd)

Kd

13.5

14

19

Geo19_Bc_17.5‐18

1445‐GEO‐18/132‐B11

25.09.2019

19/3130‐G033: 17.50‐18 (Bc)

Bc

17.5

18

20

Geo20_Kd_14‐14.5

1445‐GEO‐18/132‐B2b

15.10.2019

19/3267‐G029: 14‐ 14.50 (Kd)

Kd

14

14.5

21

Geo21_Kd_15‐15.5

1445‐GEO‐18/132‐B2b

15.10.2019

19/3269‐G031: 15‐ 15.5 (Kd)

Kd

15

15.5

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 169 van 211


22

Geo22_Kd_17‐17.5

1445‐GEO‐18/132‐B2b

15.10.2019

19/3273‐G035: 17‐ 17.50 (Kd)

Kd

17

17.5

23

Geo23_Bc_20‐20.5

1445‐GEO‐18/132‐B2b

15.10.2019

19/3279‐G041: 20‐ 20.50 (Bc)

Bc

20

20.5

24

Geo24_V_5‐5.5

GEO‐19/089‐B5

06.01.2020

20/0174‐G010: 5‐ 5.50 (veen)

Veen

5

5.5

25

Geo25_V_10‐10.5

GEO‐19/089‐B8

13.01.2020

20/0112‐G020: 10‐ 10.50 (veen)

Veen

10

10.5

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 170 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


C2. Stalen ter beschikking gesteld door De Vlaamse Waterweg (DVW): Talboom en Délo boringen TALBOOM

Diepte

Boring

Van (m)

Tot (m)

Code

B1

0

1.2

TB_B1_0‐1.2

B2

0

1.2

TB_B2_0‐1.2

B1

1.2

2.4

TB_B1_1.2‐2.4

B2

1.2

2.4

TB_B2_1.2‐2.4

B1

2.4

3.6

TB_B1_2.4‐3.6

B2

2.4

3.6

TB_B2_2.4‐3.6

B1

3.6

4.8

TB_B1_3.6‐4.8

B2

3.6

4.8

TB_B2_3.6‐4.8

B1

4.8

6

TB_B1_4.8‐6

B1

6

7.2

TB_B1_6‐7.2

B2

6

7.2

TB_B2_6‐7.2

B1

7.2

8.4

TB_B1_7.2‐8.4

B2

7.2

8

B1

8.4

9.6

TB_B1_8.4‐9.6

B2

8.4

9.6

TB_B2_8.4‐9.6

B1

9.4

10.8

TB_B1_9.4‐10.8

B2

9.6

10.8

TB_B2_9.6‐10.8

B2

9.8

10

TB_B2_9.8‐10

B1

10.8

12

TB_B1_10.8‐12

B2

10.8

12

TB_B2_10.8‐12

B1

11.4

15.6

TB_B1_11.4‐15.6

B1

12

13.2

TB_B1_12‐13.2

B2

12

13.2

TB_B2_12‐13.2

B1

13.2

14.4

TB_B1_13.2‐14.4

B2

14.8

15.6

TB_B2_14.8‐15.6

B1

15.6

16.8

TB_B1_15.6‐16.8

B2

15.6

16.3

TB_B2_15.6‐16.3

B1

16.8

17.7

TB_B1_16.8‐17.7

B2

17.2

14.8

TB_B2_17.2‐14.8

TB_B2_7.2‐8

Délo‐boringen

Van

Tot

(cm)

(cm)

B1

0

B1 B1

Boring

Sys

BzB

Kleur

Opmerking

Code

100

ED

BA2PU2

BRRO

Délo_B1_0‐100

100

200

ED

PU3BA3ST2

ZWRO

Délo_B1_100‐200

200

300

PM PU2ST1BA1VE1

BRRO

Délo_B1_200‐300

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 171 van 211


B1

300

400 PM PU3ST3BA3HK2

stenig/grind/ DRBR zwart ‐oliegeur

Délo_B1_300‐400

B1

400

500

PM BA1HO2ST2PA1

DRBR

Délo_B1_400‐500

B1

600

700

PM

VE2

GRBR

Délo_B1_600‐700

B1

700

800

PM

VE1SC1

BRGR

B1

800

900

PM

B1

900

1000 PM

SC2GC2

GRBR

Délo_B1_900‐1000

B1

1100

1200 PM

SC2GC2

GR

Délo_B1_1100‐1200

B1

1200

1300 PM

SC2GC2

GRBR

Délo_B1_1200‐1300

B1

1300

1400 PM

SC1GC2

GRBR

Délo_B1_1300‐1400

B1

1400

1500 PM

SC1GC2

GRZW

Délo_B1_1400‐1500

B1

1500

1600 PM

GC2SC3

GRZW

Délo_B1_1500‐1600

B1

1600

1700 PM

GC2SC3

GRZW

Délo_B1_1600‐1700

B1

1700

1800 PM

B1

1800

1900 PM

GR

B1

1900

2000 PM

GC4

GRZW

B2

700

800 PM

B2

800

900

PM

VE1SC1

BRGR

Délo_B2_800‐900

B2

900

1000 PM

SC2GC2

GRBR

Délo_B2_900‐1000

B2

1000

1100 PM

ST1SC1GC2

GRBR

Délo_B2_1000‐1100

B2

1100

1200 PM

SC2GC2

GRBR

Délo_B2_1100‐1200

B2

1200

1300 PM

SC2GC2

GRBR

Délo_B2_1200‐1300

B2

1300

1400 PM

GRBR

Délo_B2_1300‐1400

B2

1400

1500 PM

SC2GC2HO1

GRBR

Délo_B2_1400‐1500

B2

1500

1600 PM

B2

1600

1700 PM

SC2GC3

GRBR

Délo_B2_1600‐1700

B2

1700

1800 PM

SC1GC3

GRBR

Délo_B2_1700‐1800

B2

1800

1900 PM

GC3SC1HO1

zwart zand, BRGR oliegeur

Délo_B2_1800‐1900

B2

1900

2000 PM

GC4SC1

GRBR

Délo_B2_1900‐2000

groene kleur

Délo_B1_700‐800 Délo_B1_800‐900

zwart zand/ minerale olie

Délo_B1_1700‐1800

Zandsteen

Délo_B1_1800‐1900 Délo_B1_1900‐2000

geurt naar olie/diesel …

Délo_B2_700‐800

Délo_B2_1500‐1600

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 172 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


D. VIRTUELE BORINGEN VOLGENS DOV GEOLOGISCH 3D MODEL EN HYDROLOGISCH 3D MODEL OP DE BOORLOCATIES WAARVAN STALEN WERDEN BEKOMEN. Geotechniek 1445‐GEO‐18/132‐B5b Boring 1 op Kaart Figuur 3.12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 173 van 211


Geotechniek 1445‐GEO‐18/132‐B9b Boring 2 op Kaart Figuur 3.12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 174 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Geotechniek 1445‐GEO‐18/132‐B11 Boring 3 op Kaart Figuur 3.12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 175 van 211


Geotechniek 1445‐GEO‐18/132‐B2b Boring 4 op Kaart Figuur 3.12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 176 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


LANTIS/SWECO B60006 Boring 7 op Kaart Figuur 3.12

LANTIS/SWECO B60007 Boring 8 op Kaart Figuur 3.12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 177 van 211


Talboom TB01 Boring 9 op Kaart Figuur 3.12

Talboom TB02 Boring 10 op Kaart Figuur 3.12

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 178 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Talboom Délo_B1 Boring 11 op Kaart Figuur 3.12

Talboom Délo_B2 Boring 12 op Kaart Figuur 3.12 Boorstaal was van 7‐20 m onder maaiveld.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 179 van 211


E. LIJST VAN VAATPLANTEN DIE TOLERANT ZIJN VOOR LICHT VERHOOGDE SALINITEIT OP BASIS VAN INDICATORWAARDEN: E VOLGENS ELLENBERG ET AL. (1992) EN H VOLGENS HILL ET AL. (1999). SOORTEN VAN ZOUTE MOERASSEN ZIJN NIET OPGENOMEN. N: N‐FIXERENDE SOORTEN ZIJN MET X GEMARKEERD. Species

Soort

N E H Opmerking

Achillea millefolium

Duizendblad

1 1

Agrositis stolonifera

Fioringras

0 1

Althaea officinalis

Heemst

2 2

op vochtige bodem

Ammophila arenaria

Helm

1 3

Asparagus officinalis

Asperge

0 2

Carex arenaria

Zandzegge

1 1

Cynoglossum officinale

Veldhondstong

0 1

Daucus carota

Peen

0 2

Elymus repens

Kweek

0 2

Festuca arundinacea

Rietzwenkgras

2 1

op vochtige bodem

Festuca rubra

Rood zwenkgras

0 2

Foeniculum vulgare

Venkel

‐

3

Hippophae rhamnoides

Duindoorn

x

0 3

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 180 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Hordeum secalinum

Veldgerst

4 1

Hypochaeris radicata

Gewoon biggenkruid

1 0

Lotus corniculatus ssp. Corniculatus

Gewone rolklaver

x

0 1

Lotus corniculatus ssp. Tenuis

Smalle rolklaver

x

4 1

Matricaria maritima

Reukloze kamille

0 1

Melilotus altissimus

Goudgele honingklaver x

2 0

op vochtige bodem

Ononis spinosa

Kattendoorn

x

1 0

Phalaris arundinacea

Rietgras

0 1

op vochtige bodem

Phleum arenarium

Zanddoddengras

1 1

Phragmites australis

Riet

0 2

op vochtige bodem

Poa annua

Straatgras

1 1

Populus alba

Witte abeel

x 0

Potentilla anserina

Zilverschoon

1 2

op vochtige bodem

Prunus spinosa

Sleedoorn

0 1

Pulicaria vulgaris

Klein vlooienkruid

1 0

op vochtige bodem

Rumex crispus

Krulzuring

0 2

op vochtige bodem

Sedum acre

Muurpeper

1 1

Sedum telephium

Hemelsleutel

0 1

Sonchus arvensis

Akkermelkdistel

1 1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 181 van 211


Sonchus palustris

Moerasmelkdistel

1 1

op vochtige bodem

Taraxacum officinale

Paardenbloem

1 1

Trifolium arvense

Hazenpootje

x

0 1

Trifolium fragiferum

Aardbeiklaver

x

4 2

op vochtige bodem

Trifolium incarnatum

Incarnaatklaver

x

x 1

Zuid‐Europees

Trifolium repens

Witte klaver

x

1 0

op vochtige bodem

Vicia cracca

Vogelwikke

x

1 0

op vochtige bodem

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 182 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Nederlandse naam

Vocht

pH

Voedselrijkdom

N‐fixatie

Stekels of doornen

Pionier

Autochtone zaadbronnen

Acer campestre

Spaanse aak

5

5

7

6

x

Acer platanoides

Noorse esdoorn

4

5

7

7

Acer pseudoplatanus

gewone esdoorn

4

5.5

6

6.5

Alnus glutinosa

zwarte els

5

8.5

6

6

x

x

Alnus incana

witte els

6

7

7

4

x

x

Betula alba

zachte berk

7

7.5

3.5

3.5

x

Betula pendula

ruwe berk

7

5

4

4

x

Carpinus betulus

haagbeuk

4

5

5

6

Castanea sativa

tamme kastanje

5

5

4.5

5

Cornus sanguinea

rode kornoelje

7

5

7

6

x

Corylus avellana

hazelaar

5

5

6

5.5

x

Crataegus laevigata

tweestijlige meidoorn

5.5

5

7

5

x

x

Crataegus monogyna

eenstijlige meidoorn

6.5

4.5

7.5

5

x

x

Cytisus scoparius

brem

8

4.5

3.5

4

x

x

x

Euonymus europaeus

wilde kardinaalsmuts

5.5

5

8

5

x

Fagus sylvatica

beuk

3

5

5

5

x

Frangula alnus

sporkehout

6

8

4.5

5

x

Fraxinus excelsior

es

4.5

6

7

6.5

x

Hippophae rhamnoides

duindoorn

8.5

4.5

7.5

4

x

x

x

x

Ligustrum vulgare

wilde liguster

6.5

4.5

7.5

4

x

x

Malus sylvestris

wilde appel

7

5

6.5

5.5

x

x

Mespilus germanica

mispel

x

x

opslag/uitlopers

Wetenschappelijke naam

Licht

F. OVERZICHT VAN VEREISTEN AAN DE GROEIPLAATS EN ECOLOGISCHE KENMERKEN VAN HOUTIGE SOORTEN DIE NA DE LANDSCHAPSBOUW KUNNEN WORDEN INGEZET

x

x

x

x

x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 183 van 211


Myrica gale

wilde gagel

8

9

3

2.5

x

Pinus sylvestris

grove den

7

6

2

2

x

Populus alba

witte abeel

5.5

6.5

7.5

6

x

x

6

6

6

5

x

x

5.5

8

7

7

x

x

x

x

Populus alba (+ P. x canescens) witte en grauwe abeel

x

Populus nigra

zwarte populier

Populus tremula

ratelpopulier

6

5

5

6

Prunus avium

zoete kers

4

5

6.5

5.5

Prunus padus

vogelkers

5

7

6.5

6.5

x

x

Prunus spinosa

sleedoorn

6.5

4.5

7

6

x

x

x

Quercus petraea

wintereik

6

5.5

3

4

x

Quercus robur

zomereik

7

5

5

4

x

Rhamnus catharticus

wegedoorn

7

4.5

7.5

5

x

x

Ribes nigrum

zwarte bes

4.5

9

6

5.5

x

Ribes rubrum

aalbes

4.5

7.5

6.5

6

x

Ribes uva‐crispa

kruisbes

4.5

5

7

6

x

x

Rosa 'canina' groep

hondsroos

6

5

7

6

x

x

Rosa caesia

behaarde struweelroos 8

3

7.5

3

x

Rosa obtusifolia

beklierde heggenroos

7

4

8

4

x

x

Rosa agrestis

kraagroos

8

3

8

3

x

x

Rosa arvensis

bosroos

5.5

4.5

7

5

x

x

x

Rosa micrantha

kleinbloemige roos

7

3

7.5

3

x

x

x

Rosa pimpinellifolia

duinroos

8

3.5

7

3

x

x

x

Rosa rubiginosa

egelantier

7

3

8

3

x

x

Rosa stylosa

stijlroos

7.5

4

8

4

x

x

Rosa tomentosa

viltroos

7.5

4

7

4

x

x

Rosa villosa

bottelroos

5.5

4

7.5

3

x

Salix alba

schietwilg

5.5

7.5

8

7.5

x

x

Salix aurita

geoorde wilg

7

8

4

3

x

Salix caprea

boswilg

7

6.5

7

7

x

x

Salix cinerea

grauwe wilg

7

8.5

5.5

4.5

x

x

x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 184 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Salix fragilis

kraakwilg

5.5

8

6.5

6.5

Salix pentandra

laurierwilg

7

8

6

4

Salix purpurea

bittere wilg

8

9

7.5

5

x

Salix repens

kruipwilg

8

7

6

3

x

x

Salix triandra

amandelwilg

7

8

7

5

Salix viminalis

katwilg

7

8

6.5

6

Sambucus nigra

gewone vlier

6.5

5

7

8

Sambucus racemosa

trosvlier

6

5

5.5

7.5

Sorbus aria

meelbes

6

4

7

3.5

x

Sorbus aucuparia

wilde lijsterbes

6

6

3.5

4

x

Sorbus torminalis

elsbes

4

4.5

6.5

4.5

x

Tilia cordata

winterlinde

5

5

6

5

x

Tilia platyphyllos

zomerlinde

4

5.5

7

6.5

x

Ulex europaeus

gaspeldoorn

7

5

4

2.5

x

x

x

x

Ulmus glabra

ruwe iep

4

5.5

7

6.5

Ulmus laevis

fladderiep

Ulmus minor

gladde iep

5

5

7.5

7

Viburnum lantana

wollige sneeuwbal

7

4.5

7.5

4.5

x

Viburnum opulus

Gelderse roos

6

7

6.5

6

Pioniersoorten

x

x

x

x

x

x

x

x

x

criteria: combinatie van lichtbehoefte, geringe N behoefte, vlotte verspreiding en snelle jeugdgroei

Lichtgetal: 4‐5 = schaduwtolerant; >5 ‐ <7 matig lichtbehoevend; 7 of groter: lichtbehoevend Vochtgetal: kleiner dan 5: droogtetolerant; 5‐6: mesofiel; >6: vochtminnend pH: <5 op zure bodem; 5‐6: licht zure bodem; >6 neutrale tot basische bodem Voedselrijkdom: <5: voedselarme bodem; 5‐6: matig voedselrijke bodem; > 6: voedselrijke bodem

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 185 van 211


G. OVERZICHTSFOTO’S VAN DE BEMONSTERDE PLASSEN BINNEN HET STUDIEGEBIED.

ANTBOO0065. Vooraan staalnamepunt A en achteraan staalnamepunt B

ANTBOO0065. Staalnamepunt B

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 186 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


ANTRUM0007

ANTRUM0010

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 187 van 211


ANTRUM0047

ANTRUM0026

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 188 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


ANTRUM0048

ANTRUM0041

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 189 van 211


ANTRUM0171

ANTRUM0159

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 190 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


H. OVERZICHTSFOTO’S VAN DE BEMONSTERDE PROEFVLAKKEN VOOR VERKENNENDE STROOISEL EN BODEMSTAALNAME BINNEN HET STUDIEGEBIED. BB01

30.01.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 191 van 211


BB02

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 192 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB03

30.01.2020

Dunne afdeklaag boven asbeststort.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 193 van 211


BB04

30.01.2020

Profielstaalname met steekguts en edelmanboor. Grondwatertafel op ca 50 cm.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 194 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB06

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 195 van 211


BB07

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 196 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB08

30.01.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 197 van 211


BB09

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 198 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB10

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 199 van 211


BB11

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 200 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB15

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 201 van 211


BB16

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 202 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


BB017

12.02.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 203 van 211


BB018

30.01.2020

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 204 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


I. OVERZICHTSFOTO’S VAN ENKELE GEOSTALEN (VERS MATERIAAL) BEKOMEN VAN GEOTECHNIEK

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 205 van 211


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 206 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 207 van 211


J. GEOLOGISCHE COUPES (PROFIELEN) VOOR DE TRAJECTEN MO1 EN ME1 (BRON LANTIS, APRIL 2020)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 208 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 209 van 211


K. VOORBEELD ANALYSERESULTATEN VLACO GROENCOMPOST

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 210 van 211

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.18416046

Pagina 211 van 211


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 212 van 212

doi.org/10.21436/inbor.18416046

www.inbo.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Analyse_mogelijkheden_bos_natuurontwikkeling_Rumst_Boom.pdf by Vlaanderen-be - Issuu