Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma
van de aantredende Vlaamse regering
Deel 1
Inschatting van de budgettaire ruimte voor de regeerperiode 2004-2009
Inhoudstafel Inleiding .......................................................................................................... 2 1
De geconsolideerde middelen.................................................................... 4 1.1 Het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.................................................. 4
1.1.1
Algemeen overzicht van de middelen 1999-2009 ............................. 4
1.1.2
Gedeelde en samengevoegde belastingen ......................................... 7
1.1.2.1
Parameters.................................................................................. 7
1.1.2.2
Projectie van de middelen, voortvloeiend uit de bijzondere .........
financieringswet ....................................................................................... 10
1.1.3
Specifieke dotaties en ristorno’s ...................................................... 13
1.1.4
Gewestbelastingen........................................................................... 13
1.1.5
Toegewezen ontvangsten ................................................................ 15
1.1.6
Eigen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten ............................ 15
1.1.7
Kredietverleningen en deelnemingen............................................... 15
1.1.8
ESR-ontvangsten ............................................................................. 16
1.1.9
Sensitiviteitsanalyse......................................................................... 17
1.1.9.1
Samengevoegde en gedeelde belastingen................................. 17
1.1.9.2
Federale dotaties ...................................................................... 18
1.2 De te consolideren instellingen ..................................................................... 19 1.3 Overzicht....................................................................................................... 21
2
De uitgaven............................................................................................. 22 2.1 Uitgaven op geconsolideerde basis – methodologische aanpak..................... 22 2.2 Toelichting bij de uitgavenevolutie per beleidsthema.................................... 25
3
Het door de Vlaamse overheid te behalen vorderingssaldo ...................... 43
4
Een nieuwe norm..................................................................................... 47 4.1 Inleiding ........................................................................................................ 47 4.2 Voorstel van nieuwe normpad – berekening .................................................. 49 4.3 Technische uitwerking van voorgaande premissen........................................ 49 4.4 Conclusie ...................................................................................................... 51
5
Bijlagen ................................................................................................... 52 Bijlage 1 ............................................................................................................... 52
1
Inleiding De inschatting van de budgettaire ruimte vereist: •
prognoses aangaande de middelenontwikkeling, die zelf gebaseerd worden op economische parameters en op de elasticiteit, waarmee de Vlaamse ontvangsten hierop ageren;
•
prognoses aangaande de uitgavenontwikkeling, zoals zij zich zal voordoen op korte en middellange termijn, uitgaande van de gekende verbintenissen (met inbegrip van de quasizekere, waaronder sommige arresten);
•
prognoses aangaande het te volgen normpad. Vlaanderen heeft als belangrijke deelentiteit binnen de Belgische federatie ook verplichtingen om mee het stabilisatiepad, dat België onderschrijft, te helpen realiseren.
Het normpad houdt rekening met de budgettaire evolutie, niet alleen van de Vlaamse Gemeenschap, maar ook van haar talrijke satellieten. Deze consolidatiekring is zelfs ruimer, omdat ook een aantal privaatrechtelijke vennootschappen – zoals Aquafin – hieronder vallen. Bij de middelenontwikkeling werd nagegaan welke middelen éénmalig gegenereerd kunnen worden, dan wel structureel aanwezig kunnen zijn. Zelfs rekening houdend met het verdwijnen van éénmalige inkomsten, is er een belangrijke middelenevolutie. Bij de interpretatie van de op het eerste zicht belangrijke middelenevolutie mag men echter niet uit het oog verliezen dat het hier om bruto-beleidsruimte gaat. Deze is uiteraard niet volledig beschikbaar voor nieuwe beleidsinitiatieven. Een belangrijk deel wordt immers ingenomen door de onvermijdelijke dynamiek van de begroting bij ongewijzigd beleid. Zoals in vorige meerjarenoefeningen het geval was, staat bij de inschatting van betalingskredietenbehoeften de notie “constant beleid” centraal. In de voorliggende oefening werd vooraf een bijstelling gedaan van de initiële begroting 2004, in functie van de resultaten van het aanpassingsblad dat in de loop van april 2004 door het Vlaams Parlement werd gestemd. Uitgaande van de aldus vastgestelde kredieten werd een toetsing doorgevoerd op basis van de beschikbare informatie, met het oog op bijstellingen die noodzakelijk zijn om de onvermijdelijke verplichtingen die het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap op zich hebben genomen te honoreren. Uiteraard wordt het effect van éénmalige initiatieven of aflopende programma’s eveneens in de ramingen vertaald. Het Rekenhof heeft vastgesteld dat er in de begroting 2004 vooral binnen de instellingen en de DAB’s – die moeten geconsolideerd worden met de Vlaamse begrotingsresultaten – er door de versnelde saldo-afbouw een aanzienlijk tekort is: het Rekenhof berekent deze gap voor 2004 op 800 miljoen . In praktijk zal er uiteraard ook dit jaar een normale onderaanwending zijn, die wellicht kan oplopen tot 400 miljoen euro. Er blijft niettemin een belangrijk verschil. Bij de beoordeling van de voorziene uitgaven, die hierna themagewijs aan bod komen, kan men niet om het gegeven heen dat de impliciete schuld in belangrijke mate is toegenomen. Door in de afgelopen jaren de toegenomen verbintenissenruimte vertraagd te honoreren – door het toekennen van toereikende betalingskredieten – zijn de uitstaande verplichtingen in belangrijke mate aangegroeid.
2
De impliciete schuld wordt thans geraamd op ca. 2,1 miljard euro. Het is moeilijk om, op basis van de beschikbare informatie, een precieze inschatting te maken van het tijdstip waarop deze verbintenissen effectief zullen moeten gehonoreerd worden. De afwijkingsmarge tussen de in deze inschatting van de beleidsruimte opgenomen uitgangspunten en de effectieve realisatiegegevens zoals ze in de toekomst zullen blijken, kan daardoor tijdelijk oplopen tot 150-200 miljoen euro, maar structureel dient deze impliciete schuld gehonoreerd te worden. In de onderliggende nota wordt er van uit gegaan dat de honorering van de impliciete schuld vlot verloopt, d.w.z. dat de beschikbare administratieve capaciteit om ze te honoreren voorhanden is. Het begrip constant beleid betekent ook dat in de meerjarenbegroting gerekend wordt met kredieten die de mate van uitvoering van eerder genomen beslissingen weerspiegelen. Dit impliceert dat alle directe engagementen, genomen door de Vlaamse regering of door het Vlaams Parlement, budgettair worden gehonoreerd. De intenties daarentegen worden niet opgenomen: er werd geoordeeld dat deze herbevestigd moeten worden door de nieuwe Vlaamse regering. Hieronder valt bijv. de voorziene optrekking van de inspanning voor het wetenschappelijke beleid. Aangezien bij de inschatting van de budgettaire marge waarover de nieuwe regering kan beschikken de toetsing gebeurt aan de hand van het in de samenwerkingsovereenkomst tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten overeengekomen te bereiken vorderingensaldo, wordt in wat hierna volgt getracht de evolutie te ramen van de uitgaven van alle binnen de Vlaamse overheidssector te consolideren instellingen. Verder in het document wordt ingegaan op de na te leven norm, zoals die resulteert uit de overlegmomenten die eind 2003 binnen het overlegcomité en de interministeriële conferentie Financiën en Begroting hebben plaatsgevonden
3
1 De geconsolideerde middelen 1.1 Het ministerie van de Vl Vlaamse aamse Gemeenschap 1.1.1 Algemeen overzicht van de middelen 1999-2009
Onderstaande tabel bevat een algemeen overzicht van de geraamde middelen van de Vlaamse Gemeenschap over de periode 1999-2009. De ramingen voor de jaren 1999-2003 hebben betrekking op de cijfers van de begrotingscontrole van het betrokken jaar, inclusief de afrekening van het voorgaande jaar. Voor het begrotingsjaar 2004 gaat het om de begrotingsopmaak en een voorafspiegeling van de begrotingscontrole. Voor de begrotingsjaren volgend op 2004 wordt er met twee scenario’s gewerkt, die enkel op het vlak van de samengevoegde en gedeelde belastingen tot een verschillend resultaat leiden: •
het eerste scenario trekt de parameters, die van belang zijn voor de toepassing van de bijzondere financieringswet en die gebruikt zouden worden bij de begrotingscontrole 2004, door naar de begrotingsjaren 2005 tot 2009;
•
het tweede scenario laat de fiscale capaciteit van de deelgebieden, de inwoners, de leerlingenverhouding en de min 18-jarigen evolueren over de periode 2005-2009.
In de tabellen 1A en 1B worden de absolute waarden weergegeven voor beide scenario’s. De gewestbelastingen zijn inclusief nalatigheidsintresten en boetes. Vroeger werden de nalatigheidsintresten en boetes wel eens apart vermeld, maar dit gaf enkel aanleiding tot misverstanden, waardoor besloten werd om ze stelselmatig te integreren. De tabellen 2A en 2B geven vervolgens middels indices aan in welke mate de middelen toe- of afnemen ten opzichte van de cijfers van de begrotingsopmaak 2004. De samenvattende overzichten beklemtonen de toename in fiscale autonomie sinds de inwerkingtreding van het Lambermontakkoord op 1 januari 2002. Waar het aandeel van de gewestelijke belastingen ten opzichte van het totaal van de middelen in 2001 nog 7% bedroeg, loopt dit in 2009 op tot 17%. De middelen die verkregen worden uit de bijzondere financieringswet (samengevoegde en gedeelde belastingen en federale dotaties) dalen daarentegen van 88% in 2001 naar 81% in 2009. Deze daling is minder spectaculair dan de stijging bij de gewestbelastingen, omdat zij het resultaat is van een gedeeltelijk tegengestelde beweging. Enerzijds werden de samengevoegde belastingen verminderd met de negatieve term (artikel 33bis van de bijzondere financieringswet), anderzijds werden nieuwe middelen toegekend in het kader van de aan de Gemeenschappen en Gewesten nieuw toegekende bevoegdheden.
4
948.322
442.235
35.637
149.128
Gewestelijke belastingen
Kijk- en luistergeld
Eigen niet-fiscale, toegewezen, ontvangsten
Eigen niet-fiscale, niettoegewezen ontvangsten
15.619.615
726
153.917
46.406
444.969
1.067.016
221.019
13.685.562
2000
16.787.803
12.732
192.950
67.301
468.630
1.193.786
249.594
14.602.810
2001
16.718.432
1.223
276.727
69.874
33.188
2.717.548
738.971
12.880.901
2002
17.402.956
90
270.324
146.342
523
2.837.552
757.247
13.390.878
2003
33
Gewestelijke belastingen
34
71
0
85
Eigen niet-fiscale, toegewezen, ontvangsten
Eigen niet-fiscale, niettoegewezen ontvangsten
Kredietverleningen en deelnemingen
Totaal
221.117
23
Specifieke dotaties en ristorno's
Kijk- en luistergeld
98
1999
37
29
99
87
0
73
44
222.484
2000
41
33
106
94
7
92
64
234.315
2001
94
97
94
93
1
131
67
16.594
2002 97
97
0
128
140
262
98
100
2003
Tabel 2A: Totale middelen MVG naar hun aard – indices (scenario 1)
15.187.094
Samengevoegde en gedeelde belastingen
Totaal
736
177.834
Specifieke dotaties en ristorno's
Kredietverleningen en deelnemingen
13.433.203
Samengevoegde en gedeelde belastingen
1999
5
100
100
100
100
100
100
100
100
2004 (bgo)
17.919.894
175.040
210.751
104.877
200
2.903.855
760.038
13.765.133
2004 (bgo)
101
100
169
100
100
103
101
100
2004 (bgc)
18.129.804
175.338
355.282
105.162
200
2.991.269
765.048
13.737.505
2004 (bgc)
104
0
77
100
0
108
101
105
2005
18.607.258
338
163.053
105.162
0
3.144.144
770.181
14.424.380
2005
Tabel 1A: Totale middelen MVG naar hun aard - absolute bedragen (in duizend euro) (scenario 1)
107
0
77
100
0
114
102
108
2006
19.227.656
338
162.993
105.162
0
3.297.865
777.810
14.883.488
2006
111
0
75
100
0
119
103
112
2007
19.941.177
338
157.101
105.162
0
3.453.088
785.554
15.439.934
2007
115
0
75
100
0
124
104
116
2008
20.682.644
338
157.251
105.162
0
3.609.111
793.414
16.017.368
2008
120
0
75
86
0
130
105
121
2009
21.431.994
338
157.701
90.162
0
3.765.229
801.392
16.617.172
2009
948.322
442.235
35.637
149.128
Gewestelijke belastingen
Kijk- en luistergeld
Eigen niet-fiscale, toegewezen, ontvangsten
Eigen niet-fiscale, niettoegewezen ontvangsten
15.619.615
726
153.917
46.406
444.969
1.067.016
221.019
13.685.562
2000
16.787.803
12.732
192.950
67.301
468.630
1.193.786
249.594
14.602.810
2001
16.718.432
1.223
276.727
69.874
33.188
2.717.548
738.971
12.880.901
2002
17.402.956
90
270.324
146.342
523
2.837.552
757.247
13.390.878
2003
33
Gewestelijke belastingen
0
Kredietverleningen en deelnemingen
85
71
Eigen niet-fiscale, niettoegewezen ontvangsten
Totaal
34
Eigen niet-fiscale, toegewezen, ontvangsten
221.117
23
Specifieke dotaties en ristorno's
Kijk- en luistergeld
98
1999
37
29
99
87
0
73
44
222.484
2000
41
33
106
94
7
92
64
234.315
2001
94
97
94
93
1
131
67
16.594
2002 97
97
0
128
140
262
98
100
2003
Tabel 2B: Totale middelen MVG naar hun aard – indices (scenario 2)
15.187.094
Samengevoegde en gedeelde belastingen
Totaal
736
177.834
Specifieke dotaties en ristorno's
Kredietverleningen en deelnemingen
13.433.203
Samengevoegde en gedeelde belastingen
1999
6
100
100
100
100
100
100
100
100
2004 (bgo)
17.919.894
175.040
210.751
104.877
200
2.903.855
760.038
13.765.133
2004 (bgo)
101
100
169
100
100
103
101
100
2004 (bgc)
18.129.804
175.338
355.282
105.162
200
2.991.269
765.048
13.737.505
2004 (bgc)
104
0
77
100
0
108
101
105
2005
18.630.558
338
163.053
105.162
0
3.144.144
770.181
14.447.680
2005
Tabel 1B: Totale middelen MVG naar hun aard - absolute bedragen (in duizend euro) (scenario 2)
108
0
77
100
0
114
102
108
2006
19.273.491
338
162.993
105.162
0
3.297.865
777.810
14.929.323
2006
112
0
75
100
0
119
103
113
2007
20.003.530
338
157.101
105.162
0
3.453.088
785.554
15.502.287
2007
116
0
75
100
0
124
104
117
2008
20.759.820
338
157.251
105.162
0
3.609.111
793.414
16.094.544
2008
120
0
75
86
0
130
105
121
2009
21.519.385
338
157.701
90.162
0
3.765.229
801.392
16.704.563
2009
1.1.2 Gedeelde en samengevoegde belastingen 1.1.2.1 Parameters
De parameters, die gebruikt werden om de middelen 2004-2009 te berekenen, worden weergegeven in de tabellen 3A en 3B. Het betreft de parameters zoals ze met het oog op de begrotingscontrole 2004 zouden gebruikt worden. Voor de economische groei en de inflatie zijn dit de resultaten van de Economische Begroting van 20 februari 2004. Op het gebied van economische groei rekent de Hoge Raad van Financiën met een reële BNI-groei van 2,50%. De voorliggende meerjarenbegroting gaat voorzichtigheidshalve uit van een reële BNI-groei van 2,00% Met betrekking tot de inflatie werd voor de jaren, volgend op 2004, wel gebruik gemaakt van de prognoses die door de Hoge Raad van Financiën in haar referentietraject vooropgesteld werden. De inflatie in de meerjarenbegroting wordt bijgevolg op 1,50% vastgesteld. Voor de personenbelasting wordt in scenario 1 vertrokken van een constante fiscale capaciteit. De cijfers van het aanslagjaar 2002 werden doorgetrokken. Dit is een voorzichtige inschatting, aangezien mag verwacht worden dat ze nog stijgt, gezien de evolutie in het verleden. In scenario 2 wordt er uitgegaan van een stijgende fiscale capaciteit. Het aantal inwoners wordt in scenario 1 constant gehouden op het niveau van de begroting 2003 (referentietijdstip 1 januari 2002). In scenario 2 varieert het aantal inwoners, zoals voorspeld door het NIS. Voor de denataliteitscoëfficiënt wordt er eveneens met twee scenario’s gewerkt. In scenario 1 worden de laatst gekende gegevens aangehouden. De situatie per 31 augustus 2003 (referentietijdstip 30 juni 2003) wordt doorgetrokken. Scenario 2 laat de gegevens evolueren. Hetzelfde geldt voor de verdeelsleutel van de leerlingen. Scenario 1 houdt de gekende verhouding constant op: 56,92528% tegenover 43,07472%. Scenario 2 laat de verhouding in het nadeel van Vlaanderen evolueren.
7
15.221.228
6.958.939
2.221.215
132.152
Brussel
Duitstaligen
42,45%
42,92%
57,08%
136.629
2.330.454
7.270.209
16.030.193
2,22%
2,55%
2000
43,03%
56,97%
139.306
2.439.657
7.572.733
16.869.534
0,50%
2,47%
2001
43,06%
56,94%
145.743
2.590.591
7.952.724
17.965.246
1,83%
1,64%
2002
5.912.382
3.256.588
953.175
70.119
Vlaanderen
Wallonië (excl. Duitst.)
Brussel
Duitstaligen
70.831
959.318
3.268.685
5.940.251
71.036
964.405
3.275.421
5.952.552
1.234.441
726.995
200.620
99,6899%
Franstalig
Brussel
Denataliteitscoëfficient
99,8181%
202.315
727.067
1.226.523
100,0595%
205.066
727.555
1.218.775
100,4422%
208.081
729.405
1.213.131
9/02/2000 10/02/2001 01/02/2002 01/02/2003
Nederlandstalig
Teldatum
Referentietijdstip 30/06/1998 30/06/1999 30/06/2000 30/06/2001
70.472
954.460
3.261.982
5.926.838
Referentietijdstip 01/01/1998 01/01/1999 01/01/2000 01/01/2001
57,55%
Vlaamse gemeenschap
Franstalige gemeenschap
Inwoners < 18 jaar (excl. Duitst.)
Inwoners
2,47%
Groei
Waals gewest
1,12%
Inflatie
Vlaams gewest
Verdeelsleutel onderwijs
Personenbelasting
Parameters
1999
Tabel 3A: Parameteroverzicht 1999 – 2009 (scenario 1)
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,30%
1,50%
2004
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,00%
1,50%
2005
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,00%
1,50%
2006
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,00%
1,50%
2007
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
8
100,7498%
211.286
730.266
1.208.117
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
31/08/2003 31/08/2003 31/08/2003 31/08/2003 31/08/2003
30/06/2002 30/06/2003 30/06/2004 30/06/2005 30/06/2006
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
01/01/2002 01/01/2003 01/01/2004 01/01/2005 01/01/2006
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
1,20%
1,59%
2003
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,00%
1,50%
2009
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
31/08/2003 31/08/2003
30/06/2007 30/06/2008
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
01/01/2007 01/01/2008
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,00%
1,50%
2008
2.221.215
132.152
Brussel
Duitstaligen
1/01/1998
5.912.382
3.256.588
953.175
70.119
Referentietijdstip
Vlaanderen
Wallonië (excl. Duitst.)
Brussel
Duitstaligen
42,45%
70.472
954.460
3.261.982
5.926.838
1/01/1999
42,92%
57,08%
136.629
2.330.454
7.270.206
16.030.193
2,22%
2,55%
2000
70.831
959.318
3.268.685
5.940.251
1/01/2000
43,03%
56,97%
139.306
2.439.657
7.572.733
16.869.534
0,50%
2,47%
2001
71.036
964.405
3.275.421
5.952.552
1/01/2001
43,06%
56,94%
145.743
2.590.591
7.952.724
17.965.246
1,83%
1,64%
2002
1/02/2000
1.234.441
726.995
200.620
99,6899%
Teldatum
Nederlandstalig
Franstalig
Brussel
Denataliteitscoëfficient
99,8181%
202.315
727.067
1.226.523
1/02/2001
100,0595%
205.066
727.555
1.218.775
1/02/2002
100,4422%
208.081
729.405
1.213.131
1/02/2003
Referentietijdstip 30/06/1998 30/06/1999 30/06/2000 30/06/2001
Inwoners < 18 jaar (excl. Duitst.)
Inwoners
57,55%
Vlaamse gemeenschap
Franstalige gemeenschap
Verdeelsleutel onderwijs
6.958.939
Waals gewest
2,47%
Groei
15.221.228
1,12%
Inflatie
Vlaams gewest
Personenbelasting
Parameters
1999
Tabel 3B: Parameteroverzicht 1999 – 2009 (scenario 2)
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
1/01/2002
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
2,30%
1,50%
2004
73.860
981.937
3.301.560
5.990.556
1/01/2004
43,12%
56,88%
148.595
2.680.893
8.327.359
19.229.891
2,00%
1,50%
2005
74.826
985.490
3.315.595
6.008.332
1/01/2005
43,15%
56,85%
147.727
2.664.056
8.278.748
19.298.939
2,00%
1,50%
2006
75.804
989.043
3.329.631
6.026.107
1/01/2006
43,18%
56,82%
146.865
2.647.325
8.230.422
19.368.235
2,00%
1,50%
2007
9
100,7497%
211.286
730.266
1.208.117
1/08/2003
100,9186%
213.814
730.124
1.204.708
1/08/2003
100,7806%
214.503
728.036
1.199.819
1/08/2003
100,5971%
214.843
725.721
1.194.531
1/08/2003
100,2673%
214.919
721.986
1.187.907
1/08/2003
30/06/2002 30/06/2003 30/06/2004 30/06/2005 30/06/2006
71.036
978.384
3.287.524
5.972.781
1/01/2002
43,07%
56,93%
149.467
2.697.837
8.376.254
19.161.090
1,20%
1,59%
2003
77.780
996.149
3.357.702
6.061.658
1/01/2008
43,27%
56,73%
145.156
2.614.177
8.134.614
19.507.575
2,00%
1,50%
2009
99,8931%
214.791
717.922
1.180.232
1/08/2003
99,4761%
214.354
713.628
1.170.057
1/08/2003
30/06/2007 30/06/2008
76.795
992.596
3.343.667
6.043.882
1/01/2007
43,21%
56,79%
146.008
2.630.699
8.182.378
19.437.780
2,00%
1,50%
2008
1.1.2.2 Projectie van de middelen, voortvloeiend uit de bijzondere financieringswet
De berekening van de middelen, zoals weergegeven in de tabellen 4A en 4B, is de cijfermatige vertaling van de parameters uit de tabellen 3A en 3B (zie punt 1.1.1). Het is belangrijk te vermelden dat de middelenberekening over de jaren 1999 tot en met 2003 in deze tabel niet meer werd weergegeven, omdat dit louter een herberekening is aan de hand van de definitieve of recentste parameters voor deze jaren. Deze cijfers zouden bijgevolg afwijken van de cijfers in tabel 1, wat verwarring zou kunnen veroorzaken. De voorafbeelding van de begrotingscontrole 2004 houdt rekening met het bedrag dat de Federale overheid onder de geciteerde parameters naar de Vlaamse Gemeenschap zou doorstorten. De middelenberekening voor het begrotingsjaar 2005 houdt rekening met datgene dat bepaald is in de artikelen 33, §2bis en 47, §2bis van de bijzondere financieringswet. Krachtens deze artikelen – 33, §2bis voor de berekening van de samengevoegde belastingen en 47, §2bis voor de berekening van het PB-gedeelte van de gedeelde belastingen – worden, indien het rekenkundige gemiddelde van de jaarlijkse reële economische groei tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2,00%, de samengevoegde belastingen respectievelijk het PB-gedeelte van de gedeelde belastingen voor het begrotingsjaar 2005 opnieuw berekend, doch op basis van een uniforme reële groei van 2,00% tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
10
59.799
Gewest - PB extra middelen voor extra bevoegdheden
307.672
Gemeenschap - extra BTW Lambermont 9.617.623
542.232
5.831.950
3.243.441
4.806.757
61.916
-2.300.875
7.045.716
2005
9.906.945
632.376
5.919.429
3.355.140
4.976.542
64.107
-2.369.257
7.281.692
2006
293.695 471.353
Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld
32.137
Buitenlandse studenten
Totaal Federale dotaties
261.558
478.469
291.712
30.153
261.558
11
485.646
292.164
30.606
261.558
961.822
6.098.344
3.596.193
5.361.009
68.726
-2.512.570
7.804.853
2008
492.931
292.623
31.065
261.558
500.325
293.089
31.531
261.558
16.017.368
10.274.621 10.656.359
792.824
6.008.221
3.473.576
5.165.314
66.376
-2.439.799
7.538.736
2007
13.737.505 14.424.380 14.883.488 15.439.934
-64.988
Tewerkstellingsprogramma's
Dotaties vanwege Federale overheid
Algemeen totaal samengevoegde en gedeelde belastingen
Afrekening voorgaande begrotingsjaar
9.183.680
5.745.764
Gemeenschap - BTW zonder Lambermont
Totaal Gemeenschap na Lambermont
3.130.244
Gemeenschap PB
4.618.813
-2.234.584
Gewest - PB-aftrek Lambermont
Totaal Gewest na Lambermont
6.793.599
Gewest -PB Gewest zonder Lambermont
Samengevoegde en gedeelde belastingen
2004
507.830
293.562
32.004
261.558
16.617.172
11.053.293
1.140.335
6.189.819
3.723.139
5.563.879
71.158
-2.587.644
8.080.365
2009
Tabel 4A: Projectie van de middelen, voortvloeiend uit de bijzondere financieringswet (in duizend euro) (scenario 1)
59.799
Gewest - PB extra middelen voor extra bevoegdheden
307.672
Gemeenschap - extra BTW Lambermont 9.616.271
542.552
5.819.827
3.253.892
4.831.408
61.950
-2.300.875
7.070.333
2005
792.092
5.958.874
3.507.065
5.244.255
66.490
-2.439.799
7.617.564
2007
959.820
6.022.523
3.642.361
5.469.839
68.883
-2.512.570
7.913.526
2008
9.901.883 10.258.032 10.624.704
632.613
5.892.537
3.376.733
5.027.440
64.180
-2.369.257
7.332.517
2006
11.000.027
1.136.340
6.080.880
3.782.807
5.704.536
71.363
-2.587.644
8.220.817
2009
293.695 471.353
Dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld
32.137
Buitenlandse studenten
Totaal Federale dotaties
261.558
478.469
291.712
30.153
261.558
12
485.646
292.164
30.606
261.558
492.931
292.623
31.065
261.558
500.325
293.089
31.531
261.558
507.830
293.562
32.004
261.558
13.737.505 14.447.680 14.929.323 15.502.287 16.094.544 16.704.563
-64.988
Tewerkstellingsprogramma's
Dotaties vanwege Federale overheid
Algemeen totaal samengevoegde en gedeelde belastingen
Afrekening voorgaande begrotingsjaar
9.183.680
5.745.764
Gemeenschap - BTW zonder Lambermont
Totaal Gemeenschap na Lambermont
3.130.244
Gemeenschap PB
4.618.813
-2.234.584
Gewest - PB-aftrek Lambermont
Totaal Gewest na Lambermont
6.793.599
Gewest -PB Gewest zonder Lambermont
Samengevoegde en gedeelde belastingen
2004
Tabel 4B: Projectie van de middelen, voortvloeiend uit de bijzondere financieringswet (in duizend euro) (scenario 2)
1.1.3 Specifieke dotaties en ristorno’s
Onder specifieke dotaties worden deze dotaties opgenomen die door de Federale overheid aan de Vlaamse Gemeenschap overgemaakt worden. Het betreft hier drie dotaties: de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld, de dotatie voor de buitenlandse studenten en de dotatie voor de werkgelegenheidsprogramma’s. De twee laatstgenoemde dotaties werden herzien in het kader van het Sint-Elooisakkoord. Door het Sint-Elooisakkoord werd de dotatie voor de tewerkstellingsprogramma’s gevoelig verhoogd in drie schijven (2000, 2001 en 2002). Nadien werd dit krediet voor de begrotingsjaren 2002 en 2003 nogmaals verhoogd met telkens 500 miljoen BEF of 12.394.676,24 euro. De verdeling van deze extra kredieten blijft behouden zoals ze was in 1999. Deze dotatie wordt niet geïndexeerd, noch aangepast aan de economische groei. De dotatie voor de buitenlandse studenten werd door het Sint-Elooisakkoord aangepast aan het reële aantal studenten. Vanaf 2001 moet deze dotatie enkel aangepast worden aan de inflatie. Dit gebeurde dan ook voor de jaren tot en met 2009. De dotatie bij de voorafbeelding van de begrotingscontrole 2004 – 32.137.000 euro – houdt rekening met het bedrag dat de Federale overheid naar de Vlaamse Gemeenschap zou doorstorten. De derde dotatie betreft de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Als gevolg van het Lambermontakkoord werd het kijk- en luistergeld immers een gewestbelasting. Hierdoor viel een groot deel van de inkomsten voor de Gemeenschappen weg. De genoemde dotatie tracht dit inkomstenverlies te compenseren. De dotatie bij de voorafbeelding van de begrotingscontrole 2004 – 471.353.000 euro - houdt rekening met het bedrag dat de Federale Overheid naar de Vlaamse Gemeenschap zou doorstorten. De dotatie wordt jaarlijks geïnflateerd.
1.1.4 Gewestbelastingen
Voor de gewestbelastingen was 2002 een scharnierjaar. Door het Lambermontakkoord werden een aantal nieuwe gewestbelastingen ingevoerd, die uiteraard een effect hebben op de inkomsten uit eigen belastingen. De gewestelijke belastingen voor de begrotingsjaren 2005 e.v. zijn het resultaat van een herraming door de administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management (ABAFIM). Ook hier wordt er een voorafbeelding gemaakt van de begrotingscontrole 2004.
13
Tabel 5: De gewestbelastingen 2004 – 2009 (in duizend euro) Gewestbelastingen Kijk- en luistergeld
BGO 2004
BGC 2004
2005
2006
2007
2008
2009
200
200
0
0
0
0
0
Onroerende voorheffing
73.900
71.269
74.441
76.315
78.237
80.206
82.223
Belasting op de spelen en weddenschappen
17.700
16.600
15.610
14.679
13.804
12.981
12.207
Belasting op de automatische ontspanningstoestellen
29.013
27.300
27.419
27.538
27.658
27.779
27.900
Openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken
0
0
0
0
0
0
0
Registratierechten
1.052.000
1.076.000
1.145.797
1.214.414
1.281.086
1.345.031
1.405.459
Hypotheekrechten
102.000
110.800
118.001
125.081
131.961
138.559
144.794
Verkeersbelasting op de autovoertuigen
705.000
736.100
772.901
811.543
852.117
894.720
939.452
Belasting op de inverkeersstelling
156.855
158.200
166.110
174.415
183.136
192.293
201.907
Eurovignet
60.000
60.000
60.149
60.298
60.448
60.598
60.749
Schenkingsrechten
45.000
45.000
46.798
48.668
50.612
52.635
54.738
662.387
690.000
716.918
744.914
774.029
804.309
835.800
2.904.055
2.991.469
3.144.144
3.297.865
3.453.088
3.609.111
3.765.229
Successierechten en recht van overgang bij overlijden TOTAAL
Met betrekking tot de onroerende voorheffing wordt op lange termijn rekening gehouden met 3 maatregelen: •
Er zal een vrijstelling worden toegekend voor een periode van 3 jaar voor de ombouw van handelspanden naar woningen. Er komt ook een vrijstelling gedurende 5 jaar voor de renovatie van verkrotte, ongeschikte of onbewoonbare gebouwen en/of woningen. Deze laatste vrijstelling heeft enkel betrekking op het verhoogde gedeelte.
•
Het kadastrale inkomen van onroerende goederen, ingezet voor ondernemingsactiviteiten, wordt vrijgesteld van de gewestelijke onroerende voorheffing. Deze vrijstelling geldt niet voor de opcentiemen die provincies en gemeenten heffen op de onroerende voorheffing. De ondernemingen die genieten van de lastenverlaging engageren zich ertoe de activiteiten gedurende minstens 5 jaar verder te zetten in Vlaanderen. In geval de ondernemingsactiviteit stopgezet wordt, in de zin van de wet van 28 juni 1966, wordt de lastenverlaging terugbetaald. Bovendien zal ook ingeval van collectieve afdanking (CAO24), gecombineerd met delokalisatie, de lastenverlaging terugbetaald worden.
•
Er wordt rekening gehouden met een vrijstelling van het gewestaandeel in de onroerende voorheffing voor gronden, gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN).
Voor 2004 wordt de geraamde ontvangst van de belasting op spelen en weddenschappen aangepast in functie van de realisaties 2003. Naar 2009 toe wordt rekening gehouden met een gemiddelde groeivoet van 0,94029. De raming van de belasting op automatische ontspanningstoestellen wordt voor 2004 aangepast in functie van de realisaties 2003. Naar 2009 toe wordt rekening gehouden met een gemiddelde groeivoet van 1,00436.
14
Hetzelfde geldt voor de ramingen van de registratierechten en de hypotheekrechten. Naar 2009 toe wordt rekening gehouden met een (dalende jaarlijkse) groeivoet van 1,065, 1,060, 1,055 en 1,050. Nadien wordt de groeivoet stabiel gehouden op 1,050. Ook de raming 2004 van de verkeersbelasting op autovoertuigen vertrekt van de realisaties 2003. Nadien wordt er rekening gehouden met een gemiddelde groeivoet van 1,050. De ramingen van de belasting op de inverkeesstelling, het eurovignet en de schenkingsrechten worden voor 2004 op het niveau van de begrotingsopmaak gehouden. Nadien wordt een jaarlijkse groeivoet toegepast van respectievelijk 1,050, 1,0025 en 1,040. De geraamde ontvangst 2004 voor de successierechten wordt aangepast in functie van de realisaties 2003, vermeerderd met de meerontvangst in januari 2004 van 48 miljoen euro. Naar 2009 toe wordt rekening gehouden met een gemiddelde groeivoet van 1,040.
1.1.5 Toegewezen ontvangsten
De toegewezen ontvangsten voor de begrotingscontrole 2004 en voor de begrotingsjaren 2005 e.v. werden ten opzichte van de begrotingsopmaak 2004 aangepast, om rekening te houden met een bijgestelde raming voor het Vernieuwingsfonds.
1.1.6 Eigen niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten
De andere niet-fiscale, niet-toegewezen ontvangsten (exclusief de kredietverleningen en deelnemingen) werden voor de begrotingsjaren 2004 en volgende aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de vermoedelijke realisaties in het betrokken begrotingsjaar. Bovendien werden ze voor 2004 bijgesteld met: •
de opbrengst van de Eénmalig Bevrijdende Aangifte (39.300.000 euro);
•
de restwaarde van de scholen in Duitsland (1.414.000 euro);
•
de geactualiseerde waarde van de AFV-voordelen in het kader van de Alesh-operatie (138.462.000 euro);
•
de terugbetaling door de Federale overheid van het door de Vlaamse Gemeenschap betaalde surplus op de afcentiemen, alsook de interesten op dit surplus (15.000.000 euro);
•
een geactualiseerde raming voor de opbrengsten uit het actieve patrimoniumbeheer (9.000.000 euro in plaats van 15.940.000 euro, zijnde een vermindering met 6.940.000 euro). Voor de begrotingsjaren 2007 tot 2009 wordt de vermindering op 5.940.000 euro geraamd.
1.1.7 Kredietverleningen en deelnemingen
Ook de opbrengsten uit kredietverleningen en deelnemingen werden voor de begrotingsjaren 2004 en volgende aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de vermoedelijke realisaties in het betrokken begrotingsjaar.
15
Bovendien werden volgende opbrengsten als éénmalig voor het begrotingsjaar 2004 beschouwd en bijgevolg niet meer voor de begrotingsjaren 2005 en volgende weerhouden: •
de verkoop van de participatie VMW (100.000.000 euro);
•
de verkoop van de participatie VMH (75.000.000 euro).
1.1.8 ESR-ontvangsten
Om de overgang te maken van totale begrote ontvangsten naar ESR-ontvangsten dienen op het eerstgenoemde bedrag een aantal correcties te worden aangebracht. De onderstaande tabellen geven hiervan – voor beide scenario’s – een overzicht. Tabel 6A: ESR-ontvangsten in de algemene begroting (in duizend euro) (scenario 1) 2004 (bgo) 2004 (bgc) Totale ontvangsten Deelnemingen en kredietverleningen (ESRcode 8) Dotaties van DAB's en VOI's A, B & Sui Generis behorende tot de consolidatiekring (ESRcodes 46 en 66)
2005
2006
2007
2008
2009
17.919.894
18.129.804
18.607.258
19.227.656
19.941.177
20.682.644
21.431.994
-175.040
-175.338
-338
-338
-338
-338
-338
-995
-995
0
0
0
0
0
Correctie aanrekening ontvangsten
-28.448
8.098
8.422
8.816
9.229
9.660
10.168
ESR-ontvangsten algemene begroting MVG
17.715.411
17.961.569
18.615.342
19.236.134
19.950.068
20.691.966
21.441.824
Tabel 6B : ESR-ontvangsten in de algemene begroting (in duizend euro) (scenario 2) 2004 (bgo) 2004 (bgc)
2005
2006
2007
2008
2009
17.919.894
18.129.804
18.630.558
19.273.491
20.003.530
20.759.820
21.519.385
-175.040
-175.338
-338
-338
-338
-338
-338
-995
-995
0
0
0
0
0
Correctie aanrekening ontvangsten
-28.448
8.098
8.422
8.816
9.229
9.660
10.168
ESR-ontvangsten algemene begroting MVG
17.715.411
17.961.569
18.638.642
19.281.969
20.012.421
20.769.142
21.529.215
Totale ontvangsten Deelnemingen en kredietverleningen (ESRcode 8) Dotaties van DAB's en VOI's A, B & Sui Generis behorende tot de consolidatiekring (ESRcodes 46 en 66)
Vooreerst worden ontvangsten, begroot in het kader van kredietverleningen en deelnemingen (ESR-code 8), geneutraliseerd. Een volgende correctie heeft te maken met de consolidatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met haar instellingen. Dotaties die het ministerie ontvangt van dergelijke instellingen zijn geen eigen ontvangsten, maar interne transfers en dienen bijgevolg verwijderd uit de totale ontvangsten.
16
De laatste correctie houdt verband met de aanrekening van de ontvangsten. Concreet wordt de geraamde opbrengst van bepaalde gewestbelastingen aangepast in functie van de inning door de Vlaamse overheid als het over de onroerende voorheffing gaat of in functie van de inkohieringen door de Federale overheid en doorstorting aan Vlaanderen als het over de successierechten en de verkeersbelastingen gaat. Voor deze drie gewestbelastingen wordt er ook door het Instituut voor de Nationale Rekeningen (1) een correctie doorgevoerd. 1.1.9 Sensitiviteitsanalyse 1.1.9.1 Samengevoegde en gedeelde belastingen
In deze paragraaf wordt nagegaan in welke mate de samengevoegde en gedeelde belastingen reageren op een wijziging van de relevante parameters. Onderzoek toont aan dat wijzigingen van parameters in plus een even groot effect op de samengevoegde en gedeelde belastingen hebben als wijzigingen in min. Enkel de richting van de aanpassing verschilt logischerwijs. Onderstaande tabel geeft een schematisch overzicht van het verrichte onderzoek. Elke onderzochte wijziging had een grootte van 0,1 procentpunt. Tabel 7: Sensitiviteit van de samengevoegde en gedeelde belastingen Effect in begrotingsjaar Parameter
2004
2005 en volgende
CPI 2004
0,098%
0,096%
BNI 2003
0,118%
0,059%
BNI 2004
0,059%
0,059%
FC 2004 e.v.
0,112%
0,113% tot 0,118%
FC 2004
0,112%
0,000%
LLN 2004 e.v.
0,075%
0,074% tot 0,066%
LLN 2004
0,075%
0,000%
-18j 2004 e.v.
0,043%
0,042% tot 0,044%
-18j 2004
0,043%
0,000%
Een wijziging van de inflatie met 0,1 procentpunt in 2004 heeft in 2004 op de samengevoegde en gedeelde belastingen een effect van 0,098%. De jaren nadien bedraagt dit effect 0,096%. Een wijziging van de economische groei met 0,1 procentpunt in 2004 heeft in 2004 op de samengevoegde en gedeelde belastingen een effect van 0,059%. De jaren nadien bedraagt dit effect eveneens 0,059%. Een BNI-aanpassing in 2003 heeft op de samengevoegde en gedeelde belastingen 2004 een effect van 0,118%; 0,059% zit vervat in de afrekening 2003 en 0,059% in de verhoogde basis 2004. Een aanpassing van de fiscale capaciteit van de gewesten, van de leerlingenverhouding en van de min 18-jarigen leidt naar een aanpassing van de samengevoegde en gedeelde belastingen van respectievelijk 0,112%, 0,075% en 0,043%. In tegenstelling tot de inflatie en de economische groei hebben deze parameters enkel een invloed op het begrotingsjaar waarin ze gewijzigd worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ze niet dienen om basisbedragen die in de bijzondere 1
Hoge Raad van Financiën, Afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid, Jaarverslag 2003, blz. 115.
17
financieringswet vermeld zijn aan te passen – want dit gebeurt door de inflatie en de economische groei – maar om totaalbedragen tussen gewesten en tussen gemeenschappen te verdelen. Tot slot wordt naast een analyse in procenten in onderstaande tabel ook een analyse in absolute bedragen weergegeven. Tabel 8: Sensitiviteit van de samengevoegde en gedeelde belastingen (in duizend euro) Parameter
2004
2005
2006
2007
2008
2009
CPI 2004
13.510
13.881
14.264
14.781
15.317
15.873
BNI 2003
16.229
8.563
8.869
9.185
9.512
9.851
BNI 2004
8.178
8.470
8.772
9.084
9.408
9.744
FC 2004 e.v.
15.476
16.219
16.893
17.662
18.483
19.357
FC 2004
15.476
0
0
0
0
0
LLN 2004 e.v.
10.373
10.689
10.862
11.067
11.253
11.419
LLN 2004
10.373
0
0
0
0
0
-18j 2004 e.v.
5.909
6.091
6.417
6.724
6.981
7.248
-18j 2004
5.909
0
0
0
0
0
1.1.9.2 Federale dotaties
Onder federale dotaties wordt verstaan de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld, de dotatie ter financiering van het universitair onderwijs voor de buitenlandse studenten en de trekkingsrechten voor tewerkstellingsprogramma’s. Onderstaande tabel geeft opnieuw een overzicht van de sensitiviteit van deze drie dotaties ten opzichte van een wijziging in parameters. Hieruit blijkt dat enkel de inflatie een invloed heeft op de grootte van de dotaties. Concreet zijn alleen de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld en de dotatie ter financiering van het universitair onderwijs voor de buitenlandse studenten inflatiegevoelig. Tabel 9: Sensitiviteit van de federale dotaties Effect in begrotingsjaar Parameter
2004
2005 en volgende
CPI 2004
0,065%
0,065% tot 0,067%
Andere
0,000%
0,000%
Tot slot wordt naast een analyse in procenten in onderstaande tabel ook een analyse in absolute bedragen weergegeven. Tabel 10: Sensitiviteit van de federale dotaties (in duizend euro) Parameter
2004
2005
2006
2007
2008
2009
CPI 2004
494
501
509
516
524
532
Andere
0
0
0
0
0
0
18
1.2 De te consolideren instellingen instellingen Om tot de ESR-ontvangsten van de te consolideren instellingen te komen, moet de redenering uiteengezet in paragraaf 1.1.8. ook op deze instellingen worden toegepast. De onderstaande tabel geeft een overzicht van hun eigen ontvangsten. Hierbij werden de instellingen met belangrijke bedragen aan eigen ontvangsten apart vermeld. Tabel 11: ESR-ontvangsten van de te consolideren instellingen (in duizend euro) 2004 (bgo) VIF
2004 (bgc)
2005
2006
2007
2008
2009
89.302
107.890
89.302
89.302
89.302
89.302
89.302
MINAFONDS
353.871
320.000
318.420
318.454
299.003
293.755
293.640
Andere DAB's
73.031
73.031
74.126
75.238
76.367
77.512
78.675
VFSIPH
36.532
36.532
43.080
43.636
36.201
36.774
37.355
VDAB
84.006
84.006
85.266
86.545
81.569
82.793
84.035
50
50
50
150
250
350
350
390.370
390.370
396.226
402.169
408.201
414.324
420.539
1.027.162
1.011.879
1.006.470
1.015.495
990.893
994.810
1.003.896
REPRODUCTIEFONDS Andere VOI's ESR-ontvangsten te consolideren instellingen
De eigen ontvangsten van het VIF kunnen voor 2004 op 107.890.000 euro geraamd worden. Dit is een stijging met 18.588.000 euro t.o.v. de begrotingsopmaak 2004 en betreft éénmalige ontvangsten voor 2004, zijnde 15.000.000 euro vanwege AMINAL voor een gezamenlijk project (rioleringen) tussen AMINAL en AWV en 3.500.000 euro vanwege de ontbinding van het Wegenfonds. De extra éénmalige ontvangst van 9.300.000 euro vanwege de NMBS in het kader van de werken aan de HSL wordt voorlopig niet in het totaalbedrag opgenomen. Vanaf 2005 komen de ontvangsten terug op het niveau van de begrotingsopmaak 2004, zijnde 89.302.000 euro. De ontvangsten bestaan voornamelijk uit: •
ontvangsten uit nevenbedrijven naast autosnelwegen (15 miljoen euro);
•
ontvangsten uit schaderegelingen (9,6 miljoen euro);
•
ontvangsten uit inkomsten van watervangen en ontvangsten vanwege de havenbedrijven (16 miljoen euro);
•
ontvangsten uit de verkoop van gronden van het Vlaamse Gewest en in de Waaslandhaven (20,5 miljoen euro);
•
ontvangsten uit retributies als gevolg van vergunningen m.b.t. het gebruik van het openbare domein (10 miljoen euro);
De eigen ontvangsten van het Minafonds komen voort uit milieuheffingen op afvalstoffen, water en mest. In de raming van OVAM dalen de ontvangsten ter voorkoming en het beheer van afvalstoffen van 47,75 miljoen euro in 2004 tot 25 miljoen euro in 2008 e.v. Als gevolg van de hogere tarieven voor storten en lagere tarieven voor verbranden wordt steeds meer afval verbrand (effect van preventie
19
en recyclage). Daarnaast slaagt men er via uitbreiding en technische evolutie in om de capaciteit van de verbrandingsovens uit te breiden qua volume en qua materialen. De raming van de ontvangsten van de VMM uit heffingen op oppervlakte- en grondwater voorziet geen grote wijzigingen. De inkomsten uit heffingen op mest bestaan voornamelijk uit basisheffingen, invoerheffingen en superheffingen (superheffing mestverwerkingsplicht en superheffing nutriëntenhalte). Deze superheffingen worden opgelegd bij niet-naleving van het mestdecreet. Naast de inkomsten uit de heffingen zijn er ook inkomsten uit administratieve geldboetes. Ook deze boetes worden opgelegd bij niet-naleving van het mestdecreet. De inkomsten worden voor de opeenvolgende jaren als constant beschouwd. Omwille van het ontradende effect zal de regelgeving worden gerespecteerd en moet de superheffing vanaf 2007 niet meer worden geïnd. Dit verklaart de daling van de inkomsten in 2007. Het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap heeft drie soorten eigen inkomsten: financiële inkomsten, eigen werkingsinkomsten en terugvorderingen inzake statutaire uitgaven. De terugvorderingen op het vlak van statutaire uitgaven omvatten het grootste deel van de eigen inkomsten (ongeveer 92,5 %). Deze categorie bestaat hoofdzakelijk uit de terugvorderingen betreffende tewerkstelling en de terugvorderingen inzake de residentiële sector. Eerstgenoemde subcategorie kan in 2004 op 8 miljoen euro geschat worden. De residentiële sector – in 2004 geschat op 24 miljoen euro - vordert teveel betaalde voorschotten terug bij de afrekening van de dagprijzen en vordert ook de sociale Maribel-operaties terug van de instellingen. De Maribel-operatie kan geschat worden op 8 miljoen euro per jaar. Op dit ogenblik moeten de dienstjaren 2000, 2001 en 2002 nog worden teruggevorderd. In de begroting 2004 is voorlopig slechts rekening gehouden met 1 jaar, maar de mogelijkheid bestaat om, afhankelijk van de medewerking van de RSZ, dit jaar ook nog 2001 en 2002 terug te vorderen. Als meerjarenprognose worden voorzichtigheidshalve volgende bedragen voorzien: •
2005: 16 miljoen euro, d.w.z. 8 miljoen euro extra t.o.v. 2004 (dienstjaren 2002 en 2003);
•
2006: 16 miljoen euro, d.w.z. 8 miljoen euro extra t.o.v. 2004 (dienstjaren 2004 en 2005);
•
vanaf 2007: jaarlijks 8 miljoen euro (1 dienstjaar).
De ESR-geconsolideerde, eigen ontvangsten van de VDAB bedragen in de begroting 2004 ongeveer 84 miljoen euro. Dit bedrag bestaat uit Europese inkomsten (21,5 miljoen euro), opbrengsten van verkopen goederen en diensten (45 miljoen euro) en inkomensoverdrachten van andere institutionele groepen (Federale overheid en Sociale Zekerheid: 12 miljoen euro). Door de uitbreiding van de Europese Unie zullen de Europese Structuurfondsen vanaf 2007 volledig worden herzien. Om dit verlies aan financiële middelen te beperken, wordt er op Europees niveau naar oplossingen gezocht. Voor de meerjarenbegroting kunnen bijgevolg de eigen ontvangsten, uitgezonderd de Europese inkomsten, constant doorgetrokken worden. De minderontvangst aan Europese inkomsten wordt vanaf 2007 op 6 miljoen euro geraamd, wat nog altijd een totaal betekent van 15,5 miljoen euro.
20
1.3 Overzicht Als de resultaten van de algemene begroting (hoofdstuk 1.1.) en van de te consolideren instelling (hoofdstuk 1.2.) worden samengevoegd, levert dit het volgende resultaat op aan eigen ontvangsten van de Vlaamse overheid. Tabel 12A: ESR-ontvangsten van de Vlaamse overheid (in duizend euro) (scenario 1) 2004 (bgo)
2004 (bgc)
Algemene begroting MVG
17.715.411
17.961.569
18.615.342
19.236.134
19.950.068
20.691.966
21.441.824
Te consolideren instellingen
1.027.162
1.011.879
1.006.470
1.015.495
990.893
994.810
1.003.896
18.742.573
18.973.448
19.621.812
20.251.629
20.940.961
21.686.776
22.445.720
Vlaamse overheid
2005
2006
2007
2008
2009
Tabel 12B: ESR-ontvangsten van de Vlaamse overheid (in duizend euro) (scenario 2) 2004 (bgo)
2004 (bgc)
Algemene begroting MVG
17.715.411
17.961.569
18.638.642
19.281.969
20.012.421
20.769.142
21.529.215
Te consolideren instellingen
1.027.162
1.011.879
1.006.470
1.015.495
990.893
994.810
1.003.896
18.742.573
18.973.448
19.645.112
20.297.464
21.003.314
21.763.952
22.533.111
Vlaamse overheid
2005
21
2006
2007
2008
2009
2 De uitgaven Bij de interpretatie van de op het eerste zicht belangrijke middelenevolutie mag men niet uit het oog verliezen dat het hier om bruto-beleidsruimte gaat. Deze is uiteraard niet volledig beschikbaar voor nieuwe beleidsinitiatieven. Een belangrijk deel wordt immers ingenomen door de onvermijdelijke dynamiek van de begroting bij ongewijzigd beleid. Zoals in vorige meerjarenoefeningen het geval was, staat bij de inschatting van betalingskredietenbehoeften de notie constant beleid centraal. In de voorliggende oefening werd vooraf een bijstelling gedaan van de initiële begroting 2004 in functie van de resultaten van het aanpassingsblad dat in april 2004 door het Vlaams Parlement werd gestemd. Uitgaande van de aldus vastgestelde kredieten werd een toetsing doorgevoerd op basis van de beschikbare informatie, met het oog op bijstellingen die noodzakelijk zijn om de onvermijdelijke verplichtingen die het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap op zich heeft genomen te honoreren. Uiteraard wordt het effect van éénmalige initiatieven of aflopende programma’s eveneens in de ramingen vertaald. Belangrijke voorafgaandelijke bedenking, die in belangrijke mate medebepalend is voor de resultaten die hierna themagewijs aan bod komen, is de vaststelling dat de impliciete schuld in de voorbije regeringsperiode in belangrijke mate is toegenomen. Door in de afgelopen jaren de toegenomen verbintenissenruimte niet altijd te honoreren door het toekennen van toereikende betalingskredieten zijn de uitstaande verplichtingen in belangrijke mate aangegroeid. Het is niet eenvoudig om, op basis van de beschikbare informatie, een precieze inschatting te maken van het tijdstip waarop deze verbintenissen effectief zullen moeten gehonoreerd worden. De afwijkingsmarge tussen de in deze inschatting van de beleidsruimte opgenomen uitgangspunten en de effectieve realisatiegegevens zoals ze in de toekomst zullen blijken kan m.a.w. groot zijn. Dit gegeven is trouwens een belangrijk aandachtspunt voor de toekomst. Het comptabiliteitsdecreet voorziet immers in het principe dat enkel met gesplitste kredieten zal worden gewerkt. In dat geval zal het belang van goed uitgewerkte betalingskalenders, die op periodieke basis in functie van realisatiegegevens worden aangepast, nog aan belang winnen. Het begrip constant beleid betekent ook dat in de meerjarenbegroting gerekend wordt met kredieten die de mate van uitvoering van eerder genomen beslissingen weerspiegelen. Dit impliceert dat alle grote engagementen, genomen door de Vlaamse regering of door het Vlaams Parlement, budgettair worden gehonoreerd. Aangezien bij de inschatting van de budgettaire marge waarover de nieuwe regering kan beschikken de toetsing gebeurt aan de hand van het in de samenwerkingsovereenkomst tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten overeengekomen te bereiken vorderingensaldo, wordt getracht de evolutie te ramen van de uitgaven van alle binnen de Vlaamse overheidssector te consolideren instellingen. Verder in het document wordt ingegaan op de na te leven norm, zoals die resulteert uit de overlegmomenten die eind 2003 binnen het overlegcomité en de interministeriële conferentie Financiën en Begroting hebben plaatsgevonden
2.1 Uitgaven op geconsolideerde basis – methodologische aanpak Zowel de ontvangsten als de uitgaven worden berekend op een geconsolideerde basis. Dit wil zeggen dat niet alleen de uitgaven en ontvangsten van de algemene begroting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap worden geraamd, maar ook die van de te consolideren VOI’s en DAB’s.
22
Voor de uitgaven wordt in 3 stappen geredeneerd: Stap 1: 1 er wordt vertrokken van de globale uitgaven BO 2004 van het MVG. Deze uitgaven worden gecorrigeerd voor de belangrijkste aanpassingen n.a.v. de eerste budgetcontrole 2004. Vanaf 2005 (tot en met 2009) wordt een verdere realistische prospectie gemaakt van deze uitgaven 2004: •
alle kredieten die daarvoor in aanmerking komen worden aangepast met de inflatie,
•
alle kredieten die daarvoor in aanmerking komen worden aangepast aan overschrijdingen van de spilindex,
•
éénmalige kredieten of uitdovende programma’s worden aangepast,
•
kredieten waarvan de evolutie bepaald is door decretale of reglementaire voorzieningen worden berekend in functie van de daarin voorziene mechanismen,
•
er worden extra bijkomende kredieten voorzien die voortvloeien uit al genomen beslissingen die nog niet op kruissnelheid waren in 2004,
•
fundamentele tekorten ten opzichte van werkelijke behoeften, wachtlijsten, doorgevoerde besparingen worden ingelopen,
•
de encours (dit zijn de nog te betalen verbintenissen van voorgaande jaren) worden ingelopen,
•
de toegewezen ontvangsten worden als variabele kredieten (VRK’s) ingeschreven,
•
begrotingsruiters worden gehonoreerd.
Deze analyse resulteert in de noodzakelijke totale jaarlijkse betalingsuitgaven van het MVG. Tabel 13: Nominale evolutie van de niet-geconsolideerde betalingskredieten, bij ongewijzigd beleid (in duizend euro) Themanaam Statutaire werking
2004 BO
2004 BC
2005
2006
2007
2008
2009
106.052
106.052
106.059
106.621
107.193
107.777
107.784
Kanselarij
19.907
26.457
23.833
20.881
20.883
20.885
20.887
Buitenlands beleid
27.222
30.372
32.834
31.996
31.143
30.794
30.749
Brussel
40.786
40.786
37.337
37.479
37.840
38.231
38.407
675
675
682
932
942
952
970
Financiën
359.116
315.923
288.612
268.497
214.479
121.504
110.999
Gebouwen en Ambtenaren
754.721
805.214
766.386
783.433
792.954
814.182
828.461
Onderwijs
7.834.268
7.898.644
8.012.081
8.182.315
8.326.661
8.478.911
8.514.550
Welzijn en Gezondheid
2.319.312
2.334.218
2.479.439
2.544.508
2.578.453
2.629.362
2.635.305
393.073
398.880
406.115
413.019
419.911
426.563
429.459
Statistiek
Cultuur en Jeugd Toerisme
51.596
51.596
49.385
53.229
53.774
54.325
54.704
Economie
291.532
291.727
296.098
365.886
367.283
369.006
370.482
Werkgelegenheid
653.678
652.678
669.206
672.925
678.662
684.913
688.872
Lokale overheden
1.893.153
1.893.778
1.970.639
2.038.378
2.082.105
2.052.737
2.122.710
66.142
75.450
79.913
78.668
78.908
79.149
79.408
362.327
324.833
539.865
559.335
576.168
576.496
603.543
23.470
51.539
53.012
53.142
52.197
49.024
46.361
Land- en Tuinbouw Milieu Ruimtelijke ordening
23
Themanaam
2004 BO
2004 BC
2005
2006
2007
2008
2009
Monumenten en Huisvesting
387.856
388.838
455.838
451.560
418.659
421.327
424.677
Wegen en Water
862.894
883.448
974.246
937.840
894.351
887.258
885.929
Gemeenschappelijk vervoer
556.402
579.297
599.639
662.527
679.749
699.346
702.541
Wetenschappen
409.517
419.752
430.937
442.452
453.970
465.541
468.612
Media
268.604
278.204
287.685
297.530
307.755
318.376
329.408
Sport
54.726
54.726
54.794
55.743
56.710
57.695
57.767
Energie
11.535
7.935
10.229
12.523
12.568
12.613
12.662
Provisie
159.424
144.624
282.740
256.461
212.484
151.199
292.196
17.907.988
18.055.646
18.907.604
19.327.880
19.455.802
19.548.166
19.857.443
TOTAAL
Stap 2: 2 Om tot consolidatie van de uitgaven van de VOI’s en DAB’s te kunnen overgaan, worden in eerste instantie alle dotaties aan de te consolideren VOI’s en DAB’s van de totale uitgaven MVG afgetrokken, mits enkele kleine correcties (o.a. sommige dotaties aan te consolideren instellingen worden maar gedeeltelijk aan de instelling in kwestie doorgestort, waardoor maar een gedeelte van die dotaties uit de uitgaven MVG geschrapt moeten worden, bijv. via-provisie, VDAB-dotaties). Op die manier bekomt men de uitgaven MVG zonder de te consolideren instellingen. Tabel 14: Nominale evolutie van de dotatiekredieten aan de te consolideren instellingen (in duizend euro) 2004 Dotaties te consolideren DAB's en VOI's
2005
2006
2007
2008
2009
3.834.397 4.256.474 4.413.796 4.461.523 4.534.817 4.574.231
Stap 3: 3 Vermits de dotaties aan de te consolideren VOI’s en DAB’s uit de uitgaven MVG werden getrokken, dienen de uitgaven van deze VOI’s en DAB’s zelf te worden meegerekend. Enkel de belangrijkste VOI’s en DAB’s worden geanalyseerd. Voor de DAB’s betreft het enkel het VIF en MINAFONDS, vermits deze twee al 80% uitmaken van alle DAB’s. Voor het FFEU wordt een afzonderlijke analyse gemaakt. Bij de zo bekomen globale jaarlijkse uitgaven van de VOI’s en DAB’s wordt een jaarlijkse indexering opgeteld. Het geheel wordt dan bij de berekende uitgaven van het MVG (zonder dotaties) opgeteld, wat uiteindelijk resulteert in de totale jaarlijkse geconsolideerde uitgaven van het MVG. Tabel 15A: Nominale evolutie van de betalingskredieten van de te consolideren publieke rechtspersonen (in duizend euro) VOI's
2004
Uitgaven zonder index te consolideren VOI's - FFEU + Index te consolideren VOI's - FFEU Totale uitgaven te consolideren VOI's zonder FFEU Uitgaven FFEU
+
2005
2006
2007
2008
2009
3.903.726 3.996.519 4.046.889 4.039.504 4.051.325 4.049.814 0
15.609
63.162
3.903.726
4.012.128
4.110.051
158.121
306.672
227.934
24
111.839
161.147
178.306
4.151.343 4.212.472 4.228.120 218.488
130.120
130.120
Tabel 15B: Nominale evolutie van de betalingskredieten van de te consolideren diensten met afzonderlijk beheer (in duizend euro) DAB's
2004
Uitgaven te consolideren DAB's zonder index, behalve index voor VIF
+
Index te consolideren DAB's zonder VIF en MINAFONDS
+
Totale uitgaven te consolideren DAB's
2005
2006
2007
2008
2009
1.648.308 1.331.567 1.491.531 1.488.334 1.389.618 1.409.989
0
391
1.648.308
1.331.958
1.350
2.323
3.309
3.745
1.492.881 1.490.657 1.392.927
1.413.734
2.2 Toelichting bij de uitgavenevolutie per beleidsthema Dit hoofdstuk overloopt de voornaamste bewegingen per beleidsthema in de door de meerjarenbegroting omvatte periode. Voor de samenstelling van de beleidsthema’s wordt verwezen naar bijlage 1. Statutaire werking
Bij de werking van de kabinetten wordt voorzichtigheidshalve uitgegaan van het doortrekken van de kredieten, ingeschreven in de begroting 2004. In de mate dat binnen de context van Beter Bestuurlijk Beleid belangrijke wijzigingen (afslanking) in de samenstelling en taakinvulling van de kabinetten tot stand komen, werd de hypothese gehanteerd dat de kredieten die hierdoor vrijkomen aangewend zullen worden om de verruimde beleidsondersteunende rol van de administratie te financieren. Dit zou betekenen dat de kredieten binnen het beleidsthema “Gebouwen en Ambtenaren” gelijkmatig zullen toenemen. Kanselarij
Belangrijkste factor in de evolutie van dit beleidsthema vormen de uitgaven voor de verdere ontplooiing van e-government. Binnen tal van administraties en openbare instellingen worden vandaag initiatieven opgestart of verder uitgewerkt. Vandaar dat de budgettaire ruimte die geboden wordt door de begrotingsruiter (voor een totaal bedrag van 9.228.000 euro) gespreid over de begrotingsjaren 2004 en 2005 als marge werd ingebouwd. Buitenlands beleid
De dalende kredietbehoefte is het gevolg van het niet langer financieel ondersteunen van projecten in de meeste landen van Centraal- en Oost-Europa, die vanaf nu lid zijn van de Europese Unie. Wel wordt er rekening mee gehouden dat twee belangrijke landen, Bulgarije en Roemenië, pas binnen enkele jaren zullen toetreden. Bovendien wordt rekening gehouden met de verdere afwikkeling van al aangegane verbintenissen. Brusselse Aangelegenheden
Enkel de invloed van de indexering wordt in rekening gebracht
25
Statistiek
Enkel de invloed van de indexering wordt in rekening gebracht Financiën
De conjunctuurprovisie van 38 miljoen euro werd, naar aanleiding van de aanpassing van de begroting 2004, geschrapt en niet verder doorgetrokken de komende jaren. Uiteraard wordt de evolutie van de betalingskredieten in dit beleidsthema in belangrijke mate gedetermineerd door een verlaging van de rentelasten wegens de verder doorgevoerde schuldafbouw. Waar er in 2004 nog rekening moet worden gehouden met een rente van 62 miljoen euro neemt deze in 2008 af tot ca. 5 miljoen euro. Daartegenover staat een inschrijving van kredieten voor de betaling van de rentelast van het consortiumkrediet Gimvindus (van 8 miljoen euro in 2005 afnemend naar een laatste betaling van 3 miljoen euro in 2007). In voorgaande jaren werd de betaling van deze intrestlast verrekend op de schuld die Gimvindus nog heeft tegenover het Vlaamse Gewest. Indien de huidige werkwijze wordt doorgetrokken, kunnen deze uitgaven ten laste van de Vlaamse begroting worden vermeden en dienen deze te worden gecorrigeerd op de hierna besproken resultaten in geconsolideerde termen. Tevens wordt uitgegaan van de hypothese dat de kapitaalinbreng bij de NV Staal Vlaanderen, gezien haar liquiditeitspositie, niet meer zal moeten worden ingeschreven in de volgende jaren. Anderzijds werd nog geen rekening gehouden met de operationalisering van het Amortisatiefonds, dat tot doel heeft een bijdrage te leveren in de sanering van brownfields. De voorziene inbreng van het Vlaamse Gewest bedraagt 12 miljoen euro. Gebouwen en Ambtenaren
Wat het onderdeel ‘gebouwen’ betreft, is de verdere planning bij de afwerking en inrichting van de VAC’s de determinerende factor. Precieze ramingen van de kosten van de opbouw van de VAC’s te Leuven en Gent ontbreken vandaag. Anderzijds werd rekening gehouden met de overgedragen kredieten. In totaal is een overgedragen saldo in vastleggingen beschikbaar van 3,8 miljoen euro en in betalingskredieten van 15,3 miljoen euro. Voor de betaling van al aangegane verbintenissen werd een hypothese gehanteerd dat deze voor telkens de helft in 2004 en 2005 zullen gehonoreerd worden (5,5 miljoen euro). Daarnaast werd rekening gehouden met een uitgave van 1,9 miljoen euro voor de jaren 2005 en 2006. In ieder geval dient hier rekening te worden gehouden met een hogere kredietbehoefte, afhankelijk van de beslissing die de Vlaamse regering neemt met betrekking tot de opstart en de periode waarbinnen de bijkomende VAC’s zullen afgewerkt worden. De hieraan verbonden kost is m.a.w. geenszins binnen de meerjarenbegroting opgevangen. Wat het onderdeel ‘ambtenaren’ betreft, wordt het belangrijkste deel van de stijging verklaard door de inflatiegevoeligheid van deze uitgaven (zie specifiek onderdeel over indexering). Bij de berekening van de benodigde kredieten voor informatica werd rekening gehouden met twee tegengestelde bewegingen: enerzijds wordt voor de respectievelijke dienstverleningsonderdelen (o.a. werkingsmiddelen, variabele communicatiekosten en projecten) een groeifactor ingecalculeerd en wordt een prijsdalingseffect meegenomen, voortvloeiend uit de nieuwe contractvoorwaarden.
26
Anderzijds vertoont het betalingskredietenniveau een weinig gelijklopend verloop. Hier wordt zowel in 2004 de afrekening met de vorige dienstverlener verrekend (+23 miljoen euro t.o.v. het initiële krediet). In de loop van 2009 wordt rekening gehouden met een eenmalige transitiekost. Bij de berekening van de informaticakredieten werd nog geen rekening gehouden met de kosten, verbonden aan de migratie van de financiële systemen. In de beslissing van de Vlaamse regering van 6 februari 2004 werd een enveloppe vooropgesteld van 30 miljoen euro, te voorzien bij de eerstvolgende begrotingscontrole. Deze zijn niet in de inschatting van de budgettaire marge verrekend. Men mag ervan uitgaan dat deze uitgaven zich zullen spreiden over de periode 2004-2007. Een mogelijke hypothese qua spreiding in tijd, kan zijn: 3 miljoen euro in 2004, 12 miljoen euro in 2005, 15 miljoen euro in 2006. De kostprijs verbonden aan het vernieuwde beloningsbeleid en aan een af te sluiten CAO zijn niet in de berekening meegenomen. Onderwijs
Lonen De raming van de loonkredieten is het resultaat van het effect van de verwachte leerlingenevoluties op de omkadering, rekening houdend met een vergrijzingscoëfficiënt van het personeelsbestand van 0%. In de prefiguraties worden de jaarlijkse meerkosten van de CAO’s IV, V en VI opgenomen. Anderzijds dient erop gewezen te worden dat bij de aanpassing van de begroting 2004 een bedrag van 25 miljoen euro in mindering werd gebracht. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat bij de eerstvolgende begrotingscontrole een verhoging van minimaal dit bedrag nodig zal zijn: •
in 2004 zal de kostprijs van de uitvoering van de verschillende CAO’s en decreten en groeipaden gelijk blijven of omhoog gaan; geen enkele aanpassing van de reglementering werd doorgevoerd waaruit een daling van de kostprijs van de lonen kan voortvloeien;
•
de verschillende maatregelen (bijv. turnen voor kleuters, kinderverzorg(st)ers, zorguren, gelijke kansendecreet, extra administratieve ondersteuning) zorgen voor een stijging van het aantal BFT’s, terwijl de oorzaken van de afwijking BFT en OFT niet kleiner worden.
Deze onderraming van de loonkredietenbehoefte werd niet in de berekening meegenomen
Werking Bij de berekening van de werkingsmiddelen wordt uitgegaan van de verwachte leerlingenevolutie. De gefaseerde verhoging van de middelen, zoals bepaald in het Polder- en Tivoli-akkoord, is in het model verwerkt.
Hoger onderwijs
27
Hogescholen Het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen voorziet in aanvullende middelen voor de omvorming van de opleidingen naar de bachelormasterstructuur en middelen voor de academisering van de tweecycli-opleidingen aan de Vlaamse hogescholen. Aanvankelijk was de TBS55+ als een voorafname opgenomen in het gesloten enveloppesysteem. Personeelsleden konden van dit systeem gebruik maken tot en met 31 december 2001. In de loop van het voorjaar 2000 (BC 2000) is er besloten om hiervoor het geslotenenveloppeprincipe voor de hogescholen te doorbreken. Op dat ogenblik werd gekozen voor bepaalde uitstapratio's, die pas na 31 december 2001 konden geverifieerd worden. Hieruit is gebleken dat het aantal uitstappers aanzienlijk hoger ligt in 2002, wat zeker vanaf 2003 effecten heeft. Omwille van die reden werd tijdens de budgetcontrole 2002 het budget voor de wachtgelden TBS55+ voor 2002 verhoogd. Deze verhoging lost echter nog niet het structurele tekort op vanaf 2003. Daarom werd een databank opgezet die de effectieve kost van het overgangsstelsel kon berekenen tot 2006. Het resultaat van deze berekeningen moet worden gecombineerd met een raming van de kost van de instappers in het traditionele stelsel. Bij de oorspronkelijke berekening werd rekening gehouden met 15% instappers. De definitieve instapcijfers 2003 zijn op dit moment nog niet gekend, maar de voorlopige gegevens over het aantal aanvragen wijzen op een instappercentage dat rond de 20% zal liggen. Door deze gegevens te combineren, komen we tot het volgende resultaat: Extra te voorzien: 32.990.000 euro in 2004; 29.178.000 euro in 2005 en 23.006.000 euro in 2006. Bij de aanpassing van begroting 2004 werd hiervan al 10.076.000 euro extra voorzien. Wel werd nog geen berekening gemaakt van het eenmalige tekort dat is opgebouwd in 2003. Dit kan geschat worden op 34.313.000 euro, maar is niet in deze oefening meegenomen. Voor de begeleiding herstructurering lerarenopleiding werd in de begroting 2004 1.164.000 euro ingeschreven als aanloop om het decreet voor te bereiden. Dit decreet zal een zeer belangrijke meerkost met zich meebrengen, die op dit ogenblik niet is meegenomen. Universiteiten De universiteiten ontvangen de werkingsmiddelen, de aanvullende middelen en de forfaits die decretaal zijn vastgelegd. Daarbij wordt rekening gehouden met: •
de wijzigingsbepalingen, opgenomen in het structuurdecreet (continuering van de financieringsregeling tot 2006);
•
het feit dat de bijkomende werkingsmiddelen voor de nieuwe opleidingen van de tUL en de UA vanaf 2004 worden vastgesteld op niveau 2003.
Ook de toelage, vastgelegd in artikel 136 van het universiteitendecreet, wordt in functie van de nieuwe financieringsregeling progressief opgebouwd.
VOI’s De werkingsdotaties voor de onderwijs-VOI’s worden op het niveau gehouden. Dit houdt in dat voor de werkingsdotatie van het Gemeenschapsonderwijs wordt uitgegaan van een personeelskader van 218 personeelsleden. Momenteel is de herstructurering die daartoe nodig is nog niet afgerond (afname van het effectief van 439 naar 218). In ieder geval zal moeten worden nagegaan in hoeverre deze problematiek geen aanleiding geeft tot het optrekken van de dotatie. Dit alles behoudens een
28
regeling waarbij de overname van deze personeelsleden kan opgevangen worden binnen de bestaansmiddelen. Van deze hypothese is momenteel uitgegaan. Het gaat hier over een budgettaire massa van minimaal 3,8 miljoen euro.
Niveau-overschrijdend De middelen voor de zorgcoördinatie basisonderwijs werden op kruissnelheid gebracht vanaf 2004. De uitbreiding van de ondersteuning van de centrale partners van het lokale overleg werd op kruissnelheid gebracht vanaf 2004 . Binnen het kader van CAO VI werd overeengekomen om een fietsvergoeding en tussenkomst in de verplaatsingskosten aan het lerarenkorps toe te kennen. In de initiële begroting 2004 werd hiervoor slechts een bedrag van 3,7 miljoen euro ingeschreven, terwijl er een reële behoefte bestaat van 11,1 miljoen. Aangezien deze fietsvergoeding is geïntegreerd in goedgekeurde regelgeving wordt deze meerkost mee in de uitgaven verrekend. Bij de recente aanpassing van de begroting 2004 werd een vermindering doorgevoerd van de kredieten, bestemd voor de Huizen van het Nederlands/talencentra, vanuit de redenering dat deze initiatieven slechts ingaan op 1 september 2004. Aangezien de huidige experimenten voldoende middelen ter beschikking hebben om de werking tot 31augustus 2004 te financieren, is slechts 1/3 van het totale budget (2800/3 = 933.000 euro) nodig. Een bedrag van 1.867.000 euro komt vrij. Deze kost komt zeker terug maar is niet verrekend in de voorliggende oefening.
Studietoelagen voor het secundair en hoger onderwijs In deze sector bestaat een eenmalig tekort van 10.754.274 euro én een structureel tekort van 7.595.518 euro per jaar. Het optrekken van het bedrag voor 2005 met 18.349.792 euro en daarna ieder jaar met 7.595.518 euro is dan ook een absoluut minimum. Bij de aanpassing van 2004 werd beslist om 2.215.000 euro extra te voorzien voor de studietoelagen oud systeem. Op 8 maart 2004 besliste de Vlaamse regering om een nieuw ontwerpdecreet goed te keuren. De extra kost van dit nieuwe ontwerpdecreet kan op basis van de momenteel beschikbare gegevens niet precies worden geschat. Daarenboven wordt het systeem van de studietoelagen niet enkel grondig gewijzigd (langere periodes om aanvragen te doen en snellere toewijzing), maar ook de studietoelagen zelf worden bijkomend verhoogd.
Inburgering De meerkost verbonden aan deze maatregel, die nog niet in de begroting 2004 is verrekend, wordt geschat op 1.350.000 euro in 2004 en moet doorgetrokken worden naar de volgende jaren. Welzijn en Gezondheid
De kredieten, bestemd voor de uitvoering van het beleid inzake welzijn, bestaan in belangrijke mate uit lonen en loonsubsidiëring. De impact van de inflatie op deze uitgaven is dan ook een belangrijke factor bij de verklaring van de stijgende evolutie.
29
De verdere uitvoering van de CAO voor de Social Profit, volgens het groeipad vooropgesteld bij de ondertekening in 2000, wordt verrekend. Dit akkoord voorzag in een groeipad tot en met 2005. Een laatste opstap van 38 miljoen euro werd dan ook in dat jaar voorzien. Deze provisie wordt jaarlijks herverdeeld naar de betrokken begrotingsposten en zal vanaf de begroting 2006 volledig als provisie uit de begroting verdwijnen. Een gedeelte van de bijkomende uitgaven, verbonden aan de uitvoering van het VIA-akkoord, vindt ook zijn bestemming in de kredieten Cultuur. Aangezien het merendeel van deze bijkomende uitgaven in het hier behandelde beleidsthema terechtkomen, wordt de globale weerslag hier verrekend. De voorbije jaren werd het zorgfonds jaarlijks gespijsd met een dotatie van 99.157.000 euro. De dotatie werd voor het begrotingsjaar 2004 verminderd met 8,5 miljoen euro ter compensatie voor de dotatiestijging van het VFSIPH. In 2005-2009 werd de dotatie opnieuw op 99.157.000 euro gebracht. De ledenbijdragen bedragen sinds 1 januari 2003 92.500.000 euro. In de meerjarenraming vormt de subsidie voor tenlastenemingen, die de zorgkassen aan de zorgbehoevenden uitbetalen, de belangrijkste en de grootste uitgavenpost Binnen deze post is van de veronderstelling uitgegaan dat het aantal zorgbehoevenden jaarlijks met 2% stijgt. Alle engagementen die door de regering zijn aangegaan, werden onverkort doorgerekend (bijv. Brusselbesluit, uitbreiding O en A forfaits april 2004). De yield op de beleggingen werd aangehouden op het niveau 2004 nl. 3,4%. Uitgaande van de hoger vermelde hypotheses kan men niet langs de vaststelling dat de reserveopbouw binnen het Zorgfonds vanaf 2007 stilvalt. Tabel 16: Reserve-opbouw / intering (in duizend euro) 2004
2005
10.294
2006
3.203
2007 413
2008
-3.454
2009
-7.897
-12.120
In de gehandicaptensector werd de beslissing van de Vlaamse regering, om werk te maken van het inlopen van de achterstallige afrekeningen aan de voorzieningen in de residentiële sector en daartoe het uitgavenkrediet in de begroting van het Vlaams Fonds te verhogen met 20 miljoen euro, verrekend in de geraamde evolutie van het benodigd krediet 2004. Uitgaande van een hypothese dat het engagement van de regering mag vertaald worden als een garantie dat de wachttijd voor het uitbetalen van de achterstallen maximaal 2 jaar mag bedragen, ziet de evolutie van het budget voor de residentiële sector er als volgt uit: Tabel 17: Evolutie budget residentiële sector (in duizend euro) 2004
2005
2006
2007
2008
2009
716.100.110 711.986.816 713.001.925 701.607.674 697.600.975 697.600.974 benodigde jaar op jaar dotatiestijging
-4.113.294
1.015.109
-11.394.251
-4.006.700
-1
Op 1 januari 2002 onderging de regelgeving betreffende de Individuele Materiële Bijstand een grondige wijziging. Het nieuwe BVR van 13 juli 2001 werkt met een bijstandskorf: een persoonlijke lijst van hulpmiddelen en aanpassingen die toegekend wordt voor een periode van vier jaar. •
aantal personen met een aanvraag in één jaar: 6.000 ( cf. 1ste raming voor 2004),
•
gemiddeld aantal zorgvragen per persoon: 5,7 (cf. raming voor 2003 en 2004),
•
80% van de zorgvragen wordt effectief toegekend,
30
•
gemiddeld bedrag per zorgvraag: 1.150 euro,
•
ordonnanceringstermijn: 5 jaar,
•
ordonnanceringsritme:
Tabel 18: Ordonnanceringsritme Jaar 1
Jaar 2
Jaar 3
Jaar 4
Jaar 5
2,75%
21,5%
27,5%
22,5%
18,5%
Men verwacht dat 7,25% niet wordt geordonnanceerd. Uitgaande van voorgaande assumpties kan men volgende betaalkalender opstellen: Tabel 19: Betaalkalender (in duizend euro) Jaar totale uitgaven 2004
14.904.709
2005
39.615.075
2006
44.476.223
2007
36.355.626
2008
31.027.611
2009
29.182.860
Ten opzichte van het IMB-budget in 2004, ingeschreven in de begroting 2004 van het Vlaams Fonds, bekomt men volgende jaar op jaar benodigde dotatiestijgingen: Tabel 20: Jaar op jaar benodigde dotatiestijgingen VFSIPH (in duizend euro) 2004 IMB-budget
2005
2006
2007
2008
2009
16.879.709 39.615.075 44.476.223 36.355.626 31.027.611 29.182.860
Jaar op jaar stijging
22.735.366
4.861.148
-8.120.597
-5.328.015
-1.844.751
Het inhalen van de achterstallen in de residentiële sector en het ongewijzigd doorzetten van het sinds 2002 in werking getreden stelsel van bijstandskorven heeft, rekening houdend met de bij de aanpassing van de begroting 2004 toegevoegde 20 miljoen euro waardoor de dotatie op 1.018.717.000 euro werd gebracht, tot gevolg dat de volgende evolutie van de dotatie aan het Vlaams Fonds mag verwacht worden. Tabel 21: Verwachte evolutie dotatie VFSIPH (in duizend euro) 2005 BA 41,11(dotatie vorig jaar) Achterstallen
2006
2007
2008
2009
1.018.717.000
1.052.341.078
1.058.219.340
1.038.706.499
1.029.373.792
-4.113.294
1.015.109
-11.394.251
-4.006.700
-1
31
Wachtlijsten 2004
15.000.000
IMB
22.735.366
4.861.148
-8.120.597
-5.328.015
-1.844.751
1.052.341.078
1.058.219.340
1.038.706.499
1.029.373.792
1.027.531.050
Totaal benodigd met IMB en achterstallen
In de berekening van de benodigde dotatie werd enkel rekening gehouden met de in de begrotingen 2003 en 2004 voorziene bijkomende middelen voor het wegwerken van de wachtlijsten. Naar aanleiding van de begrotingscontrole 2003 heeft de Vlaamse regering beslist om 21,9 miljoen euro op jaarbasis (7,3 miljoen euro in 2003) bijkomende middelen in te schrijven als tweede fase in het uitbreidingsbeleid. Dit nadat bij de begrotingsopmaak 2003 al een bedrag van 7,5 miljoen euro op jaarbasis werd ingeschreven voor de eerste fase van het uitbreidingsbeleid. Bij de begrotingsopmaak 2004 werd opnieuw een engagement aangegaan van 22,5 miljoen euro voor het wegwerken van de wachtlijsten. Overeenkomstig de timing van de effectieve realisatie van het uitbreidingsbeleid in de vorige jaren werd, zoals in 2003, 7,5 miljoen euro (= 1/3 van engagement) op realisatiebasis als dotatieverhoging ingeschreven. Tevens werd de dotatie verhoogd met 14,6 miljoen euro om het bedrag op jaarbasis te bekomen voor de 2de fase 2003. Derhalve moet in 2005 een dotatiestijging ten belope van 15 miljoen euro worden ingeschreven, teneinde de opstap 2004 op jaarbasis te honoreren. Het meerjarenplan 2003-2007 voorgesteld aan de Commissie Welzijn voorziet daarnaast in de gerichte uitbreiding van de opvangcapaciteit en de verdere differentiëring van het zorgaanbod naar meer flexibele zorgprogramma's. Het kostenplaatje dat daaraan vasthangt voor de periode 20052007 werd niet in deze meerjarenoefening meegenomen. Wanneer de uitbreiding volgens dezelfde principes verloopt als hierboven uiteengezet, moet rekening worden gehouden met een aangroei van de dotatiebehoefte (in vgl. met het budget 2004) van om en bij 108 miljoen euro in 2008. Door de verhoging van de vastleggingsmogelijkheden inzake infrastructuurinvesteringen van het VFSIPH in 2003 en de overdracht van het saldo op deze machtiging (ten belope van 15 miljoen euro) wordt ervan uitgegaan dat de behoefte aan investeringsdotatie in de jaren 2005 tot en met 2008 in belangrijke mate zal stijgen. Voor het VIPA zijn bijkomende betalingskredieten voorzien, aangezien verwacht wordt dat de bijkomende kredieten voor ziekenhuizen en rustoorden in 2000 zullen leiden tot bijkomende betalingen de komende jaren. Voor Kind en Gezin wordt de verdere uitbreiding en flexibilisering van het kinderopvangaanbod gefinancierd vanuit het provisionele krediet werkgelegenheidsakkoord 2003-2004 en het provisionele krediet voor het socio-economische relancebeleid. Bij het Fonds Bijzondere Jeugdbijstand werd vanaf 2005 rekening gehouden met de nieuw op te richten gemeenschapinstelling te Ekeren. De operationele kost hiervan bedraagt ca. 2 miljoen euro en bestaat hoofdzakelijk uit personeelskosten. Cultuur en Jeugd
Er is rekening gehouden met het groeipad in uitvoering van het decreet van 13 juli 2002 houdende het stimuleren van een integraal en kwalitatief lokaal cultuurbeleid (bijkomende stijging van 7,6 miljoen euro in 2005) en met de integrale uitvoering van het Vlaams Intersectoraal akkoord voor de sociaal-culturele sector.
32
De belangrijkste groeipaden in deze sector zijn sinds 2004 op kruissnelheid gekomen (o.a. bibliotheekdecreet). Op 2 december 2003 keurde de Vlaamse regering het ontwerp van Erfgoeddecreet definitief goed. Met dit voorontwerp van decreet wil de Vlaamse overheid een kwaliteitsvolle en duurzame zorg voor en ontsluiting van het culturele erfgoed stimuleren Volgens planning zou dit decreet in werking treden op 1 januari 2005. Het groeipad voor de uitvoering van dit decreet dient, aldus de beslissing van de regering, opgevangen te worden binnen de cultuurbegroting. De ramingen werden om die reden niet bijgesteld – hoewel mag aangenomen worden dat door de volledige ontplooiing van de voorziene subsidiëring een belangrijke bijkomende druk zal ontstaan op de begroting. Hetzelfde geldt voor de kostprijs verbonden aan het Kunstendecreet. De meerkost verbonden aan de invoering van een uniforme subsidieregeling – er is immers een inhaaloperatie vooropgesteld – wordt geraamd op 2 miljoen euro. De initieel in de begroting 2004 ingeschreven dotatie voor het Fonds voor Culturele Infrastructuur bevat een onderraming van 8 miljoen euro om de aangegane engagementen te kunnen betalen. Deze verhoging werd éénmalig in 2004 ingeschreven. Toerisme
De ingeschreven kredieten voor dit beleidsthema weerspiegelen een voortzetting van het constante beleid. Economie
Waar het Fonds voor Flankerend Economisch Beleid in het verleden grote saldi boekte, werd door de invoering van het call-systeem het voorwaardelijke karakter van de toegekende steun in 2004 stopgezet. Uitgaande van een gemiddelde periode van 3 jaar om de volledige steun uit te betalen, wordt er vanaf 2006 van uitgegaan dat de betalingsbehoeften naar het niveau van de jaarlijkse machtiging zullen toegroeien. Een éénmalige ontvangst van de Beaulieu-gelden (49 miljoen euro) verklaart waarom er nog een relatief hoog saldo bestond eind 2003. Dit saldo wordt gespreid over 2004 en 2005. De aanpassing van het steunstelstel heeft echter tot gevolg dat er een versnelling en een verhoging van de betalingskredieten zal nodig zijn. Vanaf 2006 wordt de dotatie gelijk gesteld aan de machtiging (MAC), wat de stijging verklaart. Werkgelegenheid
De belangrijkste bewegingen in de betalingskredieten zijn een gevolg van een herberekening van betalingskalenders (bijv. de betalingskredieten bestemd voor evenredige arbeidsdeelname en diversiteit worden voor de jaren 2005 en 2006 met ca. 1 miljoen euro verhoogd om de aangegane verbintenissen van het verleden te kunnen honoreren) en het aflopen van het programma van het ESF-agentschap voor permanente vorming en opleiding binnen bedrijven vanaf 2007. Door het op kruissnelheid komen van de Vlaamse invulling van de dienstencheques dient vanaf 2005 het budget te worden verhoogd tot de afgesproken enveloppe van 13,8 miljoen euro, wat resulteert in een verhoging met 4,6 miljoen euro t.o.v. het budget 2004. 33
Voor de VDAB kan men de stijgersposten (o.a. voor de sluitende aanpak van werklozen en opleidingscheques voor werknemers) terug vinden onder het provisionele krediet relancebeleid resp. het provisionele krediet werkgelegenheidsakkoord 2003-2004. Lokale overheden
De sterke stijging van de kredieten voor binnenlandse aangelegenheden is het gevolg van de integrale uitvoering van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. In het begrotingsjaar 2004 werd het groeiritme enigszins afgezwakt door het groeiritme te beperken tot 3,26%. In deze raming werd ervan uitgegaan – aangezien deze neerwaartse herziening uitdrukkelijk werd beperkt tot het jaar 2004 – dat in een constant beleid-hypothese het groeiritme terug moet worden gebracht op de evolutie van de index van de consumptieprijzen, verhoogd met de reële groei van het BNI. Dit heeft een bijkomende jaarlijkse stijging van de uitgaven tot gevolg van om en bij 60 miljoen euro of een impact op de beleidsruimte van de nieuwe regering over de hele legislatuur van 300 miljoen euro. De nog te betalen trekkingsrechten van het in het Gemeentefonds geïntegreerde Investeringsfonds worden gespreid over de jaren 2004 tot en met 2007. Het Investeringsfonds wordt afgebouwd in 5 jaar (2003 – 2007). Op 1 januari 2004 moet nog een potentieel van 332 miljoen euro betaald worden aan de gemeenten, provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Bij een volledige uitvoering van de 45 miljoen euro voorzien in het budget 2004 blijft een maximaal restbedrag van 287 miljoen euro, dat moet worden gespreid over de jaren 2005 – 2007. Dit wordt gelijkmatig verdeeld; vanaf 2005 wordt een bedrag van 95,6 miljoen euro ingeschreven, wat de opstoot in 2005 t.o.v. 2004 verklaart. Vanaf 2008 valt deze uitgave weg. Het Stedenfonds stijgt met de decretaal voorziene groeivoet. Voor de nog in uitvoering zijnde convenants wordt op het Sociaal Impulsfonds enkel in 2004 nog een betalingskrediet voorzien van 50 miljoen euro. In 2006 komen de betalingsverplichtingen tot hun einde en dient nog een jaar 10 miljoen euro te worden voorzien. Daarnaast werd rekening gehouden met de eenmalige meerkost voor de bijkomende aankoop van automatische stemapparatuur en de overige kosten verbonden aan de organisatie van lokale verkiezingen ten belope van 6 miljoen euro in 2005 en 12,7 miljoen euro in 2006, aangezien deze uitgaven, gelet op de optie van de vorige regering om tot veralgemeende automatische stemming te komen, als onvermijdbaar worden beschouwd. Land – en Tuinbouw
De laatste gevolgen van de regionalisering van het bevoegdheidsdomein ‘Landbouw en Visserij’ in het kader van het Lambermontakkoord, werden in 2004 opgevangen door beroep te doen op een begrotingsruiter op het saldo van de Lambermontprovisie 2003. In totaal ging het hier over een bedrag van 5,5 miljoen euro. Deze werden in de ramingen meegenomen en leiden naar een kredietstijging t.o.v. het initiële budget 2004.
34
Milieu
Binnen de sector Leefmilieu wordt de evolutie van de kredieten hoofdzakelijk beïnvloed door de betalingsverplichtingen binnen het Minafonds. Een belangrijke voorafgaande vaststelling is de belangrijke toename van de impliciete schuld over de jaren 2002-2004. Eind 2003 bedroeg het geheel aan nog te honoreren vastleggingen 832,6 miljoen euro. De consecutieve vermindering van de dotatie aan het Minafonds in de jaren 2002 tot en met 2004 met telkens een bedrag van 74,3 miljoen euro ligt aan de basis van de toegenomen encours De éénmalige opstoot in 2004 is te wijten aan het inlopen van grote delen van de encours op de diverse posten binnen het Minafonds. O.a. 48 miljoen euro voor bodemsanering, 25 miljoen euro zal aangewend worden voor de afwikkeling van de verplichtingen in het kader van de maatregelen voor de afbouw van de veehouderij (in de hypothese dat deze maatregel niet wordt verlengd in 2004), 45 miljoen euro extra voor de gemeentelijke rioleringen, 10 miljoen euro voor de uitgaven in het kader van de verwerving van bossen en natuurgebieden., resterend op alle andere basisallocaties aan een afwikkeling in 2004 aan 80%: 63 miljoen euro). Daarnaast wordt het investeringsniveau voor Aquafin verhoogd met de besparingsmaatregel inzake de spreiding van de éénmalige kosten over 15 jaar. Deze besparing is opgenomen in de begrotingen van 2003 en 2004. Om deze te kunnen doorvoeren is echter een amendement op de beheersovereenkomst nodig. Zolang deze er niet is, moet Aquafin deze minderontvangst bij financiële instellingen gaan lenen. Aangezien er geen wettelijke basis bestaat voor de spreiding van de éénmalige kosten wordt voor de BC 2004 een extra bedrag van 44 miljoen euro voorzien. Indien de beheersovereenkomst toch in deze zin wordt aangepast mag dit bedrag uit de uitgaven van het Minafonds worden geschrapt. In de ramingen voor leefmilieu werd echter nog geen rekening gehouden met de inspanningen die nodig zullen zijn om tegen 2005 (Richtlijn stedelijk afvalwater) een zuiveringspercentage van 80% te behalen. Hieraan is volgens Aquafin een kostenplaatje verbonden van 2, 15 miljard euro. De Kaderrichtlijn Water voorziet zuivering van 98% in 2015. Om dit te realiseren zou een bedrag nodig zijn van 17,8 miljard euro. Voornamelijk op het vlak van gemeentelijke rioleringen zullen nog belangrijke inspanningen moeten worden geleverd. Voor ramingen kan op dit moment enkel worden gekeken naar de bedragen die Aquafin naar voor schuift. Deze kosten worden gesubsidieerd door het Vlaamse Gewest. Er bestaan 2 artikelen in de begroting waarop kredieten voor de gemeentelijke rioleringen staan ingeschreven. Enerzijds worden op het Minafonds jaarlijks kredieten voorzien en anderzijds staan de extra’s op de reguliere uitgavenbegroting; in 2004 bijv. is 50 miljoen euro vastleggingskrediet ingeschreven als herbestemming van de ontvangst van de verkoop van de VMW-aandelen. In de voorliggende raming is rekening gehouden met 66.750.000 euro per jaar op het Minafonds en éénmalig 50.000.000 euro in 2004 op artikel 61.5/63.01. Dit betekent in de jaren 2004 tem. 2009 een investeringssubsidie voor de gemeenten van 450.500.000 euro. Dit bedrag moet gezien worden ten opzichte van de totaliteit die volgens Aquafin nodig zal zijn, nl. 7.400.000.000 euro.
35
De Aquafin BTW-problematiek is evenmin in de ramingen verwerkt. Voor het verleden was het bedrag van de achterstallige BTW, boetes en verwijlintresten op 31 december 2003 opgelopen tot 256 miljoen euro. Ieder kwartaal groeit dit bedrag met plus minus 5 miljoen euro. Ieder jaar dat 6 i.p.v. 21% BTW wordt ingeschreven in de begroting, dient de waterzuiveraar voor 50 miljoen euro te lenen. In de raming van de benodigde dotatie is rekening gehouden met 6% BTW in het kader van constant beleid. Subsidies aan Rendac Voor de ophaling bij middelgrote en grote veebedrijven (= bijdrageplichtigen) worden de kosten, die niet gedekt zijn door de abonnementen, gefinancierd door het Minafonds voor 50%. Voor de kleine veebedrijven en particulieren (= niet-bijdrageplichtigen) zijn de ophalingen van hun dierlijk afval gratis. Deze regeling is voorzien in het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981 en het BVR van 24 mei 1995. Het besluit geeft uitvoering aan de richtlijn 90/667/EEG van 27 november 1990 en de bepaling van het afvalstoffendecreet. In 2002 werd de toelage voor bijdrageplichtigen afgebouwd met 20% tot een 50/50-regeling. Om deze regeling te kunnen honoreren is 8.909.000 euro in totaal nodig. Als de regeling met de veesector van 2002 volledig wordt gerespecteerd, moet in 2004 10.503.000 euro worden ingeschreven (tekort van 2,4 miljoen euro). Vanaf 2005 zou 8.909.000 euro nodig zijn i.p.v. de nu voorziene 4.500.000 euro. Ruimtelijke Ordening
Deze sector kent geen vermeldenswaardige toe- of afnames. Monumenten en Huisvesting
Wat het onderdeel ‘Monumenten en landschappen’ betreft, worden de tijdens deze legislatuur sterk gestegen kredieten naar de komende jaren doorgetrokken. Op het vlak van huisvesting wordt de in 2004 geschrapte rentesubsidie aan het Vlaams Woningfonds vanaf 2005 terug in de begroting opgenomen – dit heeft een verhoging van 35 miljoen euro tot gevolg. Vanaf 2005 wordt ook rekening gehouden met toenemende ordonnanceringsbehoeften in de SBRsubsidiëring. Wegen en Water
De uitvoering van het decreet houdende het beleid en het beheer van de zeehavens van 2 maart 1999 (het havendecreet) is in het krediet 2004 meegenomen. Dit decreet voorzag in een uitgavenstijging van jaarlijks 12.395.000 euro tot en met 2004. De financiering van het havendecreet geschiedt via het Vlaams Infrastructuurfonds (VIF). Bij de analyse van de betalingsbehoeften op het VIF werd gewerkt op basis van een realistisch betalingsritme, vanuit de vooropstelling dat het bestaande encours eind 2003 van 1.050.000.000 euro tegen 2008 volledig is afgebouwd.
36
Het realistische betalingsritme leidt in 2004 BC tot een serieuze daling in OK-behoeften t.o.v. 2004 BO, niettegenstaande al de helft van de encours wordt ingelopen. Ook de verdere afwikkeling van het Deurganckdok wordt verrekend. Voor 2004 betekent dit een extra stijging in machtiging van 65 miljoen euro (waarvan de helft bij de BC 2004 werd toegekend). Omgerekend naar betalingsbehoeften resulteert dit voor 2004 in een opstoot van ongeveer 11 miljoen euro. Vanaf 2005 dalen de benodigde kredieten voor het Deurganckdok. In 2007 is hiervoor geen krediet meer nodig. Bovendien wordt vanaf 2005 tot en met 2009 steeds 30 miljoen euro voorzien binnen het FFEU voor haven- en waterinvesteringen, normaal aan te rekenen binnen het VIF. Voor 2005 en 2006 worden de benodigde kredieten voor het Deurganckdok dan ook in het FFEU aangerekend, wat de MAC en de OK-behoeften binnen het VIF extra doet afnemen voor die jaren. Deze dalende tendens vanaf 2005 wordt echter in 2005 zelf tegengegaan door het rechtzetten van éénmalige besparingen in 2004 ten bedrage van ruim 50 miljoen euro. Voorts is de opstoot in OK-uitgaven in 2006 en 2007 te wijten aan de afwikkeling van deze uitgaven op basis van het betalingsritme, waarvan de grootste weerslag effectief het tweede en derde jaar valt. Ten slotte wordt de éénmalige overheveling van 100 miljoen euro vanuit het VIF, wegeninvesteringen, vanaf 2005 niet teruggezet in het VIF, maar wordt vertrokken van de hypothese dat deze kunnen worden voorzien binnen het FFEU. In de wegensector werd rekening gehouden met de nieuwe Europese regelgeving betreffende het gebruik van pesticiden (+2 miljoen euro vanaf 2004 – vanaf 2006 0,5 miljoen euro). Daarnaast stijgen de kredieten voor de ruiming van grachten en wegbermen opnieuw ingevolge verstrengde milieu-eisen (totale meerkost 7,5 miljoen euro vanaf 2004). Naast de evolutie in de betalingsbehoeften van het VIF werd rekening gehouden met de verplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest om gedane investeringsuitgaven m.b.t. de Westerschelde en het Zeekanaal Gent-Terneuzen terug te betalen uiterlijk in 2006. De totale verplichting bedraagt 20 miljoen euro en werd in de raming gespreid over 2005 en 2006. In de sector Waterwegen stijgen de betalingsbehoeften in 2004 met 20 miljoen als gevolg van de investeringen in basculebruggen en de uitvoering van het wrakkencontract. Naderhand daalt hier de kredietbehoefte. Gemeenschappelijk vervoer
De beheersovereenkomst 2003-2009 stelt diverse groeipaden op voor de verschillende dotaties en investeringsposten van De Lijn. De belangrijke meerkost die hieraan verbonden is werd echter, omwille van de constant beleid-hypothese nog niet in de raming verwerkt. Aangezien de goedkeuring van deze beheersovereenkomst de regering enkel verbindt om de kredietbehoefte 2004 op te vangen, en geen engagement inhoudt voor de evolutie na 2005 werd in de gebruikte ramingen enkel het decretaal goedgekeurde groeipad voor basismobiliteit verrekend ten bedrage van 25 miljoen bij in VK zowel in 2005 als 2006.
37
De impact op de meerjarenbegroting van de dotaties en kapitaalposten aan De Lijn wordt dus beperkt tot de indexering en volgende tabel. Tabel 22: Impact op meerjarenbegroting dotaties en kapitaalposten De Lijn (in duizend euro) ba 31.12
correcte GVK (zonder index)
86.545
111.545
136.545
136.545
136.545
136.545
2004 betaalkalender encours 30.811 jaar X 40% projecten 2 34.618 jaar X+1 40% projecten 2005 jaar X+2 20% projecten 2006 projecten 2007 projecten 2008 projecten 2009 65.429
2005 13.635 34.618 44.618
2006 13.635 17.309 44.618 54.618
2007 6.817
2008 6.818
2009 6.818
DUS GOK
65.429
22.309 54.618 54.618
27.309 54.618 54.616
92.871
130.180
138.362
143.361
27.309 54.616 54.616 143.359
92.871
130.180
138.362
143.361
143.359
Om in 2004 de betalingsverplichtingen op het gebied van tariefmaatregelen en mobiliteitsconvenanten te kunnen honoreren, werd in de raming rekening gehouden met een eenmalige verhoging van de ordonnanceringskredieten ten belope van 22 miljoen euro. Wetenschappen
De evolutie in de kredieten is grotendeels te herleiden tot de volgende factoren: •
het inhalen van encours op de machtigingen die de laatste jaren sterk zijn toegenomen in het kader van de optie om de Lissabon-norm te behalen (o.a. 20 miljoen euro VK vanuit de provisie relance in 2004);
•
bij de begrotingsaanpassing 2004 werd de oorspronkelijk voor PMV bedoelde kapitaalsinbreng voor onderzoek en ontwikkeling van 25 naar 12 miljoen euro herleid. Deze vermindering werd voornamelijk ingezet voor het strategische basisonderzoek, gesubsidieerd door het IWT.
Het naleven van het engagement, om de in het kader van het Lissabonakkoord (Verdrag van Vilvoorde) te behalen bestedingsnorm van 3% van BRP tegen 2007 aan onderzoek en ontwikkeling, werd binnen deze oefening niet verrekend. De globale budgettaire inspanning die hiermee zou gepaard gaan kan op een jaarlijkse verhoging van 60 miljoen euro vanaf 2005 tot en met 2007 worden geraamd. Het naleven van deze afspraak zal uiteraard een belangrijke impact op de betalingsbehoeften teweeg brengen. Tot in 2004 is de Vlaamse regering dit engagement wel jaarlijks nagekomen binnen de allocatie van haar middelen voor wetenschapsbeleid. Media
De uitvoering van de beheersovereenkomst met de VRT voorziet een jaarlijks groeipad van de werkingsdotatie van 4%, uiteraard voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld in de beheersovereenkomst.
38
Sport
Louter indexatie-evolutie werd in de kredietevolutie verrekend. Energie Provisies
De belangrijkste component van de provisionele kredieten vormt de te voorziene indexprovisie in functie van het moment waarop de spilindex wordt overschreden. De uitgavenevolutie wordt beïnvloed door de economische prognoses van de jaren 2005 tot en met 2009. Wat betreft de uitgavenkant blijft de invloed echter hoofdzakelijk beperkt tot de invloed van de inflatie, gemeten op basis van de gezondheidsindex. Het is deze index die bepalend is voor de evolutie van de lonen. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met een stijging van andere (werkings-)uitgaven dan lonen door een (al dan niet) gedeeltelijke verrekening van de levensduurte, gemeten in termen van de gezondheidsindex. In de tabel hieronder worden de in voorliggende meerjarenbegroting aangehouden prognose voor de inflatiecijfers (GZI) voor de jaren 2005-2009 weergegeven. Tabel 23: Prognoses inflatiecijfers 2005-2009 GZI
2005
2006
2007
2008
2009
1,5%
1,5%
1,5%
1,5%
1,5%
De begroting van de Vlaamse gemeenschap werkt met twee indexmechanismen. Enerzijds maakt men gebruik van de zogenaamde provisie en anderzijds wordt de klassieke indexering gebruikt.
Indexprovisie PR 24.6 b.a. 11.01 Een aantal kredieten binnen de Vlaamse uitgavenbegroting worden geïndexeerd op basis van het indexeringsmechanisme dat voor de lonen van de ambtenaren (wet van 1 maart 1977) toegepast wordt. Het principe hierbij is dat de tweede maand nadat het voortschrijdende gemiddelde van de gezondheidsindex de waarde van de spilindex overschreden heeft, de lonen toenemen met 2%. Dit betekent dat men een budgettaire weerslag krijgt in het jaar van de overschrijding van de spil, behalve wanneer de spilindex wordt overschreden in de laatste twee maanden van het jaar. Op basis van de in de begroting toegekende code wordt voor elke basisallocatie bepaald of gebruik gemaakt wordt van de loonprovisie of niet. Voor iedere basisallocatie, opgenomen in de loonprovisie, past men het hierboven beschreven mechanisme toe op het loonaandeel van de desbetreffende basisallocatie. Om voorspellingen van de sprongen van de spilindex voor de periode 2005-2009 te maken, wordt gekeken naar de maandelijkse evolutie van de gezondheidsindex. Het Planbureau geeft voorspellingen op maandbasis voor 2004. Op basis van de gerealiseerde maandelijkse indexen 2002 en 2003 en de voorspelde maandelijkse indexen 2004 wordt een gemiddelde maandelijkse indexafwijking berekend ten opzichte van de gemiddelde jaarindex. Voor de berekening wordt steeds gebruik gemaakt van de gezondheidsindex. Voor 2005 worden deze maandelijkse afwijkingen verrekend op de vooropgestelde jaarindex (op basis van een inflatieritme van 1,5%) om een raming te krijgen van de maandelijkse gezondheidsindexen. Op basis van deze cijfers wordt dan het (4-maandelijks) voortschrijdende gemiddelde berekend. Voor 2006 tot en met 2009 wordt
39
dezelfde werkwijze toegepast. Op basis van het hierboven beschreven mechanisme komen we tot overschrijdingen van de spilindex zoals opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 24: Overschrijdingen spilindex 2004-2009 Jaar
Maand
Te overschrijden waarde
Geraamde waarde
2004 2005
januari
113,87
113,94
2006
maart
116,15
116,19
2007
juni
118,48
118,55
januari
120,84
120,91
2008 2009
In de onderstaande tabel wordt het bedrag weergegeven dat aldus op PR 24.6 b.a. 11.01 moet opgenomen worden. Tabel 25: In te schrijven bedrag indexprovisie (in duizend euro) 2005 PR 24.6 BA 11.01
2006
131.541
2007
105.262
2008
2009
61.285
140.997
Het jaar volgend op de provisieverdeling( i.e. 2 maand na de indexsprong), moet de weerslag volledig meegerekend worden gedurende 12 maanden. Gezien we ervan uitgaan dat er provisieverdelingen zijn in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2009, betekent dit dat de weerslag voor 12 maanden meegerekend moet worden in de jaren 2006, 2007 en 2008. Hieronder wordt de weerslag in jaar X+1 van een provisieverdeling in jaar X weergegeven. Tabel 26: Weerslag in jaar X+1 van een provisieverdeling in jaar X (in duizend euro) 2005
2006
2007
2008
2009
NGK
0
173.101
177.677
181.096
0
GVK
0
2.289
2.680
2.726
0
GOK
0
2.231
2.773
2.752
0
De weerslag in jaar X+1 van een provisieverdeling in jaar X wordt per b.a. bij de index buiten de provisie van het lopende jaar opgeteld.
Indexen buiten de loonprovisie Het tweede indexmechanisme werkt op een andere wijze dan het provisiemechanisme. Er wordt wederom vertrokken van de indexcode, die aangeeft in welke mate rekening gehouden moet worden met een aanpassing aan indexstijgingen (op basis van de gezondheidsindex,) zowel voor het loonaandeel als het werkingsaandeel van het betrokken krediet. De aldus bekomen indexkredieten buiten de provisie zijn hieronder weergegeven.
40
Tabel 27: Indexkredieten buiten de provisie (in duizend euro) 2005
2006
2007
2008
2009
NGK
52.076
53.413
54.100
54.953
55.837
GVK
39.345
40.768
41.417
42.260
43.692
GOK
39.459
41.515
42.679
43.122
44.295
VAR
0
0
0
0
0
MAC
23.159
24.300
24.665
25.035
25.412
Totale index te voorzien in meerjarenbegroting (excl. indexprovisie PR 24.6 b.a. 11.01) In de onderstaande tabel wordt de som van de index buiten de provisie en de weerslag in jaar X+1 van een provisieverdeling in jaar X weergegeven. Per b.a. bekomt men voor de desbetreffende jaren een bedrag dat bij de opmaak van de begroting wordt toegekend. Tabel 28: Totale index te voorzien in de meerjarenbegroting (tabel 26 + tabel 27) (in duizend euro) 2005
2006
2007
2008
2009
NGK
52.076
226.514
231.777
236.049
55.837
GVK
39.345
43.057
44.097
44.986
43.692
GOK
39.459
43.746
45.452
45.874
44.295
VAR
0
0
0
0
0
MAC
23.159
24.300
24.665
25.035
25.412
De provisie voor de uitvoering van het werkgelegenheidsakkoord Op 21 maart 2003 werd het werkgelegenheidsakkoord tussen de Vlaamse regering en de Vlaamse sociale partners door de Vlaamse regering goedgekeurd. In dit akkoord engageren de Vlaamse regering en de Vlaamse sociale partners zich om gezamenlijk de vastgestelde knelpunten en tekortkomingen op de arbeidsmarkt en op het vlak van ondernemerschap tegen te gaan. De Vlaamse regering engageerde zich om voor het globale akkoord 100 miljoen euro uit te trekken en om voor de duurtijd van het akkoord en binnen deze enveloppe een evenwicht te voorzien tussen werkgevers- en werknemersmaatregelen. In 2003 werd in de algemene uitgavenbegroting een provisie van 25 miljoen euro ingeschreven op PR 24.6 b.a. 00.18 voor de uitvoering van het werkgelegenheidsakkoord. Tevens werd in art. 11 van het decreet van 20 december 2002 een begrotingsruiter ingeschreven, die de overdracht regelt van de niet-gebruikte vastleggingskredieten 2003 naar het begrotingsjaar 2004. Zo werd eind 2003 een overdracht van 560.000 euro gedaan naar begrotingsjaar 2004 Op deze provisie werd voor de uitvoering van het werkgelegenheidsakkoord in 2004 een krediet van 25 miljoen euro ingeschreven. Tel hierbij de ruiter van 0,56 miljoen euro en men bekomt een beschikbaar krediet van 25,56 miljoen euro. Aangezien op deze provisie een totaal krediet zal nodig zijn van 38,2 miljoen euro betekent dit dat (zonder rekening te houden met de ruiter) een verhoging van het krediet op PR 24.6 b.a. 00.18 met
41
13,2 miljoen euro (38,2 – 25) zich opdringt in 2004 en dat dit recurrent wordt doorgetrokken in navolging van de regeringsbeslissing van 21 maart 2003. Het provisionele krediet voor socio-economisch relancebeleid. In het najaar 2003 werd een Ondernemingsconferentie georganiseerd die afgesloten werd op 9 december 2003 . De financiering van het grootste deel van de verschillende engagementen van het akkoord gebeuren met de middelen, opgenomen onder het provisionele krediet. De dienstencheques worden echter gefinancierd met de middelen (13,7 miljoen euro) die al zijn opgenomen in de kredieten Werkgelegenheid De kostprijs van de maatregelen voor de Vlaamse begroting werd op 9 december 2003 op 98 miljoen euro geraamd (excl. de dienstencheques). Dit is het bedrag op kruissnelheid in 2005, wanneer de sluitende begeleidingsaanpak voor werklozen ten volle op gang komt. Er staat in de goedgekeurde uitgavenbegroting 2004 echter maar 75 miljoen euro ingeschreven op het provisionele krediet voor het economische relancebeleid. Dit betekent dat op basis van de huidige informatie het krediet bij budgetcontrole 2004 met 16 miljoen euro opgetrokken zou moeten worden en in 2005 met 23 miljoen euro t.o.v. de huidige provisie van 75 miljoen euro.
42
3 Het door de Vlaamse overheid te behalen vorderingensaldo
Het basisbedrag van de norm voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt 307.388.000 euro. Dit is het bedrag dat is opgenomen in de overeenkomst van 15 december 2000 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de begrotingsdoelstellingen voor de periode 2001-2005. Als gevolg van diezelfde overeenkomst wordt dit basisbedrag verhoogd met een na te leven norm betreffende kredietverleningen en deelnemingen. Voor het begrotingsjaar 2003 was dit 117 miljoen euro. Voor het begrotingsjaar 2004 is dit, op basis van de afspraken gemaakt op het Overlegcomité van 22 september 2003, 121.912.000 euro. Laatstgenoemd overlegcomité heeft nog andere wijzigingen aan de norm aangebracht. Zo zal een herziening van de macro-economische parameters ten opzichte van de parameters zoals ze gekend waren op 12 september 2003 aanleiding geven tot een overeenstemmende aanpassing van de norm voor 2003 (maar ook van de doorstortingen 2003 door de Federale overheid). Deze herziening wordt voor 2003 op 40.600.000 euro begroot. Logischerwijs leidt een herziening van de parameters in 2004 met effect op de afrekening 2003 in 2004 eveneens tot een herziening van de norm, maar dan in 2004. Deze herziening wordt op -65.028.000 euro begroot. De hangende dossiers (de Beaulieu-subsidies, de verkoop van het RAC en de scholen in de voormalige Bondsrepubliek Duitsland) leiden ook naar een verhoogde norm – begroot op 56.350.000 euro, gekoppeld aan extra ontvangsten voor de Vlaamse overheid in 2003 en 2004. Het voordeel uit de Eénmalig Bevrijdende Aangifte wordt voor de Vlaamse overheid op 39,3 miljoen euro geraamd. Ook hier wordt de norm voor 2004 met een zelfde bedrag verhoogd. Bovendien houdt de ALESH-overeenkomst van 16 december 2003 (overname van de ALESHschuld door de regionale huisvestingsmaatschappijen en doorstorting door de Federale overheid van het geactualiseerde AFV-voordeel) ook een aanpassing van de norm en een extra ontvangst in 2004 in. Tot slot wenst de Vlaamse overheid voor het begrotingsjaar 2004 gebruik te maken van de mogelijkheid om een afwijking op de na te leven HRF-norm te bekomen. Deze afwijking bedraagt 1% van de door de Federale overheid aan de betrokken entiteit toegewezen middelen inzake samengevoegde en gedeelde belastingen en dit bij een ongewijzigd financieringsstelsel. De afwijking kan op 158 miljoen euro geraamd worden. Onderstaande tabel geeft een schematisch overzicht van wat hiervoor werd beschreven. Bovendien wordt ook een projectie gemaakt van het na te leven vorderingensaldo over de jaren 2005 tot en met 2010.
43
Tabel 29: Vorderingensaldo 2004 – 2010 (in duizend euro) 2004 HRF-norm (scenario B)
2005
2006
2007
2008
2009
2010
307.388
280.120 242.936
198.315
138.820
74.368
0
Kredietverleningen en deelnemingen
121.912
121.912
121.912
121.912 121.912
121.912
121.912
Alesh
-36.000
-36.000
-36.000
-36.000
-36.000
-36.000
-36.000
Doorstorting AFV
138.462
0
0
0
0
0
0
Herziening parameters
-65.028
0
0
0
0
0
0
Hangende dossiers
56.350
0
0
0
0
0
0
Eénmalig Bevrijdende Aangifte
39.300
0
0
0
0
0
0
HRF-afwijking t.b.v. 1% -158.000
0
0
0
0
0
0
85.912
85.912
85.912
85.912
85.912
85.912
404.384 366.032 328.848 284.227 224.732
160.280
85.912
Totaal correcties Te respecteren vorderingensaldo
96.996
44
17.919.894
= +
Uitgaven
Begrotingssaldo algemene begroting MVG Ontvangsten
= =
ESR-uitgaven algemene begroting MVG
Vorderingensaldo algemene begroting MVG (a) + + -
ESR-ontvangsten te consolideren DAB's
ESR-ontvangsten te consolideren VOI's
ESR-uitgaven te consolideren DAB's
ESR-uitgaven te consolideren VOI's ESR-uitgaven FFEU
Te consolideren instellingen
+
+
Reservevorming Pensioenfonds
+
Deelnemingen en kredietverleningen (uitg) (esrcode 8)
Dotaties aan DAB's en VOI's A, B & Sui Generis behorende tot de consolidatiekring (esrcode 41 en 61) +
-
Uitgaven
+/-
316.330
=
ESR-ontvangsten algemene begroting MVG
Correctie gelopen intresten
17.907.988
+/-
Correctie aanrekening ontvangsten
Aflossingen directe schuld (esrcode 9)
995
45
0
4.112.131
1.561.519
510.958
516.204
3.980.062
13.735.349
5.355
11.178
166.322
3.673.454
17.715.411
-28.448
175.040
-
Deelnemingen en kredietverleningen (ink) (esrcode 8)
11.906
17.907.988
+
17.919.894
BO 2004
Ontvangsten
ESReffect
Dotaties van DAB's en VOI's A, B & Sui Generis behorende tot de consolidatiekring (esrcode 46 en 66)
Algemene begroting MVG
Tabel 30: Het resultaat (in duizend euro)
158.121
3.903.726
1.648.308
510.958
500.921
4.085.663
13.875.906
4.846
11.178
166.322
3.834.397
162.997
18.055.646
17.961.569
8.098
995
175.338
18.129.804
74.158
18.055.646
18.129.804
BGC 2004
306.672
4.012.128
1.331.958
524.622
481.848
4.216.608
14.422.034
-82
165.808
4.256.474
63.370
18.907.604
18.638.642
8.422
0
338
18.630.558
-277.046
18.907.604
18.630.558
2005
227.934
4.110.051
1.492.881
532.500
482.994
4.585.781
14.696.188
-3.411
164.559
4.413.796
56.748
19.327.880
19.281.969
8.816
0
338
19.273.491
-54.389
19.327.880
19.273.491
2006
218.488
4.151.343
1.490.657
526.221
464.672
5.184.200
14.828.221
-8.196
134.122
4.461.523
40.132
19.455.802
20.012.421
9.229
0
338
20.003.530
547.728
19.455.802
20.003.530
2007
130.120
4.212.472
1.392.927
534.241
460.569
5.835.701
14.933.441
-11.110
50.496
4.534.817
40.522
19.548.166
20.769.142
9.660
0
338
20.759.820
1.211.654
19.548.166
20.759.820
2008
130.120
4.228.120
1.413.734
542.279
461.617
6.311.253
15.217.962
-17.620
42.728
4.574.231
40.142
19.857.443
21.529.215
10.168
0
338
21.519.385
1.661.942
19.857.443
21.519.385
2009
+
Onderbenutting te consolideren VOI's (op basis van historische reeksen) + + + + + + + + =
= + =
HRF-norm scenario B
Aandeel deelnemingen en kredietverleningen Alesh-correctie
Doorstorting AFV-voordelen (ALESH) Herziening parameters Hangende dossiers Eénmalig bevrijdende aangifte HRF-afwijking tbv 1% Te behalen saldo
Verschil tov de te behalen norm ABAFIM norm
Verschil tov de te behalen norm
=
-
uitgaven op BK3 en BK4 (als % van geconsolideerde uitgaven MVG jaar x-1)
HRF-saldo
= +
+/-
Reservevorming/intering Zorgfonds Gecorrigeerd vorderingensaldo
=
Vorderingensaldo (a) + (b)
Onderbenutting MVG (cfr historisch uitvoeringsrapport ARA1 en ARA 2)
=
Vorderingensaldo te consolideren instellingen (b)
46
-1.062.275
404.384
-158.000
39.300
56.350
-65.028
138.462
-36.000
121.912
307.388
-657.891
-657.891
8.535
-666.426
-4.646.488
0
-104.991
-509.375
404.384
-158.000
39.300
56.350
-65.028
138.462
-36.000
121.912
307.388
-104.991
273.261
469.728
693.795
-602.319
10.294
-612.613
-4.698.276
-35.739
119.231
-282.541
366.032
0
0
0
0
0
-36.000
121.912
280.120
83.491
280.849
493.982
721.102
-424.477
3.203
-427.680
-4.644.288
-12.250
292.161
-48.937
328.848
0
0
0
0
0
-36.000
121.912
242.936
279.911
287.704
513.424
734.809
-229.177
413
-229.590
-4.815.371
304.994
514.978
535.745
284.227
0
0
0
0
0
-36.000
121.912
198.315
819.972
290.594
523.184
741.411
311.151
-3.454
314.605
-4.869.595
813.912
786.844
1.376.024
224.732
0
0
0
0
0
-36.000
121.912
138.820
1.600.756
294.873
527.885
746.672
1.087.095
-7.897
1.094.992
-4.740.709
1.896.011
160.280
0
0
0
0
0
-36.000
121.912
74.368
2.056.291
295.968
531.630
760.898
1.531.055
-12.120
1.543.175
-4.768.078
4 Een nieuwe norm 4.1 Inleiding De Vlaamse regering heeft zich ingeschreven in het budgettaire stabilisatieprogramma, waarbij het te behalen vorderingenoverschot gradueel vermindert, om in 2010 te komen tot een niveau dat overeenstemt met het Vlaamse aandeel in een globaal vorderingenoverschot van 0,1% van het globaal Bruto Binnenlands Product voor de gemeenschappen en gewesten samen. Het vorderingenoverschot is het saldo, dat een overheid realiseert conform de berekeningsmetodiek, aangegeven in het ESR-95 stelsel. Dit verschilt van het klassieke begrotingssaldo, o.m. omwille van de volgende elementen: •
het is het saldo van de geconsolideerde Vlaamse overheid: concreet dient het begrotingsresultaat van nagenoeg alle DAB’s, VOI’s A en de meeste VOI’s B te worden geconsolideerd met het resultaat van de Vlaamse begroting. Ongetwijfeld zal de BBBhervorming een belangrijke impact hebben op de grootte van deze consolidatiekring; dit kan echter pas bepaald worden in functie van de werkelijke activiteiten (de economische realiteit, die nog niet bekend is, primeert immers op de juridische realiteit, die nagenoeg volledig vastligt). In onderstaande oefening is er van uit gegaan dat BBB geen impact zal hebben op het consolidatieresultaat (zelfs al wordt wellicht de consolidatiekring groter2);
•
het is het saldo nadat de verrichtingen betreffende de op- en afbouw van de financiële activa (de zogenaamde ESR-8 of KVD3-verrichtingen) worden geneutraliseerd;
•
het is het saldo, rekening houdend met de vervroeging van het aanrekeningsmoment en de verbreding van schuldvorming (economische leasing worden gelijkgesteld met een gewoon schuldmoment; financieringen, voorzien door privé-partners in PPS-constructies, worden in de meeste gevallen, onmiddellijk en integraal ten laste gelegd van de overheid). Anderzijds wordt indirecte schuld niet meer automatisch aangerekend bij de overheid (zij het dat de Hoge Raad voor Financiën – de HRF – hieromtrent een afwijkende interpretatie heeft).
Actueel worden de te behalen normen in het kader van de stabiliteitsdoelstellingen vastgesteld op basis van: •
de overeenkomst van 15 december 2000 tussen de federale overheid, gemeenschappen en gewesten en lokale overheden;
•
aangevuld met de norm, zoals voorzien in het lange termijntraject van de HRF;
•
aangepast aan al gemaakte afspraken in interministeriële conferenties en overlegcomités.
Gelet op voorgaande afspraken zien de te behalen vorderingensaldi t.e.m. 2010 er als volgt uit. Tabel 31: Te behalen vorderingensaldi 2004-2010 (in duizend euro) 2004 404.384
2005 366.032
2006 328.848
2007 284.227
2008 224.732
2009 160.280
2010 85.912
zo wordt de VHM thans in zijn geheel niet geconsolideerd; diverse van de verschillende onderdelen, waarin de VHM overgaat, worden wellicht uit de aard van hun activiteiten wel geconsolideerd.
2
3
KVD= Kredietverleningen en Deelnames
47
Tengevolge van een stringentere interpretatie van de afspraken, gemaakt in september 2003, ligt de te bereiken doelstelling – volgens de Federale regering – overigens nog hoger (65 miljoen euro hoger in 2004). Bovendien dient de Vlaamse regering haar aandeel in de KVD te verhogen (en gelijktijdig haar gewone uitgaven te verlagen). Doet zij dit niet, dan verhoogt overeenkomstig de te bereiken doelstelling tot 121.912.000 euro in 2010. Het blijkt dat het bijzonder moeilijk zal zijn in de jaren 2004-2005 en zelfs gedeeltelijk 2006 dit vorderingensaldo te realiseren, tenzij er significante structurele saneringen4 worden doorgevoerd. Om het vertrouwensklimaat binnen de Vlaamse economie niet te schaden, werd bewust een hoog verbintenissenniveau aangehouden, dat echter niet compatibel bleek met het werkelijke inkomstenniveau, dat afbrokkelde als gevolg van de aanhoudend lage conjunctuur. In afwachting van het herstel van de conjunctuur en dus van de inkomsten, diende de uitvoeringsvertraging het financieringsverschil te compenseren. Door de groei van de middelen komen er vanaf 2006 stilaan aanzienlijke overschotten vrij. Indien het thans vastliggend normpad strikt gevolgd wordt, impliceert dit dat de Vlaamse regering in 2004-2005 ofwel een bijkomende en verdere vertraging in de uitvoering van haar beleidsintenties doorvoert (wat het imago van de Vlaamse overheid als betrouwbare partner in het gevaar brengt) ofwel structureel saneert, om dan de volgende jaren een tijdelijke explosie te kunnen geven aan nieuwe initiatieven aan een ritme, dat nadien evenmin kan aangehouden worden. Het is evident dat brede lagen van de bevolking dergelijke stop & go als onbegrijpbaar zullen beschouwen, des te meer omdat het ogenblik dat de Vlaamse regering in 2007-2008 een explosieve groei van haar beleidsmogelijkheden kent, de Federale regering, die de middelen daartoe moet financieren, hierdoor mogelijk budgettaire problemen zal kennen. Daarom wordt voorgesteld dat de nieuwe Vlaamse regering een nieuw stabilisatiepad onderhandelt, ervan uitgaande dat: •
het te bereiken objectief in 2010 ongewijzigd blijft;
•
de totale beleidsruimte van de nieuwe Vlaamse regering niet verruimt;
•
de schuldafbouw weliswaar beduidend vertraagt, maar geen aanleiding mag geven tot nieuwe schuldopbouw;
•
de vertraagde vermindering van de te betalen interesten binnen de beleidsruimte van de Vlaamse regering wordt opgevangen.
Uiteraard betekent dit dat de andere partners in de Belgische federatie grotere inspanningen zullen moeten leveren, wil het globale resultaat nog steeds bereikt worden. Tot op heden was Vlaanderen echter de enige partner, die structureel bijgedragen heeft tot het overschot.
4
de grootte ervan stemt overeen met de personeelskost van ca. 6.000 leerkrachten
48
4.2 Voorstel van nieuw normpad-berekening Het normpad wordt berekend, zoals dit in het verleden door de Hoge Raad voor Financiën is gebeurd, t.t.z. op basis van de (geconsolideerde) begrotingssaldi en op basis van een constante groeivoet van de geconsolideerde primaire uitgaven (i.e. uitgaven zonder intresten).
4.3 Technische uitwerking van voorgaande premissen Het nieuwe normpad wordt berekend, uitgaande van: •
het vermoedelijke niveau van geconsolideerde, primaire uitgaven eind 2004, rekening houdend met normale onderbenuttings- en vertraagde uitvoeringsscenario’s. De berekening hiervan is opgenomen in bijlage 1;
•
de vermoedelijke middelenontwikkeling: deze kan behoorlijk nauwkeurig worden bekomen uit de financieringswet, bij aanname van een onderliggende, lange termijn-economische groeivoet en in de veronderstelling dat er geen nieuwe fiscale maatregelen worden genomen – noch in meer, noch in min;
•
de (impliciete) rentevoetontwikkeling: de intresten worden berekend op basis van een jaarlijks dalende impliciete rente. De actuele, impliciete rente staat immers hoog, omdat de Vlaamse schuld voornamelijk nog bestaat uit oudere, vast rentende schuld (en dus nog hogere interestvoeten). Naarmate deze wordt afgelost (al dan niet geherfinancierd) daalt de impliciete rente. De impliciete rente in 2003 beliep nog 5,6 % en zakt jaarlijks gemiddeld met iets meer dan 0,3 %;
•
de herverdeling van de totale beschikbare ruimte over de periode 2004 tot en met 2008, dusdanig dat het gecumuleerde saldo tussen de geprojecteerde middelen en de totale, primaire geconsolideerde uitgaven, jaarlijks aangroeiend met een constante groeivoet, identiek blijft aan het gecumuleerde saldo van het thans overeengekomen normpad.
t=2004Σ 2008[
(middelen)t - (primaire uitgaven)t*(1+x)t-2004 - (intresten)t ] =
t=2004Σ
2008[
gecorrigeerde HRF-normen]
met: t=2004Σ 2008
•
: de som over de volgende legislatuur
intresten in jaar t = functie van het gerealiseerde vorderingensaldo in jaar t-1 en de uitstaande schuld op 31/12 van jaar t-1; de intresten in jaar t worden berekend op de uitstaande schuld op 31/12/jaar(t-1) en in functie van het vorderingensaldo in jaar t-1;
•
x = toegelaten constante groeivoet = te berekenen waarde,
•
gecorrigeerde HRF-normen: cf. tabel supra ;
•
t = 2004 t.e.m. 2008.
Dit levert volgend resultaat:
49
Tabel 32: Theoretische normtoetsing (in duizend euro) THEORETISCHE NORMTOETSING (T) 2004
2005
2006
2007
2008
Geconsolideerde middelen
+
18.973.448 19.645.112 20.297.464 21.003.314 21.763.952
Geconsolideerde primaire uitgaven
-
18.905.259 19.381.662 19.870.071 20.370.787 20.884.121
Rentebetalingen
-
173.180
144.219
135.231
117.549
92.988
Vorderingensaldo = nieuwe norm
=
-104.991
119.231
292.161
514.978
786.844
Huidige norm
404.384
366.032
328.848
284.227
224.732
Afwijking t.o.v. huidige norm
-509.375
-246.801
-36.687
230.751
562.112
In het eerste jaar wordt de groeiruimte dus verhoogd met 509,3 miljoen euro (waardoor er geen structurele maatregelen nodig zijn tot beheersing van de begroting); in het laatste jaar wordt zij verlaagd met 562,1 miljoen euro. Het verschil is te wijten aan de lagere schuldafbouw (en dus de hogere interesten). De constante toegelaten groei is gelijk aan 2,52% nominaal (of 1,02 % reële groei). Aangezien verwacht wordt dat de uitgaven slechts ca. 67 % van de inflatie-ontwikkeling volgen (o.m. ten gevolge van het cliquet-systeem loopt de wedde-ontwikkeling geleidelijk achter op de inflatie), is de werkelijke reële jaarlijkse beleidsruimtegroei ca. 1,5 %. In de mate dat het aanvangsniveau toch structureel kan teruggeschroefd worden, zal de groeivoet uiteraard hoger liggen. Tabel 33: Toetsing aan de meerjareninschatting (in duizend euro) Toetsing aan de meerjaren-inschatting 2004 Geraamd Vorderingensaldo
2005
2006
2007
2008
-104.991
83.491
279.911
819.972
1.600.756
Huidige norm
404.384
366.032
328.848
284.227
224.732
Afwijking tov huidige norm
-509.375
-282.541
-48.937
535.745
1.376.024
Nieuwe norm
-104.991
119.231
292.161
514.978
786.844
0
-35.739
-12.250
304.994
813.912
Afwijking tov nieuwe norm
50
4.4 Conclusie Volgens het huidige normpad moet de Vlaamse regering maatregelen treffen om de begroting structureel in evenwicht te brengen. In de mate dat zij hierin al in 2004 structureel zou slagen, verloopt de netto extra beleidsruimte exponentieel: Tabel 34: Netto extra beleidsruimte in geval van structurele maatregelen in 2004 Jaar
Ruimte (mln)
2004
0
2005
227
2006
460
2007
1.045
2008
1.885
In praktijk is het nagenoeg onmogelijk – tenzij met fiscale maatregelen – het verschil van 509 miljoen euro structureel en onmiddellijk te dichten. Een herzien groeipad, waarbij dit verschil niet wordt weggewerkt in 2004, maar geleidelijk aan opgelost wordt door de stijgende middelengroei, leidt tot een nieuw groeipad, waarbij Vlaanderen in 2004 een geconsolideerd negatief vorderingensaldo zou realiseren (grotendeels overeenstemmende met de Aquafin nettoschuldopname). Omdat het niet wenselijk is dat – zelfs al is dit maar een enkel jaar – er een (geconsolideerde) schuldopbouw zou plaats vinden en omdat een beperking van de vermoedelijke uitgaven met 104,9 miljoen euro wel tot de mogelijkheden behoort, is het aangewezen naar een groeipad te streven, waarbij het geconsolideerde vorderingensaldo steeds positief blijft. Dat levert de volgende netto extra beleidsruimte : Tabel 35: Netto extra beleidsruimte in het scenario van een herzien groeipad Jaar
Ruimte (mln)
2004
-105
2005
69
2006
93
2007
410
2008
919
Omdat nieuwe maatregelen in praktijk steeds een vertraging kennen van gemiddeld 1,5 tot 2 jaar vooraleer zij op kruissnelheid zijn, blijkt dat, mits een beperkte rationalisatie-inspanning in 2004, de Vlaamse regering beschikt over een zekere marge vanaf 2005 van ca. 100 tot 150 miljoen euro, oplopend tot ca. 900 miljoen euro in 2008. Dit veronderstelt uiteraard een akkoord over het nieuwe groeipad.
51
5 Bijlagen Bijlage 1 – Berekening van het vermoedelijke niveau aan werkelijk gerealiseerde, geconsolideerde primaire uitgaven
De inschatting gebeurt op de ramingsmethodiek van de afdeling Budgettering5; die een resultaat oplevert van volgende ESR-geconsolideerde uitgaven 2004 : ENTITEIT
miljoen
Ministerie Vl. Gemeenschap
13,876
DAB’s Vl. Gemeenschap
1,648
Onderbenuttiging ministerie + DAB’s
- 0,224
VOI’s (exclusief FFEU)
3,904
Onderbenuttiging VOI’s
-0,273
FFEU-uitgaven
0,158
Reserve-vermindering Zorgfonds
- 0,010
TOTAAL
19,078
De primaire uitgaven worden bekomen na aftrek van de interesten van de schulden, die vanuit ESR-oogpunt als Vlaamse overheidsschuld worden aanzien (t.t.z. met inbegrip van het interestgedeelte van de leasings-financieringen, Aquafin, etc..). INTERESTEN binnen ENTITEIT
K
Ministerie Vl. Gemeenschap
104,113
DAB’s Vl. Gemeenschap
1,790
Aquafin
67,277
TOTAAL
173,180
De totale primaire ESR-geconsolideerde uitgaven 2004 bedragen dan 18,905 miljoen euro.
Deze ramingsmethodiek houdt geen rekening met de technische beschikbare capaciteit, om effectief het betalingscircuit volledig te kunnen afronden. In praktijk is de through-put begrensd, zelfs al zijn er meer verbintenissen te honoreren. Uitgaande van andere ramingsmethodieken kan dit effect in 2004 geraamd worden op ca. 120 miljoen euro, een bedrag, dat omwille van technische beperkingen in het volgende jaar(en), dan zal uitbetaald worden. Aan dit tijdelijke verschuivingseffect wordt voorbijgegaan, omdat er verondersteld wordt dat de capaciteit in functie van de noden – zij het met enige vertraging – wordt afgestemd.
5
52