<
TH
VHHI
VII
ÉLL
I^^^Mkï
m
Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties mouli ^egen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk
• Jfl^WiR
Arte Constructo Molen
+32(0)3 880 73 73 ^7 Schellr
info@arteconstructo.be
31
1VI h
/
A P P E N EN
Tweemaandelijks M O N U M E tijdschrift N T E Nvan , deLVlaamse A N Doverheid, SCH
ARCHEOLOGIE
Onroerend Erfgoed
ISSN 0770-4948 Jaargang 31 nr. 1 JANUARI-FEBRUARI2012
Inhoud Fotogrammetrische opname van een deel van de burchtmuur van Antwerpen ( © Vlaamse overheid. Departement MOW. Afdeling Algemene Technische Ondersteuning)
Voorzitter Joris Bouve
Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane-torbeyns@rwo.vlaanderen-be
Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove
Tel. 02 553 16 13 AbonnementenBelgië: 40 €
Kernredactie Marjan Buyle, Rudy De Graef, Joris Bouve, Herman Van den Bossche. Peter Van den Hove Redactie Leden: Anna Bergmans, Jo Braeken. Marc De Borgher Piet Geleyns. jos Cijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Oswald Pauwels. Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Tom Verhofstadt, Linda Wylleman Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Marcel M. Celis, Jo De Schepper. Hedwig Van den Bossche, Suzanne Van Aerschot
(losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP-of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten &. Landschappen Koning Albert H-laan 19 (bus 3) i 2 i o Brussel - Zonder schrifteli)ke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt
22 Archeologisch onderzoek van de Antwerpse burcht Tim Bellens, Anne Schryvers, Dries Tys, Delfien Termote en Hans Nakken
een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
De Demer gedomineerd: de heer van Rivieren en zijn middeleeuwse woontoren in Gelrode Dirk Pauwels, Frans Doperé en Bart Minnen
De 'cirkel' van Ver-Assebroek: prehistorisch heiligdom of middeleeuwse versterking? Caroline Ryssaert, janiek De Gryse. Dries Tys. Cecile Baeteman, Joep Orbons, Delfien Termote en Pedro Pype
Website www.menl.be Advertentiewerving J. Casier- Brugge jancasier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva Druk
Het tijdschrift M&.L is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert H-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel
SO Kasteel van Beersel. Een evaluatie na de eerste restauratiefase Karel Breda, Lode De Clercq, Janiek De Gryse, Michel de Waha, Frans Doperé, Pedro Pype en Isolde Verhulst
M&LI
1
umentenzorg
MOREELS NV Specialiteit restauratie historische gebouwen & kerken
Natuur & kunstleien - pannen & asfalt Restauratie van glasramen van kerken en partikulieren Eigen ontwerpen Jeruzalemstraat 43 9420 ERPE-MERE Tel. 0 5 3 - 8 4 8 3 7 0 • Fax 0 5 3 - 8 3 3 3 6 5 E-mail: Moreels2@telenet.be
ML
Schilderijen en beelden (wel en niet polychroom) • Muurschilderingen en stuc • Papier • Meubilair (wel en niet polychroom) • Leder • Begassing • Carton-pierre • Keramiek • Proefrestauraties • Artisanale kalkverf • Rotsbepleistering • Vooronderzoek bestekken • Meetstaten en ramingen TEL.: 056 32 38 12 FAX: 056 32 38 13
GUIDO GEZELLESTRAAT 23 8 5 6 0 WEVELGEM
E-mail: infoiSrmp.be GSM: 0475 82 56 26
A. M. C O N S U L T ,<qr,
www.menl .be ONLINE
AM Consult b v b a Anthonis d e Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 ó l 53 03 766 18 52 a.m.consult@skynet.be www.amconsult. b e
-> M&L ONLINE <-
M&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!
Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!
U w p a r t n e r voor h e t o p s p o r e n van d e o o r z a k e n v a n : Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvormlng Houtaantasting door insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravlmethsche vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscople Microscopisch onderzoek i n situ en/of in h e t labo ifv de onderzoeksmethoden
Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte aanpak van het probleem
G^iJ^iJük De Antwerpse burcht Het onderzoek naar het ontstaan en de evolutie van de Antwerpse burcht blijft tot op vandaag moeilijk te interpreteren en vele vragen kunnen enkel nog beantwoord worden door archeologisch onderzoek. Recent brachten opgravingen in de burchtzone een bodemarchief van onschatbare waarde aan het licht. Beetje bij beetje slagen Antwerpse archeologen er in om een bijna vergeten stadsicoon opnieuw tot leven te brengen.
Een middeleeuwse woontoren Zowel uit archiefbronnen als uit oude kaarten en tekeningen was het bestaan van een middeleeuwse woontoren in Gelrode bekend. Maar toen in 2007, bij tuinwerkzaamheden in een park, de fundamenten van een vierkant gebouw werden aangetroffen, konden ook archeologen voor het eerst de woning van de 'heer van Rivieren' aan een grondig onderzoek onderwerpen.
Landschap met 'cirkels' In het landschap van Ver-Assebroek bevinden zich enkele zeer mysterieuze cirkels, lang onderwerp van verhitte discussies. Wat voor sommigen een prehistorisch heiligdom was, is volgens anderen een middeleeuwse versterking. Nieuw interdisciplinair onderzoek, in opdracht van de Vlaamse overheid, lost een oud mysterie eindelijk op.
Kasteel van Beersel De huidige werken aan het kasteel van Beersel, sluitstuk van restauraties die al vanaf de jaren '28 van vorige eeuw begonnen, hebben een voorbeeldfunctie. De grondige restauratie werd immers intensief voorbereid en begeleid door archeologen, historici en bouwhistorici. Grondig en goed overwogen archeologisch onderzoek kon zo antwoorden bieden op vragen die anders - wellicht voor altijd - onbeantwoord zouden zijn gebleven.
^i
Archeologisch onderzoek van de Antwerpse burcht Tim Bellens, Anne Schryvers, Dries Tys, Delfien Termote en Hans Nakken
Ruim een halve eeuw na de eerste stadsarcheologische opgravingen staat de Antwerpse burchtzone opnieuw in de belangstelling. Nieuw archeologisch onderzoek plaatst de bakermat van de handelsmetropool weer op de kaart, met de bescherming als archeologische zone tot gevolg (i). Zo blijft de burchtzone in de t o e k o m s t gevrijwaard van ongedocumenteerde vernieling. Naar aanleiding van drie geplande bouwprojecten in de burchtzone voerde de dienst archeologie van de stad Antwerpen in 2 0 0 8 en 2 0 0 9 grootschalige opgravingen uit. Interdisciplinair onderzoek van de opgravingsgegevens brengt meer inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de stad. Een vergeten stadsicoon komt opnieuw tot leven. Deze bijdrage is niet zozeer een uitgebreide historische studie van de Antwerpse burcht, dan wel een v o o r l o p i g overzicht van de belangrijkste recente archeologische bevindingen.
Antwerpse burcht: onbekend maakt onbemind? Wat is nu precies de Antwerpse burcht? Vele Antwerpenaren en stadsbezoekers vereenzelvigen de middeleeuwse burcht met het Steen, een van de weinige zichtbare getuigen van de burcht. De Antwerpse burcht is echter veel meer dan dat, maar tegelijk moeilijk te definiëren. Een burcht bestaat immers uit een aantal onderdelen, gericht op versterking of status (aarden omwalling, burchtgracht, burchtmuur), economie (werf, tol, ambachten, handel), religie (Sint-Walburgakerk), rechtspraak (Vierschaar) en politiek (residentie van de markgraaf). Strikt genomen heeft de term 'burcht' betrekking op een defensieve structuur. Die structuur verschijnt in of nabij een bestaande nederzetting en vormt tegelijk de kern voor de volmiddeleeuwse stedelijke ontwikkeling in de io de i2 de eeuw. Daarom lijkt het misschien wel beter te spreken van burchtzone, als archeotoop, totaalsom van functioneel en chronologisch onderscheiden delen. Transformaties van de burchtzone binnen de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stad, gecombineerd met kaalslag en bebouwing tijdens de late ic)de eeuw, herleidden de Antwerpse burcht tot een eerder onbekend en onbemind relict in het hart van de stad. Vandaag herinneren het Steen, het stratenplan en muurresten van de burchtmuur aan een voor Antwerpen zo belangrijke plek. De Antwerpse burchtzone wordt nu omsloten door de Scheldekaaien tussen het Steen en het Noorderterras, de Burchtgracht en de Vleeshuisstraat. De Jordaenskaai loopt parallel met de verdwenen Mattestraat.
IM&L
Vroegmiddeleeuws Antwerpen volgens de geschreven bronnen De vroegmiddeleeuwse oorsprong van de stad is al decennialang stof tot discussie, vaak vanuit het spanningsveld tussen de schaarse archeologische en de al even schaarse en omstreden geschreven bronnen. Niettemin staat de vroegmiddeleeuwse oorsprong van de latere handelsmetropool buiten kijf. De vroegste historische vermeldingen van Antwerpen, beginnend bij de bekeringspogingen van Amandus en Eligius omstreeks het midden van de 7de eeuw, wijzen op het bestaan van een neder-
zetting met een bepaalde centrale functie, hoe onbestemd ook (2). Feit is dat Eligius de Antwerpenaren wilde bekeren, waarbij hij vermoedelijk hun centrale nederzetting bezocht. Amandus zou op vraag van de Merovingische koning Dagobert een kerk hebben gesticht in het castrum van Antwerpen en gewijd aan Sint-Pieter en Paulus. De term castrum hoeft echter niet te verwijzen naar een 7deeeuws militair kamp of een burcht, aangezien de bron waarin dit gesteld wordt van latere datum is (3). Vermeldenswaardig is bovendien dat de kerk in de vroege SSK eeuw vermoedelijk in handen is van adel uit de omgeving van de Pepinieden, het
De Antwerpse burcht. Het rechttrekken van de Scheldekaaien in het laatste kwart van de ^gde eeuw zorgde voor een amputatie van een groot deel van het middeleeuwse stadscentrum en van de burchtzone, weergegeven op plan in lichtgrijs { © Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
M&LI
5
Situering van het archeologisch onderzoek in de burcht: i. het Steen, 2. Sint-Walburgiskerk, 3, Besaenhuis,
4 tot 6. opgravingen 2008-2009 (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
geslacht van Karel De Grote (4). Vermoedelijk gaat het om een kerk bij een centraal hof dat artisanale activiteiten, administratie en landbouw beheert. Het zou verkeerd zijn om Antwerpen dan al als 'stad' te bestempelen. In dit centrum slaat men ook munt in opdracht van de kroon. In die periode staat muntslag niet zozeer gelijk met het fabriceren van geld, als met het vervaardigen van tremissi: gouden statussymbolen waarmee de elite zich kon identificeren en verbinden met de hoogste wereldlijke en kerkelijke macht. In de 8stc eeuw lijkt Antwerpen bijgevolg een centrum van elites met een zekere graad van inkomsten. Dit kan verklaren waarom de kerk van Antwerpen in diezelfde periode aan de abdij van Echternach en de heilige Willibrordus wordt geschonken. Mogelijk vormt Antwerpen een uitvalsbasis voor Willibrordus' bekering van het noorden. De Annales Fuldenses vermelden dat Antwerpen in 836 door de Noormannen wordt gebrandschat (5). Deze raid past in een reeks aanvallen waarbij ook het Frankische garnizoen in de koninklijke villa op Walcheren wordt verslagen en de Vikingen van Harald en Rorik de Schelde onder controle krijgen tot in het jaar 876 (6). Het toenmalige Antwerpen, dat de facto onder Vikinggezag stond, blijft archeologisch moeilijk te duiden. Een specifiek probleem hierbij is de huidige afwezigheid van een Sint-Pieter- en Pauluskerk in Antwerpen. Ging die verloren tijdens de Vikingperiode? Of moeten we de kerk zoeken onder de latere Sint-Michielskerk van de gelijknamige abdij?
6
I M&L
De historische bronnen vermelden opnieuw een kern in Antwerpen op het einde van de 9de eeuw (7). Dit keer kunnen we veronderstellen dat het gaat om het centrum van de huidige stadskern, aangezien het deze zone is waar er zich een handelswijk (views) ontwikkelt, waar er tol wordt geheven op handelsverkeer langs de Schelde en waar er vanaf het einde van de io dc eeuw een burcht of versterking wordt gesitueerd. Wat we ons bij deze burcht moeten voorstellen, vertellen de geschreven bronnen ons niet. Zonder veel twijfel houdt deze burcht verband met de huidige D-vormige zone langs de Schelde, die we eerder omschreven als burchtzone. Of de in de 10* eeuw vermelde versterking betrekking heeft op de eigenlijke burcht of op een versterking van (een deel van) het handelscentrum, dat zijn vragen die enkel de archeologische bronnen kunnen beantwoorden. Opmerkelijk is ook dat net in deze zone, vermoedelijk rond het einde van de io de eeuw, een kapel aan Sint-Walburga verschijnt. Dit lijkt te passen in de transformatie van de zone tot machtscentrum. Deze verandering lijkt dan weer te kaderen binnen de grenspolitiek van de Ottoonse keizers, die in dezelfde periode ook Ename en Valenciennes uitbouwen tot grensversterkingen met een welbepaalde hoge status.
Kortom, het ontstaan van Antwerpen volgens de geschreven bronnen is een moeilijk te interpreteren lappendeken van flarden informatie. Problematisch blijft de situering van fasen en plaatsen in tijd en ruimte. Hoe kunnen we Antwerpen vóór het begin van de gdc eeuw voorstellen? Wat waren de aard en de dynamiek van de handelsactiviteiten? Speelde de
Tekening van de burchtmuur door Truyman (© Stadsarchief Antwerpen)
handel een rol in de selectie van deze plaats om er tegen het einde van de io de eeuw een burcht te stichten? In welke mate speelde de macht van de burcht in op de ontwikkeling van handel, portus en stad? Vele van dergelijke vragen kunnen enkel beantwoord worden door archeologisch onderzoek.
FACADE DU STEEN
.
Archeologie van de Antwerpse burchtzone Ondanks het ontbreken van veelomvattende, actuele publicaties terzake, vormde de Antwerpse burchtzone al meermaals het voorwerp van archeologisch onderzoek. Meer zelfs, het vroegste grootschalig archeologisch onderzoek vond plaats in de burchtzone en vormt een symbolische mijlpaal in de ontwikkeling van de stadsarcheologie, zowel nationaal als internationaal. Maar ook later trok de burcht de aandacht van onderzoekers. Vroege waarnemingen Het rechttrekken van de Scheldekaaien in het laatste kwart van de i9 de eeuw zorgde voor een amputatie van een groot deel van het middeleeuwse stadscentrum en dus ook van de burchtzone. Samen met de Werf- misschien de portus waaraan Antwerpen haar groei dankt - verdwijnen huizen, pleinen en straten. De afbraak beperkt zich niet alleen tot de bebouwde omgeving, maar tast ook het sociale weefsel van de op dat moment volkse wijk aan. Tijdens het rechttrekken van de kaaien komt er dan ook meer en meer tegenkanting tegen de kaalslag, wat onder meer leidt tot de oprichting van commissies voor het behoud van het historisch erfgoed (8). Uit deze periode van grootschalige ruimtelijke ingrepen dateren de vroegste registraties van de burcht. Architect Ferdinand Truyman tekent in de periode 1883-1884 grote, op dat moment nog aanwezige delen van de burchtmuur op. In 1887 registreert stadsingenieur Wittevronghel tijdens bouwwerken langs de Jordaenskaai een doorsnede van de aarden omwalling. Hij onderscheidt hierbij drie walfasen. Amateurarcheoloog en verzamelaar Georges Hasse bekommert zich in 1909 om de afbraak van de burchtmuur bij de aanleg van de Vleeshuisstraat en publiceert hierover drie jaar later een bijdrage. De vroegste burchtregistraties zijn van
onschatbare waarde, temeer omdat grote delen van de opgetekende relicten de tand des tijd niet doorstaan hebben, of niet meer zichtbaar zijn.
Doorsnede van de aarden wal door Wittevronghel (© Stadsarchief Antwerpen)
Pionier Adelbert Van de Walle Het opgravingswerk onder leiding van prof. dr. A. Van de Walle tussen 1952 en 1961 wordt beschouwd als eerste gericht stadsarcheologisch onderzoek in Antwerpen en België. Van de Walle, die ook opgravingen verrichtte in de abdij van Ename, kan al vlug rekenen op internationale belangstelling. De resultaten van zijn opgravingen in de Antwerpse
M&LI
7
Opgraving van middeleeuwse hulzen langs de Mattestraat tijdens het onderzoek geleid door Van de Walle ( © Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Opgravingsprofiel met complexe stratigrafie tijdens het onderzoek geleid door Van de Walle (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
burchtzone spreken ook vandaag nog tot de verbeelding. De aanvankelijke aandacht voor middeleeuwse houtbouw groeit al snel uit tot vraagstellingen over het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van Antwerpen. Er volgen opgravingscampagnes op drie locaties in de burcht: in en rond het Steen, op de plaats van de Sint-Walburgakerk en ter hoogte van het Besaenhuis. Van de Walle brengt de resten aan het licht van onder meer de burchtmuur, de aarden omwalling met palissade, houtbouwresten uit de Karolingische periode tot de iz^' eeuw, de middeleeuwse Mattestraat, fundamenten van de Sint-Walburgakerk en Gallo-Romeins vondstmateriaal. Vergelijkend onderzoek doet Van de Walle besluiten dat de Antwerpse burcht onder sterke invloedssfeer van de Vikingwereld tot stand kwam. Op basis van stijlkenmerken situeert hij de Antwerpse burchtmuur in de periode 1200-1225 (9). Zijn resultaten en conclusies kunnen niet onderschat worden, al lijkt hernieuwd onderzoek aangewezen. De ouderdom en aard van opgegraven resten, de uitzonderlijke bewaringstoestand van houtbouwresten en archaeologica en het nauwgezet registreren van het complexe plaatselijke bodemarchief maken van zijn onderzoek een mijlpaal in de archeologie van Antwerpen en ver daarbuiten. Met uitzondering van enkele artikels, komt het jammer genoeg niet tot een uitvoerig opgravingsverslag dat de verschillende campagnes bundelt. De jonge Frans Verhaeghe start een doctoraatsproject over de resultaten van de opgravingen, maar de aard van het opgravingsarchief noodzaakt een heroriëntatie van zijn onderzoek. In de daaropvolgende decennia geraakt Van de Walle's onderzoek in de vergeetboek. Het huidige onderzoek wil dan ook een brug slaan naar de vroegere opgravingen. Meer nog, vergelijkend onderzoek van de oude met nieuwe opgravingsgegevens - en vice versa - kan helpen om de onderzoeksproblematiek te verfijnen. Het opgravingsarchief van Van de Walle is dan ook meer dan het koesteren waard en zou best deel uitmaken van een breed vervolgonderzoek.
Jaren 1970-80 Na de opgravingen door Van de Walle valt het onderzoek naar de Antwerpse burcht stil. In 1978 volgen Jacques Ackermans en Tony Oost van de
8 IM&L
prille stadsarcheologische dienst de bouwwerken op voor de waterkerende betonmuur langs de Scheldekaaien. In dagboeken en werfverslagen is te lezen dat er sporen gevonden worden van houtbouw en burchtmuur en tal van middeleeuwse of latere archaeologica. De groot- én kleinschaligheid van de werken (in een lange maar smalle sleuf) en vele andere stadsarcheologische besognes in tijden van urbanistische erosie, herleiden het noodonderzoek tot het registreren van het plaatselijke bodemarchief. In 1989 onderzoekt de AVBG (toen nog Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek) een i4de-eeuwse kade in de burchtgracht. Nieuw archeologisch onderzoek De eerste jaren na de millenniumwissel brengt de stedelijke dienst monumentenzorg sporadisch ondergrondse delen van de burchtmuur langs de Zakstraat in kaart. In dezelfde periode krijgen plannen voor drie private nieuwbouwprojecten tussen Jordaenskaai en Burchtgracht gaandeweg vorm. Uit vrees voor een nieuwe kaalslag, dit keer ruim 60 procent van de resterende bebouwing binnen de burchtzone (met uitzondering van het Steen en de kaaien), dringt de stedelijke dienst archeologie aan op grootschalig noodonderzoek. In het kader van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de ontwikkeling van de twee grootste bouwprojecten werd door de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen (het huidige agentschap Onroerend Erfgoed) een voorwaardelijk advies geformuleerd waarin nadrukkelijk gewezen werd op de zorgplicht van de eigenaar en de noodzaak van een voorafgaand archeologisch onderzoek. Dit advies werd opgenomen in de stedenbouwkundige vergunningen. Er werd tevens een kabinetsnota opgesteld voor de toenmalige minister waarin het belang van de site en de noodzaak tot onderzoek werd benadrukt. Tijdens de onderhandelingen met de twee betrokken projectontwikkelaars Immpact nv en Group Blijweert, haalt de zorg voor het behoud van het erfgoed de media, ook dankzij de inzet van plaatselijke verenigingen, buurtbewoners en de academische wereld. Beide projectontwikkelaars garanderen financiële en/of logistieke ondersteuning en tegen de zomer van 2008 zijn de nieuwe opgravingen een feit.
Het huidige onderzoek, gecoördineerd en uitgevoerd door de dienst archeologie van de stad Antwerpen, streeft naar een interdisciplinaire benadering. Zowel de Vrije Universiteit Brussel (VUB) als het agentschap Onroerend Erfgoed verlenen wetenschappelijk advies inzake onderzoeksstrategie, interpretatie en natuurwetenschappelijk onderzoek, terwijl de Dienst Algemene Technische Ondersteuning, Departement Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse Gemeenschap instaat voor fotogrammetrische opnamen van de burchtmuur. Daarnaast zijn ook de Université Libre de Bruxelles (ULB) en de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) betrokken bij het onderzoek (I0). Tijdens het terreinonderzoek wordt de stedelijke dienst archeologie bijgestaan door een tijdelijke projectploeg en tal van studenten en vrijwilligers. De VUB organiseert een field school, waarbij studenten archeologie stage koppelen aan hulp bij het terreinonderzoek. Onderzoeksstrategie en vraagstellingen Van bij de aanvang van het veldwerk fungeert de burchtmuur als ruimtelijke scheiding tussen extraen intra-muros onderzoek, verspreid over de drie opgravingen tussen de Jordaenskaai en de Burchtgracht (11). De burchtmuur is uiteraard voorwerp van onderzoek. Buiten de burchtmuur richt het onderzoek zich op de ontwikkeling van de burchtgracht als verdedigingsgracht, het kanaliseren en dempen van de gracht en de laatmiddeleeuwse bebouwing ter plaatse. Wat de burchtmuur betreft, lijkt het noodzakelijk om zoveel mogelijk bouwtechnische en -chronologische informatie te verzamelen om de biografie van de burchtmuur te reconstrueren. Centraal staat ook de vraag naar de relatie van de burchtmuur tot de aarden wal. Een bijkomende belangrijke vraag is of de aarden wal werd opgericht op oudere nederzettingsfasen of er eerder omheen is gelegd. Verder rest de vraag naar de oprichtingsdatum van de wal en naar eventuele faseringen inzake aanleg, gebruik en opgave. Uiteraard richten heel wat onderzoeksvragen zich op het nederzettingskarakter van Antwerpen binnen de wal of vóór de oprichting van de wal. Kunnen we gebouwen identificeren? Wat is het karakter van de bebouwing; ruraal of (vroeg-) stedelijk? Welke activiteiten herkennen we?
Fotogrammetrische opname van een deel van de burchtmuur {© Vlaamse overheid. Departement MOW, Afdeling Algemene Technische Ondersteuning)
no I M & L
1VI&L I ii
Afbraak van het badhuis aan de
T o r e n f u n d e r i n g aan de buiten-
buitenzijde van de burchtmuur
zijde van de b u r c h t m u u r
( © Stad Antwerpen, afdeling
( © Stad Antwerpen, afdeling
archeologie)
archeologie)
Opgraving van de burchtmuur ( © Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Registratie van de b u r c h t m u u r ( © Stad Antwerpen, afdeling ardienlogie)
12 I M & L
Zijn er aanwijzingen voor handel? Wat is de chronologie van de bewoning? In welk landschap kwam de al dan niet omwalde of ommuurde nederzetting tot ontwikkeling? En, niet onbelangrijk met het oog op de toekomst, wat is de huidige bewaringstoestand van het bodemarchief binnen de burchtzone? Zijn bijvoorbeeld de houtresten nog even goed bewaard als deze die meer dan veertig jaar geleden door Van de Walle werden opgegraven? Met andere woorden: zijn de bewaringscondities voor het plaatselijke bodemarchief nog wel dezelfde als die van halfweg de 20 s,e eeuw? Kortom, de onderzoekstrategie streeft naar een maximum aan stratigrafische inzichten, zowel horizontaal als vertikaal, met daarbij het verzamelen van zoveel mogelijk dateringsgegevens. Ten tijde van Van de Walle's onderzoek stond radiokoolstofonderzoek nog in de kinderschoenen; het huidige onderzoek kan hiermee dus een grote meerwaarde realiseren. In diezelfde periode was er ook nauwelijks aandacht voor landschappelijke en ecologische aspecten. Het nieuwe onderzoek opent bijgevolg perspectieven voor archeozoölogisch, paleobotanisch en -landschappelijk onderzoek. Dit staat borg voor meer kennis over de ontwikkeling en het karakter van de site. Disciplines zoals micromorfologie en fytolietenonderzoek kunnen eveneens in belangrijke mate bijdragen tot het beantwoorden van onderzoeksvragen. Tenslotte dienen alle data en resultaten gekaderd te worden in het internationale, actuele onderzoek van
Bemonstering voor dendrochronologisch onderzoek van een houten paal onderin de burchtmuur. Onderzoek door het agentschap Onroerend Erfgoed (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
handelsnederzettingen zoals Dorestad, Londen, enz. Dit onderzoek zal nog meerdere jaren vergen. Resultaten van het huidige onderzoek Deze bijdrage belicht de belangrijkste opgravingresultaten. Het gaat echter om voorlopige resultaten, omdat het onderzoek nog volop aan de gang is en verschillende deelstudies nog beëindigd en gebundeld dienen te worden. Niettemin willen we al een aantal nieuwe bevindingen of vraagstellingen naar voren brengen. • Burchtmuur De burchtmuur beschrijft, zoals te zien op cartografische bronnen, een min of meer halve cirkel of een D-vorm vanaf het Steen tot onder het Noorderterras. De ommuurde ruimte bedraagt ongeveer 2,5 ha. Vóór de start van het onderzoek waren op slechts twee locaties resten van deze middeleeuwse stadsmuur te zien: ter hoogte van het Steen en aan weerszijden van de Vleeshuisstraat. Gedurende de afbraak- en funderingswerken komt de burchtmuur ten noorden en ten zuiden van de Zakstraat gefaseerd in beeld. Fotogrammetrische opnamen en schaaltekeningen registreren elk detail van de middeleeuwse verdedigingsmuur. Kalksteenblokken van verschillende grootte, gebonden met een zandige kalkmortel, wisselen af met baksteenpartijen van latere datum. Of het gaat om Doornikse kalksteen, zoals steeds verondersteld, zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen. Tijdens het veldonderzoek treffen de archeologen drie vierkante steunberen aan, deel uitmakend van de burchtmuur. Deze worden beschouwd als funderingen van overkragende, halfronde torens, zoals te zien op oude afbeeldingen van de burcht. Bouwplannen voor een ondergrondse parking worden aangepast ter vrijwaring van de opgegraven steunberen. De burchtmuur heeft een vlakke, horizontale fundering die rust op een tertiaire schelpenlaag. Aan de zuidzijde van de Zakstraat is de burchtmuur bewaard tot op 7,72 m boven het huidige straatpeil. Ter vergelijking: Hasse meet in 1912 nog een hoogte op van minstens 10 m (12). Ten zuiden van de Zakstraat bevindt zich parallel aan de buitenzijde van de burchtmuurfundering een rij aangepunte zware palen.
Dendrochronologisch onderzoek van deze houten palen van lokale eik, wijst op een veldatum in de periode 1007-1015 AD. Een zware, gekantrechte eiken paal bevindt zich onderin de burchtmuur. Ook deze paal sluit aan bij de dendrochronologische sequentie van voornoemde palen, met een veldatum van na 1007 AD, en vermoedelijk in de eerste helft van de iid' eeuw (13). Radiokoolstofdatering op houtskool uit de mortel van de burchtmuur gaat nog verder terug in de tijd, meer bepaald tot de periode 890-985 AD. Deze nieuwe, verrassende dateringen wijzen mogelijk op een oudere datering van de Antwerpse burchtmuur, ouder dan tot nu toe verondersteld werd. Het lijkt dan best aannemelijk om Gothelo I, markgraaf van Antwerpen vanaf 1008, in verband te brengen met de oprichting van de stenen burcht, binnen het kader van de oprichting van Ottoonse grensversterkingen. Volgens historische bronnen bouwde Gothelo I een 'kasteel' te Antwerpen. Een alternatieve hypothese kan zijn dat de eikenhouten palen geen verband houden met de bouw van de burchtmuur, maar met een versterking als voorloper van de stenen burcht. Het historisch vermelde feit dat de Antwerpse burcht in 1055 een aanval vanuit Vlaanderen weet af te slaan, vormt mogelijk een indirecte aanwijzing voor een vroegere datering van de burchtmuur. In 1272 wordt er bovendien al toelating verleend om te bouwen tegen de burchtmuur. Ook dit vormt een
M&L I ^
Langs weerszijden van de Zakstraat worden grote delen van de burchtmuur opnieuw zichtbaar gemaakt. Deze ontsluiting vormt een cultuurhistorische en -toeristische meerwaarde en versterkt het bewustzijn over de Antwerpse burcht.
Oud versus nieuw: de burchtmuur geïntegreerd in een nieuwbouwproject (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Doorsnede van de gedempte en bebouwde burchtgracht ( © Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
eventuele aanwijzing voor een vroegere datering, en een reeds verminderde militaire functie van de burcht in het derde kwart van de i3 de eeuw. Tot slot vermelden we dat zowat alle archeologische vondsten uit de recente opgravingen in de burchtzone dateren van vóór het midden van de ii de eeuw. Wijst dit op een transformatie van de omwalde ruimte naar een volledig castrale functie? De bouw van de Sint-Walburgakapel op de plaats van oudere bewoning lijkt deze hypothese te bevestigen. De mogelijke vroegere datering van de burchtmuur in vergelijking met andere steden is alvast opmerkelijk en verdient verder onderzoek in een internationale context. De burchtmuur krijgt, omwille van zijn cultuurhistorische waarde en beschermd statuut, een prominente plaats in de nieuwbouwprojecten.
• Burchtgracht Buiten de burchtmuur lag de burchtgracht, een watergordel rondom de versterking. Waarschijnlijk gaat de oorsprong van de burchtgracht terug tot de aanleg van de eerste, aarden omwalling. Of hieraan een natuurlijke depressie of geul ten grondslag ligt, valt archeologisch moeilijk te bewijzen. De burchtgracht, tussen de i2 de en de i4 de eeuw Dilf geheten, werd immers meermaals geruimd (14). Historische bronnen melden dat inwoners van de stad en vrijheid instaan voor het graven en onderhouden van de burchtgracht, al kunnen ze deze verplichting afkopen. Op verzoek van de stad staat de hertog toe om in 1420 een brug te bouwen ter hoogte van de Zakstraat. Met behulp van een dwarsdoorsnede registreerden de stadsarcheologen het profiel en de dempingslagen van de burchtgracht. Door het verbreden en ruimen van de gracht doorheen de tijd, is de kans
Laatmiddeleeuwse brugpijler in de burchtgracht, onderde Zakstraat ( © Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
op het aantreffen van initiële grachtfazen gering. De opgravingen maken duidelijk dat er ten laatste tegen het einde van de late middeleeuwen bebouwing op de gedempte burchtgracht verschijnt, onder druk van verstedelijking. Opvallend zijn de zware baksteenfunderingen van deze huizen, te verklaren door de weinig draagkrachtige grachtvulling. Een deel van een bak- en natuurstenen brugpijler kwam tevoorschijn tijdens het archeologisch onderzoek. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om de brug uit 1420. Het aanpassen van de nieuwbouwplannen vermijdt afbraak van zowel de torenfunderingen langs de burchtmuur, als de laatmiddeleeuwse brugpijler. Hoewel niet zichtbaar, blijven deze relicten bewaard voor de toekomst. • Aarden wal Vroegere waarnemingen door Wittevronghel en Van de Walle wijzen op het bestaan van een aarden wal als voorloper van de stenen burcht. Ook de recente opgravingen snijden delen van de aarden omwalling aan ten noorden van de Zakstraat. De opbouw van die aarden wal is enigszins te vergelijken met middeleeuwse dijkwerken (15).
Zo rust de wal aan de binnenvoet op rij shout, zoals plaatselijk vastgesteld tijdens de opgravingen. Het wallichaam zelf bestaat uit zorgvuldig gestapelde plaggen. De wal heeft een breedte van ca. 13,5 m en, afgaand op de waarnemingen door Wittevronghel, een hoogte van minstens 4 m (16). Stratigrafisch onderzoek en radiokoolstofonderzoek wijst in de richting van een datering rond het einde van de 9de eeuw of het begin van de io de eeuw. De resultaten van een Optical Stimulated Luminescence (OSL) datering liggen in dezelfde lijn (17). De vraag rijst hierbij of de walaanleg in verband staat met de aanleg van verdedigingswerken in politiek instabiele tijden, meer bepaald de strijd tussen het Frankische gezag en de Vikingen. Een intrigerende vraag is dan ook of de wal kan aangelegd zijn door Scandinavische verdedigers van het 9de-eeuwse Antwerpen, of dat het gaat om een verdedigingswerk tégen de Vikingen. De vraag naar het tracé van de aarden omwalling is niet eenduidig te beantwoorden. Zo ook wat betreft de fasering van de aarden omwalling. Wittevronghel en Van de Walle meenden meerdere bouwfasen in de wal te herkennen, afgaande op verschillen in kleur en samenstelling. Dergelijke verschillen zijn ook waargenomen tijdens de recente opgravingen. Hier stuiten we echter op de vraagstelling rond redox-processen (reductie en oxidatie). Het is namelijk mogelijk dat binnenin de wal een waterbel aanwezig bleef, wat zorgt voor reducerende condities. Zo zal het zand binnen de waterbel grijs blijven omdat de ijzerelementen niet oxideren. Omgekeerd zal het zand buiten de bel roodbruin kleuren, zodat het lijkt alsof de wal in twee fasen is aangelegd. Daarnaast kunnen andere postdepositionele processen (grondwaterfluctuaties, blootstelling aan water en zuren) doorheen de tijd veranderingen in kleur en samenstelling veroorzaken. Het feit dat er tijdens de recente opgravingen binnen een relatief klein areaal veel kleur- en
Bemonstering voor OSLdateringsonderzoek van de aarden wal (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Opgravingsprofie van de aarden wal (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
M & L I 15
textuurverschillen waargenomen worden, pleit in elk geval voor een kritische houding tegenover een walaanleg in meerdere fasen. Onder de aarden omwalling bevinden zich een aantal standgreppels die min of meer het veronderstelde waltracé lijken te volgen. Mogelijk staan zij in relatie tot de aanleg van de aarden wal of zijn zij het restant van een palissade die de wal voorafging. • Vroegstedelijke bewoning en artisanale activiteiten De opgravingen onder leiding van Van de Walle brachten uitzonderlijk goed bewaarde nederzettingsresten aan het licht. Hij onderscheidt hierbij in hoofdzaak drie middeleeuwse bewoningsfasen en niet minder dan zes tot acht bouwlagen, te situeren binnen een tijdspanne van de tweede helft van de g* eeuw tot het einde van de i2 de eeuw (18). De onderzoeker komt tot een typochronologische evolutie van middeleeuwse houtbouw op basis van drie woningen langsheen de Mattestraat en over meerdere bewoningsfasen. Talloze sporen van wonen en werken illustreren het karakter van de middeleeuwse handelsnederzetting. Ook tijdens de recente opgravingen komen gelijkaardige sporen en vondsten aan het licht. Aan de binnenvoet van de aarden omwalling stuiten de stadsarcheologen op knuppelpaden, geflankeerd door sporen van hout-
Opgravingsplan van middeleeuwse houtbouw langs de Mattestraat door Van de Walle (© Stad Antwerpen, afdeling ardieolügie]
^6 I M L
bouw. Ook hier brengen de gunstige bewaringscondities fraaie resten van middeleeuws vlechtwerk en bouwtechniek naar voren. Houtonderzoek, uitgevoerd door het agentschap Onroerend Erfgoed, brengt de paleobotanische en -ecologische diversiteit in beeld. De talloze houtsnippers wijzen in de richting van houtbewerking en constructie ter plaatse. Els neemt hierin een belangrijk aandeel, naast es en wilg. Een goed bewaarde vlechtwerkwand of -vloer bestaat uit hazelaar en wilg of wilg/populier voor de twijgen, en eik voor de staken of steunpalen (19). De knuppelpaden bestaan uit lange, slanke en vaak aangepunte boomstammen met een wegdek of bevloering van korte, halfronde dwarse stammetjes. Sporen van ambachten, zoals beenbewerking of metallurgie, verrijken het beeld van de vroege handelsnederzetting uit de 9* en io dt ' eeuw. Een opmerkelijke vondst komt tevoorschijn na het lichten van het vlechtwerk: een versierde schijffibula uit de 9do of io de eeuw. De versiering op beide zijden verraadt dat het object oorspronkelijk niet als speld fungeerde. Wat betreft beenbewerking treffen we alle stadia van het ambachtelijk proces aan, van ruwe grondstof over halffabricaten tot eind-
Houten knuppelpad aan de bin-
Uitzonderlijk bewaard vlechtwerk
nenzijde van de aarden wal
als restant van een vloer of wand
{ © Stad Antwerpen, afdeling
{ © Stad Antwerpen, afdeling
archeologie)
archeologie)
Versierde schijffibula (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Bewerkt been en gewei (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Aardewerk uit de burchtzone { © Stad Antwerpen, afdeling archeologie]
TVI&L I i7
c& II
II I
•
^
ii il
producten, zoals kammen of priemen. De grote diversiteit in aardewerk, met geïmporteerd en lokaal materiaal, geeft een beeld van internationale handelscontacten. Het aantreffen van infrastructuur- en gebouwsporen in de periferie binnen de Antwerpse burcht kan wijzen op een hoge densiteit inzake grondgebruik en preverstedelijking. Om tot een beter begrip te komen van het ontstaan en de ontwikkeling van de burchtzone, is verder onderzoek onontbeerlijk. De opgravingen leveren alvast voldoende stof tot nadenken. • Zwarte laag Zowel de aarden wal als de nederzettingssporen, rusten op een zwarte laag of dark earth layer, met een gemiddelde dikte van ca. 30 cm. Voor het blote oog vertoont de zwarte laag geen gelaagde opbouw; er is geen stratigrafie binnen de laag te herkennen. Het lijkt of het gaat om een eerder homogene, zandige laag. Wat betreft vondstmateriaal bevat de zwarte laag voornamelijk geërodeerd GalloRomeins en vroegmiddeleeuws aardewerk. Binnen het onderzoeksterrein is deze laag extra-muros niet aangetroffen, aangezien zij vergraven werd bij het graven van de burchtgracht. Intra-muros is op één plek, onder de buitenhelling van de wal, een lichte daling van de zwarte laag richting burchtgracht
waar te nemen. Wijst dit op de aanwezigheid van een oude geul of depressie, als basis van de latere burchtgracht? De zwarte laag is momenteel voorwerp van micromorfologisch onderzoek. De eerste resultaten lijken veelbelovend. De bodemopbouw is veel complexer dan macroscopisch zichtbaar, met aanwijsbare sporen van menselijke activiteit en bodemgebruik: huttenleem, organische deposities, excrementen, enz. (20). Het lopende micromorfologisch onderzoek draagt bij tot het bredere, actuele onderzoek naar zwarte lagen in internationaal perspectief. Dergelijk detailonderzoek is essentieel om antwoorden te vinden op heel wat onderzoeksvragen, zoals bijvoorbeeld de aard van de bewoning en van het landschap vóór de oprichting van de aarden wal. Internationaal onderzoek van zwarte lagen in relatie tot vroegmiddeleeuwse nederzettingen wijst immers op een intensief landgebruik en de aanwezigheid van een meer dan rurale kern, in plaats van afwezigheid van intense bewoning. Vormt de zwarte laag in de burchtzone bijgevolg de getuige van het vroegmiddeleeuwse Antwerpen van de y**'', 8S,C en vroege 9dt' eeuw? • Gallo-Romeinse begraving Onder de zwarte laag treffen de archeologen een flinke hoeveelheid Gallo-Romeinse sporen aan. Een
Callo-Romeinse graven tekenen zich af tijdens het aanleggen van het laatste opgravingvlak { © Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
tiental kuilen bevat verbrand menselijk botmateriaal en fragmenten van bijgaven in aardewerk en glas. Anthracologisch onderzoek geeft aan dat er vooral els, eik en in geringe mate es en wilg in de graven voorkomt (21). Het aantreffen van deze crematiegraven verruimt het beeld over Gallo-Romeins Antwerpen, waarvan de voorbije decennia al resten waren aangetroffen op verschillende plaatsen in het historisch stadscentrum en in een aantal districten, waaronder Ekeren en Wilrijk. In 2002 trof de stedelijke dienst archeologie een Gallo-Romeins urnengraf aan ter hoogte van de Oudaan. • Steentijden De burchtopgravingen brengen ook een aantal bewerkte silexfragmenten aan het licht. Zo bijvoorbeeld enkele Federmesser-werktuigen uit het finaal-Paleolithicum en een pijlpunt uit het late Neolithicum of de vroege Bronstijd (22). Ook deze werktuigen wijzen op een vroege aanwezigheid van de mens in deze omgeving en vervolledigen het cultuurhistorisch beeld van dit stadsdeel. Besl U it De archeologische aandacht voor de burchtzone staat in contrast met de schaarste aan actuele, synthetiserende publicaties van onderzoeksgegevens. Niettemin maken opgravingen duidelijk
dat het bodemarchief van de Antwerpse burchtzone van onschatbare waarde is, in de eerste plaats voor de kennis over de ontwikkeling van de middeleeuwse nederzetting en stad.
Federmesser-kling (© Stad Antwerpen, afdeling archeologie)
Reeds meer dan een eeuw trekt de Antwerpse burchtzone de aandacht van belanghebbenden en onderzoekers. Het rechttrekken van de Scheldekaaien en de daarbij horende kaalslag van het cultuurhistorisch patrimonium, gaven het startschot voor een langdurige wetenschappelijke.
M&L I ie,
zij het gefaseerde belangstelling voor de burchtzone. Stadsingenieur Wittevronghel tekende als eerste een doorsnede op van de aarden omwalling, als voorloper van de burcht. Daarnaast kwam de burchtmuur letterlijk in beeld in het werk van architect Truyman en amateurarcheoloog Hasse. Stadsarcheologisch pionier Van de Walle bracht de archeologische en cultuurhistorische rijkdom van het plaatselijke bodemarchief onder internationale aandacht tijdens zijn onderzoek in de burchtzone. Hierbij viel ook de uitzonderlijke bewaringstoestand van de archeologische resten op. In de drie daaropvolgende decennia werden er in de burchtzone een aantal noodinterventies uitgevoerd door zowel de stedelijke afdelingen archeologie en monumentenzorg, als door vereniging AVBG. Naar aanleiding van drie nieuwbouwprojecten in de burchtzone, vindt er opnieuw grootschalig archeologisch terreinonderzoek plaats in 2008 en 2009. Vanuit een interdisciplinaire benadering brengt dit onderzoek heel wat nieuwe elementen en vraagstellingen op de voorgrond. De opgravingen brengen naar analogie met vroegere opgravingen een ongemeen rijk en complex bodemarchief aan het licht. Behalve sporen uit de Steentijden, de Gallo-Romeinse en de vroeg- en postmiddeleeuwse perioden ligt de klemtoon op de 9de en iode-eeuwse wording en groei van prestedelijke nederzetting tot middeleeuwse burcht, als katalysator voor de ontwikkeling tot handelsstad. De opgravingen tonen sporen van verdediging of status, infrastructuur en bebouwing tot artisanale activiteiten. De massale hoeveelheid data en vondsten vraagt nog jaren onderzoek, liefst in relatie tot de vroegere opgravingen. In elk geval bieden de recente opgravingen een vierdimensionaal beeld van minstens een deel van de burchtzone of, met andere woorden, de evolutie van een archeotoop in tijd, ruimte en functie. Interdisciplinaire kennis over dit transformatieproces is cruciaal om te komen tot een beter begrip van vroegstedelijke ontwikkelingen in Antwerpen en ver daarbuiten. Kritisch beschouwd moeten we vaststellen dat, ondanks vijftig jaar opgraven in de stad, heel wat vragen over de oorsprong van de stad slechts gedeeltelijk of niet beantwoord zijn. Hierbij halen we graag enkele bedenkingen aan. Stadsarcheologie
was en is. ook in Antwerpen, bijna uitsluitend noodonderzoek, waarbij economische belangen vaak een domper zetten op wetenschappelijke en methodische ambities. Daarnaast spelen intrinsieke factoren een rol, bijvoorbeeld de erosie van het bodemarchief door eeuwenlange urbanisatie. Ook de veranderende inzichten en klemtonen bepalen de resultaten van stadsarcheologisch onderzoek. Wat betreft de toekomst van de stadsarcheologie, vormen bovenstaande bedenkingen een pleidooi voor het garanderen en ondersteunen van de kennisopbouw door stadsarcheologische diensten, onder meer door structureel en academisch gedragen terreinonderzoek. Onderzoek dat zich niet enkel laat leiden door bodembedreigende ingrepen, maar gestuurd wordt vanuit een dynamische onderzoeksagenda. In Antwerpen staat onderzoek naar de stadsgenese de komende jaren alvast voorop.
Tim Bellens en Anne Schryvers zijn als stadsarcheoloog verbonden aan de stad Antwerpen. Dries Tys is professor middeleeuwse archeologie en landschapsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel. Delfien Termote en Hans Nakken werkten als projectarcheoloog op de recente opgravingen in de Antwerpse burchtzone.
Eindnoten (1) Omwille van de uitzonderlijke cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde komt de Antwerpse burchtzone in aanmerking voor bescherming als archeologisch monument. Al in 2002 pleit Adelbert Van de Walle voor de wettelijke bescherming van de burcht. Naar aanleiding van de recente opgravingen en de ruimtelijke ontwikkelingen in de burchtzone, geraakte de beschermingsprocedure in een stroomversnelling. Op 17 juni 2010 werd de burchtzone te Antwerpen definitief beschermd als archeologische zone (publicatie in het Belgisch Staatsblad 15 juli 2010).
(2) Voor de uitgaven van de vita Eligii en de vita Amandi zie KRUSCH B.. Vita Eligii {Monumenta Germaniae Historica Scriptores. rerum Merovingicarum, 4), 1902, p. 632-742: ID., Vita Amandi {Monumenta Germaniae Historica Scriptores, rerum Merovingicarum, 5), 1910, p. 395-485. Zie verder VERHULST A., Het ontstaan en de vroege topografie van Antwerpen van de Romeinse Tijd tot het begin van de 12* eeuw, in VOET L. e.a.. De stad Antwerpen van de Romeinse Tijd tot de ] / ' eeuw. Topografische studie rond het plan van Virgilius Bononiensis 1565, Brussel. 1978, p. 13-40; TYS D..
The Scheldt Estuary as a Framework for Early Medieval Set-(16) Voor de berekening van de breedte van de wal is uitgegaan tlement Development, in W1LLEMSEN A. en KIK H. (red.), van een circulair of semi-circulair tracé, parallel met de Dorestad in an international framework. New research on cenlatere burchtmuur. In die optiek is de registratie door Wittres of trade and coinage in Carolinian Times. Brepols. tevronghel een schuine i.p.v. haakse waldoorsnede, met 2010, p. 168-176. een vertekend beeld van de walbreedte als gevolg. A. Van (3) De zgn. Echternachteksten waarin respectievelijk in 693 de Walle meet een breedte van ca. 11 m. Hij veronderstelt en 726 Antwerpen als castellum en castrum opduikt, zijn een oorspronkelijke hoogte van ca. 6 m. erg problematische teksten met een aantal interpolaties (17) Deze dateringsmethode meet via blootstelling aan licht de ouderdom van mineralen, in dit geval zandkorrels uit en uit het begin en het einde van de I2de eeuw. zie VERonder de aarden wal. HULST A., op. cit. Hoewel de vermelding van een vroegmiddeleeuws Antwerpen met een door Amandus gestich- (18) VAN DE WALLE A., Excavations in the Ancient Centre of Antwerp (Medieval Archaeology. $), 1961, p. 127. te kerk vermoedelijk authentiek is, zijn vermeldingen over bijvoorbeeld tol dat niet, zie ROMBAUT H., De Ech- (19) BOEREN I., Inventarisatie, evaluatie en onderzoek van hout en houtskool uit de burchtzone, Antwerpen (Rapporten natemachseteksten betreffende Antwerpen: nieuwe argumenten tuurwetenschappelijk onderzoek VIOE, RNO.VIOE.2010{Bijdragen tot de Geschiedenis. 72), Antwerpen, 1989, 004), 2010, p. 6. p. 3-26. De omschrijving van Antwerpen als castrum lijkt dan ook te steunen op de kennis van de Antwerpse burcht (20) WOUTERS B., Micromorfologie in theorie en praktijk, met in de loop van de late iodE en ii dc eeuw en niet vanuit het als casus de zwarte laag van Antwerpen (Burchtsite), 2009, bestaan van een daadwerkelijke versterking in de 7* eeuw, p. 48 (onuitgeg. verh. VUB). zie ook VAN IMPE S., Een bijdrage tot de stedelijke lexicogra-(21) BOEREN L, op. cit., p. 4-5. fie. Een terminologisch onderzoek aan de hand van diplomati-(22) Met dank aan de heer Marijn Van Gils. sche bronnen, Gent. 1999-2000 (onuitg. verh. Universiteit Gent). (4) Willibrordus' missionering van het Friese en Nederlandse gebied rond 700 werd actief ondersteund door Pepijn van Herstal, die in de jaren '90 van de 7<le eeuw de adel aanzette tot schenkingen aan de missionaris, zie WEILER A.G., V/illibrords missie. Christendom en cultuur in de zevende en achtste eeuw, Hilversum. 1989. Door de kerstening konden deze gebieden ook politiek toegevoegd worden aan de Frankische kroon. Er wordt aangenomen dat ook de schenking van de kerk te Antwerpen door de aristocraat Rauchingus in dit licht te interpreteren is: PARSONS D., England and the low Countries at the time of St. Willibrord, in DE BIEVRE E. (red.), Utrecht, Britain and the continent: archaeology, art and architecture. British Archaeological Association Conference Transactions XVIII, Leeds, Maney, 1996, p. 30-48: TYS D., loc. cit. (5) RAU R. (red.), Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte III, Darmstadt, i960, p. 22. (6) TYS D., op. cit. (7) VERHULST A., The Rise of Cities in North-West Europe, Cambridge, 1999, p. 98. (8) VAN LAER G. en WARMENBOL M., De kaailine van Antwerpen, 2010, p. 83 (onuitg. verh. Artesis Hogeschool) (9) VAN DE WALLE A., De archeologische opgravingen in het oud stadscentrum te Antwerpen, in Antwerpen. Tijdschrift der stad Antwerpen, jg. 6, nr. 2, i960, p. 49. (10) ULB en VUB: micromorfologisch onderzoek; KUL: voorlopige petrografische en pyrotechnische analyse. (n) De nieuwe opgravingen situeren zich op drie bouwplekken in de Antwerpse burchtzone: A243 Jordaenskaai 13-19 (burcht 1): A280 Burchtgracht/Zakstraat (burcht 2) en A283 Jordaenskaai 21-23 (burcht 3). (12) HASSE G., L'ancienne enceinte du XI' siècle a Anvers, Antwerpen, 1912, p. 3-7. (13) HANECA K., Eén paal onder en palenrij langs de burchtmuur, Antwerpen (Rapporten natuurwetenschappelijk onderzoek VIOE, RNO.VIOE.20og-oo^, 2009, p. 5. (14) PRIMS F. en VERBEECK M., Antwerpsch Straatnamenhoek, Antwerpen, 1938, p. 69. (15) Zie COEN I., De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde, 2008, p.76.
De Demer gedomineerd: de heer van Rivieren en zijn middeleeuwse woontoren in Gelrode Dirk Pauwels, Frans Doperé en Bart Minnen
Bij tuinwerkzaamheden in het park van het kasteel van Rivieren te Celrode kwamen in 2007 bij toeval de ondergrondse resten van een vierkant gebouw in kalkzandsteen van Gobertange aan het licht. Het bouwwerk, geïdentificeerd als de donjon of woontoren van de heer van Rivieren, was al schriftelijk geattesteerd in de archiefbronnen en figureerde ook in de welbekende i6 d e -eeuwse gouaches in de Albums de Croy. Het agentschap Onroerend Erfgoed kon deze middeleeuwse woontoren uit I3 d e -i4 d e eeuw voor het eerst archeologisch documenteren (1).
De middeleeuwse woontoren en het huidige kasteel vanuit het zuiden (foto D. Pauwels)
Een kasteel op een donk in een Demermeander Ten zuiden van Betekom ligt op de linkeroever van de Demer, op een verhevenheid in de alluviale vlakte en onmiddellijk ten oosten van een drietal kleine, in i860 afgesneden, riviermeanders, het kasteeldomein van Rivieren. Deze pleistocene donk (ca. 15 m TAW), waarvan de beide uiteinden worden ingenomen door de kasteeldomeinen van Rivieren en van Nieuwland, wordt ingesloten door de grote, fossiele Vorsdonk-meander (ca 10-11 m TAW), die op de huidige topografische kaarten nog duidelijk herkenbaar is. In tegenstelling tot de vele, kleinere Demermeanders die grotendeels dateren van de laatste eeuwen, zou de veel grotere Vorsdonkmeander van laatglaciale ouderdom zijn (ca 10.000 v. Chr.). De meander is momenteel beschermd als landschap onder de naam 'Vorsdonk-Turfputten 3'. De zuidgrens ervan wordt gevormd door de Eikelberg, één van de voor het Hageland kenmerkende Diestiaanheuvels. Behalve natte alluviale kleigronden en zandgronden zijn er in deze meanderzone ook veengronden aanwezig. De ontginning van dit laagveen in de ig*1'' eeuw resulteerde in de bekende turfputten of tourbières van Vorsdonk. Het 'domineren van de Demer' door de heer van Rivieren waarnaar in de titel wordt verwezen, slaat in eerste instantie op de watergebonden rechten die deze landheer genoot en de controle die hij uitoefende op de Demer als waterweg, niet op inspanningen die hij zich eventueel getroostte om zijn wil op te leggen aan de loop van de rivier in de alluviale vlakte. Dat er pogingen werden ondernomen om de Demer te bedwingen, staat vast: ingrijpende waterbeheersingswerken hebben in
22 I M & L
de loop der eeuwen de Demervallei behoorlijk van uitzicht veranderd. Waarschijnlijk zorgde de kleisedimentatie van de vrij in de vallei meanderende stroom vanaf de i5de eeuw, en zeker vanaf de i6 de eeuw, voor meer en grotere overstromingen. Daarbij komen in de i7de en i8 de eeuw vanuit economische overwegingen de rechttrekkingen van de bedding om de scheepvaart te optimaliseren (2).
Digitaal Hoogtemodel met, tussen de Demer en de Eikelberg, de donk en de grote Vorsdonkmeander. Ook duidelijk herkenbaar zijn verschillende kleine, afgesneden Demermeanders (©AGIV)
De woontoren in de bodem: de archeologische registratie Het vierkante grondplan van de woontoren, als middeleeuws gebouwtype ook bekend als donjon, meet 10,06 x 10,06 m buiten- en 5,80 x 5,80 m binnenwerks. De fundering en een deel van het opgaande muurwerk, beide in bekapte kalkzandsteenblokken van Gobertange, bleven in de ondergrond bewaard over een maximale hoogte van 2,60 m. De fundering bestaat uit twee delen: onderaan liggen drie trapsgewijs geplaatste lagen van kalkzandsteenblokken van ca 10 cm dik en, te oordelen naar twee volledig zichtbare exemplaren, van 80 cm lang en breed. De onderste trap is 3,95-3,97 m breed, wat impliceert dat er vijf blokken naast elkaar werden gezet; de andere twee trappen springen telkens 25-30 cm naar binnen en bestonden waarschijnlijk elk uit vier naast elkaar geplaatste blokken. De getrapte fundering, waarvan de steenblokken aan de buitenkant van de woontoren veel regelmatiger en verzorgder zijn bekapt dan aan de binnenzijde, draagt het tweede onderdeel, een fundering van 2,35-2,37 m breed. Ook hiervan zijn de blokken in het buitenparament zorgvuldig
M&L I 23
Zicht op de funderingen en het buitenparament van de woontoren (foto D. Pauwels)
I | —] • I •H ;-:;->l B
gobertange pilasters donjon baksteen ijzerzandsteen kasteel Van Rivieren funderingspalen
Overzichtsplan van de muurresten en funderingen in werkput i ( © agentschap Onroerend Erfgoed)
De getrapte fundering bij de westelijke hoek van de woontoren (foto D. Pauwels) Zicht op de funderingen en het bmnenparament van de woontoren, met twee van de pilasters die het plafond van de kelder droegen (foto D. Pauwels)
^-*w-
t
i_
•••••• 24 I M & L
De halfronde pilaster van het gebouw op ijzerzandsteenfundering (foto D. Pauwels)
bekapt terwijl deze in het binnenparament onregelmatig en ruw bekapt zijn. Dit metselwerk is nog bewaard over een hoogte van 1,40 m. Het verschil in afwerking tussen beide parementen doet zich niet meer voor in het opgaande muurwerk. De regelmatig bekapte rechthoekige blokken van zowel binnen- als buitenparement - waarvan de steenhouwtechniek werd beschreven als een verticale centrale bekapping met een fijne randslag - omvatten een interne steenopvulling, het geheel gezet in een harde, grijswitte kalkmortel. De kalkzandsteenblokken variëren voornamelijk in lengte (70-95 cm, uitzonderlijk 100-113 c m ) ' de breedte en dikte schommelen consequent rond respectievelijk 30-35 cm en 10 cm. Het zeer verzorgde uitzicht van het buitenparament wordt enkel 'verstoord' door een steigergat in de noord- en zuidzijde, en door een neerwaarts versmallende, lokale verkleuring van het noordparament, waarschijnlijk het uitvloeisel van een hogergelegen, externe latrine. De overgang tussen de 2,35-2,37 m dikke fundering en het 2,10 m dikke opgaande muurwerk wordt gemarkeerd door een inwendige insprong die aan de zuid- en noordzijde van de donjon telkens drie rechthoekige pilasters draagt. Deze pilasters droegen via een houten overspanning van 5 m waarschijnlijk het plafond van de kelder. Het opgaand muurwerk maakt geen perfect vierkant: de noordelijke hoek is inwendig afgeschuind, ongetwijfeld een getuigenis van een in de muurdikte uitgespaarde spiltrap naar de andere verdiepingen. Een beschadiging van de fundering door het kraanwerk bij de tuinaanleg maakte duidelijk dat de toren rustte op een netwerk van verticale ronde palen. De diameters van de palen lagen rond 25 cm, uitzonderlijk slechts 10 cm. Vier bemonsterde exemplaren bleken alle elzenhout {alnus sp.), waarschijnlijk zwarte els {alnus glutinosa) te zijn. Een ruwe rekenoefening op basis van de densiteit van de palen in het kijkvenster leert dat, als we de gegevens extrapoleren naar de ganse oppervlakte van de fundering van de woontoren, tussen 1160 en 1620 palen werden gebruikt. Dat deze extra ondersteuning van de stenen fundering geen overbodige luxe was, blijkt uit de vaststelling dat een deel van
de getrapte fundering niettemin lijkt te zijn geklonken onder het gewicht van de toren. Tot nog toe hebben we het gehad over de toren in zijn eerste en puurste fase, namelijk als een vrijstaand, dominant gebouw op het domein. De registratie liet echter ook toe een transformatie in het bouwvolume te registreren. Het blijkt duidelijk, en de archiefbronnen (zie verder) leveren in de biografie van het domein een plausibele context, dat in een tweede fase de toren niet langer het solitaire landmark was maar daarentegen werd gereduceerd tot onderdeel in een groter bouwwerk. Tegen de oostzijde van de toren werd een noordwest-zuidoost georiënteerd gebouw opgetrokken. Dit gebouw, 15,7 x 8 m buitenwerks en 14,5 x 6,7 m binnenwerks, wordt gedragen door een verzorgde, getrapte baksteenfundering die rust op een viertal onregelmatige lagen van bekapte ijzerzandsteenblokken, samen ca 65 cm hoog. Deze lagen worden gedragen door een minstens 90 cm dik bouwpuinpakket van baksteenfragmenten en brokken ijzerzandsteen. Het opgaand metselwerk van de 60 cm dikke bakstenen buitenmuren is verzorgd uitgevoerd, in tegenstelling tot dit van de koud gezette binnenmuren. De baksteenbouw incorporeert nog een ander bouwwerk, ditmaal op ijzerzandsteenfunderingen. De enige, slechts gedeeltelijk gedocumenteerde fundering hiervan werd
IVI&L I 25
geritmeerd door een uitsprong/verdikking aan de 'buiten'zijde, waarvan de aanzet correspondeert met een halfronde pilaster aan de binnenzijde. Een reeks handboringen buiten de onderzoekszone geven duidelijk aan uit dat de funderingen zich nog verder onder de tuin en de oprit van het kasteel uitstrekken.
Aarschot' noemden, maar in de loop van de 13* eeuw elk een nieuwe naam aannamen: van Rivieren, van Ter Bruggen, van Schoonhoven en van Staden. Elk van deze heerlijkheden werd in leen gehouden van de hertog van Brabant als heer van Aarschot. De belangrijkste van deze leenmannen werd de heer van Rivieren.
De woontoren in de archiefbronnen: de oorsprong van het kasteel van Rivieren
De verwantschap van de heren van Rivieren met het grafelijk geslacht van Aarschot blijkt niet alleen uit het feit dat hertog Jan I van Brabant in 1283 formeel erkende dat Jan van Rivieren afstamde van de graven van Aarschot. De bezittingen en rechten van de familie van Rivieren situeerden zich in het kerngebied van het i2dc-eeuwse graafschap, met tal van rechten in Aarschot, Betekom, Gelrode en Langdorp. Hun wapen - drie zwarte lelies met afgesneden voet op een veld van zilver - verwijst naar de zwarte lelie in het wapen van Aarschot. De naam van Rivieren draagt de familie pas sinds ca. 1260.
Het kasteel van Rivieren is genoemd naar de ridderlijke, later adellijke familie van Rivieren, die haar naam op haar beurt afleidde van de rivier die de slagader was van haar heerlijkheid, de Demer. De familie stamt hoogstwaarschijnlijk af van het geslacht van de I2de-eeuwse graven van Aarschot (3). Eén van deze graven van Aarschot nam tijdens de Tweede Kruistocht deel aan het beleg van Lissabon (1147), een belangrijke fase in de Reconquista van het Iberisch schiereiland. Het graafschap Aarschot wordt geattesteerd van 1107 tot 1169, maar is vermoedelijk nog ouder (4). Zijn precieze omvang is moeilijk te achterhalen, maar het kerngebied omvatte de Demer- en een stuk van de Dijlevallei van Testelt tot in Haacht, plus nog andere, verspreide goederen. De graven beheersten dus een flink deel van de handelsstroom in dit deel van het latere hertogdom Brabant, in een periode waarin de handel toenam en nieuwe steden ontstonden langs de Demer (een onderdeel van de handelsroute Keulen-Brugge) en de Gete. Nog in 1283 genoot de heer van Rivieren een deel van de tollen die in Aarschot werden geheven, en in het bijzonder ook van de tol op de riviertransporten door poorters uit Zoutleeuw.
Ergens tussen 1155 en 1179 kwam het graafschap op een onbekende wijze in handen van Godfried III, hertog van Neder-Lotharingen (later: Brabant), als een stap in zijn streven om zijn gezag in het hertogdom te versterken (5). De hertogen van Neder-Lotharingen/Brabant wierpen zich nadien uitdrukkelijk op als opvolger van de graven van Aarschot; zo bevestigden zij schenkingen die de graven in de 12^ eeuw hadden gedaan (6). Het grafelijk geslacht van Aarschot splitste zich op in vier lijnen, die zich oorspronkelijk alle 'van
26 I M
L
De oudst met zekerheid gekende vertegenwoordiger van deze afstammingslijn uit het geslacht van Aarschot is terug te voeren tot ridder Karel II van Aarschot (vermeld i222(?)-i246). Karel controleerde de parochie Betekom; in 1243 schonk hij het patronaatsrecht op de kerk van dat dorp en verkocht hij de daaraan verbonden tienden aan de proosdij van Sint-Geertrui te Leuven. Karel had geen mannelijke erfgenamen. Via zijn dochter Beatrijs (Beatrijs van Rivieren, 1273) (vermeld 1261-1282) kwamen zijn bezittingen in handen van haar echtgenoot. Reinier Cluet (vermeld 1254-1268; + voor 1271), zoon van ridder Hendrik van Attenhoven, een leenman van de hertogen van Brabant met belangrijke bezittingen in Ekeren. Reinier en Beatrijs waren de eersten die zich 'van Rivieren' noemden (eerste vermelding in 1261: ridder Reinier geheten Cluet van Rivieren). Als directe afstammelinge van het geslacht van Aarschot bleef Beatrijs persoonlijk tussenbeide komen in transacties waarmee oude familiale rechten en bezittingen gemoeid waren. In 1261 droeg Reinier Cluet van Rivieren zijn deel van het patronaat van de kerken van Langdorp en Weerde (een nu verdwenen kerkje tussen Aarschot en Langdorp) over aan de Sint-Geertrui-proosdij (ridder Willem van Aarschot geheten Van Ter Bruggen deed hetzelfde met zijn deel). In de daaropvolgende
jaren nam de adellijke status van Reinier nog toe, en in 1267 wordt hij voor de eerste keer betiteld als heer (dominus) van Rivieren, een titel die zijn opvolgers zouden blijven voeren. De heerlijkheid Rivieren kreeg zijn definitieve vorm in 1283. In dat jaar werden de rechten van Reiniers zoon. Jan van Rivieren (vermeld 1265-1283), erkend en nog uitgebreid door hertog Jan I van Brabant en zijn oudste zoon Godfried (die het jaar daarop onder meer zelf het Land van Aarschot kreeg toegewezen). De talrijke en verregaande juridische, bestuurlijke en economische rechten van Jan van Rivieren binnen het allodium van Aarschot en, binnen de vrijheid van Aarschot, in Betekom, Gelrode, Langdorp en Weerde, Testelt, Rillaar, Messelbroek en Uitem (Wezemaal), waren een duidelijke erfenis van de oude graven van Aarschot. Jan kreeg bovendien uitgebreide rechtsmacht in Betekom (op het halsrecht na), waar hij vier van de zeven schepenen mocht aanstellen (de heer van Ter Bruggen benoemde de andere drie). Hertog Jan stond tevens zijn rechten afin Gelrode. Het kasteel, of minstens de adellijke woonst van het geslacht van Rivieren, wordt voor het eerst vermeld in een scheidsrechterlijk vonnis uit 1267, met de
term domus (huis, woonst). Hoewel vlak bij Betekom gelegen, aan de overkant van de Demer, lag het kasteel zelf binnen de grenzen van de parochie Aarschot. In dat vonnis werd de proosdij van Sint-Geertrui verplicht tot de betaling van de 'prebende' of de vaste inkomsten (ter waarde van 130 Leuvense ponden) van de kapelanie in het domus van Rivieren, omdat die kapelanie zich bevond binnen de parochie Aarschot (7). Een privékapel met een eigen kapelaan hoorde bij de status van een adellijke woonst. In 1283 wordt dezelfde adellijke woning omschreven als de mansio van Rivieren (o mansione sua de Riveria, waarin sua verwijst naar Jan van Rivieren), waarbij de term mansio zowat synoniem is van domus. Het kasteel van Rivieren werd toen al gesitueerd nabij de brug over de Demer (ad pontem iacentem ultra Themeram prope mansionem suam apud Riviriam).
Gelrode: overzicht van de donjon vanuit het noordoosten (foto D. Pauwels)
Voor de volgende eeuwen beschikken wij voor het domein van Rivieren voorlopig niet over een overzicht zoals hierboven gepresenteerd voor de cruciale ij,ie eeuw. In de vermelding sijn huys ende thoren te Rivieren in een leendenombrement van de heerlijkheid door Hendrik van Rivieren uit 1448 (8) slaat thoren op de woontoren. Voor een voorstelling ervan is het wachten tot het einde van de i6dl eeuw.
M&L
27
Twee gouaches met gezicht op de woontoren Van Rivieren (uit DUVOSQUEL |.-M.. Albums de Croyl
Ongeveer een eeuw later, in 1691, wordt bij de bevestiging van de drievoudige opdeling van de heerlijkheid Rivieren voor het leenhof van Aarschot den thoren van Rivieren vermeld als één van de bezittingen van de heer van Rivieren. Een eerste, expliciet vermeld bouwproject dat een impact op de woontoren zal hebben gehad, dateert van 1764. In dat jaar liet Charles Henry Dirix de Bretel, secretaris van keizerin Maria-Theresia, het kasteel heel ende gansch afwerken en op het pachthof een huis van plaisantie (lusthof) bouwen. Deze werfactiviteiten betekenden mogelijk het einde van de woontoren als zelfstandig bouwvolume. Twintig jaar later was dit lusthof trouwens al te klein en liet hij al opnieuw verbouwingswerken uitvoeren. In het negatieve antwoord dat de prelaat van de abdij van St.-Geertrui te Leuven formuleerde op de petitie van 1772 van de Gelrodenaren om hun dorp als zelfstandige parochie te laten erkennen, haalde hij aan dat de weg van Rivieren naar Gelrode in een slechte toestand verkeerde door de aanwezigheid van afbraakmateriaal van het kasteel (9). Vermits het nieuwe kasteel pas acht jaar eerder was gebouwd, lijkt het ons aannemelijk dat het afbraakmateriaal in kwestie hier refereert aan de middeleeuwse woontoren.
De zetel van de heer van Rivieren in de kaartboeken en tekeningen van Karel van Croy De eerste figuratieve bronnen voor het domein en de toren Rivieren dateren uit de late i6d" eeuw onder de vorm van een figuratieve weergave en een schets uit 1596-1598, met kleurrijke (maar minder betrouwbare) kopies daarvan in één van de albums van Karel van Croy, hertog van Aarschot (15961612). Deze iconografische bronnen zijn een onmisbare maar niet altijd waarheidsgetrouwe bron voor het middeleeuwse landschap op de overgang van de i6d'' naar de JJ^ eeuw. Het gezicht op de toren is echter niet het oorspronkelijke uitzicht van het gebouw uit de 13de eeuw. De versie - of beter versies - van de toren zoals afgebeeld in deze bronnen wordt eerder in de i^d' eeuw gedateerd, en is waarschijnlijk het resultaat van herstellingen na de oorlogsjaren 1488-1489 en misschien ook na de inname van de donjon in 1578, een uitermate zwart jaar voor Aarschot en omgeving (10).
In het dorpsgezicht op Betekom (n) speelt de toren maar een bijrol op de rand van het panorama, gevat tussen galgen en rad op de Eikelberg in het voorste register en de dorpskom van Betekom centraal in de achtergrond. In de kopie zijn zelfs adellijke wandelaars toegevoegd aan het tafereel. Niettemin blijkt duidelijk hoezeer de toren van Rivieren, ondanks zijn excentrische positie, samen met de kerktoren van Betekom het vlakke landschap bij de Demer domineert. Met zijn grijze stenen, grote ramen, gekanteelde en uitgekraagde weergang en leien dak steekt de toren duidelijk aftegen de eenvoudige neerhofgebouwen, waarvan wij nog net een glimp zien verschijnen tussen de bomen.
Dankzij het vogelperspectief toont een andere gouache het omgrachte domein veel duidelijker, maar tegelijk ook schematischer (12). Tussen Demer en Moutlaak ligt het ellipsvormig burchteiland omgeven met een watervoerende gracht en enkel toegankelijk via een houten ophaalbrug. Het complex vertoont een duidelijke tweeledigheid: het opperhof beperkt zich tot de rijzige vierkante toren in donkere steen, met kruisramen, een leien schilddak en dubbele schoorsteen, gebouwd in het verbreed gedeelte van de gracht ten westen van het burchteiland. Dit eiland vormt zelf het neerhof met enkele boerderij gebouwen en een waterput. Twee van deze gebouwen hebben geen dak, misschien een reminiscentie aan de bovenvernoemde oorlogsschade. Het isolement van de toren ten opzichte van het neerhof wordt nog geaccentueerd door de stenen muur tussen beide, enkel doorbroken door een houten brug naar de eerste verdieping van de toren. Ondanks het enigszins afwijkend uitzicht van de toren, presenteren beide tekeningen ons eenzelfde imposant bouwvolume op vierkant grondplan. Dat de toren cirkelvormig is afgebeeld op een iets
oudere kaart maakt ons attent op de omzichtigheid die bij de interpretatie van figuratieve bronnen steeds is geboden (13).
Van fysiek naar kadastraal relict: van Rivieren in (kadaster)kaarten De onvolledige informatie over bouwkundige transformaties van de woontoren in archiefteksten is niet simpelweg te vertalen naar de toestand die wij terugvinden in cartografische bronnen. Net zoals de kaartboeken en tekeningen in opdracht van Karel van Croy prachtige gezichten bieden op de bezittingen van de Cray's, biedt de wandkaart (264 x 338 cm) die landmeter J.B. Joris in 1775 vervaardigde een rijke blik op het hertogdom Aarschot onder de Arenberg-familie, zijn opdrachtgevers. Door het andere opzet van het werkstuk krijgen wij nu informatie over de lay-out van het domein van Rivieren, maar dit gaat ten koste van details van de afgebeelde gebouwen. Een ongeveer gelijktijdige blik op het domein wordt gepresenteerd in de welbekende Kabinetskaarten opgemaakt door graaf de Ferraris (14).
Uittreksel uit de primitieve kadasterkaart, 1822 (k.iiiastrr lirdbanl
Brussel)
IVI&L I 29
Uittreksel uit de primitieve kadasterkaart, 1866/1869 (kadaster Brabant, Brussel)
2 • f *?'
r O
\
"1 v. • '','1.-'
"
•
IK. \
\
ËS
Uittreksel uit de primitieve kadasterkaart, 1889 (kadaster Brabant, Brussel)
H.LLHCzeil
.
l.\
3*
•-•
fSb
t'l 1.1 (•!.
30 1 M L
\
n
N (\
In grote lijnen geven beide documenten eenzelfde situatie weer: binnen de nog bestaande cirkelvormige gracht is de toren - het rechthoekige bouwblok aan de zuid-zuidwestzijde - in termen van bouwvolume niet langer het dominerende element: de toren wordt duidelijk overschaduwd door een nieuw, noordwest-zuidoost georiënteerd gebouw, dat door middel van een stenen muur is verbonden met de brug over de neerhofgracht. De brug zelfheeft ondertussen een versteningsproces doorgemaakt. Verder liggen een aantal gebouwen verspreid over het neerhof. Een voor de hand liggende identificatie van dit nieuwe gebouw is de al genoemde lusthof van Charles Henry Dirix de Bretel. De donjon blijkt fysiek nog aanwezig (zij het niet langer geïsoleerd in het water), maar waarschijnlijk in een gereduceerde versie: het afbraakmateriaal van het kasteel waarvan sprake in het getuigenis van 1772 zou ons inziens kunnen verwijzen naar (afbraak?)werken aan de donjon. Met de kadasterkaarten beschikken wij voor van Rivieren vanaf het begin van de i9 de eeuw in principe over accuratere, maar weliswaar minder kunstzinnige, informatiebronnen. Net zoals in de kaarten van Joris en de Ferraris is in de primitieve kadasterkaart van 1822 de tweeledigheid van opperen neerhof quasi volledig verdwenen. Deze indeling is enkel nog weerspiegeld in een stukje kadastrale grens tussen een T-vormig gebouw en het kadastrale relict van de ophaalbrug naar het neerhof. Dit T-vormig gebouw komt in grondplan volledig overeen met de archeologisch geregistreerde funderingen in Gobertange- en baksteen, maar ontbreekt als dusdanig in beide bovenvernoemde kaarten. Deze discrepantie is wellicht te wijten aan de minder nauwkeurige terreinopmeting/-registratie voor de opmaak van de kaarten van Joris en de Ferraris. Of het kasteel in 1822 nog was bewoond is niet zeker. Luidens een vaststelling van een inspecteur van het kadaster in 1830 is, op het ogenblik dat een 'buitenplaats' wordt gebouwd, het kasteel zelf in elk geval onbewoond. De inspecteur geeft nog mee dat het kasteel in de 'nieuwe bouwtrant' was gebouwd. De mutatieschetsen van het primitief kadaster voor de jaren 1866 en 1869 getuigen voor de laatste
maal van het T-vormig gebouw - de getransformeerde donjon - als bouwkundig relict. In 1866 laat de weduwe van Frangois Tahon de la Motte namelijk het gebouw afbreken om 50 m oostwaarts een nieuw landhuis op te trekken. Ook de kadastrale indeling binnen de cirkelvormige omgrachting, die op zijn minst perceelsgewijs nog steeds herkenbaar bleef, gaat verloren. Als laatste herinnering aan de donjon blijft wel een vierkante uitsprong aan het ronde perceel. Ook de ophaalbrug naar het neerhof is nog steeds kadastraal herkenbaar. Ook deze laatste kadastrale relicten gaan uiteindelijk verloren. Nadat hij in 1877 als schenking het kasteel van baron Jean de Surmont de Volsberghe in handen had gekregen, liet Oscar van den Eynde de Rivieren als laatste kasteelheer rond 1885 het kasteel in zijn huidige vorm verbouwen. Deze finale transformatie is ook gedocumenteerd in een kadastrale opmetingsschets voor het jaar 1889: het landhuis van weduwe Tahon de la Motte is volledig verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor het huidige kasteel. De kadastrale afdruk van het middeleeuwse domein, tot 1889 quasi perfect bewaard, is volledig van de kaart geveegd en het ganse domein is herverkaveld tot één groot perceel.
De convergentie van de bronnen Idealiter vullen de gegevens uit de verschillende soorten bronnen elkaar aan en krijgt de onderzoeker op die manier een vollediger zicht op zijn onderzoeksobject. Probleem voor de toren te Gelrode is dat de bronnen ofwel één fase uit het leven van het gebouw belichten (de gouaches), ofwel impliciete/expliciete referenties naar de toren bevatten die ons door hun beknoptheid op onze honger laten zitten (de archiefbronnen). Voor ons onderwerp betekent dit dat de toren in zijn 16*' eeuwse versie is overbelicht ten nadele van de bouw en eventuele transformaties in voorafgaande eeuwen, die quasi onbelicht blijven; vanaf de i7de eeuw is het zicht op de toren, hoewel soms opgenomen in allerlei kaarten, onderbelicht. Het artistieke aspect inherent aan de gouaches noopt bovendien tot de nodige voorzichtigheid over het effectieve uiterlijk van de toren. De verschillen tussen beide gouaches illustreren dit overduidelijk.
Welke bijdrage levert de archeologische registratie aan onze kennis van het bouwwerk? Voor de eerste maal bezitten wij nu eerstehands informatie over bepaalde bouwkundige kenmerken, en kunnen wij daarenboven op basis van de bewaarde resten gefundeerde suggesties doen met betrekking tot de verdwenen bovenbouw. Het vierkante grondplan van de toren is nu definitief geconfirmeerd. Bovendien maken de geregistreerde dimensies duidelijk dat het bouwwerk behoort tot de koplopers van dit bouwtype in Brabant en Limburg (15). Indien de gouaches nog ruimte boden voor twijfel over de gebruikte steensoort - de grijze inkleuring van de toren (en sommige andere gebouwen) liet het gebruik van lokaal ontgonnen ijzerzandsteen veronderstellen - dan kan nu redelijkerwijze worden gesteld dat de volledige hoogte van de constructie in bekapte Gobertangeblokken was uitgevoerd. Het feit dat de fundering en de aanzet van het opgaande muurwerk exclusief uit deze witte, voor het Hageland exotische kalkzandsteen zijn opgetrokken, laat toe te veronderstellen dat dit over de gehele hoogte het geval was. Het gebruik van banden ijzerzandsteenblokken als decoratieve accent in het opgaande muurwerk is natuurlijk niet uit te sluiten. Het archeologisch onderzoek heeft ook aangetoond dat de toren, waarvan de muurparementblokken vanaf de fundering zeer zorgvuldig waren bekapt, door een netwerk van ruwweg 1000-1500 elzenhouten palen werd gedragen. Een goede indicatie van de verticale druk die de torenmassa hierop uitoefende, levert de schatting dat alleen al het onderste deel van de fundering, i.e. de drie getrapte lagen Gobertangeblokken, zowat 60 ton weegt. Uitgaande van het soortelijk gewicht/dichtheid van Gobertangesteen, de gekende torendimensies én een geschatte hoogte van 15 m, zouden de palen een gewicht van om en bij de 2700 ton hebben gedragen. Van de kelderverdieping weten wij nu ook dat zij was voorzien van een houten plafond, een niet zo veel voorkomend fenomeen (16). De hoekafschuining verraadt dan weer de aanwezigheid van een spiltrap naar de hogere verdiepingen. De archeologische kijkvensters op het bodemarchief waren te klein (17) om een betekenisvolle bijdrage te kunnen leveren aan de lay-out van de burchtsite met opper- en neerhof zoals wij die in de iconografische en kadastrale bronnen zien evolueren tussen 1596-1597 en 1889. Dezelfde algemene schikking van een woontoren in een verbreed gedeelte van de gracht vinden wij ook terug op de nagenoeg intact gebleven burchtsite van toren Terheyden te Rotselaar (hier op kruisvormig grondplan).
Het archeologisch onderzoek kon wel een fractie van een gebouw documenteren dat ogenschijnlijk niet in de iconografische bronnen voorkomt. Behalve de vaststelling dat dit gebouw op ijzerzandsteenfunderingen mee opgenomen werd in de omvorming van de woontoren van vrijstaand gebouw tot onderdeel van een groter complex, lijkt dit gebouw ook al vóór deze transformatie functioneel aan de toren te relateren. Immers, de 'muurverdikking' met halfronde pilaster sluit perfect aan op de torengevel tussen de afgeschuinde noordhoek en de oosthoek, m.a.w. precies dit deel van de toren waar de gouaches de toegang situeren. De identificatie van het iconografisch ongeattesteerde gebouw als een soort poortgebouw van de woontoren lijkt dan ook niet te ver gegrepen. Nog een stap verder gaat de suggestie (18), gebaseerd op de aanwezigheid van herbruikmateriaal in de fundering, dat het poortgebouw misschien is opgetrokken met bouwblokken van een 'voorgangerwoontoren' in ijzerzandsteenblokken, die werd ontmanteld bij de bouw van de nieuwe toren in streekvreemde kalkzandsteenblokken. Een andere kanshebber is natuurlijk ook de in 1261 vermelde slotkapel. De 13d1 eeuw past in elk geval mooi in de bloeiperiode van het gebruik van ijzerzandsteen voor zowel burgerlijke als religieuze bouwprojecten.
Uit de archiefbronnen is gebleken dat er zeker al in 1267 een kasteel te Rivieren bestond. Wanneer precies dat i3d'-eeuwse kasteel is gebouwd en wat zijn uitzicht was, valt niet meer te achterhalen. De afwezigheid van een motte wijst op een bouw ten vroegste in de loop van de i3de eeuw. De donjon van de burcht van de heren van Rotselaar (einde i2de-begin 13d1' eeuw) was nog op een hoge motte gebouwd (19). De Maagdentoren in Zichem, laatste kwart i4 d ' eeuw, de donjon van Horst, eerste kwart i5de eeuw, en de toren Ter Heiden in Rotselaar, midden i4 de eeuw, zijn dat niet meer (20). Dit gegeven, het feit dat de familie zich rond 1260 'Van Rivieren' noemt - kennelijk naar de Demer vlakbij het kasteel -, en het feit dat een kasteel met privé-kapel beantwoordt aan de status van heer, dominus, die precies rond 1267 wordt erkend, doet ons besluiten dat het eerste kasteel is gebouwd kort voor 1260. Voor een datering van de archeologisch geregistreerde woontoren beschikken wij, bij gebrek aan gestratifieerde vondsten of een dendrochronologische datering van de houten funderingspalen, enkel over de bewaarde bewerkingssporen van de zorgvuldig gehouwen witte kalkzandsteen uit Gobertange (21). Het middengedeelte van het bewerkte steenoppervlak vertoont verticale ingesneden parallelle lijnen. Dit zijn de sporen van de steenbijl, een werktuig dat
werd gebruikt van de I2de eeuw tot het midden van de i5de eeuw. Op de rand van het bewerkte steenoppervlak werd een zeer fijne randslag met de beitel aangebracht. Deze fijne randslag heeft ook dateringswaarde: hij laat toe om de toren te dateren, niet vóór het midden van de i5dt eeuw, maar vóór 1400-1420. Dat betekent dus dat een datering in de i3de of in de i4 de eeuw mogelijk is. Het is voorlopig echter niet mogelijk om een meer precieze datering voor te stellen. Mottes zijn al op de teruggang in de i3de eeuw zodat een toren die rechtstreeks in het water staat zowel in de 13d' eeuw als in de i4 d ' eeuw kan voorkomen. Of de teruggevonden donjon overeenkomt met het schriftelijk geattesteerde kasteel van de i3de eeuw blijft een open vraag. De iconografische bronnen leveren geen meerwaarde in deze dateringsproblematiek, maar bieden wel een interessant snapshot van de toren in zijn i6 de eeuwse versie.
De woontoren als middeleeuws bouwtype: residentiële en defensieve verticaliteit
mogelijk om op basis van de toch nog relatief schaarse gegevens over deze woontoren te oordelen of het hier gaat om een versterkte woning, een maison forte, of om een niet-versterkte woning of maison plat, om de terminologie te gebruiken van Jacques de Hemricourt, een i4de-eeuwse ridder die ons als middeleeuwse ooggetuige zeer precieze informatie verschaft over de defensieve kwaliteiten van een aantal woontorens in Haspengouw (26). Zoals reeds vermeld behoort onze toren met zijn buitenafmetingen van 10,06 x 10, 06 m en zijn muurdikte van 2,10 m tot de grotere woontorens in Brabant en Limburg. Woontorens met gelijkaardige afmetingen bestaan nog te Groot-Bijgaarden, Millen (ook alleen de funderingen) en te Rutten (woontoren van het kasteel van Hamal) (27). De vrijgelegde kelder was klaarblijkelijk niet overwelfd: drie pilasters aan de binnenzijde tegen de noord- en zuidmuur dienden waarschijnlijk ter ondersteuning van evenveel moerbalken van een houten plafond. Houten plafonds komen nog voor, maar dan vooral in de huidige provincie Limburg (het vroegere graafschap Loon, op het einde van de i4d!! eeuw toegevoegd aan het prinsbisdom Luik). Ook in Wallonië zijn houten plafonds in de kelder zeldzaam (28).
Voor een definitie van het concept woontoren kunnen we handig gebruik maken van de omschrijving die Vermeiren formuleerde bij de start van een inventarisatieproject van donjons in De keldermuren van de woontoren van Rivieren Wallonië: "een middeleeuwse adellijke woonst, geheel of zijn te ver afgebroken om iets met zekerheid te gedeeltelijk in harde bouwmaterialen en gekenmerkt kunnen zeggen over de plaats en aantal van de door een opeenstapeling van vertrekken vanuit een normaal te verwachten lichtspleten. Gezien de behoefte aan bescherming en vanuit een bekommernis aanwezigheid van de stenen pilasters lijkt het om de superieure status te symboliseren" (22). Hierin logisch te veronderstellen dat de lichtspleten zich zijn de drie essentiële karakteristieken vervat die waarschijnlijk enkel in de oost- en/of de westmuur Doperé en Ubregts drie jaar eerder in hun studie zullen hebben bevonden. Op de gouache van 1596van donjons in Vlaanderen al hadden aangehaald, 1597 komen wel drie kleine lichtopeningen voor in met name het adellijke, het residentiële en het de zuidmuur. Dit is veel meer dan wat men in de defensieve aspect (23). nog bestaande woontorens waarneemt. Daarom durven wij ook twijfelen aan de correctheid van dit gegeven. De woontoren of donjon is de kleinste burchtvorm die bestaan heeft. Maar men vindt er dan wel alle basiselementen van een grote middeleeuwse burcht in terug: de turns (de woontoren zelf), de aula (normaal de grote zaal van een kasteel, hier het ontvangstniveau), de camera (het privé-vertrek van de kasteelheer) en de capella (de kapel, kan zich ook beperken tot een in de muurdikte uitgespaarde diepe nis) (24). De bewoonbare niveaus zijn op elkaar gestapeld tot een toren. Dit is echter geen comfortabele bewoningsvorm. Om het middeleeuws fenomeen van de woontoren te begrijpen moet men er ook rekening mee houden dat defensieve kenmerken (schietgaten en de weergang bovenaan) en de intrinsieke symboliek van macht geassocieerd met alle gebouwen die in de hoogte werden uitgebouwd, een rol zullen hebben gespeeld als de kasteelheer besloot om aan zijn woonst een torenvorm te geven (25). Het is ons echter niet
De muren zijn overal even dik waardoor het uitgesloten is dat een rechte steektrap in één van de muren zou zijn aangebracht. De schuine binnenmuur in de noordoostelijke hoek wijst er integendeel wel met zekerheid op dat in die hoek een wenteltrap was uitgespaard, die mogelijk echter alleen het gelijkvloers met de andere woonverdiepingen verbond omdat er geen sporen van een deuropening in de kelder te zien zijn. Dit is ook zo in de woontorens van Diepenbeek, 's-Gravenwezel, Laarne, Meldert, Oetingen en Zichem (29). Het is wel opvallend dat de gouache van 1596-1597 op de plaats van de wenteltrap misschien echter toevallig slechts één kleine lichtspleet vertoont. Indien dit document verder bij benadering correct zou zijn (wat echter niet meer kan worden geverifieerd), dan zou de woontoren boven het kelderniveau nog vier verdiepingen
hebben gehad: de ontvangstruimte op het gelijkvloers met de enige mgang aan de kant van het neerhof, een residentieel niveau op de eerste verdieping, een nachtelijk niveau en een weergang met kantelen en zolder. Hoewel deze schikking wel normaal is voor een grote woontoren willen wij hier niet verder in detail gaan omwille van de onzekerheid over het aantal correct getekende vensters. De afwezigheid van een vierkante verticale koker in het bestaande muurwerk sluit uit dat de latrine in de muurdikte zou zijn aangebracht. Daarom kan men ook met zekerheid stellen dat de latrine aan de buitenkant op twee consoles rustte, waarschijnlijk op de eerste en/of tweede verdieping. Volgens het archeologisch onderzoek zou dit aan de noordmuur zijn geweest, wat niet in tegenspraak zou zijn met de reeds vermelde gouache.
Petrified power: de woontoren als statussymbool voor landadel De verticaliteit van de woontoren maakte dit bouwtype als het ware de burgerlijke tegenhanger van de kerktoren. De keuze voor een toren weerspiegelt treffend de hiërarchische structuur van de toenmalige landelijke samenleving: de dominantie van respectievelijk kerkelijke en burgerlijke gezagdragers over de boerenbevolking werd bouwkundig vertaald in twee types van torens die het rurale landschap domineerden. De Betecum-gouache in de Albums geeft een mooi beeld van goddelijke en adellijke macht: het idyllisch Demerlandschap ligt beschermd en bewaakt aan de voeten van zowel de woontoren van Gelrode als de kerktoren van Betekom. En de boodschap wint vanzelfsprekend aan kracht dankzij de galgen met gehangenen op de voorgrond. Gepaard met een uitstraling van macht ging ook een etaleren van status, welvaart en verfijning. Behalve door het gebouwtype op zich werd de status van de bouwheer nog meer in de verf gezet door de opbouw in bleke en streekvreemde kalkzandsteenblokken uit Gobertange in een donker ijzerzandsteenlandschap. Alleen al de aanvoer over water van de steenblokken vanuit de streek tussen jodoigne en Hoegaarden terwijl ijzerzandsteen lokaal kon worden gewonnen, geeft een idee van de moeite die de heer van Rivieren zich kon getroosten om zijn
boodschap over te brengen. Dit bouwwerk getuigt niet louter van de aanwezigheid, maar ook van de duurzaamheid én de ambities van de lokale heer en zijn familie (30).
Epiloog De eigenaar van het kasteel ten tijde van de archeologische opgraving had ook zo zijn eigen ambities. Zijn opzet was de woontorenresten open te laten liggen voor de bezoekers van de Bed e[ Breakfast die hij wilde inrichten in het kasteel. Omdat een degelijk beheersplan voor de woontorenresten ontbrak, opteerde het agentschap Onroerend Erfgoed daarentegen voor een herafdekking van de gebouwresten om een versnelde degradatie tegen te gaan. Als voorbeeld van een specifiek middeleeuws bouwtype verdient het relict zeker verdere bescherming. Bovendien biedt het kasteelpark in zijn huidige toestand de mogelijkheid om met nietdestructieve archeologische onderzoekstechnieken de grachten en andere constructies van het complex te lokaliseren en op die manier de woontoren contextueel te kaderen in het middeleeuws domein waarvan hij deel uitmaakte (31).
Dirk Pauwels is erfgoedconsulent archeologie bij het agentschap Onroerend Erfgoed. Frans Doperé is onafhankelijk onderzoeker middeleeuwse architectuur en steenbewerking. Bart Minnen is historicus en bestudeert verschillende aspecten van de geschiedenis van Oost-Brabant.
Eindnoten (1)
PAUWELS D., Status in steen. De middeleeuwse woontoren van de heer Van Rivieren. Een archeologische registratie hij het kasteel 'Van Rivieren' aan de Demer te Gelrode (gem. Aarschot, prov. Vlaams-Brabant), Intern Rapport VlOE, 2010.
(2)
DENEEF R., De Demervallei tussen Aarschot en Werchter. in Monumenten en Landschappen. 1984. 3/5. 6-19 (deel 1) en 3/6.43-54 (deel 2); VERVOORT L en DENEEF R.. De meander van Vorsdonk en de Turfputten te Gelrode (Aarschot) - een historische en ecologische verkenning, in Monumenten en Landschappen. 1996,15/5. p. 39-62. Tenzij anders vermeld wordt voor dit tekstdeel verwezen naar D'ARSCHOT SCHOONHOVEN G.. Les d^Arschots Schoonhoven des origines a 1600. Brussel. 1955: EVRARD Y.M.. Les terres d'Aerschot. de Grez et deJodoignejusqu'au déhut du XlVe siècle (onuitg. lic). ULBrussel, 1970; en VAN ER-
(3)
Binnenkrant Nr. 171 Bijlage bij M&L31/1 jan.-feb. 2012
Vogelzang Le Cretletei. Monument ter ere van het yde Linieregiment, dat enkele dagen stand hield aan de Uniebrug tijdens de slag van de IJzer van ij tot 23 oktober 1914 en dat meevocht in Lombardszijde op 4 november 1974. Het ontwerp is van de hand van architect A. De Mol en beeldhouwer E. Vereycken
Oscar Niemeyer, Affonso Eduardo Reidy, Carlos Leao en Rino Levi behoorden, die de Braziliaanse architectuur na de Tweede Wereldoorlog wereldwijd op de kaart zetten. Het beginpunt en een mijlpaal in deze evolutie was het spraakmakende Minis-
Ö
terie van Onderwijs en Gezondheid in Rio, in 1938 ontworpen door onder meer Costa, Reidy en Niemeyer samen met Le
o;
Corbusier, waarbij Burle Marx instond voor de tuinen. Dit gold
Jo Bracken
van dan af voor tal van belangrijke bouwprojecten in het hele
Ö •rH
land, zoals Niemeyers Pampulha in Belo Horizonte, het Itamaraty-paleis en het Ministerie van Justitie in Brasilia. Zijn tuinen,
DE KEUZE VAN M&L
PQ
die zich onderscheidden door hun sculpturale kracht en de kleurenpracht van de tropische vegetatie, vormden het ideale • Roberto Burle Marx
complement van deze sensuele architectuur van het zuivere
The Modernity of Landscape
volume, de klare lijn en de heldere kleur. Tot zijn bekendste
Lauro Cavalcanti, Fares El-Dahdah en Francis Rambert (red.)
werken behoren verder de zes patiotuinen voor de door Ber-
Barcelona en Parijs, Actar en Cité de ('architecture &, du
nard Zehrfuss ontworpen uitbreiding van het Unesco-gebouw
patrimoine / Institut frangais d'architecture, 2011, 344 p., ISBN
in Parijs, en de kilometers lange parkaanleg van het Aterro do Flamengo en de Avenida Atlêntica - de strandboulevard van
978-84-92861-67-5
Copacabana - in Rio. De catalogus omvat een tiental essays en Monografie over de Braziliaanse landschapsarchitect Roberto Burle Marx (1909-1994), gepubliceerd naar aanleiding van de belangrijke overzichtstentoonstelling in Parijs [Cité de I'architecture didu patrimoine, 2011), die als ondertitel La permanence de Unstable meekreeg. Deze tentoonstelling werd
twee vraaggesprekken, die ingaan op de biografie, de betekenis en de belangrijkste aspecten van het werk van Burle Marx, aangevuld met drie nooit eerder vertaalde eigen geschriften, en een prachtige fotodocumentatie, talrijke ontwerptekeningen en reproducties van zijn schilderijen.
samengesteld naar aanleiding van het honderdste geboortejaar van Burle Marx in 2009, en was eerder te zien in Rio de Janeiro, Sao Paulo en Berlijn. De oorspronkelijke catalogus {Roberto
Voor alle reacties: Jozef.Braeken@rwo.vlaanderen.be
Burle Marx TOO anos. A Permanência do instavel, Editora Rocca
De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het
Ltda, 2009) werd in de huidige uitgave aangevuld met enkele
Agentschap Onroerend Erfgoed, Koning Albert U-laan 19
bijkomende essays. Roberto Burle Marx ontplooide een veel-
bus 5,1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
zijdige carrière als landschapsarchitect, schilder, beeldhouwer, decorontwerper, tekenaar en graficus, maar geldt vooral als één van de belangrijkste vernieuwers van de tuinkunst en het landschapsontwerp in de 20ste eeuw. Geboren in Sao Paulo, vestigde het gezin zich in 1918 in Leme bij Rio de Janeiro, waar de jonge Roberto intens bevriend raakte met zijn zeven jaar oudere buurman Lücio Costa, later de hoofdarchitect van de nieuwe hoofdstad Brasilia. Tijdens een langdurig verblijf in Ber-
Beschermingen
lijn vanwege een oogbehandeling tien jaar later, ontdekte hij in de botanische tuin van Dahlem de collecties Braziliaanse flora,
r
die zijn eerdere interesse voor inheemse planten verder aanscherpte. Terug in Brazilië
Dirk Pauwels
startte hij een kunstopleiding in Rio de Janeiro, en leverde in 1932 zijn eerste tuinontwerp voor de woning Alfredo Schwartz in Copacabana, een modernistische villa door Costa en Gregori Warchavchik. Het was het begin van een vruchtbare loopbaan als volwaardig partner van de jonge garde van vernieuwers waartoe ook
CROTE-SPOUWEN (BILZEN), BLONDESWINNINC Op 24 augustus 2011 werd de Blondeswinning, gelegen Sapstraat 25 in Grote-Spouwen, definitief beschermd bij Ministerieel Besluit. De bescherming maakt deel uit van de geografische selectie van erfgoed in het kanton Bilzen. De motivatie van de bescherming van het monument omvat een historische en een sociaal-culturele waarde. De historische waarde ligt in de aanduiding van dit belangrijke gesloten hoevecomplex op de Ferrariskaart (1771-1777) en in de Atlas van de
Paemen' en afgebakend door de Sapstraat, de Grammestraat en de Schoolsteeg. Restanten van de oorspronkelijke meidoornhaag bleven bewaard aan de kant van de Grammestraat. Aan de zijde van de Schoolsteeg bleven de resten behouden van de oorspronkelijke holle weg, met nog gedeeltelijke begroeiing van bramen en rozen. Het meest noordelijk gelegen perceel is aan de kant van de Sapstraat en deels ten noordoosten ommuurd. De nu leegstaande Blondeswinning zal door de sociale huisvestingsmaatschappij Cordium worden opgeknapt en verbouwd tot sociale woningen. Een nieuwe toekomst is
Grote Spouwen, situatie in 1999 (foto Ruimte en Erfgoed)
hierdoor gegarandeerd.
Buurtwegen (1841-1846). De architectuurhistorische waarde Is
Bibliografie
vervat in de afleesbare kern uit de i7 de eeuw en de verdere uit-
- PAUWELS D., dossiernr. DL2586, Hasselt, Vlaamse Overheid, Onroe-
bouw van het geheel In de loop van de tweede helft van de i8 de en de eerste helft van de i9 de eeuw. De sociaal-culturele waarde
rend Erfgoed - Limburg, 2011. - SCHLUSMANS F., Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het
wordt bepaald door de typologie van de vlerkantshoeve, die
cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 1411 3. Provincie Limburg. Ar-
In hoge mate het dorpsbeeld van Grote-Spouwen kenmerkt.
rondissement Tongeren. Kantons Bilzen - Maasmechelen, Turnhout,
Dit imago is karakteristiek voor het overgangsgebied tussen
1996, p. 83.
Droog- en Vochtig-Haspengouw. De onmiddellijke omgeving van de hoeve werd als dorpsge-
Rita Steyaert
zicht beschermd omwille van de historische waarde van het landbouwareaal, dat in de i8 de eeuw nog gedeeltelijk bestond uit akkerland en nog niet volledig door boomgaarden was in-
ANTWERPSE OORLOGSMONUMENTEN
genomen. De hoeve is een illustratie van een gemengd bedrijf, een type dat in de i8 de eeuw nog primeerde en in de volgende
Vlaams Minister Geert Bourgeois besliste op 13 december 2011
eeuw evolueerde naar een veeteeltbedrijf, waarbij weiland,
om negentien oorlogsmonumenten in de provincie Antwerpen
eveneens benut als boomgaard, een groter deel van de grond
voorlopig te beschermen als monument.
in beslag begon te nemen. De hoeve van bak-, kalk- en mergel-
De impact van de 'Groote Oorlog' heeft vooral de aard en
steen bestaat uit een poortgebouw met twee rondboogpoorten
het uitzicht van de Westhoek bepaald, maar ook elders in
ten noordwesten, een woonhuis ten zuidoosten, stallingen ten
Vlaanderen is de herinnering aan beide wereldoorlogen alom
noordoosten en een dwarsschuur met smeedijzeren muuran-
tegenwoordig en elke gemeente heeft wel een of meerdere ge-
kers en twee rondboogpoorten ten zuidwesten, waarbij alle
denktekens. In het verleden werden in de provincie Antwerpen
elementen geschikt zijn rondom een gekasseide binnenkoer.
veertien gedenktekens beschermd als monument, daarnaast
Het bakhuis verdween na 1841-1846.
zijn er een aantal die behoren tot een beschermd landschap of een dorpsgezicht.
Het terrein van de beschermde site komt overeen met de historische begrenzing van de landbouwbiotoop, genaamd 'Aen
Het huidige voorontwerp voor de provincie Antwerpen omvat een aanvullende selectie van oorlogsmonumenten verzameld
Grote Spouwen, situatie in 2002 (foto Ruimte en Erfgoed)
met gegevens uit de inventaris van het bouwkundig erfgoed, opzoekingen via internet en materiaal verstrekt door diverse gemeenten, aangevuld met plaatsbezoeken. Volgens de waarden van het decreet en aan de hand van de gebruikelijke criteria werd een lijst samengesteld van beschermenswaardige oorlogsmonumenten in de provincie. Naast een evidente historische waarde hebben de gedenktekens een sociaal-culturele waarde als uiting van de behoefte om een collectief trauma te materialiseren, ze behoren vaak tot het artistiek oeuvre van een kunstenaar en werden centraal opgesteld in de dorpskernen, omwille van verkeerstechnische of andere redenen werden de monumenten soms verplaatst. Op de meeste gedenktekens, opgericht tijdens het Interbellum ter herdenking van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, werden na 1944 de namen toegevoegd van de gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog.
QJ
Enkele voorbeelden
De selectie omvat drie monumenten in Mechelen, alle het
Om praktische redenen werden de monumenten verdeeld over
werk van Mechelse kunstenaars. Tegenover het station van
vier dossiers: monumenten in de stad Antwerpen, in de stad
Nekkerspoel in Mechelen herinnert het monument van de
Mechelen, verspreid over de provincie en daarnaast de nog
weggevoerden van de Eerste Wereldoorlog door Jef Van Gooien
niet beschermde gedenktekens naar ontwerp van beeldhouwer
aan de zogenaamde werkonwillige arbeiders die naar Duitsand
Floris De Cuyper.
werden gebracht en ook aan de vele joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog van hieruit werden gedeporteerd. Het mode
•rH
In Antwerpen behoort het monument ter ere van het 7 Linie-
nument op het Sint-Romboutskerkhof is het werk van Ernest
regiment tot het oeuvre van Edouard Vereycken die ook monu-
Wijnants, dat op de stedelijke begraafplaats is van de hand van
menten ontwierp voor Nieuwpoort en Brussel. De decoratieve
Boudewijn Tuerlinckx.
reliëfs op het monument verwijzen naar belangrijke feiten in de geschiedenis van het regiment dat deelnam aan de Slag bij
Het oorlogsmonument op de Vrijheid in Arendonk werd ont-
de IJzer in 1914. Kenmerkend voor het werk van de kunstenaar
worpen door Alfred Courtens en is een van de eerste monu-
zijn de beelden van wakende soldaten aan beide zijden van het
menten die in ons land werden opgericht (1919) met giften van
gedenkteken.
particulieren. Het gedenkteken in Balen werd, zoals vele ande-
Het imposante gedenkteken aan de Koninklijkelaan in
re, verplaatst. Het behoort tot het oeuvre van Jules Bernaerts,
Berchem is het werk van architect Emiel Van Averbeke en
een veelzijdig kunstenaar die meerdere oorlogsgedentekens
beeldhouwerJosué Dupon. De hoge pijler bekroond meteen
ontwierp. Het monument op het Sint-Bavoplein in Boechout
plastische bronzen beeldengroep refereert aan de figuren van
van bouwmeester Frans Van Dijk en beeldhouwer Jules Weyns
Medusa, Pegasus en Athene Nikè aan de Griekse mythologie
is een combinatie van een stenen Heilig Hartbeeld, een bron-
als allegorie van de gewapende vrede. Verder werden in Ant-
zen beeldengroep en een bronzen medaillon met de afbeelding
werpen de monumenten opgenomen op de begraafplaatsen
van het koningspaar Albert I en Elizabeth. Dit motief komt ook
in Berchem en Deurne (Silsburg), respectievelijk werk van
voor bij het monument in Brasschaat van architect Eugene
Alfons De Cuyper en Frans jochems, deze laatste was ook de
Geefs en beeldhouwer Georges Collard waarbij in een archief-
ontwerper van het andere oorlogsmonument in Deurne nabij
stuk vermeld wordt dat de koning en de koningin als voorbeeld
het Sterckxhof.
staan voor alle patriottische deugden. In Grobbendonk werd de dorpspomp van 1877 in het centrum van de gemeente omgevormd tot oorlogsmonument. Evenals in Balen werd het
Oorlogsmonument aan de Koninklijkelaan in Berchem van E. Van Averbeke en J. Dupon met symboliek ontleend aan de antieke mythologie (foto R. Steyaert)
monument in Herenthout verplaatst en kreeg het een aangepaste omkadering. Het sobere gedenkteken aan de Zandberg in Westerlo werd opgericht op de plaats waar enkele adellijke Belgische militairen sneuvelden tijdens een verkenningstocht op 5 september 1914. In het gezamelijke werk van Floris De Cuyper, stichtend voorzitter van kunstkring Streven, lid van de kunstkring De Scalden en verbonden met de Pelgrimbeweging, nemen de oorlogsmonumenten een aparte plaats in: zij gaan de periode van zijn groots opgevatte en artistiek juist verantwoorde werken vooraf.
Oorlogsmonument aan de Liersesteenweg in Mortsel, ontworpen door Floris De Cuyper (foto R. Steyaert)
De kunstenaar tracht op een eenvoudige maar begrijpelijke
Sigmar Polke in de Crossmünster (2006-2009) in Zurich en
wijze de heldendaden van de gesneuvelden levend te houden.
Robert Morris in de Saint Pierre (1996-2002) in Maguelone.
Ze zijn romantisch van uitwerking, maar ook verschillend van
Alle dimensies, zoniet de hele problematiek, die zich rond he-
opvatting en vaak monumentaal van voorstelling zoals het
dendaags glas-in-lood stellen, werden op internationaal niveau
reeds vroeger beschermde monument van Turnhout. Na de ge-
naar voren gebracht, zeker wanneer naar aanleiding van een
denktekens van Turnhout en Mol worden nu de door De Cuy-
vraag, het raam van Gerhard Richter in de Dom (2007) van
per ontworpen monumenten van Duffel, Mortsel en Wijnegem
Keulen aan het rijtje werd toegevoegd. Zijn uiteenzetting be-
toegevoegd aan de lijst van beschermde monumenten. Waar in
sloeg de brede waaier gaande van de expliciete keuze voor be-
Duffel en Mortsel gevallen soldaten omringd worden door een
kende beeldend kunstenaars met weinig of geen ervaring met
engel met erekrans en palm of door een kind en een vrouwen-
glas-in-lood, over de inhoudelijke iconografische opdracht en
figuur met bloemenkransen, wordt in Wijnegem een soldaat in
feitelijke keuze van de thematiek, tot speciaal voor die ramen
uniform met geweer, bajonet en standaard afgebeeld.
in die kerk gemaakt glas gaande tot ramen zonder loodstrippen. Dat dit in een kort tijdsbestek niet diepgaand behandeld
Het beschermingsvoorstel kadert in de voorbereidingen van de
kon worden, was evident; de betekenis was vooral dat het veld
herdenkingen van 100 jaar Eerste Wereldoorlog in 2014 en wil
waarop we ons als colloquium-gangers de komende tijd zou-
op die manier de collectieve herinnering aan dit wereldconflict
den begeven, werd opengelegd. De erbij aansluitende lezing van Stefan Trümpler, directeur
bewaren.
van het Vitrocentre de Romont, riep ons - niet ten onrechte enigszins terug naar de realiteit: glas-in-loodramen steken in monumentale gebouwen en gaan als niet 'autonome kunstwerken' een relatie aan met het gebouw; ze dienen dat te doen en er dus rekening mee te houden. Hij nam ons mee langs een aantal kerken in Zwitserland en belichte de hedendaagse beglazingen die er hadden plaatsgevonden. Aldus werd het accent verlegd van de bekende kunstenaar die ramen ontwerpt naar de professionele glazenier die beter luistert naar zijn opdrachtgever en meer voeling zoekt met het gebouw of er zich gemakkelijker naar plooit. Evenals de voorgaande, kwam deze spreker uit bij Sigmar Polke in de Crossmünster. Alles samen scherpte
Daan Van Speybroeck
hij het genoemde veld dat het colloquium besloeg aan. Kortom het was een geslaagde start.
GLAZENIER EN/OF KUNSTENAAR, BEROERING
Hiermee was echter ook een zekere rivaliteit die bij heden-
verslag van het colloquium Le Vitrail Monumental
daagse beglazingsprojecten feitelijk aan de orde is, impliciet
-
creations de 7980 a 2010
binnengeslopen, namelijk deze tussen kunstenaar en glazenier.
Op 24 en 25 november 2011 vond in Le Vertbois in Luik een
moet ik zeggen werd een onderhuidse inzet van strijd die af
even boeiend als merkwaardig Internationaal Colloquium
en toe oprispte, daar 'kunstenaar' geen beschermde titel is, en
plaats met als titel: Le Vitrail Monumental - creations de 7980 ó
iedereen zich met zijn creatieve activiteiten kunstenaar mag
2010 (Monumentaal glas-in-lood - realisaties tussen 1980 en
noemen. Hier dieper op ingaan - mij realiserend dat dit pro-
Dit werd evenwel niet helder en was des te verwarrender, of
2010). Waar enerzijds een reeks inspirerende lezingen plaats-
bleem niet te beslechten is, zelfs misschien olie op het vuur
vonden, waren er anderzijds presentaties van beglazingspro-
zou gooien, maar hopelijk de thematiek van het colloquium
jecten die eerder aan een beurs deden denken, zij het dan
kon aanscherpen - had ik wenselijk gevonden, maar het kreeg
zonder stand maar vanachter het spreekgestoelte. Omdat dit
geen van beide dagen expliciete aandacht.
volgens mij - universitair medewerker in Nijmegen en daarom
De derde lezing die eerste ochtend stelde een raam van Kiki
misschien te streng en eenzijdig intellectueel oordelend - niet
Smith in de Eldridge Street Synagogue (2010) aan de orde, in de
de bedoeling van een colloquium kan zijn, dringt zich de vraag
lezing van Mary Clerkin Higgins - Amerikaans kunstenaar en
op of de sprekers wel voldoende scherp en met voldoende
conservator. Ze gaf aanleiding tot de meest geanimeerde dis-
kennis van zaken werden gerekruteerd. Dit had, zeker gezien
cussie van het hele colloquium, die zich ontspon rond de vraag
de internationale vijver waarin werd gevist, beslist adequater
naar de (gebrekkige) technische kwaliteit van het raam. Daaruit
gekund.
bleek dat het publiek eerder kwam uit de ambachtelijk-technische dan uit de artistieke hoek - waarbij ik me realiseer dat
De eerste dag begon veelbelovend met de lezing van Alexander
vele betrokkenen dergelijk onderscheid niet zouden accepteren
Streitberger, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain.
- met een getolereerde afwijkende schreeuw uit de diametraal
Meteen zette hij prestigieuze glas-in-loodprojecten op de kaart:
tegenovergestelde hoek: absolute vrijheid voor de kunstenaar.
Markus Lüpertz in de St. Andreas Kirche (2005-2010) in Keulen,
Maar gaat het bij ramen niet om beoogde duurzame projecten
Brugge, voormalige kapel van de kartuis, thans assisenzaal met glasramen van Michel Martens, 1983
in verzorgde en goed onderhouden monumenten, die nog eens veel (vaak gemeenschaps-)geld kosten? Dit leek even te worden vergeten. Over geld werd overigens nooit gesproken. Stilaan vroeg ik me af of ik vanuit een meer wetenschappelijke interesse niet in een voor mij verkeerd colloquium was verzeild. In de drie presentaties die erop volgden, van monumentaal glas-in-lood in Belgi, achtereenvolgens voor Wallonië door Isabelle Lecocq, voor Brussel door Diane de Crombrugghe en voor Vlaanderen door Madeleine Manderyck gebracht, werd wat de ramen betreft het kaf niet van het koren gescheiden. Madeleine Manderyck scheen dit, als laatste van de drie, goed aan te voelen en poneerde zich duidelijk als kunsthistoricus die voorzichtig de nodige nuances voor Vlaanderen wist aan te brengen.
Jerichow (Duitsland), kloosterkerk, glasramen Jochem Poensgen, 2009
1 ^m^ •• «* * •
....
::::
•B
tf^w
s -tó^r
Op donderdagmiddag volgde een reeks presentaties van eigen werk van Jochem Poensgen, zich aankondigend als onafhankelijk kunstenaar (Duitsland), van Thomas Denny, als meester-glazenier (Engeland), en van Flavie Serrière VincentPetit als meester-glazenier en ontwerper-producent (Frankrijk). Het werd eerder een inventarisatie die diverse tendensen in het glas-in-lood liet zien, respectievelijk abstract en vrij geometrisch, figuratief neigend naar niet beste stripverhalen, en inbreng van nieuwe, van andere dimensies en materiaal zoals voiles en verre bombé (sluiers in bol gemaakt glas). Steeds werd getracht om in te spelen op de bestaande situatie van het monumentale gebouw en het eventuele reeds of nog aanwezige glas-in-lood. Zelden echter gebeurde dit kritisch en diepgaand, weinig getuigend van afstand met betrekking tot de eigen werkwijze en inbreng - zodat er een enigszins vermoeiende sfeer van zelfingenomenheid binnensloop. Gelukkig werd deze reeks afgesloten, ik mag wel zeggen 'gered', door Jean-Dominique Fleury. Hoe de lezing in het programma aangekondigd werd, werkte enigszins verwarrend: waar als titel van de bijdrage 'Fleury, de schilder, de glazenier en de kunstenaars' stond, zou de lezing worden gehouden door Véronique David, medewerkster van Centre André Chastel (Frankrijk), en Jean-Dominique Fleury, verantwoordelijke voor het tijdschrift Monumental (Parijs). Ging het hier om een en dezelfde persoon 'Fleury', ofdoor de vorige lezingen stilaan wantrouwig geworden - kwam iemand een nauw familielid de hemel in prijzen, terwijl door de functies die de sprekers bekleden tegelijk de verwachting werd gewekt dat we op een meer beschouwend spoor zouden komen. Er is maar één Jean-Dominique Fleury, en hij maakte het waar. Na een aanloop als de vorige sprekers met eigen werk, viel zijn terughoudendheid op. Want al gauw liet hij zien hoe hij met kunstenaars - en niet de minste - had samengewerkt om zoniet overtuigende dan toch gedurfde glas-in-loodprojecten te realiseren: met Mare Couturier in Oisilly (1995), met Martial Raysse in Parijs (1998), alsook de zeer fascinerende ramen ontworpen of moet ik zeggen bedacht door Pascal Convert: portretten in kristal van patiënten in de tweede helft van de i9 de eeuw gefotografeerd door Charcot, en uitgevoerd door Jean-Dominique Fleury voor de kerk van Saint-Cildas-des-Bois (2009) en - als meest bekend - met Pierre Soulages in de abdijkerk in Conques (1995). Duidelijk werd wat een glazenier kan betekenen voor een kunstenaar die een opdracht krijgt ramen te ontwerpen! Daarom was de roep ook luid toen terloops werd gezegd dat er een filmpje bestond van het project voor de kapel van Sint Pieter in de kathedraal van Palma de Mallorca door de kunstenaar Miquel Barcelo, gerealiseerd door het atelier van Jean-Dominique Fleury. Het werd gedraaid en het was fascinerend te zien hoe de samenwerking verliep, waarbij Fleury niet verborgen hield dat het proces soms heel moeizaam, ja vervelend was verlopen, maar tegelijk allerlei methoden had bedacht en technieken had gevonden om op adequate wijze aan de verwachtingen, de eisen van de kunstenaar, kortom aan de noodzakelijkheden tegemoet te komen zonder daarbij zichzelf en zijn ambacht te verloochenen. Hier hadden kunste-
Het ontwerpen van de ramen blijkt gebaseerd op een grondige studie van de architectuur van Caudi: aan het overweldigende van het gebouw valt nauwelijks te ontkomen, respect en verantwoordelijkheid dringen zich op, en grote trouw aan dergelijk meesterwerk blijkt dan ook het antwoord te zijn van de kant van de glazenier. Het leek een schoolvoorbeeld te worden van hoe de glazenier zich met betrekking tot een monument dient te gedragen wanneer hij er ramen voor mag maken. Maar de spreker bracht zich op het einde van zijn verhaal als het ware zelfde doodsteek toe. Door een uitspraak van Caudi aan te halen, naar aanleiding van de opmerking dat hij het wel jammer zal vinden dat hij zijn kerk niet zelf kan afbouwen, waarin deze zegt dat er andere capabele mensen zijn die zijn bouwwerk kunnen vernieuwen en het zelfs meer grandioos zullen maken, verbrak Joan Vila Crau de sfeer die hij had weten op te bouwen. Die was door zijn ouderdom - zo werkt het nu eenmaal, althans in deze kringen - en door een zekere gebrekkigheid van zijn Frans, juist heel innemend en dit leidde af van wat hij intussen op het scherm aan ramen liet zien. Maar bij de genoemde afrondende opmerking kwam de ontnuchtering en doemde - althans voor mij - levensgroot de vraag op: maar als het zo zit, waarom geen hedendaagse kunstenaar van een even hoog niveau als Caudi gevraagd om met zijn ramen de Sagrada Familia nog grandioser te maken - waar Caudi zelf toch om vroeg? En naar de spreker toe: dit alles wetend, waarom heeft hij zich laten verstrikken in uitsluitend een vorm van
Abdij Conques, Raam van Pierre Soulages, 1995
trouw die zich uiteindelijk tegen de ramen en de verwachtingen van Caudi keert? Er was heel wat stof om over na te denken, om dit probleem te
naar en glazenier het beste uit elkaar naar boven gehaald. Daar
wikken en te wegen, en ook tijd want de er op volgende lezing
was iedereen het wel over eens: hoe moeizaam ook het proces
- van Douglas Hogg, kunstenaar en docent aan het College of
soms verliep, dit raakt gauw vergeten wanneer het resultaat
Art, Schotland - was meer van hetzelfde van hetgeen de mid-
telt, en dat deed het; dit mocht worden gezien!
dag ervoor aan presentaties van eigen werk ons had gebracht.
Nog meer was het het hoogtepunt van het colloquium geweest
Terwijl we wel weer wakker schoten toen Bruno Loire zijn bij-
indien deze presentatie was aangevuld met enige ruimere dui-
drage leverde. Zelf meester-glazenier die zowel eigen ramen
ding en contextualiteit - die in de aankondiging van de lezing
maakt als ramen restaureert, bleef hij niet lang staan bij het in
was gesuggereerd. Maar Véronique David stond letterlijk en
Chartres gevestigde glazeniergeslacht waar hij uit stamt. Ook
figuurlijk achter de kunstenaar zonder tussen te komen, aan te
hij concentreerde zich op de samenwerking met kunstenaars
vullen of verbanden te leggen. Jammer.
en bracht in het bijzonder twee ervan onder de aandacht: deze
Het hoge en enthousiasmerende niveau kelderde bij de laatste
met Père Kim en Joong in de basiliek Saint-Julien in Brioude
lezing van de eerste dag, de presentatie van de Derix studio
(2008), en met Frangois Morellet voor het Lefuel-trappenhuis
voor glas-in-loodproductie (Duitsland). Hoewel dit atelier met
in de Richelieu-vleugel van het Musée du Louvre (2010). Vooral
bekende kunstenaars heeft samengewerkt - met Gerhard Rich-
dit laatste project was een ware verademing dat daarenboven
ter in de Dom van Keulen (2007), met Imi Knoebel in de kathe-
nog eens de mooie (niet te vertalen) titel van L'esprit d'escalier
draal van Reims (2011) en bij de presentaties door glazeniers
meekreeg.
vaak naar samenwerking ermee werd verwezen zodat het soms
Hier werd glas-in-lood dat we in de voorbije dagen al te vaak
leek dat deze studio de rode draad door het colloquium was en
naar snufjes en eigenwijsheden en valse pretenties hadden
de organisatie niet echt aan de netten ervan was ontkomen -
zien tenderen, tot zijn essentie en zuiverheid herleid: blank
bleef de presentatie steken op een enigszins veredeld PR-niveau.
maar helder glas en een subtiel spel van lijnen aangegaan met de structuur van de ramen. Ceheel ontwapend kwam in me op:
De vrijdagmorgen stak Joan Vila Crau, plastisch kunstenaar en
'meer moet dat niet zijn', en tegelijk wist ik, aan de hand van
meester-glazenier (Spanje), van wal met het presenteren van
andere ramen die ook tijdens de voorbije dagen waren ge-
het beglazingsproject dat hij samen met Antoni Vila Crau in
toond, dat dergelijk zuiverheid tevens zoniet een uitvalsbasis,
de Sagrada Familia van Caudi, in Barcelona, gaandeweg aan
dan toch een toetssteen voor qua kleuren en vormen rijkere en
het realiseren was. Hier werd niet over één nacht ijs gegaan.
complexere ramen was.
CD
• i—i
PQ
Zo werd - indirect en ongewild - een stevig maar enkel met
openheid ontwikkelden voor de vreemde wendingen die deze
grote sensitiviteit te hanteren criterium om glas-in-loodramen
kunstenaars in het glas-in-lood teweegbrachten. Daarvan had-
te beoordelen, aangereikt. En de volgende sprekers hadden het
den de lezingen van zowel Bruno Loire met Frangois Morellet,
moeilijk om deze toets te doorstaan. De ramen van Thomas
als Jean-Domique Fleury met onder andere Pierre Soulages
Kuzio, schilderen glas-in-loodkunstenaar (Duitsland), verraste
blijk gegeven en mij bevestigd. Nu waren we zondermeer
dan wel nè de zojuist ervaren eenvoud en zuiverheid, maar ze
boeiend, bij prestigieuze projecten van bekende kunstenaars
wisten in hun diversiteit niette overtuigen. En zoiets ervoer
begonnen op een moment dat zowat alles moet kunnen, maar
ik ook bij een latere lezing die middag gegeven door Thierry
was er nauwelijks een van de betreffende Franse kunstenaars
Boissel, kunstenaar en directeur van de glas-in-loodopleiding
wier baanbrekend werk verhelderend zou zijn geweest, ge-
aan de kunstacademie in München, over zijn eigen werk. Het
noemd. Ik denk bijvoorbeeld aan Jean-Pierre Raynaud voor de
gevoel bekroop me dat de meeste beglazingsprojecten aan
abdij van Noirlac (1974) - die op zijn manier Frangois Morellet
scherpte missen - of dit nu op het artistieke vlak ligt, of op de
was voorgegaan.
verhouding tot het gebouw waarin ze zich situeren, of op het
En toen kwam Christine Blanchet, kunsthistoricus en curator
vlak van een adequate technische keuze en vertaling. Maar
van tentoonstellingen, met haar lezing over hoe het met het
misschien was ik intussen al overladen, verzadigd en moe.
beglazingsproject voor de Kathedraal van Nevers was gegaan
Ware het niet beter geweest ieder van de sprekers - als ze het
- dertig jaar lang. Hier kon een goed zicht worden gegeven op
over hun eigen werk hebben - slechts één van hun projecten te
de ontwikkeling en de toonzetting in Frankrijk. En dat gebeurde
laten bespreken ... met motivatie en uitdieping. De beperking
ook wel, maar jammer genoeg sloeg het niet aan. Dit kwam
tot Père Kim en joong en Frangois Morellet bij Bruno Loire
enerzijds door het naar het einde van het colloquium toe
werkte in elk geval de concentratie op het werk in de hand.
afbrokkelend programma: zowel Pierre-Alain Parot, meester-
De kunstenaar Stéphane Belzère wist de ingezette dans enigs-
glazenier die naast eigen werk, de ramen van Cérard Carouste
zins te ontspringen door in zijn interventie verslag te doen van
voor Talant (1997) en van Jean Ricardon voor Acey (1995) had
zijn samenwerking met Marie Rousvoal - de jongste telg uit
gerealiseerd, als Jean-Frangois Lagier, directeur van het Cen-
Atelier Duchemin (Parijs) - v o o r zijn ramen In de kathedraal
tre international du Vitrail in Chartres, waren uiteindelijk niet
van Rodez (2004-2007). In hun levendige dialoog gevoerd
komen opdagen. En alsof de organisatie hiermee blijk gaf dat
voor de zaal met de aanwezigen, kwam tevens een nieuw ac-
vanaf dat moment het er voor het colloquium allemaal niet
cent te liggen: hoe als kunstenaar omgaan met de opdracht-
meer zo toe deed, leek ook bij de deelnemers het engagement
gever, wanneer die, in dit geval van kerkelijke zijde is met haar
en de concentratie af te nemen. Kortom, de fut ging er uit.
lange traditie en godsdienstige verwachtingen, gekoppeld aan
Anderzijds diende Christine Blanchet om een onduidelijke
een heersende beeldtaal. Dat de strijd artistiek beslecht werd,
reden het beeldmateriaal bij haar lezing direct van internet te
blijkt uit de gerealiseerde ramen, maar het laat diverse vragen
plukken, wat tot gevolg had dat er tussendoor allerlei reclame-
open. Feitelijk zouden de ramen in hun context van de kathe-
boodschappen op het scherm verschenen, waardoor het eerder
draal ter plekke moeten worden bekeken. Me dit te realiseren,
leek bij een programma van VTM, met zijn onderbrekingen,
trek ik dit door naar alle andere ramen die in deze beide dagen
te zijn beland dan bij de slotlezing. Duidelijk werd wel de rol
slechts via projectie bekeken konden worden. Oordelen, als
die de Franse staat, met vallen en opstaan, speelde bij het
hierboven door mij soms uitgesproken, zouden dan terughou-
glas-in-lood op een waar artistiek niveau brengen. En het moei-
dender en genuanceerder zijn uitgevallen.
zaam en traag vorderend beglazingsproject in de kathedraal
Ook was de andere invalshoek van Claudine Loisel, die de
van Nevers, al in 1980 begonnen en pas eind 2010 helemaal
lezing van Isabelle Pallot-Frossard had overgenomen, verfris-
afgerond, speelt daar met onder andere de kunstenaars Jean-
send mede omdat die heel anders dan alle voorgaande was;
Michel Alberola en eerst de glazenier Denfert (1990) en later
voor welke problemen zullen op termijn al deze nieuwe wegen
Gilles Rousvoal (atelier Duchemin, 1997 tot 2010), met Fran-
die het glas-in-lood, alsook dat zonder lood, in deze tijd uit-
cois Rouan en de glazenier BenoTt Marcq (atelier Simon, 1996
gaan, de bescherming van het erfgoed stellen? Ze hield zich
tot 2010) uit Reims, en Claude Viallat met glazenier Bernard
verre van verontrusting en belerende waarschuwingen, om een
Dhonneur (1992), een belangrijke rol in. Intussen kwam aan
nuchter en realistisch maar geëngageerd exposé te houden,
de hand van de door de toenmalige bisschop van Nevers af-
terwijl ze een aantal prachtige ramen, onder andere van Cérard
gewezen ramen van Markus Lüpertz, het complexe proces van
Carouste in Talant (1997), liet zien.
glas-in-lood in monumentale gebouwen duidelijk naar voren. En met deze laatste kunstenaar waren we terug bij diegene met
Ik begon me meer en meer af te vragen waarom de organisatie niet gekozen had voor heel andere accenten in het programma. Mij is het immers steeds voorgekomen dat Frankrijk een
wiens ramen voor een heel andere kerk, we een dag vroeger begonnen waren. Alleen Stefan Trümpler kreeg nog het woord en signaleerde een
belangrijke historische rol heeft gespeeld door in de laatste
reeks spanningen en tweedelingen, contradicties en dualiteiten
decennia van vorige eeuw autonome kunstenaars zonder er-
die hij in de voorbije dagen tijdens de diverse lezingen had
varing met glas-in-lood om ontwerpen te vragen, om die dan
genoteerd, hetgeen een passend slotwoord was. Alles samen
uit te voeren samen met die meester-glazeniers die een grote
had de wereld van het glas-in-lood zich in al zijn facetten, niet
in het minst zijn sociale, op dit colloquium gemanifesteerd.
zou blijven staan, werd door zijn kracht en uitstraling echter
Voor mij was boeiend om de intellectuele ivoren toren - zoals
een permanente en betekenisvolle aanwezigheid, en werd uit-
me misschien voor de voeten zal worden geworpen - even te
eindelijk bij Ministerieel Besluit van 10 maart 2008 beschermd
verlaten en deze tweedaagse te mogen meemaken.
als monument. Door de specifieke en als tijdelijk bedoelde opbouw waren het paviljoen en de brug echter zeer kwetsbaar, waardoor nu ingrijpende werken noodzakelijk zijn, die het
Daan Van Speybroeck is kunstcoördinator Radboud Uni-
voortbestaan van het monument garanderen.
versiteit en UMC St Radboud, Nijmegen, en heeft in die hoedanigheid tentoonstellingen gemaakt van maquettes,
Via de geëigende selectieprocedure werd architect Géry Vande-
kartons van glas-in-loodramen alsook van proeframen
nabeele uit Brugge aangesteld tot ontwerper voor deze restau-
van onder andere Jean-Michel Alberola, Cérard Carouste,
ratie. Bij de opmaak van de plannen was er een voortdurende
Frangois Rouan en Carmelo Zagari; eveneens het project
terugkoppeling met de oorspronkelijke ontwerper Toyo Ito. De
voor twee glas-in-loodramen van Mare Mulders in de Sint
restauratieopties die uiteindelijk tot stand kwamen, betekenen
Stevenskerk in Nijmegen geïnitieerd en begeleid.
een delicate evenwichtsoefening tussen het oorspronkelijke ontwerp, de soms zeer vergaande voorstellen van Toyo Ito voor nieuwe ingrepen, en de principes van de restauratiediscipline, die respect voor de oorspronkelijke materialen oplegt. Het dossier voorziet vooral in meer duurzame materialen en bouwtechnieken die het monument een tweede leven moeten schenken. Hierbij moet eveneens worden opgemerkt dat bij de
Restauraties
realisatie van het paviljoen in 2002 er, om budgettaire en technische redenen, gedeeltelijk werd afgeweken van de oorspronkelijke bouwplannen; deze onzorgvuldigheid wordt nu goedgemaakt door materialen te gebruiken die dichter aanleunen bij het oorspronkelijke concept. Zo worden de zijgevels en de
Dirk Van Eenhooge
brug nu uitgevoerd in glazen platen in plaats van de gebruikte polycarbonaatplaten, wordt er een verbeterde onderwaterverlichting gerealiseerd en wordt de omringende waterpartij voor-
VOORLOPIGE RESTAURATIEPREMIE TOEGEKEND VOOR DE RESTAURATIE VAN HET PAVILJOEN TOYO ITO IN BRUGGE
zien van een pompmechanisme dat vervuiling van deze 'vijver'
Ter gelegenheid van 'Brugge 2002, Europese Culturele Hoofd-
bouwen van de nieuwe brug omvat en een tweede perceel
stad' werd op de noordzijde van het plein De Burg een tijdelijk
waarin de vijver en de electrische installatie wordt aangepakt,
paviljoen gebouwd naar ontwerp van de Japanse architect Toyo
voor beide percelen werd ondertussen een voorlopig premiebe-
Ito. Dit paviljoen dat een reflectie wil zijn omtrent de histori-
drag toegekend.
moet tegengaan.
De restauratie wordt uitgevoerd in een eerste perceel dat het
sche context van de bouwplaats, refereert rechtstreeks aan de locatie van de iode-eeuwse Karolingische kerk die er door graaf Arnulf II werd gebouwd. De kleine kerk werd later vervangen door een romaanse en een gotische kerk, die zelf omstreeks 1800 volledig werd gesloopt. Op de plaats van de vroegere kerk en klooster werd dan een stadsplein aangelegd, vooral getypeerd door rijen platanen.
Bij het ontwerp van het nieuwe paviljoen werd enerzijds rekening gehouden met de aanwezigheid van de Karolingische en latere funderingen, maar werd bovendien het grondplan van de oudste kerk hernomen in een cirkelvormig wateroppervlak, waarboven een eenvoudig balkvormig volume werd ingeplant. Als bouwmaterialen werd gekozen voor een zeer lichte structuur bestaande uit een honingraat in aluminium, bekleed met polycarbonaatplaten; doorheen het paviljoen loopt een doorzichtige brug in dezelfde materialen. Onder deze brug zorgen verlichtingselementen 's nachts voor een zeer licht en zwevend effect. Het paviljoen, dat aanvankelijk slechts één jaar
Paviljoen Toyo Ito in Brugge (foto G. Vandenabeele)
PQ
ken, bekroont opdrachtgevers die door hun doordachte aanpak en zin voor vernieuwing kwaliteit vooropstellen. Deze prijs bekroont de bouwheer niet alleen voor zijn realisatie, maar ook voor het moedige en vaak complexe proces dat eraan voorafging. De 'Prijs Bouwmeester' wordt uitgereikt in drie catego-
QJ
rieën: cultuur, publiek domein en erfgoed. Het is voor deze laatste categorie dat de stad Aarschot het project 'renovatie
• i—i
Persbericht stad Aarschot
het erover eens dat ons waardevol gebouwd erfgoed identiteit
PQ 10
van 's Hertogenmolens' ingediend heeft. Immers, iedereen is en kwaliteit bijbrengt aan onze leefomgeving. Het is niet alleen
'S HERTOGENMOLENS SLEEPT NU OOK PRIJS BOUWMEESTER 2011 IN DE WACHT
belangrijk dit patrimonium in ere te houden, het moet ook betrokken worden bij het dagelijks leven. Dit vergt vaak een grote creativiteit qua financiering en het zoeken naar de juiste
Na het behalen van een Europa Nostra laureaatsaward 2011
bestemming. In de praktijk zijn behoud en onderhoud niet
(dit is de Europese Prijs voor Cultureel Erfgoed) en het win-
altijd even evident. De publieke opdrachtgever is cruciaal in het
nen van de Vlaamse Monumentenprijs 2010 voor de provincie
vinden van het juiste evenwicht tussen behoud en herbestem-
Vlaams-Brabant, kapen de gerenoveerde 's Hertogenmolens
ming, tussen restauratie en inzetbaarheid.
een derde prijs weg, namelijk de Prijs Bouwmeester 2011 in de categorie Erfgoed.
Vandaag, vrijdag 21 oktober 2011, mocht burgemeester André
De Vlaamse Bouwmeester wil een hoogstaand stedenbouw-
gorie Erfgoed' ontvangen uit handen van minister Geert Bour-
Peeters in de Boekentoren te Cent de 'Prijs Bouwmeester, catekundig, landschappelijk en architecturaal kwaliteitsbeleid bij
geois en Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen. Stilletjes hopen
overheden aanmoedigen. De 'Prijs Bouwmeester', die jaarlijks
we nog een vierde prijs binnen te halen met de renovatie van
ingericht wordt door de Vlaams Bouwmeester op initiatief van
deze unieke molen, namelijk de Provinciale architectuurprijs
de Vlaamse regering en de Vlaamse minister van Bestuursza-
2011, maar dat is nog even koffiedik kijken.
Beeld van de achterzijde van de 's Hertogenmolens (foto O. Pauwels)
Edgard Goedleven
aantal belangrijke beslissingen konden worden genomen zoals de goedkeuring van de statuten en van de stemgerechtigde leden en van de algemene vergadering van NEO, de benoe-
OPRICHTING VAN DE NIEUWE ERFGOEDORGANISATIE NEO OP i6 JANUARI 2012
ming van de bestuurders, de bekrachtiging van het businessplan 2012 - 2013 en voorstel van resultaatverbintenis 2012, de
Ö
goedkeuring van de begroting 2012, de bekrachtiging van de Op 16 januari 2012 vond te Antwerpen in het Paleis op de Meir
aanstelling van Mevrouw Viviane Herrygers tot algemeen di-
en in aanwezigheid van Minister Geert Bourgeois de oprichting
recteur van NEO en de praktische afspraken voor het werkjaar
QJ
plaats van de 'Nieuwe Erfgoedorganisatie'. De afkorting NEO
2012. Na de oprichting volgde de voorstelling van NEO, waar-
geldt voorlopig als naam van de nieuwe organisatie die de am-
bij Edgard Goedleven, voorzitter van Erfgoed Vlaanderen, en
• I—I
PQ
bitie heeft om uit te groeien tot dé middenveldorganisatie voor
Bo Coolsaet, voorzitter van het FORUM voor ERFGOEDVER-
onroerend erfgoed in Vlaanderen. In het najaar zal de nieuwe
ENIGINGEN, hun steun toezegden voor de verdere uitbouw
organisatie een definitieve naam krijgen.
van NEO.
Hiermee gaat een sinds vele jaren gekoesterde erfgoeddroom
Maandag 16 januari 2012 was meteen ook de startdag voor de
in vervulling. Op 22 juni 2010 organiseerde minister Bourgeois
nieuw aangestelde algemeen directeur van de nieuwe erfgoed-
een studiereis naar de Engelse Nationale Trust in het Batemam
organisatie, Viviane Herrygers. Zij zal de krachtenbundeling in
house, een van de sites van de National Trust. Dit werd de eer-
goede banen leiden en NEO tot een performante organisatie uit-
ste effectieve stap naar de definitieve oprichting van NEO. Op
bouwen. In haar taak zal zij ondersteund worden door ervaren,
dat ogenblik werd immers de intentieverklaring door de betrok-
gespecialiseerde en gedreven medewerkers. Tijdens de voorstel-
ken partners om daadwerkelijke tot oprichting van NEO over
ling van NEO stelde Viviane Herrygers zichzelf voor waarbij ze
te gaan ondertekend. Deze intentieverklaring werd uiteindelijk
tevens pleitte voor meer slagkracht voor de erfgoedsector.
in werkelijkheid omgezet op 16 januari 2012. De nieuwe erfgoedvereniging wordt opgericht door de organisaties; Erfgoed
In zijn slottoespraak sprak minister Geert Bourgeois zijn te-
Vlaanderen vzw, het Forum voor Erfgoedverenigingen en Open
vredenheid uit over het historisch feit van de oprichting van
Monumentendag Vlaanderen die nog voor eind 2012 hun wer-
NEO. Deze nieuwe erfgoedorganisatie zal volgens de minister
king en personeel naar NEO overdragen.
het draagvlak voor het onroerend erfgoed in belangrijke mate versterken en zal tevens een stevige basis vormen voor meer
NEO stelt zich tot doel het middenveld inzake erfgoed samen
en betere samenwerking in de erfgoedsector. Door de bunde-
te brengen, te ondersteunen, te vertegenwoordigen en uit te
ling van krachten wordt de organisatorische versnippering
bouwen, het draagvlak voor erfgoed, erfgoedzorg en erfgoedac-
tegengegaan, ontstaan er nieuwe mogelijkheden voor een
toren te stimuleren en te versterken en actieve praktijkervaring
groeiende erfgoedzorg en wordt een meerwaarde verwezenlijkt
om te zetten in expertise. Tot de concrete activiteiten waarmee
door een toename van de slagkracht die gepaard gaat met een
de doelstellingen van NEO worden verwezenlijkt, behoren
verruiming van de actieradius zoals bijvoorbeeld de samenwer-
onder meer: het ondersteunen van leden en partners, beleids-
king met toerisme. De minister hoopt dat op termijn NEO zal
beïnvloeding, het organiseren van Open Monumentendag en
kunnen samenwerken met de Engelse National Trust en andere
andere (publieks-)evenementen, erfgoededucatie, verwerving,
national trusts. Hij zegde tevens zijn volledige steun toe voor
instandhouding, restauratie en onderhoud van (in hoofdzaak
NEO en wenste de nieuwe erfgoedorganisatie veel succes toe.
onroerend) erfgoed, herbestemming, beheer en ontsluiting
NEO is gevestigd in het Erfgoedhuis Den Wolsack aan de Oude
van (in hoofdzaak onroerend) erfgoed, adviesverlening en het
Beurs 27 te Antwerpen.
genereren van (alternatieve) financiering. NEO kan hiertoe samenwerken met, investeren of deelnemen in alle verenigingen of vennootschappen, van privaat of publiek recht, die rechtstreeks of onrechtstreeks voormelde activiteiten kunnen
Rudy De Graef
bevorderen of verbeteren. Daarnaast kan NEO alle andere activiteiten ontplooien die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van commerciële en winstgevende
NAAR EEN NIEUWE TOEKOMST VOOR ONZE PAROCHIEKERKEN
activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen.
Om een toekomstvisie uit te stippelen voor de parochiekerken in Vlaanderen, organiseerde Vlaams minister Bourgeois, onder andere bevoegd voor Binnenlands Bestuuren Onroerend Erfgoed, op 1 juli 2010 een besloten studiedag waarop de verschil-
De oprichting van N EO was de laatste maanden grondig voor-
lende actoren uit het veld present waren. Naar aanleiding van
bereid zodat tijdens de oprichtingsbijeenkomst al meteen een
de resultaten van deze studiedag en gekoppeld aan de belang-
11
Ö • i—i 12
rijkste thema's ervan, met name het beheer van de parochie-
'zorgvuldig meervoudig gebruik' in de zin van een bredere pa-
kerken, het financiële aspect en de mogelijke reconversie, werd
rochie- en gemeenschapswerking wordt als vijfde aanbeveling
besloten drie werkgroepen op te richten die zich respectievelijk
naar voren geschoven. Een zesde aanbeveling stelt dan weer
op deze thema's zouden focussen. Tussen november 2010 en
dat de financiële instrumenten en stimuli en subsidie- en finan-
maart 2011 werkten de leden van de door minister Bourgeois
cieringsmechanismen die ingrepen voor her- en nevenbestem-
opgerichte werkgroepen 'bestuurskracht en financiering', 'be-
ming in functie van gemeenschapsvoorzieningen bevoordelen,
heer' en '(her)bestemming en ruimtelijke inpassing' een groep
kunnen bijdragen tot een haalbare financiering. Tot slot wordt
aanbevelingen uit die resulteerden in het rapport 'Parochie-
aanbevolen dat er dient ingezet te worden op het onderhoud.
kerken in Vlaanderen' dat op 8 april 2011 aan de minister werd
De afschaffing van de onderhoudspremie voor openbare be-
voorgelegd. In de werkgroepen waren naast vertegenwoordi-
sturen wordt daarbij kritisch beschouwd omdat ze ingaat tegen
gers van het kabinet Bourgeois onder meer de Vereniging van
het principe 'beter voorkomen dan genezen'.
Vlaamse Steden en Gemeenten (WSG), vertegenwoordigers van de Bisschoppenconferentie, centrale kerkbesturen en kerk-
Conceptnota 'Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerk'
fabrieken, het Agentschap Binnenlands bestuur, het toenmalig
Naar aanleiding van dit rapport voorziet de minister verschil-
Agentschap Ruimte en Erfgoed en het Vlaams Instituut voor
lende acties. Zo werd op 24 juni 2011 de conceptnota 'Een
het Onroerend Erfgoed (VIOE), het Team van de Vlaamse
toekomst voor de Vlaamse parochiekerk' door de Vlaamse
Bouwmeester, vertegenwoordigers van erfgoedverenigingen en
Regering goedgekeurd, waarin een aantal maatregelen wordt
Monumentenwacht afgevaardigd.
voorgesteld om de problematiek rond het beheer en de (re) valorisatie van parochiekerken aan te pakken. Zo wordt er in de
De drie werkgroepen stelden 31 aanbevelingen op die in het
nota onder meer gepleit voor meer slagkrachtige kerkraden/
rapport werden samengevat tot zeven globale aanbevelingen
kerkbesturen enerzijds en meer slagkracht voor de gemeente-
voor al dan niet als monument beschermde parochiekerken
besturen in hun relatie met voornoemden anderzijds. Maar er
in Vlaanderen. Een eerste aanbeveling stelt de vraag naar het
volgden ook al enkele concrete acties.
'ontwikkelen van een (lokale) beleidsvisie' waarbij de betrokkenheid van lokale kerkelijke en gemeentelijke overheden
Ingaand op de eerste aanbeveling werd een brief verstuurd
noodzakelijk is. Een tweede aanbeveling leunt hierbij aan
naar alle gemeentebesturen, kerkfabrieken en centrale kerkbe-
door te vragen naar 'versterking van het lokaal overleg' door
sturen van de rooms-katholieke eredienst in Vlaanderen met
een nauwe samenwerking met zo veel mogelijk actoren zoals
de vraag om een langetermijnvisie op de toekomst van de
omwonenden, gelovigen, erfgoedverenigingen, actiegroepen,
parochiekerken in de betrokken gemeenten en steden uit te
lokale organisaties met ruimtebehoefte naast religieuze en
werken. Delicate vragen betreffende her- en nevenbestemming
publieke verantwoordelijken en dit onder professionele begelei-
maar ook sloop van kerkgebouwen werden daarbij niet uit de
ding. Een derde aanbeveling is dat de bestuurskracht van kerk-
weg gegaan.
fabrieken en centrale kerkfabrieken dient versterkt te worden.
De bedoeling is dit uiteindelijk te kaderen in de opmaak van
Aanbeveling nummer vier wijst op het belang van expertisevor-
het tweede meerjarenplan van de kerkfabrieken, het eerste
ming en informatieverstrekking voor de betrokken partijen die
meerjarenplan loopt eind 2013 ten einde zoals voorzien binnen
met eenzelfde problematiek geconfronteerd worden, waarbij
het eredienstendecreet van 7 mei 2004, en zo de toekomst van
netwerking zeer doelmatig kan zijn. Het centrale idee van
de parochiekerken in Vlaanderen te verzekeren. In dat meerja-
Een mozaïek van parochiekerken in Vlaanderen (foto's O. Pauwels)
renplan kunnen dan de nodige (financiële) afspraken tussen
Valérie Evers
gemeenten en kerkfabrieken gemaakt worden. De minister zal ook inzetten op het financieel stimuleren van strategisch beschermde als niet-beschermde parochiekerken .
ONROEREND ERFGOED, VERNIEUWD EN VERBETERD
Expertisecentrum voor onroerend kerkelijk erfgoed
Op 29 april 2011 werd de reorganisatie van het beleidsveld
Een ander gevolg van de conceptnota en gebaseerd op de
Onroerend Erfgoed principieel goedgekeurd door de Vlaamse
beleid en van neven- en herbestemmingsprojecten voor zowel
vierde aanbeveling die duidt op het belang van kennisvorming,
Regering. Het nieuwe agentschap Onroerend Erfgoed ontstond
is de oprichting van een ondersteunend expertisecentrum
door het samenvoegen van het luik Erfgoed van het vroegere
voor onroerend kerkelijk erfgoed binnen het Centrum voor
Ruimte en Erfgoed en het Vlaams Instituut voor Onroerend
Religieuze Kunst en Cultuur vzw (CRKC). Het CRKC werkt
Erfgoed (VIOE). Door deze 'fusie' kan op een geïntegreerde
sinds 1997 als aanspreekpunt voor het religieus erfgoed in
manier vorm gegeven worden aan de uitvoering van het On-
Vlaanderen, het expertisecentrum voor het beheer en de (her)
roerend Erfgoedbeleid. Aan wetenschappelijk onderzoek, in-
bestemming van parochiekerken werd begin 2012 opgericht en
ventarisatie, beschermen, beheer en ontsluiting werkt men nu
zal starten met het in kaart brengen van de meer dan 1800 pa-
samen in één organisatie, het agentschap Onroerend Erfgoed.
rochiekerken - waarvan een 600-tal beschermd -, kerkfabrieken
Met dit nieuwe agentschap wil men de zorg voor onroerend
en kerkraden en dit onder leiding van jan Jaspers. Het spreekt
erfgoed voor iedereen vanzelfsprekend maken en zo Vlaande-
voor zich dat het merendeel van deze kerken minstens een
ren nu en straks mee vorm en kleur geven.
(kunst)historische waarde heeft. Veel van deze gebouwen hebben bovendien, door de groeiende ontkerkelijking, een dalende
Om deze visie tot leven te brengen, worden vier basisstrate-
gebruiksfrequentie. Het beheer van deze gebouwen is dan ook
gieën gehanteerd. Ten eerste zet het agentschap in op dialoog.
niet eenvoudig, zowel qua financiële als technische en plan-
Vervolgens kiest Onroerend Erfgoed voor een transparante
matige deskundigheid wordt veel van de beheerders verwacht,
en legitieme werking met gemotiveerde keuzes en heldere
terwijl kerkfabrieken vaak moeite hebben om nieuwe leden te
beslissingen. De erfgoedprocessen en de erfgoeddisciplines
aan te trekken. Tot slot is er nood aan een structureel beleid,
worden maximaal geïntegreerd. De laatste strategie is de
eerder dan aan een ad-hoc aanpak die enkel naar de eigen
keuze voor beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek. Om
parochiekerk kijkt. Het expertisecentrum is dan ook een welge-
dit alles te realiseren heeft het agentschap zich gedurende de
komen partner in het werkveld die, mits voldoende overleg met
voorbije maanden ingrijpend gereorganiseerd. Zo zijn de taken
bestaande spelers in het veld, zeker een meerwaarde kan bie-
inventariseren en beschermen sinds 1 januari 2012 centraal in
den. Naast het verschaffen van advies op het vlak van beheer,
Brussel ondergebracht. Op die manier kunnen deze processen
de her- of nevenbestemming en de valorisatie van parochie-
makkelijker uniform gestuurd worden voor heel Vlaanderen.
kerken kan dit centrum ook gepaste vormingen, een loketfunc-
Elk proces wordt binnen de nieuwe organisatie herbekeken
tie, netwerking en de nodige begeleiding voor alle mogelijke
en geoptimaliseerd waarbij men de verschillende disciplines
betrokkenen voorzien. Het centrum zal zich trouwens in een
maximaal integreert. Daarenboven zal het wetenschappelijk
latere fase ook richten op andere erkende godsdiensten, wat
onderzoek maximaal vanuit de noden van het beleid, het ma-
wellicht interessante discussies zal opleveren, zeker als het
nagement en de andere afdelingen gebeuren. In de loop van
over herbestemming gaat.
de volgende maanden zal er in elke provincie één uniek loket georganiseerd worden.
Het nieuwe agentschap Onroerend Erfgoed bestaat uit vijf - Het rapport 'Parochiekerken in Vlaanderen' kan men
afdelingen en een dienst 'Internationale werking'. Op dit ogen-
downloaden via http://binnenland.vlaanderen.be/sites/
blik is men druk bezig om de organisatorisch genomen opties
default/files/Verslag_parochiekerken.pdf
te implementeren. Het organogram met alle verantwoordelij-
- De conceptnota 'Een toekomst voor de Vlaamse parochie-
ken wordt op de volgende pagina weergegeven.
kerk' kan men raadplegen op http;//www.crkc.be/site/ im_user/oi59_$_conceptnota_kerken_pdf.pdf - Meer info over het 'expertisecentrum voor onroerend kerkelijk erfgoed' op www.crkc.be
En ondertussen gaat de reorganisatie weer een stukje verder. Het agentschap Onroerend Erfgoed wordt ook verantwoordelijk voor de beleidsondersteunende opdrachten die tot voor kort binnen het departement RWO (Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed) werden opgenomen. Ook hier wordt bekeken hoe deze opdracht organisatorisch het best geïntegreerd wordt in het nieuwe agentschap. En dit alles met het doel om Onroerend Erfgoed op een efficiënte en geïntegreerde wijze te laten werken.
LEIDEND AMBTENAAR Sonjd Vdciblder f
QJ
c»,f
Ö
• l—l
INTERNATIONALE WERKING Mamix Pieters
PQ H
»»•••>.rf^^fc
1
1
ONDERSTEUNING InrTark
1
1 AFOEUNG INVENTARISEREN EN BESCHERMEN Mare De Bie
AFDELING BELEIDSGERICHT ONDERZOEK tls Mofkens
AFDELING BEHEER Gonda Callaert
AFDELING COMMUNICATIE EN DOCUMENTATIE Joris Bouve
Organogram Agentschap Onroerend Erfgoed
De algemene contactgegevens van het nieuwe agentschap: ONROEREND ERFGOED Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19, bus 5 i 2 i o Brussel Tel. 02 553 16 50 - Fax 02 553 16 55 info@onroerenderfgoed.be Onroerend Erfgoed Antwerpen
Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant
Anna Bijnsgebouw, Lange Kievitstraat 111-113, bus 53
Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6, bus 94
2018 Antwerpen
3000 Leuven
Tel. 03 224 62 10 - Fax 03 224 62 23
Tel. 016 66 59 0 0 - Fax 016 66 59 05
antwerpen@onroerenderfgoed.be
vlaams-brabant@onroerenderfgoed.be
Onroerend Erfgoed Limburg
Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen
Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50, bus 1
Jacob van Maerlantgebouw - Koning Albert l-laani/2 bus 96
3500 Hasselt
8200 Brugge (Sint-Michiels)
Tel. 011 74 22 20 - Fax 011 74 22 39
Tel. 050 24 81 50 - Fax 050 24 82 05
limburg@onroerenderfgoed.be
west-vlaanderen@onroerenderfgoed.be
Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen
Depot, labo en zeefstand, conservatie en restauratie
Gebroeders Van Eyckstraat 4-6
Doornveld Industrie Zone 3 gebouw 190
9000 Cent
1731 Asse-Zellik
Tel. 09 265 46 18 - Fax 09 265 46 00
Tel. 02/481 80 43 - Fax. 02/481 80 56
oost-vlaanderen@onroerenderfgoed.be
rö
WTA Nederland - Vlaanderen
• <—1
HISTORISCHE VENSTERS: TYPOLOGIE, DUURZAAMHEID, ANTIEK GLAS, RAMEN, KOZIJNEN
PQ 15
Op vrijdag 23 maart 2012 zullen de sprekers Herman Eijdems
Kortom redenen genoeg om het historisch venster nader te
(P2P Consult Utrecht), Inge De Backer (Onroerend Erfgoed
beschouwen.
Vlaams-Brabant), Michel Kozel (Kozel Bouw Den Haag),
Het thema 'kwaliteit' staat centraal en wordt benaderd vanuit
Alexis Versele (Katholieke Hogeschool St-Lieven, Aalst), Henk
verschillende invalshoeken/ beslissingsniveaus (overheid,
Schellen (Technische Universiteit Eindhoven), Marcel Crom-
onderzoekers, architect en ingenieur). Het mag duidelijk zijn
zigt (AGC Class, Tiel) en Taco Hermans (Rijksdienst voor het
dat deze studiedag zowel ingaat op de principiële keuzes,
Cultureel Erfgoed, Amersfoort), elk vanuit hun eigen kennis
beslissingsprocessen, diagnosestelling als op de praktijkoplos-
en ervaring, ingaan op historische vensters. Medeorganisator
singen en uitvoeringstechnieken, geïllustreerd aan de hand van
van deze studiedag is de zogenaamde 'Venstergroep', een
diverse praktijkvoorbeelden.
informeel samenwerkingsverband waarin deskundigen van de Nederlandse Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de Rijksgebouwendienst, het Atelier Rijksbouwmeester, de Technische Universiteit Eindhoven en verschillende andere overheden en instanties de problematiek van historische vensters behandelen tegen het licht van de eisen die tegenwoordig vanuit milieu, duurzaamheid, collectiebeheer, comfort en energiebesparing aan gevelopeningen worden gesteld.
Tijdens de studiedag staan deze eisen eveneens centraal. Volgende aspecten zullen hierbij worden toegelicht: Dienen historische vensters te worden vervangen om aan moderne eisen te voldoen? Zijn er alternatieven, waarbij de historische vensters en historisch glas gespaard kunnen blijven? Hoe belangrijk en hoe dwingend zijn de eisen die de overheid stelt? Hoeveel waarheid schuilt er in beweringen over terugverdieneffecten? Overheden en energiemaatschappijen stimuleren maatregelen om energie te besparen. Een gemakkelijke oplossing is om een gebouw zo goed mogelijk te isoleren en ook historische vensters te vervangen door moderne met isolerend glas. Door de consument en bestuursorganen voor te houden, dat dergelijke ingrepen zich relatief snel terugverdienen, worden mensen verleid om onder andere hun vensters door modernere te vervangen. Daarbij wordt geen rekenschap gegeven van het woongedrag van bewoners of gebruikers van een gebouw, dat toch veruit de belangrijkste factor voor wat betreft het energieverbruik is. Daarnaast worden de terugverdieneffecten steevast rooskleuriger voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn. Bovendien wordt met de wetten van de bouwfysica weinig rekening gehouden. Dit geldt eveneens voor het belang dat aan het behoud van historische vensters moet worden gehecht.
Meer info: www.wta-nl-vl.org
"Antwerpen door zijn uitzonderlijke bedrijvigheid bevordert niet alleen 's lands economische welvaart. Antwerpen is bovendien een rijke haard van geestelijke cultuur en is bedacht op het behoud en de uitbreiding van zijn heerlijk stadsbeeld en de handhaving van zijn roemrijke kunstoverleveringen".
(4)
(5) (6)
(7)
(8)
(9)
(10)
(11)
(12)
(13)
(14)
MEN E., Feodaal-heerlijke verhoudingen en territoriale patro- woontoren an sich en komen hier dus niet ter sprake. Zie nen in het middeleeuwse hertogdom Brabant {i2d' - i^' eeuw hiervoor PAUWELS op. cit. met bijzondere aandacht voor de regio Leuven (onuitg. doet.),(18) PAUWELS D., Een donjon bij de Demer in Aarschot: de midKULeuven, 1989. deleeuwse woontoren bij het kasteel Ter Rivieren komt even aan de oppervlakte, in Archeologie 2007. Recent archeologisch onDe nederzetting Aarschot zelf bestond al op het einde van derzoek in Vlaams-Brahant, 2007, p. 3-5. de 10* eeuw, strekte zich toen al uit aan weerszijden van de Demer, en maakte deel uit van het markgraafschap Antwer- (ig) MINNEN B., Een verdwenen mottcburcht: het kasteel van de heren van Rotselaar, in HOGT. Haachts geschied- en oudheidpen: MINNEN B., De burcht van Antwerpen en de dorpen in de Demer-Dijleregio, in HOGT. Haachtsgeschied- en oudheid- kundig tijdschrift, 2,1987, 92-101, p. 201-208. kundig tijdschrift, 20, 2005, p. 6-12. (20) DOPERÉ F. en CORENS K., Huizen in torens. De Zichemse Maagdentoren en andere donjons. Openbaar Kunstbezit VAN ERMEN E., op.rit.,p. 525-526. MINNEN B., De machtsverhoudingen in het samenvloeiingsge- Vlaanderen, 2002; DECLERCQ L, DOPERÉ F. en UBREGTS W., Het kasteel van Horst, Sint-Pieters-Rode (Holsbied van Demer en Dijle en de vorming van het "Land" van Rotselaar. 1120-1400, in HOGT. Haachts geschied- en oudheid- beek), in DE VOS L., Burchten en forten en andere versterkingen in Vlaanderen, Leuven, 2002, p. 61-66. kundig tijdschriji, 13,1998, 7-20, p. 116-129. Rijksarchief Leuven, Kerkelijke archieven van Brabant, (21) DOPERÉ F., Les techniques de taille sur les gres calcareux: une nouvelle methode pour determiner la chronologie et étudier nr. 10308, f 29r°-3or°; vidimus, 6 jan. 1268 (n.st.): ibid., revolution des chantiers dans Vest du Brabant pendant la prenr. 10258/101. mière moitié du XVe siècle, in LODEWIJCKX M. (ed.), ArDE RIDDER F., Losse aantekeningen aangaande Aarschot en chaeologica! and historical aspects of West-European societies. omtrek, in Eigen Schoon en de Brabander, 19, 1936, p. 240Album Amicorum Andre Van Doorselaer [Acta Archaeologica 247. SCHEYS F., De toestand van de weg Aarschot-Gelrode in de Lovaniensia - Monographiae, 8), Leuven, 1995, p. 415-439. (22) VERMEIREN B., Donjons de Wallonië. Contribution mélhotweede helfi van de 18' eeuw, in Het oude land van Aarschot, dologique et première analyse d'un inventaire architectural regiXIV, 1979, 4,154-161 en ID., Rivieren en zijn bewoners in de tweede helji van de 18'' eeuw, in Het oude land van Aarschot, onal, in Revue des archéologues et historiens d 'art de Louvain, 1994, XXVII, p. 41-50. XVIII, 1983,4, p. 160-167. MINNEN B., Het hertogdom Aarschot onder Karel van Crof(23) DOPERÉ F. en UBREGTS W., op.cit. (1595-1612^. Kadasters en gezichten. Brussel, 1993; VERLIN- (24) DOPERÉ F., Donjons, chateaux forts, fermes fortlfiées ou simplement chateaux médiévaux? Quelle est ('importance de Jewrs DEN E., "Het eerste gehucht van Aarschot". De ontwikkeelements militaires'?, in Les Cahiers de VUrbanisme, 65, 2007, ling van de dorpsgemeenschap van Gelrode, vanaf haar p. 46-60. ontstaan tot het einde van het Ancien Régime (onuitg. lic), (25) DOPERÉ F., Le chateau medieval comme expression du pouKULeuven, 2003. voir seigneurial dans les anciens Pays-bos méridionaux (in DUVOSQUEL J.-M. (red.), Aiimms de Croy. Bezittingen der Croys in Brabant, Vlaanderen, Artesiëen het Naamse, Brussel, druk). 1985, p. 76-77. plaat 10; zie voor de schets: MINNEN B., op. (26) DOPERÉ F., op. cit. 2007. (27) DOPERÉ F. en UBREGTS W., op.cit. dU, p. 96, plaat 13; KUL Arenbergarchief 2430. laat l z i e o o k M I N DUVOSQUEL J.-M., op.cit., p. 86-87, P 5' - (28) DOPERÉ F. en UBREGTS W., op.cit.; GÉNICOT L. (dir.), SPÉDE R. en WEBER PH., op. cit. NEN B., op. cit., p. 99, plaat 14: KUL Arenbergarchief 2413, (29) DOPERÉ F. en en UBREGTS W., op.cit. 57r°: zonder titel. MINNEN B. op. cit., p. 309, plaat 96: een 'onrealistische' (30) GÉNICOT L (dir.), SPÉDE R. en WEBER PH., op at. kaart van de heerlijkheden Rotselaar en Wezemaal uit het (31) Zie voor sprekende voorbeelden van (onder meer non-destructief) onderzoek naar en inrichtingspotentieel van kasmidden van de i6de eeuw, en zeker van vóór 1573. teelterreinen: VAN KEMPEN P. en HOM C., Verborgen kasVoor de wandkaart van J.B. Joris: COECK A., De grote kaart telen in zicht. Archeologjsch onderzoek en inrichting van van het Hertogdom Aarschot van 1775, in Het oude land van kasleelterrelnen, Amsterdam, 2005, een vruchtbare samenAarschol. 1967, 2, 1, 11-17; e n vooral VAN ERMEN E., De wandkaarten van het Hertogdom Aarschot 1759-1775 opgesteld werking tussen de Nederlandse Kastelenstichting en RAAP in opdracht van de hertog van Arenberg, Brussel. 1998, kaart- Archeologisch Adviesbureau.
blad 'Aarschot 13'. Voor de Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik (1771-1778) door Joseph Jean Francois graaf de Ferraris: Kaartblad 110 'Aerschot': http://www.ngi.be. (15) DOPERÉ F. en UBREGTS W., De donjon in Vlaanderen. Architectuur en wooncultuur (Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 3), Leuven, 1991. (16) DOPERÉ F. en UBREGTS W.. op. cit.; GENICOT L. (dir.), SPÈDE R. en WEBER PH., Les tours d'habitation seigneuriales du Moyen-Age en Wallonië. Analyse archéologique d'une typologie, (Etudes et Documents, Monuments et Sites, 9), Namur, 2002. (17) De bouwresten die in deze bijdrage aan bod komen situeren zich in één werkput vlakbij het huidige kasteel. De gegevens uit een tweede werkput verder westwaarts bij de Moutlaak zijn niet relevant voor de bespreking van de
De 'cirkel' van Ver-Assebroek: prehistorisch heiligdom of middeleeuwse versterking? Caroline Ryssaertjaniek De Cryse, Dries Tys, Cecile Baeteman, Joep Orbons, Delfien Termote en Pedro Pype
In de natte weilanden van Assebroek, een deelgemeente van Brugge, komt een opmerkelijke structuur met een oppervlakte van ca. 6 ha voor, opgebouwd uit vier perfect concentrische grachten. De grachten zijn - bij hoge waterstand - duidelijk waar te nemen vanuit de lucht. Sinds de jaren '50 worden verhitte discussies gevoerd over de aard en de datering van het m o n u m e n t . Sommigen interpreteren de site als een prehistorisch m o n u m e n t met een rituele o f funeraire functie, anderen als een middeleeuwse adellijke versterking. Dankzij interdisciplinair onderzoek kon het mysterie rond 'de cirkel' van Ver-Assebroek in 2 0 0 9 eindelijk ontsluierd worden en in 2011 werd een procedure ingezet o m deze opmerkelijke archeologische site
De wijk Ver-Assebroek situeert zich in het zuiden van de gemeente Assebroek, net aan de rand van de Assebroekse Meersen. Het onderzochte monument werd in dit meersengebied ingeplant, net ten zuiden van een langgerekte zandrug. Het studiegebied is grotendeels eigendom van de Vlaamse Overheid (Agentschap Natuur en Bos) en aangeduid als Vlaams Natuurreservaat. Enkel de zone tussen de voormalige trambedding en de Kerkdreef is in particulier bezit. Het monument en haar onmiddellijke omgeving werden in 1976 beschermd als landschap; in 2001 werd de bescherming uitgebreid tot het volledige meersengebied. Het uitgevoerde onderzoek kaderde binnen een opdracht van de Vlaamse overheid (agentschap Onroerend Erfgoed) naar een archeologische evaluatie en waardering van de site (2).
te beschermen (1). Historiek van het onderzoek Luchtfotografisch beeld van het circulair monument, ingeplant in de Assebroekse Meersen (foto J. Semey. © Universiteit Gent)
' • > > $
^
v
•-
:
-
- ^^
' ^ « ^ ^
:
^z Wmè^MÊÊÊÊ
36 I M & L
Hoewel het monument van Ver-Assebroek reeds lang gekend was bij lokale heemkundigen, werd het pas vanaf 1950 echt wetenschappelijk onderzocht (3). Jean-Baptiste Ameryckx boorde de site aan in het kader van de opmaak van de Bodemkaart van België en beschreef voor het eerst de morfologie en de opbouw van het monument (4). In zijn verslag vermeldt hij bovendien een aantal vondsten, zoals beenderresten, enkele kleine middeleeuwse scherven en één mogelijk neolithische scherf. Tijdens de jaren '80 raakte men opnieuw geïntrigeerd door de opmerkelijk structuur. Johnny De Meulemeester nam de site op in zijn lijst van middeleeuwse circulaire versterkingen in het Vlaamse kustgebied (5). Onder zijn begeleiding werd een gedetailleerde topografische studie verricht op het monument (6). Daarbij kwamen onder andere een aantal grote fragmenten van een
14 -eeuws kannetje aan het licht. Kathy Soers prospecteerde het monument en zijn directe omgeving in het kader van haar licentiaatsverhandeling, maar trof ter hoogte van het monument geen nieuwe vondsten aan (7). Sinds een vijftiental jaar beschikken we ook over enkele luchtfoto's van de site, dankzij de luchtfotografische prospectie door de Universiteit van Gent (8). Sinds de jaren '50 wordt er druk gespeculeerd over de aard en de datering van het monument. Dit gebeurde louter op basis van de morfologische kenmerken, wat meteen aantoont hoe gevaarlijk en onzeker morfologische redeneringen zijn binnen archeologische vraagstellingen. Twee hypotheses werden naar voor geschoven. Eén groep wetenschappers meende dat het om een middeleeuwse versterking ging. Een andere groep interpreteerde de structuur als een relict van een prehistorisch circulair monument. Bekijken we eerst de hypothese van de middeleeuwse versterking. Enkelen interpreteerden het monument als een vroegmiddeleeuwse ringwalburg, naar analogie van sites als Veurne, Oost-Souburg (NL) en Sint-Winoksbergen (FR). Tijdens de invallen van de Noormannen in de 9d'' eeuw werden in onze streken her en der grote circulaire versterkingen opgeworpen om de lokale bevolking en hun veestapel te beschermen. Deze vluchtburchten bestonden uit een aarden wal met een diameter van meer dan 150m, begrensd door een vrij ondiepe gracht (9). Het monument van Ver-Assebroek verschilt qua vorm en opbouw echter grondig van de ringwalburgen: de structuur bestaat uit een opeenvolging van grachten en wallen met centraal slechts een zeer kleine woonzone, wat een interpretatie als ringwalburg zeer onwaarschijnlijk maakt. Anderen meenden dat het monument iets later, namelijk tijdens de volle middeleeuwen, aangelegd
was als een versterkte adellijke privé-woning. Sommigen gingen ervan uit dat het monument behoorde tot het type van de kleine ringwalversterking (10). Dit type van aarden versterking, dat zich ontwikkelde tussen de ii d ' en de i3dt eeuw, komt in onze streken evenwel vrij weinig voor (11). In deze periode duikt in onze gewesten immers ook een ander versterkingstype op, namelijk het mottekasteel (12). Het monument van Ver-Assebroek vertoont enkele vormelijke overeenkomsten met de mottekastelen. De structuur is, net als vele mottes, doelbewust ingeplant in een lagergelegen, drassige omgeving. Men ging er daarom van uit dat het circulaire monument het opperhof was van een motte, die nog slechts gedeeltelijk bewaard was in het huidige landschap. Er waren echter ook heel wat argumenten die pleitten tegen een interpretatie als mottekasteel. Ameryckx had immers op basis van de boringen geconcludeerd dat het centraal eiland van het monument niet opgehoogd was (13). Deze conclusie strookte helemaal niet met de hypothese van een opgehoogd opperhof. Rekening houdende met zijn inplanting in een drassig meersengebied, leek dit niet opgehoogde monument absoluut niet geschikt voor bewoning. In Vlaanderen zijn er bovendien geen mottes gekend, die een gelijkaardige omvang hebben en die bestaan uit vier perfect concentrische cirkels. Omwille van deze argumenten was een tweede groep wetenschappers van mening dat het om een prehistorisch monument ging. Volgens hen werd het monument opgericht binnen de traditie van de zogenaamde henge-monumenten, zoals deze ook in Frankrijk en in Engeland voorkomen. Dergelijke sites zijn in Vlaanderen weliswaar niet gekend, maar het ontbreken van gegevens Iaat niet toe uit te
Proefsleuf i (foto Ruben Willaert bvba)
sluiten dat ze hier zouden voorkomen. Hengemonumenten, waarvan Stonehenge ongetwijfeld de bekendste is, zijn te situeren in de rituele of in de funeraire sfeer en te dateren in het Neolithicum (5300-2000 v. Chr.) of de Bronstijd (2000-800 v. Chr.). Morfologisch zou de site van Ver-Assebroek perfect bij de Henge-monumenten aansluiten. De goede conservatie van de site en de grote zichtbaarheid in het huidig landschap zouden in geval van een prehistorische datering echter zeer uitzonderlijk zijn.
Studieopdracht met vier onderzoeksluiken Het onderzoek dat in 2009 werd uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse overheid, bestond uit vier luiken: een historisch onderzoek, een geofysisch onderzoek, een landschappelijke en archeologische boorkartering en een proefsleuvenonderzoek. Tijdens het historisch onderzoek werden de landschaps- en nederzettingsstructuur en de bezitsverhoudingen rond het monument geanalyseerd. Dit gebeurde aan de hand van een retrogressieve reconstructie van de directe omgeving van het monument, met inbegrip van de Onze-LieveVrouwekerk. Het uitvoeren van de weerstandstnetmg (foto ArcheoPro)
Het geofysisch onderzoek vormde het eerste luik van het terreinwerk. Door middel van de contact-
weerstandstechniek werd de morfologie van het monument op een niet-destructieve manier in kaart gebracht. In totaal werden ruim 41 000 metingen verricht in een ixim grid, wat neerkomt op een vlakdekkend onderzoek van 4,iha. De metingen werden gestart vanuit het centrum van het monument en werden vandaaruit uitgebreid. In de noordelijke zone werd extra aandacht besteed aan de link tussen het monument en de Onze-LieveVrouwekerk. De boorkartering richtte zich zowel op de landschappelijke als de archeologische context van het monument. In een eerste fase werden 3 boorraaien uitgezet om informatie te verkrijgen over de geomorfologische evolutie van de Assebroekse Meersen. Daarna werden vanuit het centrale eiland 4 archeologische boorraaien uitgezet om gegevens te verzamelen over de morfologie, de opbouw en de datering van het monument. In totaal werden, verspreid over het monument, 130 manuele boringen gezet. Op de percelen van het Agentschap voor Natuur en Bos tenslotte werd een beperkt proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Omdat het monument in aanmerking kwam voor een bescherming in situ en omdat archeologisch onderzoek in se destructief is werd de ingreep in de bodem zo beperkt mogelijk gehouden. Het proefsleuvenonderzoek was niettemin cruciaal om de resultaten van het historisch onderzoek, de boorkartering en het geofysisch onderzoek op het terrein te verifiëren en eventueel aan te vullen. Sleuf 1 (114m) werd vanuit het midden van het centrale eiland aangelegd in oostelijke richting. De sleuf maakte een doorsnede
38 I M
L
door het oostelijke deel van het centrale eiland, walgracht i, wal i en walgracht 2. Deze sleuf liet toe om een deel van het monument in profiel te bestuderen, archeologische vondsten stratigrafisch in te zamelen en stalen voor natuurwetenschappelijk onderzoek te nemen. Sleuf 2 (27m) werd aangelegd in de zuidoostelijke zone van het monument. Bij aanvang van het onderzoek werd aangenomen dat het Sint-Trudoledeken na de constructie van het monument doorheen de buitenste walgracht geleid werd en als dusdanig een terminus ante quem voor de oprichting van het monument vormde (14). Volgens deze hypothese bestond het monument oorspronkelijk uit 4 perfect concentrische grachten. Dit zou betekenen dat de oorspronkelijke bedding van de buitenste gracht ter hoogte van de zuidoostelijke zone noordwaarts zou afdraaien. In plaats daarvan zien we op de huidige luchtfoto's dat de buitenste gracht in deze zone het Sint-Trudoledeken volgt naar het oosten. Bovendien vertoont de derde gracht een knik en blijkt er een verbinding te bestaan met de gracht die momenteel de perceelsgrens vormt. Sleuf 2 had tot doel na te gaan of dit een latere aanpassing van het monument was en werd daarom dwars op de veronderstelde walgracht/wal georiënteerd.
Landschappelijke context Ver-Assebroek situeert zich aan de westelijke rand van de Vlaamse vallei: een brede depressie die ontstond tijdens het Pleistoceen ten gevolge van de veranderende loop van de rivieren in het Scheldebekken. De Vlaamse vallei domineert een groot deel van het Vlaamse landschap. Op het einde van de laatste ijstijd, ca. 13000/10000 jaar geleden, werden in dit gebied verschillende langgerekte dekzandruggen gevormd, die van elkaar gescheiden werden door min of meer gesloten komvormige depressies (15). Dergelijke ruggen ontstonden door het opwaaien en afzetten van silt en zand in een arctisch vegetatiearm landschap. De kern van Ver-Assebroek ontwikkelde zich op een dergelijke zandrug; de Assebroekse Meersen kwamen in één van de depressies tot stand. Het booronderzoek bracht aan het licht dat de basis van de meersen gevormd wordt door wadsedimenten, die wellicht tijdens een warmere tussenijstijd (het Eem, ca. 125000-118000 jaar geleden) werden afgezet.
De sedimenten werden afgezet in een getijdengebied en kenmerken zich door een afwisseling van fijn zandig silt en klei. De top van de sedimenten bevindt zich tussen +2,7om en +3,20m TAW, wat aanzienlijk hoger is dan voorheen aangenomen. De wadsedimenten maken deel uit van een noordzuid gerichte uitloper van het Eem wadgebied ten oosten van Brugge (16). De temperatuurstijging op het einde van de laatste ijstijd leidde tot de stijging van de zeespiegel en de grondwatertafel en tot het ontstaan van ondiepe meertjes in de depressies (17). Vermoedelijk ontwikkelden zich in deze periode gyttjasedimenten in de meersen (18). Dergelijke sedimenten ontstaan door de afzetting van mircoorganismen, plantenresten en waterdieren zoals zoetwaterschelpjes in ondiep water. Onderaan bestaat dit pakket uit een sterk organische, gelaagde gyttja. Bovenaan betreft het een kalkgyttja ofwel moeraskalk. De moeraskalk wordt bedekt door veen, wat er op wijst dat de ondiepe poel verlandde en zich uiteindelijk ontwikkelde tot een veengebied. Hoewel de plantenresten in het veen erg slecht bewaard zijn en de macrorestenanalyse bijgevolg slechts beperkte resultaten opleverde, vermoeden we dat de omgeving rond het monument in deze periode een elzenbroekveen was. Het onderzoek van het veenpakket leverde twee verrassende
Natuurlijke sequentie in proefsleuf 2: kalkgyttia afgedekt door veen (foto Ruben Willaerf bvba)
V"*VA
r-^tilS-*^^ MM. I 39
vaststellingen op. Totnogtoe werd aangenomen dat het begin van het verveningsproces in deze regio te situeren was in een periode tussen ca. 9200-8000 BP (19). Radiokoolstofdatering op de basis van het veen suggereert echter dat het gebied pas tijdens de Bronstijd begon te vervenen: 337o±35BP (1750 BC1600 BC) en 3i8o±3oBP (1510 BC-1400 BC) (20). Een tweede opmerkelijke vaststelling betreft de dikte van het veenpakket: het veen is nauwelijks 50 cm dik. Bovendien komen in de onderliggende gyttja-sedimenten een aantal grote vegetatiedoorgroeiingen voor, waarvan de plantenresten zelf in het veen niet aanwezig zijn. Dit lijkt te suggereren dat ze afkomstig zijn van een niveau, dat momenteel niet meer zichtbaar of niet meer bewaard is. Tijdens het huidig onderzoek kon niet met zekerheid achterhaald worden of het verdwijnen van het veen een antropogene of natuurlijke oorzaak had (21). Mogelijk werd het gebied ter hoogte van de Assebroekse Meersen ontveend en moet het onderzochte veenpakket beschouwd worden als restveen. Bij onderzoek van grootschalige veenontginningen is al herhaaldelijk vastgesteld dat het veenpakket niet integraal afgegraven werd om vermenging met de moeraskalk te vermijden. Moeraskalk heeft immers de eigenschap om de kwaliteit van het veen sterk te verminderen. In dit geval zijn de worteldoorgroeiingen in de gyttjasedimenten afkomstig van een bosvegetatie, die door veenontginning verdwenen is. Een tweede verklaring voor de geringe dikte van het veenpakket is een geleidelijke drainage, inklinking en oxidatie van het veen door de aanleg van de grachten. In dat geval zou de bewaring van het veen verschillen tussen de natuurlijke sequenties en de zones waar de ingrepen plaatsvonden, met andere woorden ter hoogte van het monument. Tijdens het boor- en proefsleuvenonderzoek konden geen uitgesproken verschillen vastgesteld worden tussen de natuurlijke sequenties en de sequenties onder de opgehoogde zones. Dit suggereert dat de drainage van het veen al voor de aanleg van het monument in belangrijke mate voltrokken was. Op het ogenblik dat het monument werd gebouwd, waren alvast nog gedeeltes van het drassige gebied begroeid met een elzenbroekbos. Op de zandrug net ten noorden van de Assebroekse Meersen groeiden wellicht eiken en berken.
Morfologie en opbouw van het monument Het monument bestaat uit een centraal eiland en vier min of meer concentrische grachten, die van elkaar gescheiden zijn door drie wallen. De oorspronkelijke ophogingspakketten van het wooneiland en van de wallen waren nauwelijks bewaard. Tijdens de ig* eeuw werd het monument immers volledig genivelleerd tijdens het herinrichten van het gebied als hooiland (22). Een heterogeen pakket, bestaande uit humeus zand en vermengd met archeologisch materiaal, dat over de volledige lengte van sleuf 1 aangetroffen werd, kan met deze ingreep in verband gebracht worden. Wooneiland De nivellering van het monument verklaart waarom de oorspronkelijke ophogingspakketten van het heuvellichaam nergens bewaard zijn en waarom geen gebouwfunderingen aan het licht gekomen zijn (23). Ter hoogte van het wooneiland werd één uitbraakspoor aangetroffen, wat doet vermoeden dat zich in deze zone minstens één gebouw bevond. Ondanks het feit dat het oorspronkelijke heuvellichaam van het monument niet meer bewaard was, is het duidelijk dat het wooneiland een zeer beperkte oppervlakte had. De diameter van het wooneiland bedroeg amper ca. 35m. Walgrachten De walgrachten zijn bij hoge waterstand en met schuine luchtfoto's nog duidelijk zichtbaar in het huidige landschap. Op basis van het onderzoek kunnen we besluiten dat het monument in totaal uit vier walgrachten bestaat en dat de morfologie van het monument, zoals we die nu kennen, vermoedelijk origineel is. De onderzoeksresultaten suggereren dat de 'anomalie' in de zuidoostelijke zone van het monument, namelijk het feit dat walgracht 3 in deze zone een opmerkelijke knik vertoont en aansluiting zoekt bij de gracht die momenteel de perceelsgrens vormt, deel uitmaakt van het origineel concept. Noch het booronderzoek noch het proefsleuvenonderzoek hebben immers gegevens opgeleverd die er zouden op wijzen dat deze aansluiting een latere ingreep is. De breedte van de walgrachten blijkt geleidelijk af te nemen. De breedte van walgracht 1 bedraagt
Luchtfotografisch beeld van het circulair monument Cirkelstructuur Ver-Assebroek, Gemeente Brugge, West-Vlaanderen Resultaat Weerstandsmeting
lArcheoPro
(foto ). Semey. © Universiteit Gent)
Resultaten van de weerstandsmeting, geprojecteerd op de kadasterkaart (ArcheoProen AGIV)
M & L I 41
greppel met ingeheide palen beschoeimg?
Schematische voorstelling van de doorsnede van het woonetland en de aanzet van walgracht i
(Ruben Willaert bvba)
Lokalisatie van de (beschoeiings) greppel (links) en de heipalen (rechts) in segment i van walgracht i (foto Ruben Willaert bvba)
Lokalisatie van de balken en heipalen In segment 2 van walgracht i (foto Ruben Willaert bvba)
42 I M & L
ca. 40m; de breedte van walgracht 2 slechts 20m. Walgracht 3 en 4 zijn nog smaller, maar hun exacte afmetingen konden tijdens het onderzoek niet bepaald worden. We dienen hierbij evenwel op te merken dat de exacte begrenzing van de grachten door de ingrijpende nivellering van het monument en de zeer geleidelijke insnijding van de grachten moeilijk vast te stellen was. Alle onderzochte grachten waren tot net onder het moeraskalkniveau ingegraven. Mogelijk betreft het een bewuste strategie om het waterpeil in de grachten relatief laag te houden: moeraskalk laat immers moeilijk water door. In walgracht 1 werden enkele structuren aangetroffen, die interessante informatie opleverden over de opbouw van het monument. Ter hoogte van de westelijke aanzet van walgracht 1 werd een vrij smal, greppelvormig spoor aangetroffen. De gracht vertoont ter hoogte van de greppel een opmerkelijk horizontaal verloop. De breedte van dit plateau bedraagt in totaal 2,1m. Vanaf de oostelijke rand van dit plateau snijdt de gracht vrij diep de natuurlijke bodem in. In het zuidelijk profiel van segment 1 werd in de vulling van de greppel een restant van een zware paal aangetroffen. Waarschijnlijk moet de greppel beschouwd worden als een ingeheide beschoeiing, om te vermijden dat de walgracht rond het centrale eiland inspoelde. Het plateau diende mogelijk om erosie van het centrale heuvellichaam tegen te gaan. In het onderste vullingspakket van walgracht 1 werden ook een aantal palen en balken aangetroffen (24). Hoe deze structuren geïnterpreteerd moeten worden, kon door het beperkte onderzoek niet met zekerheid achterhaald worden. Een aannemelijke hypothese is dat de heipalen deel uitmaken van de fundering van een brug, die het centrale eiland met wal 1 verbond. Of de aangetroffen balken eveneens deel uitmaken van deze constructie of eerder als losse elementen te beschouwen zijn, kon evenmin met zekerheid vastgesteld worden. De identieke oriëntatie van de twee gekantrechte balken lijkt eerder voor het eerste te pleiten. Het voorkomen van getoogde pengaten wijzen er wel op dat de balken secundair in de gracht terecht gekomen zijn en vermoedelijk afkomstig zijn van een gebouwconstructie. De houten structuren zijn te associëren met het onderste vullingspakket van walgracht 1, bestaande
uit organisch slib. Ook in walgracht 2 werd op de bodem van de gracht een vergelijkbaar pakket vastgesteld. Dergelijke pakketten ontstaan door bezinking van organisch materiaal in stilstaand water. Herkenbare plantenresten zijn volledig afwezig; vermoedelijk kwamen ze in deze contexten zelfs nooit voor. Op basis van deze vaststellingen kan geconcludeerd worden dat het waterniveau in de grachten eerder beperkt was en dat het om stilstaand water ging. Zowel in walgracht 1 als in walgracht 2 kwamen in het vullingspakket vrij veel bakstenen voor. In combinatie met de grote hoeveelheid daktegels en -pannen, nokversieringen en leistenen in de vulling van walgracht 1, kan afgeleid worden dat zich op de site minstens één bakstenen structuur bevond. In walgracht 2 werd ook een grote hoeveelheid natuursteenfragmenten aangetroffen, wat impliceert dat er zich op de site ook minstens één gebouw bevond dat al dan niet volledig uit natuursteen opgetrokken was.
Wah De wallen die zich oorspronkelijk tussen de walgrachten bevonden, waren net als het wooneiland volledig genivelleerd en bijgevolg niet meer herkenbaar in het landschap. Wal 4, langs het Sint-Trudoledeken vormt hierop een uitzondering: waarschijnlijk is hier nog een origineel ophogingspakket met een dikte van ca. 83cm aanwezig. In de overige gevallen was enkel nog het onderste restant van het ophogingspakket bewaard. Het restant bestond uit een dunne laag verspitte moeraskalk, afkomstig van de walgrachten, waarop humeus zand opgebracht was. Het kalkgehalte van het zand wijst erop dat het zand niet afkomstig is van de nabijgelegen dekzanden. Op basis van de textuur lijkt ze evenmin afkomstig van de Eem wadsedimenten. De herkomst van het zand is voorlopig nog onduidelijk.
Aanleg en opgave van het monument Dankzij de typo-chronologische studie van het aardewerk, de radiokoolstofdatering en het dendrochronologisch onderzoek kunnen de aanleg en de opgave van het monument gedateerd worden. Wat de aanleg betreft kan - op basis van de radiokoolstofdateringen - ri75 na Chr. als terminus post quem naar voor geschoven worden (25). Dit is in
i6de-eeuws waterverfschilderij met afbeelding van de kerk van Ver-Assebroek en mogelijk ook de circulaire structuur ( © Stadsarchief Brugge, Catalogus N u m m e r 148}
veenpakket, gaan we ervan uit dat de vervening van de grachten ca. 500 jaar in beslag nam. Met andere woorden: hoewel er zo goed als zeker een bepaalde elitaire structuur in Ver-Assebroek aanwezig was op het einde van de i2de eeuw lijkt het monument op zich te dateren uit de i3 dt en i4 dc eeuw, waarna het in de i5 d ' eeuw in verval geraakte.
Historische context overeenstemming met de historische datering van de kerk van Ver-Assebroek, die reeds voor 1187 in het landschap aanwezig was en die wellicht ontstaan is als slotkapel of privé-kerk bij het monument. Het aardewerk in het onderste vullingspakket van de walgrachten suggereert dat de grachten van het monument als zodanig gebruikt werden vanaf de i3de eeuw. In de i4 de eeuw beleefde het monument zijn grootste bloeiperiode, maar ondanks zijn elitaire karakter werd de site vrij snel opgeheven. Vanaf de i5de eeuw zien we immers een duidelijke terugval in het archeologisch materiaal. Vermoedelijk begonnen de walgrachten vanaf de vroege i6 dc eeuw volledig te vervenen, wat erop wijst dat het landschap op dat ogenblik niet meer onderhouden werd. Afgaande van de dikte van het
Het historisch onderzoek leverde sterke aanwijzingen op dat het monument te identificeren is met het kasteel van Assebroek. De belangrijkste aanwijzing is de vermelding, ter hoogte van het circulaire monument, van Gasteel van Assebrouck op een kaart uit 1636 (26). Het monument wordt, zonder vermelding weliswaar, ook op een aantal andere historische kaarten afgebeeld. Op een laat i6de-eeuws schilderij wordt net boven de kerk van Ver-Assebroek een cirkelvormige heuvelachtige structuur afgebeeld (27). Ook het gereduceerd kadaster van 1850 leverde interessante informatie op: het centraal eiland van het monument wordt afgebeeld als een opgehoogde zone (28). Het Gasteel van Assebrouck behoort tot het hof van Assebroek, één van de vier leenhoven van
Kaart uit 1636 met vermelding van Casteeie van Afsebrouck ter hoogte van het circulair monument ( © Ri|ksarchicf Brugge. Fonds
£AJU,-
Kaarten en Pl.ms ni SM)
# /u? uyniO
>.nS \n
. i 1 r -'
44 I M&L
ïi^
r
A 4tó
Kadastrale kaart waarop het centrale eiland weergegeven is als een apart, opgehoogd perceel (© Rijksarchief Brugge, Fonds K. Mestdagh. nr. 15)
Assebroek, dat voor het eerst vermeld wordt in 1201 (29). Het leenhof behoorde oorspronkelijk tot de heren van Assebroek, een adellijke familie uit de directe omgeving van de hofhouding van de graven van Vlaanderen, In 1187 wordt in de historische bronnen voor het eerst melding gemaakt van een 'Heer van Assebroek', wat suggereert dat er in dat jaar - in welke vorm ook - een hof/leengoed aanwezig is (30). Het leengoed lijkt heel specifiek verbonden aan inkomsten uit het oud grafelijk domein, namelijk inkomsten uit de veenontginning en -verkoop. De heren van Assebroek zijn immers de ontvangers van de Brevia de Roya, de in cijns omgezette inkomsten uit veenontginningen in de buurt van Brugge (31). Aangezien deze vercijnzing teruggaat tot de i2 de eeuw, kunnen we veronderstellen dat er in die eeuw - en waarschijnlijk ook voordien - grootschalige ontginningen van veen in de omgeving van Brugge gebeurd zijn. De oprichting van het hof van Assebroek moet gezien worden binnen de context van de organisatie en het beheer van deze veeninkomsten, vermoedelijk in de omgeving van Sysele en Assebroek. Waarschijnlijk had dit leengoed, gezien de tijdscontext, een klassieke opperhof-neerhofstructuur. Een bron van 1509 vermeldt een mote ofte walleken op het terrein van de pastorij, wat suggereert dat zich op het terrein van de pastorij ofwel een kleine
Kogelvormige drinkbeker uit het onderste slibpakket van walgracht i, te dateren in de I3de- begin i4de eeuw (foto Ruben Willaert bvba)
motte ofwel een site met walgracht bevond (32). Men kan zich dan ook de vraag stellen of het Gasteel van Assebrouck teruggaat op een motte of eerder een afgeleide site is van een motte. Het is mogelijk dat het leenhof, inclusief de kerk en de circulaire structuur, samen en in één keer ingericht werd. In dat geval richtte de graaf van Vlaanderen in het laatste kwart van de i2 de eeuw een deel van de leengoederen van Sysele in als een afzonderlijke ondergeschikte heerlijkheid en leengoed en- hof. De inrichting zou perfect te verklaren zijn vanuit een politiek om de beheerders van de domeinen van de Brevia de Roya te voorzien van feodale inkomsten en posities. Op die manier kon de status van de ontvangers van deze belangrijke inkomenspost van het grafelijk domein geïnstitutionaliseerd worden. Gezien de veenontginning een belangrijke
M LI 45
inkomstenbron was van de heren van Assebroek, zou deze hypothese verklaren waarom de kasteelsite middenin een veengebied aangelegd werd. Een tweede hypothese is dat het leengoed en -hof in se ouder zijn dan het laatste kwart van de i2 de eeuw. De vermelding van een telg van het geslacht van Assebroek in 1187 is ook niet meer dan een voorzichtige terminus ante quem voor het verschijnen van een leengoed. Binnen deze hypothese zou het dus kunnen dat er een ouder geslacht van veenontvangers en heren van Assebroek bestond, waarover de bronnen geen melding maken. Dit geslacht kan een leengoed en -hof in leen van de graaf hebben gehouden, waar zij een heerlijk centrum inrichten volgens de traditionele opperhofen neerhofstructuur. In dit geval moet het opperhof nabij de kerk gelegen hebben. De bronnen vermelden inderdaad een mote op het terrein van de pastorij. Kan dit een aanwijzing zijn van de hypothetische motte in kwestie? Hoe dan ook lijkt het binnen de gestelde hypothese, dat de latere formatieprocessen van het dorp de oorspronkelijke structuur hebben uitgewist. Binnen deze denkpiste is het circulaire monument een latere toevoeging en inplanting, met andere woorden, een aanpassing van de structuur van de elitaire site of manor.
Typologie Het kasteel van Ver-Assebroek vertoont enkele vormelijke en functionele kenmerken, die ook voorkomen bij de traditionele mottekastelen. Tegelijkertijd zijn er een aantal gegevens die niet met dit versterkingstype in overeenstemming te brengen zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten vermoeden we immers dat het monument opgericht werd tijdens de 12* eeuw door een adellijke familie uit de directe omgeving van de hofhouding van de graven van Vlaanderen. Zoals we reeds aanhaalden, bouwde alleen de lage adel nog mottes in deze periode. Tijdens het onderzoek is ook gebleken dat het humeus zand waarmee de wallen opgehoogd zijn, niet afkomstig is van de nabijgelegen dekzandrug. Tijdens de oprichting van het monument heeft men met andere woorden ontelbare karrenvrachten zand tot in Assebroek gebracht. Deze onderneming, in de schaduw van Brugge, maar ook in de schaduw van de grote heerlijkheid van Sijsele,
46 I M & L
kan niet onopgemerkt voorbij zijn gegaan. De aanleg van het monument zal bovendien ook de nodige maanden werk hebben gevraagd. In deze context is het interessant om de aandacht te vestigen op de figuur van Boudewijn I van Assebroek: één van de heren van Assebroek, die in botsing komt met het grafelijke huis. De omvang, ambitie, kost en betekenis van het indrukwekkende kasteel zijn niet doorsnee, maar lijken thuis te horen in een sociopolitieke context van machtsambitie. In deze zin is Boudewijn I een historische figuur om dergelijk kasteelsite opgericht te hebben. In Nederland zijn er verschillende voorbeelden van soortgelijke monumenten, die echter pas in de laatste decennia als een afzonderlijke kasteelgroep herkend zijn (33). Het gaat om de groep van de ronde kastelen. Omwille van het gegeven dat deze kastelen een bepaalde ophoging hadden, werden ze lange tijd foutief als mottekastelen geklasseerd, met consequenties voor de datering. Nieuw archeologisch en historisch onderzoek stelde de klassering en datering van cirkelvormige kastelen met diverse grachten grondig bij en laat ons zien dat er ten eerste veel meer van dergelijke kastelen voorkomen dan eerst gedacht en dat ze vrij systematisch opgericht werden tussen 1150 en 1350. In sommige gevallen ontwikkelden de kastelen zich geleidelijk aan uit oudere mottekastelen, in vele andere gevallen gaat het om volstrekt nieuwe creaties (34). In Nederland zijn de kastelen van deze groep geconcentreerd in twee gebieden, namelijk het graafschap Holland (groep eerste helft 13d1' eeuw) en het Nedersticht (tweede helft 13* eeuw). In beide gebieden waren de kastelen van deze groep verbonden aan de hoge adel: figuren uit de directe omgeving van de graven en de bisschoppen (35). De kastelen die behoren tot de groep van de ronde kastelen bestaan telkens uit cirkelvormige centrale eilanden, omgeven door één of meerdere grachten en wallen. De centrale eilanden hebben steeds een diameter van ca. 40m en zijn 1 tot 2m opgehoogd, zodat het centrale eiland boven het maaiveld kwam te liggen. De meeste kastelen werden ingeplant in natte gebieden, zodat de ophoging van het centraal eiland zowel functioneel (droog houden) als symbolisch (militair) was. Op het binnenterrein werd meestal een woontoren of zaalbouw opgetrokken, al dan niet losstaand van of geïntegreerd in een ringmuur.
Luchtfoto van Kuinre It. Deze burcht, gelegen in Flevoland, vertoont heel wat morfologische overeenkomsten met het kasteel van Ver-Assebroek (foto Provincie Flevoland)
Het kasteel van Ver-Assebroek onderscheidt zich door de aanwezigheid van vier grachten en wallen, wat voor deze groep uitzonderlijk was. Er zijn slechts twee andere gevallen gekend van cirkelvormige kasteelsites met vier walgrachten, namelijk Oegstgeest en Eelde (36). Dat Assebroek zich bij deze groep aansluit toont de ambities van de Heren van Assebroek, wat ook bevestigd wordt door de geschreven bronnen. In feite hebben we te maken met een bouwsel dat door het grafelijke huis vanuit de idee van de Pax comitis, de garantie van veiligheid in Vlaanderen onder haar centraal gezag, nauwelijks getolereerd kon worden. Het monument symboliseert immers ambitie op het vlak van status, maar ook op het militaire niveau. Assebroek lijkt zo niet alleen een uitdaging aan het adres van het grafelijke huis, maar ook aan de andere adel in Vlaanderen. Waarom werd dit type van rondburg in Assebroek gebouwd, vrij ver uit het concentratiegebied in Nederland? Was er een familiale link? Kwamen deze ringburgen toch ook voor buiten de eerder vermelde concentratiegebieden? Is het door de latere meer residentiële kasteelontwikkelingen op vele sites dat de i3de-eeuwse rondburgconstellaties dikwijls weer uit het landschap verdwenen zijn? In elk geval combineerden de diverse concentrische grachten een ornamenteel-symbolische en militaire betekenis, die in de tijd- en ruimtecontext indrukwekkend geweest moeten zijn.
Conclusie Het onderzoek naar de circulaire structuur in Ver-Assebroek was succesvol. De vraag van het
Kuinder Schans Burcht I
'Cf
agentschap Onroerend Erfgoed om het monument te dateren en te duiden, met het oog op een eventuele bescherming als archeologische zone, werd beantwoord; de structuur is het relict van een indrukwekkende waterburcht uit de late middeleeuwen en is als zodanig momenteel uniek in Vlaanderen. Daarmee zijn er voor het eerst wetenschappelijke gegevens aangebracht voor een problematiek die al decennialang de gemoederen
Schematische voorstelling van burchten Kuinre I en II (foto Provincie Flevoland)
M&L I 47
van archeologen en historici beroerd heeft. De louter morfologische en statisch-vormelijke analyse van het monument was de oorzaak van deze discussie. Hoe onvermijdelijk het ook is, als archeologie zich alleen op morfologie en typologie richt, botst ze onvermijdelijk op problemen van equifinaliteit: eenzelfde vorm kan uit diverse perioden dateren en is op basis van de vorm alleen niet te interpreteren. Door de interdisciplinaire en geïntegreerde aanpak van het onderzoek, met onder meer aandacht voor de landschappelijke en ecologische situatie en de geschreven bronnen, konden we het monument in zijn context plaatsen en duiden. De opgraving liet uiteindelijk toe om het monument nader te dateren en een zicht te krijgen op het materiële karakter van de bewoning op de site. Het onderzoek was beperkt tot een evaluatie en analyse met het oog op bescherming. Niettemin werden er een aantal belangrijke onderzoeksaspecten aangekaart. Hoe beperkt de eigenlijke opgraving ook was, een smalle proefsleuf over het hele terrein, de data uit het onderzoek werpen vragen op rond de relatie tussen ecologie, macht en materiële cultuur in laatmiddeleeuws Vlaanderen. Het Gasteel van Assebmuck is een belangrijke getuige van de sociaal-economische en sociaal-politieke ontwikkelingen in de kern van het graafschap Vlaanderen, op dat ogenblik één van de meest vooruitstrevende streken in Europa. Het is een interactief artefact dat niet passief werd gebruikt als versterking of woonst als zodanig, maar dat een boodschap uitdroeg. Het incorporeerde een keuze en stond in dialoog met de wereldvisie van de adellijke familie die het oprichtte, met het sociale netwerk rond de hofhouding van de grafelijke dynastie én met visies op kasteelbouw en betekenis in het zuidelijke Noordzeegebied. Het kasteel raakt dan ook de problematiek aan van de transfer van ideeën rond de sociale betekenis en technologie van artefacten en structuren zoals een kasteeltype. De geïntegreerde benadering van het onderzoek leidde ons met andere woorden naar de betekenis van deze structuur als vorm van materiële cultuur. Het lijkt dan ook meer dan de moeite waard om de relaties tussen de materiële leefwereld van het kasteel, het gebruik van landschap en milieu en sociale en andere ideeën van de mensen rond het kasteel verder te onderzoeken vanuit interdisciplinair perspectief.
Caroline Ryssaert had de algemene leiding over de studieopdracht. Momenteel is zij afdelingshoofd archeologie bij Antea Group. Janiek De Gryse en Pedro Pype zijn archeologen bij Ruben Willaert bvba. Dries Tys is docent Middeleeuwse Archeologie en Landschaps geschiedenis in de Vakgroep
Kunstwetenschappen en Archeologie van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Cecile Baeteman is Quartairgeoloog bij de Geologische Dienst van België-KBIN en hoofddocent aan de Vrije Universiteit Brussel (MEMC). Joep Orbons is senior specialist archeologisch-geofysisch onderzoek bij ArcheoPro. Delfien Termote is historica en archeologe.
Eindnoten (i)
Ministerieel besluit van 17 maart 2011 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologische zone van de circulaire structuur van Ver-Assebroek te Brugge (publicatie Belgisch Staatblad op 1 april 2011).
(2)
RYSSAERT C , DE GRYSE J., TYS D., BAETEMAN C , ORBONS J., PYPE P., TERMOTE D. en GERMONPREZ D., Archeologische evaluatie en waardering van de circulaire structuur van Ver-Assebroek (gemeente Brugge, provincie WestVlaanderen), (onuitg. rapport), Ruben Willaert bvba, 2010. Het integrale rapport is beschikbaar op de website van het agentschap Onroerend Erfgoed. De auteurs danken iedereen die heeft bijgedragen tot deze studieopdracht in het bijzonder alle eigenaars van de onderzochte percelen, met name het Agentschap Natuur en Bos, de heer W. Degroote en de heer E. Saelens, voor hun toestemming om archeologisch onderzoek op het circulaire monument uit te voeren.
(3)
Wat de heemkundige literatuur over het circulaire monument betreft, verwijzen we onder andere naar DE SMET J. en STALPAERT H., Assehroek: heemkundige schets, Brugge, 1950. AMERYCKX J., Merkwaardige oudheidkundige vondst te Assehroek , in Biekorf, jg. 56, nr. 7-8,1955, p. 205-209. DE MEULEMEESTER f., Circulaire vormen in het Vlaamse kustgebied, in Archaeologia Belgica, jg. 23, nr. 4. Brussel,
(4) (5)
1981, p. 15. (6) TAVERNIER S. en VAN COMPEL D., Opmeten van een middeleeuwse kustversterking. Proefschrift voorgedragen tot het behalen van een diploma van gegradueerde in de topografie o.l.v. F. De Laet & J. Missine (onuitg. verh.), Mechelen, 1982-1983. (7)
SOERS K., Assehroek, Archeologische Inventaris Vlaanderen, band IX, Gent, 1987. (8) Databank Luchtfotografie van de Vakgroep Archeologie van de Universiteit Gent. Onze dank voor het ter beschikking stellen van de luchtfoto's. (g) VAN HEERINGEN R.M. (red.), Vroeg-Uiddeleeuwse nngwalhurgen in Zeeland, Amersfoort, 1995, p. 22. (10) Zie onder meer; DE MEULEMEESTER )., Aardige Aarden Monumenten, in Mejt (Monumenten, Landschappen en Archeologie), jg. 3, nr. 4,1985, p. 25-27; SOERS K., Assehroek, Archeologische Inventaris Vlaanderen, band IX, Gent, 1987, p. 167-169. (11) DE MEULEMEESTER ].; Circulaire vormen in het Vlaamse kustgebied, Archaeologia Belgica 234, Brussel, 1981. (12) DE MEULEMEESTER J., Castrale motten in België, Miscellanea Archaeologica in honorem H. Roosens, Archaeologia Belgica, 255, 1983, p. 119-225; Een motte bestaat over het algemeen uit een imposante aarden heuvel, het opperhof, die verdedigd werd door één of meerdere walgrachten en palissades. De hoogte van het opperhof kon variëren van 2m tot 2 0 m en de diameter van 4 0 m tot 50m. Het uitgesproken militaire en/of symbolische karakter van het opperhof werd benadrukt door de oprichting van een torenvormig of zaalvormig gebouw bovenop het heuvellichaam. Vanaf de 13d'' eeuw verliezen de mottes geleidelijk hun militaire karakter en worden ze omgebouwd tot of verlaten voor stenen burchten met meer aandacht voor het residentiële aspect en het comfort. Dit laatste gebeurt vooral door de hogere adel; de lagere adel werpt in de i3 de eeuw nog steeds nieuwe mottekastelen op.
(i3) AMERYCKX J., Merkwaardige oudheidkundige vondst te As-(27) Brugge, Stadsarchief: Kaart cat. nr. 148, schilderij met voorsebroek . in Biekorf. |g. 56, nr. 7-8,1955, p. 205-209. stelling van de streek ten oosten van Brugge, (i6de eeuw) (14) De beek 'het Sint-Trudoledeken' loopt aan zuidelijke zijde (20sleeeuw). (28) Brugge, Rijksarchief: Fonds K. Mestdagh, nr. 15, Kadastrale van het monument, ter hoogte van de vierde walgracht. Kaart van de gemeente Assebroek uit 1815, ter voorberei(15) VANDENBERGHE J., VANDENBERGHE N. en GULLENTOPS F., Late Pleistocene and Holocene in the neighbourhood ding voor de kaart van het gereduceerde kadaster. (29) DE SMET J. en STALPAERT H.. Assebroek: heemkundige of Brugge, in Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 36, }, schets, Brugge, 1950, p. 42. 1974. DE MOOR G. en HEYSE L, De morfologische evolutie(30) GYSSELING M., Toponymisch woordenboek van België, van de Vlaamse Vallei, in De Aardrijkskunde. 4, 1978, p. 343Nederland, Luxemburg. Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), Antwerpen, i960, p. 74. 375(16) MOSTAERT F. en DE MOOR G., Eemian deposits in the (31) GILLIODTS-VAN SEVEREN L, Coutumes du Bourg de neighbourhood of Brugge: a palaeogeographical and sea-level Bruges, tome 1, Bruxelles. 1883-1885, p. 147-148; TYS D., reconstruction, in Bulletin van de Belgische Vereniging voor Domeinvorming in de 'wildernis' en de ontwikkeling van vorstelijke macht: het voorbeeld van het bezit van de graven van Geologie, 93, 3,1984. p. 279-286. Vlaanderen in het IJzerestuarium tussen goo en 1200, in VAN (17) VANDENBERGHE ].. VANDENBERGHE N. en GULLENTOPS F., Late Pleistocene and Holocene in the neighbourhood BAVEL [red.]. Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, jg. 7, of Brugge, in Mededelingen van de Koninklijke Academie voor 2005, p. 34-87. Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 36,(32) 3, 1509: Brugge, Rijksarchief, Ommelopers collectie Mestdagh, nr. 789, Grote verhoofding van parochie en heerlijk1974, DE MOOR G. en HEYSE L, De morfologische evolutie heid Assebroek (1509-1630), 5r°. van de Vlaamse Vallei, in De Aardrijkskunde, 4, p, 343-375. 1978, VERBRUGGEN C. 1999, Quaternary palaeobotanical (33) DE BOER P.C. en GEURTS A.J., Oude Burchten in het Nieuevolution of Northern Belgium, in Geologica Belgica, 2/3-4, we Land. De middeleeuwse kastelen van Kuinre in de Noordoostpolder. Lelystad, 2002. p. 87. p. 99-110. (18) PEDLEY H.M., Classification and environmental model of cool(34) JANSSEN H., Zwischen befestigung und Residenz. Zur Burfreshwater tufas. Sedimentary Geology. 68.1990. p. 143-154; genforschung in den Niederlanden. in GROSSMANN G, en v. HOEK W., Palaeogeography of Lateglacial Vegetations. Aspects BUREN G. (eds.). Burgen und Schlösser in den Niederlanden oflateglacial and Early Holocene vegetation, abiotic landscape, und in Nordwestdeutschland Munich, 2004, p. 9-34. and climate in The Netherlands. Proefschrift Vrije Universi- (35) JANSSEN H., op.cit.. p. 21. teit Amsterdam, 1997. (36) Respectievelijk 13* en i^ eeuw en 13''' eeuw. DE BOER (19) BP: Before Present (vanaf 1950). P.C. en GEURTS A.J., op.cit., p. 90-gi. (20) VAN STRYDONCK M., Radiocarbon dating report Assebroek (onuitg. rapport), 2009. De HC-datermg werd uitgevoerd op twee stalen, afkomstig van de natuurlijke veensequentie van proefsleuf 2. We dienen hierbij op te merken dat deze stalen niet het absolute begin van de veengroei weerspiegelen: om contaminatie ter vermijden werden de stalen enkele centimeters boven de grens met de kalkgyttia genomen. (21) Om deze discussie definitief te beslechten zou een uitgebreid onderzoek uitgevoerd moeten worden, waarbij de stratigrafische observaties op basis van boorkartermgen in een ruimer gebied aangevuld worden met een systematische '4C-datering van het veen en pollen- en macrorestenonderzoek. (22) Tijdens de herinrichting van het gebied werden ook laantjes aangelegd over het monument. (23) Op de kadastrale kaart van de gemeente Assebroek uit 1815 wordt het centrale eiland van het monument duidelijk afgebeeld als een opgehoogde zone. Brugge, Rijksarchief: Fonds K. Mestdagh, nr. 15, Kadastrale Kaart van de gemeente Assebroek uit 1815, ter voorbereiding voor de kaart van het gereduceerde kadaster. {24) Eén staal van de heipalen leverde voldoende groeiringen op om een dendrochronologische datering toe te laten. Omdat op de paal geen spintringen waargenomen zijn. kon voor de veldatum van de boom -het kalenderjaar waarin de boom werd gekapt- enkel een terminus post quem berekend worden. De vroegst mogelijke veldatum is na 1305 n. Chr. te situeren (HANECA K., Palen uit circulaire structuur in de Assehroekse Meersen, Ver-Assehroek (prov. West-Vlaanderen) (onuitg. rapport, 2009-019), 2009). Het feit dat deze datering jonger is dan de ''C-analyses en de datering van het oudste aardewerk hoeft niet op een discrepantie te wijzen: mogelijk maakt de paal deel uit van een structuur die later aangebracht is of betreft het een herstelling. (25) C-datering op organisch materiaal uit de onderste vulling van walgracht 1 wijst op een datering tussen 1175-1270 n. Chr. (KIA 40534) en 1220-1285 n. Chr. (KIA 40544). Op basis van deze datering gaan we uit van 1175 n. Chr. als terminus post quem. VAN STRYDONCK M., Radiocarbon dating report Assebroek (onuitg. rapport), 2009. (26) Brugge. Rijksarchief: Fonds Kaarten en Plans, nr. 534; Kaart met de grenzen van de heerlijkheid Sijsele aan de kant van de stad Brugge, kopie naar de kaart van M. Rycx uit 1636. een kaart van J. Lobbrecht in 1716. gemaakt door J.F. Lammeirein 1760.
Kasteel van Beersel. Een evaluatie na de eerste restauratiefase Karel Breda, Lode De Clercqjaniek De Cryse, Michel de V/aha, Frans Doperé, Pedro Pype en Isolde Verhulst
De huidige werken aan het kasteel van Beersel
Restauratiecampagnes
vormen in zekere zin het sluitstuk van de restauratie Fase I
die in de jaren 1928-1939 werd uitgevoerd onder
De eerste restauratiefase duurde van november 2007 tot september 2009 en betrof hoofdzakelijk de verbetering van de waterhuishouding van de kasteelgracht en het herstel van de fundering van het kasteel. Enkel de meest noodzakelijk ingrepen werden uitgevoerd en slechts een minimum aan steenwerk werd vervangen. De oorspronkelijk gebruikte en lokale natuursteensoorten, zijnde de lediaanse en brusseliaanse, werden gerestaureerd met identieke materialen afkomstig van de infrastructuurwerken voor het DIABOLO-project te Machelen-Diegem (1).
leiding van Raymond Pelgrims de Bigard. De afgelopen restauratiefase had als eerste doel het m o n u m e n t bouwfysisch te conserveren o m het op een duurzame wijze te kunnen overdragen aan de volgende generatie en het vervolgens op een meer aantrekkelijke manier te ontsluiten voor het publiek. Door samenwerking van architecten, archeologen, bouwhistorici en -specialisten werd een coherent en geïntegreerd project opgezet en uitgevoerd. Het middeleeuwse karakter dat het kasteel vandaag
Tijdens deze fase werd de restauratie ondersteund door en aangevuld met een archeologisch onderzoek (2). Dit onderzoek vond hoofdzakelijk plaats in de gracht, vermits het ook de hieraan grenzende delen waren die tijdens de werken werden hersteld. Tijdens de volgende fase wordt dit onderzoek uitgebreid naar de binnenkeer om zich dan in de laatste fase toe te spitsen op het omgevende landschap. Het team van archeologen heeft ten behoeve van de interpretatie en conservatie van de vondsten beroep gedaan op gespecialiseerde onderzoekers. Op deze manier werd niet alleen de opgraving op een wetenschappelijke manier uitgevoerd, maar kon tevens de bouwgeschiedenis bijgesteld en aangevuld worden.
nog bezit, werd zodoende gevrijwaard en bestendigd.
De restauratie ging eveneens gepaard met een onderzoek naar de aanwezige, waardevolle vegetatie
3D-model en fotomappmg van het kasteel (© Architectuurbureau Karel Breda bvbal
50 I M & L
op de kasteelmuren (3). Deze inventaris werd aangevuld met aanbevelingen voor een optimaal behoud van de soortenrijkdom, en dit vóór, tijdens en na de werken. De werken in de buurt van waardevolle vegetatie werden hieraan aangepast. Om een zo coherent mogelijke restauratie te kunnen uitvoeren, werd gebruik gemaakt van nieuwe en innoverende technieken. Deze stelden ons in staat de nodige ingrepen, accuraat en enkel waar nodig, uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van geo-elektrische metingen voor en na injectiewerken en het gebruik van aluminium micro-schroefpalen als versteviging van de fundering van steunberen. Het geheel van al deze ingrepen werd verwerkt in het jD-model van het kasteel. Het gebruik van een gerefereerd digitaal model tijdens de verschillende stappen in een restauratiedossier, reeds van bij het voorontwerp, zorgt ervoor dat op elk moment en door elke partner het restauratieproces nauwgezet kan gevolgd worden (4). Deze informatiedoorstroom werd opgestart tijdens het voorontwerp en verdergezet tijdens de werkzaamheden. De vooraf ingeschatte hoeveelheden en uitvoeringen kunnen eenduidig worden getoetst aan de werkelijkheid, de vorderingsstaten en dus het financiële beheer wordt hieruit afgeleid met als resultaat een correcte en niet betwistbare afrekening en een compleet en uiterst gedetailleerd as-built-phn. Tijdens de werken kan eenvoudig de impact van restauratiebeslissingen worden afgetoetst. Na de werken vormt het, gezien de huidige technologische ontwikkelingen in de restauratiesector, een onmisbaar document voor de volgende generaties.
Aan de eerste fase van de restauratiewerken werd een publieksluik gekoppeld in de vorm van een bezoekerscentrum. Hier wordt de bezoeker op een
hedendaagse wijze geïnformeerd over het vroegere, huidige en toekomstige bestaan van het kasteel. Het kwam tot stand in een samenwerking tussen de gemeente, het ontwerpteam, het Heemkundig genootschap van Witthem, de archeologen en de dienst Cultuur van de provincie Vlaams-Brabant. Wegens het grote succes van deze opstelling heeft de gemeente beslist om het bezoekerscentrum te behouden gedurende de volledige duur van de restauratiewerken (ook gedurende de komende fasen). We zijn van mening dat een sensibilisering van het publiek, van bij de aanvang van de werken, essentieel is voor een duurzaam behoud van het monument. Tevens wordt hiermee een aanzet gegeven naar een toekomstige herbestemming van het kasteel. In het bezoekerscentrum, dat hoofdzakelijk bestaat uit twee werfcontainers met daarrond een
De restauratiewerkzaamheden f© Architectuurbureau Karel Breda bvbaj
betimmering, wordt op een bevattelijke en kindvriendelijke manier de geschiedenis van het kasteel getoond. In een van de containers is een tentoonstelling over archeologie opgebouwd waarbij zowel de vondsten uit de gracht, het leven op het kasteel als de multidisciplinaire aanpak worden belicht. In de andere container werd een projectielokaal ingericht waar de 3D-reconstructie van het kasteel wordt geprojecteerd. Hierin wordt de archeologische opgraving gevisualiseerd en zijn ook de resultaten van het bouwhistorisch onderzoek weergegeven. Het team van ontwerpers en bouwheer wil op deze manier het publiek nauw betrekken bij de restauratie en ziet dit tevens als eerste aanzet naar de toekomstige herbestemming van het kasteel.
Topografische situering van het Kasteel van Beersel (© Digitaal Hoogtemodel van Vlaanderen. MOW-Afd WL. VMMAfd Water en AG1V|
Fase II & III Na de succesvolle voltooiing van deze eerste fase, is ondertussen de volgende stap gezet. Het bestek voor de tweede fase van de restauratie werd overgemaakt aan de dienst Ruimte en Erfgoed van de Vlaamse Overheid en werd voorafgaandelijk door het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente goedgekeurd. Deze fase omvat de restauratie van de bovengrondse delen van het kasteel (met uitzondering van de binnenkoer), de daken en het archeologisch onderzoek van de binnenkoer. De gemeente en bevoegde overheden zouden graag ook tijdens deze fase het kasteel blijvend willen openstellen voor het publiek en ze voorzien de ontsluiting en de communicatie verder te zetten. De derde en laatste restauratiefase omvat het veilig toegankelijk maken van het kasteel en een herinrichting als bezoekerscentrum. Hieraan zal een uitgebreide educatieve werking gekoppeld
120-r
2.000
52 I M
L
4.000
6.000
worden samen met de uitbouw van meer permanente voorzieningen voor tijdelijke evenementen zoals de kasteelfeesten en andere publieksgebonden projecten.
Bouw van het kasteel Impact van de (micro-)topografische ligging op de morfologie en opbouw van het kasteel Het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHM) illustreert duidelijk dat het kasteel werd opgetrokken op een smal plateau, dat aansloot op het overstromingsgebied van de Zenne (5). Het plateau heeft enkele belangrijke militairstrategische troeven: de overgang naar de Zennevallei is vrij steil en sterk bebost en aan de zuidelijke zijde van het plateau komt een steile heuvelrug met een dichte bebossing voor. Dankzij deze strategische inplanting domineerde het kasteel de Zennevallei en controleerde het enkele belangrijke verbindingswegen. Afgezien van het feit dat deze wegen een belangrijke economische rol vervulden, werd de controle ervan vooral ingegeven door militaire motieven. Het kasteel van Beersel was tijdens de late middeleeuwen een belangrijke schakel in de verdediging van het hertogdom Brabant: het kasteel functioneerde immers als een vooruitgeschoven verdedigingspost van Brussel (6). Elk leger dat bijvoorbeeld vanuit het naburige Halle of Kasteelbrakel de hoofdstad van het hertogdom Brabant wou innemen, diende eerst het kasteel van Beersel in te nemen. De taak van het kasteel bestond dan ook vooral uit het afremmen van de oprukkende legers en het verstoren van de bevoorrading. Het kasteel kon ook offensief een belangrijke rol spelen: tijdens belegeringen van Halle was het kasteel van Beersel de ideale uitvalsbasis en/of bevoorradingspost. Bovendien kon Beersel het economische leven van Halle - in tijden van spanningen - volledig destabiliseren, dankzij de controle van de handelswegen. De militair-strategische rol die het kasteel van Beersel vervulde, vertaalt zich in het grondplan van het huidige kasteel: het kasteel wordt gedomineerd door drie zware D-vormige hoektorens die gericht zijn op de Zennevallei. Dit verklaart waarom de noordelijke helft van het kasteel opmerkelijk zwaarder uitgebouwd is dan de zuidelijke helft. Zoals we hierboven reeds opmerkten, was de
Situering van het kasteel van Beersel op de topografische kaart {© Databank Ondergrond Vlaanderen, ©2005 DOV)
uitgeschuurd door een zijtak van de Zenne (7). In deze alluviale vallei kwam voor de bouw van het kasteel een moerasbos met hoge bomen en struiken voor. Aanwijzing hiervoor is het voorkomen van een ca. 25 cm dikke veenlaag ten zuiden en, in mindere mate, ten oosten van het kasteel. In dit pakket werden vrij veel stuifmeelkorrels van els aangetroffen, kleine houtfragmentjes - vermoedelijk ook els - en macroresten van zeggesoorten uit venige vegetaties (8). De vrij talrijk aanwezige pollen van linde, een boomsoort van drogere bosgrond, zijn waarschijnlijk afkomstig van de hogere heuvelruggen.
zuidelijke zijde van nature immers beschut door een steile, beboste heuvelrug. Het verklaart ook waarom het kasteel slechts uit drie hoektorens bestaat: de hoektorens zijn immers zo ingeplant om een zo wijd mogelijk beeld van de Zennevallei te hebben. De vierde hoektoren kon geen enkel strategisch voordeel opleveren, omdat de zichtbaarheid door de sterk beboste heuvelruggen aan deze zijde van het kasteel nihil was. Wat de micro-topografische inplanting betreft, is uit het onderzoek gebleken dat het kasteel opgetrokken is langs de oever van een moerassige microvallei.
Veenpakket in proefsleuf 3; restant van een moerasbos ( © Ruben Willaert bvba)
De vaststelling dat dit veenpakket afgedekt werd door een 35 cm dik gyttia-achtig pakket suggereert dat het onderliggende veen op een bepaald ogenblik overspoeld werd, waarna een situatie met open water ontstond waarin gyttia-sedimenten afgezet werden (9). Het palynologisch onderzoek bevestigt dat de oorspronkelijke bosrijke omgeving op een bepaald ogenblik geëvolueerd is naar een opener landschap. Het voorkomen van grotere hoeveelheden grassen en cypergrassen wijzen wellicht op de ontginning van het moerasbos en het ontstaan van natte graslanden (10). Uitgaande van de onregelmatigheid van het oppervlak, mogelijk veroorzaakt door trampling, vermoeden we dat het om weilanden gaat (n). Op sommige plaatsen stonden deze weilanden waarschijnlijk enkel in de winter volledig onder water; op andere plaatsen stonden ze permanent onder water. Het gyttiaachtig pakket werd op zijn beurt afgedekt door een laag sterk vergaan veen met een dikte van 18cm. Zowel de stuifmeelkorrels als de macroresten wijzen opnieuw op de aanwezigheid van natte weidegronden (12). Stuifmeelkorrels van bomen waren in dit pakket nauwelijks aanwezig. Het voorkomen van pollen van onder andere cultuurgewassen, akkeronkruiden, ruderalen.
M & L I 53
Westelijke sector van de zuidelijke keermuur: elzenhouten palen ) Ruben Willaert bvba)
Centrale sector van de zuidelijke keermuur: spaarbogen ( © Ruben Willaert bvba)
54 I M L
Oostelijke sector van de zuidelijke keermuur: funderingsmuur, opgebouwd uit breuksteen ( © Ruben Wülaert bvba)
tredplanten en kruiden impliceert dat men op het plateau of in de onmiddellijke omgeving daarvan aan landbouw deed (13). Algemeen kunnen we concluderen dat het moerasbos dat zich oorspronkelijk in de alluviale vallei bevond, geëvolueerd is naar een semi-natuurlijke graslandsituatie waar de weilanden vooral tijdens de winter overspoelden. Het palynologisch onderzoek wijst daarna op een gebruik van het terrein als akkerland. Volgens Dr. Roger Langohr duidt de aanwezigheid van een afwisseling van zandige en kleiige lagen en organische bandjes er op dat het terrein uiteindelijk op korte tijd overstroomd is (14). Men kan de vraag stellen of deze overstroming het gevolg is van een menselijke ingreep en of deze ingreep verband houdt met de bouw van het kasteel. In navolging van Michel de Waha vermoeden we dat de overstroming veroorzaakt werd door het omleggen of kanaliseren van een van de twee beken, die ontspringen in de zuidelijke heuvelrug en uiteindelijk de Sint-Lambertusbeek vormen (15). De aanpassing diende waarschijnlijk om de gracht rond het kasteel permanent van water te voorzien en op die manier de watertafel rond het kasteel kunstmatig te verhogen.
Tijdens het optrekken van de fundering van het kasteel heeft men duidelijk rekening gehouden met de landschappelijke en bodemkundige context. Het hierboven besproken veenpakket werd enkel aan zuidelijke zijde en, in mindere mate, ook aan oostelijke zijde van het kasteel vastgesteld. Hieruit kunnen we afleiden dat deze zones veel natter en bijgevolg onstabieler waren dan de voorzijde van het kasteel, vermoedelijk door de regelmatige overstromingen van de Sint-Lambertusbeek. Dit verklaart waarom ter hoogte van de zuidelijke keermuur van het kasteel andere funderings-
technieken toegepast zijn dan bij de overige courtines (16). Ter hoogte van de westelijke sector van de zuidelijke keermuur, aansluitend op toren III, werd onder de natuurstenen fundering een opeenvolging van elzenhouten palen vastgesteld, die ingeheid waren tot in de natuurlijke bodem. De diameter van de heipalen varieerde van 12 tot 30cm; de onderlinge afstand van 5 tot 30cm. Waarschijnlijk werden de palen in de bodem ingeheid tijdens het bouwrijp maken van het terrein. Ten gevolge van de instabiliteit van de moerassige bodem diende de grond eerst verdicht te worden vooraleer men kon beginnen met het optrekken van de fundering. Ook de houten palen die tijdens het sonderingsonderzoek her en der ten zuiden van de zuidelijke courtine aangetroffen zijn, moeten vermoedelijk in deze context geïnterpreteerd worden (17). Het centrale gedeelte van de zuidelijke courtine was opgetrokken uit een reeks natuurstenen spaarbogen, waarvan de funderingspijlers wellicht tot op het tertiaire substraat aangelegd waren. De spaarbogen hadden telkens een breedte van ca. 2,5 m. Het gebruik van spaarbogen in de funderingen van gebouwen is een vaak voorkomende techniek, vooral in het geval van drassige en instabiele bodems (18). De oostelijke sector van de zuidelijke courtine was in tegenstelling tot de westelijke en centrale sector veel steviger gefundeerd. Deze zone was immers voorzien van een fundering opgebouwd uit onregelmatige breuksteen, gekenmerkt door één versnijding en eveneens aangelegd tot op het tertiaire substraat (19). Nochtans kunnen we aannemen dat de bodem aan de oostelijke zijde van de zuidelijke courtine even nat was dan aan de westelijke zijde. In de proefsleuf aan de oostelijke zijde van het kasteel kon het veenpakket, afgedekt door het overstromingspakket, immers opnieuw
1VI&L I 55
\
| | 1 RubenWillaert
y '
\
Grondplan van het kasteel van Beersel met rood: proefsleuven, blauw: sonderingen stortkokers, groen; sonderingen brugconstructie, geel: bijkomende sonderingen z-fundering, paars: werfcontrole ( © Ruben Willaert bvba)
vastgesteld worden (20). Aan deze zijde werd onderaan een stabilisatiepakket van onregelmatige breuksteen in los verband aangetroffen; de eigenlijke fundering in natuursteen rustte op dit pakket. De noordelijke, oostelijke en westelijke courtine worden in tegenstelling tot de zuidelijke keermuur gekenmerkt door een zware, natuurstenen funderingsmuur met verschillende versnijdingen. De fundering is telkens aangelegd in een in de tertiaire bodem ingegraven aanlegsleuf. In hoeverre de microtopografische inplanting ook een invloed gehad heeft op het grondplan van het huidige kasteel is nog steeds niet duidelijk. Uit het archeologisch onderzoek is wel gebleken dat het grondplan van het kasteel in de loop der eeuwen niet fundamenteel gewijzigd is (21). Men vermoedde immers dat de zuidelijke zijde van het kasteel oorspronkelijk eveneens gebogen was en
56 I M&L
dat het oorspronkelijke grondplan van het kasteel bijgevolg cirkelvormig in plaats van polygonaal was. Men ging daarbij uit van de hypothese dat het huidige kasteel teruggaat op een motteversterking, die later opgevolgd werd door een stenen burcht met een polygonaal grondplan. De verhoogde binnenkoer zou in dit geval te interpreteren zijn als het restant van de motte, opgeworpen met aarde, afkomstig uit de omliggende gracht (22). Het archeologisch onderzoek ter hoogte van de zuidelijke courtine heeft echter aangetoond dat de fundering van de zuidelijke keermuur over de volledige lengte gekenmerkt was door een rechtlijnig verloop. Nergens werd een restant of een uitbraakspoor van een oudere courtine met gebogen verloop aangetroffen. Deze vaststelling impliceert dat het atypische verloop van deze muur niet het resultaat is van een jongere aanpassing en dat het polygonale grondplan bijgevolg behoorde tot het originele concept.
Daterings problematiek Archiefonderzoek door M. de Waha laat toe om een relatief brede tijdsmarge af te lijnen voor de bouw van het huidige kasteel (23). De eerste expliciete vermelding van het kasteel als gebouw dateert van 1440: Hendrik van Wittem houdt een leengoed van de hertog van Brabant, Filips de Goede, hertog van Bourgondië, en op dit leengoed staat het kasteel. Deze datum is zeker niet de bouwdatum van het huidige kasteel, maar geldt wel als een terminus ante quem. In een andere akte van 28 oktober 1300 verklaart hertog Jan II van Brabant dat Godfried van Hellebeke het leenverhef doet voor 5 bunder grond nabij zijn huis te Beersel. Op grond van de resultaten van het recent archeologisch onderzoek besluit M. de Waha wel dat de plaats waar nu het kasteel staat zeer waarschijnlijk teruggaat op dit huis van 1300 en op het leen in de onmiddellijke omgeving ervan, hoewel hij niet zover wil gaan om ook aan te nemen dat de oudste delen van het huidige kasteel beantwoorden aan dit huis. Tenslotte vermeldt hij ook nog een rekening uit de algemene ontvangsten van het hertogdom Brabant, waarin hertogin Johanna in 1402 aan Hendrik van Wittem de toestemming geeft om in het Zoniënwoud een bunder eiken te rooien voor de herstelling van het gebinte van zijn huis te Beersel dat door een brand was geteisterd. Hier stelt zich dan de vraag of het hier nog gaat om het huis van 1300 of om het huidige kasteel. Aangezien de oorspronkelijke bekroning van het kasteel al helemaal verdwenen was vóór de reconstructie door R. Pelgrims de Bigard is het onmogelijk om dit vandaag nog te controleren. Toch is het mogelijk om rond deze brand van omstreeks 1402 een voorlopige werkhypothese op te stellen. Bij het onderzoek van de steenhouwtechnieken en de baksteenformaten werden ook de brandsporen op de mortel en op de nog aanwezige bepleistering geregistreerd. Tijdens dit onderzoek gingen we ervan uit dat deze brandsporen het gevolg waren van het bombardement van 1489, hoewel het nog helemaal niet bewezen is dat het kasteel toen ook is uitgebrand. In het licht daarvan kan dus de vraag worden gesteld of de waargenomen brandsporen ook niet het gevolg kunnen zijn van de in 1402 vermelde brand, wat dus zou betekenen dat het kasteel in 1402 al bestond.
Radiokoolstof wiggle-matching, uitgevoerd op één van de elzenhouten heipalen uit de westelijke sector van de zuidelijke courtine, heeft aangetoond dat er meer dan 90 % kans is dat de jongste ring van de houten paal uit de i4 de eeuw dateert (24). Een erg gelijkend resultaat werd bekomen bij de datering van een pijler, die behoorde tot de oudste brugconstructie van het kasteel: ook hier is er meer dan 90% kans dat de jongste ring van deze paal uit de i4 do eeuw dateert (25). Tot deze fase behoorden een tweetal heipalen en een horizontale verbindingsbalk. Tenslotte is er ook het feit dat de oudste nog bewaarde gedeelten van het kasteel voorzien zijn van schietgaten voor kruisboog met spadevormige verbreding onderaan. Volgens het onderzoek van Alain Salamagne komt dit type van schietgaten in de Bourgondische Nederlanden voor tussen 1330 en 1490 (26). Deze datering is echter zeer breed en omvat ook de kanongaten met spadevormige verbreding. Jean Mesqui, die gedetailleerd onderzoek heeft gedaan naar alle typen van schietgaten in Frankrijk houdt het bij de i4 dc eeuw voor de datering van de spleetvormige schietgaten met spadevormige verbreding in Noord-Frankrijk en België (27). Het geheel van de totnogtoe bekomen resultaten wijst voor de bouwdatum van de oudste delen van het huidige kasteel op een coherente wijze naar de i4 de eeuw of uiterlijk naar het begin van de i5de eeuw, hoewel de marge toch nog vrij groot blijft.
Belegering van het kasteel Het bombardement van 1489 en de wederopbouw In het kader van de vijandelijkheden tussen de vooren tegenstanders van Maximiliaan van Oostenrijk werd het kasteel van Beersel in 1488-1489 belegerd door de Brusselaars en kort daarna op hun vraag door de Franse artillerie gebombardeerd. Dit bombardement leidde tot een grondige vernieling van het kasteel. Dit feit is uitvoerig gedocumenteerd in de historische bronnen (28). M. de Waha heeft voor het eerst de uitgebreidheid van de schade, veroorzaakt door dit bombardement, bestudeerd aan de hand van de baksteenformaten en de aanwezige naden in het metselwerk (29).
1^ Deze steenhouwtechniek wijst erop dat de wederopbouw te dateren is na 1430-1450, wat helemaal overeenkomt met de historische gegevens van het bombardement (33).
--------------------
Kanonkogels aangetroffen in het puinpakket ten zuiden van toren III (© Ruben Willacrt bvba)
De voorgestelde datering voor het oorspronkelijk kasteel (i4de eeuw of begin i5de eeuw) en de periode van de wederopbouw na het bombardement beantwoorden aan twee duidelijk verschillende steenhouwtechnieken op witte kalkzandsteen. Daarom werd, in het kader van de huidige restauratiewerken, een systematische registratie uitgevoerd van de steenhouwtechnieken op alle elementen in witte kalkzandsteen, zoals de hoekkettingen van de torens en de druiplijsten, de omlijstingen van deuren, vensters en schietgaten, de traptreden en de schouwen (30). Uit de confrontatie van dit onderzoek met de baksteenformaten en met de aanwezige brandsporen op de mortel en op de resten van de bepleistering kon een zeer coherent beeld worden gedistilleerd van de toestand van het kasteel onmiddellijk na het bombardement van 1489. Alle deze gegevens werden in een 3D-model verwerkt waarbij de resten van het oorspronkelijk kasteel in het blauw werden weergegeven, de delen die na het bombardement werden wederopgebouwd in het rood en de door R. Pelgrims de Bigard gereconstrueerde delen in het groen (31).
In het metselwerk van het oorspronkelijk kasteel vindt men bakstenen van groot formaat (lengte: 28 cm), brandsporen op de mortel en de bepleistering en een steenhouwtechniek op kalkzandsteen, waarbij de steenbijl werd gecombineerd met een fijne randslag. Deze steenhouwtechniek wijst erop dat de oudste delen van het kasteel zijn ontstaan vóór 1400-1420 of uiterlijk tussen deze twee data (32). Dit komt overeen met de conclusies van de historische gegevens, de radiokoolstofdatering en de datering van de schietgaten met spadevormige verbreding. In het metselwerk van de wederopgebouwde delen vindt men bakstenen van kleiner formaat (lengte: 25 cm), geen brandsporen en een steenhouwtechniek op kalkzandsteen, waarbij exclusief de beitel werd gebruikt.
58 I M & L
Het 3D-model laat nu ook toe om niet alleen de limieten van de schade door het bombardement vast te leggen, maar ook om kleine herstellingen en wijzigingen aan de kalkzandstenen omlijstingen te identificeren. Na het bombardement is bijna de helft van de poorttoren (toren I) aan de kant van de binnenkoer ingestort, terwijl het ronde buitengedeelte is blijven staan. Toren II is intact gebleven en van toren III is alleen de rechte muur aan de kant van de binnenkoer die de rechte steektrappen van deze toren herbergen, blijven rechtstaan. De lagere walmuren zijn grotendeels intact gebleven, hoewel er niets meer kan worden gezegd over de bekroning, omdat die opnieuw volledig was verdwenen vóór de restauratie door R. Pelgrims de Bigard. Ook de kern van de rechte muur palend aan het woongedeelte is nog voor een groot gedeelte intact, wat meteen impliceert dat dit rechte gedeelte niet het gevolg is van een verbouwing van de voor het overige cirkelvormige burcht. De plaats van de vernielingen, vooral die van toren I en III bevestigen de visie van M. de Waha dat de Franse artillerie opgesteld stond ten zuidoosten van het kasteel (34). Bij de wederopbouw van het kasteel op het einde van de i5d'' eeuw en in het begin van de i6 de eeuw werden niet alleen de poorttoren en toren III gereconstrueerd, maar werden ook een aantal kleine elementen hersteld of verbouwd: de poortomlijsting en alle buitenvensters van de poortoren, de rechthoekige vensters van toren II en in het na het bombardement overeind gebleven deel van toren III, de vensters in de walmuur II-III en in het woongedeelte. Het woongedeelte zelf is vanaf de kelders praktisch volledig opnieuw opgebouwd tegen de bewaard gebleven delen van de walmuur III-I met rondbogen.
Een tweede bombardement omstreeks 1600? Het archeologisch onderzoek heeft ten zuiden van toren III, in de gracht, een waaiervormige baksteenconcentratie aan het licht gebracht (35). De concentratie bestond uit een elftal muurpartijen met sterk variërende oriëntatie en diepte. Het metselwerk was opgebouwd uit bakstenen van 27,5/28 cm, wat erop wijst dat de muurpartijen
Muurpartijen in de gracht, ten zuiden van toren III ( © Ruben Willaert bvba)
3D-model waarop, na onderzoek van de baksteenformaten, de brandsporen en de steenhouwtechnieken, de verschillende bouwfasen werden ingekleurd (© Architectuurbureau Karel Breda bvba Lode De Clercq. Frans Doperé)
afkomstig zijn van de oorspronkelijke toren. Tussen de muurrestanten werden verschillende gietijzeren kanonskogels aangetroffen (36). Op basis van de diameter en het gewicht kunnen twee verschillende kalibers onderscheiden worden. Twee kogels hebben een diameter van 160mm en een gewicht van 16kg; de overige drie kogels hebben een diameter van 210mm en een gewicht van 35kg. Kanonskogels van dergelijk kaliber zijn ook aangetroffen op de kasteelsite van Middelburg-inVlaanderen, waar ze gedateerd zijn tussen 1583 en
1604 (37). Ook op de site van het Arme Klarenklooster, vernield in 1604, heeft men projectielen van dit kaliber aangetroffen (38). De kanonskogels lijken erop te wijzen dat de muren in de slotgracht terecht gekomen zijn na een artilleriebeschieting rond 1600. De datering geeft aanleiding tot interpretatieproblemen in verband met de vernieling(en?) van deze toren. De vernieling van toren III na het bombardement van 1489 was zo groot dat een praktisch volledige
M & L I 59
de waterlijn genivelleerd heeft (41). Waarschijnlijk werden deze werken uitgevoerd om de muurrestanten in de slotgracht te onttrekken aan het zicht van eventuele vijanden. Dit pakket zou immers een ideaal aanvalsplatform zijn voor de bestorming van het kasteel. Een tweede vaststelling is dat de oorspronkelijke stortkokers in de fundering van de toren III door de aanwezigheid van de muurpartijen aan de zuidelijke zijde van de toren grotendeels afgesloten waren. Omwille van deze reden werden de kokermondingen van beide stortkokers opgehoogd. Het vloerniveau van de nieuwe stortkoker in de oostelijke flank van de toren bevond zich zelfs 1,22m hoger dan het oorspronkelijke vloerniveau (42)!
Stortkoker 2 (© Ruben Willaert bvba)
reconstructie van de grachtzijde noodzakelijk was omstreeks 1500. Bij die reconstructie werd op de eerste verdieping van de toren een nieuw kruisribgewelf aangebracht op laatgotische consoles en voorzien van een sluitsteen met het wapenschild van van Wittem, omringd door het snoer van de orde van het Gulden Vlies. De orde van het Gulden Vlies werd voor het eerst aan een van Wittem toegekend in 1491 (39). Van de huidige ronding van de toren dateert niets nog uit de eerste periode van het kasteel. Dat dit na het bombardement van 1489 ook al zo was, wordt aangetoond door het baksteenformaat van 25cm lengte aan de binnenzijde op de eerste verdieping, dat in verband staat met de bouw van het laatgotische gewelf. Het is dus onmogelijk dat omstreeks 1600 nog oorspronkelijk metselwerk met bakstenen van 28cm lengte bij een eventuele beschieting naar beneden gevallen zouden zijn. Het verband met de gevonden gietijzeren kogels en de muurpartijen in de gracht dient dus verder verklaard te worden. Het onderzoek daarover is echter nog niet afgerond, zodat momenteel nog geen bevredigende verklaring kan gegeven worden. Mogelijke maar niet-exclusieve denkpistes kunnen zijn: verder onderzoek naar de mogelijke datering van de gietijzeren kanonskogels, het doorboren van oudere muurpartijen door recentere kanonskogels, contaminatie van het reeds in 1489 gevallen metselwerk door recenter materiaal na het opruimen van het puin van een beschieting rond 1600... (40) Een interessante vaststelling is dat men de muurpartijen in de gracht in een latere fase tot net onder
60 I M & L
De latrines van Beersel: het dagelijkse leven tijdens de laatste bewoningsfases van het kasteel Systeem van stortkokers Net zoals andere laatmiddeleeuwse kastelen is het kasteel van Beersel voorzien van een ingenieus systeem van stortkokers. Om de inhoud van de latrines op de verschillende verdiepingen vlot te kunnen afvoeren, waren in de dikte van de muur verticale schachten uitgespaard die net onder de waterlijn in de gracht uitmondden. Op die manier kon het gedeponeerde afval in de gracht geen geurhinder veroorzaken, was het onbereikbaar voor aaseters en waren de kokermondingen tijdens een eventuele belegering aan het zicht van de vijand onttrokken. Het kasteel is in totaal voorzien van acht stortkokers, functioneel verdeeld rondom het kasteel (43). In de fundering van de drie hoektorens komen telkens twee stortkokers voor. Deze vaststelling is niet verwonderlijk, gezien de woonvertrekken zich in de torens bevonden. Telkens was een van beide kokers verbonden met de latrine op de bovenverdieping van de toren en de andere met de latrine op de benedenverdieping. De overige twee stortkokers bevonden zich in de westelijke courtine en waren bereikbaar vanaf de weergang. De mondingen van de kokers waren omwille van strategische redenen steeds beperkt in grootte. De hoogte varieerde van 70cm tot 1,3m; de breedte van 45cm tot 66cm. Om het afval vlot in de gracht te laten vloeien was de bodem bij de meeste stortkokers licht afbellend uitgewerkt en voorzien
Het uitzeven van de uitvloeistalen (© Ruben Willaert bvba)
van een bevloering bestaande uit gerecupereerde tegels, plavuizen of baksteenfragmenten. Slechts in twee gevallen bevatte de kokermonding nog organische vulling. In alle andere gevallen bevond zich in de stortkoker enkel vulling van zeer recente oorsprong en kon slechts de uitvloei, het organische pakket dat via de stortkoker in de slotgracht gevloeid was, onderzocht worden. Deze vaststelling was enigszins verrassend: in tijden van verval werden de kokers en de grachten immers niet meer geruimd en hoopte het afval zich op in en net voor de kokermonding. Wellicht is een groot deel van dit accumulatiepakket verdwenen tijdens het reinigen van de stortkokers en de gracht tijdens de restauratiefase van 1928 -1939. Ter hoogte van zeven stortkokers kon de uitvloei archeologisch onderzocht worden (44). Tijdens het onderzoek van de uitvloei werd steeds dezelfde opgravingsmethodologie toegepast. De uitvloei werd telkens per niveau van iocm handmatig verdiept en volledig onderzocht op de aanwezigheid van archeologisch materiaal. Deze methode werd toegepast om na te gaan of de uitvloei eerder geleidelijk dan wel in een korte periode tot stand gekomen is. Per niveau werd een representatief
staal van de organische vulling genomen, dat ter plaatse volledig uitgezeefd werd. Aardewerk als gids fossiel Het onderzoek van de uitvloei ter hoogte van de stortkokers leverde slechts een zeer beperkte hoeveelheid aardewerk op, waardoor de datering van het aardewerk uit deze contexten bijzonder moeilijk is. De meeste stortkokerpakketten zijn bovendien sterk vermengd, wat onder andere verklaard kan worden door een fysische wetmatigheid: wanneer grote fragmenten aardewerk vanuit de kokermonding in de gracht terechtkomen, zakken deze dieper de bodem in dan kleinere, lichtere fragmenten. Hierdoor komen jongere vondsten vaak terecht in oudere stortpakketten. Daarnaast dienen we rekening te houden met de dynamiek van het water in de gracht. De gracht wordt gevoed door de Sint-Lambertusbeek, die ontspringt in de zuidelijke heuvelrug en gekenmerkt wordt door een groot debiet. Een definitieve datering van het aardewerk zal dan ook slechts mogelijk zijn, wanneer het vondstenmateriaal van alle opgravingscampagnes gekoppeld wordt en als één geheel bestudeerd wordt.
M i l
61
Uit de studie van het aardewerk dat in 2008 gerecupereerd werd. is gebleken dat vooral de stortkokers aan noordelijke zijde van het kasteel sterk vermengd zijn. Eenzelfde vaststelling werd gedaan tijdens de sonderingen ter hoogte van de brug, eveneens aan noordelijke zijde van het kasteel. Deze contexten bevatten een vrij grote hoeveelheid grijsgebakken aardewerk, waaronder tal van kannen met een lichte trechtervorm, een korte geprofileerde schouder en een vlakke bodem. Dergelijke kannen zijn te dateren in de 15*'tot het midden van de iG4, eeuw (45). Wat de andere stortkokers betreft, heeft nieuw onderzoek van het aardewerk aangetoond dat de oorspronkelijke datering genuanceerd dient te worden (46). Het gros van het aardewerk lijkt eerder te dateren in de i5detot het midden van de iQ^ eeuw, met een minieme bijmenging van materiaal uit de tweede helft van de i6 d 7begm ij0" eeuw. Het afvalpakket dat rond de fundering van het kasteel voorkwam, lijkt iets jonger te zijn en dateert uit de tweede helft van de l ó ^ / b e g i n iyie eeuw. Het ontbreken van aardewerk jonger dan de eerste helft van de i7dl eeuw toont aan dat het kasteel na die periode niet intensief bewoond werd. Deze vaststelling bevestigt de historische bronnen, die vanaf de ly^ eeuw melding maken van slechts enkele individuele bewoners.
Arcbeozoölogisch onderzoek (^y) Het onderzoek van het botmateriaal uit de uitvloei geeft een goed beeld van de eetgewoonten van de bewoners en van de dieren die op en rond het kasteel voorkwamen. Daarnaast verschaft het onderzoek informatie over de wijze waarop (landbouw)huisdieren en wilde fauna werden geëxploiteerd. Wat de eetgewoonten betreft, kwam rundsvlees het meest op het menu voor. Varkens- en schapenvlees kwamen naar verhouding veel minder vaak op tafel (48). Het rundsvlees is grotendeels afkomstig van wat oudere (jongvolwassen of volwassen) dieren; het schapenvlees daarentegen is vaker afkomstig van jonge dieren. Dit laatste geldt nog in veel grotere mate voor het geconsumeerde varkensvlees. Een selectie uit de veestapel van relatief jonge dieren wordt algemeen gezien als een teken van welstand (49). Uit de verdeling van de skeletelementen kan worden opgemaakt dat het vee ter plaatse werd geslacht.
Het vee zal, net als het pluimvee, gedeeltelijk op het kasteel terrein gehouden zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat vlees van paarden, honden en katten geconsumeerd is, wat in tijden van grote schaarste, zoals tijdens een beleg, soms wel eens gebeurde (50). Vis en schelpdieren vormden een bescheiden aanvulling op het dagelijkse dieet, evenals jachtwild (51). Ook eieren, getuige de eischaalfragmenten die in de zeefstalen werden aangetroffen, en pluimvee stonden op het menu. Behalve kippen en eenden had men ook zwanen en duiven, vogels die wijzen op rijkdom en een hoge sociale status. Het houden van duiven komt vanaf de late middeleeuwen in zwang in West-Europa en bleef lang een privilege van de rijken. Opvallend is het hoge aandeel van jonge vogels, zowel bij de duiven als bij de kippen, wat opnieuw als een teken van welstand gezien moet worden. Van een hoge sociale status getuigen ook de aanwezigheid van een warande, waar onder meer konijnen zullen gehouden zijn, en het jachtwild. Er is gejaagd op klein en groot wild - hazen, konijnen en edelherten - en op verschillende soorten vogels. Wellicht werden tijdens de jacht honden ingezet: uit het onderzoek is gebleken dat op het kasteel verschillende types voorkwamen. Wat het vangen van konijnen en hazen betreft, noemt het/acht-Bedry^onder meer: honden, fretten, strikken, netten en jachtvogels, zoals afgerichte valken of haviken (52). Wat de bejaagde vogels betreft, dienen o.a. blauwe reiger en lepelaar vermeld te worden. Blauwe reigers worden in een plakkaat van Karel V op de houtvesterij van Holland uit 1517 tot de 'edele vogels' gerekend (53). Deze mochten alleen worden bejaagd door die edellieden die daartoe vanouds gerechtigd waren of met speciale toestemming van de houtvester (54). De auteur van het Jacht-Bedryff rekent ook andere soorten die in Beersel zijn vertegenwoordigd tot de Edele Vogelen: (wilde) eend en lepelaar, in de specifieke betekenis van veerwild waarop met valken wordt gejaagd. Het is echter de vraag in hoeverre dit alles ook van toepassing was op de situatie in Beersel. De jacht op vogels en klein wild (buiten de warande) was immers oorspronkelijk toegestaan aan alle Brabanders. Dit 'Privilege der Brabanders' werd in 1366 voor het eerst op schrift gesteld, maar berust op een al langer bestaand
gebruik. In dezelfde tekst wordt echter ook het alleenrecht van de Brabantse adel vastgelegd op het jagen van grofwild, zoals herten en wilde zwijnen. Op basis daarvan zouden de resten van edelhert dus een sterkere aanwijzing voor een hoge status zijn dan die van vogels en klein wild {55). Van de kust en/of uit het Schelde-estuarium komen niet alleen de oesters en mosselen, maar ook een deel van de vis, in dit geval kabeljauw(achtigen), haring, spiering en platvis. De zoetwatervis - karper(achtigen), snoek, paling, baars en riviergrondel - kan uit de nabije omgeving zijn betrokken. De bescheiden afmetingen van de karpers doen vermoeden dat ze niet betrokken zijn uit kweekvijvers, maar in één van de nabije wateren zijn gevangen. Archeobotanisch onderzoek (56) Wat het archeobotanisch onderzoek betreft, werd ervoor geopteerd om alle zeefstalen in een eerste fase te waarderen om de bewaringstoestand en het wetenschappelijk potentieel van de stalen te kunnen bepalen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek werd daarna beslist om één staal, uit stortkoker 2, volledig te analyseren. Het archeobotanisch onderzoek kon weinig of geen elementen aan het licht brengen, die zouden wijzen op een bijzondere status van de bewoners (57).
Het staal bevatte een grote hoeveelheid fruitresten, enkele zaden van groenten en kruiden en resten van gebruiksplanten (58). Wat het fruit betreft, waren vooral zoete/zure kers, pruim, mispel, druif, vijg en grote/kleine bosaardbei vertegenwoordigd (59). In mindere mate kwamen ook appel, peer, framboos, zwarte moerbei, aalbes, gewone vlier, blauwe bosbes en roos voor (60). Groenten en groene kruiden zijn in verhouding steeds ondervertegenwoordigd, omdat deze producten tijdens het consumeren meestal geen zaden bevatten. Het onderzochte monster bevatte onder andere zaden van biet, peen en mogelijk ook pastinaak en zaden van venkel, dille en koriander. Opvallend in deze groep is de aanwezigheid van peper: dit relatief duur importproduct vormt de enige aanwijzing voor een eventuele hogere welstand. Tot de categorie van de gebruiksplanten behoren drie soorten: de slaapbol, hennep en raapzaad.
Het kasteel van Beersel {foto O. Pauwels)
Naast de resten van cultuurgewassen en gebruiksplanten werd er ook een grote diversiteit aan wilde soorten aangetroffen (61). Het onderzochte monster bevatte vrij veel resten van akkeronkruiden, wat enigszins tegenstrijdig lijkt met het kleine percentage graanresten. Dit zou erop kunnen wijzen dat de stortkoker weinig gebruikt is voor menselijke uitwerpselen en meer voor ander keukenafval. Een andere verklaring is dat in de
M&LI 63
voeding van de kasteelbewoners weinig graanzemelen voorkwamen, bijvoorbeeld omdat ze voornamelijk witbrood aten (62). Selectieve corrosie vormt een derde verklaring: taphonomische processen kunnen ervoor zorgen dat de zemelen vergaan, maar andere -hardere- resten niet. De derde verklaring lijkt de meest plausibele: door het zeven van het meel zouden in witbrood immers ook de weinig harde resten van akkeronkruiden aanwezig moeten zijn. Uit de aangetroffen akkeronkruiden lijkt naar voren te komen dat het meeste graan afkomstig was van zure, zandige, matig voedselrijke grond (63). Dit zou kunnen wijzen op de consumptie van rogge. Akkeronkruiden die groeien op voedselrijke en/of kalkrijke akkers waren eveneens aanwezig, maar in mindere mate. Omdat dergelijke akkers zich uitstekend lenen voor de productie van tarwe, zijn deze akkeronkruiden indicatief voor tarweconsumptie. De verhouding tarwe/rogge is een interessant vraagstuk, omdat de consumptie van tarwe in plaats van het goedkopere rogge - behalve een kwestie van smaak - ook één van welvaart en status was. Spijtig genoeg konden op basis van de aantallen geen conclusies getrokken worden over de verhouding rogge/tarwe in de voeding van de bewoners.
De combinatie van verschillende observaties tijdens het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek (radiokoolstofdatering, onderzoek van de steenhouwtechnieken, baksteenformaten en typologie van de schietgaten), laat toe om de bouw van het kasteel in de I4d,' eeuw te situeren, met een mogelijk doorlopen van de werf tot het begin van de i5de eeuw.
Besluit
Uit het gevonden botmateriaal kan heel wat worden afgeleid over de eetgewoonten van de kasteelbewoners. Rundsvlees kwam het meest voor, varkens- en schapenvlees van jongere dieren kwamen veel minder vaak op tafel. Een selectie uit de veestapel van relatief jonge dieren wordt algemeen gezien als een teken van welstand, wat gezien het type van bewoning niet echt verwonderlijk is. Uit de verdeling van de skeletelementen kan worden opgemaakt dat het vee ter plaatse werd geslacht en zal, net als het pluimvee, gedeeltelijk op het kasteelterrein gehouden zijn. Dit verslag van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek is uiteraard slechts een stand van zaken. Heel wat archeologisch materiaal dient nog verder bestudeerd te worden en een nieuw onderzoek is gepland op de binnenkoer tijdens de eigenlijke restauratie van het opgaande muurwerk van het kasteel. Hopelijk kan dan een definitief uitsluitsel worden gegeven over het al dan niet bestaan van een oudere motte en/of een oudere woning.
De restauratie van het kasteel van Beersel heeft een voorbeeldfunctie gekregen door het samengaan van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek, de restauratiewerkzaamheden en de informatie naar het grote publiek toe. Het archeologisch onderzoek is hier gekoppeld aan de planning van de opeenvolgende restauratiefasen en wordt gestuurd door het ontwerpteam dat de vraagstelling formuleert naar het archeologisch team, uitgaande van een aantal castellologische vragen rond de kasteelsite van Beersel. Eén van de belangrijkste vaststellingen van dit onderzoek is dat het grondplan van het huidige kasteel met cirkelvormige ringmuur uit dezelfde periode dateert als de rechte muur palend aan het woongedeelte. Deze laatste is dus niet het gevolg van een latere verbouwing, misschien integendeel. Het blijft inderdaad nog steeds te onderzoeken waar eventueel het huis van 1300 heeft gestaan.
Het bouwhistorisch onderzoek (aangevuld met de registratie van de brandsporen) heeft toegelaten om een 3D-model op te stellen met een precieze kartering van de delen van het oorspronkelijke kasteel, die zijn overeind gebleven na de beschieting van 1489, van de omstreeks 1500 wederopgebouwde delen en tenslotte de bekroningen die door R. Pelgrims de Bigard werden gereconstrueerd. Het grootste gedeelte van het aardewerk dat in de slotgracht werd gevonden, meestal ter hoogte van de uitvloei van de stortkokers blijkt te dateren uit de i5 d 'tot het midden van de i6 dc eeuw, met een minieme bij menging van materiaal uit de tweede helft van de i6 d e - begin i7de eeuw. Het afvalpakket dat rond de fundering van het kasteel voorkwam, lijkt iets jonger te zijn en dateert uit de tweede helft van de i6d<' - begin vj^ eeuw. Het ontbreken van aardewerk jonger dan de eerste helft van de i7dl' eeuw toont aan dat het kasteel na die periode niet intensief bewoond werd.
Karel Breda is als architect gespecialiseerd in restauratie hoofdzakelijk van middeleeuws bouwkun^ dig erfgoed. Lode De Clercq is bouwhistoricus en restaurateur. Janiek De Gryse en Pedro Pype zijn archeologen bij Ruben Willaert bvba. Michel de Waha is prof. middeleeuwse geschiedenis aan de ULB. Frans Doperé is onafhankelijk onderzoeker middeleeuwse architectuur en steenbewerking. Isolde Verhulst is architect en master in monumentenzorg.
Eindnoten (i)
Het DIABOLO-project is een plan van de Belgische spoorinfrastructuurbeheerder Infrabel voor de noordelijke ontsluiting van de nationale luchthaven Brussels-Airport. Op vraag van de ontwerpers werd een gedeelte van de gedolven natuursteen van het DIABOLO-project door de aannemer gerecupereerd en voor de restauratie van het kasteel aangewend.
(2)
DE GRYSE J. en PYPE P., Archeologisch onderzoek Kasteel van Beersel (onuitg. rapport), Ruben Willaert bvba. 2008a; DE GRYSE J. en PYPE P., Restauratieproject "Kasteel van Beersel". Bevindingen bij het archeologisch onderzoek, in En het dorp zal duren..., nr. 40, Dworp, 2008b.
(3)
HEYLEN O., Studie van mossen en korstmossen. Basale deel van de ringmuur (onuitg. studie), Neteland Consulting bvba, juli 2008.
(4)
Een gerefereerd digitaal model is een geometrische opmeting van een object, waarvan alle punten in de ruimte werden vastgelegd volgens een bepaald stelsel.
(5)
DE GRYSE J. en PYPE P., op. tit., 2008a, p. 8; DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit.. 2008b, p. 6-7. Digitaal Hoogtemodel van Vlaanderen, MOW-Afd WL, VMM-Afd. Water en AGIV.
(6) de WAHA M., Un chateau hrahangon: Beersel (onuitg. lic. verh.), 1973, p. 43-44. (7)
DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit.. 2008a, p. 8: DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit., 2008b, p. 8. (8) VAN DER MEER W., Beer van Beersel. Verslag van onderzoek aan archeobotanisch materiaal uit een stortkoker van het kasteel van Beersel (ca. 1440-1600) (onuitg. rapport), BIAXiaoi 452, 2010.
(9)
Ibidem. Dergelijke sedimenten ontstaan door de afzetting van mirco-organismen, plantenresten en waterdieren zoals zoetwaterschelpjes in ondiep, stilstaand water.
(10) VAN DER MEER W., op. cit. (11) Mondelinge Mededeling Dr. R. Langohr.
(12) VAN DER MEER W., op. cit. (13) VAN DER MEER W.. op. at. (14) Met dank aan Dr. R. Langohr. (15) de WAHA M., op. df., 1973, p. 47. (16) DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit., 2008a, p. 46-51; DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit., 2008b, p. 13-16. De aanleg van verschillende typen van funderingen, afhankelijk van verschillen in bodemtypen en hun vochtigheidsgraad, werd bijvoorbeeld ook vastgesteld bij de i3dc-eeuwe stadsmuur
aan de Borggracht te Tienen: DOPERÉ E. en LODEW1JCKX M., Tienen, De middeleeuwse stadsmuur aan de Borggracht, in jaarboek Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en Omgeving, XVIII, 1978, p. 57-116; DOPERÉ F. en UBREGTS W., Le bois dans la structure architectonique des donjons et chateaux a travers les Pays-Bas méridionaux, in POISSON J.-M. en SCHWIEN J.-J. Le bois dans le chateau de pierre au Moyen Age, 2003, p. 237-255. (17) DE GRYSE ]. en PYPE P., op. cit.. 2008a. p. 47-48. (18) SALAMAGNE A., Les fondations sur arcades dans les anciens Pays-Bas, in Revue du Nord. LXXVIII, 1996, p. 177-192. (19) Wellicht wijst het voorkomen van verschillende funderingstechnieken op verschillende chronologische fasen, die weliswaar kort op elkaar volgen. Elke overgang tussen de toegepaste technieken was immers duidelijk afgelijnd door een verticale bouwnaad. De westelijke sector van de zuidelijke courtine geldt als de oudste bouwfase (DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit, 2008a, p. 123). (20) DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit.. 2008a, p. 31. (21) DE GRYSE J. en PYPE P., op. cit., 2008a, p. 122. (22) BREDA K., DE CLERCQ L, de WAHA M. en DOPERÉ F., Bouwhistorische nota hij het restauratiedossier (onuitg. studie), TV werkgroep Kasteel van Beersel, 2004. (23) de WAHA M., Beersel, Une experience de defense contre l'artillerie? Hypotheses en marge d'une restauration, in CAUCHIES, J.-M. en GUISSET, J. (dir.). Du métier des armes d la vie de cour. de la forteresse au chateau de séjour: families et demeures aux XlVe-XVIe siécles. Turnhout, 2005, p. 133-142. (24) Datering tussen 1315 en 1370 (80,2%). datering tussen 1390 en 1405 (15,2%). VAN STRYDONCK M., Radiokoolstofdateringsrapport 2008-09993 (onuitg. rapport), KIK-IRPA, Brussel, 2 0 0 9 , p. 2. (25) Datering tussen 1315 en 1370 (86,8%), datering tussen 1395 en 1410 (8,6%). VAN STRYDONCK M., op. cit., 2 0 0 9 , p. 3. Het derde staal dat onderzocht is door M. Van Strydonck levert wat problemen op. omdat wiggle-matching door de contaminatie van het staal niet mogelijk was. Dit staal is afkomstig van een heipaal, die waarschijnlijk in verband te brengen is met het optrekken van de noordelijke fundering van het kasteel. Niettemin kan met 95% zekerheid gesteld worden dat de laatste jaarring te dateren is tussen 1205 en 1280 AD (VAN STRYDONCK M., op. cit., p. 4) (26) SALAMAGNE A., Apropos del'adaptation de la fortification d l'artillerie vers les années 1400: quelques remarques surlesproblémes de vocabulaire, de typologie et de methode, in Revue du Nord, dl. LXXV, nr. 303, p. 809-846. (27) MESQUI J.. Chateaux et enceintes de la France médiévale, 2. De la defense d la residence, Parijs. 1993. p. 282-286. (28) de WAHA, M., Les traces du bombardement de Beersel en 1489, in Chateau Gaillard, XIX, 2000, p. 305-313. (29) de WAHA, M., op. cit., 2 0 0 0 , p. 305-313. (30) DOPERÉ E., Het kasteel van Beersel. Onderzoek van de steenhouwtechnieken. Verslag februari 2004. (31) Dit 3D-model met drie bouwfasen werd gerealiseerd op initiatiefvan het architectenbureau Karel Breda, in samenwerking met ELLIPS. Gent en TECTON, Gent, op basis van de archeologische gegevens aangeleverd door Lode Declercq en Frans Doperé. (32) DOPERÉ F., Les techniques de taille sur le gres calcareux: Une nouvelle methode pour determiner la chronologie et étudier revolution des chantiers dans Vest du Brabant pendant la première moitié du XVe siècle, in LODEWIJCKX M. (ed.), Archaeological and historical aspects of West-European societies.
Album Amicorum Andre Van Doorsdaer (Acta Archaeologica (49) Lovaniensia-Monographiae. 8), Leuven, 1995. p. 415-439; DOPERE F.. Nieuwe onderzoeksmethoden in de studie van de(50) i^de-eeuwse architectuur. De steenhouwchronologie en het onderzoek van de steenmerken. De bouwgeschiedenis van de gotische Sint-Pieterskerk te Leuven, in SMEYERS M. (ed.). Dirk Bouts (ca. 1410-1475], een Vlaams primitief te Leuven (tentoonstellingscat.), Leuven, 1998, p. 281-301, 322-326 en (51) 329. (33) DOPERÉ F., op. cit.. 1995, p. 415-439; DOPERÉ, F., op. rit., 1998, p. 281-301. 322-326 en 329. (52) {34) de WAHA M., op. cit.. 2.000, p. 305-313. (35) D E G R Y S E J. en P Y P E P., op. cit., 2008a, p. 51-52; D E G R Y - (53)
Zie onder meer: ERVYNCK A., VAN NEER W. en VAN DER PLAETSEN P.. op. cit., 1994, p. 99-170. DE JONG T.. "Hond in de pot'. Laatste redmiddel bij het beleg van Eindhoven in 1585? (Nieuwsbrief Archeologie Kempenen Peelland nr. 27), 2003, p. 10-13; ZEILER ].T., Adellijk afval. Archeozoölogisch onderzoek van de Laat-Middeleeuwse kastelen Egmond en Brederode (ArchaeoBone rapport nr. 61), 2007.
Zie onder meer: ERVYNCK A. Medieval castles as top-predators of the feudal system: an archaeozological approach, in Chateau Gaillard, XV, Caen, 1992, p. 151-159. SWAEN A.E.H.. Jacht-Bedryff, Leiden, 1948, p. 21-24. Deze jachtordonnantie, die onder Karel V en Philips II SE J. en P Y P E P., op. cit., 2008b, p. 31-36. maar liefst vijftien keer is gerenoveerd, zou tot 1795 de grondslag van de gewestelijke jachtwetgeving blijven vor(36) D E G R Y S E J. en P Y P E P., op. cit., 2008a, p. 120-121. men. (C. CAU et al. (eds.). Groot Placaet-boeck vervattende de (37) PYPE P., Wapentuig uit de periode 1583-1609 aangetroffen op placaten, ordonnancien ende edicten van de Staten-Ceneraal de kasteelsite van Middelburg-in-Vlaanderen (gem. Maldeder Vereenigde Nederlanden, dl. 1 kol. 1314. s-Gravenhage. gem, Oost-Vlaanderen) (onuitg. rapport), 2007. (38) PYPE P., Archeologisch onderzoek langs de Kloosterstraat te 1658-1797; MATTHEY L. Vincken moeten vincken locken. Vijf Middelburg-in-Vlaanderen (gem. Maldegem, Oost-Vlaande- eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland, Hilversum, 2002. p. 147). ren) (onuitg. rapport), 2007. (54) MATTHEY L, op. cit., 2002, p. 147. (39) de WAHA M., op. cit.. 2000, p. 305-313. (55) Zie onder meer: ERVYNCK A.. VAN NEER W. en VAN (40) De datering op basis van de diameter en het gewicht van de DER PLAETSEN P.. op. cit., 1994, p. 99-170. kanonskogels dient nog verder te worden geverifieerd. Volgens een mededeling van M. Bleyaert, Archivaris van de (56) VAN DER MEER W.. op. at., 2010. Koninklijke Militaire School, deden gietijzeren projectielen (57) VAN DER MEER W., op. cit., 2010, p. 10. hun intrede vanaf 1475. maar deze waren zeker nog niet (58) VAN DER MEER W., op. cit., 2010, p. 4-9. veralgemeend rond de tijd van de belegering van Beersel in (59) De consumptie van vruchten zoals druiven en vijgen was in 1489. In de tweede helft van de 16de en in de eerste helft de i6de eeuw in de Nederlanden al zeer algemeen. Het bevan de 17de eeuw hadden de gietijzeren projectielen de stetrof grotendeels geïmporteerde, gedroogde vruchten, hoenen projectielen in de oorlogsvoering te land volledig verwel we dienen op te merken dat beide fruitsoorten in deze drongen (e-mail 04-09-2008). Dat lijkt er dus op te wijzen periode ook in onze streken verbouwd werden (VAN DER dat het gebruik van de gevonden kanonskogels bij de beMEER W., op. cit., 2010, p. 5-6). schieting van 1489 niet helemaal mag uitgesloten worden. (60) Tijdens de waardering van de andere stalen werden wel enkele zaden van paradijskorrel, abrikoos en granaatappel (41) D E G R Y S E (. en PYPE P., op. cit., 2008a. p. 52. aangetroffen. Deze exotische soorten kunnen wel wijzen op (42) D E G R Y S E J. en P Y P E P., op. cit., 2008a, p. 34. een hogere status van de bewoners. (43) D E G R Y S E J. en P Y P E P., op. cit., 2008a, p. 32-41. (61) VAN DER MEER W., op. cit., 2010, p. 7-9. (44) De stortkoker in de westelijke flank van toren III kon niet (62) Bij de bereiding van het witbrood worden de zemelen uit onderzocht worden omwille van praktische redenen. het meel gezeefd. Deze extra productiestap maakte de prijs (45) DE GROOTE K., MOENS ]., CALUWE D., COOREMANS van witbrood hoger dan die van bruinbrood (VAN DER B., DEFORCE B., ERVYNCK A., LENTACKER A., RIJMEMEER W.. op. cit., 2010, p. 5). NANTS E., VAN NEER W., VERNAEVE W. & ZEEBROEK (63) VAN DER MEER W., op. at., 2010, p. 8. L, De Valcke, de Slotele en de Lelye, burgerwoningen op de Grote Markt te Aalst (Archeologie in Vlaanderen 2001/2002, 8), Brussel, 2004, p. 311, afb. 32. (46) Met dank aan Koen De Groote (Onroerend Erfgoed). (47) ZEILER J.T., Een kerkuil in de stortkoker. Archeozoölogisch onderzoek van het kasteel te Beersel (1550-1650^. provincie Vlaams-Brabant. België (ArchaeoBone rapport nr. 71), 2009. (48) In vergelijking met de ^'-eeuwse burcht van Londerzeel valt op dat daar varkens i.p.v. runderen de belangrijkste vleesleveranciers zijn en dat het aandeel van schapen zeer bescheiden is. Ervynck et al. benadrukken dat deze verdeling niet alleen iets zegt over de culinaire voorkeuren van de bewoners, maar veeleer een weerspiegeling is van de mogelijkheden voor het kweken van dieren in de natuurlijke omgeving van het kasteel (ERVYNCK A., VAN NEER W. en VAN DER PLAETSEN P.. Dierlijke resten, in ERVYNCK A.. De 'Burcht' te Londerzeel. Bewoningsgeschiedenis van een motte en een bakstenen kasteel (Archeologie in Vlaanderen, Monografie 1). Zellik, 1994, p. 99-170). Mogelijk ligt de verklaring in een afname van het bosareaal rond de burcht van Beersel, waardoor de mogelijkheden voor de varkensteelt minder werden.
Summar ARCHAEOLOGICAL DOMINATING THE DEMER RESEARCH OF THE ANTWERP RIVER: THE LORD OF RIVIEREN AND HIS MEDIAEVAL TOWER FORTRESS RESIDENCE IN GELRODE More than half a century after the first urban archaeological excavations, the Antwerp castle zone is once again a centre of interest. The archaeological interest for the castle area is at the same time in sharp contrast with the lack of topical, synthetic publication of research data. Archaeological research proves that the Antwerp castle area contains an exceptionally rich and well-preserved soil archive, a rich source of knowledge on the origins of the mediaeval settlement and town.
Since the straightening of the Scheldt quays, the Antwerp castle area has had the full attention of researchers and other interested parties. Late 19th century the city engineer Wittevronghel drew a section of the early mediaeval earthen wall, the castle's predecessor. Around the same time the architect Truyman registered large parts of the mediaeval castle walls. In the meantime, the archaeologist-collector Hasse made a drawing of a part of the castle wall which has now disappeared. The pioneer of city archaeology Van de Walle received international attention when registering the archaeological and cultural-historic richness of the local soil archive. During the following decades the area has been the subject of sporadic emergency interventions. When in 2008-2009 three new construction projects were planned in the castle zone, there was once again a large-scale on-site study. This multi-disciplinary study has brought to the fore quite a number of new elements and issues. The castle wall could for one be dated to a very early period, thus necessitating further research. These excavations, not unlike earlier ones, brought to light an unusually rich and complex soil archive. Apart from traces from the Stone Ages, the Callo-Roman and early and post-mediaeval times, the focus lies on the 9th and 10th century origins and expansion of pre-urban settlement to mediaeval fortress, as a stimulant for the development of a centre of trade. The excavations revealed signs of defence or standing, infrastructure and construction to trades and crafts. The enormous amount of data and findings will require many more years of research, preferably linked to prior diggings. In any case, the recent excavations offer a four-dimensional image of at least part of the castle zone or, in other words, the archeotope's evolution in time, space and use. Interdisciplinary knowledge of this process of transformation is crucial for a better understand of early urban developments in Antwerp and far beyond. It is clear that research in Antwerp will in the years to come focus on urban genesis.
In 2007, the Flanders Heritage Agency could for the first time document archaeologically the monumental remnants of the Lord of Rivieren's residence in Celrode (commune of Aarschot). His dungeon or tower residence - really a small fortress with the different components built on top of each other - was already known from historical sources and pictures in the 16th century Albums De Croy, the location of his domain could be deducted from maps and plans from the land registry. The on site research not only allowed us to locate the tower exactly, but also provided building technical information on the mediaeval tower and a glimpse of its decay in the Modern Age. The impressive tower residence measures 10 x 10 meters and is therefore one of the largest in the Limburg and Brabant region. It is situated 18 meters to the ESE of the present castle. The foundation and ascending walls are between 2 and 4 meters large and completely made of imported Cobertange sand-lime bricks, all of it on a network of alder-wood poles. Whether this tower can be identified as the first castle of the Lord of Rivieren is unsure. The construction of the latter could be dated with historical sources before 1260, the remnants can now archaeologically not be dated more precisely than pre1400. During the 18th century the tower is integrated in a brick building and eventually disappears as a material relic. Late 19th century the print of the land registry is definitely lost. The research also revealed a glimpse of a building which possibly served as entrance to the tower residence. The apparent re-use of building materials in this gate complex suggests the existence of a prior dungeon in ironstone.
THE 'CIRCLE' OF VER-ASSEBROEK: PREHISTORIC SANCTUARY OR MEDIAEVAL FORTIFICATION? The circular structure of Ver-Assebroek had already been known for a longtime, but there has been much speculation on its nature and dating. On a pure morphological basis the monument bears strong similarities both with neolithic henge-monuments as well as with mediaeval fortifications. The research carried out in 2009 consisted of four different components: studies of history, of geo-
M&L I 67
physics, landscape and archaeological bore mapping and trial trenches. The monument's location in the landscape is quite remarkable. It is situated in a bowl-shaped depression, the result of developing drifting sandy ridges and small ponds in the area nearthe end ofthe last ice age. The development of gyttja (muddy sediment) and peat indicates a gradual filling. At the time when the monument is constructed, the area is still a marshy alder wood. The site consists of a central island and four more or less concentric moats, divided by three walls. Very little ofthe original embankments ofthe dwelling island and ofthe walls had been preserved, but it had consisted of imported sand at the basis mixed with peat and calcareous gyttja. The central island has a diameter of app. 35 meters. Only a demolition trace indicates the presence of a building. The width ofthe 4 moats diminishes and they have been dug through the calcareous gyttja. Moat 1 and to a lesser extent moat 2 - contain various building materials, earthenware, metal objects and so on. The typo-chronological study of the earthenware, radiocarbon dating and dendrochonological analyses allow us to set 1175 AD as terminus post quem, at least for the construction of the monument. The earthenware found in the moats dates from the 13th but more from the 14th century. The monument seems to have been abandoned relatively quickly as ofthe 15th century. The historical research provided strong indications the monument could be identified as the Assebroek castle. The main indication was the mention Casteel van Afsebrouck at the location ofthe circular monument on a map from 1636. The feudal estate originally belonged to the lords of Assebroek, a noble family close to the court of the counts of Flanders. Historical sources mention a Heer van Assebroek (Lord of Assebroek) for the first time in 1187, suggesting there was in that year - in whatever form - a feudal estate/property. The feudal property seems to be very specifically linked to revenues from the old count's domains, namely revenues from the cutting and sale of peat. Typologically the castle is related to the so-called round castles, as they were known in Holland between the 12th and 14th century. The exceptional monumental nature of this castle, its location in the landscape and the position ofthe founders, can be seen in the light of socio-economic and socio-political developments at the heart of the county of Flanders, at that time one ofthe most advanced regions in Europe. It was an interactive artefact which was not passively used as a mere fortification or dwelling, but which spread a message. It incorporated a choice and conducted a dialogue with the global view ofthe founding noble family, with the social network around the count's dynasty as well as with visions on the construction and significance of castles in the southern North Sea area.
68 I M&L
THE BEERSEL CASTLE. AN ASSESSMENT FOLLOWING THE RESTORATION'S FIRST PHASE The restoration of the Beersel castle has acquired an exemplary role by combining research of archaeology and building history, the restoration works and information of the general public. The archaeological research is linked to the planning ofthe different phases of restoration and is managed by the planning committee formulating the issues for the archaeological team, based on a number of castellological questions regarding the Beersel castle site which would remain unanswered without archaeological research. The combination of different observations during the studies of archaeology and building history (radiocarbon dating, research of stone carving techniques on the white sand-lime bricks, brick sizes and typology of loopholes), allowed to date the castle's construction in the 14th century, possibly with works continuing until the early 15th century. Research of the building history (with additional registration of fire traces) allowed to design a 3D-model with an exact mapping ofthe original castle's elements which had resisted the bombardment in 1489, and ofthe parts which had been reconstructed around 1500 and finally the crownings reconstructed by R. Pelgrims de Bigard. The major part ofthe earthenware discovered in the moat, most of it near the outlets ofthe chutes, seems to date from the 15th until the mid 16th century with a minimal mix of material from the second half of the i5th and early 17th century. The debris around the castle's foundation seems somewhat more recent, dating from the second half of the 16th and early 17th century. The lack of pottery more recent than the first half of the 17th century indicates that the castle has not been inhabited intensively after this period. The research report of the building history and archaeology is of course only a state of affairs. Quite a lot of archaeological material still needs to be studied more closely and a new investigation has been scheduled on the inner court during the actual restoration of the castle's ascending walls. This will hopefully provide a definitive answer as to the existence of an older earthen fortification or residence.
4 M&L ONLINE <•
IVI&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!
Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!
restoration works In eigen huis / Restauratie is meer dan nostalgie. Meer dan angstvallig bewaren wat ooit was. Restauratie blaast de pracht van ons erfgoed nieuw leven in en integreert het met de kracht van het hier en het nu. Daarom zijn restauratiewerken ons op het lijf geschreven. We slaan de brug tussen traditie en hightech. We hanteren de meest innovatieve bouwtechnieken, maar we hebben het grootste respect voor het oorspronkelijke karakter van ons erfgoed. Bij Denys beheersen we alle restauratietechnieken en voeren we ze uit met eigen mensen en materieel. Dat is de beste garantie op feilloze kwaliteit binnen de gestelde stricte deadlines. Foto l De koepel van de monumentale Sint-Pieterskerk in Gent (BE) schittert in zijn oorspronkelijke glorie. Denys restau reerde het interieur van de barokke koepel.
www.denys.com
OEIMVS
TUNNELLING WORKS / CIVIL WORKS / WATER WORKS / RESTORATION WORKS / BUILDING WORKS / PIPELINE WORKS / DREAM WORKS